|
rblz.|1|
Kamerstukken
II 2009-2010, 32 154
Wijziging
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
en de Wet
toelating zorginstellingen in verband met het regelen van de
voorwaarden voor aanspraken op langdurige zorg buiten Nederland en de
financiering van deze aanspraken (Wet AWBZ-zorg buitenland)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Noodzaak
van de maatregelen |
| 3 |
Wijziging
van lagere regelgeving |
| 4 |
Uitvoeringstoets
van het CVZ |
| 5 |
Administratieve
lasten |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I en II |
Algemeen
1.
Inleiding
Om
de houdbaarheid van de AWBZ ook op langere termijn in financieel opzicht te borgen, treft
het kabinet verscheidene maatregelen. Zo is onder meer met ingang van 1
januari 2009 een beperking van het pakket, namelijk de herziening van de
functie begeleiding, doorgevoerd. Het onderhavige wetsvoorstel met de
bijbehorende lagere regelgeving behelzen aanscherping van de
regelgeving en beperkingen in de huidige mogelijkheden om in het buitenland
zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) te
genieten, alsmede een beperking van de mogelijkheid voor vreemdelingen om
ten laste van de AWBZ in Nederland zorg in te roepen.
De maatregelen die met
dit wetsvoorstel worden voorgesteld, strekken er niet zozeer toe om een
kostenbesparing te realiseren ten opzichte van het kostenniveau van het
huidige uitgavenpatroon, als wel om te voorkomen dat zich in de toekomst
moeilijk beheersbare en moeilijk controleerbare ontwikkelingen op dit
gebied gaan voordoen. In de praktijk blijkt namelijk dat als gevolg van de
huidige, ruime vergoedingsmogelijkheden in de AWBZ van in het
buitenland verleende zorg er aanbod ontstaat van zorgaanbieders in het buitenland en een
daarmee samenhangende vraag zowel van AWBZ-verzekerden als van instellingen die in het buitenland
zijn (en worden) gevestigd om financiering van die zorg uit - schaarse -
Nederlandse AWBZ-middelen.
Vanuit de overweging dat
het gaat om besteding van publieke middelen acht de regering het van
groot belang dat de collectieve middelen die zijn gemoeid met de
uitvoering van de AWBZ uit zorgtechnisch- en kostenoogpunt op de best mogelijke
wijze worden aangewend. Overzichtelijke en duidelijke
regelgeving draagt hieraan bij.
De Minister en de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben de beleidsvisie
van het kabinet over AWBZ-zorg in het buitenland op 18 september 2007
naar de Tweede Kamer gezonden.¹ Deze beleidsvisie is geformuleerd in
antwoord op de schriftelijke vragen van de Tweede Kamer over het
Rapport "AWBZ-zorg in het buitenland: Hoe globaal is ons
zorgstelsel" van 24 mei 2007.² Dat rapport bevat een inventarisatie
van de mogelijkheden om
onder de vigerende wetgeving ten laste van de AWBZ zorg
in het buitenland te krijgen, de wijze waarop de rblz.|2|
financiering plaatsvindt
en een aantal aanbevelingen met het oog op een betere beheersing zowel
van het aanbod als van de financiering van AWBZ-zorg in het
buitenland.
In de beleidsvisie is
neergelegd welke maatregelen het kabinet voor ogen staan in het kader van
AWBZ-zorg in het buitenland. De Tweede Kamer is toegezegd dat de wet- en
regelgeving met deze beleidsvisie in overeenstemming zal worden gebracht.
Ook in de brief van 13
juni 2008, waarin de toekomstvisie AWBZ aan de Tweede Kamer is
uiteengezet,³ is melding gemaakt van de beleidsvisie inzake de AWBZ-zorg in
het buitenland. Het voorliggende wetsvoorstel is een uitwerking van deze
beleidsvisie.
1. Kamerstukken II 2007-2008, 30 597, nr. 13.
2. Kamerstukken II 2006-2007, 30 597, nr. 8.
3. Kamerstukken II 2007-2008, 30 597, nr. 15.
2.
Noodzaak van de
maatregelen
Financieringsaspecten
In de voorgenoemde
beleidsvisie is aangegeven dat inzicht dient te bestaan in de kosten die
gemoeid zijn met AWBZ-zorg in het buitenland en de consequenties die
dat heeft voor de totaal beschikbare middelen voor AWBZ-zorg.
Een afweging van nut en
noodzaak bij de te verlenen AWBZ-zorg, zoals die tot uitdrukking komt
in het contracteerbeleid van een zorgkantoor met zorgaanbieders in
Nederland, binnen het kader van het financiële budget dat een zorgkantoor in
Nederland ter beschikking staat, bestaat niet voor het verlenen van
AWBZ-zorg in het buitenland. De beslissing tot het verlenen van zorg in het
buitenland ligt namelijk noch organisatorisch, noch financieel bij het
voor zorgverlening in Nederland verantwoordelijke zorgkantoor, maar bij de
individuele zorgverzekeraars. Deze zorgverzekeraars werken in dit verband
echter niet binnen het kader van een tevoren toegekend budget, maar op
declaratiebasis ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten (AFBZ).
Doordat de verlening van
zorg in het buitenland plaatsvindt buiten de reguliere
organisatorische en financiële kaders die gelden voor de
zorgverlening in Nederland, kunnen met
een zekere regelmaat situaties ontstaan waarbij het
publiek en de politiek zich afvragen of het verlenen van zorg in het
buitenland allemaal wel nodig is en of het niet wat minder kan, gelet op beperkte
middelen die beschikbaar zijn voor de zorgverlening in Nederland. Ook dit
geeft naar de mening van de regering aan dat de huidige
wettelijke kaders te veel ruimte openlaten om met overtuiging te kunnen stellen dat de
collectieve middelen die zijn gemoeid met de uitvoering van de
AWBZ uit zorgtechnisch- en kostenoogpunt op de best mogelijke wijze
worden aangewend. Dit is in economisch voorspoedige tijden al van belang,
maar klemt te meer in een tijdsgewricht waarin druk ontstaat tot
collectieve lastenvermindering.
De financiering van AWBZ-zorg in het buitenland is niet eenduidig en transparant geregeld en
verloopt via verschillende kanalen. Kosten komen gedeeltelijk ten laste
van het AFBZ (de kosten op grond van de nationale Nederlandse wetgeving)
en gedeeltelijk ten laste van het Zorgverzekeringsfonds (Zvf) van de
Zorgverzekeringswet (kosten gemaakt met toepassing van de Verordening
¹ of
een verdrag). Het gevolg hiervan is dat onvoldoende duidelijk is welke
kosten voor AWBZ-zorg in het buitenland worden gemaakt en om
welke reden.
Betaling van in het
buitenland verleende AWBZ-zorg op grond van de Nederlandse wetgeving
verloopt via de zorgverzekeraar en wordt door deze op declaratiebasis
ten laste gebracht van het AFBZ. Betaling van in het buitenland verleende
AWBZ-zorg op grond van de Verordening of een verdrag vindt plaats via
het College voor zorgverzekeringen (CVZ) ten laste van het
Zvf.
Betaling van in Nederland verleende AWBZ-zorg verloopt via het
zorgkantoor vanuit het regiobudget.
1. Redactie: Verordening
(EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14
juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen
op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich
binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149).
rblz.|3|
De
belangrijkste kosten
buitenland zoals die door de zorgverzekeraars ten laste van de AWBZ
worden
gebracht zijn de volgende (bedragen x €|1 miljoen):
| Jaar |
Kosten bij wonen |
Kostenrbijrtijdelijkrverblijf
in het buitenland* |
Totaal |
| 2006 |
13,2 |
6,7 |
19,9 |
| 2007 |
11,0 |
7,4 |
18,4 |
* De kosten bij wonen in
het buitenland betreffen nagenoeg alleen de kosten van de
overgangsregeling AWBZ-zorg in het
buitenland.
Daarnaast is er een
financieringsstroom op grond van internationale verdragen en de Europese
socialezekerheidsverordening.¹ In beginsel is er voor AWBZ-zorg in dit
verband geen afzonderlijke registratie, want alle kosten die op grond van
internationale verdragen of de Verordening in het buitenland worden
gemaakt ten behoeve van Nederlandse verzekerden worden ten laste
gebracht van het Zvf. Hierop geldt slechts een afwijking wat betreft de
categorie
grensarbeiders en hun gezinsleden. Van de zorgkosten die in het kader van
internationale regelingen voor deze categorie rechthebbenden aan Nederland worden aangerekend, wordt forfaitair 30%
ten laste gebracht van
het AFBZ. Wanneer deze toedeling op overeenkomstige wijze wordt toegepast op
de totale zorgkosten in het kader van internationale regelingen (€|216,5
miljoen), dan is er een bedrag van circa €|65 miljoen gemoeid met AWBZ-zorg in het buitenland. Samengeteld met de
hierboven genoemde kosten
wordt in het buitenland aldus ruim €|84 miljoen per jaar aan
AWBZ-zorg verleend (uitgavenniveau 2007).
1. Redactie: Verordening
(EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14
juni 1971 betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede
op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG
L 149).
Zoals hierboven is
aangegeven, is het wetsvoorstel vooral bedoeld om te voorkomen dat de
AWBZ-uitgaven in het buitenland in de toekomst zullen stijgen omdat er
momenteel vrijwel geen wettelijke belemmering bestaat voor het verkrijgen van
AWBZ-zorg in het buitenland.
De genoemde maatregelen
zullen ten opzichte van het huidige uitgavenniveau van AWBZ-kosten in het
buitenland (circa €|18 miljoen) op korte termijn naar verwachting
leiden tot een geringe kostenbesparing.
De omvang daarvan kan
slechts bij benadering worden ingeschat aangezien er een weinig
gedetailleerde registratie is van de in buitenland verstrekte zorg. Het is
evenwel niet realistisch te veronderstellen dat geen enkele kostenbesparing
zal worden gerealiseerd; uit de maatregelen volgt immers een beperking van
aanspraken in tijd en omvang. Op basis van enkele
veronderstellingen kan de volgende besparing worden berekend. Uitgegaan wordt van
een
huidig kostenniveau van AWBZ-zorg in het buitenland van circa €|18 miljoen. Aangenomen wordt dat
een derde deel daarvan kosten buiten
Europa betreft. Voorts wordt aangenomen dat de meerderheid van de
verzekerden de zorg, omdat het noodzakelijke, geïndiceerde zorg betreft, alsnog in
Nederland zal inroepen (€|4 miljoen). Van het restant is de
veronderstelling dat daarvan de helft spoedeisende zorg (die gewoon vergoed
blijft worden) betreft. Dan resteert een besparing van mogelijk €|1
miljoen.
In de voornoemde
beleidsvisie is aangegeven dat inzicht dient te bestaan in de kosten die gemoeid
zijn met AWBZ-zorg in het buitenland en de consequenties die dat
heeft voor de totaal beschikbare middelen voor AWBZ-zorg.
Op dit moment zijn er - afgezien van de verdragsbekostiging die via het Zvf gaat
- twee
geldstromen: de zorg binnen Nederland wordt bekostigd via de zorgkantoren
binnen de contracteerruimte en de zorg buiten Nederland wordt bekostigd via de
zorgverzekeraars op declaratiebasis bij het AFBZ.
rblz.|4|
Indien zorgverzekeraars
voor de uitvoering van de AWBZ financieel verantwoordelijk zouden
zijn, zou een mechanisme bestaan waarmee kostenbeheersing van de
in het buitenland gemaakte kosten gewaarborgd is. Immers, hierdoor
ontstaat voor de individuele zorgverzekeraar een direct verband tussen
aanspraken en uitgaven en de in het buitenland gemaakte kosten en
daarmee de gewenste kostenprikkel.
De mogelijkheid is
onderzocht om de kostenbeheersing te realiseren door de kosten van AWBZ-zorg
in het buitenland binnen de budgetten te brengen die aan de
zorgkantoren worden toegekend, waardoor deze kosten onderdeel
uitmaken van de totale contracteerruimte. Dat zou betekenen dat zorgkantoren in
plaats van de individuele zorgverzekeraars zeggenschap zouden
moeten krijgen bij de uitvoering van de AWBZ-zorg in het buitenland ten
aanzien van individuele verzekerden. De bedoeling hiervan is
ondubbelzinnig: zorgverzekeraars en zorgkantoren kunnen het AWBZ-geld maar één
keer uitgeven, naar keuze aan al dan niet gecontracteerde zorg in
binnen- óf
buitenland. Wat wordt uitgegeven in het buitenland wordt in mindering
gebracht op wat er aan AWBZ-zorg binnen Nederland wordt
uitgegeven. Daartoe is wijziging van de wet noodzakelijk. De NZa heeft evenwel
aangegeven dat een omvangrijke wijziging van de
financieringsstructuur in de hierboven aangeduide zin op dit moment niet opportuun
is. Om tegemoet te komen aan de in de beleidsvisie neergelegde wens te
komen tot een inzichtelijke kostenstroom en beheersing van de kosten
van de AWBZ-zorg in het buitenland heeft de NZa een alternatief
aangedragen dat erin voorziet een koppeling te leggen tussen de in het
buitenland verleende zorg en de contracteerruimte. Dat betekent voor de
zorgkantoorregio’s dat bij een stijging van de kosten in het buitenland er minder
overblijft voor de contracteerruimte voor de zorgkantoorregio’s.
Deze alternatieve maatregelen zullen worden overgenomen in de Aanwijzing
contracteerruimte AWBZ 2010 en door de NZa worden opgenomen in de
bijbehorende beleidsregels.
Gelet op het advies van
de NZa en de overweging dat de regering het niet dienstig vindt vooruit
te lopen op toekomstige ontwikkelingen in de AWBZ is besloten om ten
aanzien van het financieringsaspect uitvoering te geven aan het voorstel
van de NZa. De regering voorkomt hiermee dat mogelijk binnen een kort
tijdsbestek twee haaks op elkaar staande wettelijke regelingen tot stand
komen. De regering is zich ervan bewust dat door deze keuze de financieringsmaatregelen niet aan parlementaire
beoordeling zullen zijn
onderworpen. Tegelijkertijd tekent zij daarbij aan dat indien wordt
besloten zorgverzekeraars voor de uitvoering van de AWBZ financieel
verantwoordelijk te maken, het parlement alle gelegenheid krijgt zich over de dan
te wijzigen financieringsstructuur te buigen. Op dat moment zullen de
kosten buitenland immers niet meer in de Aanwijzing
contracteerruimte AWBZ zijn opgenomen.
De regering is zich
ervan bewust dat de aanpassing van de financieringsstructuur van de AWBZ-zorg in het
buitenland op de door de NZa voorgestelde wijze door het macrokarakter ervan niet bijdraagt aan door individuele zorgverzekeraars te
dragen financiële verantwoordelijkheid. Wel zal van de maatregel een
remmende werking kunnen uitgaan. Immers, wanneer bepaalde
zorgverzekeraars onevenredig veel geld uitgeven aan AWBZ-zorg in het
buitenland, die leidt tot neerwaartse aanpassing van de binnenlandse uitgaven,
zullen deze verzekeraars door de zorgkantoren worden aangesproken de
nodige maatregelen te nemen. Omdat deze prikkel onvoldoende is
om de door de regering gewenste kostenbeheersing te realiseren, is het
nodig maatregelen in de aansprakensfeer te treffen teneinde te
voorkomen dat het hierboven geschetste risico van onbeheersbare groei van
de buitenlanduitgaven zal plaatsvinden.
rblz.|5|
Aanspraken
Tot op heden zijn de
mogelijkheden om naar het buitenland te gaan voor het inroepen van AWBZ-zorg vrijwel onbeperkt. De kosten daarvan worden op declaratiebasis uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten
vergoed. De bestaande
regelgeving maakt het mogelijk dat waar ook ter wereld zorg kan worden ingeroepen bij gecontracteerde instellingen.
Voor het inroepen van
niet-gecontracteerde zorg kan wereldwijd door de zorgverzekeraar toestemming worden verleend indien dat voor de
medische verzorging van
betrokkene noodzakelijk is. Het inroepen van extramurale zorg binnen
het grondgebied van de Europese Economische Ruimte is vrij, sedert
het Europese Hof van Justitie daarover in de zaken C-158/96 en C-120/95
(Kohll
en Decker) uitspraak heeft gedaan en verder heeft verfijnd in het
arrest in de zaak C-385/99 (Müller-Fauré en Van Riet). Het Hof oordeelde dat
lidstaten in beginsel vrij zijn wat betreft de wijze waarop zij hun stelsel
van sociale zekerheid inrichten, maar dat zij daarbij wel rekening moeten
houden met de bepalingen uit het EG-verdrag. Lidstaten mogen hun
stelsels niet zodanig inrichten dat deze een directe of indirecte belemmering
vormen voor het vrij verkeer van personen, goederen en diensten.
Het Hof is van oordeel dat artikel 49 van het EG-verdrag zich verzet
tegen een nationale regeling die vergoeding van in een andere lidstaat
gemaakte medische kosten afhankelijk stelt van voorafgaande toestemming als daardoor
de sociaal verzekerde wordt afgeschrikt of belet om zich tot een
dienst in een andere lidstaat te wenden, tenzij de hieruit
voortvloeiende belemmering van het vrije verkeer van diensten kan worden
gerechtvaardigd. In het arrest-Kohll en Decker oordeelde het Hof dat
een regeling die vergoeding van kosten van zorg die in een andere
lidstaat wordt ingeroepen afhankelijk stelt van voorafgaande toestemming van het
ziekenfonds als een belemmering van het vrij verkeer van goederen en diensten moet worden beschouwd. Deze
belemmering kan evenwel
gerechtvaardigd zijn als het toestemmingsvereiste noodzakelijk is voor
een
financieel houdbare en voor iedereen toegankelijke
gezondheidszorg. Die rechtvaardigingsgrond is ten aanzien van extramurale zorg
niet aanwezig, oordeelde het Hof in het arrest-Müller-Fauré.
Wat het inroepen van
intramurale zorg bij niet-gecontracteerde zorgaanbieders betreft, hetgeen
ingevolge de nationale wetgeving aan de voorwaarde van voorafgaande
toestemming van de zorgverzekeraar is gebonden, heeft het Hof
in de zaak C-157/99 Geraets-Smits/Peerbooms geoordeeld dat het
vereiste van voorafgaande toestemming niet in strijd is met met de bepalingen
betreffende het vrij verkeer van diensten, onder voorwaarde dat
toestemming alleen uit hoofde van het ontbreken van een medische noodzaak kan
worden geweigerd wanneer bij een instelling waarmee de
zorgverzekeraar van een verzekerde een overeenkomst heeft gesloten tijdig een
identieke of voor de patiënt even doeltreffende behandeling kan worden verkregen.
Door deze ruime
regelgeving in de AWBZ ten aanzien van de mogelijkheden om in het buitenland
zorg in te roepen, is een tendens zichtbaar dat (Nederlandse)
organisaties in het buitenland instellingen opzetten in de verwachting dat
AWBZ-verzekerden bij deze instellingen zorg kunnen inroepen. Het ministerie
ontvangt met enige regelmaat verzoeken van deze strekking. Het
lijkt erop dat het dan niet meer zozeer gaat om het bij de cliënt zoeken
van de
geschikte zorg, maar eerder andersom: het bij de instelling zoeken van de
geschikte cliënt met bijbehorende financiering. Het aanbieden van onroerend goed in het buitenland met als verkoopargument
dat de noodzakelijke
zorg ter plaatse geleverd kan worden ten laste van de AWBZ, is
een ander - soortgelijk - signaal.
Waar thans nauwelijks in
het buitenland wordt gecontracteerd door zorgverzekeraars kan dat in de (nabije)
toekomst veranderen door het toenemende rblz.|6|
aanbod van in het
buitenland gevestigde instellingen (gepaard gaand aan een toenemende
vraag van AWBZ-verzekerden die worden gelokt door aantrekkelijke brochures in een zonnig buitenland).
De regering acht dit om
een aantal redenen een onwenselijke ontwikkeling. In de eerste plaats is
uitgangspunt van de AWBZ dat zorg wordt georganiseerd en
gefinancierd in Nederland omdat dat de plaats is waar de klant, de
AWBZ-verzekerde, zich doorgaans bevindt. Doelstelling van de AWBZ is immers het
ten behoeve van de gehele Nederlandse bevolking bieden van langdurige
zorg aan kwetsbare mensen met chronische aandoeningen en
beperkingen.
Dit uitgangspunt strookt
met de beleidslijn die vorm heeft gekregen met de inwerkingtreding op 1
januari 1999 van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. Daarmee is het standpunt ingenomen dat
de Nederlandse regering verantwoordelijkheid kan hebben jegens mensen
die in Nederland wonen, maar in beginsel niet jegens hen die Nederland
metterwoon hebben verlaten.
Deze beleidslijn is
bevestigd met de inwerkingtreding van de Wet
van 22 december 2005,
houdende wijziging van enige socialeverzekeringswetten in verband met de
beëindiging van de verzekeringsplicht van in het buitenland wonende
uitkeringsgerechtigden (Stb. 2005, 718).
Op het uitgangspunt dat
alleen in Nederland zorg kan worden geleverd, dient een uitzondering
te worden gemaakt in verband met de hierboven aangehaalde Europese
regelgeving.
Daarnaast is in het
verleden al gebleken dat zorgverlening in het buitenland in verband met lastiger
uit te voeren toezicht en controle fraudegevoelig blijkt te zijn. Door een
Nederlandse zorgverzekeraar is in het verleden al eens
gerapporteerd dat niet alleen aan de kant van sommige cliënten wordt
gefraudeerd met rekeningen, maar ook aan de kant van sommige instellingen die
creatief met indicatiestellingen en declaraties omgaan. De regering brengt in dit verband in herinnering dat dit fraudeaspect
één van de redenen was
waarom bij de invoering van de Zorgverzekeringswet per 1 januari 2006
de
vrijwillige AWBZ-verzekering niet gehandhaafd is.
Daarnaast wordt
AWBZ-geld in het buitenland uitgegeven waar dat in Nederland ook goed
besteed zou zijn. Gelet op een gemiddelde uitgave van ruim €|50 000,- per
jaar per verzekerde bij verblijf in een AWBZ-instelling, is het duidelijk dat het
gaat om een moeilijk controleerbare uitgavenpost die tot grote omvang kan
toenemen, zeker gelet op de gesignaleerde ontwikkelingen.
De regering beoogt met
het voorliggende wetsvoorstel de verlening van AWBZ-zorg in het
buitenland beter in de hand te houden door deze in aanvulling op de
zorgverlening in Nederland slechts toe te staan in gevallen waarin dat
binnen Europa gelet op de vrijverkeersbepalingen van het EG-verdrag geboden
en buiten Europa noodzakelijk is en dit strakker te reguleren dan tot op
heden het geval is geweest. Het wetsvoorstel voorziet daartoe in de navolgende maatregelen.
Gecontracteerde zorg ten
laste van de AWBZ kan niet langer wereldwijd, maar alleen in Nederland
en - ingevolge de bovenaangehaalde Europese vrijverkeersbepalingen
op grond waarvan de lidstaten hun stelsels van sociale
ziektekostenverzekering niet zodanig mogen inrichten dat deze een directe
of indirecte
belemmering vormen voor het vrije verkeer van personen, goederen en
diensten - binnen de EU/EER ¹ worden verkregen. Om gecontracteerd te
kunnen worden, moet een rechtspersoon instelling zijn in de zin van de
AWBZ. Het huidige instellingsbegrip in de AWBZ ten aanzien van in het
buitenland gevestigde rechtspersonen, dat als instelling aanmerkt de in het
buitenland gevestigde rechtspersoon die in het desbetreffende land zorg
verleent in het kader van het in dat land geldende
socialezekerheidsstelsel, dan wel zich richt op verlenen van zorg rblz.|7|
aan specifieke groepen
van publieke functionarissen, is Europeesrechtelijk kwetsbaar in het licht
van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de zaak C-444/05
(Stamatalaki).
Het Hof heeft in die zaak voor recht verklaard dat artikel
49 van het EG-verdrag in de weg staat aan een wettelijke regeling van een
lidstaat die elke vergoeding door een nationaal socialezekerheidsorgaan
van de uitgaven voor ziekenhuisverpleging van haar verzekerden in particuliere instellingen voor gezondheidszorg die in
een andere lidstaat zijn
gevestigd, uitsluit. Naar aanleiding van dat arrest wordt de definitie van
het instellingsbegrip voor buitenlandse instellingen in de AWBZ verruimd tot
instellingen die op grond van de wetgeving in het land waar de
instelling gevestigd is rechtmatig gezondheidszorg verstrekken.
Extramurale zorg kan op
grond van de eerder aangehaalde jurisprudentie van het Europese Hof van
Justitie overal op het grondgebied van de EU/EER worden
ingeroepen.
In andere gevallen kan
zorg in het buitenland alleen worden ingeroepen in de navolgende
omstandigheden:
- mensen die met
toestemming van hun zorgverzekeraar behandeling in het buitenland inroepen
omdat die behandeling gelet op hun gezondheidstoestand in Nederland niet of
niet tijdig verkrijgbaar is (maximaal één jaar);
- mensen die in het
buitenland wonen wegens hun werk en die op grond daarvan verzekerd
zijn gebleven (onbeperkt);
- mensen die al een
AWBZ-indicatie hebben en op vakantie gaan (maximaal dertien weken);
- mensen die tijdens
tijdelijk verblijf buiten Nederland aangewezen raken op AWBZ-zorg (in
beginsel maximaal dertien weken);
Ten slotte wordt de
Regeling subsidies AWBZ (persoonsgebonden budget; PGB) aangescherpt in
situaties dat verzekerden met een PGB in het buitenland verblijven. De periode
wordt bij tijdelijk verblijf in het buitenland beperkt tot dertien
weken.²
1. Dit zijn: de lidstaten
van de Europese Unie en de lidstaten
behorende tot de Europese Economische Ruimte
(Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) en Zwitserland.
2. In bijlage I zijn de
wijzigingen schematisch weergegeven.
Beperking van de
mogelijkheid voor vreemdelingen om ten laste van de AWBZ
in Nederland zorg
in te roepen
In het kader van dit
dossier wordt, naast de reeds genoemde maatregelen, een aanvullende
maatregel getroffen die niet zozeer is gericht op het beperken van AWBZ-gefinancierde zorg in het buitenland, als wel op het beperken van
AWBZ-gefinancierde zorg aan vreemdelingen in Nederland. Daartoe wordt
een
wijziging gebracht in de categorieën van personen voor wie een wachttijd
geldt voor intramurale zorg. De wachttijd geldt voor intramurale zorg
waarvan bij aanvang van de verzekering al vaststaat dat deze nodig is of
naar redelijkerwijs te verwachten dat die binnen afzienbare tijd nodig
zal zijn. De wachttijd bedraagt één maand voor elk jaar dat men niet
verzekerd is geweest met een maximum van twaalf maanden.
Daarmee worden, voor de
toepassing van de AWBZ-wachttijdregeling, in deze regeling
vreemdelingen die zich in Nederland willen vestigen, gelijkgesteld met Nederlanders die
naar Nederland terugkeren. Thans zijn vreemdelingen van deze
wachttijd uitgezonderd. De regeling wordt op twee punten verder aangescherpt. In de eerste plaats gaat de wachttijd
gelden voor alle vormen
van AWBZ-zorg. In de tweede plaats zal uitsluitend nog de categorie asielzoekers van de wachttijd zijn uitgezonderd.
Andere vreemdelingen
komen daarmee in dezelfde positie als Nederlanders.
Deze wijziging van het
Besluit wachttijd bijzondere ziektekostenverzekering ¹ acht de regering
wenselijk omdat de uitwerking van het besluit in de praktijk tot
onevenwichtige gevolgen leidt. De wijziging sluit aan bij de aanbeveling in het
eerdergenoemde rapport "AWBZ-zorg in het buitenland: rblz.|8|
Hoe globaal is ons
zorgstelsel" van 24 mei 2007. Ook wordt de wachttijdregeling
uitgebreid naar alle vormen van AWBZ-zorg.
1. Voorstel voor een
algemene maatregel van bestuur tot wijziging
van het Besluit wachttijd bijzondere ziektekosten
en het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met de
voorwaarden en vergoeding van de
aanspraken op langdurige zorg buiten
Nederland en de vaststelling van een wachttijd voor
deze aanspraken.
3.
Wijziging van lagere
regelgeving
In het Besluit
zorgaanspraken AWBZ, de Regeling zorgaanspraken AWBZ en de Regeling hulp in
bijzondere omstandigheden AWBZ van het College voor zorgverzekeringen
(CVZ)
werden nadere regels gesteld met betrekking tot de aard, inhoud en
omvang van de zorg waarop ingevolge de AWBZ
aanspraak bestaat,
waaronder de aanspraken op zorg in het buitenland. Gelet op de gestelde
beleidsvoornemens zijn deze bepalingen opnieuw geformuleerd en
wordt de versnipperde regeling van de zorgaanspraken in het buitenland
transparanter vormgegeven. Aangezien de voorwaarden waaronder
zorg in het buitenland gegeven kan worden, beperkt worden tot de
hierboven genoemde omstandigheden en deze aanspraken een
limitatief karakter hebben, zal worden volstaan met de aanspraken te regelen in
de AWBZ en in het Besluit zorgaanspraken AWBZ.
Om deze reden kunnen
bepalingen uit de Regeling zorgaanspraken AWBZ en de Regeling hulp in
bijzondere omstandigheden AWBZ, waarin thans voorwaarden voor het
verkrijgen van AWBZ-zorg in het buitenland (mede) zijn geregeld,
vervallen.
Naast de genoemde
aanvullende maatregelen in de lagere regelgeving wordt geregeld dat geen
wachttijd zal gelden voor personen die op grond van overgangsrecht bij
de invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) aanspraak hadden op een
vergoeding van zorg ingevolge de AWBZ en voor wie bij een verdergaande hulpvraag deze aanspraak kon worden
voortgezet. In de
praktijk is gebleken dat het besluit op dit punt onduidelijk was.
Zoals hierboven is
aangegeven, zal de Regeling subsidies AWBZ voor wat betreft het
persoonsgebonden budget (PGB) worden aangescherpt. Ook deze wijziging sluit aan
bij de aanbeveling in het rapport "AWBZ-zorg in het buitenland: Hoe
globaal is ons zorgstelsel". Uitgangspunt van een PGB is dat daarop
uitsluitend recht bestaat als men in Nederland woont. Voorkomen zou moeten worden, aldus
het rapport, dat mensen alleen omwille van een kort verblijf in
het buitenland een PGB aanvragen. Hier is het PGB immers niet voor
bedoeld. Het CVZ heeft erop gewezen dat niet te onderscheiden valt dat
voor dit doel
een PGB wordt aangevraagd en dat een dergelijke beperking
slecht uitvoerbaar en controleerbaar is. Daarom wordt geregeld dat een
toegekend PGB ingetrokken dient te worden indien wordt vastgesteld dat
betrokkene langer dan dertien weken in het buitenland verblijft of heeft
verbleven. Zo wordt mogelijk gemaakt dat mensen met een PGB toch op
vakantie kunnen in het buitenland. De termijn van dertien weken is gelijk
aan de termijn gedurende welke naturazorg in het buitenland tijdens
vakantie wordt toegestaan.
4.
Uitvoeringstoets van het
CVZ
Op 15 juli 2008 heeft
het CVZ een uitvoeringstoets uitgebracht over de voorgenomen wijzigingen
in de wet- en regelgeving ter zake van AWBZ-zorg in het
buitenland.¹
Het CVZ constateert dat
de voorgestelde wijzigingen in wet- en regelgeving meer samenhang vertonen
dan het huidige stelsel aan regels en bovendien tot een
transparanter stelsel leiden. Bovendien, zo stelt het CVZ, is in het huidige
stelsel te veel geregeld op een te laag niveau. Het CVZ constateert op dit
punt een verbetering.
Het CVZ ziet de beleidsvisie van 18 september
2007 als een harmonisatie rblz.|9|
van de
AWBZ-zorgverlening in het buitenland met de uitgangspunten voor zorgverlening
binnen Nederland.
De opmerkingen van het
CVZ hebben geleid tot wijzigingen in dit wetsvoorstel en de lagere
regelgeving. Het CVZ merkt op dat de definitie van het instellingsbegrip
cruciaal is voor de aanspraak op AWBZ-zorg, maar stelt vast dat de
voorgestelde wijziging onvoldoende adequaat lijkt. Voorts heeft het CVZ aangegeven
dat onvoldoende duidelijk is welke nadere eisen worden gesteld aan
buitenlandse instellingen. Ook merkt het CVZ op dat te betwijfelen valt of eisen van bestuurlijke en administratieve aard
die de Nederlandse
wetgeving aan instellingen stelt, op buitenlandse rechtspersonen voldoende
uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Naar aanleiding van deze opmerkingen is
het definitiebegrip aangepast.
Het CVZ heeft er verder
op gewezen dat in het kader van het Europees Verdrag er voor gewaakt
moet worden zwaardere, c.q. beperkender, voorwaarden te stellen aan zorg die
in het buitenland wordt gegeven dan voorwaarden die binnen
Nederland aan diezelfde zorg worden gesteld. Het CVZ suggereert in dit verband om bij het stellen van een beperking
van de duur van zorg in
het buitenland, aan te sluiten bij termijnen die doorgaans gelden in
uitkeringsregimes voor mensen die geen arbeidsplicht vervullen. Mede op grond
van deze opmerking is in de bijzondere situaties voor het recht
op zorg de verblijfsduur buiten Nederland beperkt tot dertien weken.
Voorts heeft het CVZ
opgemerkt dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot indicatie
voor de behoefte aan AWBZ-zorg. Ook deze opmerking heeft geleid
tot het opnemen van nadere regelgeving.
Ten slotte heeft het CVZ
voorstellen gedaan om de vergoedingsregeling aan te passen en dit ook
op een hoger (wettelijk) niveau te regelen. De voorstellen van het CVZ
zijn integraal overgenomen en geregeld in het Besluit
zorgaanspraken AWBZ. In de toelichting op het
besluit wordt uitvoerig ingegaan op de
vergoedingsregeling.
Met betrekking tot de
wijzigingen in het Besluit wachttijd bijzondere
ziektekostenverzekering heeft het CVZ op 8
september 2008 een nadere uitvoeringstoets
uitgebracht. Op deze uitvoeringstoets wordt uitvoerig ingegaan in de
nota van
toelichting bij dit (gewijzigde) besluit.
1. Ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
Uitvoeringstoets van de
Nederlandse Zorgautoriteit
De Nederlandse
Zorgautoriteit (NZa) heeft op 12 februari 2009 een memo uitgebracht waarin zij
haar standpunt inzake het verzoek om een uitvoeringstoets over AWBZ-zorgverlening
in het buitenland kenbaar heeft gemaakt.¹ De NZa heeft
in dit memo aangegeven dat een omvangrijke wijziging van de
regelgeving en het daartoe uitvoeren van een uitvoeringstoets om een aantal redenen
niet opportuun is.
Om tegemoet te komen aan
de in de beleidsvisie neergelegde wens te komen tot een
inzichtelijke kostenstroom en beheersing van de kosten van de AWBZ-zorg in het
buitenland heeft de NZa een alternatief aangedragen dat erin voorziet een
koppeling te leggen tussen de in het buitenland verleende zorg en de
contracteerruimte. De NZa heeft voorgesteld om te komen tot een landelijke
raming ex ante van de kosten van AWBZ-zorg in het buitenland. Het
geraamde bedrag kan, aldus de NZa, nadat het bedrag eenmalig
structureel wordt toegevoegd aan de contracteerruimte, vervolgens jaarlijks in
mindering worden gebracht op de beschikbare contracteerruimte. Na
aftrek van deze raming kan de contracteerruimte verder worden verdeeld
over de zorgkantoorregio’s. Dat betekent voor de zorgkantoorregio’s dat
bij een stijging van de kosten in het buitenland er minder overblijft voor
de contracteerruimte voor de zorgkantoorregio’s. Na het jaar wordt dan
een vergelijking gemaakt tussen de kosten die worden gemaakt voor de
zorgverlening in het buitenland en de raming (monitor zorguitgaven).
De werkelijke kosten van in het buitenland geleverde AWBZ-zorg worden
ten slotte betrokken bij de raming van de rblz.|10|
uitgaven in toekomstige
jaren. Aan de hand van die ramingen kan worden bekeken welke
financiële gevolgen daaraan dienen te worden gekoppeld. Door deze koppeling aan
de contracteerruimte blijft het mogelijk de zorguitgaven en de AWBZ-premie te
beheersen en wordt bovendien invulling gegeven aan een
belangrijk uitgangspunt: geen extra administratieve lasten voor de AWBZ.
Bij de voorgestelde
werkwijze, aldus de NZa, blijft dit uitgangspunt leidend en wordt geen
complexe regeling opgezet voor een zeer beperkt deel van de
AWBZ-zorguitgaven. De NZa heeft verder aangegeven dat momenteel het CVZ
bevoegd is om de middelen voor AWBZ-zorg in het buitenland te verdelen
over zorgverzekeraars. Deze verdeling vindt thans plaats op
declaratiebasis. De NZa houdt via het rechtmatigheidsonderzoek toezicht op de
verzekeraars en hierbij ook op de middelen AWBZ-zorg in het buitenland. In haar
Algemeen rapport uitvoering AWBZ doet de NZa verslag van haar
bevindingen over de manier waarop de AWBZ is uitgevoerd door de
AWBZ-verzekeraars. Het gaat voor de AWBZ-zorg in het buitenland om de toets
van de rechtmatigheid, de doelmatigheid wordt niet expliciet getoetst.
De NZa heeft aangegeven
dat zij de door haar voorgestelde werkwijze als een reële oplossing
ziet voor de door de regering gewenste transparantie en sturingsmogelijkheden
ten aanzien van kosten die samenhangen met AWBZ-zorg in het
buitenland. De NZa heeft geadviseerd om bovenstaande methodiek op te nemen in
de Aanwijzing contracteerruimte AWBZ 2010. De NZa zal dit
vervolgens opnemen in de bijbehorende beleidsregels en doorvertalen in de
beschikbare contracteerruimte per zorgkantoorregio. De opmerkingen van de
NZa hebben er, zoals hiervoor is aangegeven, mede toe geleid dat de
oorspronkelijke voorstellen met betrekking tot de beheersing van kosten
van AWBZ-zorg in het buitenland niet in het wetsvoorstel zijn opgenomen. In
plaats daarvan zal de Aanwijzing contracteerruimte AWBZ 2010 overeenkomstig
worden aangepast.
1. Ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
5.
Administratieve lasten
Deze wet en de wijziging
van de lagere regelgeving hebben geen gevolgen voor de
administratieve lasten voor bedrijven, instellingen en verzekerden. De
huidige,
uiteenlopende regelgeving wordt samengevoegd en de financiering van AWBZ-zorg in het buitenland loopt niet meer via verschillende
kanalen. Voor de uitvoering betekent dit in de eerste
plaats een
vereenvoudiging van de toe te passen regelgeving waarin deze aanspraken in het
buitenland geregeld zijn. In de tweede plaats zullen door deze beperking van
de aanspraken ook de werkzaamheden die daarmee samenhangen afnemen. Ook de controle hierop zal daardoor
verminderen. Dit zal
leiden tot vermindering van de uitvoeringslasten. Het Adviescollege
toetsing administratieve lasten (Actal) heeft aangegeven dat er geen advies zal
worden uitgebracht omdat het wetsvoorstel en
het besluit gepaard
gaan met geen of slechts een geringe daling aan administratieve lasten.
Artikelsgewijs
Artikel I
(wijziging Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten)
Onderdeel A
Artikel 1, eerste lid,
onderdeel d, onder 2º
AWBZ-zorg dient in het
buitenland, zoals dat in Nederland het geval is, te worden verleend door een
instelling of door beroepsbeoefenaren. Het rblz.|11|
instellingsbegrip zoals
dat in onderdeel d [lees: onderdeel e, red.], onder 1º, is gedefinieerd, beperkt zich naar zijn
aard tot instellingen binnen Nederland, omdat de Wet
toelating zorginstellingen (Wtzi) uitsluitend in Nederland geldt. De tot de inwerkingtreding van
deze wet geldende definitie verstond onder instelling buiten Nederland: een rechtspersoon die in het desbetreffende
land zorg verleent in
het kader van het in dat land geldende socialezekerheidsstelsel dan
wel zich richt op het verlenen van zorg aan specifieke groepen van publieke
functionarissen. Het gevolg van die definitie was dat instellingen die
in dat land niet in het bedoelde kader werkzaam zijn, werden belemmerd
ten laste van de AWBZ zorg te verlenen. Gelet op de uitspraak van het
Europese Hof van Justitie in de zaak-Stamatalaki (C-444/05) zou een
dergelijke beperking in strijd zijn met artikel 49 van het Europees
Verdrag (vrij
verkeer van diensten). Het gegeven dat in Nederland geen AWBZ-zorg door
privé-instellingen wordt verleend (hiermee is bedoeld een analogie te
trekken met de "privéklinieken" in de curesector), kan mogelijk niet als
rechtvaardigingsgrond gelden om zorgverlening door privé-instellingen
buiten Nederland te verhinderen.¹
Het is ingevolge de
uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de zaak C-8/02 (Leichtle) wel
toegestaan dat een lidstaat voor een vergoeding in het kader van de sociale
zekerheid de voorwaarde stelt dat een in een andere lidstaat
gevestigde zorgaanbieder beschikt over een vergunning, erkenning of
een andere
toelatingsvoorwaarde.
Het CVZ heeft in de
uitvoeringstoets van 15 juli 2008 opgemerkt dat niet in alle lidstaten
dergelijke regelgeving zal bestaan. Daarom is in artikel
1, eerste lid, onderdeel d [lees: onderdeel e, red.], onder 2º, volstaan met te regelen dat de instelling op grond van de wettelijke
regeling van het land van vestiging rechtmatig zorg dient te verlenen.
In het artikel wordt verwezen naar artikel 6 van de
AWBZ. Daarmee is niet
bedoeld dat instellingen die in het buitenland zorg verlenen specifiek
de
AWBZ-zorg zoals deze in de Nederlandse wetgeving is geregeld, dienen te
geven. Immers, als zodanig kan AWBZ-achtige zorg verleend in het buitenland afwijkend zijn. Het gaat
erom dat de verleende
zorg vergelijkbaar is
met wat in Nederland AWBZ-zorg is. De definitie van het begrip instelling
in
de buitenlandsituatie sluit aan bij de definitiebepaling van artikel 4, onderdeel
e,
van het (concept)voorstel voor een Richtlijn van het Europees
Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de rechten van
patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 2 juli 2008.
1. Het is niet in strijd
met het Europese recht dat privé-instellingen
binnen Nederland geen AWBZ-zorg mogen
verstrekken. De inrichting van nationale socialezekerheidsstelsels (waaronder de toelating
van zorgaanbieders tot het stelsel) is een
nationale aangelegenheid waarin het Hof zich niet
mengt. Uitspraak van het Hof van Justitie
in de zaak-Herrera; C-466/04).
Onderdeel B
Artikel 10, eerste
lid
In het gewijzigde
artikel 10, eerste lid, is het beleidsuitgangspunt neergelegd dat
AWBZ-zorg, zowel met
verblijf (intramuraal) als zonder verblijf (extramuraal), in
beginsel alleen ten laste kan komen van de AWBZ als deze zorg is ingeroepen
bij een gecontracteerde zorgverlener. Op grond van Europese regelgeving
en jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie mag de
voorwaarde dat de zorg binnen Nederland wordt gegeven niet zonder meer worden
gesteld binnen de Europese Unie, de EER-landen (Noorwegen, IJsland en
Liechtenstein) en Zwitserland. Voor deze landen gelden de
vrijverkeersbepalingen van het EU-verdrag op grond
waarvan de nationale
beleidsvrijheid om de sociale wetgeving naar eigen goeddunken in te
richten, is ingeperkt. Daarom is in deze bepaling uitdrukkelijk
geregeld dat
gecontracteerde zorg ook binnen de EU, de EER en Zwitserland kan worden
ingeroepen.
Artikel 10, tweede
lid
Met het gewijzigde
artikel 10, tweede lid zijn de uitspraken van het Europese Hof van Justitie
gecodificeerd. In de uitspraak-Müller-Fauré ¹ heeft het Hof geconcludeerd
dat voor het inroepen van extramurale zorg buiten Nederland maar binnen de
EU/EER geen toestemming nodig is van een rblz.|12|
zorgverzekeraar. In deze
bepaling is daarom opgenomen dat een verzekerde aanspraak heeft op zorg,
niet zijnde zorg met verblijf in een instelling (extramurale zorg)
buiten Nederland, doch binnen de EU/EER, bij een niet-gecontracteerde
zorgaanbieder. Op deze manier is tot uitdrukking gebracht dat in die
gevallen geen toestemming van de verzekeraar nodig is. Binnen Nederland is
dus nog wel toestemming nodig voor niet-gecontracteerde extramurale zorg.
1. Uitspraak van het Hof
van Justitie in de zaak-Müller-Fauré en Van
Riet (C-395/99).
Artikel 10, derde
lid
In het derde lid, onderdeel
a, is geregeld dat bij AMvB kan worden bepaald onder welke
omstandigheden - anders dan de omstandigheden, bedoeld in artikel
10, tweede lid -
zorg bij een niet-gecontracteerde instelling kan worden ingeroepen. Onder
b is vervolgens geregeld dat onder omstandigheden zorg ook buiten de
EU/EER kan worden ingeroepen. Ten slotte is geregeld in welke
omstandigheden in plaats van aanspraak op zorg recht op vergoeding van de
kosten van die zorg bestaat. De genoemde situaties waarin
niet-gecontracteerde zorg in het buitenland kan worden verleend, al dan niet met
toestemming van de zorgverzekeraar, worden limitatief uitgewerkt in artikel 20
van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Het gaat om de volgende omstandigheden: mensen die al een
AWBZ-indicatie
hebben en op vakantie
gaan (maximaal dertien weken); mensen die tijdens tijdelijk
verblijf buiten Nederland aangewezen raken op AWBZ-zorg (in beginsel maximaal
dertien weken); mensen die met toestemming van hun zorgverzekeraar
behandeling in het buitenland inroepen omdat die behandeling gelet op hun
gezondheidstoestand in Nederland niet of niet tijdig verkrijgbaar is
(maximaal één jaar); mensen die in het buitenland wonen wegens hun werk en
die op grond daarvan verzekerd zijn gebleven (onbeperkt).
Onderdeel C
Artikel 11 is
uitgeschreven in (het nieuwe) artikel 10 en kan daarmee komen te vervallen.
Onderdeel D
Artikel 15, zesde
lid
In artikel 15 van de AWBZ
zijn regels gesteld met betrekking tot door zorgverzekeraars met zorgaanbieders te
sluiten overeenkomsten.
In het zesde lid is
expliciet geregeld dat de zorgverzekeraar bij de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa)
dient te melden met welke zorgaanbieders binnen de EU/EER hij een AWBZ-overeenkomst heeft gesloten. Hierdoor wordt gerealiseerd dat
er inzicht ontstaat in aantal en soort buitenlandse instellingen die
zorg
verlenen ten laste van de AWBZ.
Overwogen is om te
regelen dat indien met een buitenlandse instelling een overeenkomst wordt
gesloten, in deze overeenkomst opgenomen zou dienen te worden dat
deze instellingen dienen te voldoen aan de administratieve voorschriften, de
kwaliteit van het bestuur en de financiële administratie, zoals die gelden voor de
instellingen in Nederland. De mogelijkheid tot het stellen van
dergelijke voorwaarden is in de hierboven genoemde brief van 18 september
2007 genoemd.
Het CVZ heeft in de
uitvoeringstoets opgemerkt dat valt te betwijfelen of de administratieve
voorwaarden die gelden voor in Nederland gevestigde instellingen kunnen
worden toegepast op in buitenland gevestigde instellingen en of de gestelde
criteria in het buitenland voldoende uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.
Doordat thans in artikel 1, eerste lid, onderdeel
d [lees: onderdeel e, red.], onder 2º, is geregeld dat alleen
kan worden gecontracteerd met een instelling die op grond van de
wettelijke regeling van het land van vestiging rechtmatig zorg verleent, is van
dergelijke nadere voorschriften afgezien. Gelet op de Europese vrijverkeersbepalingen moet Nederland ervan uitgaan dat een
rblz.|13|
instelling die in het
land van vestiging rechtmatig zorg verleent, voldoet aan de eisen die de
wetgeving van dat land stelt aan administratieve voorschriften, kwaliteit
van het bestuur en financiële administratie. Zorginstellingen in
EU/EER-landen
die inmiddels zijn gecontracteerd, zullen alsnog aan de
gestelde voorwaarde moeten gaan voldoen. Daartoe is overgangsrecht
opgenomen in artikel III. Indien overeenkomsten met dergelijke instellingen
zijn gesloten, blijven deze overeenkomsten nog gedurende één jaar van
kracht. Daartoe is overgangsrecht opgenomen in artikel
IV.
Onderdeel E
Artikel 16b
In artikel 16b, eerste
lid, is geregeld in welke situaties een zorgverzekeraar verplicht is een
overeenkomst te sluiten. Door de genoemde wijziging wordt bewerkstelligd dat
niet langer met elke instelling binnen en buiten Nederland die daarom
verzoekt een overeenkomst gesloten dient te worden, maar slechts met
instellingen die voldoen aan het instellingsbegrip zoals gedefinieerd in
artikel 1, eerste lid, onderdeel d [lees: onderdeel e,
red.], onder 1º. Aangezien dat instellingsbegrip uitgaat van een toegelaten instelling in de
zin van de Wet
toelating zorginstellingen (Wtzi) betekent dit dat verzekeraars niet verplicht zijn
met
instellingen in het buitenland, die per definitie niet kunnen worden
toegelaten, op hun verzoek een overeenkomst te sluiten. De regering
acht een dergelijke verplichting voor zorgverzekeraars ten aanzien van
buitenlandse instellingen te vergaand, gelet op het geringe aantal
verzekerden dat per individuele verzekeraar in een zodanige instelling zal
verblijven.
Artikel II
(artikel 41, eerste lid,
van de Wet toelating zorginstellingen)
De Wet
toelating zorginstellingen (Wtzi) is op 20 oktober 2005 tot stand gekomen. Vóór de
inwerkingtreding van die
wet werden instellingen door het CVZ toegelaten. Die
toelatingen zijn op grond van artikel 41, eerste lid, van de Wtzi
in stand
gebleven en worden thans geacht toelatingen in de zin van die wet te zijn.
Omdat de Wtzi uiteraard uitsluitend in Nederland gelding kan hebben, zijn
de toelatingen door het CVZ van instellingen in het buitenland, te weten
Royal Care Residence (RCR) en Ciudad Patricia in Spanje en Castle Craig
in het Verenigd Koninkrijk, van rechtswege komen te vervallen. Voor Castle Craig gold overigens dat deze instelling werkzaam
was in het kader van het
Britse stelsel van sociale zekerheid, zodat die instelling al
voldeed aan het instellingsbegrip van artikel
1, eerste lid, onderdeel d [lees: onderdeel e, red.], onder 2º, van de AWBZ, zoals die bepaling luidde
vóór het inwerkingtreden
van deze wet.
Niettemin is gebleken
dat in de praktijk de door de desbetreffende instellingen verleende zorg aan in
Spanje wonende of verblijvende AWBZ-verzekerden (die behoudens Castle
Craig niet werkzaam zijn in het kader van de sociale zekerheid
en dus door de inwerkingtreding van de Wtzi niet langer voldeden aan het
instellingsbegrip in de AWBZ) vergoed bleef worden. Daarmee werd op
zijn minst de schijn gewekt dat de toelatingen voor deze buitenlandse
instellingen in stand zijn gebleven. Om duidelijk vast te stellen dat de
toelatingen van RCR, Ciudad Patricia en Castle Graig van rechtswege vervallen
zijn, is artikel 41, eerste lid, van de Wtzi
alsnog aangescherpt. Voor zover
deze instellingen aan het nieuwe instellingsbegrip (van artikel
1, eerste
lid, onder d, onder 2º) voldoen, kan een zorgverzekeraar ten behoeve van zijn
verzekerden, voor zover het verlenen van die zorg ten laste van de
AWBZ in het buitenland is toegestaan, met deze instellingen een
overeenkomst sluiten. Indien geen overeenkomst wordt gesloten, kan een
verzekerde, met toestemming van de verzekeraar, zorg rblz.|14|
ontvangen in de
uitzonderingssituatie dat die zorg, gelet op de gezondheidstoestand,
in Nederland niet of
niet tijdig verkrijgbaar is.
Artikel III
(overgangsrecht)
In verband met de
wijziging van het instellingsbegrip in artikel
1, onderdeel d [lees: onderdeel e, red.], van de AWBZ en de
verduidelijking van artikel 41, eerste lid, van de Wtzi kan het zijn dat
rechtspersonen niet langer instellingen in de zin van de AWBZ
zijn. Daardoor
kan de door deze instellingen verleende zorg niet langer worden vergoed
ten laste van de AWBZ. Zo’n situatie kan zich onder meer voordoen als
die instelling niet een instelling is als bedoeld in het bepaalde onder
2º.
Teneinde te voorkomen
dat deze instellingen van de ene op de andere dag deze zorg niet meer
mogen leveren, is overgangsrecht gerealiseerd. Geregeld is dat overeenkomsten
die zijn gesloten met buitenlandse instellingen die door de
inwerkingtreding van deze wet niet langer aan het instellingsbegrip van
de
AWBZ voldoen en dientengevolge niet langer kunnen worden
gecontracteerd om zorg ten laste van de AWBZ te verlenen, gedurende nog
maximaal één jaar in stand kunnen blijven. Na dat jaar moeten
instellingen voldoen aan het nieuwe instellingsbegrip.
Als deze wet in werking
treedt en het overgangsrecht is uitgewerkt, heeft de instelling de facto
ruim drie jaar de tijd gehad om zich voor te bereiden op deze nieuwe situatie.
Immers, in de brief van 24 mei 2007 waarbij het rapport "AWBZ-zorg in
het buitenland: Hoe globaal is ons zorgstelsel" aan de Tweede Kamer is
toegezonden, is het voornemen dat AWBZ-zorg in het buitenland zou
worden beperkt reeds bekendgemaakt.¹ Vanaf dat moment hebben ook deze
instellingen kennis kunnen nemen van de voorgenomen wijzigingen. Een
overgangstermijn van één jaar acht de regering derhalve ruim voldoende.
1. Kamerstukken II 20060-2007, 30 597, nr. 8.
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M. Bussemaker
|
|