|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2010-2011, 2011-2012,
32 815.
Handelingen II 2011-2012, nr. 7, item 26, nr. 10, item 16.
Kamerstukken I 2011-2012, 32 815 (A, B, C, D, E, F, G, H).
Handelingen I 2011-2012, nr. 13, item 4, nr. 14, item 11 en 17.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 22 december 2011,
Stb. 2011, 650, tot wijziging
van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van
die wet met de Wet
investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de
arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
uitkeringsgerechtigden. Inwerkingtreding: 1 januari 2012 (Stb.
2011, 651).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de eigen verantwoordelijkheid ten behoeve van deelname aan
het arbeidsproces en maatschappelijke activiteiten aan te scherpen, om
het belang van scholing als essentieel element voor een goede
uitgangspositie op de arbeidsmarkt te benadrukken en bij te dragen aan
een versterking van de balans tussen rechten en plichten;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
Wijziging van de Wet werk en bijstand [MvT]
De Wet werk en bijstand wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt
na "tenzij het betreft" ingevoegd: een aanverwant in de eerste graad,.
2. In het zevende lid vervalt "een
meerderjarig stiefkind of".
B. [MvT]
Artikel 4 komt te luiden:
Art. 4. Alleenstaande, alleenstaande
ouder en gezin
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de ongehuwde die:
1º. geen tot zijn last komende kinderen heeft;
2º. geen gezamenlijke huishouding voert
met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad
indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is
van zorgbehoefte; en
3º. die niet één of meer meerderjarige
kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning
als de ongehuwde
hebben;
b. alleenstaande ouder: de ongehuwde die:
1º. de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende
kinderen;
2º. geen gezamenlijke huishouding voert
met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad
indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is
van zorgbehoefte; en
3º. niet één of meer meerderjarige
kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de ongehuwde
hebben;
c. gezin:
1º. de gehuwden tezamen;
2º. de gehuwden met de tot hun laste
komende kinderen en hun meerderjarige kinderen die hun hoofdverblijf in
dezelfde woning als de gehuwden hebben;
3º. de alleenstaande of alleenstaande
ouder met één of meer meerderjarige kinderen die in dezelfde woning als
de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben;
d. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind
of stiefkind of, voor de toepassing van de artikelen
9, 25, eerste lid,
26 en 30, tweede lid, het in Nederland woonachtige
pleegkind of, voor
zover het een meerderjarig kind betreft, de echtgenoot van het eigen
kind of stiefkind;
e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan
de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de
Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden
betaald of zou worden betaald indien artikel
7, tweede lid, van die wet
niet van toepassing zou zijn.
-2. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt onder meerderjarig kind niet verstaan het kind wiens in
aanmerking te nemen inkomen niet meer bedraagt dan €|1023,42 per
maand en dat:
a. uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs
volgt;
b. aanspraak kan maken op
studiefinanciering op grond van de Wet
studiefinanciering 2000; of
c. voor een tegemoetkoming op grond van
hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking komt.
-3. Indien de ten laste komende kinderen
of de meerderjarige kinderen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
onder 2º of 3º, van de gehuwde, van de alleenstaande of van de
alleenstaande ouder één of meer ten laste komende kinderen of
meerderjarige kinderen hebben die in dezelfde woning, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c,
onder 2º of 3º, hun hoofdverblijf hebben,
behoren alle in dit lid bedoelde personen tot hetzelfde gezin.
-4. Onder een ander als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, onder 2º, en onderdeel b, onder
2º, wordt niet
verstaan een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.
-5. Op verzoek van de belanghebbende kan
het college gelet op de duur van de te verlenen zorg besluiten dat een
gehuwde, alleenstaande, alleenstaande ouder of meerderjarig kind als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
onder 2º of 3º, niet tot een
gezin behoort, indien die persoon:
a. jonger is dan 65 jaar: ¹
1º. aantoont door middel van een geldig
indicatiebesluit dat hij is aangewezen op tien of meer uren per week
zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, voor zover het betreft persoonlijke verzorging,
verpleging, begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf, waarbij voor
begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf een dagdeel geldt als vier uren en een etmaal als 24 uren;
2º. aantoont dat hij voor in ieder geval
tien van de uren zorg per week waarop hij op grond van het
indicatiebesluit, bedoeld onder 1º, is aangewezen geen persoonsgebonden
budget ontvangt en dat in ieder geval tien van die uren zorg per week
niet worden verleend door een zorgaanbieder als bedoeld in artikel
1,
onderdeel j, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten; en
3º. aannemelijk maakt dat één of meer van diens meerderjarige kinderen die tot dat gezin behoren
respectievelijk één of meer van diens ouders die tot dat gezin behoren
in ieder geval tien van de uren zorg per week waarop hij op grond van
het indicatiebesluit, bedoeld onder 1º, is aangewezen aan die persoon
verlenen;
b. 65 jaar of ouder is en:
1º. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld
in onderdeel a, onder 1º, 2º en 3º; en
2º. op de dag voordat hij recht heeft op
ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in onderdeel a, onder 1º.
-6. Indien een persoon op grond van het
tweede of vijfde lid niet tot het gezin behoort, wordt hij als
alleenstaande aangemerkt. De overgebleven leden van het gezin, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel c, onder 2º of 3º, worden als gezin
aangemerkt. Indien de overgebleven leden van het gezin, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, onder 2º of 3º, bestaan uit één meerderjarige
persoon dan wel één meerderjarige persoon met één of meer minderjarige
personen, wordt deze meerderjarige persoon voor de toepassing van
paragraaf 3.2 evenwel als alleenstaande respectievelijk alleenstaande
ouder aangemerkt.
C. [MvT]
In artikel 5, onderdeel e, wordt
"de
belanghebbende of het gezin" vervangen door: de alleenstaande, de
alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.
D. [MvT]
In artikel 6, eerste lid, onderdeel a,
vervalt "de Wet investeren in jongeren,".
E. [MvT]
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Het eerste lid, aanhef en onder a,
is niet van toepassing op personen:
a.² jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks
kas bekostigd onderwijs kunnen volgen;
b. als bedoeld in artikel 41, vierde lid,
onderdeel a of b, die zich hebben gemeld om bijstand aan te vragen
gedurende de vier weken na de melding, bedoeld in artikel
44; of
c. aan wie het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt.
2. Er worden twee leden toegevoegd,
luidende:
-7. Het college en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen overeenkomen dat het
eerste lid, aanhef en onder a, van toepassing is op de personen,
bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Daarnaast kunnen het college en
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overeenkomen dat het
college aan de personen, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, een
voorziening aanbiedt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
-8. Uitvoering van het eerste lid, aanhef
en onder a, door middel van artikel
10a is niet van toepassing op de
persoon die jonger is dan 27 jaar.
F. [MvT]
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid worden, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma,
twee onderdelen toegevoegd, luidende:
g. het verlenen van de bijzondere
bijstand, bedoeld in artikel 35, vijfde lid;
h. het verlagen van de bijstand, bedoeld
in artikel 9a, twaalfde lid.
2. Aan het tweede lid wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma,
een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. voor zover het gaat om het eerste lid,
onderdeel g, in ieder geval betrekking op de wijze waarop invulling
wordt gegeven aan het begrip maatschappelijke participatie.
G.
Het opschrift van paragraaf 2.1 komt te
luiden: § 2.1. Arbeidsinschakeling en tegenprestatie.
H. [MvT]
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden: Plicht tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie.
2. Het eerste lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. In de aanhef wordt "27 jaar"
vervangen door: 18 jaar.
b. Aan onderdeel b wordt toegevoegd: en,
indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en
evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
44a.
c. Er wordt, onder vervanging van de punt
aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel
toegevoegd, luidende:
c. naar vermogen door het college
opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
3. Het derde lid komt te luiden:
-3. Indien bijstand wordt verleend aan een
gezin, gelden de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voor ieder
van de meerderjarige gezinsleden.
4. Het vijfde lid komt te luiden:
-5. De verplichtingen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a en b, zijn niet van toepassing op de persoon:
a. die blijkens een indicatiebeschikking
of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort van de Wet sociale
werkvoorziening; of
b. die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-6. De verplichting om algemeen
geaccepteerde arbeid te aanvaarden en de verplichting, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, gelden voor de personen die zorg verlenen,
bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel
a, onder 3º, slechts nadat
het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de mogelijkheid om die
zorg te combineren met die verplichtingen, ongeacht of het college een
besluit als bedoeld in de aanhef van dat lid heeft genomen.
I. [MvT]
Artikel 9a komt te luiden:
Art. 9a. Ontheffing plicht tot
arbeidsinschakeling alleenstaande ouders
-1. Onverminderd artikel 9, tweede lid,
verleent het college aan een alleenstaande ouder die de volledige zorg
heeft voor een tot zijn last komend kind tot 5 jaar op diens verzoek
ontheffing van de verplichting, bedoeld in artikel
9, eerste lid,
onderdeel a.
-2. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt eenmalig verleend.
-3. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de
alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
b, niet wil nakomen.
-4. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de
leeftijd van 5 jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste
zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Op deze periode
worden in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de
alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel in de
voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing,
bedoeld in het eerste lid, alsmede de periode, dan wel perioden, waarin
toepassing is gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de
Wet investeren
in jongeren.
-5. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is
benut:
a. van rechtswege opgeschort met ingang
van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van 5 jaar bereikt;
b. van rechtswege opgeschort indien niet
langer recht op bijstand bestaat;
c. door het college opgeschort op een
daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de
ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of
d. door het college ingetrokken indien
uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig
blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel
9, eerste lid,
onderdeel b, niet wil nakomen.
-6. Op een daartoe strekkend verzoek van
de alleenstaande ouder met een kind tot 5 jaar beëindigt het college
een opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a tot en met
c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing
zijn.
-7. Het college stelt binnen zes maanden
na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van
aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in artikel
9,
eerste lid, onderdeel b, voor de alleenstaande ouder aan wie een
ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.
-8. Het college verricht na het opstellen
van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden
een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak
opgenomen voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
b.
Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het van
toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college
beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er
aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.
-9. Indien het heronderzoek, bedoeld in
het achtste lid, daartoe aanleiding geeft, stelt het college een
gewijzigd plan van aanpak op.
-10. Het college vult de voorziening,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
b, voor de alleenstaande
ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid
en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met
scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert,
tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of
opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te
boven gaat.
-11. Op verzoek van de alleenstaande ouder
die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is
verleend als bedoeld in het eerste lid vult het college de voorziening,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
b, in met een opleiding als
bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel a, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij
naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de
krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.
-12. Het college verlaagt de bijstand
overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel
8, eerste lid,
onderdeel h, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een
verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
J. [MvT]
Artikel 11, vierde lid, komt te luiden:
-4. Het recht op bijstand komt de
meerderjarige rechthebbende gezinsleden gezamenlijk toe.
K. [MvT]
In artikel 12, aanhef, wordt "inkomensvoorzieningsnorm
op grond van de Wet investeren in jongeren" vervangen door:
bijstandsnorm.
L. [MvT]
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel f,
vervalt ", voor zover het het recht op bijzondere bijstand betreft".
2. Het tweede lid komt te luiden:
-2. Geen recht op algemene bijstand heeft
degene:
a. van 18, 19 of 20 jaar die in een
inrichting verblijft;
b. die onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de
Werkloosheidswet of die een
meerderjarig gezinslid is van het gezin waartoe een zodanig persoon
behoort, voor zover het gebrek aan middelen van dat gezinslid daarvan
het gevolg is, tenzij de belanghebbende alleenstaande ouder of
alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel
c,
onder 3º, is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de
Wet
arbeid en zorg;
c.² die jonger is dan 27 jaar en uit ’s
Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:
1º. in verband daarmee aanspraak heeft
op
studiefinanciering op grond van de Wet
studiefinanciering 2000;
dan wel
2º. in verband daarmee geen aanspraak
heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt;
d. die jonger is dan 27 jaar en uit wiens
houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55, niet wil nakomen.
3. Het vierde lid komt te luiden:
-4. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel e, geldt voor personen van 65 jaar of ouder een periode van
dertien weken.
M. [MvT]
In artikel 18, vierde lid, wordt "het
gezin" vervangen door: het gezin en de ten laste komende kinderen van
de alleenstaande ouder.
N. [MvT]
In artikel 19, eerste lid, aanhef, wordt
"heeft de alleenstaande of het gezin" vervangen door: hebben de
alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen
of het gezin.
O. [MvT]
Na artikel 19 wordt in paragraaf 3.2 een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 20. Normen alleenstaande en
alleenstaande ouder
-1. Voor een belanghebbende die
alleenstaande is, is de norm per kalendermaand:
a. indien hij 18, 19 of 20 jaar is: €|227,00;
b. indien hij 21 jaar of ouder is: €|656,93;
-2. Voor een persoon die alleenstaande
ouder is, is de norm per kalendermaand:
a. indien hij 18, 19 of 20 jaar is: €|489,77;
b. indien hij 21 jaar of ouder is: €|919,70.
P. [MvT]
Artikel 21 komt te luiden:
Art. 21. Gezinsnormen 18-65 jaar
-1. Voor een gezin waarvan alle
meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn, is de norm per
kalendermaand: €|1313,85.
-2. In afwijking van het eerste lid is de
norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een gezin dat uit twee meerderjarige
personen van 18, 19 of 20 jaar bestaat:
1º. indien er geen ten laste komende
kinderen tot het gezin behoren: €|454,00;
2º. indien er ten laste komende kinderen
tot het gezin behoren: €|716,77;
b. een gezin dat uit twee meerderjarige
personen bestaat, waarvan één persoon 18, 19 of 20 jaar is en waarvan de
andere persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is:
1º. indien er geen ten laste komende
kinderen tot het gezin behoren: €|883,93;
2º. indien er ten laste komende kinderen
tot het gezin behoren: €|1146,70;
c. een gezin dat uit drie meerderjarige
personen bestaat, waarvan twee personen 18, 19 of 20 jaar zijn en
waarvan één persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en er
geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: €|1110,93.
Q. [MvT]
Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel c wordt "gehuwden
waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn" vervangen door: een
gezin waarvan één of meer gezinsleden 65 jaar of ouder zijn.
2. Onderdeel d vervalt, onder vervanging
van de puntkomma aan het slot van onderdeel c door een punt.
R. [MvT]
Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt "gehuwden" vervangen door: alle meerderjarige gezinsleden.
2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt "voor een alleenstaande of een alleenstaande
ouder" vervangen door:
voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder en elk meerderjarig
gezinslid dat niet gehuwd is.
3. Het derde lid komt te luiden:
-3. Indien één of meer meerderjarige
gezinsleden in een inrichting verblijft of verblijven en één of meer meerderjarige gezinsleden buiten een inrichting, is de norm:
a. indien één meerderjarig gezinslid in
een inrichting verblijft en één meerderjarig gezinslid buiten een
inrichting verblijft: de som van de norm die voor degene die in een
inrichting als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden en de
norm die voor degene buiten een inrichting als alleenstaande of
alleenstaande ouder zou gelden;
b. indien één meerderjarig gezinslid in
een inrichting verblijft en meer meerderjarige gezinsleden buiten een
inrichting verblijven: de som van de norm die voor degene in een
inrichting als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden en de
norm die voor de gezinsleden buiten een inrichting als gezin zou gelden;
c. indien meer meerderjarige gezinsleden
in een inrichting verblijven en één meerderjarig gezinslid buiten een
inrichting: de som van de norm die voor de gezinsleden in een inrichting
als gezin zou gelden en de norm die voor het gezinslid buiten een
inrichting als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden;
d. indien meer meerderjarige gezinsleden
in een inrichting verblijven en meer meerderjarige gezinsleden buiten
een inrichting verblijven: de som van de norm die voor de gezinsleden in
een inrichting als gezin zou gelden en de norm die voor de gezinsleden
buiten een inrichting als gezin zou gelden.
S. [MvT]
Artikel 24 komt te luiden:
Art. 24. Afwijking norm gezin
Indien slechts één van de gezinsleden
recht op algemene bijstand heeft, is voor hem de norm gelijk aan de norm
die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
T. [MvT]
In artikel 25, eerste lid, wordt "artikel
21, onderdeel a en b," vervangen door: artikel
20, eerste
lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b,.
U. [MvT]
Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden: Gezin.
2. "Het college kan de norm, bedoeld in
artikel 21, onderdeel c, verlagen" wordt vervangen door: Het college
kan de norm, bedoeld in artikel 21, verlagen.
V. [MvT]
In artikel 27 wordt "bedoeld in artikel
21" vervangen door: bedoeld in de artikelen 20 en
21.
W. [MvT]
Na artikel 28 wordt een artikel
ingevoegd, luidende:
Art. 29. Alleenstaande van 21 of 22
jaar
-1. Het college kan de toeslag, bedoeld in
artikel 25, voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend
vaststellen voor zover het van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen
voor de aanvaarding van arbeid.
-2. Onder het minimumjeugdloon, bedoeld in
het eerste lid, wordt verstaan het voor de betreffende leeftijd geldende
minimumloon, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verminderd met de daarover verschuldigde
loonheffing en de daarover verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage,
bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet.
X. [MvT]
Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. In deze verordening stelt de
gemeenteraad in elk geval vast dat:
a. onverminderd de artikelen 27 en
28 de
toeslag, bedoeld in artikel 25, voor de alleenstaande en de
alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of met
thuisinwonende kinderen als bedoeld in artikel
25, eerste lid, in wiens
woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in dat
artikel genoemde maximumbedrag;
b. jegens een belanghebbende niet
gelijktijdig gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheden, bedoeld in de
artikelen 28 en 29, eerste lid.
2. In het derde lid wordt "28"
vervangen door: 29.
Y. [MvT
+ bis]
Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "de
alleenstaande of het gezin" telkens vervangen door: de alleenstaande,
de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.
2. Het tweede lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. Onderdeel c komt te luiden:
c. de jonggehandicaptenkorting;.
b. In onderdeel h wordt na "arbeidsongeschiktheid," ingevoegd: waarbij voor 16- en 17-jarigen een
maximum geldt van €|827,00 per maand,.
c. Onderdeel r komt te luiden:
r. inkomsten uit arbeid van een
alleenstaande ouder of alleenstaande ouder met één of meer meerderjarige
kinderen tot 12,5% van deze inkomsten, met een maximum van €|120,00 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30
maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, ingeval:
1º. hij de volledige zorg heeft voor een
tot zijn last komend kind tot 12 jaar;
2º. de periode van zes aaneengesloten
maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken; en
3º. dit volgens het college bijdraagt
aan zijn arbeidsinschakeling;.
d. Onder vervanging van de punt aan het
slot van het laatste onderdeel door een puntkomma worden twee onderdelen
toegevoegd waarvan de letters aansluiten op het laatste onderdeel,
luidende:
#. een uitkering tot levensonderhoud op
grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger
dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, voor zover deze uitkering
op grond van artikel 12 reeds in aanmerking is genomen bij de
vaststelling van het recht op bijzondere bijstand;
#. een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, voor
zover hij tot een gezin behoort dat niet enkel uit gehuwden of uit
gehuwden met hun ten laste komende kinderen bestaat.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-5. Het tweede lid, onderdeel c, j, k, n
en r, is niet van toepassing op de persoon die jonger is dan 27 jaar.
Z. [MvT]
Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde en vierde lid komen te
luiden:
-3. Indien één of meer gezinsleden geen
recht op algemene bijstand hebben, wordt zijn of hun inkomen slechts in
aanmerking genomen voor zover het inkomen van de meerderjarige
gezinsleden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden
verleend indien zijn of hun inkomen niet in aanmerking wordt genomen,
meer zou bedragen dan de bijstandsnorm voor het gezin. Voor de
vaststelling van het inkomen van het niet-rechthebbende gezinslid of de
niet-rechthebbende gezinsleden is deze paragraaf van overeenkomstige
toepassing.
-4. In afwijking van het derde lid wordt,
indien het een gezin betreft waarbij gehuwden gescheiden leven, doch
niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende
echtgenoot slechts in aanmerking genomen voor zover het de bijstandsnorm
te boven gaat.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-5. Indien een meerderjarig kind als
bedoeld in artikel 4:
a. uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt;
b. aanspraak kan maken op
studiefinanciering op grond van de Wet
studiefinanciering 2000; of
c. voor een tegemoetkoming op grond van
hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking komt, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen
voor zover het meer bedraagt dan €|1023,42 per maand.
AA. [MvT]
Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. Het inkomen uit
studiefinanciering op
grond van de Wet
studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen
naar het van toepassing zijnde normbedrag voor de kosten van
levensonderhoud, genoemd in artikel 3.18 van de Wet
studiefinanciering 2000, en, indien een toeslag als bedoeld in artikel 3.4 of artikel 3.5
van die
wet is toegekend, het bedrag aan toeslag, genoemd in artikel
3.18 van die
wet.
2. Het vijfde lid komt te luiden:
-5. Indien de alleenstaande, de
alleenstaande ouder of één van de gezinsleden 65 jaar of ouder is, wordt
voor de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand een in de
vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere
oudedagsvoorziening buiten beschouwing gelaten tot een bedrag van €|18,40 per kalendermaand voor een alleenstaande, een alleenstaande ouder
en voor elk gezinslid dat 65 jaar of ouder is.
AB. [MvT
+ bis]
Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt "de alleenstaande of het
gezin" vervangen door: de alleenstaande, de
alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.
2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt "persoon en
gezin" vervangen door: de alleenstaande, de alleenstaande
ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.
3. Het derde lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. In onderdeel b wordt "voor een
alleenstaande ouder" vervangen door: voor een alleenstaande ouder en
zijn ten laste komende kinderen.
b. In onderdeel c wordt "voor de
gehuwden tezamen" vervangen door: voor de gezinsleden tezamen.
AC. [MvT
+ bis]
Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "de
alleenstaande of het gezin" telkens vervangen door: de alleenstaande,
de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-9. Het derde tot en met het zesde lid
zijn niet van toepassing in geval van een alleenstaande, een
alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of een gezin
waarvan het in aanmerking te nemen inkomen hoger is dan 110% van
de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm.
AD. [MvT]
Aan artikel 36 wordt een lid toegevoegd,
luidende:
-6. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt onder laag inkomen niet verstaan in aanmerking te nemen inkomen
hoger dan 110% van de op de desbetreffende alleenstaande,
alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of gezin van
toepassing zijnde bijstandsnorm.
AE. [MvT]
Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. In onderdeel a wordt "in artikel
21"
vervangen door: in de artikelen 20 en 21.
b. Onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel b door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd,
luidende:
c. de bedragen, genoemd in de artikelen
4, tweede lid, aanhef, en 32, vijfde lid, met de
netto-uitkomst van 80%
van het brutominimumloon, inclusief vakantiebijslag, rekening houdende
met de arbeidskorting, bedoeld in artikel 8.11 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
2. In het tweede lid wordt "artikel
31,
tweede lid, onderdeel j en n" vervangen door: artikel
31, tweede lid, onderdeel j, n en r.
3. Onder vernummering van het zesde lid
tot zevende lid komt het zesde lid (nieuw) te luiden:
-6. Met ingang van de dag waarop de
bedragen wijzigen op grond waarvan wordt beoordeeld of een verzekerde
als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet een kind in belangrijke mate
onderhoudt als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van
die wet, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel
h,
herzien met het percentage van deze wijziging.
AF. [MvT]
Het eerste lid van artikel 39 vervalt,
onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.
AG. [MvT]
Aan artikel 41 worden zes leden
toegevoegd, luidende:
-4. Een aanvraag van algemene bijstand die
alleen ziet op:
a. alleenstaanden en alleenstaande ouders
jonger dan 27 jaar;
b. een gezin waarvan alle gezinsleden
jonger dan 27 jaar zijn;
wordt niet eerder ingediend dan vier
weken na de melding, bedoeld in artikel 44, en wordt niet eerder dan
vier weken na die melding door het college in behandeling genomen.
-5.² Indien tot de personen voor wie
bijstand is aangevraagd meerderjarige personen jonger dan 27 jaar
behoren, worden documenten verstrekt die het college kunnen helpen bij
de beoordeling of de meerderjarige personen jonger dan 27 jaar nog
mogelijkheden hebben binnen het uit ‘s Rijks kas bekostigde onderwijs.
-6. De personen, bedoeld in het vierde
lid, onderdeel a en b, die recht hebben op een uitkering op grond van
de Werkloosheidswet kunnen zich al melden om bijstand aan te vragen
vanaf de dag gelegen vier weken voordat het recht op die uitkering
eindigt.
-7.² De documenten, bedoeld in het vijfde
lid, worden verstrekt:
a. indien het vierde lid van toepassing
is: bij de aanvraag van algemene bijstand;
b. indien het vierde lid niet van
toepassing is: binnen vier weken na de melding, bedoeld in artikel
44.
-8. Indien het vierde lid van toepassing
is in geval van een vreemdeling als bedoeld in artikel
11, tweede of
derde lid:
a. die na een verzoek van de Hoge
Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen op uitnodiging
van de Nederlandse regering in Nederland verblijft; of
b. van wie de aanspraak op verstrekkingen
als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers is geëindigd, omdat:
1º. een verblijfsvergunning is verleend
en naar het oordeel van het Centraal Orgaan
opvang asielzoekers passende
huisvesting buiten de opvangvoorziening is gerealiseerd; of
2º. bij vreemdelingen die een aanvraag
tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14
van de Vreemdelingenwet
2000 hebben ingediend onder een beperking
verband houdend met gezinshereniging met een asielzoeker aan wie
verstrekkingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden, naar het oordeel van het
Centraal Orgaan opvang asielzoekers passende huisvesting buiten de
opvangvoorziening kan worden gerealiseerd;
kan het college op verzoek
van die vreemdeling bij wijze van voorschot algemene bijstand in de vorm
van een renteloze geldlening verlenen na de melding, bedoeld in artikel
44, indien onevenredig bezwarende individuele omstandigheden daartoe
noodzaken en zolang het recht op algemene bijstand niet is vastgesteld.
-9. Bij de toepassing van het achtste lid
is artikel 52, eerste lid, onderdeel a en
b, tweede tot en met het
vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
AH. [MvT]
Artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. De bijstand wordt door de
meerderjarige gezinsleden gezamenlijk aangevraagd dan wel door één of meer
van hen met schriftelijke toestemming van de ander of anderen.
2. In het derde lid wordt "één van de echtgenoten" vervangen door:
één of meer van de meerderjarige
gezinsleden.
3. Er worden twee leden toegevoegd,
luidende:
-4. Het college houdt, indien artikel 41,
vierde lid, van toepassing is, bij de vaststelling van het recht op
algemene bijstand rekening met de houding en gedragingen van de
meerderjarige personen die ten tijde van de aanvraag van algemene
bijstand jonger dan 27 jaar zijn gedurende de vier weken na de melding,
bedoeld in artikel 44.
-5. Indien artikel 41, vierde lid, niet
van toepassing is, beoordeelt het college in ieder geval de houding en
gedragingen gedurende de vier weken na de melding, bedoeld in artikel
44, van de meerderjarige personen die ten tijde van de aanvraag van
algemene bijstand jonger dan 27 jaar zijn.
AI. [MvT]
Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. De belanghebbende heeft zich gemeld
als zijn naam, adres en woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen zijn geregistreerd en:
a. indien artikel 41, vierde lid, van
toepassing is: hij door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
op de hoogte is gesteld van de verplichting, bedoeld in artikel
9,
eerste lid, onderdeel a, en de inhoud van artikel
41;
b. indien artikel 41, vierde lid, niet
van toepassing is: hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als het een
aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste lid, of bij het
college als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel
41, tweede
of derde lid.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Bij een besluit tot toekenning van
algemene bijstand voor zover dat ziet op:
a. alleenstaanden en alleenstaande ouders
jonger dan 27 jaar;
b. meerderjarige gezinsleden jonger dan
27 jaar;
wordt, in een bijlage, een plan van
aanpak opgenomen als bedoeld in artikel 44a.
AJ. [MvT]
Na artikel 44 wordt een artikel
ingevoegd, luidende:
Art. 44a. Plan van aanpak
-1. Het plan van aanpak bevat:
a. indien van toepassing de uitwerking
van de ondersteuning;
b. de verplichtingen gericht op
arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die
verplichtingen.
-2. Het college begeleidt een persoon die
recht heeft op algemene bijstand bij de uitvoering van het plan van
aanpak en evalueert, in samenspraak met die persoon, periodiek het plan
van aanpak en stelt dit zo nodig bij.
AK. [MvT
+ bis]
Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid, aanhef, wordt "de
alleenstaande of het gezin" vervangen door: de alleenstaande, de
alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.
2. Het vierde en vijfde lid komen te
luiden:
-4. De bijstand wordt uitbetaald:
a. in gelijke delen aan ieder van de
meerderjarige rechthebbende gezinsleden, waarbij indien er sprake is van
een gezin waarvan gehuwden onderdeel uitmaken, de delen die aan
echtgenoten toekomen op gezamenlijk verzoek van die echtgenoten aan één
van hen kan worden uitbetaald; of
b. op gezamenlijk verzoek van de
meerderjarige rechthebbende gezinsleden aan één van hen voor het geheel.
-5. Aan een persoon of personen die als
gevolg van het overlijden van één of meer van hun gezinsleden, hun ouder
of één of meer van hun ten laste komende kinderen geen recht meer hebben
op algemene bijstand of recht hebben op algemene bijstand naar een
lagere norm, wordt de algemene bijstand tot en met één maand na de dag
van het overlijden betaald naar de op het moment van overlijden van
toepassing zijnde bijstandsnorm aan die persoon of personen.
AL. [MvT]
Artikel 47a, eerste lid, onderdeel b,
komt te luiden:
b. een gezin waarvan ten minste één van
de gezinsleden 65 jaar of ouder is, doch waarvan geen van de gezinsleden anders dan de echtgenoot van het gezinslid dat 65 jaar of
ouder is, jonger is dan 65 jaar;.
AM. [MvT]
Artikel 47b wordt als volgt gewijzigd:
1. "9, met uitzondering van het eerste
lid, onderdeel b," wordt vervangen door: 9, met uitzondering van het
eerste lid, onderdeel b en c,.
2. Na "40, tweede tot en met zesde
lid," wordt ingevoegd: 41, vierde, vijfde en achtste lid,.
3. "43, eerste en derde lid," wordt
vervangen door: 43, eerste, derde, vierde en vijfde lid,.
4. Na "66," wordt ingevoegd:
78s, derde
en vierde lid, 78t, tweede lid,.
AN. [MvT]
In artikel 47c, vijfde lid, wordt
"het gezin" vervangen door: het gezin en de alleenstaande ouder met zijn ten
laste komende kinderen.
AO. [MvT]
Artikel 47d wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Voor algemene bijstand als aanvullende
inkomensvoorziening ouderen heeft de belanghebbende zich gemeld
als zijn naam, adres en woonplaats bij de Sociale verzekeringsbank zijn
geregistreerd en:
a. indien de echtgenoot van het gezinslid
dat 65 jaar of ouder is jonger dan 27 jaar is: de belanghebbende door de
Sociale verzekeringsbank op de hoogte is gesteld van de verplichting,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
a, en de inhoud van het
tweede lid, artikel 41, vijfde en zevende lid, en
artikel 43, vijfde
lid;
b. indien tot de personen voor wie
bijstand is aangevraagd geen personen jonger dan 27 jaar behoren: hij in
staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij de Sociale
verzekeringsbank.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het plan van aanpak, bedoeld in
artikel 44a, wordt door de Sociale verzekeringsbank vastgesteld in
overeenstemming met het college.
AP. [MvT]
Artikel 48, vijfde lid, wordt als volgt
gewijzigd:
1. "of een inkomensvoorziening op grond
van de Wet investeren in jongeren" vervalt.
2. ", uitkering of inkomensvoorziening"
wordt vervangen door: of uitkering.
AQ. [MvT]
Artikel 50, eerste lid, komt te luiden:
-1. De belanghebbende die eigenaar is van
een door hemzelf of zijn gezin of, indien hij alleenstaande ouder is,
door hem en zijn ten laste komend kind bewoonde woning met bijbehorend
erf heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of
verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden
vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
AR. [MvT]
Artikel 59, eerste en tweede lid, komt te
luiden:
-1. Onverminderd artikel 58 kunnen kosten
van bijstand, indien de bijstand aan een gezin of alleenstaande ouder
met zijn ten laste komende kinderen wordt verleend, van alle gezinsleden
respectievelijk van de ten laste komende kinderen van de alleenstaande
ouder worden teruggevorderd.
-2. Indien de bijstand als gezinsbijstand
had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de
belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel
17 of artikel 30c, tweede en derde lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten
van bijstand mede worden teruggevorderd van de personen met wier
middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand
rekening had moeten worden gehouden.
AS. [MvT]
Artikel 60, derde lid, wordt als volgt
gewijzigd:
1. ", een inkomensvoorziening op grond
van de Wet investeren in jongeren" vervalt.
2. ", inkomensvoorziening of uitkering"
wordt vervangen door: of uitkering.
AT. [MvT]
In artikel 60a, eerste lid, vervalt
",
een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren" en
vervalt ", de inkomensvoorziening".
AU. [MvT]
In artikel 67, eerste lid, onderdeel c,
vervalt ", de Wet investeren in jongeren".
AV.³ [MvT]
Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt onderdeel b,
onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel b.
2. In het vijfde lid vervalt "en de
voorzieningen op grond van de Wet investeren in jongeren,".
AW.³ [MvT]
In artikel 74, eerste lid, wordt ",
uitkeringen of inkomensvoorzieningen" vervangen door: of uitkeringen.
AX.³ [MvT]
In artikel 76, derde lid, vervalt "of in
artikel 87 van de Wet investeren in
jongeren".
AY. [MvT]
Artikel 78f wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt "dan wel
een inkomensvoorziening ontvangen op grond van de Wet investeren in jongeren" en "13,".
2. Het tweede en derde lid alsmede de
aanduiding "-1." voor het eerste lid vervallen.
AZ. [MvT]
Artikel 78m wordt als volgt gewijzigd:
1. "4, tweede lid," wordt vervangen
door: 4, vierde lid,.
2. "indien vóór de inwerkingtreding van
deze artikelleden," wordt vervangen door: indien vóór 1 januari 2010.
3. "een meerderjarig aangehuwd kind of"
vervalt.
BA. [MvT]
Na artikel 78o worden zeven artikelen
toegevoegd, luidende:
Art. 78p. Overgangsrecht ontheffing en
vrijlating alleenstaande ouders [MvT]
-1. Artikel 9a, zoals dat luidde op de dag
vóór de inwerkingtreding van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650), blijft van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag
vóór inwerkingtreding van die wet een ontheffing heeft op grond van
artikel 9a, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste
gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.
-2. Artikel 31, tweede lid, onderdeel c,
zoals dat luidde op de dag vóór de inwerkingtreding van de Wet van
22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650), blijft van
toepassing en artikel 31, tweede lid, onderdeel
r, is niet van
toepassing, gedurende twee maanden na inwerkingtreding van die wet, op
de alleenstaande ouder:
a. op wie op de dag vóór inwerkingtreding
van die wet de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande
ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van
de Wet
inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke
combinatiekorting van toepassing is; en
b. voor wie de toepassing van artikel
31,
tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag vóór de
inwerkingtreding van die wet tot een hogere uitkering leidt.
-3. In geval van een alleenstaande ouder op
wie:
a. de vrijlating van het bedrag waarmee
de alleenstaandeouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel
8.15, derde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, of de
inkomensafhankelijke combinatiekorting; en
b. de vrijlating van inkomsten uit
arbeid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel
n;
van toepassing is op de dag vóór
inwerkingtreding van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren
in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650) blijft de vrijlating, bedoeld in onderdeel a, in afwijking van het
tweede lid, van toepassing gedurende de periode dat op de alleenstaande
ouder de vrijlating, bedoeld in onderdeel b, van toepassing is.
-4. Dit artikel vervalt zes maanden na
zijn inwerkingtreding.
Art. 78q. Overgangsrecht verblijf
buiten Nederland [MvT]
-1. Artikel 13, vierde lid, onderdeel a,
zoals dat luidde op de dag vóór de inwerkingtreding van de Wet van 22
december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet
met de Wet investeren in jongeren gericht
op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de
eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 2011,
650), is van
toepassing op de persoon die op de dag vóór de inwerkingtreding van die
wet recht heeft op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond
van de Wet investeren in jongeren en verblijf houdt in het buitenland,
gedurende de duur van zijn verblijf, doch ten hoogste gedurende drie
maanden na de inwerkingtreding van die wet.
-2. Artikel 13, vierde lid, onderdeel b,
zoals dat luidde op de dag vóór de inwerkingtreding van de Wet van
22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650), blijft van
toepassing op de persoon die op de dag vóór de inwerkingtreding van die
wet verblijf houdt in het buitenland, gedurende de duur van zijn
verblijf, doch ten hoogste gedurende zes maanden na de inwerkingtreding
van die wet.
-3. Dit artikel vervalt zes maanden na
zijn inwerkingtreding.
Art. 78r. Overgangsrecht normering
categoriale bijzondere bijstand [MvT]
-1. Artikel 35, negende lid, is niet van
toepassing op personen aan wie op de dag vóór de inwerkingtreding van de Wet van
22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650) bijzondere
bijstand als bedoeld in artikel 35, derde tot en met zesde lid, werd
verleend, gedurende de periode dat die bijzondere bijstand wordt
verleend, doch ten hoogste gedurende drie maanden na inwerkingtreding
van die wet.
-2. Artikel 36, zesde lid, is niet van
toepassing op personen aan wie op de dag vóór de inwerkingtreding van de
Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650) langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel
36, eerste lid, werd
verleend, gedurende de periode dat die langdurigheidstoeslag wordt
verleend, doch ten hoogste gedurende drie maanden na inwerkingtreding
van die wet.
-3. Dit artikel vervalt drie maanden na
zijn inwerkingtreding.
Art. 78s. Overgangsrecht
huishoudinkomen en informatie- en medewerkingsplicht [MvT]
-1. Op de persoon die op de dag
voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de Wet van 22 december
2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650) recht heeft op algemene bijstand of een
inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren:
a. zijn de artikelen 3, 4,
5, onderdeel e, 9, derde lid,
11, vierde lid, 18, vierde lid,
19, eerste lid, aanhef, 23, eerste lid, onderdeel
b, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, 24,
31, eerste en tweede lid, onderdeel h,
32, derde en vierde lid, 33,
vijfde lid, 34, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel
a, en
derde lid, onderdeel c, 35, eerste lid,
43, tweede en derde lid, 45,
derde lid, aanhef, vierde en vijfde lid, 47a, eerste lid, onderdeel
b, 47c, vijfde lid, 50, eerste lid,
59, eerste lid, en 78m, zoals die
luidden op die dag, van toepassing;
b. blijven de artikelen 21, tweede lid,
onderdeel c, en 32, vijfde lid, buiten toepassing;
tot het tijdstip waarop het recht op die
algemene bijstand, respectievelijk de als gevolg van artikel
78t ontstane algemene bijstand, eindigt, doch niet langer dan zes maanden na
die datum van inwerkingtreding.
-2. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in
het eerste lid, wordt tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, in de
artikelen 21 en 22 voor "een
gezin" telkens gelezen "gehuwden" en
wordt voor "meerderjarige gezinsleden" telkens gelezen: echtgenoten.
-3. Indien de gehuwde, de alleenstaande of
de alleenstaande ouder op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650) recht op
algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet
investeren in jongeren heeft, doen zijn meerderjarige bloed- en
aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning als de gehuwde,
de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben, op
verzoek aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden
waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij vanaf de dag
gelegen zes maanden na de dag van inwerkingtreding van die wet van
invloed kunnen zijn op hun arbeidsinschakeling of het recht op bijstand
van de meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in
dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.
-4. De meerderjarige bloed- en
aanverwanten in de eerste graad, bedoeld in het derde lid, zijn
verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
-5. Dit artikel vervalt zes maanden na
zijn inwerkingtreding.
Art. 78t. Overgangsrecht intrekking Wet
investeren in jongeren [MvT]
-1. Door het college op grond van de Wet investeren in jongeren
genomen besluiten gelden als door hem genomen
besluiten op grond van deze wet.
-2. Onverminderd artikel 78s brengt het
college de in het eerste lid bedoelde besluiten binnen zes maanden na de
inwerkingtreding van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650) in
overeenstemming met deze wet, voor zover die besluiten afwijken van deze
wet.
-3. In afwijking van het tweede lid blijft
het besluit inhoudende dat een jongere een werkleeraanbod wordt gedaan,
gelden voor de duur van het werkleeraanbod, doch niet langer dan zes
maanden na de inwerkingtreding van de Wet van
22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650).
-4. Op een aanvraag voor een
werkleeraanbod of een inkomensvoorziening waarop niet is beslist vóór de
datum van inwerkingtreding van de Wet van
22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650) wordt beslist met toepassing van deze wet, waarbij artikel
41,
vierde tot en met negende lid, en artikel 43, vierde lid, buiten
toepassing blijven.
-5. Op een bezwaar- of beroepschrift dat
vóór of op de datum van inwerkingtreding van de Wet van
22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650) is ingediend tegen een door het college
op grond van de Wet investeren in jongeren genomen besluit en waarop op
die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met
toepassing van de Wet investeren in jongeren.
Art. 78u. Overgangsrecht inkomen uit
studiefinanciering [MvT]
-1. Op de persoon op wie artikel 33,
tweede lid, op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van
de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650) van toepassing
was, zijn de artikelen 33, tweede lid, en
39, eerste lid, zoals die
luidden op die dag, van toepassing tot het tijdstip waarop het recht op
algemene bijstand, respectievelijk de als gevolg van artikel
78t ontstane algemene bijstand, eindigt, doch niet langer dan zes maanden na
die datum van inwerkingtreding.
-2. Dit artikel vervalt zes maanden na
zijn inwerkingtreding.
Art. 78v. Verordening betreffende
bijzondere bijstand [MvT]
Artikel 8, eerste lid, onderdeel g, en
tweede lid, onderdeel d, vervallen op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
1. Volgens de redactie
dient na "65 jaar" te worden ingevoegd: en.
2. Ingevolge het enig artikel,
tweede lid, van het Besluit van 22 december 2011, Stb.
2011, 651, treden het in artikel I, onderdeel
E, opgenomen
artikel 7, derde lid, onderdeel a, het
in artikel I, onderdeel
L, opgenomen
artikel 13, tweede lid, onderdeel c,
en het in artikel I, onderdeel
AG, opgenomen artikel
41, vijfde en zevende lid, in werking met ingang van 1
juli 2012, red.
3. Volgens de redactie kunnen de onderdelen AV, AW en AX pas in werking
treden nadat artikel I, onderdeel C, G
en J, van de Wet
interbestuurlijk toezicht gemeentelijke inkomens- en werkvoorzieningen
in werking is getreden.
Art. II.
Wijziging ¹ van de Wet investeren in jongeren [MvT]
De Wet investeren in jongeren wordt
ingetrokken.
1. Volgens de redactie
dient "Wijziging" te worden vervangen door: Intrekking.
Art. III.
Wijziging
van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt
gewijzigd:
A.¹ [MvT]
In artikel 4a, eerste lid, vervalt, onder
vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b door een punt,
onderdeel c.
B. Vervallen. [MvT]
C. [MvT]
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt "artikel
31,
tweede lid, onderdeel o, van de Wet werk en bijstand" vervangen door:
artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Wet werk en
bijstand.
2. Er worden twee leden toegevoegd,
luidende:
-5. In afwijking van het eerste lid wordt
niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een
alleenstaande ouder tot 12,5% van dit inkomen, met een maximum
van €|187,28 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van
maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:
a. hij de volledige zorg heeft voor zijn
kind tot 12 jaar;
b. de periode van zes aaneengesloten
maanden, bedoeld in het tweede lid, is verstreken; en
c. dit volgens het college bijdraagt aan
zijn arbeidsinschakeling.
-6. Onze Minister herziet het bedrag,
genoemd in het vijfde lid, met ingang van een door hem te bepalen dag,
voor zover de ontwikkeling van het in artikel
31, tweede lid, onderdeel r, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.
Ca.
Aan artikel 35, eerste lid, wordt, onder
vervanging van de punt aan het einde van onderdeel c door een puntkomma,
een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. het verlagen van de uitkering, bedoeld
in artikel 38, twaalfde lid.
D. [MvT]
Aan artikel 37, eerste lid, wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma,
een onderdeel toegevoegd, luidende:
f. naar vermogen door het college
opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
E. [MvT]
Artikel 38 komt te luiden:
Art. 38.
-1. Onverminderd artikel 37a, eerste lid,
verleent het college aan een alleenstaande ouder die de volledige zorg
heeft voor een tot zijn last komend kind tot 5 jaar op diens verzoek
ontheffing van de verplichtingen, bedoeld in artikel
37, eerste lid, onderdeel a tot en met d.
-2. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt eenmalig verleend.
-3. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de
alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen,
bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.
-4. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de
leeftijd van 5 jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste
zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Bij verhuizing
naar een andere woonplaats wordt op deze periode in mindering gebracht
de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de
voorgaande woonplaats, dan wel de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft
gemaakt van de ontheffing, bedoeld in het eerste lid.
-5. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is
benut:
a. van rechtswege opgeschort met ingang
van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van 5 jaar bereikt;
b. van rechtswege opgeschort indien niet
langer recht op bijstand bestaat;
c. door het college opgeschort op een
daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de
ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of
d. door het college ingetrokken indien
uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig
blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel
37, eerste lid,
onderdeel e, niet wil nakomen.
-6. Op een daartoe strekkend verzoek van
de alleenstaande ouder met een kind tot 5 jaar beëindigt het college
een opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a tot en met
c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing
zijn.
-7. Het college stelt binnen zes maanden
na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van
aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in artikel
37,
eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een
ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.
-8. Het college verricht na het opstellen
van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden
een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak
opgenomen voorziening, bedoeld in artikel
37, eerste lid, onderdeel e.
Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het van
toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college
beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er
aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.
-9. Indien het heronderzoek, bedoeld in
het achtste lid, daartoe aanleiding geeft, stelt het college een
gewijzigd plan van aanpak op.
-10. Het college vult de voorziening,
bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande
ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid
en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met
scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert,
tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of
opleiding de krachten of bekwaamheden van betrokkene te boven gaat.
-11. Op verzoek van de alleenstaande ouder
die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is
verleend als bedoeld in het eerste lid vult het college de voorziening
in met een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel a, van de
Wet
educatie en beroepsonderwijs die de toegang tot de
arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een
dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
alleenstaande ouder te boven gaat.
-12. Het college verlaagt de uitkering
overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel
35, eerste lid,
onderdeel d, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een
verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
F. [MvT]
In artikel 48, eerste lid, onderdeel c,
vervalt ", de Wet investeren in jongeren".
G. [MvT]
Aan hoofdstuk VII wordt een artikel
toegevoegd, luidende:
Art. 63g.
De artikelen 4a, eerste lid, onderdeel c,
en 38, zoals deze luidden op de dag vóór de inwerkingtreding van de
Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand
en samenvoeging van die wet met de Wet
investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting
van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden,² blijven van toepassing op de alleenstaande ouder
die op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet
werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in
jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
² een ontheffing heeft op grond van artikel
38, gedurende de duur van de
ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding
van die wet.
1. Ingevolge het enig
artikel, eerste lid, van het Besluit van 22
december 2011, Stb. 2011, 651, treedt onderdeel
A niet in werking, red.
2. Volgens de redactie
dient "Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand
en samenvoeging van die wet met de Wet
investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting
van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden" te
worden vervangen door: Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650).
Art. IV.
Wijziging
van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt als volgt
gewijzigd:
A.¹ [MvT]
In artikel 4a, eerste lid, vervalt, onder
vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b door een punt,
onderdeel c.
B. Vervallen. [MvT]
C. [MvT]
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het achtste lid wordt "artikel
31,
tweede lid, onderdeel o, van de Wet werk en bijstand" vervangen door:
artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Wet werk en
bijstand.
2. Er worden twee leden toegevoegd,
luidende:
-9. In afwijking van het eerste lid wordt
niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een
alleenstaande ouder tot 12,5% van dit inkomen, met een maximum
van €|187,28 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van
maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:
a. hij de volledige zorg heeft voor zijn
kind tot 12 jaar;
b. de periode van zes aaneengesloten
maanden, bedoeld in het derde lid, is verstreken; en
c. dit volgens het college bijdraagt aan
zijn arbeidsinschakeling.
-10. Onze Minister herziet het bedrag,
genoemd in het negende lid, met ingang van een door hem te bepalen dag,
voor zover de ontwikkeling van het in artikel
31, tweede lid, onderdeel r, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.
Ca.
Aan artikel 35, eerste lid, wordt, onder
vervanging van de punt aan het einde van onderdeel c door een puntkomma,
een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. het verlagen van de uitkering, bedoeld
in artikel 38, twaalfde lid.
D. [MvT]
Aan artikel 37, eerste lid, wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma,
een onderdeel toegevoegd, luidende:
f. naar vermogen door het college
opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
E. [MvT]
Artikel 38 komt te luiden:
Art. 38.
-1. Onverminderd artikel 37a, eerste lid,
verleent het college aan een alleenstaande ouder die de volledige zorg
heeft voor een tot zijn last komend kind tot 5
jaar op diens verzoek
ontheffing van de verplichtingen, bedoeld in artikel
37, eerste lid, onderdeel a tot en met d.
-2. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt eenmalig verleend.
-3. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de
alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen,
bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.
-4. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de
leeftijd van 5 jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste
zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Bij verhuizing
naar een andere woonplaats wordt op deze periode in mindering gebracht
de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de
voorgaande woonplaats, dan wel de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft
gemaakt van de ontheffing, bedoeld in het eerste lid.
-5. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is
benut:
a. van rechtswege opgeschort met ingang
van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van 5 jaar bereikt;
b. van rechtswege opgeschort indien niet
langer recht op bijstand bestaat;
c. door het college opgeschort op een
daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de
ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of
d. door het college ingetrokken indien
uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig
blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel
37, eerste lid,
onderdeel e, niet wil nakomen.
-6. Op een daartoe strekkend verzoek van
de alleenstaande ouder met een kind tot 5 jaar beëindigt het college
een opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a tot en met
c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing
zijn.
-7. Het college stelt binnen zes maanden
na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van
aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in artikel
37,
eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een
ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.
-8. Het college verricht na het opstellen
van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden
een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak
opgenomen voorziening, bedoeld in artikel
37, eerste lid, onderdeel e.
Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het van
toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college
beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.
-9. Indien het heronderzoek, bedoeld in
het achtste lid, daartoe aanleiding geeft, stelt het college een
gewijzigd plan van aanpak op.
-10. Het college vult de voorziening,
bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande
ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid
en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met
scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert,
tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of
opleiding de krachten of bekwaamheden van betrokkene te boven gaat.
-11. Op verzoek van de alleenstaande ouder
die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is
verleend als bedoeld in het eerste lid vult het college de voorziening
in met een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel a, van de
Wet
educatie en beroepsonderwijs die de toegang tot de
arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een
dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
alleenstaande ouder te boven gaat.
-12. Het college verlaagt de uitkering
overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel
35, eerste lid,
onderdeel d, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een
verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
F. [MvT]
In artikel 48, eerste lid, onderdeel c,
vervalt ", de Wet investeren in jongeren".
G. [MvT]
Aan hoofdstuk VII wordt een artikel
toegevoegd, luidende:
Art. 63d.
De artikelen 4a, eerste lid, onderdeel c,
en 38, zoals deze luidden op de dag vóór de inwerkingtreding van de
Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand
en samenvoeging van die wet met de Wet
investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de
arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
uitkeringsgerechtigden,² blijven van toepassing op de alleenstaande ouder
die op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet
werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in
jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
² een ontheffing heeft op grond van artikel
38, gedurende de duur van de
ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding
van die wet.
1. Ingevolge het enig
artikel, eerste lid, van het Besluit van 22
december 2011, Stb. 2011, 651, treedt onderdeel
A niet in werking, red.
2. Volgens de redactie
dient "
Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand
en samenvoeging van die wet met de Wet
investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting
van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden" te
worden vervangen door: Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650).
Art. V.
Wijziging ¹ van de Wet voorzieningen arbeid en zorg
alleenstaande ouders
De Wet voorzieningen arbeid en zorg
alleenstaande ouders wordt ingetrokken.
1. Volgens de redactie
dient "Wijziging" te worden vervangen door: Intrekking.
Art. VI.
Wijziging
van de Algemene Kinderbijslagwet [MvT]
De Algemene Kinderbijslagwet wordt als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het zevende lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. Aan onderdeel a wordt toegevoegd: en.
b. In onderdeel b wordt "; en"
vervangen door een punt.
c. Onderdeel c vervalt.
2. In het achtste lid vervalt "en
verplichtingen als bedoeld in artikel 44 van de
Wet investeren in jongeren nakomt".
B. [MvT]
In artikel 17g, tweede lid, vervalt "de
Wet investeren in jongeren,".
Art. VII.
Wijziging
van de Algemene nabestaandenwet [MvT]
In artikel 45, tweede lid, van de
Algemene nabestaandenwet vervalt "de Wet investeren in jongeren,".
Art. VIII.
Wijziging
van de Algemene Ouderdomswet [MvT]
In artikel 17i, tweede lid, van de
Algemene Ouderdomswet vervalt "de Wet investeren in jongeren,".
Art. IX.
Wijziging
van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie [MvT]
De Tijdelijke wet pilot loondispensatie wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1, onderdeel c, vervalt ",
dan wel een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren".
B. [MvT]
In artikel 8, derde lid, wordt "de wet
krachtens welke betrokkene onmiddellijk vóór aanvang van zijn
dienstbetrekking een uitkering dan wel een inkomensvoorziening ontving" vervangen door: de
Wet werk en bijstand.
Art. X.
Wijziging
van de Toeslagenwet [MvT]
In artikel 14g, tweede lid, van de
Toeslagenwet vervalt "de Wet investeren in jongeren,".
Art. XI.
Wijziging
van de Werkloosheidswet [MvT]
In artikel 27g, tweede lid, van de
Werkloosheidswet vervalt "de Wet investeren in jongeren,".
Art. XII.
Wijziging
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [MvT]
In artikel 54, tweede lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen vervalt "de Wet investeren in jongeren,".
Art. XIII.
Wijziging
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen [MvT]
In artikel 2, eerste lid, onderdeel b,
onder 2º, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen vervalt
"en de Wet investeren in jongeren".
Art. XIV.
Wijziging
van de Wet financiering sociale verzekeringen [MvT]
De Wet financiering sociale verzekeringen
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 49, eerste lid, onderdeel d,
vervalt "of artikel 11, eerste lid, van de
Wet investeren in jongeren,".
B. [MvT]
In artikel 51, derde lid, vervalt "de
Wet investeren in jongeren,".
Art. XV.
Wijziging
van de Wet inburgering [MvT]
De Wet inburgering wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
In de artikelen 20, eerste lid, en 24b,
eerste lid, vervalt ", dan wel de Wet investeren in jongeren".
B. [MvT]
In artikel 37 vervalt "de
inkomensvoorziening kan worden verlaagd op grond van artikel 41 van de
Wet investeren in jongeren,".
Art. XVI.
Wijziging
van de Wet inkomstenbelasting 2001 [MvT]
In artikel 6.3, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet
inkomstenbelasting 2001 vervalt "of artikel 57 van de
Wet investeren in jongeren,".
Art. XVII.
Wijziging
van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen [MvT]
De Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1.6, eerste lid, onderdeel c,
wordt "Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren," vervangen
door "Wet werk en bijstand," en wordt "artikel
7, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet werk en bijstand, artikel
11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren," vervangen door:
artikel 7, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet werk en bijstand,.
B. [MvT]
Artikel 1.22 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a,
vervalt "artikel 11, eerste lid, van de
Wet investeren in jongeren,".
2. In het tweede lid vervalt ", of een
inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren".
C. [MvT]
In artikel 1.35, eerste lid, vervalt "artikel
11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren,".
Art. XVIII.
Wijziging
van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering [MvT]
In artikel 29g, tweede lid, van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering vervalt "de Wet investeren in jongeren,".
Art. XIX.
Wijziging
van de Wet op de loonbelasting 1964 [MvT]
De Wet
op de loonbelasting 1964 wordt als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 2, zesde lid, vervalt "of de Wet investeren in jongeren,".
B. [MvT]
Artikel 33 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid, onderdeel a en d,
vervalt "of de Wet investeren in jongeren".
2. In het tweede lid, onderdeel c, onder 1º, vervalt "of de Wet investeren in jongeren".
Art. XX.
Wijziging
van de Wet op het
consumentenkrediet [MvT]
Artikel 5 van de Wet
op het consumentenkrediet wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a, onder 1º, komt te luiden:
1º. de meerderjarige gezinsleden van een
gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet werk
en bijstand van wie het gezamenlijk nettomaandinkomen niet hoger is
dan de norm, genoemd in artikel 21, eerste lid, van
die wet;.
2. Onderdeel a, onder 4º, 5º en 6º, komt te
vervallen.
Art. XXI.
Wijziging
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
[MvT]
In artikel 7.52, tweede en vierde lid,
van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vervalt
"de Wet investeren in jongeren,".
Art. XXII.
Wijziging
van de Wet participatiebudget [MvT]
De Wet
participatiebudget wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
In de definitie van "re-integratievoorziening" in artikel 1 vervalt
", alsmede een
werkleeraanbod als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de
Wet investeren in jongeren".
B. [MvT]
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid vervalt onderdeel d,
onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel c door een
punt.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-6. In afwijking van het eerste en tweede
lid wordt geen re-integratievoorziening aangeboden aan de persoon,
bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a of b, van de
Wet werk en bijstand.
Art. XXIII.
Wijziging
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen [MvT]
De Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In de artikelen 1, onderdeel l, onder
1º,
9, eerste lid, 30, vijfde lid, onderdeel b,
34, tweede lid, onderdeel
b,
en 62, eerste en tweede lid, vervalt "de
Wet investeren in jongeren,".
B. [MvT]
In artikel 30c, eerste lid, vervalt "of
voor een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren".
Art. XXIV.
Wijziging
van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten [MvT]
In artikel 3:43, tweede lid, van de
Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten vervalt "de Wet investeren in jongeren,".
Art. XXV.
Wijziging
van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen [MvT]
In artikel 96, tweede lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervalt "de Wet investeren in jongeren,".
Art. XXVI.
Wijziging
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [MvT]
Artikel 475d, eerste tot en met derde
lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering komt te luiden:
-1. De beslagvrije voet bedraagt:
a. voor schuldenaren die kunnen worden
aangemerkt als:
1º. een alleenstaande als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en
bijstand die
jonger is dan 21 jaar: 90% van de norm, genoemd in artikel
20,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en
bijstand.
2º. een alleenstaande ouder als bedoeld
in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet werk en bijstand die
jonger is dan 21 jaar: 90% van de norm, genoemd in artikel
20,
tweede lid, onderdeel a, van de Wet werk en
bijstand;
b. voor schuldenaren die kunnen worden
aangemerkt als een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld
in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de
Wet werk en bijstand
die 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn:
1º. indien het periodieke inkomen bij de
beslaglegger bekend is: 90% van dat inkomen inclusief de
vakantieaanspraak, doch ten minste 90% van de norm, genoemd in
artikel 20, eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel
b, van
de Wet werk en bijstand, en ten hoogste 90%
van die norm nadat
deze eerst is verhoogd met het bedrag, genoemd in artikel
25, tweede lid,
van die wet;
2º. indien het periodieke inkomen niet
bij de beslaglegger bekend is: 90% van de norm, genoemd in
artikel 20, eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel
b, van
de Wet werk en bijstand;
c. een alleenstaande van 65 jaar of ouder
en een alleenstaande ouder van 65 jaar of ouder: 90% van de norm,
genoemd in artikel 22, onderdeel a en b, van
die wet.
-2. De beslagvrije voet bedraagt:
a. voor schuldenaren die kunnen worden
aangemerkt als behorend tot een gezin als bedoeld in artikel
4, eerste
lid, onderdeel c, van Wet werk en bijstand waarvan alle meerderjarige
gezinsleden 18 jaar of ouder zijn doch jonger dan 65 jaar: 90% van de norm, genoemd in artikel 21, eerste lid, van
die wet.
b. in afwijking van het bepaalde onder a
voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als behorende tot:
1º. een gezin dat bestaat uit twee
meerderjarige personen van 18 tot en met 20 jaar en waarbij er geen ten
laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90% van de norm,
genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder
1º, van de
Wet werk
en bijstand;
2º. een gezin dat uit twee meerderjarige
personen bestaat, waarvan één persoon 18, 19 of 20 jaar is en waarvan de
andere persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en waarbij er
geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90% van de
norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder
1º, van de
Wet werk en bijstand;
3º. een gezin dat bestaat uit twee
meerderjarige personen van 18, 19 of 20 jaar en waarbij er één of meer
ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90% van de
norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder
2º, van de
Wet werk en bijstand;
4º. een gezin dat uit twee meerderjarige
personen bestaat, waarvan één persoon 18, 19 of 20 jaar is en waarvan de
andere persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en waarbij er
ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90% van de
norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder
2º, van de
Wet werk en bijstand;
5º. een gezin dat uit drie meerderjarige
personen bestaat, waarvan twee personen 18, 19 of 20 jaar zijn en
waarvan één persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en er
geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90% van de
norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel c, van de
Wet werk en bijstand;
c. voor schuldenaren die behoren tot een
gezin waarvan één of meer gezinsleden 65 jaar of ouder zijn: 90 procent
van de norm, genoemd in artikel 22, onderdeel c, van de
Wet werk en bijstand.
-3. Voor zover het een gezin betreft,
wordt de beslagvrije voet voor ten hoogste de helft verminderd met het
eigen, niet onder beslag liggende periodieke inkomen inclusief
vakantieaanspraak van de meerderjarige gezinsleden aan wie de bijstand
samen met de schuldenaar zou kunnen toekomen.
Art. XXVII.
Wijziging
van de Ziektewet [MvT]
De Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 29b, tweede lid, vervalt "of
artikel 11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren,".
B. [MvT]
In artikel 45g, tweede lid, vervalt "de
Wet investeren in jongeren,".
Art. XXVIII.
Wijziging
van de Wet op
de rechtsbijstand [MvT]
In artikel 1, eerste lid, van de Wet
op de rechtsbijstand vervalt de definitie van "bijstandsnorm".
Art. XXIX.
Wijziging
van de Wet op de huurtoeslag [MvT]
De Wet op de
huurtoeslag wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 17, eerste lid, wordt als volgt
gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt "artikelen
21,
onderdeel a," vervangen door: artikelen
20, eerste lid, onderdeel
b,.
2. In onderdeel b wordt "artikel
21,
onderdeel c," vervangen door: artikel
21, eerste lid,.
B. [MvT]
In artikel 27, vierde lid, wordt "artikel
21, onderdeel c," vervangen door: artikel
21, eerste lid,.
Art. XXX.
Wijziging
van de Wet studiefinanciering 2000 [MvT]
In artikel 3.17, derde lid, onderdeel a,
van de Wet
studiefinanciering 2000 vervalt ", de Wet investeren in jongeren".
Art. XXXI.
Wijziging
van de Wet op
het onderwijstoezicht [MvT]
In artikel 24f, tweede lid, van de Wet
op het onderwijstoezicht vervalt ", artikel 49 van de
Wet investeren in jongeren".
Art. XXXII.
Eenmalige
aanpassingen bedragen [MvT]
-1. Onze Minister
kan de bedragen, genoemd
in de artikelen I, onderdeel B, O,
P, Y, Z en AA,
III, onderdeel C, en
IV, onderdeel C, van deze wet eenmalig aanpassen na de datum van
inwerkingtreding van deze wet.
-2. Dit artikel vervalt zes maanden na
zijn inwerkingtreding.
Art. XXXIII.
Samenloopbepaling
wetsvoorstel tot intrekking van de Wwik [MvT]
1. Indien het bij koninklijke boodschap
van 18 maart 2011 ingediende voorstel van wet tot intrekking van de Wet
werk en inkomen kunstenaars (Kamerstukken 32 701) tot wet is of wordt
verheven en artikel II van die wet later in werking treedt dan artikel
I van deze wet, wordt die wet als volgt gewijzigd:
A.
Artikel II, onderdeel A, vervalt.
B.
In artikel II, onderdeel F, wordt "69,
eerste lid, onderdeel c" vervangen door: 69, eerste lid, onderdeel
b.
C.
Artikel XXII, eerste lid, onderdeel A,
komt te luiden:
A.
Aan artikel II wordt een onderdeel
toegevoegd, luidende:
G.
In artikel 76, derde lid, vervalt ", of
in artikel 55 van de Wet werk en inkomen kunstenaars".
2. Indien artikel II van het bij
koninklijke boodschap van 18 maart 2011 ingediende voorstel van wet tot
intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Kamerstukken 32 701)
op de datum van inwerkingtreding van artikel I van deze wet niet in
werking is getreden, wordt deze wet als volgt gewijzigd:
A.
In artikel I, onderdeel L, wordt aan artikel
13, tweede lid, onder vervanging van de punt aan het slot van
onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. die uitkering op grond van de Wet werk
en inkomen kunstenaars ontvangt of die gehuwd is met een persoon die een
zodanige uitkering ontvangt.
B.
Artikel I, onderdeel AX, komt te luiden:
AX.
In artikel 76, derde lid, wordt ", in
artikel 52 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, in artikel 87 van de
Wet investeren in jongeren" vervangen door: of in
artikel 52 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen.
C.
Er wordt na artikel XXIV een artikel
ingevoegd, luidende:
Art. XXIVa. Wijziging
van de Wet werk en inkomen kunstenaars
In artikel 43, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet werk en inkomen kunstenaars
vervalt ", de
Wet investeren in jongeren".
Art.
XXXIV.¹ Samenloopbepaling
wetsvoorstel huisbezoeken [MvT]
Indien het bij koninklijke boodschap van
20 april 2009 ingediende voorstel van wet houdende een regeling in de
sociale zekerheid van de rechtsgevolgen van het niet aantonen van de
leefsituatie na het aanbod van een huisbezoek (Kamerstukken 31 929) tot
wet is of wordt verheven en artikel VII van
die wet in werking treedt
of is getreden, wordt artikel 53a
van de Wet werk en bijstand als volgt
gewijzigd:
1. Het tweede en derde lid komen te
luiden:
-2. In aanvulling op het eerste lid kan
het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat:
a. hij een belanghebbende is als bedoeld
in artikel 20 of artikel
22, aanhef en onder a of b;
b. de feitelijke woonsituatie van
hemzelf, van zijn meerderjarige gezinsleden of van zijn ten laste
komende kinderen in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres
van hemzelf, zijn meerderjarige gezinsleden of van zijn ten laste
komende kinderen;
c. hij of het gezin waartoe hij behoort
de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet geheel of
gedeeltelijk kunnen delen met een ander.
Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te
stellen, biedt het college bij die verzoeken de belanghebbende aan met
diens toestemming zijn woning binnen te treden.
-3. Indien de belanghebbende niet
desgevraagd aantoont dat hij een alleenstaande of een alleenstaande
ouder is waarop de norm, bedoeld in artikel
20, eerste lid, of artikel 22, onderdeel a, respectievelijk
artikel 20, tweede lid, of artikel
22,
onderdeel b, van toepassing is, kent het college, onverminderd de
toepassing van artikel 27, de uitkering toe respectievelijk herziet het
de uitkering overeenkomstig de volgende norm:
a. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt: de helft van
de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder
1º;
b. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 65 jaar bevindt: de helft van
de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder
1º;
c. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 65 jaar of ouder bevindt: de helft van de norm,
bedoeld in artikel 22, onderdeel c.
2. Onder vernummering van het vierde tot
en met achtste lid tot zesde tot en met tiende lid worden twee leden
ingevoegd, luidende:
-4. Indien de belanghebbende niet
desgevraagd aantoont dat hij een alleenstaande ouder is waarop de norm,
bedoeld in artikel 20, tweede lid, of artikel
22, onderdeel b, van
toepassing is maar hij wel heeft aangetoond dat hij één of meer tot zijn
last komende kinderen heeft, kent het college, onverminderd de toepassing
van artikel 27, de uitkering toe respectievelijk herziet het de
uitkering overeenkomstig de volgende norm:
a. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt: de helft van
de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder
2º;
b. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 65 jaar bevindt: de helft van
de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder
2º;
c. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 65 jaar of ouder bevindt: de helft van de norm,
bedoeld in artikel 22, onderdeel c.
-5. In de gevallen, bedoeld in het derde
en vierde lid, zijn de artikelen 25 en 30, tweede lid, aanhef en
onder a, niet van toepassing.
1. Gelet op de redactie van artikel
VII, onderdeel C, van de Wet van 4 oktober
2012, houdende een regeling in de sociale zekerheid van de
rechtsgevolgen van het niet aantonen van de leefsituatie na het aanbod
van een huisbezoek (Stb. 2012, 463), welke tijdens de
parlementaire behandeling ingrijpend is gewijzigd, dient volgens de redactie
van deze website artikel XXXIV te vervallen.
Art. XXXV.
Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 22 december 2011, Stb. 2011, 651, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2012, met uitzondering van de in dat
besluit genoemde bepalingen, red.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 22 december
2011
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
P. de Krom
Uitgegeven de negenentwintigste
december 2011
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten
|
|