|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2010-2011, 32 696
Opheffing
van het Spaarfonds AOW
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Geschiedenis van het Spaarfonds AOW |
| 3 |
Maatregelen voor houdbaarheid van de
overheidsfinanciën en de AOW |
| 4 |
Budgettaire en financiële gevolgen
wetsvoorstel |
| 4.1 |
EMU-saldo-effecten |
| 4.2 |
Koopkrachteffecten |
| 4.3 |
Administratieve lasten |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikel
I |
Algemeen
1.
Inleiding
Het
Spaarfonds AOW is ingesteld met ingang van 1998 (Wet
van 29 april 1998 tot wijziging van de Wet financiering
volksverzekeringen houdende regels omtrent de maximering van het
premiepercentage en de mogelijkheid van verstrekking van rijksbijdragen
voor de algemene ouderdomsverzekering, alsmede omtrent de vorming van
een Spaarfonds AOW (Stb. 1998, 262) (Kamerstukken
25 699), met terugwerkende kracht in werking getreden met ingang van
1 december 1997).
Het kabinet heeft besloten om in lijn
met het advies van de Studiegroep
Begrotingsruimte van 1 april 2010 het
Spaarfonds AOW op te heffen, ten behoeve
van grotere transparantie en helderheid
van de overheidsfinanciën (Kamerstukken
32 123, nr. 52, Risico’s en
zekerheden, Dertiende rapport
Studiegroep Begrotingsruimte, pagina 70-71).
Hierover kan het volgende worden
opgemerkt.
In de tweede helft van de jaren negentig
leidde het vraagstuk van de
financierbaarheid van de
oudedagsvoorziening tot onzekerheid bij
mensen over de toekomst van de AOW. Het
kabinet vond een volwaardig
AOW-basispensioen wenselijk en mogelijk.
In de nota "Werken aan zekerheid"
(Kamerstukken II 1996-1997, 25 010, nr. 1-2)
is beargumenteerd dat de oplopende
kosten van de vergrijzing kunnen worden
opgevangen door terugdringing van het
financieringstekort en de staatsschuld.
De noodzaak hiervan is zichtbaar gemaakt
door introductie van een Spaarfonds AOW.
Met het spaarfonds kwam de
verantwoordelijkheid van het Rijk tot
uitdrukking om te zorgen dat de
werkenden van nu straks ook een
AOW-uitkering kunnen ontvangen. Een
belangrijke functie van het fonds was
zekerheid bieden over de toekomstige
financiering van de AOW-uitgaven.
Inmiddels wordt de discussie over de
langetermijnhoudbaarheid van de
overheidsfinanciën intensief gevoerd.
Vanaf het jaar 2000 berekent
bijvoorbeeld het CPB [Centraal
Planbureau, red.] de langetermijnhoudbaarheid van de Nederlandse
overheidsfinanciën (Vergrijzing
verdeeld; Toekomst van de Nederlandse rblz.|2|
Overheidsfinanciën, CPB, juni 2010, nr.
86). Bovendien zijn er voorstellen
gedaan om de AOW
ook voor de toekomst
zeker te stellen. Deze benadering geeft
nieuwe handvatten voor het beleid
gericht op zekerheden voor de AOW in de
toekomst en maakt het mogelijk het
spaarfonds AOW op te heffen.
2.
Geschiedenis van het Spaarfonds AOW
Met het Spaarfonds AOW werd de noodzaak
van het terugdringen van het
financieringstekort en de staatsschuld
inzichtelijk gemaakt met als doel om de
piek in de AOW-uitgaven op te kunnen
vangen en daarvoor een zo stevig
mogelijke financiële basis te creëren.
Gedurende een groot aantal jaren zouden
stortingen worden gedaan in het
Spaarfonds AOW. De eerste storting werd
gedaan in 1997. Er werd een structureel
niveau van de basisstorting vastgesteld
en er werd voorzien in een groeipad. Bij
instelling van het spaarfonds tekenende
zich een reductie af van de
overheidsschuld die zou leiden tot een
daling van de rentelasten. Dit betekent
dat ruimte vrij zou komen op de
begroting en een deel van deze ruimte
zou worden benut voor de financiering
van de stortingen in het Spaarfonds AOW.
Het vermogen dat aldus werd opgebouwd in
het Spaarfonds AOW zou, samen met de
rijksbijdragen, die kunnen worden
gefinancierd uit de rentevrijval,
toereikend zijn om vanaf 2020 de piek in
de AOW-uitgaven op te vangen. De
uitnamen uit het Spaarfonds AOW zouden
niet eerder dan het jaar 2020 beginnen.
Op deze wijze werd met het spaarfonds de
financiering van de piek in de AOW-uitgaven zeker gesteld. Duidelijk
was geworden dat de financierbaarheid
van de oudedagsvoorziening onder druk
kon komen te staan als gevolg van de
vergrijzing. De financiering van de
AOW-uitgaven zou bestaan uit drie
bestanddelen, te weten premie-inkomsten,
rijksbijdragen aan het Ouderdomsfonds en
vanaf 2020 uitnamen uit het Spaarfonds
AOW ten gunste van het Ouderdomsfonds.
Het AOW-spaarfonds werd ingevoerd in
1998 en werkte terug tot 1 december
1997. In deze jaren stonden twee
begrippen voor het overheidstekort
centraal, namelijk het EMU-tekort [EMU:
Economische en Monetaire Unie, red.]
en het
zogenaamde beleidsrelevante
financieringstekort. Stortingen van het
Rijk aan fondsen in 1997 en 1998
belastten het beleidsrelevante tekort.
De stortingen aan het spaarfonds waren
in deze definitie relevant voor het
tekort en de stortingen gingen - gegeven een tekortdoelstelling van het
Rijk - ten koste van de ruimte voor
andere uitgaven. In die zin droegen
stortingen in het AOW-spaarfonds bij aan
versnelde schuldaflossing. Het kabinet
heeft ervoor gekozen vanaf het jaar
1999 slechts één tekortdefinitie te
hanteren, namelijk het EMU-saldo conform
het verdrag van Maastricht in 1992.
Bijdragen van het Rijk aan de sociale
fondsen, waaronder het spaarfonds,
belastten dit tekort niet omdat deze
bijdragen als een niet-relevante
onderlinge betaling tussen Rijk en
sociale fondsen werden gezien.
Naast instelling van het Spaarfonds AOW
werd besloten tot maximering van de
premieheffing AOW
met aanvulling van de
resterende financieringsbehoefte uit
algemene middelen. Daarmee zou een
geleidelijk toenemende partiële
financiering van de AOW uit algemene
middelen ontstaan. Deze geleidelijke
financieringsverschuiving van de fondsen
naar de rijksbegroting verbreedde het
draagvlak.
Jaarlijks zijn bedragen toegevoegd aan
het Spaarfonds AOW. Dit geschiedde elk
jaar bij afzonderlijke begrotingswet
voor het Spaarfonds AOW. Er is met deze
toevoegingen weliswaar geen
daadwerkelijk vermogen buiten de
schatkist opgebouwd, maar dat was en is
wel de enige mogelijkheid om de noodzaak
van schuldreductie en reservering rblz.|3|
voor de vergrijzing invulling te geven
zonder het EMU-saldo te belasten. Opbouw
van vermogen buiten de schatkist zou in
de spaarperiode het EMU-saldo belasten.
Om onnodige
administratieve rompslomp te voorkomen,
is er indertijd voor gekozen om het AOW-spaarfonds vorm te geven als zichtbaar
gemaakte aflossing van de staatsschuld
ten behoeve van de toekomstige
betaalbaarheid van de AOW. Het
AOW-spaarfonds bevat dus geen
vermogenstitels, maar is een registratie
van een op specifieke titel afgeloste
schuld. Ook efficiëntie was een
argument. Het was vanuit de optiek van
efficiënt en geïntegreerd
middelenbeheer niet opportuun om voor de
vergrijzing daadwerkelijk vermogen
buiten de schatkist op de kapitaalmarkt
op te bouwen en tegelijk op diezelfde
kapitaalmarkt te lenen gelet op de
negatieve begrotingssaldo’s in die
jaren.
Bij de begrotingswet (Kamerstuk 32 500
E, vaststelling van de begrotingsstaat
van het Spaarfonds AOW voor het jaar
2011) is aanvankelijk een bedrag
toegevoegd aan het spaarfonds voor het
jaar 2011. Dit bestaat uit het saldo van
het jaar 2010 en toevoeging vanuit de
begroting van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en
rente-ontvangsten. Bij nota van
wijziging (Kamerstukken 32 500 E, nr. 3)
is de toevoeging ongedaan gemaakt. Per
saldo is geen bedrag naar het Spaarfonds
AOW meegenomen in 2011, vooruitlopende
op opheffing van het spaarfonds.
3.
Maatregelen voor houdbaarheid van de
overheidsfinanciën en de AOW
Een robuuste AOW
vereist robuuste
overheidsfinanciën. Het kabinet neemt
dan ook maatregelen om de houdbaarheid
van de overheidsfinanciën in brede zin
te verbeteren. In het Regeerakkoord is
een breed pakket van maatregelen
aangekondigd, waarmee de komende jaren
een forse stap zal worden gezet richting
het houdbaar maken van de
overheidsfinanciën. Verhoging van de
AOW-leeftijd en de aanpassing van het
zogenaamde Witteveenkader (fiscale
behandeling aanvullende pensioenen)
zullen onderdeel van dit pakket van
maatregelen uitmaken.
4.
Budgettaire en financiële gevolgen
wetsvoorstel
De budgettaire effecten van opheffing
van het Spaarfonds AOW zijn nihil. Het
Spaarfonds AOW houdt een
rekening-courant aan bij het ministerie
van Financiën en is daarmee onderdeel
van het Rijk. Onderstaande tabel laat
zien dat de betalingen van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en het ministerie van
Financiën gelijk zijn aan de
ontvangsten van het Spaarfonds AOW,
waarmee de budgettaire effecten voor het
Rijk als geheel nihil zijn.
| Budgettaire
effecten Spaarfonds AOW |
|
2009 |
| Ministerie
van SZW |
–
bijdrage SZW |
–€|3.199.151,- |
| Ministerie
van Financiën |
–
rentebijdrage |
–€|1.594.498,- |
| Spaarfonds
AOW |
+
bijdrage SZW
+ rentebijdrage |
x€|3.199.151,-
x€|1.594.498,- |
| Totaal
Rijk (EMU-relevant) |
0 |
xxxxxxxx€|0,- |
rblz.|4|
4.1.
EMU-saldo-effecten
Dit
wetsvoorstel heeft geen effect op het
EMU-saldo. Zoals bovenstaande tabel laat
zien, zijn de budgettaire effecten binnen
het Rijk als geheel nul. Het EMU-saldo
is zo gedefinieerd dat onderlinge
betalingen binnen het Rijk geen invloed
hebben op het saldo.
4.2.
Koopkrachteffecten
Dit
wetsvoorstel heeft geen
koopkrachteffecten.
4.3.
Administratieve lasten
a.
Administratieve lasten burgers en
werkgevers
Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen
voor de administratieve lasten voor
burgers en evenmin gevolgen voor de
administratieve lasten voor werkgevers.
b.
Administratieve lasten Rijk
Dit wetsvoorstel heeft een klein
verlichtend effect op de administratieve
lasten van de Rijksoverheid. Met dit
wetsvoorstel vervalt de administratie en
het beheer van het Spaarfonds AOW.
Daarmee vervalt ook de noodzaak om
jaarlijks een begrotingswet te maken en
in de Tweede Kamer te behandelen.
Artikelsgewijze
toelichting
In verband met de opheffing van het
Spaarfonds AOW kunnen de volgende
bepalingen of onderdelen hiervan van de
Wet financiering sociale verzekeringen
vervallen.
- Artikel 1: Definitie bepaling
Spaarfonds AOW in onderdeel h: vervalt.
- Artikel
84: Prognose benodigde
middelen tot dekking van de lasten van
de AOW: het zinsdeel over de ontvangsten
en uitgaven van het Spaarfonds AOW
vervalt.
- Artikel
86: Het spaarfonds en de bestemming van het gerealiseerde batig
saldo: vervalt.
- Artikel
87: Toevoeging jaarlijkse
rijksbijdrage aan het Spaarfonds AOW:
vervalt.
- Artikel
88: Betaling AOW uit Spaarfonds AOW vanaf het jaar 2020:
vervalt.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|