|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2010-2011, 32 815
Wijziging
van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van
die wet met de Wet
investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de
arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
uitkeringsgerechtigden
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
De uitwerking van de maatregelen |
| 2.1 |
Aanscherping voorwaarden en sancties
voor jongeren |
| 2.2 |
Aanscherping gezinsbijstand en
huishoudinkomenstoets |
| 2.3 |
Tegenprestatie naar vermogen |
| 2.4 |
Beperking van de verblijfsduur in het
buitenland |
| 2.5 |
Alleenstaande ouders in de
Wwb |
| 2.6 |
Normering inkomensgrens gemeentelijk
minimabeleid op 110% |
| 2.7 |
Verordeningsplicht participatie van
schoolgaande kinderen |
| 2.8 |
Inkomen uit studiefinanciering |
| 3 |
Invoering en overgangsrecht |
| 4 |
Financiële gevolgen |
| 4.1 |
Aanscherping voorwaarden en sancties
voor jongeren |
| 4.2 |
Aanscherping gezinsbijstand en
huishoudinkomenstoets |
| 4.3 |
Tegenprestatie in de
Wwb |
| 4.4 |
Beperking
van de verblijfsduur in het buitenland |
| 4.5 |
Alleenstaande ouders in de
Wwb |
| 4.6 |
Normering inkomensgrens gemeentelijk
minimabeleid op 110% |
| 4.7 |
Verordeningsplicht participatie van
schoolgaande kinderen |
| 4.8 |
Inkomen uit studiefinanciering |
| 5 |
Ontvangen commentaren |
| 5.1 |
VNG |
| 5.2 |
Uitvoeringspanel gemeenten |
| 5.3 |
Sociale
verzekeringsbank |
| 5.4 |
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen |
| 5.5 |
Inspectie Werk en Inkomen |
| 5.6 |
Actal |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XXXIV |
Algemeen
1.
Inleiding
Meer mensen aan het werk is een belangrijke opdracht van deze regering. Het
regeerakkoord stelt dat mensen niet afhankelijk mogen worden gemaakt van
een uitkering. Voorkomen moet worden dat mensen te snel worden
afgeschreven en permanent aan de kant staan. Werk biedt mensen
perspectief, zelfrespect, sociale contacten en sociale betrokkenheid. De
regering wil het aantal mensen dat aan de kant staat en langdurig
afhankelijk is van een uitkering sterk terugdringen. Daarbij past dat de
Wet werk en bijstand (Wwb) er alleen is voor degenen die dat echt nodig
hebben.
Werk
is de basis voor zelfstandigheid, het
benutten en ontwikkelen van talenten en
vaardigheden en de beste manier om uit
armoede te komen. De Wwb
dient daarom
optimaal activerend te zijn richting
werk. Dit wetsvoorstel omvat daarom een
aantal maatregelen die de tijdelijke
vangnetfunctie van de Wwb nog meer vooropstelt en de verplichtingen
waaraan uitkeringsgerechtigden moeten
voldoen, aanscherpen. Deze regering stelt
eigen verantwoordelijkheid voorop: de
bijstand moet niet alleen het vangnet
zijn, maar ook een springplank naar werk
voor iedereen die kan werken.
Het
kabinet streeft naar een gezamenlijke
aanpak voor (voortijdig) schoolverlaters
en jeugdige werklozen. De aanscherping
van de Wwb richt zich allereerst op de
toegang tot de bijstand. Met de
introductie van de Wet investeren in
jongeren (WIJ) is het accent voor
jongeren verlegd naar werken of leren,
met als afgeleide de
inkomensvoorziening. De regering
onderschrijft het uitgangspunt van de
WIJ, maar is van mening dat de huidige
systematiek ruimte laat voor een
afwachtende en vrijblijvende houding van
jongeren. De WIJ legt
gemeenten de
plicht op om iedere jongere onder de 27
jaar aan te spreken op de eigen
verantwoordelijkheid zelf werk te
zoeken. De regering gaat op die weg
verder en scherpt de wetgeving aan.¹
1. Kamerstukken II
2010-2011, 32 417, nr. 15, blz. 41, 53 en 91.
rblz.|2|
De
nadruk op de eigen verantwoordelijkheid
wordt in de wet verankerd doordat de
jongere die zich bij het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) meldt met
de intentie om een aanvraag in te
dienen, verplicht wordt eerst zélf vier
weken naar werk te zoeken, alvorens
aanspraak op ondersteuning kan ontstaan.
Daarbij zal de jongere nadrukkelijk
eerst ook de mogelijkheden van reguliere
scholing moeten onderzoeken. Na vier
weken kan de jongere een aanvraag
indienen en moet het college van
burgemeester en wethouders (verder: het
college) toetsen of de jongere
aantoonbare inspanningen heeft gepleegd
om werk te vinden of terug te keren naar
school. Als blijkt dat dit niet het
geval is, heeft dat consequenties voor
de uitkering. Als de jongere kan
terugkeren naar school of als blijkt dat
de jongere geen inspanningen heeft
gepleegd en onwillig blijft om aan het
werk te gaan, is er geen recht op
uitkering. Hiermee onderstreept de
regering dat stilzitten geen optie is.
De
tweede maatregel richt zich op het
verder versterken van het activerende
karakter en de vangnetfunctie van de Wwb. De regering wil de bijstand voor
inwonenden afschaffen en de toets op het
partnerinkomen vervangen door een toets
op het huishoudinkomen, met een beperkte
vrijlatingsregeling voor inkomsten van
minderjarige kinderen.¹ Dit wordt
bereikt door het recht op gezinsbijstand
aan te scherpen doordat het gezin de
bijstand gezamenlijk moet aanvragen en
recht krijgt op een gezinsuitkering ter
hoogte van de huidige norm voor gehuwden
op grond van de Wwb. Als gevolg van deze
aanscherping is het eveneens
noodzakelijk het hiervoor genoemde
aangescherpte regime van de WIJ voor
personen tot 27 jaar in de Wwb op te
nemen. Hierdoor wordt het mogelijk dat
gezinnen gezamenlijk een uitkering
kunnen aanvragen onder het regime dat
voor ieder van de gezinsleden geldt. De
WIJ als aparte wet komt hiermee te
vervallen.
1. Kamerstukken II
2010-2011, 32 417, nr. 15, blz. 41, 53 en 91.
Een
derde aanscherping richt zich op de
verplichtingen van mensen met een
uitkering op grond van de Wwb. Tegenover
een uitkering staan verplichtingen. In
de bijstand zal daarom een wettelijke
plicht tot tegenprestatie naar vermogen
komen.¹ Daarnaast bevat dit wetsvoorstel
een voorstel tot beperking van de
verblijfsduur in het buitenland van
mensen met een uitkering op grond van de
Wwb.
1. Kamerstukken II
2010-2011, 32 417, nr. 15, blz. 41.
Voorts
wordt de specifieke ontheffing van de
arbeidsverplichting voor alleenstaande
ouders met kinderen tot 5 jaar
afgeschaft.¹ Om de Wwb voor deze
doelgroep optimaal activerend te maken,
wordt in plaats hiervan de vrijlating
voor het werken in deeltijd verruimd.²
De Wet
voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders (Wet Vazalo) kan
hiermee worden ingetrokken, omdat de
regering deze vrijlatingsregeling een
beter alternatief vindt om alleenstaande
ouders te stimuleren een eigen inkomen
te verwerven.³
1.
Redactie: tijdens de
parlementaire behandeling van onderhavig
wetsvoorstel is besloten de
specifieke ontheffing van de
arbeidsverplichting voor alleenstaande
ouders met kinderen tot 5 jaar te
handhaven.
2. Kamerstukken II 2010-2011, 32 417, nr. 15, blz. 40.
3. Kamerstukken II 2010-2011, 32 417, nr. 15, blz. 53 en 91.
Om
de Wwb daadwerkelijk te richten op de
groep die het echt nodig heeft, wordt de
inkomensgrens van gemeentelijk
minimabeleid genormeerd tot 110%.¹ Naar
aanleiding van de motie-Spekman en
Blanksma ² voorziet dit
wetsvoorstel voorts in een
verordeningsplicht voor gemeenteraden
ten aanzien van categoriale bijzondere
bijstand voor huishoudens met
schoolgaande kinderen. Tot slot
corrigeert dit wetsvoorstel in artikel
33, tweede lid, van de Wwb een onjuiste
verwijzing naar de Wet
studiefinanciering 2000.
1. Kamerstukken II
2010-2011, 32 417, nr. 15, blz. 54 en 92.
2. Kamerstukken II 2009-2010, 24 515, nr. 181.
Genoemde
maatregelen worden hierna verder
toegelicht. Daarna zullen het
overgangsrecht, ontvangen adviezen en
financiële consequenties van het
wetsvoorstel worden besproken.
rblz.|3|
2.
De uitwerking van de maatregelen
2.1.
Aanscherping voorwaarden en sancties
voor jongeren
De
regering is van mening dat niet kan
worden geaccepteerd dat jongeren niets
doen en achteroverleunen. Jongeren
moeten leren om op eigen benen te staan
en zich te ontwikkelen tot zelfstandige
en verantwoordelijke burgers. De
bevolking vergrijst en ontgroent. Jong
en oud moet daarom meedoen om de krapte
op de arbeidsmarkt tegen te gaan. De
dreigende krapte op de arbeidsmarkt
vergroot ook de kansen op werk. Die
kansen moeten jongeren grijpen aan het
begin van hun werkzame leven.
Met
de introductie van de WIJ
is het accent
voor personen jonger dan 27 jaar verlegd
naar werken of leren, met als afgeleide
de inkomensvoorziening. Eén van de
redenen voor de introductie van de WIJ
was dat te veel jongeren niet door het
college werden aangesproken en met rust
werden gelaten. Dat was, is en blijft
niet acceptabel. Met de WIJ is daarin
verandering gebracht. Uitgangspunt van
de WIJ is dat colleges alle jongeren
activeren en aan het werk zetten of
laten leren. Omdat de focus hiermee op
jongeren werd gericht en de set van
rechten en plichten zowel voor jongeren
als voor het college werd gewijzigd,
achtte de toenmalige regering het
destijds passend de aanpak in een aparte
wet voor jongeren neer te leggen, in
plaats van in de Wwb. De regering wil op
de weg van de WIJ verdergaan.
De
regering onderschrijft het uitgangspunt
van de WIJ, maar is van mening dat de
huidige systematiek de eigen
verantwoordelijkheid om zélf werk te
zoeken of een opleiding te volgen te
veel ondermijnt. Opleiding en werk
kunnen alleen een succes worden met
eigen inzet en initiatief. Meer dan in
de huidige wet dient de eigen
verantwoordelijkheid van de jongere
voorop te staan. Zij wil daarom dat alle
jongeren die zich bij het loket melden,
worden aangesproken op de mogelijkheden
om naar school of aan het werk te gaan
en hen te sanctioneren als daarvoor
onvoldoende aantoonbare inspanningen
worden gepleegd. De colleges worden
daarom verplicht met alle jongeren het
gesprek aan te gaan, afspraken te maken
en hen te begeleiden. Waar nodig kunnen
colleges daarbij ondersteuning bieden.
Uiteindelijk is beoogd dat jongeren in
beginsel niet uitkeringsafhankelijk
worden. Zij moeten werken of leren. De
regering wil de eigen
verantwoordelijkheid veel duidelijker
verankeren in de wetgeving. De regering
scherpt de wetgeving daarom aan.
De
nadruk op de eigen verantwoordelijkheid
wordt in de wet verankerd door de
jongere die zich meldt bij het loket
van het UWV eerst zelf vier weken te
laten zoeken naar werk. Het UWV wijst de
jongere op zijn verplichting hiertoe,
alvorens eventueel aanspraak kan worden
gemaakt op ondersteuning van het
college. Het recht op een werkleeraanbod
wordt vervangen door een aanspraak van
de jongere op ondersteuning. Van de
jongere worden aantoonbare eigen
initiatieven en acties verwacht. Daarbij
is het gerechtvaardigd om een jongere
ook ertoe te verplichten dat hij de
mogelijkheden binnen het regulier
bekostigd onderwijs onderzoekt. Werken
of leren staat voorop.
Na
ommekomst van de termijn van vier weken
kan de jongere eventueel een aanvraag
voor ondersteuning en een eventuele
uitkering indienen bij het UWV. Het UWV
draagt zoals gebruikelijk de aanvraag
ter behandeling over aan het college. Is
deze aanvraag eerder gedaan dan na
afloop van die vier weken, dan legt het
college een maatregel op of neemt het de
aanvraag niet in behandeling. Is de
aanvraag wel gedaan na de periode van
vier weken, dan toetst het college of
betrokkene in de voorgaande vier weken
aantoonbare inspanningen heeft gepleegd
om werk te vinden. Het college stelt
bovendien vast of de jongere nog
mogelijkheden heeft rblz.|4|
binnen het regulier
bekostigd onderwijs. De jongere moet
hiervoor bij zijn aanvraag zelf
documenten overleggen. Na het in
behandeling nemen van die aanvraag kan
het college indien nodig een voorschot
toekennen. Mocht recht op een uitkering
bestaan, dan kan dit recht op uitkering
ingaan op de dag dat de jongere zich bij
het UWV heeft gemeld.
Samenwerking
tussen gemeenten, het onderwijs en de
lokale hulpverlening bij deze groep
jongeren is van belang om zoveel
mogelijk jongeren daadwerkelijk naar
school of aan het werk te krijgen. Het
college dient ondersteuning en uitkering
zonder meer te weigeren als er voor die
persoon nog mogelijkheden binnen het
reguliere onderwijs zijn die betrokkene
onvoldoende heeft benut. IJkpunt hierbij
kan zijn of die persoon een
startkwalificatie (diploma op HAVO-, VWO-
of MBO2-niveau) heeft. Het college wijst
hem op de mogelijkheden die er voor hem
nog binnen het regulier onderwijs zijn.
Een goede samenwerking tussen
gemeentelijke diensten en
onderwijsinstellingen op lokaal en
regionaal niveau is hierbij van belang.
Voor niet-leerplichtige voortijdig
schoolverlaters tot 23 jaar is
terugleiden naar regulier onderwijs een
kerntaak van de gemeentelijke Regionaal
Meld- en Coördinatiepunt (RMC-)functie.
Hierbij kan worden aangesloten als het
college een beslissing moet nemen ten
aanzien van een jongere. Verder kan het
college bij zijn besluit gebruik maken
van het zogenaamde bindend studieadvies,
dat onderwijsinstellingen met ingang van
het studiejaar 2012/2013 aan leerlingen
kunnen gaan verstrekken op grond van een
wijziging in de Wet
educatie en beroepsonderwijs (WEB). Het studieadvies
wordt gegeven bij een gebrek aan
studievoortgang als gevolg van te weinig
motivatie dan wel te weinig capaciteit.
Het ligt in de rede dat het college in
zijn besluitvorming de reden van het
gebrek aan studievoortgang laat
meewegen. Goede samenwerking tussen
gemeentelijke diensten en
onderwijsinstellingen is ook hierbij
essentieel. Van belang is om de
resultaten en de gevolgen van het
onderhavige wetsvoorstel en van de
voorgenomen wijzigingen in de WEB te
volgen. Met behulp van bestaande
databestanden van UWV, Centraal
bureau voor de statistiek (CBS), Dienst
Uitvoering Onderwijs (DUO), statistiek
re-integratie gemeenten (SRG),
bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS) en
RMC zal nauwlettend gevolgd worden welke
effecten optreden in de stromen van en
naar het onderwijs en gemeentelijke
diensten.
Het
kabinet streeft naar een gezamenlijke
aanpak voor (voortijdig) schoolverlaters
en jeugdige werklozen. Daarnaast
realiseert het kabinet zich dat er een
groep zal blijven bestaan van jongeren
met meervoudige problemen die
onvoldoende deelneemt aan
maatschappelijke activiteiten. Het
kabinet wil deze groep stimuleren hun
eigen verantwoordelijkheid voor
opleiding en werk te nemen en wil
daarbij een gezamenlijke aanpak in de
regio mogelijk maken. Het stimuleren van
jongeren om een opleiding af te maken en
werk te zoeken en zo de
jeugdwerkloosheid te bestrijden, het
leveren van een steuntje in de rug en
passende hulp aan jongeren met een grote
afstand tot de arbeidsmarkt bij het
zoeken naar werk (als die jongeren dat
op eigen kracht niet kunnen) en het
terugdringen van voortijdig
schoolverlaten zijn niet alleen van
belang voor de betrokken jongeren zelf,
maar ook voor de samenleving als geheel.
Daarvoor is nodig dat lokaal en in de
regio onderwijs, hulpverlening,
werkgevers en gemeente, ieder op basis
van hun eigen verantwoordelijkheid,
samenwerken om een integrale benadering
van de problematiek mogelijk te maken.
Ook de efficiëntie bij de besteding van
middelen wijst maar in één richting:
samenwerking en afstemming lokaal of in
de regio tussen gemeenten (inclusief
zorg) en onderwijsinstellingen.
Het
kabinet neemt het initiatief tot een
overleg met VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] en organisaties van
onderwijs en hulpverlening om met hen te
bespreken of zij gezamenlijk op dit punt
verantwoordelijkheid willen nemen en om
te rblz.|5|
bespreken of een gezamenlijke
richtlijn voor samenwerking in de regio
hierbij behulpzaam kan zijn.
Naast
de omstandigheid dat er nog
mogelijkheden zijn binnen het regulier
onderwijs, bestaat ook geen recht op
ondersteuning en uitkering als uit
gedrag en houding van de jongere
ondubbelzinnig blijkt dat hij geen
inspanningen heeft gepleegd en onwillig
blijft om aan het werk te gaan. Jongeren
die zich zodanig aan de
verantwoordelijkheid om te voorzien in
het eigen bestaan onttrekken, kunnen
geen aanspraak maken op bijstand.
Jongeren kunnen deze consequenties
voorkomen door afspraken na te komen,
actief naar werk te zoeken en al datgene
te doen wat nodig en mogelijk is om zelf
aan het werk te komen.
Als
het college de jongere ondersteuning en
uitkering heeft geweigerd, bestaat voor
de jongere de mogelijkheid om zich
opnieuw bij het loket van het UWV te
melden. In dat geval gaat een nieuwe
zoekperiode van vier weken gelden.
Gedurende die nieuwe zoekperiode
ontvangt de betreffende jongere géén
ondersteuning of uitkering. Pas na
ommekomst van die (tweede of
daaropvolgende) periode van vier weken
kan pas een aanvraag daarvoor bij het
UWV worden ingediend, dat de aanvraag
weer overdraagt aan het college dat de
aanvraag behandelt. Dan pas wordt ook
weer beoordeeld of aanspraak bestaat op
ondersteuning en een eventuele uitkering
aan de hand van de gepleegde
inspanningen en activiteiten in die
periode. Zo wordt voorkomen dat
ongewenst gedrag wordt beloond.
Als
de jongere niet voldoende aan zijn
verplichting om werk te vinden, heeft
voldaan, verlaagt het college de
uitkering. De mate waarin het college de
uitkering verlaagt, is afhankelijk van de
beoordeling van de mate van
verwijtbaarheid van de jongere. Deze
beoordeling wordt overgelaten aan het
college, waarin het college in het
individuele geval maatwerk verleent. Als
sprake is van een verlaagde uitkering,
kan het college betrokkene wel
ondersteuning bieden bij het vinden van
werk.
Ook
als het college vaststelt dat betrokkene
gedurende de zoektijd van vier weken
voldoende inspanningen heeft verricht om
aan het werk te komen, maar dit niet tot arbeidsinschakeling
heeft geleid, kan
het college betrokkene ondersteuning
bieden. Het is aan het college om te
bepalen welke vorm de ondersteuning zal
hebben. Ook hier geldt dat het college
maatwerk verleent. Het eigen initiatief
en de inzet van betrokkene blijven
daarbij vooropstaan, omdat dit de
kansen op succes zal vergroten.
Een
jongere die zich gedurende de zoektijd
voldoende heeft ingespannen om aan het
werk te komen, maar bij wie dit niet is
gelukt door buiten deze jongere gelegen
omstandigheden, kan in beginsel in
aanmerking komen voor een
ongesanctioneerde uitkering. Het college
legt zijn oordeel omtrent het al dan
niet toekennen van ondersteuning en een
uitkering alsmede de hoogte daarvan vast
in een beschikking.
Op
grond van de huidige wetgeving maken
colleges reeds afspraken met jongeren
over het zoeken naar werk,
verplichtingen die gelden en eventuele
ondersteuning. De regering wil deze lijn
voortzetten en deze uitvoeringspraktijk
verankeren in de
wet. In een plan van
aanpak legt het college daarom vast hoe
de eventuele ondersteuning eruitziet,
welke verplichtingen gericht op
arbeidsinschakeling betrokkene heeft en
wat er van hem wordt verwacht. Het plan
van aanpak maakt onderdeel uit van de
toekenningsbeschikking. De beschikking
is vatbaar voor bezwaar en beroep.
Het
college wordt verplicht de jongere bij
de uitvoering van het plan van aanpak te
begeleiden. De regering wil dat jongeren
blijvend door het college worden
aangesproken op hun mogelijkheden om aan
het werk te gaan. Daarom dient het
college periodiek het plan van aanpak,
in samenspraak met de jongere, te
evalueren en zo nodig bij te stellen.
Ook jongeren kunnen het college
aanspreken op hun verantwoordelijkheid
[lees: zijn verantwoordelijkheid, red.] hen rblz.|6|
te begeleiden naar de arbeidsmarkt.
Van beide kanten is stilzitten dus niet
mogelijk en wordt een actieve houding
naar arbeidsinschakeling verwacht.
Indien
betrokkene zijn afspraken uit het plan
van aanpak niet of onvoldoende nakomt,
verlaagt het college de uitkering. Als
uit houding en gedrag van betrokkene
ondubbelzinnig blijkt dat deze de
afspraken ook niet zal nakomen, trekt het
college de uitkering in. Als de
uitkering wordt ingetrokken, stopt ook
de ondersteuning. Het is aan de
gemeente
een adequaat handhavingsbeleid te
voeren.
De
regering verwacht van jongeren extra
inspanning om op eigen kracht de
bijstand te verlaten. Jongeren horen
niet in de bijstand thuis. Dit
wetsvoorstel benadrukt verder het
uitgangspunt dat jongeren moeten werken
of leren of een combinatie van beide.
Dit blijkt onder meer doordat de
regering ervoor heeft gekozen dat
jongeren de mogelijkheden van reguliere
scholing moeten onderzoeken en dat dit
prevaleert boven het recht op bijstand.
Wanneer er toch een recht op uitkering
bestaat doordat bijvoorbeeld studie geen
optie meer is, acht de regering het
reëel dat deze jongeren op eigen kracht
de uitkering verlaten. Naar het oordeel
van de regering moet een signaal uitgaan
dat men op jonge leeftijd zelf actief
moet zijn om te werken en/of te leren
voor zijn toekomst. Het is sociaal niet
aanvaardbaar en economisch niet
verantwoord dat jongeren langs de
zijlijn staan. Daarom wil de regering
dat de focus gericht blijft op jongeren
door een apart regime voor jongeren te
handhaven. De regering kiest ervoor dit
aparte regime voor jongeren tot 27 jaar
op te nemen in de Wwb. De reden hiervoor
is gelegen in het hiernavolgende
onderdeel van dit wetsvoorstel, zijnde de
aanscherping van de gezinsbijstand en de
huishoudinkomenstoets.
2.2.
Aanscherping gezinsbijstand en
huishoudinkomenstoets
Doel
en strekking
De
regering wil de gezinsbijstand
aanscherpen om ervoor te zorgen dat het
meer loont om vanuit een uitkering aan
het werk te gaan. Werklozen die een
verlaging van hun uitkering of geen
uitkering te wachten staat, blijken
sneller uit te stromen dan andere
werklozen. De beoogde vorm van de
gezinsbijstand leidt tot een lagere
uitkering waardoor een financiële
prikkel ontstaat om het zoekgedrag te
intensiveren en sneller een baan te
accepteren en zodoende de
inkomenspositie te verbeteren. Daarom
scherpt de regering in de Wwb
de
inkomenstoets aan door niet alleen
rekening te houden met de inkomsten van
aanvrager en partner, maar met de
inkomsten van alle gezinsleden.
De
aanscherping van de gezinsbijstand en de
huishoudinkomenstoets versterkt naar de
mening van de regering de prikkel tot
werkhervatting en daarmee het
activerende karakter van de Wwb. Als
gevolg hiervan wordt de
arbeidsparticipatie bevorderd.
Belanghebbenden die als gevolg van de
aanscherping een verlaging van de
uitkering te wachten staat of die niet
in aanmerking komen voor een uitkering,
kunnen dit voorkomen door zo snel
mogelijk (weer) aan het werk te gaan.
Dit
past bij het uitgangspunt van de Wwb dat
de eigen verantwoordelijkheid van de
burger centraal staat om al datgene te
doen wat nodig en mogelijk is om aan het
werk te gaan en daarmee in het eigen
levensonderhoud te voorzien. Dus: werk
boven uitkering. Werk is het beste
middel om actief mee te doen in de
samenleving, om jezelf te ontplooien en
de inkomenspositie te verbeteren. Met
werk is een minimumloon gegarandeerd. In
vergelijking met andere EU-landen heeft
Nederland een hoog minimumloon.
rblz.|7|
De
arbeidsmarkt staat voor grote
veranderingen. Voor het eerst sinds
decennia neemt het aantal werkenden af.
Nederland vergrijst en ontgroent. In
tijden van hoogconjunctuur loopt de
krapte op de Nederlandse arbeidsmarkt
sterk op.¹ Het aantal
uitkeringsgerechtigden loopt echter maar
in veel geringere mate terug.² Gegeven
hun opleidingsniveau en de afstand tot
de arbeidsmarkt zullen veel
uitkeringsgerechtigden aangewezen zijn
op het laagstbetaalde segment van de
arbeidsmarkt.³ De toenemende krapte op
de arbeidsmarkt biedt kansen voor
uitkeringsgerechtigden om aan het werk
te komen en voor
gemeenten om
uitkeringsgerechtigden aan het werk te
helpen. Maar dan nog zullen vraag en
aanbod zich niet altijd vinden. Dat komt
doordat in voorkomende gevallen de
arbeidsprestatie lager ligt dan het door
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag of collectieve
arbeidsovereenkomst minimaal toegestane
beloningsniveau, waardoor mensen een
grotere kans op (blijvende) werkloosheid
lopen ("productiviteitsval"). De
armoedeval maakt (vooral laag)betaald
werk en het aanvaarden daarvan
financieel onvoldoende aantrekkelijk,
waardoor mensen selectiever worden in
het moment waarop zij werk aanvaarden.
1. "Naar een toekomst
die werkt", rapport commissie arbeidsparticipatie blz. 18-21.
2. In de periode 2005 tot en met 2008 daalde het aantal personen met een
WW- of Wwb-uitkering
met circa 200 000, terwijl de werkzame beroepsbevolking steeg met circa
600 000. De vacaturegraad (het aantal vacatures als percentage van het
aantal banen van werknemers) bereikte eind 2007/begin 2008 een
hoogtepunt met een waarde van rond de 3% (circa 225 000 vacatures). Zie
Centraal Planbureau, Centraal Economisch Plan 2011.
3. Het aantal werknemers met een bruto-uurloon bedroeg volgens het CBS
zowel in 2000 als in 2005 circa 1,3 miljoen (er zijn geen recentere
cijfers beschikbaar). Uit het SCP-rapport [SCP: Sociaal en Cultureel
Planbureau, red.] "Minder werk voor laagopgeleiden"
blijkt dat het aantal laaggeschoolde banen tussen 1987 en 2008 constant
is gebleven op 2,2 miljoen.
De
conjuncturele component zal spoedig uit
de werkloosheid zijn verdwenen.¹ Een
structurele aanpak is nodig om het
totale aantal mensen met een uitkering
substantieel te reduceren. Het regeerakkoord bevat diverse maatregelen
die de productiviteits- en armoedeval
aanpakken. Het instrument "loondispensatie" vermindert de
productiviteitsval en zal met name extra
potentieel kunnen ontsluiten onder
degenen met een grote afstand. Het
voornemen om de dubbele algemene
heffingskorting in het
referentieminimumloon af te bouwen en de
in het voorliggende wetsvoorstel
voorgestelde aanscherping van de
gezinsbijstand en de introductie van de
huishoudinkomenstoets dragen bij aan het
beperken van de armoedeval.²
1. Zie Centraal Planbureau,
Economische verkenning 2011-2015, Den Haag, 16 maart 2010.
2. Zie CPB Notitie 2010/33 "Analyse economische effecten financieel
kader", 27 september 2010, blz. 16: "Het totaal van de
maatregelen versterkt de financiële prikkel voor uitkeringsgerechtigden
om een baan te zoeken en te aanvaarden".
Bij
de aanscherping van de gezinsbijstand en
de huishoudinkomenstoets heeft de
regering in aanmerking genomen dat de Wwb
rekening houdt met het kunnen delen
van kosten en het als gevolg daarvan
optreden van schaalvoordelen. De hoogte
van de noodzakelijke bestaanskosten
wordt immers bepaald door de mate waarin
de kosten van degenen die in dezelfde
woning wonen met elkaar kunnen worden
gedeeld. In de huidige Wwb wordt ervan
uitgegaan dat alleen gehuwden of
ongehuwd samenwonenden alle algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan
kunnen delen waardoor er bij hen sprake
is van maximale schaalvoordelen binnen
de huishouding. De regering is van
mening dat hiervan ook sprake is bij
degenen die bloed- en aanverwanten in de
eerste graad zijn en die bij elkaar
wonen in dezelfde woning. Dat sprake is
van een leefsituatie die naar aard
gelijkenis vertoont met die van gehuwden
blijkt uit het feit dat ook de bloed- en
aanverwanten in de eerste graad op grond
van artikel 392 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek jegens elkaar een
onderhoudsverplichting hebben.¹
De
situatie bij bloed- en aanverwanten in
de eerste graad die in dezelfde woning
het hoofdverblijf hebben, wijkt in dit
opzicht af van die bij andere
leefvormen. Bij relaties zoals
onderhuurderschap, kostgangerschap of
andere woonvormen zoals studentenhuizen
en woongroepen, is er sprake van een
volledig zakelijke relatie. Bij die
relaties gaat het om deelname aan het
economisch verkeer, waarbij door een
partij voor de te leveren prestaties
(het gebruik van woonruimte) een prijs
is bedongen en de andere partij voor die
prestaties bereid is daarvoor een prijs
te betalen (huur). In de bijstand wordt,
via inkomenskorting en/of het
gemeentelijke toeslagen- en
verlagingenbeleid wegens het kunnen
delen van de kosten, rekening gehouden
met de opbrengst van de ene partij en de
prijs die de andere partij betaalt.
Naarmate de zakelijkheid toeneemt,
vermindert de financiële
verstrengeling. Zakelijke relaties zoals
onderhuurderschap, kostgangerschap of
andere woonvormen en bloed- en
aanverwanten in de rblz.|8|
tweede graad en
verder, vallen niet onder de reikwijdte
van dit
wetsvoorstel.
1. Er bestaat op grond van
artikel 392 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek wederkerig een onderhoudsplicht tussen
ouder(s) en eigen kind, stiefouder(s) en stiefkind en schoonouders en
aangetrouwde kinderen.
Hoewel
bij zakelijke relaties in zekere mate de
kosten van het bestaan kunnen worden
gedeeld, is er geen sprake van volledige
financiële verstrengeling, zoals deze
verstrengeling wel aanwezig is bij
gehuwden en ongehuwd samenwonenden en
naar de mening van de regering ook bij
bloed- en aanverwanten in de eerste
graad die in dezelfde woning hun
hoofdverblijf hebben. Tussen hen bestaat
een natuurlijke financiële
verstrengeling. Een kind groeit op en
wordt door zijn ouders onderhouden. Als
het kind financieel op eigen benen
staat, betekent dat al een besparing
voor de ouders.
Voorts
zullen gezien de bestaande natuurlijke
financiële verstrengeling tussen ouders
en (stief-/aangetrouwde) kinderen
aanwezige kosten onderling niet of niet
geheel aan elkaar worden doorberekend of
worden kosten volledig met elkaar
gedeeld. Dat betekent een aanzienlijke
besparing ten opzichte van de situatie
dat de kosten van een zelfstandige
huishouding zelf moeten worden gedragen,
waarbij de prijzen uit het economisch
verkeer (huur, aanschaf
gebruiksartikelen, verzekeringen, enz.) worden gehanteerd.
Het
voordeel van deze besparing komt thans
onvoldoende tot uitdrukking in de
bijstandsnormering. Daardoor wordt dit
voordeel feitelijk via de bijstand
afgewenteld op de algemene middelen. Aan
dit onbedoelde voordeel maakt dit
wetsvoorstel een einde.
Gezinsbijstand
In
dit wetsvoorstel stelt de regering voor
om bloed- en aanverwanten in de eerste
graad die in dezelfde woning het
hoofdverblijf hebben mede aan te merken
als gezin dat als eenheid een
zelfstandig subject van bijstand wordt
en recht krijgt op de bijstandsnorm van
100% van het nettoreferentieminimumloon. De regering
introduceert daarvoor in de Wwb
een
nieuwe definitie van het begrip "gezin". Onder de nieuwe definitie van
"gezin" wordt verstaan: de gehuwden
tezamen, de gehuwden met hun
minderjarige en meerderjarige kinderen,
de alleenstaande ouder met zijn/haar
minderjarige en meerderjarige kinderen
en de alleenstaande met zijn/haar
meerderjarige kinderen die in dezelfde
woning hun hoofdverblijf hebben. Onder
meerderjarige kinderen worden ook
verstaan de stiefkinderen en de
aangetrouwde kinderen. Voor de afbakening
van deze definitie is in aanmerking
genomen dat tussen hen op grond van
artikel 392 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek een onderhoudsplicht
geldt. Opgemerkt wordt dat die
onderhoudsplicht voor de
bijstandverlening verder niet bepalend
is. Of in voorkomende gevallen de facto
al dan niet sprake is van een
onderhoudsplicht, is voor de
bijstandverlening niet relevant. Als
bloed- en aanverwanten in de eerste
graad in dezelfde woning het
hoofdverblijf hebben, vallen zij onder
de nieuwe definitie van gezin en
ontstaat recht op de bijstandsnorm van
100% van het nettoreferentieminimumloon, als aan de
overige voorwaarden wordt voldaan.
De Wwb
kent alleen het begrip "het kunnen
delen van de kosten met een ander" op
grond waarvan de norm of toeslag lager
kan worden vastgesteld. Omdat de bloed-
en aanverwanten in de eerste graad die
in dezelfde woning het hoofdverblijf
hebben als gezin worden aangemerkt,
kunnen de gezinsleden niet ieder voor
zich een individuele bijstandsuitkering
aanvragen. Als gezin dat een zelfstandig
subject van bijstand vormt, moeten zij
dit gezamenlijk doen. De bijstand voor
het individu binnen deze leefsituatie
wordt daarmee de facto afgeschaft.
Er
wordt een uitzondering gemaakt voor de
situatie waarin een meerderjarig bloed-
of aanverwant in de eerste graad
studeert of een opleiding rblz.|9|
volgt en wier
in aanmerking te nemen inkomen
(inclusief de ontvangen studiefinanciering) niet meer bedraagt
dan 80% van het nettominimumloon,
inclusief vakantiebijslag. De regering
heeft hiervoor gekozen om te stimuleren
dat door middel van studie en opleiding
een zo hoog mogelijke kwalificatie wordt
behaald en zodoende de
arbeidsmarktkansen worden verhoogd. Dit
past ook bij het uitgangspunt dat
jongeren eerst de mogelijkheden binnen
het regulier bekostigd onderwijs moeten
onderzoeken. Door hen tot de bepaalde
inkomensgrens uit te zonderen van de
gezinsbijstand als zij studeren of een
opleiding volgen, worden zij
gestimuleerd de mogelijkheden binnen het
regulier bekostigd onderwijs te
benutten.
Daarnaast
krijgt het college de mogelijkheid een
uitzondering te maken op de
gezinsbijstand in de situatie dat er
sprake is van een zorgbehoevend
gezinslid. Er is sprake van een
zorgbehoevend gezinslid als iemand
onderdeel uitmaakt van een gezin en
beschikt over een geldig
indicatiebesluit op grond van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) voor tien of meer uren zorg per
week en deze zorg voor minstens dat
aantal uren door een ander gezinslid
wordt verleend. Het gaat daarbij om de
situatie dat één of beide (stief-/schoon)ouders aan één of meer
meerderjarige (stief/aangetrouwde)
kinderen met een geldige AWBZ-indicatie
van tien of meer uren per week minstens
voor dat aantal uren zorg verlenen dan
wel dat één of meerdere meerderjarige
(stief-/aangetrouwde) kinderen aan één
of beide (stief-/schoon)ouders met een
geldige AWBZ-indicatie van tien of meer
uren per week minstens voor dat aantal
uren zorg verlenen. Indien hiervan
sprake is, behoort de zorgbehoevende
niet (meer) tot het gezin en heeft de
zorgbehoevende een zelfstandig recht op
bijstand. De overige gezinsleden blijven
aangemerkt als gezin. Eventuele
inkomens- en vermogensbestanddelen van
de overige gezinsleden hebben echter
geen invloed op het recht op bijstand
van de zorgbehoevende.
Door
in deze situatie een uitzondering te
maken op de gezinsbijstand kan het
college voorkomen dat een meerderjarig,
thuiswonend zorgbehoevend (stief-/aangetrouwd) kind of de
zorgbehoevende (stief-/schoon)ouder(s)
uit huis moeten worden geplaatst, omdat
de ouder(s) of het meerderjarig kind
wellicht niet meer in staat zijn de
zorgbehoevende te verzorgen. Zij bieden
nu mantelzorg, maar kunnen zich dat
misschien niet meer veroorloven, omdat
er kosten gemaakt worden vanwege het
zorgen voor het de (stief-/schoon)ouder(s) of
(stief-/aangetrouwde) kind(eren). Zij
zouden zich door deze kosten genoodzaakt
kunnen zien de zorgbehoevende uit huis
te plaatsen. Dat zou per saldo voor de
overheid tot hogere kosten kunnen
leiden. Om deze reden wordt ook een
uitzondering gemaakt op de verplichting
tot het aanvaarden van algemeen
geaccepteerde arbeid en tot het
verrichten van een tegenprestatie door
de zorgverlenende (stief-/schoon)ouder(s)
of het zorgverlenende (stief-/aangetrouwde) meerderjarige kind.
Deze verplichtingen gaan pas gelden als
het college zich genoegzaam heeft
overtuigd dat de zorgverlenende (stief-/schoon)ouder(s) of het
zorgverlenende (stief-/aangetrouwde)
meerderjarige kind de te verlenen zorg
kan combineren met die verplichting. Ook
hiermee wordt naar de mening van de
regering voorkomen dat een
zorgbehoevende noodgedwongen uit huis
wordt geplaatst.
De
mogelijkheid tot uitzondering van de
gezinsbijstand is beperkt tot alleen
zorgbehoevende gezinsleden jonger dan 65
jaar. Voor zorgbehoevende mensen van 65
jaar of ouder geldt als uitgangspunt dat
in een inkomen van overheidswege wordt
voorzien door een uitkering op grond van
de Algemene Ouderdomswet (AOW). In de
AOW wordt het uitgangspunt van een
"gezinsuitkering" niet
geïntroduceerd. De hoogte van de
AOW-uitkering is voorts hoger dan de Wwb-uitkering voor mensen jonger dan 65
jaar. Anders dan voor mensen jonger dan
65 jaar geldt daarnaast voor
(zorgbehoevende) mensen van 65 jaar of ouder het recht op categoriale
bijzondere bijstand indien er uit
bijzondere omstandigheden rblz.|10|
voortvloeiende
kosten aanwezig zijn. Gelet op het
voorgaande gaat de regering ervan uit
dat voor zorgbehoevenden van 65 jaar of ouder voldoende wordt voorzien in de
kosten van de zorgbehoefte waardoor
wordt voorkomen dat deze personen uit
huis geplaatst moeten worden.
Huishoudinkomenstoets
Omdat
de bijstand als gezinsbijstand wordt
verstrekt, dienen de middelen van alle
gezinsleden bij de bijstandverlening in
aanmerking te worden genomen. Dit
betekent dat alle inkomens- en
vermogensbestanddelen van de bloed- en
aanverwanten in de eerste graad die het
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning
bij de bijstandverlening aan de
gezinseenheid worden betrokken. Op deze
wijze wordt de maatregel in het
regeerakkoord ingevuld dat de toets op
het partnerinkomen wordt vervangen door
de toets op het huishoudinkomen. Binnen
de huishouding van de bloed- en
aanverwanten in de eerste graad die in
dezelfde woning het hoofdverblijf
hebben, worden de inkomens- en
vermogensbestanddelen niet meer
toegerekend naar de individuen die
binnen een huishouding recht hebben, maar
wordt met deze bestanddelen volledig
rekening gehouden bij de
bijstandverlening aan bloed- en
aanverwanten in de eerste graad die in
dezelfde woning het hoofdverblijf hebben
en als gezin een zelfstandig subject van
bijstand vormen.
Daarnaast
regelt dit wetsvoorstel dat de inkomsten
uit arbeid en werkloosheids- of
arbeidsongeschiktheidsuitkering van
minderjarige kinderen bij de
bijstandverlening aan de ouder(s) in
aanmerking worden genomen. De regering
acht het echter niet redelijk alle
inkomsten in aanmerking te nemen. Om
minderjarige kinderen te stimuleren te
gaan werken in bijbaantjes en actief mee
te doen in de samenleving geldt er een
vrijlating. Het voorstel is hiervoor de
inkomensgrenzen van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) te hanteren. Dit
betekent dat inkomsten voor kinderen tot
16 jaar volledig worden vrijgelaten. De
regering stelt voor de inkomensgrenzen
in de AKW voor 16- en 17 jarigen voor
toepassing van de inkomenstoets in de Wwb
te verdubbelen. De regering is van
mening dat een verdubbeling op haar
plaats is, omdat bij overschrijding van
de inkomensgrens in de AKW door de
inkomsten van het minderjarig kind het
recht op kinderbijslag komt te
vervallen. Korting op bijstandsuitkering
aan de ouder(s) betekent dat bij
verstrekkingen van overheidswege met
dezelfde inkomsten twee keer rekening
wordt gehouden. Dat is ongewenst.
Feitelijk betekent de toets op de
inkomsten van minderjarige kinderen dat
alleen hoge inkomsten die niet in
verhouding staan tot wat
leeftijdsgenoten plegen te verdienen,
bijvoorbeeld uit modellenwerk of uit
internetbedrijfjes, in aanmerking worden
genomen. Dit brengt beter tot
uitdrukking dat de Wwb als laatste
vangnet alleen bedoeld is voor degenen
die dat echt nodig hebben. Het
complementariteitbeginsel in de Wwb wordt zo aangescherpt.
Dit
wetsvoorstel maakt voorts een
uitzondering op de huishoudinkomenstoets
zoals in dit wetsvoorstel wordt
voorgesteld voor het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten (Wet Wajong). Dit
betreft de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van hoofdstuk 2 ("nieuwe" Wajong) en
3
("oude" Wajong) van die wet voor
mensen die respectievelijk op of ná en
vóór 1 januari 2010 een uitkering op
grond van de Wet Wajong hebben
aangevraagd. De regering eerbiedigt zo
bestaande uitkeringsrechten conform het
regeerakkoord. De regering kiest
hiervoor omdat het vooral gaat om een
groep jongeren wier samenwoning met de
ouders na het bereiken van de
meerderjarige leeftijd voortduurt uit de
vroegere afhankelijkheidsrelatie wegens
de arbeidsongeschiktheid. Tot aan de
totstandkoming van de Wet werken naar
vermogen wenst de regering het recht op
een Wajong-uitkering op grond van
hoofdstuk 2 van de Wet Wajong
rblz.|11|
voor
jongeren die arbeidsvermogen hebben en
die na 1 januari 2012 een uitkering op
grond van de Wet Wajong hebben
aangevraagd (vooralsnog) uit te zonderen
van de huishoudinkomenstoets. Deze
vrijlating van de Wajong-uitkering op
grond van de hoofdstukken 2 en
3 van de
Wet Wajong geldt alleen indien degene
die de Wajong-uitkering ontvangt deel
uitmaakt van een gezin naar de definitie
in dit wetsvoorstel waartoe ook één of
meerdere meerderjarige (stief-/aangetrouwde) kinderen behoren.
Samenvoeging Wwb en WIJ
De
regering wil het aangescherpte regime
van de WIJ voor jongeren tot 27 jaar in
de Wwb opnemen. De reden hiervoor is
gelegen in de in deze paragraaf
uiteengezette aanscherping van de
gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets.
Deze aanscherping leidt ertoe dat
jongeren tot 27 jaar die bij de ouder(s)
inwonen gezamenlijk met de ouders een
gezinsuitkering moeten aanvragen.
Jongeren tot 27 jaar doen thans een
beroep op de WIJ. Ouders doen een beroep
de Wwb. Een gezamenlijke aanvraag voor
één gezinsuitkering zou derhalve niet
mogelijk zijn. De regering heeft
verschillende mogelijke oplossingen
bezien. Een mogelijkheid zou zijn de
ouder(s) samen met het kind of kinderen
jonger dan 27 jaar een beroep te laten
doen op de WIJ. Dit is ongewenst omdat
daarmee de set van rechten en plichten
die voor jongeren tot 27 jaar gelden ook
op de ouders van toepassing zouden zijn.
Een andere mogelijkheid zou zijn het
kind of kinderen jonger dan 27 jaar
samen met de ouders een beroep te laten
doen op de Wwb. Ook dit is ongewenst
omdat daarmee voor deze jongeren de set
van rechten en plichten van de Wwb van
toepassing zouden zijn en voor hen
daarmee een ander regime zou gaan gelden
dan voor jongeren die niet bij de ouders
inwonen.
De
regering heeft daarom ervoor gekozen
het aangescherpte WIJ-regime in zijn
geheel in de Wwb over te nemen. Hiermee
wordt de WIJ als aparte wet afgeschaft.
Dit
betekent dat de ouder(s) en jongere tot
27 jaar gezamenlijk de gezinsbijstand op
grond van de Wwb aanvragen, maar dat
voor ieder van hen een eigen regime gaat
gelden. Gezien het grote belang dat de
regering hecht aan het voorkomen dat
jongeren in de bijstand terechtkomen en
daardoor opgesloten dreigen te raken in
de uitkering en langdurig buiten de
maatschappij komen te staan, zijn
leeftijdsgrenzen en een beleid specifiek
gericht op jongeren gerechtvaardigd.
Voor jongeren tot 27 jaar gelden daarom
andere rechten en plichten dan voor
mensen vanaf 27 jaar. Zo geldt de
zoekperiode naar werk en naar scholing
alleen voor jongeren. Voor jongeren
blijft daarnaast gelden dat
inkomstenvrijlatingen en premies niet
tot het gemeentelijk re-integratie-instrumentarium behoren. Evenmin geldt
dat participatieplaatsen als bedoeld in
artikel 10a van de Wwb
voor jongeren van
toepassing zijn. De regering is van
mening dat voor jongeren geen extra
activerend instrument nodig is dat
bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
Het
voorgaande heeft tot gevolg dat er
binnen de Wwb
drie regimes gaan gelden.
Voor
jongeren tot 27 jaar gaat het in
paragraaf 2.1 beschreven aangescherpte
WIJ-regime gelden. Voor mensen van 27
jaar tot 65 jaar blijft het huidige Wwb-regime gelden. Voor degenen vanaf 65
jaar met een onvolledige uitkering op
grond van de AOW
blijft de aanvullende
inkomensvoorziening ouderen (AIO), een
onderdeel van de Wwb, van toepassing.
rblz.|12|
Gevolgen
van de wijziging
De
bloed- en aanverwanten in de eerste
graad die in dezelfde woning het
hoofdverblijf hebben, krijgen als gevolg
van de wijziging van de definitie "gezin" recht op een
bijstandsnorm ter
hoogte van maximaal 100% van het
nettoreferentieminimumloon. Er bestaat recht
op bijstand voor de bloed- en
aanverwanten in de eerste graad als
gezin. Dit verschilt met de huidige
situatie waarbij gehuwden, alleenstaande
ouders en alleenstaanden maximaal
respectievelijk 100%, 90% en 70% van het
nettoreferentieminimumloon ontvangen.
Vanuit
de gezamenlijke verantwoordelijkheid van
de gezinsleden voor het verkrijgen en
behouden van voldoende middelen van het
bestaan gaan de aan de bijstand
verbonden verplichtingen, zoals de
arbeids-, re-integratie- en de
inlichtingenverplichting, in dezelfde
mate gelden voor ieder van de
gezinsleden (met uitzondering van
minderjarige kinderen). Het reguliere
gemeentelijke verlagingenbeleid, waarbij
het college rekening houdt met lagere
bestaanskosten als gevolg van het kunnen
delen van de bestaanskosten met een
ander, bijvoorbeeld een onderhuurder, of
als gevolg van de woonsituatie, blijft
van toepassing.
Als
gevolg van de toets op het
huishoudinkomen worden middelen waarover
de bloed- en aanverwanten in de eerste
graad die in dezelfde woning hun
hoofdverblijf hebben, kunnen beschikken
of redelijkerwijs kunnen beschikken bij
de bijstandverlening aan deze bloed- en
aanverwanten als gezin in aanmerking
genomen.
Het
vervangen van de partnertoets door een
huishoudinkomenstoets kan
inkomensgevolgen hebben voor huishoudens
in de bijstand. Ter illustratie gaat de
onderstaande tabel in op de
inkomenseffecten van deze maatregel voor
een aantal voorbeeldhuishoudens. In deze
voorbeeldsituaties is sprake van
stapeling van loon en/of
bijstandsuitkeringen van ouders en van
thuiswonend meerderjarig kind. Hierbij
is uitgegaan van thuiswonende
meerderjarige kinderen die vallen onder
de bijstandsnorm
voor 21 jaar of ouder.
De inkomenseffecten zijn gebaseerd op de
mutatie van het totale besteedbare
inkomen van het huishouden (hoofd,
eventuele partner en meerderjarige
kind(eren)).
Inkomenseffecten
voorbeeldhuishoudens, 2012:
| Huishoudtypexxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Inkomenssituatie
ouders/kind(eren) |
Inkomenseffect
in percentages |
| Alleenstaande
¹ met thuiswonend meerderjarig
kind ¹ in de bijstand |
Bijstand/bijstand |
–18% |
| Kostwinner
met een thuiswonend meerderjarig
kind ¹ in de bijstand |
Modaal/bijstand |
–30% |
| Kostwinner
met twee thuiswonende
meerderjarige kinderen ¹ in
bijstand |
Modaal/bijstand |
–47% |
| Meerderjarig
kind met modaal inkomen + paar ² in
de bijstand ¹ |
Bijstand/modaal |
–41% |
1.
Uitgaande van een bijstandsuitkering van
60% van het nettoreferentieminimumloon.
2. Uitgaande van een bijstandsuitkering
van 90% van het nettoreferentieminimumloon.
De
bovenstaande rekenvoorbeelden laten zien
dat de inkomenseffecten van de maatregel
erg afhankelijk zijn van de unieke
huishoud- en inkomenssituatie. Zo geldt
dat de alleenstaande met een thuiswonend
meerderjarig kind in de bijstand er
relatief gezien minder op achteruitgaat
dan bijvoorbeeld een modale kostwinner
met thuiswonend meerderjarig kind in de
bijstand. Het modale huishouden met twee
thuiswonende rblz.|13|
meerderjarige kinderen in
de bijstand gaat er verder relatief
gezien meer op achteruit dan het
vergelijkbare huishouden met één
thuiswonend meerderjarig kind. Ten
slotte kunnen er ook inkomenseffecten
optreden in de situatie van een werkend
meerderjarig kind met één of meerdere
ouders in de bijstand.
De
aanscherpingen vertalen zich door in de
meldings- en aanvraagprocedure voor een
uitkering en ondersteuning.
Voor
alleenstaanden en alleenstaande ouders
van 27 jaar of ouder en voor gezinnen
waarvan alle gezinsleden 27 jaar of
ouder zijn, verandert er in deze
procedure niets. Deze groep meldt zich
bij het loket van het UWV
en wordt bij de
melding in de gelegenheid gesteld een
aanvraag om bijstand in te dienen.
Voor
alleenstaanden en alleenstaande ouders
jonger dan 27 jaar en voor gezinnen
waarvan alle gezinsleden jonger zijn dan
27 jaar geldt het aangescherpte WIJ-regime. Zij moeten, alvorens een
aanvraag om algemene bijstand te kunnen
doen, na melding bij het loket van het UWV
eerst zelf vier weken zoeken naar
werk en naar de mogelijkheden binnen
regulier bekostigd onderwijs.
Voor
gezinnen waartoe gezinsleden behoren die
zowel jonger zijn dan 27 jaar als 27
jaar of ouder geldt dat het gezin bij
melding bij het UWV
in de gelegenheid
wordt gesteld meteen een aanvraag in te
dienen. Wel geldt voor de gezinsleden
jonger dan 27 jaar dat zij verplicht de
mogelijkheden binnen het regulier
bekostigd onderwijs dienen te
onderzoeken. Het college toetst in ieder
geval of het betrokken gezinslid jonger
dan 27 jaar in de vier weken na de
melding aantoonbare inspanningen heeft
gepleegd om werk te vinden. Het college
stelt bovendien vast of de jongere nog
mogelijkheden heeft binnen het regulier
bekostigd onderwijs.
Als
blijkt dat er nog mogelijkheden binnen
het reguliere onderwijs zijn die
betrokkene onvoldoende heeft benut,
wordt de uitkering en ondersteuning aan
de jongere geweigerd. De overige
gezinsleden behouden recht op uitkering
naar de van toepassing zijnde norm. De
jongere heeft een positieve financiële
prikkel om de mogelijkheden binnen het
reguliere onderwijs te benutten door te
gaan studeren of een opleiding te
volgen, Als de jongere dit doet, wordt
hij uitgezonderd van de gezinsbijstand.
Dit heeft mede tot gevolg dat de studiefinanciering
en/of het inkomen uit
werk tot het normbedrag van
levensonderhoud op grond van de Wet
studiefinanciering 2000 niet bij de
gezinsbijstand in aanmerking wordt
genomen.
Als
de jongere in de vier weken niet
voldoende aan zijn verplichting om werk
te vinden, heeft voldaan, verlaagt het
college de gezinsbijstand. De mate
waarin het college de gezinsbijstand
verlaagt, is afhankelijk van de
beoordeling van de mate van
verwijtbaarheid van de jongere. Deze
beoordeling wordt overgelaten aan het
college, waarin het college in het
individuele geval maatwerk verleent.
Mensen
van 65 jaar of ouder melden zich bij het
loket van de Sociale
verzekeringsbank
(SVB) en worden bij de melding in de
gelegenheid gesteld een aanvraag om
bijstand in te dienen. Voor hen
verandert er niets.
Dit
geldt ook voor een gezin bestaande uit
gehuwden waarvan één van de
echtgenoten 65 jaar of ouder is en de
andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar.
Als de jongere partner jonger is dan 27
moet de SVB bij de melding op de
verplichting tot het zoeken van werk
wijzen. Ook is deze jongere partner
verplicht de mogelijkheden binnen het
regulier bekostigd onderwijs te
onderzoeken.
Voor
een gezin waarvan één van de
gezinsleden jonger is dan 65 jaar, niet
zijnde de partner van de persoon van 65
jaar of ouder, geldt dat de rblz.|14|
melding en
aanvraag geschiedt bij het college.
Hiervoor is gekozen omdat het jongere
gezinslid meestal een kind van de
persoon of personen van 65 jaar of ouder
is. Dat kind heeft nog een hele tijd een
re-integratieplicht, die bij het
ontbreken van de financiële prikkel bij
de SVB meer adequaat door het college
kan worden ingevuld.
2.3.
Tegenprestatie naar vermogen
Doel
en strekking
Het
onderhavige wetsvoorstel geeft voorts
invulling aan de wens van de regering om
een tegenprestatie te verlangen van
mensen die een beroep op de solidariteit
van de samenleving doen. Dit is ook in
het belang van betrokkene, omdat deze zo
invulling geeft aan zijn
maatschappelijke betrokkenheid.
Dit
wetsvoorstel voorziet in de bevoegdheid
van colleges om mensen met een algemenebijstandsuitkering of een uitkering op
grond van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw) of Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz) te
verplichten om onbeloonde
maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
verrichten. Op grond van de huidige
artikelen 9 van de
Wwb en 37 van de
Ioaw en
Ioaz bestaat al de plicht om algemeen
geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
deze te aanvaarden of een voorziening
gericht op arbeidsinschakeling te
aanvaarden. De voorgestelde wetsbepaling
voegt daaraan toe de plicht om naar
vermogen een tegenprestatie te
verrichten, ook als die niet direct
samenhangt met arbeidsinschakeling. De
tegenprestatie kent geen verplichte
samenloop met een re-integratietraject.
De
onbeloonde maatschappelijk nuttige
werkzaamheden die als tegenprestatie
opgedragen kunnen worden, zullen naar
hun aard niet direct gericht hoeven te
zijn op toeleiding tot de arbeidsmarkt.
Tevens mogen ze niet in de weg staan aan
acceptatie van algemeen geaccepteerde
arbeid of aan de re-integratie gericht
op arbeidsinschakeling, aangezien het
uitgangspunt "werk boven uitkering"
vooropstaat. De omvang van de
werkzaamheden en de duur in de tijd
dienen daarom in de regel beperkt te
zijn. Dit kan verschillen naargelang
personen tijdelijk ontheven zijn van
één
of meer van de verplichtingen als
genoemd in artikel 9 van de
Wwb of
artikel 37 van de Ioaw
of Ioaz. Naar hun
aard dienen onbeloonde maatschappelijk
nuttige werkzaamheden een zodanig
karakter te hebben dat deze worden
verricht naast of in aanvulling op
reguliere arbeid in de organisatie
waarin ze worden verricht en niet leiden
tot verdringing op de arbeidsmarkt.
Daarnaast geldt dat de werkzaamheden
door de uitkeringsgerechtigde verricht
moeten kunnen worden (het opdragen van
werkzaamheden "naar vermogen"). Het
college bepaalt aan de hand van de
individuele omstandigheden en de
voorhanden zijnde onbeloonde
maatschappelijk nuttige werkzaamheden
de aard, de duur en de omvang van de
tegenprestatie. Immers niet alle
onbeloonde maatschappelijk nuttige
werkzaamheden kunnen aan elke
uitkeringsgerechtigde worden opgedragen.
Het college is bij uitstek
verantwoordelijk voor het maken van dit
soort afwegingen. De regering wil daar
niet in treden.
De
maatschappelijk nuttige werkzaamheden in
het kader van de tegenprestatie dienen
zich te onderscheiden van werkzaamheden
die tot de reguliere arbeidsmarkt
behoren. Bij werkzaamheden die in het
kader van de tegenprestatie opgedragen
kunnen worden, gaat het altijd om
additionele onbeloonde maatschappelijk
nuttige werkzaamheden. Terwijl voor
werkzaamheden op de reguliere
arbeidsmarkt de bereidheid bestaat voor
deze werkzaamheden loon te betalen. Het
onderscheid tussen rblz.|15|
betaalde en
onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk
van onder meer economische factoren en
van keuzes die mede op basis daarvan
door het bedrijfsleven en of de overheid
worden gemaakt.
De
relatie tussen de tegenprestatie en de
participatieplaats is dat het gaat om
twee verschillende instrumenten die
gemeenten tot hun beschikking hebben
c.q. krijgen om een
uitkeringsgerechtigde te laten
participeren. Beide instrumenten richten
zich op het verrichten van werkzaamheden
met behoud van uitkering waarbij het
karakter van de werkzaamheden
additioneel is. Beide instrumenten zijn
ook duidelijk van elkaar te
onderscheiden. De werkzaamheden op een
participatieplaats dienen primair nuttig
te zijn voor de ontwikkeling van
betrokkene richting de arbeidsmarkt. De
werkzaamheden in het kader van de
tegenprestatie worden daarentegen
verricht omdat van de
uitkeringsgerechtigden op grond van de Wwb,
Ioaw of Ioaz een tegenprestatie
voor de uitkering die nuttig is voor de
samenleving wordt verwacht. In het
verlengde hiervan is aan de
tegenprestatie geen scholing of een
opleiding gekoppeld. Dit instrument is
immers niet bedoeld als re-integratie-instrument. Verder zal het leveren van
een tegenprestatie vaak werkzaamheden
van korte duur omvatten, terwijl een
participatieplaats voorziet in werken
voor een langere periode van maximaal
twee jaar met, onder omstandigheden, een
verlengingsmogelijkheid. Een laatste
verschil is dat voor het werken op een
participatieplaats de gemeente een
premie zal toekennen aan de
uitkeringsgerechtigde indien hij
voldoende heeft meegewerkt aan het
vergroten van zijn kans op
arbeidsinschakeling, terwijl dat niet
het geval is bij het verrichten van een
tegenprestatie.
Op
de vraag of de tegenprestatie op
gespannen voet staat met artikel 4 van
het Europees Verdrag voor de Rechten van
de Mens (EVRM) [lees: Europees verdrag
tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden, red.]
is de regering van mening
dat hiervan geen sprake is. Hoewel de
tegenprestatie voor belanghebbende een
plicht is die verbonden is aan het recht
op een
Wwb-, Ioaw-,
of Ioaz-uitkering, kan hij niet worden
gedwongen om de tegenprestatie te
verrichten. Het niet nakomen van de
plicht kan hooguit leiden tot het
opleggen van een (financiële) maatregel
door het college. In die zin kan er geen
sprake van dwangarbeid zijn zoals
bedoeld wordt in het EVRM. Dit zou wel
het geval zijn indien betrokkene door de
overheid uit zijn huis zou worden
gehaald en onder dreiging van geweld
aangezet werd om te werken. De regering
verwijst in dit verband ook naar de
tekst van artikel 4, derde lid,
onderdeel d, van het EVRM, dat er geen
sprake is van dwangarbeid of verplichte
arbeid in het geval dat (naast de
algemene uitzonderingen van
werkzaamheden van gedetineerden, de
militaire dienstplicht en in het geval
van een noodtoestand of ramp) er werk of
diensten worden verricht die deel
uitmaken van normale burgerplichten.
Het
vorenstaande wordt nog eens bevestigd in
een recent advies van de Raad van State
(W05.06 0319/III, onder punt 3,
onderdeel f, inzake een voorstel van wet
tot wijziging van de Leerplichtwet
1969 c.a.
in verband met de invoering van een
kwalificatieplicht en een
leerwerkplicht). Vaste uitleg is dat
arbeidsverplichtingen in het kader van
bijstand of sociale verzekeringen niet
gelden als verplichte arbeid.
Daarnaast
wordt opgemerkt dat het bij de
tegenprestatie gaat om een nieuwe
burgerlijke verplichting en naar het
oordeel van de regering niet om
gedwongen arbeid als bedoeld in artikel
2 van ILO-verdrag nr. 29 [ILO:
International Labour Organization, red.]. Immers in dat
verdrag worden als dwangarbeid
uitgesloten elke arbeid of dienst die
deel uitmaakt van de normale burgerlijke
verplichtingen van de burgers van een
land dat volledig zelfbestuur heeft en
kleine gemeenschapsdiensten. Het verdrag
spreekt van diensten uitgevoerd in het rblz.|16|
onmiddellijk belang van de gemeenschap
en diensten die uit dien hoofde
beschouwd kunnen worden als normale, op
de leden van de gemeenschap rustende,
burgerlijke verplichtingen, op
voorwaarde dat de bevolking zelf of haar
rechtstreekse vertegenwoordigers het
recht hebben zich uit te spreken over de
noodzakelijkheid van die diensten.
In
het geval van tegenprestatie gaat het
daarnaast om het aan een kleine groep
inwoners opleggen van normale
burgerlijke verplichtingen dan wel
kleine gemeenschapsdiensten. In dit
wetsvoorstel gaat het uitsluitend om die
groep die aangewezen is op uitkeringen
die bekostigd worden uit de algemene
middelen (een uitkering op grond van de Wwb,
Ioaw en Ioaz) en daarnaast nog
onder de beperkende voorwaarde dat
betrokkene deze verplichtingen "naar
vermogen" kunnen worden opgelegd en
waarbij betrokkene daar door het college
pas toe verplicht kan worden indien dat
college zich genoegzaam heeft overtuigd
van de mogelijkheid dat betrokkene
eventueel aanwezige zorgtaken kan
combineren met die verplichtingen.
2.4.
Beperking van de verblijfsduur in het
buitenland
Doel
en strekking
In
lijn met het voornemen van de regering
om de export van socialezekerheidsuitkeringen waar mogelijk te
beperken, is de regering van mening dat
het uitgangspunt dat
bijstandsgerechtigden een normale
vakantieperiode van maximaal vier weken per
kalenderjaar met behoud van bijstand in
het buitenland wordt toegestaan zo min
mogelijk moet worden doorkruist. Dit
wetsvoorstel voorziet hierin.
Alleen
categoriale uitzonderingspositie voor
bijstandsgerechtigden van 65 jaar of ouder
Tot
de kring van bijstandsrechthebbenden van
de Wwb behoren de in Nederland
woonachtige Nederlanders en daarmee
gelijkgestelde vreemdelingen, waarbij
geldt dat de bijstand uitsluitend
bedoeld is om te voorzien in
bestaanskosten verbonden aan het
Nederlandse territorium. Dit zogenaamde
territorialiteitsbeginsel is vastgelegd
in artikel
11, eerste lid, van de Wwb.
De bijstand is bedoeld als vangnet om te
kunnen voorzien in de bestaanskosten in
Nederland en men moet daarom dus in
Nederland wonen én verblijven om recht
op bijstand te hebben. Het toestaan van
een langdurig verblijf in het buitenland
met behoud van bijstand past daar niet
bij. De regering is voorts van mening
dat met het toestaan van een langdurig
verblijf in het buitenland, het gebruik
van het verzwegen vermogen in het
buitenland dan wel de opbouw en het in
stand houden van dat vermogen moeilijker
kan worden voorkomen. Tevens geldt dat
voorkomen moet worden dat de band met de
Nederlandse arbeidsmarkt en de eventuele
(re-)integratie en inburgering in de
Nederlandse samenleving van
bijstandsgerechtigden tot 65 jaar die
tijdelijk zijn ontheven van zowel de
sollicitatie- als de re-integratieplicht verder onder druk
komt te staan. Immers een ontheffing van
de sollicitatie- en/of
re-integratieplicht is op grond van
artikel 9, tweede lid, van de Wwb
altijd
tijdelijk. De Wwb schrijft dus niemand
af. Om deze redenen kiest de regering
ervoor om deze groep
bijstandsgerechtigden niet langer van de
regeling van vier weken, die in de Wwb immers als normale en gebruikelijke
vakantieperiode geldt, uit te zonderen.
Voor
de groep bijstandsgerechtigden van 65
jaar of ouder wil de regering wel een
uitzondering op de standaardtermijn van
vier weken voor wat betreft behoud van
bijstand bij verblijf buiten Nederland
laten gelden. Bij deze groep
bijstandsgerechtigden zijn definitief
geen rblz.|17|
arbeidsverplichtingen aan het op de
Wwb gebaseerde recht op AIO verbonden.
De regering ziet dan ook geen bezwaar om
voor bijstandsgerechtigden van 65 jaar
of ouder wel een uitzondering op de
standaardregeling toe te passen. Om het
territorialiteitsbeginsel van de Wwb niet te zeer te doorkruisen, kiest de
regering ervoor om de uitzondering op de
standaardtermijn vast te stellen op
maximaal acht weken per kalenderjaar.
Bij
de keuze van de regering het toestaan
van langdurig verblijf buiten Nederland
met behoud van bijstand te beperken, is
voorts van belang dat het beoordelen van
het recht op bijstand van mensen die
langdurig in het buitenland verblijven
voor gemeenten moeilijk vast te stellen
en slecht handhaafbaar is.
Op
grond van artikel 17 van de
Wwb is
belanghebbende verplicht op verzoek
mededeling te doen van alle feiten en
omstandigheden waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op het recht
op bijstand. Het college legt bij de
bijstandverlening aan belanghebbende de
verplichting op om zijn verblijf in het
buitenland vóóraf te melden;
belanghebbende is hiertoe dan op grond
van artikel 17 van de
Wwb gehouden.
Uitgangspunt bij artikel 17 is dat van
belanghebbende kan worden verlangd dat
hij de gegevens en inlichtingen
verstrekt zodat het college kan
beoordelen of het beroep op bijstand
terecht wordt gedaan. Indien deze
informatie wordt verzwegen of onjuist
wordt verstrekt met het oogmerk een
(hogere) bijstandsuitkering te krijgen,
is er sprake van uitkeringsfraude waarop
sancties staan.
Tot
slot geldt dat indien een
bijstandsgerechtigde langer in het
buitenland wenst te verblijven dan de Wwb
toestaat, dat uiteraard mag, maar in
die langere periode is er géén recht
op (aanvullende) bijstand.
2.5.
Alleenstaande ouders in de Wwb
Doel
en strekking
Ook
voor de doelgroep alleenstaande ouders
geldt dat financiële onafhankelijkheid
de voorkeur heeft boven
uitkeringsafhankelijkheid. Als de ouder
gaat werken, betekent dat meer inkomen
voor het gezin en meer contacten in de
maatschappij en een beter rolpatroon.
Daarmee kunnen maatschappelijke
isolement of werkloosheid, die soms van
generatie op generatie worden
doorgegeven, worden doorbroken. Werk van
de ouder geeft kinderen een voorbeeld en
perspectief op een betere toekomst.
De
regering wil de wet zo aanpassen dat
alleenstaande ouders maximaal
gestimuleerd worden te gaan werken. Een
belemmerende regeling die nu nog in de
wet staat, namelijk dat alleenstaande
ouders niet hoeven te werken (ontheffing
van de arbeidsverplichting), zal worden
afgeschaft. De regering voert
daarenboven een regeling in die het
werken bevordert in de vorm van een
ruimere vrijlating van inkomen uit
arbeid.
De
afgelopen tien jaar is het aantal
alleenstaande ouders in Nederland
toegenomen. Het aantal alleenstaande
ouders dat afhankelijk is van een
bijstandsuitkering is echter afgenomen.
Medio 2010 zijn circa 75 700 alleenstaande
ouders, met kinderen onder de 18 jaar, afhankelijk van een
bijstandsuitkering. Dit is 24% van alle
alleenstaande ouders en 25% van het
totaal aantal mensen met een
bijstandsuitkering. Van de alleenstaande
ouders met een bijstandsuitkering is 95%
vrouw. Van de groep alleenstaande ouders
in de bijstand heeft 71% van de
alleenstaande ouders een kind jonger dan
12 jaar en 32% een kind jonger dan 5 jaar.
rblz.|18|
Alleenstaande
ouders ervaren bij de combinatie van
arbeid en zorg belemmeringen die
alleenstaanden en gehuwden met kinderen
niet of in mindere mate ervaren.
Daardoor is het voor alleenstaande
ouders soms lastig om fulltime te
werken. Uit onderzoek blijkt dat
uitstroom uit de bijstand voor
alleenstaande vrouwen met kinderen
relatief laag is.¹ Ook blijkt uit
onderzoek ² dat alleenstaande ouders die
nog niet aan het werk zijn de
belemmeringen bij het combineren van
werk en zorg als ernstiger ervaren dan
alleenstaande ouders die wel werken.
Factoren als de perceptie van de kans op
werkhervatting, de motivatie en de
opvattingen over de combinatie van
arbeid en opvoeding spelen een
belangrijke rol bij de
arbeidsinschakeling van alleenstaande
ouders.³
1.
Van der Klaauw, B., en Van Ours, J.,
2010.
2. Raaff, H., Kosten en Moeite.
Re-integratie van bijstandsmoeders in
Maastricht, 2005/2006.
3. SCP, Hoe het werkt met kinderen, Den
Haag, maart 2006; Kremer, How Werlfare
[lees: Welfare, red.] States
Care: Culture, Gender and Citizenship in
Europe, Utrecht: Universiteit Utrecht,
2005.
Afschaffing
specifieke ontheffing alleenstaande
ouders ¹
Bij
de inwerkingtreding van de Wwb, in 2004,
zijn de categoriale vrijstellingen van
de arbeidsverplichting opgeheven; ook
voor alleenstaande ouders. Tijdelijke
ontheffingen van de arbeidsverplichting
waren alleen nog mogelijk op individuele
basis en op grond van dringende redenen.
In 2009 heeft de vorige regering daarop
een uitzondering gemaakt voor
alleenstaande ouders met kinderen tot 5
jaar.² De huidige regering stelt
zich op het standpunt dat een ontheffing
van de arbeidsverplichting geen
positieve bijdrage levert aan het
optimaal benutten van de
participatiemogelijkheden van deze
groep. Het geeft een verkeerd signaal,
namelijk dat werken niet nodig is.
Daarom schaft de regering deze
specifieke ontheffingsmogelijkheid van
de arbeidsverplichting voor
alleenstaande ouders af.
1.
Redactie: tijdens de
parlementaire behandeling van onderhavig
wetsvoorstel is besloten de
specifieke ontheffing van de
arbeidsverplichting voor alleenstaande
ouders met kinderen tot 5 jaar te
handhaven.
2.
Wet verbetering
arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders.
Vrijlating
De Wwb heeft een complementair karakter:
bijstand is altijd aanvullend op de
eigen middelen. Hieruit volgt dat in
beginsel alle middelen van de
bijstandsgerechtigde meetellen bij het
vaststellen van het recht op en de
hoogte van de uitkering. De uitkering
vult de eigen inkomsten aan tot het
niveau van het van toepassing zijnde
sociaal minimum. De Wwb kent hierop een
aantal uitzonderingen: in die gevallen
mag de bijstandsgerechtigde een deel van
het verdiende geld houden bovenop de
bijstandsuitkering. Het doel hiervan is
de arbeidsparticipatie te bevorderen,
omdat iemand die gaat werken dan een
hoger totaalinkomen heeft.
Ook
voor alleenstaande ouders geldt dat zij
er in de eerste plaats zelf
verantwoordelijk voor zijn om, door
middel van werk, financieel op eigen
benen te staan. Wanneer zij een beroep
doen op bijstand, wil de regering hen
activeren om te gaan werken. De regering
wijzigt daarom de bestaande vrijlating
voor alleenstaande ouders naar een meer
activerend instrument.
Alleenstaande
ouders met een kind tot 12 jaar kunnen
in dit
voorstel, als het college van
oordeel is dat dit bijdraagt aan de
arbeidsinschakeling, in aanmerking komen
voor een vrijlating van 12,5% van hun
netto-inkomsten uit arbeid, tot een
maximum van €|120,-
per maand, voor
de maximale duur van drie jaar.
Met
het percentage van 12,5% is een
percentage gekozen dat ervoor zorgt dat
meer werken in de bijstand loont over
vrijwel het gehele traject totdat iemand
uit de bijstand stroomt.
De
vrijlating duurt in totaal maximaal drie
jaar. Dit sluit aan bij het gegeven dat
alleenstaande ouders vanwege de
combinatie van werk en zorgtaken langer
de tijd nodig hebben dan alleenstaanden
of gehuwden om hun arbeidsuren uit te
breiden en zo uit te stromen. Een halfjaar is
rblz.|19|
voor hen te kort. De regering is
van mening dat uitstroom uit de bijstand
door urenuitbreiding of het krijgen van
een hoger uurloon binnen drie jaar
bereikt zou moeten kunnen worden.
De
vrijlating kan alleen worden toegepast
bij kinderen onder de 12 jaar. Deze
leeftijdsgrens sluit aan bij andere
regelingen die speciaal in het leven
zijn geroepen voor ouders om zo de
combinatie werk en arbeid makkelijker te
maken. Ook voor deze vrijlating geldt,
net als voor andere
inkomstenvrijlatingen en premies, dat
deze voor jongeren onder de 27 jaar niet
behoort tot het gemeentelijk
re-integratie-instrumentarium.
De Wwb kent nog meer vrijlatingen voor
specifieke groepen. Het is niet de
bedoeling dat iemand tegelijkertijd van
meer dan één vrijlating gebruik maakt.
Dit geeft een grotere armoedeval. De
nieuwe vrijlating vervangt daarom de
bestaande vrijlating voor alleenstaande
ouders van heffingskortingen. De
vrijlating van heffingskortingen geldt
voor werkende alleenstaande ouders met
een kind jonger dan 5 jaar en
inkomsten uit werk voor de aan arbeid en
zorg gerelateerde heffingskortingen (de
aanvullende alleenstaandeouderkorting
en de inkomensafhankelijke
combinatiekorting).
Een
andere vrijlating is de algemene
vrijlating voor alle
bijstandsgerechtigden. Hierbij wordt
gedurende maximaal zes maanden 25% van
de inkomsten uit arbeid vrijgelaten tot
een maximum van €|187,- per maand. Deze
vrijlating kan als instrument worden
ingezet als dit naar het oordeel van het
college bijdraagt aan de
arbeidsinschakeling. De regering vindt
dat deze algemene vrijlating ook
mogelijk moet blijven voor alleenstaande
ouders. Dat betekent dat een
alleenstaande ouder eerst de algemene
vrijlating kan gebruiken en daarna de
nieuwe vrijlating alleen voor de
alleenstaande ouder met kinderen jonger
dan 12 jaar. Hiermee wordt voorkomen dat
alleenstaande ouders anders in de eerste
periode slechter af zouden zijn dan
andere bijstandsgerechtigden. De
specifieke vrijlating voor alleenstaande
ouders kan dus in de tijd volgen op de
"algemene" vrijlating, maar beide
vrijlatingen kunnen niet in dezelfde
periode cumuleren. Het is aan het
college om te beoordelen of inzet van
vrijlatingen bijdraagt aan de
arbeidsinschakeling van de alleenstaande
ouder.
Intrekken
Wet Vazalo
Op
20 maart 2007 heeft de Eerste Kamer het
initiatiefvoorstel Wet
Vazalo aangenomen. Die wet voorziet in een
toeslag, die wordt uitgekeerd door de Belastingdienst/Toeslagen, voor
alleenstaande ouders met deeltijdwerk.
De wet zou in werking treden op een
nader bij koninklijk besluit te bepalen
moment (beoogd per januari 2009).
Tijdens de behandeling van de wet in de
Eerste Kamer is de wens geuit om
voorafgaand aan de inwerkingtreding een
experiment uit te voeren om de werking
aan de praktijk te toetsen. Hiertoe is
op 5 juni 2007 een ontwerp van een
algemene maatregel van bestuur aan het
parlement gezonden. De beoogde
startdatum van het experiment Vazalo was
1 september 2007. De Raad van State had
echter ernstig bezwaar tegen zowel vorm
als inhoud van het ontwerpbesluit. In
een brief van 14 september 2007 heeft de
toenmalig Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid de Eerste Kamer
hierover geïnformeerd en aangekondigd
dat het experiment Vazalo geen doorgang
zou vinden. In diezelfde brief is
aangekondigd dat een ander experiment
uitgevoerd zou worden ter zake van de
arbeidsinschakeling van alleenstaande
ouders in de Wwb. Ook is in die brief
aangekondigd dat, gezien de termijn van
dit experiment (Experiment ter
bevordering arbeidsinschakeling
alleenstaande ouders Wwb), invoering van
de Wet Vazalo in ieder geval niet
mogelijk zou zijn vóór 1 januari 2011
of 1 januari 2012.
rblz.|20|
De regering is van mening dat de
maatregelen in dit wetsvoorstel
alleenstaande ouders een betere kans
bieden om arbeid en zorg te combineren
en op die manier zelf te voorzien in de
noodzakelijke middelen van het bestaan.
De nieuwe vrijlating is zo vormgegeven
dat meer werken loont en dat er zo min
mogelijk sprake is van een armoedeval.
Daardoor wordt het verwerven van méér
inkomsten niet ontmoedigd, maar juist
gestimuleerd. De Wet
Vazalo had dezelfde
doelstelling als de nieuw voorgestelde
vrijlating. Aan de Wet Vazalo kleven
echter nadelen. De nadelen zijn er zowel
voor de uitvoering (de gemeente
en de belastingdienst) als voor de
alleenstaande ouder zelf. Het risico
bestaat namelijk dat de ouder zich de
ene keer tot de belastingdienst moet
wenden om een minimuminkomen te krijgen
en de andere keer tot de gemeente. Dit
is belastend voor de ouder en evenzeer
voor de gemeente en de belastingdienst.
De
regering is van mening dat met dit
wetsvoorstel de doelstellingen van de
Wet Vazalo binnen de Wwb
kunnen worden
gerealiseerd op een manier die
uitvoeringstechnisch op minder bezwaren
stuit dan invoering van de Wet Vazalo.
Inwerkingtreding van de Wet Vazalo is
daarmee niet meer nodig en die
wet wordt
daarom ingetrokken.
2.6.
Normering inkomensgrens gemeentelijk
minimabeleid op 110%
Doel
en strekking
Als
inkomensondersteunend instrument is de
verlening van bijzondere bijstand
financieel en beleidsmatig
gedecentraliseerd aan colleges. De
bijzondere bijstand kent de vormen
individuele bijzondere bijstand,
categoriale bijzondere bijstand en de
bijzondere vorm langdurigheidstoeslag.
Bij al deze vormen van
inkomensondersteuning hebben colleges
thans de volledige vrijheid om te
bepalen of, en zo ja, in welke mate
rekening wordt gehouden met de aanwezige
financiële draagkracht van
belanghebbende. Met deze maatregel op
het terrein van categoriale
inkomensondersteuning wil de regering zoveel mogelijk voorkomen dat de gemeenten
het centrale inkomensbeleid van het Rijk
met een eigen inkomensbeleid
doorkruisen. Het ongericht verstrekken
van categoriale gemeentelijke
inkomensondersteuning wordt daarom met
dit wetsvoorstel door middel van het
stellen van een inkomensnormering
beperkt. De gemeentelijke bevoegdheid en
verantwoordelijkheid voor
inkomensondersteuning op basis van
individueel maatwerk laat de regering
ongewijzigd.
In
het regeerakkoord is afgesproken het
gemeentelijk inkomensbeleid te normeren
op maximaal 110% van het wettelijk
minimumloon (WML). Het WML is een
brutobedrag waarvan de nettobijstandsnorm
voor gehuwden (gezin, na
inwerkingtreding van de in paragraaf 2.1
toegelichte maatregel) is afgeleid. Deze
bijstandsnorm c.q. het wettelijk
sociaal minimum voor een gezin is ongeveer
gelijk aan het nettobedrag dat bij 100%
WML hoort. De overige bijstandsnormen in
de Wwb zijn
- rekening houdend met het
huishoudtype - eveneens afgeleid van
het WML en vormen op deze manier een van
het WML afgeleid sociaal minimum. Om bij
normering van het gemeentelijk
inkomensbeleid de verschillende
huishoudtypen te kunnen onderscheiden,
wordt de inkomensnormering gesteld op 110%
van het op het huishoudtype
toepasselijke - van het WML afgeleide - sociaal minimum. Deze koppeling
sluit aan bij de bestaande gemeentelijke
praktijk, omdat de colleges over het
algemeen kijken naar het netto-inkomen
om het recht op inkomensondersteuning te
bepalen, waarbij rekening wordt gehouden
met het huishoudtype en de daarbij
behorende bijstandsnorm.
rblz.|21|
Een
centrale normering van het inkomen
waaraan colleges zich bij de beoordeling
van het recht op inkomensondersteuning
moeten houden, past bij categoriale
inkomensondersteunende voorzieningen en
niet bij het maatwerkprincipe van de
individuele bijzondere bijstand. Van een
generiek gemeentelijk inkomensbeleid is
sprake indien categoriaal aan mensen
inkomensondersteuning wordt verstrekt
zonder dat er sprake is van vergoeding
van daadwerkelijk gemaakte (on)kosten.
In feite is bij deze vorm van
inkomensbeleid sprake van ongerichtheid
van de inkomensaanvullingen. De colleges
hebben deze bevoegdheid omdat in de Wwb
een expliciete uitzondering is gemaakt
op het algemene uitgangspunt dat het
generiek inkomensbeleid is voorbehouden
aan het Rijk. De uitzondering behelst
primair het verstrekken van categoriale
voorzieningen zoals de
langdurigheidstoeslag, de categoriale
bijzondere bijstand aan chronisch zieken
en gehandicapten, ouderen en mensen met
schoolgaande kinderen, de collectieve
aanvullende ziektekostenverzekeringen,
stadpassen en voorzieningen op sociaal
cultureel terrein. De regering heeft ervoor gekozen de inkomensnormering voor
al dit soort categoriale gemeentelijke
voorzieningen te laten gelden. In dit
verband hecht de regering eraan te
benadrukken dat de kwijtschelding van
lokale belastingen en heffingen niet
onder het regime van de Wwb en dus niet
onder de inkomensnormering valt, maar
een eigen regeling kent. In
tegenstelling tot de categoriale
bijzondere bijstand wordt de
individuele bijzondere bijstand wel
altijd gericht verstrekt, en wel alleen
voor daadwerkelijk gemaakte
noodzakelijke bestaanskosten die niet
uit eigen middelen kunnen worden voldaan
(individueel maatwerk). De
inkomensnormering geldt - gelet op het
maatwerkprincipe - dus niet voor de
toepassing van de individuele bijzondere
bijstand.
De
regering kiest ervoor om de 110%-inkomensnormering voor alle doelgroepen
waarvoor de colleges bevoegd zijn een
categoriaal bijzonderebijstandsbeleid
te voeren, te laten gelden. Immers ook
aan doelgroepen zoals ouderen en
chronisch zieken en gehandicapten kunnen
ongerichte inkomenssuppleties
plaatsvinden. Bij de categoriale
bijzondere bijstand behoeven er geen
directe daadwerkelijke kosten tegenover
de verstrekte uitkering te staan. Los
van de inkomensnormering van het
categoriale gemeentelijke inkomensbeleid blijft de individuele
bijzondere bijstand - als laatste
vangnet - voor een ieder bereikbaar.
Dit betekent dat ook bijvoorbeeld "werkende
armen" met een iets hoger
inkomen dan 110% van het
sociaal minimum in beginsel voor individuele
bijzondere bijstand in aanmerking
blijven komen. Naar de mening van de
regering draagt deze mogelijkheid om in
specifieke gevallen een "individueel
zetje in de rug" te geven bij aan de
beperking van de armoedeval voor mensen
met een inkomen dat boven de
inkomensnormering van 110% van het
toepasselijk sociaal minimum uitgaat.
2.7.
Verordeningsplicht participatie van
schoolgaande kinderen
Aanleiding
In
de motie-Blanksma en Spekman c.s.¹ vraagt
de Tweede Kamer de regering om gemeenten
die onvoldoende bijdragen het aantal
kinderen uit arme gezinnen dat
maatschappelijk niet meedoet om
financiële redenen, met de helft terug
te dringen, financieel af te rekenen
door een korting op de algemene
uitkering uit het gemeentefonds. Bij de
uitvoering van deze motie heeft de
regering gekozen voor een uitwerking die
recht doet aan het uiteindelijke doel
van de motie, namelijk het steviger
stimuleren van gemeenten om
daadwerkelijk werk te maken het aantal
kinderen uit arme gezinnen dat
maatschappelijk niet meedoet om
financiële redenen, terug te dringen.
Daartoe voorziet dit wetsvoorstel in een
verordeningsplicht voor gemeenteraden
ten aanzien van artikel
35, vijfde lid,
van de Wwb.
1.
Kamerstukken II 2009-2010, 24 515, nr.
181.
rblz.|22|
Doel
en strekking
Kinderen
moeten in hun kansen en mogelijkheden
tot ontwikkeling niet worden belemmerd
door de slechte financiële positie van
hun ouders. Maatschappelijke
participatie van een kind is van groot
belang met het oog op zijn of haar
kansen op een zelfredzame toekomst. De
regering wil bereiken dat de
inkomensondersteuning rechtstreeks aan
zoveel mogelijk minderjarige kinderen
van de doelgroep ten goede komt. Om deze
reden is het wenselijk de categoriale
bijzondere bijstand aan deze groep in
natura en niet als geldbedrag uit te
keren.
Het
stimuleren van gemeenten om mee te
werken om het aantal kinderen dat
maatschappelijk niet meedoet te
verminderen, kan worden bereikt door in
artikel 8 van de Wwb
een onderdeel toe
te voegen waarin gemeenteraden verplicht
worden hierover regels op te nemen in
een verordening. Daarom heeft de
regering ervoor gekozen om de
gemeenteraden voor te schrijven dat zij
gehouden zijn een verordening op te
stellen met betrekking tot het verlenen
van categoriale bijzondere bijstand voor
de kosten in verband met
maatschappelijke participatie van ten
laste komende kinderen die onderwijs of
een beroepsopleiding volgen (conform
artikel 35, vijfde lid, van de Wwb).
De
gemeenteraden zijn gehouden om in ieder
geval in de verordening invulling te
geven aan het begrip maatschappelijke
participatie. Deze vorm van categoriale
bijzondere bijstand wordt - met de
eveneens in dit wetsvoorstel opgenomen
inkomensnormering - alleen verstrekt
aan mensen met maximaal een inkomen van
110% van de op hem van toepassing zijnde
bijstandsnorm.
De
verordening krijgt op voorhand geen
structureel karakter. De effecten van de
verordeningsplicht op de participatie
van de betreffende doelgroep worden na
twee jaar geëvalueerd. Vervolgens vindt
een beoordeling plaats of het wel of
niet wenselijk is om structureel te
blijven verplichten om op het
beleidsterrein van participatie van
kinderen regels in een verordening vast
te leggen en is er een afwegingsmoment
om te bezien hoe hiermee verder moet
worden omgegaan.
2.8.
Inkomen uit studiefinanciering
Doel
en strekking
Per
september 2007 is de Wet
studiefinanciering 2000 (WSF 2000)
gewijzigd. Vanaf dat moment is er één
normbedrag voor levensonderhoud, waarin
geen onderscheid wordt gemaakt naar
aparte normbedragen voor levensonderhoud
of leermiddelen. Sindsdien kunnen
studenten in het hoger onderwijs ook een
beroep doen op het collegegeldkrediet.
Dit is een lening voor het collegegeld
in het hoger onderwijs. Doordat
studenten het te betalen collegegeld
kunnen lenen, wordt hun besteedbare
financiële ruimte ruimer.
In
de Wwb wordt met het inkomen uit
studiefinanciering
rekening gehouden bij
de bijstandverlening aan de partner van
de studerende of verlening van
bijzondere bijstand. Daartoe strekt het
bepaalde in artikel
33, tweede lid, van
de Wwb. Dit artikel heeft tot doel het
inkomen uit studiefinanciering op een in
het kader van de bijstandverlening juiste wijze in aanmerking te nemen.
Alleen dat deel dat bedoeld is voor
levensonderhoud dient namelijk als
middel in aanmerking te worden genomen.
rblz.|23|
Door
voornoemde wijziging van de WSF
2000 sluiten de bedragen, genoemd in artikel
33, tweede lid, van de Wwb,
per abuis
niet meer aan bij het bij de WSF 2000
gehanteerd normbudget voor
levensonderhoud, waardoor er thans bij
de bijstandverlening rekening wordt
gehouden met een te laag bedrag. Het
onderhavige wetsvoorstel beoogt deze
onbedoelde discrepantie te corrigeren.
Gezien het in de Wwb
geldende
complementariteitbeginsel wordt hierbij
eveneens rekening gehouden met de
ruimere besteedbare financiële ruimte.
Het
inkomen uit studiefinanciering
dat op
grond van de Wwb
in aanmerking dient te
worden genomen, bedraagt het normbedrag
voor de kosten van levensonderhoud op
grond van overzicht 1 in artikel 3.18
van de WSF
2000. Door te verwijzen naar
dit normbedrag voor levensonderhoud
wordt bereikt dat de in de
studiefinanciering begrepen
tegemoetkoming voor lesgeld voor degene
die beroepsonderwijs volgt buiten
beschouwing blijft. Voor degene die
hoger onderwijs volgt, wordt bij dit
normbedrag het collegegeldkrediet
eveneens buiten beschouwing gelaten. Op
deze wijze wordt alleen rekening
gehouden met het voor de Wwb relevante
beschikbare budget voor levensonderhoud.
Ingeval
aan de studerende aan het hoger
onderwijs of aan de deelnemer aan het
beroepsonderwijs op grond van de WSF
2000 een toeslag voor een partner
(artikel 3.4 van de WSF
2000) of een
toeslag voor een eenoudergezin (artikel
3.5 van de WSF
2000) is toegekend,
worden deze toeslagen op grond van
artikel 33, tweede lid, ook in
aanmerking genomen als inkomen uit studiefinanciering.
3.
Invoering en overgangsrecht
De
beoogde datum van inwerkingtreding van
het onderhavige wetsvoorstel is 1
januari 2012. Op één onderdeel,
namelijk het introduceren van de
verplichting van de betrokkene eerst de
mogelijkheden binnen het reguliere
onderwijs te onderzoeken, wordt beoogd
de datum van inwerkingtreding te bepalen
op 1 juli 2012. Hiermee wordt
aangesloten op beoogde wijzigingen in de
WEB, waarbij in het regulier bekostigd
onderwijs met ingang van het schooljaar
2012/2013 de mogelijkheid van een
bindend studieadvies (bij gebrek aan
studievoortgang) wordt geïntroduceerd.
In het wetsvoorstel is op onderdelen ook
overgangsrecht geformuleerd. Bij dit
overgangsrecht is rekening gehouden met
het Toetsingskader overgangsrecht.¹
1.
Kamerstukken I 1999-1900, 25 900, nr.
87.
Aanscherping
voorwaarden en sancties voor jongeren
De WIJ wordt ingetrokken. Geregeld wordt
dat alle door het college genomen
besluiten op grond van de WIJ gelden als
door het college genomen besluiten op
grond van de Wwb
zoals die geldt vanaf
de dag van inwerkingtreding van het
voorliggende wetsvoorstel. Hiermee wordt
voorkomen dat het college de besluiten
die genomen zijn op grond van de WIJ
opnieuw moet nemen. Een vóór de datum
van inwerkingtreding ingegaan
werkleeraanbod wordt geacht na die datum
ondersteuning op grond van de Wwb te
zijn. Binnen zes maanden na
inwerkingtreding van het voorliggende
wetsvoorstel brengt het college deze
besluiten in overeenstemming met de Wwb zoals deze luidt vanaf de dag van
inwerkingtreding, voor zover deze
besluiten afwijken van de Wwb zoals die
luidt na die dag. In geval van een
besluit inhoudende een werkleeraanbod
brengt het college dat besluit na zes
maanden in overeenstemming met de Wwb.
De regering vindt het redelijk dat
jongeren in de overgangsperiode een in
het kader van de WIJ gedaan
werkleeraanbod kunnen blijven vervullen.
rblz.|24|
Een
aanvraag om een werkleeraanbod met een
afgeleide inkomensvoorziening ingediend
vóór de datum van inwerkingtreding van
het voorliggende wetsvoorstel waarop op
of na die datum nog niet door het
college is beslist, wordt beslist op
grond van de Wwb
zoals die luidt na
inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel.
Aanscherping
gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets
Voor
bloed- en aanverwanten in de eerste
graad die in dezelfde woning het
hoofdverblijf hebben op de dag
onmiddellijk voorafgaande aan de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel (=
peildatum) en waarvan één of meer van
die bloed- en aanverwanten op die dag
een uitkering ontvangt of ontvangen op
grond van de Wwb
en WIJ, blijft het
recht en/of de hoogte van die uitkering
gedurende zes maanden na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
ongewijzigd, voor zover dat recht of die
hoogte zou wijzigen doordat deze bloed-
en aanverwanten kunnen worden aangemerkt
als gezin naar de definitie zoals in dit
wetsvoorstel wordt voorgesteld. De
rechtsgevolgen die hiermee gepaard
zouden gaan, worden dus gedurende zes
maanden uitgesteld. Aanpassing van het
recht en/of hoogte van de uitkering op
andere gronden - zoals de toets op
middelen van de in de bijstand
inbegrepen personen of
uitsluitingsgronden - vallen buiten de
reikwijdte van dit overgangsrecht.
Een
periode van zes maanden, uitgaande van
inwerkingtreding van 1 januari 2012,
acht de regering redelijk en billijk
voor betrokkenen om zich voor te
bereiden op de nieuwe situatie,
onderlinge afspraken te maken en
aanpassingen te plegen in het
uitgavenpatroon.
Om
in aanmerking te komen voor de
overgangsperiode van zes maanden dient
op grond van het voorgaande gelijktijdig
aan twee voorwaarden te worden voldaan,
namelijk op de peildatum een uitkering
ontvangen op grond van de Wwb
of WIJ én
op de peildatum het hoofdverblijf hebben
in dezelfde woning. De bloed- en
aanverwanten in de eerste graad die niet
op de peildatum in dezelfde woning het
hoofdverblijf hebben, worden dus direct
aangemerkt als gezin naar de definitie
in dit wetsvoorstel indien na die datum
deze bloedverwanten in dezelfde woning
het hoofdverblijf krijgen, ook al hebben
één of meer van hen op de peildatum een
uitkering op grond van de Wwb of WIJ.
Ook bloed- en aanverwanten in de eerste
graad die op de peildatum weliswaar in
de dezelfde woning het hoofdverblijf
hebben maar waarvan geen van die bloed-
en aanverwanten op de peildatum een
uitkering op grond van de Wwb of WIJ
ontvangt, worden direct aangemerkt als
gezin als na de peildatum voor één of
meer van hen recht ontstaat op bijstand.
Zes
maanden na inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel eindigt de
overgangsperiode. Per 1 juli 2012 wordt
het recht en hoogte van de uitkering
waarop het voorgestelde overgangsrecht
van toepassing is, aangepast aan de
situatie zoals in dit wetsvoorstel wordt
neergelegd.
Om
de desbetreffende uitkeringen te kunnen
vaststellen naar de nieuwe definitie van
gezin, wordt in dit wetsvoorstel een
informatie- en medewerkingsbepaling
opgenomen voor meerderjarige bloed- en
aanverwanten in de eerste graad die in
dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben
als de alleenstaande, alleenstaande
ouder of de gehuwde die vóór de datum
van inwerkingtreding een uitkering op
grond van de Wwb
of een
inkomensvoorziening op grond van de WIJ
ontvangt. Beoogd wordt deze bepaling op
1 januari 2012 in werking te laten
treden. Het college wordt hiermee
bevoegd aan de genoemde bloed- en
aanverwanten de informatie en gegevens
te vragen die van belang zijn voor de
uitvoering van de Wwb.
rblz.|25|
Een vóór de beoogde datum van
inwerkingtreding aanvaard werkleeraanbod
dat na die datum doorloopt, wordt voor
de persoon die op of na die datum deel
uitmaakt van het bijstandsgerechtigd
gezin na zes maanden in overeenstemming
gebracht met de Wwb.
Indien
op de dag onmiddellijk voorafgaand aan
de dag van inwerkingtreding aan één of
meer bloed- en aanverwanten in de eerste
graad die in dezelfde woning het
hoofdverblijf hebben bijstand wordt
verleend in de vorm van een geldlening
en na die dag deze bijstandverlening wordt voorgezet naar de gezinsnorm,
behoudt deze bijstandverlening de vorm
van een geldlening tot het nader door
het college bij besluit bepalen tijdstip
[lees: te bepalen tijdstip, red.]. De rechten en plichten gelden
alsdan voor alle gezinsleden die bij
deze bijstandverlening zijn inbegrepen.
Beperking
van de verblijfsduur in het buitenland
Er
geldt een overgangstermijn van maximaal
drie maanden voor de uitzonderingsgevallen
van dertien weken die worden afgeschaft (de
mensen met een dubbele ontheffing
arbeidsplicht) en maximaal zes maanden
voor uitzonderingsgevallen van 26 weken
die worden beperkt (de 65-plussers met
aanvullende bijstand). Op deze manier
kan een - met toepassing van de oude
regeling - reeds eind 2011 begonnen
verblijf in het buitenland volgens de
oude regels worden afgemaakt na 1
januari 2012.
Alleenstaande
ouders
Alleenstaande
ouders die een specifieke ontheffing van
de arbeidsverplichting (ex artikel 9a
van de Wwb) hebben, behouden deze voor
de duur van die ontheffing, doch
maximaal gedurende zes maanden na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
(dus tot 1 juli 2012). In deze zes
maanden kan de gemeente
onderzoeken of
het noodzakelijk is de alleenstaande
ouder een individuele en tijdelijke
ontheffing van de arbeids- en
re-integratieverplichting te geven.
Indien dat het geval is, komt de
individuele ontheffing na zes maanden in
plaats van de ontheffing van de
arbeidsverplichting op grond van artikel
9a. Indien dat niet het geval is, zal
vanaf zes maanden na inwerkingtreding
begonnen worden met de re-integratie.
Deze groep alleenstaande ouders kan zich
daar dan gedurende de overgangsperiode
op voorbereiden.
Alle
alleenstaande ouders die gaan werken
kunnen vanaf het in werking treden van
dit wetsvoorstel een beroep doen op de
nieuwe vrijlatingsregeling. Dat betekent
het volgende.
Alleenstaande
ouders die op het moment van in werking
treden van dit wetsvoorstel gebruik
maken van de vrijlating voor alle
bijstandsgerechtigden, bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel n,
(van
maximaal €|187,- per
maand), behouden
deze tot het moment dat deze normaliter
zou aflopen (deze vrijlating geldt voor
maximaal zes maanden). Daarna kunnen zij
aansluitend gebruik maken van de nieuwe
vrijlating voor alleenstaande ouders.
Indien zij de vrijlating, bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel n,
combineren met de vrijlating van het
bedrag waarmee de alleenstaandeouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld
in artikel 8.15, derde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en/of de
inkomensafhankelijke combinatiekorting,
mogen zij deze laatste vrijlatingen
behouden tot het moment dat de algemene
vrijlating eindigt.
Andere
alleenstaande ouders die op het moment
van in werking treden van dit
wetsvoorstel gebruik maken van de
vrijlating van het bedrag waarmee de
alleenstaande ouderkorting wordt
vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15,
derde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en/of de rblz.|26|
inkomensafhankelijke
combinatiekorting, behouden deze
vrijlating voor de duur van twee maanden
uitsluitend wanneer deze leidt tot een
hogere uitkering dan de nieuwe
vrijlating voor alleenstaande ouders zou
leiden. Daarna kunnen zij aansluitend
gebruik maken van de nieuwe vrijlating
voor alleenstaande ouders.
De
inkomensgrens van gemeentelijk
minimabeleid wordt genormeerd tot 110%
Er
geldt een overgangstermijn van drie maanden
na 1 januari 2012 voor reeds op 31
december 2011 lopende periodieke
verstrekkingen categoriale bijzondere
bijstand. Dit om de gemeenten de
gelegenheid te geven de categoriale
bijzondere bijstand die aan mensen met
een inkomen van hoger dan 110% van het
sociaal minimum wordt verstrekt te beëindigen.
Het zal met name situaties betreffen
waarbij deelname aan een collectieve
aanvullende ziektekostenverzekering moet
worden opgezegd.
Inkomen
uit studiefinanciering
Voor
personen die op de dag onmiddellijk
voorafgaande aan de inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel algemene bijstand op
grond van de Wwb
ontvangen waarbij
rekening is gehouden met inkomen uit studiefinanciering
op grond van artikel
33, tweede lid, van de Wwb
geldt een
overgangstermijn van zes maanden. Tot en
met zes maanden na de inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel of zoveel eerder
als het recht op algemene bijstand
eindigt, wordt het inkomen uit
studiefinanciering in aanmerking genomen
op grond van artikel
33, tweede lid, Wwb
zoals dat artikellid gold op de dag
onmiddellijk voorafgaande aan de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.
Artikel
33, tweede lid, van de Wwb
is op grond
van artikel 7 van de
WIJ ook van
toepassing op personen die een
inkomensvoorziening op grond van de WIJ
ontvangen. De overgangsperiode van zes
maanden geldt ook voor personen die op
de dag onmiddellijk voorafgaande aan de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
recht hebben op een inkomensvoorziening
op grond van de WIJ waarbij rekening is
gehouden met inkomen uit
studiefinanciering en die vanaf de dag
van inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel als gevolg van de omzetting
van de WIJ naar de Wwb recht hebben op
een Wwb-uitkering.
4.
Financiële gevolgen
De
in dit wetsvoorstel opgenomen
maatregelen maken deel uit van de
afspraken gemaakt in het regeerakkoord.
Onderstaand
staan de geraamde budgettaire
consequenties per thema weer gegeven.
Tabel
1. Budgettaire consequenties
uitkeringslasten (bedragen in miljoen
euro):
| Maatregelxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Aanscherping
voorwaarden en sancties voor
jongeren |
0x |
0x |
0x |
0x |
| Aanscherping
gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets |
–27x |
–54x |
–54x |
–54x |
| Tegenprestatie
naar vermogen |
0x |
0x |
0x |
0x |
| Beperking
verblijfsduur in het buitenland |
–3x |
–5x |
–5x |
–5x |
| Alleenstaande
ouders in de Wwb |
–18x |
–26x |
–31x |
–36x |
| Normering
inkomensgrens gemeentelijk
minimabeleid op 110% |
–40x |
–40x |
–40x |
–40x |
| Verordeningsplicht
participatie van schoolgaande
kinderen |
0x |
0x |
0x |
0x |
| Inkomen
uit studiefinanciering |
0x |
0x |
0x |
0x |
| Totaal |
–88x |
–125x |
–130x |
–135x |
rblz.|27|
Tabel
2. Budgettaire consequenties
uitvoeringskosten (bedragen in miljoen
euro):
| Maatregelxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Uitvoeringskosten
Wwb |
–1,5 |
–12 |
–12,5 |
–13 |
Op
dit moment zijn er circa 290 000 huishoudens die een beroep doen op de
bijstand. Het totale budgettaire beslag
van de Wwb en de
WIJ bedraagt circa €|4 miljard. De maatregelen opgenomen in
dit wetsvoorstel dragen ertoe bij dat
zowel het aantal huishoudens in de
bijstand als het budgettaire beslag
afneemt. Onderstaande maatregelen en de
daaraan verbonden budgettaire
consequenties betreffen zowel de Wwb
als
de WIJ.
De
doorwerking van de in dit wetsvoorstel
genoemde uitvoeringskosten naar de
hoogte van het gemeentefonds wordt
bezien in een breder verband, namelijk
samen met andere uit het Regeerakkoord
2010 voortvloeiende maatregelen op het
terrein van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
4.1.
Aanscherping voorwaarden en sancties
voor jongeren
De
aanscherping zoals beschreven in deze
memorie van toelichting geven gemeenten
extra handvatten om jongeren te laten
werken of de mogelijkheden op regulier
bekostigd onderwijs te laten benutten.
Gemeenten krijgen hiermee een breder
pallet aan mogelijkheden om een
effectief beleid te voeren gericht op
activering en de eigen
verantwoordelijkheid van de jongere. De
regering zal dit echter niet verder
budgettair vertalen in een additionele
(taakstellende) uitname uit het budget
voor de gebundelde uitkering (BUIG).
Aangezien de beoogde financiële doelen
van de wet onveranderd blijven, zal dit
geen invloed hebben op de
uitvoeringskosten van gemeenten.
4.2.
Aanscherping gezinsbijstand en
huishoudinkomenstoets
Het
wetsvoorstel voorziet erin dat de
bloed- en aanverwanten in de eerste
graad die in dezelfde woning het
hoofdverblijf hebben, als gevolg van de
wijziging van de definitie "gezin"
recht krijgen op een bijstandsnorm
ter
hoogte van maximaal 100% van het nettoreferentieminimumloon en dat er binnen
die huishouden getoetst wordt op het
gehele gezinsinkomen. Hierdoor zullen er
minder mensen een beroep kunnen doen op
de bijstand. Het betekent dat de
uitkering die het gezin ontvangt
(gezinsnorm) af kan wijken van de
uitkering(en) die het gezin nu ontvangt.
Zo zal er bij de bijstandsuitkering die
het gezin ontvangt rekening worden
gehouden met de inkomsten van alle
gezinsleden. Naar verwachting levert
deze maatregel een structurele besparing
van €|54 miljoen op. Hierbij is
rekening gehouden dat alleenstaanden met
meerderjarige kinderen en alleenstaande
ouders met meerderjarige kinderen die in
dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben
recht krijgen als gezin op 100% van het
nettoreferentieminimumloon. Daarnaast
is er rekening mee gehouden dat een deel
van de populatie zelfstandig zal gaan
wonen als gevolg van deze maatregel.
Naar verwachting raakt deze maatregel
circa 18 000 huishoudens. Deze huishoudens
zullen deels te maken krijgen met
veranderingen in het aantal en de hoogte
van de uitkeringen binnen het gezin, dan
wel zal een deel van deze gezinnen
eerder de rblz.|28|
gezinssamenstelling aanpassen
doordat bijvoorbeeld meerderjarige
kinderen met eigen inkomen eerder
zelfstandig zullen gaan wonen. Naar
verwachting zal het totaal aantal
uitkeringen met circa 8000 dalen.
Dit zegt overigens niets over de hoogte
van de resterende uitkeringen, daar deze
veelal de nieuwe gezinsnorm zullen
bedragen; hier is in de ramingen
rekening mee gehouden.
Deze
maatregel leidt voor gemeenten niet
structureel tot nieuwe taken. De
samenstelling van het huishouden was
reeds van belang voor het vaststellen
van het recht of de hoogte van een
uitkering. De verandering in
gemeentelijke uitvoeringskosten hangt
dan ook samen met de verandering van het
totaal aan uitkeringen dat verstrekt
wordt. Dit wetsvoorstel heeft tot gevolg
dat er in totaal circa 8000 uitkeringen minder verstrekt worden.
Gegeven het bedrag van circa €|1400,-
dat in het gemeentefonds naar rato van
het aantal uitkeringsgerechtigden over
gemeenten wordt verdeeld, bedraagt de
afname van de uitvoeringskosten daarom
naar verwachting €|11 miljoen
structureel.
In
2012 ligt dit anders. In 2012 wordt de
besparing op de uitvoeringskosten in
verband met de overgangsrechten op €|5,5
miljoen geraamd. Daarnaast zullen gemeenten in dit overgangsjaar het
gehele zittend bestand moeten
doorlichten. Dit leidt tot extra kosten
die geraamd worden op €|4,5 miljoen.
Hiermee kan onder andere het bestand
worden doorgelicht om te zien op wie de
wijzigingen van toepassing zijn,
gesprekken met de betreffende
huishoudens worden gevoerd, bezwaar en
beroepszaken worden afgehandeld,
softwaresystemen worden aangepast en de
administratie worden bijgewerkt voor de
wijzigingen in het bestand.
4.3.
Tegenprestatie in de Wwb
De
genoemde maatregel heeft niet als doel
om een versnelde uitstroom uit de Wwb
te
bewerkstelligen. Daarvoor dient het
reeds bestaande instrumentarium. Deze
maatregel is bedoeld om een onbeloonde
maatschappelijke tegenprestatie mogelijk
te maken. Er zijn aan deze maatregel
geen financiële consequenties ten
aanzien van de uitkeringslasten
verbonden.
De
mogelijkheid om van
uitkeringsgerechtigden een
tegenprestatie te vragen, geeft colleges
een ruimere bevoegdheid om de
uitkeringsgerechtigde te laten
participeren in de samenleving. Deze
tegenprestatie heeft tot doel de
uitkeringsgerechtigde iets terug te
laten doen voor de samenleving.
Tegelijkertijd levert het de betrokkene
ook op dat hij actief blijft en dat hij
zich betrokken blijft voelen bij de
samenleving ondanks het feit dat hij nog
werkloos is. Ondanks maatschappelijke
baten die ontstaan door een
tegenprestatie te vragen, worden colleges
niet verplicht een tegenprestatie te
vragen. Voor colleges leidt deze bevoegdheid niet tot nieuwe taken.
Allereerst zijn colleges geheel vrij om
al dan niet van deze bevoegdheid gebruik
te maken. Daarnaast kunnen ze, binnen de
gestelde kaders, naar eigen inzicht
invulling geven aan deze bevoegdheid.
Voor het maken van gemeentelijk beleid
rond de tegenprestatie, de organisatie
en de naleving ervan kunnen colleges
gebruik maken van de bestaande
uitvoeringstaken rond de Wwb. Ook kunnen
zij voor het bij elkaar brengen van
vraag en aanbod gebruik maken van
bestaande netwerken. Verder kunnen de
colleges de opgedragen tegenprestatie
zodanig afstemmen op de capaciteiten van
de uitkeringsgerechtigde dat begeleiding
niet noodzakelijk is. Daarnaast kunnen
colleges de tegenprestatie zo
organiseren dat eventueel noodzakelijke
begeleiding kan worden geboden door de
betreffende organisatie waar de
tegenprestatie wordt uitgevoerd.
Colleges
worden, gelet op het bovenstaande, met
deze bevoegdheid niet geconfronteerd met
extra uitvoeringskosten.
rblz.|29|
4.4.
Beperking van de verblijfsduur in het
buitenland
De
huidige regeling voorziet nog in een
categoriale uitzonderingspositie voor
alle bijstandsgerechtigden tot 65 jaar
die ontheven zijn van de plicht tot
arbeidsinschakeling, en
bijstandsgerechtigden van 65 jaar of ouder. Voor de laatste categorie
personen geldt thans een termijn
verblijf buitenland van 26 weken per
jaar. Deze termijn is opgenomen naar
aanleiding van het amendement-Hamer c.s.¹ De memorie van toelichting bij
het oorspronkelijke wetsvoorstel [lees:
memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel, red.] meldde
dat er geen budgettaire consequenties
waren voorzien, immers de vakantieduur
voor 65-plussers onderging geen
wijziging en zou maximaal dertien weken per
jaar zijn. Door genoemd amendement is in
2008 bij de meerjarige
begrotingsmutaties alsnog €|5 miljoen
per jaar extra kosten opgevoerd. Het
weer terugdraaien en aanscherpen van de
vakantieduur Wwb
voor 65-plussers naar acht weken levert naar verwachting vanaf 2012
een zelfde structurele besparing op van €|5 miljoen per jaar (een deel van de
populatie zal ervoor kiezen toch
langere tijd in het buitenland te
verblijven zelfs als dit betekent dat
het recht op uitkering hierdoor - tijdelijk
- vervalt). Deze redenering
is analoog aan de geraamde kosten van
het amendement-Hamer. Voor personen
onder de 65 wordt geen additionele
besparing verwacht; naar verwachting zal
vrijwel de gehele doelgroep niet langer
dan de toegestane verblijfsduur in het
buitenland verblijven om zo te voorkomen
dat hun recht op uitkering - tijdelijk -
vervalt.
1.
Kamerstukken II 2007-2008, 31 127, nr.
6.
Colleges
en de SVB worden met deze maatregel niet
geconfronteerd met extra
uitvoeringskosten. Het is reeds beleid
dat de vakantieduur in het buitenland
(vertrek en terugkomst) aan colleges en
de SVB gemeld dient te worden. Er
verandert niets aan dit (gemeentelijk)
beleid.
4.5.
Alleenstaande ouders in de Wwb
Ten
eerste wordt de specifieke
ontheffingsmogelijkheid van de
arbeidsverplichting voor de
alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar opgeheven.¹ Door intrekking van
deze uitzondering daalt het aandeel
ontheffingen onder alleenstaande ouders.
Toen deze specifieke ontheffing op 1
januari 2009 werd ingevoerd, is rekening
gehouden met een aanzuigende werking als
gevolg van de versoepelde voorwaarden
voor deze groep. Vanwege deze
aanzuigende werking is destijds rekening
gehouden met oplopende kosten. Als
gevolg van het opheffen van de
uitzondering zal de aanzuigende werking
echter verdwijnen, waarmee ook de kosten
verdwijnen. Er zal minder vaak een
beroep gedaan worden op een
bijstandsuitkering. De maatregel heeft
met name effect op de nieuwe instroom in
de Wwb. Deze maatregel kent, gelijk aan
de gemiddelde verblijfsduur in de
bijstand, een ingroeipad van vier jaar. De
besparing bedraagt €|5 miljoen in 2012
oplopend tot €|20 miljoen structureel.
1.
Redactie: tijdens de
parlementaire behandeling van onderhavig
wetsvoorstel is besloten de
specifieke ontheffing van de
arbeidsverplichting voor alleenstaande
ouders met kinderen tot 5 jaar te
handhaven.
De
intrekking van de specifieke
ontheffingsmogelijkheid van de
sollicitatieplicht leidt tot een
vermindering van de uitvoeringskosten,
omdat de intrekking leidt tot een daling
van het aantal alleenstaande ouders in
de bijstand. Structureel gaat het hier
om €|2 miljoen. Hierbij is sprake van
hetzelfde ingroeipad als de besparing op
de uitkeringslasten.
Ten
tweede wordt de vrijlating van de aan
arbeid en zorggerelateerde
heffingskortingen (de aanvullende
alleenstaande ouderkorting en de IACK [inkomensafhankelijke
combinatiekorting, red.])
opgeheven. Deze maatregel leidt tot
minder hoge uitkeringslasten als gevolg
van het wegvallen van het recht op deze
inkomstenvrijlating die niet verrekend
wordt met de uitkering. Wel komt er een
nieuwe vrijlating voor het werken in
deeltijd voor alleenstaande ouders met
kinderen tot 12 jaar. Deze maatregel
leidt enerzijds tot hogere
uitkeringslasten als gevolg van het feit
dat er langer dan voorheen recht kan
zijn op rblz.|30|
een inkomstenvrijlating die niet
verrekend wordt met de uitkering.
Anderzijds heeft deze maatregel een
positief effect op de snelheid waarmee
de desbetreffende alleenstaande ouder
geheel of gedeeltelijk uit de
bijstandsuitkering kan stromen. Naar
verwachting vallen de effecten tegen
elkaar weg. Derhalve zijn er aan deze
maatregel geen budgettaire consequenties
verbonden.
De
nieuwe vrijlating voor het werken in
deeltijd voor alleenstaande ouders heeft
geen consequenties voor de
uitvoeringskosten, aangezien gemeenten
altijd bij inkomsten uit arbeid moeten
vaststellen of er gevolgen voor de
uitkering ontstaan. Een versnelde
uitstroom leidt wel tot besparingen op
uitvoeringskosten, maar het is te
beperkt om in mindering te brengen.
Ten
derde wordt de Wet
Vazalo ingetrokken.
De besparing is gelijk aan de in de
begroting gereserveerde middelen. Het
betreft hier €|13 miljoen in 2012 en
structureel €|16 miljoen.
Intrekking
van de Wet Vazalo heeft geen gevolgen
voor de uitvoeringskosten.
4.6.
Normering inkomensgrens gemeentelijk
minimabeleid op 110%
Het
regeerakkoord bevat de afspraak om de
gemeentelijke inkomensondersteuning uit
de bijzondere bijstand te normeren op
110% van het van het WML
afgeleide van
toepassing zijnde
sociaal minimum met
een daarbij behorende besparing van €|40 miljoen. Deze besparing wordt in
mindering gebracht op het budget voor
bijzondere bijstand in het
gemeentefonds.
De
taakstellende korting van €|40 miljoen
uit het gemeentefonds (waarin zowel de
bijzondere bijstand als de
uitvoeringskosten zich bevinden) is een
nettobedrag. Er zijn derhalve geen
extra mutaties ten aanzien van de
gemeentelijke uitvoeringskosten in het
gemeentefonds.
4.7.
Verordeningsplicht participatie van
schoolgaande kinderen
De
mogelijkheid van het verlenen van
categoriale bijzondere bijstand voor de
kosten in verband met maatschappelijke
participatie van schoolgaande kinderen
uit arme gezinnen is per 1 januari 2009
in de Wwb opgenomen. Om te bereiken dat
meer kinderen uit arme gezinnen kunnen
deelnemen aan sport, cultuur of andere
activiteiten, heeft het vorige kabinet
hiertoe extra middelen aan het
gemeentefonds toegevoegd.
De
verordeningsplicht verandert niets aan
de gemeentelijke beleidsvrijheid en legt
colleges dus geen veranderingen op
anders dan dat wat geregeld is (of
wordt) in een verordening. De verordeningplicht
veroorzaakt voor colleges geen extra
kosten.
4.8.
Inkomen uit studiefinanciering
De
wijziging van het tweede lid van artikel
33 van de Wwb
met als doel het op juiste
wijze verrekenen van de inkomsten uit studiefinanciering
in het kader van de
bijstandverlening heeft op microniveau
financiële gevolgen voor de betreffende
uitkeringsgerechtigde. Het inkomen
waarmee rekening wordt gehouden, is
namelijk hoger dan in vergelijking met
de bedragen zoals deze zijn vóór deze
wetswijziging. Op macroniveau gaat het
naar verwachting om zulke beperkte
aantallen dat de te verwachten
financiële effecten nihil zijn.
De
wijziging van het tweede lid van artikel
33 van de Wwb
heeft geen gevolgen voor
de uitvoeringskosten van gemeenten. De
wijziging betreft enkel een wijziging in
de hoogte van het in aanmerking te nemen
bedrag. Er zijn voor gemeenten geen
wijzigingen in de te verrichten
handelingen.
rblz.|31|
5.
Ontvangen commentaren
De
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) is gevraagd om een bestuurlijk
advies. Het voorliggende wetsvoorstel is
daarnaast voor een uitvoeringstoets
voorgelegd aan het Uitvoeringspanel
gemeenten en aan de SVB. In het
Uitvoeringspanel gemeenten (UP)
participeren achttien gemeenten, VNG, Divosa
[Vereniging
van directeuren van overheidsorganen
voor sociale arbeid, red.] en de SVB. Het UP geeft gevraagd en
ongevraagd advies over de
uitvoeringsconsequenties van voorgenomen
beleid op het terrein van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Het wetsvoorstel is aan het
UWV en de SVB
voor een uitvoeringstoets voorgelegd. De
SVB verstrekt sinds 1 januari 2010 op
grond van artikel 47a
van de Wwb een
aanvullende inkomensvoorziening aan
personen van 65 jaar of ouder. Ook is
het wetsvoorstel voorgelegd aan de
Inspectie Werk en Inkomen (IWI) voor een
toezichtbaarheidstoets. Het
Adviescollege vermindering
administratieve lasten (Actal) is
gevraagd te adviseren over de bij het
voorliggende wetsvoorstel optredende
administratieve lasten voor burgers.
5.1.
VNG
De VNG maakt de volgende inhoudelijke
opmerkingen bij het voorliggende
wetsvoorstel en heeft daarbij in zijn
oordeel het advies van het UP betrokken.
Het advies van het UP wordt besproken in
paragraaf 5.2.
•
Knelpunten met betrekking tot de
uitvoering
Mede op basis van het advies van het UP
is de VNG
van oordeel dat de beoogde
invoeringsdatum van 1 januari 2012 niet
haalbaar is. Naar het oordeel van de VNG
zal het minimaal een jaar kosten om alle
ICT op de relevante wijzigingen in dit
wetsvoorstel aan te passen. Daarnaast
zullen werkprocessen, administraties en
verordeningen moeten worden aangepast om
de gemeentelijke uitvoering toe te
rusten op de nieuwe eisen. Gezien de
vergaande impact van de voorgestelde
wijzigingen voor de ICT verzoekt de VNG
om een informatiekundige
uitvoeringstoets te laten doen.
De
regering ontkomt er niet aan om
voortvarend de maatregelen met
betrekking tot de Wwb
en WIJ in het
regeerakkoord uit te werken in een
voorstel van wet dat kan worden
ingediend bij het parlement, waarbij
gestreefd wordt naar invoering per 1
januari 2012 voor de nieuwe instroom.
Dit wetsvoorstel draagt bij aan het op
orde brengen van de overheidsfinanciën.
Vanaf 2012 worden de besparingen die dit
wetsvoorstel opleveren, ingeboekt in de
begroting van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
De
regering is zich ervan bewust dat
uitvoering van dit wetsvoorstel de
nodige inzet en flexibiliteit van
colleges vergt. Er dienen inspanningen
te worden gepleegd om deze maatregelen
te implementeren en uit te voeren. Dit
vergt dat colleges bijstandsgerechtigden
informeren, beschikkingen aanpassen en
de ICT aanpast. De regering heeft bezien
op welke wijze colleges hierin tegemoet
kunnen worden komen, passend bij het
regeerakkoord en de financiële kaders.
Daarbij is het advies van het UP en de VNG
meegewogen. Een impactanalyse van
ICT-aspecten maakt onderdeel uit van de
advisering van het UP.
Dit
heeft ertoe geleid dat de regering heeft
gekozen om het introduceren van de
verplichting van de betrokkene eerst de
mogelijkheden binnen het reguliere
onderwijs te onderzoeken niet eerder dan
per 1 juli 2012 in werking te laten
treden.
Om
colleges voorts tegemoet te komen, heeft
de regering ervoor gekozen bij een
aantal maatregelen het zittend bestand
niet per 1 januari 2012 rblz.|32|
onder de nieuwe
situatie te brengen. Voor het zittend
bestand gelden de maatregelen van de
inkomensnormering van het gemeentelijk
inkomensbeleid tot 110% en de beperking
verblijfsduur in het buitenland van
dertien weken naar vier weken pas na drie maanden
na inwerkingtreding van het
wetsvoorstel. Voor de maatregelen
aanscherping voorwaarden en sancties
voor jongeren, aanscherping
gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets,
de afschaffing van de specifieke
ontheffingsmogelijk voor alleenstaande
ouders, beperking van de verblijfsduur
in het buitenland van 26 weken naar acht
weken en het meenemen van inkomen uit studiefinanciering
geldt daarenboven een
langere overgangsperiode. Voor dit
zittend bestand gaan de betreffende
maatregelen pas in zes maanden na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.
Met
dit overgangsrecht krijgen colleges de
gelegenheid meer tijd uit te trekken om
de maatregelen uit te voeren voor het
zittend bestand. Conform de Code
Bestuurlijke Verhoudingen streeft de
regering voorts naar drie maanden
invoeringstermijn voorafgaand aan de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel om
hiermee colleges gelegenheid te geven
zich voor te bereiden op de uitvoering
van dit wetsvoorstel.
•
Uitvoeringskosten
Bedrag voor
uitvoeringskosten per uitkering
De VNG geeft aan zich niet te herkennen
in het bedrag van €|1400,- per
uitkering als vergoeding voor de
uitvoeringskosten. Volgens de VNG geeft
de circulaire van het gemeentefonds
hiervoor geen standaardbedragen. Voorts
geeft de VNG, met een beroep op artikel
2 van de Financiële-verhoudingswet
(Fvw),
aan dat er een onderzoek zal moeten
plaatsvinden voor het vaststellen van de
uitvoeringskosten per
bijstandsuitkering.
De
regering is het met de VNG
eens dat er
geen standaardbedragen worden
gepubliceerd voor de vergoeding via het
gemeentefonds voor de uitvoeringskosten
van de bijstand. Wel wordt voor de
verdeling van de middelen van het
gemeentefonds gepubliceerd hoe bepaalde
bedragen worden toegekend aan gemeenten.
Een bedrag van circa €|1400,-
wordt
naar rato van het aantal
uitkeringsgerechtigden over gemeenten
verdeeld. De regering is van mening dat
dit bedrag een reële prijs per
uitkering is als vergoeding voor de
uitvoeringskosten behorend bij dit
wetsvoorstel.¹ De memorie van
toelichting is hierop aangepast.
Verder
geeft de regering aan dat in artikel 2 Fvw
is opgenomen dat financiële
gevolgen voor gemeenten als gevolg van
beleidsvoornemens van het Rijk
inzichtelijk moeten worden gemaakt,
moeten worden onderbouwd en met
kwantitatieve gegevens gestaafd. De
regering is van mening dat de gevolgen
voor gemeenten in de financiële
paragraaf van deze memorie van
toelichting voldoende uitgewerkt en
onderbouwd zijn. Hiermee heeft het Rijk
voldaan aan het voornoemde artikel uit
de Fvw.
1.
Het bedrag van circa €|1400,-
wordt momenteel gehanteerd als
verdeelsleutel in het gemeentefonds als
bedrag dat gemeenten
per bijstandsgerechtigde ontvangen voor
de uitvoering.
Uitvoeringskosten
aanscherping sanctie en voorwaarden voor
jongeren
De VNG is van mening dat door de
aanscherping van de wet (voor jongeren
onder de 27 jaar door middel van de
zoekperiode van vier weken) gemeenten
zullen moeten gaan vaststellen of men
voldoende heeft gedaan om zelf werk of
onderwijs te vinden. De VNG ziet hierin
een verzwaring van de uitvoering zonder
dat hier een vergoeding tegenoverstaat.
De
regering is van mening dat met dit
voorstel de verantwoordelijkheid juist
meer bij de jongere zelf komt te liggen
om werk of onderwijs te vinden. De te
ondernemen acties hiervoor liggen in
eerste instantie bij de jongere. Of
iemand voldoende meewerkt aan het vinden
van rblz.|33|
werk/onderwijs is een vraag die
reeds in de Wwb
van belang is en
mogelijk leidt tot sancties bij de
uitkeringsgerechtigde. De regering
voorziet hierin dus geen verzwaring van
taken voor de gemeenten. Zie daarnaast
ook paragraaf 4.1 uit dit
wetsvoorstel [lees: van deze memorie van
toelichting, red.].
Compensatie
voor afschaffen WIJ en eerder niet
vergoede kosten
De VNG is van mening dat het Rijk de
implementatiekosten en uitvoeringskosten
van de WIJ moet compenseren aan de
gemeenten nu deze wet
[lees: die wet,
red.] na twee jaar
wordt afgeschaft.
Vanwege
de in paragraaf 2.2 besproken
aanscherping van de gezinsbijstand heeft
de regering ervoor gekozen het
aangescherpte WIJ-regime in de Wwb
op te
nemen en de WIJ als aparte wet af te
schaffen. Dit betekent geenszins dat het
WIJ-regime wordt afgeschaft.
Integendeel, het aangescherpte regime
van de WIJ blijft onverkort gelden voor
jongeren tot 27 jaar. De aanpak die
gemeenten hebben ontwikkeld en de
investeringen die zijn gepleegd naar
aanleiding van de WIJ kunnen
onverminderd worden ingezet op deze
jongeren.
Uitvoeringskosten
verordeningsplicht schoolgaande kinderen
De VNG is van mening dat colleges
gecompenseerd moeten worden voor
aanvullende administratieve lasten als
gevolg van de opgelegde
verordeningsplicht omtrent de
participatie van schoolgaande kinderen.
De VNG ziet de verordeningsplicht
daarmee als een extra administratieve
last.
De
regering deelt deze mening niet. Met
deze verordeningsplicht wordt gezorgd
dat dit onderwerp minimaal bij elk
college op de agenda komt. Colleges zijn
al verantwoordelijk voor het
armoedebeleid, ook voor schoolgaande
kinderen uit arme gezinnen. De
verordeningsplicht betekent dat colleges
hun beleid in een verordening
vastleggen. De vele gemeenten die al
actief beleid voeren voor de
maatschappelijke participatie van
kinderen kunnen hun beleid rechtstreeks
opnemen in een verordening.
Met
de verordeningsplicht wordt invulling
gegeven aan de motie-Spekman en
Blanksma.¹
Met deze motie is de regering verzocht
om "met ingang van 2011 gemeenten die
onvoldoende bijdragen aan de
rijksdoelstelling om kinderen
maatschappelijk meer mee te laten doen
en de armoede onder kinderen met de
helft terug te dringen, financieel af te
rekenen door een korting op de
specifieke uitkering en de algemene
uitkering uit het gemeentefonds". Het
letterlijk uitvoeren van deze motie zou
betekenen dat er een specifieke
uitkering gemaakt zou moeten worden door
geld uit het gemeentefonds te halen. Dit
is strijdig met de decentralisatie van
het armoedebeleid aan colleges. Zij zijn
in het kader van de Wwb
namelijk zowel
financieel als beleidsmatig bevoegd én
verantwoordelijk voor dit armoedebeleid.
De regering heeft gezocht naar een
oplossing om aan het verzoek van de
Tweede Kamer tegemoet te komen en van de
ruimte die de Wwb daartoe biedt. Door
middel van een tijdelijke uitbreiding
van de verordeningsplicht naar de
categoriale bijzondere bijstand voor de
kosten in verband met maatschappelijke
participatie van schoolgaande kinderen
uit arme gezinnen is gemeend hierin een
goede balans te vinden.
1.
Kamerstukken II 2009-2010, 24 515, nr.
181.
Uitvoeringskosten
tegenprestatie naar vermogen
De VNG geeft aan dat colleges extra kosten
zullen moeten maken als de regering van
colleges verwacht dat zij een
tegenprestatie van
uitkeringsgerechtigden vragen. Bovendien
zullen gemeenten begeleiding en
rblz.|34|
ondersteuning moeten organiseren om het
mogelijk te maken een tegenprestatie
naar vermogen te leveren, aldus de VNG.
De
regering geeft colleges een ruimere
bevoegdheid om de uitkeringsgerechtigde
te laten participeren in de samenleving.
Colleges worden echter niet verplicht
een tegenprestatie te vragen, het wordt
hen wettelijk mogelijk gemaakt een
tegenprestatie van
uitkeringsgerechtigden te vragen. Verder
kunnen de colleges de opgedragen
tegenprestatie zodanig afstemmen op de
capaciteiten van de
uitkeringsgerechtigde dat begeleiding
niet noodzakelijk is. Daarnaast kunnen
colleges de tegenprestatie zo
organiseren dat eventueel noodzakelijke
begeleiding kan worden geboden door de
betreffende organisatie waar de
tegenprestatie wordt uitgevoerd.
In
de financiële paragraaf van dit
wetsvoorstel [lees: van deze memorie van
toelichting, red.] is de onderbouwing hiervan
terug te vinden.
Compensatie
eenmalige implementatiekosten
gezinstoets
De VNG is van mening dat de gevolgen voor
de uitvoeringskosten van gemeenten
onvoldoende onderbouwd en in beeld zijn
gebracht en herkent zich niet in de in
kaart gebrachte bedragen.
De
regering is van mening de
uitvoeringsconsequenties voor gemeenten,
zoals terug te vinden in de financiële
paragraaf, adequaat in beeld te hebben
gebracht. Hierbij is uitgegaan van de
directe effecten die gemeenten
ondervinden als gevolg van de afname van
het aantal uitkeringen in de Wwb.
In
dit geval heeft de regering dit gedaan
door de implementatiekosten te ramen
waarmee onder andere het bestand kan
worden doorgelicht, gesprekken met
betrokken kunnen worden gevoerd en de
benodigde aanpassingen in de
administratie en ICT kunnen worden
gedaan. Gemeenten zijn zelf
verantwoordelijk voor de administratieve
inrichting, waaronder de ICT-huishouding,
ten behoeve van de uitvoering van de
wettelijke taken. De regering heeft
hierin geen bemoeienis. Dit laat
onverlet dat de regering in redelijkheid
rekening houdt met wijzigingen van die
wettelijke taken en doorwerking daarvan
in de administratieve inrichting. Voor
een verdere toelichting in dit verband
wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van
deze memorie van toelichting. De
uiteindelijke verwerking van de
uitvoeringskosten wordt bezien in een
breder verband, namelijk samen met
andere uit het Regeerakkoord 2010
voortvloeiende maatregelen op het
terrein van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
Compensatie
structurele toename uitvoeringskosten
per uitkeringsgerechtigde
De VNG is van mening dat bij het in beeld
brengen van de financiële consequenties
geen rekening wordt gehouden met een
toename van de uitvoeringskosten per
uitkeringsgerechtigde/uitkeringsgerechtigd
huishouden.
De
regering verwacht geen toename van de
uitvoeringskosten per
uitkeringsgerechtigde. Voor zover er wel
sprake is van een toename van de
uitvoeringskosten per
uitkeringsgerechtigde zoals de VNG
schetst, is deze toename naar de mening
van de regering verwaarloosbaar.
rblz.|35|
•
Beleidseffecten
Risico
dat kwetsbare groepen uit beeld
verdwijnen
Volgens
de VNG bestaat het
risico dat kwetsbare
jongeren afgeschrikt worden en uit beeld
raken als er een verplichting komt om
eerst vier weken zelf op zoek te gaan
naar werk en om te onderzoeken of er nog
mogelijkheden voor hen zijn binnen
regulier onderwijs. De VNG pleit ervoor
om gemeenten ruimte te bieden om
bepaalde kwetsbare groepen al direct
ondersteuning te bieden. De VNG stelt
dat het risico bestaat dat de kansen op
een snelle en succesvolle uitstroom uit
de bijstand verslechteren als deze
jongeren zich in een later stadium
alsnog melden.
De
regering merkt naar aanleiding hiervan
het volgende op. De bijstand is een
vangnet voor diegene die het niet
zelfstandig redt. Juist kwetsbare
jongeren zullen bij het loket van de gemeente
of het UWV
aankloppen voor
hulp. Er zijn geen cijfers waaruit
blijkt dat sinds de komst van de WIJ
jongeren terughoudender zijn geworden in
het doen van een beroep op het college.
Er is ook geen aanleiding om te
veronderstellen dat dit het geval zou
zijn bij het introduceren van een
zoektijd van vier weken voor jongeren.
De regering wil voorkomen dat jongeren
afhankelijk worden en blijven van een
uitkering. Iedereen die kan werken, moet
werken. De verantwoordelijkheid voor
arbeidsinschakeling ligt in de eerste
plaats bij de mensen zelf. Met de
introductie van een zoektijd van vier
weken wordt een impuls gegeven tot het
nemen van deze verantwoordelijkheid. Als
jongeren in de vier weken voldoende hun
best gedaan hebben om werk te vinden,
maar dit is niet gelukt, kan vanaf de
datum van melding aanspraak op bijstand
en ondersteuning bestaan. De regering
ziet niet in waarom de kansen op een
snelle en succesvolle uitstroom uit de
bijstand in een later stadium zullen
zijn verslechterd. Juist het besef van
eigen verantwoordelijkheid en het
initiatief en de inzet die betrokkene in
de periode van vier weken moet hebben
getoond, zullen een positieve bijdrage
aan zijn kansen op arbeidsinschakeling
leveren.
Als
een jongere zich bij het loket meldt
waarvan de indruk bestaat dat
hulpverlening geboden is, kan een
jongere direct daarnaar worden verwezen.
Integrale samenwerking tussen
gemeentelijke diensten,
onderwijsinstellingen en de lokale
hulpverlening is hierbij van belang om
zoveel mogelijk jongeren daadwerkelijk
aan het leren dan wel werken te krijgen.
Zoals eerder in deze memorie van
toelichting opgemerkt, neemt het kabinet
het initiatief tot een overleg met VNG
en organisaties van onderwijs en
hulpverlening om met hen te bespreken of
zij gezamenlijk verantwoordelijkheid
willen nemen en om te bespreken of een
gezamenlijke richtlijn voor samenwerking
in de regio hierbij behulpzaam kan zijn.
Beleidseffecten
en bijhorende besparing door
aanscherping voorwaarden en sancties
De VNG vraagt zich af, nu de WIJ
wordt
afgeschaft, waarom de initiële
besparingen van de WIJ zich niet zullen
uiten in toenemende uitkeringslasten.
Zoals
eerder in deze memorie van toelichting
aangegeven, is in het regeerakkoord
afgesproken de voorwaarden en sancties
van de WIJ aan te scherpen. Het
activerende karakter van de wet wordt
hiermee versterkt. Het aangescherpte
regime van de WIJ blijft onverkort
gelden voor jongeren tot 27 jaar. Het
regime voor jongeren tot 27 jaar wordt
aangescherpt doordat zij bij melding bij
het loket van het UWV
eerst vier weken
moeten zoeken naar werk. Ook moeten de
mogelijkheden binnen het regulier
bekostigd onderwijs worden onderzocht en
benut. De regering heeft ervoor gekozen
om deze aanscherpingen niet te vertalen
in rblz.|36|
aanvullende budgettaire
taakstellingen voor gemeenten. Voor een
uitgebreidere toelichting in dit verband
wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van
deze memorie van toelichting.
Beleidseffecten
en bijhorende besparingen door invoering
gezinstoets
De VNG vraagt
hoeveel gezinsleden geacht
worden van één uitkering te kunnen
leven en voorziet problemen omdat alleen
al de zorgpremie in het geval van
meerdere gezinsleden een groot beslag
zal leggen op de totale uitkering.
De
regering is van oordeel dat als (stief-/schoon)ouders en
(stief-/aangetrouwde) kinderen bij elkaar
wonen een besparing optreedt ten
opzichte van de situatie dat zelf de
kosten van een zelfstandige huishouding
moet worden gedragen. Deze besparing
komt onvoldoende tot uitdrukking in de
huidige bijstandsnormering, waardoor er
in die situaties naar het oordeel van de
regering te veel uitkering wordt
verstrekt. Dit betekent dat in de nieuwe
situatie weliswaar minder uitkering
wordt ontvangen, maar die wordt geacht
nog steeds toereikend te zijn volgens de
wettelijke regeling. Van deze uitkering
moet een gezin rondkomen. Door te gaan
werken, kunnen gezinsleden zich
onttrekken aan de gezinsbijstand. In
vergelijking met andere EU-landen heeft
Nederland ook een hoog minimumloon.
De VNG wijst op de consequenties die de
versobering van de uitkering voor de
gezinnen heeft voor het beroep op andere
gemeentelijke sociale vangnetten, zoals
bijzondere bijstand, armoedebeleid en
schuldhulpverlening. De VNG vindt dat
deze gevolgen in beeld moeten worden
gebracht en dat het Rijk moet aangeven
op welke wijze gemeenten deze gevolgen
financieel moeten opvangen.
De
regering deelt de mening van de VNG
niet. Mogelijke financiële gevolgen
zijn naar het oordeel van de regering
het gevolg van het gegeven dat mensen
hun bestedingen niet aan de nieuwe
situatie hebben aangepast, een nieuwe
situatie die weliswaar een lager inkomen
impliceert, maar nog steeds toereikend
is volgens de
wettelijke regeling en
definitie. In algemeenheid kan ieder
negatief inkomenseffect (al dan niet als
gevolg van rijksbeleid) mensen in
financiële problemen brengen. De eigen
verantwoordelijkheid van mensen is om
het gedrag aan te passen aan de
gewijzigde omstandigheden. Daarmee wordt
voorkomen dat ze in een dergelijke
situatie terechtkomen waarbij een
beroep op schuldhulpverlening moet
worden gedaan. De beste aanpassing om
dit te voorkomen, is de stap naar werk te
maken.
De
bijzondere bijstand is beleidsmatig en
financieel gedecentraliseerd aan gemeenten. Op grond van de Wwb
kan voor
uit bijzondere omstandigheden
voortvloeiende kosten van het bestaan
individuele bijzondere bijstand worden
verleend. Het onderhavige wetsvoorstel
doet geen afbreuk aan de beleidsvrijheid
van gemeenten om te bepalen of er sprake
is van bijzondere omstandigheden en of
er recht bestaat op individuele
bijzondere bijstand. Gemeenten houden de
bevoegdheid om binnen de wettelijk
kaders van de Wwb een eigen gemeentelijk
inkomensondersteuningsbeleid vast te
stellen en de beschikbare middelen
daarbij naar eigen inzicht op een zo
effectief mogelijke manier in te zetten.
Derhalve meent de regering dat de
gemeenten de mogelijkheid hebben om te
voorkomen dat er extra druk op de
bijzondere bijstand en
schuldhulpverlening ontstaat.
De
VNG geeft aan dat het hoogst onzeker is
of de door de regering ingeschatte
vermindering van het aantal uitkeringen
ook bereikt zal worden gezien de
gedragseffecten die samenhangen met deze
maatregel.
rblz.|37|
De regering is van mening de vermindering
van het aantal uitkeringen en de daaruit
volgende financiële effecten adequaat
in beeld te hebben gebracht. Hierbij is
rekening gehouden met de
gedragseffecten. Zo staat in paragraaf
4.2 te lezen dat er in de berekeningen
rekening mee gehouden is dat een deel
van de populatie ervoor zal kiezen
zelfstandig te gaan wonen. Deze
gedragseffecten zijn daarnaast terug te
zien in het feit dat hoewel er 18 000 huishoudens worden geraakt door
deze maatregel er naar verwachting circa
8000 uitkeringen zullen verdwijnen.
Voor een verdere toelichting zie
paragraaf 4.2.
De VNG
stelt dat het nog niet duidelijk is
hoe de mogelijke inperkingen van de
Wajong [lees: Wet Wajong,
red.] tot een toenemend beroep op de
bijstand zullen leiden.
Het
kabinet wil de Wwb,
Wajong en Wsw [Wet
sociale werkvoorziening, red.]
omvormen tot een Wet
werken naar vermogen. Een mogelijk toenemend beroep
op de bijstand als gevolg van de in het regeerakkoord opgenomen maatregelen op
het terrein van de Wajong zijn niet in
dit wetsvoorstel verwerkt. Over dit
onderwerp en de gevolgen daarvan
ontvangt het parlement een separaat
wetsvoorstel. In dat wetsvoorstel wordt
rekening worden gehouden met de
voorstellen en gevolgen die het huidige
Wwb-wetsvoorstel met zich meebrengt.
Deze gevolgen zijn dus in dat
betreffende wetsvoorstel terug te
vinden.
Kanttekening
bij veronderstelde prikkel tot
werkhervatting
De VNG betwijfelt of de veronderstelling
van de regering reëel is dat werken in
principe mogelijk is voor de gezinsleden
die onder de aanscherping van de
gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets
vallen. Bij colleges bestaat met name
zorgen over de groep die straks onder de
nieuwe regeling niet meer in aanmerking
komt voor een Wajong-uitkering.
De
regering is van mening dat een beroep op
een Wwb-uitkering zo kort mogelijk moet
zijn. Door de aanscherping van de
gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets
wordt de prikkel tot werkhervatting
versterkt. Door de lagere uitkering
wordt het aantrekkelijker om zo snel
mogelijk (weer) aan het werk te gaan.
Doordat er meerdere personen onder de
gezinsuitkering vallen, zijn er ook
meerdere personen binnen dat gezin die
aan het werk kunnen gaan om zo het
beroep op bijstand te beëindigen of te
voorkomen. Van betrokkenen mag verwacht
worden dat zij de verantwoordelijkheid
nemen om die mogelijkheden te benutten.
Dit past bij het uitgangspunt dat een
ieder zelf verantwoordelijk is voor de
voorziening in het bestaan en dat alleen
dan een beroep op de Wwb noodzakelijk is
als werk (tijdelijk) niet mogelijk is.
Het kabinet wil de Wwb, Wajong [lees: Wet Wajong,
red.] en Wsw omvormen tot een Wet werken naar
vermogen. De door de VNG
geuite zorgen
over de groep die straks onder nieuwe
regeling niet meer in aanmerking komt
voor een Wajong-uitkering zullen bij dit
traject worden betrokken.
De
inkomensgrens van gemeentelijk
minimabeleid wordt genormeerd tot 110%
De VNG merkt op dat de maatregel van
inkomensnormering een inbreuk maakt op
de beleidsvrijheid van gemeenten. Door
uitname van een bedrag ad €|40
miljoen uit
het gemeentefonds worden álle gemeenten
in gelijke mate getroffen,
waaronder - ten onrechte - ook
gemeenten die nu niet boven de grens van
110% uitkomen. Voorts wordt bij de
maatregel geen rekening gehouden met
reeds door gemeenten aangegane
verplichtingen, zoals contracten met
zorgverzekeraars voor de aanvullende
zorgverzekering voor mensen met een laag
inkomen. Deze overeenkomsten met
zorgverzekeraars kunnen zijn aangegaan
voor een langere periode en is vaak ook
een manier voor gemeenten om het rblz.|38|
beroep
op de individuele bijzondere bijstand te
beperken. Bovendien geeft de VNG aan te
verwachten dat door een versobering van
de categoriale bijzondere bijstand in
combinatie met de versobering van het
stelsel, het beroep op individuele
bijzondere bijstand toeneemt.
In
reactie hierop hecht de regering eraan
te benadrukken dat de maatregel van
inkomensnormering tot doel heeft om de
ongerichtheid van het gemeentelijk
inkomensbeleid en daarmee de mogelijke
doorkruising van het rijksinkomensbeleid
in omvang te beperken. De regering
onderkent dat elke gemeente
geconfronteerd zal worden met een naar
rato afname van de middelen die in het
gemeentefonds zijn opgenomen. Dit is
inherent aan de werking van het
gemeentefonds. De onderhavige maatregel
doet geen afbreuk aan de beleidsvrijheid
van gemeenten om te bepalen of er sprake
is van bijzondere omstandigheden en of
er recht bestaat op individuele
bijzondere bijstand. Van een versobering
van de categoriale bijzondere bijstand
is ook geen sprake. De huidige
instrumenten op dit terrein blijven
ongewijzigd, alleen de doelgroep voor de
categoriale inkomensondersteuning wordt
wettelijk ingekaderd en betreft mensen
met een inkomen tot 110% van het
toepasselijke
sociaal minimum. Gemeenten
houden de bevoegdheid om binnen de
wettelijk kaders van de Wwb
een eigen
gemeentelijk
inkomensondersteuningsbeleid vast te
stellen en de beschikbare middelen
daarbij naar eigen inzicht op een zo
effectief mogelijke manier in te zetten.
Derhalve meent de regering dat de
gemeenten zelf de mogelijkheid hebben om
te voorkomen dat er door deze maatregel
extra druk op de bijzondere bijstand
ontstaat. Door het opnemen van een
overgangstermijn van drie maanden na
inwerking treden van de maatregel wordt
de gemeenten de gelegenheid gegeven de
categoriale bijzondere bijstand die aan
mensen met een inkomen van hoger dan
110% sociaal minimum wordt verstrekt te
beëindigen. Het zal met name situaties
betreffen waarbij deelname aan een
collectieve aanvullende
ziektekostenverzekering van iemand moet
worden opgezegd. Het betreft hier echter
niet noodzakelijkerwijs het opzeggen van
de gehele overeenkomst tussen de
gemeente met de zorgverzekeraar, doch
uitsluitend het beëindigen van de
categoriale bijzondere bijstand voor de
aanvullende ziektekostenverzekering van
die mensen die een hoger inkomen hebben
dan de vastgestelde inkomensnorm. Met
deze overgangstermijn wordt naar de
mening van de regering in voldoende mate
tegemoetgekomen aan de bezwaren van de VNG
op dit punt.
Afschaffing
ontheffing van arbeidsverplichting
alleenstaande ouders met jonge kinderen
De VNG is van
mening dat de financiële
risico’s behorende bij het afschaffen
van de ontheffing van de
arbeidsverplichting voor alleenstaande
ouders bij het Rijk horen te liggen.
De regering verwacht namelijk dat deze
afschaffing zal leiden tot een
vermindering van kosten voor
inkomensvoorzieningen die gemeenten
moeten maken. Deze besparing is
uitgewerkt in de financiële paragraaf
van dit wetsvoorstel [lees: van deze
memorie van toelichting, red.]. Voor het overige
wijst de regering erop dat een risico
in zijn algemeenheid is inherent aan een
budgetteringssystematiek zoals die
gebruikt wordt bij de financiering van
de Wwb. Op dit moment zijn Rijk en
gemeenten in gesprek over de
financieringssystematiek vanaf 2012. Het
risico voor gemeenten is afhankelijk van
de afspraken die in dat kader gemaakt
worden.
rblz.|39|
•
Fraude
De VNG vraagt aandacht voor de door
haar
veronderstelde fraudegevoeligheid van
een aantal maatregelen. De VNG verwacht
dat de aanscherping van de
gezinsbijstand en de
huishoudinkomenstoets het voor
gezinsleden aantrekkelijk maakt om zich
in te schrijven op een ander woonadres
dan het feitelijke woonadres. Handhaving
zal naar de mening van de VNG meer tijd
en capaciteit in beslag nemen.
Met
de VNG is de regering van mening dat
fraude met gemeenschapsgeld onacceptabel
en ontoelaatbaar is. Fraude moet dan ook
hard worden aangepakt. Het kabinet is
dan ook voornemens met maatregelen te
komen waarbij fraude harder wordt
gestraft. Een harde aanpak van fraude is
een essentiële voorwaarde voor het in stand
houden van het vangnet van onze sociale
voorzieningen.
Zo
is in het regeerakkoord opgenomen dat
onterecht verstrekte uitkeringen
daadwerkelijk zullen worden
teruggevorderd en dat
bijstandsgerechtigden bij fraude worden
bestraft met het inhouden van de
uitkering gedurende drie maanden. In
mijn brief van 10 maart 2011 is deze
aanpak van fraude nader uitgewerkt.
Het
vaststellen van de leefvorm maakt reeds
onderdeel uit van de taken in het kader
van de uitvoering van de Wwb. Dit is
geen nieuwe taak voor colleges. Anders
dan bij ongehuwd samenwonenden, waarbij
eveneens de financiële
zorgverstrengeling moet worden
aangetoond, behoeft bij de vaststelling
van de gezinsbijstand alleen te worden
vastgesteld of de bloed- en aanverwanten
in de eerste graad in dezelfde woning
hun hoofdverblijf hebben. Bij de
vaststelling van de gezinsbijstand zoals
in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld,
kunnen de colleges gebruik maken van de
instrumenten die hen bij de uitvoering
van de Wwb ter beschikking staan zoals
koppeling van bestanden, huisbezoeken en
het hanteren van risicoprofielen. De
regering onderkent dat fraudeleus gedrag
door het onjuist inschrijven op een
ander woonadres dan het feitelijke
woonadres kan toenemen nu het financieel
belang door de aanscherping van de
gezinsbijstand is toegenomen. De prikkel
tot frauderen op woonsituatie bestond
echter in zichzelf al gezien de
mogelijkheden van de gemeenten om een
lagere uitkering te verstrekken in het
geval waar kosten gedeeld konden worden.
Het was en is aan de gemeenten om hier
adequaat (handhavings)beleid op te
voeren. Bij de structurele besparingen
op de uitkeringslasten zoals genoemd in
paragraaf 4.2 is met deze prikkelwerking
rekening gehouden. Naast de hiervoor
genoemde maatregelen wijst de regering
op het thans in parlement [lees: bij het
parlement, red.] aanhangige
wetsvoorstel een regeling [lees:
houdende een regeling, red.] in de sociale
zekerheid van de rechtsgevolgen van het
niet aantonen van de leefsituatie na het
aanbod van een huisbezoek. Dit
wetsvoorstel [lees: dat wetsvoorstel, red.]
geeft colleges een
instrument om huisbezoeken af te leggen
indien er nog geen sprake is van een
redelijk vermoeden van fraude. Colleges
kunnen hiermee vroegtijdig en voortijdig
ingrijpen om fraude te voorkomen.
•
Aantasting van de gemeentelijke
beleidsvrijheid
De VNG geeft aan dat door de
inkomensnormering op 110% te stellen
het Rijk in de beleidsvrijheid van gemeenten om eigen keuzes te maken op
het terrein van inkomensondersteuning
voor de armste groepen treedt.
In
reactie hierop merkt de regering op dat
het centrale inkomensbeleid een
verantwoordelijkheid van het Rijk is. De
inkomensnormering in dit wetsvoorstel
heeft dan ook alleen betrekking op het
categoriale gemeentelijk inkomensbeleid,
ten einde zoveel mogelijk te voorkomen
dat de gemeenten het centrale
inkomensbeleid van het Rijk met een
eigen categoriaal inkomensbeleid
doorkruisen. De mogelijkheden tot rblz.|40|
inhoudelijke invulling van het
categoriale gemeentelijk inkomensbeleid
wordt niet gewijzigd. Ook de
gemeentelijke bevoegdheid en
verantwoordelijkheid voor
inkomensondersteuning op basis van
individueel maatwerk laat de regering
ongemoeid.
Ook
de verordeningsplicht participatie
schoolgaande kinderen is naar de mening
van de VNG
in strijd met de
beleidsvrijheid van gemeenten. Dit
blijkt volgens de VNG onder meer uit de
alternatieve keuze die gemeenten maken
om hetzelfde doel te bereiken, zoals het
aanbieden van stadspassen.
De
regering is van oordeel dat de
verordeningsplicht niet de gemeentelijke
vrijheid inperkt om te kiezen tussen
alternatieve instrumenten om het beoogde
doel tot maatschappelijke participatie
van schoolgaande kinderen te bereiken.
Daarbij zij wel opgemerkt dat deze
categoriale bijstand bij voorkeur in
natura wordt verstrekt (wat ook het
geval is bij de genoemde stadspassen).
•
Geen financiële risico’s voor
gemeenten
De VNG is van mening dat de regering de
financiële gevolgen voor gemeenten
onvoldoende in beeld heeft gebracht en
vraagt om een onderzoek zoals vermeldt
in artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet.
De
regering is van mening dat in de
financiële paragraaf een voldoende
extensieve uitwerking is gegeven van de
financiële gevolgen voor medeoverheden
en de manier waarop deze gevolgen
gedragen kunnen worden. De regering is
van mening hiermee voldaan te hebben aan
haar verantwoordelijkheid in het kader
van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet.
De VNG stelt voorts dat de beleidseffecten
van het wetsvoorstel niet mogen
uitmonden in financiële risico’s voor
gemeenten op het Wwb-inkomensdeel. De
regering wijst erop dat dit een breder
punt is dan dit
wetsvoorstel. Bij de Wwb
is gekozen voor budgettering en een
financiële prikkel, omdat de
bijstandsuitgaven mede afhankelijk zijn
van gemeentelijk beleid. In zijn
algemeenheid is een risico inherent aan
een budgetteringssystematiek zoals bij
de financiering van de Wwb. Hierover
zijn in het bestuursakkoord 2008-2011
afspraken gemaakt die voor gemeenten tot
meer risico hebben geleid dan in de
periode daarvoor. Op dit moment zijn
Rijk en gemeenten in gesprek over de
financieringssystematiek vanaf 2012. Het
risico voor gemeenten is afhankelijk van
de afspraken die in dat kader gemaakt
worden.
5.2.
Uitvoeringspanel gemeenten
Het
UP heeft negatief geadviseerd over de
uitvoeringsaspecten die optreden bij het
voorliggende wetsvoorstel. Het UP vindt
dat de uitvoeringsconsequenties van dit
wetsvoorstel niet beoordeeld kunnen
worden omdat niet duidelijk is hoe
omvorming van de Wwb,
Wet Wajong en
Wsw tot
één regeling eruit komt te zien. Omdat
het UP niet kan overzien hoe deze
regeling eruit gaat zien, kan het UP de
uitvoeringsconsequenties voor dit
wetsvoorstel niet inschatten. Gezien de
samenhang tussen dit wetsvoorstel en de
beoogde regeling acht het UP het
daarnaast noodzakelijk dat eerst aan de
bestuurlijke tafel met de VNG
overeenstemming moet worden bereikt over
proces en invoeringsdatum van beiden.
Het
UP geeft voorts aan dat invoeringsdatum
van 1 januari 2012 op "aanscherping
gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets" voor de nieuwe
instroom niet haalbaar is. Om deze
maatregel uit te voeren, moet de software
worden aangepast. Omdat deze maatregel
diep ingrijpt in die software, zullen
softwareleveranciers pas gaan bouwen als
de maatregel rblz.|41|
definitief doorgaat. Gemeenten moeten daarnaast cliënten
informeren, personeel opleiden en administratieve processen en
beschikkingen aanpassen.
Voor
de normering van het gemeentelijk
inkomensbeleid op 110% is invoering per
1 januari 2012 voor de nieuwe instroom
niet haalbaar, aldus het UP. Het bestand
van mensen die een inkomen hebben boven
de normering moet worden doorgelicht.
Invoering
per 1 januari 2012 van de overige
maatregelen acht het UP realistischer.
In
reactie op het advies van de VNG
is de
regering in paragraaf 5.1 ingegaan op de
door de VNG en het UP aangedragen
knelpunten met betrekking tot de
uitvoering van dit
wetsvoorstel. Dit
wetsvoorstel draagt bij aan het op orde
brengen van de overheidsfinanciën.
Vanaf 2012 worden de besparingen die dit
wetsvoorstel opleveren, ingeboekt in de
begroting van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. De regering ontkomt er
dan ook niet aan om voortvarend de
maatregelen in het regeerakkoord uit te
werken in een voorstel van wet dat kan
worden ingediend bij het parlement,
waarbij gestreefd wordt naar invoering
per 1 januari 2012 voor de nieuwe
instroom.
De
samenhang tussen verschillende
wetsvoorstellen wordt door de regering
daarbij nauwkeurig in de gaten gehouden.
De regering ziet erop toe dat de VNG en
het UP voldoende gelegenheid krijgen om
op de verschillende wetsvoorstellen te
reageren en te adviseren. Dit laat
onverlet dat dit wetsvoorstel en het
wetsvoorstel met de beoogde Wet werken
naar vermogen op inhoud en proces zijn
eigen merites kennen, die separate
trajecten noodzakelijk maken.
De
regering is zich ervan bewust dat
uitvoering van dit wetsvoorstel de
nodige inzet en flexibiliteit van
colleges vergt. Er dienen inspanningen
te worden gepleegd om deze maatregelen
te implementeren en uit te voeren. Dit
vergt dat colleges bijstandsgerechtigden
informeren, beschikkingen aanpassen en
de ICT aanpast.
De
regering heeft bezien op welke wijze
colleges hierin tegemoet kunnen worden
komen, passend bij het regeerakkoord en
de financiële kaders. Dit heeft ertoe
geleid dat de regering heeft gekozen om
het introduceren van de verplichting van
de betrokkene eerst de mogelijkheden
binnen het reguliere onderwijs te
onderzoeken eerst per 1 juli 2012 in
werking te laten treden.
Om
colleges voorts tegemoet te komen, heeft
de regering ervoor gekozen bij een
aantal maatregelen het zittend bestand
niet per 1 januari 2012 onder de nieuwe
situatie te brengen. Voor het zittend
bestand gelden de maatregelen van de
inkomensnormering van het gemeentelijk
inkomensbeleid tot 110% en de beperking
verblijfsduur in het buitenland van
dertien weken naar vier weken pas na drie maanden
na inwerkingtreding van het
wetsvoorstel. Voor de maatregelen
aanscherping voorwaarden en sancties
voor jongeren, aanscherping
gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets,
de afschaffing van de specifieke
ontheffingsmogelijk voor alleenstaande
ouders, beperking van de verblijfsduur
in het buitenland van 26 weken naar acht
weken en het meenemen van inkomen uit studiefinanciering
geldt daarenboven een
langere overgangsperiode. Voor dit
zittend bestand gaan de betreffende
maatregelen pas in zes maanden na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.
Met
dit overgangsrecht krijgen colleges de
gelegenheid meer tijd uit te trekken om
de maatregelen uit te voeren voor het
zittend bestand. Conform de Code
Bestuurlijke Verhoudingen streeft de
regering voorts naar drie maanden
invoeringstermijn voorafgaand aan de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel om
hiermee colleges gelegenheid te geven
zich voor te bereiden op de uitvoering
van dit wetsvoorstel.
rblz.|42|
Concluderend
meent de regering gegeven de financiële
kaders tegemoet te komen aan de wensen
van het UP en VNG
ten aanzien van de
invoering van de maatregelen door
enerzijds te kiezen voor een ruim
overgangsrecht voor het zittend bestand
en anderzijds door ernaar te streven
colleges drie maanden invoeringstermijn
te geven voor de nieuwe instroom.
5.3.
Sociale verzekeringsbank
De
uitvoeringstoets geeft voor de SVB
aanleiding tot het maken van de volgende
opmerkingen.
In
het wetsvoorstel is opgenomen dat
bijstandsgerechtigden vier weken naar
werk moeten zoeken. Nu voor personen van
65 jaar of ouder in het geheel geen
arbeidsplicht geldt, dient die
zoekperiode van vier weken niet voor hen
te gelden, aldus de SVB. Gekozen is de
zoekperiode van vier weken alleen te
laten gelden voor jongeren tot 27 jaar.
De SVB verstrekt thans de bijstand in de
vorm van een aanvullende
inkomensvoorziening aan
gehuwden/samenwonenden van 65 jaar of ouder waarvan één partner 65 jaar of
ouder is en één partner jonger is dan
65 jaar met onvolledige AOW.
Dit
wetsvoorstel wijzigt dit niet. In het
wetsvoorstel is er wel voor gekozen dat
als er sprake is van een gezin van meer
dan twee personen en één van de
gezinsleden (niet zijnde de echtgenoot
van de 65-plusser) is jonger dan 65
jaar, colleges de gezinsbijstand
verstrekken. De SVB
wil in deze situatie de
gezinsbijstand verstrekken, mede in
verband met de overdracht van de
uitkering van de SVB naar de gemeente
als het gezinslid jonger dan 65 jaar
verhuist. Gekozen is echter om gemeenten
die bijstand te laten verstrekken omdat
het jongere gezinslid meestal een (stief-/aangetrouwd) kind van de persoon
van 65 jaar of ouder is dat dus nog een
hele tijd een re-integratieplicht heeft.
Colleges kunnen invulling geven aan die
re-integratieplicht en hebben alleen een
financiële prikkel om dat te doen als
zij ook de uitkering verstrekken.
Aangezien gezinsbijstand betrekking
heeft op (stief-/schoon)ouder(s) en
(stief-/aangetrouwde) kinderen zal het
gaat daarbij vaak gaan om situaties
waarbij het (stief-/aangetrouwde) kind in
leeftijd veel scheelt met die van de
ouder(s). Het is dan van belang dat de
nadruk ligt op de re-integratie van dat
(stief-/aangetrouwde) kind. De SVB is
niet geëquipeerd zorg te dragen voor
re-integratie. Daarnaast heeft de SVB
geen financiële prikkel. Overigens
wijst de regering erop dat als de SVB
verantwoordelijk zou zijn voor de
verlening van deze gezinsbijstand, bij
overlijden van het gezinslid van 65 jaar
of ouder de bijstandverlening weer
overgaat naar gemeenten. Overdrachten
tussen SVB en gemeenten zijn inherent
aan wijziging van de definitie van
"gezin" zoals voorgesteld in dit
wetsvoorstel.
De SVB merkt op dat ze uit artikel 17 van
de Wwb niet direct afleidt dat het
voldoende biedt om een belanghebbende te
verplichten elk verblijf in het
buitenland te melden.
De
regering ziet in artikel 17 een
verplichting voor belanghebbende om
verblijf in het buitenland te melden
omdat het verblijf in het buitenland van
invloed kan zijn op het recht op
bijstand. De regering ziet in artikel 17
van de Wwb voldoende grondslag. De
toelichting is op dit punt voor de
volledigheid verduidelijkt.
De SVB vraagt zich af waarom is gekozen
voor een overgangstermijn van zes
maanden voor de onderdelen beperking
verblijfsduur in het buitenland en de
aanscherping van de gezinsbijstand en
huishoudinkomenstoets. De rblz.|43|
SVB wijst erop
dat een langere termijn in de sociale
zekerheid niet ongebruikelijk is.
In
antwoord hierop wijst de regering erop
dat in de sociale zekerheid in situaties
waar het gaat om de beëindiging van
uitkeringsrechten een overgangstermijn
van zes maanden niet ongebruikelijk en
ook door de rechter geaccepteerd is.
De SVB merkt op dat door de aanscherping
van de gezinsbijstand en
huishoudinkomenstoets zoals in dit
wetsvoorstel wordt voorgesteld het
aantal situaties zal toenemen waarin
mogelijk in de gemeentelijke basisadministratie
(GBA) een onjuiste
weergave van de situatie zich voordoet.
De SVB zal daarnaast meer gegevens van
inkomens en vermogens moeten
controleren.
De
regering verwijst hiervoor naar
paragraaf 5.1. De daargenoemde
instrumenten tot bestrijding van fraude
staan eveneens ter beschikking aan de SVB.
De SVB merkt op dat de beperking van de
verblijfsduur in het buitenland voor
bijstandsgerechtigden van 65 jaar of ouder een extra handhavingrisico met
zich meebrengt. In beginsel zou volgens
de SVB nu iedere acht weken worden
gecontroleerd of iemand nog in Nederland
is. De regering ziet in de het
terugbrengen van de verblijfsduur in het
buitenland voor bijstandsgerechtigden
van 65 jaar of ouder van 26 weken naar
acht weken per kalenderjaar echter geen extra
handhavingrisico’s. Immers ook bij de
kortere verblijfsduur buitenland zal de
SVB aan belanghebbende de verplichting
op moeten leggen om zijn verblijf in het
buitenland vóóraf te melden en zich
direct na terugkeer uit het buitenland
weer terug te melden. De belanghebbende
is hiertoe dan op grond van artikel 17
van de Wwb
gehouden. Indien deze
informatie wordt verzwegen of onjuist
wordt verstrekt met het oogmerk een
(hogere) bijstandsuitkering te krijgen,
is er sprake van uitkeringsfraude. Voor
het handhaven van genoemde verplichting
is het structureel iedere acht weken
uitvoeren van een aanwezigheidscontrole
naar de mening van de regering niet
noodzakelijk. Op grond van de Wwb
is de
burger zelf verplicht vertrek- en
terugkomstdata te melden. Dit is reeds
zo geregeld in de wet en hier veranderd
niets aan. De regering stelt nu enkel
een mutatie voor van de maximale vakantieduur. Dit leidt, net als bij
eerdere mutaties, niet tot extra
uitvoeringstaken. Derhalve ziet de
regering geen reden om extra
uitvoeringskosten aan de SVB te
vergoeden.
Samenvattend
is de SVB van mening dat er extra
uitvoeringskosten optreden als gevolg
van een intensivering van de handhaving
en het verrichten van meer controles op
vermogen en inkomen van betreffende
personen. Daarnaast voorziet de SVB meer
werk omdat vaker getoetst moet worden of
een cliënt zich wel aan de maximale
verblijfsduur in het buitenland met
behoud van uitkering houdt en dit meldt.
Naar de mening van de regering treden deze
effecten niet op. De SVB toets reeds op
inkomen en vermogen, de regering
voorziet hierin geen verzwaring van
taken. Op het terrein van handhaving is
de regering van mening dat de SVB reeds
controles op de samenstelling van
huishoudens uit moet voeren. Deze
wetswijziging verandert dat niet. Voor
wat betreft de duur van verblijf in het
buitenland is de burger op grond van de Wwb
reeds verplicht vertrek- en
terugkomstdata te melden. Hieraan
verandert de regering niets. De regering
stelt nu enkel een mutatie voor van de
maximale vakantieduur. Dit leidt, net
als bij eerdere mutaties, niet tot extra
uitvoeringstaken. De regering ziet
derhalve geen reden om extra
uitvoeringskosten aan de SVB te
vergoeden.
rblz.|44|
5.4.
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
Het UWV acht
het voorliggende wetsvoorstel
uitvoerbaar en handhaafbaar. Het UWV
gaat daarbij uit dat [lees: Het UWV gaat
er daarbij van uit dat, red.] de beoordeling van
het in acht nemen van de wachttijd en
het plegen van belanghebbenden van
voldoende inspanningen om werk te vinden
tot de verantwoordelijkheid van colleges
zullen behoren.
Het
UWV acht de beoogde datum van
inwerkingtreding haalbaar en is van
oordeel dat de maatregelen niet van
(betekenisvolle) invloed zullen zijn op
de uitvoeringskosten van het UWV.
5.5.
Inspectie Werk en Inkomen
Het
voorliggende wetsvoorstel geeft de IWI geen
aanleiding tot het maken van opmerkingen
met betrekking tot de toezichtbaarheid.
De uitgevoerde toezichtbaarheidstoets
heeft wel geleid tot de volgende
opmerkingen.
De IWI geeft in overweging de
procedure omtrent melding en aanvraag in
het voorliggende wetsvoorstel te
verduidelijken en de memorie van
toelichting daarmee in overeenstemming
te brengen. Naar aanleiding van deze
opmerking van de IWI zijn wettekst en
memorie van toelichting aangepast.
De
opmerking van de IWI na te gaan of voorzien
dient te worden in een rol van
betrokkene bij het plan van aanpak heeft
niet geleid tot aanpassing. De regering
vindt dat werk voorop dient te staan.
Het college bepaalt de kortste weg naar
werk. Het is aan het college daarbij te
bepalen of betrokkene daadwerkelijk
ondersteuning nodig heeft om op de
arbeidsmarkt aan de slag te komen, en zo
ja, welke ondersteuning dan nodig is.
De
suggestie van de IWI om expliciet de
verplichting op te nemen dat betrokkene
dient mee te werken aan (het opstellen),
het uitvoeren en het evalueren van het
plan van aanpak heeft geleid tot
aanpassing van de wettekst. Het niet
nakomen van deze verplichting kan
gesanctioneerd worden op grond van
artikel 18, tweede lid, van de Wwb
respectievelijk artikel 20 van de
Ioaw/Ioaz.
5.6.
Actal
De
voorstellen in het voorliggende
wetsvoorstel zijn beoordeeld op de
effecten ten aanzien van de
administratieve lasten voor burgers. De
aanscherping van de voorwaarden en
sanctie voor jongeren zal naar
verwachting tot een toename leiden van
de administratieve lasten voor de
burger. Bij het aanvragen van een
uitkering door een persoon jonger dan 27
jaar zal deze namelijk ook documenten
moeten overleggen die het college
kunnen helpen bij de beoordeling of de
jongere nog mogelijkheden heeft binnen
het regulier onderwijs. Dit leidt naar
verwachting tot meer administratieve
lasten voor deze personen.
Daar
staat tegenover dat de aanscherping van
de gezinsbijstand en de
huishoudinkomenstoets zal leiden tot een
afname van de administratieve lasten
voor de burger. Enerzijds omdat deze
bloed- en aanverwanten worden aangemerkt
als "gezin" dat recht krijgt op een
bijstandsnorm
ter hoogte van maximaal
100% van het nettoreferentieminimumloon
("gezinsbijstand") en anderzijds dat
er binnen dat huishouden getoetst wordt
op het gehele gezinsinkomen. Omdat deze
personen geen aanvraag hoeven in te
dienen, leidt dit voor hen tot een
daling van de administratieve lasten.
Als gezinsbijstand wordt aangevraagd,
geldt daarnaast dat dit één
gezamenlijke aanvraag is in plaats van
meerdere aanvragen.
Het
voorstel waarbij bijstandsgerechtigden
verplicht worden een tegenprestatie voor
de uitkering te leveren, leidt niet tot
extra administratieve lasten. Het
initiatief tot de tegenprestatie ligt in
principe bij de rblz.|45|
gemeente. Ook de overige
in dit wetsvoorstel opgenomen
voorstellen leiden niet tot een toe- of
afname van de administratieve lasten
voor de burger.
Actal
heeft vastgesteld dat hiermee de
effecten op de administratieve lasten
voor burgers adequaat in beeld zijn
gebracht.
Artikelsgewijs
Artikel
I (wijziging van de Wet werk en
bijstand)
Onderdeel
A (artikel 3)
In
het tweede lid van artikel 3 is bepaald
dat ongehuwden die een gezamenlijke
huishouding voeren als gehuwden worden
aangemerkt. Hier zijn twee
uitzonderingen op gemaakt. De eerste
uitzondering betreft de situatie dat
twee bloedverwanten in de eerste graad
een gezamenlijke huishouding voeren. De
tweede uitzondering betreft de situatie
dat twee bloedverwanten in de tweede
graad een gezamenlijke huishouding
voeren waarbij er sprake is van een
zorgbehoefte bij één van hen.
Voorgesteld wordt om hier een
uitzondering voor aanverwanten in de
eerste graad die een gezamenlijke
huishouding voeren aan toe te voegen.
Dit omdat het onwenselijk is dat
aanverwanten in de eerste graad
(bijvoorbeeld een vader met zijn
stiefzoon) als echtgenoten worden
aangemerkt.
Omdat
de uitzondering van aanverwanten in de
eerste graad wordt toegevoegd in het
tweede lid, onderdeel a, is het niet
meer nodig om in het zevende lid te
bepalen dat onder bloedverwant in de
eerste graad mede wordt verstaan het
meerderjarig stiefkind. Een stiefkind is
immers een aanverwant in de eerste
graad. De gelijkstelling in het zevende
lid van het meerderjarig voormalig
pleegkind met een bloedverwant in de
eerste graad dient wel te blijven staan
aangezien dat pleegkind geen bloed- of
aanverwant in de eerste graad is.
Onderdeel
B (artikel 4)
In
dit onderdeel wordt artikel 4 opnieuw
vastgesteld.
Eerste
lid
Zoals
ook in het algemeen deel van de memorie
van toelichting is beschreven, wordt de
definitie van gezin aangepast. Het
begrip gezin zal worden gebruikt als
overkoepelend begrip voor
samenlevingsvormen waarbij in ieder
geval meerdere meerderjarige bloed- of
aanverwanten in de eerste graad hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.
Dit betekent concreet dat onder gezin de
volgende samenlevingsvormen komen te
vallen:
- gehuwden;
- gehuwden met ten laste komende
kinderen en/of meerderjarige
inwonende kinderen;
- alleenstaande of alleenstaande ouder
met meerderjarige inwonende
kinderen.
Het
onderdeel uitmaken van een "gezin" zal
een aantal gevolgen hebben. Immers, het
"gezin" wordt een zelfstandig subject
van bijstand. Dit betekent onder andere
dat er een aparte norm voor het gezin
komt en dat de middelen van alle
gezinsleden bij de bijstandverlening in
aanmerking worden genomen.
rblz.|46|
Onderdelen
a en b
De
wijziging van het begrip "gezin" heeft
ook gevolgen voor de definitie van
alleenstaande en alleenstaande ouder.
Een ongehuwde die één of meer
meerderjarige inwonende kinderen heeft,
zal niet langer onder de definitie van
alleenstaande (indien hij geen ten laste
komende kinderen heeft) of alleenstaande
ouder (indien hij wel ten laste komende
kinderen heeft) vallen. De ongehuwde en
zijn meerderjarige inwonende kinderen
vormen immers een gezin (zoals hiervoor
beschreven) en zijn dus zelfstandig
subject van bijstand met de daaraan
vastzittende consequenties.
Daarnaast
zal de uitzondering van bloedverwanten
in de eerste graad in de definities van
"alleenstaande" en "alleenstaande
ouder" geschrapt worden. Deze
uitzondering heeft tot doel te regelen
dat als bloedverwanten in de eerste
graad een gezamenlijke huishouding
voeren, als alleenstaanden [lees: zij
als alleenstaanden, red.] kunnen worden
aangemerkt. Deze uitzondering is nu niet
meer wenselijk aangezien deze
bloedverwanten een gezin vormen op grond
van de nieuwe definitie van "gezin".
Om diezelfde reden vervalt ook huidige
tweede lid van artikel
4.
Onderdeel
c
In
onderdeel c wordt de nieuwe definitie
van "gezin" vastgesteld. Hiervoor is
beschreven welke samenlevingsvormen
onder dit begrip komen te vallen.
Opgemerkt
wordt nog dat de alleenstaande ouder met
ten laste komende kinderen en geen
meerderjarige inwonende kinderen niet
langer meer onder het begrip "gezin"
zal vallen. Dit omdat er in die situatie
geen sprake is van meerdere
meerderjarige bloed- of aanverwanten die
in dezelfde woning wonen.
Onderdeel
d
In
de definitie van "kind" wordt geregeld
dat, indien het om meerderjarige
kinderen gaat, ook de echtgenoten van
het meerderjarig eigen kind of stiefkind
onder die definitie vallen. Dit omdat
die echtgenoten aanverwanten in de
eerste graad zijn van de ouders van het
kind en er op grond van het Burgerlijk
Wetboek een wederzijdse onderhoudsplicht
geldt. Deze invulling van de definitie
van "kind" heeft tot gevolg dat indien
ouders met hun kind en diens echtgenoot
hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben, ze een gezin vormen.
Wellicht
ten overvloede wordt gemeld dat onder
echtgenoten op grond van de Wwb
ook
wordt verstaan geregistreerde partners
en ongehuwden die een gezamenlijke
huishouding vormen. Dit betekent dat de
partner van een kind, ook indien hij
niet met dat kind gehuwd is en geen
geregistreerd partnerschap met dat kind
heeft, onder het begrip van "kind"
valt.
Tweede
lid
In
het tweede lid van artikel 4 wordt een
uitzondering gemaakt op het begrip
"meerderjarig kind".
Het
gaat hierbij om kinderen van 18 jaar of
ouder wier in aanmerking te nemen
inkomen (inclusief de ontvangen studiefinanciering) niet meer bedraagt
dan 80% van het nettominimumloon,
inclusief vakantiebijslag.
rblz.|47|
Daarnaast
dient het kind uit ’s Rijks kas
bekostigd onderwijs te volgen, aanspraak
te hebben op studiefinanciering of voor
een tegemoetkoming op grond van
hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten (WTOS)
in aanmerking te komen. Hoofdstuk 4 van
de WTOS
ziet op scholieren en deelnemers
aan een opleiding voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs als bedoeld in
artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a,
van de WEB,
die 18 jaar of ouder zijn en
ingeschreven zijn aan een school als
bedoeld in paragraaf 2.3 van de WTOS.
Onder deze uitzondering vallen ook
personen die wel aanspraak hebben op
studiefinanciering of een tegemoetkoming
op grond van hoofdstuk 4 van de WTOS,
maar die dit niet ontvangen omdat ze
zelf in hun inkomen voorzien doordat ze
bijvoorbeeld een bijbaantje hebben.
Er
is voor gekozen om één normbedrag voor
alle studerenden te hanteren, ongeacht
hun opleiding of studie en ongeacht de
leeftijd, waarboven het in aanmerking te
nemen inkomen niet mag uitkomen. Dit
bedrag wordt gerelateerd aan het
wettelijk minimumloon van iemand van 23
jaar of ouder. Hierbij is de
beroepsbegeleidende leerweg (BBL) als
uitgangspunt genomen, waarbij studenten
gemiddeld vier dagen in de week werken
en één dag naar school gaan. Het
normbedrag wordt hieraan gerelateerd.
Dit betekent dat 80% van het nettominimumloon, inclusief vakantiebijslag,
wordt vrijgelaten. Het bedrag dat in
artikel 4, tweede lid, genoemd wordt, is
een nettobedrag.
Wellicht
ten overvloede wordt gemeld dat
vergoedingen of tegemoetkomingen voor
directe studiekosten op grond van de
huidige Wwb niet tot de middelen worden
gerekend. Onder directe studiekosten
worden begrepen les- of cursus- of
collegegeld, studieboeken,
lesmaterialen, werk- en of
veiligheidskleding indien van toepassing
en reiskosten indien van toepassing.
De
uitzondering van het begrip meerderjarig
kind heeft tot gevolg dat deze kinderen
niet tot het gezin worden gerekend en
daarmee een zelfstandig recht op
bijstand hebben. Dit is zo geregeld om
te stimuleren dat jongeren gaan
studeren/naar school gaan.
Derde
lid
Dit
lid regelt dat als grootouder(s),
kinderen en kleinkinderen in dezelfde
woning hun hoofdverblijf hebben, zij
allen tot hetzelfde gezin behoren en
niet twee of meerdere gezinnen vormen.
Vierde
lid
In
het nieuwe vierde lid is geregeld dat
indien een ongehuwde een gezamenlijke
huishouding voert met een meerderjarig
voormalig pleegkind, hij als
alleenstaande of alleenstaande ouder
wordt beschouwd. Dit is geen wijziging
ten opzichte van de huidige situatie.
Vijfde
lid
In
dit nieuwe vijfde lid is geregeld dat
het college op verzoek van de
belanghebbende kan besluiten dat een
persoon onder bepaalde voorwaarden niet
tot een gezin behoort. Dit heeft tot
gevolg dat deze persoon een zelfstandig
recht op bijstand heeft.
Voorwaarden
hiervoor zijn de volgende:
- Het moet gaan om een meerderjarig
persoon die jonger is dan 65 jaar en
eigenlijk tot een gezin als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel c, onder 2º of
3º, zou behoren. Dit houdt in dat hij een
gehuwde, alleenstaande rblz.|48|
of alleenstaande
ouder met één of meer inwonende
meerderjarige kinderen moet zijn of dat
hij een meerderjarig kind moet zijn dat
inwoont bij zijn ouder(s).
- Aangetoond moet worden dat deze persoon
op tien of meer uren zorg per week is
aangewezen. Deze zorg kan bestaan uit
persoonlijke verzorging, verpleging,
begeleiding, verblijf of voortgezet
verblijf. Deze begrippen zijn omschreven
in de artikelen
4, 5,
6, 9 en
13 van het
Besluit
zorgaanspraken AWBZ (dit besluit
is gebaseerd op artikel 9a
van de
AWBZ). Hij kan dit aantonen door het
overhandigen van (een kopie van) een
geldig indicatiebesluit of door het
college toestemming te geven dit gegeven
op te vragen bij het Centrum
indicatiestelling zorg of bij een andere
instelling die over deze informatie
beschikt.
- Aangetoond moet worden dat voor één of
meer van de soorten zorg waarvoor deze
persoon geïndiceerd is geen
persoonsgebonden budget wordt ontvangen
en geen gebruik wordt gemaakt van zorg
die door een zorgaanbieder op grond van
de AWBZ wordt verleend en dat de
indicatie voor die soorten zorg ten
minste tien uur per week bedragen.
- Hiermee wordt geregeld dat er alleen een
uitzondering kan worden gemaakt voor
hulpbehoevenden die voor één of meer
soorten zorg, waarvoor tezamen een
indicatie geldt van ten minste tien uur
per week, geen professionele zorg tot
hun beschikking hebben. Immers, indien
ze gebruik maken van een
persoonsgebonden budget of een
zorgaanbieder zorg in natura laten
verlenen, is er geen reden meer om ze
van het gezin uit te zonderen. Het doel
van de uitzondering is immers het
voorkomen dat hulpbehoevenden uit huis
geplaatst moeten worden omdat ze niet
meer door gezinsleden (meerderjarige
kinderen of ouders) verzorgd kunnen
worden (zie ook paragraaf 2.2 van het
algemeen deel van de toelichting).
Voorgaande kan aangetoond worden door
aan het college toestemming te geven om
deze gegevens op te vragen bij een
instelling (bijvoorbeeld een
zorgkantoor) die over die gegevens
beschikt.
- Het moet aannemelijk worden gemaakt dat
een meerderjarig kind of meerderjarige
kinderen (niet een ten laste komend
kind) van de ouder(s) met het
indicatiebesluit één of meer van de in
het indicatiebesluit opgenomen soorten
zorg, waarvoor geen persoonsgebonden
budget wordt ontvangen en waarvoor geen
gebruik wordt gemaakt van zorg die door
een zorgaanbieder op grond van de AWBZ
wordt verleend, aan die ouder(s)
verlenen voor ten minste het aantal uren
waar die ouder met betrekking tot die
zorg volgens dat indicatiebesluit op is
aangewezen doch in totaal voor ten
minste tien uren per week, dan wel
- dat aannemelijk wordt gemaakt dat de
ouder(s) van het meerderjarig kind of de
meerderjarige kinderen met het
indicatiebesluit één of meer van de in
het indicatiebesluit opgenomen soorten
zorg, waarvoor geen persoonsgebonden
budget wordt ontvangen en waarvoor geen
gebruik wordt gemaakt van zorg die door
een zorgaanbieder op grond van de AWBZ
wordt verleend, aan dat kind verlenen
voor ten minste het aantal uren waar dat
kind met betrekking tot die zorg volgens
dat indicatiebesluit op is aangewezen
doch in totaal voor ten minste tien uren
per week.
Zesde
lid
Indien
een persoon op grond van het vijfde lid
niet tot het gezin behoort, wordt hij als
alleenstaande aangemerkt. De "achterblijvers" worden aangemerkt als
gezin. Dat betekent bijvoorbeeld dat
indien in een gezin van twee gehuwden
met één of meer meerderjarige kinderen -
en eventueel ook minderjarige
kinderen - van één van de ouders op
grond rblz.|49|
van het vijfde lid wordt besloten
dat deze niet behoort tot het gezin,
deze wordt aangemerkt als alleenstaande
en de andere personen samen als gezin.
Indien in een gezin van een
alleenstaande ouder met een meerderjarig
kind dat meerderjarige kind de
alleenstaande ouder verzorgt, wordt de
ouder aangemerkt als alleenstaande. De
laatste zinsnede van dit artikellid
merkt voor de toepassing van paragraaf
3.2 van de Wwb
een meerderjarig persoon
als alleenstaande aan indien het gezin
alleen uit deze persoon bestaat omdat
het andere gezinslid of de andere
gezinsleden niet tot gezin behoren op
grond van het vijfde lid. Dit is
bijvoorbeeld het geval in de situatie
dat een alleenstaande met één
meerderjarig kind een gezin vormt en de
alleenstaande of dat kind op grond van
het vijfde lid niet tot het gezin
behoort. In dat geval worden beide
aangemerkt als alleenstaande. Voorgaande
geldt ook voor het meerderjarig inwonend
kind dat eigenlijk tot een gezin zou
behoren, maar dat niet als meerderjarig
kind wordt aangemerkt op grond van het
tweede lid van artikel 4 en dus niet tot
een gezin behoort.
In
de situatie dat een alleenstaande ouder
(die de volledige zorg heeft voor één of
meer tot zijn last komende minderjarige
kinderen) met één meerderjarig kind
een gezin vormt en de alleenstaande
ouder of het meerderjarige kind op grond
van het tweede of vijfde lid niet tot
het gezin behoort, wordt de "achterblijver" voor de toepassing van
paragraaf 3.2 van de Wwb
als
alleenstaande ouder aangemerkt.
Onderdelen
C, M,
N,
Y, onder 1,
AB, onder 1 en 2,
AC, onder 1,
AK, onder 1, en
AN
(artikelen 5, 18, 19, 31, eerste lid,
34, eerste en tweede lid, 35, eerste
lid, 45, derde lid, en 47c)
In
de huidige artikelen
5, 18,
19, 31,
eerste lid, 34, eerste en tweede lid,
35, eerste lid,
45, derde lid, en
47c
wordt verwezen naar het begrip "gezin". Doordat alleenstaande ouders
die geen inwonende meerderjarige
kinderen hebben niet meer onder het
nieuwe begrip "gezin" vallen, wordt in
de genoemde artikelen een verwijzing
toegevoegd naar de alleenstaande ouder
met zijn ten laste komende kinderen.
Onderdeel
D (artikel
6)
Dit
betreft een technische aanpassing in
verband met de intrekking van de WIJ.
Onderdeel
E (artikel 7)
In
artikel 7, derde lid, is bepaald in
welke gevallen het college geen
ondersteuning kan verlenen.
In
onderdeel a is geregeld dat het college
geen ondersteuning kan bieden aan de
persoon jonger dan 27 jaar indien hij
(nog) uit ’s Rijks schatkist bekostigd
onderwijs volgt of daarvoor in
aanmerking komt.
In
onderdeel b staat dat het college
gedurende vier weken na de melding,
indien het personen betreft die pas vier
weken na melding een aanvraag kunnen
indienen, geen ondersteuning kan
aanbieden. Dit omdat de eigen
verantwoordelijkheid van betrokkene
vooropstaat en deze derhalve vanaf de
melding ten minste vier weken alles in
het werk moet stellen om zelf algemeen
geaccepteerde arbeid te verwerven (zie
de voorgestelde artikelen
41, vierde
lid, 44, tweede lid, en
43, vierde lid).
Aan
de personen, bedoeld in artikel
7, derde
lid, onderdeel a en b, kan ook geen
re-integratievoorziening worden
aangeboden op grond van de Wet
participatiebudget (zie artikel XXII,
onderdeel B).
rblz.|50|
In onderdeel
c is bepaald dat het college
geen ondersteuning kan aanbieden aan
personen die een uitkering van het UWV
ontvangen. Dit staat ook al in het
huidige derde lid van artikel 7 en
hierin wordt dus geen verandering
gebracht. Overigens worden de tweede en
derde zin van het huidige derde lid voor
de leesbaarheid ondergebracht in het
nieuwe zevende lid.
Ten slotte
wordt in het achtste lid van artikel 7
geregeld dat ondersteuning in de vorm
van een participatieplaats niet mogelijk
is voor personen onder 27 jaar. Dit
omdat dat thans niet mogelijk is voor
personen jonger dan 27 jaar die recht
hebben op een inkomensvoorziening op
grond van de WIJ.
Onderdeel
F (artikel 8)
Aan
artikel 8, eerste lid, van de Wwb
wordt
een onderdeel g toegevoegd waarin wordt
geregeld dat de gemeenteraad in een
verordening regels moet stellen met
betrekking tot het verlenen van
bijzondere bijstand aan een persoon met
kinderen voor kosten in verband met
maatschappelijke participatie van dat
kind. Aan het tweede lid wordt een
onderdeel d toegevoegd waarin wordt
geregeld dat in die verordening in ieder
geval geregeld moet worden op welke
wijze het begrip maatschappelijke
participatie wordt ingevuld.
Onderdeel
H (artikel 9)
Eerste
lid, aanhef
In
de aanhef van het eerste lid wordt op
dit moment verwezen naar de leeftijd van
27 jaar omdat personen jonger dan 27
jaar geen recht hebben op algemene
bijstand. Omdat door invoering van dit
wetsvoorstel personen vanaf 18 jaar
recht op algemene bijstand hebben, dient
in de aanhef ook naar 18 jaar verwezen
te worden.
Eerste
lid, onderdeel b
Hoewel één en ander al volgt uit de
medewerkingsverplichting van artikel
17,
tweede lid, wordt in artikel
9, eerste
lid, onderdeel b, voor alle
duidelijkheid expliciet geregeld dat de
belanghebbende dient mee te werken aan
het opstellen, uitvoeren en evalueren
van het plan van aanpak, bedoeld in
artikel 44a van de Wwb. Overtreding van
deze verplichting leidt op grond van
artikel 18, tweede lid, van de Wwb
tot
een verlaging van de bijstand, tenzij
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Derde lid
Indien
de bijstand wordt verleend aan een
gezin, gelden de verplichtingen met
betrekking tot arbeidsinschakeling en
tegenprestatie voor alle meerderjarige
gezinsleden. Zij zijn immers gezamenlijk
verantwoordelijk voor de voorziening in
de noodzakelijke kosten van het bestaan.
Vijfde
lid
In
het vijfde lid is geregeld dat de
verplichtingen in het eerste lid,
onderdeel a en b, (de plicht om
algemeen geaccepteerde arbeid te
verkrijgen en aanvaarden en de plicht om
gebruik te maken van een aangeboden
voorziening) op twee groepen personen
niet van toepassing zijn. Dit betreft
ten eerste de personen die op grond van
een (her)indicatiebeschikking tot de
doelgroep van de Wsw
behoren. Dit staat ook
al in het huidige vijfde lid. Daarnaast
wordt er een tweede groep aan
toegevoegd. Dit betreft de personen die
een uitkering rblz.|51|
op grond van de Wet Wajong
ontvangen. Op grond van hoofdstuk 3 van
de Wet Wajong hebben jonggehandicapten
geen verplichting tot het verkrijgen en
aanvaarden van arbeid. Het opleggen van
een dergelijk verplichting op grond van
de Wwb strookt daar niet mee. Op grond
van hoofdstuk 2 hebben jonggehandicapten
reeds de verplichting algemeen
geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te
aanvaarden. Het UWV
is verantwoordelijk
jonggehandicapten aan het werk te helpen
en jonggehandicapten zijn verplicht door
het UWV aangeboden voorzieningen te
accepteren. Het opleggen van dergelijke
verplichtingen op grond van de Wwb is
derhalve niet noodzakelijk.
Zesde
lid
De
plicht om algemeen geaccepteerde arbeid
te aanvaarden en de plicht tot
tegenprestatie gelden voor een persoon ("verzorger") als bedoeld in
artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, die zorg
verleent aan een persoon ("zorgbehoeftige") waarvan het college
op grond van dat artikel
4, vijfde lid,
kan besluiten dat die niet tot het gezin
behoort pas als het college zich
genoegzaam heeft overtuigd dat de "verzorger" de te verlenen zorg kan
combineren met die verplichtingen.
Deze
bepaling is slechts van toepassing als
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel
4, vijfde lid, is voldaan. Zo dient
bijvoorbeeld de "verzorger" ten minste
het aantal uren zorg te verlenen als
waarop de "zorgbehoeftige" op grond
van het indicatiebesluit is aangewezen (artikel
4, vijfde lid, onderdeel c).
Het
is daarbij echter niet van belang of een
verzoek als bedoeld in dat vijfde lid,
aanhef, is ingediend. Verder is het ook
niet van belang of het college een
positief besluit heeft genomen op een
dergelijk verzoek. Het betreft immers
een bevoegdheid van het college: het
college hoeft het verzoek niet te
honoreren ook al wordt aan de
voorwaarden voldaan. Indien er dus aan
de voorwaarden uit het vijfde lid wordt
voldaan, maar er geen verzoek is
ingediend of indien het verzoek niet
wordt ingewilligd, heeft het college
toch de plicht om zich genoegzaam te
overtuigen van de mogelijkheid de zorg
en de verplichtingen te combineren.
Onderdeel
I (artikel 9a)
Artikel 9a
van de Wwb, waarin de ontheffing van
de arbeidsverplichting voor
alleenstaande ouders met een kind tot 5 jaar is geregeld, vervalt.¹ In
artikel 78p, eerste lid, van de
Wwb wordt overgangsrecht opgenomen voor
alleenstaande ouders die op de dag vóór
de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
een ontheffing hebben op grond van
artikel 9a van de Wwb.
1.
Redactie: tijdens de
parlementaire behandeling van onderhavig
wetsvoorstel is besloten de
specifieke ontheffing van de
arbeidsverplichting voor alleenstaande
ouders met kinderen tot 5 jaar te
handhaven.
Onderdeel
J (artikel
11)
In
het vierde lid wordt geregeld dat indien
er bijstand aan een gezin wordt
verleend, deze bijstand toekomt aan alle
meerderjarige gezinsleden die recht op
die bijstand hebben.
Onderdeel
K (artikel 12)
Met
deze aanpassing wordt geregeld dat
artikel 12 alleen ziet op de situatie
dat de betrokkene alleenstaande of
alleenstaande ouder is en dus geen
onderdeel uitmaakt van het gezin van
zijn ouders. Daarnaast wordt deze
bepaling technisch aangepast in verband
met de intrekking van de WIJ.
rblz.|52|
Onderdeel
L (artikel 13)
Eerste
lid
In
het eerste lid van artikel 13 staan de
uitsluitingsgronden voor het recht op
algemene en bijzondere bijstand. Omdat
de uitsluitingsgrond in het huidige
onderdeel f alleen op het recht op
bijzondere bijstand ziet, is aan dat
onderdeel een zinsnede toegevoegd "voor
zover het het recht op bijzondere
bijstand betreft". Doordat door
invoering van dit wetsvoorstel de WIJ
wordt ingetrokken en er recht op
algemene bijstand bestaat vanaf 18 jaar,
komt die uitsluitingsgrond echter ook
voor het recht op algemene bijstand te
gelden. Om die reden kan de genoemde
zinsnede vervallen in onderdeel f.
Tweede
lid
Het
tweede lid wordt opnieuw vastgesteld.
Bij deze vaststelling is rekening
gehouden met het bij koninklijke
boodschap van 18 maart 2011 ingediende
voorstel van wet tot intrekking van de Wet
werk en inkomen kunstenaars (Kamerstukken 32 701) (hierna:
wetsvoorstel tot intrekking van de Wwik).
Het
nieuwe onderdeel a komt overeen met het
onderdeel a van het tweede lid van
artikel 13 zoals dat luidde vóór 1
januari 2011. Deze bepaling is vervallen
omdat personen jonger dan 27 jaar op dit
moment geen recht op algemene bijstand
hebben. Echter in verband met de
intrekking van de WIJ
dient ook deze
uitzonderingsbepaling voor jongeren van
18, 19 of 20 jaar die in een inrichting
verblijven weer teruggehaald te worden.
Onderdeel
b van het tweede lid komt overeen met
het huidige onderdeel c. Het huidige
onderdeel c ziet echter alleen op
gehuwden, terwijl het nieuwe onderdeel b
op het gezin ziet.
Het
onderdeel regelt dat als een persoon
onbetaald verlof geniet, hij geen recht
op bijstand heeft. Dit geldt ook voor de
gezinsleden van diegene die onbetaald
verlof geniet, voor zover het gebrek aan
middelen van die gezinsleden voortkomt
uit het feit dat die persoon onbetaald
verlof geniet. Een uitzondering is
gemaakt voor de persoon die
alleenstaande ouder (dus: met alleen ten
laste komende kinderen en eventuele
uitwonende meerderjarige kinderen) is of
alleenstaande ouder is met meerderjarige
inwonende kinderen.
In
het nieuwe onderdeel c wordt geregeld
dat de jongere geen aanspraak op
algemene bijstand heeft indien hij (nog)
uit ’s Rijks schatkist bekostigd
onderwijs kan volgen (zie ook de
aanpassing van artikel
7, derde lid).
Dit overigens onder de voorwaarde dat de
jongere - ingeval hij dat onderwijs
zou gaan volgen - dan in aanmerking
zou komen voor studiefinanciering
op
grond van de WSF
2000.
Er is geen
reden om hem voor algemene bijstand in
aanmerking te laten komen indien de
mogelijkheid van het volgen van
dergelijk onderwijs met
studiefinanciering openstaat.
Studiefinanciering wordt voor hem immers
als een passende en toereikende
voorliggende voorziening aangemerkt.
Evenals
thans in artikel
42, eerste lid,
onderdeel c, van de WIJ
is geregeld,
wordt in het nieuwe onderdeel d van
artikel 13, tweede lid, geregeld dat
personen jonger dan 27 jaar van het
recht op algemene bijstand zijn
uitgesloten voor zover uit hun houding
en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat
zij de verplichtingen, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, of artikel 55 van
de Wwb, niet willen nakomen. In
artikel 18, tweede lid, van de
Wwb is al een
regeling opgenomen omtrent de verlaging
van de bijstand in geval rblz.|53|
van het niet
nakomen van genoemde verplichtingen. In
dat geval dient het besluit tot
verlaging in ieder geval na drie maanden
heroverwogen te worden. Indien en zolang
uit de houding en het gedrag van de
jongere echter ondubbelzinnig blijkt dat
hij niet wil voldoen aan één of meer van
de verplichtingen van artikel
9, eerste
lid, en artikel 55 van de
Wwb, zijn de
gevolgen ernstiger. In dit geval bestaat
er geen recht op bijstand. Hierbij is
het college ook niet verplicht om dit
besluit na een bepaalde tijd te
heroverwegen.
Vierde
lid
In
artikel 13, eerste lid, onderdeel e, van
de Wwb is geregeld dat degene die per
kalenderjaar langer dan vier weken
verblijf houdt buiten Nederland dan wel
een aangesloten periode van langer dan
vier weken verblijf houdt buiten
Nederland geen recht heeft op bijstand.
In artikel
13, vierde lid, van de Wwb
zijn de uitzonderingen hierop opgenomen.
In dit onderdeel wordt artikel
13,
vierde lid, van de Wwb
zodanig gewijzigd
dat er uitsluitend een uitzondering op
die hoofdregel wordt gemaakt voor
personen van 65 jaar of ouder. Op grond
van het vierde lid (nieuw) mogen
personen van 65 jaar of ouder per
kalenderjaar acht weken verblijf houden
buiten Nederland dan wel een
aaneengesloten periode van acht weken
verblijf houden buiten Nederland.
Onderdelen
O, P en
Q (artikelen 20, 21 en 22)
Er
worden normen vastgesteld voor
alleenstaanden, alleenstaande ouders en
gezinnen. In verband met de intrekking
van de WIJ wordt
- evenals dat vóór 1
januari 2011 het geval was - binnen de
normen onderscheid gemaakt tussen
personen van 21 jaar of ouder en
personen van 18, 19 of 20 jaar. De
normen voor alleenstaanden en
alleenstaande ouders komen overeen met
de normen zoals die voor de
desbetreffende situatie thans gelden op
grond van de Wwb
en de WIJ.
In
artikel 21, eerste lid, wordt de
gezinsnorm vastgesteld voor een gezin
waarvan alle gezinsleden 18 jaar of
ouder doch jonger dan 65 jaar zijn. Dit
komt overeen met de huidige gehuwdennorm
waarbij beide echtgenoten jonger dan 65
jaar zijn. In het tweede lid worden de
normen geregeld voor situaties waarin
alle gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn
en één van hen 18, 19 of 20 jaar.
In
onderdeel c van het tweede lid van
artikel 21 staat de norm voor een gezin
dat bestaat uit twee personen van 18, 19
of 20 jaar, een persoon tussen de 21 en
65 jaar en waartoe geen ten laste
komende kinderen behoren. Deze norm is
opgebouwd uit de norm voor een gezin dat
bestaat uit twee personen van 18, 19 of
20 jaar zonder ten laste komende
kinderen (artikel
21, tweede lid,
onderdeel a, onder 1º) en de norm voor
een alleenstaande van 21 jaar of ouder (artikel
20, eerste lid, onderdeel b).
In
artikel 22 wordt de gezinsnorm
vastgesteld voor een gezin waarvan één
of meerdere gezinsleden 65 jaar of ouder
zijn. Dit komt overeen met de huidige
gehuwdennormen waarbij één of beide
echtgenoten 65 jaar of ouder zijn.
Onderdeel
R (artikel 23)
Eerste
lid
|