|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 107
Wijziging
van de Wet arbeid en zorg en de Arbeidstijdenwet
ter implementatie van
Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 (PbEU 2010, L 68) tot
uitvoering van de door BUSINESSEUROPA, UEAPME, het CEEP en het EVV
gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn
96/34/EG
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
Dit
voorstel van wet strekt tot
implementatie van de op 8 maart 2010
vastgestelde Richtlijn 2010/18/EU van de
Raad van de Europese Unie tot uitvoering
van een raamovereenkomst die de Europese
sociale partners (BUSINESSEUROPE, UEAPME,
CEEP en EVV) op 18 juni 2009 hebben
gesloten inzake het ouderschapsverlof.¹
Deze raamovereenkomst herziet de eerdere
raamovereenkomst op dit onderwerp die
dateert van 14 december 1995 en die met
de Richtlijn 96/34/EG ² tot uitvoering is
gebracht. Deze richtlijn dient uiterlijk
8 maart 2012 te zijn geïmplementeerd.
In deze memorie van toelichting is een
transponeringstabel opgenomen.
1. PbEU L 68 van 18 maart 2010.
2. PbEG L 145 van 19 juni 1996.
De
nieuwe raamovereenkomst is het resultaat
van onderhandelingen die de Europese
sociale partners op verzoek van de
Europese Commissie hebben gevoerd. Dit
verzoek maakte deel uit van een pakket
aan maatregelen voortvloeiend uit de
Routekaart van de Commissie betreffende
de gelijkheid van mannen en vrouwen,¹
uiteengezet in de mededeling "Een beter
evenwicht tussen werk en privéleven:
meer steun voor het combineren van
beroep, privéleven en gezinsleven".²
Mede
gezien hun betrokkenheid bij de
totstandkoming van de raamovereenkomst
heeft de regering aan de Stichting van
de Arbeid en de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid op 9 december
2009 advies gevraagd over de wijze
waarop de richtlijn in Nederland dient
te worden geïmplementeerd.³ Bij brieven
van 12 respectievelijk 29 april 2010
hebben zij hierover hun advies
uitgebracht.
Zij
onderschrijven het oordeel van de
regering dat de richtlijn ertoe leidt
dat het in het Burgerlijk
Wetboek [BW, red.] opgenomen opzegverbod in verband met
ouderschapsverlof (artikel 7:670,
zevende lid)
moet worden aangevuld met een wettelijke
regeling om de werknemer te beschermen
tegen benadeling wegens het geldend
maken van het verlofrecht. Eveneens
delen zij de visie dat, gegeven het feit
dat een volledige implementatie bij
collectieve arbeidsovereenkomsten niet
mogelijk is, het recht van de werknemer
om na het ouderschapsverlof te verzoeken
om aangepaste arbeidstijden en/of
-patronen een wettelijke regeling vergt.
De Raad voor rblz.|2|
het
Overheidspersoneelsbeleid wijst erop dat
bij deze wettelijke regeling zoveel
mogelijk dient te worden aangesloten bij
de bestaande procedures ter zake van de
beoordeling van een verzoek om
aanpassing van de arbeidsduur.
Over
de uitwerking in onderhavig wetsvoorstel
heeft eveneens overleg met de Stichting
van de Arbeid en de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid
plaatsgevonden. Daarbij is mede de
toelichting betrokken die de bij de
raamovereenkomst betrokken Europese
werkgevers- en werknemersorganisaties
hebben gegeven op een door de Europese
Commissie op 29 juni 2011 gehouden
seminar over de implementatie van de
onderhavige richtlijn. Zowel de
Stichting van de Arbeid als de Raad voor
het Overheidspersoneelsbeleid kunnen
instemmen met de uitwerking die met dit
wetsvoorstel aan de raamovereenkomst
wordt gegeven.
1. COM (2006) 92.
2. COM (2008) 635.
3. Kamerstukken II 2009-2010, 26 447, nr. 52.
A.
Inhoud van de richtlijn
De nieuwe richtlijn bevat op hoofdlijnen
de volgende nieuwe elementen ten
opzichte van de huidige richtlijn:
- uitbreiding van de werkingssfeer tot
werknemers die op basis van deeltijd,
een tijdelijk contract of een
uitzendovereenkomst werkzaam zijn;
- verlenging van de minimale periode van
ouderschapsverlof van drie tot vier
maanden, waarvan ten minste één maand
niet tussen de partners overdraagbaar
is;
- beoordeling of de voorwaarden voor het
opnemen van ouderschapsverlof voor
ouders van kinderen met een handicap of
chronische ziekte aanpassing behoeven,
alsmede of voor adoptiefouders
aanvullende maatregelen nodig zijn;
- een verbod op alle vormen van minder
gunstige behandeling of ontslag vanwege
de aanvraag of opname van
ouderschapsverlof;
- een expliciete bepaling dat de
inkomensaspecten van (het gebruik van)
ouderschapsverlof ter beoordeling zijn
van de nationale overheden of sociale
partners;
- een recht van de werknemer om na
terugkomst van het ouderschapsverlof
voor een bepaalde periode te verzoeken
om aangepaste arbeidstijden of
-patronen.
Onderstaand
wordt beschreven welke van de nieuwe
aspecten van de gewijzigde
raamovereenkomst implementatie behoeven
in de Nederlandse wetgeving.
Clausule
1 (doel en werkingssfeer)
Clausule
1 omschrijft het doel van de
raamovereenkomst om het werkende ouders
gemakkelijker te maken beroep en
zorgtaken te combineren en beschrijft
de werkingssfeer. Het derde lid bevat
als nieuw element een expliciet verbod
om werknemers van de werkingssfeer uit
te sluiten om de uitsluitende reden dat
zij deeltijdwerker, werknemer met een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
of uitzendkracht zijn.
Clausule
1 behoeft geen implementatie. In artikel
6:1 van de Wet arbeid en zorg wordt voor
het recht op ouderschapsverlof geen
onderscheid gemaakt naar de aard van de
arbeidsovereenkomst of
publiekrechtelijke aanstelling. Het
recht op ouderschapsverlof bestaat voor
alle werknemers, zonder beperkingen naar
de arbeidsduur, de eventuele
tijdelijkheid van de arbeidsrelatie of
het gegeven dat de arbeid op
uitzendbasis wordt verricht.
rblz.|3|
Clausule
2 (ouderschapsverlof)
Op
grond van clausule 2, eerste lid, hebben
werknemers bij geboorte of adoptie recht
op ouderschapsverlof totdat het kind de
leeftijd van 8 jaar heeft bereikt.
Deze leeftijdsgrens is ongewijzigd
gebleven. Het tweede lid stelt de duur
van het ouderschapsverlof op een periode
van ten minste vier maanden; die van de
huidige raamovereenkomst is drie
maanden. Nieuw element is dat ten minste
één maand van het verlof niet
overdraagbaar is tussen de partners.
Ook
deze clausule behoeft geen
implementatie. Vanaf 1 januari 2009
bedraagt, zoals geregeld in artikel 6:2
van de Wet arbeid en zorg, de duur van
het ouderschapsverlof 26 weken. Dit is
een individueel, niet-overdraagbaar
recht dat elk van de ouders afzonderlijk
toekomt.
Clausule
3 (uitvoeringsbepalingen)
Op
grond van clausule 3 dienen op nationaal
niveau de voorwaarden te worden
vastgesteld voor het geldend maken van
het recht op ouderschapsverlof. Voor een
deel is deze clausule een aanscherping
van de huidige richtlijn.
Eerste
lid
Het
eerste lid, onderdeel a, biedt de
mogelijkheid om in de nationale
wetgeving nadere keuzen te maken over de
wijze van opname van het verlof, met
name als vol- of deeltijdverlof, in
gedeelten of als uitgesteld verlof.
Nieuw element in de raamovereenkomst is
de expliciete formulering dat hierbij
rekening dient te worden gehouden met de
behoeften van zowel werkgevers als
werknemers.
In
onderdeel b wordt de eventueel aan het
recht op ouderschapsverlof verbonden
voorwaarde van een zekere duur van de
arbeidsrelatie gebonden aan een maximum
van één jaar. Nieuw element hierbij is
de bepaling dat, in geval van
opeenvolgende tijdelijke
dienstverbanden, de som daarvan hierbij
in beschouwing wordt genomen.
De
huidige Wet arbeid en zorg
voorziet
reeds in een afweging tussen de belangen
van werkgever en werknemer bij de wijze
waarop het ouderschapsverlof wordt
opgenomen. Indien de werknemer het
verlof opneemt in de vorm van 50-procentsdeeltijdverlof over een
aaneengesloten periode, moet de werkgever
altijd instemmen met het verzoek.
Artikel 6:5, derde lid, biedt de
werkgever de mogelijkheid om op grond
van zwaarwegende bedrijfs- of
dienstbelangen in overleg met de
werknemer de spreiding van het verlof te
wijzigen.
De
werknemer heeft op grond van artikel
6:2, vierde lid, van de Wet arbeid en zorg
het recht om het verlof over een
korte periode op te nemen, over een
langere periode te spreiden of om het
verlof in maximaal zes perioden op te
nemen. Een dergelijk gebruik van het
recht op ouderschapsverlof is daarbij
gebonden aan de voorwaarde dat daaraan
geen zwaarwegende bedrijfs- of
dienstbelangen in de weg staan. Het
staat de werkgever uiteraard vrij om in
te stemmen met een verzoek van de
werknemer om het hem toekomende verlof
op een andere wijze te gebruiken.
Op
8 augustus 2011 is de voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal een
wetsvoorstel aangeboden tot wijziging
van de Wet arbeid en zorg en de Wet
aanpassing arbeidsduur met het oog op
verruiming van de gebruiksmogelijkheden
van deze wetten. Dit bevat onder meer
het voorstel om niet langer specifieke
wettelijke voorschriften te hanteren
voor bepaalde vormen van opname van het
ouderschapsverlof. In de rblz.|4|
voorgestelde
regeling deelt de werknemer diens
werkgever mee op welke wijze hij diens
recht op ouderschapsverlof - geheel of
gedeeltelijk - wenst te benutten en
willigt de werkgever dit verzoek in,
tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
dienstbelangen daaraan in de weg staan.
Deze voorgestelde wijziging is eveneens
in overeenstemming met de vernieuwde
raamovereenkomst.
De
huidige regeling van het
ouderschapsverlof voldoet aan onderdeel b: recht op ouderschapsverlof bestaat op
grond van artikel 6:3 van de
Wet arbeid en zorg
bij een arbeidsverhouding van één jaar, waarbij perioden die voor niet
langer dan drie maanden onderbroken
zijn, worden samengeteld.
Onderdeel
van de genoemde voorgestelde wijzigingen
omtrent het ouderschapsverlof is het
geheel laten vervallen van deze
voorwaarde van een minimumduur van de
arbeidsverhouding, waarna het verlof
geldend kan worden gemaakt. Deze
wijziging voldoet aan de voorwaarden van
de nieuwe raamovereenkomst.
Tweede
lid
Het
tweede lid van clausule 3 betreft de
voorwaarden die worden gesteld aan de
aanvraag voor opname van het verlof door
de werknemer. Deze bepaling is
gelijkluidend aan die in de huidige
raamovereenkomst, met de toevoeging dat
bij de vaststelling van die voorwaarden
rekening wordt gehouden met de belangen
van werknemers en werkgevers.
De
huidige wetgeving bevat in artikel 6:5
van de Wet arbeid en zorg
een regeling
waarin rekening wordt gehouden met de
wederzijdse belangen van werkgever en
werknemer. De werknemer dient de
werkgever ten minste twee maanden vóór
de gewenste ingangsdatum te informeren
over het voornemen ouderschapsverlof op
te nemen. Deze periode biedt de
werkgever de gelegenheid zo nodig
maatregelen te treffen voor de
afwezigheid van de werknemer tijdens
diens verlofperiode.
Derde
lid
Clausule
3, derde lid, van de raamovereenkomst
heeft als nieuwe bepaling dat bij de
vaststelling van de voorwaarden en wijze
van toepassing van het ouderschapsverlof
wordt beoordeeld of deze een aanpassing
behoeven met het oog op de behoeften van
ouders van kinderen met een handicap of
een langdurige ziekte.
Naar
het oordeel van de regering behoeft de
Nederlandse regeling van het
ouderschapsverlof geen specifieke
bepalingen voor de bijzondere
omstandigheden van ouders van
gehandicapte of chronisch zieke
kinderen.
De
huidige wettelijke regeling biedt de
werknemer reeds grote vrijheid in de
gewenste opname van het
ouderschapsverlof. Daarmee wordt ook de
werknemer met de zorg voor een
gehandicapt of chronisch ziek kind in de
gelegenheid gesteld het verlof af te
stemmen op de specifieke
verzorgingsbehoeften in deze situatie.
Met de hiervoor genoemde voorgestelde
wijzigingen van de Wet arbeid en zorg
zouden de huidige wettelijke bepalingen
omtrent de opname van het verlof nog
verder worden vereenvoudigd, waarmee
opname van het verlof overeenkomstig de
behoeften van de werknemer verder
wettelijk wordt ondersteund.
rblz.|5|
Clausule
4 (adoptie)
Clausule
4 draagt de lidstaten en de sociale
partners op te beoordelen of aanvullende
bepalingen nodig zijn om tegemoet te
komen aan de specifieke behoeften van
adoptieouders.
Naar
het oordeel van de regering is een
dergelijke aanvullende regeling niet
nodig. Werknemers die een kind
adopteren, komen in aanmerking voor een
adoptieverlof van vier weken, zoals
geregeld in artikel 3:2 van de
Wet arbeid en zorg. Dit verlof heeft tot
doel de betrokken ouders de gelegenheid
te geven te gewennen aan de nieuwe
gezinssituatie. Na deze periode komen
adoptieouders onder dezelfde voorwaarden
in aanmerking voor ouderschapsverlof als
andere werknemers.
Clausule
5 (arbeidsrechten en non-discriminatie)
In
het eerste, tweede en derde lid van
clausule 5 zijn de bestaande bepalingen
opgenomen dat een werknemer na afloop
van het ouderschapsverlof recht heeft
terug te keren in dezelfde of, indien
dat niet mogelijk is, een gelijkwaardige
functie, dat de rechten van de werknemer
zoals die bestonden bij het begin van
het ouderschapsverlof behouden blijven
en dat wordt vastgesteld welke - arbeidsrechtelijke
- regeling van
toepassing is gedurende de periode van
ouderschapsverlof.
In
het vierde lid is opgenomen dat, naast
de in de huidige raamovereenkomst reeds
opgenomen bescherming tegen ontslag, de
nodige maatregelen moeten worden
getroffen voor bescherming tegen minder
gunstige behandeling vanwege de aanvraag
of de opname van ouderschapsverlof.
Het
vijfde lid, tweede alinea, van de
raamovereenkomst bevat als nieuw element
de expliciete bepaling dat het aan de
lidstaten of sociale partners is te
beoordelen of ouderschapsverlof betaald
is, ermee rekening houdend dat betaling
van het verlof van belang is voor de
mate waarin daarvan gebruik wordt
gemaakt.
Het
toegevoegde aspect van de bescherming
tegen minder gunstige behandeling wegens
het geldend maken van het recht op
ouderschapsverlof behoeft implementatie.
Op dit moment geldt er op grond van artikel
7:670, zevende lid, BW
een opzegverbod als een
werknemer zijn recht op
ouderschapsverlof geldend maakt. De
raamovereenkomst vergt echter dat de
wetgeving tevens een regeling bevat die
ziet op bescherming tegen minder
gunstige behandeling vanwege het geldend
maken van een recht op
ouderschapsverlof. Daarin wordt voorzien
met een nieuw artikel
6:1a in de Wet arbeid en zorg.
De
wettelijke regeling van het
ouderschapsverlof heeft, zoals bepaald
in artikel
6:1, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg, uitsluitend betrekking
op het verlofrecht en niet op de
betaling daarvan. De regering is van
oordeel dat eventuele betaling van het
ouderschapsverlof een aangelegenheid van
de sociale partners dient te blijven.
Het onbetaald zijn van het
ouderschapsverlof behoeft geen
belemmering te zijn voor de opname
daarvan in de gevallen waarin de
werknemer daaraan behoefte heeft. In
verreweg de meeste huishoudens met één
of meer kinderen werkt één van de
partners in deeltijd. Het bijbehorende
inkomensverlies nemen de partners
eveneens voor eigen rekening.
Clausule
6 (terugkeer naar het werk)
Clausule
6 van de raamovereenkomst bevat
bepalingen die geheel nieuw zijn ten
opzichte van de huidige richtlijn.
Op
grond van het eerste lid van clausule 6
dienen de nodige maatregelen te worden
genomen om te garanderen dat werknemers
die uit ouderschapsverlof terugkeren,
voor een bepaalde periode om aangepaste rblz.|6|
werktijden en/of -patronen kunnen
verzoeken en dat werkgevers deze
aanvragen beoordelen, rekening houdend
met hun eigen behoeften en met die van
de werknemers.
Het
tweede lid van clausule 6 houdt een
oproep in aan werkgevers en werknemers
om tijdens het verlof contact met elkaar
te houden en om afspraken te maken over
passende re-integratiemaatregelen in
verband met de terugkeer naar het werk
na het ouderschapsverlof.
De
in de raamovereenkomst gehanteerde
begrippen "werktijden en/of
-patronen"
komen overeen met de in de Nederlandse
wetgeving gebruikte termen "arbeidsduur" en
"arbeidstijdpatronen".
De
Nederlandse wetgeving voorziet met de Wet
aanpassing arbeidsduur reeds in een
recht om te verzoeken om aanpassing van
de overeengekomen arbeidsduur.
Het
recht om te verzoeken om aangepaste
werkpatronen behoeft wel implementatie.
De Arbeidstijdenwet
geeft in artikel 4:1a de werkgever een algemene opdracht
om, voor zover dat redelijkerwijs van
hem kan worden gevergd, bij de
vaststelling van het arbeidstijdpatroon
van de werknemer rekening te houden met
diens persoonlijke omstandigheden buiten
de arbeid, waaronder in elke geval
begrepen de zorg(taken) jegens kinderen.
Deze bepaling biedt de werknemer echter
geen recht te verzoeken om aanpassing
van het werkpatroon zoals bedoeld in de
raamovereenkomst.
Met
de Stichting van de Arbeid en de Raad
voor het Overheidspersoneelsbeleid is de
regering van oordeel dat de
verantwoordelijkheid voor de
implementatie van dit aspect van de
raamovereenkomst primair bij de sociale
partners dient te liggen. Op dat niveau
kunnen immers regelingen worden
getroffen die aansluiten bij de
specifieke omstandigheden in de
betreffende sector. De raamovereenkomst
maakt echter wetgeving onvermijdelijk
voor de gevallen waarin een werknemer
niet onder de werkingssfeer van een
collectieve regeling valt of dat dit
niet is geregeld in de van toepassing
zijnde collectieve regeling.
Om
te voorzien in een dergelijke wettelijke
regeling wordt aan de Arbeidstijdenwet
een nieuw artikel 4:1b toegevoegd op
grond waarvan de werknemer het recht
heeft om te verzoeken om aanpassing van
het arbeidstijdpatroon na gebruik van
het ouderschapsverlof en de werkgever
de plicht heeft dat verzoek te
beoordelen en daarop te beslissen.
De
wijze waarop in Nederland werknemers
gebruikelijk ouderschapsverlof opnemen,
geeft naar het oordeel van de regering
geen aanleiding om in zijn algemeenheid
bijzondere aandacht te besteden aan de
hervatting van het werk en eventuele
re-integratiemaatregelen. Het verlof
wordt doorgaans niet op een zodanige
wijze opgenomen dat er sprake is van een
langdurige onderbreking van het werk.
Dat geldt ook voor de gevallen waarin - vrouwelijke
- werknemers het
verlof gebruiken als vervolg op het
bevallingsverlof. Conform de in de
raamovereenkomst opgenomen oproep is het
aan sociale partners en individuele
werkgevers en werknemers om, in de
gevallen waarin daartoe aanleiding zou
bestaan, aandacht te besteden aan de
terugkeer naar het werk.
Clausule
7 (arbeidsverzuim door overmacht)
In
dit onderdeel van de raamovereenkomst is
de bestaande bepaling met betrekking tot
verzuim als gevolg van overmacht
ongewijzigd overgenomen.
In
de Nederlandse wetgeving is dit in
hoofdstuk 4 van de Wet arbeid en zorg
geregeld in de vorm van een recht op
calamiteiten- en ander kort
verzuimverlof.
rblz.|7|
Clausule
8 (slotbepalingen)
Ten slotte
bevat clausule 8 een aantal bepalingen
over de implementatie van de
raamovereenkomst.
Het
eerste lid geeft de lidstaten de
mogelijkheid om gunstigere bepalingen
vast te stellen, terwijl in het tweede
lid de bepaling is opgenomen dat de
implementatie van de richtlijn niet
wordt aangegrepen om bestaande ruimere
rechten te verlagen. Onderhavig
wetsvoorstel brengt geen wijziging in de
bestaande ruimere regelingen zoals
opgenomen in de Wet arbeid en zorg.
Op
grond van het derde lid wordt sociale
partners de mogelijkheid geboden om,
rekening houdend met bijzondere
omstandigheden, overeenkomsten te
sluiten over aanpassing of aanvulling
van de bepalingen van deze richtlijn. De
Wet arbeid en zorg biedt zowel ten
aanzien van het ouderschapsverlof als
het calamiteitenverlof de sociale
partners de mogelijkheid om bij CAO afwijkende afspraken te maken.
Het
vijfde lid bepaalt dat
geschillenbeslechting overeenkomstig
nationale wetgeving, collectieve
overeenkomsten of gebruiken plaatsvindt.
Eventuele conflicten over de toepassing
van de met dit wetsvoorstel te
introduceren rechten kunnen - conform
de in de arbeidswetgeving gebruikelijke
weg - worden voorgelegd aan de
rechter.
De
overige onderdelen van dit artikel
betreffen de implementatietermijn
(vierde lid), de rol van de Europese
sociale partners bij vragen omtrent de
uitleg van de raamovereenkomst (zesde
lid) en herziening van de
raamovereenkomst (zevende lid).
B.
Transponeringstabel
In onderstaande tabel is vermeld op
welke wijze de raamovereenkomst in de
Nederlandse wetgeving reeds is of met
dit voorstel van wet wordt
geïmplementeerd.
De
bepalingen die inhoudelijk geheel of
nagenoeg ongewijzigd zijn ten opzichte
van de raamovereenkomst die met
Richtlijn 96/34/EG tot uitvoering is
gebracht en waaraan de Nederlandse
wetgeving derhalve reeds voldoet, zijn
aangeduid met "oud".
|
Bepaling
raamovereenkomst tot uitvoering
gebracht met Richtlijn 2010/18/EU |
Bepaling
in implementatieregeling of in
bestaande regelgeving |
Omschrijving
van de beleidsruimte |
Toelichting
op de invulling van de
beleidsruimte |
|
Clausule
1 |
|
Eerste
lid: doel |
Behoeft
geen implementatie |
|
|
|
Tweede
lid: toepassingsgebied |
Oud
(artikel 1:1
Wazo) |
|
|
|
Derde
lid: nadere bepaling |
Artikel
1:1 Wazo;
artikel 7:648
en 7:649 BW |
|
|
|
Clausule
2 |
|
Eerste
lid: recht op verlof |
Oud
(artikel 6:1 en
6:4
Wazo) |
|
|
|
Tweede
lid: duur, overdraagbaarheid |
Artikel
6:2 Wazo |
|
|
|
Clausule
3 |
|
Eerste
lid: |
|
|
|
|
a.
wijze van opname |
Oud
(artikel 6:2
Wazo) |
|
|
|
b.
dienstverband |
Artikel
6:3 Wazo |
|
|
|
c.
uitstellen opname verlof |
Artikel
6:5 Wazo |
|
|
|
d.
kleine ondernemingen |
Artikel
6:5 Wazo |
|
|
|
Tweede
lid: melding opname |
Artikel
6:5 Wazo |
|
|
|
Derde
lid: ouders van kinderen met
handicap of chronische ziekte |
Geen
implementatie |
Beoordeling
noodzaak aanpassing voorwaarden en
wijze van toepassing |
Wetgeving
laat reeds opname toe naargelang
behoeften werknemer |
|
Clausule
4
|
|
|
Artikel
3:2 Wazo |
Beoordeling
noodzaak aanvullende maatregelen |
Bij
adoptie bestaat reeds recht op
aanvullend verlof |
|
Clausule
5
|
|
Eerste
lid: terugkeerfunctie |
Oud
(uit systematiek arbeidsrecht
volgt dat verlof de
arbeidsovereenkomst in stand laat
en daarmee behoud van het recht op
terugkeer) |
Derde
lid laat het aan lidstaten en/of
sociale partners de
arbeidsrechtelijke positie tijdens
verlof vast te stellen |
|
|
Tweede
lid: behoud rechten |
|
Derde
lid: arbeidsrechtelijke positie |
|
|
|
|
Vierde
lid: bescherming tegen: |
|
|
|
|
-
minder gunstige behandeling |
Nieuw
artikel
6:1a Wazo |
|
|
|
-
ontslag |
Oud
(artikel 7:670, zevende lid, BW) |
|
|
|
Vijfde
lid: beoordeling van: |
|
|
|
|
-
sociale-
zekerheidskwesties, in het
bijzonder gezondheidszorg |
Oud
(artikel
17a WW en
artikel
4 Besluit
dagloonregels werknemers-
verzekeringen: verlof
heeft geen invloed op duur en
hoogte van WW- en
WIA-uitkering;
artikel 2
Zvw en
artikel
5 AWBZ:
verzekeringsplicht op grond van
ingezetenschap) |
Het
is aan lidstaten en/of sociale
partners socialezekerheids-
kwesties
te beoordelen en te regelen |
Opname
van verlof is niet van invloed op
rechten WW, WIA, Zvw
en AWBZ |
|
-
inkomenskwesties |
Geen
implementatie |
Het
is aan lidstaten en/of sociale
partners inkomenskwesties te
beoordelen |
Betaling
ouderschapsverlof is
arbeidsvoorwaardelijke
aangelegenheid |
|
Clausule
6
|
|
Eerste
lid: verzoek aanpassing van: |
|
|
|
|
a.
arbeidstijden |
Wet
aanpassing arbeidsduur |
|
|
|
b.
arbeidspatronen |
Nieuw
artikel 4:1b Arbeidstijdenwet |
|
|
|
Tweede
lid: contact werknemer en re-integratie |
Geen
implementatie nodig |
Aanmoediging
sociale partners |
Verantwoordelijkheid
sociale partners |
|
Clausule
7
|
|
|
Oud
(hoofdstuk 4
Wazo) |
|
|
rblz.|8|
C.
Financiële effecten
Dit voorstel van wet leidt niet tot
budgettaire gevolgen voor de overheid.
De raamovereenkomst heeft, zoals
hierboven uiteengezet, slechts op twee
punten gevolgen voor de Nederlandse
wetgeving, namelijk een wettelijke
regeling van het verbod op benadeling
vanwege het geldend maken van het recht
op ouderschapsverlof en het recht te
verzoeken om aangepaste arbeidstijden of
-patronen na afloop van het
ouderschapsverlof. Beide zijn
uitsluitend van belang voor de
arbeidsrechtelijke verhouding tussen
werkgever en werknemer.
Dit
wetsvoorstel leidt voor bedrijven noch
burgers tot informatieverplichtingen aan
de overheid. Er zijn derhalve geen
administratieve lasten aan verbonden.
Het
te introduceren recht om te verzoeken om
aanpassing van het arbeidstijdpatroon
kan voor werkgevers kosten met zich
brengen voor zover dat tot extra
verzoeken leidt ten opzichte van de
huidige situatie waarin voor een
dergelijk verzoek geen wettelijke
grondslag bestaat. Deze verzoeken kunnen
leiden tot overleg voor de bespreking
van het verzoek van de werknemer, tot
administratieve handelingen, zoals
vastlegging in personeelsadministraties,
en tot gevolgen voor de bedrijfsvoering
van aangepaste arbeidstijdenpatronen.
Ervaringen
met de vergelijkbare regeling van de Wet
aanpassing arbeidsduur ¹ laten zien dat
dergelijke verzoeken doorgaans mondeling
tussen werkgever en werknemer worden
afgedaan. Derhalve mag worden verwacht
dat de extra administratieve handelingen
voor de werkgever beperkt zullen zijn.
Het
aantal werknemers dat een periode van
ouderschapsverlof opneemt, ligt op 79
000.² Indien de inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel ertoe leidt rblz.|9|
dat 10% meer werknemers na volledig gebruik van
het verlofrecht een verzoek indient voor
aanpassing van het arbeidstijdpatroon
dan momenteel - zonder wettelijke
basis - het geval is, zal jaarlijks
voor maximaal 7900 werknemers een
dergelijk verzoek in behandeling moeten
worden genomen. Met een geschatte
gemiddelde behandelingstijd van één uur
met een in dit kader gehanteerd standaarduurtarief van €|45,- zou dit
wetsvoorstel maximaal €|355 000,- aan
administratieve kosten voor werkgevers
met zich brengen.
Een
verantwoorde schatting van de materiële
nalevingskosten kan niet worden gegeven.
De
met dit wetsvoorstel te introduceren
benadelingsbescherming vanwege het
verzoeken om of gebruiken van
ouderschapsverlof zou kosten met zich
brengen als in de huidige praktijk
werknemers op die grond materieel zouden
worden benadeeld. Het is niet bekend of,
en zo ja, in welke mate dat voorkomt.
Er is ook geen concrete jurisprudentie
die daarvoor aanwijzingen zou kunnen
geven.
Het
is evenmin voldoende duidelijk welke
aannames zouden moeten worden gehanteerd
ten aanzien van de kosten die het recht
om te verzoeken om aangepaste
arbeidstijden met zich kan brengen,
waaronder het aanpassen van roosters om
de aangepaste arbeidstijden op te vangen
en de inzet van personeel op minder
productieve uren.
Verondersteld
mag worden dat deze kosten voor de
werkgever verantwoord zijn. De werkgever
is, gelet op het bepaalde in artikel 4:1a van de
Arbeidstijdenwet, slechts
gehouden aan instemming met het verzoek
voor zover dat redelijkerwijs van hem
kan worden gevergd. Het voorstel van wet
laat bovendien onverlet dat bij
collectieve regeling nadere afspraken
worden gemaakt over de wijze waarop
dergelijke verzoeken worden beoordeeld.
Met dergelijke afspraken kunnen de
sociale partners extra zekerheid
verkrijgen dat de introductie van dit
recht niet tot onevenredige lasten
leidt. Ook uit het gegeven dat de
sociale partners op Europees niveau
hierover tot overeenstemming zijn
gekomen, kan worden afgeleid dat zij van
oordeel zijn dat dit recht niet tot
onverantwoorde kosten leidt.
1.
Zie onderzoeksrapport "Effectiviteit
van de Wet
aanpassing arbeidsduur",
aangeboden bij brief van 19 november
2008 (Kamerstukken II 2008-2009, 26 447,
nr. 42).
2. CBS
Statline, gegevens 2009.
Artikelsgewijs
Artikel
I
In artikel 7:670 BW
is een opzegverbod
opgenomen voor werknemers die hun recht
op ouderschapsverlof geldend maken. Dit
opzegverbod kan niet worden beschouwd
als een toereikende uitwerking van
clausule 5 van de raamovereenkomst,
namelijk een bescherming tegen "een
minder gunstige behandeling […] wegens
het aanvragen of opnemen van
ouderschapsverlof". Dit onderdeel is in
het nieuwe artikel
6:1a van de Wet arbeid en zorg
vertaald in een
benadelingsbescherming, voor de
bewoordingen waarvan is aangesloten bij
artikel 7:670, zevende lid, BW.
Zowel
de Stichting van de Arbeid als de Raad
voor het Overheidspersoneel vragen in
hun advies over de implementatie om een
verduidelijking van de betekenis van het
in artikel 7:670, zevende lid, BW
gebruikte
terminologie "geldend
maken" van het
recht op ouderschapsverlof. Deze
formulering omvat niet alleen de
daadwerkelijke opname van het
ouderschapsverlof, maar ook het
aanvragen daarvan.
Artikel
II
Dit
artikel voorziet in een wettelijke
regeling van het in clausule 6 van de
raamovereenkomst opgenomen recht voor
werknemers te verzoeken om aanpassing
van het werkpatroon en de plicht van de
werkgever om daarop te reageren,
rekening houdend met de eigen behoeften
en met die van de werknemer.
rblz.|10|
Deze
wettelijke regeling wordt als nieuw
artikel 4:1b opgenomen in de Arbeidstijdenwet
in aansluiting op de
bestaande, in artikel 4:1a opgenomen
bepaling dat de werkgever - voor zover
dat redelijkerwijs van hem kan worden
gevergd - rekening houdt met de
persoonlijke omstandigheden van de
werknemer buiten de arbeid waar het gaat
om het vaststellen van het
arbeidstijdpatroon. De aanvullende
betekenis van artikel 4:1b is dat, voor
de situatie waarin de werknemer de zorg
voor een kind heeft en de periode van
ouderschapsverlof afloopt, deze de
werknemer een recht geeft te verzoeken
om een tijdelijke aanpassing van het
arbeidstijdpatroon en de werkgever
verplicht daarop - binnen een daartoe
te stellen termijn - een beslissing
neemt.
De
in artikel 4:1b opgenomen regeling heeft
het karakter van een wettelijke
voorziening waarop de werknemer kan
terugvallen indien op hem in het geheel
geen collectieve regeling in de zin van
de Arbeidstijdenwet van toepassing is
of een die geen regeling bevat voor het
recht te verzoeken om een aangepast
arbeidstijdpatroon. Het begrip
collectieve regeling is in de artikelen
1:3 en 1:4 van de Arbeidstijdenwet
gedefinieerd.
In
het eerste lid van artikel 4:1b is het
uitgangspunt van clausule 6 neergelegd,
namelijk het recht van de werknemer om
voor de periode na het ouderschapsverlof
te verzoeken het arbeidstijdpatroon
tijdelijk aan te passen. Een dergelijk
verzoek kan worden gedaan door
werknemers die het volledige voor hen
geldende ouderschapsverlof benutten.
Hiermee wordt voorkomen dat reeds na een
beperkte periode van ouderschapsverlof
recht zou ontstaan te verzoeken om een
aangepast arbeidstijdpatroon. Een
dergelijk gebruik was niet de bedoeling
van de bij de raamovereenkomst betrokken
partijen.
Clausule
6 van de raamovereenkomst strekt ertoe
de werknemer een overgangsperiode te
bieden tussen de tijd dat deze
ouderschapsverlof had opgenomen en het
moment waarop deze terugkeert naar het
reguliere arbeidspatroon. Daarbij stond
de Europese sociale partners een
beperkte periode voor ogen, die door hen
indicatief op één jaar wordt gesteld.
Dit
is uitgewerkt door de bepaling dat de
aanpassing van het arbeidspatroon een
periode van één jaar beslaat, dan wel
een andere periode die tussen werkgever
en werknemer in onderling overleg is
vastgesteld. Die periode kan zowel
langer als korter zijn dan één jaar.
In
het tweede en derde lid van artikel 4:1b
zijn termijnen opgenomen voor de
indiening van het verzoek om aangepaste
arbeidstijdpatronen door de werknemer en
de beslissing daarop door de werkgever.
Bij
de uitwerking van deze bepaling wordt
verondersteld dat, overeenkomstig de
intenties van de raamovereenkomst, de
periode van een aangepast
arbeidstijdpatroon direct aansluit op
het moment waarop het ouderschapsverlof
afloopt.
Voor
het verzoek om aanpassing van het
arbeidstijdpatroon is de termijn gesteld
op drie maanden vóór afloop van het
ouderschapsverlof. De werkgever dient
zijn beslissing op dat verzoek uiterlijk
vier weken vóór het einde van het
ouderschapsverlof kenbaar te maken.
Hiermee resteert voor de werkgever een
periode van twee maanden waarin deze kan
bezien of de gevraagde aanpassingen
mogelijk zijn en daarvoor zo nodig
organisatorische voorzieningen te
treffen. Een dergelijke termijn kan
worden geacht toereikend te zijn.
Gezien
de samenhang met artikel 4:1a is
afgezien van een specifieke bepaling
omtrent de beoordelingsgronden die de
werkgever in acht dient te nemen bij de
beslissing op het verzoek van de
werknemer. Artikel 4:1a verplicht de
werkgever reeds bij het beleid ter zake
van arbeids- en rusttijden rekening te
houden met de persoonlijke
omstandigheden van rblz.|11|
de werknemer, voor
zover dat redelijkerwijs van hem kan
worden gevergd. Deze algemeen geldende
verplichting zal de werkgever in het oog
moeten houden bij de beslissing naar
aanleiding van het specifieke verzoek
van een werknemer op grond van het
nieuwe artikel 4:1b.
Het
bestaande kader van artikel 4:1a voldoet
aan clausule 6 van de raamovereenkomst,
waarin de formulering "rekening houdend
met de eigen behoeften [van de
werkgever] en met die van de werknemer"
wordt gehanteerd.
In
het vierde lid van artikel 4:1a is
vermeld dat van de in het tweede en
derde lid gegeven termijnen alleen bij
collectieve regeling kan worden
afgeweken. Dat betekent dat de in deze
artikelleden genoemde perioden voor
indiening van het verzoek door de
werknemer en de beoordeling daarvan door
de werkgever kunnen worden aangepast in
het kader van een collectieve regeling
als bedoeld in de artikelen 1:3 en 1:4
van de Arbeidstijdenwet. Hieronder valt
ook een regeling die op bedrijfsniveau
met het medezeggenschapsorgaan is
overeengekomen.
Ook
kunnen bij collectieve regeling,
rekening houdend met de omstandigheden
in de betreffende sector of onderneming,
meer concrete gronden worden
geformuleerd op grond waarvan de
werkgever het verzoek van de werknemer
beoordeelt.
Een
afwijking van hetgeen in het tweede en
derde lid is geregeld anders dan bij
collectieve regeling, is nietig.
Van
het eerste lid van artikel 4:1b kan niet
worden afgeweken. Dat betekent dat de
werknemer altijd het recht heeft om een
verzoek te doen om aanpassing van zijn
arbeidstijdpatroon.
Het
staat de betrokken partijen uiteraard
vrij om bij collectieve regeling of
anderszins afspraken te maken ten gunste
van de werknemer, bijvoorbeeld ten
aanzien van de voorwaarde waaraan
voldaan moet worden om een verzoek tot
aanpassing van het arbeidstijdpatroon
gehonoreerd te krijgen of ten aanzien
van de periode gedurende welke een
aangepast arbeidstijdpatroon kan worden
verkregen.
Artikel
III
Artikel
3, eerste lid, van de richtlijn bepaalt
de uiterlijke implementatietermijn op 8
maart 2012, hetgeen ook de beoogde
inwerkingtredingsdatum is. Een
dergelijke afwijking van de vaste
verandermomenten is in aanwijzing 174
[van de Aanwijzingen voor de
regelgeving, red.] uitdrukkelijk toegestaan.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|