|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2008-2009, 31 929
Een
regeling in de sociale zekerheid van de rechtsgevolgen van het niet
aantonen van de leefsituatie na het aanbod van een huisbezoek
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Achtergrond |
| 3 |
Wwb |
| 4 |
AOW |
| 5 |
Anw |
| 6 |
Ioaw,
Ioaz en TW |
| 7 |
AKW |
| 8 |
Financiële
aspecten |
| 9 |
Uitvoeringstoetsen |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m VIII |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit wetsvoorstel geeft de uitvoeringsorganen in
de sociale zekerheid meer mogelijkheden om de leefsituatie van de
cliënten die een uitkering ontvangen of aanvragen vast te stellen. De
achtergrond hiervan is dat het voor cliënten in bepaalde gevallen
voordelig is hun leefsituatie anders voor te stellen dan die feitelijk
is. Zij verkrijgen hierdoor ten onrechte een uitkering of een hogere
uitkering of voorkomen dat hun uitkering beëindigd wordt. Een juiste
vaststelling van de leefsituatie is voor een goede uitvoering
noodzakelijk. Onder leefsituatie verstaan wij hier zowel de woonsituatie
(woont betrokkene feitelijk op het aangegeven adres; is sprake van een
zelfstandige woonruimte) als de leefvorm (alleenstaand of
gehuwd/gezamenlijke huishouding ¹ voerend).
Dit
wetsvoorstel maakt het beter dan nu het
geval is mogelijk dat uitvoeringsorganen
de leefsituatie "achter de voordeur"
vaststellen. Wat betreft de leefvorm
gaat het erom dat het uitvoeringsorgaan
de cliënt kan verzoeken aan te tonen
dat hij alleenstaande (ouder) is en hem
aanbieden dat het in dat kader een
huisbezoek aflegt. Wat betreft de
woonsituatie gaat het erom dat het
uitvoeringsorgaan de cliënt kan
verzoeken aan te tonen waar en hoe hij
woont (al dan niet zelfstandig) en hem
aanbieden in dat kader een huisbezoek af
te leggen. Met het rapport dat het
uitvoeringsorgaan opstelt naar
aanleiding van het huisbezoek is de
leefsituatie dan aangetoond. De gegevens
die de cliënt verstrekt, kunnen zo
eenvoudig geverifieerd worden. Het
wetsvoorstel verduidelijkt daartoe ook
wat de rechtsgevolgen zijn als de
cliënt niet aantoont dat de door hem
voorgestelde leefsituatie correct is:
geen uitkering, een lagere uitkering of
een beëindiging van de uitkering.
Het
wetsvoorstel wijzigt de Wet werk en
bijstand (Wwb), de Algemene Ouderdomswet
(AOW), de Algemene nabestaandenwet
(Anw), de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw), de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz), de Toeslagenwet
(TW) en de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW). De woonsituatie is relevant voor rblz.|2|
de Wwb en de AKW; de leefvorm voor de Wwb
en de andere wetten die door dit
wetsvoorstel aangepast worden.
Aanleiding
voor dit wetsvoorstel is recente
jurisprudentie op grond waarvan de
mogelijkheid van het verbinden van
rechtsgevolgen aan de weigering van
toestemming door de betrokkene voor een
huisbezoek door de uitvoering aan
zodanige voorwaarden werd gebonden dat
een rechtmatige uitvoering in gevaar
dreigt te komen. De regering vindt het
belangrijk dat de rechtmatigheid van
uitkeringen gegarandeerd kan worden
doordat de uitvoering omstandigheden die
relevant zijn voor de leefsituatie kan
vaststellen, terwijl de persoonlijke
levenssfeer niet meer dan noodzakelijk
wordt aangetast. Dit is nodig om het
maatschappelijk draagvlak voor de
sociale zekerheid te behouden en fraude
te voorkomen. Bij het handhaven van het
maatschappelijk draagvlak gaat het
minder om de omvang van de fraude dan om
het vertrouwen van de burgers in de
overheid: burgers moeten erop kunnen
vertrouwen dat de overheid er alles aan
doet om fraude te voorkomen.
Met dit
wetsvoorstel meent de regering een
zorgvuldig evenwicht te creëren tussen
het maatschappelijk en economisch belang
van een rechtmatige
uitkeringsverstrekking en de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer van de
burgers.
1. Onder een gezamenlijke
huishouding wordt verstaan de situatie dat twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
2. Achtergrond
Op grond
van de inlichtingenplicht in de socialezekerheidswetten zijn cliënten
verplicht alle gevraagde gegevens en
inlichtingen te verstrekken en
voorschriften voor een doelmatige
controle op hun uitkeringen op te
volgen, voor zover redelijkerwijs
duidelijk is dat dit noodzakelijk is
voor het recht op uitkering. Dit kan
onder meer betrekking hebben op de
leefsituatie. Deze verplichtingen kunnen
leiden tot een inbreuk op het recht van
eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer zoals opgenomen in artikel 8
van het Europees verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel
10 van de Grondwet. Met de regeling van
de inlichtingenverplichting bij wet
wordt deze inbreuk toegestaan. Bij de
opname van deze verplichting in de
socialezekerheidswetten is daarbij
afgewogen dat de noodzaak daartoe
bestaat in het belang van een
rechtmatige en rechtvaardige
verstrekking van uitkeringen in het
kader van de sociale zekerheid ("pressing
social need" als bedoeld in artikel 8,
tweede lid, EVRM).
Door
recente jurisprudentie zijn de
voorwaarden waaronder het niet meewerken
aan controle op de leefsituatie door
middel van het geven van toestemming
voor een huisbezoek gevolgen heeft voor
de uitkering aangescherpt. Essentieel
is of er in een bepaald geval concrete
aanwijzingen zijn van onjuiste
informatieverstrekking door de cliënt
over zijn leefsituatie.
De
Centrale Raad van Beroep ¹ heeft bepaald
dat een huisbezoek ter verificatie van
het recht op bijstand een noodzakelijk
en adequaat controle-instrument kan
zijn. Bij het inzetten daarvan moet
recht worden gedaan aan de in artikel 8,
eerste lid, EVRM en artikel
10, eerste
lid, Grondwet besloten waarborgen ter
bescherming van de persoonlijke
levenssfeer. Dat betekent dat alvorens
een ambtenaar kan binnentreden, deze
zich bij ieder huisbezoek moet
legitimeren, mededeling doet van het
doel van binnentreden, om toestemming
vraagt om te mogen binnentreden en de
gevolgen meedeelt van een weigering.
Deze procedure wordt "informed
consent" genoemd. Het staat de cliënt
vervolgens vrij om de ambtenaar niet
binnen te laten of de toegang te
weigeren tot bepaalde ruimtes. Indien
het uitvoeringsorgaan geen gerede
twijfel heeft over de juistheid van de
gegevens die de cliënt eerder heeft
verstrekt, kan weigering van de
toestemming op dit moment niet leiden
tot herziening van de uitkering. Indien
het uitvoeringsorgaan wel gerede twijfel
heeft over de juistheid van rblz.|3|
de
verstrekte gegevens, bijvoorbeeld naar
aanleiding van gerichte
bestandsvergelijkingen of andere
concrete signalen, kan het weigeren van
toestemming tot binnentreden leiden tot
intrekking van de uitkering. Bij het
vragen van toestemming tot het
binnentreden voor een huisbezoek dient
de controleur te wijzen op deze
consequentie. In de jurisprudentie werd
daarmee een invulling gegeven aan de
voorwaarden die artikel 8, tweede lid,
EVRM stelt om de inbreuk op het
huisrecht, dat een huisbezoek is, toe te
staan. Deze invulling biedt voor de
uitvoering onvoldoende ruimte voor een
rechtmatige uitvoering. Het gevolg is
namelijk dat het niet goed mogelijk is
huisbezoeken af te leggen bij het
beoordelen van nieuwe aanvragen of het
doen van steekproeven. Indien er geen
uitkeringsgevolgen kunnen worden
verbonden aan het weigeren van een
huisbezoek, worden die procedures minder
zinvol. Ondanks het gegeven dat de
meeste mensen wel toestemming geven, is
er een minderheid die dat niet doet. Het
is dan vervolgens niet duidelijk of het
weigeren te maken heeft met frauduleus
gedrag.
1. Zie CRvB
11 april 2007, 06/5950 WWB, USZ 2007/139, RSV 2007/175; CRvB 11 april
2007, 06/4398 WWB, USZ 2007/138, RSV 2007/174; CRvB 11 april 2007,
06/2012 WWB, USZ 2007/137; CRvB 11 april 2007, 05/4353 WWB, USZ
2007/136.
In dit
wetsvoorstel wordt een nadere invulling
gegeven aan de omstandigheden waarin
rechtsgevolgen verbonden kunnen worden
aan het niet aantonen van de opgegeven
leefsituatie. Het gaat daarbij om het
aantonen van de leefsituatie voor zover
dat noodzakelijk is voor de vaststelling
van het recht op uitkering en de juiste
hoogte van de uitkering. De relevante
leefsituatie wat betreft de leefvorm is
de vaststelling of de belanghebbende
voor een uitkering een alleenstaande of
alleenstaande ouder is. Indien twee
uitkeringsgerechtigden alleenstaand
zijn, is de uitkering hoger dan ingeval
het huishouden met de ander gedeeld
wordt. Voor de woonsituatie is het
vaststellen van de feitelijke situatie
van belang omdat het kan leiden tot een
toeslag op de bijstandsuitkering of het
recht op kinderbijslag. Het aantonen van
de leefsituatie kan het beste
plaatsvinden door dit door het
uitvoeringsorgaan via een huisbezoek te
laten vaststellen. Op die manier kan de
uitvoering de informatie die de
belanghebbende heeft gegeven vrij
eenvoudig verifiëren. In dit
wetsvoorstel wordt geregeld dat het
huisbezoek met deze achtergrond kan
plaatsvinden en wat de gevolgen zijn
indien de relevante leefsituatie niet
kan worden vastgesteld. Er wordt in de
gevolgen directer aangesloten bij het
belang van het gegeven leefsituatie voor
de hoogte en eventueel het recht op
uitkering. Het wetsvoorstel is
aanvullend op de huidige situatie: als
er namelijk in een bepaald geval wel
gerede twijfel is over de juistheid van
de verstrekte gegevens over de
leefsituatie, is het op grond van de
bestaande jurisprudentie al mogelijk bij
het weigeren van toestemming tot
binnentreden de uitkering als sanctie in
te trekken. Het wetsvoorstel is ook
aanvullend op andere methoden die
bestaan om fraude op te sporen, zoals
kliklijnen en bestandsvergelijkingen.
Deze
regeling is getoetst aan de
uitgangspunten die uit het tweede lid
van artikel 8 EVRM voortvloeien. Het
gaat er dan om of de voorgestelde actie
van het uitvoeringsorgaan noodzakelijk
en proportioneel is voor het doel en
dat het doel niet op een andere manier
bereikt kan worden. Er moeten voldoende
waarborgen tegen willekeur en misbruik
zijn en de uitvoering heeft geen andere
passende, minder ingrijpende middelen
ter beschikking om de rechtmatigheid van
de uitkering vast te stellen.
Daartoe
heeft de regering het volgende
overwogen.
Voor het
vaststellen van het recht op uitkering
en de voortzetting daarvan is bepaalde
informatie nodig. De meeste gegevens kan
de uitvoering uit andere administraties
halen, maar sommige gegevens moet de
cliënt zelf verstrekken. De
leefsituatie is echter niet betrouwbaar
vast te stellen alleen op basis van
gegevens uit de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens (GBA).
Om tot een rechtmatige uitvoering te
komen, zou de cliënt bij iedere aanvraag
(en ook later bij een lopende uitkering)
rblz.|4|
zijn leefsituatie moeten aantonen. Als
de cliënt stelt alleenstaande te zijn,
is de meest eenvoudige manier voor hem
om dat aan te tonen dat hij de
uitvoering in de gelegenheid stelt om
dit vast te stellen op basis van een
huisbezoek. Hij geeft dan toestemming de
woning binnen te treden. Het is echter
voor de uitvoering ondoenlijk bij iedere
aanvraag of bij iedere lopende uitkering
een huisbezoek af te leggen; daarom
wordt in dit wetsvoorstel niet geregeld
dat de cliënt bij iedere aanvraag moet
aantonen dat hij alleenstaand is. Het
wetsvoorstel regelt dat de uitvoering de
cliënt kan verzoeken aan te tonen dat
hij alleenstaand is. In dat geval biedt
het uitvoeringsorgaan aan om de woning
van de cliënt met diens toestemming te
betreden. In beginsel kan de cliënt ook
nog op andere wijze aantonen dat hij
alleenstaande is. Daarbij kan gedacht
worden aan een verwijzing naar een
recent rapport over de leefsituatie in
verband met het recht op een andere
uitkering of naar omstandigheden die
bijvoorbeeld in een kleine gemeente aan
het uitvoeringsorgaan bekend kunnen zijn
en een huisbezoek niet noodzakelijk
maken. Ook het type woonhuis,
bijvoorbeeld eenkamerwoning die slechts
door één persoon volgens het
huurcontract mag worden bewoond,
gegevens over waterverbruik en
verklaringen van derden kunnen in
sommige situaties aanknopingspunten
bieden voor een beeld over de leefvorm
of woonsituatie. Het is vervolgens aan
de uitvoering om te beslissen of dit op
basis van het vigerende
uitvoeringsbeleid afdoende is. Indien de
cliënt, hoewel daartoe in de
gelegenheid gesteld, niet aantoont dat
hij alleenstaand is, wordt de uitkering
vastgesteld of herzien naar het niveau
waarvoor dit gegeven niet relevant is.
Behalve in de Anw waarbij het recht op
uitkering vervalt, bestaat bij het niet
verlenen van medewerking aan een
huisbezoek alleen recht op een uitkering
naar een norm (grondslag) van 50% van
het minimumloon. De cliënt kan dus een
afweging maken of hij al dan niet
gebruik maakt van het aanbod van het
college om via een huisbezoek aan te
tonen dat hij alleenstaand is. De
uitvoering heeft de mogelijkheid om bij
het niet meewerken aan een huisbezoek
eerst de uitkering te schorsen of op te
schorten alvorens de uitkering te
verlagen of te beëindigen om betrokkene
aldus in de gelegenheid te stellen op
andere wijze aan te tonen dat hij
alleenstaand is.
Voor het
recht op kinderbijslag
is het in
bepaalde gevallen relevant of een kind
thuis- of uitwonend is of hoe zijn
woonsituatie is (maakt het onderdeel uit
van een ander huishouden of woont het
zelfstandig). Voor de hoogte van de
toeslag in de Wwb
is het relevant of er
kosten geheel of gedeeltelijk gedeeld
kunnen worden.
Informatie
verkrijgen zoals beschreven in dit
wetsvoorstel biedt het sluitstuk voor
een rechtmatige uitkeringsverstrekking
met inachtneming van de fundamentele
rechten die voortvloeien uit artikel 8
EVRM en artikel 10
Grondwet. Omdat dit
alleen aan de orde is, indien niet op
andere wijze aan de hand van de bij de
overheid aanwezige gegevens de
noodzakelijk informatie kan worden
verkregen, voldoet dit voorstel aan het
subsidiariteitsbeginsel. Het
wetsvoorstel is beperkt tot het aantonen
van de leefsituatie van het
alleenstaande of alleenstaande ouder
zijn en tot het wonen van het kind in
bepaalde uitzonderingsgevallen en gaat
dus niet verder dan noodzakelijk.
Voorts
staat het voorstel in goede verhouding
tot de economische belangen die er mee
gediend zijn. Bij controle op de
leefsituatie gaat het om grote
economische belangen. Zo ging het in het
jaar 2007 alleen al voor de AOW en de
Anw om een bedrag van €|6 miljoen
aan geconstateerde fraude in verband met het
voeren van een gezamenlijke huishouding.
In de Wwb ging het in 2007 om
circa €|13
miljoen aan geconstateerde fraude
vanwege onjuiste opgave woonsituatie en
circa €|11,5 miljoen aan geconstateerde
fraude in verband met het voeren van een
gezamenlijke huishouding.
rblz.|5|
Het
wetsvoorstel ziet ook op de uitbetaling
van uitkeringen en de controle daarop in
het buitenland. In essentie is de
uitvoering in het buitenland gelijk aan
die in Nederland, wel zijn er allerlei
praktische verschillen en moeten er
andere middelen worden ingezet. Zo is er
in het buitenland geen GBA en zijn er
geen automatische meldingen van met het
GBA vergelijkbare systemen. Betrokkenen
moeten daarom in het buitenland vaker
iets aantonen en ook de uitvoering moet
vaker zelf op pad om informatie te
verkrijgen of te checken. Op dit moment
zetten UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] en SVB [Sociale
verzekeringsbank, red.] het instrument
huisbezoek al in in het buitenland op
basis van bilaterale
handhavingsverdragen. Met dit
wetsvoorstel kan dit effectiever
gebeuren.
In de
volgende paragrafen wordt één en ander
nog nader toegelicht naar soort socialezekerheidswet.
Voor de
volledigheid zij hier vermeld dat dit
wetsvoorstel ziet op huisbezoeken in
verband met de informatie die een
uitkeringsgerechtigde geeft over zijn
leefsituatie, en de gevolgen voor de
uitkeringen die verbonden zijn aan het
niet meewerken aan een huisbezoek in dat
verband. Uiteraard kan de uitvoering ook
huisbezoeken afleggen met een ander
doel. Zo kan een gemeente een huisbezoek
afleggen om bepaalde andere informatie
te verkrijgen of om met betrokkene samen
de uitkeringsaanvraag in te vullen. Zo’n
huisbezoek heeft vaak als secundair doel
dat de gemeente meer inzicht krijgt in
het leven van betrokkene, eventuele
persoonlijke of financiële problemen
signaleert en daardoor hulpverlening kan
opstarten. Ook bezoekt bijvoorbeeld de SVB
uitkeringsgerechtigden thuis om hen
behulpzaam te zijn bij het realiseren
van hun rechten. Dit wetsvoorstel ziet
niet op dergelijke situaties.
3. Wwb
De
directe aanleiding voor dit wetsvoorstel
was de gang van zaken met huisbezoeken
in het kader van de Wwb. De uitvoering
van de Wwb ondervond - meer dan andere
uitvoeringsorganen - de grootste
gevolgen van de gevolgen van de
uitspraken van de Centrale Raad van
Beroep van april 2007 (zie paragraaf
2),
met name in situaties dat een gemeente
de praktijk had om standaard huisbezoeken af te leggen bij een nieuwe
uitkeringsaanvraag. Bestuursorganen als
het college van burgemeester en
wethouders hebben een beleids- en
uitvoeringsverantwoordelijkheid voor een
rechtmatige uitvoering van de Wwb.
Daarnaast heeft het college van
burgemeester en wethouders een
financieel belang bij de rechtmatigheid
van te verlenen en verleende bijstand.
Het tegengaan van misbruik is een
belangrijke voorwaarde voor het
maatschappelijke draagvlak van de
bijstand.
Het recht
en de hoogte van de bijstandsuitkering
is mede afhankelijk van de leefvorm of
woonsituatie van de betrokkene. Het
college kan een toeslag verstrekken
bovenop de basisnorm van alleenstaande
en alleenstaande ouder van maximaal 20%,
afhankelijk van de mate waarin de
noodzakelijke kosten van het bestaan
gedeeld kunnen worden. Voor het
verstrekken van deze toeslag is inzicht
in de leefsituatie van belang. Het
wetsvoorstel regelt dat indien de
betrokkene niet desgevraagd aantoont dat
hij alleenstaand is, de basisnorm kan
worden gesteld op de helft van die van
een gehuwde in dezelfde
leeftijdscategorie en dat deze toeslag
in dat geval niet kan worden toegekend
respectievelijk eindigt. De registratie
in het GBA geeft immers geen uitsluitsel
over de feitelijke leefsituatie. De
feitelijke leefsituatie is bepalend voor
de basisnorm en voor het recht op en de
hoogte van de toeslag. Het hoeft hierbij
niet altijd te gaan over fraude
(verstrekking van onjuiste gegevens met
het oogmerk een (hogere) uitkering te
verkrijgen), maar het kan ook gaan om
een onduidelijke leefsituatie. Denk
hierbij aan de mogelijke vormen van
"Living Apart Together" (LAT-)relaties. Een huisbezoek kan dan
duidelijkheid geven over het rblz.|6|
hoofdverblijf van betrokkene of diens
partner. Een huisbezoek kan alleen
plaatsvinden bij de bijstandspartij en
niet bij diens partner indien deze geen
partij is voor de bijstandsverstrekking.
Het huisbezoek is een probaat middel om
te beoordelen of er wel of niet sprake
is van een gezamenlijke huishouding.
Indien de gemeente een huisbezoek
aanbiedt om de toepasselijke norm en/of
het recht op toeslag te kunnen
vaststellen, is de betrokkene verplicht
hieraan mee te werken dan wel op andere
wijze aan te tonen dat hij alleenstaand
is. Indien de uitkeringsgerechtigde dat
niet aantoont, is dat een rechtsgrond
voor het lager vaststellen van de
basisnorm en weigering of beëindiging
van de toeslag. Het wetsvoorstel regelt
dit door toevoeging van een tweede en
derde lid aan artikel
53a Wwb. Op deze
manier behoudt de uitkeringsgerechtigde
recht op bijstand ter hoogte van de
helft van de gehuwdennorm voor zijn
leeftijdscategorie, waarbij de
uitkeringsgerechtigde niet in de
situatie wordt gedwongen waarin hij moet
kiezen tussen zijn grondrecht op
eerbiediging van zijn persoonlijke
levenssfeer en zijn grondrecht op
bijstand.
Voor alle
duidelijkheid: dit wetsvoorstel regelt
de gevolgen van het weigeren van
toestemming voor een huisbezoek in
situaties dat er geen concrete
aanwijzingen van onjuiste
gegevensverstrekking zijn. Indien er wel
een vermoeden van fraude is, is het op
grond van de bestaande jurisprudentie al
mogelijk de uitkering te weigeren of in
te trekken. Het wetsvoorstel brengt hier
geen verandering in.
4. AOW
Bij de AOW
is het vaststellen van het recht op
uitkering (ouderdomspensioen)
afhankelijk van de vraag of betrokkene
verzekerd is geweest en van zijn
leeftijd. Dit is een strikt individuele
beoordeling en staat op zich los van de
leefvorm. De leefvorm is relevant voor
de hoogte van het ouderdomspensioen: een
alleenstaande krijgt namelijk een
uitkering ter hoogte van 70%, een
alleenstaande ouder van 90% en een
gehuwde van 50%.
In de
huidige wetgeving staat dat de SVB
controlevoorschriften mag vaststellen
en dat de uitkeringsgerechtigde die moet
opvolgen. Indien betrokkene deze
verplichting niet nakomt, waardoor de
SVB niet kan vaststellen of het recht op
ouderdomspensioen nog bestaat, kan de
SVB de uitkering niet toekennen of
intrekken.
Dit
wetvoorstel breidt de verplichting tot
het opvolgen van de
controlevoorschriften uit met de
verplichting mee te werken, zodat de SVB
geïnformeerd wordt over de
omstandigheden die nodig zijn voor het
toekennen van de uitkering en de
controle op de uitkering (wijziging
artikel 15). Een algemene verplichting
om in algemene zin mee te werken aan wat
de SVB vordert, ontbrak in de AOW,
terwijl die wel in de Wwb
is opgenomen.
Daarnaast wordt in de AOW op dezelfde
wijze als in andere wetten op wetsniveau
geregeld wanneer de SVB de betaling van
het ouderdomspensioen schorst of
opschort.
Verder
breidt dit wetsvoorstel de
inlichtingenplicht uit doordat de SVB de
cliënt kan verzoeken aan te tonen dat
hij alleenstaande of alleenstaande ouder
is. Hierbij biedt de SVB aan met de
toestemming van de cliënt diens woning
binnen te treden. Indien de cliënt niet
desgevraagd aantoont een alleenstaande
of alleenstaande ouder te zijn, kent de
SVB het ouderdomspensioen toe of herziet
de SVB het ouderdomspensioen naar het
niveau van een gehuwde (50% minimumloon).
In de
uitvoeringspraktijk van de SVB komt het
niet voor dat de SVB standaard op
huisbezoek gaat bij een aanvraag voor
een uitkering; gezien de aantallen waar
het bij de AOW om gaat, zou dat niet
mogelijk zijn. Wel werkt de SVB met
steekproeven ten behoeve van onderzoeken
om frauderisico’s op een generiek
fraudevermoeden in kaart te brengen.
Hierbij wordt onder andere gebruik
gemaakt van bestandsvergelijkingen.
Uiteraard wordt ook gereageerd op
fraudesignalen.
rblz.|7|
5. Anw
Ook bij
de Anw wordt de verplichting de
controlevoorschriften op te volgen,
uitgebreid met een algemene
meewerkingsverplichting (artikel
36).
Verder breidt dit wetsvoorstel de
inlichtingenplicht uit doordat de SVB
de
cliënt kan verzoeken aan te tonen dat
hij alleenstaand is. Anders dan bij de AOW, waar een verzekerde altijd recht
heeft op ouderdomspensioen ongeacht de
leefvorm, is het gevolg voor de Anw dat
dan het recht op nabestaandenuitkering
als zodanig niet kan worden vastgesteld.
Immers, als de nabestaande een
gezamenlijke huishouding voert, eindigt
het recht op uitkering. De SVB kan dan
geen uitkering toekennen of moet een
bestaande uitkering beëindigen (artikel
34). Ditzelfde geldt voor de uitkering
voor een wees van tussen de 16 en 21
jaar die uitkering claimt omdat hij als
ongehuwde in de zin van
artikel 3 van
die wet voor het huishouden van ten
minste één andere wees verzorgt.
Wat
hierboven gesteld is over de
uitvoeringspraktijk van de AOW geldt in
grote lijnen ook voor de
uitvoeringspraktijk bij de Anw, zij het
dat het bij de Anw gaat om kleinere
aantallen.
6. Ioaw,
Ioaz en TW
In de Ioaw, de
Ioaz en de TW wordt naar
analogie van de AOW geregeld dat als
een cliënt niet desgevraagd aantoont
dat hij alleenstaand is, de grondslag
van zijn uitkering wordt gesteld op het
niveau van 50% minimumloon. Dit gebeurt
door een toevoeging aan de artikelen 14
van de Ioaw
en Ioaz en door het nieuwe
artikel 12a van de TW.
Ook bij
de Ioaw en de Ioaz is het aan de gemeente
hoe de uitvoeringspraktijk
verloopt. Er kunnen zowel huisbezoeken
bij aanvraag van de uitkering worden
gedaan als bij signalen van fraude en
bij steekproeven, bijvoorbeeld op basis
van een risicoprofiel.
7. AKW
Bij de
AKW is het begrip leefsituatie van
belang waar het gaat om de woonsituatie.
Waar een kind woont, kan namelijk
verschil maken voor het recht op
uitkering. Het kan voor een ouder
aantrekkelijk zijn de woonsituatie
anders voor te stellen dan hij is, om zo
recht op kinderbijslag
of op dubbele
kinderbijslag te krijgen. De SVB
kan in
bepaalde gevallen wensen de inlichtingen
die de ouders hierover geven te checken
door middel van een huisbezoek.
Het gaat
om de volgende situaties:
•
Ouders geven aan dat het kind
thuiswonend is terwijl het uitwonend is;
dit is relevant omdat voor thuiswonende
kinderen onder de 16 jaar het onderhoud
niet aangetoond hoeft te worden;
•
Ouders geven bepaalde informatie over de
tijdsbesteding van hun kind van 16 of 17
jaar en geven daarbij aan dat het kind
in verband met die tijdsbesteding
uitwonend is; het onderzoek naar de
woonsituatie kan dan onderdeel uitmaken
van het onderzoek over de
tijdsbesteding;
•
Ouders geven aan dat hun kind uitwonend
is in verband met het volgen van
onderwijs of het hebben van een ziekte
of gebrek en dat het in een instelling
verblijft of zelfstandig woont; dit is
relevant omdat dan mogelijk recht op
dubbele kinderbijslag kan bestaan.
Het
uitkeringsrecht in deze situaties is
geregeld in artikel
7, eerste lid
onderdeel a, artikel 7, tweede lid, en
artikel 7, derde lid.
In deze
gevallen geldt hetzelfde als wat
hiervoor is opgemerkt over onderzoeken
naar de gezamenlijke huishouding. Het is
nu al mogelijk een huisbezoek af te
leggen en daar gevolgen voor het recht
op kinderbijslag
aan te verbinden als er
geen toestemming voor het huisbezoek
wordt gegeven. Dit kan echter alleen als
de SVB een vermoeden van fraude
rblz.|8|
heeft.
Ook als dat er niet is, kan het echter
zinvol zijn een huisbezoek af te leggen
om de gegevens die de ouder verstrekt
heeft te controleren. De regering vindt
het gewenst dat er gevolgen voor de
kinderbijslag verbonden kunnen worden
aan het niet geven van toestemming voor
een huisbezoek ook als er geen vermoeden
van fraude is.
De
procedure is dan als volgt. De ouder
geeft aan waar het kind woont. De SVB
kan vervolgens aan de ouder vragen dit
aan te tonen met bewijsstukken. Dit kan
bijvoorbeeld gebeuren met een
huurcontract. Een andere manier om dit
aan te tonen, is om in te gaan op het
aanbod van de SVB een huisbezoek af te
leggen op de plaats waar het kind woont.
Het huisbezoek kan plaatsvinden behalve
bij de ouder ook bij degene zijn bij wie
het kind woont, het kind zelf als hij
zelfstandig woont of de instelling waar
het kind verblijft. Degene waarbij het
kind woont, heeft het huisrecht en
bepaalt of hij toestemming geeft voor
het huisbezoek. De verantwoordelijkheid
van de ouder gaat zo ver dat hij ervoor zorg dient te
dragen dat dit
huisbezoek kan worden afgelegd. Als de
betrokken bewoner geen toestemming
geeft, worden de gevolgen toegerekend
aan de ouder. Dat wil zeggen dat er geen
recht op kinderbijslag
is of slechts
enkelvoudig recht op kinderbijslag
afhankelijk van de mate waarin het recht
daarop kan worden vastgesteld op basis
van de andere gegevens die beschikbaar
zijn buiten die over de woonsituatie.
Ook bij
de
AKW wordt de verplichting de
controlevoorschriften op te volgen,
uitgebreid met een algemene
meewerkingsverplichting (artikel
16).
8. Financiële
aspecten
Voorshands
worden er geen (substantiële)
besparingen op de uitkeringslasten
verwacht. Hiervoor zijn de volgende
redenen.
Het
aantal fraudezaken dat door dit
wetsvoorstel bestreden zal worden, is
gering, zowel afgezet tegen de totale
uitkeringspopulatie van de betreffende
wet (dit geldt met name voor de AOW) als
tegen het totale aantal fraudezaken. Dit
komt omdat dit wetsvoorstel ziet op
verificatie van de leefsituatie waarbij
de uitvoering op het moment van het
huisbezoek geen concreet vermoeden van
fraude heeft. Bij de meeste fraudezaken
wordt óf een huisbezoek afgelegd
waarbij er wel een vermoeden van fraude
is, óf huisbezoeken spelen geen rol bij
het aantonen van de fraude (bijvoorbeeld
als het gaat om inkomens). Ook is het zo
dat weigeringen bij huisbezoeken zonder
concrete aanwijzingen niet vaak
voorkomen. Dit wetsvoorstel heeft vooral
een preventieve werking, omdat juist
door de mogelijkheid van een huisbezoek
mensen minder makkelijk zullen frauderen
met de leefsituatie. In overleg met de
uitvoeringsinstanties zal nagegaan
worden of via monitoring inzicht kan
worden verkregen in de effecten van de
preventieve werking; zowel wat betreft
het aantal fraudezaken, de omvang van de
fraude als de mogelijke besparing op de
uitkeringslasten.
9. Uitvoeringstoetsen
De SVB
acht het wetsvoorstel uitvoerbaar. De
SVB heeft enige redactionele suggesties
gedaan die verwerkt zijn in de
toelichting.
Het
uitvoeringspanel gemeenten acht het
wetsvoorstel uitvoerbaar. Het panel
heeft enkele suggesties gedaan om in de
toelichting uitgebreider in te gaan op
de relatie met de artikelen 8 EVRM en 10
Grondwet. Dit is gebeurd.
Het UWV acht het wetsvoorstel uitvoerbaar. Naar
aanleiding van de toets is het
wetsvoorstel op enkele punten aangepast.
Het
wetsvoorstel heeft de Inspectie Werk en
Inkomen geen aanleiding gegeven tot het
maken van opmerkingen over de
toezichtbaarheid.
rblz.|9|
Artikelsgewijs
Artikel I,
onderdeel A
en B (Algemene Kinderbijslagwet)
Met
onderdeel B wordt geregeld dat de SVB
de
verzekerde of de persoon aan wie of de
instelling waaraan op grond van artikel
21 kinderbijslag
wordt betaald, kan
verzoeken aan te tonen hoe de
woonsituatie is van het kind waarvoor
kinderbijslag wordt gevraagd in verband
met de voorwaarden die zijn gesteld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
tweede en derde lid (artikel 15a). Dit
ziet zowel op het moment van de aanvraag
als op enig later moment. De SVB biedt
in dat geval aan om de woning van de
verzekerde of de woning waar het kind
woont met toestemming van de verzekerde
dan wel de toestemming van de bewoner
van de woning waar het kind woont te
betreden. Verder is geregeld dat wanneer
geen toestemming wordt verkregen van de
bewoner voor het binnentreden van de
woning waar het kind woont, de gevolgen
hiervan worden toegerekend aan de
verzekerde. Dit betekent dat de
verzekerde afspraken moet maken met de
bewoner van de woning of de instelling
waar het kind verblijft, zodat de SVB in
voorkomende gevallen met toestemming mag
binnentreden. Indien deze toestemming
ontbreekt, dan kan bij de vaststelling of
herziening van de kinderbijslag geen
rekening worden gehouden met de
woonsituatie van het kind.
In
onderdeel A, onder 2, wordt geregeld dat
als de SVB de verzekerde of de persoon
aan wie of de instelling waaraan op
grond van artikel 21 kinderbijslag wordt
betaald, hoewel daartoe in de
gelegenheid gesteld, niet op behoorlijke
wijze aantoont hoe de woonsituatie van
het kind is waarvoor kinderbijslag wordt
aangevraagd of betaald en daarmee voor
het geheel of ten dele niet voldoet aan
de voorwaarden voor kinderbijslag,
bedoeld in artikel
7, eerste lid,
onderdeel a, tweede en derde lid, het
recht op kinderbijslag
dienovereenkomstig wordt vastgesteld,
herzien of ingetrokken. Hierbij wordt
derhalve getoetst aan de voorwaarden
zonder dat rekening wordt gehouden met
de woonsituatie van het kind omdat
hierover geen zekerheid is verkregen.
In
onderdeel A, onder 1, wordt geregeld dat
de herziening of intrekking van een
besluit tot toekenning van kinderbijslag
als bedoeld in artikel 14a, tweede lid,
alleen betrekking heeft op situaties als
bedoeld in artikel 14a, eerste lid. De
vaststelling, herziening of intrekking
van het recht op kinderbijslag
herziening als bedoeld in artikel
14,
derde lid, heeft [lees: recht op
kinderbijslag heeft, red.] specifiek betrekking op
de situatie als bedoeld in artikel 15a.
Artikel
II, onderdeel
A en B
(Algemene nabestaandenwet)
Met
onderdeel B wordt geregeld dat de SVB
de
nabestaande of zijn wettelijk
vertegenwoordiger kan verzoeken aan te
tonen dat de nabestaande niet een
gezamenlijke huishouding voert waardoor
hij op grond van artikel
15, eerste lid,
onderdeel d, Anw
geen recht op
nabestaandenuitkering zou hebben. Dit
ziet zowel op het moment van de aanvraag
als op enig later moment. Voorts wordt
geregeld dat de SVB aan degene die een
uitkering aanvraagt of ontvangt op grond
van artikel
26, tweede lid, onderdeel c, Anw
(dat wil zeggen een uitkering als
verzorgende wees, die tot 21 jaar kan
worden toegekend, de zogenaamde
huishoudwees) of diens wettelijk
vertegenwoordiger, kan verzoeken aan te
tonen dat betrokkene een ongehuwd
ouderloos kind is en dat tot zijn
huishouden ten minste één ander kind
behoort dat recht heeft op
wezenuitkering. De SVB biedt in dat
geval aan om de woning van de
nabestaande respectievelijk het
ongehuwde kind, met diens toestemming
dan wel de toestemming van diens
wettelijk vertegenwoordiger, te
betreden. In onderdeel A wordt geregeld
dat als de nabestaande respectievelijk
het ongehuwde kind dan wel diens
wettelijk vertegenwoordiger, hoewel
daartoe in de gelegenheid gesteld, niet
op behoorlijke wijze aantoont dat de
betrokkene niet een rblz.|10|
gezamenlijke
huishouding voert respectievelijk een
ongehuwd kind is dat als huishoudwees in
zijn huishouden ten minste één ander
kind verzorgt dat recht heeft op
wezenuitkering, de uitkering wordt
herzien of ingetrokken. In dat geval kan
niet worden vastgesteld of recht bestaat
op een nabestaandenuitkering
respectievelijk een wezenuitkering.
Artikel I, onderdeel C
(Algemene Kinderbijslagwet)
Artikel II,
onderdeel C (Algemene nabestaandenwet)
Artikel III, onderdeel A (Algemene Ouderdomswet)
Artikel IV, onderdeel B (Toeslagenwet)
De
wijziging van het tweede lid van de
artikelen 16
AKW, 36
Anw en van 15
AOW alsmede de wijziging van artikel 13
TW heeft tot doel de verplichtingen van de
uitkeringsgerechtigde (rechthebbende op kinderbijslag, nabestaande, wees en
pensioengerechtigde respectievelijk
degene die aanspraak maakt op een
toeslag) te specificeren. In het eerste
lid van de artikelen 16
AKW, 36
Anw en
15 AOW respectievelijk
artikel 30 TW
wordt bepaald dat de SVB respectievelijk het
UWV controlevoorschriften
vaststelt die
niet verder strekken dan wat strikt
noodzakelijk is voor de juiste
uitvoering van de
AKW, Anw, de
AOW en de TW. In het tweede lid van de artikelen
16
AKW, 36
Anw en 15 AOW
en in artikel
13 TW werd
bepaald dat de
uitkeringsgerechtigden verplicht zijn de
controlevoorschriften op te volgen die
de SVB respectievelijk het UWV ten
behoeve van een doelmatige controle
stelt. In het voorgestelde artikellid in
de AKW, Anw en AOW en in het aangepaste
artikel 13 TW
komt deze verplichting de
controlevoorschriften op te volgen
terug, maar gekoppeld aan de noodzaak
voor de uitvoering van de AKW, Anw, AOW
en TW. Dit betekent dat dit zowel
betrekking kan hebben op de controle van
de gegevens die noodzakelijk zijn om het
recht op uitkering vast te stellen
voordat tot toekenning van een uitkering
kan worden gekomen als op de controle of
nog langer recht op een bepaalde
uitkering bestaat.
Daarnaast
is de verplichting uitgebreid met een
algemene verplichting aan de SVB en het
UWV alle medewerking te verlenen op
verzoek van de SVB respectievelijk het
UWV. Daarmee wordt duidelijk dat deze
medewerking in algemene zin kan worden
gevorderd, voor zover dit van belang is
voor de uitkeringsverstrekking en niet
gekoppeld hoeft te zijn aan het opvolgen
van specifieke controlevoorschiften.
Een vergelijkbare
medewerkingsverplichting is al geregeld
in de Wwb.
Artikel
III, onderdeel B,
onder 1, en D (Algemene Ouderdomswet)
Met
onderdeel D wordt geregeld dat de SVB
de
pensioengerechtigde of zijn wettelijk
vertegenwoordiger kan verzoeken aan te
tonen dat hij alleenstaande of
alleenstaande ouder is. Dit ziet zowel
op het moment van de aanvraag als op
enig later moment. In dat geval biedt de
SVB aan om de woning van de
pensioengerechtigde, met diens
toestemming dan wel de toestemming van
diens wettelijk vertegenwoordiger, te
betreden. Indien de pensioengerechtigde
dan wel zijn wettelijk
vertegenwoordiger, hoewel daartoe in de
gelegenheid gesteld, niet aantoont dat
de pensioengerechtigde alleenstaande of
alleenstaande ouder is, wordt op grond
van - het in onderdeel
B, onder 1,
opgenomen - artikel
17, vierde lid,
een ouderdomspensioen toegekend ter
hoogte van een ouderdomspensioen voor
een gehuwde respectievelijk zijn
ouderdomspensioen daarnaar herzien.
Zoals al aangegeven in paragraaf 2 van
het algemeen deel van deze memorie van
toelichting gaat het hier om de situatie
dat er overigens geen aanwijzingen zijn
dat er sprake is van een onjuiste opgave
van gegevens door de betrokkene. Is dat
wel het geval, dan is artikel
17a, eerste
lid, onderdeel c, AOW
van toepassing.
rblz.|11|
Artikel I,
onderdeel D (Algemene Kinderbijslagwet)
Artikel II,
onderdeel D (Algemene
nabestaandenwet)
Artikel III,
onderdeel B, onder 2, en C (Algemene Ouderdomswet)
Artikel IV,
onderdeel C (Toeslagenwet)
In de
artikelen I, onderdeel D, II, onderdeel
D, en IV, onderdeel
C, wordt in de
artikelen 19
AKW, 46
Anw en 15 TW
de
mogelijkheid opgenomen om de uitkering
te schorsen of op te schorten ingeval de
betrokkene niet desgevraagd aantoont hoe
de woonsituatie van het kind is op grond
van artikel 15a, eerste lid,
AKW of dat
hij alleenstaande (ouder) is op grond
van artikel
35a Anw respectievelijk 12a
TW. Dit in aanvulling op de al genoemde
mogelijkheid om de uitkering te schorsen
of op te schorten bij het niet of niet
behoorlijk nakomen van de
inlichtingenverplichting van de
artikelen 15
AKW, 35
Anw en artikel 12
TW.
Met
artikel III, onderdeel C, wordt een
bepaling overeenkomstig artikel
46,
derde lid, Anw
opgenomen in de AOW. Met
deze bepaling heeft de SVB
de
bevoegdheid de betaling van het
ouderdomspensioen te schorsen of op te
schorten indien zij op grond van
duidelijke aanwijzingen van oordeel is
of het gegronde vermoeden heeft dat het
recht op ouderdomspensioen niet of niet
meer bestaat, recht op een lager
ouderdomspensioen bestaat dan wel dat de
inlichtingenplicht van artikel 49
AOW niet is nagekomen of dat de
pensioengerechtigde niet desgevraagd
aantoont alleenstaande (ouder) te zijn
op grond van het nieuwe artikel 50
AOW.
Voorts is schorsing mogelijk indien de
SVB op grond van duidelijke aanwijzingen
van oordeel is of het gegronde vermoeden
heeft dat de medewerkingsverplichting
van artikel
15, tweede lid, AOW niet is
nagekomen. Met deze regeling in de wet
bestaat er geen behoefte meer aan de
delegatiebepaling die thans is opgenomen
in artikel
17, zesde lid, tweede zin, AOW [lees: artikel
17, zevende lid, tweede zin, AOW, red.]. Met het vervallen daarvan kan
artikel 4 van de regeling van 12 juli
1985, houdende regels inzake de
intrekking en herziening van
ouderdomspensioenen (Stcrt. 136)
[lees: Regeling
nadere regels inzake intrekking en
herziening van het ouderdomspensioen,
red.], worden
geschrapt.
Artikel
IV, onderdeel A (Toeslagenwet)
Artikel V,
onderdeel A, B en
C
¹ (Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen)
Artikel VI,
onderdeel A en B
(Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers)
Met
artikel IV, onderdeel A, artikel V,
onderdeel A, onder 1, en artikel VI,
onderdeel A, onder 1, wordt geregeld dat
als degene die aanspraak maakt op een
toeslag op grond van de TW
respectievelijk de gewezen zelfstandige
of de werkloze werknemer niet
desgevraagd aantoont dat hij een
alleenstaande of alleenstaande ouder is,
hij een uitkering krijgt toegekend naar
een grondslag van de helft van de
uitkeringsgrondslag voor een gehuwde
respectievelijk zijn uitkering daarnaar
wordt herzien. Ook hier gaat het om de
situatie dat er overigens geen
aanwijzingen zijn dat er sprake is van
een onjuiste opgave van gegevens door de
betrokkene. Is dat wel het geval, dan is
artikel 11a, eerste lid, TW
respectievelijk artikel 17, derde lid, Ioaz
dan wel artikel 17, derde lid, Ioaw
van toepassing.
Met de
overige (sub)onderdelen van artikel V
en artikel VI worden de Ioaz
en Ioaw technisch aangepast aan de wijziging in
artikel V, onderdeel A, onder 1, en
artikel VI, onderdeel A, onder 1.
1.
Artikel V, onderdeel C, is tijdens de
parlementaire behandeling komen te
vervallen, red.
rblz.|12|
Artikel
V,
onderdeel D (Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen) ¹
Artikel
VI,
onderdeel C (Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers) ¹
In de
artikelen V, onderdeel D, en VI,
onderdeel C,¹ zijn afstemmingsbepalingen
opgenomen in verband met het voorstel
van wet houdende bundeling van
uitkeringen inkomensvoorzieningen aan gemeenten (Kamerstukken II
2008-2009, ...... [31 927, red.], nr. 2) [lees: Wet
van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorzieningen aan gemeenten
(Stb 2009, 592), red.]. Aangezien ook bij dit
wetsvoorstel wijzigingen worden
aangebracht in artikel 14 van de
Ioaw en
artikel 14 van de Ioaz
is het
noodzakelijk een voorziening te treffen
wanneer voornoemd wetsvoorstel eerder
wordt aangenomen en in werking treedt
dan het onderhavige
wetsvoorstel.
1.
De artikelen V, onderdeel D, en
VI,
onderdeel C, zijn tijdens de
parlementaire behandeling komen te
vervallen, red.
Artikel
VII (Wet werk en bijstand)
Het
nieuwe tweede lid van artikel 53a
bevat
het aanvullende verzoek de leefsituatie
aan te tonen. Het nieuwe derde lid van
dat artikel regelt dat als een
belanghebbende in de zin van de Wwb
niet
desgevraagd aantoont dat hij een
alleenstaande of alleenstaande ouder is,
het college hem een uitkering toekent
naar een grondslag van de helft van de
uitkeringsgrondslag voor een gehuwde in
zijn leeftijdscategorie respectievelijk
zijn uitkering daarnaar wordt herzien.
Voor de belanghebbende jonger dan 21
jaar, waarbij er sprake is van
verschillende grondslagen voor gehuwden,
is daarbij gekozen voor de helft van de
uitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel
20, eerste lid, onderdeel b. Dat is de
laagste uitkeringsgrondslag voor
gehuwden. Niet controleerbaar is immers
of op betrokkene eventueel een hogere
grondslag van toepassing zou zijn.
Voorts wordt geregeld dat bij een
dergelijke toekenning respectievelijk
herziening artikel 25
Wwb, waarin
geregeld is dat de norm voor
alleenstaanden en alleenstaande ouders
kan worden verhoogd met een toeslag,
niet van toepassing is. Het gaat hier om
de situatie dat er overigens geen
aanwijzingen zijn dat er sprake is van
een onjuiste opgave van gegevens door de
betrokkene. Verder is geregeld dat de
eventuele toepassing van artikel 27
Wwb onverlet blijft. In dit artikel is
geregeld dat de uitkering op een lager
niveau kan worden vastgesteld of herzien
wanneer kosten van het bestaan kunnen
worden gedeeld in verband met de
woonsituatie.
Met deze
nieuwe leden bevat artikel 53a
het
totaal van voorschriften over het
verkrijgen van gegevens noodzakelijk
voor de verlening en voorzetting van de
bijstand en het onderzoek naar de
juistheid en volledigheid daarvan. De
gevolgen voor de uitkeringsverstrekking
waren al geregeld in het tweede (nieuw
vierde) lid van dit artikel. Het nieuwe
tweede en derde lid biedt daarop dus een
aanvulling.
Artikel
VIII (inwerkingtreding)
Er wordt
naar gestreefd dit wetsvoorstel met
ingang van 1 januari 2010 in werking te
laten treden. Mogelijk hebben bepaalde
uitvoeringsorganen meer tijd nodig dan
andere om deze wijziging uit te voeren,
rekening houdend met de noodzakelijke
systeemaanpassingen en de gevraagde
capaciteit op andere (vernieuwings)trajecten.
Om die reden is bepaald dat
verschillende onderdelen van dit
wetsvoorstel op verschillende momenten
in werking kunnen treden.
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma
|
|