|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 024
Wijziging
van de Wet op de zorgtoeslag in verband met
de introductie van een vermogenstoets
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Systematiek
zorgtoeslag |
| 3 |
Voorgestelde
maatregel |
| 4 |
Budgettaire
gevolgen |
| 5 |
Inkomensgevolgen |
| 6 |
Uitvoeringsaspecten |
| 7 |
Gevolgen
voor administratieve lasten |
| 8 |
Inwerkingtreding |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikel
I |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
kabinet heeft als doelstelling om in
2015 de overheidsfinanciën op orde te
hebben. De economische crisis en
oplopende begrotingstekorten maken
hervormingen en bezuinigingen
noodzakelijk. Aan iedereen wordt een
bijdrage gevraagd om de
overheidsfinanciën weer in het gareel
te krijgen.
Het kabinet wil
hiertoe, zoals ook blijkt uit de
bijlagen bij het regeerakkoord en het gedoogakkoord (Kamerstukken II
2010-2011,
32 417, nr. 15, blz. 53 en 54 en blz. 91
en 92), onder andere maatregelen nemen op
het terrein van de zorgtoeslag. Eén van
de aspecten die bij de bezuinigingen een
rol speelt, is dat het kabinet
inkomensondersteunende maatregelen,
zoals de zorgtoeslag, alleen bij die
mensen terecht wil laten komen die deze
echt nodig hebben. Dit wetsvoorstel
regelt dat huishoudens met een fors
vermogen geen recht meer hebben op
zorgtoeslag.
2.
Systematiek zorgtoeslag
De zorgtoeslag is een tegemoetkoming in
de kosten van de (nominale) premie voor
een zorgverzekering als bedoeld in de
Zorgverzekeringswet (Zvw). De hoogte van
de zorgtoeslag wordt bepaald door de
standaardpremie (de gemiddelde nominale
premie voor een zorgverzekering plus het
gemiddeld verplicht eigen risico) en het
inkomen van de aanvrager en, als hij
deze heeft, zijn partner.
De Wet op de
zorgtoeslag (Wzt) veronderstelt dat de
aanvrager respectievelijk de aanvrager
en zijn partner maximaal een bepaald, in
artikel 2, derde lid, van die wet,
opgenomen percentage van het inkomen
reserveert respectievelijk reserveren
voor de betaling van de nominale premie
voor de zorgverzekeringen die zij hebben
en voor betaling van onder het verplicht
eigen risico vallende zorg.
Indien de
standaardpremie voor een zorgverzekering
hoger is dan eerder bedoeld percentage,
wordt het restant automatisch door
middel van een zorgtoeslag
gecompenseerd. Indien de standaardpremie
voor een rblz.|2|
zorgverzekering daarentegen
minder dan dat percentage bedraagt,
wordt geen zorgtoeslag uitbetaald. Voor
alleenstaanden ligt de inkomensgrens
waarop er nog zorgtoeslag wordt
uitgekeerd op €|36
022,-, voor partners op €|54
264,- (cijfers 2011).
De kosten van
de zorgtoeslag nemen in de toekomst fors
toe, niet alleen in euro’s, maar ook
als percentage van het bruto binnenlands
product (BBP). Die forse groei treedt op
omdat de uitgaven voor de Zvw - en
daarmee ook de nominale premies - harder stijgen dan de ontwikkeling van
de inkomens. In de laatste
vergrijzingsstudie gaat het Centraal
Planbureau (CPB) ¹ ervan uit dat de
Zvw-uitgaven in reële termen 1% per
jaar harder stijgen dan de inkomens.
De systematiek
van de Zvw impliceert dan ook dat de
nominale premie 1% per jaar harder
groeit dan de inkomens. Op grond daarvan
neemt het budgettaire beslag van de
zorgtoeslag fors toe. Om die reden is
ten tijde van het vorige kabinet reeds
een maatregel ingevoerd om de
percentages die binnen een huishouden
voor het kunnen betalen van de nominale
premie(s) moeten worden gereserveerd de
komende 30 jaar ieder jaar heel
licht te laten stijgen (Stb. 2010, 714),
terwijl het huidige kabinet deze
percentages van 2012 tot en met 2016 nog
extra wil laten stijgen. Dit laatste
wordt bij algemene maatregel van bestuur
(AMvB) geregeld. Deze AMvB is medio
september in het kader van de voorhang
naar de Kamer gestuurd.
1.
Centraal Planbureau, Vergrijzing
verdeeld, juni 2010.
3.
Voorgestelde maatregel
De regering wil de zorgtoeslag alleen
bij mensen terecht laten komen die deze
nodig hebben. Daarom wordt voorgesteld
het recht op zorgtoeslag met ingang van
2013 te beëindigen voor huishoudens met
een vermogen dat hoger is dan het
heffingvrije vermogen uit box 3 als
bedoeld in de inkomstenbelasting, plus
€|80 000,-.
Het kabinet is van mening dat mensen die
een vermogen boven deze grens hebben
geen inkomensondersteuning nodig hebben.
Een vergelijkbare vermogenstoets wordt
overigens in een afzonderlijk
wetsvoorstel voorgesteld voor het
kindgebonden budget. De bovenbedoelde
grenzen voor het recht op de zorgtoeslag
onderscheidenlijk op het kindgebonden
budget zijn opgenomen in het
regeerakkoord (bijlage, punten F16 en
F17).
Het vermogen uit box 3 is een reeds uit
de inkomstenbelasting bekend begrip.
De eigen woning
valt hier bijvoorbeeld niet onder. Het
heffingvrije vermogen uit box 3 kent in
2011 een hoogte van €|20
785,- voor een alleenstaande en het
dubbele voor partners. Voor ieder
minderjarig kind wordt het heffingvrije
vermogen verhoogd met €|2779,-.
Daarnaast kent box 3 overigens nog een
aantal vrijstellingen voor bepaald
vermogen, te weten maatschappelijke
beleggingen en beleggingen in
durfkapitaal, waar lang niet alle
belastingplichtigen gebruik van zullen
maken, en onder omstandigheden een extra
heffingsvrij vermogen voor
belastingplichtigen van 65 jaar of
ouder. Ook dit vermogen telt niet mee
voor de vermogenstoets.
De voorgestelde vermogenstoets komt erop neer dat een huishouden dat over
kalenderjaar t voor een vermogen van
meer dan €|80
000,- wordt belast in box 3, niet meer
in aanmerking komt voor de zorgtoeslag
over dat jaar. Praktisch gezien vervalt
het recht op zorgtoeslag dus voor
alleenstaanden met een vermogen van meer
dan ruim €|100
000,- ¹ en bij partners bij een
vermogen van meer dan ruim €|120
000,-. Het vermogen dat voor de
vermogenstoets in aanmerking wordt
genomen, is het vermogen op 1 januari
van het berekeningsjaar (dat wil zeggen
het kalenderjaar waarop de zorgtoeslag
betrekking zou hebben).
1.
Op basis van het heffingvrij vermogen
2011 ligt de grens - indien de
alleenstaande geen maatschappelijke
beleggingen of beleggingen in
durfkapitaal heeft of van een extra
vrijstelling voor 65-plussers gebruik
maakt - op €|100
785,-. In 2013 ligt de grens naar huidig
inzicht rond de €|101
500,-.
rblz.|3|
Als gevolg van de invoering van de
vermogenstoets komt ongeveer 6% van de
huishoudens die thans zorgtoeslag
ontvangen daar niet meer voor in
aanmerking.¹
1.
Dit percentage is bepaald met behulp van
een microsimulatiemodel op basis van een
representatieve steekproef van de
Nederlandse bevolking waarin de inkomens
en vermogens van huishoudens zijn
opgenomen.
Bij de vermogenstoets voor de
zorgtoeslag en het kindgebonden budget
is gekozen voor een andere hoogte van
het vermogen dan bij de vermogenstoets
voor de huurtoeslag. Dit heeft te maken
met de inkomenseffecten die een
vermogenstoets teweegbrengt. Immers,
hoe lager de grens van het vermogen bij
de vermogenstoets wordt gesteld, hoe
groter het aantal huishoudens is dat nu
wel recht heeft op zorgtoeslag en geen
recht heeft op de zorgtoeslag na
invoering van de vermogenstoets. Voor al
deze huishoudens betekent dit een
inkomensachteruitgang. Met de gekozen
vermogenstoets wordt een dergelijke
inkomensachteruitgang beperkt tot
ongeveer 6% van de huishoudens met recht
op zorgtoeslag met de hoogste vermogens.
Inhoudelijk is er geen samenhang tussen
voorliggend wetsvoorstel en de eerder
bedoelde AMvB tot verhoging van de
percentages van het inkomen dat binnen
een huishouden gereserveerd dient te
worden om de nominale premie(s) voor de
zorgverzekering te kunnen betalen. Die
AMvB raakt vrijwel alle huishoudens met
recht op zorgtoeslag. De introductie van
een vermogenstoets in dit wetsontwerp,
daarentegen, leidt ertoe dat een
beperkt deel van de huidige
rechthebbenden op zorgtoeslag dat recht
verliest.
4.
Budgettaire gevolgen
In onderstaande tabel zijn de
budgettaire gevolgen van de introductie
van een vermogenstoets in de zorgtoeslag
per 2013 opgenomen.
Budgettaire
effecten introductie zorgtoeslag (in
miljoenen euro’s):
|
|
2013 |
2014 |
2015 |
Structureel |
|
Uitgaven
zorgtoeslag |
–170 |
–170 |
–170 |
–170 |
De eenmalige
uitvoeringskosten van het wetsvoorstel
bedragen circa €|1
miljoen. Het gaat hier onder meer om het
aanpassen van de automatisering van de Belastingdienst/Toeslagen, het aanpassen
van voorlichtingsmateriaal en het
verzenden van brieven aan ongeveer 240
000 huishoudens die al zorgtoeslag
krijgen maar die in het eerste jaar
waarvoor de vermogenstoets zal gelden
waarschijnlijk een te hoog vermogen voor
een zorgtoeslag zullen hebben (zie
paragraaf 6). De structurele
uitvoeringskosten bedragen circa €|0,3
miljoen per jaar en betreffen vooral
extra werkzaamheden van de
Belastingdienst/Toeslagen die het gevolg
zullen zijn van bezwaren en beroepen
tegen het niet verlenen van de
zorgtoeslag in verband met een te hoog
vermogen.
5.
Inkomensgevolgen
In onderstaande tabel zijn de
inkomenseffecten weergegeven van het
voorstel voor huishoudens met
zorgtoeslag. Uit dit overzicht blijkt
dat voor 94% van de huishoudens met
recht op zorgtoeslag er geen
inkomenseffect optreedt. In 6% van de
gevallen, 0,3 miljoen huishoudens, raakt
een huishouden het recht op zorgtoeslag
kwijt omdat het vermogen groter is dan
de norm. Uit de tabel blijkt dat de
inkomenseffecten neerslaan bij
huishoudens met een inkomen boven het
sociaal minimum en rblz.|4|
dat huishoudens met
een groter inkomen relatief vaker last
hebben van de maatregel.
Inkomenseffecten
vermogenstoets zorgtoeslag naar
inkomensniveau huishouden:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Minimum |
Minimum
tot modaal |
Modaal
tot 1,5 x modaal |
1,5
tot 2,0 x modaal |
>2
x modaal |
Totaal |
| Geen
effect |
100%xx |
96%xx |
92%xx |
90%xx |
81%xx |
94%xx |
| –0,5 tot 0% |
0%xx |
0%xx |
1%xx |
2%xx |
4%xx |
1%xx |
| –1 tot
–0,5% |
0%xx |
0%xx |
1%xx |
3%xx |
4%xx |
1%xx |
| –2 tot
–1% |
0%xx |
1%xx |
2%xx |
2%xx |
2%xx |
1%xx |
| <–2% |
0%xx |
4%xx |
4%xx |
3%xx |
10%xx |
3%xx |
| Totaal |
100%xx |
100%xx |
100%xx |
100%xx |
100%xx |
100%xx |
| Aantal
huishoudens met zorgtoeslag (x
1000) |
8%xx |
60%xx |
23%xx |
8%xx |
1%xx |
5400xx |
6.
Uitvoeringsaspecten
De Belastingdienst/Toeslagen
werkt voor
het verstrekken van zorgtoeslag met een
systeem van automatische continuering:
huishoudens die in het jaar t-1 recht hadden op
zorgtoeslag krijgen
over jaar t automatisch een voorschot op
de toeslag, tenzij zij melden dat er
iets in hun situatie is veranderd. Omdat
het vermogen over het jaar t pas in t+1 bij de Belastingdienst/toeslagen
bekend wordt, zou dit zonder nadere
maatregelen betekenen dat huishoudens
die in het eerste jaar waarvoor de
vermogenstoets zal gelden (beoogd wordt:
2013) een te hoog vermogen hebben, toch
een voorschot op de zorgtoeslag zouden
krijgen, tenzij zij tijdig zelf actie
ondernemen om de
Belastingdienst/Toeslagen van hun
vermogenssituatie op de hoogte te
stellen. Ervan uitgaande dat dit niet
altijd zal gebeuren, zou dat er in de
praktijk toe leiden dat na het jaar t
een aanzienlijke hoeveelheid
voorschotten teruggevorderd of verrekend
zou moeten worden.
Dat leidt tot
extra werk voor de desbetreffende
huishoudens en de
Belastingdienst/Toeslagen, waarbij
bovendien een terugvordering voor een
huishouden dat niet goed op de hoogte is
van de nieuwe regelgeving als een
onwelkome verrassing kan komen. Daarbij
komt dat aldus de over 2013 beoogde
bezuiniging waarschijnlijk niet zou
worden bereikt.
Om deze reden is besloten dat de Belastingdienst/Toeslagen
bij de
invoering van de vermogenstoets in 2013
eenmalig rekening zal houden met de
vermogensgegevens van
zorgtoeslaghuishoudens die eind 2012
bekend zijn (dit zal doorgaans het
vermogen zijn waarmee voor de aanslag
inkomstenbelasting over 2011 rekening is
gehouden). Aan huishoudens die in 2012
een zorgtoeslag kregen en volgens de
eind 2012 bekende vermogensgegevens in
2013 vermoedelijk een vermogen zullen
hebben dat hoger ligt dan de
vermogensgrens, zal geen automatisch
voorschot worden verleend. Deze
huishoudens worden daarvan met een brief
op de hoogte gesteld. Indien het
vermogen van de desbetreffende
huishoudens inmiddels beneden de
vermogensgrens is gedaald, bijvoorbeeld
omdat er (bijvoorbeeld in 2012) een huis
van is gekocht, kan alsnog een aanvraag
voor een zorgtoeslag over 2013 worden
ingediend.
Verzekerden die in 2012 nog geen
zorgtoeslag kregen, maar wel overwegen
deze over 2013 aan te vragen, zullen aan
de hand van het - ook op de website
van de Belastingdienst/Toeslagen
- beschikbare voorlichtingsmateriaal over
de vermogenstoets, zelf moeten besluiten
of een aanvraag verstandig is.
rblz.|5|
En huishoudens die in 2013 een
zorgtoeslag krijgen maar in een later
jaar boven de vermogensgrens komen,
zullen dit, indien zij hun voorschot
willen stopzetten, zelf bij de Belastingdienst/Toeslagen
moeten
aangeven.
In alle gevallen waarin over jaar t een
voorschot op de zorgtoeslag is
verstrekt, wordt in het kader van de
(definitieve) toekenning daarvan het
vermogen achteraf door de Belastingdienst/Toeslagen
gecontroleerd
(aan de hand van het vermogen dat bekend
is uit de aangifte voor de
inkomstenbelasting over datzelfde jaar).
Blijkt dat huishoudens ten onrechte een
voorschot hebben gekregen, dan zal dat
worden teruggevorderd of verrekend.
7.
Gevolgen voor administratieve lasten
De stijging van de eenmalige
administratieve lasten wordt geraamd op
804 100 uur. De structurele
administratieve lasten zijn aanmerkelijk
beperkter. Huishoudens hoeven zich
immers maar eenmalig te informeren over
de vermogenstoets. De structurele
administratieve lasten worden geraamd op
89 363 uur. Het grootste deel hiervan
wordt veroorzaakt door bezwaar- en
beroepsprocedures.
8.
Inwerkingtreding
Uitgangspunt is dat de vermogenstoets in
werking treedt met ingang van 1 januari 2013. Eerder
is niet mogelijk, omdat de Belastingdienst/Toeslagen
enige tijd
nodig heeft om zijn systemen aan te
passen.
Artikelsgewijs
Artikel
I
De vermogenstoets wordt in artikel
2a Wzt opgenomen. De hoogte van de
zorgtoeslag wordt afhankelijk gemaakt
van het vermogen dat bij de belastingdienst als box 3-vermogen
bekend is. In artikel 5.2, eerste lid,
van de Wet
inkomstenbelasting 2001 is
bepaald dat de grondslag sparen en
beleggen de rendementsgrondslag aan het
begin van het kalenderjaar verminderd
met het heffingvrije vermogen is. Indien
een belastingplichtige het gehele
kalenderjaar dezelfde partner heeft of
wordt geacht te hebben gehad, is de
gezamenlijke grondslag sparen en
beleggen op grond van artikel 5.2,
tweede lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 de gezamenlijke
rendementsgrondslag aan het begin van
het kalenderjaar van de
belastingplichtige en zijn partner,
verminderd met het heffingvrije vermogen
van beiden. Het heffingvrije vermogen
uit box 3 kent in 2011 een hoogte van
€|20 785,-
voor een alleenstaande en het dubbele
voor partners. Voor ieder minderjarig
kind wordt het heffingvrije vermogen
verhoogd met €|2779,-.
Daarnaast kent het vrijstellingen voor
maatschappelijk beleggen en durfkapitaal
en, onder omstandigheden, extra
vrijstellingen voor personen van 65 jaar
of ouder. In het regeerakkoord is
opgenomen dat bij een vermogen van
minstens €|80
000,- dat in box 3 wordt belast, geen
aanspraak bestaat op de zorgtoeslag en
het kindgebonden budget.
In een afzonderlijk wetsvoorstel wordt
voorgesteld het kindgebonden budget van
eenzelfde vermogenstoets afhankelijk te
maken. Door middel van een aanpassing
van artikel 3 van de Wet
op het kindgebonden budget bepaalt dat
wetsvoorstel tevens dat het bedrag van
€|80 000,-
aan het begin van ieder kalenderjaar
overeenkomstig de tabelcorrectiefactor,
bedoeld in artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, wordt
gecorrigeerd. Voorts kan het bedrag
ingevolge dat wetsvoorstel bij algemene
maatregel van bestuur worden verhoogd.
Omdat de rblz.|6|
vermogenstoets voor de
zorgtoeslag gelijk dient te zijn en
blijven aan die voor het kindgebonden
budget, worden de relevante bepalingen
van artikel 3 van de Wet
op het kindgebonden budget zoals deze zullen
komen te luiden na invoering van de
vermogenstoets op dat budget, in de
Wzt
overgenomen (zie het tweede tot en met
vijfde lid van het voorgestelde artikel
2a Wzt).
Met de onderhavige vermogenstoets wordt
overigens afgeweken van de
vermogenstoets zoals opgenomen in de
Awir [Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen,
red.]. Op grond van artikel 7 van de
Awir
is het toetsingsinkomen in artikel 8 van
de Awir
in beginsel doorslaggevend voor
het bepalen van de draagkracht. Artikel
7 van de Awir
biedt echter de
mogelijkheid dat de draagkracht mede
wordt bepaald door het vermogen.
Voorwaarde daarvoor is dat dit expliciet
in de inkomensafhankelijke regeling
wordt opgenomen, hetgeen wordt gedaan in
het in onderdeel A voorgestelde
artikel 1, tweede lid,
Wzt. Indien de
draagkracht afhankelijk is van het
inkomen en het vermogen, geldt in
beginsel de vermogenstoets van artikel
7, derde lid, van de Awir. Deze
vermogenstoets heeft betrekking op het
vermogen waarover het voordeel uit
sparen en beleggen wordt bepaald
(grondslag sparen en beleggen) en het
vrijgestelde vermogen in maatschappelijk
beleggen en durfkapitaal. Met de
vermogenstoets die wordt ingevoerd in de
Wzt wordt hiervan, overigens net als bij
de vermogenstoets die wordt voorgesteld
voor het kindgebonden budget, afgeweken.
Bepaald wordt immers dat geen aanspraak
bestaat op zorgtoeslag bij een vermogen
van minstens €|80
000,- dat in box 3 wordt belast. Er is
gekozen voor een van de Awir
afwijkende
vermogenstoets teneinde de daarmee
samenhangende inkomenseffecten voor
zorgtoeslaggerechtigden te beperken.
De
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
E.I. Schippers
De
Staatssecretaris van Financiën,
F.H.H. Weekers
|