|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 290
Wijziging
van de
Algemene Ouderdomswet, de Wet
inkomstenbelasting 2001 en de Wet
op de loonbelasting 1964
in verband met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van
de levensverwachting van de pensioenleeftijd (Wet verhoging AOW- en
pensioenrichtleeftijd)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Noodzaak verhoging pensioenleeftijd |
| 3 |
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel |
| 3.1 |
Wijziging van de AOW |
| 3.2 |
Overgangsregeling |
| 3.3 |
Andere aspecten van verhoging van de
AOW-leeftijd |
| 3.4 |
Wijziging fiscaal kader
ouderdomsvoorzieningen |
| 4 |
Ontvangen commentaren |
| 4.1 |
Sociale
verzekeringsbank |
| 4.2 |
Inspectie Sociale Zaken en
Werkgelegenheid |
| 4.3 |
Belastingdienst |
| 5 |
Financiële gevolgen |
| 5.1 |
Verhoging AOW-leeftijd |
| 5.2 |
Aanpassingen fiscaal kader |
| 5.3 |
Houdbaarheidseffect |
| 5.4 |
Uitvoeringskosten |
| 5.5 |
Administratieve lasten en
nalevingskosten |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m VII |
rblz.|2|
Algemeen
1.
Inleiding
In
het Stabiliteitsprogramma Nederland 2012 ¹ is als onderdeel van de
aanvullende maatregelen, en in overeenstemming met de verplichtingen
krachtens het Europlus Pact, vastgelegd dat de pensioengerechtigde
leeftijd zal worden verhoogd. Een eerste stap wordt in 2013 gezet, door
de
AOW-leeftijd [AOW: Algemene
Ouderdomswet, red.] in dat jaar met één maand te verhogen. In de jaren
daarna zal de AOW-leeftijd - in stappen - verder worden verhoogd.
Dit leidt ertoe dat uiterlijk in 2019 de pensioengerechtigde leeftijd
van 66 wordt bereikt en uiterlijk in 2024 een leeftijd van 67. Daarna
wordt de AOW-leeftijd aan de levensverwachting gekoppeld. Er is
afgesproken dat een overgangsregeling de omvang van de inkomensgevolgen
kan beperken voor mensen die weinig mogelijkheden hebben om het verlies
te compenseren. In 2014 zal de pensioenleeftijd voor aanvullende
pensioenen worden verhoogd naar 67 jaar. Met deze maatregel wordt
uitsluitend de nieuwe opbouw geraakt. In aanvulling op de verhoging van
de richtleeftijd worden de fiscaal maximale opbouwpercentages voor het
aanvullend pensioen neerwaarts aangepast. Per saldo wordt structureel
€|700 miljoen bespaard op de fiscale faciliëring voor aanvullend
pensioen ("Witteveenkader").
1.
Kamerstukken II 2011-2012, 21 501-07,
nr. 910, blz. 7/8.
Het voorliggende wetsvoorstel voorziet
in de uitwerking van deze in het
Stabiliteitsprogramma Nederland 2012
gemaakte afspraken en leidt ertoe dat in
2013 de
AOW-leeftijd wordt verhoogd met
één maand naar 65 jaar en één maand.
In 2014 en 2015 wordt de AOW-leeftijd
jaarlijks eveneens met één maand
verhoogd, voor de periode 2016 tot en
met 2018 jaarlijks met twee maanden en
voor 2019 met drie maanden, zodat in
2019 de AOW-leeftijd 66 jaar is. In de
periode 2020 tot en met 2023 wordt
jaarlijks de AOW-leeftijd eveneens met
drie maanden verhoogd, zodat in 2023 de
AOW-leeftijd 67 jaar is. Voorts wordt
vanaf 2024 de AOW-leeftijd op gezette
tijden aangepast aan de stijging van de
gemiddelde resterende levensverwachting
in stappen van drie maanden per jaar.
Jaarlijks wordt bezien of de
ontwikkeling van de levensverwachting
aanleiding geeft om de AOW-leeftijd te
verhogen.
In
het Witteveenkader wordt de
pensioenrichtleeftijd in 2014 verhoogd
naar 67 jaar. Vervolgens wordt deze
pensioenrichtleeftijd net als de
AOW-leeftijd gekoppeld aan de
ontwikkeling van de levensverwachting.
Een verhoging van de
pensioenrichtleeftijd vindt, anders dan
bij de AOW-leeftijd, steeds plaats in
stappen van één jaar. Daarnaast worden
de maximumopbouwpercentages voor
middelloonregelingen en
eindloonregelingen aangepast en wordt
dienovereenkomstig de ruimte voor opbouw
op basis van het beschikbare premiestelsel
aangepast. Op pensioenaanspraken die tot
2014 zijn opgebouwd, blijft het huidige
Witteveenkader van toepassing. De
wijzigingen zien enkel op (toekomstige)
pensioenopbouw, zodat bestaande
aanspraken niet worden geraakt.
De
overige sociale verzekeringen en sociale
voorzieningen zullen doorlopen tot de
nieuwe
AOW-leeftijd. De in verband
daarmee noodzakelijke aanpassing van de
socialezekerheidswetten en ook de
vanwege dit wetsvoorstel benodigde
aanpassing van andere wetten zijn niet
in dit wetsvoorstel opgenomen. Die
wijzigingen zullen worden geregeld in
een algemene maatregel van bestuur op
basis van de in dit voorstel opgenomen
tijdelijke delegatiegrondslag (artikel
V). Na de plaatsing in het Staatsblad
van deze algemene maatregel van bestuur
zal een wetsvoorstel van gelijke
strekking zo spoedig mogelijk bij de
Staten-Generaal worden ingediend.
rblz.|3|
2.
Noodzaak verhoging pensioenleeftijd
Het
Nederlandse stelsel van voorzieningen,
sociale zekerheid en zorg is breed van
opzet en voorziet in investeringen in
menselijke ontplooiing, bescherming
tegen bestaansrisico’s, zorg en
bescherming tegen armoede,
arbeidsongeschiktheid en de lasten van
ouderdom. Dit stelsel is opgebouwd in
een periode van economische en
demografische groei. Zowel het grote
aantal betalenden als de groeiende
welvaart maakten de ontwikkeling van
steeds betere voorzieningen mogelijk.
Het stelsel berust op solidariteit
tussen verschillende groepen in de
samenleving: tussen werkenden en
niet-werkenden, tussen jongere
generaties en oudere, tussen wie
mogelijkheden heeft en wie beperkingen
kent.
De
betaalbaarheid van dit stelsel op lange
termijn komt steeds meer onder druk te
staan door maatschappelijke
ontwikkelingen zoals vergrijzing en
ontgroening. In de komende jaren
versterken de demografische gevolgen van
de naoorlogse geboortegolf en de forse
daling van de bevolkingsgroei sinds het
eind van de jaren zestig elkaar. Onder
invloed van ontgroening zal de
beroepsbevolking vanaf 2010 kleiner
worden, terwijl het aantal 65-plussers
naar verhouding snel toeneemt. Tegenover
één
AOW-gerechtigde stonden in 1957
nog ruim zes mensen in de leeftijd van
20 tot 64 jaar. Inmiddels is de
verhouding één op vier en op het
hoogtepunt van de vergrijzing zal de
verhouding bijna één op twee zijn. Dat
betekent dus dat de grijze druk - de
verhouding tussen 65-plussers en de
potentiële beroepsbevolking -
oploopt
tot 50%. Dit is drie keer zo hoog als in
de tijd dat de AOW werd ingevoerd.
Nationaal
en internationaal is Nederland gewezen
op de noodzaak tot een snelle verhoging
van de pensioenleeftijd. De
Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid [WRR, red.] wees al in 1999 in de
publicatie "Generatiebewust Beleid" op het
probleem van de houdbaarheid (1). Het
Centraal Planbureau (CPB) heeft dit
herhaald aangegeven in publicaties in
2000, 2006 en 2010, onder andere in
"Ageing
in the Netherlands" (2). Het IMF [Internationaal
Monetair Fonds, red.]
heeft in
2006, maar ook bij andere gelegenheden,
gepleit voor een verhoging van de
AOW-leeftijd in Nederland, omdat de
overheidsfinanciën anders niet langer
houdbaar zouden zijn (3). De
interdepartementale Studiegroep
begrotingsruimte gaf aan en onderbouwde,
eveneens in 2006, in zijn rapport "Vergrijzing en
houdbaarheid" dat door de
vergrijzing de kosten van de AOW en zorg
uit de hand lopen (4). De Europese
Commissie heeft in 2009 gewezen op de
houdbaarheidsproblemen die het gevolg
zijn van de vergrijzing en gepleit voor
een aanpassing van de AOW en heeft
Nederland in 2011 zelfs een formele
aanbeveling gegeven om de
pensioenleeftijd te verhogen (5).
(1).
WRR (1999), "Generatiebewust Beleid",
Sdu [Staatsdrukkerij en uitgeverij, red.],
Den Haag.
(2). A. van der Host et. al. (2010),
"Vergrijzing verdeeld: Toekomst van
de Nederlandse Overheidsfinanciën,"
CPB [Centraal Planbureau, red.],
Den Haag, nr. 86. C. van Ewijk et. al.
(2006), "Ageing and the
Sustainability of Dutch Public Finances",
CPB, Den Haag. C. van Ewijk et. al.
(2000), "Ageing in the Netherlands",
CPB, Den Haag.
(3). J. Kähkönen and M.T. Hadjimichael
(2006), "Kingdom of the Netherlands
Staff Report for the 2006 article IV
consultation", IMF, Washington D.C.
(4). Kamerstukken II 2005-2006, 30 300,
nr. 65.
(5). European Commission (2009),
"2009 Ageing Report: Economic and
budgetairy projections for the EU-27
Member States (2008-2060)",
European Economy 2, Office for Official
Publications of the European Communities,
Luxembourg. Council of the European
Union (2011). "Council
Recommendation July 12", (2011/C
212/04), Official Journal of the
European Union, Brussels.
Ook
in het op 10 juni 2011 bereikte Pensioenakkoord
¹ tussen het kabinet en
de sociale partners wordt de noodzaak en
de urgentie van een verhoging van de
AOW- en pensioenleeftijd onderkend. De
vergrijzing noopt tot een nieuwe kijk op
de arbeidsmarkt. De krimp van de
beroepsbevolking en de toename van het
aantal 65-plussers maken langer
doorwerken noodzakelijk. Alleen zo kan,
ook voor toekomstige generaties, het
draagvlak voor de AOW worden
veiliggesteld. De groei van het aantal
ouderen zorgt ervoor dat de kosten van
de AOW sterk zullen stijgen: van 4,9%
BBP [bruto binnenlands product, red.]
in 2010 naar 8,5 BBP in 2040. Dit
zet de houdbaarheid van de
overheidsfinanciën, die door de
economische crisis en de oplopende
begrotingstekorten reeds uit het lood
zijn geslagen, verder onder druk.
Daarnaast
stijgt de levensverwachting: elke
generatie leeft langer dan de vorige.
Sinds de invoering van de AOW in de
jaren vijftig zijn gepensioneerden vijf
jaar langer blijven leven, zonder dat de
AOW-leeftijd werd verhoogd. Tussen nu en
2040 zal de levensverwachting nog
verder toenemen. Mensen leven langer en
krijgen dus steeds langer AOW. Verhoging
van de AOW-leeftijd is dan ook redelijk.
Uit cijfers van het Centraal
bureau van
de statistiek (CBS) ² blijkt dat de
prognose voor de rblz.|4|
ontwikkeling van de
levensverwachting naar boven moet worden
bijgesteld ten opzichte van eerdere
ramingen uit 2008.
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 30 413, nr.
157.
2. Bevolkingsprognose 2010-2060:
sterkere vergrijzing, langere
levensduur, 17 december 2010, CBS.
Grafiek
1. Ontwikkeling resterende
levensverwachting bij 65 jaar:

De
toestand van de overheidsfinanciën is
in korte tijd sterk verslechterd. Als
gevolg van lagere inkomsten komt de
budgettaire positie van Nederland
slechter uit dan werd verwacht ten tijde
van het Regeerakkoord en ten tijde van
het Stabiliteitsprogramma van vorig
jaar. De Tweede Kamer heeft dan ook de
urgentie gevoeld om snel in te grijpen
en heeft op 26 april ingestemd met het
Stabiliteitsprogramma Nederland 2012. In
dit Stabiliteitsprogramma worden voor de
korte termijn verstrekkende maatregelen
aangekondigd. Naast
begrotingsmaatregelen zijn hierin ook
groeibevorderende maatregelen en
structurele hervormingen opgenomen. Een
deel van deze maatregelen betreft het
versneld verhogen van de
pensioenleeftijd. Dit raakt aan het
tussen kabinet en sociale partners
bereikte Pensioenakkoord en het voorstel
van Wet verhoging pensioenleeftijd,
extra verhoging
AOW en flexibilisering
ingangsdatum AOW ¹ dat hier de invulling
van is. Het Pensioenakkoord is tot stand
gekomen op een moment dat het kabinet en
sociale partners erop konden vertouwen
dat het pakket van €|18 miljard
ombuigingen in 2015 voldoende zou zijn
om de overheidsfinanciën weer op orde
te brengen en de economie uit de crisis
te laten komen. Het is echter inmiddels
duidelijk geworden dat de
overheidsfinanciën er veel slechter
voor staan dan verwacht en dat snel
extra maatregelen nodig zijn. De
problemen zijn omvangrijk en acuut,
zodat van iedereen een bijdrage mag
worden verwacht. En die bijdrage moet op
korte termijn worden gegeven. Wachten
tot 2020 met de noodzakelijke verhoging
van de pensioenleeftijd is, gezien de
staat van de Nederlandse
overheidsfinanciën, niet langer
mogelijk. In dit wetsvoorstel wordt dan
ook voorgesteld de verhoging van de
AOW-leeftijd sneller te laten
plaatsvinden dan in het Pensioenakkoord
en het voorstel van Wet verhoging
pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en
flexibilisering ingangsdatum AOW werd
voorgesteld. De regering wil benadrukken
dat de ontstane situatie niets verandert
aan de positieve grondhouding ten
aanzien van het overleg met sociale
partners en het zoeken van draagvlak. De
regering blijft dus een beroep doen op
de medeverantwoordelijkheid van de
sociale partners, juist ook in de
precaire economische situatie waarvan nu
sprake is.
1.
Kamerstukken II 2011-2012, 33 046, nrs.
1-3.
3.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
3.1.
Wijziging van de AOW
De
AOW is in de ruim 55 jaar dat deze
bestaat een voor burgers betrouwbare en
voorspelbare regeling geweest. De AOW
biedt een basisinkomen voor ouderen die
niet langer behoren tot de
beroepsbevolking. rblz.|5|
Het recht op AOW
blijft net als onder de huidige regeling
uitsluitend afhankelijk van het
ingezetenschap gedurende de
opbouwperiode of het in Nederland
werkzaam zijn gedurende de
opbouwperiode. De hoogte van het
AOW-pensioen bij het bereiken van de
AOW-gerechtigde leeftijd en de duur van
de opbouwperiode blijven ook
ongewijzigd. Wel zal de periode waarin
men AOW opbouwt automatisch meeschuiven
met de verhoging van de AOW-leeftijd.
Het karakter van de AOW als
volksverzekering wordt door dit
wetsvoorstel ongemoeid gelaten.
Al
een aantal jaren wordt er gedebatteerd
over verhoging van de
AOW-leeftijd.
Gezien de huidige schuldencrisis en de
nervositeit op de financiële markten
is het belangrijk om de AOW snel te
hervormen. Met het tempo en ritme van de
verhoging van de AOW-leeftijd zoals
voorgesteld in dit
wetsvoorstel wordt
hieraan voldaan. Hierdoor worden in de
komende jaren ook extra bezuinigingen
gerealiseerd, waardoor alle generaties
een steentje bijdragen. In deze tijden
van grote economische onzekerheid is het
noodzakelijk om op korte termijn de
begroting op orde te brengen. Nu
beginnen met het verhogen van de
AOW-leeftijd is ook rechtvaardig:
hiermee wordt voorkomen dat de rekening
geheel wordt doorgeschoven naar de
55-minners. Dit te meer omdat zij ook te
maken krijgen met fors stijgende
zorgkosten en de afbetaling van een
grote staatsschuld.
3.1.1.
In 2019 naar 66 jaar
Van
2013 tot en met 2019 zal de
AOW-leeftijd
stapsgewijs worden verhoogd naar 66
jaar. In 2013 bedraagt de verhoging
één maand. De AOW-leeftijd bedraagt
dan 65 jaar en één maand, waarbij het
AOW-pensioen ingaat op de dag van de
verjaardag van de belanghebbende. Wordt
iemand 65 jaar op 15 januari 2013, dan
gaat zijn AOW-pensioen in op 15 februari
2013. Wanneer men op een datum jarig is
die geen corresponderende dag heeft in
andere maanden (bijvoorbeeld op 30 januari; 30
februari bestaat immers niet) dan wordt
uitgegaan van de laatste dag van die
kortere maand.
In
dit wetsvoorstel wordt het
tempo van de verhoging van de
AOW-leeftijd bepaald op:
Tabel
1. Stijging
AOW-leeftijd 2014-2019:
| xxxxxxxxxxxx |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
2018 |
2019 |
| Verhoging |
1
maand |
1
maand |
1
maand |
2
maanden |
2
maanden |
2
maanden |
3
maanden |
|
AOW-leeftijd |
65
jaar
en 1
maand |
65
jaar
en 2
maanden |
65
jaar
en 3
maanden |
65
jaar
en 5
maanden |
65
jaar
en 7 maanden |
65
jaar
en 9
maanden |
66
jaar |
Een
volgend kabinet kan te zijner tijd
vanzelfsprekend voor een ander
invoeringspad kiezen.
rblz.|6|
3.1.2.
In 2023 naar 67 jaar
Dit
wetsvoorstel bepaalt dat vanaf 2020 tot
en met 2023 de
AOW-leeftijd in stappen
van drie maanden per jaar zal worden
verhoogd naar 67 jaar.
Tabel
2. Stijging
AOW-leeftijd 2020-2023:
| xxxxxxxxxxxxxx |
2020 |
2021 |
2022 |
2023 |
| Verhoging |
3
maanden |
3
maanden |
3
maanden |
3
maanden |
|
AOW-leeftijd |
66
jaar en 3 maanden |
66
jaar en 6 maanden |
66
jaar en 9 maanden |
67
jaar |
3.1.3.
Koppeling aan levensverwachting
Vanaf
2024 wordt de
AOW-leeftijd gekoppeld aan
de stijging van de levensverwachting.
Jaarlijks wordt bezien of de
ontwikkeling van de gemiddelde
resterende levensverwachting aanleiding
geeft om de AOW-leeftijd met drie
maanden te verhogen. Een verhoging van
de AOW-leeftijd wordt minimaal vijf jaar
van tevoren aangekondigd. Dit betekent
dat vanaf 2019 jaarlijks zal worden
bezien of de ontwikkeling van de
levensverwachting aanleiding geeft voor
een verhoging van de AOW-leeftijd vijf
jaar later. Het aanpassen van de
AOW-leeftijd aan de gemiddelde
resterende levensverwachting gebeurt aan
de hand van een formule die wordt
vastgelegd in de
wet. De benodigde
ramingen voor de levensverwachting
zullen door een onafhankelijke
instantie, het CBS, worden gemaakt.
Ieder jaar zal er een berekeningsmoment
zijn. Aan de hand van de formule zal dan
worden bepaald of de ontwikkeling van de
levensverwachting een verhoging betekent
van de AOW-leeftijd. Is de uitkomst van
deze berekening dat de AOW-leeftijd
verhoogd moet worden, dan gaat deze
verhoging vijf jaar later in. Dit
betekent dat uiterlijk 1 januari 2019
duidelijk zal zijn of de AOW-leeftijd
moet worden verhoogd met ingang van 1
januari 2024. In de berekening wordt de
toekomstige levensverwachting steeds
afgezet tegen de macro gemiddelde
resterende levensverwachting op
65-jarige leeftijd zoals die gold in de
referentieperiode 2000-2009. Deze
bedraagt volgens berekeningen van het
CBS 18,26 jaar.
De
formule die gehanteerd zal worden luidt
als volgt:
V = (L – 18,26) – (P –
65)
waarbij:
V:
verhoging van de
AOW-leeftijd in het
aanpassingsjaar (in 2019 is dat 2024)
ten opzichte van de daarvoor geldende
AOW-leeftijd.
L:
geraamde macro gemiddelde resterende
levensverwachting op 65-jarige leeftijd
zoals die verwacht wordt in het
aanpassingsjaar.
18,26:
door het CBS
geraamde macro gemiddelde
resterende levensverwachting op
65-jarige leeftijd in de referentieperiode 2000-2009.
P:
geldende AOW-leeftijd in het
aanpassingsjaar vóór de verhoging.
65:
geldende AOW-leeftijd in de
referentieperiode 2000-2009.
Als
de formule als uitkomst heeft dat V
groter of gelijk is aan 0,25 (een kwart
jaar), dan gaat de AOW-leeftijd in het
aanpassingsjaar met drie maanden omhoog.
Als V kleiner is dan 0,25 (een kwart
jaar), dan blijft de AOW-leeftijd in het
aanpassingsjaar gelijk.
De
formule bestaat uit twee delen. Het
eerste deel van de formule (L – 18,26)
geeft het verschil aan tussen de
geraamde macro gemiddelde resterende
levensverwachting voor het
aanpassingsjaar en de macro gemiddelde
resterende levensverwachting op
65-jarige leeftijd zoals die gold in de
referentieperiode. Dit eerste deel geeft
daarmee aan in welke mate de
levensverwachting is gestegen ten
opzichte van de referentieperiode. Door
de verwachte stijging van de
levensverwachting zal er op rblz.|7|
gezette
tijden een verhoging van de
AOW-leeftijd
plaatsvinden. Het is van belang dat al
toegepaste verhogingen van de
AOW-leeftijd geen rol spelen in het
bepalen van de volgende verhoging.
Het
tweede deel van de formule (P –
65) zorgt
ervoor dat er geen dubbeling kan
ontstaan met de toegepaste verhogingen.
In dit deel van de formule wordt de
AOW-leeftijd zoals die geldt in het
aanpassingsjaar vóór de aanpassing
afgezet tegen de AOW-leeftijd in de
referentieperiode. Op deze manier wordt
rekening gehouden met alle aanpassingen
van de AOW-gerechtigde leeftijd tot dat
moment.
Omvang
verhoging
In de wet wordt vastgelegd dat de
AOW-leeftijd alleen wordt verhoogd
wanneer de stijging van de
levensverwachting via de formule
minimaal een verhoging van drie maanden
rechtvaardigt. Tegelijkertijd wordt in
de wet vastgelegd dat de verhoging van
de AOW-leeftijd in dat jaar maximaal
drie maanden zal bedragen, ook wanneer
de stijging van de levensverwachting via
de formule een grotere verhoging
oplevert.
Het
hanteren van een maximum zorgt ervoor
dat er geen grote schokken in de
stijging van de AOW-leeftijd ontstaan.
Daarnaast leidt een minimum ertoe dat
niet elke stijging van de
levensverwachting direct wordt omgezet
in een stijging van de AOW-leeftijd.
Voorbeeld ¹: volgens de meest recente prognose van
het CBS
² bedraagt de resterende
levensverwachting bij 65 jaar in 2024
20,85 jaar. De formule werkt nu als
volgt: V
= (20,85 – 18,26) – (67 – 65) =
0,59.
De
uitkomst van de formule (0,59) is groter
dan 0,25, wat betekent dat de
AOW-leeftijd in 2024 met drie maanden
zou worden verhoogd. De AOW-leeftijd zou
dan dus 67 jaar en drie maanden bedragen.
1.
NB: dit voorbeeld is ter illustratie,
uiterlijk 1 januari 2019 zal worden
bezien of de stijging van de
levensverwachting daadwerkelijk
aanleiding geeft om in 2024 de
AOW-leeftijd te verhogen.
2. Bron: CBS
Statline.
Over
het algemeen wordt voor de komende
decennia uitgegaan van een stijgende
levensverwachting. Het is echter niet
onmogelijk dat op een gegeven moment de
macro gemiddelde levensverwachting niet
langer stijgt of zelfs daalt. Uit de
formule komt dan een gelijkblijvend of
negatief getal. In de
wet wordt
vastgelegd dat in deze situatie de
AOW-gerechtigde leeftijd gelijk blijft.
3.2.
Overgangsregeling
De
regering is zich ervan bewust dat
eerdere invoering van de verhoging de
AOW-leeftijd tijdelijke
overbruggingsproblemen kan veroorzaken
voor mensen die weinig
voorbereidingstijd hebben en weinig
mogelijkheden hebben het verlies te
compenseren. Daarom wordt een viertal
overgangsmaatregelen genomen om de
overbrugging voor de mensen met weinig
voorbereidingstijd te versoepelen:
-
Ten eerste wordt de verhoging van de
AOW-leeftijd geleidelijk ingevoerd,
zodat de overbruggingsproblemen voor
de groep met weinig
voorbereidingstijd sterk worden
beperkt (zie tabel
3). Het
overbruggingsprobleem wordt met dit
verzachte invoerpad aanzienlijk
verkleind voor mensen die het
dichtst tegen hun pensioen
aanzitten.
- Er komt voor de eerste jaren een
voorschotregeling. Deze regeling
biedt de mogelijkheid om een
voorschot op de AOW te krijgen vanaf
de 65ste
verjaardag. Hiermee kunnen mensen
een eventueel inkomensgat
overbruggen. Daarbij geldt dat het
eerder opgenomen bedrag over een
vastgestelde termijn (maximaal 1,5
jaar bij drie maanden voorschot in
2015) dient te worden terugbetaald.
rblz.|8|
- In situaties van onvoldoende
middelen om in het bestaan te
voorzien tot de AOW-gerechtigde
leeftijd kan door mensen die aan de
voorwaarden voldoen altijd een
beroep gedaan worden op de
(bijzondere) bijstand, die geregeld
is in de Wwb [Wet
werk en bijstand,
red.]. De SVB [Sociale
verzekeringsbank, red.] zal de groep
ouderen met weinig
voorbereidingstijd actief benaderen.
- Voor degenen die alleen als gevolg
van de versnelde verhoging van de
AOW leeftijd geen partnertoeslag
meer ontvangen, i.e. voor de mensen
die in november en december 2014 65
jaar worden en onder de bestaande
regelingen recht hadden op de
toeslag, blijft de AOW
partnertoeslag beschikbaar. Hierdoor
wordt voorkomen dat mensen door dit
wetsvoorstel opeens niet meer de
partnertoeslag ontvangen, terwijl
zij daar wel op rekenen.
3.2.1. Invoeringspad
Ten
eerste wordt, zoals in paragraaf
3.1.1 is aangegeven, de verhoging van
de
AOW-leeftijd geleidelijk ingevoerd.
Daarmee wordt naar de mening van de
regering overbruggingsproblemen voor
de groep met weinig voorbereidingstijd
beperkt. In onderstaande tabel is dit
invoerpad uitgewerkt (verhoging in
maanden):
Tabel
3.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
2018 |
2019 |
| Verhoging
AOW-leeftijd |
1 |
1 |
1 |
2 |
2 |
2 |
3 |
Het
overbruggingsprobleem wordt met dit
verzachte invoerpad aanzienlijk
verkleind voor mensen die het dichtst
tegen hun pensioen aanzitten. Voor de
meeste mensen die nu in een VUT-regeling
zitten, blijft de verhoging bijvoorbeeld
beperkt tot één of twee maanden. De
versnelling van de leeftijdsverhoging
begint vanaf 2016, wanneer men de
gelegenheid heeft gehad om zich hierop
voor te bereiden. Werkenden worden door
deze maatregel niet benadeeld ten
opzichte van mensen die al gestopt zijn
met werken.
rblz.|9|
3.2.2.
Voorschotregeling
Ten
tweede wordt een vrijwillige
voorschotregeling geïntroduceerd. Deze
voorschotregeling geldt tot en met 2015
en biedt de mogelijkheid voor
pensioengerechtigden van wie de
AOW-leeftijd één, twee of drie maanden
is verhoogd om vanaf de 65ste verjaardag
een voorschot over respectievelijk
één, twee of drie maanden te krijgen
op de AOW, voordat het recht op de AOW
daadwerkelijk ontstaat.
Daarbij
geldt dat het voorschot over een
vastgestelde termijn dient te worden
terugbetaald, volgens onderstaand
schema.
Tabel
4.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2013 |
2014 |
2015 |
| Hoeveel
maanden kan men een voorschot
ontvangen? |
1xr |
2 |
3xr |
| Hoeveel
jaar om terug te betalen? |
0,5 |
1 |
1,5 |
Hierdoor
kunnen mensen een eventueel inkomensgat
overbruggen. Tegelijkertijd blijft het
financieel aantrekkelijk om langer door
te werken.
3.2.3.
Beleidsruimte in de uitvoering
Ten
derde kan in situaties van onvoldoende
middelen om in het bestaan te voorzien
tot de
AOW-gerechtigde leeftijd altijd
een beroep gedaan worden op de algemene
bijstand, die geregeld is in de Wet werk
en bijstand (Wwb). Daarbij kunnen
gemeenten via de bijzondere bijstand uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten van het bestaan
vergoeden. Het gaat dan om gerichte
kosten voor individuele gevallen.
Hierbij geldt een middelen- en
vermogenstoets, zij het dat daar enige
gemeentelijke beleidsruimte in is omdat
gemeenten de bijzondere bijstand uit een
apart budget betalen. De SVB
zal de
groep ouderen met weinig
voorbereidingstijd actief benaderen.
3.2.4.
Doorlopen partnertoeslag
Als
vierde maatregel wordt voor mensen die
geboren zijn in november en december
1949 het vervallen van de partnertoeslag
met drie maanden uitgesteld. Gehuwde
AOW-gerechtigden ¹ met een jongere
partner zonder of met weinig inkomen
kunnen een partnertoeslag ontvangen. In
1995 is besloten dat met ingang van 2015
voor AOW-gerechtigden geen recht op
partnertoeslag kan ontstaan. Personen
die vóór 2015 de AOW-leeftijd hebben
bereikt, worden ontzien. Mensen geboren
in 1949 hebben er altijd op gerekend dat
zij bij de laatste groep horen die recht
heeft op partnertoeslag, omdat zij in
2014 65 jaar worden. Door het verhogen
van de AOW-leeftijd ontstaat voor mensen
die geboren zijn in november en december
1949 echter niet in 2014, maar in 2015
recht op AOW. Zij bereiken dan de
AOW-gerechtigde leeftijd van 65 jaar en
drie maanden. Met ingang van 2015 kan
echter geen recht op partnertoeslag
ontstaan. In tegenstelling tot wat deze
mensen dus altijd dachten, zouden zij
geen recht hebben op partnertoeslag. Dit
vindt de regering ongewenst. Daarom
voorziet dit wetsvoorstel in een
overgangsregeling voor de groep mensen
geboren in november en december 1949 die
enkel als gevolg van de verhoging van de
AOW-leeftijd hun recht op partnertoeslag
zou verliezen. Deze overgangsregeling
houdt in dat voor deze groep het
vervallen van de partnertoeslag drie
maanden wordt uitgesteld, zodat zij
alsnog recht krijgen op een
partnertoeslag waar dat aan de orde is.
1.
Of daarmee gelijkgestelde ongehuwd
samenwonenden die een gezamenlijke
huishouding voeren (artikel
1, tweede tot met negende lid, van
de
AOW).
3.3.
Andere aspecten van verhoging van de
AOW-leeftijd
Een
verhoging van de
AOW-leeftijd heeft ook
consequenties voor andere elementen in
de AOW. Deze consequenties hebben
betrekking op de opbouwsystematiek, de
partnertoeslag en de vrijwillige
AOW-verzekering. In deze paragraaf wordt
ook ingegaan op de internationale
aspecten.
3.3.1.
Opbouwsystematiek
De
AOW kent een opbouwsystematiek waarbij
men in de leeftijd tussen 15 en 65 jaar
2% AOW-pensioen per jaar opbouwt. Dit
geldt voor ingezetenen en personen die
in Nederland werken. De mogelijkheid van
een onvolledig AOW-pensioen is inherent
aan deze opbouwsystematiek. Voor
65-plussers met een onvolledige
AOW-pensioen en zonder aanvullend
pensioen (inclusief wettelijk pensioen
uit een ander land) of andere inkomsten
fungeert de algemene bijstand op grond
van de Wwb als
vangnet.¹
De
regering kiest ervoor de opbouwperiode
te handhaven op 50 jaar en voorkomt
daarmee dat de eisen voor een volledig
AOW-pensioen verzwaard zouden worden.
Deze verzwaring zou zich voordoen als de
opbouwperiode bij elke verhoging van de
AOW-leeftijd met een overeenkomstige
periode zou worden verlengd zodat de
opbouwperiode zou oplopen naar 51 jaar
in de periode tot en met 2019 (van 15-66
jaar) en in rblz.|10|
de periode 2020 tot en met
2023 naar 52 (van 15-67 jaar). De
regering acht dit niet wenselijk. In een
opbouwperiode van 50 jaar komt de
langdurige band met Nederland, die
voorwaarde is voor een volledig
AOW-pensioen, voldoende tot uitdrukking.
1.
Zie hoofdstuk
5, paragraaf 5.4, van de Wwb.
Als
gevolg van de verhoging van de
AOW-leeftijd verschuift de opbouwperiode
met een overeenkomstige periode. Bij een
AOW-leeftijd van 65 jaar en één maand
in 2013 is de opbouwperiode tussen 15
jaar en één maand en 65 jaar en één
maand. Bij een AOW-leeftijd van 65 jaar
en twee maanden in 2014 is de
opbouwperiode tussen 15 jaar en twee
maanden en 65 jaar en twee maanden. In
2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan
de stijging van de levensverwachting. De
opbouwperiode verschuift dan
overeenkomstig de verhoging van de
AOW-leeftijd op grond van de stijging
van de levensverwachting.
De
verschuiving van de opbouwperiode heeft
voor mensen die gedurende hun hele leven
in Nederland wonen geen effect. Een
opbouwmaand of opbouwmaanden die
vervallen aan het begin van de
opbouwperiode doordat de opbouwperiode
meeschuift met de
AOW-leeftijd wordt
volledig gecompenseerd door de extra
opbouwmaand of opbouwmaanden die
ontstaan door diezelfde verschuiving aan
het einde van de opbouwperiode. Wanneer
bijvoorbeeld de AOW-leeftijd 65 jaar en
twee maanden is, begint de opbouw op 15
jaar en twee maanden. De twee
opbouwmaanden die men had op 15-jarige
leeftijd vervallen, maar dit wordt
gecompenseerd door de extra
opbouwmaanden op de leeftijd 65 jaar en
twee maanden.
Personen
die zich later in Nederland vestigen,
zullen wanneer zij tot aan de nieuwe
AOW-leeftijd in Nederland wonen of
werken een langere opbouwperiode hebben
ten opzichte van de huidige situatie,
waarbij opbouw tot aan 65 jaar mogelijk
is. Wanneer de AOW-leeftijd met twee
maanden wordt verhoogd, betekent dit dat
de opbouwperiode van deze personen twee
maanden langer is. Hoeveel langer de
opbouwperiode is, is afhankelijk van de
stijging van de AOW-leeftijd.
Mensen
met
AOW-opbouw die vóór hun 65ste
levensjaar naar het buitenland emigreren
of geëmigreerd zijn, kunnen te maken
krijgen met een kortere opbouwperiode.
Of deze groep mensen daardoor AOW-opbouw
missen en dit negatief voor hen uitpakt,
is op voorhand niet duidelijk. Dit hangt
sterk af van het pensioenstelsel van het
land waarheen men is geëmigreerd. In
steeds meer landen wordt de
pensioengerechtigde leeftijd verhoogd.
Het is zeer wel mogelijk dat men in het
immigratieland ook tot op latere
leeftijd pensioen kan opbouwen.
3.3.2.
Partnertoeslag
Een
AOW-gerechtigde die een jongere partner
heeft zonder of met weinig eigen inkomen kan aanspraak maken op de
AOW-partnertoeslag. Deze toeslag
ontvangt de AOW-gerechtigde thans tot
het moment dat de jongere partner 65
jaar wordt en hiermee zelf recht krijgt
op een AOW-pensioen. Als de AOW-leeftijd
wordt verhoogd, ontstaat recht op een
partnertoeslag als de AOW-gerechtigde
leeftijd wordt bereikt. In 2013 en 2014
betekent dit dat recht op een
partnertoeslag kan ontstaan op het
moment dat de AOW-gerechtigde de
AOW-leeftijd bereikt van respectievelijk
65 jaar en één maand en 65 jaar en
twee maanden.
De
AOW-partnertoeslag wordt voor nieuwe
gevallen afgeschaft op 1 januari 2015;
bestaande gevallen worden daarbij
ontzien. Voor mensen die geboren zijn in
november en december 1949 wordt in dit
wetsvoorstel een overgangsregeling
voorgesteld waarin het afschaffen van de
partnertoeslag voor deze groep met drie
maanden wordt uitgesteld (zie paragraaf
3.2.4). Voor de bestaande gevallen is
voorts van belang dat met dit rblz.|11|
wetsvoorstel bepaald wordt dat de duur
van de AOW-partnertoeslag zal aansluiten
op de geldende AOW-leeftijd.
3.3.3.
Vrijwillige verzekering
De
vrijwillige verzekering
AOW zal
aangepast worden aan de nieuwe
AOW-leeftijd. Voorheen was vrijwillige
verzekering, waarbij mensen bij vertrek
uit Nederland op vrijwillige basis de
AOW-verzekering voortzetten, mogelijk
tot aan de leeftijd van 65. In de nieuwe
situatie zal dat tot de nieuwe
AOW-leeftijd zijn.
Voor mensen die zich later in Nederland
vestigen en hier verplicht verzekerd
raken voor de volksverzekeringen bestaat
de mogelijkheid gemiste opbouwjaren voor
de AOW in te kopen. Voor de verplichte
verzekering geldt nu een bovengrens van
65 jaar. Met dit
wetsvoorstel past de
regering deze grens aan. Inkoop van
AOW-opbouwjaren zal mogelijk zijn voor
personen die vóór de voor hen geldende
AOW-leeftijd verplicht verzekerd zijn
geraakt.
Personen
die zich in het verleden hebben
ingekocht, zullen door de verschuiving
van de opbouwperiode, in gelijke mate
als verplicht verzekerden, een
opbouwmaand of opbouwmaanden missen aan
het begin van de opbouwperiode, waarvoor
zij wel vrijwillig premie hebben betaald
(bij een AOW-leeftijd van 65 jaar en
twee maanden begint de opbouwperiode
twee maanden later, namelijk op 15 jaar
en twee maanden). Door de verschuiving
van de opbouwperiode ontstaat er echter
aan het einde van de opbouwperiode een
extra opbouwmaand of extra
opbouwmaanden. De opbouwmaand of maanden
die aan het begin van de opbouwperiode
vervallen, worden hierdoor volledig
gecompenseerd. De regering kiest er
daarom niet voor over te gaan tot
restitutie van premies aan personen die
zich hebben ingekocht. Te meer omdat dit
zou leiden tot ongelijke behandeling ten
aanzien van verplicht verzekerden.
3.3.4.
Internationale aspecten
De
AOW kent een systematiek waarin recht op
AOW-pensioen eerst ontstaat wanneer de
pensioengerechtigde leeftijd is bereikt
en men in het opbouwtijdvak verzekerd is
geweest, waarbij voor elk jaar dat men
niet verzekerd is geweest een korting
van 2% wordt toegepast. In het kader van
het Europees Verdrag tot Bescherming van
de rechten van de mens (EVRM) [lees:
Europees verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM), red.] vormen
opbouwjaren geen opeisbaar recht. Als
door het verschuiven van de
opbouwperiode er een opbouwmaand of
opbouwmaanden vervallen, hoeft dit niet
te worden gecompenseerd.
Krachtens
jurisprudentie van het Europees Hof van
de Rechten voor de Mens dienen uit de
wet voortvloeiende socialezekerheidsrechten te worden beschouwd
als eigendomsrechten waarop het Eerste Protocol bij het EVRM van toepassing is.
Dit betekent dat het inbreuk maken op
opeisbare uitkeringsrechten (reeds
toegekende uitkeringen) alleen is
toegestaan indien aan een aantal
voorwaarden is voldaan, zoals regeling
bij wet, aanwezigheid legitieme
doelstelling van algemeen belang en
proportionaliteit van de maatregel.
Hoewel AOW-opbouwjaren geen opeisbare
rechten vormen, is niettemin naar de
mening van de regering voldaan aan de
bedoelde voorwaarden van het EVRM.
Overigens ziet de Centrale Raad van
Beroep (CRvB) in deze voorwaarden geen
belemmering voor de wetgever om ook voor
reeds toegekende uitkeringen tot
beperking van uit de wet voortvloeiende
uitkeringen over te gaan, mits voorzien
is in een redelijke overgangsperiode.
Het onderhavige wetsvoorstel voorziet in
een dergelijke redelijke
overgangsperiode doordat de AOW-leeftijd
niet in één keer met een grote sprong
wordt verhoogd, maar over de komende
jaren geleidelijk en stapsgewijs in de
eerste drie jaar met één maand wordt
verhoogd en de daaropvolgende drie jaren met twee maanden. Pas in 2019
wordt de AOW-leeftijd rblz.|12|
verhoogd met drie
maanden. Door de verhoging van de AOW
leeftijd zoveel mogelijk te spreiden
over deze periode kunnen de
inkomenseffecten voor de mensen die het
dichtst tegen hun pensioen aanzitten,
worden beperkt. Daarnaast wordt er een
voorschotregeling geïntroduceerd en kan
in individuele gevallen bijzondere
bijstand worden verstrekt. Voorts
voorziet dit wetsvoorstel in een
overgangsregeling voor mensen die
geboren zijn in november en december
1949. Voor hen wordt de afschaffing van
de partnertoeslag in 2015 met drie
maanden uitgesteld.
Verder
is het wetsvoorstel in overeenstemming
met de overige voor Nederland relevante
internationaalrechtelijke verplichtingen
inzake de pensioenleeftijd, zoals
neergelegd in artikel 26 van de Europese
code inzake sociale zekerheid (inclusief
het Aanvullend Protocol), de artikelen
26 en 27 van de Europese code inzake
sociale zekerheid (herzien) (voor
Nederland nog niet in werking getreden)
en artikel 15 van ILO-Verdrag 1283. Deze
verdragsbepalingen verplichten de staat
ertoe om zorg te dragen dat er in
principe, bij het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd, aanspraak
bestaat op een ouderdomsuitkering van
een door de verdragen nader bepaalde
omvang. Hierin voorziet de
AOW thans en
dit recht wordt door het wetsvoorstel
niet aangetast. In verband hiermee hoeft
niet te worden ingegaan op de
mogelijkheden die de genoemde verdragen
bieden om de pensioenleeftijd hoger te
stellen dan 65 jaar.
3.4.
Wijziging fiscaal kader
ouderdomsvoorzieningen
In
lijn met de koppeling van het recht op
AOW-ouderdomspensioen aan de
ontwikkeling van de levensverwachting
wordt ook de fiscale behandeling van de
opbouw van oudedagsvoorzieningen in de
tweede en derde pijler aangepast. Deze
aanpassingen treden vanaf 2014 in
werking en resulteren in een structurele
opbrengst van €|700 miljoen per jaar.
3.4.1.
Werknemerspensioen algemeen (tweede pijler)
In
het Witteveenkader wordt allereerst de
pensioenrichtleeftijd aangepast. Deze
pensioenrichtleeftijd staat op dit
moment op 65 jaar en wordt in 2014
verhoogd naar 67 jaar. Vervolgens wordt
deze pensioenrichtleeftijd op
vergelijkbare wijze als de
AOW-leeftijd
gekoppeld aan de ontwikkeling van de
levensverwachting. Dat wil zeggen dat
jaarlijks wordt bezien of de
ontwikkeling van de levensverwachting
aanleiding geeft om de
pensioenrichtleeftijd te verhogen. Een
verhoging van de pensioenrichtleeftijd
vindt, anders dan bij de AOW-leeftijd,
steeds plaats in stappen van één jaar.
Daarnaast
worden de maximumopbouwpercentages voor
middelloonregelingen en
eindloonregelingen aangepast. In lijn
daarmee wordt ook het kader voor een op
een beschikbarepremiestelsel gebaseerd
ouderdomspensioen aangepast. De
structurele opbrengst van deze
aanpassingen, die zowel gelden voor
ouderdomspensioen als voor partner- en
wezenpensioen, bedraagt €|700 miljoen.
Per 1 januari 2014 worden de maximale
opbouwpercentages voor ouderdomspensioen
verlaagd van 2% naar 1,9% voor
eindloonregelingen en van 2,25% naar
2,15% voor middelloonregelingen. Dit
betekent dat er meer dienstjaren nodig
zijn om een pensioen van 70% van het
laatstverdiende loon te bereiken. In de
huidige situatie is het mogelijk om in
35 jaar een pensioen ter hoogte van 70%
van het laatstverdiende loon op te
bouwen. In de nieuwe situatie zijn -
kort gezegd -
37 dienstjaren nodig.
Dit aantal dienstjaren is een redelijk
aantal dienstjaren dat van werknemers
verlangd kan worden om een naar
maatschappelijke maatstaven aanvaardbaar
pensioen op te bouwen.
De
aanpassing van de pensioenrichtleeftijd
en de maximumopbouwpercentages geven ook
aanleiding tot wijziging van de geldende
beschikbare rblz.|13|
premiestaffels.¹ Gegeven de
inwerkingtreding van deze aanpassingen
per 2014 hebben verzekeraars aangegeven
behoefte te hebben aan spoedige
bekendmaking van deze staffels. Om aan
die behoefte tegemoet te komen, zal -
onder voorbehoud van aanvaarding van het
wetsontwerp door het parlement -
een
geschikte wijze van bekendmaking van de
nieuwe beschikbare premiestaffels worden
gezocht.
1.
Beleidsbesluit van 21 december 2009, nr.
CPP2009/1487M.
Op
pensioenaanspraken die tot 2014 zijn
opgebouwd, blijft het huidige
Witteveenkader van toepassing. De
wijzigingen zien enkel op (toekomstige)
pensioenopbouw, zodat bestaande
aanspraken niet worden geraakt.
De
aanpassing van de pensioenrichtleeftijd
in het Witteveenkader wordt steeds
doorgevoerd tien jaar voorafgaande aan het
tijdstip waarvoor is geraamd dat de
macro gemiddelde resterende
levensverwachting op 65-jarige leeftijd
weer met één jaar is gestegen. Deze
tienjaarsperiode is allereerst nodig om
de taakstellende besparing van €|700
miljoen te kunnen realiseren. Voorts is
van belang dat een inperking van de
opbouwruimte voor pensioen slechts met
vertraging tot een stijging van de
feitelijke uittreedleeftijd zal leiden.
Tot de verhoging van de
pensioenrichtleeftijd opgebouwde rechten
blijven namelijk ongewijzigd. Het
volledige effect van een ophoging van de
pensioenrichtleeftijd met één jaar is -
uitgaande van een opbouwperiode van
37 jaar -
daarom pas na 37 jaar
volledig doorgewerkt in de
uittreedleeftijd.
Vervroeging
van het werknemerspensioen blijft
uiteraard mogelijk als het
werknemerspensioen maar actuarieel
herrekend wordt ten opzichte van de bij
de opbouw gehanteerde
pensioenrichtleeftijd. Ook uitstel van
het pensioen blijft mogelijk. Hierdoor
blijft het mogelijk om op individueel
niveau keuzes te maken ten aanzien van
de gewenste leeftijd voor (deeltijd)pensionering. Ten slotte bevat
het
wetsvoorstel een tegemoetkoming aan
pensioenuitvoerders in die zin dat een
regeling wordt getroffen waarmee wordt
bewerkstelligd dat een aanpassing van
opgebouwde pensioenaanspraken aan de
nieuwe pensioenrichtleeftijd niet wordt
verhinderd door de zogenoemde
100%-begrenzing.
3.4.2.
Individuele inkomensvoorzieningen in
derde
pijler
In
lijn met de aanpassingen voor
werknemerspensioen wordt ook de
opbouwruimte in de derde pijler
aangepast. In dat kader wordt in de
eerste plaats het
maximumpremiepercentage voor
pensioenopbouw in de derde pijler - (al dan niet bancaire) lijfrenten
- verlaagd. In 2014 wordt dit percentage
verlaagd van 17% naar 15,5%. Vervolgens
wordt dit premiepercentage steeds met 0,6
procentpunt verlaagd voor ieder jaar dat
de pensioenrichtleeftijd wordt verhoogd.
Met
deze inperking van de opbouwruimte in de
derde pijler wordt een overeenkomstige
bijdrage gevraagd van mensen die hun
pensioenvoorziening binnen het fiscale
regime van de derde pijler opbouwen
(zoals zelfstandigen, voor zover deze
niet gebruik maken van de fiscale
oudedagsreserve). In verband met de
gewijzigde opbouwruimte wordt ook de
zogenoemde imputatieregeling aangepast.
3.4.3.
Fiscale oudedagsreserve
Naast
de inperking van de premieruimte in de
derde pijler vindt een verlaging van het
maximumdotatiepercentage voor de fiscale
oudedagsreserve plaats. De fiscale
oudedagsreserve heeft immers mede ten
doel de opbouw van een
oudedagsvoorziening te faciliteren. Het
maximumdotatiepercentage wordt in 2014
verlaagd van 12% naar 10,9%. Vervolgens
wordt het maximumdotatiepercentage
steeds met 0,4 procentpunt verlaagd rblz.|14|
voor ieder
jaar dat de fiscale
pensioenrichtleeftijd wordt verhoogd.
Met de aanpassing van de fiscale
oudedagsreserve dragen degenen die
fiscaal gefacilieerd een voorziening
opbouwen voor hun oude dag binnen de
IB-onderneming ¹ eveneens bij aan de
versobering van het fiscale kader voor
pensioenopbouw.
1.
Een eenmanszaak en een deelname in een
maatschap, vennootschap onder firma en
een commanditaire vennootschap vallen
onder de regels van de
inkomstenbelasting (IB) en worden daarom
IB-ondernemingen genoemd, red.
3.4.4.
Deelnemingsjarenpensioen
In
de Wet
aanpassing fiscale behandeling
VUT/prepensioen en introductie
levensloopregeling (hierna: Wet VPL)
zijn onder meer de wetswijzigingen
opgenomen die voortvloeien uit de
afspraken van het Najaarsoverleg 2004
met de sociale partners. Deze afspraken
worden vaak aangeduid met "Sociaal
akkoord 2004" of het "Museumpleinakkoord".
Eén van die afspraken is de mogelijkheid
om onder bepaalde voorwaarden in
aanvulling op het ouderdomspensioen een
fiscaal gefaciliteerd
40-deelnemingsjarenpensioen op te
bouwen. Deze faciliteit is vooral
bedoeld voor werknemers in zware
beroepen waarbij deze personen al op
jonge leeftijd met werken zijn begonnen.
Vanwege de hiervoor toegelichte
beperking van het Witteveenkader en de
ophoging van de
AOW-leeftijd worden ook
bij het 40-deelnemingsjarenpensioen de
relevante grenzen gewijzigd (leeftijds-
en deelnemingsjarencriterium). Bij
iedere wijziging van de AOW-leeftijd
wordt zowel het vereiste aantal
deelnemingsjaren als het
leeftijdscriterium op overeenkomstige
wijze aangepast. Deze aanpassing wijkt
dus af van de wijziging van de
pensioenrichtleeftijd. Dit laat zich
verklaren door het verschil in de wijze
waarop aanpassingen in het
deelnemingsjarenpensioen en aanpassingen
in de pensioenrichtleeftijd de
feitelijke pensioenleeftijd
beïnvloeden. De aanpassing van de
pensioenrichtleeftijd heeft namelijk
slechts een gefaseerd effect op de
feitelijke pensioenleeftijd, omdat reeds
opgebouwde rechten worden gerespecteerd.
Een aanpassing in het
deelnemingsjarenpensioen heeft - evenals de AOW-leeftijd
- een direct
effect op de leeftijd waarop werknemers
met pensioen kunnen gaan. Met de
aanpassingen in het
deelnemingsjarenpensioen wordt
bewerkstelligd dat geen wijziging
ontstaat in de groep werknemers waarvoor
de faciliteit kan worden toegepast. Wel
zal ook deze groep bij iedere verhoging
van de AOW-leeftijd een overeenkomstige
periode langer moeten doorwerken om in
aanmerking te komen voor hetzelfde
pensioen. Indien het
40-deelnemingsjarenpensioen niet wordt
aangepast, zouden de beoogde effecten
van de aanpassing van het Witteveenkader
deels teniet worden gedaan. De wijziging
van het deelnemingsjarenpensioen treedt
steeds in werking op het moment van de
verhoging van de AOW-leeftijd. Een
uitzondering is gemaakt ten aanzien van
de AOW-leeftijdverhoging per 2013. Om
redenen van uitvoerbaarheid voor
pensioenuitvoerders blijft het
deelnemingsjarenpensioen voor dat jaar
ongewijzigd.
4.
Ontvangen commentaren
Het
voorliggende wetsvoorstel is voor een
uitvoeringstoets voorgelegd aan de SVB
en de belastingdienst. Ook is
het wetsvoorstel
voorgelegd aan de Inspectie Werk en
Inkomen (IWI) voor een
toezichtbaarheidstoets.
4.1.
Sociale verzekeringsbank
Op
verzoek heeft de SVB
op 21 mei 2012 ¹ een uitvoeringstoets uitgebracht. Een
oordeel over de invoerbaarheid per 1
januari 2013 ontbrak in deze toets. Dit
oordeel is gegeven in de brief van 1
juni 2012.² De SVB geeft aan [lees:
geeft aan dat, red.] invoering
van het wetsvoorstel per 1 januari 2013
krap en risicovol wordt, maar niet
onmogelijk wordt geacht. De
implementatie van het wetsvoorstel vergt
een zeer grote ICT-inspanning en kent
een beperkte rblz.|15|
implementatieduur. Door
aanpassing van het aanvraag- en
bevorderingsproces is het volgens de SVB
mogelijk tijd te creëren om de
noodzakelijke systeemaanpassingen te
realiseren. Om klanten van dienst te
zijn die in januari 2013 65 jaar worden,
moet uiterlijk 1 november 2012 het
merendeel van de aanpassingen gereed
zijn. De SVB geeft aan dat invoering van
het wetsvoorstel gevolgen heeft voor
andere trajecten, waaronder de
realisatie van de taakstelling.
De
SVB deelt niet de visie dat artikel 4:95
Algemene wet bestuursrecht als basis kan
dienen. Mede naar aanleiding van het
advies van de Afdeling advisering van de
Raad van State heeft de regering
besloten de beoogde voorschotregeling in
de
AOW op te nemen (zie artikel I,
onderdeel H).
De
opmerking van de SVB ten aanzien van het
voorgestelde artikel
7a heeft geleid tot
aanpassing en verduidelijking van de
toelichting.
1.
Brief van 21 mei 2012, kenmerk
RvB.86/12/ES/ptb, ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede
Kamer.
2. Brief van 1 juni 2012, kenmerk
RvB.92/12/NV/ptb, ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede
Kamer.
4.2.
Inspectie Sociale Zaken en
Werkgelegenheid
De
Inspectie Sociale Zaken en
Werkgelegenheid heeft een
toezichtbaarheidstoets uitgevoerd.¹ De
IWI geeft hierin aan in dit wetsvoorstel
geen belemmeringen te zien ten aanzien
van de toezichtbaarheid. Naar aanleiding
van de technische opmerkingen is de
memorie van toelichting aangepast.
1.
Brief van 16 mei 2012, referentie
2012/3247, ter inzage gelegd bij het
Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
4.3.
Belastingdienst
De belastingdienst
heeft bij de
uitvoeringstoets laten weten dat de
voorgestelde fiscale aanpassingen
uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.
5.
Financiële gevolgen
5.1.
Verhoging AOW-leeftijd
Vanaf
2013 wordt de
AOW-leeftijd geleidelijk
verhoogd. Hierdoor nemen de
uitkeringslasten van de AOW af, net als
die van de Wet
mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming
oudere belastingplichtigen (Wmkob) en de algemene
bijstand op grond van de Wwb
aan personen die de
AOW-leeftijd hebben bereikt.¹ De andere
socialezekerheidsregelingen, zoals de WW, de
Wet WIA en de algemene bijstand op
grond van de Wwb,² lopen door tot de
nieuwe AOW-leeftijd. De uitkeringslasten
van deze regelingen nemen dus toe. De
tijdelijke voorschotfaciliteit leidt in
de eerste jaren tot extra uitgaven,
daarna juist tot minder uitgaven. Na
2017 zijn alle voorschotten terugbetaald en is er dus geen
budgettair effect meer. De
overgangsregeling voor de partnertoeslag
leidt vanaf 2015 tot extra uitgaven.
Naast een budgettair effect aan de
uitgavenkant treedt er ook een besparing
op aan de inkomstenkant, omdat het
belasting- en premieregime meeschuift
met de AOW-leeftijd.
1.
Zie artikel
47a van de Wwb;
aanvullende inkomensvoorziening ouderen
(AIO).
2. Voor personen die de
AOW-leeftijd nog niet hebben
bereikt.
Tabel
5. Budgettaire gevolgen (in €|miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
|
Besparingen: |
|
AOW |
–175xx |
–345xx |
–480xx |
–745xx |
–1090xx |
| AIO/Wmkob |
–10xx |
–15xx |
–20xx |
–35xx |
–50xx |
| Besparing
totaal |
–185xx |
–360xx |
–500xx |
–780xx |
–1140xx |
| Weglek: |
| Ao-regelingen |
55xx |
105xx |
155xx |
245xx |
355xx |
| WW
en bijstand |
15xx |
30xx |
45xx |
70xx |
100xx |
| Anw |
10xx |
20xx |
15xx |
15xx |
15xx |
| Weglek
totaal |
80xx |
155xx |
215xx |
330xx |
470xx |
|
Overgangsregeling: |
|
Voorschotfaciliteit |
10xx |
30xx |
30xx |
–50xx |
–20xx |
|
Partnertoeslag |
0xx |
0xx |
50xx |
40xx |
30xx |
|
Overgangsregeling
totaal |
10xx |
30xx |
80xx |
–10xx |
10xx |
|
Uitgaven
totaal |
–95xx |
–175xx |
–205xx |
–460xx |
–660xx |
|
Extra
inkomsten (-/- betekent extra
inkomsten): |
|
Extra
belasting- en premie-inkomsten |
–50xx |
–100xx |
–145xx |
–215xx |
–300xx |
|
Totaal
generaal: |
|
Totaal
generaal |
–145xx |
–275xx |
–350xx |
–675xx |
–960xx |
rblz.|16|
5.2.
Aanpassingen fiscaal kader
De
hogere opbrengsten ontstaan doordat het
belastbaar inkomen toeneemt als de
aftrekbare pensioenpremie afneemt.
Gedurende enkele decennia daarna nemen
de extra belastingopbrengsten
geleidelijk weer af, doordat de
pensioenuitkeringen lager uitvallen
(deels vanwege de hogere
pensioenrichtleeftijd, deels vanwege de
verlaging van het maximale
opbouwpercentage). Ook op lange termijn
blijven de inkomsten hoger dan zonder de
beleidswijziging, doordat het tarief
waartegen de pensioenpremie wordt
afgetrokken gemiddeld hoger is dan
waartegen de pensioenuitkeringen worden
belast. Per saldo levert de aanpassing
van het Witteveenkader structureel €|700 miljoen op (netto contante waarde).
5.3.
Houdbaarheidseffect
Het
financiële effect van dit wetvoorstel
op de lange termijn kan worden
uitgedrukt in termen van houdbaarheid.
De overheidsfinanciën zijn houdbaar als
de bestaande overheidsvoorzieningen
kunnen meegroeien met de welvaart zonder
dat de belastingen in de toekomst moeten
worden verhoogd of de overheidsschuld
zich explosief ontwikkelt. Bij de
houdbaarheidsberekeningen wordt de
toekomstige ontwikkeling van de uitgaven
en inkomsten van de overheid zo goed
mogelijk meegenomen. Daarbij valt te
denken aan de geraamde ontwikkeling van
onder meer de zorgkosten,
belastinginkomsten en aardgasbaten.
Momenteel
is er sprake van een
houdbaarheidstekort. Dat betekent dat de
bestaande overheidsvoorzieningen niet
kunnen worden gehandhaafd zonder
belastingverhogingen of steeds verdere
toename van de overheidsschuld. In het
Centraal Economisch Plan 2012 heeft het
CPB geraamd dat het houdbaarheidstekort
3,3% ¹ van het bruto binnenlands product
(BBP) bedraagt. De maatregelen in dit
wetsvoorstel verbeteren de houdbaarheid
met 1,1% BBP. Dit houdbaarheidseffect is
als volgt opgebouwd.
1.
In het Centraal Economisch Plan 2012
heeft het CPB het houdbaarheidstekort
geraamd op 2,6% BBP inclusief de 0,7%
houdbaarheidswinst van het
pensioenakkoord. Exclusief
pensioenakkoord bedraagt het
houdbaarheidstekort dus 3,3% BBP.
Tabel
6. houdbaarheidseffect (in % BBP, bron:
CPB):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Houdbaarheidseffect |
| Minder
AOW-uitkeringen door hogere
AOW-leeftijd (netto) |
0,9
à 1,0 |
|
Weglek
overige sociale zekerheid (netto) |
–0,2x |
|
Inperking
Witteveenkader |
0,1 |
|
Hogere
werkgelegenheid |
0,5 |
|
Effect
op de opbrengsten box 3 en
indirecte belastingen |
–0,1x |
|
Geleidelijke
invoering |
–0,1 à
–0,2 |
|
Totaal
houdbaarheidsefffect |
1,1 |
rblz.|17|
5.4.
Uitvoeringskosten
Aanpassingen
in de AOW
De SVB raamt de eenmalige invoeringskosten
op €|1,7 miljoen. Doordat invoering
van dit wetsvoorstel beslag legt op
beperkte ICT-capaciteit bij de SVB
treedt voorts vertraging op bij andere
besparingstrajecten in het kader van de
taakstelling. Hiermee is naar schatting
een bedrag van €|0,2 miljoen gemoeid.
De structurele uitvoeringskosten zullen
als gevolg van de werkzaamheden in
verband met de voorschotfaciliteit in
eerste instantie toenemen. Vanaf 2015
zullen de structurele uitvoeringskosten
sterk afnemen. Dit is vooral het gevolg
van minder instroom in de
AOW
ten
opzichte van het huidige basispad.
Gezien de snelheid waarmee deze
opstelling tot stand is gekomen, gaat het
hier om een voorlopige inschatting, die
later mogelijk nog kan wijzigen.
Tabel
7. uitvoeringskosten SVB (in €|miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
|
Uitvoeringskosten
SVB |
0,6 |
1,3 |
1,3 |
0 |
–1,6 |
Fiscale
aanpassingen
De
koppeling van de pensioengerechtigde
leeftijd aan de levensverwachting leidt
ertoe dat periodiek een aanpassing van
bestaande pensioenregelingen zal moeten
plaatsvinden. Deze aanpassingen moeten
door de belastingdienst
worden
beoordeeld. Dit betekent een beperkte
extra inzet van toezichtscapaciteit in
2014 en 2015. Voorts is aanpassing van
de loonheffings- en
inkomstenbelastingsystemen nodig en
specifieke op de burger gerichte
communicatie. De extra uitvoeringskosten
bedragen incidenteel €|1,15
miljoen
voor de periode 2012-2015.
5.5.
Administratieve lasten en
nalevingskosten
Aanpassingen
in de AOW
De
verhoging van de
AOW-leeftijd heeft geen
structurele gevolgen voor de
administratieve lasten van burgers en
bedrijven, omdat er geen nieuwe
informatieverplichtingen worden
gecreëerd. Wel ontstaat er een
eenmalige administratieve last voor
ongeveer 450 000 personen die een
aangepaste beschikking van de SVB
zullen
ontvangen in verband met de wijziging
van de verzekerde periode. Ook voor
mensen die in de periode 2013-2015
gebruik maken van de voorschotfaciliteit
zal tijdelijk sprake zijn van een hogere
administratieve last. Naar schatting
bedragen de incidentele administratieve
lasten voor burgers als gevolg van de
aanpassingen in de AOW in totaal 200 000
uur en €|50
000,-.
Fiscale
aanpassingen
Er
zijn geen structurele nadelige gevolgen
voor de administratieve lasten als
gevolg van de fiscale aanpassingen. Wel
is er sprake van een verhoging van de
incidentele administratieve lasten voor
2014. In dat jaar wordt het fiscale
kader voor pensioenen immers aangepast.
De wijzigingen van het opbouwpercentage
en de pensioenrichtleeftijd vergen in
ieder geval aanpassingen van de
pensioenregelingen die als gevolg van de
aanpassingen van het Witteveenkader de
fiscale grenzen overschrijden. Een deel
van de administratieve lasten betreft
inhoudelijke nalevingskosten, omdat de
pensioenrichtleeftijd - en mogelijk
ook het opbouwpercentage - zoals
vermeld in het pensioenreglement
aangepast zullen rblz.|18|
worden. Daarnaast
zullen de gewijzigde
pensioenrichtleeftijd en
opbouwpercentages in de IT-systemen van
de pensioenuitvoerders moeten worden
verwerkt. Verder geeft het wetsvoorstel
in een beperkt aantal gevallen
aanleiding tot een wijziging van de
opbouw van inkomensvoorzieningen zoals
overeengekomen in (bancaire)
lijfrentecontracten. Het wetsvoorstel
creëert geen nieuwe
informatieverplichtingen. De
administratieve lasten vanwege de
fiscale aanpassingen worden tot en met
2015 geschat op €|20 miljoen
incidenteel.
Artikelsgewijs
Artikel
I (Wijziging van de Algemene
Ouderdomswet)
Onderdeel
A (artikel 1, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet)
De stapsgewijze verhoging van de leeftijd
waarop recht op ouderdomspensioen
ontstaat (de pensioengerechtigde
leeftijd) van 65 naar 67 jaar en de
daaropvolgende koppeling van die
leeftijd aan de geraamde macro
gemiddelde resterende levensverwachting
brengt met zich dat alle artikelen in de
AOW waarin de leeftijd van 65 jaar
voorkomt, moeten worden aangepast. In
dit wetsvoorstel wordt geregeld dat in
al die artikelen de leeftijdsaanduiding
van 65 jaar wordt vervangen door de
omschrijving "pensioengerechtigde
leeftijd". De pensioengerechtigde
leeftijd wordt in het voorgestelde
nieuwe onderdeel van artikel
1, eerste
lid, omschreven als "leeftijd, bedoeld
in artikel 7a, waarop recht op
ouderdomspensioen ontstaat". In artikel
7a wordt bepaald dat de
pensioengerechtigde leeftijd in elf
stappen van één tot drie maanden wordt
verhoogd tot 67 jaar in 2023. De verdere
verhoging van die leeftijd moet
jaarlijks bij algemene maatregel van
bestuur (AMvB) worden vastgesteld, voor
de eerste maal uiterlijk op 1 januari
2019 voor het jaar 2024. Die verhoging
treedt dan telkens in werking vijf jaar na
de uiterste datum van vaststelling, voor
de eerste maal met ingang van 1 januari
2024.
Op
deze wijze wordt bereikt dat de
stapsgewijze verhoging van de
pensioengerechtigde leeftijd niet in
ieder artikel waarin thans de
pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar
voorkomt, behoeft te worden opgenomen en
kan het in de toekomst verder verhogen
van de pensioengerechtigde leeftijd
eenvoudigweg worden gerealiseerd door
middel van vaststelling van de in
artikel 7a bedoelde AMvB.
Het
voorgaande geldt ook voor de
aanvangsleeftijd. In dit wetsvoorstel
wordt geregeld dat in al die artikelen
waarin de leeftijd van 15 jaar voorkomt
de leeftijdsaanduiding van 15 jaar wordt
vervangen door de omschrijving "aanvangsleeftijd". De
aanvangsleeftijd wordt in het
voorgestelde nieuwe onderdeel van
artikel 1, eerste lid, omschreven als
"leeftijd, bedoeld in artikel
7a, met
ingang waarvan een niet-verzekerd
tijdvak leidt tot een korting op het
ouderdomspensioen". In artikel
7a wordt
bepaald dat de aanvangsleeftijd in elf
stappen van één tot drie maanden wordt
verhoogd tot 17 jaar in 2023. De verdere
verhoging van die leeftijd moet
jaarlijks bij AMvB worden vastgesteld,
voor de eerste maal uiterlijk op 1
januari 2019 voor het jaar 2024. Die
verhoging treedt dan telkens in werking
vijf jaar na de uiterste datum van
vaststelling, voor de eerste maal met
ingang van 1 januari 2024.
In
artikel 7a, vierde lid, wordt het
CBS aangewezen als de instantie die de
ramingen van de macro gemiddelde
resterende levensverwachting uitvoert en
vaststelt. In verband daarmee wordt in
artikel 1, eerste lid, een definitie van
het CBS opgenomen.
rblz.|19|
Onderdelen
B, E,
F,
H en
K [lees: L,
red.] (artikelen 6, eerste
lid, aanhef, 7, onderdeel a en b, 8,
eerste lid, 9, vierde en vijfde lid, 11,
tweede lid, 29, eerste lid, onderdeel c,
en derde lid, 35, eerste en vierde lid,
37, onderdeel b, en 38, eerste lid, van
de Algemene Ouderdomswet)
De
verhoging van de pensioengerechtigde
leeftijd betekent, zoals gezegd, dat
alle artikelen in de
AOW waarin de
leeftijd van 65 jaar voorkomt, moeten
worden aangepast. Allereerst dient het
artikel te worden aangepast dat het
recht op ouderdomspensioen regelt (artikel
7, onderdeel a). Daarnaast
dienen de artikelen te worden aangepast
die betrekking hebben op het tijdvak van
opbouw van het ouderdomspensioen (artikelen
6, eerste lid, aanhef, en 7,
onderdeel b) en het recht op toeslag
(artikel 8, eerste lid). Ook de
leeftijdsaanduiding in de bepalingen
over de berekening van het
bruto-ouderdomspensioen en de
inkomensvrijstelling moet worden
aangepast (artikel
9, vierde en vijfde
lid, en 11, tweede lid) . Verder dient
ook de leeftijdsgrens in de artikelen
die betrekking hebben op de
vakantie-uitkering en de vrijwillige
verzekering te worden aangepast (artikelen
29, eerste lid, onderdeel c,
en derde lid, 35, eerste en vierde lid,
37, onderdeel
b en 38, eerste lid).
Onderdeel
C (artikel 7, onderdeel b, van de
Algemene Ouderdomswet)
De
keuze om tegelijk met de verhoging van
de pensioengerechtigde leeftijd ook de
leeftijd waarop de opbouw van het
ouderdomspensioen start (de
aanvangsleeftijd), te verhogen, maakt
het noodzakelijk artikel
7, onderdeel b,
aan te passen. In het artikel (zie ook
onderdeel B) wordt tot uitdrukking
gebracht dat recht op ouderdomspensioen
bestaat als de pensioengerechtigde
leeftijd is bereikt en men verzekerd is
geweest in het tijdvak aanvangende met
de dag waarop de aanvangsleeftijd is
bereikt en eindigende met de dag
voorafgaande aan de dag waarop de
pensioengerechtigde leeftijd is bereikt.
Dit betekent dat de huidige
opbouwperiode van 50 jaar ongewijzigd
blijft.
Onderdeel
D (artikel
7a Algemene
Ouderdomswet)
In
dit onderdeel worden de
pensioengerechtigde en de
aanvangsleeftijd in elf jaarlijkse
stappen van één, twee of drie maanden
verhoogd van 65 jaar naar 67 jaar in
2023 en daarna gekoppeld aan de
ontwikkeling van de macro gemiddelde
resterende levensverwachting. De
verhoging van de pensioengerechtigde
leeftijd en aanvangsleeftijd vindt vanaf
2013 steeds ieder kalenderjaar plaats.
Dit betekent dat in 2013 alle personen
die in dat jaar de leeftijd van 65 jaar
en één maand bereiken recht op
ouderdomspensioen krijgen; in 2014
krijgen alle personen die in dat jaar de
leeftijd van 65 jaar en twee maanden
bereiken recht op ouderdomspensioen, etc.
Dit betekent dat de pensioengerechtigde
leeftijd en de aanvangsleeftijd voor
personen die zijn geboren vóór 1 januari
1948 (de personen die vóór 1 januari
2013 de leeftijd van 65 jaar bereiken)
ongewijzigd blijven. De verhoging vindt
plaats volgens een systematiek waarbij
de pensioengerechtigde leeftijd en de
aanvangsleeftijd de eerste drie jaren
telkens met één maand worden verhoogd,
de daaropvolgende drie jaar telkens met
twee maanden en de daaropvolgende vijf
jaar telkens met drie maanden, totdat de
pensioengerechtigde leeftijd van 67 jaar
en de aanvangsleeftijd van 17 jaar zijn
bereikt. De verhoging is dus geringer
naargelang personen zich op dit moment
dichter bij de pensioengerechtigde
leeftijd bevinden. In onderstaande tabel
wordt dit inzichtelijk gemaakt.
rblz.|20|
Tabel
8. Verhoging
AOW-leeftijd:
| Verhoging
in |
Verhoging
in maanden |
AOW-leeftijd |
Dit
betreft de personen geboren |
|
2012
of eerder |
– |
65 |
vóór
1 januari 1948 |
|
2013 |
1 |
65
+ 1 maand |
na
31 december 1947 en vóór 1
december 1948 |
|
2014 |
1 |
65
+ 2 maanden |
na
30 november 1948 en vóór 1
november 1949 |
|
2015 |
1 |
65
+ 3 maanden |
na
31 oktober 1949 en vóór 1 oktober
1950 |
|
2016 |
2 |
65
+ 5 maanden |
na
30 september 1950 en vóór 1
augustus 1951 |
|
2017 |
2 |
65
+ 7 maanden |
na
31 juli 1951 en vóór 1 juni 1952 |
|
2018 |
2 |
65
+ 9 maanden |
na
31 mei 1952 en vóór 1 april 1953 |
|
2019 |
3 |
66 |
na
31 maart 1953 en vóór 1 januari
1954 |
|
2020 |
3 |
66
+ 3 maanden |
na
31 december 1953 en vóór 1 oktober
1954 |
|
2021 |
3 |
66
+ 6 maanden |
na
30 september 1954 en vóór 1 juli
1955 |
|
2022 |
3 |
66
+ 9 maanden |
na
30 juni 1955 en vóór 1 april 1956 |
|
2023 |
3 |
67 |
na
31 maart 1956 en vóór 1 januari
1957 |
|
2024 |
0
of 3 |
bij
AMvB vast te stellen vóór 1
januari 2019 |
na
31 december 1956 |
|
2025 |
0
of 3 |
bij
AMvB vast te stellen vóór 1
januari 2020 |
|
| x |
x |
etc. |
x |
Verder
bepaalt het artikel dat er ieder jaar,
voor de eerste maal uiterlijk op 1
januari 2019, bij AMvB een besluit moet
worden genomen over de verdere verhoging
van de pensioengerechtigde en de
aanvangsleeftijd indien uit de
berekening aan de hand van de genoemde
formule blijkt dat de ontwikkeling van
de levensverwachting daar aanleiding toe
geeft. Die verhoging treedt telkens in
werking vijf jaar na de uiterste datum
waarop de AMvB moet worden vastgesteld
(derde lid). De eventuele eerste
verhoging treedt in werking met ingang
van 1 januari 2024 en zal betrekking
hebben op de personen die zijn geboren
na 31 december 1956.
De
verhoging moet worden vastgesteld
volgens de in het tweede lid opgenomen
formule. Verder is bepaald dat de
jaarlijkse verhoging niet meer dan drie
maanden mag bedragen en dat als de
toepassing van de formule tot een
negatieve uitkomst of vóór afronding
tot een verhoging van minder dan drie
maanden leidt, de verhoging nihil is
(tweede lid).
In
de formule wordt uitgegaan van de
geraamde macro gemiddelde resterende
levensverwachting op 65-jarige leeftijd
in de periode 2000-2009 (de zogenaamde
referentieperiode, weergegeven met het
getal "18,26") en de geraamde macro
gemiddelde resterende levensverwachting
op 65-jarige leeftijd in het
kalenderjaar van de verhoging. De
ramingen voor dit laatste getal moeten
worden uitgevoerd en bekendgemaakt door
het
CBS.
Bekendmaking is voorgeschreven om te
waarborgen dat de ramingen openbaar
zijn.
Onderdeel
G (artikel 13 van de Algemene
Ouderdomswet)
Het
ouderdomspensioen, bedoeld in de
AOW, is
onder meer afhankelijk van het aantal
verzekerde jaren. Wie tussen het 15de en
65ste jaar, dus gedurende 50 jaar,
verzekerd is geweest, krijgt recht op
het volledige rblz.|21|
ouderdomspensioen. Voor
elk niet-verzekerd jaar vindt een
korting van (100:50=) 2% op het
ouderdomspensioen plaats.
Als
de leeftijd waarop recht op
ouderdomspensioen ontstaat, wordt
verhoogd, dan zou, zonder verdere
aanpassingen, daarmee tevens de
opbouwperiode worden verlengd. Daarom is
er in artikel
7a voor gekozen om
tegelijk met de verhoging van de
pensioengerechtigde leeftijd ook de
leeftijd waarop de opbouw van het
ouderdomspensioen start (de
aanvangsleeftijd) te verhogen. Daartoe
is het noodzakelijk om ook artikel 13
aan te passen.
Onderdeel
I [lees: Onderdeel
J, red.] (artikel 32 van de
Algemene
Ouderdomswet)
Van
de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om
uit de opsomming van artikelen die
overeenkomstige toepassing vinden ten
aanzien van de vakantie-uitkering,
artikel 25 te schrappen. Het bedoelde
artikel 25 is al enige tijd geleden
komen te vervallen (zie artikel VI,
onderdeel E, van de Wet
boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid).
Onderdeel
H (artikel 22 van de Algemene
Ouderdomswet)
Het
voorgestelde nieuwe artikel 22 van de
AOW strekt ertoe voor de SVB
een
verplichting in het leven te roepen om
een voorschot te betalen in de maand of
de maanden tussen de 65ste verjaardag en
de pensioengerechtigde leeftijd. De SVB
is verplicht een voorschot te verlenen
als een toekomstige pensioengerechtigde
daarom vraagt. Het recht om een
voorschot op het ouderdomspensioen te
vragen, is alleen toegekend aan personen
waarvan de pensioengerechtigde leeftijd
overeenkomstig artikel
7a, eerste lid, onderdeel b, c of d, in de jaren 2013,
2014 en 2015 is vastgesteld op
respectievelijk 65 jaar en één maand, 65
jaar en twee maanden of 65 jaar en drie
maanden. Op grond van het tweede lid
gaat het voorschot in met ingang van de
dag waarop de verzoeker de leeftijd van
65 jaar bereikt. Indien een voorschot
wordt verleend aan een toekomstige
pensioengerechtigde waarvan de
AOW-leeftijd met één maand is verhoogd,
dan wordt dat voorschot verrekend met
het ouderdomspensioen over de eerste zes
volledige kalendermaanden na het
bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd. Indien een voorschot wordt
verleend aan een toekomstige
pensioengerechtigde waarvan de
AOW-leeftijd met twee maanden is
verhoogd, dan wordt dat voorschot
verrekend met het ouderdomspensioen over
de eerste twaalf volledige
kalendermaanden na het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd. Indien een
voorschot wordt verleend aan een
toekomstige pensioengerechtigde waarvan
de AOW-leeftijd met drie maanden is
verhoogd, dan wordt dat voorschot
verrekend met het ouderdomspensioen over
de eerste achttien volledige
kalendermaanden na het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd.
De
voorschotregeling is bedoeld als een
tijdelijke regeling alleen bestemd voor
pensioengerechtigden waarvan de
pensioengerechtigde leeftijd in de jaren
2013, 2014 en 2015 is vastgesteld op
respectievelijk 65 jaar en één maand, 65
jaar en twee maanden en 65 jaar en drie
maanden. Daarom vervalt de regeling
nadat deze feitelijk is uitgewerkt.
Onderdelen
J, K en
L
[lees: Onderdelen
K, L en
M, red.]
(artikelen 35, 37 en 38 van de
Algemene Ouderdomswet)
De
aanpassing van de periode waarin de
opbouw van het ouderdomspensioen
plaatsvindt, impliceert dat ook de
leeftijdsgrenzen in de artikelen die
betrekking hebben op het tijdvak van
opbouw van de vrijwillige
ouderdomsverzekering dienovereenkomstig
moeten worden aangepast.
Artikel
35, eerste lid, bepaalt dat de gewezen
verzekerde van 15 jaar of ouder zich,
zolang hij de leeftijd van 65 jaar nog
niet heeft bereikt, rblz.|22|
vrijwillig kan
verzekeren over een periode van maximaal
tien jaar met ingang van de dag waarop de
verplichte verzekering is geëindigd.
Dit artikel wordt zodanig aangepast (zie
ook artikel I, onderdeel
B) dat voor de
gewezen verzekerde die de
aanvangsleeftijd heeft bereikt de
mogelijkheid van vrijwillige verzekering
blijft bestaan zolang hij de
pensioengerechtigde leeftijd nog niet
heeft bereikt.
In
artikel 37, aanhef en onder b, is
bepaald dat de vrijwillige verzekering
eindigt met ingang van de dag waarop de
gewezen verzekerde 65 jaar wordt. Ook in
dit artikelonderdeel wordt de
leeftijdsgrens vervangen door de
aanduiding "pensioengerechtigde
leeftijd".
Artikel
38 regelt dat een verzekerde die niet
eerder verplicht verzekerd is geweest
zich, zolang hij de leeftijd van 65 jaar
niet heeft bereikt, vrijwillig kan
verzekeren vanaf de 15-jarige leeftijd
over de achterliggende periode waarin
hij niet verzekerd is geweest. Ook de
aanduiding van de leeftijdsgrenzen in
dit artikel wordt aangepast.
Onderdeel
M [lees: Onderdeel
N, red.] (artikel 48, vijfde lid, van de
Algemene Ouderdomswet)
Artikel
48 van de
AOW bevat, in samenhang met
hoofdstuk 5 van de Wet financiering
sociale verzekeringen, een regeling voor
gemoedsbezwaarden. Degene die op grond
van een ontheffing van de SVB
wegens
gemoedsbezwaren premievervangende
belasting heeft betaald, heeft recht op
een uitkering die gelijk is aan het
bedrag van het ouderdomspensioen en
vakantie-uitkering waarop de
belanghebbende krachtens de
AOW recht
heeft. Van de gelegenheid is gebruik
gemaakt om de in het vijfde lid
opgenomen afwijkingsmogelijkheid te
beperken tot die artikelen ten aanzien
waarvan in de op dit lid gebaseerde
ministeriële regeling reeds is
afgeweken (Regeling van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 15 mei 1985, nr.
85/903 (Stcrt. 1985, 98)).
Onderdeel
N [lees: Onderdeel
O, red.] (paragraaf 2 van hoofdstuk VIII van de
Algemene Ouderdomswet)
Volledigheidshalve
wordt erop gewezen dat de
leeftijdsgrenzen die zijn opgenomen in
de paragrafen 1
(artikel 55) en
2 (artikel
58) van hoofdstuk VIII niet
behoeven te worden aangepast. Deze
paragrafen bevatten het overgangsrecht
ten tijde van de invoering van de
AOW met ingang van 1 januari 1957. De
stapsgewijze verhoging van de
AOW-gerechtigde leeftijd is niet van
invloed op dit overgangsrecht, omdat
voor degenen die geboren zijn vóór 1
januari 1948 de AOW-leeftijd niet
verandert.
Paragraaf
2 (artikelen 58 tot en met
61) heeft
betrekking op personen die vóór of op
1 januari 1957 de leeftijd van 65 jaar
hebben bereikt. Artikel 58 bepaalt dat
degene die vóór of op 1 januari 1957 de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en
die - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de voleindiging
van zijn 59ste levensjaar in Nederland,
Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de
openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba heeft gewoond, recht
heeft op ouderdomspensioen. Van de
categorie personen waar het hier om
gaat, zou de jongste persoon, dat wil
zeggen degene die daags vóór 1 januari
1957 65 is geworden, per 1 januari 2012
120 jaar zijn. Omdat er geen
AOW-gerechtigden van die leeftijd zijn,
heeft paragraaf 2 feitelijk geen
betekenis meer en kan deze vervallen.
In
verband met het vervallen van paragraaf
2 van hoofdstuk VIII wordt paragraaf 3
van dat hoofdstuk vernummerd tot
paragraaf 2.
Onderdeel
O [lees: Onderdeel
P, red.] (artikel
# van de Algemene
Ouderdomswet)
In
1995 is besloten dat
AOW-gerechtigden
vanaf 2015 geen recht meer hebben op de
AOW-partnertoeslag. Aan het slot van
paragraaf 2 van hoofdstuk VIII wordt een
overgangsbepaling opgenomen die ertoe
strekt gehuwde pensioengerechtigden
geboren in november en december 1949 rblz.|23|
die
enkel als gevolg van de verhoging van de
AOW-leeftijd zoals in dit wetsvoorstel
voorgesteld, hun recht op partnertoeslag
zouden verliezen, toch dat recht te
laten behouden. Ten aanzien van de in
deze overgangsbepaling geregelde toeslag
is artikel 8, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel
II (Wijziging van de Wet werk en
bijstand)
De
in dit artikel opgenomen wijzigingen
betreffen de Wwb.
De in het voorgestelde artikel 22 van de
AOW opgenomen voorschotregeling biedt
personen waarvan de pensioengerechtigde
leeftijd overeenkomstig artikel
7a,
eerste lid, onderdeel b, c of
d, in de
jaren 2013, 2014 en 2015 is vastgesteld
op respectievelijk 65 jaar en één maand,
65 jaar en twee maanden of 65 jaar en
drie maanden, de mogelijkheid om bij de SVB
een voorschot op het
ouderdomspensioen te vragen. Het betreft
hier een mogelijkheid waarvan
pensioengerechtigden al dan niet gebruik
van kunnen maken. Voor
bijstandsgerechtigden dreigt deze
keuzemogelijkheid onvoldoende tot haar
recht te komen door het in de Wwb geldende uitgangspunt dat alle
voorliggende voorzieningen waarop een
beroep kan worden gedaan en alle
vermogens- en inkomensbestanddelen
waarover redelijkerwijs kan worden
beschikt, moeten worden aangewend voor
het levensonderhoud. Dit zou betekenen
dat bijstandsgerechtigden verplicht
kunnen worden gebruik te maken van de
mogelijkheid om een voorschot op het
AOW-ouderdomspensioen aan te vragen
(artikel 22 van de
AOW (nieuw)). Dat is
niet de bedoeling van de regering. Ook
voor bijstandsgerechtigden moet het
aanvragen van een voorschot op het
AOW-ouderdomspensioen een
keuzemogelijkheid zijn. Daarnaast vindt
het kabinet het belangrijk dat ook voor
bijstandsgerechtigden geldt dat langer
(door)werken de norm is. Met deze
wijzigingen wordt tegemoetgekomen aan de
bedoeling van de regering. Eén en ander
geschiedt door de mogelijkheid van het
gebruik maken van artikel 22 van de
AOW uit te zonderen in de artikelen 15 (geen
beroep op voorliggende voorziening) en
31 (niet redelijkerwijs kunnen
beschikken over vermogens- en
inkomensbestanddeel) van de Wwb. Voor de
duidelijkheid zij opgemerkt dat als de
belanghebbende wel gebruik maakt van de
mogelijkheid om een voorschot te vragen
op het AOW-ouderdomspensioen, dit
voorschot vanzelfsprekend wel een middel
is waarover beschikt kan worden.
Artikel
III (Wijziging van de Wet
inkomstenbelasting 2001)
Artikelen
3.68 en 3.127 van de Wet
inkomstenbelasting 2001
Op
grond van artikel 3.68, eerste lid, van
de Wet
IB 2001 geldt thans een
percentage van 12% van de winst voor de
jaarlijkse dotatie aan de fiscale
oudedagsreserve (FOR). Vanwege de
voorgestelde aanpassing van de
opbouwruimte in hoofdstuk IIb van de Wet
op de loonbelasting 1964 (Wet LB)
(werknemerspensioen) en de voorgestelde
verlaging van de fiscaal gefaciliteerde
premieaftrek in de (bancaire en
niet-bancaire) lijfrentesfeer wordt
voorgesteld het dotatiepercentage van de
FOR te verlagen. Het is de bedoeling dat
in 2014 het dotatiepercentage wordt
verlaagd naar 10,9%. Vervolgens wordt
het dotatiepercentage gekoppeld aan de
ontwikkeling van de macro gemiddelde
resterende levensverwachting. Daartoe
wordt geregeld dat het dotatiepercentage
jaarlijks bij algemene maatregel van
bestuur wordt gewijzigd. Het
dotatiepercentage wordt steeds verlaagd
met 0,4 procentpunt zodra de
pensioenrichtleeftijd, bedoeld in
artikel 18a, zesde lid, Wet
LB, met één jaar wordt verhoogd. Net als bij een
verhoging van de hiervoor bedoelde
pensioenrichtleeftijd, zal de verlaging
van het dotatiepercentage voor de
oudedagsreserve rblz.|24|
minimaal één jaar
voorafgaand aan de wijziging worden
bekendgemaakt.
Met
de voorgestelde wijziging van artikel
3.127 van de Wet
IB 2001 wordt de
fiscale ruimte voor aftrek van de inleg
in (bancaire en niet-bancaire)
lijfrenten die dienen ter compensatie
van een pensioentekort verminderd. Het
(maximum)premiepercentage van 17% van
de premiegrondslag wordt in dat kader in
2014 verlaagd naar 15,5%. Vervolgens
wordt dat premiepercentage gekoppeld aan
de ontwikkeling van de macro gemiddelde
resterende levensverwachting. Daartoe
wordt geregeld dat het premiepercentage
jaarlijks bij algemene maatregel van
bestuur wordt gewijzigd. Het percentage
wordt verlaagd met 0,6 procentpunt zodra de
pensioenrichtleeftijd, bedoeld in
artikel 18a, zesde lid, van de Wet
LB, met één jaar wordt verhoogd. Net
als bij een verhoging van de hiervoor
bedoelde pensioenrichtleeftijd, zal een
verlaging van het (maximum)premiepercentage voor (bancaire en
niet-bancaire) lijfrenten minimaal één
jaar voorafgaand aan de wijziging worden
bekendgemaakt.
Naast
deze verlaging van het premiepercentage
is een aanpassing van de zogenoemde
imputatieregeling in de derde pijler
opgenomen. Op grond van de op dit punt
voorgestelde wijziging wordt de
vermenigvuldigingsfactor van 7,5 in 2014
verlaagd tot 7,2. Vervolgens wordt deze
factor, waarvan de hoogte mede
afhankelijk is van de hoogte van het
premiepercentage, automatisch aangepast
bij een volgende wijziging van het
premiepercentage als gevolg van de
ontwikkeling van de levensverwachting.
Net als de wijziging van het
premiepercentage wordt de wijziging van
de vermenigvuldigingsfactor daartoe
gekoppeld aan de met de ontwikkeling van
de levensverwachting samenhangende
verhogingen van de pensioenrichtleeftijd
in de tweede pijler. Deze wijziging
voorkomt dat het in de tweede pijler
opgebouwde pensioen via de
imputatieregeling sterker zou doorwerken
in de bepaling van de (resterende)
opbouwruimte in de derde pijler dan nu
het geval is.
Artikel
IV (Wijziging van de Wet op de
loonbelasting 1964)
Artikelen
18, 18a, 18b, 18c,
18d, 18e en 38g van
de Wet op de loonbelasting 1964
Het
in de Wet
LB opgenomen regime voor
het werknemerspensioen wordt gewijzigd.
De in dat kader voorgestelde wijziging
van artikel 18a van de Wet
LB ziet
allereerst op de inperking van het
zogenoemde Witteveenkader in verband met
de stijging van de levensverwachting van
de Nederlandse bevolking. Om hiermee
rekening te houden, wordt de fiscale
pensioenrichtleeftijd verhoogd in
verband met de ontwikkeling van de
resterende levensverwachting op
65-jarige leeftijd. De
pensioenrichtleeftijd wordt in 2014
verhoogd naar 67 jaar en vervolgens
vindt een koppeling aan de ontwikkeling
van de macro gemiddelde resterende
levensverwachting plaats. Jaarlijks
wordt bepaald in hoeverre de
ontwikkeling van de levensverwachting
tot een verdere verhoging van de
pensioenrichtleeftijd leidt. Deze
aanpassing vindt bij algemene maatregel
van bestuur plaats in stappen van één
jaar. Die (eventuele) verhoging van de
fiscale pensioenrichtleeftijd bij AMvB vindt voor het eerst plaats per 1
januari 2015, waarbij een verhoging
steeds ten minste één jaar van tevoren
wordt bekendgemaakt. In de formule wordt
uitgegaan van de geraamde macro
gemiddelde resterende levensverwachting
van de Nederlandse bevolking op
65-jarige leeftijd in de periode 2000-2009
(deze zogenaamde referentieperiode is
weergegeven met het getal "18,26") en
de geraamde macro gemiddelde resterende
levensverwachting op 65 jarige leeftijd
tien jaar na het kalenderjaar van de
verhoging. De raming van dit laatste
getal moet worden uitgevoerd en
vastgesteld door het CBS, evenals dat is
gebeurd ter bepaling van de
referentieperiode.
rblz.|25| In verband met de taakstellende opbrengst
van €|700 miljoen worden
tegelijkertijd de maximale
opbouwpercentages per dienstjaar
aangepast. Deze taakstelling leidt tot
een verlaging van het
maximumopbouwpercentage voor
ouderdomspensioen tot 1,9% voor
eindloon. Daarmee wordt het uitgangspunt
dat in 37 jaar tot een ouderdomspensioen
van 70% van het laatstverdiende loon kan
worden gekomen. Voor middelloon wordt
het maximumopbouwpercentage per
dienstjaar vastgesteld op 2,15%. In lijn
met het voorgaande wordt voor een op een
beschikbarepremiestelsel gebaseerd
ouderdomspensioen geregeld dat ook bij
de bepaling van de beschikbare premie
voortaan wordt uitgegaan van 37
opbouwjaren in plaats van 35
opbouwjaren.
Met
de voorgestelde wijziging van artikel 18b van de
Wet
LB worden de
maximale opbouwpercentages voor
partnerpensioen verlaagd in lijn met de
verlaging van de percentages voor het
ouderdomspensioen. Dit leidt tot een
percentage van 1,33 voor opbouw op basis
van eindloon en 1,51 voor opbouw op
basis van middelloon. Voor beschikbare
premieregelingen hoeft hier niets te
worden geregeld, omdat de met betrekking
tot het ouderdomspensioen aangebrachte
wijziging op grond van artikel 18b,
derde lid, van de Wet
LB automatisch van overeenkomstige
toepassing is op het partnerpensioen.
Met
de voorgestelde aanpassing van artikel
18c van de Wet
LB worden de
maximale opbouwpercentages voor
wezenpensioen in lijn met de percentages
voor ouderdomspensioen en
partnerpensioen verlaagd. De maximale
opbouwpercentages voor wezenpensioen
bedragen dan 0,27 voor opbouw op basis
van eindloon en 0,3 voor opbouw op basis
van middelloon. Voor beschikbare
premieregelingen hoeft hier niets te
worden geregeld, omdat de met betrekking
tot het ouderdomspensioen aangebrachte
wijziging op grond van artikel 18c,
derde lid, van de Wet
LB automatisch van overeenkomstige
toepassing is op het wezenpensioen.
Verder
wordt aan artikel 18d, eerste lid, van
de Wet
LB een onderdeel toegevoegd
dat regelt dat een overschrijding van de
wettelijke maxima voor ouderdomspensioen
is toegestaan voor zover deze het gevolg
is van een aanpassing van de in de
pensioenregeling vastgestelde
ingangsdatum van het ouderdomspensioen
aan de pensioenrichtleeftijd. Dit maakt
het mogelijk om bestaande
pensioenaanspraken na een verhoging van
de pensioenrichtleeftijd ten gevolge van
ontwikkelingen in de levensverwachting
op collectieve basis actuarieel neutraal
om te zetten in aanspraken op basis van
de nieuwe pensioenrichtleeftijd.
Overschrijding van de wettelijke maxima
voor ouderdomspensioen is in die
situatie in zoverre toegestaan. Hiermee
wordt onder meer bewerkstelligd dat een
collectieve aanpassing van opgebouwde
pensioenaanspraken aan de nieuwe
pensioenrichtleeftijd niet wordt
verhinderd door de zogenoemde
100%-begrenzing in artikel 18a van de
Wet
LB.
Met
de voorgestelde wijzigingen in artikel
18, 18e en 38g van de Wet
LB wordt
geregeld dat de relevante grenzen voor
de thans nog als
40-deelnemingsjarenpensioen aangeduide
pensioenvorm worden aangepast. Dit geldt
zowel voor het vereiste aantal
deelnemingsjaren als voor het
leeftijdscriterium. Deze criteria zullen
op gelijke wijze aangepast worden als de
wijziging van de
AOW-leeftijd. Als
gevolg van deze wijzigingen mag
bijvoorbeeld per 2019 het
41-deelnemingsjarenpensioen bij ingang
van het pensioen op 64-jarige leeftijd
(en ten minste 41 deelnemingsjaren) met
inbegrip van het ouderdomspensioen (en
vanaf het moment waarop de
AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt
tevens met inbegrip van een forfaitair
AOW-bedrag) 70% van het pensioengevend
loon bedragen. In 2019 is immers
voorzien dat de AOW-leeftijd met één
jaar is opgehoogd. Per 2021, het
tijdstip waarop de AOW-leeftijd 66,5
jaar zal belopen, zal het wettelijk
vereiste aantal deelnemingsjaren op 41,5
worden gesteld. De vereiste leeftijd bij
ingang van deze pensioenvorm bedraagt
dan 64,5 jaar. Vanaf 2024, nadat de
AOW-leeftijd van 67 rblz.|26|
jaar is bereikt,
wordt de AOW-leeftijd aangepast aan de
ontwikkeling van de macro gemiddelde
resterende levensverwachting. Mutatis
mutandis zullen zowel het
deelnemingsjarencriterium als het
leeftijdcriterium deze ontwikkeling
volgen. Dit laatste zal steeds bij
algemene maatregel van bestuur
geschieden via het voorgestelde artikel
18e, zesde lid, van de Wet
LB.
Artikel
V (Tijdelijke delegatiegrondslag)
Zoals
in het algemeen deel van deze memorie is
aangegeven, zullen de overige sociale
verzekeringen en sociale voorzieningen
doorlopen tot de nieuwe
AOW-leeftijd.
Daartoe is het nodig de socialezekerheidswetten aan te passen. Ook
andere wetten waarin leeftijdsgrenzen
voorkomen die overeenkomen met of zijn
ontleend aan de AOW-leeftijd zullen
moeten worden aangepast. Om burgers,
bedrijven en instellingen zoveel
mogelijk tijd te geven om zich op deze
aanpassingen voor te bereiden, dienen de
noodzakelijke aanpassingen op zo kort
mogelijke termijn tot stand te komen,
zodat er voldoende tijd van
voorbereiding is tot aan het beoogde
tijdstip van inwerkingtreding van 1
januari 2013. Om dit te bereiken, is in
artikel V een tijdelijke grondslag
opgenomen om de in verband met de
verhoging van de AOW-leeftijd
noodzakelijke aanpassingen in formele
wetgeving bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen. Omdat een
dergelijke algemene maatregel van
bestuur naar verwachting sneller tot
stand zal komen dan een aanpassingswet,
wordt daarmee bereikt dat er na de
totstandkoming van de betreffende
wetswijzigingen tot aan de
inwerkingtreding daarvan sprake zal zijn
van aanzienlijk meer tijd voor
voorbereiding.
De
delegatiebepaling geeft de regering de
bevoegdheid om de noodzakelijke
wetswijzigingen bij algemene maatregel
van bestuur te realiseren. De regering
streeft ernaar dit wetsvoorstel [lees:
dat wetsvoorstel, red.] zo
spoedig mogelijk in werking te laten
treden en doet een dringend beroep op de
beide kamers der Staten-Generaal om het
wetsvoorstel nog vóór het zomerreces van
2012 te behandelen. Alleen dan zal het
mogelijk zijn de verhoging van de
AOW-leeftijd per 1 januari 2013 te
realiseren.
De
regering realiseert zich dat zij in dit
verband voorstelt haar een
uitzonderlijke bevoegdheid te
verstrekken. De regering vertrouwt erop
dat voor de noodzaak van deze stap
begrip zal bestaan. Die noodzaak wordt
ingegeven door de in het
Stabiliteitsprogramma Nederland
opgenomen maatregel om de
pensioengerechtigde leeftijd al met
ingang van 1 januari 2013 te verhogen.
De
maatregelen die met gebruikmaking van de
bedoelde bevoegdheid tot stand worden
gebracht, moeten zo spoedig mogelijk na
vaststelling van de algemene maatregel
van bestuur alsnog in een voorstel van
wet worden opgenomen, zodat de
Staten-Generaal kunnen bepalen of de
wijzigingen in stand blijven dan wel
ongedaan moeten worden gemaakt.
Zoals
in het artikel aangegeven, kan de
bevoegdheid uitsluitend worden gebruikt
voor wijzigingen die noodzakelijk zijn
in verband met de in de
AOW opgenomen
stapsgewijze verhoging van de
AOW-leeftijd.
Artikel
VI (Inwerkingtreding)
De
inwerkingtreding van artikel I van
dit wetsvoorstel, nadat het tot wet is
verheven, vindt plaats op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Het is de bedoeling dit artikel in
werking te laten treden met ingang van 1
januari 2013. De
AOW-leeftijdverhoging
vindt vanaf dat jaar stapsgewijs plaats.
De verhoging van de
pensioenrichtleeftijd en de verlaging
van de maximumopbouwpercentages in het
Witteveenkader, alsmede de - in lijn
daarmee aan te brengen - wijzigingen
in de derde pijler en bij de fiscale
oudedagsreserve treden in werking met
ingang van 1 januari 2014. rblz.|27|
Hiermee wordt
tegemoetgekomen aan de
uitvoeringspraktijk. Ten slotte zal de
aanpassing van het
deelnemingsjarenpensioen stapsgewijs
plaatsvinden, in lijn met de
AOW-leeftijdverhoging ingevolge artikel
7a van de AOW.
Artikel
VII (Citeertitel)
In
de citeertitel is tot uitdrukking
gebracht dat dit wetsvoorstel er in
hoofdzaak toe strekt de
pensioengerechtigde leeftijd in de
AOW en de pensioenrichtleeftijd in de
fiscale wetgeving (aangeduid als
respectievelijk de AOW-leeftijd en de
pensioenrichtleeftijd en in het
opschrift samen aangeduid als
pensioenleeftijd) te verhogen.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid ondertekent deze memorie
van toelichting mede namens de
Staatssecretaris van Financiën.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|