|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 015
Wijziging
van enkele wetten van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (Verzamelwet 2012) ¹
1. Volgens
de redactie dient "Verzamelwet 2012" te worden
vervangen door: Verzamelwet SZW 2012.
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
Dit
wetsvoorstel wijzigt een aantal wetten op het terrein van het
ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en dan met name op het gebied van
de socialezekerheidswetgeving. Het wetsvoorstel behelst onder andere
wijzigingen die voortvloeien uit door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) en de Sociale verzekeringsbank (SVB)
aangedragen knelpunten in de uitvoering. Het oplossen van enkele van
deze knelpunten heeft een besparing op de uitvoeringskosten tot gevolg.
Deze besparingen dragen bij aan het realiseren van de taakstellingopgave
(Kamerstukken II 2010-2011, 32 500 XV, nr. 75) waar beide organisaties
voor staan. Hiernaast dienen enkele voorstellen ter verduidelijking en
nadere invulling van eerder gemaakte beleidskeuzes en het herstellen van
omissies of kennelijke verschrijvingen als gevolg van samenloop van de
inwerkingtreding van eerder aangenomen wetsvoorstellen. Met de
voorgestelde wijzigingen worden geen substantiële beleidswijzingen
beoogd. Het wetsvoorstel behelst voor het merendeel technische
wijzigingen en op een aantal punten zogenoemd "klein beleid". In het
artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting wordt nader ingegaan
op de verschillende wijzigingsvoorstellen.
In
het oorspronkelijke wetsvoorstel zoals
dit is voorgelegd aan de Afdeling
advisering van de Raad van State waren
ook wijzigingen op het terrein van
pensioenen en kinderopvang opgenomen.
Naar aanleiding van het advies van de
Afdeling advisering van de Raad van
State zijn deze onderwerpen in
afzonderlijke wetsvoorstellen opgenomen
en is het wetsvoorstel dus gesplitst in
drie wetsvoorstellen, waaronder het
onderhavige.
Het
oorspronkelijke wetsvoorstel is door de
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan enkele uitvoerende
en toezichthoudende instanties
voorgelegd. Relevant voor het
onderhavige wetsvoorstel zijn met name
de door het UWV en de SVB uitgebrachte
toetsen. Tevens is het wetsvoorstel aan
het Uitvoeringspanel [lees:
Uitvoeringspanel gemeenten, red.], het Adviescollege
vermindering administratieve lasten (Actal)
en de belastingdienst voorgelegd.
rblz.|2|
UWV
Het UWV acht alle
onderdelen uit het
voorstel uitvoerbaar en handhaafbaar. De
inwerkingtredingdatum zal per onderdeel
worden bekeken. De incidentele kosten
worden door het UWV begroot op €|385
000,-. Deze kosten zullen worden gedekt
uit het hem ter beschikking staande
reguliere budget voor uitvoeringskosten.
De
effecten van het voorstel tot het
schrappen van de plicht voor het UWV tot
jaarlijkse herbeoordeling van mensen die
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
zijn in de zin van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
en de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten (Wet Wajong), maar
waarbij nog sprake is van een geringe
kans op herstel van de
arbeidsmogelijkheden, zullen worden
betrokken bij de beoordeling van het
totale pakket aan
vereenvoudigingvoorstellen.
Het UWV
heeft in de uitvoeringstoets gevraagd om
uitbreiding van het voorstel met een
aantal punten. In overleg met het UWV zijn
deze punten in het voorstel opgenomen.
SVB
De
SVB is van oordeel dat de in het
voorstel opgenomen wijzigingen goed in-
en uitvoerbaar zijn voor de SVB en op
ieder gewenst tijdstip in werking kunnen
treden. Daarnaast vraagt de SVB om
opname in het wetsvoorstel van twee
onderwerpen die zijn aangekondigd in de
brief van 14 maart 2011 aan de Tweede
Kamer inzake de hoofdlijnen taakstelling
SZW-domein 2012-2015 (Kamerstukken II
2010-2011, 32 500 XV, nr. 75). Deze
aanvullingen, betreffende het laten
vervallen van de verplichting om
beschikkingen over schuldige nalatigheid
bij brief met ontvangstbevestiging te
verzenden en het laten vervallen van de
verplichting om een AKW-beschikking te
verzenden bij het 6 of 12 jaar worden
van het kind, zijn in het voorstel
opgenomen.
De
voorstellen leiden tot een besparing van
€|0,7 respectievelijk €|0,2 miljoen
euro per jaar op de uitvoeringskosten
van de SVB. Ze hebben geen effect op de
uitkeringslasten.
Belastingdienst
De belastingdienst
acht het wetsvoorstel
uitvoerbaar per 1 januari 2012. Gezien
het huidige aantal aanvragen voor
toestemming om eigenrisicodrager te
worden, is het slechts eenmaal per jaar
aanvragen en verlengen van de
aanvraagtermijn alleen mogelijk indien
daarvoor voldoende capaciteit ter
beschikking staat (artikel XIII,
onderdeel A).
Administratieve
lasten
Op
grond van de Wet WIA en de
Wet Wajong
zijn uitkeringsgerechtigden duurzaam
arbeidsongeschikt indien sprake is van
een medisch stabiele of verslechterende
situatie. Onder een medisch stabiele of
verslechterende situatie wordt mede
verstaan een medische situatie waarbij
op lange termijn een geringe kans op
herstel bestaat. Zowel voor de Wet WIA
als voor de Wet Wajong bestaat bij
volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid recht op een
uitkering voor volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten.
Ingeval sprake is van een geringe kans op
herstel, dient het UWV de eerste vijf jaar
jaarlijks vast te stellen of nog sprake
is van volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid (artikel 41
Wet WIA en artikel 2:36
Wet Wajong). Het UWV
verricht hiertoe jaarlijks ruim 1000
herbeoordelingen. Met de wijziging in
artikel XX, onderdeel D, en artikel
XXII, onderdeel E, komt de jaarlijkse
herbeoordeling te vervallen. Dit leidt
tot een geringe afname van rblz.|3|
de
administratieve lasten voor de
betreffende groep
uitkeringsgerechtigden. Daarnaast is
sprake van een beperking van de
uitvoeringskosten voor het UWV. De
beperking van de administratieve lasten
wordt voor de betreffende doelgroep
geraamd op een kleine 4000 uur per
jaar.
Actal
is van oordeel dat de vermindering van
de AL [administratieve lasten, red.]
met de berekende 4000 uren op
jaarbasis adequaat in beeld is gebracht.
Actal heeft geen afzonderlijk advies
over het wetsvoorstel uitgebracht.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Algemene Kinderbijslagwet
Onderdeel
A
Het
uitgangspunt van artikel 4:86 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dat
de verplichting tot betaling van een
geldsom slechts ontstaat indien dit bij
beschikking is vastgesteld. Op deze
verplichting bestaat een uitzondering,
namelijk artikel 4:88
Awb. Dit artikel
geeft de mogelijkheid om bij wettelijk
voorschrift af te wijken van het
hierboven genoemde uitgangspunt. Een
dergelijke afwijking is in verschillende
socialeverzekeringswetten al opgenomen,
zoals voor de herziening van bedragen
bij indexering (zie artikel
13, achtste
lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW)) en de betaling van
vakantie-uitkeringen (zie bijvoorbeeld artikel
31, derde lid, van de Algemene
Ouderdomswet (AOW)).
Conform
de huidige stand van zaken dient de
SVB een AKW-beschikking af te geven op het
moment van de beslissing op de aanvraag.
De SVB dient ook een AKW-beschikking te
versturen bij het 6 en 12 jaar worden
van het kind, omdat op deze leeftijd de
te betalen bedragen door de SVB wijzigen
(artikel 12, tweede lid,
onderdeel b en
c).
Door
het toevoegen van een derde lid aan
artikel 12 wordt bewerkstelligd dat er
geen AKW-beschikking hoeft te worden
gegeven in de gevallen dat het kind 6 en
12 jaar wordt.
In
bepaalde gevallen zal er behoefte kunnen
bestaan aan rechtsbescherming. In het
derde lid van artikel 4:88
Awb is dan
ook bepaald dat de belanghebbende binnen
een redelijk termijn aan het
bestuursorgaan kan verzoeken de op hem
rustende verplichting tot betaling
alsnog bij beschikking vast te stellen.
Tegen deze beschikking staat de gewone
wijze van rechtsbescherming open. De
SVB zal via het overschrijvingsafschrift van
de kinderbijslag wijzen op de
verandering in het bedrag en voor
informatie hierover alsmede de
mogelijkheid van een eventuele
bezwaarprocedure verwijzen naar de
website.
Onderdelen
B en C
Voor
de toelichting op deze onderdelen
verwijst de regering naar de toelichting
op artikel II (Algemene
nabestaandenwet) (Anw), onderdelen B en C.
Onderdeel
D
Met
deze aanpassing wordt een verwijzing
naar een niet bestaand lid verwijderd.
rblz.|4|
Artikel
II. Algemene nabestaandenwet
Onderdeel
A
Bij
de Wet van 17 mei 2010 tot aanpassing
van wetten in verband met de nieuwe
staatsrechtelijke positie van Bonaire,
Sint Eustatius en Saba als openbaar
lichaam binnen Nederland (Aanpassingswet
openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba) is verzuimd ook
artikel 32a, vijfde lid, onderdeel
b,
van de Anw aan te passen. Dit verzuim
wordt hierbij gecorrigeerd.
Onderdelen
B en C
De
artikelen 55a en 55b
van de Anw zijn
ingevoegd bij de Wet van 4 december 2008
tot wijziging van enkele
socialezekerheidswetten teneinde de
Sociale verzekeringsbank en het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de mogelijkheid
te geven om van terugvordering af te
zien door medewerking aan voorstellen
tot schuldregeling (Stb.
2008, 510).
Inmiddels
is echter gebleken dat de tekst van
artikel 55a, eerste lid, onderdeel
d,
niet precies overeenkomt met wat over
dat onderdeel in de memorie van
toelichting bij de Wet van 4 december
2008 wordt uitgelegd.
De
memorie van toelichting vermeldt: "Onderdeel
d houdt in dat een goed
onderbouwd en betrouwbaar voorstel tot
schuldregeling tot stand moet zijn
gekomen met behulp van een
onafhankelijke en deskundige
schuldhulpverlener. Artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet biedt een
aanknopingspunt voor de
onafhankelijkheid of deskundigheid van
de desbetreffende schuldhulpverlener.
Het kan bijvoorbeeld gaan om een
voorstel tot schuldregeling, dat tot
stand is gekomen volgens de "Gedragscode
Schuldregeling" van de NVVK." Om misverstanden te voorkomen,
wordt met de voorgestelde wijziging dan
ook de wettekst verhelderd.
Daarnaast
is het om misverstanden te voorkomen
wenselijk om de tekst van artikel
55a,
eerste lid, onderdeel d, in
overeenstemming te brengen met de aanhef
van het eerste lid, waar wordt gesproken
van "medewerking aan een
schuldregeling". De wijzigingen in
artikel 55a, tweede lid, en derde lid,
onderdeel b, betreffen de correctie van
een verschrijving.
Onderdeel
C bevat een tweetal redactionele
voorstellen ter verduidelijking van
artikel 55b van de Anw.
Vergelijkbare
wijzigingen worden overigens voorgesteld
in de artikelen
65a en 65b
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ),
2:62,
2:63,
3:59 en
3:60 van de Wet Wajong,
36c
en 36d
van
de Werkloosheidswet (WW),
25 en 25a
van
de AOW, 58 en
59 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO),
24c
en 24d
van de AKW, 21 en
21a
van de
Toeslagenwet (TW), 79a
en 79b
van de Wet WIA
en de artikelen
35a en 35b
van de
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
(IOW).
Onderdeel
D
In
onderdeel D wordt een verwijzing
gecorrigeerd. Het beleidsterrein van de
voormalige Minister van
Ontwikkelingssamenwerking behoort thans
tot het beleidsterrein van de Minister
van Buitenlandse Zaken.
rblz.|5|
Artikel
III. Algemene Ouderdomswet
Onderdeel
A
In
onderdeel A wordt voorgesteld om artikel
18, eerste lid, onderdeel c, te
herformuleren. Met de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving is de eis
vervallen dat een overledene grotendeels
in de bestaanskosten van de betrokkene
voorzag. Daarnaast is abusievelijk ook
de zinsnede "en met wie hij in
gezinsverband leefde" vervallen. Dit
onbeoogde effect wordt met het
onderhavige wetsvoorstel weer ongedaan
gemaakt. De wijziging zal terugwerkende
kracht krijgen tot 1 januari 2011.
Onderdelen
B en C
Voor
de toelichting op deze onderdelen
verwijst de regering naar de toelichting
op artikel II (Anw), onderdelen B en C.
Onderdeel
D
In
onderdeel D wordt een verwijzing
gecorrigeerd.
Artikel
IV. Arbeidsgeschillenwet 1946 BES
Onderdeel
A
Bij
het omzetten van de landsverordeningen
in wetten per 10 oktober 2010 is het
begrip landsbesluit in dit artikel
vervangen door algemene maatregel van
bestuur, maar gezien de inhoud van de
bepaling verdient het de voorkeur dat de
minister in het concrete geval de
betreffende termijn kan bepalen.
Onderdeel
B
Bij
het omzetten van de landsverordeningen
in wetten per 10 oktober 2010 is het
begrip landsbesluit in dit artikel
steeds vervangen door algemene maatregel
van bestuur, maar gezien de inhoud van
de bepaling is het wenselijk dat nadere
regels in de vorm van een ministeriële
regeling kunnen worden getroffen en de
minister de in het tweede lid bedoelde
termijn kan bepalen.
Onderdeel
C
Voorgesteld
wordt de tekst aan te passen zodat de
vaststelling van de schadeloosstelling
geen taak of bevoegdheid is van de
Rijksvertegenwoordiger, maar een
bevoegdheid van de minister (zie ook
artikel 7 van de Arbeidsvrederegeling
BES). Degenen die ambtenaar zijn, hoeven
geen aparte schadeloosstelling te
ontvangen.
Artikel
V. Arbeidsomstandighedenwet
Onderdeel
A
Met
het schrappen van het woord "schriftelijk" wordt de mogelijkheid
geopend dat de werkgever digitaal
rapporteert over een arbeidsongeval aan
de toezichthouder.
rblz.|6|
Onderdeel B
Op
het terrein van de arbeidsomstandigheden
wordt regelmatig gebruik gemaakt van
certificerende instellingen,
bijvoorbeeld bij arbodeskundigen,
asbestverwijderen en duikarbeid.
Dergelijke bestuursorganen voldoen
formeel juridisch aan de kwalificatie
van zelfstandig bestuurorgaan in de zin
van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen
(Kaderwet).
Op
certificerende instellingen aangewezen vóór de datum van inwerkingtreding van
de Kaderwet (1 februari 2007) is deze
wet [lees: die
wet, red.] alleen van toepassing indien dit
uitdrukkelijk is bepaald (artikel 2,
tweede lid, van genoemde
wet). Van deze
mogelijkheid is in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet
geen gebruik
gemaakt. Op certificerende instellingen
die vóór 1 februari 2007 zijn aangewezen,
is de Kaderwet dus niet van toepassing.
Nu echter wordt begonnen met de
implementatie van het nieuwe
certificatiestelsel (Stb. 2009, 395),
worden mogelijk nieuwe certificerende
instellingen aangewezen. Om ervoor te
zorgen dat iedere certificerende
instelling in het kader van de
Arbeidsomstandighedenwet onder hetzelfde
regime valt, wordt, in het verlengde van
het in 2007 door de regering ingenomen
standpunt ter zake, uitdrukkelijk in de
Arbeidsomstandighedenwet bepaald dat de
Kaderwet niet van toepassing is op
certificerende instellingen op het
terrein van de arbeidsomstandigheden.
Bij
de totstandkoming van de Kaderwet heeft
de regering op advies van de
Interdepartementale Commissie voor
Certificatie Normalisatie besloten dat
dergelijke instellingen niet onder de
Kaderwet horen te vallen (zie ZBO’s
Binnen Kaders, Rapportage op hoofdlijnen
van het Begeleidingsteam Kaderwet zbo’s,
gepubliceerd als bijlage bij
Kamerstukken II 2007-2008, 25 268, nr. 46,
blz. 34 e.v.). Van belang is
dat ten aanzien van keuringsinstanties
op het terrein van de
arbeidsomstandigheden geen sprake is van
monopoliesituaties. Verder betreft het
private instellingen die grotendeels
werken in een private markt waarbij
slechts voor een kleiner deel van de
activiteiten sprake is van een publieke
taak, en die niet worden gefinancierd
uit de Rijksbegroting. Zij verlenen
diensten waarvoor de ontvanger
rechtstreeks betaalt. Bovendien zijn
vaak meer instanties aangewezen voor
dezelfde taak en opereren zij in
concurrentie of ondergaan de "dreiging" van potentiële
concurrentie, doordat aanwijzing openstaat voor elke gekwalificeerde
instantie.
De
eisen van de Kaderwet zijn
disproportioneel voor de verantwoording
voor de beperkte, vaak in concurrentie
uitgevoerde publieke taak, terwijl de
arbeidsomstandighedenwetgeving al
voorziet in toegesneden eisen waaraan
certificerende instellingen moeten
voldoen (zie ook Kamerstukken II 2007-2008, 25 268, nrs. 55 en 57).
Tegen
de achtergrond van hetgeen hiervoor is
vermeld en gezien het feit dat in de
loop van de tweede helft van 2011 het
certificatiestelsel volledig wordt
herzien (Stb. 2009, 395), bestaat niet
langer behoefte aan een verplichte,
periodieke evaluatie. Een uitgebreide
evaluatie zal geschieden op het moment
dat die werkelijk in een behoefte
voorziet.
Artikel
VI. Cessantiawet BES
Dit
betreft de verbetering van een
kennelijke verschrijving.
Artikel
VII. Toeslagenwet
Onderdelen
A en B
Voor
de toelichting op deze onderdelen
verwijst de regering naar de toelichting
op artikel II (Anw), onderdelen B en C.
rblz.|7|
Artikel
VIII. Werkloosheidswet
Onderdeel
A
De
Wet van 23 december 2010 tot wijziging
van enkele wetten als gevolg van de
uitbreiding van de socialeverzekeringsplicht voor personen die
werkzaam zijn op het Nederlands deel van
het continentaal plat (Wet sociale
verzekeringen continentaal plat) (Stb.
2011, 9) voegt, na inwerkingtreding op 1
januari 2012, aan artikel
1, eerste lid,
van de WW een onderdeel
m toe terwijl de Verzamelwet
SZW 2011 reeds een onderdeel
m heeft toegevoegd aan artikel
1, eerste
lid, van de WW. De voorgestelde
wijziging in onderdeel A herstelt deze
dubbeling.
Onderdeel
B
Het
huidige negende lid is met de Wet
wijziging WW-stelsel toegevoegd aan
artikel 16 van de WW. Een werknemer
heeft op grond van artikel
64, eerste
lid, onderdeel b, van de WW
bij
beëindiging van de dienstbetrekking
door opzegging, recht op een uitkering
over de opzegtermijn indien de werkgever
het loon over die termijn niet kan
voldoen als gevolg van betalingsonmacht.
Dit recht op uitkering is echter
gemaximeerd op de opzegtermijn van
artikel 40 van de Faillissementswet.
Deze termijn bedraagt zes weken. Bij
opzegging buiten faillissement kan de
termijn van opzegging echter langer
zijn. Door dit verschil in termijnen kon
het gebeuren dat een werknemer gedurende
een bepaalde periode nog geen recht op
hoofdstuk II-WW-uitkering had, terwijl
hij geen recht op hoofdstuk IV-WW-uitkering meer had. Dit komt omdat
hij in die periode officieel nog recht
heeft op loondoorbetaling en één van de
voorwaarden om recht op een uitkering op
grond van de WW
te hebben, is dat de
werknemer zijn recht op onverminderde
loondoorbetaling moet hebben verloren.
Met het negende lid van artikel 16 werd
beoogd te regelen dat de werknemer over
deze periode toch een recht op een
uitkering heeft. In de praktijk is
evenwel gebleken dat er toch een lacune
mogelijk bleef tussen de periode waarop
recht op hoofdstuk IV-WW-uitkering
bestaat en het moment waarop recht op
hoofdstuk II-WW-uitkering ontstaat. Dat
betreft enerzijds de situatie dat
betrokkene in de opzegtermijn (voor
zover deze langer is dan de opzegtermijn
van artikel 40 van de Faillissementswet)
gewerkt heeft voor de
betalingsonmachtige werkgever en
anderzijds de situatie dat het niet
langer betalen van het loon als gevolg
van de betalingsonmacht pas een aanvang
neemt nadat de opzegtermijn van artikel
40 van de Faillissementswet
is
verstreken. Met de onderhavige
aanpassing van artikel
16, negende lid,
van de WW wordt geregeld dat ook in die
situaties recht kan bestaan op hoofdstuk
II-WW-uitkering.
Onderdeel C
Met
dit onderdeel wordt artikel
24, zevende
lid, van de WW
zodanig aangepast dat in
alle gevallen waarin de werknemer de
arbeid heeft beëindigd, ook als de
dienstbetrekking niet is geëindigd, een
maatregel kan worden opgelegd. Dit kan
ook in de situatie dat de werknemer een
aanbod tot voortzetting van de arbeid
heeft afgeslagen (ook in geval van
eindiging van rechtswege van de
dienstbetrekking). Voorwaarde voor het
opleggen van een maatregel is wel dat
aan de voortzetting van de arbeid niet
zodanige bezwaren zijn verbonden dat
deze voortzetting redelijkerwijs niet
van de werknemer kon worden gevergd (artikel
24, tweede lid, onderdeel b).
Door
deze wijziging van artikel 24 wordt een
niet-beoogde lacune in de WW
aangepakt.
rblz.|8|
De zinsnede
"Het tweede en zesde lid zijn
van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot het eerste lid, onderdeel
b, onder 3º" in artikel
24, zevende
lid, van de WW
leidt ertoe dat van
schending van artikel
24, eerste lid,
aanhef en onder b, onder 3º, van de
WW slechts sprake kan zijn indien aan de
werkloosheid een dringende reden ten
grondslag ligt en de werknemer ter zake
een verwijt kan worden gemaakt of indien
de dienstbetrekking door of op verzoek
van de werknemer is beëindigd zonder
dat aan de voortzetting ervan zodanige
bezwaren waren verbonden dat deze
voortzetting redelijkerwijs niet van hem
konden worden gevergd.
Als
er sprake is van een einde van de
dienstbetrekking van rechtswege (dus
niet door of op verzoek van de
werknemer) waarbij door de werknemer een
aanbod tot verlenging van de
arbeidsovereenkomst was afgeslagen, kan
er derhalve geen sprake zijn van
schending van artikel
24, eerste lid,
onderdeel b, onder 3º, van de WW.
Dit
met uitzondering van de gevallen waarin
de werknemer werkloos is of blijft
doordat hij niet meewerkt aan
voortzetting van de eigen arbeid op een
andere locatie of in dienst van een
andere werkgever. In die gevallen kan
het UWV nu al wel een maatregel opleggen.
Daarnaast kan geen maatregel worden
opgelegd indien de werknemer de
werkzaamheden stopt zonder dat er sprake
is van eindiging van de
dienstbetrekking. Dit is onwenselijk.
Indien
sprake is van het afslaan van een aanbod
van verlenging van de dienstbetrekking
met een omvang die per week ten minste
vijf uren groter is dan de omvang van de
geëindigde dienstbetrekking, is
overigens sprake van het nalaten
aangeboden passende arbeid te aanvaarden
(artikel 24, eerste lid, aanhef en onder
b, onder 2º, van de WW). In dat geval
gelden de beperkingen van artikel
24,
zevende lid, van de WW
niet en kan wel
een maatregel worden opgelegd.
Onderdeel
D
Met
dit voorgestelde onderdeel wordt een
foutieve verwijzing in artikel 25
hersteld.
Onderdeel
E
Artikel 27, eerste lid, van de
WW voorziet
- anders dan artikel
27, tweede lid - niet in de mogelijkheid om uitkering te
weigeren over het aantal uren dat het
recht niet zou zijn ontstaan of zou zijn
geëindigd. Indien een
uitkeringsgerechtigde met een WW-uitkering het werk hervat voor minder
uren dan waarover recht op WW bestaat en
vervolgens verwijtbaar die uren verliest,
voert het
UWV evenwel wel het beleid om
in die gevallen de uitkering blijvend
geheel te weigeren over dat deel van de
uitkering dat als gevolg van de
beëindiging van de gedeeltelijke
werkhervatting herleeft (Besluit
toepassing maatregel na verwijtbaar
eindigen van een gedeeltelijke
werkhervatting). Met het onderhavige
onderdeel wordt die mogelijkheid van
weigering over het aantal uren dat het
recht niet zou zijn ontstaan of zou zijn
geëindigd in artikel
27, eerste lid,
van de WW
opgenomen. Aldus wordt
bewerkstelligd dat één en dezelfde
methode van weigering wordt toegepast in
de situatie dat de werknemer:
- verwijtbaar werkloos wordt;
- werkloos is of blijft doordat hij door
eigen toedoen geen passende arbeid
behoudt; en
- werkloos is of blijft doordat hij nalaat
aangeboden passende arbeid te aanvaarden
of door eigen toedoen geen passende
arbeid verkrijgt (artikel
27, tweede
lid, WW).
rblz.|9|
Deze
wijziging van artikel
27, eerste lid, WW
levert - gelet op het door het
UWV
gevoerde beleid - niet of nauwelijks
een verschil op in hoogte en duur van de
maatregel op grond van het huidige
artikel 27, eerste lid, van de WW.
Onderdelen
F en G
Voor
de toelichting op deze onderdelen
verwijst de regering naar de toelichting
op artikel II (Anw), onderdelen B en C.
Onderdeel
H
In
onderdeel H wordt een verwijzing
gecorrigeerd. Het beleidsterrein van de
voormalige Minister van
Ontwikkelingssamenwerking behoort thans
tot het beleidsterrein van de Minister
van Buitenlandse Zaken.
Onderdeel
I
Het
UWV constateert in toenemende mate bij
faillissementen dat werknemers tijdens
de opzegtermijn in dienst blijven bij de
failliete werkgever, maar door de
curator worden gedetacheerd bij een
collega-bedrijf. Dat collega-bedrijf
betaalt een vergoeding aan de failliete
werkgever (de boedel) voor de verrichte
werkzaamheden. De werknemer treedt dus
tijdens de opzegtermijn niet in dienst
van het collega-bedrijf (wel regelmatig
daarna). Op grond van artikel
62, tweede
lid, eerste volzin, van de WW
kunnen de
aldus gewerkte uren niet in mindering
worden gebracht op de hoofdstuk IV-WW-uitkering als de werknemer de aldus
gewerkte uren niet zelf uitbetaald
krijgt. De mogelijkheid om met behoud
van hoofdstuk IV-WW-uitkering ten
behoeve van de boedel werkzaamheden te
verrichten is niet bedoeld voor deze
situatie.
Artikel
IX. Wet algemene weduwen- en
wezenverzekering BES
Het
betreft hier een redactionele
verbetering.
Artikel
X. Wet arbeid en zorg
Onderdeel
A
Op
grond van het huidige artikel 3:11 van
de Wet arbeid en zorg
(Wazo) doet de
vrouwelijke werknemer of gelijkgestelde
(hierna: werkneemster) aanvraag via haar
werkgever bij het
UWV voor een uitkering
in verband met zwangerschap en
bevalling. Bij de aanvraag wordt een
verklaring overgelegd van een arts of
van een verloskundige waarin de
vermoedelijke datum van bevalling is
aangegeven. Aan de hand van deze datum
wordt door de werkgever de ingangsdatum
(en daarmee de geplande periode) van het
verlof vastgesteld. In het verlengde
daarvan is deze datum voor het UWV
bepalend voor de vaststelling van de
periode waarover de uitkering op grond
van de Wazo moet worden betaald. De
vrouwelijke gelijkgestelde die geen
werkgever heeft, moet conform artikel
3:12 van de Wazo, bij aanvraag van
uitkering in verband met zwangerschap en
bevalling ook een verklaring overleggen.
Voorgesteld
wordt om de verplichte overlegging van
de verklaring door de werkgever of de
vrouwelijke gelijkgestelde die geen
werkgever heeft aan het
UWV te laten
vervallen en deze te vervangen door een
mogelijkheid voor het UWV om een
dergelijke verklaring op te vragen.
Daarmee worden administratieve lasten
bespaard bij de werkgever en
uitvoeringskosten bij het UWV.
rblz.|10|
De aanvraag door de werkgever bij het
UWV geschiedt in de regel elektronisch. Het
UWV gebruikt de gegevens uit de aanvraag
voor de beslissing over toekenning. De
informatie over de vermoedelijke
bevallingsdatum is niet opgenomen in de
aanvraag, maar wordt door het UWV
overgenomen uit de verklaring van de
arts of verloskundige. Daarom is deze
verklaring noodzakelijk. Dat document
moet dan op papier of per scan
opgestuurd worden en handmatig verwerkt
en gevoegd worden bij de informatie uit
de elektronische aanvraag. Het koppelen
van deze informatie is relatief
tijdrovend, zeker wanneer op de
verklaring niet het BSN-nummer van de
zwangere vrouw vermeld is. De
vrouwelijke gelijkgestelde die geen
werkgever heeft, doet de aanvraag op
papier en legt de verklaring daarbij
over.
Het
UWV gaat de afhandeling van een Wazo-aanvraag verder automatiseren
waarbij de vermoedelijke bevallingsdatum
in de elektronische aanvraag wordt
meegegeven. De afhandeling wordt daarmee
efficiënter en de verklaring is niet
meer nodig om daaruit de datum over te
nemen. Het is dan ook niet nodig om de
overlegging van de verklaring bij
aanvraag standaard in alle gevallen te
handhaven. Het UWV gebruikt na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de
datum die de werkgever noemt in de
aanvraag van de uitkering. De
werkneemster moet de verklaring op grond
van artikel 3:1 van de
Wazo overhandigen
aan haar werkgever en de werkgever dient
dus de vermoedelijke bevallingsdatum
daaruit over te nemen in zijn aanvraag
ten behoeve van de werkneemster. De
werkgever kan op grond van de verklaring
van de arts of verloskundige vaststellen
vanaf welke datum het
zwangerschapsverlof kan worden
opgenomen. De vrouwelijk gelijkgestelde
die geen werkgever heeft, hoeft in dit
voorstel evenmin de verklaring aan het
UWV te zenden. Zij moet deze wel
beschikbaar houden in verband met
mogelijkheid van controle achteraf.
Voorgesteld
wordt het
UWV wel de bevoegdheid te
geven de originele verklaring op te
vragen bij de werkgever alsmede de
vrouwelijke gelijkgestelde die geen
werkgever heeft. Het UWV kan de
werkgever alsmede de vrouwelijke
gelijkgestelde die geen werkgever heeft uiterlijk binnen
één jaar na het
tijdstip waarop de uitkering is
geëindigd, vragen om de originele
verklaring over te leggen. Een
dergelijke controle kan
steekproefsgewijs of - op grond van
statistische aanwijzingen - gericht
plaatsvinden, en in individuele gevallen
waarin er reden is voor twijfel over de
juistheid van de opgegeven datum. Op
deze manier kan het UWV vaststellen of
de uitkering juist is vastgesteld.
In
de Wazo wordt niet specifiek geregeld
dat het niet overleggen van de
verklaring gesanctioneerd wordt, omdat
in artikel
3:16, tweede lid, van de Wazo
wordt verwezen naar de strafbepaling van
artikel 84 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI). Het laatste artikel verwijst
naar artikel
54, eerste lid, van de Wet
SUWI. Op grond van dit artikel kan het
UWV de werkgever of de vrouwelijke
gelijkgestelde die geen werkgever
heeft, vragen om de verklaring over te
leggen. Indien de werkgever of de
vrouwelijke gelijkgestelde die geen
werkgever heeft niet aan deze
verplichting voldoet, overtreedt hij dat
artikel en is op grond van artikel
84,
eerste lid, van de Wet
SUWI strafbaar.
De sanctie is een hechtenis van ten
hoogste één maand of een geldboete van
de tweede categorie.
Ingeval de verklaring wel wordt overgelegd
en de vermoedelijke bevallingsdatum niet
overeenstemt met de in de aanvraag
opgegeven datum, wordt de
inlichtingenverplichting niet nageleefd
(artikel 49 van de
Ziektewet (ZW)). Het
UWV kan de uitkering dan geheel of
gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk
weigeren (artikel 3:16 van de
Wazo juncto 45, eerste lid, van de
ZW).
rblz.|11|
Dit
voorstel is een onderdeel van een breder
pakket van maatregelen ter beperking van
de uitvoeringskosten ten aanzien van het
vaststellen van uitkeringen en daarmee
een integraal onderdeel van de baten van
dat pakket. De baten zijn gebaseerd op
een combinatie van vereenvoudigde
wetgeving, digitalisering en
automatisering. Voor werkgevers levert
dit voorstel een vermindering van
administratieve lasten op van €|1
miljoen.
Onderdeel
B
Het
betreft hier een technische aanpassing.
Door de vernummering in artikel 3:11
(onderdeel
A) dient de verwijzing in
artikel 3:12, tweede lid, aangepast te
worden. Ook wordt het tweede lid (nieuw)
van overeenkomstige toepassing verklaard
op een vrouwelijke gelijkgestelde die
geen werkgever heeft.
Onderdelen
C tot en met E
De
in de onderdelen C tot en met E
aangebrachte wijzigingen betreffen
technische aanpassingen. In onderdeel C
wordt een verwijzing naar een niet-bestaand lid gecorrigeerd. De
verwijzingen naar de artikelen
42, 56 en
67 in de onderdelen D en
E worden
doorgehaald, daar artikel 42 vervallen
is per 1 mei 2000 en de artikelen 56 en
67 vervallen zijn per 1 januari 2002.
Artikel
XI. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
Onderdeel
A
Met
de Verzamelwet SZW
2011 is een zin uit
artikel 42, vierde lid, WAO komen te
vervallen. Hierdoor werd de
toepassingstermijn van artikel 44
WAO beperkt tot
één jaar (het betreft hier
de jongere die binnen één jaar na de
voltooiing van een scholing of opleiding
inkomsten gaat verwerven). Daarbij is
over het hoofd gezien dat een
soortgelijke bepaling geldt voor zowel
de Wet Wajong
als voor de WAZ.
Voorgesteld wordt de vergelijkbare
bepalingen in de Wet Wajong en de WAZ te
laten vervallen.
De
artikelen 3:19, derde lid en
3:31,
vierde lid, van de Wet Wajong
en 38,
vierde lid, van de WAZ bevatten een
bijzondere regeling voor de herziening
van de uitkering als de mate van
arbeidsongeschiktheid van iemand is
gewijzigd als gevolg van de voltooiing
van een scholing of opleiding. In dat
geval wordt de uitkering niet eerder
herzien dan één jaar na voltooiing van
die scholing of opleiding. Op deze
manier wordt voorkomen dat de uitkering
van betrokkene direct na die scholing of
opleiding moet worden verlaagd omdat hij
nieuwe bekwaamheden heeft verworven. Hij
heeft zodoende één jaar de tijd om
passende arbeid te vinden met behoud van
zijn uitkering. Als hij in dat jaar een
baan vindt, is telkens in de tweede zin
bepaald dat de anticumulatieregeling van
artikel 3:48, eerste lid, Wet Wajong
dan wel artikel 58
WAZ tot uiterlijk het
einde van dat jaar van overeenkomstige
toepassing is. Daarmee werd beoogd dat
de uitkering niet alsnog zou worden
verlaagd direct na aanvaarding van een
baan binnen één jaar na de scholing of
opleiding. In artikel 3:48
Wet Wajong
en
58 WAZ is echter bepaald dat na het
aanvaarden van arbeid, ongeacht de aard
van die arbeid, gedurende vijf jaar het
inkomen uit die arbeid wordt verrekend
met de uitkering. Dit voorkomt dat de
uitkering in verband met het aanvaarden
van die arbeid direct moet worden
herzien. Het is daardoor niet nodig deze
artikelen van overeenkomstige toepassing
te verklaren. De tweede zin van artikel
3:19, derde lid, de tweede zin van
artikel 3:31, vierde lid, Wet Wajong
en
de tweede zin van artikel
38, vierde
lid, WAZ kunnen vervallen.
rblz.|12|
Onderdeel
B
Op
grond van de WAZ
worden eventuele
inkomsten uit een dienstverband op grond
van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw)
in mindering gebracht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het
vanwege de Wsw uitgespaarde bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
aangeduid als "anticumulatiebaten
Wsw", moet het
UWV op grond van de WAZ
afdragen aan het Rijk. Vanwege de
huidige integrale afweging van
premiegefinancierde uitgaven en
begrotingsuitgaven en het loslaten van
lastendekkende premies betreft deze
afdracht een inmiddels onnodige
administratieve handeling. Voorgesteld
wordt dan ook om de artikelen die
betrekking hebben op deze afdracht te
laten vervallen.
Onderdeel
C en D
Voor
de toelichting op deze onderdelen
verwijst de regering naar de toelichting
op artikel II (Anw), onderdelen B en C.
Artikel
XII. Wet beëindiging
arbeidsovereenkomsten BES
Onderdeel
A
Voorgesteld
wordt de terminologie aan te passen. Een
commissie wordt ingesteld en vervolgens
worden de leden van de commissie
benoemd.
Onderdeel
B
Voorgesteld
wordt de formulering van het eerste lid
aan te passen en daarin de opzegging,
die voorafgaat aan de beëindiging,
apart te benoemen. Dat is ook wenselijk
in verband met de formulering van
artikel 7, tweede lid.
Bij
de omzetting van de Landsverordening in
de wet is in artikel 4, derde lid, de
tweede volzin geschrapt. Daarin was
bepaald dat in bijzondere gevallen de minister op verzoek van de Directeur bij
met redenen omklede beschikking de
termijn van zes weken kan verlengen tot
ten hoogste twaalf weken. De zinsnede
werd geschrapt omdat de Directeur van
het Departement van Arbeid en Sociale
Zaken geen rol meer speelt naast de
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Door het schrappen van
de genoemde zin had ook artikel 5, derde
lid, tweede zin, dat verwijst naar
artikel 4, derde lid, tweede zin, geen
betekenis meer. Het is echter wenselijk
dat de standaardprocedure en de
procedure in bijzondere omstandigheden
langer kunnen duren. Daarom wordt
voorgesteld de termijn van zes weken te
verlengen tot acht weken en de ruimte te
bieden om die termijn zo nodig in
bijzondere omstandigheden nog meer te
verlengen.
Onderdeel
C
Voorgesteld
wordt het begrip "nietig" in het
eerste lid te vervangen door "vernietigbaar" en
"nietigheid" in
het tweede lid te vervangen door "vernietigbaarheid". Op
vernietigbaarheid moet op grond van het
tweede lid van artikel 7 een beroep
worden gedaan. Gelet op het feit dat de
vernietigbaarheid moet worden ingeroepen,
is het begrip "nietig" zoals dat thans
in de wet staat onjuist. Tevens wordt
voorgesteld het tweede lid duidelijker
te formuleren, omdat uit de tekst niet
goed blijkt vanaf wanneer de termijn van
zes maanden loopt. Die termijn loopt vanaf
het moment van opzegging.
rblz.|13|
Artikel
XIII. Wet financiering sociale
verzekeringen
Onderdeel
A
Bij
artikel 40 van de Wet financiering
sociale verzekeringen (Wfsv) is een
nieuw zeventiende lid voorgesteld
waarbij twee delegatiegrondslagen worden
toegevoegd.
De
eerst voorgestelde wijziging brengt met
zich mee dat bij algemene maatregel van
bestuur de keuze om eigenrisicodrager te
worden voor het ziekengeld en de
WGA-uitkering (werkhervattingsregeling
gedeeltelijk arbeidsgeschikten) en het
verzoek om beëindiging van het
eigenrisicodragerschap eenmaal per 1
januari van enig jaar kan worden gedaan.
In de brief naar aanleiding van de
evaluatie van de Wet WIA
van 25 maart
2011 (Kamerstukken II 2010-2011, 32 716,
nr. 1) is het voornemen tot deze
aanpassing aangekondigd. Indien van deze
mogelijkheid gebruik wordt gemaakt,
brengt dit een vereenvoudiging van de
uitvoering van de wet voor de belastingdienst
en het
UWV met zich mee
en het sluit aan bij het gegeven dat
wijzigingen van verzekeringen van deze
aard doorgaans slechts eenmaal per jaar
plaatsvinden. De mogelijkheid van
beperking tot één keuzemoment per jaar
geldt niet alleen voor de WGA, maar ook
voor de ZW. Voordat van deze
mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt,
dient bij de uitvoeringsorganisaties de
uitvoering hierop te worden aangepast en
zal ook voldoende capaciteit aanwezig
moeten zijn om eventuele piekvorming in
de uitvoering het hoofd te kunnen
bieden.
De
tweede voorgestelde wijziging brengt met
zich mee dat bij ministeriële regeling
de aanvraagtermijn kan worden bekort. Op
grond van artikel
40, negende lid,
eerste zin, en het tiende lid, onderdeel
b, van de Wfsv moet de werkgever een
aanvraag om toestemming om
eigenrisicodrager te worden of
beëindiging van het
eigenrisicodragerschap met ingang van 1
januari of 1 juli van enig jaar op een
termijn van ten minste dertien weken
tevoren indienen. De belastingdienst
heeft deze termijn in het algemeen nodig
voor de beoordeling van de aanvraag.
Op
grond van de voorgestelde
delegatiemogelijkheid kan de periode van
dertien weken in geval van bijzondere
omstandigheden worden ingekort. Hierbij
kan worden gedacht aan bijzondere
ontwikkelingen in de economische
situatie van het land of in bepaalde
sectoren of de wijziging in de premies
en het tijdstip waarop deze bekend zijn.
Bij Besluit van 31 oktober 2009, Stb.
2009, 471, is op grond van de op dat moment
geldende afwijkingsmogelijkheid op grond
van artikel 42 van de Wfsv
voor de
aanvraag per 1 oktober 2010 om
toestemming om eigenrisicodrager te
worden de bedoelde termijn eenmalig
ingekort. Dit besluit werd gemotiveerd
door te wijzen op de bijzondere
economische situatie waarin ons land
verkeerde en die voor bedrijven
onzekerheden meebracht over hun
bedrijfsvoering, het tijdstip van de
bekendmaking van de parameters en de
stijging van de premie en op grond
hiervan er aanleiding was om eenmalig de
werkgevers langere tijd gelegenheid te
geven om de voor- en nadelen van
publieke verzekering en eigen risico
dragen af te wegen. Niet is
uitgesloten dat in de toekomst er weer
uitzonderlijke omstandigheden zijn die
verkorting van de wettelijke termijn
wenselijk maken.
Onderdeel
B
Gemeenten
kunnen geen eigenrisicodrager worden
voor de werknemers die werkzaam zijn in
een dienstbetrekking op grond van de Wsw. Gemeenten kunnen de uitvoering bij
een gemeenschappelijke regeling
overdragen aan het bestuur van een
openbaar lichaam en in dat geval treedt
dat bestuur voor de toepassing van de
Wsw in de plaats van de betrokken
colleges van burgemeester en wethouders
van de betrokken gemeenten. Ook in dat
geval kan het bestuur van het lichaam
van de gemeenschappelijke regeling geen
eigenrisicodrager worden voor deze rblz.|14|
werknemers; het bestuur treedt immers in
de plaats van de gemeenten. Ter
verduidelijking van de wet wordt dit
expliciet in deze bepaling verwoord.
Onderdelen
C en E
Om
de verzilveringsproblematiek voor kleine
bedrijven te verminderen, is het, mede
naar aanleiding van de motie-Dijkgraaf
en Van Hijum, toegestaan ook voor de
premies ten behoeve van de sectorfondsen
een premiekorting oudere werknemer of
premiekorting arbeidsgehandicapte
werknemer toe te passen. Hierdoor wordt
de premiegrondslag voor de premiekorting
verbreed, waardoor kleine werkgevers
meer premiekorting kunnen verzilveren.
Dit is geregeld door de verwijzingen in
het eerste lid, aanhef, van de artikelen
47 en 49 zodanig aan te passen dat ook
over de verschuldigde sectorpremies (artikel
28) de korting mag worden
toegepast.
Onderdeel
D
Dit
onderdeel corrigeert een foutieve
verwijzing.
Onderdeel
F
In
artikel 61, zevende lid, van de Wfsv
is bepaald dat aan de belanghebbende door
de
SVB bij brief met
ontvangstbevestiging kennis wordt
gegeven van een beslissing over het
schuldig nalatig zijn voor een bepaald
jaar in verband met het niet betalen van
premie over dat jaar. Dit artikellid
bepaalt ook dat een wijziging of
intrekking van een beslissing over
schuldige nalatigheid bij brief met
ontvangstbevestiging bekend wordt
gemaakt.
Het
is wenselijk de verplichting tot
kennisgeving (bekendmaking) bij
aangetekende brief te laten vervallen.
Het artikellid kan vervallen.
In
het nieuwe zevende lid wordt bepaald dat
de
SVB de schuldige nalatigheid van
premieplichtigen registreert. Daarmee
wordt een bestaande praktijk wettelijk
vastgelegd. Op grond van die registratie
kan de SVB bij de vaststelling van het
ouderdomspensioen op basis van de eigen
gegevens vaststellen of er een korting
dient te worden toegepast voor de jaren
dat de pensioengerechtigde schuldig
nalatig is geweest premie te betalen.
Voorts
is in het nieuwe zevende lid een
regeling opgenomen voor situaties waarin
de SVB niet kan beschikken over een
actueel adres van premieplichtigen. Op
het moment dat de SVB beslist over de
schuldige nalatigheid van deze personen,
kan de SVB hen geen beslissing sturen
omdat hun adres niet bekend is. Daarom
stuurt de SVB hen pas een beschikking
zodra hun adres weer bekend is. Dat kan
vele jaren duren. Om te voorkomen dat
deze premieplichtigen tientallen jaren
na dagtekening van de aanslag alsnog de
verschuldigde premie kunnen betalen in
plaats van binnen vijf jaar (en daarmee
dus worden bevoordeeld ten opzichte van
personen wiens adres wel bekend is),
wordt op voorstel van de SVB geregeld
dat de verlenging van de
betalingstermijn met vier weken, genoemd
in het vierde lid, ingaat op het moment
van de registratie door de SVB in plaats
van op de datum waarop de SVB de
beschikking toezendt.
Bij
het schrappen van de verplichting tot
aangetekend verzenden is artikel 3:41
van de Awb
van toepassing. Dat artikel
bepaalt dat de bekendmaking van
besluiten in beginsel geschiedt door
toezending of uitreiking aan
belanghebbende. Niet noodzakelijk is dat
dat bij aangetekende brief rblz.|15|
plaatsvindt.
Verzending per post is voldoende. In het
tweede lid van artikel 3:41 is
bepaald
dat als het niet bij toezending of
uitreiking kan (bijvoorbeeld omdat het
adres onbekend is en belanghebbende
vertrokken is onbekend waarheen (VOW)
en met die aantekening VOW in de
gemeentelijke basisadministratie is
opgenomen), de bekendmaking op een andere
geschikte wijze geschiedt. Alternatieven
zijn bijvoorbeeld publicatie in een dag-
of nieuwsblad. Omdat hieraan
aanzienlijke kosten zijn verbonden en
bovendien de kans klein is dat de
premieplichtige dit leest, is dit geen
effectieve manier om de premieplichtige
te informeren. Het is daarom beter om de
beslissing over schuldige nalatigheid te
verzenden als het adres weer bekend is.
De bekendmaking is voorts mogelijk via
de registratie door de
SVB indien de
belanghebbende gegevens over de opbouw
van de AOW opvraagt.
Onderdeel
G
De
voorgestelde wijziging in dit onderdeel
corrigeert een verwijzing. Het
beleidsterrein van de voormalige
Minister van Justitie behoort thans tot
het beleidsterrein van de Minister van
Veiligheid en Justitie.
Onderdelen
H en I
De
bijdragen van de overheidswerkgever voor
het deskundigheidsoordeel dat het UWV op
grond van verschillende
rechtspositieregelingen voor overheids-
en onderwijssectoren verricht (artikel
XIX, onderdeel B), worden opgenomen in
de opsomming van bijdragen die ten
gunste (onderdeel
H) en ten laste (onderdeel
I) komen van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Onderdeel
J
In
artikel XI, onderdeel B, is bepaald dat
artikel 58, vierde lid, van de WAZ
vervalt. Op grond hiervan is het
UWV niet langer meer gehouden de
anticumulatiebaten Wsw
aan het Rijk af
te dragen. Deze afdracht hoeft daarmee
ook niet ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) te
worden gebracht. Onderdeel l van
artikel
115, eerste lid, dat de uitgaven uit het
Aof regelt, kan daarom ook vervallen.
Onderdeel
K
Deze
artikelen, met uitzondering van artikel
125a, bevatten overgangsrecht dat
inmiddels is uitgewerkt. Deze artikelen
kunnen derhalve vervallen.
Artikel 125a
bevat een evaluatiebepaling van de
regeling premiekorting oudere
werknemers, bedoeld in de artikelen 47
en 48 van de
Wfsv.
Bij Wet
van 29 december 2008 tot wijziging
van de Wet financiering sociale
verzekeringen en enige andere wetten in
verband met de invoering van een
premiekorting voor het in dienst nemen
van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar
of ouder en het in dienst houden van
werknemers van 62 jaar of ouder (Stb.
2008, 598) is vastgelegd dat de regeling na
twee jaar geëvalueerd dient te worden.
Het
was de bedoeling om op die wijze vast te
stellen bij welk bedrag de premiekorting
effectief is en of indexatie
noodzakelijk is. Daarbij wordt een
onderscheid gemaakt naar de twee soorten
ouderenkorting, namelijk die bij het in
dienst nemen van uitkeringsgerechtigden
en het in dienst houden van oudere
werknemers. Bij de effectiviteit gaat
het ook om de leeftijdgrenzen die in de
wet zijn opgenomen. Denkbaar was dat aan
de hand van evaluaties wordt vastgesteld of deze grenzen op andere
jaren kunnen worden gesteld, gelet op de
verbetering van de arbeidsmarktpositie rblz.|16|
van oudere werknemers, en dat het bedrag
van de premiekorting voor het in dienst
houden van oudere werknemers niet wordt
verhoogd tot het bedrag dat geldt voor
het in dienst nemen van oudere
uitkeringsgerechtigden. Nu in het regeerakkoord is afgesproken dat de
premiekorting voor zowel het in dienst
nemen als het in dienst houden van
oudere werknemers gehandhaafd blijft, en
daarbij de hoogte van de bedragen nader
wordt vastgesteld, zijn de belangrijkste
gronden voor een evaluatie komen te
vervallen. Artikel 125a
wordt derhalve
geschrapt.
Onderdeel
L
Dit
onderdeel corrigeert een foutieve
verwijzing in artikel 122b.
Artikel
XIV. Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen
Onderdelen
A en B
In
de onderdelen A en
B worden een aantal
verwijzingen gecorrigeerd in verband met
de overgang van diverse beleidsterreinen
naar andere ministers, dan wel
naamswijzigingen van bestaande ministeries.
Artikel
XV. Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers
Onderdeel
A
Met
dit onderdeel wordt verduidelijkt dat
bij het vaststellen van de grondslag op
grond van artikel
5, zesde lid, alleen
inkomsten van de werkloze werknemer in
beschouwing worden genomen. Er is geen
sprake van een inhoudelijke wijziging
van dit artikellid.
Onderdelen
B en C
In
de onderdelen B en
C worden een aantal
verwijzingen gecorrigeerd in verband met
de overgang van diverse beleidsterreinen
naar andere ministers, dan wel
naamswijzigingen van bestaande ministeries.
Artikel
XVI. Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen
Onderdeel
A
Dit
onderdeel stelt een redactionele
correctie voor. Met het doorvoeren van
de Reparatiewet
SZW 2011 en de Verzamelwet
SZW 2011 is per abuis een
redactionele fout doorgevoerd. Die wordt
hierbij gecorrigeerd.
Onderdelen
B en C
Voor
de toelichting op deze onderdelen
verwijst de regering naar de toelichting
op artikel II (Anw), onderdelen B en C.
Artikel
XVII. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel
A
Met
ingang van 1 januari 2011 wordt in
artikel 43a, vierde lid, niet langer
bepaald dat toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet
plaatsvindt indien artikel 29b
van de ZW toepassing kan vinden. In
artikel 43c
hoeft derhalve voor die situatie niet
meer bepaald te worden wat de rblz.|17|
hoogte van
het dagloon is. De desbetreffende
zinsnede kan daarom vervallen.
Onderdeel
B
Op
grond van de WAO
worden eventuele
inkomsten uit een Wsw-dienstverband in
mindering gebracht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het
vanwege de Wsw uitgespaarde bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
aangeduid als "anticumulatiebaten
Wsw", moet het
UWV op grond van de WAO
afdragen aan het Rijk. Vanwege de
huidige integrale afweging van
premiegefinancierde uitgaven en
begrotingsuitgaven en het loslaten van
lastendekkende premies betreft deze
afdracht een inmiddels onnodige
administratieve handeling. Voorgesteld
wordt dan ook om de artikelen die
betrekking hebben op deze afdracht te
laten vervallen.
Onderdelen
C en D
Voor
een toelichting op deze onderdelen
verwijst de regering naar de toelichting
op artikel II (Anw), onderdeel B en C.
Artikel
XVIII. Wet participatiebudget
Met
de voorgestelde wijzigingen van de Wet
participatiebudget wordt een aantal
verwijzingen gecorrigeerd in verband met
de overgang van diverse beleidsterreinen
naar andere ministers of
naamswijzigingen van bestaande ministeries.
Artikel
XIX. Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen
Onderdelen
A, D en
F
Met
de voorgestelde wijzigingen van de Wet
SUWI wordt een aantal verwijzingen
gecorrigeerd in verband met de overgang
van diverse beleidsterreinen naar andere
ministers of naamswijzigingen van
bestaande ministeries.
Onderdeel
B
De
wijziging van het vijfde lid betreft een
technische wijziging.
Op
grond van verschillende
rechtspositieregelingen voor overheids-
en onderwijssectoren verricht het UWV een
specifiek deskundigenoordeel. Het UWV geeft
in dit deskundigenoordeel een oordeel
over de volgende vragen:
1.
of nog steeds sprake is van
ongeschiktheid tot werken;
2.
of herstel binnen een periode van zes
maanden na de twee jaar wachttijd
redelijkerwijs is te verwachten;
3.
of herplaatsing in een aangepaste of
andere functie als passend kan worden
beschouwd.
Daarbij
worden bij de beoordeling of sprake is
van een ongeschiktheid tot werken
gedurende een ononderbroken periode van
104 weken perioden van ongeschiktheid
tot werken samengeteld indien zij elkaar
met een onderbreking van minder dan vier
weken opvolgen of indien zij direct
voorafgaan aan en aansluiten op een
periode waarin zwangerschaps- of
bevallingsverlof wordt genoten
overeenkomstig artikel
3:1, tweede en
derde lid, van de Wazo, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet
geacht kan worden voort te vloeien uit
dezelfde oorzaak.
Het
deskundigenoordeel voor de overheids- en
onderwijssectoren wijkt materieel af van
de andere deskundigenoordelen die het UWV desgevraagd
rblz.|18|
verstrekt op grond van
artikel 32 van de Wet
SUWI. Het is
daarom gewenst om dit deskundigenoordeel
een expliciete wettelijke grondslag te
geven. Daarin wordt voorzien met deze
wijziging. De wijziging heeft verder
geen effect voor de uitvoeringspraktijk
van het UWV of voor de
rechtspositieregelingen van overheids-
en onderwijssectoren, omdat het UWV
materieel al een deskundigenoordeel
verstrekt waarin voornoemde vragen
kunnen worden beantwoord.
Onderdeel
C
Het
deskundigheidsoordeel dat het UWV op grond
van verschillende
rechtspositieregelingen voor overheids-
en onderwijssectoren verricht (onderdeel
B), wordt opgenomen in de opsomming van
onderzoeken waarvoor het UWV kosten in
rekening kan brengen bij de werkgever
die om het onderzoek heeft verzocht.
Onderdeel
E
In
artikel 84 wordt de verwijzing naar de
artikelen 28 en 29 geschrapt, aangezien
deze artikelen zijn vervallen met ingang
van 1 januari 2009 (Stb. 2008, 600 en
601).
Artikel
XX. Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten
Onderdeel
A
Dit
onderdeel corrigeert een kennelijke
verschrijving.
Onderdeel
B
Artikel
2:23 van de Wet Wajong
is ingevoegd bij
de Wet van 3 december
2009, Stb. 2009, 589.
Artikel 2:23 heeft echter niet alleen
betrekking op toeleiding naar de arbeid
als zelfstandige, maar ook op de
ondersteuning als men als zelfstandige
werkt. In het artikel staat dat
voorzieningen kunnen worden verstrekt
"in het kader van de bevordering van de
inschakeling in en ondersteuning bij de
arbeid als zelfstandige". Dit komt
onvoldoende tot uitdrukking in het
opschrift. Voorgesteld wordt om het
opschrift hierop te laten aansluiten.
Onderdeel
D
In
artikel 4, derde lid, van de Wet WIA
is
bepaald dat ook bij een medische
situatie waarbij op de lange termijn een
geringe kans op herstel bestaat sprake
is van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Indien er nog een geringe kans is op
herstel, beoordeelt het
UWV, op grond van
artikel 41, van de Wet WIA, de eerste
vijf jaar nadat recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ontstaan jaarlijks of de verzekerde nog
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
is.
In
artikel XXII, onderdeel E, wordt voor de Wet WIA
voorgesteld deze verplichte
jaarlijkse herbeoordeling in de eerste
vijf jaar te laten vervallen.
Het
voorstel leidt tot een geringe afname
van de administratieve lasten voor de
betreffende groep
uitkeringsgerechtigden. De beperking van
de administratieve lasten wordt voor de
betreffende doelgroep geraamd op een
kleine 4000 uur per jaar. De besparing
op out-of-pocketkosten is nihil.
Het
vervallen van de herbeoordeling bij
geringe kans op herstel leidt voorts tot
een beperkte besparing op de
uitvoeringskosten van het
UWV. Deze
besparing draagt bij aan de
efficiencytaakstelling voor het UWV rblz.|19|
zoals aangekondigd in de brief van de
Minister van SZW van 14 maart 2011
(Kamerstukken II 2010-2011, 32 500 XV, nr
75).
Eenzelfde
jaarlijkse herbeoordeling bij een
geringe kans op herstel gedurende een
periode van vijf jaar is voor
jonggehandicapten in artikel
2:36, van
de Wet Wajong
opgenomen. Voorgesteld
wordt om om dezelfde redenen als die bij
artikel XXII, onderdeel E, worden
aangegeven ook dat artikel te laten
vervallen.
Onderdeel
E
Pas
als recht op arbeidsondersteuning is
ontstaan, kan iemand aanspraak maken op
inkomensondersteuning op grond van artikel
2:39.
De jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning vraagt dit
afzonderlijk aan. In de praktijk wordt
de inkomensondersteuning vaak tegelijk
met het recht op arbeidsondersteuning
aangevraagd. Nu in artikel
2:39, eerste
lid, is geregeld dat de jonggehandicapte
die recht heeft op arbeidsondersteuning
de inkomensondersteuning ontvangt vanaf
de dag waarop dit is aangevraagd, kan
onduidelijkheid bestaan over de vraag
vanaf welke dag de inkomensondersteuning
wordt verstrekt. Met de voorgestelde
aanvulling wordt duidelijk gemaakt dat
inkomensondersteuning niet eerder wordt
verstrekt dan vanaf de dag waarop recht
op arbeidsondersteuning ontstaat.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat
wanneer inkomensondersteuning wordt
aangevraagd als al recht op
arbeidsondersteuning is ontstaan, de
inkomensondersteuning verstrekt wordt
vanaf de dag waarop dit is aangevraagd.
Onderdelen
F en G
Voor
de toelichting op deze onderdelen
verwijst de regering naar de toelichting
op artikel II (Anw), onderdelen B en C.
Onderdelen
H en I
Met
de Verzamelwet SZW
2011 is een zin uit
artikel 42, vierde lid, WAO, waardoor de
toepassingstermijn van artikel 44
WAO beperkt werd tot
één jaar (het betreft
hier de jongere die binnen één jaar na
de voltooiing van een scholing of
opleiding inkomsten gaat verwerven),
komen te vervallen. Daarbij is over het
hoofd gezien dat een soortgelijke
bepaling geldt voor de Wet Wajong
en de WAZ. Voorgesteld wordt de vergelijkbare
bepalingen in de Wet Wajong en de WAZ te
laten vervallen.
De
artikelen 3:19, derde lid en
3:31,
vierde lid, van de Wet Wajong
en 38,
vierde lid, van de WAZ bevatten een
bijzondere regeling voor de herziening
van de uitkering als de mate van
arbeidsongeschiktheid van iemand is
gewijzigd als gevolg van de voltooiing
van een scholing of opleiding. In dat
geval wordt de uitkering niet eerder
herzien dan één jaar na voltooiing van
die scholing of opleiding. Op deze
manier wordt voorkomen dat de uitkering
van betrokkene direct na die scholing of
opleiding moet worden verlaagd omdat hij
nieuwe bekwaamheden heeft verworven. Hij
heeft zodoende één jaar de tijd om
passende arbeid te vinden met behoud van
zijn uitkering. Als hij in dat jaar een
baan vindt, is telkens in de tweede zin
bepaald dat de anticumulatieregeling van
artikel 3:48, eerste lid, Wet Wajong
dan wel artikel 58
WAZ tot uiterlijk het
einde van dat jaar van overeenkomstige
toepassing is. Daarmee werd beoogd dat
de uitkering niet alsnog zou worden
verlaagd direct na aanvaarding van een
baan binnen één jaar na de scholing of
opleiding. In artikel 3:48
Wet Wajong
en
artikel 58 WAZ
is echter bepaald dat na
het aanvaarden van arbeid, ongeacht de
aard van die arbeid, gedurende vijf jaar
het inkomen uit die arbeid wordt
verrekend met de uitkering. Dit voorkomt
dat de uitkering in verband met het
aanvaarden van die arbeid direct moet rblz.|20|
worden herzien. Het is daardoor niet
nodig deze artikelen van overeenkomstige
toepassing te verklaren. De tweede zin
van artikel
3:19, derde lid, de tweede
zin van artikel
3:31, vierde lid, Wet Wajong
en de tweede zin van artikel
38,
vierde lid, WAZ
kunnen vervallen.
Onderdeel
J
Op
grond van de Wet Wajong
worden eventuele
inkomsten uit een Wsw-dienstverband in
mindering gebracht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het
vanwege de Wsw uitgespaarde bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
aangeduid als "anticumulatiebaten
Wsw", moet het
UWV op grond van de Wet
Wajong afdragen aan het Rijk. Vanwege de
huidige integrale afweging van
premiegefinancierde uitgaven en
begrotingsuitgaven en het loslaten van
lastendekkende premies betreft deze
afdracht een inmiddels onnodige
administratieve handeling. Voorgesteld
wordt dan ook om de artikelen die
betrekking hebben op deze afdracht te
laten vervallen.
Onderdeel
K
In
het kader van de Wet
tot wijziging van enkele bijzondere
wetten in verband met de Wet dwangsom en
beroep bij niet tijdig beslissen is de beslistermijn
voor aanvragen op grond van de Wet WIA
en Wet Wajong
als gevolg van de complexe
uitvoeringspraktijk tot uiterlijk 1
januari 2012 op veertien weken gesteld.
Daarna wordt de beslistermijn
teruggebracht naar acht weken, conform
de Awb. Voor de Wet WIA is de
verwachting dat het
UWV een
beslistermijn van acht weken vanaf 1
januari 2012 zal kunnen realiseren. Voor
de Wet Wajong ligt dat anders.
Bij
vaststelling van de termijn van acht
weken vanaf 1 januari 2012 is indertijd
geen rekening gehouden met het nieuwe
uitvoeringsproces Wajong per 1 januari
2010. Sinds die tijd maakt het UWV immers
voor alle Wajong-ers die kunnen werken
een participatieplan en neemt het UWV een
gecombineerde beslissing over zowel de
vaststelling van de
inkomensondersteuning als over het recht
op arbeidsondersteuning en het
participatieplan. Het is, gelet op de
moeilijke doelgroep, de vereiste
zorgvuldigheid en de risico’s voor een
onjuiste diagnose richting werk, niet
haalbaar de gecombineerde beslissing
Wajong, over zowel het recht op
inkomensondersteuning, het recht op
arbeidsondersteuning en het
participatieplan, binnen acht weken te
nemen.
In
de brief van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 28 januari
2011 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken
II 2010-2011, 31 844, nr. 11) is al
aangegeven dat het afgeven van een
gecombineerde beslissing voor de Wet Wajong
binnen acht weken voor het UWV niet haalbaar
is. Ook de Landelijke Cliëntenraad
heeft zich in de brief van 31 maart 2011
aan de Vaste Kamercommissie SZW
uitgesproken voor een beslistermijn van
veertien weken, in het belang van de
kwaliteit van de beslissing en het
participatieplan. De regering stelt
daarom voor om voor beslissingen op
aanvragen Wajong de beslistermijn van
veertien weken te stellen. In het
algemeen overleg over de evaluatie Wet
WIA en arbeidsongeschiktheid op 27 april
2011 heeft de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid de
Kamer al van dit voornemen op de hoogte
gesteld.
De
regering is van oordeel dat het
terugbrengen van de beslistermijn naar
acht weken voor de Wet Wajong
niet alleen
voor het
UWV niet haalbaar is, maar
vooral ook niet in het belang van de
cliënt is. Een (langere) beslistermijn
van veertien weken is nodig in verband
met de kwaliteit en zorgvuldigheid van
de besluitvorming.
In
deze periode moeten niet alleen de
noodzakelijke gegevens vergaard worden,
onder andere via derden, maar vindt ook
noodzakelijk overleg rblz.|21|
met de
jonggehandicapte plaats, er moeten
afspraken met de jonggehandicapte en
diens mogelijke begeleider gemaakt
worden, de (externe) behandelaars moeten
worden geraadpleegd, het
participatieplan moet worden gemaakt en
met de jonggehandicapte afgestemd
worden. Het is van belang dat er een
goed beeld kan worden gevormd om de
juiste inzet ten aanzien van de
arbeidsondersteuning te bepalen.
Een
verkorting van de beslistermijn naar
acht weken zou de consequentie hebben
dat een onvolledig beeld over
mogelijkheden en beperkingen ontstaat,
de problematiek van de klant
gesimplificeerd wordt of dat in de
oordeelsvorming geen externe
deskundigheid betrokken wordt. Dit zou
ten koste gaan van de zorgvuldigheid van
het sociaal-medisch oordeel en zou
onvoldoende aanknopingspunten bieden
voor het participatieplan.
Artikel
XXI. Wet werk en bijstand
Onderdeel
A
Per
1 januari 2011 zijn met de
inwerkingtreding van een wijziging van
de Fiscale vereenvoudigingswet 2000
[lees: Fiscale
vereenvoudigingswet 2010, red.]
de alleenstaandeouderkorting en de
aanvullende alleenstaande ouderkorting
samengevoegd in artikel 8.15 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. De verwijzing
in artikel
31, tweede lid, onderdeel c,
van de Wet werk en bijstand
(Wwb) naar
de aanvullende alleenstaandeouderkorting is daarbij per abuis niet
aan deze wijziging aangepast. In dit
artikel wordt de verwijzing naar de
aanvullende alleenstaandeouderkorting
in artikel
31, tweede lid, onderdeel c,
van de Wwb gewijzigd overeenkomstig het
gewijzigde artikel 8.15 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. Met deze
wijziging is geen inhoudelijke wijziging
beoogd. De wijziging zal terugwerkende
kracht krijgen tot en met de datum van
inwerkingtreding van de wijzigingen van
de Fiscale
vereenvoudigingswet [lees: Fiscale
vereenvoudigingswet 2010, red.], namelijk
1 januari 2011.
Per
1 juni 2011 is met de inwerkingtreding
van de Wet
mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming
oudere belastingplichtigen onderdeel p van
artikel 31, tweede lid, van de Wwb
vervangen door een nieuw onderdeel p in
verband met het vervallen van de AOW-tegemoetkoming. Per 1 januari 2011
was het te vervangen onderdeel p evenwel
verletterd tot onderdeel o (artikel 58,
onderdeel M, van de Wet investeren in
jongeren). Aldus is ten onrechte het
onderdeel p vervallen, dat de ten
behoeve van een levensloopregeling
opgebouwde voorziening van de middelen
uitsloot en is onderdeel o, waarin de
AOW-tegemoetkoming wordt genoemd, in
stand gebleven. Ten einde één en ander
te repareren, wordt de tekst van het
huidige onderdeel o vervangen door de
tekst van het ten onrechte vervangen
onderdeel p. Deze wijziging zal
terugwerkende kracht krijgen tot en met
1 juni 2011.
Onderdelen
B en C
In
deze onderdelen worden een aantal
verwijzingen gecorrigeerd in verband met
de overgang van diverse beleidsterreinen
naar andere ministers dan wel
naamswijzigingen van bestaande ministeries.
Artikel
XXII. Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen
Onderdeel
A
In
onderdeel A wordt een verwijzing
gecorrigeerd. Het beleidsterrein van de
voormalige Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking behoort thans
tot het beleidsterrein van de Minister
van Buitenlandse Zaken.
rblz.|22|
Onderdeel
B
In
artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA
is geregeld dat het
UWV de beschikking
in verband met het opleggen van een
loonsanctie binnen zeven weken na de WIA-aanvraag kan
doen als deze
aanvraag niet tijdig is ingediend
doordat de ziekmelding van de werkgever
te laat was. Nu door de voorgestelde
wijziging van artikel
64, zesde lid, in
onderdeel G de loondoorbetalingsperiode
in deze situatie langer doorloopt, is
het niet nodig dit te handhaven. Indien
de aanvraag te laat is, geeft het UWV de
beschikking over een loonsanctie
uiterlijk zes weken vóór het einde van
het tijdvak waarin de werkgever het loon
doorbetaalt. Dit vloeit voort uit de
tweede zin van het tiende lid. In het
tiende en elfde lid van artikel 25 kan
de laatste zin daarom vervallen.
Onderdeel
C
Er
wordt een onjuiste verwijzing in het
eerste lid gecorrigeerd.
In
de Wet wijziging
verrekening inkomsten met ziekengeld
zijn het derde en vierde
lid van artikel
26, van de Wet WIA
vernummerd tot tweede en derde lid.
Verzuimd is ook het vijfde lid te
vernummeren. Dit wordt nu alsnog
vernummerd tot vierde lid.
Onderdeel
D
Artikel 34a
van de Wet WIA
is ingevoegd bij de Wet van 3 december 2009,
Stb. 2009, 589.
Artikel 34a heeft niet alleen betrekking
op toeleiding naar de arbeid als
zelfstandige, maar ook op de
ondersteuning als men als zelfstandige
werkt. Anders dan voorheen, toen
voorzieningen alleen werden verstrekt
voor de duur van de
re-integratieperiode, worden
voorzieningen verstrekt voor de gehele
duur van het zelfstandig
ondernemerschap. In het artikel staat
daarom dat voorzieningen kunnen worden
verstrekt "in het kader van de
bevordering van de inschakeling in en
ondersteuning bij de arbeid als
zelfstandige". Dit komt onvoldoende tot
uitdrukking in het opschrift.
Voorgesteld wordt om het opschrift
hierop te laten aansluiten.
Onderdeel
E
In
artikel 4, derde lid, van de Wet WIA
is
bepaald dat ook bij een medische
situatie waarbij op de lange termijn een
geringe kans op herstel bestaat sprake
is van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Indien er nog een geringe kans is op
herstel, beoordeelt het
UWV, op grond van
artikel 41, van de Wet WIA, de eerste
vijf jaar nadat recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ontstaan jaarlijks of de verzekerde nog
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
is.
Voorgesteld
wordt deze verplichte jaarlijkse
herbeoordeling in de eerste vijf jaar te
laten vervallen. Uit de WIA-evaluatie - toegezonden aan de Tweede Kamer en
Eerste Kamer met een brief van 25 maart
jl. (Kamerstukken I 2010-2011, 30 034 P,
Kamerstukken II 2010-2011, 32 716, nr. 1)
- blijkt dat het UWV
zorgvuldig te werk
gaat bij de vaststelling of sprake is
van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Daarbij komt dat de jaarlijkse
herbeoordeling bij "geringe kans op
herstel" in bijna alle gevallen tot een
ongewijzigde vaststelling geldt. Om deze
redenen is in het kabinetsstandpunt bij
de WIA-evaluatie aangegeven dat
uitvoering van deze herbeoordelingen
geen toegevoegde waarde heeft en is
aangekondigd dat voorgesteld zal worden
de herbeoordeling bij geringe kans op
herstel te laten vervallen.
rblz.|23|
Overigens
behoudt het
UWV wel de mogelijkheid om
een zogenaamde professionele
herbeoordeling te verrichten. Ook kan
betrokkene desgewenst het UWV verzoeken
om een herbeoordeling uit te voeren.
Deze herbeoordelingen hebben ook
betrekking op de groep
uitkeringsgerechtigden waarbij sprake is
van een geringe kans op herstel.
Het
voorstel leidt tot een geringe afname
van de administratieve lasten voor de
betreffende groep
uitkeringsgerechtigden. De beperking van
de administratieve lasten wordt voor de
betreffende doelgroep geraamd op een
kleine 4000 uur per jaar. De besparing
op out-of-pocketkosten is nihil.
Het
vervallen van de herbeoordeling bij
geringe kans op herstel leidt voorts tot
een beperkte besparing op de
uitvoeringskosten van het
UWV. Deze
besparing draagt bij aan de
efficiencytaakstelling voor het UWV
zoals aangekondigd in de brief van de
Minister van SZW van 14 maart 2011
(Kamerstukken II 2010-2011, 32 500 XV, nr.
75).
Artikel
XX, onderdeel D, bevat een vergelijkbare
wijziging van de Wet Wajong.
Onderdeel
F
In
artikel 59, derde lid, van de Wet WIA
is geregeld dat bij de bepaling van de
maximale duur van de loongerelateerde
WGA-uitkering rekening wordt gehouden
met de uitkering die betrokkene eerder
op grond van de WW
heeft genoten. Op
grond van genoemd artikellid wordt in
bepaalde situaties de loongerelateerde
WGA-uitkering verminderd met de duur van
de WW-uitkering. Op grond van de huidige
formulering van het derde lid kan de
duur van de WW-uitkering in een
specifieke situatie niet in mindering
worden gebracht op de duur van de
loongerelateerde WGA-uitkering. Het gaat
om de situatie dat betrokkene na afloop
van zijn WW-uitkering (maximale duur 38
maanden) bijvoorbeeld een uitkering
ontvangt op grond van de Wwb
en daarna
alsnog recht krijgt op een
WGA-uitkering, omdat hij meer dan 35%
arbeidsongeschikt wordt ten gevolge van
dezelfde ziekteoorzaak. Betrokkene
ontving de WW-uitkering in dat geval
immers niet onmiddellijk voorafgaand aan
het ontstaan van een recht op
WGA-uitkering. Met voorgestelde
wijziging wordt het mogelijk gemaakt om
in deze specifieke situatie de WW-duur
toch in mindering te brengen op de duur
van de loongerelateerde WGA-uitkering.
De duur van een WW-uitkering die de
verzekerde ontving uit hoofde van een
dienstbetrekking waaruit uiteindelijk
recht op een WGA-uitkering ontstaat,
wordt voortaan in mindering gebracht op
de duur van de loongerelateerde
WGA-uitkering.
Onderdeel
G
In
artikel 64, tweede lid, wordt "20
maanden" vervangen door "87
weken",
omdat perioden in artikel 64 telkens in
weken worden aangeduid. Uit artikel 23
van de Wet WIA
vloeit voort dat de
wachttijd in bepaalde gevallen
onderbroken wordt. Voorts wordt een
gewijzigde redactie van het artikel
voorgesteld teneinde rekening te houden
met deze onderbrekingen van de
wachttijd. De aanvraag vindt plaats als
87 weken van de wachttijd zijn
verstreken. Daarbij wordt, anders dan
indien de aanvraag 87 weken na aanvang
van de wachttijd plaatsvindt, rekening
gehouden met eventuele korte
onderbrekingen van de wachttijd. Daarmee
wordt voorkomen dat de aanvraag reeds
moet worden ingediend terwijl de
wachttijd nog lang niet ten einde is
doordat deze onderbroken is.
Op
grond van artikel 629, elfde lid,
onderdeel a, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek wordt het tijdvak
waarin de werkgever loon moet rblz.|24|
doorbetalen, verlengd met de duur van de
vertraging in verband met een te late
aanvraag van een uitkering op grond van
de Wet WIA. In
artikel 64, zesde lid,
van de Wet WIA
is echter geregeld dat
een te late aanvraag geacht wordt tijdig
te zijn ingediend indien het
UWV
de
kennisgeving, bedoeld in het tweede lid
van dat artikel, niet of niet op tijd
deed. De te late kennisgeving kan
veroorzaakt worden doordat de werkgever
de ziekmelding zo laat doet dat het UWV
de kennisgeving niet meer op tijd kan
doen. In dat geval ligt het niet voor de
hand de te late aanvraag als tijdig te
beschouwen. Daarom wordt voorgesteld te
regelen dat het zesde lid niet van
toepassing is als de werkgever de
ziekmelding niet binnen 79 weken doet.
Als de WIA-aanvraag ten gevolge hiervan
te laat is, vloeit uit artikel 629,
elfde lid, onderdeel a, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek voort dat de
loondoorbetalingsplicht doorloopt
gedurende de periode dat als gevolg van
de te late aanvraag het recht op een
uitkering op grond van de Wet WIA nog
niet kan worden vastgesteld.
Onderdeel
H
Met
de Wet wijziging
verrekening inkomsten met ziekengeld
is de verwijzing naar
artikel 29, tweede lid, onderdeel e,
f
en g, van de ZW
aan artikel 65 van de
Wet WIA toegevoegd. Deze toevoeging is
echter overbodig, aangezien het niet
mogelijk is eigenrisicodrager voor de ZW
te zijn voor de situaties waarnaar wordt
verwezen. Om deze reden wordt
voorgesteld deze verwijzing te
schrappen.
Onderdelen
I en J
Voor
de toelichting op deze onderdelen
verwijst de regering naar de toelichting
op artikel II (Anw), onderdelen B en C.
Onderdeel
K
Artikel
133 van de Wet WIA
(overgangsrecht
inzake de periode van eigen risico
dragen)
bevat overgangsrecht dat inmiddels is
uitgewerkt. Dit artikel kan daarom
vervallen.
Onderdeel
L
In
de Wet wijziging
verrekening inkomsten met ziekengeld
is geregeld dat
werkgevers een loonsanctie opgelegd
kunnen krijgen als onvoldoende
re-integratie-inspanningen zijn verricht
ten aanzien van personen, bedoeld in
artikel 26, tweede lid, onderdeel e,
f
en g, van de ZW. In verband daarmee is
tevens in artikel 65 geregeld dat ook in
deze gevallen de aanvraag van de
uitkering vergezeld gaat van een
re-integratieverslag. In artikel 133c
is
geregeld dat de nieuwe mogelijkheid om
een loonsanctie op te leggen alleen
geldt ten aanzien van personen waarvan
de eerste dag van de wachttijd is
gelegen na de dag van inwerkingtreding
van artikel III, onderdeel
A, van die
wet. In deze overgangsbepaling was niet
geregeld dat in dat geval de aanvraag
ook niet van een re-integratieverslag
vergezeld hoeft te gaan. Met de
voorgestelde toevoeging aan artikel 133c
wordt dit alsnog geregeld.
Artikel
XXIII. Wet Werkloosheidsvoorziening
De Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV) wordt
ingetrokken. De bepalingen in de WWV
over aanspraken op uitkeringen zijn al
lange tijd geleden komen te vervallen.
Wat over is gebleven is de afhandeling
van oude gevallen, vooral de invordering
van oude schulden in verband met ten
onrechte verstrekte WWV-uitkeringen. Op
grond van artikel 42 van de WWV
dienen
gemeenten zich jaarlijks aan het Rijk te
verantwoorden. De rblz.|25|
administratieve lasten
en kosten voor gemeenten die gepaard
gaan met deze verantwoording staan niet
meer in verhouding tot de jaarlijks
afnemende opbrengsten. Om deze reden
wordt de verplichting tot verantwoording
afgeschaft. Consequentie van de
afschaffing van de verantwoording WWV is
dat ook de afdracht van gemeentelijke
ontvangsten op grond van de WWV aan het
Rijk komt te vervallen en dat gemeenten
deze ontvangsten dus zelf mogen houden.
Logisch gevolg is dat ook het inmiddels
loze artikel 40 van de WWV
wordt
geschrapt, op grond waarvan gemeenten
uitkeringskosten kunnen declareren bij
het Rijk.
Het
Uitvoeringspanel gemeenten is
geraadpleegd om na te gaan in
hoeverre gemeenten de artikelen 43, 44
en 45 van de WWV, die betrekking hebben
op "het verstrekken van inlichtingen
aan het gemeentebestuur", nodig hebben
om schulden op grond van de WWV
te
kunnen blijven invorderen. Vastgesteld
is dat de informatieverplichtingen in de
WWV niet zodanig ondersteunend zijn om
de medewerking van belanghebbenden en
andere instanties te krijgen bij de
invordering van WWV-schulden. Het
Uitvoeringspanel gemeenten heeft dan ook
ingestemd met intrekking van de WWV.
Artikel
XXIV. Wet wijziging verrekening inkomsten
met ziekengeld
Artikel
IV van de Wet
wijziging verrekening inkomsten met
ziekengeld regelde dat de Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar
voor vangnetters zonder werkgever, welke op artikel
26, vierde
lid, van de Wet WIA
berust, voortaan op
artikel 26, derde lid, van de Wet WIA
zou berusten, in verband met de
vernummering van de leden van dat
artikel. Na de inwerkingtreding van de Verzamelwet
SZW 2011 is het vierde lid
echter vernummerd tot vijfde lid. De Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar
voor vangnetters zonder werkgever zou derhalve voortaan op het
vijfde lid moeten berusten. Nu artikel
IV van de Wet wijziging verrekening
inkomsten met ziekengeld niet de juiste
grondslag voor de regeling bevat, zal
dit artikel niet in werking treden.
Voorgesteld wordt het artikel in te
trekken.¹ In dit wetsvoorstel is voorts
geregeld dat het vijfde lid wordt
vernummerd tot vierde lid, waardoor de
Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar voor vangnetters zonder
werkgever weer op de juiste grondslag
berust en een gewijzigde omhangbepaling
niet meer nodig is.
1. Ingevolge artikel
1 van het Besluit van
14 juni 2011, Stb. 2011, 300, trad artikel IV
alreeds niet in werking, red.
Artikel
XXV. Wet ziekteverzekering BES
Met
artikel 11.32, onderdeel CC, van de Aanpassingswet
openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba - zoals deze luidt na inwerkingtreding van
artikel I, onderdeel CC, onder 7, van de Derde
aanpassingswet openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba -
is
artikel 14a van de Wet ziekteverzekering
BES gewijzigd. In genoemd artikel 11.32,
onderdeel CC, is daarbij in subonderdeel
5 de volgende technische
wijzigingsopdracht geformuleerd: In het
derde lid (nieuw) vervalt "en het
derde". Deze wijziging kon niet worden
uitgevoerd, omdat in de tekst van
artikel 14a, derde lid, van de Wet
ziekteverzekering BES staat: "tot en
met het derde". Met het onderhavige
artikel wordt alsnog de beoogde
technische wijziging in artikel 14a,
derde lid, van de Wet ziekteverzekering
BES aangebracht.
rblz.|26|
Artikel
XXVI. Ziektewet
Onderdeel
A
In
artikel 29, vijfde lid, van de ZW
is geregeld dat wachtdagen op grond van het
tweede lid, onderdeel a en b, binnen de
in het vijfde lid omschreven periode
slechts eenmaal in aanmerking worden
genomen. Dit is niet geregeld ten
aanzien van artikel
29, tweede lid,
onderdeel c. Dat betreft de situatie
waarin aanspraak op ziekengeld ontstaat
bij het einde van de dienstbetrekking.
De mogelijkheid bestaat dat iemand
binnen de periode, bedoeld in het vijfde
lid, meerdere keren ziek wordt, waarbij
de dienstbetrekking steeds eindigt. Dat
is met name het geval bij
uitzendkrachten. Het is niet wenselijk
dat in deze situatie de wachtdagen wel
steeds in aanmerking worden genomen. Het
vijfde lid wordt hierop aangepast.
Onderdeel
B
In
artikel 30a, eerste lid, onderdeel
c,
van de ZW is geregeld dat het recht op
ziekengeld kan worden ingetrokken of
herzien indien niet kan worden
vastgesteld of nog recht op ziekengeld
bestaat doordat de verzekerde de in dit
onderdeel genoemde verplichtingen niet
of niet behoorlijk nakomt. Voorgesteld
wordt hier ook te verwijzen naar de
verplichtingen uit artikel 45 van de
ZW.
Daarmee wordt bewerkstelligd dat het ook
mogelijk is het recht op ziekengeld te
herzien of in te trekken als het recht
niet kan worden vastgesteld doordat de
verzekerde bijvoorbeeld niet op het
spreekuur van de verzekeringsarts
verschijnt.
Onderdelen
C en D
Voor
de toelichting op deze onderdelen
verwijst de regering naar de toelichting
op artikel II (Anw), onderdelen B en C.
Onderdeel
E
Een
werkneemster die haar arbeid niet kan
verrichten en de ongeschiktheid tot
werken haar oorzaak vindt in haar
zwangerschap kan recht hebben op
ziekengeld op grond van de ZW. Daarbij
is van belang wanneer die
arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Als
de arbeidsongeschiktheid als gevolg van
zwangerschap intreedt voordat de
betrokken werkneemster recht heeft op
een zwangerschapsuitkering op grond van
de Wazo, dan heeft zij recht op
ziekengeld op grond van artikel 29a,
eerste lid, van de ZW. In dit geval
dient de werkgever uiterlijk binnen zes
weken bij het
UWV aangifte te doen van
de ziekmelding. Dit is geregeld in
artikel 38a, derde lid, van de
ZW.
In
de Wazo is geregeld dat een werkneemster
onder meer recht heeft op een
zwangerschaps- en bevallingsuitkering.
De zwangerschapsuitkering vangt in
beginsel aan zes weken vóór de
vermoedelijke datum van bevalling.
Desgewenst mag de betrokken werkneemster
het aanvangsmoment van deze uitkering
met hooguit twee weken opschuiven. De
termijn tussen zes weken en vier weken
vóór de vermoedelijke datum van
bevalling waarbinnen het
zwangerschapsverlof en de
zwangerschapsuitkering dienen aan te
vangen, wordt de "flexibiliseringsperiode"
genoemd. Als de werkneemster tijdens
deze flexibiliseringsperiode
arbeidsongeschikt wordt, dan heeft zij -
ongeacht de oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid - recht op
ziekengeld op grond van artikel 29a,
tweede lid, van de ZW. In dit geval
dient de werkgever uiterlijk binnen vier
dagen bij het
UWV aangifte te doen van
de ziekmelding. Dit is geregeld in
artikel 38a, tweede lid, van de
ZW. De
reden voor deze kortere aangiftetermijn
hangt rblz.|27|
samen met het feit dat de dagen
waarover ziekengeld is ontvangen op
grond van artikel 29a, tweede lid, van
de ZW
in mindering worden gebracht op de
duur van de zwangerschaps- en
bevallingsuitkering op grond van de Wazo. Daarom is het van belang dat het
UWV daarvan snel op de hoogte wordt
gebracht.
Nu
kan het zich voordoen dat een
werkneemster bij aanvang van de
flexibiliseringsperiode recht had op
ziekengeld op grond van artikel 29a,
eerste lid, van de ZW, terwijl de
werkgever het
UWV hiervan in verband met
de zeswekentermijn (conform artikel 38a, derde lid, van de
ZW) nog geen
melding heeft gedaan. Ook in een
dergelijk geval waarbij de werkneemster
ziek is bij aanvang van de
flexibiliseringsperiode is het van
belang dat de werkgever binnen vier
dagen na aanvang van die periode hier
melding van doet bij het UWV. Vanaf dat
moment moet het UWV de dagen immers in
mindering brengen van de duur van de
totale zwangerschaps- en
bevallingsuitkering. Met de voorgestelde
wijziging van artikel
38a, tweede lid, ZW
wordt dit geregeld.
Door
de aanpassing van het tweede lid van
artikel 38a, tweede lid, van de
ZW dient
de verwijzing in artikel 38a, derde lid,
aangepast te worden.
Onderdeel
F
Voor
werkgevers (ook zij die eigenrisicodrager zijn voor de ZW) is het
niet meer noodzakelijk om zich nog
uitsluitend door een gecertificeerde
arbodienst te laten bijstaan, sinds de
inwerkingtreding van de Wet
van 7 april 2005 tot wijziging van de
Arbeidsomstandighedenwet 1998 in verband
met een gewijzigde organisatie van de
deskundige bijstand bij het
arbeidsomstandighedenbeleid en de
daarmee samenhangende bepalingen (Stb.
2005, 202) met ingang van 1 juli 2005. Vanaf
dat moment kan dit ook geschieden door
een deskundige persoon, in casu een
bedrijfsarts die is ingeschreven in het
erkend specialistenregister voor
bedrijfsartsen (zie artikel 14, eerste
lid, aanhef en onder b, Arbeidsomstandighedenwet
en artikel 2.14a, tweede lid, Arbeidsomstandighedenbesluit). Wanneer
de deskundige bijstand niet plaatsvindt
door een ingeschakelde deskundige
persoon (bedrijfsarts), dan wordt op
grond van artikel 14a van de Arbeidsomstandighedenwet
een
gecertificeerde interne of externe
arbodienst ingeschakeld waarbij een
bedrijfsarts werkzaam is die belast is
met de verzuimbegeleiding. De
bedrijfsarts kan dus zowel in dienst
zijn van de werkgever als worden
ingehuurd al dan niet via een
arbodienst.
Bij
de Reparatiewet
SZW 2011 is de
verwijzing in artikel 63c
van de ZW naar
de gewijzigde
arbeidsomstandighedenwetgeving niet
zuiver aangebracht. Deze omissie wordt
hierbij hersteld.
Onderdeel
G
In
dit onderdeel wordt een verwijzing
gecorrigeerd. Het beleidsterrein van de
voormalige Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking behoort thans
tot het beleidsterrein van de Minister
van Buitenlandse Zaken.
Onderdeel
H
In
de Wet wijziging
verrekening inkomsten met ziekengeld
is een nieuwe wijze van
inkomensverrekening ingevoerd in artikel
31, tweede lid, van de ZW. Omdat het
niet wenselijk is dat de wijze van
inkomensverrekening van verzekerden van
wie de eerste ziektedag is gelegen vóór
de dag waarop deze wijziging in werking
treedt, wijzigt, wordt voorgesteld te
regelen dat in dat geval de oude wijze
van verrekening van inkomsten van
toepassing blijft.
rblz.|28|
Dit
wordt geregeld in het voorgestelde
artikel 98. Dit artikel bewerkstelligt
dat zolang de verzekerde ononderbroken
recht blijft houden op ziekengeld de
oude wijze van inkomstenverrekening van
toepassing blijft. Na een periode van
drie jaar zijn er in ieder geval geen
verzekerden meer op wie het artikel
31,
tweede lid, zoals dat luidde vóór
inwerkingtreding van voornoemde wetten
nog wordt toegepast. Daarom is geregeld
dat dit artikel drie jaar na
inwerkingtreding van artikel II,
onderdeel B, van de Wet
wijziging verrekening inkomsten met
ziekengeld vervalt.
Aan
artikel 98 zal terugwerkende kracht
verleend worden tot en met het moment
waarop artikel II, onderdeel
B, van de
Wet wijziging verrekening inkomsten met
ziekengeld in werking is getreden.
Na
inwerkingtreding van artikel VIII,
onderdeel G, onder 3 en 4, van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving zal artikel
31, derde, vierde en vijfde lid, van de
ZW worden gewijzigd. Er wordt met die
wijziging een delegatiegrondslag in de ZW
opgenomen op grond waarvan bij
algemene maatregel van bestuur geregeld
wordt wat als inkomen wordt beschouwd
voor de ZW. Beoogde
inwerkingtredingdatum is 1 januari 2012.
Omdat het niet wenselijk is dat het
begrip "inkomen" op verzekerden van
wie de eerste ziektedag is gelegen vóór
de dag waarop deze wijziging in werking
treedt, wijzigt, wordt voorgesteld te
regelen dat in dat geval artikel
31,
derde tot en met vijfde lid, zoals dat vóór die inwerkingtreding luidde van
toepassing blijft. Daarmee wordt
bewerkstelligd dat zolang de verzekerde
onafgebroken recht blijft houden op
ziekengeld het nieuwe begrip "inkomen"
niet op hem van toepassing is.
Opgemerkt
wordt dat de leden drie tot en met vijf ook van toepassing blijven op de
gevallen waarop, op grond van artikel
98, artikel
31, eerste en tweede lid,
zoals dat luidde vóór inwerkingtreding
van artikel II,
onderdeel B, van de Wet
wijziging verrekening inkomsten met
ziekengeld van toepassing blijft.
Na
een periode van drie jaar zijn er in
ieder geval geen verzekerden meer op wie
artikel
31, derde, vierde en vijfde
lid, zoals dat luidde vóór
inwerkingtreding van artikel VIII,
onderdeel G, onder 3 en 4, van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving nog wordt
toegepast. Daarom is geregeld dat dit
artikel drie jaar na inwerkingtreding
van artikel VIII,
onderdeel G, onder 3
en 4, van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving vervalt.
Aan
artikel 99 zal, indien dit wetsvoorstel
later dan 1 januari 2012 in werking
treedt, terugwerkende kracht verleend
worden tot het moment waarop artikel VIII,
onderdeel G, onder 3 en 4, van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving in werking is
getreden.
Artikel
XXVII. Wijziging Wet financiering sociale
verzekeringen in verband met Wet
uniformering loonbegrip
Onderdelen
A en B
Door
middel van artikel I, onderdeel
G, van
de Wet
uniformering loonbegrip wordt
artikel 25 van de Wfsv
zodanig gewijzigd
dat de premie voor het Algemeen
werkloosheidsfonds alleen voor rekening
komt van de werkgever. Zodra het
genoemde artikel van voornoemde wet in
werking treedt, worden de artikelen 47
(premiekorting oudere werknemer) en 49
(premiekorting arbeidsgehandicapte
werknemer) hierop technisch aangepast.
rblz.|29|
Artikel
XXVIII. Wijziging Werkloosheidswet in
verband met Wet van 6 juni 2011
In
de Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van
Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek in
verband met de aanpassing van regels
over bestuur en toezicht in naamloze en
besloten vennootschappen (Stb.
2011, 275) is
door de Tweede Kamer een amendement van
de leden Weekers en Van Vroonhoven-Kok
opgenomen (Kamerstukken II 2008-2009, 31
763, nr. 10). Als gevolg van dit
amendement wordt aan artikel 2:132 Burgerlijk
Wetboek (BW) [lees: artikel 132 van
Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, red.]
een bepaling
toegevoegd waardoor de rechtsverhouding
tussen de bestuurder van een
beursgenoteerde vennootschap en die
vennootschap niet langer wordt
aangemerkt als arbeidsovereenkomst.
In
de Fiscale
verzamelwet 2010 is echter
geregeld dat vanaf de datum van
inwerkingtreding van voornoemde wet de
arbeidsverhouding van de bestuurder van
een vennootschap als bedoeld in artikel
132, derde lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, aangemerkt wordt als
een fictieve dienstbetrekking voor de
loonbelasting. Daarmee wordt de huidige
fiscale positie van de desbetreffende
bestuurders in de loon- en
inkomstenbelasting gecontinueerd.
Voor
het socialeverzekeringsrecht is
geregeld dat als dienstbetrekking wordt
beschouwd de arbeidsverhouding van de
persoon die persoonlijk arbeid verricht
op doorgaans ten minste twee dagen per
week (artikel 5, eerste lid, van het
Besluit van 24 december 1986,
houdende vaststelling van een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 5 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 5 van de ZW
en artikel 5 van de
Werkloosheidswet
(Stb. 1986, 655) [lees: Besluit
aanwijzing gevallen waarin
arbeidsverhouding als dienstbetrekking
wordt beschouwd, red.], zoals dit besluit
laatstelijk is gewijzigd bij het Besluit
van 18 december 2008, Stb. 2008, 574). De
bestuurder die aan deze voorwaarde
voldoet, wordt als werknemer beschouwd
voor de toepassing van de
werknemersverzekeringen. De bestuurder
die niet aan deze voorwaarde voldoet, is
dus niet verzekerd voor de
werknemersverzekeringen. Hiermee
ontstaat een ongewenste mogelijke
discoördinatie met de fiscale
wetgeving. Dit wordt opgeheven door in
de artikelen 4 van de
WW en de ZW de
arbeidsrelatie van de betreffende
bestuurder aan de te merken als
dienstbetrekking zodat deze bestuurder
voor de werknemersverzekeringen steeds
verzekerd is. Dit geldt ook voor de Wet WIA. Hierop geldt één bestaande
uitzondering, namelijk wanneer de
betreffende bestuurder een
directeur-grootaandeelhouder is. In de
artikelen 6, eerste lid, onderdeel
d,
van de WW en
ZW is bepaald dat niet als
dienstbetrekking wordt beschouwd de
arbeidsverhouding van de
directeur-grootaandeelhouder. Er is geen
reden deze uitzondering op te heffen.
De
inwerkingtreding van deze wijziging
wordt gekoppeld aan het tijdstip waarop
de desbetreffende bepaling van de wet in
werking treedt.
Artikel
XXIX. Wijziging Ziektewet in verband met
Wet van 6 juni 2011
De
regering verwijst voor de toelichting
bij dit onderdeel naar de toelichting
op artikel XXVIII.
Artikel
XXX. Inwerkingtreding
Het
voornemen is om in ieder geval artikel
III, onderdeel A, en artikel XXI,
onderdeel A, te laten terugwerken tot en
met 1 januari 2011 dan wel 1 juni 2011.
Hiermee worden de onbedoelde effecten
die samenhangen met eerder in werking
getreden wetswijzigingen volledig
ongedaan gemaakt. Verder bestaat het
voornemen artikel XXVI, onderdeel
H,
terugwerkende rblz.|30|
kracht te geven. Voor de
overige onderdelen geldt dat, voor zover
er geen sprake is van
reparatiewetgeving, de vaste
verandermomenten leidend zullen zijn
voor het bepalen van de data van
inwerkingtreding.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|