|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2010-2011, 32 543
Wijziging
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enkele andere
wetten in
verband met de instelling van het zelfstandig bestuursorgaan CAK
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Instelling publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan |
| 3 |
Taken CAK |
| 4 |
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen |
| 5 |
Bevoegdheden en verantwoordelijkheden in
huidige en toekomstige situatie |
| 6 |
Geldstromen in huidige en toekomstige
situatie |
| 7 |
Toezicht en controle publiekrechtelijk
CAK |
| 8 |
Overgang en overgangsrecht |
| 9 |
Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid |
| 10 |
Financiële gevolgen omvorming tot
publiek zelfstandig bestuursorgaan |
| 11 |
Administratieve lasten |
| 12 |
Europeesrechtelijke aspecten |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m IX |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
voorstel van wet strekt ertoe een (publiekrechtelijk) zelfstandig
bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid in te stellen dat de
wettelijke taken van het huidige CAK BV ¹ gaat uitvoeren. Deze
toelichting wordt gegeven mede namens de Staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1. Voorheen ook wel centaal
administratiekantoor geheten.
Het
huidige CAK BV is een private
organisatie: een besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid waarvan
de zorgverzekeraars aandeelhouder zijn.
Het
CAK BV verricht diverse taken in het
domein van de zorg. De oudste taak is
het namens de zorgverzekeraars en namens
het College voor zorgverzekeringen (CVZ)
zorg dragen voor de centrale betaling
aan AWBZ-zorgaanbieders. In de loop van
de tijd is het CAK BV op verzoek van de
overheid één voor één additionele
wettelijke taken gaan uitvoeren. Het CAK
is daardoor de afgelopen jaren in korte
tijd sterk in omvang en takenpakket
gegroeid. Het CAK BV voert nu zowel de
regelingen voor de eigen bijdragen
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) en Wet maatschappelijke
ondersteuning (Wmo) uit als de
compensatie voor het eigen risico (CER)
ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw)
en de verlening van tegemoetkomingen op
grond van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg).
Het CAK BV is op dit moment aan te
merken als privaatrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan.
Stapsgewijs
is een situatie ontstaan waarin een
organisatie van verzekeraars steeds meer
een uitvoeringsorganisatie van publieke
taken is geworden. Het CAK BV voert wet-
en regelgeving uit die van wezenlijk
belang is voor grote groepen cliënten
en verricht daarnaast nauwelijks andere,
private taken. Tegelijkertijd zijn er in
de loop van de tijd onvoldoende publieke
waarborgen gecreëerd om goede
dienstverlening aan cliënten te kunnen
garanderen door ook in formele zin als
overheid rblz.|2|
sturing te kunnen geven aan en
zeggenschap te hebben over deze
dienstverlening, met een passende
verantwoordingsstructuur.
In
dit verband kan worden gewezen op de
ervaringen met de uitvoering van de
eigen bijdragen voor de intramurale zorg
eind 2007, waarna onder andere is
geconstateerd dat de publieke
sturingsmogelijkheden op het CAK BV
beperkt zijn. In 2008 is door Berenschot
onderzoek gedaan naar de knelpunten rond
het CAK.¹ In vervolg op het
beginselbesluit van het kabinet, zoals
weergegeven in de brief van 3 oktober
2008 (Kamerstukken II 2008-2009, 29 689, nr. 224) en de brief van 7 april
2009 (Kamerstukken II 2008-2009, 29 689, nr. 255), is
de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 7
december 2009 geïnformeerd over het
voornemen tot uitvoering van de huidige
CAK-taken door een publiekrechtelijk
zelfstandig bestuursorgaan (Kamerstukken
II 2009-2010, 29 689, nr. 281). Uit de
schriftelijke vragen van de
verschillende kamerfracties bleek
vervolgens draagvlak te bestaan voor
publieke verankering van deze taken.²
1. "Rapportage
onderzoek CAK-BZ", Berenschot, 30 september 2008, welke rapportage
met begeleidende brief van 3 oktober naar de Tweede Kamer is gezonden
(Kamerstukken II 2008-2009, 29 689, nr. 224).
2. Reactie van de Kamer op voornemen van het kabinet, Kamerstukken II
2009-2010, 29 689 nr. 290.
2.
Instelling publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan
Doel
van de omvorming van het CAK BV tot
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan is dat de publieke
verantwoordelijkheid voor de wettelijke
taken wordt geborgd met de bij deze
taken passende mogelijkheden voor
publieke aansturing, zeggenschap en
verantwoording daarover. Dit vanwege het
belang van een kwalitatief goede en
tijdige uitvoering voor de veelal
kwetsbare cliënten.
De
betrokken taken zijn voorheen door de
wetgever opgedragen aan het
privaatrechtelijke zelfstandig
bestuursorgaan CAK BV. Door de
wettelijke taken die thans door het CAK
BV worden uitgevoerd in de toekomst door
een publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan te laten uitvoeren, wordt
voldaan aan het in artikel 4 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen (hierna: Kaderwet) opgenomen
uitgangspunt dat alleen een orgaan van
een krachtens publiekrecht ingestelde
rechtspersoon met openbaar gezag wordt
bekleed. De Kaderwet
- die niet van
toepassing is op het CAK BV -
zal van
toepassing zijn op het
publiekrechtelijke zelfstandig
bestuursorgaan CAK. Als gevolg daarvan
heeft de minister een aantal belangrijke
instrumenten in handen om zijn
ministeriële verantwoordelijkheid te
kunnen effectueren.
Het
kabinet heeft mede gezien de bestaande
situatie gekozen voor instelling van een
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan.¹ Zoals aangegeven in de
brief aan de Tweede Kamer van 7 december
2009 ² heeft een afweging plaatsgevonden
van de verschillende mogelijkheden.
Alles afwegend heeft het kabinet ervoor
gekozen de continuïteit van de
taakuitvoering voorop te stellen, zodat
de cliënten geen nadeel ondervinden van
de omvorming. Met de keuze voor een
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan met eigen
rechtspersoonlijkheid worden de
transitierisico’s geminimaliseerd en
worden voldoende instrumenten verkregen
om de publieke verantwoordelijkheden
waar te maken.
1. Zie ook het
kabinetsstandpunt over het rapport "Een herkenbare staat:
investeren in de overheid", Kamerstukken II, 25 268, nr. 20.
2. Kamerstukken II 2009-2010, 29 689, nr. 281.
Het
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan CAK maakt geen onderdeel
uit van de rechtspersoon Staat, maar
heeft eigen rechtspersoonlijkheid. Dit
maakt het mogelijk om op eigen titel
deel te nemen aan het civielrechtelijke
rechtsverkeer, net als de huidige
uitvoeringsorganisatie, het CAK BV, en
de met het publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan CAK vergelijkbare
organisaties dat kunnen. Het is van
belang dat het CAK zelfstandig
contracten kan sluiten en personeel aan
kan nemen, anders dan in volmacht of
mandaat. Dit laatste kan ook van belang
zijn om wat betreft de
arbeidsvoorwaarden van de
CAK-medewerkers (tijdelijk) af te wijken
van de arbeidsvoorwaarden die gelden
voor ambtenaren op de ministeries.
Bovendien kunnen de medewerkers die
afkomstig zijn van CAK BV dan in dienst
komen bij het publiekrechtelijk
zelfstandige bestuursorgaan CAK in
plaats van te worden aangesteld bij rblz.|3|
het
Rijk, wat de overgang voor veel
medewerkers van CAK BV zal
vergemakkelijken.
Het
nieuwe publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan valt onder de reikwijdte
van de Kaderwet.
Die wet is van
rechtswege van toepassing op alle
zelfstandige bestuursorganen die worden
ingesteld na 1 februari 2007. De
Kaderwet vormt derhalve het raamwerk
waarbinnen dit wetsvoorstel is
vormgegeven. Op een enkel punt wordt van
de Kaderwet afgeweken. Deze afwijkingen
zijn in dit wetsvoorstel geregeld
(verwezen wordt naar de artikelen I,
onderdeel B, VII en
IX alsmede de
toelichting op die artikelen).
3.
Taken CAK
Het
publiekrechtelijk CAK wordt belast met
de volgende huidige wettelijke taken van
het CAK BV. Dit zijn:
- het vaststellen en innen van de eigen
bijdragen op grond van de AWBZ en de
Wmo;
- het ambtshalve vaststellen en uitkeren
van de tegemoetkomingen op grond van de Wtcg;
- het vaststellen en betalen van de
uitkeringen op grond van artikel 118a
van de Zvw (compensatie eigen risico);
alsmede
- het namens zorgverzekeraars of het CVZ
verrichten van betalingen aan
zorgaanbieders, welke zij uit hoofde van
de uitvoering van deze wet [lees: de AWBZ,
red.] verschuldigd
zijn.
Het
CAK heeft geen andere taken dan de bij
wet opgedragen taken. Wat betreft de
mogelijkheden voor het CAK om andere
werkzaamheden te verrichten dan de
wettelijke taken wordt verwezen naar de
toelichting op artikel 49.
Het
CAK heeft bij de uitvoering van deze
taken te maken met een groot aantal
cliënten, die zich veelal in een
kwetsbare situatie bevinden. Het is van
belang dat de ontwikkelingen naar een
meer klantgerichte uitvoering die bij
het CAK BV in gang zijn gezet, binnen
het publiekrechtelijk zelfstandige
bestuursorgaan CAK worden voortgezet,
opdat het CAK op een klantgerichte en
klantvriendelijke wijze de taken
vervult.
In
artikel 49 van de AWBZ
worden de huidige
taken van het CAK opgesomd. De bundeling
van de taken van het CAK in artikel 49
AWBZ heeft geen gevolgen voor de omgang
met en verdere verwerking van
persoonsgegevens. Net als in de huidige
praktijk zal worden gewerkt in
overeenstemming met de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de bepalingen
in de Wtcg
hieromtrent.
4.
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
Dit
wetsvoorstel strekt ertoe CAK BV om te
vormen tot een publiekrechtelijk
zelfstandig bestuursorgaan met eigen
rechtspersoonlijkheid in de zin van de Kaderwet. Zoals aangegeven
in paragraaf 2 valt
dat publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan onder de reikwijdte van
de Kaderwet en vormt de Kaderwet het
raamwerk voor dit wetsvoorstel. De
Kaderwet geeft regels over de
bevoegdheden van de minister jegens een
zelfstandig bestuursorgaan en over de
verplichtingen die een zelfstandig
bestuursorgaan jegens de minister in
acht dient te nemen.
De Kaderwet
draagt allereerst bij aan de
ordening in organisatieregelingen (onder
andere door middel van de bepalingen
over benoeming en ontslag van leden,
bezoldiging en nevenfuncties).
Ten
tweede draagt de Kaderwet bij aan een
heldere regeling van de ministeriële
verantwoordelijkheid. Door de bepalingen
over toezicht en rblz.|4|
sturing ontstaat een
voor de democratische controle
noodzakelijke inzichtelijke
bevoegdhedenverdeling. Ten derde wordt
helderheid gegeven met betrekking tot de
financiële controle op zelfstandige
bestuursorganen (begroting en
verantwoording).
Tot
slot wordt bijgedragen aan vergroting
van het publieke inzicht in zowel het
vóórkomen als het functioneren van
zelfstandige bestuursorganen (register,
vijfjaarlijkse evaluatie).
Omdat
het CAK een publiekrechtelijk
zelfstandig bestuursorgaan met eigen
rechtspersoonlijkheid is, zijn daarop,
naast de algemene bepalingen van de
hoofdstukken 1 en 5, de bepalingen van
toepassing die zijn opgenomen in de
hoofdstukken 2 en 3 en de afdelingen 1
en 2 van hoofdstuk 4 van de Kaderwet.
Dientengevolge behoeven de in die
bepalingen geregelde aspecten in
beginsel geen regeling in dit
wetsvoorstel.
5.
Bevoegdheden en verantwoordelijkheden in
huidige en toekomstige situatie
In
de huidige situatie geldt dat het CAK BV
geleidelijk is belast met steeds meer
wettelijke taken en daar ook voor wordt
gefinancierd, zonder dat (nog) is
voorzien in adequate aansturing door en
verantwoording aan de minister. Hierdoor
is de ongewenste situatie ontstaan dat
de minister en daarmee ook het parlement
relatief weinig zeggenschap heeft over
de uitvoering van wezenlijke publieke
taken, die van wezenlijk belang zijn
voor grote groepen cliënten.
In
de toekomstige situatie geldt dat de minister
over meer sturingsmogelijkheden
beschikt. De minister geeft sturing aan
het zelfstandig bestuursorgaan onder
andere doordat op grond van de Kaderwet
de goedkeuring van de minister vereist
is van het bestuursreglement van het
zelfstandig bestuursorgaan en de leden
van een zelfstandig bestuursorgaan door
de minister worden benoemd, geschorst en
ontslagen. Ook stelt de minister de
bezoldiging of schadeloosstelling van de
leden vast. Voorts kan de minister
beleidsregels stellen met betrekking tot
de taakuitoefening door een zelfstandig
bestuursorgaan en, als ultimum remedium,
besluiten van een zelfstandig
bestuursorgaan vernietigen. In geval van
taakverwaarlozing kan de minister de
noodzakelijke voorzieningen treffen.
Daarnaast behoeven de vaststelling van
de begroting en de jaarrekening van een
zelfstandig bestuursorgaan de
goedkeuring van de minister en kan de
minister bepalen dat een zelfstandig
bestuursorgaan voorafgaande toestemming
van de minister moet vragen voor
bijvoorbeeld het oprichten van nieuwe
rechtspersonen en het verwerven of
vervreemden van goederen.
Het
CAK zal volgens een vergelijkbare
financiële en beheersmatige cyclus gaan
werken als andere publieke zelfstandige
bestuursorganen, zoals de Nederlandse
Zorgautoriteit (NZa) en het CVZ. Dit vergroot de
transparantie en de eenduidigheid, zowel
voor het zelfstandig bestuursorgaan als
voor de minister en het parlement. Het
zelfstandig bestuursorgaan stelt
jaarlijks een jaarverslag op dat naar de
minister en het parlement wordt gestuurd
(artikel 18 Kaderwet). Tegelijkertijd
wordt de jaarrekening met betrekking tot
de beheerskosten en de tegemoetkomingen
op grond van de Wtcg
bij de minister
ingediend. De jaarrekening behoeft de
goedkeuring van de minister (verwezen
wordt naar artikel 34 Kaderwet). Over de
fondsen wordt - net als thans - door
het CAK BV informatie aangeleverd aan
het CVZ, die dat verwerkt in het financieel jaarverslag fondsen.
De
minister stuurt elke vijf jaar een
verslag aan het parlement ter
beoordeling van de doelmatigheid en
doeltreffendheid van het functioneren
van het zelfstandig bestuursorgaan
(artikel 39 Kaderwet).
rblz.|5|
Zoals
aangegeven in het onderzoek van
Berenschot worden de knelpunten rond CAK
BV deels veroorzaakt doordat CAK BV in
belangrijke mate afhankelijk is van de
informatie van andere organisaties, de
ketenproblematiek. Zo is onder andere
informatie noodzakelijk die moet worden
aangeleverd door de zorgkantoren, de
zorgverzekeraars, de zorgaanbieders, de belastingdienst en de
gemeentelijke basisadministratie (GBA).
In
vervolg op dit onderzoek wordt, onder
leiding van het ministerie van
VWS,
regelmatig overleg gevoerd met alle
ketenpartners om heldere afspraken te
maken over het aanleveren van gegevens
en de wederzijdse verantwoordelijkheden.
In dit verband worden - net als thans
al geldt ten aanzien van de uitvoering
van de Wtcg
- in de AWBZ (artikel
55,
derde en vierde lid) en de Zvw
(artikel 89, derde en vierde lid) bepalingen
opgenomen waardoor de minister
indien
noodzakelijk zorgverzekeraars en
zorgaanbieders hierop kan aanspreken en
ter zake sancties kan opleggen.¹ De
minister neemt deze verantwoordelijkheid
op zich om een goede taakuitvoering door
het publiekrechtelijke CAK te kunnen
faciliteren en krijgt hiermee de
doorzettingsmacht waarop de Tweede Kamer
bij de behandeling van het wetsvoorstel
Wtcg breed heeft aangedrongen.² Er is
geen aanleiding om een vergelijkbare
bepaling op te nemen in de Wmo, met
betrekking tot de aanlevering van
persoonsgegevens door de belastingdienst.
1.
Een dergelijke bepaling is reeds
opgenomen in de Wtcg,
artikelen 5 en 6.
2. Kamerstukken II 2008-2009, 31 706,
nr. 20.
Op
grond van artikel 20 van de Kaderwet
geldt voor het CAK een
inlichtingenplicht. Op grond hiervan kan
de minister
als dat voor de vervulling
van zijn taak redelijkerwijs nodig is - en dus bijvoorbeeld ook door de
vaststelling van een informatiestatuut
of informatieprotocol -, zijn
informatiebehoefte nader specificeren.
Dit stelt de minister in de gelegenheid
relevante uitvoeringsinformatie waarover
het CAK beschikt te betrekken bij de
beleidsvorming op het terrein waarop het
CAK actief is. Hiermee wordt zowel recht
gedaan aan de taakvervulling door de
minister als aan de reikwijdte van
artikel 20 Kaderwet, dat de
informatieplicht begrenst.¹
1. Kamerstukken II
2000-2001, 27 426, nr. 5, blz. 781.
6.
Geldstromen in huidige en toekomstige
situatie
Voor
een goed begrip van de bekostiging van
het CAK is het van belang onderscheid te
maken tussen de verschillende
geldstromen waar het CAK mee te maken
heeft.
Die
geldstromen vloeien uiteraard direct
voort uit de verschillende taken, zodat
deze hieronder per taak worden
weergegeven. Hierbij zal worden
aangegeven hoe de situatie is ten
aanzien van CAK BV en hoe de situatie
zal zijn ten aanzien van het
publiekrechtelijke zelfstandige
bestuursorgaan CAK.
A. De
vaststelling en inning van de eigen
bijdragen op grond van de AWBZ
De geïnde bijdragen komen op grond van
artikel 90, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet financiering sociale verzekeringen
ten gunste van het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Het CAK
BV draagt deze bijdragen derhalve af aan
dat fonds. Ook het publiekrechtelijk
orgaan CAK zal de betrokken bijdragen
aan het AFBZ afdragen.
De
beheerskosten van CAK BV die gemoeid
zijn met het innen van de betrokken
eigen bijdragen worden op grond van
artikel 4.5 van het Besluit
Wfsv jaarlijks door het CVZ
vastgesteld en
uit het AFBZ aan CAK BV betaald. Vanuit
de algemene verantwoordelijkheid van de minister
voor het goed functioneren van
het CAK is besloten de beheerskosten
voortaan door de minister te laten
vaststellen en tezamen met de andere
beheerskosten voor de uitvoering van de
wettelijke taken (en de tegemoetkomingen
op grond van de Wtcg; zie hieronder) op
te nemen in rblz.|6|
een jaarlijks door de
minister vast te stellen en aan het
publiekrechtelijk CAK te betalen budget.
Door in het budget de beheerskosten voor
alle wettelijke taken van het CAK op te
nemen, ontstaat een voor de minister zo
optimaal mogelijke transparantie ter
zake, zodat de minister het door het CAK
gevoerde beheer goed kan controleren.
Het bedrag voor beheerskosten uit het
AFBZ zal derhalve worden overgeheveld
naar de begroting ten behoeve van het
beheerskostenbudget voor de wettelijke
taken van het CAK.
B. De
vaststelling en inning van de eigen
bijdragen op grond van de Wmo
Gemeenten kunnen op grond van artikel 15
van de Wmo bepalen dat personen aan wie
maatschappelijke ondersteuning is
verleend daarvoor een eigen bijdrage
zijn verschuldigd. Die eigen bijdragen
worden vastgesteld en geïnd door CAK
BV, die hiertoe thans bij AMvB is
aangewezen op grond van artikel 16 van
de Wmo. CAK BV draagt de geïnde
bijdragen vervolgens af aan de betrokken
gemeenten. Het onderhavige wetsvoorstel
beoogt hierin geen wijziging te brengen;
ook het publiekrechtelijke orgaan CAK
zal de geïnde bijdragen aan de
gemeenten afdragen. Wel zal de taak van
het publiekrechtelijke orgaan CAK om de
betrokken bijdragen te innen in de wet
worden neergelegd (artikel
49, onderdeel
b, AWBZ
en artikel 16
Wmo; aangepast in
artikel I, onderdeel B,
onderscheidenlijk artikel III, onderdeel
B).
De
beheerskosten van CAK BV die gemoeid
zijn met het innen van de betrokken
eigen bijdragen worden thans voldaan uit
de door CAK BV bij de gemeenten daartoe
in rekening gebrachte tarieven.
Gemeenten ontvangen hiervoor een
bijdrage uit het gemeentefonds. Zoals
hierboven is aangegeven, is het gezien
de algemene verantwoordelijkheid van de minister
voor het functioneren van het
CAK aangewezen dat de minister een goede
controle kan uitoefenen op de
beheerskosten en is het derhalve uit een
oogpunt van transparantie van belang dat
alle beheerskosten voor de wettelijke
taken zijn opgenomen in het door de
minister ter zake te verstrekken budget.
Dit leidt tevens tot het verminderen van
uitvoeringslasten voor de gemeenten en
het CAK.
De
beheerskosten voor de inning van de
eigen bijdragen op grond van de Wmo
zullen derhalve worden opgenomen in het
door de minister te verstrekken budget
dat uit ’s Rijks kas (derhalve de
rijksbegroting) zal worden gedekt. Dit
betekent dat in de toekomst niet langer
jaarlijks een bedrag wordt overgeheveld
vanuit de begroting van het ministerie
van VWS naar het gemeentefonds ten
behoeve van deze beheerskosten. Over dit
voornemen en met name de wijze van
uitname uit het gemeentefonds wordt
nader overleg gevoerd met de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten.
C. De
vaststelling en verstrekking van de
tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 2
van de Wtcg
In de Wtcg
is bepaald dat de minister
aan CAK BV jaarlijks een budget
verstrekt voor de kosten van de in
artikel 2 van die wet bedoelde
tegemoetkomingen alsmede voor de
beheerskosten die met de verstrekking
van die tegemoetkomingen zijn gemoeid.
Dit budget wordt gedekt uit ’s Rijks
kas. Het is de bedoeling dat in het
budget dat de minister zal verstrekken
aan het publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan CAK eveneens een bedrag
is opgenomen voor de kosten van de
tegemoetkomingen alsmede voor de
beheerskosten ter zake.
D. De
vaststelling en verstrekking van de
uitkeringen, bedoeld in artikel 118a,
van de Zvw.
In artikel
39, derde lid, onderdeel f,
van de Zvw is bepaald dat de
uitkeringen, bedoeld in artikel 118a
van
de Zvw, alsmede de met het verstrekken
van die uitkeringen gemoeide
beheerskosten ten laste komen van het
Zorgverzekeringsfonds.
rblz.|7|
Dit
betekent dat CAK BV uit het
Zorgverzekeringsfonds een bedrag
ontvangt voor de te verstrekken
uitkeringen, alsmede een bedrag voor de
beheerskosten. Dit laatste zal door het
onderhavige wetsvoorstel veranderen.
Vanuit het Zorgverzekeringsfonds wordt
voor de onderhavige beheerskosten een
bedrag overgeheveld naar de begroting,
aangezien de beheerskosten die het
publiekrechtelijke orgaan CAK zal maken
voor het verstrekken van de betrokken
uitkeringen niet langer uit het
Zorgverzekeringsfonds zullen worden
betaald, maar samen met de andere
beheerskosten deel zullen uitmaken van
het door de minister
te verstrekken
budget.
E.
Betalingen aan zorgaanbieders
Op grond van artikel 4.5 van het
Besluit
financiering sociale verzekeringen
[lees: Besluit
Wfsv, red.] keert
het CVZ jaarlijks
uit het AFBZ aan de verbindingskantoren
en het CAK het vastgestelde
beheerskostenbudget uit. Dit geldt ook
voor de taak van het CAK van het namens
de zorgverzekeraars betalen van
instellingen. Aangezien het de bedoeling
is dat de minister
voortaan de
beheerskosten ten aanzien van het CAK
vaststelt, zodat een zo optimaal
mogelijke transparantie ontstaat, is het
de bedoeling dat in het budget dat de
minister zal verstrekken aan het
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan CAK eveneens een bedrag
is opgenomen voor de beheerskosten ter
zake.
7.
Toezicht en controle publiekrechtelijk
CAK
Wat
betreft het toezicht en de controle
hebben in de huidige en toekomstige
situatie de NZa en de minister
beiden een rol ten aanzien van
het CAK. Uitgangspunt is en blijft dat
de minister de inkomsten en uitgaven van
het CAK controleert die worden
gefinancierd uit de begroting van VWS en
dat de NZa integraal toezicht houdt op
de premiegefinancierde uitgaven en
ontvangsten van het CAK. Deze heldere
verdeling van taken en
verantwoordelijkheden laat onverlet dat
zich bij de uitoefening daarvan
raakvlakken kunnen voordoen tussen de
taken en verantwoordelijkheden van de
minister en die van de NZa. In dit
verband zij gewezen op de voorgestelde
wijziging van artikel 17 van de Wmg [Wet
marktordening gezondheidszorg, red.],
alsmede op artikel 22 van de Wmg, dat
voorziet in wederzijdse
informatieverstrekking en de
vaststelling van een informatiestatuut.
Hiermee is gewaarborgd dat minister en
NZa hun taken jegens het CAK consistent
uitoefenen en dat de beoogde
taakverdeling uitvoerbaar is.
Hieronder
wordt nader beschreven op welke wijze
het toezicht op het CAK wordt
vormgegeven.
Beheerskosten
Het
gaat bij de beheerskosten van het CAK om
de kosten voor onder andere huisvesting,
personeel en ICT. Die kosten worden
gemaakt voor de uitvoering van taken die
zowel op het terrein van de AWBZ, de
Wmo,
de Zvw als de
Wtcg
liggen. Ten behoeve
van de transparantie is besloten de
beheerskosten die uit dit geheel van
wettelijke taken voortvloeien in zijn
geheel ten laste van ’s Rijks kas te
brengen. De
minister
controleert de
beheerskosten voor de wettelijke taken
van het publieke zelfstandige
bestuursorgaan CAK, welke immers
afkomstig zijn uit de begroting. Dit
voorkomt versnippering, bevordert de
transparantie en het kostenbewustzijn.
Ook worden onnodige uitvoeringslasten
voorkomen.
Kosten
gemoeid met de uitvoering van taken
Het
leeuwendeel van de kosten van de aan het
CAK toevertrouwde wettelijke taken
bestaat uit de kosten van
tegemoetkomingen in het kader van de Wtcg en compensaties van het eigen
risico in het kader van de Zvw. Deze
kosten gemoeid met de uitvoering van
taken worden - rblz.|8|
ongewijzigd - gefinancierd uit de VWS-begroting (voor
zover het de Wtcg betreft) en uit het
Zorgverzekeringsfonds (voor zover het de
Zvw betreft).
Het
CAK int eigen bijdragen in verband met
de uitvoering van de AWBZ
en de Wmo. De
geïnde eigen bijdragen AWBZ komen - ongewijzigd
- ten gunste van het AFBZ.
De geïnde eigen bijdragen Wmo worden
door het CAK overgemaakt aan de gemeente
aan welke de eigen bijdrage verschuldigd
is.
Net
als in de huidige situatie het geval is,
houdt de NZa toezicht op de (wijze van)
taakuitoefening door het CAK en de
daarbij betrokken uitgaven en geïnde
eigen bijdragen in het kader van de
CAK-taken bij de uitvoering van de AWBZ,
Zvw en Wmo. Dit is van belang voor
behoud van het integraal toezicht door
de NZa. De toezichthoudende rol van de
NZa blijft in dit opzicht ongewijzigd.
Gezien
hetgeen hierboven is opgemerkt ten
aanzien van de beheerskosten, vervalt de
toezichthoudende rol van de NZa voor
zover het gaat om de beheerskosten van
het publiekrechtelijk CAK. Dit valt
voortaan onder het toezicht van de minister.
Daarnaast
controleert de Minister
van VWS de
uitvoering van de Wtcg
(thans artikelen
7 en 8 Wtcg).
Tot
slot houdt de minister
vanuit zijn
verantwoordelijkheid voor het
zorgstelsel als geheel
(systeemverantwoordelijkheid) toezicht
op de NZa.
Voor
de volledigheid: daarnaast levert het
CAK - net als CAK BV nu - de
benodigde informatie voor de financiële
verantwoording van de fondsen door het CVZ. Dit ten behoeve van de uitvoering
van het fondsbeheer door het CVZ ten
aanzien van het Zorgverzekeringsfonds en
het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten. Vanuit zijn
verantwoordelijkheid voor het
zorgstelsel als geheel
(systeemverantwoordelijkheid) houdt de minister
toezicht op deze taak van het
CVZ.
Als
fondsbeheerder heeft het CVZ
verschillende taken, waarvan sommigen
zich ook kunnen uitstrekken tot het CAK.
Het CVZ wordt net als in de huidige
situatie in staat gesteld regels te
stellen ten aanzien van onder andere het
CAK. Het gaat hierbij om regels over
details van de uitvoering. Om deze
redenen is in dit wetsvoorstel
aangegeven dat de bevoegdheid van de
minister op grond van artikel 21 van de Kaderwet
zich niet uitstrekt tot artikel
41 van de AWBZ.
Verder
heeft de Algemene Rekenkamer bij het
publiekrechtelijk zelfstandige
bestuursorgaan CAK controlerechten op
grond van artikel 91, eerste lid, aanhef
en onder d, van de Comptabiliteitswet
2001. Derhalve kan zij bij het
publiekrechtelijk zelfstandige
bestuurorgaan CAK zowel recht- als
doelmatigheidsonderzoek verrichten,
waarbij alle relevante aspecten kunnen
worden betrokken.
8.
Overgang en overgangsrecht
Wat
betreft de wettelijke taken geldt dat
aanvragen gedaan bij CAK BV en besluiten genomen door CAK BV, na
inwerkingtreding van deze wet gelden als
aanvragen bij of besluiten genomen door
het publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan CAK. Wat betreft
wettelijke procedures en rechtsgedingen
waarbij CAK BV is betrokken, treedt met
ingang van de datum van inwerkingtreding
van deze wet het CAK ter zake in de
plaats van CAK BV. Dit draagt eraan bij
dat door de overgang van de wettelijke
taken van CAK BV naar het
publiekrechtelijk CAK de uitvoering van
de taken niet wordt belemmerd en de
cliënt geen hinder ondervindt. De rblz.|9|
overdracht van de wettelijke taken van
CAK BV naar het publiekrechtelijk CAK
vindt plaats in goed overleg met de
aandeelhouders van CAK BV.
Voor
de huidige medewerkers van CAK BV geldt
het principe dat zij de taken die naar
het publiekrechtelijke CAK overgaan,
volgen en in dienst komen bij het
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan CAK.¹ Zo kan de huidige
kennis en kunde voor de uitvoering van
de wettelijke taken worden behouden.
1.
Op dit moment werken binnen het CAK BV
circa 600 medewerkers met vast contract
of zicht op vast contract. Hiervan is
minder dan 0,5 fte belast met private
taken, ten behoeve van LinkinCare. Deze
private taak zal niet door het publieke
ZBO [zelfstandig bestuursorgaan, red.]
worden uitgevoerd. Het is aan de
aandeelhouders om te beslissen over
voortzetting van LinkinCare en de wijze
waarop dit dan gebeurt.
9.
Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
Op
grond van artikel 96 van de Comptabiliteitswet
2001 is de Algemene
Rekenkamer om een reactie gevraagd op
het wetsvoorstel. De Algemene Rekenkamer
constateert dat uit de bestudeerde
stukken niet blijkt dat het toekomstige
publiekrechtelijk zelfstandige
bestuursorgaan door de Minister
van VWS is gewezen op de controlerechten van de
Algemene Rekenkamer bij deze
rechtspersoon. Deze rechten zijn
gebaseerd op artikel 91, eerste lid,
onderdeel d, van de Comptabiliteitswet
2001.
Het advies dat hier in de toelichting
aandacht aan moet worden besteed, is
overgenomen. In paragraaf 6 van het
algemene deel van de memorie wordt hier
namelijk op ingegaan.
Aan
het College bescherming persoonsgegevens
(CBP) is overeenkomstig artikel 51,
tweede lid, van de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) verzocht advies uit te brengen
voor zover het wetsvoorstel betrekking
heeft op de verwerking van
persoonsgegevens. Het wetsvoorstel als
zodanig heeft het CBP geen aanleiding
gegeven tot het maken van inhoudelijke
opmerkingen, maar het CBP heeft wel
geadviseerd om in te gaan op de
betekenis die in de context van de door
het door het CAK te verrichten taken
toekomt aan het vereiste in artikel 9 Wbp
ter zake van verenigbaar gebruik.
Dit advies is overgenomen. In de laatste
alinea van paragraaf 3 van het algemene
deel van de memorie wordt op dit punt
ingegaan.
Ook
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is
in de gelegenheid gesteld te reageren op
het conceptwetsvoorstel. De NZa is van
oordeel dat het onwenselijk is dat de
NZa toezicht houdt op een ander
publiekrechtelijk ZBO, het CAK, omdat
het naar het oordeel van de NZa de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen minister
en NZa onhelder zou kunnen
maken. Het kabinet deelt dat oordeel
niet, mede kijkend naar andere
zelfstandige bestuursorganen zoals het College bescherming persoonsgegevens.
Daarbij komt dat de NZa nu al toezicht
houdt op werkzaamheden van het CAK en
die werkzaamheden enkel door de nieuwe
status van het CAK niet veranderen. In
dit licht ziet het kabinet geen noodzaak
om aan de omvorming van het CAK tot een
publiekrechtelijk ZBO een fundamentele
wijziging van het huidige toezicht op
het CAK - en de rol van de NZa daarin - te koppelen. Wel heeft de reactie
van de NZa ertoe geleid een wijziging
van artikel 17 van de Wmg
voor te
stellen (artikel IV, onderdeel
C). Een
gezamenlijk protocol op basis van
genoemd artikel kan een proactieve
oplossing bieden voor mogelijke
knelpunten in het toezicht en eventuele
onduidelijkheden in de onderlinge
verantwoordelijkheidsverdeling tussen de
minister en de NZa. Op grond van
opgedane ervaringen kan het protocol zo
nodig worden bijgesteld.
Daarnaast
is ook het CVZ
gevraagd te
reageren op het conceptwetsvoorstel. Het
CVZ signaleerde enkele punten van meer
technische aard welke vervolgens zijn
aangepast in het conceptwetsvoorstel.
rblz.|10|
Verder
is ook de Vereniging
van Nederlandse
Gemeenten (VNG) in de gelegenheid
gesteld te reageren op het
conceptwetsvoorstel. De VNG geeft aan er
niet op tegen te zijn over te gaan tot
centrale financiering. De VNG pleit ervoor dat de VNG - of een wethouder
namens de VNG - in het bestuur van het
zelfstandig bestuursorgaan plaats zal
nemen om invloed uit te kunnen oefenen
op het beleid en de bedrijfsvoering van
het CAK. Het kabinet ziet deze
bestuursdeelname allereerst als onnodig.
Waar aan de orde kan de VNG zich tot de minister
wenden, net als andere
belanghebbenden. Ten tweede is het
gezien vanuit de Kaderwet
ook onwenselijk. De minister benoemt de leden van een
ZBO (artikel 12 Kaderwet) en een lid mag
geen nevenfuncties bekleden die
ongewenst zijn met het oog op een goede
vervulling van zijn functie of de
handhaving van zijn onafhankelijkheid of
van het vertrouwen daarin (artikel 13 Kaderwet). Een baan als lid van of
vertegenwoordiger namens de VNG kan
interfereren met het lidmaatschap van
het ZBO.
10.
Financiële gevolgen omvorming tot
publiek zelfstandig bestuursorgaan
De
omvorming heeft financiële gevolgen.
Allereerst gaat het om kosten als gevolg
van de overgang van de medewerkers van
CAK BV naar het publiek zelfstandig
bestuursorgaan. CAK BV volgt thans de
CAO van de zorgverzekeraars. Er bestaan
verschillen tussen de arbeidsvoorwaarden
van de zorgverzekeraars en de ambtelijke
arbeidsvoorwaarden. Over de gevolgen van
de overgang voor de zittende medewerkers
wordt overleg gevoerd met de vakbonden.
Naar verwachting zullen de besprekingen
met de vakbonden in de loop van 2011
kunnen worden afgerond.
Ten
tweede zijn er andere (eenmalige)
transitiekosten verbonden aan de
overgang naar een publiek zelfstandig
bestuursorgaan. Het gaat dan om
activiteiten die nodig zijn ter
voorbereiding van de start van het
bestuursorgaan. Inzet is om meerkosten
zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te
beperken.
11.
Administratieve lasten
Onderhavige
wijziging heeft geen gevolgen voor
administratieve lasten.
12.
Europeesrechtelijke aspecten
Dit
wetsvoorstel is in overeenstemming met
het Europese recht.
Artikelgewijs
Artikel
I, onderdeel A
Opgemerkt
zij dat ervan uitgegaan wordt dat het
wetsvoorstel AWBZ-buitenland (lees:
voorstel van Wet AWBZ-zorg buitenland, red.)
¹ en het voorstel van Wet
opsporing en verzekering
onverzekerden zorgverzekering ² in
werking zijn getreden op het moment dat
deze wet in werking treedt. Artikel
1,
eerste lid, van de AWBZ
zal dan een
onderdeel m kennen. Daarom wordt een
onderdeel n ingevoegd. Hierin wordt het
CAK omschreven. Het betreft hier geen
afkorting, maar een zelfstandige
aanduiding.
1.
Kamerstukken II, 32 154.
2. Kamerstukken II, 32 150.
Artikel
I, onderdeel B
Artikel
48
Het
CAK wordt in deze wet ingesteld als
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan met eigen
rechtspersoonlijkheid. Het
publiekrechtelijk karakter sluit aan bij
de uitgangspunten van de Kaderwet. De
Kaderwet is van rechtswege van
toepassing op alle privaatrechtelijke en
rblz.|11|
publiekrechtelijke zelfstandige
bestuursorganen die zijn ingesteld na de
inwerkingtreding van de Kaderwet (1
februari 2007) alsmede op
privaatrechtelijke organisaties die na
die datum voor de eerste maal met
openbaar gezag zijn bekleed. Aan de
Kaderwet ligt de gedachte ten grondslag
dat de overheid herkenbaar en
transparant moet zijn. Dit wordt het
best bereikt door zelfstandige
bestuursorganen publiekrechtelijk vorm
te geven. In artikel 4, eerste lid, van
de Kaderwet
wordt dan ook als
uitgangspunt genomen dat zelfstandige
bestuursorganen publiekrechtelijk worden
vormgegeven.
Wat
betreft de vestigingsplaats van het CAK
ligt het in de rede voor het CAK de
huidige standplaats aan te wijzen.
De
benoeming alsmede eventuele schorsing en
ontslag van de leden van een zelfstandig
bestuursorgaan is op grond van artikel
12 van de Kaderwet
een bevoegdheid van
de Minister van
VWS. In dit kader wordt
tevens gewezen op artikel 13 van de Kaderwet
waarin is geregeld dat een lid
van een ZBO geen nevenfuncties mag
vervullen die ongewenst zijn met het oog
op een goede vervulling van zijn functie
of de handhaving van zijn
onafhankelijkheid of van het vertrouwen
daarin. In laatstgenoemd artikel is
verder geregeld dat een lid van een ZBO het aanvaarden van een nevenfunctie
anders dan uit hoofde van zijn functie
aan de
minister
dient te melden en dat
zodanige nevenfuncties openbaar worden
gemaakt. Nevenfuncties die in elk geval
onverenigbaar zijn met het lidmaatschap
van het CAK zijn: het lidmaatschap van
het CVZ, van de
NZa, van het
bestuur van een zorg- of AWBZ-verzekeraar of van het bestuur van
een gemeente.
Bestuurders
dienen te beschikken over de vereiste
deskundigheid, zowel wat betreft kennis
van de zorgsector als in
financieel-economisch en bestuurlijk
opzicht.
Daarnaast
wordt in dit artikel bepaald dat de
leden van het ZBO niet onbeperkt kunnen
worden herbenoemd.
Artikel
49
In
artikel 49 zijn de taken van het CAK
geregeld. De taken waarmee het CAK
belast is, zijn de volgende:
- het vaststellen en innen van de
eigen bijdragen op grond van de AWBZ;
- het vaststellen en innen van de
eigen bijdragen op grond van de Wmo;
- het ambtshalve toekennen en uitkeren
van de tegemoetkomingen op grond van
artikel 2 van de Wtcg;
- het vaststellen en uitkeren van de
compensatie eigen risico op grond
van de Zvw;
- het namens zorgverzekeraars of het CVZ
verrichten van betalingen aan
zorgaanbieders ter zake van
AWBZ-zorg.
Wat
betreft de in onderdeel e opgenomen
betalingstaak zij vermeld dat geen
inhoudelijke wijziging is beoogd van de
huidige situatie, waarin het
Administratiebesluit Bijzondere
Ziektekostenverzekering de betalingstaak
deels aan zorgverzekeraars en deels aan
het CVZ oplegt.
Opgemerkt
wordt dat publiekrechtelijke
zelfstandige bestuursorganen een
gesloten huishouding hebben. Dit
betekent dat zij geen andere dan de bij
of krachtens de wet aan hen opgedragen
taken uitvoeren, ongeacht of dit nu
hoofd- of neventaken zijn. Een
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan kan derhalve niet
zelfstandig zijn taken en bevoegdheden
uitbreiden, beperken of delegeren, of in
verband daarmee uitgaven doen of over
inkomsten beschikken. Zodra een
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan een (neven)activiteit
wenst uit te oefenen die niet
onmiddellijk voortvloeit uit de
wettelijke taak en daar ook niet rblz.|12|
ónlosmakelijk mee is verbonden, is het
uitgangspunt dat de betreffende
activiteit ten minste de goedkeuring of
instemming van de minister
behoeft. En
die kan alleen gegeven worden als daar
in de wet ruimte voor wordt geboden; dit
laatste is het geval in artikel 8 van de
Kaderwet. Daarbij is bepaald dat een
zelfstandig bestuursorgaan voor het
aanvaarden van een mandaat de
goedkeuring behoeft van de betrokken
minister (uiteraard tenzij het
mandaatverlening door die minister
betreft). De minister kan de goedkeuring
onthouden wegens strijd met het recht of
op de grond dat de te mandateren
bevoegdheid naar het oordeel van de
minister een goede taakuitoefening door
het zelfstandig bestuursorgaan kan
belemmeren. De minister draagt politieke
verantwoordelijkheid voor zijn besluit
tot goedkeuring.
In
het verlengde van het vorenstaande wordt
ook gewezen op artikel 32 van de Kaderwet
waarin onder meer is bepaald
dat de minister kan bepalen dat een
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan zijn voorafgaande
instemming behoeft voor onder meer het
door dat zelfstandig bestuursorgaan
oprichten van dan wel deelnemen in een
rechtspersoon. Zoals in de toelichting
op dat artikel is opgemerkt, kan een
minister er op die wijze op toezien dat
zelfstandige bestuursorganen zich
uitsluitend richten op terreinen die tot
hun onmiddellijke taak behoren.¹
1.
Kamerstukken II 2000-2001, 27 426, nr.
3, blz. 31 (artikel 31 Kaderwet
was toen genummerd als artikel 25).
Artikel
50
Het
CAK dient een bestuursreglement vast te
stellen. In een zodanig reglement kunnen
regels worden opgenomen over de wijze
van besluitvorming, de taakverdeling
tussen de leden, een eventuele
cliëntenraad en dergelijke. In artikel
11 van de Kaderwet
is bepaald dat een
zodanig reglement de goedkeuring behoeft
van de minister. De minister kan die
goedkeuring uitsluitend onthouden wegens
strijd met het recht of op de grond dat
het reglement naar het oordeel van de
minister een goede taakuitoefening door
het CAK kan belemmeren.
Vergaderingen
van het CAK zijn niet openbaar. Met deze
regeling wordt aangesloten bij de ten
aanzien van het CVZ
en de NZa gestelde
regels. In de memorie van toelichting
bij het voorstel van Wet verzwaren
incassoregime premie en andere
maatregelen zorgverzekering ¹ wordt
ingegaan op de bestuursmodellen van ZBO’s.
Geconstateerd wordt dat van een ZBO een
sterke organisatie wordt verwacht, die
professioneel uitvoert of toezicht
houdt, maar ook een sterk ontwikkeld
bestuurlijk vermogen bezit. Het ZBO dient met een brede blik naar zijn
externe omgeving te kijken, gevoel te
hebben voor politieke verhoudingen en
zijn onafhankelijkheid te bewaken. Er
wordt opgemerkt dat het huidige model
van colleges met een wat grotere omvang
en met parttime functionerende leden die
op gezette tijdstippen bij elkaar komen
daar niet meer bij past. De regering
staat een fulltime, compact en
professioneel bestuur voor, dat leiding
geeft aan de organisatie en direct
aanspreekbaar is voor de minister.
Hierbij past de hoofdregel dat
vergaderingen van de besturen niet
openbaar zijn, tenzij in het
bestuursreglement anders wordt bepaald.
Een bestuur van drie leden is klein
genoeg om slagvaardig te zijn en groot
genoeg om verschillende deskundigheden
in het bestuur te verzamelen en om met
het nodige gezag het zelfstandig
bestuursorgaan een gezicht te geven voor
zijn omgeving.
1.
Kamerstukken
II 2006-2007, 30 918, nr. 3, blz. 20.
Artikelen
51 en 51a
De
artikelen 51 en 51a
hebben betrekking op
het werkprogramma, de begroting, het
jaarverslag, de jaarrekening en het
budget van het CAK.
Over
een aantal van deze onderwerpen, te
weten de begroting, het jaarverslag en
de jaarrekening, zijn reeds bepalingen
opgenomen in de Kaderwet. Deze
bepalingen zijn rechtstreeks van
toepassing en hoeven in het onderhavige
wetsvoorstel niet te worden herhaald.
rblz.|13|
Budget
uit ’s Rijks kas
Zoals
in paragraaf 6 is aangegeven, zal een
belangrijk deel van de inkomsten en
uitgaven van het publiekrechtelijk CAK
betrekking hebben op de uitvoering van
de wettelijke taken en ten gunste of ten
laste komen van het AFBZ (eigen
bijdragen AWBZ), het
Zorgverzekeringsfonds (Zvf) (de
uitkeringen op grond van artikel 118a
Zvw) en de gemeenten (eigen bijdragen op
grond van de Wmo). De verantwoording van
de uitgaven en inkomsten ten laste
onderscheidenlijk ten gunste van
voornoemde fondsen zal, zoals ook thans
reeds het geval is bij CAK BV, via het CVZ
verlopen. Alleen voor de uitvoering
van de overige wettelijke taken dient
jaarlijks door de minister
een budget
uit ’s Rijks kas te worden verstrekt.
Dit betreft derhalve een budget voor de
met de uitvoering van de in artikel 49
bedoelde taken gemoeide beheerskosten
alsmede een bedrag voor de
tegemoetkomingen op grond van artikel 2
van de Wtcg. In
artikel 51a
is geregeld
dat de minister een zodanig budget
vaststelt vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop
het budget betrekking heeft.
Voorafgaand
aan de vaststelling van het budget zal
het CAK een werkprogramma alsmede een
begroting voor het komende jaar moeten
vaststellen. Voorts zal het CAK zich
over de betrokken kosten en uitgaven
moeten verantwoorden door middel van een
jaarverslag en een jaarrekening.
Begroting
In
artikel 26 van de Kaderwet
is reeds
geregeld dat een publiekrechtelijk
zelfstandig bestuursorgaan met eigen
rechtspersoonlijkheid jaarlijks aan de minister
een begroting moet toezenden.
In de begroting dient het CAK op grond
van artikel 28, eerste lid, van de Kaderwet
een voorstel op te nemen
aangaande het bedrag dat in het jaar
waarop de begroting betrekking heeft in
de rijksbegroting zal worden opgenomen.
Aangezien
uit ’s Rijks kas alleen de
beheerskosten voor de uitvoering van de
in artikel 49 bedoelde taken en het
bedrag voor de tegemoetkomingen op grond
van de Wtcg
worden betaald, dient het
voorstel voor het in de rijksbegroting
op te nemen bedrag ook uitsluitend op
die kosten betrekking te hebben.
Het
is niet zinvol om de begroting ook
betrekking te laten hebben op alle
uitvoeringskosten die via het AFBZ of
het Zvf lopen. Om die reden is in artikel
51, derde lid, bepaald dat de begroting
is beperkt tot de beheerskosten en het
bedrag van de tegemoetkomingen op grond
van de Wtcg. In de begroting moeten wel
alle beheerskosten zijn opgenomen (dus
ook de beheerskosten die betrekking
hebben op eventuele activiteiten die in
mandaat worden uitgevoerd); alleen op
die wijze heeft de minister een
integraal overzicht.
Deze
begroting dient op grond van artikel 26 Kaderwet
bij de minister te worden
ingediend vóór een door de minister
daartoe vastgestelde datum. In artikel
51, eerste lid, AWBZ
is bepaald dat die
datum 1 november is.
In
de artikelen 27 en 28 van de Kaderwet
zijn voorts regels gesteld ten aanzien
van de inhoud van de begroting. In
aanvulling op deze regels is in artikel
51, tweede lid, AWBZ
bepaald dat de
begroting tevens een meerjarenraming van
de beheerskosten dient te bevatten. Een
zodanige meerjarenraming is voor de
minister van belang om beter te kunnen
anticiperen en sturen op ontwikkelingen
ter zake.
Werkprogramma
Daarnaast
is van belang dat het CAK een
werkprogramma indient (artikel
51,
eerste lid, AWBZ). Hierover zijn in de
Kaderwet
geen bepalingen opgenomen. Het
werkprogramma is voor de minister
van
belang vanuit de politieke en
budgettaire verantwoordelijkheid van de
minister voor het goed functioneren van
het CAK. Het werkprogramma is een
instrument dat de minister in staat
stelt zich hier een beeld over te
vormen. Om die rblz.|14|
reden dient het
werkprogramma betrekking te hebben op álle werkzaamheden die het CAK in het
volgende kalenderjaar zal uitvoeren,
waarbij onder meer wordt aangegeven op
welke wijze het CAK die werkzaamheden
voornemens is te vervullen en op welke
wijze het CAK de minister daarover van
informatie voorziet. Aangezien het
werkprogramma een beschrijving moet
bevatten van alle activiteiten die het
CAK in het volgende kalenderjaar zal
verrichten, dient het werkprogramma zich
niet te beperken tot de in artikel 49
genoemde taken, maar ook in te gaan op
de activiteiten die het CAK eventueel in
mandaat namens een derde uitoefent. Voor
wat betreft activiteiten die het CAK
eventueel in mandaat namens een derde
uitvoert, is het van belang dat het
bestuursorgaan voor het aanvaarden van
een mandaat de goedkeuring behoeft van
de betrokken minister (uiteraard tenzij
het mandaatverlening door die minister
betreft) en dat ook bij taken in mandaat
de bescherming van de persoonsgegevens
wordt geborgd. Op grond van artikel 51d
kan de minister regels stellen over de
inhoud en de inrichting van het
werkprogramma.
Jaarverslag
In
artikel 18 van de Kaderwet
is bepaald
dat ieder zelfstandig bestuursorgaan
jaarlijks een jaarverslag moet
opstellen, welk verslag aan de minister
en het parlement moet worden gestuurd.
Het jaarverslag moet worden opgesteld
vóór 15 maart van het jaar volgend op
het jaar waarover verslag wordt gedaan.
In het jaarverslag moet de
taakuitoefening en het gevoerde beleid
worden beschreven. Aangezien de minister
vanuit zijn politieke
verantwoordelijkheid geïnformeerd moet
worden over het gehele functioneren van
het CAK, is het jaarverslag, net als het
werkprogramma, niet beperkt tot de
werkzaamheden waarvoor het budget wordt
verstrekt, maar dient in het jaarverslag
de taakuitoefening en het gevoerde
beleid ten aanzien van alle activiteiten
van het publiekrechtelijke CAK te worden
beschreven. Voorts moet het CAK in het
jaarverslag het gevoerde beleid met
betrekking tot de kwaliteitszorg
beschrijven (artikel 18, eerste lid, Kaderwet). Zelfstandige bestuursorganen
hebben een eigen verantwoordelijkheid
ten aanzien van de bewaking van de
kwaliteit van hun beleid, maar het is
van belang dat zij over de wijze waarop
aan die taak inhoud wordt gegeven
verslag doen in het jaarverslag. Door
dit verslag is voor iedereen kenbaar op
welke wijze de kwaliteitsbewaking vorm
wordt gegeven en kan het zelfstandige
bestuursorgaan daar zo nodig op worden
aangesproken.
Jaarrekening
In
artikel 34 van de Kaderwet
wordt aan een
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan met eigen
rechtspersoonlijkheid de verplichting
opgelegd om tegelijk met het jaarverslag
bij de minister
een jaarrekening in te
dienen. Deze jaarrekening behoeft de
goedkeuring van de minister, welke
goedkeuring de minister kan onthouden
wegens strijd met het recht of het
algemeen belang.
Net
als de begroting heeft de jaarrekening
betrekking op alle beheerskosten van het
CAK alsmede op de op grond van artikel 2
van de Wtcg
verstrekte tegemoetkomingen (artikel 51a, derde lid,
AWBZ). De
overige inkomsten en uitgaven worden
immers, zoals hierboven is aangegeven,
op andere wijze verantwoord.
Artikel
35 van de Kaderwet
bevat nadere
bepalingen over de jaarrekening alsmede
over de bij die jaarrekening behorende
verklaring van getrouwheid van de
accountant en het bij die verklaring
behorende verslag van bevindingen. Ten
aanzien van laatstgenoemd document is in
artikel 35, vierde lid, van de Kaderwet
geregeld dat de accountant daarin
verslag doet over de vraag of het beheer
en de organisatie van het zelfstandige
bestuursorgaan voldoen aan eisen van
doelmatigheid. In artikel
51, vijfde
lid, AWBZ wordt bepaald dat de
accountant daarbij tevens rblz.|15|
verslag doet
over de vraag of het beheer en de
organisatie van het CAK voldoen aan
eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid
en controleerbaarheid. Deze regeling is
in lijn met de regeling ter zake ten
aanzien van de NZa en het CVZ
en vloeit
voort uit het grote belang dat wordt
gehecht aan een zo volledig mogelijke
informatie over het beheer en de
organisatie van het CAK.
Artikel 51b
Dit
artikel biedt enige flexibiliteit aan
het CAK om zonder goedkeuring van de minister
binnen verantwoorde marges
(onderdelen a en b) te schuiven tussen
de verschillende posten van de
beheerskosten.
Artikel 51c
Uit
een oogpunt van transparantie worden het
werkprogramma, de begroting, het
jaarverslag en de jaarrekening van het
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan CAK algemeen verkrijgbaar
gesteld. Deze algemene
verkrijgbaarstelling kan bijvoorbeeld
geschieden door plaatsing van de
documenten op het internet.
Artikel 51d
VWS
kent de Regeling bezoldiging en
beheerskosten bestuursorganen
volksgezondheid. Hierin wordt voor NZa, CVZ, College bouw zorginstellingen en
College sanering zorginstellingen nadere
invulling gegeven aan onder meer de
vaststelling van het budget voor de
beheerskosten en de in de jaarstukken
van deze organen op te nemen informatie.
Ook wordt daarin een grens gesteld aan
de hoogte van de egalisatiereserve.
Bezien wordt of voor het CAK wordt
aangesloten bij deze regeling of dat een
aparte ministeriële regeling meer op
zijn plaats is.
In
een dergelijke regeling kunnen ook eisen
worden gesteld ten aanzien van de frequentie van
de controle. Dit kan aan de orde zijn
voor bijvoorbeeld een relatief nieuwe,
complexe taak zoals de uitvoering van de
Wtcg.
Artikel
I, onderdeel C en D,
artikel IV,
onderdeel K, en artikel V, onderdeel C
en D
In
deze artikelen is bewerkstelligd dat de
Minister van VWS zorgverzekeraars en
zorgaanbieders een aanwijzing kan geven
indien zij nalaten gegevens en
inlichtingen te verstrekken die nodig
zijn voor de uitvoering van deze wet
[lees: de wet, red.].
Voor de toelichting wordt verwezen naar
paragraaf 5 van het algemeen deel van
deze memorie.
Artikel
II
De
artikelen 3, derde tot en met zesde lid,
7, 8 en 9 kunnen vervallen, omdat de in
die bepalingen geregelde aspecten reeds
worden geregeld in de Kaderwet, alsmede
in de artikelen 51a
en 51d
van de AWBZ.
In de Kaderwet zijn een
taakverwaarlozingsregeling (artikel 23),
een mogelijkheid voor de minister
om
beleidsregels te stellen (artikel 21),
een inlichtingenplicht (artikel 20) en
een plicht tot het zorgvuldig uitoefenen
van taken en bevoegdheden (artikel 19)
opgenomen. De in artikel 2 Wtcg
bedoelde
tegemoetkomingen, alsmede de
beheerskosten ter zake, worden opgenomen
in de in artikel 26 van de Kaderwet
bedoelde begroting; deze kosten
worden verantwoord door middel van het
in artikel 18 van de Kaderwet
bedoelde
verslag en de in artikel 34 van de Kaderwet
bedoelde jaarrekening. De
kosten worden gefinancierd uit ’s
Rijks kas door middel van het in artikel
51a AWBZ
geregelde budget.
rblz.|16|
Artikel
III, onderdeel C
Aangezien
de taakverwaarlozingsregeling van
artikel 23 van de Kaderwet
van
toepassing is op het CAK, kan artikel 17
van de Wmo vervallen.
Artikel
III, onderdeel D
De
wijziging van artikel 23
Wmo houdt
verband met de wijziging van artikel
16,
waarin de vaststelling en inning van de
eigen bijdrage wordt opgedragen aan het
CAK.
Artikel
IV
Met
de wijziging in onderdeel A wordt
bewerkstelligd dat de NZa belast is met
het toezicht op de rechtmatige en
doelmatige uitvoering door het CAK van
hetgeen geregeld is bij of krachtens de AWBZ. Op grond van artikel 16, onderdeel
f, is de NZa ook belast met het toezicht
op de rechtmatige en doelmatige
uitvoering door het CAK van hetgeen bij
of krachtens artikel 118a
van de Zvw (compensatie eigen risico) en
artikel 15
van de Wmo is geregeld (eigen bijdrage).
Met de wijzigingen in de onderdelen B
tot en met N wordt het toezicht door de
NZa op de taken van het CAK nader
vormgegeven. Hieronder wordt nader op de
inhoud van deze wijzigingen ingegaan.
Onderdeel
B
Met
deze wijziging wordt bewerkstelligd dat
de NZa ook toezicht houdt op de
rechtmatige en doelmatige uitvoering van
de (regelingen op grond van de) AWBZ
door het CAK.
Onderdeel
C
Artikel
17 van de Wmg
beoogt de totstandkoming
van afspraken tussen toezichthoudende
instanties die zich ieder vanuit een
eigen invalshoek bewegen op het terrein
van de zorg. Als gevolg van dit
wetsvoorstel gaat de minister, naast de
NZa, toezicht houden op het CAK. Hoewel
de taken en verantwoordelijkheden van de
minister en de NZa op dit punt
verschillen (zie paragraaf 7 van het
algemeen deel van de memorie van
toelichting), kunnen die elkaar ook
raken. Met het oog daarop is artikel 17
aangepast, opdat ook tussen de NZa en de
minister afspraken worden gemaakt over
de afstemming van de taakuitoefening.
Onderdelen
D tot en met G
Deze
wijzigingen hebben betrekking op het
toezicht van de NZa op het CAK bij de
uitvoering van de Zvw en
de daarop gebaseerde regelingen. In
onderdeel C wordt bewerkstelligd dat de
NZa aan de minister
en aan het CVZ
ook
rapporteert over de rechtmatigheid van
de uitvoering van de Zvw
en de daarop gebaseerde regelingen door
het CAK. Met de wijziging in onderdeel E
wordt het CAK verplicht om desgevraagd
aan de NZa de informatie te verstrekken
over de uitgevoerde werkzaamheden van
hen die met de controle zijn belast en
haar volledig in te lichten over de
resultaten van de controle door
overlegging van rapporten of op andere
door de zorgautoriteit aan te geven
wijze. Met de wijziging in onderdeel F
kan de NZa voortaan op verzoek van Onze
Minister ook een onderzoek instellen bij
het CAK. In onderdeel G is geregeld dat
de NZa ook regels kan stellen met
betrekking tot de uitvoering van hetgeen
is bepaald bij of krachtens artikel 118a
Zvw.
rblz.|17|
Onderdelen
H tot en met K
Deze
wijzigingen hebben betrekking op het
toezicht van de NZa op het CAK bij de
uitvoering van de AWBZ
en de daarop
gebaseerde regelingen. In onderdeel H
wordt bewerkstelligd dat de NZa aan Onze
Minister en aan het CVZ
ook rapporteert
over de rechtmatigheid van de uitvoering
van de AWBZ en de daarop gebaseerde
regelingen door het CAK. Met de
wijziging in onderdeel I wordt het CAK
verplicht om desgevraagd aan de NZa de
informatie te verstrekken over de
uitgevoerde werkzaamheden van hen die
met de controle zijn belast en haar
volledig in te lichten over de
resultaten van de controle door
overlegging van rapporten of op andere
door de zorgautoriteit aan te geven
wijze. Met de wijziging in onderdeel J
kan de NZa voortaan ook op verzoek van
Onze Minister en van het CVZ een
onderzoek instellen bij het CAK. In
onderdeel K is geregeld dat de NZa ook
regels kan stellen met betrekking tot de
uitvoering van de in artikel 49 van de
AWBZ genoemde taken.
Onderdeel
L
Dit
onderdeel bepaalt dat de NZa ook aan het
CAK een aanwijzing kan geven indien het
CAK niet voldoet aan de wettelijke
taken.
Onderdeel
M
Dit
artikel bewerkstelligt dat de NZa ook
aan het CAK een last onder dwangsom kan
opleggen indien het CAK niet binnen de
termijn aan een aanwijzing voldoet.
Onderdeel
N
In
dit wetsvoorstel krijgt de minister
de
bevoegdheid een last onder dwangsom op
te leggen wegens overtreding van artikel
89, eerste lid, Zvw.
Onderdeel
O
Deze
wijziging zorgt ervoor dat de minister
bevoegd is om een last onder dwangsom
aan het CAK op te leggen ter zake van
overtreding van de voorschriften,
gesteld in artikel 55 van de
AWBZ.
Artikel
V, onderdeel E
De
beheerskosten van het CAK in het kader
van de Wtcg-taak worden op grond van
dit
wetsvoorstel door de minister
vastgesteld. Daarom kan dit lid
vervallen.
Artikel
VI
De
wijziging van artikel 2, eerste lid, van
de Ambtenarenwet
bewerkstelligt dat het
op titel III van die
wet gebaseerde
materiële ambtenarenrecht niet van
toepassing is op de leden van het
publiekrechtelijk zelfstandige
bestuursorgaan CAK. De betaling van de
leden van een publiekrechtelijk
zelfstandig bestuursorgaan is geregeld
in artikel 14 van de Kaderwet. Daarin is
bepaald dat de minister
de bezoldiging
of schadeloosstelling voor leden van een
zelfstandig bestuursorgaan vaststelt. De
rechtspositie van leden van
bestuursorganen is niet gekoppeld aan de
sector Rijk, noch aan enige andere
sector. Daardoor bestaat de mogelijkheid
om per zelfstandig bestuursorgaan een
eigen rechtspositieregeling voor de
leden rblz.|18|
te maken, waarbij rekening kan
worden gehouden met de specifieke
positie van het zelfstandige
bestuursorgaan en met de omvang van de
taken.
Artikel
14, eerste lid, van de Kaderwet
bepaalt
dat er een keuze moet worden gemaakt
tussen een schadeloosstelling en een
bezoldiging.
Een
schadeloosstelling heeft in beginsel de
functie van vacatiegeld per
dienstverrichting, vergadering of andere
incidentele prestatie.
Een
bezoldiging kan onder meer zaken als
salaris, toelagen, periodieke toelagen
(vakantielage, eindejaarsuitkering en
dergelijke) en andere vergoedingen
omvatten. Ook kan een bezoldiging
pensioengevend zijn.
Op
grond van artikel 14, derde lid, van de Kaderwet
kan daarnaast uitsluitend een
vergoeding worden gegeven voor reis-,
verblijf- of andere functionele kosten;
een lid van een zelfstandig
bestuursorgaan mag daarnaast dus geen
andere inkomsten genieten ten laste van
de betrokken rechtspersoon.
Artikel
VII
Deze
afwijking van de Kaderwet
strekt ertoe
om ervoor te zorgen dat er geen overlap
bestaat met de bevoegdheid van het CVZ
tot het geven van beleidsregels. Het CVZ
wordt net als in de huidige situatie in
staat gesteld beleidsregels te stellen
ten aanzien van zorgverzekeraars, andere
rechtspersonen en het CAK. Het gaat
hierbij om beleidsregels van het CVZ
over details van de uitvoering.
Artikel
VIII
Met
deze bepalingen is zeker gesteld dat
besluiten die vóór de inwerkingtreding
van deze wetswijziging zijn genomen door
de besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid CAK gelden als
genomen door het publiekrechtelijk
zelfstandig bestuursorgaan CAK. Ook voor
ingediende aanvragen bij de besloten
vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid CAK geldt dat die
geacht worden te zijn gedaan bij het
publiekrechtelijk zelfstandige
bestuursorgaan CAK. Nu de aanvragen door
de overgangsbepaling worden aangemerkt
als aanvragen die bij het
publiekrechtelijk zelfstandige
bestuursorgaan zijn ingediend, gaan ter
zake uiteraard geen nieuwe
beslistermijnen lopen.
In
het tweede lid is bepaald dat het
publiekrechtelijk zelfstandig
bestuursorgaan CAK in wettelijke
procedures en rechtsgedingen in de
plaats zal treden van CAK BV zoals die
bestond vóór de inwerkingtreding van
deze wet. Daarmee is gewaarborgd dat
eventueel lopende procedures gewoon
kunnen worden afgewikkeld. Het derde lid
regelt ditzelfde voor eventuele
onderzoeken die de Nationale
ombudsman,
op het moment van inwerkingtreding van
deze wet, heeft lopen naar gedragingen
van CAK BV, voor zover deze gedragingen
betrekking hebben op de wettelijke
taken.
Omdat
het publiekrechtelijk ingestelde CAK
voor een goede uitvoering van de
werkzaamheden moet kunnen beschikken
over de archiefbescheiden van CAK BV,
wordt in het vierde lid geregeld dat
alle archiefbescheiden van CAK BV worden
overgedragen aan het CAK.
Artikel
IX
Op
grond van artikel 18, eerste lid, van de
Kaderwet
moet het jaarverslag worden
ingediend vóór 15 maart volgend op
het jaar waarop dat verslag betrekking
heeft. Ingevolge artikel 34 van de Kaderwet
moet het CAK tegelijk met het
jaarverslag, dus eveneens vóór 15
maart, de jaarrekening bij de minister
indienen.
rblz.|19|
Het
jaarverslag en de jaarrekening moeten in
de huidige situatie vóór 1 juli bij de
minister worden ingediend door CAK BV.
Het CAK heeft een overgangsperiode van
twee verslagperioden nodig om te
bewerkstelligen dat de indiening van
deze verantwoordingsstukken in de
toekomst vóór 15 maart plaats kan
vinden. Dit vanwege de noodzakelijke
omslag in werkwijze en cultuur. Om die
reden is in artikel IX geregeld dat 30
juni 2012 of zoveel eerder als mogelijk
is, de uiterste datum is voor indiening
van het jaarverslag over 2011 en dat
voor indiening van het jaarverslag over
2012 de uiterste datum 30 juni 2013 is.
Hiermee wordt, gezien artikel 34 van de Kaderwet, tevens bewerkstelligd dat ook
de jaarrekening over 2011,
onderscheidenlijk 2012, uiterlijk op 30
juni 2012, onderscheidenlijk 30 juni
2013, moet worden ingediend.
De
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
A. Klink
|