|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 284
Wijziging
van de Wet financiering sociale verzekeringen
in verband met bonussen voor werkgevers voor het in dienst nemen en in
dienst houden van oudere werknemers en arbeidsgehandicapte werknemers
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Aanleiding |
| 2 |
Verantwoording gemaakte keuzes |
| 2.1 |
Doorwerken |
| 2.2 |
Mobiliteit |
| 2.3 |
Mobiliteitsbonus oudere
uitkeringsontvangers: hoge langdurige
werkloosheid |
| 2.4 |
Mobiliteitsbonus arbeidsgehandicapten |
| 3 |
Financiële gevolgen |
| 4 |
Commentaren uitvoeringsinstanties |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I en II |
Algemeen
1.
Aanleiding
Nederland
vergrijst en ontgroent. Hierdoor zal de beroepsbevolking gaan krimpen.
De afname van het aantal schoolverlaters en herintreders en de
vergrijzing van de beroepsbevolking zorgen ervoor dat het aantal
werkenden substantieel afneemt en dat het voor werkgevers moeilijker
wordt om aan personeel te komen (zie figuur 1).
De
krimp van de beroepsbevolking en de
veroudering van het werknemersbestand
dwingt ons tot een nieuwe kijk op de
arbeidsmarkt. De uitdaging voor de
toekomst is helder: mensen zullen meer,
langer en productiever moeten werken.
Bovendien dient het aanpassingsvermogen
van de arbeidsmarkt te worden versterkt.
Figuur
1. Ontwikkeling potentiële
beroepsbevolking Nederland (CBS [Centraal
bureau voor de statistiek, red.]):

Binnen het Vitaliteitspakket ¹ heeft
het kabinet verschillende maatregelen rblz.|2|
uitgewerkt die gericht zijn op het
verhogen van de arbeidsparticipatie van
oudere werknemers en het vergroten van
de duurzame inzetbaarheid van werkenden.
Het vitaliteitspakket was een onderdeel
van het Pensioenakkoord 2011. De
toestand van de overheidsfinanciën is
sinds het sluiten van het akkoord echter
sterk verslechterd. Dit heeft
onvermijdelijk ook consequenties voor
het tempo waarin maatregelen moeten
worden genomen. Tegen de achtergrond van
de sterk verslechterde toestand van de
overheidsfinanciën zijn in het
Begrotingsakkoord al op zeer korte
termijn verstrekkende maatregelen
aangekondigd. Zo verhoogt het kabinet de
AOW-leeftijd al geleidelijk vanaf 2013.
Bovendien is een gecombineerde
hervorming van WW en ontslagrecht
voorzien voor 2014.
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 29 544, nr.
329.
Deze maatregelen zullen de dynamiek op
de arbeidsmarkt van ouderen een nieuwe
impuls geven, waarmee ook de inzet van
middelen binnen het Vitaliteitspakket is
heroverwogen. Het oorspronkelijke Vitaliteitspakket was vormgegeven langs
drie lijnen: doorwerken, mobiliteit en
loopbaanfaciliteiten. In het
Begrotingsakkoord is besloten de
middelen voor doorwerken (zowel
werkbonus werknemers als werkbonus
werkgevers) te laten vervallen en de
middelen voor mobiliteit taakstellend te
bevriezen. Er is voor gekozen deze
taakstelling in te vullen door het
budget voor mobiliteit zoveel mogelijk
te richten op groepen met de grootste
afstand tot de arbeidsmarkt
(uitkeringsgerechtigden en
arbeidsgehandicapten). De nieuwe
mobiliteitsbonus voor oudere werknemers
(55+) zal niet worden ingevoerd. De
totale opbrengst van deze maatregelen
bedraagt €|815 miljoen in 2013. De
structurele opbrengst bedraagt €|1,6
miljard. Dit wetsvoorstel is de
uitwerking van deze afspraken voor wat
betreft de onderdelen mobiliteit en de
werkbonus werkgevers. Het afschaffen van
de werkbonussen voor werknemers wordt
geregeld in de uitwerking fiscale
maatregelen Begrotingsakkoord. De
loopbaanfaciliteiten vallen buiten het
bestek van dit wetsvoorstel.
De
maatregelen in dit wetsvoorstel dragen
eraan bij dat meer mensen gaan meedoen
op de arbeidsmarkt. Iedereen is nodig,
ook de kwetsbare groepen. Met de
maatregelen in dit wetsvoorstel wil het
kabinet werkgevers stimuleren om meer
oudere uitkeringsontvangers en
arbeidsgehandicapten aan te nemen. Het
kabinet gaat daartoe bonussen
beschikbaar stellen aan werkgevers die
deze mensen aannemen. De huidige
bedragen worden substantieel verhoogd
naar €|7000,- per jaar, gedurende
maximaal drie jaar,¹ voor elke werknemer
uit deze kwetsbare groep die wordt
aangenomen. De beleidsinzet wordt
hiermee verschoven van het in dienst
houden naar het in dienst nemen van
werkzoekenden met de meeste afstand tot
de arbeidsmarkt. Zo worden middelen meer
gericht op het vergroten van het
arbeidsvraag en het verminderen van de
uitkeringslasten.
1. Tijdens
de parlementaire behandeling van het
wetsvoorstel is de beperking in duur van de bonus
geschrapt, red.
2.
Verantwoording gemaakte keuzes
2.1.
Doorwerken
De
gemiddelde uittreedleeftijd is de
afgelopen jaren gestegen van 61 jaar in
2006 tot 63 jaar 2011, mede als gevolg
van de wetswijzigingen en regelgeving
gericht op inperking van vervroegd
pensioen.
Het
uitstellen van de pensioendatum vertaalt
zich ook in een hogere nettoarbeidsparticipatie van 50- tot
65-jarigen. Figuur 2 toont die ontwikkeling
voor de drie vijfjaarscohorten
afzonderlijk. De participatiegraad van
55- tot 60-jarigen steeg met 12
procentpunt naar 68,2. De
participatiegraad onder 60- tot 65-jarigen steeg met 15 procentpunt naar
36. De versnelde verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013 zal deze trend
op korte termijn verder versterken.
Hierdoor verdwijnt de noodzaak om langer
doorwerken verder te stimuleren via
werkbonussen (welke waren voorzien voor rblz.|3|
oudere werknemers vanaf 61 jaar). Het
afschaffen van de werkbonussen voor
werknemers wordt geregeld in de
uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord. De werkbonus
werkgevers, de voormalige premiekorting
voor het in dienst houden van 62+,
vervalt als gevolg van dit
wetsvoorstel.
Figuur
2. Ontwikkeling arbeidsparticipatie
ouderen:

2.2.
Mobiliteit
De
Nederlandse arbeidsmarkt kent
internationaal bezien een lage
werkloosheid en een hoge
arbeidsparticipatie. Qua
arbeidsmobiliteit schiet de Nederlandse
arbeidsmarkt echter tekort, zeker voor
oudere werknemers. Dit heeft onder
andere te maken met de hoge
ontslagbescherming van vaste contracten.
De in het Begrotingsakkoord afgesproken
gecombineerde hervorming van WW
en
ontslag zal een positieve bijdrage
leveren aan de arbeidsmobiliteit van
ouderen, mede vanwege de activerende
inzet van de ontslagvergoeding voor
scholing en toeleiding naar een andere
baan, gericht op het snel vinden van
nieuw werk. Daarmee worden belangrijke
oorzaken van de beperkte
arbeidsmobiliteit van ouderen aangepakt.
De
afspraken in het Begrotingsakkoord
leiden tot andere keuzes wat betreft de
inzet van financiële prikkels voor
mobiliteit. Het budget voor mobiliteit
wordt zoveel mogelijk gericht op groepen
met de grootste afstand tot de
arbeidsmarkt. De nieuwe mobiliteitsbonus
voor oudere werknemers (55+) zal niet
worden ingevoerd.
Wanneer
een uitkeringsgerechtigde aan het werk
gaat, heeft dit sterkere positieve
externe effecten dan wanneer een oudere
werknemer van baan wisselt. Ten opzichte
van de andere mobiliteitsbonussen zou
deze bonus relatief ongericht zijn en de
effectiviteit daarmee beperkt.
2.3.
Mobiliteitsbonus oudere
uitkeringsontvangers: hoge langdurige
werkloosheid
Als
ouderen eenmaal werkloos worden, vinden
zij moeilijk werk (zie figuur
3). De
werkloosheidsduur voor ouderen in
Nederland is één van de langste binnen
de OESO [Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling, red.]. Opvallend is dat de
uitstroomkansen van ouderen na het 50ste jaar sterk verslechteren.
Uitstroomkansen van ouderen uit de WW
worden mede verslechterd doordat ze
vaker laagopgeleid zijn en vaker vanuit
ziekte of arbeidsongeschiktheid de WW in
stromen.
rblz.|4|
Financiële
prikkels kunnen de oorzaken van deze
lage mobiliteit niet wegnemen, maar
slechts verzachten. Daarom ondersteunt
het kabinet de aanbevelingen van de
Stichting van de Arbeid op het terrein
van arbeidskosten en productiviteit ook
van harte. CAO-partijen worden
opgeroepen om bestaande generieke
ontziemaatregelen af te bouwen en het
loongebouw tegen het licht te houden.
Hiermee worden ook de onderliggende
oorzaken aangepakt.
Voor
werkgevers en oudere werknemers is het
momenteel financieel aantrekkelijk om
ouderen in dienst te houden. Het kabinet
is van mening dat de focus verschoven
moet worden naar het bevorderen van het
in dienst nemen van oudere
uitkeringsontvangers en
arbeidsgehandicapten. De
baanperspectieven voor oudere
uitkeringsgerechtigden zijn in het
algemeen niet gunstig. Het kabinet acht
specifiek beleid hiervoor gewenst en
verhoogt de huidige premiekorting voor
het in dienst nemen van
uitkeringsgerechtigden ouder dan 50 jaar
[lees: van 50 jaar of ouder, red.]
van €|6500,- naar
€|7000,-. Daarnaast
worden de bedragen van bestaande
regelingen voor oudere
uitkeringsontvangers en
arbeidsgehandicapten geharmoniseerd qua
hoogte van de bedragen. Hierdoor
verbeteren de kansen voor outsiders op
de arbeidsmarkt.
Figuur 3. Uitstroomkans uit
WW naar baan op
enig moment binnen twaalf maanden:

2.4.
Mobiliteitsbonus arbeidsgehandicapten
Mensen
met een arbeidsbeperking hebben veelal
een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
De arbeidsdeelname van mensen met een
arbeidsbeperking blijft achter bij
gewone werknemers.¹ Daarom voorziet het
wetsvoorstel tevens in vergroting van
het financieel voordeel voor werkgevers
die mensen met een arbeidsbeperking in
dienst nemen. De werkgever kan hierdoor
in aanmerking komen voor een
premiekorting van €|3500,- per jaar
voor een jonggehandicapte werknemer die
met loondispensatie gaan werken en een
premiekorting van €|7000,- per jaar
voor mensen met een arbeidsbeperking die
gaan werken en ten minste het minimumloon
verdienen. Deze premiekorting geldt
gedurende maximaal drie jaar.
1.
De nettoarbeidsparticipatie van mensen
met een arbeidsbeperking bedraagt 42,8%
tegenover 67,4% voor mensen zonder
arbeidsbeperking (bron CBS [Centraal
bureau voor de statistiek, red.]).
Met deze bonus wordt het voor werkgevers
aantrekkelijker gemaakt om mensen met
arbeidsbeperkingen in dienst te nemen.
Het financiële voordeel ligt immers
hoger dan het bedrag dat nu aan
premiekorting kan worden toegepast.
Thans ligt dit bedrag op €|2042,-
per jaar. Voor mensen met een Wajong-uitkering komt daar thans €|1360,- per jaar
rblz.|5|
bovenop. De huidige
doelgroep wordt niet gewijzigd. Het
betreft mensen met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering (Wet
WIA/WAO/Wet
Wajong), of 35-minners in het
kader van de Wet WIA, die nog kunnen werken.
Daarnaast gaat het om personen uit de
gemeentelijke doelgroep die naar het
oordeel van het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.]
structureel functionele
beperkingen hebben. Voor
jonggehandicapte werknemers die in
aanmerking komen voor loondispensatie is
de premiekorting lager. Hiermee wordt
rekening gehouden met het feit dat
werkgevers voor deze mensen reeds lagere
loonkosten hebben en het voorkomt
stapeling van financiële stimulansen
aan werkgevers.
Het wetsvoorstel stemt verder de hoogte
van de bonus voor mensen met een
arbeidsbeperking af op de gewerkte
arbeidstijd.¹ Zo wordt aangesloten bij
de systematiek voor ouderen. De eenvoud
en inzichtelijkheid voor werkgevers
wordt hiermee gediend. De voorgestelde
regeling van vaststelling is voorts
geheel in lijn met de die van de
mobiliteitsbonussen voor oudere
werknemers. Hiermee wordt de systematiek
van de premiekortingen voor werkgevers
gestroomlijnd en vereenvoudigd.
1.
In de huidige premiekorting voor mensen
met een arbeidsbeperking geldt nu nog
een lagere korting ingeval iemand minder
dan 50% van het minimumloon
verdient.
Om te voorkomen dat werkgevers worden
overgecompenseerd bij het in dienst
nemen van een oudere
uitkeringsgerechtigde, voor wie recht
bestaat op de bonus oudere werknemer, en
die bovendien valt onder de voorwaarden
van de bonus arbeidsgehandicapten, wordt
samenloop uitgesloten. Indien er recht
bestaat op de bonus
arbeidsgehandicapten, is het derhalve
niet tegelijkertijd mogelijk een
premiekorting oudere
uitkeringsgerechtigde toe te passen.
3.
Financiële gevolgen
Financiële
effecten mobiliteitsbonussen
De
financiële effecten van dit
wetsvoorstel zijn in drie onderdelen op
te splitsen:
1.
Verhoging van de huidige premiekorting
voor het in dienst nemen van
uitkeringsgerechtigden ouder dan 50 jaar
[lees: van 50 jaar of ouder, red.]
van €|6500,-
naar €|7000,-.
2.
Verhoging van de huidige premiekorting
voor het in dienst nemen van mensen met
een arbeidsbeperking. De premiekorting
voor het in dienst nemen van
arbeidsgehandicapten die ten minste het minimumloon
gaan verdienen, gaat van €|2042,- naar €|7000,-. Voor het in dienst
nemen van arbeidsgehandicapten die met
loondispensatie gaan werken, bedraagt de
premiekorting €|3500,-.
3.
De huidige premiekorting voor het in
dienst hebben van 62-plussers vervalt
en wordt niet vervangen door een
werkbonus werkgevers.
De
mobiliteitsbonussen worden net als de
premiekortingen vormgegeven als een
vermindering van de premieafdracht van
de werkgever (gedurende maximaal drie
jaar). De financiële effecten doen zich
daarmee voor aan de inkomstenkant van de
begroting. In onderstaande tabel zijn de
effecten weergegeven.
rblz.|6|
Tabel 1. Financiële effecten
mobiliteitsbonussen (bedragen in in €|miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
Struc-
tureel |
| Inkomstenkant
van de begroting: |
| 1.
Verhoging mobiliteitsbonus
uitkeringsgerechtigden 50+ |
–37xx |
–45xx |
–51xx |
–56xx |
–56xx |
–56xx |
| 2.
Verhoging mobiliteitsbonus
arbeidsgehandicapten |
–58xx |
–62xx |
–65xx |
–66xx |
–66xx |
–66xx |
| 3.
Afschaffen premiekorting 62+ |
688xx |
709xx |
734xx |
763xx |
789xx |
878xx |
| x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
| Saldo |
593xx |
602xx |
618xx |
641xx |
667xx |
756xx |
De herschikking
van het premiekortinginstrumentarium tot
de voorgestelde mobiliteitsbonussen
leidt tot een lastenverzwaring. Deze is
reeds meegenomen in de besluitvorming
van het Begrotingsakkoord.
Bij
de berekening van het structurele beslag
van de mobiliteitsbonussen is gerekend
met een gemiddeld aantal
mobiliteitsbonussen. Het daadwerkelijke
recht op de bonussen wordt in sterke
mate bepaald door conjuncturele
invloeden. Door uit te gaan van een
gemiddeld aantal is het structurele
beslag geschoond van deze conjuncturele
invloeden. Voor het beslag in de jaren
2013-2016 is wel rekening gehouden met
de conjunctuur. Aanname hierbij is dat
in 2016 het gemiddelde (structurele)
niveau bereikt wordt.
In
het Begrotingsakkoord is overeengekomen
dat het totale budgettaire beslag van de
mobiliteitsbonussen vastgezet wordt op
het niveau uit onderstaande tabel [bedragen
in €|miljoen, red.]. Op
basis van realisaties van de afgelopen
jaren met betrekking tot de
premiekortingen is de verwachting dat
dit budget afdoende is.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
Struc-
tureel |
| Maximumbudget
mobiliteitsbonussen |
693 |
694 |
665 |
655 |
655 |
655 |
Ten behoeve van
eventuele overschrijdingen geldt de
volgende procedure. In juli van enig
jaar wordt op basis van de eerste
tertaalrealisatie van dat jaar bezien of
reeds een derde van het jaarbudget is
overschreden. In maart van het volgende
jaar wordt op basis van de
jaarrealisaties van enig jaar bezien of
het jaarbudget is overschreden. Indien
op één van beide momenten sprake is van
een overschrijding, worden in de
eerstvolgende augustusbesluitvorming
beleidsmatige aanpassingen gedaan aan de
mobiliteitsbonussen met ingang van het
daaropvolgende jaar om het budgettaire
beslag te verlagen. Dit betreft een
maatregel waarbij de hoogte van de
mobiliteitsbonus wordt aangepast of een
maatregel waarmee de doelgroep beperkt
wordt. De overschrijding van het huidige
jaar dient daarbij te worden meegenomen.
Effect
op aantallen
Uitgaande
van de structurele situatie is naar
verwachting voor circa 115 000 fte’s
recht op de mobiliteitsbonus voor in
dienst genomen uitkeringsgerechtigden
ouder dan 50 jaar [lees: van 50 jaar of
ouder, red.]. Rekening houdend met
deeltijdbanen gaat het naar verwachting
om circa 140 000 personen. In de
structurele situatie is naar verwachting
voor ruim 18 000 fte’s (ruim 24 000
personen) recht op de mobiliteitsbonus
voor in dienst genomen
arbeidsgehandicapten. Het daadwerkelijke
recht op de mobiliteitsbonussen is sterk
afhankelijk van conjuncturele
schommelingen.
rblz.|7|
Uitvoeringskosten
De
mobiliteitsbonussen worden net als de
bestaande premiekortingen vormgegeven
als een vermindering van de totale
premieafdracht van de werkgever. Deze
premiekorting wordt door de werkgevers
zelf toegepast. De voorgestelde
aanpassingen leiden daarmee naar
verwachting niet tot extra
uitvoeringskosten voor de belastingdienst. De extra
uitvoeringskosten voor het UWV
als
gevolg van dit wetsvoorstel zijn beperkt
en worden door het UWV binnen het eigen
budget opgevangen.
Administratieve
lasten
De
gevolgen voor bedrijven qua
administratieve lasten zijn ten opzichte
van de huidige premiekortingsregeling
zeer beperkt. Net als bij de
premiekortingen is het de werkgever die
vermindering op de te betalen premies
werknemersverzekeringen toepast in de
loonaangifte.
Werkgevers
moeten, net als nu, kunnen aantonen dat
ze gerechtigd zijn voor toepassing van
de premiekorting. Hiervoor dienen ze in
het geval van uitkeringsgerechtigden een
doelgroepverklaring te bewaren in hun
administratie. Doordat de systematiek
van de mobiliteitsbonussen niet afwijkt
van de premiekortingen zijn de gevolgen
voor de administratieve lasten nihil. De
gevolgen voor de burger qua
administratieve lasten zijn nihil.
4.
Commentaren uitvoeringsinstanties
De belastingdienst
en het UWV
achten het
wetsvoorstel uitvoerbaar per 1 januari
2013.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de Wet financiering
sociale verzekeringen (Wfsv)
Onderdelen
B, L en
M
In artikel 47 van de
Wfsv is geregeld
wanneer de werkgever de premiekorting
oudere werknemers kan toepassen. In het
eerste lid betreft dit het in dienst
nemen van uitkeringsgerechtigden die 50
jaar of ouder zijn. Het eerste lid is
aangepast aan de inwerkingtreding van de
Wet uniformering
loonbegrip met ingang
van 1 januari 2013, waardoor in artikel 25
Wfsv niet meer wordt geregeld dat
premies door de werknemer verschuldigd
zijn, maar alleen door de werkgever. Een
verwijzing naar door de werknemers
verschuldigde premies kan daarmee
vervallen.
In
het derde lid was de premiekorting
geregeld voor het in dienst houden van
werknemers die de leeftijd van 62 jaar
hebben bereikt. Deze premiekorting komt
te vervallen.
Het
overgangsartikel in artikel
122b, eerste
lid, kan ook vervallen, omdat dit
betrekking heeft op de hoogte van de
premiekorting in artikel
47, derde lid, Wfsv. De andere bepalingen in dit
artikel zijn ook uitgewerkt, omdat ze
alleen betrekking hadden op het jaar
2009. Het artikel kan daarmee in zijn
geheel vervallen (onderdeel
L).
Artikel
122d Wfsv
regelt de ontwikkeling van de
premie Algemeen Werkloosheidsfonds na
het jaar 2014. Dit artikel is alleen in
verband met het vervallen van artikel
122b aangepast (onderdeel
M).
rblz.|8|
Onderdelen
C, D en
E
Artikel
48 Wfsv
regelt de hoogte van de bonus
oudere werknemers per jaar (onderdeel
C). Dit bedrag is verhoogd tot €|7000,-
per jaar. In artikel 50 is de hoogte van
de bonus arbeidsgehandicapte werknemer
geregeld. Deze premiekorting is verhoogd
naar €|7000,-
per jaar. Het lagere
bedrag van €|3500,- geldt voor de
werknemer die als jonggehandicapte met
toepassing van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
(Wet Wajong) naar de dienstbetrekking is
toegeleid door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV). Op grond
van artikel 2.20 van de
Wet Wajong
kan
het UWV bepalen dat gelet op de ziekte
of het gebrek van de jonggehandicapte
een beloning minder dan het wettelijk
minimumloon gerechtvaardigd is. Het UWV
verleent dan loondispensatie. Indien dat
het geval is en de werkgever dus een
lager loon betaalt, kan de werkgever een
premiekorting toepassen van €|3500,-
per jaar (onderdeel
E).
Omdat
de werkgever de premiekortingen toepast,
is het wenselijk dat de werkgever naar
de belastingdienst
kan aantonen dat de
werknemer aan de voorwaarden voldoet
indien die gegevens niet te verkrijgen
zijn van het UWV. Vandaar dat aan
artikel 49 Wfsv
een lid is toegevoegd
dat bepaalt dat bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat de
werkgever bepaalde gegevens bij de
loonadministratie bewaart, zoals de
beslissing met betrekking tot de
loondispensatie. Een dergelijk
voorschrift over documenten bij de
loonadministratie is al opgenomen in artikel
47,
vierde lid, Wfsv
voor de premiekorting
oudere werknemer (onderdeel
D).
Onderdelen
F en G
De
afdeling over de premiekortingen in de Wfsv
bevat een paragraaf 2 (met de
artikelen 50a tot en met 50c) met
algemene bepalingen voor zowel de
premiekorting oudere werknemer als
premiekorting arbeidsgehandicapte
werknemer.
Aan
artikel 50a is een lid
toegevoegd
waarin bepaald wordt dat de
premiekorting oudere werknemer niet kan
worden toegepast indien in verband met
de dienstbetrekking met dezelfde
werknemer al de premiekorting
arbeidsgehandicapte werknemer is
toegepast of kan worden toegepast. Dat
laatste is het geval indien de werknemer
die in dienst wordt genomen zowel
arbeidsgehandicapte is als oudere
werknemer die uit een
uitkeringssituatie naar werk wordt
toegeleid (onderdeel
F).
Het
nieuwe artikel
50b bevat alle bepalingen
op de vaststelling van het bedrag van de
premiekorting, die nu nog verspreid in
de artikelen 48 en
50 waren opgenomen
(onderdeel G).
Dit
betreft de premiekorting in geval van een
overeengekomen arbeidsduur van minder
dan 36 uur en in geval van een
dienstbetrekking zonder vaste
arbeidsduur (artikel
50b, eerste lid).
In het tweede lid wordt een nadere
invulling gegeven aan de vaststelling
bij een dienstbetrekking zonder vaste
arbeidsduur. Artikel
50c bevat al de
delegatiebepaling voor het stellen van
nadere regels voor deze berekening bij
ministeriële regeling. De wijziging
heeft vooral tot gevolg dat deze
bepalingen, die al golden voor de
premiekorting oudere werknemer, ook van
toepassing worden voor de premiekorting
arbeidsgehandicapte werknemer.
In
artikel 50b, derde lid, is de bestaande
inhoud van artikel
50b opgenomen,
waarbij wordt bepaald dat geen negatieve
premie kan worden vastgesteld bij
toepassing van de premiekorting.
Onderdelen
H tot en met K
In
de Wfsv
is geregeld dat de
premiekortingen (minder premieopbrengst)
ten laste worden gebracht van de fondsen
waarop de premie betrekking heeft. Dit
betreft het Algemeen Werkloosheidsfonds
(artikel
100), het rblz.|9|
Uitvoeringsfonds voor
de overheid (voor uitkeringen aan
overheidswerknemers, artikel
108), het
Algemeen arbeidsongeschiktheidsfonds (artikel
115) en de Werkhervattingskas
(lasten WGA-uitkeringen [werkhervattingsuitkering
gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld
in hoofdstuk
7 van de Wet
WIA, red.], artikel
117b).
Voorgesteld wordt de bedragen van de
premiekortingen alleen ten laste te
brengen van het
arbeidsongeschiktheidsfonds en daarbij
dus geen toerekening aan de
verschillende fondsen van toepassing te
laten zijn. Hierdoor wordt beter recht
gedaan aan het gelijke speelveld van de
hybride WGA-markt. De wijzigingen in
deze onderdelen hebben hierop
betrekking.
Artikel
II. Inwerkingtreding
Omdat
dit wetsvoorstel wordt bezien in
samenhang met andere wetsvoorstellen,
dient de datum van inwerkingtreding
daarop te worden afgestemd. Daarom wordt
deze bij koninklijk besluit vastgesteld
[zie Besluit van
12 juli 2012, Stb. 2012, 324, red].
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|