|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2010-2011, 32 701
Intrekking
van de Wet werk en inkomen kunstenaars
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Doelstelling en strekking van de
Wwik |
| 3 |
Intrekking van de
Wwik |
| 4 |
Gevolgen van de intrekking |
| a |
Kunstenaars |
| b |
Uitvoeringsorganisaties |
| 5 |
Financiële effecten |
| 6 |
Ontvangen commentaren |
| 7 |
Onmiddellijke werking |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m XXIII |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
wetsvoorstel regelt de intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars
(Wwik). Dat is aangekondigd in het regeerakkoord.¹ De regering wil de
overheidsbemoeienis met kunst en cultuur beperken. Naar het oordeel van
de regering past het niet dat er voor kunstenaars met een specifieke
uitkeringsregeling andere regels gelden dan voor overige ondernemers
en/of werknemers. Kunstenaars kunnen net als anderen een beroep doen op
de Wet werk en
bijstand (Wwb) of de Wet investeren in
jongeren (WIJ) als vangnet. De regering wil uitzonderingen op
vangnetregelingen als de Wwb zoveel mogelijk beperken.
1. Kamerstukken II
2010-2011, 32 417, nr. 15, blz. 53/54.
In
dit wetsvoorstel wordt daarom
voorgesteld de Wwik
met ingang van 1
januari 2012 in te trekken. Hierdoor
gaan voor kunstenaars die een beroep
doen op inkomensondersteuning van
overheidswege dezelfde polisvoorwaarden
gelden als voor ieder ander.
2.
Doelstelling en strekking van de Wwik
De Wwik
is per 1 januari 2005 in werking
getreden als opvolger van de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars (Wik).
De Wwik
heeft als doel kunstenaars te
ondersteunen bij de opbouw van een
renderende beroepspraktijk als
kunstenaar, dan wel hen in staat te
stellen een tijdelijke terugval in
inkomsten op te vangen. Door de Wwik
hoeft een beroepsmatig kunstenaar geen
beroep te doen op de bijstand. De
gedachte achter de Wwik
was dat
startende kunstenaars tijd nodig hebben
om zich te oriënteren op de
kunstpraktijk en om zich daarin een
positie te verwerven. Gevestigde
kunstenaars hebben te maken met
continuïteitsproblemen als tijdelijke
contracten, (meerdere) deeltijdbanen en
een ongewisse markt. Wwik-gerechtigden
hebben geen arbeidsplicht, maar de
kunstenaar is wel verantwoordelijk om in
toenemende mate eigen inkomsten te
verwerven.
rblz.|2|
3.
Intrekking van de Wwik
Kunstenaars
die gebruik maken van de Wwik
genieten
een uitzonderingspositie in de sociale
zekerheid. Zij worden door een uitkering
(maximaal vier jaar) in staat gesteld een
al dan niet gemengde beroepspraktijk als
kunstenaar op te zetten. Naar het
oordeel van de regering is de huidige
uitzonderingspositie van kunstenaars
niet te rechtvaardigen ten opzichte van
andere beroepsgroepen, waarvoor ook
geldt dat afgestudeerden moeilijk werk
vinden in de richting waarvoor zij zijn
opgeleid. Voor hen geldt de kortst
mogelijke weg naar werk ingeval een
beroep wordt gedaan op de Wwb
of de WIJ. Het argument dat kunst
van bijzondere betekenis is voor de
samenleving, die niet altijd gemakkelijk
in een economische waarde te vatten is,
vormt een te smalle basis voor het maken
van verschil in sociale zekerheid tussen
kunstenaars en andere beroepsgroepen in
een vergelijkbare positie op de
arbeidsmarkt.
Het
is de vrijheid én de
verantwoordelijkheid van de kunstenaar
te kiezen voor een beroep of studie in
een culturele richting inclusief de
hieraan gekoppelde inkomensonzekerheid
in de toekomst. Bij die keuze mag de
kunstenaar er niet vanzelfsprekend op
vertrouwen dat de overheid na afronding
van de vakopleiding voorziet in een
inkomen vanwege de marktomstandigheden
voor kunst.
Het
feit dat uit de evaluatie van de Wwik
¹ blijkt dat deze regeling een
succesvoller stimuleringsregeling voor
kunstenaars is dan de Wik
doet daar niet
aan af.
1. De evaluatie van de Wwik
is op 18 februari 2010 door de toenmalig Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangeboden aan beide kamers der
Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009-2010, 32 327, nr. 1).
4.
Gevolgen van de intrekking
a.
Kunstenaars
Na intrekking van de Wwik
draagt de
kunstenaar eigen verantwoordelijkheid
voor het verwerven van inkomsten. Voor
zover een kunstenaar na de beoogde
intrekking van de Wwik (nog) niet in
staat is zelfstandig in het bestaan te
voorzien, kan betrokkene een beroep doen
op de Wwb of de
WIJ. Dit geldt ook voor
kunstenaars die al van de Wwik gebruik
maken voorafgaand aan de
voorgenomen intrekking, omdat voor hen
géén uitzondering wordt gemaakt (zie hoofdstuk
7).
Van
de Wwik
kan maximaal vier jaar binnen
een periode van tien jaar gebruik worden
gemaakt, mits de kunstenaar in
toenemende mate zelf inkomsten verwerft
(progressieve inkomsteneis) en
beroepsmatig actief is (beroepsmatigheidseis).
De kunstenaar in de regeling heeft
verder geen arbeidsgerelateerde
verplichtingen.
Op
grond van de Wwb kan een kunstenaar een
uitkering voor levensonderhoud worden
verstrekt ingeval betrokkene aan de
voorwaarden van deze regeling [lees: die
regeling, red.] voldoet,
waaronder de arbeidsplicht omdat "werk
boven inkomen" als uitgangspunt geldt.
Dit laatste impliceert dat de kunstenaar
beschikbaar moet zijn voor reguliere
arbeid, ook buiten de vakgerelateerde
sector. Ingeval de kunstenaar nog geen
27 jaar is en een beroep doet op de WIJ,
zal de gemeente vergen dat hij actief
zelf de middelen zoekt om in zijn
levensonderhoud te voorzien en indien
hij daarbij ondersteuning nodig heeft,
zal de gemeente zo nodig een
leer-werkaanbod doen. Daarbij geldt dat
deelname een voorwaarde is om in
aanmerking te kunnen komen voor een
uitkering voor levensonderhoud.
De Wwb en de WIJ hebben voor de toelating
tot deze regelingen een middelentoets
die vergelijkbaar is aan de toets
hiervoor in de Wwik. De uitkeringsnormen
in de Wwb en de WIJ zijn gunstiger dan
de uitkeringsnormen in de Wwik
die
maximaal 70% van de uitkeringsnormen in
de Wwb bedragen, waardoor de kunstenaar
er in beginsel op vooruitgaat. In rblz.|3|
de Wwik
kan door kunstenaars worden
bijverdiend tot aan 125% van de
uitkeringsnormen in de Wwb. De Wwb kent
een beperktere bijverdienregeling.
Opgemerkt
dient te worden dat een gemeente kan
besluiten om voor zelfstandigen,
waaronder kunstenaars, die aan de
voorwaarden voldoen het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004
(Bbz 2004) - dat zijn grondslag heeft
in de Wwb -
in te zetten. Indien de
gemeente van oordeel is dat voor iemand
vanuit een werkloosheidssituatie het
starten van een zelfstandig beroep als
kunstenaar de snelste weg uit de
uitkering is, kan een kunstenaar zich,
evenals andere startende zelfstandigen,
gedurende een voorbereidingsjaar met
behoud van uitkering oriënteren op het
ondernemerschap. Aan gevestigde
kunstenaars met tijdelijke financiële
problemen kan een gemeente, net als aan
andere zelfstandigen, op grond van het
Bbz 2004 ondersteuning bieden, mits
voldaan wordt aan voorwaarden als het
urencriterium en levensvatbaarheid.
Het
afschaffen van de Wwik
leidt tot
inkomenseffecten van kunstenaars in de
regeling. Een deel van de Wwik-ers zal
een beroep doen op de WIJ of Wwb,
waardoor zij inkomen hebben op het bestaansminimum. Het inkomenseffect dat
hierdoor optreedt, is sterk afhankelijk
van de huidige bijverdiensten. In de
huidige situatie heeft een alleenstaande
Wwik-er bijvoorbeeld een basisinkomen
van 70% van de geldende bijstandsnorm en
mag hij bijverdiensten hebben tot 125%
van de geldende bijstandsnorm. Wwik-ers
die met hun bijverdiensten boven de
bijstandsnorm uitkomen, zullen bij
terugval op de bijstand dus een negatief
inkomenseffect ervaren. Voor Wwik-ers
die onder de geldende bijstandsnorm
zitten, leidt terugval op de bijstand
tot een positief inkomenseffect. Bij een
deel van de Wwik-ers zullen dynamische
inkomenseffecten optreden, bijvoorbeeld
bij het verrichten van meer of andere
werkzaamheden.
b.
Uitvoeringsorganisaties
Met de intrekking van de Wwik
wordt
bijgedragen aan het verminderen van
regeldruk voor de 20 centrumgemeenten
die de Wwik uitvoeren.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid heeft de Stichting
Cultuur-Ondernemen aangewezen als
adviserende instelling in het kader van
de uitvoering van de Wwik
[zie Beschikking
van 12 april 2010, Stcrt. 2010, 5965,
red.]. In verband
met de intrekking van de Wwik
zullen de
desbetreffende adviserende taken worden
beëindigd. De stichting zal - evenals
de
centrumgemeenten
- alleen nog
werkzaamheden verrichten voor zover
noodzakelijk voor de afwikkeling van de Wwik.
5.
Financiële effecten
De
intrekking van de Wwik
brengt
financiële effecten met zich, omdat de
aan de regeling verbonden
uitkeringslasten en uitvoeringskosten
komen te vervallen. In 2011 gaat het
hierbij om €|26 miljoen aan
uitkeringslasten en €|5 miljoen aan
uitvoeringskosten. Van laatstgenoemde
kosten gaat €|3 miljoen naar de 20
centrumgemeenten
die de Wwik
uitvoeren
en €|2 miljoen naar de Stichting
Cultuur-Ondernemen voor de uitvoering
van de beroepsmatigheidsonderzoeken. Met
het vervallen van de Wwik
komen dus €|31 miljoen aan jaarlijkse uitgaven ten
laste van de SZW-begroting te vervallen.
Kunstenaars
kunnen op dit moment alleen een beroep
doen op de Wwik
als ze geen inkomen
hebben op bijstandsniveau. Met het
vervallen van de Wwik
zal daarom een
deel van hen vervolgens een beroep doen
op de Wwb of de
WIJ. Voor kunstenaars
zijn dezelfde rechten en plichten van
toepassing als voor ieder ander in deze
regelingen. Dit betekent dat ook rblz.|4|
voor
hen de kortste weg naar werk geldt,
ongeacht of dat vakgerelateerde arbeid
is of niet.
Uitgaande
van een voor 2012 geraamd volume Wwik
van 2300 uitkeringen, een gemiddelde
uitkering Wwb van €|14 000,- per jaar en
een weglek van 65% leidt intrekking van
de Wwik
tot een toename in de
uitkeringslasten Wwb/WIJ van naar
verwachting €|21 miljoen per jaar.
Deze
middelen zullen worden toegevoegd aan
het macrobudget voor het I-deel
[inkomensdeel, red.] van de Wwb
en via de bestaande verdeelsleutel
(voor de gebundelde middelen voor de Wwb, de
Ioaw, de Ioaz en uitgaven
levensonderhoud starters in het kader
van het Bbz
2004) over alle gemeenten
worden verdeeld. Hierbij zullen
logischerwijs verschuivingen optreden.
Gezien de omvang van het bedrag in
relatie tot het totaal beschikbare
bedrag voor de gebundelde uitkering
zullen deze effecten beperkt zijn.
De
middelen voor het aan de Wwik
verbonden
flankerend beleid, dat valt onder
verantwoordelijkheid van het ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
zullen bij de intrekking van de regeling
behouden blijven ter bevordering van
ondernemerschap in de culturele sector.
Daarmee draagt de regering bij aan de
invulling van haar ambitie de eigen
verdiencapaciteit van de culturele
sector te versterken.
Tabel
(bedragen in €|miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
Structureel |
| Intrekken
Wwik |
–10 |
–10 |
–10 |
–10 |
–10 |
| Wwik
uitkeringslasten |
–26 |
–26 |
–26 |
–26 |
–26 |
| Wwik
uitvoeringskosten |
x–5 |
x–5 |
x–5 |
x–5 |
x–5 |
| Weglekeffecten
Wwb/WIJ |
x21 |
x21 |
x21 |
x21 |
x21 |
Wat
de gevolgen van dit wetsvoorstel op de
uitvoeringskosten van de bijstand zijn,
wordt bezien in een breder verband,
namelijk samen met andere uit het
Regeerakkoord 2010 voortvloeiende
maatregelen. Rekening wordt gehouden met
een toename van de gemeentelijke
uitvoeringskosten van structureel €|2,2 miljoen.
6.
Ontvangen commentaren
Het
voorstel tot intrekking van de Wwik
is
van commentaar voorzien door
vertegenwoordigers van
kunstenaarsorganisaties, de Wwik-centrumgemeenten, de
Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG), de
Vereniging Divosa, de Stichting
Stimulansz, de Stichting
Cultuur-Ondernemen, het Uitvoeringspanel
gemeenten en de Inspectie Werk en
Inkomen (IWI) van het ministerie van
SZW. Van de ontvangen commentaren is
gebruik gemaakt in deze memorie van
toelichting.
Vertegenwoordigers
van de kunstenaarsorganisaties, de
gemeentelijke organisaties en de
Stichting Cultuur-Ondernemen zijn allen
van mening dat het schrappen van de Wwik
onverstandig is en niet bijdraagt aan
het verkleinen van het overheidstekort.
Onder verwijzing naar de evaluatie van
begin 2010 benadrukken zij dat de Wwik
zich heeft ontwikkeld tot een effectief
en efficiënt instrument ter bevordering
van het ondernemerschap onder
kunstenaars. De Wwik
zou bijdragen aan
het vormgeven van cultuurbeleid op
lokaal niveau, ook in het onderwijs, in
buurten en in de creatieve industrie.
Ook zou het schrappen van de Wwik
geen
besparingen opleveren omdat (een deel
van) de kunstenaars terugvalt op de
(duurdere) Wwb-uitkering. Ten slotte
wijzen zij erop dat met het verdwijnen
van de Wwik
en het tegelijkertijd
vergaand bezuinigen op de
subsidiebudgetten van fondsen en
overheden grote delen van de
beroepsgroep in hun professionele
voortbestaan ernstig zullen worden bedreigd.
rblz.|5|
In het regeerakkoord is aangekondigd dat de
overheid zich minder met kunst en
cultuur wil bemoeien en meer ruimte wil
geven aan de samenleving. Binnen die
visie past het niet dat kunstenaars als
groep een uitzonderingspositie hebben in
de sociale zekerheid ten opzichte van
andere beroepsgroepen die moeilijk
aansluiting vinden bij de arbeidsmarkt.
De staat van de overheidsfinanciën
maakt prioritering in overheidsuitgaven
extra noodzakelijk. De mogelijkheid tot
besparing via intrekking van de Wwik
is
geen doel op zich, maar wel een positief
neveneffect waarmee rekening wordt
gehouden. De opbouw van bedoelde
besparingen is weergegeven in hoofdstuk
5 van het algemeen deel van deze memorie
van toelichting.
Vanuit
de centrumgemeenten
en de VNG wordt
opgemerkt dat intrekking van de Wwik
zonder daarvoor iets in de plaats te
stellen geen recht doet aan de
bijzondere positie van kunstenaars. Dit
zou leiden tot een situatie die
vergelijkbaar is met de situatie na de
afschaffing van de Beeldende
Kunstenaarsregeling (BKR) in de
zeventiger jaren van de vorige eeuw.
Bij
intrekking van de Wwik
zal de kunstenaar
zich naar verwachting in de eerste
plaats richten op inkomstenbronnen
buiten de kunst om in het bestaan te
kunnen voorzien. De kunstenaar kan
vanuit die positie zelf activiteiten in
het eigen vakgebied uitbreiden om te
komen tot een gemengde beroepspraktijk.
Dit is uiteindelijk ook het einddoel wat
met de Wwik
wordt nagestreefd. Zo nodig
kan de kunstenaar een beroep doen op het
vangnet van de Wwb
of de WIJ.
Teneinde
de beoogde besparingen te behalen, stelt
de VNG voor de
Wwik
te versoberen in
plaats van in te trekken. De Stichting
Cultuur-Ondernemen, de adviserende
instelling van de Wwik, stelt als
terugvaloptie voor de succesfactoren van
de Wwik
te ondervangen in bestaande
regelingen.
Het
gaat de regering niet om de vraag of de Wwik
werkt, maar om de vraag of de Wwik
noodzakelijk is. Dit laatste is volgens
de regering niet het geval. Daarom wil
de regering geen versoberde versie van
de Wwik
of inpassing van de specifieke
elementen daarvan in aan bestaande
regeling. Bovendien zou dit resulteren
in zeer complexe regelgeving en
meerkosten in plaats van besparingen.
Zowel
de VNG als de Stichting
Cultuur-Ondernemen pleiten voor
overgangsrecht om de rechten van de
kunstenaars die al gebruik maken van de
regeling te behouden. De regering ziet
hiervoor geen aanknopingspunten (zie hoofdstuk
7). Kunstenaars die na 1
januari 2012 niet in hun eigen bestaan
kunnen voorzien, kunnen een
bijstandsaanvraag indienen in hun
woongemeente. Dit betekent overigens
niet dat ambtshalve omzetting
plaatsvindt van Wwik
naar Wwb of WIJ,
zoals de leden van het Uitvoeringspanel
gemeenten vragen.
IWI
heeft, evenals enkele leden van het
Uitvoeringspanel, aandacht gevraagd voor
het regelen van overgangsrecht op basis
waarvan de Wwik
naar behoren kan worden
afgewikkeld. Naar aanleiding van deze
reactie is in het wetsvoorstel voorzien
in een dergelijk overgangsrecht.
Daarnaast zijn enkele technische
opmerkingen van de IWI verwerkt.
7.
Onmiddellijke werking
De
intrekking van de Wwik
roept de vraag op
hoe dient te worden omgegaan met de
huidige uitkeringsgerechtigden die
voorafgaand aan de beoogde
inwerkingtreding per 1 januari 2012 een Wwik-uitkering ontvangen.
De
regering heeft ervoor gekozen geen
onderscheid te maken tussen kunstenaars
die al gebruik maken van de
regeling en
aankomende rblz.|6|
kunstenaars die van de
regeling gebruik zouden willen maken. De
Wwik
heeft het karakter van een
vrijwillige regeling voor kunstenaars en
niet van een noodzakelijke regeling
zoals het vangnet van de Wwb.
De
uitkeringsnormen in de Wwb (en de
WIJ)
zijn gunstiger dan de uitkeringsnormen
in de Wwik
en bovendien kent de Wwb geen
maximale uitkeringsduur zoals de Wwik.
Ook zou een geleidelijke afbouw van de Wwik
impliceren dat een
uitvoeringsstructuur nodig blijft voor
een steeds kleinere doelgroep, wat niet
efficiënt is en vanwege gebrekkige
continuïteit ten koste gaat van de
kwaliteit van de besluitvorming.
Wel
dienen belanghebbenden bij de
regeling tijdig te worden geïnformeerd over de
voorgenomen afschaffing van de Wwik.
Daartoe heeft de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 20
januari 2011 hierover een brief gestuurd
naar de uitvoerende centrumgemeenten
en
de adviserende instelling. In bedoelde
brief wordt concreet verzocht de
kunstenaars die thans een beroep doen op
de Wwik
en de aankomende kunstenaars te
informeren over de afschaffing van de
regeling per 1 januari 2012.
Artikelsgewijs
Artikel
I
Als
gevolg van het intrekken van de Wwik
vervallen van rechtswege de volgende op
deze wet [lees: die
wet, red.] berustende
uitvoeringsregelingen:
- het Uitvoeringsbesluit
Wwik;
- de Regeling
[lees: Beschikking, red.] van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 12 april
2010, nr. IVV/2010/7404, tot aanwijzing
adviserende instelling Wet werk en
inkomen kunstenaars (Stcrt.
2010, 5965);
- de Regeling
financiering en administratieve
uitvoeringsvoorschriften Wwik; en
- de Regeling
Wet werk en inkomen kunstenaars.
Op
grond van het overgangsrecht (artikel
XXIII) zullen deze uitvoeringsregelingen
van kracht blijven voor zover
noodzakelijk voor de afwikkeling van de Wwik-uitkeringen verleend over
tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2012.
Artikelen
II tot en met XXI
Deze
artikelen betreffen technische
wijzigingen van de wetten waarin wordt
verwezen naar de Wet werk en inkomen
kunstenaars.
Artikel
XXII
In
dit artikel wordt de samenloop geregeld
van het onderhavige wetsvoorstel met het
voorstel van Wet interbestuurlijk toezicht
gemeentelijke inkomens- en
werkvoorzieningen.
Artikel
XXIII
De Wwik
en de daarop berustende bepalingen,
zoals deze luiden op 31 december 2011,
blijven van toepassing voor zover dit
nodig is voor de afwikkeling van de Wwik-uitkeringen verleend over
tijdvakken gelegen vóór 1 januari
2012, in welke vorm dan ook. Hiermee
wordt aangegeven dat het hierbij zowel
gaat om toegekende uitkeringen om niet
als om uitkeringen in de vorm van een
geldlening onder verband van hypotheek
of verpanding.
rblz.|7|
De afwikkeling betreft onder meer de
vaststelling van uitkeringen over 2011,
het laatste jaar waarin nog recht kan
bestaan op een Wwik-uitkering. Op grond
van artikel
16, eerste lid, van de Wwik
wordt uiterlijk in het kalenderjaar
volgend op het kalenderjaar waarin
uitkering is verleend en binnen acht
weken nadat de kunstenaar de benodigde
gegevens heeft verstrekt, de uitkering
definitief vastgesteld. Dit betekent dat
uiterlijk in 2012 de uitkeringen die
zijn toegekend in 2011 definitief worden
vastgesteld.
De
afwikkeling van de Wwik
heeft verder
hoofdzakelijk betrekking op:
- beslissingen over het opleggen van een
maatregel, en herzienings- of
terugvorderingsbeslissingen, die worden
genomen na de intrekking van de Wwik
over de periode daarvoor;
- afwikkeling van de financiering van de
adviserende instelling en de (laatste)
verantwoording door de colleges; en
- de beëindiging (c.q. de terugbetaling)
van uitkeringen in de vorm van een
geldlening onder verband van hypotheek
of verpanding.
Aangezien
er ook na 1 januari 2012 nog bezwaar- en
beroepszaken in het kader van de Wwik
kunnen zijn, blijven subonderdeel 2 van
onderdeel F van de bijlage bij de
Algemene wet bestuursrecht en
subonderdeel 24a van onderdeel
C van
de bijlage bij de Beroepswet
gehandhaafd.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
P. de Krom
|