|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2011, 32 777
Geleidelijke afbouw van de dubbele
heffingskorting in het referentieminimumloon tot één keer de algemene
heffingskorting met uitzondering van het referentieminimumloon voor de Algemene
Ouderdomswet
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Werken laten lonen |
| 2.1 |
Aanleiding |
| 2.2 |
Betrokken regelingen |
| 2.3 |
Inkomenseffecten afbouw dubbele
heffingskorting |
| 2.4 |
Effect voor de armoedeval |
| 3 |
Geen AOW-tegemoetkoming bovenop de
aanvullende bijstand bij onvolledige AOW |
| 3.1 |
Afschaffen uitzondering
Wmkob van de
middelentoets in de bijstand |
| 3.2 |
Inkomenseffecten voor personen met een
AIO |
| 4 |
Doorwerking naar andere regelingen |
| 4.1 |
Huurtoeslag |
| 4.2 |
AWBZ |
| 4.3 |
Gemeentelijk armoedebeleid |
| 5 |
Financiële gevolgen |
| 6 |
Commentaren |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XII |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
wetsvoorstel beoogt werken vanuit een uitkeringssituatie te laten lonen.
Zonder de maatregel in dit wetsvoorstel dreigt dat het aan de slag gaan
vanuit de bijstand financieel minder aantrekkelijk wordt en op den duur
zelfs helemaal niet meer loont. Dit is het gevolg van de maatregel van
het vorige kabinet waardoor voor werkende kostwinners de algemene
heffingskorting van de niet-werkende partner wordt afgebouwd; dit
belastingvoordeel kon tot voor kort helemaal overgedragen worden aan de
partner. Deze mogelijkheid wordt voor werkenden vanaf 2009 nu in
vijftien jaar afgebouwd. Na afbouw krijgen kostwinners nog maar één keer
de heffingskorting.
Dat
heeft gevolgen voor de relatie met
uitkeringen. Die zijn gebaseerd op het
referentieminimumloon. Daar wordt nog
wel met tweemaal de heffingskorting
gerekend. Dit wetsvoorstel maakt een
eind aan deze ongelijkheid. Zouden we
dat niet doen, dan wordt het verschil in
inkomen tussen een stel met een
uitkering en een werkende steeds
kleiner. Vanaf 2018 zou de nettobijstand voor een stel dat niet werkt
zelfs hoger zijn dan de netto-inkomsten
van een werkende kostwinner die
minimumloon heeft. Dit vooruitzicht acht
de regering ongewenst, omdat er juist
zoveel mogelijk mensen uit een uitkering
aan de slag moeten gaan en omdat werken
moet lonen.
Het
regeerakkoord bepaalt dat werken niet
minder mag lonen dan een uitkering.
Daarom zal de dubbele algemene
heffingskorting in het
referentieminimumloon geleidelijk
verdwijnen. Een uitkering gaat straks
uit van eenmaal een heffingskorting en
niet meer van een dubbele. Een andere
opbouw van het referentieminimumloon
werkt vervolgens door in alle
minimumuitkeringen die zijn gebaseerd op
het referentieminimumloon; alleen voor
de Algemene Ouderdomswet (AOW) geldt
deze maatregel niet; hier blijft de
dubbele heffingskorting gehandhaafd.
rblz.|2| Dit
wetsvoorstel geeft tevens invulling aan
een andere afspraak uit het
regeerakkoord, namelijk het vervallen
van de AOW-tegemoetkoming voor mensen
die een onvolledige AOW en aanvullende
bijstand hebben. Die tegemoetkoming is
inmiddels vervangen door een
koopkrachttegemoetkoming via de Wet
mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (Wmkob). De
regering wil niet dat mensen met
onvolledige AOW en een aanvullende
inkomensvoorziening ouderen (AIO) deze
tegemoetkoming nog eens bovenop de AIO ontvangen.
Voor
de concrete vormgeving van de maatregel
uit het regeerakkoord wordt aangesloten
bij het feit dat de AIO een
bijstandsvoorziening is en dus een
vangnetvoorziening op het relevante
sociaal minimum. Door de Wmkob mee te
nemen in de middelentoets van de AIO voorkomt de regering dat mensen van 65
jaar of ouder die gebruik maken van de
bijstand daar bovenop nog extra deze
koopkrachttegemoetkoming krijgen. De
bijstand dient immers het laatste
vangnet op het sociaal minimum te zijn.
Naast
de sterke overtuiging van de regering
dat werken moet lonen en de AIO het
karakter van bijstandsvoorziening moet
behouden, is een belangrijke aanleiding
voor dit
wetsvoorstel de noodzaak om de
overheidsfinanciën weer op orde te
brengen. Dit wetsvoorstel draagt daar
aan bij. Er is gekozen voor een
geleidelijke afbouw van de dubbele
heffingskorting en daarnaast blijven de
uitkeringen gekoppeld aan de lonen,
waardoor het inkomenseffect van de
maatregel wordt verzacht. Ouderen met
volledige AOW
worden ontzien.
Hoofdstuk
2 zet de vormgeving en effecten van de
afbouw van de dubbele heffingskorting in
het referentieminimumloon uiteen.
Hoofdstuk 3 beschrijft de maatregel ten
aanzien van het niet meer uitkeren van
de AOW-tegemoetkoming aan
bijstandsgerechtigden van 65 jaar of
ouder. In hoofdstuk 4 wordt de
doorwerking van de maatregel op overige
regelingen beschreven. Hoofdstuk 5 geeft
de financiële gevolgen van het
wetsvoorstel weer. Hoofdstuk 6
beschrijft ten slotte de ontvangen
commentaren.
2.
Werken laten lonen
2.1.
Aanleiding
In
Nederland is de hoogte van bijstands- en
andere minimumuitkeringen gekoppeld aan
het wettelijk
minimumloon. Deze
koppeling is internationaal gezien een
uniek systeem dat leidt tot een,
vergeleken met andere landen, hoog
uitkeringsniveau. Een hoog
uitkeringsniveau heeft het risico in
zich dat werken niet of nauwelijks
loont. Om mensen te stimuleren vanuit
een uitkeringssituatie aan het werk te
gaan, is het van groot belang dat de
netto-inkomsten uit werk hoger blijven
dan de netto-uitkering.
Vanaf
2009 wordt de overdraagbaarheid van de
algemene heffingskorting in de
fiscaliteit in vijftien jaar afgeschaft,
waardoor het inkomen van
alleenverdieners daalt. Deze afbouw in
de fiscaliteit biedt een stimulans voor
niet-werkende partners om te gaan
werken.
De
hoogte van de minimumuitkeringen is
gekoppeld aan het zogeheten
referentieminimumloon en hierin wordt
nog steeds gerekend met tweemaal de
algemene heffingskorting.¹ Het verschil
tussen een uitkering en werken door één
van de partners wordt hierdoor steeds
kleiner. Hierdoor neemt de stimulans om
te werken voor paren in de uitkering
juist af en loont werken niet meer.
Zonder
maatregelen neemt de armoedeval de
komende jaren toe, waardoor paren in de
bijstand er bij de aanvaarding van werk
uiteindelijk - met ingang van 2018 - zelfs op achteruit gaan (zie
figuur 1).
De regering zet erop in om mensen zoveel
mogelijk van uitkering naar werk te rblz.|3|
bewegen. De als gevolg van de
vergrijzing op termijn krapper wordende
arbeidsmarkt vereist dat iedereen zoveel
mogelijk participeert. De regering is
van mening dat iedereen van waarde is
voor de arbeidsmarkt en naar vermogen
moet bijdragen. Een te kleine
inkomensvooruitgang of zelfs een
-achteruitgang wanneer mensen vanuit de
uitkering gaan werken, houdt mensen
gevangen in de uitkering en maakt ze
hiervan afhankelijk. Daarnaast is de
regering van mening dat het niet zo mag
zijn dat een paar, waarvan één persoon
40 uur werkt in een week en daarmee het
minimumloon verdient, minder inkomen
heeft dan een paar dat in de bijstand
zit.
1. Het oorspronkelijke
uitgangspunt bij het bepalen van het referentieminimumloon was de
kostwinnerssituatie. Daarbij diende rekening te worden gehouden met
tweemaal de algemene heffingskorting. Namelijk de heffingskorting van de
kostwinner en de heffingskorting van de partner.
Figuur
1. Bijstand paar en WML [wettelijk
minimumloon, red.] kostwinner zonder maatregel (lopende
prijzen):

Met
het wetsvoorstel wordt de dubbele
algemene heffingskorting in het
referentieminimumloon geleidelijk
afgebouwd naar één heffingskorting.
Net zoals nu voor werkende kostwinners
wordt daarmee voor
uitkeringsgerechtigden een enkele
algemene heffingskorting uiteindelijk de
norm. Deze maatregel zorgt ervoor dat
uitkeringen op het
sociaal minimum in de
pas blijven lopen met het wettelijk
minimumloon
van werkende kostwinners en
draagt bij aan het principe dat werken
moet lonen en aan de bestrijding van de
armoedeval (zie figuur
2).
Figuur
2. Bijstand paar en WML
kostwinner met maatregel (lopende
prijzen):

De
regering heeft gekozen voor een
geleidelijke afbouw over een relatief
lange periode, zodat de jaarlijkse
inkomenseffecten worden beperkt. Deze rblz.|4|
afbouwperiode start drie jaar later dan
de afbouw in de fiscaliteit en is
gespreid over 20 jaar, in plaats van de
afbouwperiode van vijftien jaar in de
fiscaliteit.
In
de fiscaliteit is de afbouw vormgegeven
door middel van jaarlijkse stappen. De
regering kiest in dit wetsvoorstel voor
een afbouw in halfjaarlijkse stappen.
Deze wijze van afbouw sluit aan bij de
halfjaarlijkse indexering van de
uitkeringen. Gedurende een periode van
20 jaar wordt de dubbele heffingskorting
in het referentieminimumloon
halfjaarlijks, per januari en juli van
elk jaar, met 2,5 procentpunt
verminderd. Op deze manier wordt er in
40 gelijke stappen afgebouwd. Daarnaast
zijn de uitkeringen gekoppeld aan de
contractlonen. Hierdoor is de
verwachting dat de uitkeringshoogte zal
blijven stijgen. Voor de komende jaren
is de hoogte van de indexering nog niet
bekend, omdat deze halfjaarlijks wordt
vastgesteld op basis van de ontwikkeling
van de contractlonen. Op basis van
cijfers uit het verleden mag verwacht
worden dat deze het nominale effect van
de afbouw van de dubbele heffingskorting
meer dan compenseert. De
uitkeringsgerechtigden krijgen in dat
geval dus minder meer. In de figuren 1
en 2 is rekening gehouden met een
indexering van 2%.
De
regering ziet geen goed alternatief voor
deze maatregel. De afbouw van de
overdraagbaarheid van de algemene
heffingskorting in de fiscaliteit zou
ook kunnen worden gecompenseerd door een
jaarlijkse verhoging van de
arbeidskorting. Dit is echter wel een
heel duur alternatief. Dit betekent
ieder jaar €|800 miljoen aan extra
belastingderving, ofwel in 2015 al meer
dan €|3
miljard. Een dergelijke
maatregel is onverantwoord in deze tijd,
waarin we juist de overheidsfinanciën
weer op orde moeten krijgen. Bovendien
zou bij een verhoging van de
arbeidskorting, in de uitkeringen ten
onrechte nog steeds met twee keer de
heffingskorting rekening worden
gehouden, terwijl werkende kostwinners
slechts een heffingskorting ontvangen.
Voor alleenstaanden en alleenstaande
ouders zit in de uitkering omgerekend
1,4 keer respectievelijk 1,8 keer de
heffingskorting, terwijl werkende
alleenstaanden één keer de
heffingskorting krijgen. De regering wil
mensen in de uitkering niet ruimhartiger
behandelen dan werkenden en kiest voor
een oplossing waarbij ook in de
uitkeringen één keer de heffingskorting
het uitgangspunt is.
De
systematiek waarbij de uitkeringshoogte
is gekoppeld aan het
referentieminimumloon betekent ook dat
de verhouding van de uitkeringshoogtes
tussen de verschillende groepen een vast
gegeven is. Zo krijgt een alleenstaande
70% van de uitkering van een paar en is
ook de zak- en kleedgelduitkering in de
bijstand een vaste verhouding van de
bijstand. De wezenuitkering is een
vastgelegd percentage van de
nabestaandenuitkering. Het aanpassen van
het referentieminimumloon heeft daarmee
gevolgen voor al deze uitkeringen.
2.2.
Betrokken regelingen
De
afbouw van de dubbele algemene
heffingskorting in het
referentieminimumloon zal doorwerken in
de uitkeringshoogte van de volgende
regelingen:
1.
Wet werk en bijstand (Wwb);
2.
Wet investeren in jongeren (WIJ);
3.
Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw); ¹
4.
Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz);
5.
Toeslagenwet (TW);
6.
Wet werk en inkomen kunstenaars
(Wwik); ²
7.
Algemene nabestaandenwet (Anw);
rblz.|5|
8.
Aanvullende inkomensvoorziening ouderen
(AIO).³
1.
De
Ioaw en Ioaz
behoeven geen wijziging, omdat de hoogte
van de grondslagen in de Ioaw en Ioaz
wordt afgeleid van de Wwb.
2. De regering is voornemens de Wwik
met ingang van 1 januari 2012 af te
schaffen. In dit wetsvoorstel wordt uitgegaan van de
huidige situatie waarin de Wwik nog
bestaat en de maatregel ook in deze
minimuminkomensregeling doorwerkt.
3. De AIO is onderdeel van de Wwb.
De
meeste personen die met de maatregel te
maken krijgen, ontvangen een uitkering
op grond van de Wwb,
Ioaw, Ioaz of
WIJ.
Behalve voor deze regelingen heeft de
maatregel ook gevolgen voor de Anw. De
regering beseft dat de Anw een
volksverzekering is en in die zin een
ander karakter heeft dan de Wwb, Ioaw, Ioaz
en WIJ, die een voorziening zijn.
Maar ook voor nabestaanden geldt dat het
gaat om personen die onderdeel uitmaken
van de beroepsbevolking. Hoewel zij geen
arbeidsverplichting hebben, geldt ook
voor hen dat de keuze om te gaan werken
aantrekkelijk moet zijn. Voorkomen moet
worden dat mensen gevangen raken in de
uitkering. Bovendien is het van belang
om aan te blijven sluiten bij het
beoogde doel: een uitkering op het
sociaal minimum bieden.
Op
grond van de TW kunnen personen van 18
jaar of ouder met recht op een
loondervingsuitkering of een uitkering
op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
(Wet Wajong) een toeslag ontvangen. Hiermee
wordt hun (gezins)inkomen aangevuld tot
het relevante sociaal minimum, in die
gevallen waar de loondervingsuitkering
of de Wet Wajong hierin niet al voorziet. De
toeslag is in die zin een
minimumuitkering. Derhalve werkt
aanpassing van het referentieminimumloon
voor minimumuitkeringen door in de TW.
Omdat het vaak om een beperkte toeslag
gaat, is het effect voor een groot deel
van deze personen ook beperkter. Omdat
voor paren de hoogte van de toeslag is
gebaseerd op het brutominimumloon in
plaats van het nettoreferentieminimumloon, heeft de
maatregel voor hen geen effect.
De AIO voorziet in een inkomensaanvulling
voor personen met een onvolledige AOW-uitkering en onvoldoende aanvullende
inkomsten. Het is een
bijstandsvoorziening die een inkomen op
het
sociaal minimum biedt en dus ook
gebaseerd is op het
referentieminimumloon. Het afbouwen van
de heffingskorting heeft ook gevolgen
voor de AIO, omdat het een
bijstandsvoorziening is. Daarbij dient
opgemerkt te worden dat deze
bijstandsvoorziening voor personen van
65 jaar of ouder een substantieel hogere
uitkering biedt dan de bijstand voor
personen jonger dan 65 jaar. Dit is
terug te voeren op het feit dat in de
vaststelling van de uitkeringshoogte
thans rekening wordt gehouden met de
ouderenkortingen in de fiscaliteit. Dit
wetsvoorstel bepaalt dat vanaf 2012 de
AIO op dezelfde wijze wordt geïndexeerd
als de bijstand voor personen jonger dan
65 jaar. Hiermee wordt de afbouw van de
dubbele heffingskorting ook verwerkt in
de AIO. De AIO zal net als nu op een
hoger niveau blijven dan de bijstand
voor personen jonger dan 65 jaar. Omdat
bij deze groep niet verwacht wordt dat
zij nog gaan werken en zij geen gebruik
kunnen maken van de
langdurigheidstoeslag, vindt de regering
het redelijk een wat hogere uitkering
voor deze groep in stand te laten.
Uitzondering
AOW
De
regering kiest ervoor de AOW
uit te
zonderen van de maatregel van de afbouw
van de dubbele heffingskorting. De AOW
is geen bijstandsvoorziening, waarvan de
kern is dat het een inkomen op het
sociaal minimum biedt. De AOW is een
volksverzekering die een
inkomensvoorziening biedt voor personen
die de pensioengerechtigde leeftijd
hebben bereikt en die hoger mag liggen
dan het sociaal minimum. Bovendien
speelt voor personen met een
AOW-uitkering de belemmering tot het
aanvaarden van werk geen relevante rol.
rblz.|6|
Aantallen
Circa
313 000 personen jonger dan 65 jaar doen
een beroep op de bijstandsregelingen.
Hiervan zitten ongeveer 269 000 mensen
in de Wwb, 34 000 in de
WIJ, 8000 in de
Ioaw en 1000 in de
Ioaz. Daarnaast doen
circa 38 000 personen van 65 jaar of
ouder een beroep op de
bijstandsvoorziening voor ouderen (AIO).
Ook zitten er circa 85 000 mensen in de Anw.
Tabel
1. Beroep op bijstandsregelingen
(aantal
uitkeringen, stand ultimo september
2010):
| xxx |
Alleenstaande |
Alleenstaande
ouder |
(Echt)paar |
Totaal |
| Wwb |
164
000 ¹xx |
67
000xxxx |
38
000xxxx |
269
000xxxx |
| AIO |
25
000xxx |
0xxxx |
13
000xxxx |
38
000xxxx |
| WIJ |
22
000xxx |
11
000xxxx |
1
000xxxx |
34
000xxxx |
| Ioaw |
4
000xxx |
0xxxx |
4
000xxxx |
8
000xxxx |
| Ioaz |
1
000xxx |
0xxxx |
1
000xxxx |
1
000 ²xxx |
1.
Inclusief circa 4500
bijstandsgerechtigden met zak- en
kleedgeld.
2. Totaal telt op tot 1000 in verband
met afronding op duizendtallen.
De
maatregel heeft gevolgen voor de circa
85 000 Anw-uitkeringen.¹ De maatregel
heeft door de doorwerking op de TW
gevolgen voor circa 10% van de mensen in
de werknemersverzekeringen en de Wet
Wajong.
In totaal op circa 120 000 mensen in
2010. De grootste groepen hierin zijn de
mensen in de Wajong (circa 80 000
mensen), de WAO/WIA (circa 25 000) en de
WW (circa 10 000).
1.
Er zijn in de Anw
60 000 nabestaandenuitkeringen, 10 000
nabestaandenuitkeringen met een
halfwezenuitkering, 14 000
halfwezenuitkeringen en 1400
wezenuitkeringen.
2.3.
Inkomenseffecten afbouw dubbele
heffingskorting
Het
inkomenseffect van sec de maatregel tot
afbouw van de dubbele heffingskorting in
het referentieminimumloon bedraagt voor
de Wwb, Ioaw,
Ioaz en de
nabestaandenuitkering ¹ uit de Anw
over 20 jaar jaarlijks -0,5% tot -0,75%.²
In nettobedragen gaat het om €|100,-
voor paren, €|90,- voor alleenstaande
ouders en €|70,- voor alleenstaanden.
Voor de WIJ is het effect gelijk aan de
Wwb voor personen vanaf 21 jaar. Het
procentuele inkomenseffect is identiek
voor personen met een zak- en
kleedgelduitkering en personen jonger
dan 21 jaar met een WIJ- uitkering.
Omdat deze uitkeringen echter op een
lager niveau liggen dan het niveau van
de overige bijstandsuitkeringen, is het
nominale inkomenseffect lager.
1.
Voor halfwezenuitkeringen en
wezenuitkeringen is het procentuele
inkomenseffect afhankelijk van de
individuele omstandigheden.
2. ten opzichte van het totale
besteedbare inkomen (i.e. inclusief kinderbijslag,
kindgebonden budget, zorgtoeslag, minus
te betalen zorgpremie).
Dit
effect op de uitkeringshoogte staat
echter niet op zichzelf. Door de
koppeling van de uitkeringen met de
lonen blijft de nominale
uitkeringshoogte naar verwachting
stijgen. Daarbij is van belang dat de
gemiddelde contractloonstijging
normaliter hoger ligt dan de
prijsontwikkeling. Naar verwachting is
dit de komende decennia ook het geval,
zodat indexering met de
contractloonontwikkeling deels het
effect van de maatregel ondervangt. In
de periode 1991-2011 steeg de nettominimumuitkering met 66%. Dit is meer
dan de prijsontwikkeling (54%), ondanks
ontkoppeling in 1992 tot en met 1995 en 2004 en
2005. Per saldo is hierdoor de uitkering
8% in reële termen gestegen in de
periode 1991-2011 (zie figuur
3).
rblz.|7|
Figuur
3. Ontwikkeling nominale uitkering
(uitkering in euro’s; index: 1991 =
100):

Het
jaarlijkse inkomenseffect is voor
personen met een toeslag uit de TW
identiek aan dat bij
bijstandsgerechtigden. Omdat hun toeslag
in veel gevallen relatief beperkt is,
zullen zij vaak niet gedurende de hele
periode met inkomenseffecten te maken
hebben. Immers, vanaf het moment dat de
toeslag volledig is afgebouwd, zijn er
geen verdere inkomenseffecten. De
structurele inkomenseffecten voor
personen met een toeslag op grond van de
TW zijn hiermee in veel gevallen
beperkter dan die voor
bijstandsgerechtigden.
Een
deel van de mensen met een WIA- of Wajong-uitkering en een toeslag is
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt.
De maatregel werkt ook door op de hoogte
van hun toeslag, omdat deze is gekoppeld
aan het minimum. De hoogte van het
uiteindelijke netto-inkomen voor deze
groep is overigens hoger dan het netto
sociaal minimum. Circa €|1400,- per jaar
hoger voor volledig en duurzaam
arbeidsongeschikte Wajong-ers en circa €|700,-
per jaar hoger voor
volledig en duurzaam arbeidsongeschikte
WIA-uitkeringsgerechtigden. Dit komt
door de jonggehandicaptenkorting, de
tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten
op grond van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en
gehandicapten en de
langdurigheidstoeslag. Overigens zal
juist bij deze groep vaak sprake zijn
van een beperkte aanvulling van circa €|200,- op de Wajong-uitkering. Zij
ondervinden in dat geval alleen in 2012
en 2013 gevolg van de maatregel en het
structurele effect blijft dan ook
beperkt tot €|200,-.
Er
is met betrekking tot de TW
samenloop met een andere maatregel uit
het regeerakkoord, namelijk het verlagen
van de Wajong-uitkering voor
gedeeltelijk (dan wel niet-duurzaam)
arbeidsongeschikten van 75% naar 70% in
2014. Door dit beleidsvoornemen hebben
Wajong-ers met de 70%-uitkering langer of
opnieuw recht op een toeslag op grond
van de TW. Dit zorgt ervoor
dat het inkomenseffect van het verlagen
van de Wajong-uitkering wordt
uitgesmeerd over een langere periode.
De
inkomenseffecten van deze maatregel in
de AIO lopen in 2012 samen met het
inkomenseffect van het niet langer
uitzonderen van de Wmkob
van de
middelentoets AIO en worden daarom
beschreven in hoofdstuk 3.
2.4.
Effect voor de armoedeval
Het
doel van de Wwb
is werk boven uitkering
te stellen. Het is daarbij van belang
dat werken zoveel mogelijk loont. Ook
mensen in de bijstand ervaren dat zo.
Uit onderzoek van de Inspectie Werk en
Inkomen (IWI) blijkt dat van de mensen
in de bijstand 60 à 65% aangeeft
niet te willen werken als het geen
inkomensverbetering oplevert.
De
reeds gestarte afbouw van de
overdraagbaarheid van de algemene
heffingskorting in de fiscaliteit voor
werkenden heeft tot gevolg dat de
armoedeval voor paren in de bijstand
fors toeneemt; de financiële stimulans
om te gaan werken neemt af. Op dit
moment heeft een alleenverdiener
(kostwinner) met kinderen die gaat
werken tegen het rblz.|8|
wettelijk minimumloon
(WML) nog een beperkte
inkomensverbetering (+2%). Na afbouw van
de dubbele heffingskorting in de
fiscaliteit, in 2023, is er echter
sprake van een inkomensachteruitgang (-3%).
Als ook de dubbele heffingskorting in de
bijstand wordt afgebouwd, wordt een
dergelijke inkomensachteruitgang
voorkomen en resulteert een lichte
inkomensverbetering van 2% (zie tabel
2). De armoedeval van de alleenstaande
en alleenstaande ouder vermindert door
de afbouw van de dubbele heffingskorting
in het
sociaal minimum met
respectievelijk 12 procentpunt en 7 procentpunt. Ook voor hen is een
gunstig effect van de maatregel dat
werken relatief aantrekkelijker wordt.
Voor alleenstaande ouders is dit een
belangrijke verbetering gegeven het feit
dat zij er thans al op achteruitgaan als
ze gaan werken. Daarnaast is van belang
dat de maatregel ook bij alleenstaanden
doorwerkt, om de verhouding tussen de
uitkeringshoogte van een alleenstaande
ten opzichte van een paar (70/100) te
behouden en zo de consistentie van het
bijstandstelsel niet te doorbreken.
Door
het verbeteren van de armoedeval zal het
bijstandsvolume met 15 000 huishoudens
dalen.
Tabel
2. Armoedeval: inkomensvooruitgang
vanuit de bijstand bij werkaanvaarding
op WML (in
procenten): ¹
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2011 |
Na
afbouw dubbele heffingskorting in
fiscaliteit |
Na
afbouw dubbele heffingskorting in
fiscaliteit + bijstand |
| Alleenverdiener
/ paar met kinderen |
x2% |
–3% |
x2% |
| Alleenstaande |
14% |
14% |
26% |
| Alleenstaande
ouder (bij vier dagen werk) |
–5% |
–5% |
x2% |
Zoals
gebruikelijk in de
armoedevalberekeningen is in de
berekeningen verondersteld dat de
betrokken huishoudens gebruik maken van
de voor hen geldende regelingen
(waaronder huurtoeslag, zorgtoeslag en
kwijtschelding van heffingen). Tevens is
verondersteld dat de in de berekening
betrokken huishoudens bijzondere kosten
hebben waardoor ze - zover dat door
hun inkomenssituatie wordt
gerechtvaardigd - beroep kunnen doen
op bijzondere bijstand. Bij afbouw van
de dubbele heffingskorting in de
bijstand krijgen hierbij werkenden
minder recht op bijzondere bijstand. Dit
dempt voor een deel de verbetering van
de armoedeval. Bij huishoudens die geen
gebruik maken van bijzondere bijstand is
de verbetering van de armoedeval door de
afbouw van de dubbele heffingskorting in
de bijstand nog circa 2 procentpunt
groter dan de in tabel 2 vermelde
percentages.
3.
Geen AOW-tegemoetkoming bovenop de
aanvullende bijstand bij onvolledige AOW
De AIO is een bijstandsvoorziening voor
personen met een onvolledige AOW-uitkering en onvoldoende aanvullende
inkomsten. Op dit moment maken circa 38
000 huishoudens van deze voorziening
gebruik. Bij een volledige AOW-opbouw
hoeven mensen geen beroep te doen op de
bijstand. Bij een onvolledige AOW-opbouw
is in veel gevallen een beroep op
bijstand ook niet nodig wanneer men
aanvullende inkomsten heeft,
bijvoorbeeld uit aanvullend pensioen. De
bijstand is het laatste vangnet in rblz.|9|
Nederland. Het is geen sociale
verzekering met opbouw van rechten, maar
een voorziening met een complementair
karakter. De AIO is relatief hoog. Het
normbedrag is thans substantieel hoger
dan de bijstandsnorm voor personen
jonger dan 65 jaar. De Wmkob
is op dit
moment uitgezonderd van de middelentoets
van de AIO. Hierdoor ontvangen mensen
deze tegemoetkoming bovenop de AIO. Dit
doet onvoldoende recht aan de functie
van de AIO als bijstandsvoorziening die
een laatste vangnet op het sociaal
minimum biedt.
3.1.
Afschaffen uitzondering Wmkob van de
middelentoets in de bijstand
Het
complementaire karakter van de bijstand
brengt met zich mee dat in de Wwb
een
ruime definitie van het begrip middelen
wordt gehanteerd. In dit licht acht de
regering het noodzakelijk het
complementaire karakter van de Wwb aan
te scherpen. Daarom is in dit
wetsvoorstel bepaald dat de Wmkob
niet
langer wordt uitgezonderd van de
middelentoets in de bijstand. Dit sluit
aan bij jurisprudentie waaruit blijkt
dat vergoedingen of tegemoetkomingen die
worden ontvangen met het specifieke doel
om te voorzien in kosten die niet tot de
algemene noodzakelijke bestaanskosten
behoren, worden uitgezonderd van de
middelentoets. Bij de Wmkob gaat het
echter om een algemene financiële
tegemoetkoming ter compensatie van het
wegvallen van fiscale voordelen voor
alle binnenlands belastingplichtige
ouderen. Daarom past de Wmkob naar zijn
aard in de middelentoets van de
bijstand.
3.2.
Inkomenseffecten voor personen met een AIO
Voor
personen met AIO-uitkering is er in 2012
een eenmalig effect van het opheffen van
de uitzondering van de Wmkob
op de
middelentoets voor
bijstandsgerechtigden. Daarnaast werkt
vanaf 2012 de afbouw van de dubbele
heffingskorting in het
referentieminimumloon door in de bijstandsnormen voor personen van 65
jaar of ouder. Het totale effect van
deze twee maatregelen is in 2012 voor
alleenstaanden een achteruitgang van het
netto-inkomen van circa €|440,-; voor
paren gaat het om circa €|840,-.
Hierdoor daalt het besteedbaar inkomen
in 2012 met 3,75% voor alleenstaanden en
5% voor paren. Vanaf 2013 is het effect
op het besteedbaar inkomen net als bij
de andere groepen -0,5% tot -0,75%.¹
Het huidige substantiële verschil in
hoogte tussen bijstandsnormen voor
personen tot 65 jaar en voor personen
van 65 jaar of ouder blijft in stand.
Het verschil voor een alleenstaande
bedraagt thans ruim €|1000,- netto per
jaar.
1.
ten opzichte van het totale besteedbare
inkomen (i.e. inclusief kinderbijslag,
kindgebonden budget, zorgtoeslag, minus
te betalen zorgpremie).
4.
Doorwerking naar andere regelingen
4.1.
Huurtoeslag
Met
dit wetsvoorstel wordt ook de Wet
op de huurtoeslag technisch gewijzigd om te
voorkomen dat de afbouw van de dubbele
heffingskorting in het
referentieminimumloon gevolgen heeft
voor het recht op en de hoogte van de
huurtoeslag.
De
huurtoeslag is namelijk zodanig
vormgegeven dat huishoudens met een
inkomen op of onder het
sociaal minimum de laagste eigen bijdrage zijn
verschuldigd. Vanaf het sociaal minimum
loopt de eigen bijdrage op. Jaarlijks
worden de minimuminkomensijkpunten - de inkomensbedragen vanaf welke de eigen
bijdrage oploopt - vastgesteld op
basis van het door de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast te
stellen sociaal minimum. De in dit
wetsvoorstel opgenomen wijzigingen, die
leiden tot een lager belastbaar inkomen
op het sociaalminimumniveau, zouden
zonder aanpassing van de huurtoeslag
leiden tot een daling van de rblz.|10|
minimuminkomensijkpunten voor
huishoudens jonger dan 65 jaar. Deze
daling zou tot gevolg hebben dat de
eigen bijdrage in de huurtoeslag gaat
oplopen vanaf een lager inkomensniveau
dan nu het geval is. Dat zou weer leiden
tot een hogere eigen bijdrage voor alle
huishoudens in het inkomensafhankelijke
deel van de huurtoeslag. De daling zou
vooral de inkomens boven het sociaal
minimum treffen. Indien ervoor gekozen
zou zijn om de huurtoeslag niet aan te
passen, zou de armoedeval voor deze
groep verslechteren. Deze groep bestaat
vooral uit werkenden.
Daarnaast
wordt van de mogelijkheid gebruik
gemaakt om de huurtoeslag verder te
vereenvoudigen door de eigen bijdrage
vanaf het minimuminkomensijkpunt
vloeiend te laten oplopen, zonder de
drempel van de inkomensmarge. Vanwege de
tot nu toe toegepaste marge blijft op
dit moment tot een inkomen van €|200,-
à €|300,- boven het
minimuminkomensijkpunt de eigen bijdrage
nog gelijk, waarna met een sprong de
eigen bijdrage alsnog op het niveau van
de inkomensafhankelijke eigen bijdrage
terechtkomt. De onderhavige wijzigingen
leiden er echter op zichzelf al toe dat
de minimuminkomens (het
sociaal minimum)
per definitie lager zijn dan de
minimuminkomensijkpunten in de
huurtoeslag. De overweging achter de
introductie van de marge komt hiermee te
vervallen.
4.2.
AWBZ
De
afbouw van de dubbele heffingskorting in
het referentieminimumloon werkt op twee
manieren door in de hoogte van de eigen
bijdrage voor de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten/Wet maatschappelijke
ondersteuning (AWBZ/WMO). In de eerste
plaats is er een effect op de hoogte van
de eigen bijdrage AWBZ. In de tweede
plaats zien bijstandsgerechtigden die
gebruik maken van de AWBZ hun inkomen
minder hard stijgen, waardoor
automatisch de hoogte van de eigen
bijdrage wordt aangepast.
De
verlaging van het referentieminimumloon
leidt tot een wijziging van het zak- en
kleedgeld en zou hiermee - zonder
aanpassing van regelgeving - een
beperkte verhoging van de eigen bijdrage
voor intramuralen impliceren. Voor
65-plussers die intramuraal verblijven,
wordt deze wijziging ongedaan gemaakt
door een aanpassing in de eigenbijdragesystematiek. Hiermee wordt aangesloten
bij de geest van het regeerakkoord, dat
ook een uitzondering maakt voor AOW-ers.
Voor
65-minners wordt de minimuminkomensgrens
voor de eigen bijdrage van de
extramuralen door de wijziging van het
referentieminimumloon verlaagd. Deze
lagere inkomensgrens zorgt er bij een
deel van de populatie voor dat het
inkomen eerder boven de
minimuminkomensgrens uitkomt en zij over
een groter deel van hun inkomen eigen
bijdrage gaan betalen. De extramurale
eigen bijdrage wordt dus hoger.
Voorgesteld wordt om dit effect terug te
draaien door de minimuminkomensgrens
stapsgewijs te verhogen over een periode
van 20 jaar.
4.3.
Gemeentelijk armoedebeleid
Het uitvoeringspanel [lees:
Uitvoeringspanel gemeenten, red.]
en de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.]
hebben
gevraagd om aandacht te besteden aan
mogelijke doorwerking op
schuldhulpverlening en bijzondere
bijstand. De maatregel zal naar
verwachting geen doorwerking hebben op
de verstrekking van bijzondere bijstand
of schuldhulpverlening. De bijzondere
bijstand is beleidsmatig en financieel
gedecentraliseerd aan gemeenten. Op
grond van de Wwb
kan voor uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende kosten van
het bestaan individuele bijzondere
bijstand worden verleend. Het
onderhavige wetsvoorstel doet rblz.|11|
geen
afbreuk aan de beleidsvrijheid van
gemeenten om te bepalen of er sprake is
van bijzondere omstandigheden en of er
recht bestaat op individuele bijzondere
bijstand. Gemeenten houden de
bevoegdheid om binnen de wettelijk
kaders van de Wwb een eigen gemeentelijk
inkomensondersteuningsbeleid vast te
stellen en de beschikbare middelen
daarbij naar eigen inzicht op een zo
effectief mogelijke manier in te zetten.
Derhalve meent de regering dat de
gemeenten de mogelijkheid hebben om te
voorkomen dat er extra druk op de
bijzondere bijstand en
schuldhulpverlening ontstaat. De
maatregel leidt bovendien tot een meer
activerend stelsel waardoor meer mensen
aan de slag gaan en het beroep op de
bijstand afneemt met 15 000 mensen.
Hierdoor wordt naar verwachting het
beroep op de bijzondere bijstand
kleiner.
De
geleidelijke afbouw over 20 jaar zorgt
ervoor dat mensen ruim de tijd hebben om
zich aan te passen aan de nieuwe
situatie. Hierbij geldt het primaat van
de eigen verantwoordelijkheid om in
eerste aanleg in het eigen
bestaansonderhoud te voorzien. Daarnaast
geldt de eigen verantwoordelijkheid om
rond te komen met de verstrekte
voorziening voor de noodzakelijke
bestaanskosten.
5.
Financiële gevolgen
Afbouw
heffingskorting in het
referentieminimumloon
De afbouw van de dubbele heffingskorting in
het referentieminimumloon heeft als
direct effect dat de uitkeringslasten
van de bijstandsregelingen, de Anw
en de TW lager worden in verband met de
aanpassing van de uitkeringshoogte.
Daarnaast zijn er gedragseffecten door
een vermindering van de armoedeval,
waardoor mensen sneller uit de uitkering
stromen.
De
budgettaire opbrengst is €|226
miljoen in
2015 en meer dan €|1 miljard structureel.
Het aantal bijstandsgerechtigden neemt
op termijn met ongeveer 15 000
uitkeringsjaren af. Dit aantal
resulteert uit de vermenigvuldiging van
de uitkeringselasticiteit van
bijstandsgerechtigden (0,35), zoals
gehanteerd door het CPB [Centraal
Planbureau, red.], met de
uitkeringsverlaging (13%) en het aantal
bijstandsgerechtigden (320 000). Dit is
conform de gebruikelijke systematiek van
het ramen van volume-effecten. Van de
besparing is circa 85% het gevolg van de
aanpassing van de uitkeringshoogte en
15% het gevolg van een lager
uitkeringsvolume omdat werken meer gaat
lonen.
De
financiële effecten zijn als volgt:
Financiële
effecten (in miljoen euro):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
Struc-
tureel |
| Gebundelde
uitkering inkomensvoorzieningen |
0 |
–39 |
x–81 |
–125 |
–169 |
r–829 |
| Bijstand
65+ (AIO) |
0 |
x–2 |
xx–5 |
xx–7 |
x–10 |
xr–48 |
| Anw |
0 |
x–5 |
x–10 |
x–14 |
x–17 |
xr–86 |
| TW |
0 |
–11 |
x–21 |
x–26 |
x–31 |
r–100 |
| Totaal |
0 |
–56 |
–117 |
–171 |
–226 |
–1063 |
De
financiële gevolgen van deze maatregel
maken deel uit van het financieel kader
bij het regeerakkoord.
rblz.|12|
Afschaffen
uitzondering Wmkob van de middelentoets
in de bijstand
Omdat
de Wmkob niet langer is uitgezonderd van
de middelentoets in de bijstand, worden
de uitkeringslasten van de bijstand 65+ €|21
miljoen lager. De financiële
effecten zijn als volgt:
Financiële
effecten afschaffen uitzondering Wmkob
van middelentoets bijstand (in miljoen
euro):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
Structureel |
| Bijstand
65+ (AIO) |
0 |
–21 |
–21 |
–21 |
–21 |
–21 |
De
financiële gevolgen van deze maatregel
maken deel uit van het financieel kader
bij het regeerakkoord.
Uitvoering
De
maatregel van de afbouw van de dubbele
heffingskorting betreft een aanpassing
van de bedragen van de uitkering.
Uitvoeringstechnisch is dit een
eenvoudig uit te voeren maatregel. Ook
voor het niet langer uitzonderen van de Wmkob
van de middelentoets geldt dat het
een relatief eenvoudig uitvoerbare
maatregel betreft. De uitvoerder Sociale
verzekeringsbank (SVB) past al een
middelentoets toe. Het enige verschil is
dat met deze wet daarbij ook rekening
dient te worden gehouden met de Wmkob,
een regeling die ook door de SVB wordt
uitgevoerd.
Uitvoeringskosten
gemeenten (in miljoen euro):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
Structureel |
| Afbouw
dubbele heffingskorting |
–0,5 |
–1,5 |
–2,5 |
–3,5 |
–21 |
De
gevolgen van de in dit wetsvoorstel
genoemde uitvoeringskosten van de
bijstand worden bezien in een breder
verband, namelijk samen met andere uit
het regeerakkoord voortvloeiende
maatregelen op het terrein van SZW.
De
uitvoeringskosten voor het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV)
overschrijden het drempelbedrag van €|1
miljoen niet en worden derhalve gedekt
uit de reguliere begroting van het UWV.
Administratieve
lasten
Het wetsvoorstel
leidt tot enige
vermindering van de administratieve
lasten voor burgers, omdat minder mensen
een beroep hoeven te doen op de bijstandsregelingen
en de TW. Jaarlijks
zullen er circa 20 000 aanvragen TW
minder nodig zijn. Het wetsvoorstel
heeft geen gevolgen voor de
administratieve lasten van bedrijven.
6.
Commentaren
Uitvoeringspanel
gemeenten
De
aanpassing van de uitkeringsnormen als
gevolg van het wetsvoorstel wordt door het Uitvoeringspanel beoordeeld als
technisch goed uitvoerbaar. Op verzoek
van het Uitvoeringspanel en de VNG is de
memorie van toelichting van het
wetsvoorstel op onderdelen aangescherpt,
onder andere door een passage toe te
voegen over de mogelijke gevolgen voor
het beroep op bijzondere bijstand en
schuldhulpverlening.
rblz.|13|
UWV
Het UWV
heeft aangegeven dat het wetsvoorstel
voor hem alleen gevolgen heeft voor de
uitvoering van de TW. Het wetsvoorstel
is volgens het UWV uitvoerbaar met
ingang van 1 januari 2012. Het UWV verwacht
geen gevolgen voor de handhaafbaarheid
van de TW. Het UWV wijst op de
samenhang met de maatregel uit het
regeerakkoord die de Wajong-uitkering
voor gedeeltelijk (en niet-duurzaam)
arbeidsgeschikten per 2014 op 70% stelt.
De memorie van toelichting is hier op
aangepast.
SVB
De
SVB heeft aangegeven dat het
wetsvoorstel in- en uitvoerbaar is met
ingang van 1 januari 2012. De SVB ziet
geen bijzondere handhavingsrisico’s.
De SVB heeft aandacht gevraagd voor de
onderbouwing van de maatregelen. De
memorie van toelichting is hierop
aangepast. Tevens heeft de SVB een
opmerking gemaakt over het Europees verdrag
tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden
in relatie tot de keuze om de Wmkob
in één keer onder te brengen in de
middelentoets. Artikel 1 van Protocol
nr. 1 bij het Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden schrijft
voor dat iedere natuurlijke of
rechtspersoon recht heeft op het
ongestoorde genot van zijn eigendom. Het
eigendomsrecht is echter niet absoluut.
De overheid heeft het recht om wetten
toe te passen die noodzakelijk zijn in
het algemeen belang.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
heeft bepaald dat ook uit de wet
voortvloeiende uitkeringsrechten onder
het begrip eigendom in de zin van dit
artikel vallen. Uit de jurisprudentie
die ziet op uitkeringen die lopen op het
moment van een wetsaanpassing blijkt dat
de overheid een ruime
beoordelingsvrijheid heeft bij het
bepalen of een maatregel in het algemeen
belang is. Wel moet het algemeen belang
goed worden afgewogen tegen de benodigde
bescherming van individuele rechten. Er
moet sprake zijn van evenredigheid
tussen de getroffen maatregel en het
nagestreefde doel. Indien sprake is van
een depriverende maatregel in het
algemeen belang, zal bezien moeten worden
of enige vorm van compensatie voor de
betrokkenen geboden is.
De
regering is van mening dat met het
onderhavige wetsvoorstel een
gerechtvaardigde ingreep wordt gedaan op
de uitkeringsrechten. De regering kiest
er bij de Wmkob voor om deze niet langer
uit te zonderen van de middelentoets van
de AIO. Betrokkenen blijven nog steeds
de Wmkob ontvangen. De hoogte van de AIO-norm wijzigt niet. Wel zal door het niet
uitzonderen van de Wmkob van de
middelentoets een lagere AIO-uitkering
nodig zijn om het inkomen aan te vullen
tot het
sociaal minimum (zie paragraaf
3.2). Deze wijziging is niet van dien
aard dat bestaande gevallen per de datum
van inwerkingtreding van de wet een
overgangstermijn zou moeten worden
gegeven. Wel zullen de AIO-gerechtigden
vroegtijdig op de hoogte worden gesteld
van de maatregel, zodat zij zich daarop
kunnen instellen.
VNG
De
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) onderschrijft het uitgangspunt dat
werken moet lonen, maar stelt vragen bij
de verwachte daling van het volume met
15 000 bijstandsgerechtigden. De VNG wil
niet dat gemeenten hiervan het
financiële risico moeten dragen indien
zich dit effect niet voordoet.
De
regering heeft de in het wetsvoorstel
opgenomen verwachte daling van het
volume gebaseerd op expertise over
prijselasticiteiten en cijfers van het
CPB. Dit is conform de gebruikelijke
systematiek verwerkt in de budgetraming.
Met betrekking tot het gesignaleerde
risico voor rblz.|14|
gemeenten is van belang dat
dit een breder punt is dan dit
wetsvoorstel. Bij de Wwb
is gekozen voor
budgettering en een financiële prikkel,
omdat de bijstandsuitgaven mede
afhankelijk zijn van gemeentelijk
beleid. In zijn algemeenheid is een
risico inherent aan een
budgetteringssystematiek zoals in de
financiering van de Wwb. Hierover zijn
in het bestuursakkoord 2008-2011
afspraken gemaakt die voor gemeenten tot
meer risico hebben geleid dan in de
periode daarvoor. Op dit moment zijn
Rijk en gemeenten in gesprek over de
financieringssystematiek vanaf 2012. Het
risico voor gemeenten is afhankelijk van
de afspraken die in dat kader gemaakt
worden.
De VNG verwacht dat het beroep op
gemeentelijke voorzieningen als
bijzondere bijstand en
schuldhulpverlening zal toenemen als
gevolg van deze maatregel. De VNG vindt
dat deze gevolgen in beeld moeten worden
gebracht en dat het Rijk moet aangeven
hoe gemeenten deze gevolgen financieel
moeten opvangen. De memorie van
toelichting is hierop aangepast.
Inspectie
Werk en Inkomen
De
IWI heeft
het wetsvoorstel beoordeeld op de
mogelijkheden van het houden van
toezicht op de rechtmatigheid en
doelmatigheid. Het wetsvoorstel heeft de
IWI geen aanleiding gegeven tot het
maken van opmerkingen met betrekking tot
de toezichtbaarheid.
Adviescollege
toetsing administratieve lasten
Het
Adviescollege toetsing administratieve
lasten (Actal) kan instemmen met het
wetsvoorstel. De vermindering van de
administratieve lasten voor burgers is
bij hen voldoende in beeld gebracht.
Actal heeft aangegeven dat zij geen
advies zal uitbrengen, omdat het
wetsvoorstel niet onder de criteria voor
een Actal-advies valt.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk
1. Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid
Artikel
I. Wijziging van de Wet werk en bijstand,
onderdeel B
Artikel
II. Wijziging van de Wet investeren in
jongeren
Artikel
III. Wijziging van de Algemene
nabestaandenwet
Artikel
IV. Wijziging van de Wet werk en inkomen
kunstenaars
In
de Wwb, WIJ,
Anw en Wwik is in de
huidige situatie de algemene
heffingskorting twee keer van toepassing
op het referentieminimumloon. Door het
percentage op 197,5 vast te stellen en
vervolgens twee keer per kalenderjaar met
2,5 procentpunt te verlagen, wordt
bewerkstelligd dat de dubbele algemene
heffingskorting in de loop van 20 jaren beperkt wordt tot één keer de
algemene heffingskorting. Het percentage
wijzigt per 1 januari en 1 juli van het
kalenderjaar. De eerste wijziging vindt
plaats op 1 juli 2012. Van de herziene
percentages doet Onze Minister
mededeling in de Staatscourant ten
behoeve van de kenbaarheid. Nadat het
percentage aldus gedaald is tot 100 zijn
de desbetreffende bepalingen overbodig
geworden en vervallen deze.
De
wijziging van artikel 37 van de
Wwb heeft betrekking op zowel de
bijstandsuitkering voor personen jonger
dan 65 jaar als de aanvullende
inkomensvoorziening ouderen.
rblz.|15|
Artikel
I. Wijziging van de Wet werk en bijstand
Onderdeel
A
Met
het vervallen van artikel
31, tweede
lid, onderdeel v, van de Wwb
wordt de Wmkob
niet langer uitgezonderd van de
middelentoets.
Onderdeel
C
Met
het vervallen van artikel
38, derde lid,
van de Wwb zijn de
bijstandsnormen voor
personen van 65 jaar of ouder niet
langer gekoppeld aan de netto-AOW-bedragen. Deze koppeling is niet
langer mogelijk, omdat de afbouw van de
dubbele heffingskorting in het
referentieminimumloon naar eenmaal de
heffingskorting niet geldt voor de AOW.
De bijstandsnormen voor ouderen worden
daarom vanaf de inwerkingtreding van
deze wet geïndexeerd met het percentage
van de wijziging van het nettominimumloon, zoals gedefinieerd in
artikel 37 van de Wwb
(zie de aanpassing
van artikel
38, eerste lid, onderdeel a,
van de Wwb). De bijstandsnormen voor
onder de 65 jaar en voor 65 jaar of ouder worden op grond van deze wijziging
met eenzelfde percentage verhoogd.
Daarbij zullen de bijstandsnormen voor
65 jaar of ouder net als nu op een hoger
niveau blijven dan de normen voor
personen jonger dan 65 jaar.
Artikel
V. Wijziging van de Toeslagenwet
In
artikel 9 van de TW
is geregeld dat de
bedragen, genoemd in de artikelen 2 en
8
van die wet, worden gewijzigd
overeenkomstig de wijze en met ingang
van de dag waarop de bedragen, genoemd
in hoofdstuk 3 van de
Wwb, worden
gewijzigd. Met artikel
11, vijfde lid,
is beoogd te regelen dat in geval van een
dergelijke wijziging aan de
toeslaggerechtigde geen beschikking
hoeft te worden gegeven. Daarbij wordt
evenwel verwezen naar een wijziging van
het (bruto)minimumloon. Dit leidt ertoe
dat de komende jaren bij iedere
aanpassing van de bedragen, bedoeld in
de artikelen 2 en
8 van de TW, een
nieuwe beschikking zou moeten worden
afgegeven. Die aanpassingen zijn immers
niet alleen het gevolg van een
(eventuele) wijziging van het
minimumloon, maar ook van de afbouw van
de dubbele algemene heffingskorting in
artikel 37, tweede lid, van de Wwb. Om
dat te voorkomen, wordt artikel
11,
vijfde lid, van de TW
aangepast. Deze
aanpassing ziet niet op mensen die het
recht op toeslag verliezen doordat de
uitkering het toetsbedrag overstijgt na
halfjaarlijkse indexering. Zij ontvangen
wel een beschikking.
Hoofdstuk
2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties
Artikel
VI. Wijziging van de Wet op de
huurtoeslag
Om
te voorkomen dat de eigen bijdrage voor
alle huishoudens in het
inkomensafhankelijke deel van de
huurtoeslag wordt verhoogd, wordt in de Wet
op de huurtoeslag de wijze van
vaststelling van de
minimuminkomensijkpunten voor
huishoudens jonger dan 65 jaar
gewijzigd. De jaarlijkse vaststelling
van de minimuminkomensijkpunten wordt
vanaf 2012 gebaseerd op een percentage
van het (belastbaar) wettelijk
minimumloon in plaats van op het
sociaal minimum. Deze grondslag wordt ook
gebruikt voor bijvoorbeeld de
vaststelling van het drempelinkomen in
de zorgtoeslag. Door technische
aanpassing van enkele andere bedragen in
de Wet
op de huurtoeslag (artikel 17,
eerste lid, onderdeel a en b) wordt bereikt
dat de hoogte van de
minimuminkomensijkpunten in 2012
aansluit op de hoogte die de
minimuminkomensijkpunten zouden hebben
gehad zonder deze wijzigingen.
rblz.|16|
Deze
wijziging van de wijze van vaststelling
van de minimuminkomensijkpunten maakt
het verder mogelijk de eigen bijdrage
eenvoudiger vast te stellen. Bij de
invoering van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen in 2005
is namelijk bovenop de
minimuminkomensijkpunten een
inkomensmarge geïntroduceerd, waardoor
ook voor huishoudens met een inkomen net
boven het
sociaal minimum de laagste
eigen bijdrage geldt. Deze marge is
geïntroduceerd omdat vanaf 2006 de
minimuminkomensijkpunten worden
vastgesteld op de verwachte hoogte van
het sociaal minimum, dat op het moment
van vaststelling van de ijkpunten nog
niet definitief is bepaald. Wanneer deze
schatting te laag zou blijken te zijn,
kunnen huishoudens met een
minimuminkomen uitstromen uit de
onderste inkomensklasse van de
huurtoeslag, waardoor zij niet langer de
laagste eigen bijdrage zouden betalen.
Door het oprekken van de onderste
inkomensklasse is als het ware een
buffer gecreëerd om dit effect te
voorkomen (Kamerstukken II 2004-2005, 29
765, nr. 3, blz. 9). De onderhavige
wijzigingen leiden er evenwel op
zichzelf al toe dat de minimuminkomens
(het sociaal minimum) per definitie
lager zijn dan de
minimuminkomensijkpunten in de
huurtoeslag. De overweging achter de
introductie van de marge komt hiermee te
vervallen.
Hoofdstuk
3. Slotbepalingen
Artikel
VII. Wijziging van hoofdstuk I bij
eerdere inwerkingtreding Wet
uniformering loonbegrip
Artikel
VIII. Wijziging van Wet uniformering
loonbegrip bij latere inwerkingtreding
van die wet
Artikel
IX. Wijziging van hoofdstuk II bij
eerdere inwerkingtreding van de Wet
uniformering loonbegrip
Artikel
X. Wijziging van de Wet op de huurtoeslag
bij latere inwerkingtreding van de Wet
uniformering loonbegrip
De
wijzigingen zijn van technische aard. In
de artikelen I,
II, III en
IV van het
onderhavige voorstel van wet worden de Wwb, de
WIJ, de Anw
en de Wwik gewijzigd. Bij de Tweede Kamer is op dit
moment het voorstel van wet tot
wijziging van een aantal wetten ter
uniformering van het loonbegrip (Wet
uniformering loonbegrip) (Kamerstukken
32 131) aanhangig. Aangezien de Wwb, de
WIJ, de Anw en de Wwik aldus door twee
verschillende voorstellen van wet worden
gewijzigd, zijn er samenloopbepalingen
nodig. Deze noodzaak bestaat ook ten
aanzien van de wijziging van de Wet
op de huurtoeslag, omdat inwerkingtreding van
de Wet uniformering loonbegrip ook voor
die wijziging gevolgen heeft
Artikel
XI. Samenloopbepaling wetsvoorstel
intrekking Wwik
Dit
artikel brengt technische wijzigingen
aan in het onderhavige wetsvoorstel voor
het geval het voorstel van wet
houdende
intrekking van de Wet werk en inkomen
kunstenaars (Kamerstukken 32 701) tot
wet is verheven en eerder in werking
treedt dan deze
wet.
Artikel
XII. Inwerkingtreding
De
beoogde inwerkingtredingdatum van dit
wetsvoorstel is 1 januari 2012.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
P. de Krom
|