|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2008-2009, 31 347
Voorstel
van wet van het lid Kant tot wijziging van de Wet
maatschappelijke ondersteuning ter bevordering van de kwaliteit van
de huishoudelijke verzorging en ter invoering van basistarieven voor de
huishoudelijke verzorging
| Nr.r6 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING ZOALS GEWIJZIGD NAAR
AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN
DE RAAD VAN STATE |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| A |
Inleiding |
| B |
Aanleiding
tot dit wetsvoorstel |
| C |
Europees
recht |
| D |
Financiële
gevolgen |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I en II |
Algemeen
A.
Inleiding
Op 1 januari
2007 is de Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
in werking getreden.
In de Wmo is
gekozen voor sturing door de gemeenten.
Zij zouden meer dan welke andere
bestuurslaag in staat zijn individueel
maatwerk te leveren in de directe
leefomgeving. In samenhang met andere
voorzieningen op het gebied van wonen,
zorg en welzijn.
De minister
blijft ervoor verantwoordelijk dat het
systeem van de wet het mogelijk maakt de
maatschappelijke doelen te bereiken en
zal het systeem zo nodig moeten
aanpassen, aldus de memorie
van toelichting bij de Wmo.¹
De regering
wees er tevens op dat ze zich hierbij
wel geconfronteerd zag met een "klassiek"
dilemma. Enerzijds is de noodzakelijke
ondersteuning om te komen tot een
behoorlijke zelfredzaamheid en
maatschappelijke participatie van
burgers eigenlijk alleen goed op het
lokale niveau vast te stellen. Dat pleit
voor een maximale beleidsvrijheid voor
gemeenten. Anderzijds zijn de zaken waar
het in een aantal onderdelen van de Wmo
om gaat voor sommige mensen van
essentieel belang; ze kunnen het
verschil uitmaken tussen kunnen meedoen
en aan de kant staan. Daarom is het
belangrijk dat er ook landelijke regels
en wettelijk vastgelegde rechten zijn.
In de historie
van de maatschappelijke ondersteuning
zijn er twee bewegingen te
onderscheiden. Enerzijds is de positie
van de gemeenten in de maatschappelijke
ondersteuning steeds verder versterkt.
Vanaf de Welzijnswet
1994, de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) en
nu de Wmo. Anderzijds was bij de Wvg te
zien hoe chronisch zieke, oudere of
gehandicapte burgers afhankelijker
werden van het verschil in beleid van de
gemeenten. Daarom ontstond een beweging
richting scherpere landelijke
kaderstelling. Er werd een landelijk
protocol opgesteld door het ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(VWS), de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG) en
andere belangenorganisaties, waarin meer
gedetailleerde normen waaraan bepaalde
voorzieningen rblz.|2|
moesten voldoen, werden vastgelegd [zie Protocol
Wvg, red.]. Dit
protocol zou zelfs in de wet worden
vastgelegd. Door het aantreden van een
nieuw kabinet is dit niet meer gebeurd.
In plaats daarvan kwam met de Wmo een
ommekeer en werd er weer gekozen voor
een grote mate van gemeentelijke
beleidsvrijheid waarin wettelijke
protocollen niet pasten.
Er kwam veel
kritiek op de Wmo vanuit de patiënten-
en gehandicaptenorganisaties, met name
wat betreft het verdwijnen van het recht
op huishoudelijke zorg zoals dat in de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) was geregeld en het loslaten van
het Wvg-protocol. De Wmo riep een halt
toe aan de ingezette ontwikkeling waarin
rechten wettelijk werden vastgelegd. De
Chronisch zieken en Gehandicapten Raad
Nederland (CG-raad) wees erop dat ze
vijftien jaar veel werk had gemaakt van
emancipatie van mensen met een
chronische ziekte of handicap en dat dit
proces nu op de helling werd gezet.
Tijdens de
behandeling in de Tweede Kamer is de Wmo
flink aangepast, waarbij werd afgeweken
van het oorspronkelijke sturingsmodel en
meer rechten wettelijk werden
vastgelegd. Zo zag de regering zich
genoodzaakt te kiezen voor een
tijdelijke zorgplicht voor een beperkt
aantal voorzieningen, bij wijze van
overgangssituatie. In de Tweede Kamer is
dit weer vervangen door een blijvende
compensatieplicht. Daarnaast zijn veel
amendementen en moties aangenomen om de
inspraak, de keuzevrijheid en de
klantvriendelijkheid beter te regelen.
Inmiddels is de
regering gekomen met reparatiewetgeving
om een onzorgvuldige en ongewenste
verschuiving naar alfahulp tegen te
gaan.² Er wordt dus steeds meer
afgeweken van de oorspronkelijke
sturingsfilosofie. Kennelijk werkt die
sturingsfilosofie niet en vindt ook de
regering aanpassing noodzakelijk.
1.
Kamerstukken II 2004-2005, 30 131, nr. 3.
2. Kamerstukken II 2008-2009, 31 795,
nrs. 1 e.v.
Naar het oordeel van de indiener is
echter meer nodig, waartoe zij drie
afzonderlijke wetsvoorstellen heeft
ingediend: dit
voorstel ter bevordering van de
kwaliteit van de huishoudelijke
verzorging en ter invoering van
basistarieven bij de huishoudelijke
verzorging, een voorstel rondom onder
meer de aanbesteding van huishoudelijke
verzorging en een voorstel met
betrekking tot de financiering van
huishoudelijke zorg door middel van
specifieke uitkeringen.¹
De drie
wetsvoorstellen zijn gezamenlijk
ingediend omdat zij elkaar versterken en
aanvullen, maar zij bewerkstelligen ook
ieder afzonderlijk verbeteringen. De
wetsvoorstellen strekken er alle toe om gemeenten
in staat te stellen de basiszorg voor
alle mensen die daarop zijn aangewezen
te garanderen. De gemeenten kunnen zich
dan concentreren op optimale en
integrale uitvoering van de Wmo.
1.
Zie Kamerstukken II 2007-2008, 31 347,
nr. 2, Kamerstukken II 2007-2008, 31
353, nr. 2, en Kamerstukken II
2007-2008, 31 375, nr. 2.
B.
Aanleiding tot dit wetsvoorstel
De aanbesteding van huishoudelijke zorg
heeft ertoe geleid dat een aantal gemeenten
zich te veel richt op de prijs van de
zorg en te weinig op de kwaliteit ervan.
In een aantal gemeenten onderhandelen
aanbieders en gemeenten op een
prijsniveau dat lager ligt dan
aanvaardbaar is voor het leveren van
zorg van deugdelijk niveau. Aanbieders
schrijven te laag in en gemeenten
accepteren tarieven die te laag zijn.
Uit de
tussenrapportage van de eerste evaluatie
van de Wmo
blijkt dat kwaliteit een belangrijk
aspect is bij aanbesteding. Bijna een
kwart van de gemeenten zet echter ook
de prijs op de eerste plaats als
gunningscriterium (al of niet op gelijke
voet met andere criteria). Van de
gemeenten heeft 9% de prijs een
hogere prioriteit gegeven dan de
kwaliteit van zorg.¹
Maar ook als
gemeenten aangeven vooral te kijken naar
de kwaliteit, is het nog de vraag welke
kwaliteitscriteria worden gehanteerd.
Uit een onderzoek van
PricewaterhouseCoopers in opdracht van
het ministerie
van VWS blijkt dat de
kwaliteitscriteria telkens verschillend
zijn en dat slechts rblz.|3|
een beperkt aantal gemeenten
opleidingseisen stellen aan een huishoudelijk
helpende 1 (HH1).²
Ook als
gemeenten kwaliteitscriteria zwaar laten
tellen, zullen instellingen geneigd
blijven te laag in te schrijven om een
marktaandeel te behouden of te
verwerven. Een aantal gemeenten zijn
hierin meegegaan. Het is verstandiger om
- de VNG heeft de gemeenten hier ook
op gewezen - een redelijke prijs te
betalen die instellingen weliswaar
dwingt kosteneffectief te werken, maar
wel op basis van reële kosten is. Zo
niet, dan zullen veel
thuiszorginstellingen afhaken, wat op
den duur ten koste van de kwaliteit van
de zorg gaat.
1.
SCP [Sociaal en Cultureel Planbureau, red.],
Eerste tussenrapportage evaluatie Wmo,
augustus 2008, te raadplegen via www.scp.nl.
2. PricewaterhouseCoopers, Transparantie
in de kostenstructuur van hulp bij het
huishouden, 9 december 2008.
Een aantal gemeenten
heeft gekozen voor het zogenaamde
Zeeuwse model. Dat betekent dat er een
vaste prijs wordt afgesproken en dat
alle instellingen die voor die prijs en
de gevraagde kwaliteit zorg willen
leveren, mogen meedoen. Dus alleen
concurrentie op kwaliteit. Ook in deze
constructie is het cruciaal of er een
tarief wordt afgesproken tegen de reële
kostprijs.
Uit onderzoek van Research en Beleid in
maart 2007 bleek dat de gemiddelde prijs
die geïnterviewde gemeenten
betalen voor de huishoudelijke zorg
lager ligt dan het maximale CTG-tarief [CTG:
College tarieven gezondheidszorg, red.]
voor 2006.¹ In een rapport van Prismant
werd vastgesteld dat de afgesproken
tarieven in 2007 volgens de meeste
thuiszorginstellingen niet kostendekkend
waren.²
Uit een recent
onderzoek van PricewaterhouseCoopers in
opdracht van het ministerie
van VWS blijkt dat de tarieven te
laag zijn en de kosten voor
huishoudelijke zorg gemiddeld 12,5%
hoger liggen.³ Bij de berekende
tarieven is ook nog uitgegaan van de
inzet van alfahulpen, wat na en in
aanloop van de reparatiewetgeving van
het kabinet niet meer mogelijk zal zijn.
Die inzet was in 2008 bijna 38%.
1.
Research voor Beleid, Aanbesteding hulp
bij huishouding, 29 maart 2007, te
raadplegen via www.research.nl.
2. Prismant, Wmo en arbeidsmarkt van de
thuiszorg. Rapportage 1e en 4e meting,
januari 2007.
3. PricewaterhouseCoopers, Transparantie
in de kostenstructuur van hulp bij het
huishouden, 9 december 2008.
In de praktijk blijkt dat lagere prijzen
alleen tot stand kunnen komen door
bezuinigingen op het personeel. Door
bezuiniging op arbeidsomstandigheden,
omzetten naar alfahulp of door
loonsverlagingen. De regering erkende in
haar rapportages dat er sprake is van
dreigende ontslagen, een (gedwongen)
omzetting naar alfahulp, onduidelijkheid
over het inzetten van alfahulp en de
gevolgen daarvan.¹ Dat was voor de
regering aanleiding voor twee
handreikingen en zelfs een wetsvoorstel
tot aanpassing van de Wmo.²
De omzetting
naar alfazorg is ook een gevolg van een
andere indicering, namelijk dat de
geleverde zorg niet langer mag afwijken
van de indicatie. De door de regering
voorgestelde wetswijziging kan ervoor
zorgen dat vervolgens niet automatisch
alfazorg wordt ingezet. Echter zolang
geen passende tarieven worden
afgesproken, zullen werkgevers geen
mensen in dienst kunnen nemen of zullen
zij overgaan tot loonsverlaging. Mensen
die in de huishoudelijke zorg werken,
worden steeds vaker geconfronteerd met
een loonverschuiving van schaal 15 naar
5 of 10.³ De initiatiefnemer vindt dit
onwenselijk. Ook de regering heeft
tijdens een Kamerdebat op 11 juni 2008
aangegeven het onwenselijk te vinden dat
mensen ineens voor een lager tarief
moeten gaan werken en dat het nog maar
de vraag was of dat formeel is
toegestaan.
Een nieuwe
ontwikkeling is dat er
thuiszorginstellingen zijn die niet meer
inschrijven omdat de huishoudelijke zorg
onrendabel is geworden. Meerdere
thuiszorgorganisaties brengen de
huishoudelijke zorg onder in BV’s en
gaan joint ventures aan met
schoonmaakbedrijven.
1.
Zie de rapportages onder Kamerstukken II
2007-2008, 29 538, nrs. 58, 70 en 82.
2. Zie Kamerstukken II 2008-2009, 31
795, nrs. 1 e.v., voor het wetsvoorstel.
3. Wetenschappelijk Bureau SP, Wmo in
uitvoering I, II en III, februari 2007,
maart 2007 en maart 2008, te raadplegen
via www.sp.nl.
Uit de gang van zaken kan worden
afgeleid dat er op het gebied van
huishoudelijke verzorging sprake is van
marktfalen. Zonder overheidsingrijpen
komt er vanuit de markt geen bevredigend
aanbod van huishoudelijke verzorging die
volgens indieners voldoet aan de vanuit
algemeen belang gewenste
beschikbaarheid, toegankelijkheid en
kwaliteit.
rblz.|4|
Dit wetsvoorstel
beoogt daarom via onder meer het
instellen van bastarieven voor de
huishoudelijke verzorging de kwaliteit
van die zorg te verbeteren. Het
wetsvoorstel maakt dat gemeenten
rekening moeten houden met de reële
basistarieven van huishoudelijke
verzorging, waardoor zorgaanbieders
feitelijk niet kunnen inschrijven onder
de reële kostprijs. Hierbij zal dus
rekening dienen te worden gehouden met
bijvoorbeeld loonkosten, sociale lasten
en pensioenpremies, materiële kosten,
kapitaal- en overheadkosten. Het
wetsvoorstel beoogt in dat opzicht door
het vastleggen van basistarieven
ervoor te zorgen dat zorgaanbieders
altijd een prijs ontvangen die minimaal
gelijk is aan de kostprijs voor het
leveren van kwalitatief goede zorg door
medewerkers met fatsoenlijke
arbeidsvoorwaarden. Ook indien een
subsidierelatie wordt aangegaan, moet
worden uitgegaan van minimaal het
basistarief op basis van een reële
kostprijs.
Belangrijk uitgangspunt bij het
vaststellen van basistarieven is het
waarborgen van de kwaliteit en de
continuïteit van de huishoudelijke
zorg. Het
wetsvoorstel brengt dit tot uiting
door een zorgplicht in het leven te
roepen voor gemeenten
om te waarborgen dat bij het laten
verlenen van huishoudelijke verzorging
door derden de kwaliteit en de
continuïteit van die verzorging niet in
gevaar komt, wat het college
bijvoorbeeld kan bewerkstelligen door
het maken van stevige, juridisch
afdwingbare afspraken. Er bestaat in dit
kader een kwaliteitsdocument hulp bij
het huishouden dat de gemeenten als
richtlijn kan dienen. Indien blijkt dat
gemeenten in gebreke blijven wat betreft
de kwaliteit en continuïteit van de
zorg, zullen er landelijke
kwaliteitsregels moeten worden gesteld,
waartoe het wetsvoorstel een rechtsgrond
biedt. Hierbij geldt dus steeds dat ten
minste de voornoemde basistarieven in
acht dienen te worden genomen. Hierdoor
dient bij het uitbesteden van
huishoudelijke verzorging altijd
rekening te worden gehouden met de
reële kostprijs van die zorg, waarmee
kan worden gegarandeerd dat de
noodzakelijke kwaliteit van zorg niet in
het gedrang komt doordat instellingen
die zorg voor een onverantwoord laag
prijsniveau willen aanbieden.
C. Europees
recht
Het inzetten van het instrument van
basistarieven kan gevolgen hebben voor
het functioneren van de interne markt
van de Europese Unie. In theorie zou de
basisprijs kunnen voorkomen dat
aanbieders vanuit een andere EU-lidstaat
opdrachten ontvangen doordat zij de
dienst goedkoper zouden kunnen leveren
dan de gestelde basisprijs en nu niet
in staat zijn hun concurrentievoordeel
te benutten.
Naar het oordeel van de indiener is bij
huishoudelijke verzorging echter geen
sprake van een normale economische
activiteit, maar van een dienst van
algemeen economisch belang. Lidstaten
hebben een grote vrijheid hoe zij
dergelijke diensten organiseren.
Derhalve zijn deze diensten ook
uitgesloten van de meest gedetailleerde
Europese wetgeving betreffende de
werking van diensten, te weten de
Dienstenrichtlijn.¹
1.
Zie onder andere overweging 27 en
artikel 2, tweede lid, onderdeel f
en j, van de Dienstenrichtlijn
(2006/123/EG).
Daarnaast is er in de praktijk volgens
de indiener bij de huishoudelijke
verzorging geen sprake van een relevante
Europese markt. De markt is nationaal en
vaak ook nog eens zeer regionaal
gebonden. Het
wetsvoorstel zal daarom geen
substantiële verstoring opleveren van
de interne markt voor diensten en is
niet strijdig met de relevante
verdragsbepalingen (e.g. artikel 49
EG-verdrag). In die gevallen waar een
theoretische verstoring mogelijk is, te
weten in grensregio’s, is de indiener
van mening dat de maatregel in relatie
tot het algemene belang zowel
noodzakelijk als proportioneel is.
Noodzakelijk omdat met een basisprijs
voorkomen wordt dat concurrentie tussen
aanbieders leidt tot een daling van de
kwaliteit rblz.|5|
van de in het algemeen aangeboden
huishoudelijk verzorging. Proportioneel
omdat de maatregel enkel betrekking
heeft op de geboden prijs van opdrachten
van de overheid en op geen enkele andere
wijze dienstverleners belemmert hun
diensten te verrichten dan wel aan te
bieden. Ten slotte maakt de maatregel
geen onderscheid op basis van
nationaliteit, waardoor buitenlandse
aanbieders van deze dienst geen nadeel
zullen ondervinden.
D. Financiële
gevolgen
Door te werken met onder andere
basistarieven gebaseerd op de reële
kostprijs wil de indiener voorkomen dat
tarieven onder die kostprijs worden
afgesproken. Ook de regering vindt dit
ongewenst; bovendien wil zij via
wetswijziging een ongewenste
verschuiving naar alfahulp aanpakken. De
regering meent dat de €|200
miljoen van de €|228
miljoen die de gemeenten
naar schatting in 2007 in totaal
overhielden voldoende zijn om de
financiële consequenties van deze
kwaliteitseisen op te vangen; €|30 miljoen
is wel gekort. Inmiddels raamt het
Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)
het totale overschot op €|149
miljoen.¹ Dit overschot kan worden
ingezet voor de mogelijke kosten van de
basistarieven; immers kwaliteitseisen en
hogere tarieven zullen meestal
samenvallen. Het SCP zal moeten
vaststellen of het totale budget
toereikend zal zijn. Het SCP geeft
bindend advies over de vaststelling van
het macrobudget huishoudelijke hulp op
basis van de realisatie in het
voorgaande jaar. Daarnaast brengt het
SCP jaarlijks advies uit of het aldus
berekend budget voor huishoudelijke
passend is. Het SCP zal hierbij rekening
houden met specifieke omstandigheden,
maatschappelijke ontwikkelingen,
aanloopfactoren en de gevolgen van het
compensatiebeginsel en de jurisprudentie
daarover.
1.
SCP, Definitief advies over het Wmo
budget huishoudelijke hulp voor 2009,
februari 2009.
Artikelsgewijs
Artikel
I
In dit artikel wordt een nieuwe
paragraaf rondom huishoudelijke
verzorging ingevoegd in de Wmo.
In deze
paragraaf wordt in het voorgestelde artikel
21a, eerste lid, bepaald dat
de minister
jaarlijks na advies van de Nederlandse
Zorgautoriteit de voornoemde
basistarieven voor de huishoudelijke
verzorging vaststelt.
Het tweede lid
bepaalt dat de op dat moment reële
kostprijzen van de verschillende vormen
van huishoudelijke verzorging daarbij de
basis vormen voor het vaststellen van de
basistarieven. Daarbij kan bijvoorbeeld
rekening worden gehouden met onder meer
de loonkosten van het ingeschakelde
personeel (waaronder de sociale lasten
en pensioenpremies), de kosten van
gebruikte materialen, en eventuele
kapitaal- en overheadkosten.
In het derde
lid wordt aangegeven dat het college van
burgemeester en wethouders bij het
aangaan van overeenkomsten met derden de
basistarieven in acht dient te nemen.
Hierdoor zal bij het uitbesteden van
huishoudelijke verzorging rekening
dienen te worden gehouden met de reële
kostprijs van die zorg.
Het vierde lid
bepaalt dat bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels
kunnen worden gesteld om de vaststelling
van de basistarieven nader vorm te
geven.
In het voorgestelde artikel
21b, eerste lid, wordt een
zorgplicht voor het college van
burgemeester en wethouders in het leven
geroepen om de kwaliteit en de
continuïteit van de huishoudelijke
verzorging te waarborgen, in het geval
het college het verlenen van die zorg
door derden laat verrichten. In die
situaties dient het college er derhalve
steeds voor te rblz.|6|
waken dat de kwaliteit en de
continuïteit van de zorg gewaarborgd
blijft, bijvoorbeeld door het maken van
stevige, juridisch afdwingbare afspraken
over het kwaliteitsniveau van de zorg.
Inmiddels is er een kwaliteitsdocument
hulp bij het huishouden, dat gemeenten
in dit kader als richtlijn kan dienen.¹
Bij het waarborgen van de continuïteit
kan worden gedacht aan het behouden van
ervaren krachten met wie de
ondersteunden vertrouwd zijn.
Het tweede lid
biedt de mogelijkheid bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere
regels te stellen rondom de
verplichtingen in het eerste lid. Deze
bevoegdheid is met name van belang
indien de praktijk blijft
tekortschieten, in welk geval landelijke
regels zijn aangewezen.
1.
Staatssecretaris
van VWS, brief (tussenrapportage)
aan de Tweede Kamer, Kamerstukken II
2007-2008, 11 december 2008, 29 538, nr.
91.
Artikel
II. [Vervallen,
red.]
Dit artikel voorziet in het uitbreiden
van de taken van de Nederlandse
Zorgautoriteit in verband met de
advisering over de basistarieven als
bedoeld in het voorgestelde artikel
21a van de Wmo.
Kant
|