|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2010-2011, 32 846
Wijziging
van de Algemene Ouderdomswet en andere wetten in verband met wijziging
van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (Wet wijziging
ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Uitwerking voorstel |
| 3 |
Inkomenseffecten |
| 4 |
Financiële gevolgen |
| 4.1 |
Uitkeringslasten |
| 4.2 |
Uitvoeringskosten
|
| 4.3 |
Financiering |
| 4.4 |
Administratieve lasten |
| 5 |
Uitvoeringsaspecten |
| 6 |
Gevolgen voor de wetgeving op andere
terreinen |
| 7 |
Ontvangen commentaren |
| 7.1 |
Toezichtstoets IWI |
| 7.2 |
Uitvoeringstoets SVB |
| 7.3 |
Uitvoeringstoets UWV |
| 7.4 |
Uitvoeringspanel
gemeenten |
| 7.5 |
Actal |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XXIII |
Algemeen
1.
Inleiding
In
de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt nu nog onderscheid gemaakt tussen
de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen volgens die wet ontstaat
(de pensioengerechtigde leeftijd) en de datum waarop het
AOW-ouderdomspensioen ingaat (de ingangsdatum). In de huidige AOW
ontstaat recht op ouderdomspensioen bij het bereiken van de leeftijd van
65 jaar en gaat het ouderdomspensioen in op de eerste dag van de maand
waarin de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Dit is
bij de totstandkoming van de wet in 1957 bepaald. Hier is destijds
uitsluitend om administratieve redenen voor gekozen.¹
In
het regeerakkoord ² is afgesproken het
AOW-ouderdomspensioen met ingang van 1
januari 2012 niet meer te laten ingaan
op de eerste dag van de maand waarin de
belanghebbende de pensioengerechtigde
leeftijd bereikt, maar met ingang van de
dag waarop de belanghebbende die
leeftijd bereikt ("AOW vanaf
pensioneringsdatum"). Dit wetsvoorstel
strekt tot uitvoering van deze afspraak.
Met deze maatregel wordt een bijdrage
geleverd aan de doelstelling van het
kabinet om de overheidsfinanciën weer
gezond te maken.
1. Kamerstukken
II 1954-1955, 4900 [lees: 4009, red.], nr. 3, blz. 58.
2. Regeerakkoord VVD-CDA, Bijlage F, Inkomensoverdrachten, punt 11, blz.
13.
2.
Uitwerking voorstel
Feitelijk
betekent het voorstel dat het
onderscheid tussen het ontstaan van het
recht op AOW-ouderdomspensioen en het
ingaan van het AOW-ouderdomspensioen
verdwijnt. Dit komt overeen met de
systematiek in vele andere socialezekerheidswetten, zoals de Werkloosheidswet,
Ziektewet en Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen, waarin
de uitkering ook ingaat op de dag dat
het recht ontstaat.
rblz.|2|
Doorwerking
in andere wetgeving
De
gelijkstelling van de ingangsdatum van
het AOW-ouderdomspensioen aan de
pensioengerechtigde leeftijd brengt met
zich mee dat ook andere wetgeving moet
worden aangepast. De beëindiging van
het recht op een uitkering op basis van
de verschillende
werknemersverzekeringen,¹ de volksverzekering Algemene
nabestaandenwet (Anw) en sociale
voorzieningen ² sluit aan op de
ingangsdatum van het
AOW-ouderdomspensioen. Dit wetsvoorstel
strekt er tevens toe om in al die
socialezekerheidswetten waarin
aansluiting is gezocht bij de
AOW-ingangsdatum in de desbetreffende
artikelen de verwijzing naar de
AOW-ingangsdatum aan te passen. Zo wordt
voorkomen dat een gat ontstaat tussen de
beëindiging van een uitkering en het
ingaan van het AOW-ouderdomspensioen.
De
systematiek van premieheffing, die
aansluit op de huidige ingangsdatum van
het AOW-ouderdomspensioen, zal niet
worden aangepast. In het verleden is de
loon- en premieheffing op de eerste van
de maand afgesteld om de uitvoering door
de belastingdienst en de administratie
van inhoudingsplichtigen te ontlasten.
Het laten meeschuiven van deze
systematiek naar de dag dat iemand de
pensioengerechtigde leeftijd bereikt,
zou leiden tot hogere uitvoeringskosten
en hogere administratieve lasten. De
hoogte van de loonheffing zou in die
maand afhankelijk worden van de datum
waarop de 65-jarige leeftijd wordt
bereikt, waardoor de uitvoeringspraktijk
zou moeten worden geconfronteerd met
circa 30 extra maandtabellen.
Het
wijzigen van de ingangsdatum van het
AOW-ouderdomspensioen, zonder aanpassing
van de systematiek van premieheffing,
brengt wel extra uitvoeringskosten mee
voor de inhoudingsplichtigen. Bij de
uitbetaling van loon of een uitkering in
de maand waarin de belanghebbende 65
jaar wordt, moet een afwijkende
systematiek voor loon- en premieheffing
worden toegepast. Immers, vanaf de
eerste dag van de maand dat iemand 65
wordt, hoeft men geen premie AOW en
premie werknemersverzekeringen meer te
betalen en is sprake van een lagere
algemene heffingskorting.
1. Zoals de Werkloosheidswet
(WW), de Toeslagenwet (TW), Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Ziektewet
(ZW).
2. Zoals onder meer de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz).
Arbeidsvoorwaardelijke
regelingen
Het
wettelijke verbod op
leeftijdsdiscriminatie ¹ is zo
geformuleerd dat dit niet geldt als de
arbeidsverhouding of het ambtelijk
dienstverband wordt beëindigd in
verband met het bereiken van de leeftijd
waarop op grond van de AOW
recht op
ouderdomspensioen ontstaat.
In
arbeidsovereenkomsten en ambtelijke
aanstellingen wordt standaard uitgegaan
van functioneel leeftijdsontslag bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd. Op
dat moment gaat ook de uitkering
krachtens het tweedepijlerpensioen
in. In de praktijk blijken aan dit
moment meerdere uitleggen te worden
gegeven: de eerste dag van de maand
waarin men 65 jaar wordt, de
verjaardagsdatum zelf en de eerste dag
van de maand die volgt op de maand
waarin men 65 jaar wordt, zijn de drie
meest voorkomende mogelijkheden.
De
relatie tussen de ingangsdatum van het
AOW-ouderdomspensioen en
arbeidsvoorwaardelijke regelingen is
voorgelegd aan sociale partners.
Richting sociale partners is benadrukt
dat door de voorgenomen wijziging van de
ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen zich
een situatie kan voordoen waarin een
werknemer per de eerste van de maand
waarin hij 65 jaar wordt met pensioen
gaat, maar pas op zijn feitelijke
verjaardag zijn AOW-ouderdomspensioen
ziet ingaan. Het is aan CAO-partijen de
(CAO-)regeling met betrekking tot
functioneel leeftijdsontslag zo te
wijzigen dat dit ontslag niet eerder
ingaat dan op de dag dat betrokken
werknemer de pensioengerechtigde
leeftijd bereikt. Indien hiervoor wordt
gekozen, dienen reeds opgebouwde
pensioenrechten op actuarieel neutrale
wijze te worden omgezet naar de
gewijzigde pensioeningangsdatum.
rblz.|3|
Naast
arbeidsvoorwaardelijke regelingen met
bepalingen over ontslag in verband met
het bereiken van de pensioenleeftijd,
bestaan er ook private
inkomensverzekeringen in aanvulling op
de sociale zekerheid. Ook in deze
private regelingen kan aansluiting zijn
gezocht bij de ingangsdatum van het AOW-ouderdomspensioen. Het is aan de
contractspartijen (verzekeraars en hun
klanten) om te bezien of het wenselijk
is dat deze regelingen worden aangepast.
1. Zie artikel 7, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet
gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid.
3.
Inkomenseffecten
Als
gevolg van het wetsvoorstel wordt het AOW-ouderdomspensioen uitgekeerd vanaf
de dag dat de pensioengerechtigde
leeftijd is bereikt. Nu is het nog zo
dat het AOW-ouderdomspensioen wordt
uitgekeerd vanaf de eerste dag van de
maand dat de pensioengerechtigde
leeftijd is bereikt. Dit betekent dat
het recht op AOW-ouderdomspensioen met
gemiddeld een halve maand wordt
uitgesteld.
Voor
uitkeringsgerechtigden zijn er beperkte
inkomenseffecten vanwege het doorlopen
van de sociale uitkeringen tot het
moment dat zij de pensioengerechtigde
leeftijd bereiken.
Voor
werknemers en vervroegd gepensioneerden
zal het inkomenseffect negatief zijn;
deze groep heeft nadeel van de
verschuiving van de ingangsdatum van de
AOW-ouderdomsuitkering naar de dag
waarop men 65 jaar wordt. Wanneer
werknemers doorwerken tot de
pensioengerechtigde leeftijd is bereikt
of wanneer pensioenuitvoerders de
uitkering van vervroegd gepensioneerden
uitkeren tot het moment dat de
pensioengerechtigde leeftijd is bereikt,
worden de inkomenseffecten
gecompenseerd.
4.
Financiële gevolgen
4.1.
Uitkeringslasten
De maatregel leidt tot de
besparingsreeks die is weergegeven in
tabel 1. Een deel van de brutobesparing
op de AOW-uitkeringslasten wordt
tenietgedaan doordat andere uitkeringen,
zoals WW en WIA, langer worden
doorbetaald. Omdat op dit moment nog
veel ouderen een relatief dure
loongerelateerde
arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben,
is deze weglek de eerste jaren erg hoog.
De hoogte van de besparing neemt af in
de tijd, omdat de instroom in de AOW
iets afneemt (de grootste babyboomgolf
stroomt in in 2011 en 2012).
Tabel
1. Besparing (€|mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Brutobesparing AOW |
106 |
100 |
97 |
95 |
| Weglek
naar andere SZ-uitkeringen |
x42 |
x40 |
39 |
38 |
| Nettobesparing |
x64 |
x60 |
58 |
57 |
4.2.
Uitvoeringskosten
Het
wetsvoorstel leidt voor het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) tot eenmalige extra uitvoeringskosten van
€|0,3 mln voor aanpassing ICT,
klantproducten en opleiding. Voor het
langer gaan beheren en uitbetalen van de
uitkeringen gaan de uitvoeringskosten
van het UWV structureel met €|0,15 mln
per jaar omhoog.
De
Sociale verzekeringsbank (SVB) zal voor
de invoering van het wetsvoorstel eenmalig
€|0,5 mln kosten maken voor
aanpassing ICT, klantproducten en
opleiding. De uitvoeringskosten die
jaarlijks zullen worden gemaakt met de
verschuiving van de ingangsdatum zullen
in het eerste jaar toenemen met €|1,8
mln. Deze extra uitvoeringskosten zullen
met de jaren flink afnemen en vanaf 2015
€|0,2 mln bedragen. Een
rblz.|4|
belangrijke
oorzaak hiervoor is dat de extra
inkomensonderzoeken die de SVB zal gaan
uitvoeren op den duur niet meer nodig
zijn. Deze extra inkomensonderzoeken
zijn in de eerste jaren nodig, omdat
arbeidsvoorwaardelijke regelingen die nu
nog uitgaan van de ingangsdatum op de
eerste dag van de maand van 65, leiden
tot meerdere inkomensmutaties binnen
dezelfde maand. Aangezien de
arbeidsvoorwaardelijke regelingen zullen
worden aangepast, nemen de
inkomensbeoordelingen af en dalen de
uitvoeringskosten.
Tabel
2. Uitvoeringskosten (€|mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Eenmalig |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| UWV |
0,32 |
0,15 |
0,15 |
0,15 |
0,15 |
| SVB |
0,47 |
1,80 |
1,06 |
0,93 |
0,19 |
| Totaal |
0,79 |
1,95 |
1,21 |
1,08 |
0,34 |
4.3.
Financiering
De
verschuiving van de beëindigingdatum
van de verschillende socialezekerheidsuitkeringen en voorzieningen
leidt ertoe dat gemeenten, UWV
en SVB langer of hogere uitkeringen moeten
doorbetalen en dat daarmee de
uitkeringslasten toenemen (zoals ook in
tabel 1 te zien is). Tegelijkertijd
zorgt de verschuiving van de
ingangsdatum van het AOW-ouderdomspensioen
voor een verlaging
van de uitkeringslasten voor de AOW. De
uitvoerders worden hiervoor
gecompenseerd.
4.4.
Administratieve lasten
Zoals
al in hoofdstuk 2 is beschreven, zal in
de systematiek van de loon- en
premieheffing, die aansluit op de
huidige ingangsdatum van het AOW-ouderdomspensioen, geen wijziging
worden aangebracht. Per de eerste dag
van de maand van 65 worden is sprake van
een lagere inkomstenbelasting en
verandert de toepassing van
heffingskortingen. In die
arbeidscontracten die uitgaan van
leeftijdsontslag per de eerste dag van
de maand waarin iemand 65 wordt, behoeft
de werkgever thans geen rekening te
houden met een wijziging van het loon-
en premieheffingsregime voor
65-plussers. Dit wordt anders op het
moment dat de datum van ontslag in deze
contracten verschuift naar (ten minste)
de dag waarop men de pensioengerechtigde
leeftijd bereikt en daarmee het
AOW-ouderdomspensioen ingaat. Deze
bepaalde groep werkgevers moet in de
loonadministratie voor deze periode de
loon- en premieheffingsystematiek voor
65 jaar of ouder invoeren. Hetzelfde
geldt voor de uitvoeringsinstanties die
de loonheffing op de uitkeringen nu ook
voor de periode vanaf de eerste van de
maand van 65 worden tot de verjaardag
moeten inhouden.
Het
verschuiven van de ingangsdatum van de AOW
heeft geen structurele gevolgen voor
de administratieve lasten van burgers,
omdat er geen nieuwe
informatieverplichtingen ontstaan. Wel
ontstaat er na invoering van het
wetsvoorstel een tijdelijke
administratieve last, omdat de nieuwe
regelgeving tijdelijk tot extra vragen
van burgers richting de SVB
zal leiden.
Deze administratieve last bedraagt in
totaal ongeveer 4000 uur en neemt met
de jaren af. Daarnaast leidt het
wetsvoorstel tot een tijdelijke toename
van administratieve lasten voor burgers
die een inkomensafhankelijke uitkering
ontvangen voorafgaand aan de eerste
AOW-ouderdomsuitkering. In deze periode
is namelijk sprake van meerdere
inkomensveranderingen op verschillende
momenten, die van belang zijn voor de
hoogte van hun inkomensafhankelijke
uitkering. In 2012 nemen daardoor de
administratieve lasten toe met 68 000
uur en €|68
000,-. Deze administratieve
lasten zullen, door aansluiting van rblz.|5|
arbeidsvoorwaardelijke regelingen aan de
nieuwe ingangsdatum van het
AOW-ouderdomspensioen, in enkele jaren
afnemen tot nihil.
Tot
slot kunnen door dit wetsvoorstel de
administratieve lasten van de burgers
toenemen in het geval dat de werkgever
de werknemer op de eerste dag van de
maand waarin men de pensioengerechtigde
leeftijd bereikt, ontslaat en de
werknemer voor de periode tot de
ingangsdatum van het AOW-ouderdomspensioen een aanvraag moet
doen voor een WW- of bijstandsuitkering.
Deze situatie kan zich echter niet
structureel voordoen. Zoals hiervoor al
is uiteengezet, is het aan CAO-partijen
de (CAO-)regeling met betrekking tot
functioneel leeftijdsontslag zo te
wijzigen dat dit ontslag niet eerder
ingaat dan op de dag dat betrokken
werknemer de pensioengerechtigde
leeftijd bereikt. Wel kan het voorkomen
dat in de overgangssituatie waarin
regelingen nog niet zijn aangepast de
werknemer mogelijk een procedure moet
aanspannen tegen de werkgever of bezwaar
moet aantekenen tegen de beslissing van het UWV
om de uitkering te weigeren,
teneinde een overbrugging te ontvangen
tot aan het ingaan van het
AOW-ouderdomspensioen.
5.
Uitvoeringsaspecten
Het
wetsvoorstel zal enerzijds tot
uitvoeringsaanpassingen leiden voor de
uitvoering, maar de aanpassing van de
verschillende socialezekerheidswetten
leidt ook tot een vereenvoudiging van de
uitvoering. Voor uitkeringsgerechtigden
die overlijden in de maand dat zij de
pensioengerechtigde leeftijd hebben
bereikt, maar nog vóór dat ze
daadwerkelijk deze leeftijd bereikt
hebben, is thans nog een bijzondere
regeling getroffen. Deze regeling is
noodzakelijk omdat deze personen zonder
die regeling, over de maand van
overlijden geen recht zouden hebben op
een uitkering, noch op een
overlijdensuitkering daarna en evenmin
op een AOW-ouderdomsuitkering. De
uitkering eindigt immers per de eerste
van de maand van 65 worden en recht op
een AOW-ouderdomsuitkering ontstaat pas
als men de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt. De regeling dient om dit
"gat" te repareren en houdt in dat de
uitkering in dat geval niet per de
eerste van de maand wordt beëindigd,
maar gewoon doorloopt tot de dag van
overlijden en dat na die dag gewoon
recht ontstaat op de
overlijdensuitkering. Met de beoogde
wetswijziging wordt de regeling
overbodig, aangezien deze als gevolg
heeft dat de uitkering doorloopt tot de
dag van overlijden en men daarna recht
krijgt op de overlijdensuitkering.
Het
schrappen van de bijzondere regeling
levert voor het UWV
een vereenvoudiging
op omdat voor deze bijzondere categorie
van personen, in afwijking van de
normale regeling, niet meer behoeft te
worden geregeld dat de uitkering na de
eerste dag van de maand doorloopt.
6.
Gevolgen voor de wetgeving op andere
terreinen
In
dit wetsvoorstel zijn de wijzigingen die
betrekking hebben op de wijziging van de
ingangsdatum van het AOW-ouderdomspensioen opgenomen in
artikel I. In de artikelen II tot en met
XIV zijn de wijzigingen van de overige socialezekerheidswetten opgenomen. De
artikelen XV tot en met XXI bevatten de
wijzigingen in de wetgeving van andere ministeries. Dit betreft de
ministeries
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(artikelen XV en
XVI), van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie (artikel
XVII), van
Infrastructuur
en Milieu (artikel
XVIII), van
Veiligheid en
Justitie (artikel
XIX) en van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(artikelen XX en
XXI).
Wat
de wetgeving van het ministerie van
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties (artikelen XV en
XVI) betreft, worden wijzigingen
aangebracht in de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers
(Appa) en de
Samenloopregeling
Indonesische pensioenen 1960.
rblz.|6|
7.
Ontvangen commentaren
Het
wetsvoorstel is voor een toets
voorgelegd aan IWI [Inspectie
Werk en Inkomen, red.],
SVB, UWV, het
Uitvoeringspanel gemeenten en Actal [Adviescollege
vermindering administratieve lasten, red.].
7.1.
Toezichtstoets IWI
Uit
de toezichtbaarheidstoets van IWI
is
naar voren gekomen dat het wetsvoorstel
toezichtbaar is.
7.2.
Uitvoeringstoets SVB
De
SVB heeft aangegeven dat
het
wetsvoorstel uitvoerbaar is. Overleg met
de SVB over verschillende
uitvoeringsaspecten heeft geleid tot het
uitbrengen van een aanvullende u-toets
[uitvoeringstoets, red.].
7.3.
Uitvoeringstoets UWV
Uit
de uitvoeringstoets van het UWV
is naar
voren gekomen dat het wetsvoorstel
uitvoerbaar en handhaafbaar is.
7.4.
Uitvoeringspanel gemeenten
Uit
het Uitvoeringspanel gemeenten is gebleken dat
het
wetsvoorstel uitvoerbaar is. Op basis
van enkele opmerkingen van het
uitvoeringspanel is de memorie van
toelichting nog wat verduidelijkt. Het
wetsvoorstel leidt niet tot aanpassing
van de systematiek van de Wwb.
Gemeenten
worden wel gecompenseerd voor een
toename in uitkeringslasten die ontstaat
doordat belanghebbenden door
verschuiving van de AOW-ingangsdatum
inkomen verliezen en daardoor recht
hebben op een hogere bijstandsuitkering.
7.5.
Actal
Naar
aanleiding van de toets van Actal is in
paragraaf 4.4 een meer uitvoerige
omschrijving opgenomen van de gevolgen
die dit wetsvoorstel heeft voor de
administratieve lasten.
Artikelsgewijs
Artikel
I (Algemene Ouderdomswet)
Onderdeel B
In
artikel 16, eerste lid, van de AOW
is
geregeld dat het ouderdomspensioen
ingaat op de eerste dag der maand waarin
de belanghebbende voldoet aan de
voorwaarden voor het recht op
ouderdomspensioen. In artikel 7 van de
AOW is geregeld dat degene die de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt,
recht heeft op ouderdomspensioen
overeenkomstig de bepalingen van de AOW.
Dit betekent dat het
AOW-ouderdomspensioen ingaat op de
eerste dag van de maand waarin de
belanghebbende 65 jaar wordt. Artikel
16, eerste lid, wordt zodanig aangepast
dat de ingangsdatum van het
AOW-ouderdomspensioen wordt gesteld op
de dag dat de belanghebbende de
AOW-leeftijd bereikt.
Onderdeel
A
De
wijziging van artikel
8b, derde lid, van
de AOW vloeit voort uit de wijziging van
artikel 16, eerste lid.
rblz.|7|
Artikelen
V (Toeslagenwet), VII, onderdeel B
(Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen), X, onderdeel B (Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen),
XI, onderdeel B (Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering), XII,
onderdeel B en D (Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten),
XIII onderdeel B (Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen) en XIV, onderdeel
B (Ziektewet)
In
de artikelen 23
Toeslagenwet,
61 Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, 29
Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen,
53
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 2:56
en 3:54 van de
Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten,
74 Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen en 35
Ziektewet is een
bijzondere regeling opgenomen voor de
situatie dat iemand overlijdt in de
maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar
zou bereiken, maar voordat hij deze
leeftijd heeft bereikt. Zonder deze
regeling zou over die maand geen recht
bestaan op een uitkering en
overlijdensuitkering, omdat de uitkering
eindigt met ingang van de eerste dag van
de maand waarin hij 65 jaar wordt, noch
op een ouderdomspensioen op grond van de
AOW, omdat hij niet de leeftijd heeft
bereikt waarop recht op
ouderdomspensioen ontstaat. Daarom wordt
deze persoon in de betreffende regeling
gelijkgesteld aan een verzekerde die
over die maand nog recht op een
uitkering heeft. Gevolg daarvan is dat
de uitkering doorloopt tot aan de dag
van overlijden en dat de uitkering na
het overlijden met ingang van de dag van
overlijden wordt betaald in de vorm van
een overlijdensuitkering, gelijk aan de
uitkering over één maand.
Omdat
dit wetsvoorstel beoogt de datum waarop
de uitkering ingaat geheel te laten
aansluiten op de datum waarop het recht
ontstaat, zal het probleem waarvoor de
bedoelde regeling in de diverse wetten
was getroffen zich niet meer kunnen
voordoen en kan de regeling in alle
betreffende wetten worden geschrapt.
Artikel
XXII (inwerkingtreding)
Dit
wetsvoorstel treedt, na tot wet te zijn
verheven, in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.
Artikel
XXIII (citeertitel)
Gezien
het belang van dit wetsvoorstel en de
verwachting dat deze wet in de praktijk
veelvuldig zal worden aangehaald, is dit
wijzigingswetsvoorstel voor de
duidelijkheid voorzien van een
citeertitel.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J.
Kamp
|