|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 065
Wijziging
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in verband met aanpassing van de dienstverlening van
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan werkgevers en werkzoekenden en de
opheffing van de Raad voor werk en inkomen
als publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en van de Werkloosheidswet
en enige andere wetten in verband met de
beëindiging van de inzet van het re-integratiebudget Werkloosheidswet
en van loonkostensubsidies
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Hoofdlijnen wetswijziging |
| 2.1 |
Samenwerking
tussen UWV en gemeenten |
| 2.2 |
Digitale dienstverlening en landelijk
systeem |
| 2.3 |
Eindbeeld
2015 |
| 2.4 |
Beëindiging van de inzet
re-integratiebudget WW en van
loonkostensubsidies |
| 2.5 |
Raad voor
werk en inkomen |
| 2.6 |
Gegevensverwerking |
| 3 |
Ingewonnen adviezen en
toetsen |
| 4 |
Financiële
effecten |
| 5 |
Administratieve lasten |
| 6 |
Ingangsdatum wetswijzigingen |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m VIII |
Algemeen
1.
Inleiding
De
Nederlandse arbeidsmarkt bevindt zich op een omslagpunt. De jarenlange
groei van de beroepsbevolking stopt de komende periode door ontgroening
en vergrijzing. De vergrijzing zorgt voor een stijging van de
vervangingsvraag enerzijds en een behoefte aan extra personeel in met
name de zorgsector anderzijds. Dit betekent dat er concurrentie op de
arbeidsmarkt ontstaat, die ertoe leidt dat werkgevers extra hun best
moeten doen om goede werknemers te behouden, maar ook om de juiste
arbeidskrachten te vinden om hun vacatures te vervullen. Dit biedt
mogelijkheden voor groepen op de arbeidsmarkt die nog niet volwaardig
participeren.
De
regering streeft naar een efficiënte
werking van de arbeidsmarkt waarbij de
eigen verantwoordelijkheid van burgers
en bedrijven vooropstaat. Het
verkrijgen en behouden van betaald werk
is in de eerste plaats een
verantwoordelijkheid van mensen zelf. De
overheid ondersteunt alleen de mensen
die dat écht nodig hebben. Bij dat
streven past een andere verhouding
tussen de rollen en
verantwoordelijkheden van overheid,
burgers en bedrijven dan voorheen.
De
ambitie is daarbij om met minder
middelen een vergelijkbaar niveau te
bereiken. Het is daarom van belang de
beschikbare middelen zo effectief en
efficiënt mogelijk in te zetten. Een
effectievere inzet van middelen is te
bereiken door de beschikbare middelen
uitsluitend in te zetten voor mensen met
een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
Werkloosheid ontstaat nagenoeg altijd
wegens vraaguitval. Inzet van
re-integratiemiddelen rblz.|2|
neemt de
vraaguitval niet weg, maar richt zich op
het wegnemen van in de persoon gelegen
belemmeringen. De regering is van mening
dat zij die een uitkering ontvangen op
grond van de Werkloosheidswet (WW) het
meest kansrijk zijn binnen de groep
werkzoekenden. WW-gerechtigden hebben in
het algemeen recente werkervaring en
hebben daarbij veelal geen in de persoon
gelegen belemmeringen die werkhervatting
in de weg staan. Inzet van
re-integratiemiddelen is vanuit deze
invalshoek voor WW-gerechtigden niet
effectief. De regering zal daarom,
conform het regeerakkoord (Kamerstukken
II 2010-2011, 32 417, nr. 15), met
ingang van 1 januari 2012 niet langer
re-integratiebudget inzetten voor
WW-gerechtigden. Hiermee kiest de
regering voor een selectieve inzet van
middelen, gericht op de meest kwetsbare
groepen op de arbeidsmarkt.
Daarnaast
wordt het budget voor bemiddeling
gehalveerd, conform de beleidsmatige
taakstelling uit het regeerakkoord
(Kamerstukken II 2010-2011, 32 417, nr.
15). Mede daarom vindt een verandering
plaats in de dienstverlening aan
werkzoekenden door het WERKbedrijf van
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV). Het
uitgangspunt wordt dat (naast
inschrijving) bemiddeling primair langs
digitale weg plaatsvindt, aansluitend en
aanvullend op de dienstverlening van
gemeenten en private partijen zoals
uitzendbureaus en andere bemiddelaars.
Ook de handhaving geschiedt voornamelijk
digitaal. Door de nadruk te leggen op
digitale dienstverlening ¹ kan met minder
capaciteit een adequate dienstverlening
aan werkzoekenden en werkgevers worden
geboden. De samenwerking ten aanzien van
diensten aan werkgevers blijft bestaan,
maar zal vooral op regionaal niveau vorm
krijgen.
1. Met digitale
dienstverlening wordt in deze wet hetzelfde bedoeld als elektronische
dienstverlening conform de Algemene wet
bestuursrecht.
De
belangrijkste taak van UWV WERKbedrijf
is het bij elkaar brengen van vraag en
aanbod op de arbeidsmarkt. UWV
verschaft
informatie over de landelijke, regionale
en sectorale arbeidsmarktsituatie, zodat
onder meer inzicht ontstaat in welke
sectoren krimp aan de orde is en in
welke sectoren juist baanopeningen
gevonden kunnen worden (groeisectoren).
Door inzicht in de arbeidsmarktsituatie
kan de werkgever zijn (met ontslag
bedreigde) werknemers zoveel mogelijk
zelf naar ander werk begeleiden en
worden werkzoekenden in staat gesteld om
werk te vinden. Zo kan werkloosheid
worden voorkomen. De overheid is pas aan
zet als private partijen er niet in zijn
geslaagd mensen aan het werk te houden.
De
wetswijziging past in het streven van
deze regering naar een krachtige, kleine
en dienstverlenende overheid met meer
eigen verantwoordelijkheid voor zowel
burgers als bedrijven. De
dienstverlening wordt moderner door een
breed gebruik van digitale
mogelijkheden.
De
opheffing van de Raad voor werk en inkomen (RWI) als publiekrechtelijke
rechtspersoon met een wettelijke taak,
en hiermee de beëindiging van de
financiering per 1 juli 2012, past
eveneens in het streven van dit kabinet
om te besparen op de uitgaven van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
2.
Hoofdlijnen wetswijziging
Bij
brief van 14 maart 2011 is de Tweede
Kamer geïnformeerd over de invulling
van de bezuinigingen. Hierin is tevens
het nieuwe dienstverleningsconcept van UWV WERKbedrijf
gepresenteerd (Kamerstuk
32 500 XV, nr. 75). In dit concept ligt
de nadruk op het optimaal benutten van
de eigen verantwoordelijkheid en
mogelijkheden van zowel burgers als
bedrijven. Ook wordt maximaal gebruik
gemaakt van de inzet van dienstverlening
uit de markt, zoals uitzendbureaus. De
dienstverlening van UWV
richt zich op
een aantal kerntaken, aansluitend en
aanvullend op de dienstverlening van
private partijen en
gemeenten.
rblz.|3|
2.1.
Samenwerking tussen UWV en gemeenten
2.1.1.
Bestaande wet- en regelgeving met
betrekking tot samenwerking
Op
1 januari 2009 is een wijziging van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Wet SUWI) (Stb. 2008, 600 en
601) in werking
getreden.
Daarbij is in artikel 10 van de
Wet SUWI
bepaald dat UWV
en
gemeenten
geïntegreerde dienstverlening aan
uitkeringsgerechtigden, werkzoekenden en
werkgevers verlenen. UWV en gemeenten
voeren daarbij taken uit die zijn
gericht op het ondersteunen bij de
arbeidsinschakeling en
vacaturevervulling, rekening houdend met
de regionale arbeidsmarkt. De essentie
van de geïntegreerde dienstverlening is
dat UWV en gemeenten samenhangende
diensten aanbieden, waarbij
uitkeringsgerechtigden, werkzoekenden en
werkgevers de keten als geheel kunnen
aanspreken en de keten ook als geheel
zijn diensten aanbiedt. De
geïntegreerde dienstverlening heeft
vorm gekregen op circa 100 werkpleinen.
In
het Besluit van 26 augustus 2010 tot
wijziging van het Besluit
SUWI in
verband met het stellen van regels
omtrent de dienstverlening in en de
inrichting van locaties werk en inkomen
(Stb. 2010, 681) is een nadere invulling
gegeven aan de geïntegreerde
dienstverlening op de werkpleinen. Dit
besluit vormt een oriëntatie op de
verwachtingen ten aanzien van de
werkpleinen en is voorzien van een
flexibele inwerkingtredingsbepaling. Met
de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten
(VNG), de Vereniging
van directeuren van sociale diensten (Divosa) en UWV
is
afgesproken dat het besluit eerst geheel
of gedeeltelijk in werking zou treden
indien het proces van de totstandkoming
van de geïntegreerde dienstverlening op
de werkpleinen niet voldoende vooruit
zou gaan. Dit heeft ertoe geleid dat het
besluit wel is gepubliceerd, maar niet
in werking is getreden.
In
het kader van het nieuwe
dienstverleningsconcept zijn elementen
uit het besluit (Stb. 2010, 681) over de
samenwerking tussen UWV en
gemeenten met
betrekking tot de
werkgeversdienstverlening op regionaal
niveau, de regionale arbeidsmarkt en de
registratie in één systeem, opgenomen
in de onderhavige wetswijzigingen.
Andere delen van het besluit zijn niet
meer van toepassing; de uitwerking van
de dienstverlening op de werkpleinen
verandert sterk (met name voor
werkzoekenden) en wordt gemoderniseerd
Dit
brengt met zich mee dat het besluit niet
in werking zal treden. In dit
wetsvoorstel is een andere grondslag
voor nadere regeling bij algemene
maatregel van bestuur voorgesteld. De
bepalingen die in het Besluit SUWI (Stb.
2010, 681) zijn opgenomen, zullen dan
ook vervallen.
2.1.2.
Wijziging in de samenwerking
De
samenwerking is een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van
gemeenten en UWV. Uitgangspunt is dat UWV en
gemeenten eerst gezamenlijk verkennen
welke afspraken het meest adequaat zijn.
Daarna kan verkend worden of nadere
sturing door de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid noodzakelijk
is. Daarbij heeft de minister ten
aanzien van UWV een andere
verantwoordelijkheid dan ten aanzien van
de gemeenten. UWV is immers een
zelfstandig bestuursorgaan waarvoor
directe ministeriële
verantwoordelijkheid geldt, terwijl de
gemeenten een eigen bestuurlijke positie
in het staatsbestel hebben. De minister
is echter, ondanks de eigen
verantwoordelijkheid van gemeenten,
verantwoordelijk voor de keten van werk
en inkomen als geheel. Gezien deze
verantwoordelijkheid kan de minister de
samenwerking, zowel in relatie tot UWV
als de colleges van burgemeester en
wethouders, richting geven met behulp
van het voorgestelde artikel 10 van de
Wet SUWI. Dit is in lijn met de
uitkomsten van de evaluatie SUWI uit
2006 waarin is gesteld dat de regie op
de keten van werk en inkomen verbeterd
moet worden. Ook komt dit overeen met de
wijze waarop in het oude artikel 10 van
de Wet SUWI
de rblz.|4|
verantwoordelijkheid voor
de totstandkoming van de samenwerking
tussen gemeenten en UWV primair is
neergelegd bij gemeenten en UWV (eerste
lid) en subsidiair bij de minister
(tweede lid).
Het
aantal vestigingen van waaruit UWV
opereert, wordt de komende jaren
teruggebracht van 98 naar 30, om daarmee
de kosten terug te dringen. De
samenwerking tussen
gemeenten en UWV zal
daardoor meer aanvullend op elkaar
geschieden. UWV
en gemeenten werken in
ieder geval samen inzake de registratie
in één systeem, de
werkgeversdienstverlening op regionaal
niveau en het verrichten van taken ten
aanzien van de regionale arbeidsmarkt.
Regionaal
arbeidsmarktbeleid
Doorgaans
zoeken werkgevers hun werknemers niet op
een lokale, maar op een regionale
arbeidsmarkt. Het is daarom van belang
dat UWV en
gemeenten samenwerken bij
diensten aan werkgevers en bij taken
voor de regionale arbeidsmarkt. De
samenwerking ten aanzien van de
regionale arbeidsmarkt behelst het
bepalen van regionaal arbeidsmarktbeleid
en de aanpak van regionale
arbeidsmarktvraagstukken. Er bestaan op
dit moment samenwerkingsverbanden op het
gebied van werk, inkomen en scholing in
de 30 arbeidsmarktregio’s. De aard van
de problematiek en de wijze waarop deze
wordt aangepakt, kan van regio tot regio
verschillen. De vestigingen van waaruit
UWV werkt, sluiten aan bij deze 30
arbeidsmarktregio’s. In het conceptbestuursakkoord was, ervan uitgaande dat
samenwerkingsverbanden in de regel beter
functioneren wanneer deze van onderop
ontstaan, de afspraak opgenomen dat
gemeenten het komende jaar bezien welke
regio-indeling het beste past bij
bovenlokale en gemeenschappelijke
uitvoering van gemeentelijke
werkzaamheden. Op dit moment is nog
onduidelijk of en in hoeverre deze
afspraak wijzigt. UWV gaat er daarom van
uit dat gemeenten met een regio-indeling
komen en zal na overleg met gemeenten
bezien op welke plaatsen de
UWV-vestigingen uiteindelijk het beste
gepositioneerd kunnen worden. Het staat
daarbij niet vast dat gemeenten met een
indeling van 30 regio’s komen. Gezien
de doelstellingen van de samenwerking
ligt echter een indeling die aansluit
bij het regionale schaalniveau van de
arbeidsmarkt voor de hand.
Bij
de totstandkoming van dit beleid in de
regio en het bij elkaar brengen van
publieke en private partijen ligt er een
logische voortrekkersrol bij de
gemeenten. Gemeenten kunnen zo de
verbinding maken tussen het
arbeidsmarktbeleid en aanpalende
terreinen als onderwijs, welzijn en
zorg.
UWV draagt zorg voor informatie en advies
over de arbeidsmarkt (art. 31 lid 2
[lees: artikel 31, tweede lid, van de Wet
SUWI, red.]) en
verstrekt maandelijks
arbeidsmarktinformatie ten behoeve van
de arbeidsmarktregio’s. De regionale
arbeidsmarktinformatie kan worden benut
voor het maken van regionale
arbeidsmarktanalyses, die gelden als de
basis voor beleid. In het regionale
netwerk zal UWV deze expertise
inbrengen.
Werkgeversdienstverlening
UWV
en
gemeenten hebben als
uitkeringsverstrekker beide een eigen
verantwoordelijkheid voor het aan de
slag helpen van de "eigen"
werkzoekenden. Vanuit die
verantwoordelijkheid hebben zij beide
belang bij een goede
werkgeversdienstverlening. Omdat de
werkgever niet gebaat is het maken van
afspraken voor afzonderlijke
doelgroepen, is samenwerking tussen
gemeenten en UWV van groot belang. De
samenwerking tussen UWV en gemeenten
wordt daarom wettelijk vastgelegd. Hoe
gemeenten en UWV die samenwerking
vervolgens vormgeven, is niet rblz.|5|
vastgelegd. Iedere regio is zo in staat
een eigen aanpak te ontwikkelen die
aansluit bij de regionale behoefte.
Wel
is het van belang dat er in alle
arbeidsmarktregio’s één regionaal
loket voor werkgevers is. In dit loket
kunnen werkgevers terecht voor
informatie en advies. UWV
en
gemeenten
geven dit loket gezamenlijk vorm. Ook
zorgen UWV en gemeenten voor een
aanspreekpunt voor werkgevers op
landelijk niveau. Dat is in lijn met de
aangenomen motie-Huizing en Van Hijum
(Kamerstukken 2010-2011, 32 500 XV, nr.
82) waarin gevraagd wordt om in overleg
met gemeenten, UWV en SVB te komen tot
verdergaande integratie van
dienstverlening door UWV en gemeenten op
de regionale werkpleinen, alsmede tot
een bundeling van ondersteunende
ICT-systemen en backofficeactiviteiten.
Daarnaast krijgen werkgevers
ondersteuning in specifieke situaties,
zoals bij het vervullen van vacatures
die geschikt zijn voor moeilijk
plaatsbare werkzoekenden, bij de
uitvoering van convenanten of bij
crisissituaties en massaontslagen.
Op
landelijk, regionaal en sectoraal niveau
maken
gemeenten en/of UWV
afspraken met
werkgevers, sectoren of branches over de
inschakeling van werkzoekenden.
Landelijke afspraken moeten regionaal en
lokaal worden doorvertaald; regionale
afspraken vragen om lokale
doorvertaling. UWV kan daarbij een
schakelfunctie vervullen tussen het
landelijke/sectorale en het regionale
niveau.
Op
lokaal niveau zijn er diverse
goedlopende werkgeversnetwerken, waar op
dit moment effectief mee samengewerkt
wordt. Steeds moet goed bezien worden in
hoeverre de dienstverlening het beste op
landelijk, regionaal of lokaal niveau
kan worden uitgevoerd. Op lokaal niveau
zullen
gemeenten een belangrijke rol
richting de lokale werkgevers vervullen.
Dienstverlening
aan werkzoekenden
Zowel
UWV als
gemeenten hebben een aantal
taken opgelegd gekregen die zij moeten
uitvoeren voor werkgevers en
werkzoekenden. Voor de gemeentelijke
doelgroep zijn taken belegd bij zowel
UWV als bij de gemeente.
Sinds
de invoering van de Wet SUWI
in 2002 is
de verantwoordelijkheid voor algemene
taken voor arbeidsbemiddeling en
daarnaast voor de uitkeringsintake voor
zowel klanten van UWV als gemeenten
belegd bij UWV (voorheen CWI [Centrale
organisatie werk en inkomen, red.]). Door deze
verantwoordelijkheid in één hand te
leggen, wordt uitvoering gegeven aan het
principe van "werk boven inkomen".
UWV
heeft de volgende algemene taken voor
arbeidsbemiddeling en het in ontvangst
nemen van uitkeringsaanvragen voor alle
werkzoekenden:
1.
UWV registreert op verzoek de
werkzoekenden en vacatures (artikel
30b van de Wet SUWI).
2.
UWV is verantwoordelijk voor het
voordragen van geschikte vacatures aan
werkzoekenden en het voordragen van
geschikte werkzoekenden voor vacatures (artikel
30a, tweede lid, van de Wet SUWI).
3.
UWV is verantwoordelijk voor de
advisering over de kans op werk en het
verbeteren van deze kansen voor alle
werkzoekenden, voor het geven van
informatie over het zoeken naar werk en
voor het geven van voorlichting over
opleidingsmogelijkheden (artikel 31
Wet SUWI).
4.
UWV is verantwoordelijk voor het in
ontvangst nemen van aanvragen voor
UWV-uitkeringen en van aanvragen voor
de Wwb, Ioaw en
WIJ (artikel
30c Wet SUWI).
rblz.|6|
Vervolgens
heeft de uitkeringsverstrekker (UWV voor
klanten met een UWV-uitkering en
gemeenten voor Wwb,
WIJ en
niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers))
de taak om de eigen werkzoekenden te
begeleiden naar werk door bijvoorbeeld
intensieve bemiddeling of re-integratie.
In de regel zal de uitkeringsverstrekker
deze taak pas oppakken als de algemene
taken van UWV WERKbedrijf
niet (snel
genoeg) leiden tot werk. Het gaat
daarbij om de volgende taken:
- Bevordering inschakeling in het
arbeidsproces voor werkzoekenden met een
uitkering van UWV:
1.
UWV is verantwoordelijk voor
werkzoekenden die een uitkering
ontvangen op grond van de door UWV uit
te voeren wetten, voor met werkloosheid
bedreigde werknemers en voor
jonggehandicapten jonger dan 18 jaar die
een belemmering ervaren in verband met ziekte of
gebrek een belemmering ondervinden bij
het volgen van onderwijs (artikel
30a,
eerste lid, van de Wet SUWI). Als
werkzoekenden intensieve dienstverlening
nodig hebben om aan het werk te komen,
geldt voor de Wajong [lees: Wet
Wajong, red.] en WGA-klanten [WGA: werkhervatting
gedeeltelijk arbeidsgeschikten als bedoeld in hoofdstuk
7 van de Wet WIA, red.] dat
daar eerst een beoordeling (indicatie)
aan voorafgaat.
2.
UWV is verantwoordelijk voor het maken
van afspraken met werkgevers voor WW-gerechtigden, die langdurig werkloos
zijn en voor Wajong-ers (artikel
30a,
tweede lid, van de Wet SUWI).
- Bevordering inschakeling in het
arbeidsproces voor werkzoekenden met een
uitkering van gemeenten en voor
niet-uitkeringsgerechtigden:
1.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor
werkzoekenden met een uitkering van
gemeenten (Wwb en WIJ), en voor
niet-uitkeringsgerechtigden (die wel
geregistreerd zijn bij UWV als
werkzoekenden) jonger dan 65 jaar (artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van
de Wwb).
2.
Gemeenten zorgen voor een werkleeraanbod
op grond van de WIJ (artikel 13
WIJ)
voor 16 tot 26 jarigen [lees: 16 tot en
met 26-jarigen, red.].
In
het kader van het redesign zal UWV
zijn dienstverlening voornamelijk digitaal
aanbieden en slechts in een beperkt
aantal gevallen via face-to-facecontacten. De arbeidsextensieve digitale
dienstverlening van UWV is beschikbaar
voor alle werkzoekenden, zowel voor de
UWV-doelgroep als de gemeentelijke
doelgroep, maar ook voor werkende
werkzoekenden.
Het
registreren van werkzoekenden en het in
ontvangst nemen van aanvragen voor een
uitkering - ook uit de doelgroep van
de
gemeenten
- blijft een taak voor
UWV. Met gemeenten worden afspraken
gemaakt over hoe deze digitale
dienstverlening voor de gemeentelijke
werkzoekenden vorm krijgt.
In
een steeds verder gedigitaliseerde
samenleving communiceert ook de overheid
steeds meer via de elektronische weg.
Veel burgers zijn inmiddels bekend met
deze wijze van communiceren en kunnen
zich vrij eenvoudig melden voor een
uitkering (ruim 70% vraagt de WW-uitkering al digitaal aan), alsook
zoeken naar werk via internet.
UWV zal de komende jaren sterk inzetten op
doorontwikkeling van de digitale
dienstverlening. Daarbij zijn de
voornaamste doelstellingen om de
stabiliteit, beschikbaarheid en
performance van de dienstverlening te
borgen. Om dat te bereiken, zullen nieuwe
tools worden ontwikkeld of bestaande
tools worden doorontwikkeld, zoals:
- doorontwikkelen diagnose-instrument;
- verbeteren van de kwaliteit van de
automatische matching;
- geïntegreerde intake voor inkomen en
werk;
- digitale handhaving doorontwikkelen,
zodat de klant wordt gemonitord en kan
worden aangesproken op het nakomen van
verplichtingen;
- ontwikkelen modules voor e-learning.
rblz.|7|
Om
te voorkomen dat in de aanloopfase
gebreken in de dienstverlening ontstaan
- waardoor het vertrouwen in het
gebruik zou kunnen wegvallen -, zal UWV
een gedegen ontwikkelprogramma opzetten
en voorzien in proefimplementaties op
een aantal vestigingen. Op
elf vestigingen wordt de elektronische
dienstverlening nu al beproefd. Deze
pilots hebben voor de verdere
ontwikkeling van de digitale
dienstverlening al veel bruikbare
inzichten en ervaringen opgeleverd.
Daarnaast
worden verschillende gebruikersgroepen
vanaf het begin bij de ontwikkeling van
de dienstverlening betrokken, om daarmee
te borgen dat deze aansluit op de
behoeften van gebruikers.
Voor
het ontwerpen en ontwikkelen van
digitale dienstverlening wordt
aangehaakt op de staande organisatie, om
te borgen dat de staande organisatie mee
ontwikkelt op de inrichting en
uitvoering van digitale dienstverlening.
De
regering onderkent dat er altijd een
groep blijft die minder goed kan omgaan
met digitale dienstverlening. In de
eerstkomende jaren zal door UWV
daarom
nog een voorziening op de werkpleinen
worden geboden om werkzoekenden
behulpzaam te zijn bij het gebruik van
de betreffende digitale diensten.
Daarnaast wordt bij de doorontwikkeling
van de digitale dienstverlening
specifiek aandacht besteed aan de
groepen die zich minder goed kunnen
redden met digitale dienstverlening,
zoals laagopgeleide ouderen en andere
minderdigivaardigen. Daarbij zal
onderzocht worden welke verbeteringen
nodig zijn om zoveel mogelijk
betrokkenen alsnog in staat te stellen
om met elektronische dienstverlening hun
weg te vinden c.q. het contact met UWV
te onderhouden.
Werkzoekenden
kunnen hun eigen verantwoordelijkheid om
werk te vinden, waarmaken doordat zowel
werkzoekenden en vacatures in een
transparant digitaal systeem zijn
geregistreerd. Alleen door samen te
werken, kan goed inzicht geboden worden
in arbeidspotentieel en vacatures.
Hieronder wordt nader ingegaan op de
noodzaak van registratie in één
systeem.
2.2.
Digitale dienstverlening en landelijk
systeem
De
openbare kostenloze
arbeidsvoorzieningsdienst blijft in
stand, met in ieder geval voor iedereen
toegankelijke digitale dienstverlening.
In de afgelopen jaren is binnen de
sociale zekerheid door de daarbij
betrokken partijen gewerkt aan een
uniform systeem voor gegevensverwerking.
Ter ondersteuning daarvan worden
gezamenlijke elektronische voorzieningen
in stand gehouden door de SUWI-partijen
op grond van artikel
62, tweede lid, van
de Wet SUWI. Dit is een landelijk
systeem dat wordt gehanteerd door zowel UWV
als
gemeenten. Dat is in lijn met de
aangenomen motie-Huizing en Van Hijum
(Kamerstukken 2010-2011, 32 500 XV, nr.
82) waarin gevraagd wordt om in overleg
met gemeenten, UWV en SVB
te komen tot
verdergaande integratie van
dienstverlening door UWV en gemeenten op
de regionale werkpleinen, alsmede tot
een bundeling van ondersteunende
ICT-systemen en backofficeactiviteiten.
Het landelijk systeem vormt de basis
voor de digitale dienstverlening. De
digitale dienstverlening bestaat uit
(toegang tot) een landelijk
vacaturesysteem, digitale registratie
van werkzoekenden en curricula vitae en
de mogelijkheid om deze op kenmerken te
matchen. Registratie van werkzoekenden
in het landelijk systeem vindt plaats
doordat aanvragen voor uitkeringen
digitaal worden ingediend bij UWV.
Gemeenten zien erop toe dat hun klanten
zich bij UWV inschrijven en ingeschreven
blijven staan als werkzoekende (conform
artikel 9 Wwb). Daarnaast werkt UWV
samen met uitzendbureaus, gemeenten,
andere bemiddelaars en andere relevante
partners aan een zo hoog mogelijk
vacaturebereik. Doordat alle
werkzoekenden en vacatures bij elkaar
gebracht worden in één systeem, worden
de rblz.|8|
mogelijkheden om deze -
automatisch -
te matchen optimaal. Zowel de
werkgever als de werkzoekende kunnen
gebruik maken van deze automatische
matching. Registratie in één systeem
is cruciaal voor het bevorderen van de
transparantie op de arbeidsmarkt.
Werkzoekenden
zijn zelf verantwoordelijk voor het
zoeken naar werk. Vacatures worden
digitaal onder hun aandacht gebracht.
Ter ondersteuning is voor de
werkzoekende een breed pakket aan
digitale dienstverlening beschikbaar.
Het gaat daarbij om instrumenten om
vacatures te vinden, te solliciteren,
kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren
en inzicht in vaardigheden te vergroten
en algemene informatie en
voorlichtingsmateriaal. Hiermee kan de
werkzoekende dagelijks werken aan werk.
Werkzoekenden worden doorverwezen naar
relevante bemiddelaars, bijvoorbeeld van
branches en sectoren en WW-gerechtigden
worden tevens verplicht zich bij een
uitzendbureau in te schrijven. Deze
verplichting wordt geregeld in het
Besluit Sollicitatieplicht [lees: Besluit
sollicitatieplicht werknemers WW 2009, red.] van UWV. De
verplichting tot inschrijving is een
vervolg op de goede ervaringen die al
bestaan bij de samenwerking van UWV met
uitzendbureaus.¹ Met uitzendbureaus zijn
in de afgelopen periode ook goede
ervaringen opgedaan met zogenaamde
speeddates, waarbij werkzoekenden zich
presenteren aan diverse uitzendbureaus.
De landelijke website voor vacatures en
curricula vitae van werkzoekenden van
UWV wordt intensief gebruikt door de
branche van uitzendbureaus. Voor
WW-gerechtigden ² geldt dat wanneer zij
na drie maanden nog geen werk hebben
gevonden, een coach hen op afstand
actief zal ondersteunen bij het vinden
van werk (digitale coaching). Deze
ondersteuning duurt totdat de
werkzoekende een jaar werkloos is. Voor
de periode van drie tot twaalf maanden WW is
gekozen omdat gedurende de eerste drie maanden van werkloosheid de uitstroom
naar werk al groot is zonder aanvullende
begeleiding. Aanvullende begeleiding is
het meest effectief in de periode van
drie tot twaalf maanden werkloosheid.
Bij
de automatische matching van vacatures
voor WW-gerechtigden wordt rekening
gehouden met de bepalingen in de
richtlijn passende arbeid [lees: Richtlijn
passende arbeid 2008, red.]. Dit betekent
dat naarmate de werkloosheid voortduurt,
steeds meer arbeid als passend worden
beschouwd. De werkloze dient zich ruimer
op te stellen en arbeid op een lager
niveau en in een ander beroep te
accepteren. Na één jaar werkloosheid
is alle (gangbare) arbeid passend. Een
deel van deze werkzoekenden krijgt dan
een passend werkaanbod conform artikel
30a, tweede lid, van de Wet SUWI. Ook na
twaalf maanden werkloosheid staan de
werkzoekende alle arbeidsextensieve
vormen van digitale dienstverlening ter
beschikking.
1. UWV
kan ook nu al voorschrijven dat de klant zich moet inschrijven bij één
of meerdere uitzendbureaus. De klant is verplicht zich te houden aan de
afspraken die zijn opgenomen in de re-integratievisie dan wel het
re-integratieplan.
2. De dienstverlening die wordt geschetst voor WW-gerechtigden
is van overeenkomstige toepassing op personen die een uitkering op grond
van de IOW ontvangen.
Voor
een klein deel van de WW-gerechtigden is
face-to-facedienstverlening beschikbaar
(circa 10% van de WW-gerechtigden in de
periode van drie tot twaalf maanden WW en
afhankelijk van het beschikbare budget).
UWV
bepaalt in een objectieve diagnose
op basis van (combinaties van) kenmerken
welke werkzoekenden hiervoor in
aanmerking komen. Op voorhand worden
geen specifieke groepen aangewezen. Het
zal gaan om een combinatie van
werkzoekenden met een grote afstand tot
de arbeidsmarkt en werkzoekenden die
niet overweg kunnen met digitale
coaching.
De
dienstverlening aan gedeeltelijk arbeids(on)geschikten
verandert niet. Deze groep wordt
intensief begeleid door middel van onder
andere face-to-facedienstverlening. Wel
zal UWV deze klanten de mogelijkheid
bieden om gebruik te maken van digitale
dienstverlening.
WW-gerechtigden
dienen zich over hun
sollicitatieactiviteiten te
verantwoorden zodat coaching en
handhavingsactiviteiten kunnen
plaatsvinden. Ook handhaving wordt op de
digitale dienstverlening afgestemd en
waar mogelijk digitaal ondersteund.
Hiervoor biedt het gebruik van één rblz.|9|
systeem belangrijke voordelen. De basis
voor handhaving en fraudebestrijding
vormt de (digitale) registratie van de
(sollicitatie)activiteiten van
WW-gerechtigden. Voor UWV
is zichtbaar
welke acties WW-gerechtigden hebben
ondernomen op basis van de automatische
matching met vacatures.
Uitkeringsgerechtigden
zijn verplicht om te solliciteren op
voor hen passende functies. De
automatische matching geeft banen die
mogelijk passend zijn. De
uitkeringsgerechtigde geeft in de werkm@p
aan op welke vacatures hij heeft
gesolliciteerd en wat het resultaat
daarvan is geweest. Op grond van
steekproeven of anderszins
(risicogroepen, systeemmatige signalen
e.d.) zal UWV, daar waar het
uitkeringsgerechtigden van UWV betreft,
beoordelen of het sollicitatiegedrag van
betrokkene toereikend is geweest en of
betrokkene zich voldoende breed heeft
georiënteerd op mogelijke banen. Deze
beoordeling kan aanleiding geven om
maatregelen aan te kondigen/toe te
passen.
Een
deel van de (andere) activiteiten dient
de WW-gerechtigde ook zelf te
registeren, waar UWV vervolgens ook weer
inzicht in heeft. UWV zal de handhaving
baseren op een preventieve en
risicogestuurde aanpak op basis van
klantprofielen. Bovendien vinden
steekproefsgewijs controles plaats op
sollicitatiegedrag en juistheid van
registratie van sollicitatieactiviteiten
van uitkeringsgerechtigden en wordt de
effectiviteit van de
sollicitatieactiviteiten gecontroleerd.
Het is ook belangrijk om de ervaringen
van uitzendbureaus en andere
bemiddelaars met de werkzoekenden te
monitoren en te benutten bij de verdere
handhaving en bemiddeling; hierover zal
UWV afspraken maken met de betreffende
partijen.
UWV
investeert in het klantvriendelijker en
toegankelijker maken van de digitale
dienstverlening. Een voorbeeld daarvan
is ondersteuning van de klant bij het
indienen van een uitkeringsaanvraag via
een filmpje, waarmee de klant door de
procedure heen wordt geholpen. Klanten
zijn dan niet enkel afhankelijk van
schriftelijke informatie; er wordt hen
aan de hand van een filmpje verteld en
getoond wat er van hen verwacht wordt.
Voor bijvoorbeeld laaggeletterden kan
dit uitkomst bieden. UWV stemt de
toegankelijkheid van de dienstverlening
ook af op andere specifieke groepen,
zoals blinden en slechtzienden.
Om
alle klanten - en in het speciaal ook
ouderen - zo goed mogelijk aan te
sluiten op de digitale dienstverlening
betrekt UWV het programma Digivaardig
& Digibewust ¹ bij de ontwikkeling
van zijn dienstverleningsconcept. Dat
zorgt voor specifieke aandacht voor de
"minderdigivaardige klanten" en is in
lijn met de aangenomen motie-Van den
Besselaar en Ortega-Martijn
(Kamerstukken 2010-2011, 32 500 XV, nr.
89).
1. Het programma Digivaardig
& Digibewust is een initiatief van de Nederlandse overheid, het
bedrijfsleven en diverse maatschappelijke instellingen. Zij werken
binnen dit programma samen om zoveel mogelijk Nederlanders gebruik te
kunnen laten maken van de diverse digitale toepassingen zoals we die nu
kennen: internet, e-mail, internetbankieren, Twitter, etc. Bovendien
willen zij ook de bewustwording rond het veilig gebruik van deze
digitale toepassingen stimuleren. Meer informatie over het programma
Digivaardig & Digibewust is te vinden op
www.digivaardigdigibewust.nl.
UWV
voert op dit moment tot medio 2013 een
onderzoek uit waarin mensen over
meerdere perioden wordt gevraagd of ze
uit de voeten kunnen met digitale
dienstverlening en of daar ontwikkeling
in zit door bijvoorbeeld het meer
klantvriendelijk maken van de digitale
dienstverlening en coaching. Dit
onderzoek zal informatie opleveren over
hoe de digitale dienstverlening verder
verbeterd kan worden. Dit onderzoek zal
tevens indicaties opleveren over de mate
waarin cliëntgroepen met digitaal
aangeboden dienstverlening om kunnen
gaan, wat middelen zijn om cliënten
daarin adequaat te ondersteunen en welke
kenmerken van werkzoekenden digitale
dienstverlening minder geschikt maken.
Het is bijvoorbeeld nog maar de vraag of
ouderen problemen ondervinden met
digitale dienstverlening.
Na
afronding van dit onderzoek zal bezien
worden in hoeverre alternatieven op de
digitale dienstverlening nodig zijn. Het
perspectief dat alle dienstverlening
digitaal aangeboden wordt, geldt voor het
jaar 2015.
rblz.|10|
2.3.
Eindbeeld 2015
De
ontwikkelingen gaan snel, de samenleving
digitaliseert, waardoor de keuze voor
het hier gepresenteerde
dienstverleningsconcept van UWV
aansluit
op het huidige tijdsgewricht. De
bestaande systemen van UWV vormen de
basis voor het dienstverleningsconcept.
Een groot deel van de elektronische
dienstverlening is al mogelijk; de
basissystemen hiervoor werken op dit
moment al. Deze systemen worden
doorontwikkeld, zowel op het gebied van
gebruiksvriendelijkheid als van
functionaliteit. Wel wordt het tijdpad
van digitalisering versneld onder
invloed van de taakstellingen uit het
regeerakkoord. Het
dienstverleningsconcept zal zijn
voltooid in 2015.
In
2012 zal UWV
starten met het beëindigen
van werkzaamheden op de eerste 31 werkpleinen. In de periode van 1 januari
2012 tot voorjaar 2013 zal UWV zich van
deze vestigingen terugtrekken. Het gaat
om over het algemeen kleinere
vestigingen die geen regiovestiging
kunnen worden vanwege hun omvang.
Klanten van deze werkpleinen die nog
face-to-facedienstverlening nodig
hebben, zullen worden overgedragen aan
nabijgelegen werkpleinen. In de periode
vanaf medio 2013 tot eind 2014 trekt UWV
zich terug van nog eens 37 vestigingen.
UWV voert over deze laatste tranche
overleg met de VNG om tot een
definitieve keuze van de
arbeidsmarktregio’s en de bijbehorende
regiovestigingen te komen.
2.4.
Beëindiging van de inzet
re-integratiebudget WW en van
loonkostensubsidies
2.4.1.
Re-integratiebudget WW
De
keuze om het re-integratiebudget niet
meer in te zetten voor WW-gerechtigden
betekent dat UWV
voor hen geen middelen
meer heeft om externe
re-integratiedienstverlening (te denken
valt aan cursussen, trainingen,
scholing, re-integratietrajecten e.d.)
in te kopen. De WW-gerechtigde behoudt
wel recht op ondersteuning bij de
arbeidsinschakeling. Deze ondersteuning
bestaat uit de dienstverlening die UWV
aan WW-gerechtigden levert, zoals
hiervoor beschreven in paragraaf 2.2
"Digitale dienstverlening en landelijk systeem".
In
de WW en de Wet SUWI
zijn bepalingen
opgenomen waarin regels worden gesteld
ten aanzien van de externe inkoop van
dienstverlening. Dit betreffen
bepalingen over de aanspraken van
WW-gerechtigden op naar het oordeel van UWV
noodzakelijke voorzieningen gericht
op arbeidsinschakeling, het opstellen
van een daarin voorziend
re-integratieplan, verplichting voor UWV
om re-integratieondersteuning extern in
te kopen en de mogelijkheid voor
WW-gerechtigden om hun eigen
re-integratie vorm te geven via een
zogeheten individuele
re-integratieovereenkomst (IRO).
In
dit wetsvoorstel vervallen daarom, in
lijn met de keuze om het
re-integratiebudget niet meer in te
zetten voor WW-gerechtigden, de
bepalingen die betrekking hebben op door
UWV in te kopen externe
re-integratiedienstverlening.
2.4.2.
Noodzakelijke scholing
In
artikel 19 van de WW
is geregeld dat het
recht op een WW-uitkering eindigt als
iemand niet beschikbaar is voor de
arbeidsmarkt. In geval van het volgen
van scholing zou een WW-gerechtigde in
beginsel niet langer beschikbaar voor de
arbeidsmarkt kunnen zijn. Om te
voorkomen dat een WW-uitkering geheel of
gedeeltelijk moet worden beëindigd als
de WW-gerechtigde noodzakelijke scholing
volgt, is in artikel 76 van de
WW opgenomen dat het recht op WW in die
situatie blijft bestaan. In geval van rblz.|11|
noodzakelijke scholing is de
WW-gerechtigde tevens vrijgesteld van de
sollicitatieverplichting.
Met
dit wetsvoorstel vervalt de mogelijkheid
voor UWV
om een dergelijke noodzakelijke
scholing in te kopen. De regering kiest
er echter uitdrukkelijk voor om de
mogelijkheid voor het volgen van
noodzakelijke scholing met behoud van WW-uitkering als zodanig te handhaven.
Het past bij het stimuleren van de eigen
verantwoordelijkheid van werknemer en
werkgever om het mogelijk te maken dat
noodzakelijke scholing door de
WW-gerechtigde zelf (bijvoorbeeld vanuit
een ontslagvergoeding) of door een
private partij (bijvoorbeeld een
potentiële werkgever) wordt ingekocht
en dat deze noodzakelijke scholing met
behoud van uitkering kan worden gevolgd.
2.4.3.
Overheidswerkgevers
De
overheidswerkgever is eigenrisicodrager
voor de WW en betaalt dus zelf de
WW-uitkering die aan de
ex-overheidswerknemer wordt verstrekt.
In de WW is geregeld dat de
overheidswerkgever zelf verantwoordelijk
is voor de re-integratie van de
ex-overheidswerknemer (in plaats van UWV), aangezien de overheidswerkgever
een directe financiële prikkel heeft om
de ex-overheidswerknemer snel naar ander
werk te begeleiden. Hiermee wordt
bereikt dat de overheidswerkgever zelf
kan inzetten op een snelle herplaatsing
van de ex-overheidswerknemer.
Daarnaast
zijn in de WW
bepalingen opgenomen
waarmee de ex-overheidswerknemer
dezelfde aanspraken op dienstverlening
kan doen gelden richting de
overheidswerkgever als de reguliere
WW-gerechtigde richting UWV. In de WW is
dus een duidelijke koppeling gemaakt
tussen de re-integratietaken van UWV, de
re-integratietaken van de
overheidswerkgever, de aanspraken van de
reguliere WW-gerechtigde en de
aanspraken van de ex-overheidswerknemer.
Nu
de regering ervoor kiest om het
re-integratiebudget niet langer voor WW-gerechtigden in te zetten en de
wettelijke taken op dit vlak te laten
vervallen, ligt het voor de hand deze
taak eveneens te laten vervallen ten
aanzien van overheidswerkgevers.
Ditzelfde geldt voor de aanspraken van
ex-overheidswerknemers richting de
overheidswerkgever. Met dit wetsvoorstel
wordt daarom geregeld dat de betreffende
bepalingen ten aanzien van de
overheidswerkgevers en
ex-overheidswerknemers eveneens
vervallen.
Dit
neemt niet weg dat vanwege het
eigenrisicodragerschap voor de WW-uitkering de overheidswerkgever een
intrinsieke prikkel houdt om (middels de
inzet van eigen middelen en/of
re-integratie-instrumenten) in te zetten
op een snelle herplaatsing van de
ex-werknemer.
2.4.4.
Loonkostensubsidies
Tegelijk
met het wegvallen van het
re-integratiebudget WW
vervalt voor UWV het instrument van de
loonkostensubsidie.¹ Dit instrument is
met ingang van 1 januari 2009 op basis
van de Wet
stimulering arbeidsparticipatie (Stb. 2008, 590)
als een extra en tijdelijk instrument
beschikbaar gesteld aan UWV. UWV kan dit
instrument (onder voorwaarden) inzetten
voor langdurig werklozen,
arbeidsongeschikten of herbeoordeelden
met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt.
1. Het instrument
loonkostensubsidie binnen het UWV-domein
is voor een andere doelgroep bestemd dan het instrument loondispensatie
binnen de Conceptwet werken naar vermogen. Loonkostensubsidie is een
generiek instrument waarbij aan een werkgever 50% van het WML [wettelijk
minimumloon, red.] wordt verstrekt over maximaal één jaar om daarmee een werkgever over
de streep te strekken een aantal doelgroepen met afstand tot de
arbeidsmarkt een vaste baan te geven tegen normale arbeidsvoorwaarden.
Het instrument loondispensatie geeft een werkgever het recht
(dispensatie) om een werknemer structureel een loon onder het WML te
betalen (dus een baan aanbieden met wat het loon betreft afwijkende
arbeidsvoorwaarden), zolang als de werknemer vanwege lichamelijke,
verstandelijke of psychische beperkingen dan wel andere redenen een
lagere arbeidsproductiviteit heeft en daarmee niet zelfstandig het WML
kan verdienen. De overheid vult het inkomen van de werknemer aan (via de
uitkering) tot maximaal het WML, zodat het totale inkomen van de
werknemer een maatschappelijk aanvaardbaar niveau heeft.
Het
instrument van de loonkostensubsidie
heeft in beginsel een tijdelijk karakter
gekregen. Er zijn alleen financiële
middelen beschikbaar gesteld voor de
jaren 2009 tot en met 2011, waarbij 2012
geldt als een uitloopjaar voor de
loonkostensubsidies die in het jaar
daarvoor zijn gestart. In deze jaren had
moeten blijken dat het instrument van de
loonkostensubsidie rblz.|12|
toegevoegde waarde
had. Deze waarde is echter onvoldoende
vast komen te staan. Allereerst is
geconstateerd dat het gebruik van het
instrument van de loonkostensubsidie
beperkt is gebleven.
Daarnaast
blijkt uit de periodiek gehouden monitor
loonkostensubsidies ¹ dat voor slechts
20% van de werkgevers die gebruik hebben
gemaakt van het instrument
loonkostensubsidie dat deze
loonkostensubsidie van doorslaggevende
betekenis is geweest bij het aannemen
van een moeilijk plaatsbare
werkzoekende. Ook bij
re-integratiebedrijven is er geen
eenduidig beeld van de toegevoegde
waarde van het instrument.
1. De betreffende
onderzoeken zijn aangeboden aan de Tweede Kamer op 22 juni 2009 (TNO-rapport
Brugbanen), 31 maart 2010 (Monitor Brugbanen, voorjaar 2010) en 23
december 2010 (Monitor Loonkostensubsidie, meting voorjaar 2010 en
Monitor loonkostensubsidie UWV, meting
voorjaar 2010 onder werkgevers).
Vanwege
het uitblijven van een duidelijk
aantoonbare toegevoegde waarde van het
instrument van de loonkostensubsidie
heeft de regering besloten daarvoor geen
nieuwe middelen beschikbaar te stellen.
Dit leidt ertoe dat er geen
loonkostensubsidies meer kunnen worden
toegekend voor dienstbetrekkingen die op
of na 1 januari 2012 worden aangegaan.
Beoogd wordt om de artikelen met
betrekking tot de inzet van
loonkostensubsidies bij koninklijk besluit te laten vervallen per 1 januari
2012. In het wetsvoorstel is
overgangsrecht opgenomen waarmee wordt
geregeld dat de betreffende artikelen
van toepassing blijven ten aanzien van
dienstbetrekkingen die zijn aangegaan vóór 1 januari 2012. Hiermee wordt
geregeld dat loonkostensubsidies nog
kunnen worden aangevraagd voor
dienstbetrekkingen die zijn aangegaan
tot en met 31 december 2011.
2.5.
Raad voor werk en inkomen
De
RWI wordt opgeheven als
publiekrechtelijke rechtspersoon met een
wettelijke taak op 1 juli 2012. Hiermee
komt de betreffende rijksbijdrage te
vervallen. De RWI is eind 2001 opgericht
als uitvloeisel van afspraken die het
kabinet-Kok II maakte met de sociale
partners over de nieuwe
uitvoeringsstructuur van de sociale
zekerheid (SUWI). In deze nieuwe
uitvoeringsstructuur hadden de sociale
partners geen formele rol meer. Wel
kregen de sociale partners samen met
gemeenten een adviesfunctie richting
gemeenten en UWV, die werd vormgegeven
in de RWI. Op deze manier werd de
samenwerking binnen de keten van werk en
inkomen ondersteund. Er is besloten om
deze advies- en overlegfunctie niet
langer van overheidswege te
ondersteunen. Ook andere adviesorganen
kunnen worden geconsulteerd, zoals
bijvoorbeeld de Sociaal-Economische Raad
(SER).
In
een bestuurlijk overleg met de
Staatssecretaris van SZW op 4 maart 2011
zijn de
RWI en een vertegenwoordiging
van de geledingen van de RWI van het
besluit tot opheffing in kennis gesteld.
Ook is gesproken over de argumentatie om
tot dit besluit te komen. Gezien de
forse taakstelling waar de minister van
SZW voor staat, zijn scherpe keuzes en
voortvarendheid noodzakelijk.
Met
het oog op de opheffing van de
RWI als
publiekrechtelijk rechtspersoon bestaat
bij de Tweede Kamer de behoefte om de
expertise van de RWI omtrent regionaal
arbeidsmarktbeleid,
arbeidsmarktinformatie en de
platformfunctie op enige wijze te
behouden. De Staatssecretaris van SZW is
in overleg met sociale partners en de VNG
over de wijze waarop dit het beste
vorm kan krijgen. Na opheffing van de
RWI als publiekrechtelijke rechtspersoon
gaan alle vermogensbestanddelen van de
RWI over op de Staat. Dit betekent dat
vorderingen op de datum van opheffing op
de RWI, bijvoorbeeld ten aanzien van
personeelslasten, overgaan op de Staat.
Ook treedt de Staat op als vereffenaar
bij de afhandeling van de lopende zaken
van de RWI.
rblz.|13|
Aan
de voorzitter en de leden van de
RWI wordt bij wet ontslag verleend. Voor
medewerkers van de RWI betekent de
opheffing dat er per 1 juli 2012 geen
werkgever meer is. Daaruit volgt de
beëindiging van de
arbeidsovereenkomsten in overeenstemming
met het daarvoor geldende arbeidsrecht.
De financiële gevolgen van de
beëindiging van de
arbeidsovereenkomsten, zoals de kosten
van een sociaal plan en het bevorderen
van de inschakeling in het arbeidsproces
overeenkomstig artikel
72a van de WW,
komen ten laste van de Staat. Voor zover
ex-medewerkers van de RWI daarna een
uitkering op grond van de WW
ontvangen,
komen die uitkeringen overeenkomstig
artikel 79, vijfde lid, van de WW
voor
rekening van de Staat. Die uitkeringen
komen derhalve niet voor rekening van
andere overheidswerkgevers via het
Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Het
secretariaat van de Landelijke
Cliëntenraad (LCR) is thans
ondergebracht bij de
RWI. De positie van
de LCR en van haar secretariaat staat
niet ter discussie. Voor de vormgeving
van het secretariaat en de financiering
van de LCR worden in de Regeling
SUWI regels gesteld.
2.6.
Gegevensverwerking
Het
wetsvoorstel brengt geen wijzigingen in
de taakverdeling tussen UWV
en de
colleges van B&W in de uitvoering
van taken ten behoeve van de
uitkeringsverstrekking en de
dienstverlening aan werkgevers in het
kader van de toeleiding naar arbeid. UWV
heeft verschillende relaties met
werkgevers, die met dit wetsvoorstel
niet wijzigen. Er is een digitaal
werkgeversportaal op de site van UWV.
Via zijn aansluitingsnummer kan de
werkgever daartoe toegang krijgen en
gegevens over werknemers doorgeven of
informatie over vacatures verstrekken
via Werk.nl. Ook wijzigt het
wetsvoorstel niets in de gezamenlijke
verantwoordelijkheid van UWV en de
colleges van B&W voor het verwerken
van gegevens. De elektronische
voorzieningen en de taken van het
Inlichtingenbureau ten aanzien van de
coördinatie en dienstverlening van de
gemeenten bij de gegevensverwerking
wijzigen niet. De gegevensinfrastructuur
is niet aangepast. Dit is besproken met
het College
bescherming persoonsgegevens (CBP). Om die reden is door het CBP geen
advies uitgebracht over dit wetsvoorstel
(zie ook hoofdstuk 3).
3.
Ingewonnen adviezen en toetsen ¹
Over
de aanpassingen in het kader van de
dienstverlening van UWV
en het vervallen
van het re-integratiebudget WW
uit het
wetsvoorstel zijn toetsen aangevraagd
bij diverse organisaties: UWV, VNG,
Divosa, Programmaraad, CBP, het
Adviescollege vermindering
administratieve lasten (Actal) en de
Inspectie Werk en Inkomen (IWI).
Tevens is het wetsvoorstel voorgelegd
voor een toets aan het Uitvoeringspanel
gemeenten (UP) en is over het
wetsvoorstel ambtelijk overleg gevoerd
met de sociale partners en de Landelijke
Cliëntenraad (LCR).
Hieronder
worden de belangrijkste opmerkingen van
deze organisaties genoemd, waarbij
aangegeven is welke oplossing de
regering daarvoor kiest.
1. Ter inzage gelegd bij het
Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
Uitvoerbaarheid
en handhaafbaarheid
Van
UWV is een uitvoeringstoets ontvangen.
UWV laat weten dat het wetsvoorstel
uitvoerbaar en handhaafbaar is, mits aan
een aantal randvoorwaarden wordt
voldaan. Tevens wijst UWV op risico’s
en onzekerheden die aan het traject zijn
verbonden. UWV wijst op de noodzaak van
voldoende financiële middelen voor de
noodzakelijke rblz.|14|
investeringen. Hierover is
de regering met UWV in gesprek en daar
wordt verder op ingegaan in hoofdstuk
4.
Met
UWV is steeds intensief overleg gaande
over de dekking van benodigde kosten.
Met betrekking tot deze kosten is de
afspraak gemaakt dat UWV daarvoor in
eigen begroting dekking zoekt. Voor de
investerings- en frictiekosten die in
2012 gemaakt zullen worden voor het redesign geldt dat deze waarschijnlijk
gefinancierd kunnen worden uit de bij
UWV beschikbare middelen. De kosten in
de jaren na 2012 zijn nog onzeker. UWV
streeft er echter naar deze zoveel
mogelijk zelf te financieren.
UWV
vraagt de regering om in 2012 de
(arbeidsmarkt)regio-indeling formeel
vast te stellen, om daarmee te komen tot
een duurzame structurele samenwerking op
regionaal niveau. Daarnaast pleit UWV
voor het stellen van nadere regels door
de regering voor de
verantwoordelijkheidsverdeling bij de
werkgeversdienstverlening en voor het
afdwingen van een landelijk transparant
en actueel gegevensbestand over
werkzoekenden en vacatures. De regering
is van mening dat UWV en
gemeenten eerst
gezamenlijk moeten verkennen welke
afspraken hierbij het meest adequaat
zijn. Daarna kan verkend worden of
nadere regels door de regering wenselijk
zijn. Het wetsvoorstel biedt in principe
ruimte voor het stellen van nadere
regels.
UWV
wijst op de korte voorbereidingstijd
omdat het bij de digitale
dienstverlening om een grotendeels nieuw
concept van dienstverlening gaat. Om te
voorkomen dat in de aanloopfase gebreken
in de dienstverlening ontstaan - waardoor het vertrouwen in het gebruik
zou kunnen wegvallen -, zal UWV een
gedegen ontwikkelprogramma opzetten en
voorzien in proefimplementaties op een
aantal vestigingen.
UWV
wijst op een aantal aspecten van wet- en
regelgeving die strijdig zijn met het
dienstverleningsconcept. Het gaat
daarbij om (1) het in overleg met de
klant opstellen van een
re-integratievisie, (2) de
identificatieplicht en (3) de
uitwisseling van gegevens met derden
(uitzendbureaus). De regering heeft
besloten de re-integratievisie te laten
vervallen. UWV geeft aan dat het face to
face identificeren van de klant aan de
hand van een legitimatiebewijs een
preventieve werking heeft ter voorkoming
van fraude. In overleg met UWV zoekt de
regering naar een passende oplossing om
identificatie digitaal te kunnen laten
plaatsvinden. Mogelijk kan dit door
gebruik te maken van Digid, maar ook
andere alternatieven zullen onderzocht
worden. Ten aanzien van de uitwisseling
van gegevens met uitzendbureaus geldt op
dit moment dat UWV alleen met
toestemming van de werkzoekende
gegevens over die werkzoekende mag
verstrekken aan uitzendbureaus, tenzij
die uitzendbureaus worden ingeschakeld
ten behoeve van re-integratietrajecten.
De regering zal bezien of het wenselijk
en noodzakelijk is om uitzendbureaus
expliciet te benoemen in de bepalingen
over gegevensverstrekking van SUWI.
Van
VNG en Divosa
is een gezamenlijke
uitvoeringstoets ontvangen. Daarnaast is
een advies ontvangen van het
Uitvoeringspanel gemeenten.
Het
UP heeft ernstige twijfels over de
uitvoerbaarheid van de
wet.
VNG/Divosa
geven aan dat
gemeenten en UWV
de
komende tijd de nieuwe wijze van
samenwerking samen zullen uitwerken,
maar tekenen aan dat gemeenten op eigen
kracht op zoek willen naar de nieuwe
samenwerking met UWV en niet als
wettelijke verplichting. Dit voorstel is
niet overgenomen door de regering. De
minister is, ondanks de eigen positie
van de gemeenten, verantwoordelijk voor
de keten van werk en inkomen als geheel.
Gezien deze verantwoordelijkheid kan de
minister het proces van de
totstandkoming van de samenwerking in de
keten bijsturen met behulp van de Wet SUWI. Dit is ook in lijn met de uitkomst
van de evaluatie SUWI 2006 waarbij
vastgesteld werd dat meer regie op de
keten wenselijk is.
rblz.|15| VNG/Divosa
en het UP vinden dat niet duidelijk
wordt op welke manier
gemeenten invloed
kunnen uitoefenen of kunnen meebepalen
hoe UWV de intake van hun cliënten
verzorgt. VNG/Divosa en het UP zijn van
mening dat gemeenten de uitkeringsintake
voor Wwb-ers beter weer zelf ter hand
kunnen nemen. Het UP verzoekt ervoor te
zorgen dat UWV gemeenten een signaal
geeft over WW-gerechtigden die zonder
ondersteuning niet zullen uitstromen.
Het UP verzoekt om UWV te stimuleren om
cliënten te doen uitstromen naar werk vóór zij de maximale duur van de WW
hebben bereikt. VNG/Divosa en het UP
hebben vragen over de wijze waarop de
verplichte registratie in één systeem
tot stand komt. Het UP verzoekt helder
te maken wie verantwoordelijk is voor de
aansluiting van de verschillende
systemen. VNG/Divosa adviseren om een
impactanalyse uit te laten voeren naar
de gevolgen van dit
wetsvoorstel.
De
regering is van mening dat UWV
en
gemeenten primair zelf verantwoordelijk
zijn voor de verschillende systemen;
hierover zijn ook afspraken gemaakt door
de ketenpartners. De regering heeft een
budget van €|2,5 mln toegezegd om een
impuls te geven aan de totstandkoming
van de verschillende systemen. De
regering zal de gevolgen gedurende het
invoeringsproces monitoren en daarover
rapporteren aan de Tweede Kamer. De
regering heeft UWV gevraagd om het
gesprek aan te gaan met gemeenten en
daarmee te borgen dat de gegevens die
worden uitgevraagd, tegemoetkomen aan de
informatiebehoefte van gemeenten.
Daarbij wordt wel aangetekend dat UWV
deze dienstverlening uitsluitend
digitaal kan aanbieden en dat de wensen
van gemeenten derhalve daarop gebaseerd
dienen te zijn. De regering heeft UWV
gevraagd in overleg met gemeenten een
voorziening tot stand te brengen zodat
gemeenten al vroeg in het proces een
signaal krijgen van UWV over WW-gerechtigden die zonder ondersteuning
naar verwachting niet zullen uitstromen.
Een dergelijk signaal stelt gemeenten in
staat om, binnen de gemeentelijke
beleidskaders, tijdig te bepalen of het
wenselijk is preventief middelen uit het
participatiebudget in te zetten en
daarmee instroom in de Wwb
te voorkomen.
De
regering wijst het voorstel om de taken
voor de uitkeringsintake bij
gemeenten
te beleggen van de hand, omdat daarmee
de registratie in één systeem
onvoldoende geborgd is. In de praktijk
hebben gemeenten nog niet altijd toegang
tot een landelijk elektronisch systeem
waar deze registratie in plaats vindt.
Door de ketenpartners wordt hier wel
naartoe gewerkt, maar het is nog niet
bekend wanneer dit daadwerkelijk
gerealiseerd zal zijn. UWV
heeft wel
toegang tot het landelijk elektronisch
systeem en is ook verantwoordelijk voor
het beheer daarvan. Daardoor is door het
beleggen van de Wwb-aanvraag bij UWV de
registratie van werkzoekenden in het
landelijk systeem het beste geborgd. Met
de gegevens die UWV aan gemeenten over
de werkzoekende overdraagt, worden de
gemeenten in staat gesteld om het proces
op te starten voor het beoordelen van
welke dienstverlening moet worden
aangeboden en beschikken de colleges
over dezelfde basisset van gegevens om
de uitkeringsaanvraag te beoordelen.
De Wet SUWI biedt ruimte aan gemeenten en
UWV om nadere afspraken te maken. Als
UWV daarmee instemt, kan ook worden
afgesproken dat gemeenten deze taak
(deels) zelf uitvoeren. In de praktijk
gebeurt dat nu ook wel voor de
uitkeringsaanvraag. UWV biedt de
elektronische werkintake en
uitkeringsintake zodanig aan dat deze
voor klanten een doorlopend proces zijn.
Door deze taken op te knippen, gaat dat
voordeel verloren. Ook de mogelijkheid
voor het hergebruik van gegevens zou
daardoor vervallen. De regering is
daarom van mening dat het een vorm van
desinvestering zou zijn als de taken
voor de uitkeringsintake overgeheveld
zou worden naar gemeenten en is van
oordeel dat dat niet de meest
efficiënte werkwijze en dienstverlening
zou opleveren. De huidige rblz.|16|
ontwikkelingen
rond de digitale dienstverlening waar
UWV aan werkt, bieden juist kansen voor
gemeenten om hier zo goed mogelijk bij
aan te sluiten. Het digitale format voor
de uitkeringsintake Wwb wordt door UWV
in overleg met gemeenten tot stand
gebracht. De regering zal UWV vragen met
gemeenten tot goede afspraken te komen
over de bijstandsgerechtigden die geen
sollicitatieplicht hebben.
VNG/Divosa
wijzen erop dat de tekst over
samenwerking met UWV
op 30 vestigingen
minder ruimte biedt aan
gemeenten dan
het conceptbestuursakkoord. In de tekst
in de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel is verduidelijkt hoe dit
wetsvoorstel samenhangt met het
conceptbestuursakkoord.
Het
UP vraagt om bij verplicht inschrijven
bij uitzendbureaus oog te hebben voor de
bewijslast die bij de cliënt ligt en te
overwegen om bij uitzendbureaus een
acceptatieplicht op te leggen. De
regering kiest niet voor een
acceptatieplicht, maar zal wel monitoren
of er problemen ontstaan bij de
acceptatie door uitzendbureaus en nagaan
welke oplossingen daarvoor denkbaar
zijn.
VNG/Divosa
stellen dat het wetsvoorstel
voorschrijft hoe gemeenten en UWV de
dienstverlening aan werkgevers moeten
vormgeven, maar dat dat de expertise van
de uitvoerder zou moet zijn. Het is niet
de bedoeling van de regering om te
treden in de verantwoordelijkheid van de
uitvoerder. De regering hecht er wel aan
dat UWV en gemeenten gezamenlijk
optrekken richting werkgevers "als ware
zij één organisatie" en gezamenlijk
voor een loket voor werkgevers zorgen.
VNG/Divosa wijzen op een aantal
financiële gevolgen voor gemeenten: zie
hiervoor hoofdstuk 4 over financiële
effecten.
De
Programmaraad heeft aangegeven dat zij
voor haar reactie verwijst naar de
reacties van de afzonderlijke
ketenpartners, Divosa, UWV
en VNG.
Het
CBP heeft in haar reactie aangegeven dat
het conceptwetsvoorstel geen onderdelen
bevat waaruit het CBP opmaakt dat de
wijzigingen voor een belangrijk deel
betrekking hebben op de verwerking van
persoonsgegevens. Het CBP ziet daarom
geen aanleiding om tot advisering over
te gaan.
IWI
heeft een toezichtbaarheidstoets
uitgevoerd. IWI vraagt de reikwijdte van
de gewenste samenwerking tussen UWV
en
gemeenten te verduidelijken, met name op
het gebied van registratie in één
systeem en op het gebied van het gebruik
van digitale systemen voor coaching en
handhaving. Voorts verzoekt IWI de
verplichte inschrijving bij een
uitzendbureau te regelen. Daarnaast
heeft IWI technische opmerkingen
ingebracht die zijn verwerkt in de
voorliggende wettekst.
De
samenwerking ten aanzien van registratie
in één systeem, alsmede de
verantwoordelijkheidsverdeling bij de
samenwerking, zijn in de voorliggende
wettekst verduidelijkt. Het gebruik van
digitale systemen voor coaching en
handhaving heeft uitsluitend betrekking
op WW-gerechtigden. Ook dit is in
de
wettekst verwerkt. De verplichte
inschrijving bij een uitzendbureau wordt
vastgelegd in het Besluit
Sollicitatieverplichtingen [lees: Besluit
sollicitatieplicht werknemers WW 2009, red.] van UWV.
De
Stichting van de Arbeid heeft via een
memo haar reactie meegedeeld aan SZW dat
werkgeversorganisaties zich op
hoofdlijnen kunnen vinden in het
voorgestelde redesign en de daaruit
voortvloeiende budgettaire
consequenties. Werknemersorganisaties
kunnen zich niet vinden in de
voorgestelde wijzigingen van de Wet SUWI. De Stichting van de
Arbeid vraagt
om rekening te houden met een aantal
opmerkingen van sociale partners en
heeft een aantal vragen.
rblz.|17|
De
Stichting van de Arbeid verzoekt om een
valide toetsing na afloop van de
implementatieperiode in 2015 of de
ambitie ook is gehaald dat met minder
middelen de aangeboden dienstverlening
kwalitatief van een vergelijkbaar niveau
is als nu geldt. Onder andere op basis
van evaluatiecriteria. Ook vraagt de
Stichting om verknoping van het
sectorale met het regionale
arbeidsmarktbeleid, dit betreft onder
meer borging en facilitering van de
uitvoering van sectorale
arbeidsmarktafspraken van sociale
partners. Een derde punt van aandacht
voor de Stichting betreft het bevorderen
van een kwalitatieve match door vraag en
aanbod helder in beeld te brengen. De
Stichting vraagt ook om een
callcenter/serviceloket waar werkgevers
en werkzoekenden terechtkunnen als zij
vastlopen in digitale dienstverlening.
Los van de implementatie van de
wijzigingsvoorstellen Wet SUWI
gaat de
Stichting van de Arbeid ervan uit dat
het kabinet zijn bijdrage levert aan de
uitvoering van de (concept)Beleidsagenda
2020.
De
regering zal de invoering van het redesign monitoren en daarover
rapporteren aan het parlement. In de
memorie van toelichting heeft de
regering beschreven dat
gemeenten en UWV
een gezamenlijk aanspreekpunt zullen
bieden aan werkgevers en gezamenlijk
zullen zorgen voor de uitvoering van
sectorale arbeidmarktafspraken van
sociale partners. Het helder in beeld
brengen van vraag en aanbod - zodat de
kwalitatieve match wordt bevorderd - is een belangrijke prioriteit voor UWV
bij de ontwikkeling van het redesign;
door zowel vacatures als werkzoekenden
te registreren in een landelijk systeem
wordt de mogelijkheid om te matchen
optimaal. De regering heeft UWV gevraagd
te zorgen voor een
callcenter/serviceloket waar werkgevers
en werkzoekenden terechtkunnen als zij
vastlopen. In de brief aan de Tweede
Kamer over duurzame inzetbaarheid wordt
nader ingegaan op de maatregelen die de
regering biedt om die positie te
verbeteren.
Naast eerdergenoemde opmerkingen heeft de
Stichting nog een aantal vragen gesteld
ter verduidelijking. De Stichting heeft
vragen over de inzet van middelen,
wijziging van de dienstverlening, zoals
over de strekking van artikel 32e
[van de Wet SUWI, red.],
over de wijze waarop bepaald zal worden
wie welke dienstverlening krijgt, over
het percentage (maximaal 10%) van WW-gerechtigden dat de mogelijkheid tot
face-to-facecontact krijgt en over de
wijze waarop de
werkgeversdienstverlening vormgegeven
zal worden. De Stichting heeft vragen
over de regionale samenwerking, met name
hoe de regionale netwerken en
samenwerking zich zal ontwikkelen en de
budgetten die hiervoor al dan worden
vrijgemaakt. Ook stelt de Stichting
vragen over de publiekprivate
samenwerking, over hoe de afbakening
daarbij is en wie waarvoor
verantwoordelijk is. Tot slot stelt de
stichting nog een aantal algemenere
vragen, zoals waarom een evaluatie van
de huidige Wet SUWI en in de
wijzigingsvoorstellen van de (nieuwe)
Wet SUWI ontbreekt en wanneer de
voltooiing van het
dienstverleningsconcept als een succes
wordt beschouwd. Naar aanleiding hiervan
is het wetsvoorstel in de betreffende
passages op onderdelen verduidelijkt en
aangepast.
De
Landelijke Cliëntenraad (LCR) heeft
vooral aandacht gevraagd voor groepen
die minder goed overweg kunnen met
digitale dienstverlening, zoals ouderen,
digibeten en Wajong-ers die na
beëindiging van werk met
loondispensatie zijn aangewezen op een WW-uitkering. De LCR vraagt zich af hoe
werkzoekenden zonder PC hun
verantwoordelijkheid kunnen waarmaken om
met de werkm@p te werken. Een ander punt
is de kwaliteit van digitale
dienstverlening. Werk.nl zal de komende
periode sterk verbeterd moeten worden.
De LCR verzoekt om werkzoekenden en de
LCR goed te betrekken bij de verdere
ontwikkeling en monitoring van de
digitale dienstverlening. De LCR wijst
erop dat de verplichting tot
cliëntenparticipatie in het kader van
SUWI verdwijnt met het wegvallen van de
geïntegreerde dienstverlening. In
reactie hierop merkt de regering op dat
dit wetsvoorstel geen wijzigingen brengt
in de regelingen over de rblz.|18|
cliëntenparticipatie bij UWV
en SVB en
de regeling over de verordening voor
cliëntenparticipatie in de Wwb.
4.
Financiële effecten
Het
budget voor re-integratietrajecten voor WW-gerechtigden vervalt per 2012.
Het
budget voor de uitvoeringskosten van UWV WERKbedrijf
wordt verlaagd met €|210 mln in 2015
(exclusief gevolgen Wet werken naar vermogen).¹ Dit vloeit voort uit de
specifieke taakstelling die is opgenomen
in het regeerakkoord voor bemiddeling,
volume-effecten WW en een bijdrage aan
de generieke taakstelling. Het verlagen
van de uitvoeringskosten wordt
gerealiseerd met een nieuw
dienstverleningsconcept en door minder
vestigingen.
1. De verandering van het
budget wijkt af van de U-toets [uitvoeringstoets, red.] van UWV.
UWV heeft een transfer van de Wsw (naar de
divisie SMZ [Sociaal Medische Zaken, red.] van UWV) en een transfer van de nWajong
[nieuwe Wajong, red.] naar de gemeenten
in de raming verwerkt. Op deze punten moet nog definitieve
besluitvorming plaatsvinden.
Voor
de budgettaire verwerking van kortingen
op re-integratie wordt rekening gehouden
met een structureel uitverdieneffect van
50%. Dit betekent dat de structurele
korting van het re-integratiebudget WW
met €|67 mln een toename van de
uitkeringslasten WW van €|33,5 mln met
zich meebrengt. De regering verwacht dat
de keuze om het re-integratiebudget niet
langer voor WW-gerechtigden in te zetten,
zal leiden tot een netto structurele
besparing van jaarlijks €|33,5 mln.
Hiermee wordt aangesloten bij de
uitgangspunten van het CPB [Centraal
Planbureau, red.] bij het
financieel kader van het regeerakkoord.
In
onderstaande tabel is uitsluitend het
directe effect opgenomen van het
afschaffen van het budget voor
re-integratietrajecten voor WW-gerechtigden, namelijk dat een aantal
WW-gerechtigden hierdoor minder snel uit
de WW zal stromen. Mocht het zo zijn dat
door het afschaffen van re-integratie WW
meer WW-ers doorstromen naar de Wwb
(indirect effect), dan worden
gemeenten
hiervoor gecompenseerd via de raming van
het Wwb-budget. Een hogere werkloze
beroepsbevolking leidt daarbij tot een
opwaartse bijstelling van het Wwb-budget.
Budgettaire
effecten wegvallen re-integratiebudget
[in mln euro, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Re-integratiebudget
WW |
–100 |
–84 |
–67 |
–67 |
| Uitkeringslasten
WW |
xx25 |
x42 |
xx33,5 |
xx33,5 |
| Totaal |
x–75 |
–42 |
x–33,5 |
x–33,5 |
Conform
het regeerakkoord wordt verondersteld
dat de bezuiniging op het
bemiddelingsbudget en de
uitvoeringskosten van UWV
niet leiden
tot besparingsverliezen op uitkeringen.
Er is niet zozeer sprake van minder,
maar van een andere vorm van
dienstverlening. Doordat in de nieuwe
situatie de nadruk ligt op digitale
dienstverlening, kan met minder
capaciteit en dus met minder middelen
een adequate dienstverlening worden
geboden.
Eventuele
kosten voor het optimaliseren en
uitbreiden van bestaande systemen vinden
plaats binnen het taakstellende kader en
leiden dus niet tot extra kosten. In de
loop naar 2015 zal UWV
zijn werkzaamheden op 68 van de 98 werkpleinen beëindigd hebben.
UWV
heeft in zijn uitvoeringstoets zowel
structurele als incidentele kosten
geraamd. Met betrekking tot deze kosten
is de afspraak gemaakt dat UWV daarvoor
in de eigen begroting dekking zoekt. In
dit verband is mede overeengekomen dat
UWV gerealiseerde onderuitputting in de
afgelopen en komende jaren mag inzetten
ter dekking van de incidentele frictie-
en investeringskosten. Voor de periode
tot en met 2012 is het beeld rblz.|19|
dat de
daarin optredende incidentele frictie-
en investeringskosten kunnen worden
gedekt uit de in die jaren gerealiseerde
en nog te realiseren onderuitputting. De
incidentele kosten na 2012 kunnen op een
later moment beter ingeschat worden.
Er
is geen sprake van financiële gevolgen
voor decentrale overheden.
Het Wwb-macrobudget wordt gecorrigeerd voor
wijzigingen in de raming van de werkloze
beroepsbevolking van het CPB. In de
doorrekening van het regeerakkoord is
het effect van alle maatregelen uit dat
akkoord op onder andere de werkloze
beroepsbevolking verwerkt. Langs deze
weg werken ook de effecten van de
ombuiging op het re-integratiebudget WW
door in het macrobudget van de Wwb.
De VNG
heeft in haar uitvoeringstoets
aangegeven dat
gemeenten te maken hebben
met zogenaamde desinvesteringskosten
door het terugtrekken van UWV
van 68 werkpleinen. UWV en gemeenten hebben in
de afgelopen jaren geïnvesteerd in het
tot stand brengen van de werkpleinen. De
regering gaat ervan uit dat deze
investeringen niet overbodig worden door
de terugtrekking van UWV. De regering
ziet voor de gemeenten mogelijkheden - gezien de verdere decentralisatieplannen
van het Rijk - om de vrijgevallen
ruimten anders te benutten. Daarnaast
zal UWV rekening houden met de afspraken
met gemeenten en contracten uitdienen of
afkopen.
De
VNG heeft in haar uitvoeringstoets
aangegeven dat de taakstelling door het
vorige kabinet van €|63
mln voor
gemeenten teruggedraaid dient te worden.
De reden hiervoor is dat de
efficiencywinst die door dat kabinet was
ingeboekt voor de invoering van de
geïntegreerde dienstverlening, met de
huidige wetswijziging niet meer
gerealiseerd zou kunnen worden. De
efficiencywinst door de geïntegreerde
dienstverlening van UWV en gemeenten aan
uitkeringsgerechtigden, werkzoekenden en
werkgevers is naar de mening van de
regering echter ook in de vernieuwde
samenwerking te behalen. In het
vernieuwde concept werken gemeenten en
UWV aanvullend op elkaar en blijven zij
op belangrijke onderdelen als
werkgeversdienstverlening en
elektronische informatievoorziening nauw
samenwerken. Tevens blijft er sprake van
samenwerking tussen gemeenten onderling.
De VNG
heeft in haar uitvoeringstoets de
voorkeur uitgesproken om de taken voor
de aanvraag voor een uitkering over te
hevelen naar gemeenten en daarbij ook de
middelen voor de uitvoering hiervoor
naar gemeenten over te hevelen. De
regering kiest ervoor de uitvoering van
het (digitaal) in ontvangst nemen van
uitkeringsaanvragen bij UWV te laten
voor alle werkzoekenden, ook voor Wwb-gerechtigden.
De
opheffing van de
RWI als
publiekrechtelijk rechtspersoon met een
wettelijke taak en de hieraan
voorafgaande afbouw van de RWI hebben
financiële gevolgen. Er is een sociaal
plan voor de medewerkers opgesteld. De
afbouw zal zorgvuldig plaatsvinden.
Uitgangspunt is om de frictie-/sociaalplankosten zoveel
mogelijk te financieren vanuit de
reserves van de RWI.
5.
Administratieve lasten
De
regering heeft onderzocht in hoeverre de
wetswijziging gevolgen heeft voor de
administratieve lasten voor de
werkzoekende. Voor werkzoekenden leidt
de wetswijziging naar verwachting per
saldo tot een daling van administratieve
lasten met €|1,75
mln out-of-pocketkosten en 1,5 mln uur aan
tijd.
90%
van de werkzoekenden zal geen werkplein
meer bezoeken. Dit leidt tot een afname
van ruim 1,37 mln uur en €|2,1
mln
aan reiskosten. 10% van de werkzoekenden
zal voor face-to-facedienstverlening
nog een bezoek brengen aan een
werkplein, dat straks meestal verder weg
ligt. rblz.|20|
Voor de laatste groep zal de
reistijd toenemen met ongeveer 30
minuten. De additionele lasten worden
geraamd op 340 000 uur en €|487 000,-
aan reiskosten. In het redesign is de
werkzoekende primair zelf
verantwoordelijk voor het vinden van
werk. Hij zal daarom waarschijnlijk meer
tijd besteden aan digitale
dienstverlening dan eerder het geval was
met persoonlijke dienstverlening. De
verwachting is dat dit leidt tot een
toename van 1,8 mln uur. Door het
wegvallen van het re-integratiebudget WW
zullen ook de administratieve lasten met
2,27 mln uur en €|128 000,-
aan
reiskosten op dat gebied wegvallen.
Het
wetsvoorstel leidt niet tot een
verandering van de administratieve
lasten voor werkgevers. Het redesign UWV
WERKbedrijf legt werkgevers geen
verplichtingen op, het biedt
faciliteiten. Wel is er in bepaalde
gevallen sprake van een vermindering van
dienstverlening aan werkgevers, waardoor
zij zelf meer handelingen moeten
verrichten.
6.
Ingangsdatum wetswijzigingen
Gekozen
is voor een flexibele
inwerkingtredingsbepaling voor de
wetswijzigingen. Daarbij geldt als
uitgangspunt dat de wijzigingen die
betrekking hebben op de samenwerking
tussen UWV
en
gemeenten, de
elektronische dienstverlening en de
opheffing van de
RWI op 1 juli 2012 in
werking zullen treden. De daaraan
voorafgaande publicatie zal dan
uiterlijk op 1 april 2012 plaatsvinden,
zodat de systematiek van vaste verandermomenten (Kamerstukken II 2009-2010, 29 515, nr. 309) en de Code
Interbestuurlijke Verhoudingen
(Kamerstukken II 2004-2005, 29 800 VII,
nr. 15) in acht wordt genomen.
De
overige wijzigingen, die betrekking
hebben op de beëindiging van de inzet
van het re-integratiebudget
WW en van
loonkostensubsidies, zullen zo spoedig
als mogelijk in werking treden. De
regering is immers voornemens om,
conform het regeerakkoord, met ingang
van 1 januari 2012 geen
re-integratiebudget meer in te zetten
voor WW-gerechtigden. Daarnaast wordt
bij de beëindiging van de inzet van het
instrument van de loonkostensubsidie,
gezien het tijdelijke karakter daarvan,
eveneens uitgegaan van 1 januari 2012.
Daarbij geldt 2012 als uitloopjaar voor
de loonkostensubsidies die het jaar
daarvoor zijn aangevangen.
Artikelsgewijs
Artikel
I
Deze
wijziging vloeit voort uit de opheffing
van de
RWI en is technisch van aard.
Artikel
II
Deze
wijzigingen hebben betrekking op de
beëindiging van de inzet van het
instrument van loonkostensubsidie en
zijn technisch van aard.
Artikel
III
Onderdeel
A
Op
grond van het huidige artikel
14, tweede
lid, onderdeel d, [van de IOW,
red.] stelt UWV
voor een
ieder ten aanzien van wie UWV een
re-integratietaak heeft een
re-integratievisie, en indien nodig een
re-integratieplan, op. De aanvrager of
uitkeringsgerechtigde op grond van de IOW
is verplicht hieraan mee te werken.
Het huidige artikel
14, tweede lid,
onderdeel e, regelt dat de rblz.|21|
aanvrager en
uitkeringsgerechtigde verplicht zijn de
in de re-integratievisie en het
re-integratieplan opgenomen
verplichtingen na te leven. Aangezien
UWV voor deze groep niet langer een
re-integratievisie en een
re-integratieplan opstelt (artikel IV,
onderdeel E, subonderdeel 1), vervallen
de verplichtingen die in de onderdelen d
en e zijn opgenomen.
Onderdeel
B
De overgangsbepaling regelt dat de
verplichtingen uit de bestaande
re-integratievisie en uit het bestaande
re-integratieplan van toepassing blijven
op de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde op grond van de
IOW. De bepaling vervalt vijf jaar na
het tijdstip dat deze in werking is
getreden. De bepaling is op dat moment
in ieder geval materieel uitgewerkt.
Artikel
IV
Onderdelen
A, B,
G tot en met M en
O tot en met Q
Deze
wijzigingen, die samenhangen met de
opheffing van de
RWI, zijn technisch van
aard.
Onderdeel
C
Artikel 10, eerste en tweede lid, heeft
betrekking op de samenwerking tussen UWV
en
gemeenten. De verantwoordelijkheid
voor de samenwerking is in de eerste
plaats neergelegd bij UWV en gemeenten (artikel
10, eerste lid). Indien de
samenwerking echter niet of onvoldoende
tot stand komt, kan de minister van SZW
daarvoor ook regels opstellen (artikel
10, tweede lid). Voor de
verantwoordelijkheidsverdeling op dit
punt wordt verwezen naar paragraaf
2.1.2 van het algemeen deel.
Artikel 10, eerste lid
Artikel
10 wordt gewijzigd met het oog op de
noodzaak om de kosten terug te dringen
en de daaruit voortvloeiende
omstandigheid dat UWV
nog maar op een
beperkt aantal werkpleinen actief kan
blijven. Daarmee wordt het uitgangspunt
van geïntegreerde dienstverlening door
UWV en
gemeenten losgelaten. Wel blijven
UWV en gemeenten samenwerken ten aanzien
van diensten aan werkgevers, taken met
betrekking tot de regionale arbeidsmarkt
en registratie van werkzoekenden en
vacatures. Het vereiste dat de
samenwerking van UWV en gemeenten
plaatsvindt op werkpleinen vervalt
eveneens.
UWV en
gemeenten blijven goede afspraken
maken over het regionale
arbeidsmarktbeleid, de dienstverlening
aan werkgevers op regionaal niveau, de
registratie van werkzoekenden en
vacatures, de dienstverlening voor
groepen met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt en de doorverwijzing van
mensen met meervoudige problemen
(schulden e.d.).
In
artikel 30b van de Wet SUWI
is de taak
van UWV neergelegd om werkzoekenden als
zodanig te registreren.
Bijstandsgerechtigden zijn op grond van
artikel 9 van de Wwb
ook verplicht zich
te laten registreren. In beginsel zou
dit ertoe moeten leiden dat alle
bijstandsgerechtigden als werkzoekende
geregistreerd staan bij UWV, tenzij het
college op grond van artikel 9 in
verband met zorgtaken ontheffing heeft
verleend. Toch is dit niet het geval.
Dit kan het gevolg zijn van de
omstandigheid dat een
bijstandsgerechtigde de registratie niet
verlengt. Gemeenten ontvangen daarvan
bericht van UWV, maar zien daarin niet
altijd aanleiding om op dit punt
handhavend op te treden. Met de
samenwerking ten aanzien van de rblz.|22|
registratie van werkzoekenden wordt
beoogd dat gemeenten ervoor gaan zorgen
dat iedere bijstandsgerechtigde zich ook
daadwerkelijk registreert bij UWV, en
ook gedurende de gehele periode
geregistreerd blijft. Derhalve krijgen
gemeenten niet tot taak om zelf
werkzoekenden te registreren. Wel
krijgen gemeenten de
verantwoordelijkheid om in samenwerking
met UWV ervoor te zorgen dat "hun"
werkzoekenden zich ook daadwerkelijk
registreren en ook gedurende de gehele
periode geregistreerd blijven.
Daarnaast
heeft iedere werkgever op grond van
artikel 30b van de Wet SUWI
het recht
bij UWV vacatures te laten registreren.
Om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk
werkzoekenden aan het werk komen, is het
van belang om zoveel mogelijk vacatures
te registreren in één systeem. Ook ten
aanzien van de registratie van vacatures
is samenwerking tussen UWV en
gemeenten
dus aangewezen.
Artikel 10, tweede lid
Uitgangspunt
is dat de samenwerking vanuit UWV
en
gemeenten zelf tot stand komt. Indien de
samenwerking niet of onvoldoende tot
stand komt, kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de vormgeving in de
uitvoering van de samenwerking met
betrekking tot de registratie van
werkzoekenden en vacatures, de
werkgeversdienstverlening en de
regionale arbeidsmarkt. Met betrekking
tot de werkgeversdienstverlening en de
regionale arbeidsmarkt kunnen ook regels
worden gesteld ten aanzien van de
regionale spreiding van de samenwerking.
Onder niet of onvoldoende tot stand
komen kan ook worden verstaan dat de
vormgeving van de uitvoering zo divers
is dat die diversiteit ten koste gaat
van een toereikende dienstverlening aan
werkgevers en werkzoekenden. In die
gevallen kan in het kader van de
vormgeving in de uitvoering van de
samenwerking bijvoorbeeld een
taakverdeling tussen UWV en gemeenten
met betrekking tot de registratie van
werkzoekenden en vacatures, de
werkgeversdienstverlening en de
regionale arbeidsmarkt worden
voorgeschreven. In het kader van de
geografische spreiding van de
werkgeversdienstverlening en de
regionale arbeidsmarkt kunnen onder
andere regels worden gesteld met
betrekking tot bijvoorbeeld de
gebiedsindeling.
Onderdeel
D
Hoofdstuk 4, dat betrekking heeft op de
RWI en
zijn taken, vervalt in verband met de
opheffing daarvan.
Onderdeel
E
Artikel 30a
ziet op de taak van UWV
met
betrekking tot de re-integratie van
personen en arbeidsbemiddeling. In het
vierde tot en met zevende lid zijn
bepalingen opgenomen met betrekking tot
het opstellen en evalueren van een
re-integratievisie en het opstellen van
een re-integratieplan. In een nieuw
achtste lid wordt op die bepalingen een
uitzondering gemaakt voor WW-gerechtigden, tenzij sprake is van een
zieke werkloze werknemer als bedoeld in
artikel 20, zesde lid, onderdeel a, van
de WW en voor uitkeringsgerechtigden op
grond van de IOW.
Voor WW-gerechtigden zijn de bepalingen met
betrekking tot het opstellen van een
re-integratieplan, gelet op de
beëindiging van de inzet van
re-integratiebudget, niet meer aan de
orde. Verder geldt bij invoering van de
digitale dienstverlening (artikel IV,
onderdeel F) voor WW-gerechtigden in de
meeste gevallen geen face-to-facecontact meer is, waardoor
het in rblz.|23|
samenspraak met hen opstellen van
de re-integratievisie niet meer aan de
orde is. Het verplicht opstellen van een
re-integratievisie vervalt daarom
eveneens. In plaats van het opstellen
van re-integratievisie zal UWV
in een
beleidsregel een algemene norm opnemen
met betrekking tot de verplichtingen.
Hierin worden ook verplichtingen
opgenomen zoals de deelname aan
speeddates, de inschrijving bij een
uitzendbureau, het publiceren van een
curriculum vitae en de mogelijkheid van
het opleggen van op het individu
afgestemde verplichtingen.
WW-gerechtigden zullen met een
(digitale) brief over de rechten en
plichten worden geïnformeerd. Als
gevolg van deze wijzigingen vervalt de
poortwachterstoets die voorheen na drie
maanden WW werd opgesteld.
Het
recht op IOW bestaat voor ouderen die de
volledige duur van de WW
genoten hebben.
Daarom wordt ervoor gekozen om
IOW-gerechtigden dezelfde
dienstverlening te geven als degenen die
langer dan twaalf maanden WW-uitkering
ontvangen. Daarnaast geldt ook voor hen
dat er bij invoering van de digitale
dienstverlening (artikel IV, onderdeel
F) in de meeste gevallen geen
face-to-facecontact meer is.
Een
zieke werkloze werknemer als bedoeld in
artikel 20, zesde lid, onderdeel a, van
de WW heeft gedurende de eerste
dertien weken
van ziekte geen recht op ziekengeld, maar
op WW-uitkering. Gedurende deze weken
heeft UWV
wel de zogenaamde arborol, de
re-integratierol die de werkgever anders
zou hebben in het kader van de Wet
verbetering poortwachter (artikel 26,
eerste lid, Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen). Om aan die rol een
goede uitvoering te kunnen geven, behoudt
UWV in deze dertien weken de mogelijkheid om
een re-integratievisie en een
re-integratieplan op te stellen.
Onderdeel
F
Artikel 32e, eerste lid
In
de Wet SUWI
wordt een nieuw artikel
opgenomen dat ziet op elektronische
dienstverlening door UWV. Deze
dienstverlening heeft allereerst
betrekking op de wetten die UWV
uitvoert, namelijk de WW, de
IOW en de
Toeslagenwet met betrekking tot
uitkeringsgerechtigden op grond van de
WW en de IOW. Daarnaast ziet de
elektronische dienstverlening op
algemene taken van UWV, namelijk die van
de re-integratie en arbeidsbemiddeling,
de registratie van werkzoekenden en de
uitkeringsintake. De dienstverlening van
UWV aan alle werkzoekenden krijgt
derhalve een digitaal karakter (artikelen 30a, tweede lid, en
30b). Ook
verlopen de aanvragen van algemene
bijstand op grond van de Wwb, van een
uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of voor een werkleeraanbod op
grond van de Wet investeren in jongeren
(artikel 30c) via de elektronische weg.
De
digitale dienstverlening van UWV
bestaat
uit een elektronische intake van de
aanvragen voor een uitkering, (toegang
tot) een landelijk vacaturesysteem,
digitale registratie van werkzoekenden
en curricula vitae en de mogelijkheid om
deze automatisch te matchen met de
vacatures. Verder is informatie
beschikbaar bijvoorbeeld over beroepen
en opleidingen en tips om aan het werk
te komen. Ook zijn er e-diensten, zoals
e-learning en communities en digitale
instrumenten die zicht geven op de
arbeidsmarkt. Uitgangspunt bij de
digitale dienstverlening is dat het
verkeer tussen UWV en burgers
plaatsvindt via een zogenoemde "mijn-functie",
die op dit moment wordt aangeduid met de
term werkm@p. In de werkm@p legt de
werkzoekende zijn cv vast. In de werkm@p
worden verder vastgelegd het werkplan,
het zoekprofiel, de relevante vacatures
en documenten, rblz.|24|
resultaten van
automatische matching, sollicitaties en
resultaten daarvan en ten slotte het
berichtenverkeer en de afspraken met de
werkcoach. Ook bij het verstrekken van
bewijsstukken, bijvoorbeeld op grond van
artikel 30c, tweede lid, is het
uitgangspunt dat het verkeer tussen UWV
en burgers plaatsvindt via de "mijn-functie".
Verkend wordt of, en zo ja, in welke
gevallen het daarbij nodig is dat
burgers documenten scannen voor digitale
verzending aan UWV.
Bij
de elektronische dienstverlening wordt
afgeweken van artikel
2:14, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van die bepaling is verzending
van berichten langs elektronische weg in
plaats van verzending van berichten op
papier (per post) alleen mogelijk voor
zover burgers (waaronder verstaan worden
alle belanghebbenden bij handelingen van
het bestuur) aan bestuursorganen hebben
laten weten dat zij langs die weg
voldoende bereikbaar zijn. Afwijking van
artikel 2.14, eerste lid, van de Awb is
noodzakelijk om een krachtige, kleine en
dienstverlenende overheid te
bewerkstelligen en de beschikbare
middelen in te zetten ter bevordering
van de participatie van de meest
kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt.
Artikel 32e brengt voorts mee dat de
berichtgeving uit de elektronische
systemen van UWV
die niet bestemd zijn
voor één of meer geadresseerden maar
voor een onbepaalde groep, uitsluitend
elektronisch plaatsvindt. Artikel 32e
is
daarmee een wettelijk voorschrift als
bedoeld in artikel
2:14, tweede lid, van
de Awb. De overige bepalingen van
afdeling 2.3 van de Awb
met betrekking
tot verkeer langs elektronische weg zijn
onverkort van toepassing op de
elektronische dienstverlening van UWV.
Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de
eisen van betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid die UWV in acht moet
nemen bij het verzenden van berichten (artikel
2:14, derde lid, van de Awb).
In
artikel 32e, eerste lid, is een
uitzondering opgenomen voor besluiten
die betrekking hebben op de toekenning,
herziening of intrekking van een
uitkering. Deze uitzondering betekent
niet dat UWV
dergelijke besluiten niet
elektronisch mag versturen. Dit mag - conform artikel
2:14, eerste lid, Awb
- als een burger aan UWV heeft laten
weten dat hij langs die weg voldoende
bereikbaar is. Besluiten die zien op de
afspraken die door UWV WERKbedrijf
met
de betreffende uitkeringsgerechtigden
worden gemaakt die betrekking hebben op
de re-integratie en arbeidsbemiddeling
(zoals bijvoorbeeld de invulling van de
sollicitatieverplichting) vallen wel
onder de hoofdregel van artikel 32e,
eerste lid, en kunnen op grond daarvan
digitaal via de werkm@p worden
gecommuniceerd.
De
genoemde bepalingen van de Awb
en
daarmee de bijzondere bepalingen in dit
artikel 32e hebben betrekking op de
communicatie met UWV
als bestuursorgaan
en gelden ook voor bezwaar en
beslissingen op bezwaar over
bijvoorbeeld uitkeringsaanspraken. Ze
hebben geen betrekking op beroep (de
communicatie met de rechter).
UWV kan afzien van elektronische
dienstverlening indien sprake is van
omstandigheden die zich daartegen
verzetten. Die omstandigheden kunnen de
werkzoekende persoonlijk betreffen. Zo
kan sprake zijn van een werkzoekende die
digibeet is en ook niet in staat is om
met hulp van zijn omgeving elektronisch
te communiceren. Daarnaast kan sprake
zijn van omstandigheden van technische
aard aan de zijde van UWV. Ook kunnen
capaciteit en financiële middelen van
UWV een rol spelen. Op basis van een
objectieve diagnose kan UWV
werkzoekenden aanwijzen die in
aanmerking komen voor niet (uitsluitend)
elektronische dienstverlening, oftewel
face-to-facedienstverlening. Voor een
klein deel van de WW-gerechtigden is
dergelijke dienstverlening beschikbaar.
Dit betreft maximaal 10% van de
WW-gerechtigden die drie tot twaalf maanden
rblz.|25|
WW-uitkering ontvangen en is mede
afhankelijk van het beschikbare budget.
UWV
zal nader onderzoek verrichten naar de
alternatieven die geboden kunnen worden
aan doelgroepen die geen gebruik kunnen
maken van digitale dienstverlening. Dit
kan aan de orde zijn ingeval de
belanghebbende om welke reden dan ook
niet in staat is een computer en
internetverbinding aan te schaffen. Het
gaat erom dat via openbare
computerverbindingen in bibliotheken of
op andere plekken binnen
gemeenten de
toegang dan wel mogelijk wordt gemaakt.
Ook wordt onderzocht welke verbeteringen
nodig zijn om zoveel mogelijk
betrokkenen alsnog in staat te stellen
om met elektronische dienstverlening hun
weg te vinden c.q. het contact met UWV
te onderhouden.
De
digitale dienstverlening krijgt vorm in
de uitvoeringspraktijk van UWV
en binnen
de grenzen die de Awb
daarbij stelt.
Door middel van beleidsregels die in de
Staatscourant worden gepubliceerd, geeft
UWV invulling aan die dienstverlening en
de uitzonderingen daarop. Een burger kan
in een individueel geval een verzoek
doen om face-to-facedienstverlening.
UWV beoordeelt in dat geval of
face-to-facedienstverlening aangewezen
is en past de uitvoeringspraktijk hierop
aan. Indien een verzoek om
face-to-facedienstverlening niet wordt
gehonoreerd, kan de burger daarover een
klacht indienen bij UWV. UWV handelt de
klacht conform de klachtprocedure van de
Awb af.
Artikel 32e, tweede lid
De
wijze van uitvoering van de digitale
dienstverlening wordt in beginsel
overgelaten aan UWV
als zelfstandig
bestuursorgaan, dat daarvoor ook beleid
maakt (zie op dit punt de
artikelsgewijze toelichting op artikel
32, eerste lid [lees: de toelichting
op artikel 32e, eerste lid, red.]). Indien nodig, kan de
minister UWV daarin bijsturen door bij
ministeriële regeling nadere regels te
stellen over de inrichting van de
elektronische dienstverlening. Deze
regels zullen met name tot doel hebben
om een goede toegang tot de
elektronische dienstverlening te
waarborgen. Zo kan bijvoorbeeld worden
bepaald dat op de werkpleinen computers
en scanfaciliteiten aanwezig moeten
zijn, waarvan werkzoekenden die niet
over een eigen computer beschikken
gebruik kunnen maken.
Onderdeel
N
Artikel
62 wordt enkel in technisch opzicht
gewijzigd. De in artikel
62, derde lid,
opgenomen verwijzing naar artikel 10
wordt in overeenstemming gebracht met de
nieuwe formulering van dat artikel (onderdeel
A).
Onderdeel
R
In
de Wet SUWI
wordt een nieuw hoofdstuk
10d opgenomen, dat betrekking heeft op
de overgangsbepalingen in verband met de
opheffing van de
RWI.
Artikel
83t
In
artikel 83t, eerste lid, wordt de
vermogensovergang onder algemene titel
van de
RWI naar de Staat geregeld. Het
tweede lid van dit artikel bevat een
daarbij gebruikelijke bepaling met
betrekking tot de naamswijzigingen in de
openbare registers. In artikel 83t,
derde lid, is geregeld dat bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald
dat vermogensbestanddelen van de RWI
niet overgaan op de Staat, maar op
andere rechtspersonen.
rblz.|26|
Artikel 83u
Met
dit artikel wordt voorzien in het
ontslag van de zittende voorzitter en
leden op het moment dat de
RWI bij wet
wordt opgeheven.
Artikel 83v
Op
grond van dit artikel kunnen over de
(financiële) afwikkeling van de
opheffing van de
RWI bij ministeriële
regeling nadere regels worden gesteld.
In de periode na opheffing van de RWI
wordt die opheffing afgewikkeld en
worden in verband daarmee werkzaamheden
verricht. Het gaat daarbij niet om taken
van de RWI, omdat die taken na de
opheffing ophouden. Wel kan een
vereffenaar worden aangewezen, waarbij
tevens zijn bevoegdheden worden
vastgelegd. Ook kunnen bepalingen over
de overbrenging van archiefbescheiden
worden opgenomen. Daarnaast kunnen
regels worden gesteld voor de
verantwoording van de RWI over
voorgaande jaren. Verder biedt dit
artikel de grondslag voor een
rijksvergoeding voor de kosten die
voortvloeien uit de afwikkeling en
eventuele liquidatie, zoals de kosten
van een vereffenaar.
Artikel
V, onderdeel A tot en met D
Deze
wijzigingen hangen samen met de
beëindiging van de inzet van
re-integratiebudget voor WW-gerechtigden,
alsmede de daaraan gerelateerde
wijzigingen voor overheidswerkgevers en
ex-overheidswerknemers.
Onderdeel
A
Gezien
het vervallen van de mogelijkheid voor UWV
om noodzakelijke scholing in te
kopen voor WW-gerechtigden, is de in
artikel 19, negende lid, onderdeel d,
opgenomen voorwaarde niet langer aan de
orde. Deze voorwaarde vervalt dan ook.
Onderdeel
B
Artikel 26, eerste lid,
onderdeel k en l, wordt
op twee punten gewijzigd. Er is sprake
van twee technische wijzigingen. De
eerste ten aanzien van de zinsnede die
betrekking heeft op de
re-integratievisie. De tweede betreft de
zinsnede die betrekking heeft op het
re-integratieplan. De verplichtingen om
mee te werken aan het opstellen van en
te voldoen aan de verplichtingen
opgenomen in de re-integratievisie en in
het re-integratieplan worden gehandhaafd
voor lopende gevallen en voor zieke
werkloze werknemers als bedoeld in
artikel 20, zesde lid, onderdeel a, van
de WW (artikel IV, onderdeel
E).
Onderdeel
C
Voor
ex-overheidswerknemers vervalt de
mogelijkheid om hun eigen re-integratie
vorm te geven via een IRO en vervalt dus
ook de noodzaak om daaromtrent nadere
regels te stellen. Derhalve vervalt de
in artikel 72a, tweede lid, opgenomen
delegatiegrondslag.
Onderdeel
D
De
in artikel 73 opgenomen elementen die
betrekking hebben op naar het oordeel
van UWV dan wel naar het oordeel van de
overheidswerkgever noodzakelijke
voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling vervallen. Deze
voorzieningen zijn immers voor WW-gerechtigden niet langer aan de orde.
rblz.|27|
Na wijziging regelt
artikel 73
(uitsluitend) nog het recht op
ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
voor alle WW-gerechtigden. Deze
ondersteuning bestaat uit de
dienstverlening die UWV
aan
WW-gerechtigden levert, zoals beschreven
in paragraaf 2.2 "Digitale
dienstverlening en landelijk systeem"
in het algemene deel van deze
toelichting.
Artikelen
V, onderdeel E, VI,
VII,
VIII, onderdeel
C, en IX
De
artikelen 78a
en 78b
van de WW, 67f
en 67g
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), 65i
en 65j
van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO),
2:21,
3:71 en
3:72 van de
Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
(Wet Wajong) en 37a
van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
hebben betrekking op het instrument van
de loonkostensubsidie. In artikel 130u
van de WW, 101d
van de WAZ, 91f
van de WAO, 8:5 van de
Wet Wajong en
133g
[lees: 133d,
red.] van
de Wet WIA is bepaald dat de voormelde
artikelen met betrekking tot het
instrument van de loonkostensubsidie op
een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip vervallen, hetgeen met ingang
van 1 januari 2012 zal plaatsvinden.
Daarbij geldt 2012 echter als een
uitloopjaar voor de loonkostensubsidies
die het jaar daarvoor zijn aangevangen.
In
het nieuwe artikel
130v van de WW
(artikel II, onderdeel F [lees artikel
V, onderdeel E, red.]), 101e
van de
WAZ (artikel III [lees artikel
VI, red.]), 91g
van de WAO
(artikel IV [lees artikel
VII, red.]), 8:6 van de
Wet Wajong
(artikel VI [lees artikel VIII,
onderdeel C, red.]) en 133h
van de Wet WIA
(artikel VII [lees artikel
IX, red.]) wordt voor die
loonkostensubsidies een
overgangsbepaling opgenomen. In artikel
30e van de Wet SUWI
is bepaald dat UWV
een verzoek om loonkostensubsidie
afwijst indien er geen reëel uitzicht
is op continuering van de
dienstbetrekking bij de werkgever of een
andere werkgever. UWV hanteert daartoe
een beoordelingskader. Ook deze bepaling
vervalt bij koninklijk besluit op 1
januari 2012. Echter voor de
overgangsgevallen kan deze bepaling nog
van toepassing zijn. Daarom wordt in de
overgangsbepalingen verwezen naar dit
artikel.
De
overgangsbepalingen vervallen vijf jaar
na het tijdstip dat deze in werking zijn
getreden. De overgangsbepalingen zijn op
dat moment in ieder geval materieel
uitgewerkt.
Artikel
VIII, onderdeel A en B
Deze
wijzigingen hebben betrekking op de
beëindiging van de inzet van het
instrument van loonkostensubsidie en
zijn technisch van aard.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|