|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 207
Wijziging
van de wetgeving op het beleidsterrein van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kader van de
harmonisatie en aanscherping van de sanctiemogelijkheden ter versterking
van de naleving en handhaving en bestrijding van misbruik en fraude (Wet
aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Achtergrond
van het wetsvoorstel |
| 1.2 |
Uitgangspunten van het wetsvoorstel |
| 2 |
Hoofdlijnen wetsvoorstel |
| 2.1 |
Sociale zekerheid |
| 2.2 |
Arbeidswetten |
| 3 |
Ontvangen commentaren en
adviezen |
| 3.1 |
VNG,
Divosa en Uitvoeringspanel gemeenten |
| 3.2 |
Sociale
verzekeringsbank |
| 3.3 |
UWV |
| 3.4 |
Inspectie SZW |
| 3.5 |
Raad
voor de rechtspraak |
| 4 |
Financiële aspecten |
| 4.1 |
Financiële gevolgen sociale zekerheid |
| 4.2 |
Financiële gevolgen arbeidsregelingen |
| 4.3 |
Financiële gevolgen kinderopvangtoeslag |
| 4.4 |
Uitvoeringskosten |
| 4.5 |
Regeerakkoord |
| 5 |
Administratieve lasten |
| 6 |
Overgangsrecht |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XXV |
| xBijlage
1. Overzicht concrete stappen ter
verbetering naleving |
| xBijlage
2. Model hoofdlijnen sancties
arbeidsregelingen |
| xBijlage
3. Voorbeelden sancties huidige
situatie/nieuwe sancties na invoering
wetsvoorstel |
| xBijlage
4. Verwijtbare bijstandsvorderingen van
€|25 000,-
of meer per debiteur |
rblz.|2|
Algemeen
1.
Inleiding
1.1. Achtergrond
van het wetsvoorstel
De regering staat
voor een samenleving die mensen de kans biedt zich te ontwikkelen en
eigen initiatief beloont. Hierbij past een sociaal stelsel dat mensen
stimuleert en waar nodig een adequaat vangnet biedt, maar ook een
slagvaardige overheid die corrigeert wanneer mensen misbruik maken van
de solidariteit van de samenleving. Daarom heeft de regering in het
Regeerakkoord afgesproken fraude met uitkeringen harder aan te pakken.
De
sociale zekerheid en verantwoorde
arbeidsomstandigheden zijn essentiële
verworvenheden van de Nederlandse
samenleving. Werkende burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat alleen die
mensen die er recht op hebben een
uitkering of kinderopvangtoeslag
ontvangen. Ondernemers moeten erop
kunnen vertrouwen dat de overheid
oneerlijke concurrentie hard aanpakt.
De
regering kiest voor maatregelen om
iedereen zoveel mogelijk naar vermogen
te laten participeren in de samenleving.
Doel is om mensen perspectief te geven
op fatsoenlijk werk en inkomen en het
draagvlak voor sociale voorzieningen te
behouden. Fraudebestrijding in de
sociale zekerheid, de arbeidswetgeving
en de kinderopvangtoeslag is daarbij
cruciaal.
De
komende jaren investeert de regering in
betere informatie-uitwisseling (tussen uitvoeringsorganen onderling en met
publieke en private nutsbedrijven). Dit
verhoogt de pakkans. Ook investeert de
regering in goede voorlichting. Het is
belangrijk dat burgers en bedrijven de
regels kennen en dat zij weten wat de
gevolgen zijn als zij die overtreden.
Zie ook rblz.|3|
bijlage 1 voor een overzicht van
de concrete stappen die vanaf het begin
van het vorige decennium zijn gezet om
de naleving van de regelgeving door
burgers en bedrijven in het SZW-domein
te verbeteren.
Maar
versteviging van het handhavingsbeleid
is niet compleet zonder het
sanctieregime aan te scherpen. Gezien de
omvang en de hardnekkigheid van de
problematiek voldoet het bestaande
stelsel van punitieve sancties niet
meer.¹ Hogere straffen moeten mensen en
bedrijven bevestigen dat eerlijkheid het
langst duurt en hen ervan weerhouden om
in de verleiding te komen de regels te
overtreden. De regering wil de
maatschappelijke norm dat misbruik een
ernstige zaak is en streng bestraft moet
worden, beter tot uitdrukking laten
komen. Dit moet een duidelijk signaal
afgeven dat de samenleving fraude niet
accepteert en dat fraude niet mag lonen.
In het
Handhavingsprogramma 2011-2014
(Kamerstukken II 2010-2011, 17 050, nr.
402) heeft de regering gewezen op de
omvang en hardnekkigheid van de
fraudeproblematiek en in de brief van 10
maart 2011 (Kamerstukken II 2010-2011, 17
050, nr. 403) is een strenger
sanctiebeleid verder uitgewerkt. Dit
wetsvoorstel beoogt uitvoering te geven
aan het strengere frauderegime voor
zowel de sociale zekerheid als de arbeidswetgeving.
Het wetsvoorstel omvat
hiermee zowel de portefeuille van de
Minister als van de Staatssecretaris van
Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid.
1. Ter illustratie enkele
cijfers van 2010 (bron: Integrale Rapportage Handhaving 2010). Ook bij
meer gerichte inspecties werd in 18% van de inspecties illegale
tewerkstelling en/of onderbetaling geconstateerd. Het nalevingsniveau
van de zorgplicht van de Arbeidsomstandighedenwet
lag op 58% (van
de bedrijven). In bijna 82 000 gevallen was bij de Wwb en de regelingen
van UWV en SVB sprake van uitkeringsfraude door het niet nakomen van de
inlichtingenplicht, met een totaal [lees: van de inlichtingenplicht., red.].
1.2.
Uitgangspunten van het wetsvoorstel
Bij de
beoogde aanscherping van het
sanctieregime gaat de regering uit van
enkele basisprincipes. Deze liggen ten
grondslag aan de uitwerking die binnen
de verschillende domeinen van het
wetsvoorstel heeft plaatsgevonden.
Het
algemene uitgangspunt is dat sancties
onlosmakelijk verbonden zijn met de
solidariteit in de sociale zekerheid en
arbeidsregelingen. Fraude mag daarom
niet lonen en zwaardere sancties moeten
preventief werken. Zwaardere sancties
zijn geen doel op zichzelf.
Solidariteit
Het
sanctiebeleid is onlosmakelijk verbonden
met de solidariteit in onze sociale
zekerheid en arbeidsregelingen. Er is
een breed draagvlak voor onze sociale
zekerheid. Burgers zijn bereid elkaar
solidariteit te bieden, vooral ook omdat
zij zelf hechten aan de zekerheid van
een vangnet. Solidariteit impliceert dat
men alleen een beroep doet op publieke
middelen als dat strikt noodzakelijk is.
Fraude
mag niet lonen
•
Uitkeringsontvangers betalen te veel
ontvangen uitkering helemaal terug,
ongeacht de hoogte daarvan.
• Bij
fraude betalen ze daar bovenop als straf
een substantiële geldboete.
• Voor
bedrijven gaan de boetenormbedragen bij
overtreding van de arbeidswetten fors
omhoog.
Preventieve
werking door zwaardere sancties
Hogere
straffen en het hard aanpakken van
recidivisten moet mensen ervan
weerhouden in de verleiding te komen de
regels te overtreden.
• Bij
uitkeringsfraude vindt bij de eerste
overtreding naast de terugvordering
oplegging van een boete plaats die in
beginsel even hoog is als rblz.|4|
het ten
onrechte genoten voordeel. Bij recidive
legt het uitvoeringsorgaan naast de
terugvordering een boete op van 150% van het benadelingsbedrag. Deze
tweede boete wordt volledig verrekend
met de (toekomstige) uitkering waarbij
de verrekening plaatsvindt over de
beslagvrije voet, totdat de boete is
afbetaald. Uitzondering hierop is het
vangnet van de bijstand. Daar wordt bij
recidive de beslagvrije voet ten hoogste
drie maanden buiten werking gesteld.
• Voor
bedrijven volgt bij de tweede en derde
overtreding een extra verhoging van de
boete (twee- respectievelijk
drievoudig). Daarnaast kan de
toezichthouder ¹ bedrijven na een
overtreding de waarschuwing geven dat
bij herhaling van de overtreding de
werkzaamheden stilgelegd kunnen worden.
Normaliter
zal deze waarschuwing volgen na de
tweede overtreding (de maatregel wordt
dan geëffectueerd na de derde
overtreding). Bij ernstige overtredingen
kan de toezichthouder de waarschuwing
echter al na de eerste overtreding geven
en effectueren na de tweede. Bij
ernstige overtredingen zal de boete
reeds bij recidive worden
verdrievoudigd.
De
periode waarbinnen een tweede of derde
overtreding als recidive geldt,
harmoniseert de regering voor de
verschillende regelingen op vijf jaar.
Voor ernstige overtredingen verlengt de
regering de termijn naar tien jaar.
1. Voor de arbeidswetten is
de Inspectie SZW (voormalige Arbeidsinspectie) de voornaamste
toezichthouder. Daarnaast zijn het Staatstoezicht op de Mijnen en de
Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT, de voormalige Inspectie
Verkeer en Waterstaat) voor enkele deelterreinen de toezichthouder.
Straffen
is geen doel op zich
Mensen
moeten hun verplichtingen serieus nemen.
De voorgestelde straffen zijn fors, maar
zullen in verhouding staan tot de ernst
van de overtreding. Voor uiterste
maatregelen als het stilleggen van
werkzaamheden zullen in een algemene
maatregel van bestuur nadere criteria
worden vastgelegd.
2.
Hoofdlijnen wetsvoorstel
2.1.
Sociale zekerheid
Onze
sociale zekerheid is één van de
terreinen waarop de solidariteit tussen
burgers nadrukkelijk tot uitdrukking
komt. We moeten erop kunnen vertrouwen
dat alleen mensen die echt aanspraken
kunnen ontlenen aan de sociale zekerheid
er gebruik van maken. De regering neemt
het beschamen van dit vertrouwen hoog
op. Het voorkomen van misbruik wordt het
best bereikt wanneer iedereen weet dat
fraude niet loont.
Ondanks
de sterk verbeterde opsporingspraktijk
blijkt dat een relatief kleine maar
gestaag groeiende groep hardnekkige
fraudeurs verantwoordelijk is voor een
steeds groter deel van het totale
fraudebedrag (zie bijlage
4). Wanneer de
fraudeur getroffen wordt in zijn
portemonnee, zal dit een afschrikkend
effect hebben. Het huidige
sanctiestelsel heeft naar het oordeel
van de regering onvoldoende
ontmoedigende werking op de categorie
doelbewuste en calculerende fraudeurs.
De regering neemt hier geen genoegen mee
en stelt met dit wetsvoorstel een
strenger regime voor.
Wetenschappelijk
onderzoek naar naleving van socialezekerheidswetgeving dat zich richt op
het effect van sancties op de uitstroom
naar werk van werklozen in Nederland
heeft aangetoond dat sancties een
effectief middel zijn om de uitstroom
naar werk te versnellen. In
internationaal onderzoek uit Zwitserland
en Denemarken worden soortgelijke
effecten gevonden. Er is minder
onderzoek voorhanden naar het effect van
rblz.|5|
sancties op socialezekerheidsfraude.
Maar verwacht mag worden dat dit
positieve effect zich ook bij sancties
in relatie tot uitkeringsfraude zal
voordoen. Zie ook de reactie op het
advies van de Raad voor de rechtspraak
in paragraaf 3.5.
In dit
hoofdstuk wordt uitgewerkt wat de
strengere aanpak op hoofdlijnen voor de
sociale zekerheid betekent.
2.1.1. Het huidige
sanctiebeleid in de sociale zekerheid
Het
begrip uitkeringsfraude
In de
sociale zekerheid is het begrip fraude
direct verbonden met de voorwaarden voor
het recht op uitkering en de daarmee
samenhangende inlichtingenplicht. De
cliënt dient het uitkeringsorgaan te
informeren over veranderingen in zijn
situatie waarvan hij redelijkerwijs kan
begrijpen dat die van invloed kunnen
zijn op recht, hoogte of duur van de
uitkering. Er is sprake van
uitkeringsfraude als een verwijtbare
overtreding van deze verplichting
resulteert in onverschuldigde betaling
van de uitkering. Veel voorkomende
vormen van fraude zijn het niet melden
van betaald werk naast de uitkering, van
verandering in de leefsituatie of van
vermogen of bezittingen.
De
sanctie-instrumenten van UWV en SVB
Het
instrumentarium voor UWV en
SVB is in de
loop der jaren aangescherpt. De Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid van
1996 ¹ heeft van de bevoegdheid tot het
opleggen van sancties en het
terugvorderen van onverschuldigd
betalingen voor UWV en SVB een
wettelijke plicht gemaakt. Ook is met de
wet het bestuurlijk beboeten van
overtreding van de inlichtingenplicht
geïntroduceerd.² Dit maakt het voor UWV
en SVB mogelijk bij uitkeringsfraude lik
op stuk te geven in de vorm van een
boete.
1. Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248.
2. Voor de duidelijkheid: bij een maatregel past het uitkeringsorgaan de
uitkering aan (verlaging, opschorting/beëindiging). Bij een boete moet
betrokkene een boetebedrag betalen.
Het
sanctieregime van de gemeenten
Met de
Wet werk en bijstand (Wwb) is gemeenten
sinds 2004 de ruimte gegeven om, binnen
de kaders van de Wwb, zelf invulling te
geven aan het sanctiebeleid bij
overtreding van de in de wet vastgelegde
verplichtingen. In de Wwb
is in 2004 met
het oog op eenvoudigere/effectievere
handhaving gekozen voor één
sanctieregime, namelijk het opleggen van
maatregelen (aanpassing van de uitkering
naar de mate waarin cliënt de
wettelijke inlichtingenplicht heeft
verzaakt). Hiermee is de uit 1996
daterende bestuurlijke boete afgeschaft.
Strafrechtelijke
afdoening
Bij
uitkeringsfraude met een
benadelingsbedrag van in beginsel meer
dan €|10 000,- wordt strafrechtelijk
onderzoek ingesteld. In 2009 is met het
openbaar ministerie afgesproken deze zogenaamde aangiftegrens te verhogen naar €|10 000,- voor zwarte
fraude ¹ en naar
€|35 000,- voor witte fraude. Bij recidive
binnen vijf jaar volgt eerder
strafrechtelijk onderzoek, namelijk bij
een benadelingsbedrag van de eerste en
tweede overtreding samen van €|10
000,-.
1. Zwarte fraude is fraude
die niet door gegevensuitwisseling of het koppelen van bestanden te
achterhalen is.
2.1.2.
Aanscherping van het sanctiebeleid in de
sociale zekerheid
Uitgaande
van de eerder beschreven basisprincipes
werkt de regering de beoogde
aanscherping van het sanctieregime voor
de sociale zekerheid als volgt uit.
rblz.|6|
Fraude
mag niet lonen: helemaal terugbetalen
van onterechte uitkeringen
Het
uitgangspunt dat fraude niet mag lonen,
betekent dat mensen ten onrechte
ontvangen uitkeringen helemaal terug
moeten betalen. Dit is nu al wettelijk
voorgeschreven voor UWV
en SVB (rekening
houdend met de per leefsituatie geldende
beslagvrije voet). Ook veel gemeenten
hebben dit uitgangspunt in hun
verordeningen opgenomen.
Maar de
uitvoeringspraktijk kan per gemeente sterk verschillen. Sinds de invoering
van de Wwb hebben gemeenten
beleidsvrijheid om op dit punt eigen
beleid te voeren en daarbij prioriteiten
te stellen. Dit leidt ertoe dat
gemeenten ook rekening houden met de
kosten en baten van terugvordering.
Gelet op
de verschillen in uitvoeringspraktijk
per gemeente stelt de regering voor om
gemeenten te verplichten tot het
opleggen van terug- en invordering. Dit
leidt tot meer helderheid over de
gevolgen van niet-naleving, meer gelijke
behandeling en bevordert het het
draagvlak voor de sociale zekerheid.
Daarnaast
wil de regering de mogelijkheden voor
het afzien van het incasseren van de
terugvordering inperken. Op dit moment
kunnen UWV
en SVB afzien van (verdere)
invordering als een cliënt vijf jaar
volledig (rekening houdend met de
beslagvrije voet) aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan,
of als vijf jaar lang niet is betaald en
het ook niet aannemelijk is dat dit in
de toekomst zal gebeuren. De regering
stelt voor deze periode te verlengen
naar tien jaar. Ook voor gemeenten gaat
dit regime gelden. Dit zal alleen van
toepassing zijn op verwijtbare
vorderingen die zijn ontstaan na de
inwerkingtreding van deze
wet.
Gemeenten
moeten verwijtbare vorderingen gaan
terugvorderen. Dit betekent dat
kwijtschelding na afloop van een
schuldhulpverleningstraject alleen
mogelijk blijft voor niet-verwijtbare
schulden.
Zwaardere
sancties, ook bij gemeenten
Het
verhogen van de bestuurlijke boeten bij
fraude met uitkeringen en
kinderopvangtoeslag is het tweede
onderdeel van de voorgestelde aanpak van
fraude. De regering stelt een verhoging
voor naar in beginsel 100% van
het benadelingsbedrag. Dit komt overeen
met de gangbare strafmaat bij belasting-
en premiefraude.
Daarnaast
wil de regering het instrument van de
bestuurlijke boete voor gemeenten
herinvoeren in de Wwb,
Ioaw en Ioaz. Op
dit moment kennen gemeenten alleen het
instrument van de bestuurlijke maatregel
(geheel of gedeeltelijke verlaging van
de uitkering) en niet de mogelijkheid
van de bestuurlijke boete. In het
Handhavingsprogramma 2011-2014 heeft
de regering de herinvoering bij
gemeenten van de bestuurlijke boete
aangekondigd. Gemeenten kunnen dan ook
een boete opleggen als iemand geen
uitkering van de gemeente meer heeft.
Dit maakt het mogelijk fraudeurs waarvan
het recht op uitkering na de fraude
beëindigd is aan te pakken. Ook
voorkomt het dat calculerende fraudeurs
verhuizen naar gemeenten die minder
streng handhaven.
In de
sociale verzekeringen die UWV
en SVB uitvoeren, moet de uitvoerder een
bestuurlijke boete opleggen als sprake
is van uitkeringsfraude, dat wil zeggen
een overtreding van de
inlichtingenplicht met onterechte
betaling als gevolg. Bij andere type
overtredingen, bijvoorbeeld niet
voldoende solliciteren, kan het UWV een
maatregel opleggen in de vorm van een
verlaging, opschorting of beëindiging
van de uitkering. De rblz.|7|
regering stelt voor
deze systematiek (van bestuurlijke
boeten naast de mogelijkheid van een
maatregel) ook voor gemeenten in te
voeren. Dit bevordert de rechtszekerheid
en de uniformiteit van het sanctieregime
binnen de sociale zekerheid. Ook
vergroot het de effectiviteit van de
samenwerking op de werkpleinen.
Bij
uitkeringsfraude zijn gemeenten dan
verplicht een bestuurlijke boete op te
leggen van in beginsel 100% van
het benadelingbedrag. Net als UWV
en SVB moeten gemeenten daarbij wel de
verwijtbaarheid toetsen. Daarnaast
kunnen zij bij (uitzonderlijke)
dringende redenen afzien van het
opleggen van een boete
(hardheidsclausule). Ook als er geen
sprake is van een onterechte betaling,
maar alleen van het niet naleven van de
inlichtingenplicht, kunnen gemeenten een
boete opleggen, maar zij kunnen in die
situatie ook volstaan met het geven van
een waarschuwing (mits er de laatste
twee jaar geen waarschuwing is geweest).
De in
dit
wetsvoorstel beoogde versterking van de
bestuursrechtelijke handhaving sluit aan
bij de kabinetsnota over de
uitgangspunten bij de keuze van een
sanctiestelsel (Kamerstukken I 2008-2009,
31 700 VI, D). Bij de uitvoering door
bestuursorganen van wetten die veelal
specifieke rechtsbetrekkingen tussen
burgers/bedrijven en de overheid
scheppen ("besloten context") is
toepassing van de bestuurlijke boete het
uitgangspunt. Dit in tegenstelling tot
de handhaving van algemene normen zonder
specifieke rechtsbetrekking ("open
context"), waarbij het strafrecht het
uitgangspunt is.
In de kabinetsnota worden als belangrijke
elementen van de besloten context
genoemd dat de feitelijke ontdekking van
de normovertreding door specifieke
toezichthoudende organen plaatsvindt en
dat er sprake moet zijn van voldoende
professionaliteit om die normen te
handhaven. De regering is van mening dat
dit bij de uitvoering van de sociale
zekerheid zeker het geval is. Ook zijn
de contra-indicaties van de kabinetsnota, zoals internationale
verplichtingen die dwingend een
sanctiestelsel voorschrijven, afwezig.
Recidive
leidt tot verhoogde boete alsmede
volledige verrekening daarvan met de
(toekomstige) uitkering
De
regering is van mening dat bij recidive
van uitkeringsfraude andere maatregelen
noodzakelijk en gepast zijn. Bij
recidive volgt daarom wederom
terugvordering van het ten onrechte
genoten voordeel en een bestraffing in
de vorm van een bestuurlijke boete van
in beginsel 150% van het
benadelingsbedrag (of een
strafrechtelijke sanctie). Deze zelfde
lijn geldt voor herhaalde recidive.
De
verhoogde boete van 150% sluit
aan bij het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten (waarin recidive
leidt tot een 50% zwaardere
maatregel dan de maatregel die zou zijn
opgelegd bij een eerste overtreding).
Van deze
hogere bestuurlijke boete bij recidive
zal zowel naar uitkeringsgerechtigden
als naar cliënten die geen recht meer
hebben op een uitkering een sterkere
preventieve werking uitgaan. UWV,
SVB en gemeenten zullen bij het opleggen van
deze bestuurlijke boete ook de
verwijtbaarheid toetsen.
De
regering is zich ervan bewust dat van
een hogere bestuurlijke boete bij
recidive alleen een preventieve werking
uit zal gaan indien de incasso van deze
boete ook daadwerkelijk gerealiseerd kan
worden. Een hoge rblz.|8|
bestuurlijke boete kan
bij notoire overtreders minder
afschrikwekkend zijn als zij
openstaande vorderingen hebben en er al
incassotrajecten tot de beslagvrije voet
lopen. Ook gemeenten hebben in hun
advies op deze incassoproblematiek
gewezen.
Deze
incassobezwaren wil de regering
ondervangen door de bestuurlijke boete
bij recidive volledig te verrekenen met
de (toekomstige) uitkering en daarbij de
beslagvrije voet tijdelijk (voor
maximaal vijf jaar) buiten werking te
stellen totdat deze boete is afbetaald.
Dit laat onverlet de rechten en plichten
die uit de desbetreffende uitkeringswet
voortvloeien. Het tijdelijk buiten
werking stellen van de beslagvrije voet
bij verrekening van de bestuurlijke
boete bij recidive kan gezien worden als
een robuuste incasso die passend is voor
recidive met uitkeringen. Deze wijze van
verrekenen is niet eerder aan de orde
dan bij de boete bij recidive, maar kan
zich daarna ook uitstrekken over de
boete bij de eerste overtreding als deze
nog niet is betaald.
Legitimering
tijdelijk buiten werking stellen
beslagvrije voet bij verrekenen boete
recidive
Het
buiten werking stellen van de
beslagvrije voet is al mogelijk in alle
socialezekerheidswetten als cliënten
niet de inlichtingen willen verstrekken
die van belang zijn voor terugvordering
van ten onrechte betaalde uitkeringen en
de betaling van de bestuurlijke boete.
Omdat het uitkeringsorgaan in dat geval
niet kan beoordelen tot welk bedrag de
terugvordering en de boete verrekend
kunnen worden met de uitkering, kunnen
zij de beslagvrije voet buiten
beschouwing laten.
Bij
recidive is verrekening van de
bestuurlijke boete met een nog lopende
uitkering legitiem vanuit het motief dat
recidive erop duidt dat betrokkene bij
herhaling onwillig is om zich aan de
inlichtingenplicht te houden die nodig
is voor het vaststellen van het
uitkeringsrecht. Betrokkene ondermijnt
door zijn gedrag het draagvlak voor de
sociale minimumbescherming die beoogd is
met de uitkering en de beslagvrije voet.
Teneinde deze sociale bescherming en het
draagvlak daarvan voor alle burgers
overeind te houden, is het legitiem
alleen voor deze groep en voor deze
situatie de bescherming van de
beslagvrije voet tijdelijk buiten
werking te stellen.
Het gaat
in dit specifieke geval om een
verrekening binnen het socialezekerheidsdomein van een bestuurlijke
boete bij recidive, met het oogmerk om
het draagvlak voor de sociale
bescherming, inclusief de beslagvrije
voet, intact te houden. Het verrekenen
van schulden uit andere domeinen dan de
sociale zekerheid zonder toepassing van
de beslagvrije voet, zou betekenen dat
de sociale bescherming van de
beslagvrije voet helemaal niet meer zou
gelden. Het buiten werking stellen van
de beslagvrije voet ziet daarom alleen
op een tijdelijke verrekening na
recidive, om te voorkomen dat er grote
problemen ontstaan op het terrein van
armoede.
Deze
verrekening impliceert dat de
uitkeringsgerechtigde tijdelijk een
nihiluitkering ontvangt. Dit laat
onverlet de rechten en plichten die uit
de betreffende uitkeringswet
voortvloeien. Het tijdelijk buiten
werking stellen van de beslagvrije voet
ziet in dit voorstel op een periode van
maximaal vijf jaar. In de Wwb
is de
periode, gelet op het vangnetkarakter
van de Wwb, gesteld op maximaal drie
maanden. Bij cliënten die geen recht
hebben op een uitkering, maar
bijvoorbeeld inkomen uit arbeid, zal de
boete via de gangbare regels rondom
loonbeslag en beslagvrije voet worden
geïnd. Gaan werken blijft zo lonend,
omdat dan de reguliere beslagvrije voet
van toepassing is.
rblz.|9|
Casus WW
Een
voorbeeld ter verduidelijking. Een
werkloze met een WW-uitkering van €|2000,- per maand heeft voor de tweede keer
gefraudeerd door zwart te werken. De ten
onrechte betaalde uitkering bedraagt €|20
000,-. Dit resulteert in een
terugvordering van €|20 000,- en een
bestuurlijke boete van €|30 000,-
(150% van het benadelingsbedrag). Als
betrokkene vervolgens gaat of blijft
werken, zullen zowel de ten onrechte
betaalde uitkering als de bestuurlijke
boete via regulier loonbeslag worden
ingevorderd.
Als
betrokkene niet aan het werk gaat, zal
de bestuurlijke boete gedurende vijftien
maanden ¹ worden verrekend met de
WW-uitkering. De uitkering is dan
feitelijk nihil. Daarna volgt
terugvordering van te veel betaalde
uitkeringen via de reguliere
verrekening. Als betrokkene er niet in
slaagt werk te vinden en er ook voor het
overige geen inkomen of vermogen is, kan
hij gedurende de vijftien maanden dat de
beslagvrije voet buiten werking is
gesteld een beroep op de Wwb
doen (na
eventueel drie maanden met toepassing artikel 18
Wwb ²).
Hierbij
is van belang dat er op grond van
artikel 15 van de Wwb
alleen recht op
bijstand bestaat voor zover geen beroep
kan worden gedaan op een voorliggende
voorziening die passend en toereikend
is. In de situatie dat er formeel recht
bestaat op een uitkering op grond van
een werknemersverzekering of
volksverzekering, maar deze uitkering
niet tot uitbetaling komt omdat een
bestuurlijke boete hiermee volledig
wordt verrekend, is er geen sprake van
een voorliggende voorziening meer.
Immers feitelijk wordt geen uitkering
verstrekt en daarmee is het formele
recht op uitkering op grond van een
dergelijke verzekering niet als een
toereikende en passende voorliggende
voorziening aan te merken. Hiermee wordt
aangesloten bij rechtspraak van de
Centrale Raad van Beroep [CRvB, red.].³
1. De boete van €|30
000,- is na vijftien maanden volledig verrekend met de uitkering van €|2000,-
per maand.
2. Mogelijkheid voor gemeente om uitkering
tijdelijk te verlagen wegens betoond tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
3.
CRvB 20
juni 2000, nr. 98/5545 NABW; USZ
2000/196.
Casus Wwb
Als
iemand voor de tweede maal in de
bijstand de inlichtingenplicht
overtreedt, volgt oplegging van een
bestuurlijke boete van 150% van
het benadelingsbedrag. Deze bestuurlijke
boete wordt de eerste drie maanden
volledig in mindering gebracht op de Wwb-uitkering, met buiten werking
stellen van de beslagvrije voet.
De
uitkering is dan feitelijk nihil. Na
deze drie maanden wordt het restant van
de bestuurlijke boete en de ten onrechte
betaalde uitkering verrekend met de
bijstand conform de reguliere
beslagvrije voet.
Van
belang is dat gemeenten bij dringende
redenen af kunnen zien van het opleggen
van de bestuurlijke boete of het
tijdelijk buiten werking stellen van de
beslagvrije voet. Daarnaast hebben
gemeenten de ruimte om gedurende de drie
maanden van buitenwerkingstelling van
de beslagvrije voet in uitzonderlijke of
schrijnende gevallen leenbijstand te
verstrekken (die dan later terugbetaald
moet worden).
Reikwijdte
recidive
De
regering gaat bij de definitie van
recidive uit van clusters van wetten.
Overtredingen van verschillende
uitkeringswetten worden voor het begrip
recidive samengeteld als dit gezien de
aard van de uitkering in de rede ligt.
Voor de werknemersverzekeringen
enerzijds en voor de volksverzekeringen
anderzijds is het op dit moment al
staand beleid dat UWV
en SVB overtredingen van de inlichtingenplicht
uitsluitend binnen het door UWV of SVB
uitgevoerde cluster van wetten
afwikkelen. De definitie van rblz.|10|
recidive in
het wetsvoorstel sluit (mede gezien de
uitvoeringaspecten) hierop aan. Dit
betekent dat er bijvoorbeeld sprake is
van recidive als iemand eerst fraudeert
met zijn WW-uitkering en daarna binnen
de recidivetermijn met zijn ZW-uitkering.
Ook voor
de gevolgen van recidive, namelijk de
verrekening van de (tweede) bestuurlijke
boete met de uitkering, stelt de
regering voor dit toe te passen op
dezelfde clusters van wetten.
Bijvoorbeeld: iemand fraudeert voor de
tweede keer en heeft op dat moment een Ziektewetuitkering. De bestuurlijke
boete kan dan door het UWV
gedurende een
periode van vijf jaar verrekend worden
met de Ziektewetuitkering of een
toekomstige WW- of WIA-uitkering met
tijdelijke buitenwerkingstelling van de
beslagvrije voet. Hetzelfde geldt voor
de situatie dat een cliënt die recidive
pleegt op dat moment een Anw-uitkering
geniet en kort daarop 65 jaar wordt. De
bestuurlijke boete van 150% op
grond van de Anw kan dan nog verrekend
worden met de AOW.
Voor wat
betreft de termijn waarbinnen sprake is
van recidive is de door de Tweede Kamer
aanvaarde motie van de leden Azmani en
Van den Besselaar (Kamerstukken II 2010-2011, 17 050, nr. 410) van belang.
Hierin wordt de regering verzocht deze
termijn te verdubbelen van vijf naar
tien jaar. De regering stelt voor om op
de volgende wijze uitvoering te geven
aan de motie. De regering vindt een
generieke verlenging van de
recidivetermijn naar tien jaar te
vergaand. Ook in het strafrecht geldt
een termijn van vijf jaar. Voorstel is
de recidivetermijn alleen bij ernstige
gevallen te verlengen naar tien jaar.
Voor de sociale zekerheid definiëren we
ernstige gevallen als situaties waarbij
de eerste overtreding is bestraft met
een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Gegevensuitwisseling
Gemeenten
zullen, om bij het opleggen van een
bestuurlijke boete wegens het overtreden
van de inlichtingenplicht vast te kunnen
stellen of er sprake is van recidive, op
de hoogte moeten zijn van mogelijk
eerder in andere gemeenten opgelegde
boeten. Hiertoe zal onderlinge
gegevensuitwisseling met betrekking tot
recidive tussen de gemeenten gaan
plaatsvinden.¹
Ook
dienen UWV,
SVB en gemeenten voor het
vaststellen van recidive (waarbij zowel
bestuurlijke boeten als strafrechtelijke
sancties wegens het overtreden van de
inlichtingenplicht meetellen) te
beschikken over justitiële gegevens als
veroordelingen, strafbeschikkingen of
transacties, inclusief het gegeven of
bij veroordeling door de strafrechter
onvoorwaardelijke gevangenisstraf is
opgelegd. Op grond van de artikelen 64,
vierde lid, van de Wwb
en 54, derde lid,
onderdeel j, van de Wet
SUWI zijn
rechterlijke instanties nu al verplicht
desgevraagd gegevens en inlichtingen te
verstrekken in de vorm van uittreksels
uit of afschriften van uitspraken,
registers en andere stukken. Dit is
echter niet voldoende, omdat het in
voorkomende gevallen ook kan gaan om
informatie van het openbaar ministerie,
zoals strafbeschikkingen en transacties.
Daarom zal in overleg met de Minister
van Veiligheid en Justitie het op de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens gebaseerde Besluit justitiële gegevens
[lees: Besluit
justitiële en strafvorderlijke gegevens, red.] worden gewijzigd, zodat de
uitvoeringsinstanties deze gegevens
kunnen gebruiken voor (uitsluitend) de
uitvoering van de uitkeringswetten. UWV,
SVB en gemeenten zullen de betreffende
strafrechtelijke gegevens niet
uitwisselen als dat niet nodig is voor
de recidiveregeling. De recidiveregeling
is alleen aan de orde voor de toepassing
van de uitkeringswetten die óf UWV óf
SVB óf de gemeenten uitvoeren (de
gemeenten wisselen deze gegevens
onderling wel uit).
1.
De artikelen
64 en 67
van de Wwb en artikel
62 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen (Wet SUWI) geven de
wettelijke basis voor de
gegevensuitwisseling tussen gemeenten
onderling en tussen UWV
en SVB en
alle andere instanties op het terrein
van werk en inkomen.
rblz.|11|
2.1.3.
Aanscherping sanctiebeleid kinderopvangtoeslag
De
regering hecht aan goede en betaalbare
kinderopvang. Die stelt werkende ouders
beter in staat om arbeid en zorg voor
hun kinderen te combineren. Het
overgrote deel van de aanvragers maakt
op een goede wijze gebruik van de
kinderopvangtoeslag. Helaas zijn er ook
mensen die frauderen met de
kinderopvangtoeslag. Om de budgettaire
beheersbaarheid van de
kinderopvangtoeslag te verbeteren en het
draagvlak in de samenleving voor de
regeling te behouden, is het
noodzakelijk om fraude en oneigenlijk
gebruik effectief aan te pakken.
De
regering voert verschillende maatregelen
in om fraude met de kinderopvangtoeslag
tegen te gaan. De controle bij het
aanvragen van kinderopvangtoeslag wordt
aangescherpt. Ook zal de regering de
sancties bij fraude (naast het
terugvorderen van het fraudebedrag)
verzwaren. Als het bij fraude met de
kinderopvangtoeslag om grote bedragen
gaat, volgt strafrechtelijke afdoening.
De bestuurlijke boete bij fraude wordt
per 1 juli 2012 (in de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen)
verhoogd naar maximaal 100% van
het benadelingsbedrag.
Als
betrokkene na beboeting of
strafrechtelijke sanctieoplegging binnen
vijf jaar nogmaals fraudeert met de
kinderopvangtoeslag, wordt de
bestuurlijke boete verhoogd naar 150% (te regelen in de
Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen). De
recidivetermijn wordt verlengd naar tien
jaar ingeval voor de eerste overtreding
een onvoorwaardelijke gevangenisstraf
was opgelegd.
2.1.4. Het
wetsvoorstel en de interbestuurlijke
verhoudingen
Tijdens
het debat over allochtonen in de
bijstand (Tweede Kamer, 43e vergadering,
19 januari 2012) is naar aanleiding van
vragen van het Kamerlid de heer Klaver
toegezegd in de memorie van toelichting
bij dit wetsvoorstel in te gaan op een
denkraam dat aangeeft wat wel of niet
naar gemeenten wordt gedecentraliseerd
en wat centraal door de overheid
geregeld moet worden.
De
Wwb is
vormgegeven volgens het uitgangspunt: "decentraal wat kan, centraal wat
moet". De invoering van de
Wwb is dan
ook gepaard gegaan met een vergaande
decentralisatie. Zoals later ook tot
uitdrukking is gekomen in het
decentralisatiekader,¹ zijn er
begrenzingen met betrekking tot de
decentralisatie. Redenen om te kiezen
voor centralisatie houden onder meer
verband met de rol van de diverse
bestuurlagen, de vereiste
rechtsgelijkheid, het bijsturen van
maatschappelijke ontwikkelingen die
gemeenteoverstijgend zijn, het opzetten
van pilots en de omvang van het
financieel belang dat het Rijk heeft bij
het beleidsterrein. Deze benadering
heeft ertoe geleid dat bijvoorbeeld de
uitkeringsvoorwaarden voor de Wwb centraal zijn vastgelegd en dat
gemeenten voor wat betreft bijvoorbeeld
de terugvordering een decentrale
vrijheid kregen, waarbij zij bevoegd
zijn om hierin een kosten-batenafweging
te maken.
1. Zie hiervoor de brief van
de Minister en de Staatssecretaris van BZK
van 31 augustus 2009 over het kader voor decentralisatie en
differentiatie (Kamerstukken 2008-1009, 31 700 VII, nr. 100).
Zoals al
eerder opgemerkt is de sociale zekerheid
een terrein waar de solidariteit tussen
burgers nadrukkelijk tot uiting komt. We
moeten erop kunnen vertrouwen dat
alleen mensen die echt aanspraak kunnen
ontlenen aan de sociale zekerheid
hierop een beroep doen. Alleen dan zal
er voldoende draagvlak voor de sociale
zekerheid blijven bestaan. Tegelijk
constateert de regering dat het huidige
sanctiestelsel onvoldoende ontmoedigende
werking heeft op de categorie
doelbewuste en calculerende fraudeurs.
Een kleine, gestaag groeiende groep
fraudeurs maakt zich schuldig aan
benadeling met grotere bedragen. Dit
impliceert dat het algemene belang dat
met de harde fraudeaanpak wordt gediend,
is toegenomen en uitgaat boven het
belang van individuele gemeenten,
waaronder de bevoegdheid tot het maken
van een kosten-batenafweging. rblz.|12|
Dit is
een belangrijke reden om het strengere
frauderegime centraal in wetgeving vast
te leggen. Daarnaast is de regering van
oordeel dat burgers er bij een streng
sanctiebeleid ook op moeten kunnen
vertrouwen dat de overheid adequaat
reageert op overtredingen van de
inlichtingenplicht en dat daarbij sprake
is van een zekere uniformiteit. Dit komt
de rechtsgelijkheid ten goede.
Rechtsgelijkheid betekent naar het
oordeel van de regering ook dat niet
alleen sprake is van een zekere
uniformiteit bij de sanctionering, maar
ook bij de tenuitvoerlegging in de vorm
van terug- en invordering. Alleen indien
onterecht betaalde uitkeringen
daadwerkelijk worden teruggevorderd en
bestuurlijke boetes worden ingevorderd,
zal hiervan een preventief effect
uitgaan. Om die reden heeft de regering
ervoor gekozen om de terugvordering en
invordering van verwijtbare vorderingen
verplichtend op te leggen aan gemeenten
en hier ook geen ruimte meer te bieden
voor schuldsanering. Ten aanzien van niet-verwijtbare vorderingen blijft deze
beleidsvrijheid wel bestaan.
Een
andere overweging voor de wettelijke
regeling is dat de voorgestelde
wijziging van de Wwb
weliswaar voor gemeenten een zekere inperking van hun
beleidsvrijheid betekent, maar dat dit
wetsvoorstel dit ruimschoots compenseert
door hen tevens instrumenten te bieden
om fraude hard aan te pakken. Het
bovengemeentelijke belang van een harde
fraudeaanpak en het aanreiken van
instrumenten voor de fraudeaanpak door
gemeenten rechtvaardigen een wettelijke
regeling. Daarnaast past de voorgestelde
wetswijziging ook goed in de
systeemverantwoordelijkheid van die de Minister van SZW heeft met betrekking
tot werk en bijstand. Dit houdt in dat
de Minister van SZW niet alleen
verantwoordelijk is voor de wijze waarop
gemeenten invulling kunnen geven aan hun
taken, zowel via bevoegdheden als via de
middelen, maar ook voor het aanpassen
van het systeem wanneer blijkt dat het
wettelijke systeem niet goed werkt of
niet meer toegesneden is op de problemen
van deze tijd.
2.1.5. Mate van
verwijtbaarheid/hardheidsclausule
Dit
wetsvoorstel bepaalt de sancties die
gemeenten en uitvoeringsorganisaties bij
fraude moeten toepassen. UWV,
SVB en
gemeenten hebben op dit moment de
wettelijke bevoegdheid om in individuele
gevallen de mate van verwijtbaarheid
(naast de ernst van de overtreding) mee
te wegen bij het vaststellen van de
sanctie. Het wetsvoorstel verandert dat
niet.
Het
bepalen van verminderde verwijtbaarheid
gebeurt op grond van beleidsregels en
verordeningen. De factoren die bij het
opleggen de bestuurlijke boete in ieder
geval aanleiding moeten zijn voor
verminderde verwijtbaarheid zal de
regering nader vaststellen. Van
verminderde verwijtbaarheid is
bijvoorbeeld sprake bij omstandigheden
van sociale, psychische of medische aard
waardoor de overtreding betrokkene niet
volledig is aan te rekenen, of bij
onvoorziene en ongewenste omstandigheden
waardoor betrokkene feitelijk niet in
staat was zijn verplichtingen na te
komen. Om een uniforme uitvoering door UWV
en SVB te bevorderen, zal een niet-limitatieve lijst van criteria in het Boetebesluit
socialezekerheidswetten worden neergelegd. Deze criteria gelden
in ieder geval en kunnen worden
aangevuld met beleidsregels van UWV en
SVB. Het Boetebesluit
socialezekerheidswetten wordt ook van
toepassing op de gemeentelijke
regelingen, waardoor de vast te leggen
criteria ook leidend zullen zijn voor
het gemeentelijk sanctiebeleid.
Los van
de verwijtbaarheid kan de overtreder in
omstandigheden verkeren die het opleggen
van de zwaarste sanctie onredelijk en
onbillijk maken. Hierbij kan
bijvoorbeeld een rol spelen dat een
sanctie op een overtreding door de
cliënt gevolgen heeft voor zijn
kinderen. Onwenselijke gevolgen voor
bijvoorbeeld gezinsleden of kinderen wil
de regering voorkomen. Prudentie en
professionaliteit van het beoordelende
orgaan rblz.|13|
vormen hierbij het kader van de
afwegingen. Het is vooral aan gemeenten
en uitvoeringsorganen om hier goed mee
om te gaan.
2.1.6. Verhouding
toepassing bestuursrecht/strafrecht
Bij
uitkeringsfraude met hogere
benadelingsbedragen wordt
strafrechtelijk onderzoek ingesteld. De
zogenoemde aangiftegrens (grens
waarboven strafrechtelijk onderzoek
volgt) is in 2009 op verzoek van SZW
verhoogd van €|6000,- naar €|10 000,-
voor zwarte fraude en van €|6000 naar
€|35 000,- voor witte fraude. De
verbeteringen van de
handhavingsprocessen van UWV
en SVB, de
wens om meer zaken bestuursrechtelijk te
handhaven en de inwerkingtreding van de
Wet OM-afdoening lagen daar destijds aan
ten grondslag.
Sinds de
verhoging van de aangiftegrens is het
aantal zaken dat UWV
en SVB bij het openbaar ministerie hebben ingediend
sterk afgenomen. Maakten UWV en SVB in
2009 nog tegen bijna 300 verdachten
proces verbaal op, in 2010 was dat ruim
150. Dit komt door de succesvolle
aanpassingen van UWV en SVB in hun
handhavingsprocessen: door meer controle
aan de voorkant onderkennen UWV en SVB
fraude sneller. Goede controle bij
aanvraag van de uitkering draagt bij aan
schadelastbeperking en voorkomt hoog
oplopende vorderingen.¹
Voorkomen
moet worden dat de aanscherping van de
bestuurlijke boeten leidt tot een
onbalans tussen bestuursrechtelijke en
strafrechtelijke afdoening. De regering
heeft gekozen voor meer lik op stuk en
bestuurlijke handhaving. In overleg met
het openbaar ministerie is besproken in
welke gevallen bestuursrechtelijke dan
wel strafrechtelijke interventie
effectief is. Het voornemen is de
aangiftegrens te verhogen naar €|50
000,-. Onder deze grens zullen zaken in
beginsel bestuursrechtelijk worden
afgedaan en boven deze grens in beginsel
strafrechtelijk.
1.
Zie Integrale Rapportage Handhaving
2010, hoofdstuk 4 (Kamerstukken II
2010-2011, 17 050, nr. 414).
2.1.7. Overige
maatregelen ter bestrijding van
onrechtmatig gebruik van de sociale
zekerheid
Het
verzwaren van sancties staat niet op
zichzelf. Het zal in samenhang gebeuren
met andere instrumenten die sturing
geven aan de strenge fraudeaanpak. Deze
zijn onder meer neergelegd in het
Handhavingsprogramma 2011-2014.
Een
belangrijk element bij de handhaving is
het vergroten van de ervaren pakkans.
Onder meer de volgende voorgestelde
maatregelen dragen bij aan het vergroten
van de pakkans bij uitkeringsfraude:
• Het
beter en meeromvattend uitwisselen van
gegevens tussen uitvoeringsorganen
onderling (o.a. gemeenten, UWV,
belastingdienst,
DUO [Dienst Uitvoering Onderwijs, red.], Kadaster). Voor
een aantal gewenste bestandskoppelingen
is wetswijziging noodzakelijk. Wij
verwachten hierover in 2012 een voorstel
te kunnen doen.
•
Wetsvoorstel huisbezoeken [zie: Wet
van 4 oktober 2012, Stb. 2012,
463, red.]: dit is thans
in behandeling bij de Staten-Generaal.
•
Pakkans in het buitenland: voorliggend
wetsvoorstel verplicht cliënten om bij
de aanvraag van bijstand het college van
B&W te machtigen onderzoek te doen
naar de door de cliënt verstrekte
gegevens en zo nodig naar andere
gegevens die van belang zijn voor de
vaststelling van het recht op bijstand.
Een dergelijke machtiging is in de
praktijk bij de grensoverschrijdende
verificatie van gegevens noodzakelijk.
Daarnaast
wil de regering het handhavings- en
sanctiebeleid van aan de uitkering
verbonden arbeids- en
re-integratieverplichtingen aanscherpen.
De verwachting is dat er in de loop van
2012 hierover een voorstel gedaan kan
worden.
rblz.|14|
Communicatie
over deze maatregelen en over
succesvolle handhavingsacties dragen bij
aan de vergroting van de gepercipieerde
pakkans. In combinatie met de
communicatie over de nieuwe sancties van
dit wetsvoorstel verwacht de regering
hiermee een extra preventief effect te
bereiken.
2.1.8.
Maatschappelijke effecten aanpak
socialezekerheidsfraude
Tijdens
de behandeling van de begroting voor
2011 van SZW
in de Tweede Kamer (8 en 9
december 2010) heeft de Kamer gevraagd
om bij de uitwerking van de fraudeaanpak
te kijken naar de mogelijke
maatschappelijke effecten van zwaardere
sancties.
De
regering ziet deze effecten overwegend
als positief. Van strengere sancties in
combinatie met heldere communicatie en
gerichte handhaving gaat een sterke
preventieve werking uit. Dit zal naar
het oordeel van de regering de
bereidheid tot naleving vergroten. Bij
heldere communicatie en consequente
uitvoering is een zware maatregel niet
iets dat de fraudeur overkomt, maar een
situatie waarin de persoon in de eerste
plaats door eigen gedrag terecht is
gekomen.
Ook zal
het volledig verrekenen van de
bestuurlijke boete bij recidive met de
(toekomstige) uitkering vaak leiden tot
een financiële prikkel voor de fraudeur
om zijn gedrag te beteren, bijvoorbeeld
door intensiever te zoeken naar werk.
Daarnaast kan het aanleiding zijn in te
teren op reserves of een beroep te doen
op het inkomen van een partner,
huisgenoot of kinderen. Voor de Wwb-uitkeringsontvangers bestaan deze
mogelijkheden, gezien de beperkte
vermogensvrijstelling en de aansluiting
bij het huishoudinkomen, in mindere
mate. Dit kan maatschappelijke effecten
veroorzaken, zoals het oplopen van
betalingsachterstanden en problematische
schulden. De regering beseft dat dit tot
ernstige en onwenselijke situaties kan
leiden, die in de praktijk een drempel
vormen om te (gaan) participeren.
De
regering is doordrongen van deze
consequenties. Bij het opleggen van
zware sancties zullen de uitvoerende
instanties zorgvuldig te werk moeten
gaan, waarbij de mate van
verwijtbaarheid en in uitzonderlijke
gevallen dringende redenen een rol
kunnen spelen. Dit laat echter onverlet
dat de overtreders door hun gedrag en
keuzes wel zelf de eersten zijn die op
hun gedrag aangesproken moeten worden.
2.1.9.
Communicatie
De nieuwe
sancties die de regering met dit
wetsvoorstel wil invoeren, zijn niet
alleen bedoeld om fraudeurs strenger te
straffen, maar ook ter preventie. Het
preventieve effect zal alleen
plaatsvinden als de ontvangers van de
uitkeringen de nieuwe sancties en de
consequentie van recidive kennen. UWV,
SVB en gemeenten zullen hun bestaande
cliënten vóór de inwerkingtreding van
de wet hiervan schriftelijke op de
hoogte brengen. Nieuwe cliënten (die
pas na de inwerkingtreding van de wet
aanspraak maken op een uitkering) zullen
bij aanvang van hun uitkering op
vergelijkbare wijze op de hoogte worden
gebracht.
Rond de
inwerkingtreding van de wet volgt ook op
andere wijze communicatie over de wet,
onder meer door gebruik te maken van de
meerjarige doelgroepcampagne "voorkom
problemen, weet hoe het zit".
2.2.
Arbeidswetten
Arbeidswetgeving
moet werknemers beschermen tegen onder
meer slechte arbeidsomstandigheden,
onderbetaling, illegaliteit en
verdringing op de arbeidsmarkt. Het
overtreden van deze arbeidswetten mag
niet rblz.|15|
lonen. Voor bedrijven kan het
financieel voordelig zijn de wetgeving
te ontduiken. Door werknemers te weinig
te betalen dan wel te lang of onder
slechte arbeidsomstandigheden te laten
werken, besparen bedrijven op de kosten
en behalen zij een oneigenlijk
concurrentievoordeel. Deze kosten komen
ook elders in de samenleving terecht. Zo
beperkt het illegaal te werk stellen van
vreemdelingen de mogelijkheden voor
re-integratie op de arbeidsmarkt van
uitkeringsgerechtigden.
De
regering stelt voor het sanctieregime
van de arbeidswetten
aan te scherpen. De
regering wil het niet naleven van
arbeidswetten terugdringen en bijdragen
aan eerlijke concurrentie tussen
werkgevers. Deze aanpak steunt
werkgevers die hun bedrijf binnen de
wettelijke kaders voeren. Werknemers
kunnen rekenen op een veilige
werkomgeving en behoorlijke
arbeidsverhoudingen.
In dit
hoofdstuk wordt uitgewerkt wat de
strengere aanpak op hoofdlijnen voor de
arbeidswetten betekent.
2.2.1.
Aanscherping van het sanctiebeleid in de
arbeidsregelingen
De
regering maakt met dit sanctiebeleid
duidelijk dat er in ons land geen plaats
is voor bedrijven die de wettelijke
normen inzake arbeidsomstandigheden en
arbeidsverhoudingen niet na willen
leven. De regering wil met dit geheel
aan maatregelen een effectieve invulling
geven aan het zero-tolerancebeleid ten
aanzien van werkgevers die herhaaldelijk
de arbeidswetten
overtreden.
De
aanscherping van het sanctiebeleid voor
bedrijven kent de volgende elementen:
•
hogere boetes en strafverzwaring bij
recidive;
•
verruiming van het recidivebegrip;
•
verlenging van de recidivetermijn;
• de
mogelijkheid om bij de tweede of derde
overtreding preventief de werkzaamheden
stil te kunnen leggen;
• het
bevorderen van bestuursrechtelijke
afdoening (zie paragraaf
2.2.3).
Hogere
boetes en strafverzwaring bij recidive
De
boetenormbedragen bij de eerste
overtreding van de arbeidswetten gaan
fors omhoog. Dit wordt per arbeidswet in
beleidsregels vastgelegd.
De
maximale boete voor bedrijven wordt
gelijk aan het maximum van de vijfde
boetecategorie, bedoeld in artikel 23,
vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht. Dit maximum gaat voor alle
arbeidswetten gelden.
Bij een
overtreding van de Wet
arbeid vreemdelingen (Wav) of de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML)
gaat het om een ernstige vorm van
arbeidsmarktfraude waarbij de werkgever
oneigenlijk financieel gewin behaalt ten
koste van de positie van de werknemer.
De maximale boete voor de Wav was al
afgestemd op bovengenoemde vijfde
boetecategorie, maar sinds 2005 niet
meer geïndexeerd. In 2005 was het
maximum van de vijfde boetecategorie €|49
000,-. Inmiddels is dat €|78
000,-, een
verhoging van 55%. Het in de
praktijk te hanteren boetenormbedrag
voor de Wav wordt nu bijna evenredig
verhoogd, namelijk met 50% van €|8000,- tot
€|12
000,-. De maximale
boete voor een overtreding van de WML
wordt eveneens gelijkgesteld aan het
maximum van de vijfde boetecategorie.
Met name
de Arbeidsomstandighedenwet
kent een
grote hoeveelheid verschillende
bepalingen en daarbij horende
boetenormbedragen. Ook deze
boetenormbedragen zullen aanzienlijk
stijgen. Deze boetenormbedragen rblz.|16|
zijn
gebaseerd op de indeling die dateert van
de introductie van de bestuurlijke boete
in de Arbeidsomstandighedenwet in 1998.
Sommige van deze normbedragen voldoen
niet meer aan de huidige inzichten over
de zwaarte van een overtreding,
bijvoorbeeld als het gaat om de
inspanningen van werkgevers om hun
werknemers te beschermen tegen agressie
en geweld of als het gaat om het
ongecertificeerd of onveilig werken met
asbest. Daarom zal tevens worden bekeken
of de verhouding tussen de huidige
boetenormbedragen nog adequaat is en
waar eventueel extra verhogingen gewenst
zijn.
Voor de
werkgever die opnieuw een overtreding
begaat, volgen voor de tweede en derde
overtreding zware verhogingen van de
boetes. De eerste boete heeft dan
kennelijk niet tot de gewenste
gedragsverbetering geleid, zodat een
hogere boete bij een vervolgovertreding
gepast is. Op dit moment wordt de boete
bij recidive met 50% verhoogd en
bij herhaalde recidive volgt (met
uitzondering van de WML)
strafrechtelijke afdoening. Het voorstel
is de boetes bij recidive en herhaalde
recidive met respectievelijk 100 en 200%
te verhogen ten opzichte van het
boetenormbedrag van de eerste
overtreding. Bij ernstige overtredingen
vindt de verhoging met 200% al
plaats bij recidive, zodat de boete in
die situatie hoger is dan bij recidive
van een minder ernstige overtreding. In
de algemene maatregel van bestuur op
grond van de desbetreffende arbeidswetten
wordt nader uitgewerkt
wanneer er sprake is van ernstige
overtredingen.
Verruiming
van het recidivebegrip
In de
huidige situatie tellen voor het bepalen
van recidive voor de bestuurlijke boete
alleen dezelfde overtredingen mee. De
regering stelt voor het recidivebegrip
te verruimen. Bij het terugkijken naar
eerdere overtredingen zal het dan niet
alleen gaan om dezelfde overtreding,
maar ook om overtredingen van
soortgelijke verplichtingen en verboden.
Dit zal voor zowel de bestuurlijke
beboeting als de stillegging gaan
gelden. Bij een algemene maatregel van
bestuur volgt per arbeidswet de nadere
uitwerking hiervan.
Verlenging
van de recidivetermijn
De
regering stelt voor de periode
waarbinnen sprake kan zijn van recidive
te verlengen. Hierbij is de door de
Tweede Kamer aanvaarde motie-Azmani en
Van den Besselaar van belang
(Kamerstukken II 2010-2011, 17 050, nr.
410). De Tweede Kamer verzoekt de
regering in deze motie om de in de brief
van 10 maart 2011 (Kamerstukken II 2010-2011, 17 050, nr. 403) voorgestelde
recidivetermijn van vijf jaar in ieder
geval te verdubbelen tot tien jaar.
Achtergrond hiervan is het voeren van
een zero-tolerancebeleid ten aanzien van
wetsovertreders in het bedrijfsleven die
oneerlijk concurreren en afdingen op de
veiligheid en gezondheid van werknemers.
De
regering vindt een generieke verlenging
van de recidivetermijn tot tien jaar te
vergaand. Ook in het strafrecht geldt
een termijn van vijf jaar. Alleen bij
ernstige overtredingen van de arbeidswetten, bijvoorbeeld de illegale
tewerkstelling van een groot aantal
vreemdelingen, zal een termijn van tien
jaar gelden.
Preventief
stilleggen van de werkzaamheden
Als
sluitstuk van het
sanctie-instrumentarium krijgen de
toezichthouders ter voorkoming van
verdere overtredingen de mogelijkheid om
preventief werkzaamheden stil te leggen.¹
1.
Het stilleggen richt zich op het staken
van de werkzaamheden en betekent dus
niet per definitie het stopzetten van
het hele bedrijf. Het bevel daartoe kan
betrekking hebben op werkzaamheden in
een gebouw, maar kan zich ook
uitstrekken naar werkzaamheden die niet
aan een bepaalde ruimte gebonden zijn.
rblz.|17|
De
regering kiest in principe voor drie
stappen (zie ook bijlage
2: model
hoofdlijnen sancties arbeidsregelingen):
•
eerste overtreding:
- enkelvoudige boete opleggen;
- voor ernstige overtredingen kan de
toezichthouder naast de boete de
waarschuwing geven dat bij herhaling
van de overtreding stillegging van
de werkzaamheden volgt;
•
tweede overtreding:
- verdubbeling boete;
- de
waarschuwing dat bij herhaling van
de overtreding stillegging van de
werkzaamheden volgt;
- voor ernstige overtredingen
verdrievoudiging van de boete en
mogelijkheid tot effectueren van de
bij de eerste overtreding aangezegde
stillegging van werkzaamheden;
• derde
overtreding:
- verdrievoudiging boete;
- mogelijkheid over te gaan tot
stillegging van de werkzaamheden.
Hierbij
gaat het om het preventief stilleggen
van werkzaamheden om een herhaling van
de overtreding te voorkomen. Dit moet
worden onderscheiden van de huidige
mogelijkheid van de toezichthouder (Inspectie
SZW) om op grond van artikel
28, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
de
werkzaamheden stil te laten leggen als
naar het oordeel van deze toezichthouder
die werkzaamheden ernstig gevaar
opleveren voor personen. Deze laatste
vorm van stillegging wordt opgeheven op
het moment dat naar het oordeel van de
toezichthouder geen ernstig gevaar meer
aanwezig is.
Sancties
en maatregelen vergen een goede afweging
tussen de ernst van de overtreding en
het wederrechtelijk genoten voordeel
enerzijds en de zwaarte van de sanctie
anderzijds. Dat geldt nog sterker als
het naast het opleggen van bestuurlijke
boetes gaat om de preventieve
stillegging van werkzaamheden. De
regering is zich ervan bewust dat dit
een zeer ingrijpende maatregel is. Dit
kan echter nodig zijn als bedrijven
herhaaldelijk de arbeidswetten
overtreden - bijvoorbeeld in het geval
van veel te lange werkdagen, slechte
arbeidsomstandigheden, illegale
tewerkstelling, onderbetaling - ondanks eerder opgelegde (forse)
bestuurlijke boetes.
De
beslissing om werkzaamheden stil te
leggen en of het daarbij gaat om het
hele bedrijf of specifieke
werkzaamheden, zal de toezichthouder
nemen aan de hand van de concrete
situatie en de gevolgen van deze
beslissing voor het betrokken bedrijf en
derden. Bij die beslissing kan het
volgende meewegen:
• De
maatschappelijke en economische gevolgen
van het stilleggen, zoals het wegvallen
van algemeen maatschappelijke
dienstverlening. Bij de economische
gevolgen kan het niet zo zijn dat derden
schade ondervinden, bijvoorbeeld omdat
door stillegging van een bedrijf de
aanlevering van noodzakelijke producten
stopt.
• De
positie van de werknemers. Het verdient
de voorkeur een sanctie te treffen die
er niet bij voorbaat toe leidt dat de in
het bedrijf werkzame werknemers (van wie
velen geen verantwoordelijkheid hebben
gedragen voor de overtreding) hun baan
en dus hun inkomen verliezen.
• Het
is niet bij elk bedrijf mogelijk om op
korte termijn het bedrijf veilig stil te
leggen. Zo duurt het veilig stilleggen
van een olieraffinaderij ongeveer een
week.
Voorts
zal deze maatregel niet aan de orde zijn
als de laatste overtreding beperkt van
omvang is of een minder zware
overtreding is. Denk hierbij aan een
zeer geringe mate van onderbetaling, een
administratieve rblz.|18|
omissie of een andere
overtreding zonder directe gevolgen voor
de veiligheid en gezondheid van
werknemers.
Anderzijds
biedt dit wetsvoorstel de mogelijkheid
om al na de eerste overtreding een
preventieve stillegging van
werkzaamheden in het vooruitzicht te
stellen. De Tweede Kamer heeft de
regering hiertoe opgeroepen met de
aanvaarde motie-Azmani en Van den
Besselaar (Kamerstukken II 2010-2011, 17
050, nr. 411). Het spreekt voor zich dat
dit alleen bij ernstige overtredingen
zal plaatsvinden, zoals in situaties
waarbij de veiligheid en gezondheid van
veel werknemers ernstig in het geding is
of waarbij de werking van de
arbeidsmarkt ernstig wordt verstoord.
Naar verwachting zullen deze situaties
zich slechts incidenteel voordoen. Om
uitdrukking te geven aan de zwaarte van
de overtreding zal in het geval van
ernstige overtredingen al bij recidive
de boete worden verhoogd met 200%.
De
maximale duur van de stillegging is drie
maanden. Overtreding van de stillegging
is strafbaar op grond van de Wet op de economische delicten.
In de
algemene maatregelen van bestuur op
grond van de desbetreffende arbeidswetten
worden criteria opgesteld
met betrekking tot het inzetten van de
preventieve stillegging, het bepalen van
de duur daarvan en het afzien daarvan
bij administratieve of geringe
overtredingen.
2.2.2.
Verwijtbaarheid
Het
opleggen van een bestuurlijke boete is
een sanctie met een punitief karakter.
Dit stelt strenge eisen aan de
bewijsvoering van de overtreding en aan
de motivering van het sanctiebesluit.
Ook moet de verwijtbaarheid van het
beboetbare feit bij het opleggen van een
bestuurlijke sanctie worden betrokken.
Dit volgt uit de Algemene wet
bestuursrecht [Awb, red.] en de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur, met name het
evenredigheidsbeginsel.
Schuld in
de zin van verwijtbaarheid is doorgaans
geen bestanddeel van het beboetbare
feit. Als het daderschap vaststaat,
wordt verondersteld dat daarmee ook de
verwijtbaarheid vaststaat. Niettemin
geldt altijd "geen straf zonder
schuld". Het bestuursorgaan legt geen
bestuurlijke boete op voor zover de
overtreding de overtreder niet te
verwijten is. Het is aan de overtreder,
als hij van oordeel is dat er geen
sprake is van schuld, om dit aannemelijk
te maken. Dit staat tegenover het
strafrecht, waarin het openbaar ministerie
moet aantonen dat de
overtreder schuldig is.
2.2.3. Verhouding
toepassing bestuursrecht/strafrecht
De
regering wil de bestuursrechtelijke
afdoening bij de arbeidswetten
bevorderen. Dit geeft veel sneller
duidelijkheid over de (financiële)
consequenties van overtredingen dan het
strafrecht. Bovendien is er sprake van
centrale afhandeling en een uniforme
boetehoogte. Het bestuursrecht biedt
daardoor meer mogelijkheden voor een
lik-op-stukbeleid.
Meer
bestuurlijke afdoening sluit ook aan bij
de kabinetsnota over de uitgangspunten
bij de keuze van een sanctiestelsel
(Kamerstukken I 2008-2009, 31 700 VI, D).
Bij de arbeidswetten is veelal sprake
van specifieke rechtsbetrekkingen tussen
toezichthouder en object van toezicht.
Bij een dergelijke "besloten
context"
is toepassing van de bestuurlijke boete
het uitgangspunt. Ook ander in de kabinetsnota genoemde elementen dragen
hier aan bij. Zo vindt de feitelijke
ontdekking van de normovertreding bij de
arbeidswetten plaats door specifieke
toezichthoudende organen die voldoende
professionaliteit hebben om die normen
te handhaven.
rblz.|19|
In
de Wav,
de Arbeidstijdenwet
(Atw) en de Arbeidsomstandighedenwet
is er tot nu
toe voor gekozen herhaalde recidive
strafrechtelijk af te handelen. Uit de
ervaringen bij de Wav ¹ blijkt echter
dat de strafoplegging door de rechter
niet heeft geleid tot een strengere
sanctietoepassing dan de
bestuursrechtelijke sanctietoepassing
bij recidive. Soms zijn zelfs lagere
straffen opgelegd.
Herhaalde
recidive wordt daarom bij de Wav,
Atw
en Arbeidsomstandighedenwet
overgeheveld
naar het bestuursrecht. In de huidige
situatie betreft dit een gering aantal
zaken per jaar. De WML
en Wet
allocatie arbeidskrachten door
intermediairs (Waadi) kennen op dit
moment overigens geen strafrechtelijke
handhaving en dat blijft zo.
1.
Evaluatie Invoering bestuurlijke boete
Wav (Kamerstukken II 2009-2010, 17 050
en 29 523, nr. 396).
In 1998
is in de Arbeidsomstandighedenwet
(als
eerste in een reeks van arbeidswetten)
de bestuurlijke boete geïntroduceerd.
Doel hiervan was de effectiviteit van
het toezicht en de handhaving te
vergroten. Het strafrecht bleef wel van
toepassing voor overtredingen waarbij de
werkgever weet of redelijkerwijs moet
weten dat daardoor levensgevaar of
ernstige schade aan de gezondheid van
werknemers kan ontstaan. Ook
overtredingen van het mede op de
Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde Besluit
risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo: de Nederlandse uitwerking van de
Europese richtlijn die elke lidstaat
verplicht om inspecties uit te voeren
bij bedrijven die werken met grote
hoeveelheden gevaarlijke stoffen) vallen
uitsluitend onder de strafrechtelijke
afdoening.
De
regering stelt voor de
bestuursrechtelijke handhaving binnen de
Arbeidsomstandighedenwetgeving in meer
situaties toe te passen. Zo vervalt de
verwijzing naar het strafrecht ingeval
een werkgever onvoldoende maatregelen
neemt om gevaar voor de veiligheid of
gezondheid van andere personen dan zijn
eigen werknemers te voorkomen
(bijvoorbeeld voorbijgangers). Ook
vervallen de verwijzingen naar bepaalde
in het Arbobesluit
en de Arboregeling
opgenomen overtredingen. Deze zullen in
het vervolg onder het bestuursrecht
vallen (onder meer: gevaar voor
verstikking, vergiftiging of brand;
arbeidsverbod voor jeugdigen om te
werken met gevaarlijke stoffen). Wel
blijft de strafrechtelijke handhaving
bestaan voor situaties waarbij dodelijke
arbeidsongevallen zijn betrokken.
Voor het Brzo zal de regering naast de
strafrechtelijke ook bestuursrechtelijke
handhaving invoeren. Voor de keuze
tussen straf- en bestuursrecht zijn
onder meer de aard en ernst van de
overtreding van belang. Over de
afbakening zullen afspraken worden
gemaakt met het openbaar ministerie. De
grote impact van zware ongevallen
waarbij gevaarlijke stoffen zijn
betrokken, rechtvaardigen zeer hoge
boetenormbedragen. Met het oog daarop
zal in de wet de maximale boetehoogte
voor overtredingen van het Brzo gelijk
zijn aan de zesde geldboetecategorie uit
artikel 23 van het Wetboek
van Strafrecht (thans €|780
000,-).
2.2.4. Overige
maatregelen om naleving arbeidswetten te
bevorderen
Het
verzwaren van sancties staat niet op
zichzelf. Het zal in samenhang gebeuren
met andere instrumenten die sturing
geven aan de strenge aanpak van
overtredingen van de arbeidswetten. Deze
zijn onder meer neergelegd in het
Handhavingprogramma 2011-2014 en de
aanpak/maatregelen om arbeidsmigratie
uit Midden- en Oost-Europa in goede
banen te leiden. Daarnaast dragen de
volgende separate wetsvoorstellen bij
aan het bevorderen van de naleving van
de arbeidswetgeving:
- Wijziging Waadi:
de wet zal onder meer
een bepaling krijgen die het mogelijk
maakt dat de Inspectie
SZW en de belastingdienst
de uitzendbranche
informeren over ondernemingen die zijn
beboet of rblz.|20|
waarbij een overtreding is
vastgesteld. Zo kan de branche de
zelfregulering beter invullen. Het
wetsvoorstel is thans in behandeling bij
de Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011-2012, nr. 32 872, nr. 8).
- Herziening Wav: deze zal onder meer
een bepaling bevatten die het UWV
meer
mogelijkheden geeft een
tewerkstellingsvergunning te weigeren of
in te trekken wegens gebleken slecht
werkgeverschap, zoals aangekondigd in de
brief van 18 september 2009
(Kamerstukken II 2009-2010, 32 144, nr.
1). De regering verwacht hierover in
2012 een voorstel te kunnen doen.
- Wijziging Wav: in verband met de
implementatie van een Europese Richtlijn
tot vaststelling van minimumnormen voor
sancties tegen werkgevers van illegaal
verblijvende onderdanen van derde landen
komt in de Wav een notificatieplicht
voor werkgevers, op straffe van een
boete. Ook wordt een
ketenaansprakelijkheid voor
loonvorderingen ingevoerd. Het
wetsvoorstel is thans in behandeling bij
de Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011-2012, nr. 32 843, nr. 2).
2.2.5.
Maatschappelijke effecten strengere
aanpak bedrijven
Strengere
sancties en gerichte handhaving zullen
de bereidheid tot naleving door
bedrijven vergroten. De boetebedragen
gaan fors omhoog. Daarbij is gekozen
voor het vaker bestuurlijk afdoen van
boetes zodat de overtreder veel sneller
weet hoe hoog de boete is. Om herhaling
van overtreding te voorkomen, kan de
preventieve stillegging van het werk
worden opgelegd.
De
toezichthouder zal stilleggen van (een
deel) van een bedrijf alleen inzetten
als uiterste middel. Het moet dan gaan
om een werkgever bij wie herhaaldelijk
is vastgesteld dat hij de wetgeving niet
naleeft en bij wie een eerste boete niet
tot gedragsverbetering heeft geleid.
Uiteraard zal de toezichthouder daarbij
ook de maatschappelijke en economische
gevolgen van het stilleggen, zoals het
tijdelijk stoppen van de productie en de
gevolgen voor de betrokken werknemers,
meewegen. De werkgever heeft de
verantwoordelijkheid om met inachtneming
van de arbeidswetten
zijn bedrijf te
voeren. Indien hij dit niet in de
praktijk weet te brengen, acht de
regering deze forse ingreep aanvaardbaar
om nieuwe overtredingen te voorkomen.
2.2.6.
Communicatie
De nieuwe
sancties die de regering met dit
wetsvoorstel wil invoeren, zijn niet
alleen bedoeld om fraudeurs strenger te
straffen, maar ook ter preventie. Het
preventieve effect zal alleen
plaatsvinden als de bedrijven en
instellingen op de hoogte worden
gebracht van de nieuwe
sanctiemaatregelen. Hierbij zal
samenwerking met werkgeversorganisaties
gezocht worden. Voorts zullen de
inspectie- en handhavingsorganisaties de
werkgevers bij herhaalde overtredingen
informeren welke maatregelen daarop
kunnen volgen. Rond de inwerkingtreding
van de wet volgt ook op andere wijze
communicatie over de wet.
3.
Ontvangen commentaren en adviezen ¹
De
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) is gevraagd om een bestuurlijk
advies. Het wetsvoorstel is daarnaast
voor advies voorgelegd aan Divosa [Vereniging
van directeuren van overheidsorganen
voor sociale arbeid, red.],
en het
Uitvoeringspanel gemeenten.² Het
wetsvoorstel is ook aan UWV
en SVB voorgelegd, evenals aan de
Inspectie
SZW, de Inspectie Leefomgeving en
Transport en het Staatstoezicht op de
Mijnen (toezichtbaarheidstoets). Het
Adviescollege vermindering
administratieve lasten heeft aangegeven
dat geen adviesaanvraag nodig was.
De belastingdienst
heeft laten weten dat de
voorstelde aanscherping van het
sanctiebeleid voor de kinderopvangtoeslag uitvoerbaar is.
rblz.|21|
De Landelijke Cliëntenraad
(LCR) heeft
aangegeven in te stemmen met een stevige
aanpak van fraude, omdat fraude de
solidariteit ondermijnt. Wel vraagt de
LCR aandacht voor een zorgvuldige
toetsing op verwijtbaarheid en een goede
voorlichting om de preventieve werking
van de maatregelen te versterken.
1. Ter
inzage gelegd bij het Centraal
Informatiepunt Tweede Kamer.
2. In het Uitvoeringspanel gemeenten
participeren achttien gemeenten,
VNG en Divosa.
3.1. VNG,
Divosa en Uitvoeringspanel gemeenten
VNG en
Divosa onderschrijven het uitgangspunt
van de regering dat fraude de
solidariteit ondermijnt en dat fraude
niet mag lonen. In aansluiting op het
Uitvoeringspanel gemeenten brengt VNG de
volgende aandachtspunten naar voren:
Beleidsvrijheid
gemeenten
Bij het
kiezen van de sanctie willen gemeenten
rekening houden met de specifieke
omstandigheden van de burger. De
fraudeur moet bestraft worden, maar
daarnaast moet gekeken worden naar de
financiële zelfredzaamheid en de
mogelijkheid voor participatie en
activering.
De
regering heeft er begrip voor dat gemeenten in de dagelijkse praktijk
rekening willen kunnen houden met de
specifieke omstandigheden van de burger.
Anderzijds is de regering van oordeel
dat bij een heldere communicatie en een
uniforme uitvoering verwacht mag worden
dat, juist door het preventieve effect
dat uitgaat van deze uniforme harde
fraudeaanpak, het uiteindelijk steeds
minder vaak zal voorkomen dat de
uitvoeringsorganen tot deze strenge
aanpak moeten overgaan.
Daarbij
blijft er naar het oordeel van de
regering voldoende ruimte voor gemeenten
voor maatwerk. In de eerste plaats
doordat ook in het voorgestelde nieuwe
sanctieregime de toets op
verwijtbaarheid een centrale plaats
inneemt. Daarnaast kunnen gemeenten in
een individueel geval bij dringende
reden afzien van de zwaarste sanctie als
dit onredelijk of onbillijk zou
uitvallen. Prudentie en
professionaliteit van het
uitkeringsorgaan staan borg voor
zorgvuldige afwegingen. Voorts biedt de
introductie van de bestuurlijke boete
gemeenten ook bij ernstige fraude de
mogelijkheid om een passende sanctie op
te leggen ook als er geen recht op
uitkering meer bestaat. Op dit moment
hebben gemeenten in een dergelijke
situatie geen sanctiemiddelen. Dit is
een vorm van maatwerk die nu niet
mogelijk is.
Maatschappelijke
effecten
Gemeenten
vragen aandacht voor de maatschappelijke
effecten van de harde aanpak, zoals het
niet kunnen betalen van
ziektekostenverzekeringen en problemen
met doorbetalen van de huur. Ook hebben
de maatregelen naar het oordeel van
gemeenten negatieve gevolgen voor
participatie en schuldhulpverlening.
De
regering verwacht overwegend positieve
maatschappelijke effecten van de harde
aanpak van fraude. Strengere sancties en
handhaving in combinatie met een goede
voorlichting zullen een sterke
preventieve werking hebben, waardoor
minder mensen frauderen en minder mensen
een bijstandsuitkering zullen ontvangen.
Bij een heldere communicatie is een
zwaardere boete ook niet meer iets dat
de degenen die dan nog fraudeert,
overkomt, maar een situatie waarin
betrokkene in de eerste plaats door
eigen handelen terecht is gekomen. Ook
zullen de boete of het tijdelijk
volledig verrekenen van de bestuurlijke
boete bij recidive met de uitkering een
sterke prikkel vormen om het gedrag te
beteren en op zoek te gaan naar werk. Al
met al verwacht de regering dat met deze
zakelijke rblz.|22|
insteek het draagvlak voor
solidaire voorzieningen onder burgers
zal toenemen, omdat men erop kan
vertrouwen dat alleen gebruik gemaakt
wordt van een voorziening indien dit ook
echt nodig is. De regering verwacht dus
in brede zin een positief
maatschappelijk effect.
De
regering is er ook van doordrongen dat
dit beleid in een incidenteel geval kan
leiden tot onwenselijke situaties,
waarin de gemeente
kan worden
aangesproken op haar zorgplicht. Van
belang daarbij is dat gemeenten in het
onderhavige voorstel de ruimte houden om
bij dringende redenen af te zien van het
opleggen van de bestuurlijke boete. Ook
kan de uitvoering indien hiervoor
dringende redenen aanwezig zijn, afzien
van verrekening met tijdelijk buiten
werking stellen van de beslagvrije voet.
Bij dringende redenen gaat het om
bijzondere omstandigheden in het
individuele geval. Deze regel kan
slechts toegepast worden indien door de
verrekening over de beslagvrije voet
voor met name de (mede)belanghebbende
onaanvaardbare consequenties zouden
optreden. Vast dient te staan dat sprake
is van zeer incidentele gevallen en dat
de behoeftige omstandigheden waarin de
(mede)belanghebbende verkeert op geen
enkele andere wijze zijn te verhelpen.
Naast de
mogelijkheid om bij dringende redenen af
te zien van het opleggen van de
bestuurlijke boete of het buiten werking
stellen van de beslagvrije voet hebben gemeenten de ruimte om gedurende de drie
maanden van buiten werking stellen van de
beslagvrije voet in uitzonderlijke of
schrijnende gevallen leenbijstand te
verstrekken (die dan later terugbetaald
moet worden). De regering is van oordeel
dat er hiermee voldoende ruimte is om
ondersteuning in enig andere vorm te
bieden.
De datum
van inwerking treden
Gemeenten
verzoeken de ingangsdatum af te stemmen
op andere beleidswijzigingen en op 1
januari 2013 te stellen.
De
regering erkent het belang van een
zorgvuldige implementatie, mede ook
gezien het grote belang van een strikt
handhavingsbeleid en sanctiebeleid en
wil daarom het advies van gemeenten
honoreren door aan te koersen op
invoering per 1 januari 2013.
Incassoruimte
De gemeenten geven aan dat de gemeentelijke
mogelijkheden op het terrein van incasso
moeten worden vergroot, ervan uitgaande
dat gemeenten dit instrument zelf kunnen
inzetten.
De
regering heeft er goede nota van genomen
dat de beslagvrije voet en de
complexiteit in de toepassing daarvan
mogelijkheden van gemeenten voor incasso
beperken. Het voorstel van de regering
om bij recidive de beslagvrije voet
tijdelijk buiten werking te stellen, komt
hier ook aan tegemoet.
Naar
aanleiding van de aanpassingen in het
wetsvoorstel na het advies van de Raad
van State hebben de
VNG en
Divosa aangegeven dat de kern van de bezwaren
met het aangepaste wetsvoorstel niet
zijn weggenomen. Ook is men kritisch ten
aanzien van het voornemen om de
beslagvrije voet bij recidive tijdelijk
buiten werking te stellen, gelet op de
zorgplicht van gemeenten. Wel zijn de
VNG en Divosa verheugd dat het advies
ten aanzien van de datum van
inwerkingtreding is overgenomen.
rblz.|23|
3.2.
Sociale verzekeringsbank
De SVB brengt in haar advies enkele punten
onder de aandacht die de uitvoerbaarheid
raken.
Karakter
tijdelijke uitsluiting
De SVB heeft juridische kanttekeningen bij de
tijdelijke uitsluiting van het recht op AOW. Deze zou naar het oordeel van de
SVB als punitief gezien kunnen worden.
Ook kan de beoordeling of bij de
tijdelijke uitsluiting sprake is van
eigendomsontneming gezien het
opbouwkarakter van de AOW anders
uitvallen.
Voor een
reactie op dit aandachtspunt van de SVB
verwijst de regering naar hetgeen
hierover is opgemerkt in het nader
rapport (punt 3) en de toelichting in paragraaf
2.1.2.
Overgangsrecht
Naar
aanleiding van de opmerkingen van de SVB
over het overgangsrecht zijn de
overgangsbepalingen aangepast.
In het
overgangsrecht is verduidelijkt dat op
overtredingen die gepleegd zijn vóór
de inwerkingtreding van deze
wet, maar
die voortduren na inwerkingtreding van
deze wet, het oude recht van toepassing
blijft mits de overtreding is gemeld of
geconstateerd binnen 30 dagen na
inwerkingtreding van deze wet.
Met deze
bepaling wordt voorkomen dat een
overtreding die is aangevangen vóór het
inwerkingtreden van deze wet,
bijvoorbeeld zwartwerken of het niet
melden van samenwonen, ook als deze
fraudesituatie nog lange tijd
voortduurt, volgens het oude recht moet
worden afgedaan. Immers bij de
inlichtingenplicht geldt dat
belanghebbende onverwijld alle
omstandigheden en feiten moet melden die
invloed hebben op de uitkering. Ook
wanneer deze omstandigheden niet
onverwijld worden meegedeeld, ontslaat
dit betrokken niet van de plicht dit
alsnog te doen. In het overgangsrecht is
daarom expliciet geregeld dat indien
deze omstandigheden niet binnen 30 dagen zijn gemeld, alsnog het nieuwe
recht van toepassing is. Het is immers
niet de bedoeling dat iemand beter af is
door de juiste feiten te blijven
verzwijgen.
3.3. UWV
Het UWV acht
de voorgestelde aanscherping van het
sanctiebeleid uitvoerbaar en
handhaafbaar.
De
beoogde invoeringsdatum, 1 juli 2012,
staat onder druk. Het UWV is in staat de wet
per 1 oktober goed in te voeren mits de
teksten van het wetsvoorstel en de te
treffen algemene maatregel van bestuur
uiterlijk 1 november 2011 beschikbaar
zijn. Voor het overgangsrecht gaat Het UWV
ervan uit dat alleen overtredingen
begaan na de inwerkingtreding volgens
het nieuwe recht worden afgehandeld. Als
invoering op een eerdere datum wenselijk
is, kan het UWV dit slechts ten dele met
automatisering ondersteunen.
De
regering erkent het belang van een
zorgvuldige implementatie, mede ook
gezien het grote belang van een strikt
handhavingsbeleid en sanctiebeleid, en
wil daarom het advies van het UWV
honoreren
door te koersen op invoering per 1
januari 2013.
rblz.|24|
3.4.
Inspectie SZW
De
verschillende onderdelen van de Inspectie
SZW hebben gezamenlijk een
toets op het conceptwetsvoorstel
uitgevoerd. Bij de uitvoering van de
toets zijn de Inspectie Leefomgeving en
Transport en het Staatstoezicht op de
Mijnen eveneens betrokken (op de
terreinen waarop zij samenwerken met de
Inspectie SZW). De uitgevoerde toets
geeft de Inspectie SZW aanleiding tot de
volgende opmerkingen.
Toerekening
recidive en oplegging boete of
strafrechtelijke sanctionering
De Inspectie
SZW stelt vragen over de
toerekening van recidive en de gevolgen
van de uitsluiting. Deze vragen zijn in
het licht van de wijzigingen in het
wetsvoorstel niet meer actueel.
Arbeidswetten
Gelet op
het belang van goed werkbare regelgeving
voor de toezichthouders zullen de Inspectie
SZW, de Inspectie Verkeer en
Waterstaat en het Staatstoezicht op de
Mijnen betrokken worden bij de nadere
uitwerking van het sanctiebeleid bij of
krachtens algemene maatregelen van
bestuur.
3.5. Raad
voor de rechtspraak
De Raad
voor de rechtspraak adviseert in de
toelichting bij het wetsvoorstel beter te
motiveren dat met de introductie van de
uitsluiting van de uitkering bij
recidive in de SZW-wetgeving sprake is
van een herstelsanctie en niet van een
punitieve sanctie. Voor een reactie op
dit advies van de Raad voor de rechtspraak verwijst de regering naar
hetgeen hierover is opgemerkt in het
nader rapport en de toelichting in paragraaf
2.1.2.
De Raad
voor de rechtspraak merkt op dat op
basis van (internationale) onderzoeken
onvoldoende steun te vinden is voor de
claim in de memorie van toelichting dat
strafverhoging een afschrikkende werking
heeft.
Over de
vraag of strafverhoging in algemene zin
afschrikkend werkt, kan verschillend
worden gedacht. Uit nationale en
internationale studies over de
effectiviteit van sancties in brede zin
komt geen eenduidig beeld naar voren.
Anders
ligt dit op het terrein van de sociale
zekerheid. Veel wetenschappelijk
onderzoek naar naleving van socialezekerheidswetgeving richt zich op
sancties op het niet of onvoldoende
meewerken aan re-integratie. Deze
studies meten het effect van sancties op
de uitstroom naar werk van werklozen. In
Nederland hebben dergelijke onderzoeken
aangetoond dat sancties een effectief
middel zijn om de uitstroom naar werk te
versnellen (onder meer Van der Klaauw en
Van Ours, 2010, Van den Berg, Van der Klaauw
en Van Ours, 2004, en Abbring en Van den
Berg, 2003). In internationaal onderzoek
uit Zwitserland en Denemarken worden
soortgelijke effecten gevonden.
Er is
zowel nationaal als internationaal
minder onderzoek voorhanden naar het
effect van sancties op socialezekerheidsfraude. Maar verwacht mag
worden dat dit positieve effect zich ook
bij sancties in relatie tot
uitkeringsfraude zal voordoen.
rblz.|25|
Verder
zijn studies bekend van buiten het
socialezekerheidsterrein. Zo blijkt uit
onderzoek naar effectiviteit van
sancties in het verkeer (Tierolf e.a.,
2009) dat zowel hogere boetes als een
hogere pakkans effectief zijn om het
aantal snelheids- en
alcoholovertredingen te beperken.
De
effectiviteit en gedragseffecten van
voorliggend wetsvoorstel zijn ook in
overleg met het CPB [Centraal
Planbureau, red.] op plausibiliteit
getoetst.
Overigens
speelt bij het wetsvoorstel niet alleen
het preventieve effect van de strengere
aanpak een rol, maar wil de regering ook
de maatschappelijke norm dat misbruik
streng bestraft moet worden, bevestigen.
Dit is nodig ter behoud van het
maatschappelijk draagvlak van de sociale
zekerheid.
4.
Financiële aspecten
4.1.
Financiële gevolgen sociale zekerheid
In
Nederland worden jaarlijks 6,5 miljoen
uitkeringen, AOW-pensioenen en
kinderbijslagen verstrekt. Bij 1%
daarvan wordt fraude geconstateerd. Het
gaat daarbij in 2010 in totaal om een
fraudeschade van €|119 miljoen. Wel
zijn er aanzienlijke verschillen naar
wet. De meeste fraudegevallen worden
geconstateerd in de Wwb
en de WW;
relatief weinig fraude wordt
geconstateerd in de AOW. Uiteraard
worden niet alle fraudegevallen
gedetecteerd.
De nieuwe
fraudeaanpak kan op diverse manieren
financiële gevolgen hebben. Zowel
hogere boeten, een hogere gepercipieerde
pakkans als een hogere incassoratio
leveren op twee manieren een besparing
op. In de eerste plaats is er het
directe effect: de boete-inkomsten
stijgen. Dit materialiseert zich in een
verlaging van de uitkeringslasten.
Daarnaast is er een gedragseffect.
Hogere boetes, pakkans en incassoratio
maken fraude minder aantrekkelijk.
Verwacht mag worden dat hierdoor het
aantal fraudeurs zal afnemen en daarmee
ook de fraudeschade. Ook dit kan zich
materialiseren in een daling van de
uitkeringslasten, bijvoorbeeld als
mensen inkomsten naast de uitkering
volledig opgeven of de correcte
samenwoonsituatie melden.
Op dit
moment bedraagt de boete gemiddeld 10% van het fraudebedrag. In de
nieuwe fraudeaanpak stijgt dit naar 100%. Op basis van het aantal
geconstateerde fraudegevallen en de
gemiddelde stijging van de boetehoogte
is een inschatting gemaakt van de extra
boete-inkomsten als gevolg van de nieuwe
fraudeaanpak (het directe effect).
Het
kwantificeren van de gedragseffecten is
bijzonder lastig. Dit komt onder meer
omdat naast economische ook
psychologische factoren (zoals gangbare
sociale normen) een rol spelen bij de
beslissing van het individu om wel of
niet te frauderen. Ook is er zowel
nationaal als internationaal weinig
onderzoek voorhanden naar het effect van
sancties op socialezekerheidsfraude. De
berekeningen die aan de raming ten
grondslag liggen, zijn daarom uitvoerig
bediscussieerd met en op plausibiliteit
getoetst door het CPB.
Extra
besparingen door hogere boeten bij
recidive zijn niet meegenomen in de
raming. Verondersteld wordt dat recidive
door de zeer hoge sancties nauwelijks
zal voorkomen. Mocht het toch voorkomen,
dan kan de ten onrechte ontvangen
uitkering verrekend worden met de
lopende uitkering, waarbij de
beslagvrije voet op nul gezet wordt.
Daarbij kunnen recidivisten in andere
uitkeringen mogelijk aanspraak maken op
de rblz.|26|
bijstand. Mede om deze reden wordt
het directe effect van stijgende
boete-inkomsten voor gemeenten lager
ingeschat.
De
middenschatting van de totale besparing
bedraagt €|140 miljoen per jaar vanaf
2014. De verhoging van de boetes levert
ongeveer €|80 miljoen op en
daarbovenop komt een gedragseffect van
circa €|60 miljoen. In onderstaande
tabel wordt weergegeven wat de omvang is
van deze effecten voor de verschillende
uitvoerders.
Tabel. Besparingen per uitvoerder (x
€|1
miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Gemeenten |
UWV |
SVB |
Totaal |
| Direct
effect |
23 |
49 |
x6 |
x78 |
| Gedragseffect |
29 |
21 |
12 |
x62 |
| Totaal |
52 |
71 |
18 |
140 |
De
besparing in 2013 is lager: de wet gaat
in op 1 januari en gedurende het eerste
halfjaar houden we rekening met
aanloopeffecten. In onderstaande tabel
wordt per regeling aangegeven welke
besparingen zijn ingeboekt.
Tabel.
Besparingen sociale zekerheid per
regeling (x €|1 miljoen):
| Regelingxxxxxxxxxxxxxxx |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
| Gemeenten: |
| Wwb |
40xxxxx |
52xxxxx |
52xxxxx |
52xxxxx |
| UWV: |
|
WW |
33xxxxx |
42xxxxx |
42xxxxx |
42xxxxx |
| Wet
WIA |
3xxxxx |
4xxxxx |
5xxxxx |
5xxxxx |
|
WAO |
6xxxxx |
7xxxxx |
6xxxxx |
6xxxxx |
| Wet
Wajong/WAZ |
3xxxxx |
4xxxxx |
4xxxxx |
4xxxxx |
|
ZW |
4xxxxx |
5xxxxx |
5xxxxx |
5xxxxx |
|
TW |
6xxxxx |
8xxxxx |
8xxxxx |
8xxxxx |
| SVB: |
| Anw |
3xxxxx |
3xxxxx |
3xxxxx |
3xxxxx |
|
AOW |
8xxxxx |
11xxxxx |
11xxxxx |
11xxxxx |
|
AKW |
3xxxxx |
4xxxxx |
4xxxxx |
4xxxxx |
| Totaal: |
| Totaal |
107xxxxx |
140xxxxx |
140xxxxx |
140xxxxx |
4.2.
Financiële gevolgen arbeidsregelingen
De omvang
van de boeteopbrengsten op het terrein
van de arbeidsregelingen wordt bepaald
door het aantal boeterapporten, het
gemiddelde boetebedrag en de
incassoratio. Het aantal opgestelde
boeterapporten is van veel factoren
afhankelijk, zoals het aantal
inspecteurs, de soort activiteiten
(actief/reactief), gedragseffecten
(afschrikkende werking van de verhoogde
boetes), aanscherping van het
handhavingsbeleid, matigingsbeleid
(waardoor overtreders geen of minder
boete krijgen als hen geen blaam treft
voor de overtreding begaan door het
bedrijf dat het werk feitelijk uitvoert)
en de gevolgen van het vrijgeven van de
arbeidsmarkt voor Roemenen en Bulgaren
in 2014. Door verhoging van de boetes
zal het gemiddelde boetebedrag vanaf 1
januari 2013 toenemen. Het beleid is
erop gericht om de incassoratio te
verhogen, maar naarmate boetes hoger
worden, wordt de inning van die boetes
ook moeilijker. De verwachting is daarom
dat de huidige incassoratio, die per
arbeidswet verschilt, ongewijzigd
blijft.
Op basis
van het aantal opgelegde boetes, het
gemiddelde boetebedrag en de
incassoratio van de afgelopen jaren
wordt de volgende verhoging van de
boeteopbrengsten verwacht. De tijdelijke
verlaging van de rblz.|27|
boeteopbrengsten Wav
in
2015 is het gevolg van het vrijgeven van
de arbeidsmarkt voor Roemenen en
Bulgaren per 2014.
Tabel.
Verhoging boeteopbrengsten
arbeidsregelingen (x €|1 miljoen):
| Regelingxxxxxxxxxxxxxx |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
| Wav/Waadi |
6,2 |
x6,5 |
x5,8 |
x9,7 |
| Atw/WML |
0,2 |
x0,4 |
x0,5 |
x0,5 |
| Arbowet |
3,0 |
x3,8 |
x4,2 |
x4,3 |
| Totaal |
9,0 |
11,0 |
11,0 |
15,0 |
4.3.
Financiële gevolgen kinderopvangtoeslag
Het
aantal geconstateerde fraudegevallen in
de kinderopvangtoeslag is klein. Op
basis van informatie van de belastingdienst
blijkt dat er in de
periode 2005-2010 80 fraudezaken
strafrechtelijk zijn afgedaan of nog
lopen en 200 zaken administratief. Het
totale fraudebedrag is ongeveer €|50
miljoen, dus gemiddeld €|10 miljoen
per jaar. Het gemiddelde fraudebedrag is
hoog omdat enkele zeer grote fraudezaken
het gemiddelde optrekken. Naast deze
fraudegevallen is ook sprake van
oneigenlijk gebruik van de toeslag door
kinderopvangtoeslag aan te vragen voor
uren waar feitelijk geen arbeid tegenover
staat. Om dit oneigenlijke
gebruik tegen te gaan, wordt per 2012 het
aantal uren recht op toeslag gekoppeld
aan het aantal gewerkte uren. Deze
maatregel valt buiten het bestek van de
voorliggende wet.
De nieuwe
fraudeaanpak betekent een inperking van
de mogelijkheden tot fraude bij de
kinderopvangtoeslag. Bijvoorbeeld door
aanvragen met terugwerkende kracht zeer
beperkt toe te staan (via Verzamelwet kinderopvang 2012,
Kamerstukken 33 014, nr. 2). Er zal meer aan de voorkant
worden gecontroleerd, zodat fraude
voorkomen kan worden. Daarnaast zal meer
gebruik worden gemaakt van koppeling van
gegevens, worden terugvorderingen met
andere toeslagen verrekend en wordt
effectiever gecontroleerd op basis van
risicoanalyse. Ook de controle door de belastingdienst
op de rechtmatigheid van
toeslagaanvragen aan de hand van het
Landelijk Register Kinderopvang
verkleint het aantal fraudegevallen. De
verwachting is dat de fraude die nu nog
plaatsvindt straks verder voorkomen kan
worden. In aanvulling op de maatregelen
uit de Verzamelwet kinderopvang 2012 en
versterkte controle door de belastingdienst
worden de maximale
boetes bij niet, te laat, onvolledig of
onjuist verstrekken van gegevens
verhoogd. Met het totaal van de
maatregelen in het kader van de nieuwe
fraudeaanpak wordt in 2012 een besparing
verwacht van €|12,5 miljoen. Vanaf
2013 wordt €|25 miljoen bespaard.
4.4.
Uitvoeringskosten
In het
Regeerakkoord is een taakstelling voor
fraudeaanpak opgenomen met een
structurele opbrengst van €|180
miljoen. Bij het invullen van deze
taakstelling is in eerste instantie geen
rekening gehouden met extra
uitvoeringskosten.
Uit de
uitvoeringstoetsen bleek dat er toch
enige gevolgen zijn voor de
uitvoeringskosten. Deze zijn door de
verschillende uitvoerders inzichtelijk
gemaakt. Voor de gemeenten heeft
SZW deze geraamd. De extra uitvoeringskosten
hebben voornamelijk betrekking op het
aanpassen van systemen en werkprocessen,
meer bezwaar en beroep, communicatie aan
cliënten, hogere werklast voor de
rechtspraak, hogere incassokosten,
verhoging van de aangiftegrens en de
introductie van de bestuurlijke boete
voor gemeenten.
rblz.|28|
In onderstaand overzicht zijn de
uitvoeringskosten voor de verschillende
uitvoerders opgenomen. Dit betreffen
zowel incidentele kosten (voornamelijk
in 2012) als structurele kosten. Deze
kosten zullen worden gedekt binnen de SZW-begroting.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
| UWV
¹ |
2,7 |
x3,0 |
x3,0 |
x3,0 |
x3,0 |
| SVB
² |
3,0 |
x0,2 |
x0,2 |
x0,2 |
x0,2 |
| Gemeenten
³ |
2,0 |
x3,8 |
x3,8 |
x3,8 |
x3,8 |
| Belastingdienst |
0,0 |
x0,8 |
x0,8 |
x0,8 |
x0,8 |
| Inlichtingenbureau |
0,5 |
x0,5 |
x0,3 |
x0,3 |
x0,3 |
| Raad
voor de rechtspraak |
0,0 |
x1,0 |
x1,0 |
x1,0 |
x1,0 |
| SZW/Directie
Wetgeving, Bestuurlijke en
Juridische Aangelegenheden |
0,0 |
x0,8 |
x0,8 |
x0,8 |
x0,8 |
| SZW/Inspectie |
0,4 |
x2,1 |
x2,1 |
x2,1 |
x2,1 |
| Totaal |
8,7 |
12,2 |
11,9 |
11,9 |
11,9 |
1. De
besparingen in de uitvoeringskosten die
bij UWV
worden gerealiseerd als gevolg van een
vermindering van het aantal uitkeringen
zullen conform de reguliere systematiek
worden verwerkt.
2. De besparingen in de
uitvoeringskosten die bij SVB
worden gerealiseerd als gevolg van een
vermindering van het aantal uitkeringen
zullen conform de reguliere systematiek
worden verwerkt.
3. Bij de vergoeding van de extra
uitvoeringskosten van gemeenten
is al rekening gehouden met een
besparing op de uitvoeringskosten als
gevolg van een vermindering van het
aantal uitkeringen.
Met de gemeenten, UWV,
SVB, de belastingdienst
en de Inspectie
SZW zullen nadere
afspraken gemaakt worden over
kengetallen en indicatoren om de
effectiviteit van het fraudebeleid de
komende jaren te kunnen monitoren.
4.5.
Regeerakkoord
De
besparingen van de huidige plannen
tellen op tot €|180 miljoen in 2016.
Hiermee wordt invulling gegeven aan de
taakstellende besparing uit het Regeerakkoord. De besparingen tellen
sneller op naar hun structurele niveau
dan in het Regeerakkoord is opgenomen.
Hierdoor is opgeteld over de periode
2013-2015 sprake van een grotere
besparing dan in het Regeerakkoord is
voorzien.
Tabel.
Samenvatting financiële gevolgen
wetsvoorstel (x €|1
miljoen): ¹
| Regelingxxxxxxxxxxxxxxxx |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
| Sociale
zekerheid |
107 |
140 |
140 |
140 |
| Arbeidsregelingen |
xx9 |
x11 |
x11 |
x15 |
| Kinderopvangtoeslag |
x25 |
x25 |
x25 |
x25 |
| Totaal |
141 |
176 |
176 |
180 |
1. In
de tabellen kan als gevolg van afronding
de som der delen afwijken van het
totaal.
5.
Administratieve lasten
Onder
administratieve lasten voor bedrijven
wordt verstaan de kosten voor het
bedrijfsleven om te voldoen aan
informatieverplichtingen die
voortvloeien uit wet en
regelgeving.
Administratieve lasten voor burgers zijn
de kosten die de burger maakt om te
voldoen aan informatieverplichtingen die
voortvloeien uit regelgeving van de
overheid. Het gaat hier rblz.|29|
zowel om kosten
gemoeid met het nakomen van
verplichtingen als met het uitoefenen
van rechten.
Met dit
wetsvoorstel worden geen nieuwe
administratieve verplichtingen opgelegd
aan bedrijven of burgers. Wellicht leidt
het tot enige toename van het aantal
beschikkingen. In termen van
administratieve lasten is dit echter
verwaarloosbaar. Het Adviescollege
vermindering administratieve lasten
heeft aangegeven dat geen adviesaanvraag
nodig was.
6.
Overgangsrecht
Op grond
van het overgangsrecht blijft voor
beboetbare overtredingen (feiten
waarvoor een bestuurlijke boete kan
worden opgelegd) en strafbare feiten die
zijn begaan uiterlijk op de dag vóór de
dag waarop deze wet in werking is
getreden het oude recht gelden. Dit
brengt met zich mee dat voor deze
overtredingen de regelingen voor de
bestuurlijke boete die golden vóór de
inwerkingtreding van deze
wet blijven
gelden. Ook voor strafbare feiten geldt
dat het oude recht van toepassing blijft
indien deze feiten zijn begaan vóór de
inwerkingtreding van deze wet. Dit
betekent dat wanneer strafbare feiten
die na de inwerkingtreding van deze wet
niet meer als strafbare feiten zijn
aangemerkt maar als beboetbare feiten,
het oude recht van toepassing blijft
indien deze strafbare feiten zijn begaan
vóór de inwerkingtreding van deze wet.
In de
uitkeringswetten is in het kader van de
bestuurlijke boete een regeling voor
recidive opgenomen. In het
overgangsrecht is geregeld dat een
verhoogde bestuurlijke boete wegens
recidive van overtreding van de
inlichtingenverplichting eerst wordt
opgelegd indien de eerste overtreding is
begaan en vervolgens is geconstateerd na
de inwerkingtreding van de wet waarvoor
een bestuurlijke boete of
strafrechtelijke sanctie is opgelegd die
onherroepelijk is geworden. Hierbij
dient de tweede overtreding vervolgens
te zijn geconstateerd binnen een tijdvak
van vijf jaar na de constatering van de
eerste overtreding.
In het
overgangsrecht is verder geregeld dat
ten aanzien van de toepassing van de
nieuwe bevoegdheid in de arbeidswetten
om stillegging van werkzaamheden te
bevelen alleen overtredingen worden
betrokken die zijn begaan (en vervolgens
geconstateerd) na de inwerkingtreding
van de wet. Op deze wijze kunnen
betrokkenen anticiperen op de nieuwe
bevoegdheid en weten dat wanneer onder
het nieuwe recht overtredingen worden
begaan, deze kunnen worden betrokken bij
de inzet van deze bevoegdheid.
In het
overgangsrecht is verder rekening
gehouden met de huidige recidivetermijn
bij de bestuurlijke boete in de arbeidswetten
van twee jaar. Met deze
omstandigheid wordt rekening gehouden
bij de bepaling van het tijdstip van
aanvang van de nieuwe recidivetermijn
van vijf jaar. Indien uiterlijk twee
jaar vóór de dag van inwerkingtreding
van de wet een eerste overtreding is
geconstateerd waarvoor een bestuurlijke
boete is opgelegd die onherroepelijk is
geworden, dan geldt het tijdstip van
constatering van die eerste overtreding
als aanvang voor de bepaling van de
recidivetermijn.
rblz.|30|
Artikelsgewijs
Hoofdstukken
I en II. Werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen
Het
opschrift van deze hoofdstukken is
indicatief. In hoofdstuk I gaat het om
de wetten die door het UWV worden
uitgevoerd. Hierbij gaat het niet alleen
om zuivere werknemersverzekeringen, maar
bijvoorbeeld ook om de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen. In hoofdstuk II gaat het
om de wetten die door de SVB worden
uitgevoerd.
Artikel
I, onderdeel A,
B en
C
(artikelen 14a,
14c, 14f
en 14g
van de Toeslagenwet);
artikel II, onderdeel A,
B en
C
(artikelen 27a,
27c,
27f
en
27g van de Werkloosheidswet);
artikel III, onderdeel
A,
B en
C
(artikelen 48,
50,
53 en 54 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen);
artikel IV, onderdeel
A,
B en
C
(artikelen 21,
23 en 24 van de
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen);
artikel V, onderdeel
A,
B
en
C
(artikelen
29a, 29c,
29f
en 29g
van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering);
artikel VI,
onderdeel C,
D,
E en
F
(artikelen
2:69, 3:40,
3:41,
3:42 en
3:43 van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten);
artikel VII,
onderdeel B,
C en
D
(artikelen 91,
93, 96 en
118 van de
Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen);
artikel VIII,
onderdeel C,
D en
E
(artikelen 45a,
45c,
45f,
45g
van de Ziektewet); artikel IX, onderdeel
A,
B
en
C
(artikelen
17a, 17f
en
17g van de
Algemene Kinderbijslagwet);
artikel X,
onderdeel A,
B en
C
(artikelen 39,
44
en 45 van de
Algemene
nabestaandenwet)
en
artikel XI, onderdeel
A,
B en
C
(artikelen 17c,
17h
en 17i
van de
Algemene Ouderdomswet) (bestuurlijke
boete)
Algemeen
Waar in
deze toelichting wordt gesproken over de
uitvoering wordt hier zowel het UWV
als
de SVB onder begrepen. De artikelleden
die niet zijn toegelicht, betreffen
bestaande bepalingen die niet
inhoudelijk zijn gewijzigd.
Bij de
sociale verzekeringen vormt de
inlichtingenverplichting een integraal
onderdeel van de aan de uitkering
verbonden verplichtingen. De rechten en
plichten verbonden aan de uitkering
vormen twee kanten van dezelfde
medaille: worden de plichten niet
nagekomen, dan kan ook het recht niet
(volledig) geldend worden gemaakt.
Indien sprake is van een overtreding van
de inlichtingenverplichting en al dan
niet in verband hiermee tevens ten
onrechte of tot een te hoog bedrag aan
uitkering is ontvangen (benadelingsbedrag),
wordt een bestuurlijke boete opgelegd
of, in de situatie dat een met het openbaar
ministerie afgesproken hoogte
van het benadelingsbedrag is
overschreden en strafrechtelijke
vervolging plaatsvindt, na veroordeling
een strafrechtelijke sanctie opgelegd.
In beide gevallen wordt het
benadelingsbedrag als onverschuldigde
betaling teruggevorderd. Naast een
verhoging van de bestuurlijke boete bij
overtreding van de
inlichtingenverplichting wordt
voorgesteld deze boete te verhogen bij
recidive van overtreding van de
inlichtingenverplichting.
Eerste en
tweede lid
De
bestuurlijke boete wordt opgelegd aan
degene die de inlichtingenverplichting
niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Dat kan in voorkomende gevallen ook een
ander zijn dan de uitkeringsgerechtigde,
bijvoorbeeld een echtgenoot of een
wettelijke vertegenwoordiger. De
uitvoering legt op grond van het eerste
lid een bestuurlijke boete op van
maximaal het rblz.|31|
bedrag dat ten onrechte of
tot een te hoog bedrag aan uitkering is
ontvangen. De bestuurlijke boete is niet
lager dan de boete die op grond van het
derde lid zou worden opgelegd indien er
geen sprake was van een
benadelingsbedrag en geen waarschuwing
op grond van het vierde lid zou zijn
gegeven. Deze toevoeging aan het eerste
lid is noodzakelijk om in de situatie
dat er sprake is van lage
benadelingsbedragen de boete niet lager
te laten zijn dan in de situatie,
bedoeld in het derde lid, dat er geen
sprake is van een benadelingsbedrag.
Deze afstemming wordt gerealiseerd bij
de algemene maatregel van bestuur op
grond van het tiende lid.
In het
tweede lid is gedefinieerd wat onder het
benadelingsbedrag wordt verstaan.
Hierbij wordt uitgegaan van het
brutobedrag van de uitkering dat ten
onrechte of te veel is betaald. De
socialeverzekeringspremies die de
uitvoering verschuldigd is, zijn hierbij
niet inbegrepen.
Derde en
vierde lid
Indien
als gevolg van de overtreding van de
inlichtingenverplichting geen sprake is
geweest van benadeling, dan wordt op
grond van het derde lid een boete
opgelegd van maximaal het bedrag van de
tweede categorie, bedoeld in artikel 23,
vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht (Sr). Hierbij gaat het per 1
januari 2012 om een bedrag van €|3900,-. Als gevolg van deze verwijzing
wordt de maximale bestuurlijke boete
automatisch aangepast aan de
tweejaarlijkse wijzigingen van de
maximale strafrechtelijke geldboetes op
grond van artikel 23, negende lid, Sr. In artikel
VI, onderdeel D en E
(artikelen
2:69,
derde lid, en 3:40, derde lid van de
Wet
werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten), is de
werkgeversboete, die was opgenomen in
het eerste lid van voornoemde artikelen,
hiermee in overeenstemming gebracht.
Het
vierde lid regelt de mogelijkheid om een
waarschuwing te geven in plaats van het
opleggen van een bestuurlijke boete
indien geen sprake is van een
benadelingsbedrag bij overtreding van de
inlichtingenverplichting.
Vijfde
lid
Op grond
van het vijfde lid bedraagt de
bestuurlijke boete ten hoogste 150% van
het benadelingsbedrag indien sprake is
geweest van een herhaalde overtreding
van de inlichtingenverplichting die
heeft geleid tot een benadelingsbedrag
en in een periode van vijf jaar
voorafgaand aan het constateren van de
overtreding sprake is geweest van een
eerdere overtreding van de
inlichtingenverplichting die heeft
geleid tot een benadelingsbedrag.
Hierbij geldt verder dat voor de
overtreding van de
inlichtingenverplichting sprake moet
zijn geweest van een bestuurlijke
beboeting of een strafrechtelijke
sanctie die onherroepelijk is geworden.
In dit verband wordt het begrip "strafrechtelijke
sanctie" ruim
opgevat. Hierbij kan sprake zijn van een
strafrechtelijke veroordeling door de
strafrechter. Maar het kan hierbij ook
gaan om een strafbeschikking als bedoeld
in de artikelen 257a, 257b en
257ba van
het Wetboek
van Strafvordering opgelegd
door respectievelijk de officier van justitie, daartoe aangewezen
opsporingsambtenaren of bestuursorganen.
Verder kan het hierbij ook gaan om een
transactie door de officier van justitie
of daartoe aangewezen
opsporingsambtenaren als bedoeld in de
artikelen 74 en 74c Sr. In verband met
het overtreden van de
inlichtingenverplichting zal in de regel
een bestuurlijke boete worden opgelegd.
Indien echter het benadelingsbedrag een
bepaald bedrag te boven gaat, dan wordt
op grond van afspraken met het OM
(Aanwijzing socialezekerheidsfraude)
aangifte gedaan van een strafbaar feit.
De opsporing en vervolging zullen over
het algemeen worden gebaseerd op commune
delicten zoals valsheid in geschrifte.
Hiermee is rekening gehouden in het
vijfde lid, rblz.|32|
waarin is bepaald dat de
sanctie is opgelegd wegens eenzelfde
gedraging, waarmee tot uitdrukking is
gebracht dat de sanctionering niet
alleen betrekking kan hebben op de
overtreding van de
inlichtingenverplichting die heeft
geleid tot een bestuurlijke boete, maar
ook wanneer de overtreding van de
inlichtingenplicht heeft geleid tot een
strafrechtelijke sanctie wegens een
gepleegd strafbaar feit.
Zesde lid
De
eerdere overtreding waarvoor een
bestuurlijke boete of strafrechtelijke
sanctie is opgelegd, heeft betrekking op
eenzelfde gedraging waarvoor wederom een
sanctie wordt opgelegd. In het zesde lid
is aangegeven wat in dit verband onder
eenzelfde gedraging dient te worden
verstaan.
De
overtredingen van de
inlichtingenverplichtingen op grond van
de verschillende uitkeringswetten worden
hierbij in aanmerking genomen. Het gaat
hierbij om dezelfde
inlichtingenverplichtingen jegens de
uitvoering. Gelet op het overeenkomstige
doel van de inlichtingenverplichtingen
is het redelijk om voor de beoordeling
of sprake is van recidive de
overtredingen van deze verplichtingen
gelijk te schakelen. Voor de
werknemersverzekeringen geldt dat deze
zijn gericht op dezelfde doelgroep,
gelijksoortige voorwaarden voor
uitkering kennen en het recht op deze
uitkeringen vaak in onderlinge samenhang
bestaat. De inlichtingenverplichtingen
op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen worden hierbij buiten
beschouwing gelaten omdat het hierbij
gaat om specifieke doelgroepen. Verder
worden de overtredingen van de
inlichtingenverplichting op grond van de
werknemersverzekeringen bij de
beoordeling of sprake is van recidive
niet meegeteld bij overtredingen van de
inlichtingenverplichting op grond van de
volksverzekeringen en omgekeerd. De
reden hiervan is dat de
werknemersverzekeringen die alleen
betrekking hebben op de verzekerde
(voormalige) werknemer een ander
karakter hebben dan de
volksverzekeringen die voor de gehele
bevolking gelden en deels een
opbouwkarakter hebben. Bij de
overtredingen van de
inlichtingenverplichting op grond van de
volksverzekeringen worden overtredingen
van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
buiten beschouwing gelaten omdat deze
wet een ander karakter heeft dan de
Algemene Ouderdomswet (AOW) en de
Algemene nabestaandenwet (Anw).
In de AKW
en de Anw is geen definitie opgenomen
wat onder "eenzelfde overtreding"
dient te worden verstaan. In deze wetten
heeft de eerdere sanctionering wegens
eenzelfde gedraging alleen betrekking op
de overtreding van de
inlichtingenverplichting in de wet zelf.
Zevende
lid
Op grond
van het zevende lid wordt het tijdvak
van vijf jaar voorafgaand aan de
constatering van de overtreding
waarbinnen sprake moet zijn van een
eerdere (onherroepelijke) sanctionering
wegens overtreding van de
inlichtingenverplichting
(recidivetermijn), verlengd naar tien
jaar indien de eerdere overtreding is
bestraft met een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf. De strafrechtelijke
overtreding moet dus kunnen worden
bestraft met gevangenisstraf, zoals dat
bijvoorbeeld bij de misdrijven, bedoeld
in de artikelen 227a en 227b
Sr.
(opzettelijk niet naar waarheid
verstrekken van gegevens,
respectievelijk opzettelijk nalaten
tijdig benodigde gegevens te
verstrekken), het geval is. Uit de
strafoplegging dient te blijken dat er
voor het geheel of een deel een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf is
opgelegd. Het is ook mogelijk dat
daarnaast een deel van de
gevangenisstraf voorwaardelijk is
opgelegd of een geldboete is opgelegd;
het gaat erom dat in ieder geval voor
een deel een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf is opgelegd. Een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf die rblz.|33|
langer dan vijf jaar geleden maar niet
langer dan tien jaar geleden is opgelegd,
telt zo dus eveneens mee bij de bepaling
of er sprake is van recidive.
Achtste
en tiende lid
Op grond
van het voorgestelde achtste lid,
onderdeel a, verlaagt de uitvoering de
boete indien sprake is van verminderde
verwijtbaarheid.
In het
tiende lid is geregeld dat bij algemene
maatregel van bestuur regels worden
gesteld over de hoogte van de
bestuurlijke boete. Deze regels zijn en
worden opgenomen in het Boetebesluit
socialezekerheidswetten en hebben
betrekking op factoren die bepalend zijn
voor de boetehoogte zoals de mate van
verwijtbaarheid. Waar het gaat om de
verwijtbaarheid zullen criteria worden
opgenomen die in ieder geval leiden tot
verminderde verwijtbaarheid. Hiermee
wordt ruimte gelaten voor de uitvoering
om in concrete situaties rekening te
houden met overige omstandigheden in het
individuele geval die behoren te leiden
tot een lagere bestuurlijke boete als
gevolg van verminderde verwijtbaarheid.
Dit sluit aan bij de gangbare praktijk
bij de uitvoering. Thans worden ook op
grond van de Beleidsregel boete
werknemer 2011 [lees: Beleidsregel
boete werknemer 2010, red.] door het UWV
en op grond
van het Besluit
beleidsregels SVB 2011 door de SVB
omstandigheden in aanmerking
genomen die leiden tot verminderde
verwijtbaarheid. Met het bepalen van
deze criteria voor verminderde
verwijtbaarheid in het Boetebesluit
socialezekerheidswetten wordt een meer
uniforme toepassing van de bestuurlijke
boete door zowel het UWV als de SVB
nagestreefd.
Deze
criteria zullen ook leidend zijn bij de
vaststelling van criteria die leiden tot
verminderde verwijtbaarheid bij de
toepassing van bestuurlijke boetes door gemeenten in het kader van de Wwb
en
aanverwante wetten. Als gevolg van de
hiermee beoogde uniformiteit is tevens
de verwachting dat hiermee de
rechtsgelijkheid en de kenbaarheid
worden bevorderd en daarmee ook de
handhaafbaarheid en de naleefbaarheid
van de uitkeringswetten.
Het
tiende lid biedt tevens de mogelijkheid
om regels te stellen voor de hoogte van
de bestuurlijke boete bij recidive van
overtreding van de
inlichtingenverplichtingen waarbij geen
sprake is of is geweest van een
benadelingsbedrag (zie derde lid). In
het Boetebesluit socialezekerheidswetten
en het Besluit Wwb [lees: Besluit
Wwb 2007, red.] zal hieraan
uitvoering worden gegeven.
Artikel
I, onderdeel D (artikel 14h
van de Toeslagenwet);
artikel II, onderdeel D
(artikel 27h
van de Werkloosheidswet);
artikel III, onderdeel D
(artikel 54a
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen); artikel IV onderdeel D
(artikel 24a
van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen); artikel V, onderdeel D
(artikel
29h van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering); artikel VI,
onderdeel B en G
(artikelen
2:60 en 3:44 van de
Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten);
artikel VII, onderdeel E
(artikel 97 van
de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen); artikel VIII,
onderdeel F (artikel 45h
van de Ziektewet); artikel IX, onderdeel D
(artikel 17h
van de Algemene
Kinderbijslagwet); artikel X, onderdeel
D (artikel 45a
van de Algemene
nabestaandenwet) en artikel XI,
onderdeel D (artikel 17j
van de Algemene
Ouderdomswet) (verrekening
bestuurlijke boete bij recidive)
Eerste
lid
In het
eerste lid is geregeld dat de
verrekening van de bestuurlijke boete
die is opgelegd bij recidive zich ook
uitstrekt over de beslagvrije voet
gedurende een tijdvak van ten hoogste
vijf jaar. In dit lid wordt afgeweken rblz.|34|
van artikel 4:93 van de
Awb. Volgens dit
artikel is verrekening niet toegestaan
voor zover beslag op de vordering van de
wederpartij niet geldig is. Dit heeft
tot gevolg dat de beslagvrije voet niet
vatbaar is voor verrekening. In het
eerste lid wordt echter bepaald dat de
beslagvrije voet wel vatbaar is voor
verrekening van de bestuurlijke boete
bij recidive. Hierbij wordt aangesloten
bij de al bestaande mogelijkheid van
verrekening van de bestuurlijke boete en
verrekening van de onverschuldigd
betaalde uitkering over de beslagvrije
voet indien de belanghebbende de
inlichtingenplicht ten aanzien van de
tenuitvoerlegging van de boete en de
terugvordering van de onverschuldigd
betaalde uitkering niet of niet
behoorlijke nakomt. Voor de reden van
deze aanvullende uitzondering wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
toelichting.
Het
tijdvak waarover verrekend wordt, vangt
aan op het moment van de dagtekening
waarop de bestuurlijk boete is opgelegd.
Indien in het tijdvak geen recht meer
bestaat op uitkering, dan stopt de
verrekening en de verrekening wordt weer
hervat indien binnen het tijdvak weer
recht op uitkering bestaat en de boete
nog niet (geheel) is verrekend. De
verrekening over de beslagvrije voet kan
dus niet langer plaatsvinden dan ten
hoogste een aaneengesloten tijdvak van
vijf jaar na dagtekening van de
boetebeschikking.
Met
betrekking tot de verplichting van de
werkgever tot loondoorbetaling bij
ziekte is in artikel 629, vijfde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek geregeld dat het loon wordt verminderd
met het bedrag van enige geldelijke
uitkering die de werknemer toekomt
krachtens enige wettelijke
voorgeschreven verzekering voor zover
deze uitkering betrekking heeft op de
bedongen arbeid waaruit het loon wordt
genoten. In dit verband wordt erop
gewezen dat wanneer sprake is van
verrekening van de bestuurlijke boete
met het ziekengeld, de werknemer het
ziekengeld wel toekomt in de zin van
voornoemde bepaling, maar feitelijk niet
of tot een lager bedrag tot uitbetaling
komt. Dit betekent dat het loon wordt
verminderd met het ziekengeld zonder dat
rekening wordt gehouden met de
verrekening.
Tweede
lid
In dit
lid is bepaald dat de verrekening over
de beslagvrije voet ook van toepassing
is op de verrekening van eerder
opgelegde bestuurlijke boetes voor zover
op het moment van verrekening van de
bestuurlijke boete die bij recidive is
opgelegd, die eerdere boetes nog niet
zijn betaald. Hierbij gaat het niet
alleen om bestuurlijke boetes die eerder
zijn opgelegd op grond van de
desbetreffende wet, maar ook om
bestuurlijke boetes die zijn opgelegd
wegens overtreding van de
inlichtingenverplichtingen op grond van
andere uitkeringswetten die ook van
toepassing zijn voor de bepaling of er
sprake is van recidive in het kader van
de bestuurlijke boete (zie hiervoor de
toelichting op het zesde lid van de
bepalingen over de bestuurlijke boete).
Het gaat hierbij om dezelfde
inlichtingenverplichtingen jegens de
uitvoering.
Indien
bijvoorbeeld eerder een bestuurlijke
boete is opgelegd wegens overtreding van
de inlichtingenverplichting op grond van
de Werkloosheidswet en deze boete nog
niet is betaald op het moment van
verrekening van een bestuurlijke boete
wegens recidive van overtreding van de
inlichtingenverplichting op grond van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, dan kan de eerdere
boete op grond van de Werkloosheidswet
ook worden verrekend waarbij de
verrekening ook plaatsvindt over de
beslagvrije voet.
rblz.|35|
Derde lid
Het UWV en de
SVB kunnen besluiten de
verrekening over de beslagvrije voet
niet of niet langer toe te passen indien
daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn. Hierbij gaat het om bijzondere
omstandigheden in het individuele geval.
Deze regel wordt slechts toegepast
indien door de verrekening over de
beslagvrije voet met name voor de
(mede)belanghebbende minderjarige
gezinsleden onaanvaardbare consequenties
zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er iets
bijzonders en uitzonderlijks aan de hand
moet zijn, wil een afwijking van de
regel gerechtvaardigd zijn. Uitsluitend
vanwege het feit dat het de
(mede)belanghebbende minderjarige
gezinsleden ontbreekt aan de
noodzakelijke middelen om in het bestaan
te voorzien, kan nog niet worden
gesproken van dringende redenen zoals in
dit lid bedoeld. Vast dient te staan dat
sprake is van incidentele gevallen en
dat de behoeftige omstandigheden waarin
de (mede)belanghebbende minderjarige
gezinsleden verkeren op geen enkele
andere wijze zijn te verhelpen, zodat
afzien van de verrekening in deze vorm
volstrekt onvermijdelijk is. Dat het
betrokkene of medebelanghebbenden
(minderjarige gezinsleden) door de
verrekening aan middelen ontbreekt om in
het bestaan te voorzien, is op zich geen
voldoende voorwaarde om te kunnen
spreken van dringende redenen zoals in
dit artikellid bedoeld.
Vierde
lid
In dit
lid is voor de duidelijkheid geregeld
dat het UWV
en de SVB de bestuurlijke
boete (verder) verrekenen na het tijdvak
van ten hoogste vijf jaar, bedoeld in
het eerste lid. Hiervoor gelden de
bestaande regels voor verrekening
waarbij de beslagvrije voet in acht
wordt genomen.
Artikel
I, onderdeel E (artikel 20 van de
Toeslagenwet);
artikel II, onderdeel E
(artikel 36 van de
Werkloosheidswet); artikel III, onderdeel E
(artikel 63 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen); artikel IV onderdeel E
(artikel 35 van de
Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen); artikel V, onderdeel E
(artikel 57 van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering); artikel VI, onderdeel A en H
(artikelen
2:59 en 3:56 van de
Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten);
artikel VII, onderdeel A
(artikel 77 van
de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen); artikel VIII,
onderdeel A (artikel 33 van de
Ziektewet); artikel IX, onderdeel E
(artikel 24 van de
Algemene
Kinderbijslagwet); artikel X, onderdeel
E (artikel 53 van de
Algemene
nabestaandenwet) en artikel XI,
onderdeel E (artikel 24 van de
Algemene
Ouderdomswet) (terugvordering
uitkering)
De
termijnen [lees: De termijn, red.]
van vijf jaar waarna het UWV
en
de SVB in een aantal omstandigheden
kunnen afzien van terugvordering of van
verdere terugvordering van
onverschuldigde betalingen worden
verlengd tot tien jaar indien de
terugvordering voortvloeit uit het niet
of niet behoorlijke nakomen van de
inlichtingenverplichting.
In
artikel 77, eerste lid, van de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet
WIA) is ten aanzien van de
onverschuldigde betalingen een omissie
hersteld en in overeenstemming gebracht
met andere uitkeringswetten op dit punt.
De onverschuldigde betaling behoeft niet
alleen betrekking te hebben op de
uitkering, maar kan bijvoorbeeld ook
betrekking hebben op betaalde premies of
voorzieningen.
rblz.|36|
Hoofdstuk
III. Sociale voorzieningen
In dit
hoofdstuk worden de wijzigingen in de
uitkeringswetten toegelicht die door de
gemeentelijke overheid worden
uitgevoerd.
Artikelen
XII en
XIII (Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz))
Onderdelen
A en E [lees: Onderdeel
A, red.] (artikelen 20, tweede lid,
Ioaw en 20, eerste lid,
Ioaz)
In het
tweede lid van artikel 20
van de Ioaw
is
geregeld dat wanneer de verplichtingen
op grond van artikel 13 van de
Ioaw of
artikel 30c, tweede en derde lid, van de
Wet SUWI (inlichtingsverplichtingen) niet of
onvoldoende worden nageleefd, de
uitkering overeenkomstig de
gemeentelijke verordening wordt
verlaagd. Hetzelfde is geregeld in
artikel 20, eerste lid, van de Ioaz
met
betrekking tot de
inlichtingenverplichting, bedoeld in
artikel 13 van de Ioaz. Aangezien voor
overtreding van artikel
13, eerste lid,
van de Ioaw
en de Ioaz
en artikel 30c,
tweede en derde lid, van de
Wet SUWI op grond van artikel
20a van de Ioaw
en de Ioaz
in plaats van een
verlaging van de uitkering een
bestuurlijke boete wordt opgelegd, zijn
deze overtredingen uit de artikelen 20,
tweede lid, Ioaw
en 20, eerste lid,
Ioaz geschrapt.
Onderdeel
B (artikel
20a van de Ioaw en
Ioaz) (bestuurlijke
boete)
Algemeen
Ook voor
het recht op uitkeringen op grond van de
sociale voorzieningen Ioaw
en Ioaz vormt
de inlichtingenverplichting een
integraal onderdeel van de aan deze
uitkeringen verbonden verplichtingen. De
rechten en plichten verbonden aan de
uitkering vormen twee kanten van
dezelfde medaille: worden de plichten
niet nagekomen, dan kan ook het recht
niet (volledig) geldend worden gemaakt.
Indien sprake is van een overtreding van
de inlichtingenverplichting en al dan
niet in verband hiermee tevens ten
onrechte of tot een te hoog bedrag aan
uitkering is ontvangen (benadelingsbedrag),
wordt een bestuurlijke boete voorgesteld
overeenkomstig de regeling van de
bestuurlijke boete in de
werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen. In de situatie dat
een met het openbaar ministerie afgesproken hoogte van het
benadelingsbedrag is overschreden en
strafrechtelijke vervolging plaatsvindt,
wordt na veroordeling een
strafrechtelijke sanctie opgelegd. In
beide gevallen wordt het
benadelingsbedrag als onverschuldigde
betaling teruggevorderd.
Eerste en
tweede lid
De
regeling van de bestuurlijke boete is
afgeleid van de regelingen voor de
bestuurlijke boete in de
werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen.
Het
college legt op grond van het eerste lid
van artikel 20a
een bestuurlijke boete
op van maximaal het geleden
benadelingsbedrag dat ten onrechte of
tot een te hoog bedrag aan uitkering is
ontvangen door het niet of niet
behoorlijk nakomen van de
verplichtingen, bedoeld in artikel
13,
eerste lid, of voor de Ioaw, de
verplichtingen, bedoeld in artikel
30c,
tweede en derde lid, van de
Wet SUWI. rblz.|37|
De bestuurlijke boete wordt
opgelegd aan degene die de
inlichtingenverplichting niet of niet
behoorlijk is nagekomen. De bestuurlijke
boete is niet lager dan de boete die op
grond van het derde lid zou worden
opgelegd indien er geen sprake was van
een benadelingsbedrag en geen
waarschuwing op grond van het vierde lid
zou zijn gegeven. Deze toevoeging aan
het eerste lid is noodzakelijk om in de
situatie dat er sprake is van lage
benadelingsbedragen de boetehoogte niet
lager te laten zijn dan in de situatie,
bedoeld in het derde lid, dat er geen
sprake is van een benadelingsbedrag.
Deze afstemming wordt gerealiseerd bij
de algemene maatregel van bestuur op
grond van het negende lid.
In het
tweede lid is gedefinieerd wat onder het
benadelingsbedrag wordt verstaan.
Hierbij wordt uitgegaan van het
brutobedrag van de uitkering dat ten
onrechte of te veel is betaald. De
socialeverzekeringspremies die het
college verschuldigd is, zijn hierbij
niet inbegrepen.
Derde en
vierde lid
Indien
als gevolg van de overtreding van de
inlichtingenverplichting geen sprake is
geweest van benadeling, dan wordt op
grond van het derde lid een boete
opgelegd van maximaal het bedrag van de
tweede categorie, bedoeld in artikel 23,
vierde lid, Sr. Hierbij gaat het per 1
januari 2012 om een bedrag van €|3900,-. Als gevolg van deze verwijzing
wordt de maximale bestuurlijke boete
automatisch aangepast aan de
tweejaarlijkse wijzigingen van de
maximale strafrechtelijke geldboetes op
grond van artikel 23, negende lid, Sr. Het vierde
lid regelt de mogelijkheid om een
waarschuwing te geven in plaats van het
opleggen van een bestuurlijke boete
indien geen sprake is van een
benadelingsbedrag bij overtreding van de
inlichtingenverplichting.
Vijfde
lid
Op grond
van het vijfde lid bedraagt de
bestuurlijke boete ten hoogste 150% van
het benadelingsbedrag indien sprake is
geweest van een herhaalde overtreding
van de inlichtingenverplichting die
heeft geleid tot een benadelingsbedrag
en in een periode van vijf jaar
voorafgaand aan het constateren van de
overtreding sprake is geweest van een
eerdere overtreding van de
inlichtingenverplichting die heeft
geleid tot een benadelingsbedrag.
Hierbij geldt verder dat voor de
overtreding van de
inlichtingenverplichting sprake moet
zijn geweest van een bestuurlijke
beboeting of een strafrechtelijke
sanctie die onherroepelijk is geworden.
In dit verband wordt het begrip "strafrechtelijke
sanctie" ruim
opgevat. Hierbij kan sprake zijn van een
strafrechtelijke veroordeling door de
strafrechter. Maar het kan hierbij ook
gaan om een strafbeschikking als bedoeld
in de artikelen 257a, 257b en 257ba van
het Wetboek
van Strafvordering opgelegd
door respectievelijk de officier van justitie, daartoe aangewezen
opsporingsambtenaren of bestuursorganen.
Verder kan het hierbij ook gaan om een
transactie door de officier van justitie
of daartoe aangewezen
opsporingsambtenaren als bedoeld in de
artikelen 74 en 74c Sr. In verband met
het overtreden van de
inlichtingenverplichting zal in de regel
een bestuurlijke boete worden opgelegd.
Indien echter het benadelingsbedrag een
bepaald bedrag te boven gaat, dan wordt
op grond van afspraken met het OM
(Aanwijzing socialezekerheidsfraude)
aangifte gedaan van een strafbaar feit.
De opsporing en vervolging zullen over
het algemeen worden gebaseerd op commune
delicten zoals valsheid in geschrifte.
Hiermee
is rekening gehouden in het vijfde lid,
waarin is bepaald dat de sanctie is
opgelegd wegens eenzelfde gedraging,
waarmee tot uitdrukking is gebracht dat
de sanctionering niet alleen betrekking
kan hebben op de rblz.|38|
overtreding van de
inlichtingenverplichting die heeft
geleid tot een bestuurlijke boete, maar
ook wanneer de overtreding van de
inlichtingenverplichting heeft geleid
tot een strafrechtelijke sanctie wegens
een gepleegd strafbaar feit.
Zesde lid
Op grond
van het zesde lid wordt het tijdvak van
vijf jaar voorafgaand aan de
constatering van de overtreding
waarbinnen sprake moet zijn van een
eerdere (onherroepelijke) sanctionering
wegens overtreding van de
inlichtingenverplichting
(recidivetermijn), verlengd naar tien
jaar indien de eerdere overtreding is
bestraft met een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf. De strafrechtelijke
overtreding moet dus kunnen worden
bestraft met gevangenisstraf, zoals dat
bijvoorbeeld bij de misdrijven, bedoeld
in de artikelen 227a en 227b
Sr.
(opzettelijk niet naar waarheid
verstrekken van gegevens,
respectievelijk opzettelijk nalaten
tijdig benodigde gegevens te
verstrekken), het geval is. Uit de
strafoplegging dient te blijken dat er
voor het geheel of een deel een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf is
opgelegd. Het is ook mogelijk dat
daarnaast een deel van de
gevangenisstraf voorwaardelijk is
opgelegd of een geldboete is opgelegd;
het gaat erom dat in ieder geval voor
een deel een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf is opgelegd. Een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf die
langer dan vijf jaar geleden maar niet
langer dan tien jaar geleden is opgelegd,
telt zo dus eveneens mee bij de bepaling
of er sprake is van recidive.
Zevende
en negende lid
Op grond
van het voorgestelde zevende lid,
onderdeel a, verlaagt het college de
boete indien sprake is van verminderde
verwijtbaarheid. In het zevende lid,
onderdeel b, is bepaald dat het college
kan afzien van een bestuurlijke boete
indien sprake is van dringende redenen.
Voor een toelichting op het begrip
"dringende redenen" wordt
kortheidshalve verwezen naar de
toelichting op het nieuwe artikel 29
(verrekening bestuurlijke boete bij
recidive).
In het negende lid is
geregeld dat bij algemene
maatregel van bestuur regels worden
gesteld over de hoogte van de
bestuurlijke boete. Deze regels hebben
betrekking op factoren die bepalend zijn
voor de boetehoogte zoals de mate van
verwijtbaarheid. Waar het gaat om de
verwijtbaarheid zullen criteria worden
opgenomen die in ieder geval leiden tot
verminderde verwijtbaarheid. Hiermee
wordt ruimte gelaten voor het college om
in concrete situaties rekening te houden
met overige omstandigheden in het
individuele geval die behoren te leiden
tot een lagere bestuurlijke boete als
gevolg van verminderde verwijtbaarheid.
Dit sluit aan bij de gangbare praktijk
bij de uitvoering van de regelingen van
de bestuurlijke boete in het kader van
de socialeverzekeringswetten door het UWV
en de SVB. Thans worden op grond van
de Beleidsregel boete werknemer 2011
[lees: Beleidsregel
boete werknemer 2010, red.] door het UWV en op grond van het Besluit
beleidsregels SVB 2011 door de SVB
omstandigheden in aanmerking genomen die
leiden tot verminderde of verhoogde
verwijtbaarheid. Deze omstandigheden
zullen worden bepaald in het Boetebesluit
socialezekerheidswetten.
Hiermee wordt een meer uniforme
toepassing van de bestuurlijke boete
door zowel het UWV als de SVB
nagestreefd.
Deze
criteria zullen ook leidend zijn bij de
vaststelling van criteria die leiden tot
(verminderde) verwijtbaarheid bij de
toepassing van bestuurlijke boetes door gemeenten in het kader van de
Wwb, de
Ioaw
en Ioaz. Als gevolg van de hiermee
beoogde uniformiteit is tevens de
verwachting dat hiermee de
rechtsgelijkheid en de kenbaarheid
worden bevorderd en daarmee ook de
handhaafbaarheid en de naleefbaarheid
van de uitkeringswetten.
rblz.|39|
Het
negende lid biedt tevens de mogelijkheid
om regels te stellen voor de hoogte van
de bestuurlijke boete bij recidive van
overtreding van de
inlichtingenverplichtingen waarbij geen
sprake is of is geweest van een
benadelingsbedrag (zie derde lid). In
het Boetebesluit
socialezekerheidswetten en het Besluit Wwb
[lees: Besluit
Wwb 2007, red.] zal hieraan
uitvoering worden gegeven.
Achtste,
tiende en elfde lid
Op grond
van achtste lid dient de belanghebbende
het college inlichtingen te verstrekken
die van belang zijn voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke
boete, bijvoorbeeld het verstrekken van
inlichtingen die nodig zijn voor de
vaststelling van de hoogte van de
beslagvrije voet. In het tiende lid is
de mogelijkheid opgenomen om
uitvoeringsregels te stellen en kan op
grond van het elfde lid door de rechter
bij beroepszaken ook een hogere boete
worden opgelegd. Ook deze leden zijn
identiek aan de regelingen op dit punt
in de werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen.
Onderdeel
C (artikelen 25 van de
Ioaw
en Ioaz:
terugvordering)
Aan
artikel 25 wordt een (nieuw) eerste lid
toegevoegd, waarin wordt geregeld dat het
college moet terugvorderen indien er
sprake is van ten onrechte of tot een te
hoog bedrag ontvangen van uitkering als
gevolg van het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, of, met
betrekking tot de Ioaw, de
verplichtingen, bedoeld in artikel
30c,
tweede en derde lid, van de
Wet SUWI.
In het
nieuwe artikel 29a
is bepaald dat geen
medewerking wordt verleend aan een
minnelijke schuldregeling indien sprake
is van vorderingen als gevolg van het
niet of niet behoorlijk nakomen van de
inlichtingenverplichtingen en
bestuurlijke boetes die hiermee in
verband staan.
In het
nieuwe zesde lid van artikel 25 wordt
geregeld dat het college kan afzien van
terugvordering of van verdere
terugvordering na een termijn van tien jaar en in de omstandigheden, bedoeld in
dat lid. Het nieuwe zevende lid geeft
het college de bevoegdheid geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te
zien indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn. Voor een toelichting op
het begrip "dringende redenen" wordt
kortheidshalve verwezen naar de
toelichting op het nieuwe artikel 29
(verrekening bestuurlijke boete bij
recidive).
Deze
nieuwe bepalingen zijn ontleend aan de
reeds bestaande regeling van
terugvordering in het kader van de
werknemersverzekeringen en de
volksverzekeringen.
Onderdelen
D (artikelen 28 van de
Ioaw
en Ioaz:
verrekening)
In
verband met de invoering van de regeling
van de bestuurlijke boete zijn de regels
met betrekking tot verrekening zoals
opgenomen in de artikel 28 ook van
toepassing op de bestuurlijke boete.
In
artikel 28, derde lid (vernummerd), is
de bevoegdheid opgenomen voor het
college om de onverschuldigd betaalde
uitkering te verrekenen met de algemene
bijstand of met een uitkering op grond
van de Ioaw,
Ioaz of het Besluit
bijstandsverlening zelfstandigen [lees: Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004,
red.]. Hierop
is een uitzondering gemaakt voor de
onverschuldigd betaalde uitkering die
worden teruggevorderd en voortvloeien
[lees: die wordt teruggevorderd en
voortvloeit, red.] uit het niet of niet behoorlijk nakomen
van de inlichtingenverplichting op grond
van het nieuwe artikel
25, eerste lid.
Op grond van het voorgestelde artikel
28, tweede lid, dienen deze
onverschuldigd betaalde uitkering en de
bestuurlijke boete altijd door het rblz.|40|
college te worden verrekend met de
algemene bijstand of met voornoemde
uitkeringen.
Het
vierde lid (vernummerd) en zesde lid
(vernummerd) zijn zodanig gewijzigd dat
de deze verrekeningsregels [lees: dat de
verrekeningsregels, red.] ook van
toepassing zijn op de verplichting tot
betaling van de bestuurlijke boete.
Onderdeel
E (artikel 29 van de
Ioaw
en Ioaz: verrekening bestuurlijke boete bij
recidive)
Eerste
lid
In het
eerste lid is geregeld dat de
verrekening van de bestuurlijke boete
die is opgelegd bij recidive zich ook
uitstrekt over de beslagvrije voet
gedurende een tijdvak van ten hoogste
drie maanden.
In dit
lid wordt afgeweken van artikel 4:93 van
de Awb. Volgens dit artikel is
verrekening niet toegestaan voor zover
beslag op de vordering van de
wederpartij niet geldig is. Dit heeft
tot gevolg dat de beslagvrije voet niet
vatbaar is voor verrekening. In het
eerste lid wordt echter bepaald dat de
beslagvrije voet wel vatbaar is voor
verrekening van de bestuurlijke boete
bij recidive. Hierbij wordt aangesloten
bij de al bestaande mogelijkheid van
verrekening van de onverschuldigd
betaalde uitkering indien de
belanghebbende de inlichtingenplicht ten
aanzien van de tenuitvoerlegging van de
terugvordering van de onverschuldigd
betaalde uitkering niet of niet
behoorlijke nakomt. Voor de reden van
deze aanvullende uitzondering wordt
verwezen naar het algemeen deel
van deze
toelichting.
Het
tijdvak waarover verrekend wordt, vangt
aan op het moment van de dagtekening
waarop de bestuurlijk boete is opgelegd.
Indien in het tijdvak geen recht meer
bestaat op uitkering, dan stopt de
verrekening en de verrekening wordt weer
hervat indien binnen het tijdvak weer
recht op uitkering bestaat en de boete
nog niet (geheel) is verrekend. De
verrekening over de beslagvrije voet kan
dus niet langer plaatsvinden dan ten
hoogste een aaneengesloten tijdvak van
vijf jaar na dagtekening van de
boetebeschikking.
Tweede
lid
Het
college kan besluiten de verrekening
over de beslagvrije voet niet of niet
langer toe te passen indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn. Hierbij
gaat het om bijzondere omstandigheden in
het individuele geval. Deze regel wordt
slechts toegepast indien door de
verrekening over de beslagvrije voet met
name voor de (mede)belanghebbende
minderjarige gezinsleden onaanvaardbare
consequenties zouden optreden. Uit het
woord "dringend" blijkt dat er iets
bijzonders en uitzonderlijks aan de hand
moet zijn, wil een afwijking van de
regel gerechtvaardigd zijn. Uitsluitend
vanwege het feit dat het de
(mede)belanghebbende minderjarige
gezinsleden ontbreekt aan de
noodzakelijke middelen om in het bestaan
te voorzien, kan nog niet worden
gesproken van dringende redenen zoals in
dit lid bedoeld. Vast dient te staan dat
sprake is van incidentele gevallen en
dat de behoeftige omstandigheden waarin
de (mede)belanghebbende minderjarige
gezinsleden verkeren op geen enkele
andere wijze zijn te verhelpen, zodat
afzien van de verrekening in deze vorm
volstrekt onvermijdelijk is. Dat het
betrokkene of medebelanghebbenden
(minderjarige gezinsleden) door de
verrekening aan middelen ontbreekt om in
het bestaan te voorzien, is op zich geen
voldoende voorwaarde om te kunnen
spreken van dringende redenen zoals in
dit artikellid bedoeld.
rblz.|41|
Derde lid
Het
eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op de betaling door een
andere gemeente
en verrekening van de
bestuurlijke boete (die bij recidive is
opgelegd) door die andere gemeente met
de door die andere gemeente verleende
algemene bijstand of uitkeringen op
grond van de Ioaw
of Ioaz aan de
gemeente die de bestuurlijke boete bij
recidive heeft opgelegd. Die andere
gemeente heeft hierbij de bevoegdheid om
de beslagvrije voet in acht te nemen
uitsluitend indien dringende redenen
daartoe nopen.
Vierde
lid
In dit
lid is bepaald dat de verrekening over
de beslagvrije voet ook van toepassing
is op de verrekening van eerder
opgelegde bestuurlijke boetes voor zover
op het moment van verrekening van de
bestuurlijke boete die bij recidive is
opgelegd die eerdere boetes nog niet
zijn betaald.
Vijfde
lid
In dit
lid is voor de duidelijkheid geregeld
dat het college de bestuurlijke boete
(verder) verrekenen na het tijdvak van
ten hoogste vijf jaar, bedoeld in het
eerste lid. Hiervoor gelden de bestaande
regels voor verrekening waarbij de
beslagvrije voet in acht wordt genomen.
Onderdeel
E (artikel 29a: geen schuldregeling bij
overtreding informatieverplichtingen)
Bij de Wet van 4 december 2008 tot wijziging
van enkele socialezekerheidswetten
teneinde de Sociale
verzekeringsbank
en
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de mogelijkheid
te geven om van terugvordering af te
zien door medewerking aan voorstellen
tot schuldregeling (Stb.
2008, 510) is in de
desbetreffende uitkeringswetten
expliciet de mogelijkheid van een
buitengerechtelijke schuldregeling
uitgesloten voor vorderingen ontstaan
vanwege het niet of niet behoorlijk
nakomen van de inlichtingenplicht en
waarbij als gevolg van dit gedrag een
boete is opgelegd of waarvan aangifte is
gedaan bij het openbaar ministerie.
Hieronder vallen naast de vordering zelf in ieder geval de als gevolg van
voornoemd gedrag opgelegde bestuurlijke
boetes en vorderingen ontstaan als
gevolg van een vermoeden van opzet,
misbruik of ander bedrieglijk handelen.
In deze gevallen is medewerking aan een
buitengerechtelijke schuldregeling niet
aan de orde.
In de Ioaw
en de Ioaz wordt als gevolg van de
wijziging van artikel 25 geregeld dat
het college de uitkering terugvordert
wanneer de uitkering ten onrechte of tot
een te hoog bedrag door betrokkene is
ontvangen als gevolg van het niet of
niet behoorlijk nakomen van de
inlichtingenverplichtingen. Ten aanzien
van dergelijke vorderingen kan het
college geen medewerking verlenen aan
een buitengerechtelijke schuldsanering,
omdat het college juist verplicht is om
deze kosten terug te vorderen. Om hier
geen misverstand over te laten ontstaan,
is in artikel
29a, analoog aan de uitkeringswetten
die door het UWV
en de SVB worden uitgevoerd, bepaald dat ten
aanzien van vorderingen ontstaan
vanwege het niet of niet behoorlijk
nakomen van de
inlichtingenverplichtingen en waarbij
als gevolg van dit gedrag een
bestuurlijke boete is opgelegd of
waarvan aangifte is gedaan bij het openbaar
ministerie, geen medewerking
wordt verleend aan een
buitengerechtelijke schuldregeling.
Hieronder vallen naast de vordering zelf in ieder geval de als gevolg van
voornoemd gedrag opgelegde bestuurlijke
boetes. Ook in geval van een aangifte op
grond van het Wetboek
van Strafrecht door het college wegens bijvoorbeeld
rblz.|42|
opzettelijke fraude of valsheid in
geschrifte wordt niet meegewerkt aan
een schuldregeling ten aanzien van de
vorderingen die daarmee samenhangen.
Artikel
XIV (Wet werk en bijstand)
Onderdelen
A en E
(artikelen 18 en
47c)
In het
tweede lid van deze artikelen is
geregeld dat wanneer de verplichtingen
op grond van de Wwb
of artikel
30c,
tweede en derde lid, van de
Wet SUWI (inlichtingsverplichting) niet
of onvoldoende worden nageleefd, de
bijstand overeenkomstig de gemeentelijke
verordening wordt verlaagd. Aangezien
voor overtreding van artikel
17, eerste
lid, van de Wwb
en artikel
30c, tweede
en derde lid, van de
Wet SUWI overeenkomstig de artikelen
18a en 47g
van de Wwb in plaats van een verlaging
van de bijstand een bestuurlijke boete
wordt opgelegd, zijn deze overtredingen
uit de artikelen 18 en
47c
geschrapt.
Onderdelen
B en F
(artikelen 18a
en 47g:
bestuurlijke
boete)
Algemeen
Ook voor
het recht op bijstand op grond van de Wwb
vormt de inlichtingenverplichting
een integraal onderdeel van de aan de
bijstand verbonden verplichtingen. De
rechten en plichten verbonden aan de
bijstand vormen twee kanten van
dezelfde medaille: worden de plichten
niet nagekomen, dan kan ook het recht
niet (volledig) geldend worden gemaakt.
Indien sprake is van een overtreding van
de inlichtingenverplichting en al dan
niet in verband hiermee tevens ten
onrechte of tot een te hoog bedrag aan
bijstand is ontvangen (benadelingsbedrag),
wordt een bestuurlijke boete voorgesteld
overeenkomstig de regeling van de
bestuurlijke boete in de
werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen. In de situatie dat
een met het openbaar ministerie afgesproken hoogte van het
benadelingsbedrag is overschreden en
strafrechtelijke vervolging plaatsvindt,
wordt na veroordeling een
strafrechtelijke sanctie opgelegd. In
beide gevallen wordt het
benadelingsbedrag als onverschuldigde
betaling teruggevorderd.
Eerste en
tweede lid
De
regeling van de bestuurlijke boete is
afgeleid van de regelingen voor de
bestuurlijke boete in de
werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen.
Het
college legt op grond van het eerste lid
van artikel 18a
een bestuurlijke boete
op van maximaal het geleden
benadelingsbedrag dat ten onrechte of
tot een te hoog bedrag aan bijstand is
ontvangen door het niet of niet
behoorlijk nakomen van de
verplichtingen, bedoeld in artikel
17,
eerste lid, of de verplichtingen,
bedoeld in artikel
30c, tweede en derde
lid, van de
Wet SUWI.
Voor zover het gaat om de
bijstandverlening aan ouderen wordt de Wwb
op grond van artikel
47a van de Wwb
door de SVB
uitgevoerd. Indien de SVB de Wwb
uitvoert, legt de SVB op grond van
het eerste lid van artikel 47g
een
bestuurlijke boete op van maximaal het
geleden benadelingsbedrag dat ten
onrechte of tot een te hoog bedrag aan
bijstand is ontvangen door het niet of
niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel
17,
eerste lid.
rblz.|43|
De bestuurlijke boete wordt opgelegd aan
degene die de inlichtingenverplichting
niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Dit kunnen naast de bijstandsgerechtigde de
echtgenoot en
het inwonende meerderjarig kind
betreffen indien deze laatste personen
de inlichtingenverplichting met
betrekking tot de bijstand van de
bijstandsgerechtigde hebben overtreden.
De
bestuurlijke boete is niet lager dan de
boete die op grond van het derde lid zou
worden opgelegd indien er geen sprake
was van een benadelingsbedrag en geen
waarschuwing op grond van het vierde lid
zou zijn gegeven. Deze toevoeging aan
het eerste lid is noodzakelijk om in de
situatie dat er sprake is van lage
benadelingsbedragen de boetehoogte niet
lager te laten zijn dan in de situatie,
bedoeld in het derde lid, dat er geen
sprake is van een benadelingsbedrag.
Deze afstemming wordt gerealiseerd bij
de algemene maatregel van bestuur op
grond van het negende lid.
In het
tweede lid is gedefinieerd wat onder het
benadelingsbedrag wordt verstaan. Bij
het bepalen van het benadelingsbedrag
wordt uitgegaan van het nettobedrag dat
als gevolg van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel
17, eerste lid, of de
verplichtingen, bedoeld in artikel
30c,
tweede en derde lid, van de
Wet SUWI, ten onrechte of tot een te hoog
bedrag aan bijstand is ontvangen.
Aangezien de bijstandsuitkering als een
nettobedrag wordt vastgesteld, wordt er
bij het bepalen van het
benadelingsbedrag ook uitgegaan van het
nettobedrag.
Derde en
vierde lid
Indien
als gevolg van de overtreding van de
inlichtingenverplichting geen sprake is
geweest van benadeling, dan wordt op
grond van het derde lid een boete
opgelegd van maximaal het bedrag van de
tweede categorie, bedoeld in artikel 23,
vierde lid, Sr. Hierbij gaat het per 1
januari 2012 om een bedrag van €|3900,-. Als gevolg van deze verwijzing
wordt de maximale bestuurlijke boete
automatisch aangepast aan de
tweejaarlijkse wijzigingen van de
maximale strafrechtelijke geldboetes op
grond van artikel 23, negende lid, Sr.
Het vierde lid regelt de mogelijkheid om
een waarschuwing te geven in plaats van
het opleggen van een bestuurlijke boete
indien geen sprake is van een
benadelingsbedrag bij overtreding van de
inlichtingenverplichting.
Vijfde
lid
Op grond
van het vijfde lid bedraagt de
bestuurlijke boete ten hoogste 150% van
het benadelingsbedrag indien sprake is
geweest van een herhaalde overtreding
van de inlichtingenverplichting die
heeft geleid tot een benadelingsbedrag
en in een periode van vijf jaar
voorafgaand aan het constateren van de
overtreding sprake is geweest van een
eerdere overtreding van de
inlichtingenverplichting die heeft
geleid tot een benadelingsbedrag.
Hierbij geldt verder dat voor de
overtreding van de
inlichtingenverplichting sprake moet
zijn geweest van een bestuurlijke
beboeting of een strafrechtelijke
sanctie die onherroepelijk is geworden.
In dit verband wordt het begrip "strafrechtelijke
sanctie" ruim
opgevat. Hierbij kan sprake zijn van een
strafrechtelijke veroordeling door de
strafrechter. Maar het kan hierbij ook
gaan om een strafbeschikking als bedoeld
in de artikelen 257a, 257b en
257ba van
het Wetboek
van Strafvordering opgelegd
door respectievelijk de officier van justitie, daartoe aangewezen
opsporingsambtenaren of bestuursorganen.
Verder kan het hierbij ook gaan om een
transactie door de officier van justitie
of daartoe aangewezen
opsporingsambtenaren als bedoeld in de
artikelen 74 en 74c Sr. In verband met
het overtreden van de
inlichtingenverplichting zal in de regel
een bestuurlijke boete worden opgelegd.
Indien echter het rblz.|44|
benadelingsbedrag een
bepaald bedrag te boven gaat, dan wordt
op grond van afspraken met het OM
(Aanwijzing socialezekerheidsfraude)
aangifte gedaan van een strafbaar feit.
De opsporing en vervolging zullen over
het algemeen worden gebaseerd op commune
delicten zoals valsheid in geschrifte.
Hiermee is rekening gehouden in het
vijfde lid, waarin is bepaald dat de
sanctie is opgelegd wegens eenzelfde
gedraging, waarmee tot uitdrukking is
gebracht dat de sanctionering niet
alleen betrekking kan hebben op de
overtreding van de
inlichtingenverplichting die heeft
geleid tot een bestuurlijke boete, maar
ook wanneer de overtreding van de
inlichtingenverplichting heeft geleid
tot een strafrechtelijke sanctie wegens
een gepleegd strafbaar feit.
Zesde lid
Op grond
van het zesde lid wordt het tijdvak van
vijf jaar voorafgaand aan de
constatering van de overtreding
waarbinnen sprake moet zijn van een
eerdere (onherroepelijke) sanctionering
wegens overtreding van de
inlichtingenverplichting
(recidivetermijn), verlengd naar tien
jaar indien de eerdere overtreding is
bestraft met een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf. De strafrechtelijke
overtreding moet dus kunnen worden
bestraft met gevangenisstraf, zoals dat
bijvoorbeeld bij de misdrijven, bedoeld
in de artikelen 227a en 227b
Sr
(opzettelijk niet naar waarheid
verstrekken van gegevens,
respectievelijk opzettelijk nalaten
tijdig benodigde gegevens te
verstrekken), het geval is. Uit de
strafoplegging dient te blijken dat er
voor het geheel of een deel een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf is
opgelegd. Het is ook mogelijk dat
daarnaast een deel van de
gevangenisstraf voorwaardelijk is
opgelegd of een geldboete is opgelegd;
het gaat erom dat in ieder geval voor
een deel een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf is opgelegd. Een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf die
langer dan vijf jaar geleden maar niet
langer dan tien jaar geleden is opgelegd,
telt zo dus eveneens mee bij de bepaling
of er sprake is van recidive.
Zevende
en negende lid
Op grond
van het voorgestelde zevende lid,
onderdeel a, verlaagt het college of de
SVB de boete indien sprake is van
verminderde verwijtbaarheid. In het
zevende lid, onderdeel b, is bepaald dat
het college of de SVB kan afzien van een
bestuurlijke boete indien sprake is van
dringende redenen. Voor een toelichting
op het begrip "dringende redenen"
wordt kortheidshalve verwezen naar de
toelichting op het nieuwe artikel 60b
(verrekening bestuurlijke boete bij
recidive).
In het negende lid is geregeld dat bij algemene
maatregel van bestuur regels worden
gesteld over de hoogte van de
bestuurlijke boete. Deze regels hebben
betrekking op factoren die bepalend zijn
voor de boetehoogte zoals de mate van
verwijtbaarheid. Waar het gaat om de
verwijtbaarheid zullen criteria worden
opgenomen die in ieder geval leiden tot
verminderde verwijtbaarheid. Hiermee
wordt ruimte gelaten voor het college en
de SVB om in concrete situaties rekening
te houden met overige omstandigheden in
het individuele geval die behoren te
leiden tot een lagere bestuurlijke boete
als gevolg van verminderde
verwijtbaarheid. Dit sluit aan bij de
uitgangspunten van de Wwb
en de gangbare
praktijk bij de uitvoering van de
regelingen van de bestuurlijke boete in
het kader van de socialeverzekeringswetten door het UWV
en de
SVB. Thans worden op grond van de
Beleidsregel boete werknemer 2011 [lees:
Beleidsregel
boete werknemer 2010, red.] door
het UWV en op grond van het Besluit
beleidsregels SVB 2011 door de SVB
omstandigheden in aanmerking genomen die
leiden tot verminderde of verhoogde
verwijtbaarheid. Deze omstandigheden
zullen worden bepaald in het Boetebesluit
socialezekerheidswetten.
Hiermee wordt een meer rblz.|45|
uniforme
toepassing van de bestuurlijke boete
door zowel het UWV als de SVB
nagestreefd.
Deze
criteria zullen ook leidend zijn bij de
vaststelling van criteria die leiden tot
(verminderde) verwijtbaarheid bij de
toepassing van bestuurlijke boetes door gemeenten en de SVB in het kader van de
Wwb. Als gevolg van de hiermee beoogde
uniformiteit is tevens de verwachting
dat hiermee de rechtsgelijkheid en de
kenbaarheid worden bevorderd en daarmee
ook de handhaafbaarheid en de
naleefbaarheid van de uitkeringswetten.
Het
negende lid biedt tevens de mogelijkheid
om regels te stellen voor de hoogte van
de bestuurlijke boete bij recidive van
overtreding van de
inlichtingenverplichtingen waarbij geen
sprake is of is geweest van een
benadelingsbedrag (zie derde lid). In
het Boetebesluit socialezekerheidswetten
en het Besluit Wwb
[lees: Besluit
Wwb 2007, red.] zal hieraan
uitvoering worden gegeven.
Achtste,
tiende en elfde lid
Op grond
van achtste lid dient de belanghebbende
het college of de SVB
inlichtingen te
verstrekken die van belang zijn voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke
boete, bijvoorbeeld het verstrekken van
inlichtingen die nodig zijn voor de
vaststelling van de hoogte van de
beslagvrije voet. In het tiende lid is
de mogelijkheid opgenomen om
uitvoeringsregels te stellen en kan op
grond van het elfde lid door de rechter
bij beroepszaken ook een hogere boete
worden opgelegd. Ook deze leden zijn
identiek aan de regelingen op dit punt
in de werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen.
Onderdeel
C (artikel
41)
In
artikel 53a van de Wwb
heeft het college
de bevoegdheid om onderzoek in te
stellen naar de juistheid en
volledigheid van de verstrekte gegevens
en zo nodig naar andere gegevens die
noodzakelijk zijn voor de verlening of
de voortzetting van bijstand. In het
voorgestelde artikel
41, tiende lid, van
de Wwb
wordt de verplichting opgenomen
om bij de aanvraag een machtiging te
verlenen voor dat onderzoek. Een
dergelijke machtiging is in de praktijk
bij de grensoverschrijdende verificatie
van gegevens noodzakelijk voor een goede
afhandeling van de aanvraag. Voor het
college kan het noodzakelijk zijn om het
vermogen in het buitenland te kunnen
verifiëren om het recht op bijstand
vast te stellen.
Onderdelen
D en G
(artikelen 47b
en 58: terugvordering)
Aan
artikel 58 wordt een (nieuw) eerste lid
toegevoegd waarin wordt geregeld dat het
college moet terugvorderen indien er
sprake is van ten onrechte of tot een te
hoog bedrag ontvangen van bijstand als
gevolg van het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 17, eerste lid, of de
verplichtingen, bedoeld in artikel
30c,
tweede en derde lid, van de
Wet SUWI. Deze verplichting geldt ook
voor de SVB
op grond van artikel 47b.
In het
nieuwe artikel 60c
is bepaald dat geen
medewerking wordt verleend aan een
minnelijke schuldregeling indien sprake
is van vorderingen als gevolg van het
niet of niet behoorlijk nakomen van de
inlichtingenverplichtingen en
bestuurlijke boetes die hiermee in
verband staan. Deze verplichting geldt
ook voor de SVB op grond van artikel 47b.
In het
nieuwe zevende lid van artikel 58 wordt
geregeld dat het college en de SVB
kunnen afzien van terugvordering of van
verdere terugvordering na een termijn
van tien jaar en in de omstandigheden,
bedoeld in dat lid. Het nieuwe achtste
lid geeft het college en de SVB de
bevoegdheid geheel rblz.|46|
of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien indien
daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn. Voor een toelichting op het begrip
"dringende redenen" wordt
kortheidshalve verwezen naar de
toelichting op het nieuwe artikel 60b
(verrekening bestuurlijke boete bij
recidive).
Deze
nieuwe bepalingen zijn ontleend aan de
reeds bestaande regeling van
terugvordering in het kader van de
werknemersverzekeringen en de
volksverzekeringen.
Onderdelen
H en I
(artikelen 60 en
60a:
verrekening)
In
verband met de invoering van de regeling
van de bestuurlijke boete zijn de regels
met betrekking tot verrekening zoals
opgenomen in de artikelen 60 en
60a
ook
van toepassing op de bestuurlijke boete,
bedoeld in de artikelen 18a
en 47g.
In
artikel 60, derde lid, is de bevoegdheid
opgenomen voor het college om de kosten
van bijstand te verrekenen met de
algemene bijstand of met een uitkering
op grond van de Ioaw
of de Ioaz. Hierop
is een uitzondering gemaakt voor kosten
van bijstand die worden teruggevorderd
en voortvloeien uit het niet of niet
behoorlijk nakomen van de
inlichtingenverplichting op grond van
het nieuwe artikel
58, eerste lid. Op
grond van het voorgestelde artikel
60,
vierde lid, dienen deze kosten en de
bestuurlijke boete altijd door het
college te worden verrekend met de
algemene bijstand of met voornoemde
uitkeringen.
Onderdeel
J (artikel 60b:
verrekening
bestuurlijke boete bij recidive)
Eerste
lid
In het
eerste lid is geregeld dat de
verrekening van de bestuurlijke boete
die is opgelegd bij recidive zich ook
uitstrekt over de beslagvrije voet
gedurende een tijdvak van ten hoogste
drie maanden.
In dit
lid wordt afgeweken van artikel 4:93 van
de Awb. Volgens dit artikel is
verrekening niet toegestaan voor zover
beslag op de vordering van de
wederpartij niet geldig is. Dit heeft
tot gevolg dat de beslagvrije voet niet
vatbaar is voor verrekening. In het
eerste lid wordt echter bepaald dat de
beslagvrije voet wel vatbaar is voor
verrekening van de bestuurlijke boete
bij recidive. Hierbij wordt aangesloten
bij de al bestaande mogelijkheid van
verrekening van de onverschuldigd
betaalde bijstand indien de
belanghebbende de inlichtingenplicht ten
aanzien van de tenuitvoerlegging van de
terugvordering van de onverschuldigd
betaalde uitkering niet of niet
behoorlijke nakomt. Voor de reden van
deze aanvullende uitzondering wordt
verwezen naar het algemeen deel
van deze
toelichting.
Het
tijdvak waarover verrekend wordt, vangt
aan op het moment van de dagtekening
waarop de bestuurlijk boete is opgelegd.
Indien in het tijdvak geen recht meer
bestaat op bijstand, dan stopt de
verrekening en de verrekening wordt weer
hervat indien binnen het tijdvak weer
recht op bijstand bestaat en de boete
nog niet (geheel) is verrekend. De
verrekening over de beslagvrije voet kan
dus niet langer plaatsvinden dan ten
hoogste een aaneengesloten tijdvak van
vijf jaar na dagtekening van de
boetebeschikking.
Tweede
lid
Het
college en de SVB
kunnen besluiten de
verrekening over de beslagvrije voet
niet of niet langer toe te passen indien
daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn. Hierbij gaat het om bijzondere
omstandigheden in het individuele geval.
Deze regel wordt slechts toegepast
indien door de verrekening over de
beslagvrije voet met name voor de
(mede)belanghebbende minderjarige
gezinsleden onaanvaardbare consequenties
zouden rblz.|47|
optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er iets
bijzonders en uitzonderlijks aan de hand
moet zijn, wil een afwijking van de
regel gerechtvaardigd zijn. Uitsluitend
vanwege het feit dat het de
(mede)belanghebbende minderjarige
gezinsleden ontbreekt aan de
noodzakelijke middelen om in het bestaan
te voorzien, kan nog niet worden
gesproken van dringende redenen zoals in
dit lid bedoeld. Vast dient te staan dat
sprake is van incidentele gevallen en
dat de behoeftige omstandigheden waarin
de (mede)belanghebbende minderjarige
gezinsleden verkeren op geen enkele
andere wijze zijn te verhelpen, zodat
afzien van de verrekening in deze vorm
volstrekt onvermijdelijk is. Dat het
betrokkene of medebelanghebbenden
(minderjarige gezinsleden) door de
verrekening aan middelen ontbreekt om in
het bestaan te voorzien, is op zich geen
voldoende voorwaarde om te kunnen
spreken van dringende redenen zoals in
dit artikellid bedoeld.
Derde lid
Het
eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op de betaling door een
andere gemeente
en verrekening van de
bestuurlijke boete (die bij recidive is
opgelegd) door die andere gemeente met
de door die andere gemeente verleende
algemene bijstand of uitkeringen op
grond van de Ioaw
of Ioaz aan de
gemeente die de bestuurlijke boete bij
recidive heeft opgelegd. Die andere
gemeente heeft hierbij de bevoegdheid om
de beslagvrije voet in acht te nemen
uitsluitend indien dringende redenen
daartoe nopen.
Vierde
lid
In dit
lid is bepaald dat de verrekening over
de beslagvrije voet ook van toepassing
is op de verrekening van eerder
opgelegde bestuurlijke boetes voor zover
op het moment van verrekening van de
bestuurlijke boete die bij recidive is
opgelegd die eerdere boetes nog niet
zijn betaald.
Vijfde
lid
In dit
lid is voor de duidelijkheid geregeld
dat het college en de SVB
de
bestuurlijke boete (verder) verrekenen
na het tijdvak van ten hoogste drie
maanden, bedoeld in het eerste lid.
Hiervoor gelden de bestaande regels voor
verrekening waarbij de beslagvrije voet
in acht wordt genomen.
Onderdeel
J (artikel 60c:
geen schuldregeling bij
overtreding inlichtingenverplichtingen)
Bij de Wet van 4 december 2008 tot wijziging
van enkele socialezekerheidswetten
teneinde de Sociale
verzekeringsbank
en
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de mogelijkheid
te geven om van terugvordering af te
zien door medewerking aan voorstellen
tot schuldregeling (Stb.
2008, 510) is in de
desbetreffende uitkeringswetten
expliciet de mogelijkheid van een
buitengerechtelijke schuldregeling
uitgesloten voor vorderingen ontstaan
vanwege het niet of niet behoorlijk
nakomen van de inlichtingenverplichting
en waarbij als gevolg van dit gedrag een
boete is opgelegd of waarvan aangifte is
gedaan bij het openbaar ministerie.
Hieronder vallen naast de vordering zelf in ieder geval de als gevolg van
voornoemd gedrag opgelegde bestuurlijke
boetes en vorderingen ontstaan als
gevolg van een vermoeden van opzet,
misbruik of ander bedrieglijk handelen.
In deze gevallen is medewerking aan een
buitengerechtelijke schuldregeling niet
aan de orde.
rblz.|48|
In de Wwb
wordt als gevolg van de wijziging van
artikel 58 geregeld dat het college de
kosten van bijstand terugvordert wanneer
de bijstand ten onrechte of tot een te
hoog bedrag door betrokkene is ontvangen
als gevolg van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de
inlichtingenverplichtingen. Ten aanzien
van dergelijke vorderingen kan het
college geen medewerking verlenen aan
een buitengerechtelijke schuldsanering,
omdat het college juist verplicht is om
deze kosten terug te vorderen. Om hier
geen misverstand over te laten ontstaan,
is in artikel 60c, analoog aan de
uitkeringswetten
die door het UWV
en de SVB worden uitgevoerd, bepaald dat ten
aanzien van vorderingen ontstaan
vanwege het niet of niet behoorlijk
nakomen van de
inlichtingenverplichtingen en waarbij
als gevolg van dit gedrag een
bestuurlijke boete is opgelegd of
waarvan aangifte is gedaan bij het openbaar
ministerie, geen medewerking
wordt verleend aan een
buitengerechtelijke schuldregeling.
Hieronder vallen naast de vordering zelf in ieder geval de als gevolg van
voornoemd gedrag opgelegde bestuurlijke
boetes. Ook in geval van een aangifte op
grond van het Wetboek
van Strafrecht door het college wegens bijvoorbeeld
opzettelijke fraude of valsheid in
geschrifte wordt niet meegewerkt aan
een schuldregeling ten aanzien van de
vorderingen die daarmee samenhangen.
Hoofdstuk
IV. Arbeidswetten
Artikelen
XV, onderdeel A, D,
E en
I (artikelen
6, 16, 28, 32 van de Arbeidsomstandighedenwet); XVI, onderdeel
B, C,
E,
F en
I (artikelen
8:2, 8:3, 8:4, 10:6 en 11:3 van de Arbeidstijdenwet) en XX, onderdeel
A, B
en C (artikel 1 van de
Wet
op de economische delicten) (strafbaarstelling
strafbare feiten in de Wet op de
economische delicten)
De
strafbaarstelling van de strafbare
feiten in de Arbeidsomstandighedenwet
en
de Arbeidstijdenwet
is geregeld in de Wet
op de economische delicten
(WED). De
strafbare feiten zijn thans gerubriceerd
in artikel 1, onder 3º, van de WED. In de
Arbeidsomstandighedenwet
en de
Arbeidstijdenwet zijn deze strafbare
feiten gekenmerkt als overtreding of
misdrijf. Dit betekent dat op grond van
artikel 6, eerste lid, onder 4º, WED,
indien deze strafbare feiten
overtredingen zijn, de overtreder wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste
zes maanden, taakstraf of geldboete van
de vierde categorie. Indien deze
strafbare feiten misdrijven zijn, wordt
de overtreder op grond van artikel 6,
onder 2º,
WED
gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee
jaren, taakstraf of geldboete van de
vierde categorie.
Voorgesteld
wordt de strafbaarstelling van deze
strafbare feiten te rubriceren onder
artikel 1, onder 1º, van de WED. Deze
strafbare feiten zijn dan op grond van
artikel 2, eerste lid, WED
misdrijven
indien zij opzettelijk zijn begaan en
anders zijn het overtredingen. Dit
betekent dat op grond van artikel 6,
eerste lid, onder 3º, WED, indien deze
strafbare feiten overtredingen zijn, de
overtreder wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste één jaar, taakstraf of
geldboete van de vierde categorie.
Indien deze strafbare feiten misdrijven
zijn, wordt de overtreder op grond van
artikel 6, eerste lid, onder 1º, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes
jaren, taakstraf of geldboete van de
vijfde categorie.
Indien de
overtreder een rechtspersoon is, dan kan
op grond van artikel 23, zevende lid, Sr, indien
de boetecategorie geen passende
bestraffing toelaat, een geldboete
worden opgelegd tot ten hoogste het
bedrag van de naast gelegen hogere
categorie.
De reden
van de gewijzigde indeling van de
strafbare feiten is om de
strafbaarstelling in overeenstemming te
brengen met het voorgestelde maximum van
de bestuurlijke boetes voor de
bestuursrechtelijke rblz.|49|
overtredingen van
deze wetten. Bij dit wetsvoorstel wordt
de bestuurlijke boete die maximaal kan
worden opgelegd, vastgesteld op de
vijfde categorie geldboete, bedoeld in
artikel 23, vierde lid, Sr
(per 1 januari 2012 is
dat maximaal een boete van €|78
000,-). De betreffende strafbare feiten
zijn in vergelijking met de beboetbare
feiten in deze wetten van ernstiger
aard, die qua maximum straf dan ook op
ten minste hetzelfde niveau als de
maximum van de bestuurlijke boete
behoren te worden gebracht.
In
verband met de gewijzigde rubricering
van de strafbare feiten in de
Arbeidsomstandighedenwet en de
Arbeidstijdenwet naar artikel 1, onder 1º,
WED
worden deze strafbare feiten niet
meer in de Arbeidsomstandighedenwet en
de Arbeidstijdenwet aangemerkt als
misdrijven of overtredingen omdat deze
kwalificatie volgt uit artikel 2, eerste
lid, WED.
Artikel
XV, onderdeel B en J (artikelen 10 en
33 van de Arbeidsomstandighedenwet)
Een
overtreding van artikel 10 [van de Arbeidsomstandighedenwet,
red.] (voorkoming
van gevaar voor derden) wordt niet meer
aangewezen als een strafbaar feit, maar
wordt gesanctioneerd met een
bestuurlijke boete. Dit is in lijn met
de verplichtingen voor de werkgever ter
voorkoming van gevaar voor werknemers.
Er is geen reden om artikel 10 separaat
strafrechtelijk te handhaven. In verband
hiermee is het tweede lid van artikel 10
vervallen en is artikel 10 toegevoegd
aan artikel 33 (aanwijzing als
bestuursrechtelijke overtredingen).
Verder is
een overtreding van artikel 6, eerste
lid, en voorschriften gesteld in een
algemene maatregel van bestuur die is
gebaseerd op voornoemd artikel, aan
artikel 33 toegevoegd. Hierbij gaat het
om voorschriften ter voorkoming van
zware ongevallen waarbij gevaarlijke
stoffen zijn betrokken. Het Besluit
risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo) is
onder andere gebaseerd op artikel 6, eerste lid,
van de Arbeidsomstandighedenwet. Ten
aanzien van het opleggen van sancties
voor overtredingen van deze
voorschriften is gekozen voor een
gemengd stelsel. Overtredingen van deze
voorschriften kunnen zowel strafbare
feiten zijn (artikel 6, derde lid) als
bestuursrechtelijke overtredingen
(beboetbare feiten) op grond van artikel
33, eerste en tweede lid. In het Brzo
worden overtredingen van de
desbetreffende voorschriften als zodanig
aangewezen. Waar sprake is van een
aanwijzing van zowel een strafbaar feit
als een beboetbaar feit zullen afspraken
worden gemaakt met het OM in welke
gevallen overtredingen strafrechtelijk
worden afgedaan. Er is op dit punt
gekozen voor een gemengd stelsel omdat
vergelijkbare voorschriften in het Arbeidsomstandighedenbesluit
voor
bedrijven die niet onder het Brzo vallen
bestuursrechtelijk worden gehandhaafd.
Omwille van de effectiviteit -
beide
besluiten worden gehandhaafd door de Inspectie
SZW -
en gelijkheid in
vergelijkbare gevallen heeft het de
voorkeur bestuursrechtelijk te
handhaven. Niettemin moet
strafrechtelijke handhaving mogelijk
blijven in die gevallen waarin sprake is
van zware ongevallen met gevaarlijke
stoffen.
Verder is
in het eerste en tweede lid de
verwijzing naar boetecategorieën
vervallen. De hoogte van de boetes
(boetenormbedragen) worden in een
beleidsregel verder uitgewerkt. Het
derde en vijfde lid zijn vervallen omdat
herhaalde recidive niet meer als een
strafbaar feit wordt beschouwd, maar als
een strafverhogende omstandigheid wordt
aangemerkt bij de bestuurlijke beboeting
(zie ook hierna de toelichting op de
wijziging van de regeling van de
bestuurlijke boete).
Artikel
XV, onderdeel C (artikel 15a van de
Arbeidsomstandighedenwet)
Op grond
van artikel 15a van de Arbeidsomstandighedenwet
moet de
werkgever ervoor zorgen dat deskundige
werknemers en personen,
bedrijfshulpverleners en arbodiensten
kennis kunnen nemen van nader rblz.|50|
aangegeven
informatie. Aan deze bepaling is
toegevoegd dat deze personen en
instanties ook kennis kunnen nemen van
een bevel tot stillegging van
werkzaamheden als bedoeld in artikel 28a. Verder is een aantal bestaande
onderdelen in een logische volgorde
geplaatst.
Artikel
XV, onderdeel D [lees: Artikel
XV, onderdeel G, red.] (artikel 28b
Arbeidsomstandighedenwet)
Het
oorspronkelijke artikel 28a
(bestuursdwang) is vernummerd tot
artikel 28b. In lijn met de voorgestelde
bevoegdheid tot stillegging van
werkzaamheden (artikel 28a) wordt de
bevoegdheid om bestuursdwang op te
leggen in plaats van aan de
toezichthouder toegekend aan een daartoe
aangewezen onder de Minister van SZW
ressorterende ambtenaar. Dit behoeft
niet noodzakelijkerwijs een
toezichthoudende ambtenaar te zijn. De
bevoegdheid om bestuursdwang op te
leggen, is uitgebreid naar de naleving
van het voorgestelde artikel 28a, tweede
lid (stillegging van werkzaamheden in
verband met recidive). In verband met
deze wijziging is artikel 24, tweede
lid, van overeenkomstige toepassing
verklaard, zodat het mogelijk blijft deze
bevoegdheid ook toe te kennen aan
toezichthoudende ambtenaren die niet
ressorteren onder de Minister van SZW.
Artikelen
XV, onderdeel F (artikel 28a van de
Arbeidsomstandighedenwet); XVI,
onderdeel D (artikel 8:3a van de
Arbeidstijdenwet); XVII, onderdeel B
(artikel 17b van de Wet
arbeid vreemdelingen); XVIII, onderdeel C
(artikel 18i van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag) en
XIX,
onderdeel C (artikel 22 van de Wet
allocatie arbeidskrachten door
intermediairs) (stillegging
van werkzaamheden in verband met
recidive)
Algemeen
In de Arbeidsomstandighedenwet, de
Arbeidstijdenwet, de
Wet
arbeid vreemdelingen, de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag
en de Wet
allocatie arbeidskrachten door
intermediairs worden bepalingen
voorgesteld waarbij de maatregel tot
stillegging van werk kan worden bevolen.
Voor deze
bijzondere maatregel hebben de artikelen
28 van de Arbeidsomstandighedenwet
(stilleggen van werk) en 8:2 van de Arbeidstijdenwet
(staken van de arbeid)
model gestaan. De eerstgenoemde
bepaling maakt het mogelijk om bij
ernstig gevaar voor personen het
verblijf op aangewezen plaatsen te
verbieden of werkzaamheden te staken. De
tweede bepaling maakt het mogelijk de
arbeid te staken indien sprake is van
ongeoorloofde kinderarbeid.
Bij de
voorgestelde maatregel gaat het
enerzijds om een waarschuwing dat bij
een herhaling van een overtreding een
bevel tot stillegging van werk kan
worden opgelegd en anderzijds de
daadwerkelijke oplegging van het bevel
bij een vervolgovertreding. De
(preventieve) waarschuwing is een
noodzakelijke voorwaarde om bij een
vervolgovertreding stillegging van werk
te kunnen bevelen. De waarschuwing heeft
tot doel om orde op zaken te stellen. De
waarschuwing impliceert immers een
opdracht (een last) om niet nogmaals een
overtreding te plegen, met als sluitstuk
dat wanneer een herhaling van
overtreding zich heeft gemanifesteerd
het bevel kan worden opgelegd (de
effectuering van de maatregel). De
waarschuwing aan een bedrijf na een
geconstateerde overtreding (het opleggen
van een last) dat het bij een
vervolgovertreding bepaalde
werkzaamheden zal moeten staken en bij
een geconstateerde vervolgovertreding te
bevelen tot stillegging (bestuursdwang)
van bepaalde werkzaamheden komt
feitelijk neer op de in artikel 5:21 van
de Awb geregelde last onder bestuursdwang en is
daarmee aan te merken als een
herstelmaatregel.
rblz.|51|
Deze in
de Awb geregelde last onder
bestuursdwang is met de voorgestelde
maatregel van stillegging van werk met
het oog op de voorkoming van herhaling
van overtredingen van de desbetreffende arbeidswetten
nader op dit doel
afgestemd.
Op grond
van de Awb kan een last onder
bestuursdwang worden opgelegd indien
deze bevoegdheid bij wet is verleend.
Bij het onderhavige wetsvoorstel wordt
deze bevoegdheid toegekend voor de
betreffende situaties en verder nader
uitgewerkt.
Waarschuwing
en oplegging bevel tot stillegging van
werkzaamheden; bevoegdheden
De schriftelijke waarschuwing voor
stillegging van werk kan op grond van
het eerste lid door een daartoe
aangewezen ambtenaar worden gegeven
nadat een overtreding is geconstateerd.
De constatering van de overtreding dient
te blijken uit een opgesteld
boeterapport of een opgemaakt
proces-verbaal (derde lid). Met het oog
op een effectieve inzet van de
waarschuwing is het in dit stadium
voldoende dat wordt vastgelegd dat er
een overtreding is begaan. In de
praktijk kan hiermee worden volstaan en
is het niet noodzakelijk om inhoudelijk
alle informatie op te nemen die
noodzakelijk is voor de bewijsvoering
voor het opleggen van een bestuurlijke
boete of strafvervolging. Deze
informatie kan zo nodig later voor deze
laatste doeleinden worden aangevuld.
Dit neemt
niet weg dat het in voorkomende gevallen
ook mogelijk is om de waarschuwing op
een later tijdstip te geven,
bijvoorbeeld op het moment dat een
bestuurlijke boete of een
strafrechtelijke sanctie is opgelegd.
Hierbij zou bijvoorbeeld kunnen worden
gedacht aan de situatie dat op grond van
het boeterapport het niet volstrekt
duidelijk is of er daadwerkelijk sprake
is van een overtreding althans of
daarvoor een sanctie zal worden
opgelegd.
De
daadwerkelijke stillegging van
werkzaamheden kan op grond van het
tweede lid niet eerder worden
geëffectueerd dan nadat de eerste
overtreding is gesanctioneerd met een
bestuurlijke boete of ten aanzien van
een eerste strafrechtelijke overtreding
een proces-verbaal is opgemaakt en
binnen vijf jaar na de waarschuwing
opnieuw een overtreding is geconstateerd
(dit laatste is geregeld in het vierde
lid). Waar het gaat om de eerste
strafrechtelijke overtreding is het
voldoende dat proces-verbaal is
opgemaakt, omdat de tijd die is gelegen
tussen het constateren van een strafbaar
feit en het opleggen van de
strafrechtelijke sanctie aanzienlijk kan
zijn en een effectief beleid in de weg
kan staan. Het eerste en tweede lid
laten echter ruimte om ook de
daadwerkelijke stillegging van werk op
een later tijdstip door te voeren,
bijvoorbeeld op het moment dat ten
aanzien van de eerste overtreding een
bestuurlijke boete onherroepelijk is
geworden of een strafrechtelijke sanctie
is opgelegd of onherroepelijk is
geworden of bijvoorbeeld niet eerder dan
nadat voor de tweede overtreding een
sanctie is opgelegd. In veel gevallen
zal dit echter een effectief beleid in
de weg staan. Omwille van de
effectiviteit kan het nodig zijn om niet
te wachten op de onherroepelijkheid van
de eerste sanctie om bij
vervolgovertredingen de stillegging van
werk te kunnen effectueren. In dit
verband wordt opgemerkt dat wanneer de
stillegging van werk is geëffectueerd
maar daarna de eerste sanctie in rechte
wordt vernietigd, deze omstandigheid op
zich geen grond oplevert voor het
oordeel dat ook de maatregel
onrechtmatig is opgelegd. Het is vaste
rechtspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van
State [ABRvS, red.] dat bij de beoordeling van een
besluit moet worden uitgegaan van het
rechtsregime dat gold op het moment dat
het besluit werd genomen.¹ Dat betekent
dat een eventuele herroeping of
vernietiging van het boetebesluit of een
vrijspraak door de strafrechter op
zichzelf geen gevolgen hoeft te hebben
voor een (onherroepelijk) besluit
waarbij een bevel tot stillegging van
werk is opgelegd. Wel is het rblz.|52|
denkbaar
dat bijvoorbeeld in de situatie dat een
boetebesluit in het kader van bezwaar
wordt herroepen, het bevel tot
stillegging van werkzaamheden wordt
ingetrokken. Maar als inmiddels de
werkzaamheden al zijn stilgelegd,
betekent een latere vernietiging of
vrijspraak niet, althans niet zonder
meer, dat de waarschuwing en het bevel
tot stillegging van werk niet rechtmatig
zou zijn.
Zoals
hiervoor is opgemerkt, is het niet
noodzakelijk om een bevel tot
stillegging van werkzaamheden gelijk te
geven bij een geconstateerde herhaalde
overtreding; het is ook mogelijk eerst
bij een latere overtreding tot een
zodanig bevel over te gaan. Ook ten
aanzien van een vervolgovertreding dient
de constatering te zijn vastgelegd in
een boeterapport of een opgemaakt
proces-verbaal. Waar het gaat om de
vervolgovertreding kan het, op grond van
het eerste lid, hierbij gaan om zowel
overtreding van eenzelfde wettelijke
verplichting of verbod dat ook aan de
orde was bij de eerste overtreding als
bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen soortgelijke
verplichtingen. Hierbij worden de
verplichtingen ingedeeld naar aard en
zwaarte.
De
bevoegdheid tot het geven van een bevel
tot stillegging van werkzaamheden zal
worden toegepast als uiterste middel
tegen werkgevers bij wie herhaaldelijk
is vastgesteld dat zij de wetgeving niet
naleven en bij wie een eerste boete
kennelijk niet tot gedragsverbetering
heeft geleid. In de praktijk betekent
dit dat de waarschuwing voor stillegging
van werkzaamheden zal plaatsvinden nadat
een tweede overtreding is geconstateerd
en de stillegging van werkzaamheden zal
worden geëffectueerd na de derde
overtreding. De bepalingen zijn echter
zodanig opgezet dat het mogelijk is
gelijk bij een eerste overtreding een
waarschuwing te geven en de stillegging
van werkzaamheden bij de tweede
overtreding te effectueren. Het gaat dan
om situaties waarin sprake is van een in
aard of omvang grove overtreding van
één
van de arbeidswetten
waarbij de
bescherming van werknemers ernstig wordt
aangetast of sprake is van een ernstige
inbreuk op de arbeidsmarkt. Anderzijds
zal van de bevoegdheid tot stillegging
van werkzaamheden geen gebruik worden
gemaakt als dat niet proportioneel is
ten opzichte van de ernst en aard van de
overtredingen die hebben plaatsgevonden.
In dit
verband is op grond van het zevende lid
een delegatiebepaling opgenomen op grond
waarvan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels
worden gesteld met betrekking tot het
gebruik van de bevoegdheden en de duur
van stillegging. Hierbij worden criteria
gegeven die bepalend zijn voor de
beslissing wanneer in welke
omstandigheden een waarschuwing wordt
gegeven en tot stillegging van
werkzaamheden wordt overgegaan. Hierbij
zijn factoren als de aard en de ernst
van de plaatsgevonden overtreding(en)
van belang. Indien bijvoorbeeld sprake
is geweest van herhaalde overtredingen
van verboden om te werken met
gevaarlijke stoffen, zoals asbest, zou
een tijdelijke stillegging van
werkzaamheden, gelet op de aard van de
overtreding, eerder in beeld komen dan
bij minder ernstige overtredingen. Ook
de mogelijkheden om een bedrijf of
onderdelen hiervan veilig te kunnen
sluiten, zijn hierbij van belang.
1. Zie
bijvoorbeeld ABRvS
19 juni 2002, AB 2002, 266; ABRvS 23
november 2009, LJN BK7434, en ABRvS 20
januari 2010, LJN BN4267.
Aan wie
wordt de waarschuwing gegeven en het
bevel opgelegd en welke werkzaamheden
kunnen worden stilgelegd
In het
eerste lid is de waarschuwing voor een
bevel tot stillegging van werkzaamheden
geregeld. De waarschuwing voor het bevel
richt zich op het staken van de
werkzaamheden (of staken van de arbeid
in de zin van de Arbeidstijdenwet) of
het niet mogen aanvangen van
werkzaamheden met het doel om herhaling
van overtredingen van de betreffende
arbeidswet te voorkomen. Een bevel kan
betrekking hebben op werkzaamheden in
een gebouw, maar kan zich ook uitstrekken
naar niet aan een bepaalde ruimte
gebonden werkzaamheden. Het bevel kan
zich ook rblz.|53|
richten op een verbod om
bepaalde werkzaamheden aan te vangen. De
eerdere overtredingen kunnen
bijvoorbeeld betrekking hebben gehad op
specifieke werkzaamheden die door een
bevel tijdelijk niet meer mogen
plaatsvinden. Een waarschuwing voor een
bevel wordt op grond van het eerste lid
gegeven door een daartoe aangewezen
ambtenaar van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. Voor de Arbeidsomstandighedenwet,
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag
en
de Arbeidstijdenwet geldt dat ook
ambtenaren van andere ministeries kunnen
worden aangewezen die bevoegd zijn een
bevel tot stillegging van werkzaamheden
te geven. Deze bevoegdheid kan worden
verleend voor zover met betrekking tot
aangewezen categorieën van arbeid het
toezicht op de naleving van deze wetten
is opgedragen of mede is opgedragen aan
toezichthouders van die andere
ministeries. In de betreffende arbeidswetten
is geregeld dat
beschikkingen van ambtenaren worden
gegeven namens de Minister van
SZW.
Tegen beschikkingen van ambtenaren van
andere ministeries kan administratief
beroep worden ingesteld bij de Minister
van SZW. De waarschuwing en het bevel
worden opgelegd aan de werkgever die de
overtreding heeft begaan. Voor de
Arbeidsomstandighedenwet geldt dat de
waarschuwing en het bevel ook kunnen
worden opgelegd aan anderen dan de
werkgever die verplicht zijn tot
nakoming van de desbetreffende
voorschriften, zoals in bepaalde
gevallen zelfstandigen. De maximale duur
van de stillegging is op grond van het
eerste lid drie maanden. In het bevel
tot stillegging van werkzaamheden zal de
duur van de stillegging worden bepaald;
zodra de duur van de stillegging is
verstreken, is daarmee het bevel
uitgewerkt. In het bevel wordt op grond
van het tweede lid voorts een tijdstip
bepaald waarop de werkzaamheden dienen
te worden stilgelegd. Hierbij kan
bijvoorbeeld rekening worden gehouden
met een eventuele voorbereidingstijd die
nodig is om werkzaamheden (veilig) te
kunnen stilleggen. Uit oogpunt van
rechtszekerheid is het gewenst om te
bepalen dat een waarschuwing voor een
bevel tot stillegging van werkzaamheden
vervalt indien binnen een bepaalde
termijn geen bevel is opgelegd. In
verband hiermee is in het vierde lid
geregeld dat de waarschuwing vervalt
wanneer na de dagtekening vijf jaren
zijn verstreken (en dus in die periode
geen beschikking is gegeven waarbij een
bevel is opgelegd). Hierbij is artikel
5:34, tweede lid, Awb van
overeenkomstige toepassing verklaard.
Dit betekent dat de overtreder kan
verzoeken om de waarschuwing in te
trekken indien de waarschuwing één jaar
van kracht is geweest zonder dat een
bevel tot stillegging van werkzaamheden
is gegeven.
Overige
bevoegdheden en verplichtingen
Op grond
van het vijfde lid is de ambtenaar die
een bevel tot stillegging van
werkzaamheden heeft uitgevaardigd,
bevoegd om met betrekking tot dat bevel
nodige maatregelen te treffen, de nodige
aanwijzingen te geven en de hulp van de
sterke arm (politie) in te roepen. Het
gaat dan bijvoorbeeld om het kunnen
verwijderen van personen uit gebouwen en
het verzegelen van gebouwen, terreinen
en hetgeen zich daarin of daarop
bevindt. Ook is geregeld dat ten aanzien
van het feitelijk doorvoeren van de
stillegging van werkzaamheden
bestuursdwang kan worden toegepast (voor
de Arbeidsomstandighedenwet
volgt dit
uit artikel 28b). De regeling van
bestuursdwang is als zodanig gegeven in
de Awb. Dit betekent dat zo nodig de
stillegging van werkzaamheden feitelijk
kan worden afgedwongen op kosten van de
belanghebbende.
Het zesde
lid geeft aan dat een ieder wie zulks
aangaat verplicht is zich te gedragen
overeenkomstig een bevel tot stillegging
van werkzaamheden en de daarbij gegeven
aanwijzing(en). Deze verplichting richt
zich tot een ieder. Het gaat dan niet
alleen om de werkgever en de werknemers,
maar ook om bijvoorbeeld bezoekers en
omstanders. Het niet voldoen aan deze rblz.|54|
verplichting is strafbaar op grond van
artikel 1, onder 1º, juncto artikel 2,
eerste lid, van de WED.
Artikelen
XV, onderdeel H (artikel 31 van de Arbeidsomstandighedenwet); XVI,
onderdeel A (artikel 7:2 van de Arbeidstijdenwet); XVII, onderdeel B
(artikel 17d van de Wet
arbeid vreemdelingen); XVIII, onderdeel A en D
(artikelen 18c en 18q van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag)
en XIX, onderdeel A en C (artikelen 18
en 23 van de Wet
allocatie arbeidskrachten door
intermediairs) (mandaat)
Bij
genoemde bepalingen is geregeld dat de
beschikkingen van de aangewezen
ambtenaren in het kader van de nieuwe
bevoegdheid tot stillegging van
werkzaamheden in verband met recidive
worden genomen namens de Minister van
SZW.
Artikelen
XV, onderdeel K en L (artikelen 34 en
42 van de Arbeidsomstandighedenwet); XVI, onderdeel G en H (artikelen 10:7
en 10:15 van de Arbeidstijdenwet); XVII,
onderdeel C en D (artikelen 19b,
19c en 19d van de Wet
arbeid vreemdelingen);
XVIII, onderdeel B (artikel
18f van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag) en XIX,
onderdeel B (artikel 19 van de Wet
allocatie arbeidskrachten door
intermediairs) (bestuurlijke
boete)
De
huidige verschillende maxima van de
bestuurlijke boete in de betreffende arbeidswetten
worden geharmoniseerd en
bepaald op ten hoogste de vijfde
categorie van artikel 23, vierde lid, Sr. Hierbij
gaat het per 1 januari 2012 om een
bedrag van €|78 000,-. Als gevolg van
deze verwijzing wordt de maximale
bestuurlijke boete automatisch aangepast
aan de tweejaarlijkse wijzigingen van de
maximale strafrechtelijke geldboetes op
grond van artikel 23, negende lid, Sr. In
beleidsregels op grond van de
betreffende arbeidswetten worden
overeenkomstig de huidige praktijk de
feitelijke boetenormbedragen voor de
overtredingen van de verschillende
verplichtingen bepaald, waarbij tevens
matigingsfactoren worden vastgesteld. De
bestuurlijke boete die kan worden
opgelegd voor een overtreding van
artikel 6, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
of een
voorschrift gesteld in een algemene
maatregel van bestuur die is gebaseerd
op voornoemd artikel, voor zover
aangewezen als een beboetbaar feit, is
bepaald op ten hoogste de zesde
categorie van artikel 23, vierde lid, Sr. Hierbij
gaat het per 1 januari 2012 om een
bedrag van €|780 000,-. Hierbij gaat
het om voorschriften ter voorkoming van
zware ongevallen waarbij gevaarlijke
stoffen zijn betrokken. Het Besluit
risico’s zware ongevallen 1999 is
onder andere gebaseerd op artikel 6, eerste lid, van
de Arbeidsomstandighedenwet.
Het
onderscheid in boetecategorieën in de Arbeidsomstandighedenwet
en het
onderscheid naar natuurlijke persoon of
rechtspersoon in de overige wetten komt
te vervallen. De ernst van de
overtredingen en de hieraan gerelateerde
boetebedragen en een eventuele matiging
van de boete zullen worden uitgewerkt in
de beleidsregels bestuurlijke boete.
In de
Arbeidsomstandighedenwet, de Arbeidstijdenwet
en de Wet
arbeid vreemdelingen is een herhaalde recidive
van een overtreding binnen een periode
van maximaal vier jaar aangemerkt als een
strafbaar feit. Dit strafbare feit komt
te vervallen en in de plaats hiervan
wordt herhaalde overtreding steeds
afgedaan met een bestuurlijke boete.
Mede in verband hiermee is geregeld dat
de verhoging van de bestuurlijke boete
bij recidive 100% bedraagt (was 50%),
waarbij een recidivetermijn wordt
gehanteerd van vijf jaar (was twee jaar). De
verhoging van de bestuurlijke boete rblz.|55|
bij
recidive bedraagt 200% wanneer zowel bij
de tweede overtreding als de eerste
overtreding sprake is geweest van
ernstige overtredingen die bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur
als zodanig zijn aangewezen. Indien
binnen vijf jaar sprake is geweest van
herhaalde recidive, dan wordt de
bestuurlijke boete voor de derde
overtreding verhoogd met 200%. In de
Arbeidsomstandighedenwet is aanvullend
bepaald dat wanneer het gaat om een
eerdere onherroepelijke strafrechtelijke
sanctie in verband met een overtreding
van artikel 6, derde lid (voorschriften
ter voorkoming van zware ongevallen
waarbij gevaarlijke stoffen zijn
betrokken), deze sanctie meetelt voor de
vaststelling of er sprake is van
recidive.
Verder is
bepaald dat niet alleen sprake is van
recidive wanneer eenzelfde verplichting
of verbod wederom wordt overtreden, maar
ook indien sprake is van het niet
naleven van bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen
soortgelijke verplichtingen en verboden.
Hierbij worden de verplichtingen
ingedeeld naar aard en zwaarte. Tot slot
is geregeld dat de recidivetermijn wordt
verlengd van vijf jaar naar tien jaar indien
in die periode sprake is geweest van
onherroepelijke boetes die zijn opgelegd
wegens ernstige overtredingen. Bij
ernstige overtredingen kan het zowel
gaan om de aard van de overtreding
(bijvoorbeeld werken met gevaarlijke
stoffen) als de omvang van de
overtredingen (bijvoorbeeld grotere
aantallen onderbetaalden of illegaal
tewerkgestelden). Bij algemene maatregel
van bestuur zal nader worden aangegeven
wat in dit verband wordt verstaan onder
ernstige overtredingen.
Artikel
42 van de Arbeidsomstandighedenwet
(wijziging boetebedrag) is vervallen en
opgenomen in artikel 34, tiende lid, van
de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel 18c, derde lid, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag
is vervallen
omdat het mandaat voor de boeteoplegger
reeds in het eerste lid is geregeld.
Hoofdstuk
V. Overige wijzigingen
Artikel
XXI (Wet arbeid en zorg)
De
verwijzing in de artikelen 3.16 en
3:27
van de Wet arbeid en zorg naar de
regeling van de bestuurlijke boete in de
Ziektewet respectievelijk de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, die van overeenkomstige
toepassing zijn, is technisch aangepast.
Artikel
XXII (Wet veiligheidsregio’s)
In
artikel 64, tweede lid, tweede zin, van
de Wet
veiligheidsregio's wordt voor
het maximum van de bestuurlijke boete
verwezen naar artikel 34, vierde lid,
onder 1º, van de
Arbeidsomstandighedenwet. Omdat het
handhavings- en sanctiebeleid van de
wetten waarvoor SZW verantwoordelijk
is
bij het onderhavige wetsvoorstel op een
andere leest wordt geschoeid, wordt de
directe koppeling van de boetehoogte in
artikel 64, tweede lid, van de Wet
veiligheidsregio's met de (maximale)
boetehoogte in de Arbeidsomstandighedenwet
losgelaten.
Hiervoor in de plaats wordt aansluiting
gezocht bij de maximale geldboete voor
de strafbare feiten, bedoeld in het
eerste lid, te weten een geldboete van
de derde categorie. Per 1 januari 2012
bedraagt deze boete maximaal €|7800,-.
Artikelen
XXIII en XXIV
(samenloop met
Invoeringswet Wet werken naar vermogen)
Bij deze
artikelen is de samenloop geregeld van
het onderhavige wetsvoorstel met het
wetsvoorstel Invoeringswet Wet werken
naar vermogen (Kamerstukken 33 161).
rblz.|56|
In
artikel XIII is de samenloop geregeld
indien de Invoeringswet Wet werken naar
vermogen eerder in werking is getreden
dan het onderhavige
wetsvoorstel. Bij
artikel III, onderdeel B, van de
Invoeringswet Wet werken naar vermogen
wordt in de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
een nieuw hoofdstuk 1a
(arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor
jonggehandicapten) ingevoegd. Het nieuwe
artikel 1a:13, onderdeel d, van dit
hoofdstuk wordt in overeenstemming
gebracht met de wijzigingen die in de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
bij het onderhavige
wetsvoorstel worden doorgevoerd. Verder
wordt rekening gehouden met de
wijzigingen van de citeertitel van de
Wwb in Wet werken naar
vermogen en van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
in Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten bij artikel I,
onderdeel M, onderscheidenlijk artikel
III, onderdeel W, van de Invoeringswet
Wet werken naar vermogen.
In
artikel XIV is de samenloop geregeld
indien de Invoeringswet Wet werken naar
vermogen later in werking treedt dan het
onderhavige wetsvoorstel. Wanneer het
onderhavige wetsvoorstel in werking is
getreden, worden de wijzigingen die
hiermee zijn aangebracht in de
desbetreffende wetten in overeenstemming
gebracht met de wijzigingen als gevolg
van de Invoeringswet Wet werken naar
vermogen.
Hoofdstuk
VI. Slotbepalingen
Artikel
XXV (overgangsrecht)
Eerste
lid
Uit de
artikelen 1, tweede lid, Sr
juncto artikel
5:46,
vierde lid, Awb
volgt dat bij verandering
in de wetgeving na het tijdstip waarop
het strafbare of beboetbare feit begaan
is, de voor de verdachte gunstigste
bepalingen worden toegepast. Om geen
onzekerheid te laten bestaan welke
bepalingen het meest gunstig zijn voor
de overtreder in verband met de
wijzigingen die bij deze wet in de
desbetreffende SZW-wetten zijn
doorgevoerd en de omstandigheid dat
enkele strafbare feiten na de
inwerkingtreding van de wet niet meer
als strafbaar feiten maar als
bestuursrechtelijke overtredingen zijn
aangemerkt, is het wenselijk hiervoor
een voorziening te treffen.
Waar in
deze toelichting de inwerkingtreding van
de onderhavige wet wordt aangehaald,
wordt hieronder mede begrepen de
inwerkingtreding van het onderdeel van
de wet dat betrekking heeft op de
desbetreffende beboetbare overtredingen
en strafbare feiten.
Op grond
van het eerste lid blijft voor
beboetbare overtredingen (feiten
waarvoor een bestuurlijke boete kan
worden opgelegd) en strafbare feiten die
zijn begaan uiterlijk op de dag vóór de
dag waarop deze wet in werking is
getreden het oude recht gelden. Deze
bepaling brengt met zich mee dat voor
deze overtredingen de regelingen voor de
bestuurlijke boete die golden vóór de
inwerkingtreding van deze wet, blijven
gelden. Dit betekent dat voor deze
overtredingen het meest gunstige recht
voor de overtreder van toepassing
blijft. Ook wanneer er tegen opgelegde
bestuurlijke boetes voor deze
overtredingen bezwaar is ingediend of
beroep is ingesteld, blijft het oude
recht hierop van toepassing.
Ook voor
strafbare feiten geldt dat het oude
recht van toepassing blijft indien deze
feiten zijn begaan vóór de
inwerkingtreding van deze wet. Dit
betekent dat wanneer strafbare feiten
die na de inwerkingtreding van deze wet
niet meer als strafbare feiten zijn
aangemerkt maar als beboetbare feiten,
het oude recht van toepassing blijft
indien deze strafbare feiten zijn begaan
vóór de inwerkingtreding van deze wet.
Hierbij gaat het in hoofdzaak om
herhaalde recidive van overtredingen van
de arbeidswetten
rblz.|57|
dat als strafbaar feit
was aangemerkt. Dit feit was strafbaar
gesteld met een maximale geldboete van
de tweede categorie, bedoeld in artikel
23 Sr. Thans
is dit feit als een beboetbare
overtreding aangemerkt en beboetbaar
gesteld met een maximale geldboete van
de vijfde categorie, bedoeld in artikel
23 Sr.
Hetzelfde kan worden opgemerkt voor de
overtreding van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet
(voorkomen van
gevaar voor derden) die niet meer als
een strafbaar feit, maar als een
beboetbare overtreding is aangemerkt.
Dit brengt met zich mee dat ook ten
aanzien van deze eerdere strafbare
feiten voor de overtreder het meest
gunstige recht van toepassing blijft.
Tweede
lid
In de
uitspraak van 10 mei 2000 van de CRvB
(LJN
AA6466) is geoordeeld dat op een
overtreding van de
inlichtingenverplichting die is begaan vóór de inwerkingtreding van de Wet
boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid (Stb.
1996, 248) maar die na de
inwerkingtreding nog voortduurt, niet het
nieuwe recht kon worden toegepast en
geen bestuurlijke boete kon worden
opgelegd. In verband met deze uitspraak
is de kans reëel dat zonder nadere
wettelijke regeling ten aanzien van
overtredingen van de inlichtingenplicht
op grond van de uitkeringswetten die
zijn begonnen voordat de onderhavige wet
in werking is getreden maar na de
inwerkingtreding van de wet nog steeds
voortduren, het nieuwe recht niet kan
worden toegepast en de verhoogde
bestuurlijke boete niet kan worden
opgelegd.
Waar het
gaat om de inlichtingenplicht op grond
van de uitkeringswetten geldt dat de
belanghebbende uit eigen beweging
onverwijld alle feiten en omstandigheden
dient mee te delen waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op de
uitkering. Ook wanneer deze feiten en
omstandigheden niet onverwijld worden
meegedeeld, ontslaat dit de
belanghebbende niet van de verplichting
dit alsnog te doen. Laat hij dit na, dan
is er sprake van het doen voortbestaan
van de verboden toestand inhoudende het
niet (onverwijld) melden van de
wijziging van de feiten en
omstandigheden die van invloed zijn op
het bepalen van het recht op uitkering.
Hierbij kan een parallel worden
getrokken met een voortdurend delict in
het strafrecht waarbij zelfs
herhaaldelijk gesanctioneerd mag worden,
zonder dat er daardoor sprake is van
strijd met artikel 68 Sr
(ne-bis-in-idembeginsel).¹
Voorts blijkt uit rechtspraak van de
Hoge Raad dat artikel 1 Sr
niet aan
sanctionering in de weg staat indien een
bepaald voortdurend delict gedurende de
tijd dat dat delict voortduurt
strafwaardig wordt doordat ten aanzien
van dat voortdurend delict een
strafbepaling ingevoerd wordt.²
1. HR
16 december 1975, NJ 1976/254.
2. HR 15 november 1977, NJ 1978/217.
In het
tweede lid is een regeling getroffen
voor de situatie dat wanneer in het
kader van de inlichtingenverplichting
feiten en omstandigheden niet onverwijld
zijn gemeld voordat de wet inwerking is
getreden maar die nog steeds niet zijn
gemeld na de inwerkingtreding van de
wet, toch het nieuwe recht kan worden
toegepast. In het tweede lid is geregeld
dat wanneer een dergelijk feit of
omstandigheid niet wordt gemeld of
geconstateerd uiterlijk 30 dagen na
de inwerkingtreding van deze
wet, voor
de toepassing van het overgangsrecht
geldt dat hierop het nieuwe recht van
toepassing wordt. Zonder deze regeling
zou bijvoorbeeld in de situatie dat
samenleeffraude is ontstaan voordat de
wet in werking is getreden maar
voortduurt na de inwerkingtreding van de
wet, ten aanzien van de belanghebbende
bij een latere constatering steeds het
oude recht van toepassing is. Het is
niet de bedoeling dat de belanghebbende
beter af is door de juiste feiten
omtrent de leefsituatie te blijven
verzwijgen. Door de regeling wordt de
belanghebbende gestimuleerd om de juiste
feiten zo snel mogelijk te melden,
althans binnen 30 dagen na rblz.|58|
inwerkingtreding van de wet, zodat in
die situatie nog kan worden geprofiteerd
van het gunstiger oude recht. Het tweede
lid kan ook van toepassing zijn op
overtredingen van de arbeidswetten
die
zijn begonnen vóór de inwerkingtreding
van deze wet maar nog steeds voortduren
na de inwerkingtreding.
Derde lid
In de Wwb, de Ioaw
en de Ioaz
wordt de bestuurlijke
boete ingevoerd voor overtreding van de
inlichtingenverplichting. Tot de
inwerkingtreding van deze wet werd een
dergelijke overtreding gesanctioneerd
met een maatregel waarbij de bijstand of
uitkering werd verlaagd en werd
eventueel strafvervolging ingesteld. Dit
betekent dat alleen overtredingen van de
inlichtingenplicht die zijn begaan op of
na de dag van inwerkingtreding van de
wet kunnen leiden tot een bestuurlijke
boete en dat ten aanzien van
overtredingen van de inlichtingenplicht
die zijn begaan vóór de inwerkingtreding
van de wet het oude recht van
toepassing blijft en worden
gesanctioneerd met voornoemde maatregel.
Het
tweede lid is van overeenkomstige
toepassing verklaard. Dit brengt met
zich mee dat wanneer in het kader van de
inlichtingenverplichting feiten en
omstandigheden niet onverwijld zijn
gemeld voordat de wet inwerking is
getreden maar die nog steeds niet zijn
gemeld of geconstateerd uiterlijk 30 dagen na de inwerkingtreding van deze
wet, het nieuwe recht (de regeling van
de bestuurlijke boete) kan worden
toegepast indien na deze 30 dagen de
overtreding wordt geconstateerd.
Volledigheidshalve
wordt erop gewezen dat zowel onder het
oude recht als onder het nieuwe recht
overtredingen die hebben geleid tot een
te hoog bedrag aan bijstand of
uitkeringen strafrechtelijk kunnen
worden vervolgd, op basis van een
commune delict, zoals valsheid in
geschrifte. Als hiervan sprake is,
brengt artikel 5:44 van de
Awb met zich mee dat dan geen
bevoegdheid meer bestaat om een
bestuurlijke boete op te leggen. Indien
een bestuurlijke boete is opgelegd, zal,
hoewel er sprake is van verschillende
juridische kwalificaties (overtreding
inlichtingenplicht en commune delict),
het OM voor dezelfde gedraging in
beginsel geen vervolging instellen.
Overigens zullen de bestaande afspraken
met het OM inzake de vervolging van
socialezekerheidsfraude in verband met
de onderhavige wet worden herzien.
Vierde
lid
In het
vierde lid is geregeld dat wanneer op
grond van het nieuwe recht aan
beboetbare overtredingen of strafbare
feiten rechtsgevolgen worden verbonden
of hieraan bevoegdheden worden ontleend,
alleen beboetbare overtredingen of
strafbare feiten die zijn begaan na de
inwerkingtreding van de wet hierbij
worden betrokken. In verband met het
tweede lid is ook geregeld dat ten
aanzien van voortdurende overtredingen
het nieuwe recht van toepassing wordt
indien na de 30ste dag waarop de wet
in werking is getreden deze
overtredingen nog steeds voortduren.
Verder is
geregeld dat hierbij alleen rekening
wordt gehouden met opgelegde sancties
voor overtredingen die zijn begaan na de
inwerkingtreding van de wet of ten
aanzien van de voortdurende
overtredingen, na de 30ste dag
waarop de wet in werking is getreden.
In de
uitkeringswetten is in het kader van de
bestuurlijke boete een regeling voor
recidive opgenomen. De
uitvoeringsinstantie legt een verhoogde
bestuurlijke boete op indien een
overtreding van de inlichtingenplicht rblz.|59|
binnen een tijdvak van vijf jaar
voorafgaand aan de dag van constatering
van de overtreding een eerdere
overtreding is geconstateerd en de
bestuurlijke boete of strafrechtelijke
sanctie wegens de eerdere overtreding
onherroepelijk is geworden.
Het
vierde lid brengt met zich mee dat de
eerste overtreding moet zijn begaan en
vervolgens geconstateerd na de
inwerkingtreding van de wet. Vervolgens
dient de tweede overtreding te zijn
geconstateerd binnen een tijdvak van
vijf jaar na de constatering van de
eerste overtreding, waarna een verhoogde
bestuurlijke boete wegens recidive wordt
opgelegd.
In de arbeidswetten
is een nieuwe bevoegdheid
geregeld om stillegging van
werkzaamheden te bevelen nadat een
overtreding is geconstateerd. Het vierde
lid brengt met zich mee dat bij de
toepassing van deze bevoegdheid alleen
overtredingen worden betrokken die zijn
begaan (en vervolgens geconstateerd) na
de inwerkingtreding van deze
wet. Op
deze wijze kunnen betrokkenen
anticiperen op de nieuwe bevoegdheid en
weten dat wanneer onder het nieuwe recht
overtredingen worden begaan, deze kunnen
worden betrokken bij de inzet van deze
bevoegdheid. Met deze regeling wordt
recht gedaan aan het reparatoire
karakter van de bevoegdheid.
Vijfde
lid
Voor de arbeidswetten
is in het vijfde lid een
afwijking van het vierde lid opgenomen.
De reden hiervan is dat in de
arbeidswetten, anders dan bij de uitkeringswetten, thans reeds een
wettelijke regeling voor verhoging van
de bestuurlijke boete bij recidive is
gegeven. De huidige recidivetermijn is
twee jaar. Met deze omstandigheid wordt
rekening gehouden bij de bepaling van
het tijdstip van aanvang van de nieuwe
recidivetermijn van vijf jaar. Indien
uiterlijk twee jaar vóór de dag van
inwerkingtreding van de wet een eerste
overtreding is geconstateerd waarvoor
een bestuurlijke boete is opgelegd die
onherroepelijk is geworden, dan geldt
het tijdstip van constatering van die
eerste overtreding als aanvang voor de
bepaling van de recidivetermijn. Met
deze regeling wordt bereikt dat een
eerdere (onherroepelijke) bestuurlijke
boete voor een deel of het geheel van de
oorspronkelijke recidivetermijn meetelt
bij de bepaling van de nieuwe
recidivetermijn. Zonder deze regeling
zou een vervolgovertreding onder het
nieuwe recht niet als een herhaalde
overtreding kunnen worden aangemerkt,
maar als een eerste overtreding die
minder hoog kan worden beboet dan een
herhaalde overtreding, hetgeen niet
wordt beoogd.
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
rblz.|60|
BIJLAGE
1
Overzicht concrete stappen ter
verbetering naleving
Sinds het
begin van het vorige decennium heeft het
ministerie van SZW concrete stappen
gezet om de naleving van de regelgeving
door burgers en bedrijven in het SZW-domein te verbeteren. Hierbij is
belangrijke vooruitgang geboekt in de
bestrijding van uitkerings- en
werkgeversfraude. Met de jaarlijkse
Integrale Rapportage Handhaving wordt
hierover gerapporteerd.
• Het
inzicht is gegroeid dat een aanzienlijk
deel van de overtredingen te wijten is
aan onwetendheid over de precieze inhoud
van de verplichtingen. Met de campagne
"Voorkom problemen, weet hoe het
zit"
en andere maatregelen worden burgers en
bedrijven bewust gemaakt van het
strengere handhavingsbeleid en van
gedragingen die naleving kunnen
belemmeren (bijvoorbeeld
vriendendiensten van
uitkeringsgerechtigden die structurele
vormen aannemen).
• Het
aantal controles door de uitvoerders van
de sociale zekerheid en door de
Arbeidsinspectie is substantieel
uitgebreid. De controlebeleving onder
klanten is hiermee toegenomen. Het UWV heeft
in 2010 bijna 200 000 controles
uitgevoerd: 55 000 telefooncontacten, 6500 controles op de werkplek bij
werkgevers, 10 000 huisbezoeken en 121
000 controles op basis van
bestandvergelijking. De SVB verrichtte in
2010 een kleine 35 000 controles.
Daarnaast onderzocht de SVB in 2010 5800
fraudesignalen. Voor de gemeenten zijn
deze gegevens niet beschikbaar. De
Arbeidsinspectie verrichtte in 2010
bijna 32 000 inspecties.
• De
effectiviteit van de controles is
vergroot door betere analyse van de
risico's voor overtreding. Op grond van
systematische risicoselectie en
dossieronderzoek wordt bepaald binnen
welke sectoren, gebieden en groepen een
verhoogd risico op regelovertreding
bestaat. Dit leidt tot handhaven op
maat: het meest intensief waar dat het
hardst nodig is. Het UWV gebruikt klant- en
risicoprofielen om gerichte interventies
te plegen. Ook de Inspectie
SZW werkt
met risicogerichte inspecties, waarbij
wordt "gevist waar de vis zit". Zo
heeft het scherper richten van de
controles van de Inspectie SZW op een
aantal aan illegale arbeid gerelateerde
thema’s (onder meer onderbetaling en
huisvesting buitenlandse werknemers)
geleid tot een toename van het
geconstateerde aantal overtredingen bij
de geïnspecteerde bedrijven (onderzoek
"Illegaal aan de slag", Kamerstukken
II 2010-2011, 32 500 XV, nr. 77).
• De
pakkans van fraudeurs (bijvoorbeeld
mensen die naast een uitkering werken en
dit verzwijgen) wordt vergroot doordat
verschillende instanties informatie
delen en door een slimmere analyse van
gegevens. In de komende periode zal een
belangrijke intensivering plaatsvinden
op het terrein van informatiegestuurd
handhaven. Dit moet een aantal
belemmeringen bij de aanpak van fraude
wegnemen. Thans worden maatregelen
uitgewerkt met betrekking tot het beter en
meeromvattend uitwisselen van gegevens
tussen uitvoeringsorganen onderling (o.a.
gemeenten, UWV, belastingdienst, DUO,
Kadaster). Voor een aantal gewenste
bestandskoppelingen is wetswijziging
noodzakelijk. Wij verwachten hierover in
2012 een voorstel te kunnen doen.
• Er is
een landelijk dekkend netwerk van
interventieteams tot stand gebracht. In
de interventieteams werken gemeenten, de
belastingdienst, de Arbeidsinspectie,
het UWV, de SVB, de politie en het openbaar ministerie
samen. De teams richten zich
op bepaalde branches, sectoren of
gebieden. De kracht van de teams is
gelegen in de brede aanpak: een
frauderende organisatie wordt
tegelijkertijd vanuit verschillende
invalshoeken aangepakt. De
interventieteamprojecten leveren
financiële opbrengsten op in de vorm
van fiscale rblz.|61|
naheffingen en boetes, teruggevorderde
en beëindigde uitkeringen en
bestuurlijke boetes wegens illegale
tewerkstelling. De geraamde opbrengsten
bedroegen vanaf 2008 jaarlijks gemiddeld
€|36 miljoen.
• Het
ministerie van SZW ondersteunt de
fraudebestrijding bij gemeenten via de
Regionale Coördinatiepunten
Fraudebestrijding (RCF's). Deze worden
als tussenschakel gebruikt om op
regionaal niveau kennis en expertise op
het terrein van handhaven te bundelen.
De RCF’s spelen een belangrijke rol in
de uitwisseling van kansrijke methoden
en instrumenten tussen gemeenten. Met
name de kleine en middelgrote gemeenten
profiteren hiervan. Uit recent onderzoek
is gebleken dat de RCF's een waardevolle
bijdrage leveren aan het borgen van
voldoende aandacht voor de handhaving
van de Wwb.
• Het ministerie van SZW en het openbaar
ministerie maken jaarlijks concrete
afspraken over het aantal
opsporingsonderzoeken het aantal door
het UWV, de SVB en de Inspectie SZW in te
dienen processen-verbaal en de kwaliteit
daarvan.
• Een
belangrijke nieuwe ontwikkeling binnen
het SZW-domein vormt de oprichting van
één Inspectie SZW. In dit nieuwe
organisatieonderdeel zijn de
Arbeidsinspectie, de SIOD en de
Inspectie Werk en Inkomen ondergebracht.
Hiermee wordt kennis gebundeld en wordt
een organisatie opgebouwd die adequaat
en flexibel toezicht houdt waar dat het
meest nodig is.
rblz.|62|
BIJLAGE
2
Model hoofdlijnen sancties
arbeidsregelingen
Soort
overtreding (of soort-
gelijke
overtreding) |
Eerste
overtreding |
Tweede
overtreding |
Derde
overtreding en volgende |
Recidive-
termijn
voor boetes |
| Lichtere
overtredingen |
-
Boetenormbedrag 100% |
-
Boetenormbedrag 200% |
-
Boetenormbedrag 300% |
vijf
jaar |
| Overtreding |
-
Boetenormbedrag 100% |
-
Boetenormbedrag 200%
-
Waarschuwing
preventieve
stillegging |
-
Boetenormbedrag 300%
-
Mogelijkheid preventieve
stillegging
-
Nieuwe waarschuwing preventieve
stillegging |
vijf
jaar |
| Ernstige
overtreding |
-
Boetenormbedrag 100%
-
Waarschuwing preventieve
stillegging |
-
Boetenormbedrag 300%
-
Mogelijkheid preventieve
stillegging
-
Nieuwe waarschuwing preventieve
stillegging |
-
Boetenormbedrag 300%
-
Mogelijkheid preventieve
stillegging
-
Nieuwe waarschuwing preventieve
stillegging |
tien
jaar |
rblz.|63|
BIJLAGE
3
Voorbeelden sancties huidige
situatie/nieuwe sancties na invoering
wetsvoorstel
| Voorbeeld
I: AOW |
Huidige
sanctie |
Nieuwe
sanctie |
-
Man
en vrouw geven voor de AOW op
alleenstaand te zijn. De SVB
constateert dat circa een jaar
lang sprake is geweest van een
situatie van samenwonen
- De
SVB constateert tevens
verwijtbaarheid |
-
Ten
onrechte betaalde uitkering wordt
teruggevorderd (circa €|5000,-)
- De
SVB legt een boete op van minimaal
€|52,- en maximaal
€|500,- (zijnde
10% van het benadelingsbedrag) |
-
Ten
onrechte betaalde uitkering wordt
teruggevorderd (circa €|5000,-)
- De
SVB legt een boete op van €|5000,-
- Bij
recidive wordt een boete opgelegd
van 150% en wordt de beslagvrije
voet voor een periode van maximaal
vijf jaar buiten werking gesteld |
| Voorbeeld
II: WW |
Huidige
sanctie |
Nieuwe
sanctie |
-
Een
WW-gerechtigde is voor 40 uur
werkloos, heeft een WW-uitkering
van €|2000,- per maand en geeft op
geen inkomsten uit werk te hebben.
Het UWV
constateert dat betrokkene
voor circa zes maanden tien uur per
week neveninkomsten uit werk heeft
gehad
- Het UWV
constateert tevens verwijtbaarheid |
-
Ten
onrechte betaalde uitkering wordt
teruggevorderd (circa €|3000,-)
- Het UWV
legt een boete op van minimaal €|52,- en maximaal
€|300,- (zijnde 10%
van het benadelingsbedrag) |
-
Ten
onrechte betaalde uitkering wordt
teruggevorderd (circa €|3000,-)
- Het UWV
legt een boete op van €|3000,-
- Bij
recidive wordt een boete opgelegd
van 150% en wordt de beslagvrije
voet voor een periode van maximaal
vijf jaar buiten werking gesteld |
| Voorbeeld
III: Wwb |
Huidige
sanctie |
Nieuwe
sanctie |
-
Betrokkene ontvangt een Wwb-uitkering voor gehuwden (€|1314,-
netto per maand), maar verzwijgt
inkomsten uit arbeid
- De gemeente
constateert dat betrokken hierdoor
zes maanden ten onrechte Wwb
heeft
ontvangen
- Tevens constateert de gemeente
verwijtbaarheid |
-
Gemeenten
kunnen de ten onrechte betaalde
uitkering terugvorderen (circa €|7500,-)
- Gemeenten
kunnen 100% van de
bijstanduitkering inhouden
gedurende één tot maximaal twee maanden
- Afhankelijk
van de inkomsten uit arbeid wordt
de bijstand daarna geweigerd |
-
Gemeenten
moeten de ten onrechte betaalde
uitkering terugvorderen (circa €|7500,-)
- Gemeenten
moeten een sanctie opleggen, in
dit geval een van circa €|7500,-
(100% van het benadelingsbedrag)
- Afhankelijk
van inkomsten uit arbeid wordt de
bijstand daarna geweigerd
- Bij
recidive wordt een boete opgelegd
van 150% en wordt de beslagvrije
voet voor een periode van maximaal
drie maanden buiten werking gesteld |
| Voorbeeld
IV: Arbowet |
Huidige
sanctie |
Nieuwe
sanctie |
| -
Een
metaalbedrijf met 27 werknemers
heeft een machine niet voldoende
afgeschermd waardoor de werknemers
in aanraking kunnen komen met
draaiende delen en met
snijgereedschappen |
Een boetebedrag van €|2025,-
Bij
recidive (na een onherroepelijke
boete):
-
1,5 keer dat bedrag, dus €|3037,50
Bij
herhaalde recidive (twee keer een
onherroepelijke boete) volgt een
strafrechtelijke boete
Omdat
er sprake is van ernstig gevaar
voor de medewerkers, worden bij
elke overtreding de werkzaamheden
stilgelegd totdat het gevaar is
opgeheven |
Een boetebedrag van €|4050,-
Bij
recidive:
-
boete van €|8100,-
-
het aanzeggen van preventieve
stillegging van het werk
Bij
herhaalde recidive:
-
een boete van €|12
150,-
-
mogelijke preventieve stillegging
Omdat
er sprake is van ernstig gevaar
voor de medewerkers, worden bij
elke overtreding de werkzaamheden
stilgelegd totdat het gevaar is
opgeheven |
| Voorbeeld
V: Wav |
Huidige
sanctie |
Nieuwe
sanctie |
| Een
werkgever heeft drie vreemdelingen
illegaal te werk gesteld |
Boete €|24 000,- (3 x
€|8000,-)
Bij
recidive (na een onherroepelijke
boete):
-
1,5 keer dat bedrag, dus €|36
000,- (3 x €|12
000,-)
Bij
herhaalde recidive (twee keer een
onherroepelijke boete):
-
een strafrechtelijke boete
|
Boete €|36 000,- (3 x €|12
000,-)
Bij
recidive:
-
boete €|72 000,- (3 x €|24
000,-)
-
aanzeggen preventieve stillegging
van het werk
Bij
herhaalde recidive:
-
boete €|108 000,- (3 x
€|36
000,-)
-
mogelijke preventieve stillegging
|
rblz.|64|
BIJLAGE
4
Verwijtbare bijstandsvorderingen van
€|25 000,-
of meer per debiteur
| Jaar |
A.
Totaal
debiteuren |
B.
Aantal
debiteuren ad >€|25 000,- |
Aandeel
(B/A) |
Totaal
openstaand bedrag (miljoen €) |
Aandeel
B in totaalbedrag |
| 2008 |
70
750 |
4980 |
xr7% |
522,7 |
46,5% |
| 2009 |
65
070 |
4870 |
7,5% |
505,9 |
47,8% |
| 2010 |
62
970 |
4840 |
7,7% |
497,1 |
49,3% |
Bron: CBS
Bijstandsdebiteurenstatistiek.
In 2010
waren er 4840 debiteuren met verwijtbare
vorderingen van €|25 000,- of meer.
Terwijl het totaal aantal
bijstandsdebiteuren al jaren een
constante daling vertoont en het
openstaand bedrag sinds 2008 geleidelijk
afneemt, is het aandeel van deze
relatief kleine groep tussen 2008 en
2010 toegenomen van 7 tot 7,7%.
In 2010 kwam 49,3% van het totaal
openstaand vorderingenbedrag voor
rekening van deze groep.
|