|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2008-2009, 31 353
Voorstel
van wet van het lid Kant tot wijziging van de Wet
maatschappelijke ondersteuning ter bevordering van de kwaliteit van
de maatschappelijke ondersteuning en in verband met de aanbesteding van
huishoudelijke verzorging
| Nr.r6 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING ZOALS GEWIJZIGD NAAR
AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN
DE RAAD VAN STATE |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| A |
Inleiding |
| B |
Aanleiding
tot dit wetsvoorstel |
| C |
Aanbesteden
huishoudelijke verzorging en Europees
recht |
| D |
Financiële
gevolgen |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I en II |
Algemeen
A.
Inleiding
Op
1 januari 2007 is de Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in werking
getreden.
In
de Wmo is gekozen voor sturing door de gemeenten. Zij zouden meer dan welke
andere bestuurslaag in staat zijn
individueel maatwerk te leveren in de
directe leefomgeving. In samenhang met
andere voorzieningen op het gebied van
wonen, zorg en welzijn.
De minister
blijft ervoor verantwoordelijk
dat het systeem van de wet het mogelijk
maakt de maatschappelijke doelen te
bereiken en zal het systeem zo nodig
moeten aanpassen, aldus de memorie van
toelichting bij de Wmo.¹
De
regering wees er tevens op dat ze zich
hierbij wel geconfronteerd zag met een
"klassiek" dilemma. Enerzijds is de
noodzakelijke ondersteuning om te komen
tot een behoorlijke zelfredzaamheid en
maatschappelijke participatie van
burgers eigenlijk alleen goed op het
lokale niveau vast te stellen. Dat pleit
voor een maximale beleidsvrijheid voor
gemeenten. Anderzijds zijn de zaken waar
het in een aantal onderdelen van de Wmo
om gaat voor sommige mensen van
essentieel belang; ze kunnen het
verschil uitmaken tussen kunnen meedoen
en aan de kant staan. Daarom is het
belangrijk dat er ook landelijke regels
en wettelijk vastgelegde rechten zijn.
In
de historie van de maatschappelijke
ondersteuning zijn er twee bewegingen te
onderscheiden. Enerzijds is de positie
van de gemeenten in de maatschappelijke
ondersteuning steeds verder versterkt.
Vanaf de Welzijnswet
1994, de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) en nu
de Wmo. Anderzijds was bij de Wvg te
zien hoe chronisch zieke, oudere of
gehandicapte burgers afhankelijker
werden van het verschil in beleid van de
gemeenten. Daarom ontstond een beweging
richting scherpere landelijke
kaderstelling. Er werd een landelijk
protocol opgesteld door het ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(VWS), de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG) en andere
belangenorganisaties, waarin meer
gedetailleerde normen waaraan bepaalde
voorzieningen rblz.|2|
moesten voldoen, werden vastgelegd [zie Protocol
Wvg, red.]. Dit protocol zou zelfs in
de
wet worden vastgelegd. Door het
aantreden van een nieuw kabinet is dit
niet meer gebeurd. In plaats daarvan
kwam met de Wmo een ommekeer en werd er
weer gekozen voor een grote mate van
gemeentelijke beleidsvrijheid waarin
wettelijke protocollen niet pasten.
Er
kwam veel kritiek op de Wmo vanuit de
patiënten- en
gehandicaptenorganisaties, met name wat
betreft het verdwijnen van het recht op
huishoudelijke zorg zoals dat in de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) was geregeld en het loslaten van
het Wvg-protocol. De Wmo riep een halt
toe aan de ingezette ontwikkeling waarin
rechten wettelijk werden vastgelegd. De
Chronisch zieken en Gehandicapten Raad
Nederland (CG-raad)
wees erop dat ze
vijftien jaar veel werk had gemaakt van
emancipatie van mensen met een
chronische ziekte of handicap en dat dit
proces nu op de helling werd gezet.
Tijdens
de behandeling in de Tweede Kamer is de
Wmo flink aangepast, waarbij werd
afgeweken van het oorspronkelijke
sturingsmodel en meer rechten wettelijk
werden vastgelegd. Zo zag de regering
zich genoodzaakt te kiezen voor een
tijdelijke zorgplicht voor een beperkt
aantal voorzieningen, bij wijze van
overgangssituatie. In de Tweede Kamer is
dit weer vervangen door een blijvende
compensatieplicht. Daarnaast zijn veel
amendementen en moties aangenomen om de
inspraak, de keuzevrijheid en de
klantvriendelijkheid beter te regelen.
Inmiddels
is de regering gekomen met
reparatiewetgeving om een onzorgvuldige
en ongewenste verschuiving naar alfahulp
tegen te gaan.² Er wordt dus steeds meer
afgeweken van de oorspronkelijke
sturingsfilosofie. Kennelijk werkt die
sturingsfilosofie niet en vindt ook de
regering aanpassing noodzakelijk.
1. Kamerstukken
II 2004-2005, 30 131, nr. 3.
2. Kamerstukken II 2008-2009, 31 795, nrs.
1 e.v.
Naar
het oordeel van de indiener is echter
meer nodig, waartoe zij drie
afzonderlijke wetsvoorstellen heeft
ingediend: een voorstel ter bevordering
van de kwaliteit van de huishoudelijke
verzorging en ter invoering van
basistarieven voor de huishoudelijke
verzorging, dit voorstel rondom onder
meer de aanbesteding van huishoudelijke
verzorging en een voorstel met
betrekking tot de financiering van
huishoudelijke zorg door middel van
specifieke uitkeringen.¹
De
drie wetsvoorstellen zijn gezamenlijk
ingediend omdat zij elkaar versterken en
aanvullen, maar zij bewerkstelligen ook
ieder afzonderlijk verbeteringen. De
wetsvoorstellen strekken er allen toe om
gemeenten in staat te stellen de
basiszorg voor alle mensen die daarop
zijn aangewezen te garanderen. De
gemeenten kunnen zich dan concentreren
op optimale en integrale uitvoering van
de Wmo.
1. Zie Kamerstukken
II 2007-2008, 31 347, nr. 2 e.v., Kamerstukken II 2007-2008, 31 353,
nr. 2 e.v., en Kamerstukken II 2007-2008, 31 375, nr. 2 e.v.
B.
Aanleiding
tot dit wetsvoorstel
De
kwaliteit van de maatschappelijke
ondersteuning
Helaas
heeft tot nu toe geen grondige analyse
plaatsgevonden van de gevolgen van de
invoering van de Wmo
op de kwaliteit van
de verrichte ondersteuning. Op een
meldpunt van de indiener waarop ruim
2000 mensen hun ervaringen met de Wmo
meldden, zijn echter ernstige negatieve
effecten naar voren gebracht. Vanuit de
cliënten kwamen meldingen over minder
uren zorg en kwalitatief mindere zorg,
doordat de thuiszorg wordt vervangen
door een goedkopere kracht (vaak
alfahulp). Hiermee verloren veel mensen
ook hun vertrouwde hulp. Vanuit het
personeel kwamen veel meldingen over
bezuinigingen op arbeidsvoorwaarden en
-omstandigheden. Veel thuiszorgpersoneel
kwam voor de keuze te staan tussen
alfazorg, ontslag of minder loon.
Behalve de omzetting naar alfazorg wordt
steeds meer personeel geconfronteerd met
een verschuiving van schaal 15 naar
bijvoorbeeld 5 of 10.¹
Ook
uit diverse onderzoeken van de regering
blijkt dat een verschuiving rblz.|3|
naar alfazorg
plaatsvindt. Tijdens een hoorzitting op
5 maart 2008 waarschuwen de bonden voor
de situatie van de alfahulpen, zij zien
ook een ontwikkeling naar lagere lonen.
De regering erkende in haar rapportages
dat de wet onvoldoende duidelijk is, dat
er een ongewenste verschuiving is naar
alfahulp, dat er ontslagen zijn
gevallen, dat veel personeel de
thuiszorg verlaat door verslechterde
arbeidsomstandigheden, dat mensen hun
vaste hulp zijn kwijtgeraakt en dat zij
met alfahulpen worden geconfronteerd
zonder dat ze goed op de hoogte zijn
gebracht van de consequenties die dat
kan hebben.² Alfahulpen kunnen
gemotiveerde hulpen zijn, maar hebben
vaak geen op de zorg gerichte opleiding.
Bovendien zijn zij vaak niet in
dienstverband van een organisatie, maar
werken zij als freelancer in opdracht
van de cliënt. Dit betekent dat zij
vaak niet zijn toegerust op
ondersteunende en signalerende taken.
Bovendien kunnen zij alleen worden
ingezet bij mensen die nog voldoende
regie over hun leven hebben en de
werkgeversrol kunnen vervullen. De
indiener heeft zich steeds ingezet om
deze problematiek te voorkomen.
1. Wetenschappelijk Bureau
SP, Wmo in uitvoering I, II en III, februari 2007, maart 2007 en maart
2008, te raadplegen via www.sp.nl.
2. Zie de rapportages onder Kamerstukken II 2007-2008, 29 538, nr. 58,
70 en 82.
Marktwerking
Bovendien
heeft de indiener zich steeds verzet
tegen de opvatting dat het wenselijk en
noodzakelijk zou zijn de huishoudelijke
verzorging uit te besteden door middel
van een aanbestedingsprocedure.
Het
principe van de markt, zoveel mogelijk
zorg tegen een zo laag mogelijke prijs,
kan in dit kader in twijfel worden
getrokken. De aanbestedingen leiden
ertoe dat er vooral concurrentie
plaatsvindt om de prijs. In plaats van
een afgewogen prijs-kwaliteitverhouding
leidt het aanbesteden nogal eens tot
tariefafspraken beneden de kostprijs.
Dit heeft negatieve consequenties. Er
zijn bezuinigen op het personeel; vooraf
om een goede concurrentiepositie te
verwerven en achteraf omdat het voor de
afgesproken prijs niet mogelijk is
dezelfde kwaliteit te leveren. Met als
gevolg hogere werkdruk, verslechtering
van de arbeidsvoorwaarden, minder loon,
demotie en ontslag. Behalve ontslag van
indirect personeel staan er veel banen
op de tocht van thuiszorgmedewerkers
doordat instellingen buiten de
aanbestedingen vallen. Daarnaast worden
duizenden banen omgezet naar minder
gekwalificeerde arbeid (bijvoorbeeld
alfazorg).
De
regering heeft onderzoek laten uitvoeren
om onvoorziene/ongewenste effecten in de
toekomst te voorkomen en om aanbieders
en gemeenten tot een meer sociaal
overwogen inkoop te stimuleren.¹ Volgens
de regering zouden de gemeenten
duidelijker politieke keuzes moeten
maken en meer sturen op sociaal beleid.
Voorkomen moet worden dat contracten tot
stand komen waarin met prijzen wordt
gewerkt die onder de kostprijs liggen.
Ook afspraken over goed werkgeverschap
zouden in de contracten moeten worden
vermeld. Zoveel mogelijk mensen zouden
voor de zorg behouden moeten blijven.
Medewerkers in de zorg moeten op basis
van vrijwilligheid kunnen kiezen voor
een wijziging van het arbeidscontract en
dus niet gedwongen worden een
alfahulpcontract te sluiten. Om dat
alles te stimuleren, heeft de regering
een document "Sociaal overwogen
aanbesteden" opgesteld en ter
beschikking gesteld aan de gemeenten.²
Daarmee
is het risico niet weggenomen dat
voortzetting van concurrentie op de
prijs kan leiden tot tarieven beneden de
kostprijs. Dat is gebleken in de
praktijk tot op heden en er is geen
reden om aan te nemen dat dit sterk
verandert. In de eerste tussenrapportage
evaluatie Wmo
van het Sociaal en
Cultureel Planbureau [SCP, red.] geeft 78% van de gemeenten aan dat de kwaliteit
van zorg het belangrijkste aspect is
geweest bij de aanbesteding. Bijna een
kwart van de gemeenten zet echter ook de
prijs op de eerste plaats als
gunningscriterium (al dan niet op
gelijke voet met andere criteria),
waarbij 9% alleen aan de prijs de
hoogste prioriteit geeft.³
1. Staatssecretaris
van VWS, brief tweede voortgangsrapportage, 26 september 2007,
Kamerstukken II 2007-2008, 29 538, nr. 58.
2. Sociaal overwogen aanbesteden, gereedschapskist op www.invoeringwmo.nl.
3. SCP,
Eerste tussenrapportage evaluatie Wmo, augustus 2008, te raadplegen via
www.scp.nl.
Maar
ook als gemeenten aangeven vooral te
kijken naar de kwaliteit is het nog de
vraag welke kwaliteitscriteria worden
gehanteerd. Uit het onderzoek rblz.|4|
van
PricewaterhouseCoopers in opdracht van
het ministerie van VWS blijkt dat dit
heel verschillend is en dat slechts een
beperkt aantal gemeenten opleidingseisen
stellen aan Huishoudelijk Helpende 1
oftewel HH1.¹ Ook al laten gemeenten
kwaliteitscriteria zwaar tellen,
instellingen zullen geneigd blijven te
laag in te schrijven om een marktaandeel
te veroveren. Een nieuwe ontwikkeling is
dat er thuiszorginstellingen zijn die
niet meer inschrijven omdat de
huishoudelijke zorg onrendabel is
geworden. Meerdere thuiszorgorganisaties
brengen de huishoudelijke zorg onder in
BV’s en gaan joint ventures aan met
schoonmaakbedrijven.
1. PricewaterhouseCoopers,
Transparantie in de kostenstructuur van hulp bij het huishouden, 9
december 2008.
Uit
deze gang van zaken kan worden afgeleid
dat ten minste op het gebied van
huishoudelijke verzorging sprake is van
marktfalen. Zonder overheidsingrijpen
komt er vanuit de markt geen bevredigend
aanbod van huishoudelijke verzorging die
voldoet aan de vanuit algemeen belang
gewenste beschikbaarheid,
toegankelijkheid en kwaliteit. Naar het
oordeel van de indiener kan dit
marktfalen worden bestreden door in de Wmo
expliciet duidelijk te maken dat gemeenten ook wat betreft de
huishoudelijke verzorging geen
aanbestedingsverplichting hebben en dat
zij op dit punt dus ook subsidierelaties
kunnen aangaan.
Zorgplicht
Daarnaast
is het belangrijk expliciet in de Wmo
vast te leggen dat de gemeenten
voortdurend verantwoordelijk zijn voor
de kwaliteit en de continuïteit van de
maatschappelijke ondersteuning, waarbij
zij die kwaliteit en continuïteit ook
dienen te waarborgen bij het laten
verrichten van maatschappelijke
ondersteuning door derden. Dit wordt
door het wetsvoorstel bewerkstelligd
door een nieuw artikel
9a van de Wmo in
te voegen. Indien blijkt dat gemeenten
in gebreke blijven wat betreft de
kwaliteit en continuïteit van de
maatschappelijke ondersteuning, moeten er
landelijke kwaliteitsregels worden
gesteld. Het wetsvoorstel voorziet
derhalve tevens in de mogelijkheid om
kwaliteitseisen voor de maatschappelijke
ondersteuning op landelijk niveau vast
te stellen.
Het
uitbesteden
Indien
maatschappelijke ondersteuning van
derden wordt betrokken, kan dat via een
subsidierelatie of een inkooprelatie.
Bij veel welzijnsdiensten is er sprake
van een subsidierelatie. In geval van
een inkooprelatie zou dat onder de
Europese aanbestedingsrichtlijn
2004/18/EG kunnen vallen, die in
Nederland is omgezet in het Besluit
aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (BAO). Voor
huishoudelijke verzorging zou
aanbesteding volgens de regering op
basis van de BAO aanbesteden verplicht
zijn.¹
De
indiener weerspreekt dat. Dit komt voort
uit de opvatting dat huishoudelijke
verzorging niet kan worden gereduceerd
tot schoonmaakwerkzaamheden. De
onderliggende marktanalyse waaruit de
regering concludeert dat er sprake is
van een aanbestedingsverplichting is
volgens de indiener dan ook onjuist.
Echter omdat de regering deze
verplichting weliswaar niet in de
wet,
maar wel bij de behandeling van het
wetsvoorstel heeft uitgesproken,² meent
de indiener dat er noodzaak bestaat om
de vermeende verplichting in de
onderhavige memorie te weerspreken,
alsmede expliciet in de wet te vermelden
dat het gemeenten vrijstaat om het
laten verrichten van huishoudelijke
verzorging door derden vorm te geven in
de contractsvorm die zij passend achten
en dat aanbesteding daarbij niet
verplicht is (het voorgestelde artikel
10, derde lid, Wmo).
1. Zie Handelingen II
2005-2006, 30 131, nr. 45; Handelingen I 2005-2006, 30 131, nr. 34.
2. Zie Handelingen II 2005-2006, 30 131, nr. 45; Handelingen I
2005-2006, 30 131, nr. 34.
rblz.|5|
C.
Aanbesteden
huishoudelijke verzorging en Europees
recht
De
huishoudelijke verzorging vormt geen
normale economische activiteit. Uit de
wetsbehandeling kan worden afgeleid dat
het gaat om een activiteit of dienst die
door de wetgever wordt bestempeld als
zijnde van algemeen belang. Als Europese
lidstaat is Nederland niet geheel vrij
in de manier waarop zij deze dienst
organiseert. Bij dat laatste moet
rekening worden gehouden met de
mededingings- en staatssteunregels die
zijn bedoeld om te voorkomen dat
overheden oneerlijke concurrentie
veroorzaken.
In
de praktijk bestaat veel
rechtsonzekerheid bij overheden over
welke regels van toepassing zijn wanneer
zij bezig zijn met de organisatie van
diensten van algemeen belang. Helaas
wordt daarbij vaak pas achteraf door
uitspraken van het Europees Hof van
Justitie bevestigt dat de nationale
organisatie van een dienst van algemeen
belang voldoet aan het Europees recht.
Vooral als ervoor gekozen wordt de
dienst te organiseren als economische
activiteit, bestaat daarom begrijpelijk
de reflex om voor de zekerheid te
voldoen aan alle regels die mogelijk van
toepassing zijn. Volgens de indiener is
dit in het Wmo-dossier ook waar te
nemen, met name rond de vormgeving van
de huishoudelijke verzorging. Enerzijds
bij de uitleg van de regering bij de
parlementaire behandeling van de Wmo
over de aanbestedingverplichting van de
huishoudelijke verzorging. Anderzijds
was dit waar te nemen bij diverse gemeenten die bij de aanbesteding van de
huishoudelijke verzorging de volledige
procedure volgden, terwijl kon worden
volstaan met de beperkte procedure voor
zogenaamde IIB-diensten [de diensten,
genoemd in bijlage 2, onderdeel B, bij het Besluit
aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten, red.] en de minister
er tijdens de behandeling van de Wmo in
de Eerste Kamer op had gewezen dat het
voor de hand lag voor huishoudelijke
verzorging de beperkte procedure te
volgen.¹
Huishoudelijke
verzorging kan evenwel worden bestempeld
als zijnde een activiteit waarop de
marktwerking niet onbeteugeld zijn gang
kan gaan en waarbij sprake is van een
dienst van algemeen economisch belang.
Dit dwingt gemeenten tot marktingrijpen
wanneer de kwaliteit, toegankelijkheid
en betaalbaarheid in het geding is en
waarbij de normale mededingings- en
staatssteunregels niet van toepassing
zijn. Artikel 86, tweede lid, van het
EG-verdrag stelt daarom ook dat
ondernemingen die zijn belast met het
beheer van diensten van algemeen
economisch belang alleen vallen onder de
regels van het EG-verdrag (met name de
mededingingsregels) voor zover de
toepassing daarvan de vervulling van de
hun toevertrouwde bijzondere taak niet
verhindert.
Gemeenten
zullen zich dus moeten buigen over de
vraag hoe zij gepast kunnen ingrijpen om
zaken als beschikbaarheid,
toegankelijkheid, kwaliteit en
betaalbaarheid van de huishoudelijke
verzorging te garanderen, waarbij
risicomijdend gedrag niet past bij de
publieke verantwoordelijkheid om tot een
goede kwaliteit van de zorg te komen.
1. Zie Handelingen I
2005-2006, 30 131, nr. 34.
Naar
het oordeel van de indiener is
aanbesteding van huishoudelijke
verzorging dus niet verplicht, terwijl
hierover veel discussie bestaat. De
indiener acht het daarom noodzakelijk
een expliciete wettelijke voorziening op
te nemen waaruit blijkt dat geen
aanbestedingsverplichting bestaat.
Hiertoe is derhalve via het voorgenoemde
artikel 10, derde lid, van de Wmo
een
voorziening opgenomen.
De
indiener is daarbij van mening dat gemeenten ook bij die voorziene
wetswijziging nog steeds de volgende
mogelijkheden ten dienste staan om de
huishoudelijke verzorging kwalitatief
hoogwaardig en in overeenstemming met
het Europees recht te organiseren.
De
eerste mogelijkheid is aanbesteding,
waarbij overeenkomsten onder bezwarende
titel worden gesloten. Dit blijft dus
ook bij dit wetsvoorstel mogelijk.
Hierbij kan gekozen worden voor Europese
aanbesteding, maar dat is geen
verplichting. Volgens de indiener
bestaat de huishoudelijke verzorging
immers vooral uit ondersteuningsactiviteiten en in mindere
mate uit schoonmaakactiviteiten. Ook
volgens de regering kan deze rblz.|6|
maatschappelijke dienst derhalve
geschaard worden onder de zogenaamde
IIB-categorie, waar maar een beperkt
aantal bepalingen van de
aanbestedingsrichtlijn op van toepassing
zijn.¹ Deze artikelen betreffen non-discriminatoir specificeren van het in
te kopen product of dienst en het
achteraf op Europees niveau publiceren
wie men heeft gecontracteerd. Bij
aanbesteding moet men niet alleen
rekening houden met de
aanbestedingsrichtlijn, maar ook met
algemene bepalingen van het EG-verdrag
die verbieden dat de interne markt wordt
gehinderd. Ook al valt een dienst onder
de IIB-categorie, kan er toch sprake
zijn van een grensoverschrijdend belang
wanneer de opdracht ook interessant kan
zijn voor aanbieders van de dienst uit
andere landen. Echter de praktijk heeft
uitgewezen dat dit voor huishoudelijke
hulp niet het geval is. Taal speelt hier
ongetwijfeld een rol.² De variant
volgens het zogenaamde Zeeuwse model,
waarbij nadrukkelijk niet op prijs maar
op kwaliteit wordt geselecteerd,
verdient bij de uitvoering sterk de
voorkeur.
Een
tweede mogelijkheid vormt het aangaan
van een subsidierelatie met alle
dienstverleners die voldoen aan de
gestelde kwaliteitseisen. Daarbij moet
wel, in lijn met de
vrijstellingsbeschikking en de criteria
van het Altmark-arrest van het Europees
Hof van Justitie, de aard van de dienst
precies worden omgeschreven en
vastgelegd.³ Een gemeentelijke
verordening zou voor dit doel een
geschikt middel zijn. Daarnaast mag de
hoogte van de subsidie niet hoger zijn
dan strikt noodzakelijk is voor het
leveren van de huishoudelijke
verzorging. Zeker als de onderneming die
belast is met deze dienst daarnaast
andere economische activiteiten
uitvoert, moet worden opgepast dat geen
geld voor de huishoudelijke verzorging
naar andere activiteiten vloeit.
Een
derde optie is het zogenaamde inbesteden,
waarbij de gemeente ervoor kiest om zelf
de dienst te verzorgen. Dit betekent dat
de huishoudelijke zorg niet meer als
economische dienst wordt georganiseerd,
waardoor de onderneming(en) die de
diensten leveren in totaliteit niet meer
zou(den) hoeven voldoen aan staatssteun-
en mededingingsregels. Maar ook hier
moet rekening worden gehouden met de
Europese jurisprudentie wil er toch geen
sprake zijn van economische activiteit
met als gevolg het schenden van het
Europese recht.
1. Zie handelingen I
2005-2006, 30 131, nr. 34.
2. Zorgvisie. Huishoudelijke hulp hoeft niet aanbesteed, 19 februari
2009. Zie ook link hier naar artikel Tim Robbe: Europese Hof over
aanbesteding.
3. HvJ, 24 juli 2003, C280/00 (Altmark).
Voor gemeenten blijven dus verschillende
mogelijkheden bestaan om de
(opdrachtverlening voor) huishoudelijke
verzorging vorm te geven. Dit zal dus
als gevolg hebben dat er verschillen
tussen aangrenzende regio’s gaan
bestaan in de manier waarop
huishoudelijke verzorging is geregeld.
Maar het feit dat in de ene regio de
huishoudelijke verzorging zal zijn
toevertrouwd aan private ondernemingen
en de markt deels zal zijn opengesteld
aan concurrentie waar dat in een andere
regio niet het geval is, hoeft volgens
jurisprudentie niet tot verzet te leiden
vanuit het Europees recht.¹
1.
Hof Arnhem
15 februari 2000, rolnr. KG 95/403, gemeenten
Arnhem en Rheden
tegen BFI Holding, Arnhem/Rheden/BFI
Holding BV (LJN AA4837).
D.
Financiële
gevolgen
De
regering heeft een wetswijziging
ingediend om de ongewenste verschuiving
naar alfahulp aan te pakken. De regering
meent dat de €|200 miljoen van de
€|228
miljoen die de gemeenten naar schatting
in 2007 in totaal overhielden voldoende
zijn om de financiële consequenties van
deze kwaliteitseisen op te vangen; €|30
miljoen is wel gekort. Inmiddels raamt
het SCP het totale overschot op €|149
miljoen.¹ Dit overschot kan worden
ingezet voor de mogelijke kosten van dit
wetsvoorstel, immers de kwaliteitseisen,
selectie op kwaliteit in plaats van op
prijs en mogelijk daarmee gepaard gaande
hogere tarieven zullen deels
samenvallen.
Door
de grotere nadruk op kwaliteit kan een
zekere kostenstijging ontstaan. Het SCP
zal moeten vaststellen of het totale
budget toereikend zal zijn. Het SCP
geeft bindend advies over de
vaststelling van het rblz.|7|
macrobudget
huishoudelijke hulp op basis van de
realisatie in het voorgaande jaar.
Daarnaast brengt het SCP jaarlijks
advies uit of het aldus berekende budget
voor huishoudelijke [lees:
huishoudelijke verzorging, red.] passend is. Het SCP
zal hierbij rekening houden met
specifieke omstandigheden,
maatschappelijke ontwikkelingen,
aanloopfactoren en de gevolgen van het
compensatiebeginsel en de jurisprudentie
daarover.
1.
SCP, Definitief advies over het
Wmo-budget huishoudelijke hulp voor
2009.
Artikelsgewijs
Artikel
I, onderdeel A
Dit
onderdeel voegt een nieuw artikel
9a toe
aan de Wmo.
Door
het eerste lid van het artikel dient het
college van burgemeester en wethouders
er in zijn besluitvorming voortdurend
voor te waken dat de kwaliteit en de
continuïteit van de maatschappelijke
ondersteuning voldoende gewaarborgd
blijft en dat de ondersteunden niet
steeds met nieuw personeel en nieuwe
werkwijzen worden geconfronteerd. Het
voorgestelde tweede lid van artikel 9a
biedt daarbij een extra waarborg. Op
basis van dit lid dient het college van
burgemeester en wethouders namelijk ook
bij het uitbesteden van maatschappelijke
ondersteuning aan derden de kwaliteit en
de continuïteit van de maatschappelijke
ondersteuning te waarborgen. Het
waarborgen van de kwaliteit betekent dat
bijvoorbeeld bij het uitbesteden van
maatschappelijke ondersteuning het
kwaliteitsniveau van die ondersteuning
voldoende juridisch wordt verankerd. Bij
huishoudelijke verzorging kan daarbij
worden gedacht aan het maken van
duidelijke, afdwingbare afspraken over
de kennis en vaardigheden die zijn
vereist voor het verrichten van de
huishoudelijke verzorging. Inmiddels is
er een kwaliteitsdocument hulp bij het
huishouden, dat gemeenten in dit kader
als richtlijn kan dienen.¹ Bij het
waarborgen van de continuïteit kan
worden gedacht aan het behouden van
ervaren krachten met wie de
ondersteunden vertrouwd zijn.
In
het derde lid is een voorziening
opgenomen voor het geval dat (een
aanzienlijk deel van de) gemeenten in
gebreke blijven wat betreft de kwaliteit
en continuïteit van de ondersteuning.
In dat geval kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere
regels worden gesteld ter regulering van
de zorgplicht uit het eerste lid en de
waarborgplicht uit het tweede lid.
1. Staatssecretaris
van VWS, brief (tussenrapportage) aan de Tweede Kamer, Kamerstukken
II 2007-2008, 11 december 2008, 29 538, nr. 91.
Artikel
I, onderdeel B
Met
name bij huishoudelijke verzorging
bestaat veel onduidelijkheid over de
eventuele verplichting tot aanbesteding.
De indiener acht het derhalve van belang
dat duidelijk uit de wet blijkt dat die
verplichting niet bestaat. Dit
artikelonderdeel voegt derhalve een
nieuw derde lid toe aan artikel 10
Wmo.
Uit de eerste volzin van dit lid blijkt
dat de eerste twee leden van artikel 10
niet van toepassing zijn op het verlenen
van huishoudelijke verzorging. Het
college van burgemeester en wethouders
is hierdoor niet langer verplicht de
huishoudelijke verzorging zoveel
mogelijk uit te besteden aan derden. De
tweede volzin geeft aan dat, indien het
college er niettemin voor kiest het
verlenen van huishoudelijke verzorging
door derden te laten verrichten, hij
vrij is de contractsrelatie met die
derden te modelleren in de vorm die hij
gepast acht. Uit de derde volzin blijkt
dat aanbesteding daarbij niet verplicht
is.
rblz.|8|
Artikel
II
Dit
artikel biedt een samenloopregeling in
verband met het voornoemde wetsvoorstel
rondom basistarieven voor de
huishoudelijke verzorging.¹ Ten gevolge
van deze bepaling komt het artikel
21b Wmo van dat voorstel te vervallen indien
dit wetsvoorstel wordt aangenomen, omdat
(vanuit de bredere opzet van dit
voorstel) een meeromvattende regeling in
artikel 9a wordt geboden.
1. Kamerstukken
II 20072008, 31 347, nrs. 1 e.v.
Kant
|
|