|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 241
Wijziging
van de Ziektewet en enige andere wetten
om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van vangnetters te beperken (Wet
beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Algemeen en doelstelling |
| 2.1 |
Inleiding |
| 2.2 |
Analyse van de problematiek en
aanleiding voor het wetsvoorstel |
| 2.3 |
Achtergrond van de vangnetproblematiek |
| 2.4 |
Historisch perspectief |
| 2.5 |
Doelstelling van het wetsvoorstel |
| 3 |
Aanpassing van het ZW-criterium |
| 3.1 |
Inleiding |
| 3.2 |
Een nieuw ZW-criterium |
| 3.3 |
Overgangsrecht |
| 4 |
Arbeidsverledeneis |
| 4.1 |
Inleiding en doel |
| 4.2 |
Inhoud |
| 4.3 |
Doelgroep |
| 4.4 |
Overgangsrecht |
| 5 |
Snellere werkhervatting van vangnetters |
| 5.1 |
Inleiding |
| 5.2 |
Basis voor afspraken met werkgevers |
| 5.3 |
Verruiming van het instrument
proefplaatsing |
| 5.4 |
Effectieve begeleiding door de
uitvoering |
| 5.5 |
Aanscherping van de
re-integratieverplichtingen conform de
WGA en een strikt handhavingsregime |
| 5.6 |
Overgangsrecht |
| 6 |
Aanpassingen in de
financieringssystematiek |
| 6.1 |
Inleiding |
| 6.2 |
Hoofdlijnen en achtergrond van de
maatregelen voor werkgevers |
| 6.3 |
Financiële prikkels voor werkgevers |
| 6.4 |
Werkgeversprikkels in
twee stappen |
| 6.5 |
Vormgeving van fondsen en kassen |
| 6.6 |
Gevolgen voor de uitvoering |
| 6.7 |
Overgangsregime |
| 7 |
Financiële gevolgen, administratieve
lasten, internationale gevolgen en
gevolgen voor de arbeidsmarkt |
| 7.1 |
Financiële gevolgen |
| 7.2 |
Effect op administratieve lasten |
| 7.3 |
Internationale aspecten |
| 7.4 |
Arbeidsmarkteffecten |
| 8 |
Ontvangen commentaren |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m X |
Algemeen
1.
Inleiding
In het
afgelopen decennium is het ziekteverzuim
en de instroom in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen fors
gedaald. Het gevoerde beleid door middel
van de Wet
verbetering poortwachter (Wvp),
de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte
(Wvlz) [lees: Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 (Wvlz 2003), red.]
en de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft daaraan
een belangrijke bijdrage geleverd. Uit
evaluatie (van onder meer de Wet WIA)
blijkt echter dat dit effect vooral is
opgetreden bij werknemers met een vast
dienstverband. Voor degenen met een
uitkering op grond van de Ziektewet (ZW)
heeft het gevoerde beleid dit effect
niet gehad. Het langdurig ziekteverzuim
en instroom in de Wet WIA van deze groep
ligt nog steeds op een onverminderd hoog
niveau en stijgt bovendien. In de ogen
van de regering is dit ongewenst en zijn
maatregelen gewenst om dit terug te
dringen.
Met
dit
wetsvoorstel wordt daartoe de
activerende werking van de ZW versterkt
en wordt de prikkelwerking van de
financieringssystematiek van de werkhervattingsregeling gedeeltelijk
arbeidsgeschikten (WGA) uit de Wet WIA
verbeterd. De regering beoogt hiermee
niet alleen de werkhervatting van de
zieke werknemers zonder werkgever te
stimuleren, maar ook het langdurig
ziekteverzuim terug te dringen en de
instroom van ZW-gerechtigden in de Wet
WIA te voorkomen. Daartoe wordt in dit
wetsvoorstel een samenhangend en
evenwichtig pakket van maatregelen
voorgesteld.
Deze
maatregelen zijn aangekondigd in de
brief van de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid (SZW) van 8 maart
2011 over de ZW
¹ en de brief van
de Staatssecretaris van SZW van 25 maart
2011 over het kabinetsstandpunt met
betrekking tot de WIA-evaluatie.² De
introductie van een arbeidsverledeneis
in de ZW is aangekondigd in de
SZW-begroting voor het jaar 2012.
1. Kamerstukken II
2010-2011, 32 464, nr. 12.
2. Kamerstukken II 2010-2011, 32 716, nr. 1.
rblz.|2|
Daarnaast
werkt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV)
overeenkomstig de doelstelling van dit
wetsvoorstel aan een verbeterplan van de
arborol. Voorts hebben sociale partners
in de uitzendsector en het UWV de
intentie uitgesproken om via een
convenant het langdurig ziekteverzuim
van uitzendkrachten terug te dringen.
Ook door deze verbeteringen in de
uitvoering wordt de activerende werking
van de ZW versterkt.
Het
wetsvoorstel omvat een samenhangend en
evenwichtig pakket van maatregelen.
Hierbij is sprake van een balans tussen
prikkels die gericht zijn op de drie
partijen die het meest betrokken zijn: ZW-gerechtigden, werkgevers en het UWV.
Daarnaast hebben de voorstellen ook
effect voor de belastingdienst en
verzekeraars.
Voor
werknemers met een vast dienstverband is
bij ziekte sprake van een
loondoorbetalingsplicht voor de
werkgever. Beroep op de ZW
staat open
voor werknemers die:
1.
geen werkgever (meer) hebben, zoals
zieke WW-gerechtigden, zieke
uitzendkrachten en zieke werknemers
van wie hun dienstverband afloopt
tijdens ziekte.
2.
een werkgever hebben maar een - gepercipieerd
- hoog ziekterisico
hebben (no-riskpolis, orgaandonoren
en zwangere vrouwen).
Omdat
deze groepen onder de werkingssfeer
vallen van het vangnet van de ZW,
worden
zij ook wel vangnetters genoemd.
De
verschillende maatregelen die in dit
wetsvoorstel zijn uitgewerkt, behelzen
het volgende.
Maatregelen
voor vangnetters
De
maatregelen voor vangnetters worden met
name toegelicht in hoofdstukken
3, 4 en
5 van deze memorie van toelichting. De
kern van deze maatregelen is de
volgende.
1.
Door aanpassing van het ZW-criterium
worden de voorwaarden voor het recht
op ziekengeld aangescherpt na het
eerste ziektejaar. In dit
wetsvoorstel is geregeld dat het
thans geldende criterium, waarbij
"zijn arbeid" (de laatstelijk
verrichte arbeid) als maatstaf
geldt, vervangen wordt door het
criterium zoals dat nu al geldt op
grond van de Wet WIA. Daarbij geldt
het kunnen verrichten van algemeen
geaccepteerde arbeid als maatstaf.
Dit wordt toegelicht in hoofdstuk 3
van deze memorie van toelichting.
2.
Invoering van een
arbeidsverledeneis. Analoog aan de
Wet WIA wordt in dit wetsvoorstel
geregeld dat het recht op ziekengeld
wordt opgedeeld in twee delen, een
loongerelateerde uitkering en een
minimumuitkering. De duur van de
loongerelateerde uitkering wordt
afhankelijk van het opgebouwde
arbeidsverleden. Dit wordt
toegelicht in hoofdstuk 4 van deze
memorie van toelichting.
3. De
re-integratie- en
sollicitatieverplichtingen voor
ZW-gerechtigden worden aangescherpt,
conform de verplichtingen die
opgenomen zijn in de WGA. Hiermee
wordt een snellere werkhervatting
van de ZW-gerechtigde beoogd. Dit
wordt toegelicht in hoofdstuk 5 van
deze memorie van toelichting.
Financiële
prikkels voor werkgevers
4.
Door een andere financiering van de ZW
en WGA komen er meer financiële
prikkels voor grote werkgevers. De
ziekte- en
arbeidsongeschiktheidslasten van
uitzendkrachten en werknemers met
een tijdelijk dienstverband worden
meer toegerekend aan de laatste rblz.|3|
werkgever. Dit gebeurt door het
ziekengeld en de WGA-uitkering van
flexwerkers via premiedifferentiatie
rechtstreeks door te belasten aan
grote werkgevers. Dit wordt
toegelicht in hoofdstuk 6 van deze
memorie van toelichting.
Snellere
werkhervatting van vangnetters
In
hoofdstuk 5 wordt toegelicht dat:
5.
Voor het UWV
de mogelijkheid wordt
gecreëerd om convenanten af te
sluiten met werkgevers en sectoren,
die gericht zijn op werkhervatting
van ZW-gerechtigden.
6. De
maximale periode van proefplaatsing
wordt verruimd tot zes maanden.
De
beoogde datum van inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel is - het vaste
verandermoment - 1 januari 2013.
Wegens uitvoeringstechnische redenen is
de beoogde datum van inwerkingtreding
van het onderdeel van het wetsvoorstel
dat de premiedifferentiatie regelt - het vaste verandermoment
- 1 januari
2014. Vangnetters vormen een heterogene
groep. Niet alle voorgestelde
maatregelen hebben daarom betrekking op
alle deelgroepen.
De
genoemde maatregelen worden toegelicht
in de volgende hoofdstukken, daarbij
wordt aangegeven op welke deelgroepen de
betreffende maatregel betrekking heeft.
Daaraan voorafgaand wordt in het
volgende hoofdstuk eerst de achtergrond
en de doelstelling van dit wetsvoorstel
toegelicht.
2.
Algemeen en doelstelling
2.1.
Inleiding
Met dit
wetsvoorstel wil de regering de
problematiek aanpakken van zowel het
langdurig ziekteverzuim van ZW-gerechtigden als de onverminderd
hoge - en stijgende - instroom in de Wet WIA
van ZW-gerechtigden.
In dit
hoofdstuk wordt deze problematiek
geanalyseerd. Voorts worden de
achtergrondkenmerken van degene die
recht op ziekengeld hebben, geschetst en
wordt ook het historisch perspectief
geschetst. Tot slot wordt ingegaan op de
doelstelling van het onderhavige
wetsvoorstel.
2.2.
Analyse van de problematiek en
aanleiding voor het wetsvoorstel
Sinds
midden jaren ’90 is het beleid erop
gericht om het ziekteverzuim terug te
dringen en de instroom in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen te
verminderen. Sindsdien is er een reeks
van maatregelen getroffen die werkgevers
en werknemers hebben gestimuleerd om
zich meer in te zetten voor preventie,
herstel en werkhervatting. Meest recent
is dit beleid neergelegd in onder meer
de Wvp,
de Wvlz 2003
en de Wet WIA. Dit beleid
heeft zijn vruchten afgeworpen. Mede
dankzij dit beleid is de instroom in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen over de
periode 1999-2009 met 71% afgenomen.¹
Ook is zichtbaar dat het aantal
werknemers dat een beroep doet op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO of
Wet WIA) gestaag daalt.
1. Zie onder meer de
beleidsdoorlichting inkomensvoorziening voor arbeidsongeschikte en zieke
werknemers (operationele doelstelling 46.2 SZW-begroting).
Deze beleidsdoorlichting is als bijlage bij het kabinetsstandpunt WIA-evaluatie
aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 2010-2011, 32 716, nr. 1).
Het
ingezette beleid heeft echter nog
onvoldoende effect gehad op de positie
van werknemers met een tijdelijk
dienstverband, uitzendkrachten en zieke
werklozen (vangnetters).¹ De
problematiek van de vangnetters uit zich
onder meer op de volgende manieren:
rblz.|4|
1.
Vangnetters zorgen inmiddels voor de
helft van de instroom in de Wet WIA,
terwijl zij een aanzienlijk kleiner
deel van het verzekerdenbestand
vormen. Over de periode 2003-2010 is de instroom van werknemers
met een vast dienstverband gedaald
van 45 800 naar 20 000 personen. Dit
is een afname van bijna 60%, die
mede het gevolg is van het gevoerde
beleid. De instroom van vangnetters
ligt in 2010 nog steeds op het hoge
niveau van 2003. Het gevoerde beleid
heeft tot op heden geen effect gehad
op de instroom van vangnetters. Als
gevolg hiervan zijn vangnetters nu
duidelijk oververtegenwoordigd in de
WIA-instroom. De ontwikkeling van
het aandeel nieuwe WGA-uitkeringen
uitgesplitst naar vangnetter en
niet-vangnetter is weergegeven in
grafiek 1 en tabel
1.
1. Naast deze groepen worden
overigens ook werknemers die ziek worden na orgaandonatie, werknemers
die aanspraak maken op een no-riskpolis of ziekte in verband met
zwangerschap en bevalling tot het vangnet gerekend.
Grafiek 1. Ontwikkeling van het aandeel
nieuwe WGA-uitkeringen:

In de
afgelopen jaren is het aantal
flexwerkers weliswaar gestegen, maar
dit vormt slechts voor een klein
deel een verklaring voor de
onverminderd hoge WIA-instroom van
vangnetters.
De
ontwikkeling van het aantal
werknemers met een flexibel
dienstverband en de ontwikkeling van
het aantal werkloosheidsuitkeringen
is weergegeven in tabel
2. Het
aantal WIA-uitkeringen in jaar t
dient daarbij afgezet te worden
tegen het aantal werknemers met een
flexibel dienstverband en het aantal
werkloosheidsuitkeringen in het jaar
t-2. Dit is, gezien de wachttijd van
twee jaar, immers de populatie van
waaruit in jaar t mogelijk sprake is
van WIA-instroom. Verder dient
opgemerkt te worden dat de door het
CBS [Centraal
bureau voor de statistiek, red.]
gehanteerde definitie van
flexibele dienstverbanden niet
volledig aansluit op de
werknemerspopulatie die als
vangnetter kan instromen in de WIA.¹
In de praktijk zal het
verzekerdenbestand voor de ZW
hoger
liggen. Over de betreffende jaren is
dit echter de meest betrouwbare
bron. Over de meest recente jaren
(2008-2011) zijn wel
UWV-cijfers
beschikbaar met betrekking tot de
verzekerde dienstverbanden,
uitgesplitst naar vaste en
tijdelijke dienstverbanden.² Deze
cijfers tonen twee zaken aan:
-
Het totaal aantal tijdelijke
dienstverbanden in 2011 is
tweeënhalf keer zo klein als
het totaal aantal vaste
dienstverbanden.
-
Over de periode 2008-2011 is
het aantal vaste dienstverbanden
grosso modo constant gebleven,
terwijl het aantal tijdelijke
dienstverbanden met circa 6% is
toegenomen.
Het
eerste gegeven wijst uit dat het
WIA-instroomrisico bij tijdelijke
dienstverbanden fors hoger ligt dan
voor vaste dienstverbanden. Het
tweede gegeven geeft aan dat het uit
de pas lopen van de WIA-instroom
tussen vaste en tijdelijke
dienstverbanden slechts voor een rblz.|5|
beperkt deel valt te verklaren door
de stijging van het aantal
tijdelijke dienstverbanden.
1.
Belangrijkste verschil betreft de
tijdelijke contracten vanaf één jaar,
die het CBS als vaste arbeidsrelatie beschouwt.
Verder telt het CBS (zowel bij vaste als
tijdelijke dienstverbanden) alleen de
banen vanaf twaalf uur per week mee.
2. UWV
Kennisverslag 2012-I, blz. 9, tabel 2.2.
Tabel
1. Ontwikkeling van het aantal
nieuwe WGA-uitkeringen (in procenten
van het totaal):
| |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
| Vangnetter |
35 |
42 |
47 |
49 |
53 |
55 |
| Geen
vangnetter |
65 |
58 |
53 |
51 |
47 |
45 |
Bron:
cijfers tot en met 2009 rapport WIA-evaluatie en cijfers
2010 en 2011
afkomstig uit de kwantitatieve
informatie bij het UWV-jaarverslag.
Tabel
2. Ontwikkeling van het aantal
werknemers met een flexibel
dienstverband en het aantal mensen
met een werkloosheidsuitkering (x
1000):
| |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
| Flexwerkers |
x818 |
x856 |
x943 |
1084 |
1132 |
1105 |
| waarvan
uitzendkracht |
x152 |
x179 |
x205 |
x213 |
x205 |
x164 |
| WW-uitkeringen |
x322 |
x307 |
x249 |
x192 |
x171 |
x270 |
| Totaal
aantal werknemers |
6031 |
6040 |
6135 |
6304 |
6462 |
6430 |
| Flex
en WW als % van het totaal |
18% |
18% |
19% |
20% |
20% |
21% |
Bron:
CBS (flexwerkers en totaal aantal
werknemers) en UWV
(WW-uitkeringen).
2.
Bij de over de periode 2003-2010 - in absolute zin
- gelijk
gebleven instroom van vangnetters
dient verder in ogenschouw genomen
te worden dat de WAO-beoordeling in
2003 volgde na een wachttijd van
één jaar ziekte. Sinds de
invoering van de Wet WIA
vindt de
beoordeling plaats na een wachttijd
van twee jaar ziekte. Bekend is dat
met de verzuimduur het aantal
verzuimers afneemt. Wanneer het
moment van de claimbeoordeling niet
zou zijn gewijzigd - hetgeen nu
wel het geval is als gevolg van de
verlenging van de
loondoorbetalingsperiode naar twee
jaar -, dan zou niet alleen het
aandeel vangnetters in de
WIA-instroom zijn gestegen, maar zou
ook de instroom van vangnetters in
de
arbeidsongeschiktheidsregelingen in absolute zin zijn gestegen.
3.
Tot slot zijn vangnetters niet
alleen getalsmatig
oververtegenwoordigd in de
WIA-instroom. Ook hervatten zij
minder vaak (gedeeltelijk) in werk
dan werknemers met een vast
dienstverband. Van de gedeeltelijk
arbeidsgeschikten in de WGA
die
afkomstig zijn uit het vangnet-ZW is
27% aan het werk. De mate van
werkhervatting van werknemers met
een vast dienstverband die
gedeeltelijk WGA-gerechtigd zijn,
ligt veel hoger. In 2009 lag dit
aandeel op 63%.¹
1.
Zie de WIA-evaluatie.
Deze evaluatie is als bijlage bij
het kabinetsstandpunt WIA-evaluatie
aan de Tweede Kamer gezonden
(Kamerstukken II 2010-2011, 32 716,
nr. 1).
Op basis
van de vorenstaande constateringen stelt
de regering vast dat het gevoerde beleid
met betrekking tot arbeidsongeschiktheid
nog onvoldoende effect heeft gehad op de
positie van vangnetters. Hierdoor staan
vangnetters te vaak en te lang langs de
kant van de arbeidsmarkt.
Ook in
het onderzoek "De re-integratie van
langdurig zieke werklozen" van de
Inspectie Werk en Inkomen (IWI) ¹ signaleert de IWI een aantal knelpunten
ten aanzien van de begeleiding van
vangnetters. In reactie op dit rapport
is de Minister van SZW
-
in zijn brief
van 6 september 2010 ¹ -
uitvoerig
ingegaan op de ontwikkelingen in het
vangnet-ZW. In zijn brief heeft hij niet
alleen geconstateerd dat verbeteringen
in de uitvoeringspraktijk een belangrijk
aandachtspunt vormen, maar ook dat de ZW
nu rblz.|6|
nog te weinig activerend werkt. Dit
wordt mede veroorzaakt door het thans
geldende ZW-criterium. Zijn conclusie is
dan ook dat het ZW-criterium verouderd
is en dat modernisering van de ZW aan de
orde is. Mede naar aanleiding van dit
rapport is het UWV
gestart met een
verbeterprogramma van de uitvoering. Dit
programma sluit aan op de maatregelen
uit dit
wetsvoorstel.
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 26 448,
nr. 441.
Tegen de
hierboven geschetste achtergrond acht de
regering het aangewezen om te komen tot
modernisering van de ZW. In de brief van
8 maart 2011 ¹ heeft de Minister van SZW
het kabinetsvoornemen hiertoe
aangekondigd.
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 464,
nr. 12.
Met dit
wetsvoorstel zet deze regering een
belangrijke stap in de reeks van
maatregelen die al eerder zijn getroffen
om de betrokken partijen zoveel mogelijk
te stimuleren om het hoge ziekteverzuim
en de arbeidsongeschiktheid terug te
dringen en werkhervatting te stimuleren.
2.3.
Achtergrond van de vangnetproblematiek
Werklozen,
uitzendkrachten en andere flexwerkers
hebben een hoger
arbeidsongeschiktheidsrisico dan
werknemers in vaste dienst. Oorzaken
daarvan zijn:
- de afwijkende kenmerken van deze
groepen ten opzichte van vaste
werknemers;
- het ontbreken van een werkgever
waarbij werkhervatting mogelijk is;
- minder financiële prikkels om het
werk te hervatten in vergelijking
met werknemers met een vast
dienstverband en hun werkgevers.
Hieronder
wordt nader op deze aspecten ingegaan.
Afwijkende
kenmerken van vangnetters
Vangnetters
vormen een specifieke groep werknemers
die op verschillende kenmerken afwijken
van werknemers met een vast
dienstverband. Uit onderzoek volgt een
aantal opvallende punten: ¹
-
Uitzendkrachten en eindedienstverbanders die langdurig een
beroep doen op het vangnet-ZW zijn
gemiddeld jonger dan werknemers in
vaste dienst. Langdurig zieke
werklozen zijn juist relatief oud.
-
Langdurig zieke uitzendkrachten zijn
gemiddeld lager opgeleid dan de
overige vangnetgroepen en werknemers
met een vast dienstverband.
-
Vangnetters hebben een doorgaans
korter arbeidsverleden dan even oude
werknemers met een vast
dienstverband. Zij hebben veel vaker
een laag persoonlijk inkomen.
-
Vergeleken met langdurig zieke
werknemers met een vast
dienstverband ervaren langdurig
zieke vangnetters hun gezondheid
vaker als slecht.
Uit
recent dossieronderzoek van het UWV
blijkt verder dat de medische
problematiek en functionele beperkingen
van vangnetters als zodanig niet
ernstiger zijn dan van werknemers met
een dienstverband.² Wel is zichtbaar
dat er bij vangnetters, vaker dan bij
werknemers met een vast dienstverband,
sprake is van omstandigheden of
persoonskenmerken die duiden op een
lastiger arbeidsmarktpositie. Hierbij
speelt met name psychosociale
problematiek een rol, zoals
taalachterstand, financieel-juridische
problematiek en familieomstandigheden.
Ook is vaker sprake van een lage
opleiding en wisselingen in
dienstverbanden. Uit het genoemde
dossieronderzoek van het UWV komt naar
voren dat iets minder dan de helft (47%)
van de vangnetters te maken heeft met
psychosociale problemen.
rblz.|7|
Er
zijn
derhalve verschillen zichtbaar tussen
vangnetters en werknemers die ziek
geworden zijn uit een vast
dienstverband. Deze verschillen leiden
er niet toe dat zieke vangnetters niet
het werk zouden kunnen hervatten. Uit
het eerdergenoemde dossieronderzoek van
het UWV blijkt dat 80% van de langdurig
zieke vangnetters vroeger of later in
het ZW-traject voldoende
belastbaar is voor het eigen werk of om
te re-integreren in passend werk. Wel
duiden deze verschillen erop dat er bij
vangnetters, vaker dan bij werknemers
met een vast dienstverband, sprake is
van omstandigheden of persoonskenmerken
die duiden op een lastiger
arbeidsmarktpositie. Dat betekent niet
dat er daardoor sprake is van een
ernstiger ziektebeeld. Het ziektebeeld
is nu juist van doorslaggevend belang
voor het recht op een ZW-uitkering; niet
de daarbij komende
arbeidsmarktproblematiek.
1.
APE/Astri, 2010, "Nederland is
niet ziek meer".
2. Het betreffende dossieronderzoek
(Astri, 2011, "Profilering
langdurig zieke vangnetters")
is als bijlage bij een brief van de Staatssecretaris
van SZW van 31 oktober 2011 aan
de Tweede Kamer gezonden
(Kamerstukken II 2011-2012, 32 716,
nr. 15).
Het
ontbreken van een werkgever bij wie
werkhervatting mogelijk is
Werkhervatting
bij ziekte of arbeidsongeschiktheid
vindt nu voornamelijk plaats bij de
werkgever waar men werkte op het moment
dat men ziek werd. Dit blijkt onder meer
uit de WIA-evaluatie. Daarin werd
vastgesteld dat slechts 10-20% van de
werkende gedeeltelijke WGA-gerechtigden
werk hervat bij een andere werkgever.
Vangnetters
hebben al voordat zij ziek werden (zieke
werklozen), op het moment dat de ziekte
intreedt (zieke uitzendkrachten) of na
afloop van het tijdelijke dienstverband
(werknemers met een tijdelijk
dienstverband die ziek worden) geen
dienstverband meer met de oude
werkgever. Voor werkhervatting zijn zij
aangewezen op een nieuw dienstverband
bij de oude werkgever of op
werkhervatting bij een nieuwe werkgever.
Werkhervatting bij een andere werkgever
blijkt nu in de praktijk maar beperkt
van de grond te komen voor zowel
werknemers die ziek werden in een vast
dienstverband als werknemers die ziek
werden in een tijdelijk dienstverband.
Minder
prikkels in vergelijking tot vaste
werknemers en hun werkgevers
Uit
evaluatie van het gevoerde beleid blijkt
dat financiële prikkels voor werkgevers
in belangrijke mate hebben bijgedragen
aan het terugdringen van de instroom van
vaste werknemers in de Wet WIA. Deze
prikkels zijn vormgegeven via de
loondoorbetalingsverplichting van twee
jaar en premiedifferentiatie in de WGA.
Premiedifferentiatie heeft tot een
instroomdaling geleid van 13% en de
verlenging van de
loondoorbetalingsperiode naar twee jaar
in combinatie met de invoering van de
Wet WIA tot een verdere instroomdaling
van 21%.¹
Omdat de
verlenging van de
loondoorbetalingsperiode en de
premiedifferentiatie in de WGA niet
gelden voor de voormalige werkgever van
een vangnetter, voelen zij -
in
tegenstelling tot de werkgever van een
werknemer in vaste dienst -
geen
directe financiële prikkel om het
ziekteverzuim terug te dringen en
instroom in de Wet WIA te voorkomen.
1.
Van Sonsbeek, Gradus, Estimating the
effects of recent disability reforms
in The Netherlands, Tinbergen
Institute, 2011.
Conclusie
Vangnetters
verschillen op uiteenlopende kenmerken
van langdurig zieke werknemers met een
vast dienstverband. Deze afwijkende
kenmerken duiden niet zozeer op een
verschil in medische problematiek, maar
laten zien dat wel vaker sprake is van
een bijkomende arbeidsmarktproblematiek
bij een deel van de vangnetters. Het
ontbreken van een dienstverband met een
werkgever en het ontbreken van directe
financiële prikkels voor de voormalige
werkgever van een vangnetter
verminderen bovendien de mogelijkheden
en de financiële noodzaak om het
ziekteverzuim terug te dringen en
instroom in de Wet WIA
te voorkomen. In
de periode dat het aandeel van
vangnetters in de instroom sterk is
gestegen, rblz.|8|
zijn de financiële prikkels
voor werkgevers bij ziekte en
arbeidsongeschiktheid voor vaste
werknemers sterk vergroot (verlenging
loondoorbetaling bij ziekte en
premiedifferentiatie WGA). Deze
financiële prikkels hebben er voor
werknemers met een vast dienstverband in
belangrijke mate aan bijgedragen dat de
WIA-instroom sterk is gedaald.
Uit
dossieronderzoek blijkt dat 80% van de
vangnetters op enig moment het eigen
werk of ander passend werk kan
verrichten. Het is van belang om deze
mogelijkheden beter te gaan benutten.
Het is immers in ieders belang om
(langdurige) uitkeringsafhankelijkheid
te voorkomen. De regering zet daarop in
met de in het bijgevoegde wetsvoorstel
voorgestelde maatregelen. De regering is
van oordeel dat de maatregelen die zijn
opgenomen in dit wetsvoorstel eraan
bijdragen dat vangnetters sneller en
vaker dan nu het geval is de
arbeidsmogelijkheden die zij hebben,
benutten.
2.4.
Historisch perspectief
Sinds de
jaren ’90 is er een reeks wijzigingen
doorgevoerd in de wet- en regelgeving
op het gebied van ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid. Deze wijzigingen
hebben primair tot doel alle direct
betrokken partijen zoveel mogelijk te
stimuleren zich in te spannen voor het
herstel en de werkhervatting van zieke
werknemers.
In 1996
werd de ZW voor werknemers in vaste
dienst volledig geprivatiseerd, met de
Wet uitbreiding loondoorbetaling bij
ziekte (WULBZ) [lees: Wet
uitbreiding loondoorbetalingsplicht
bij ziekte (Wulbz), red.]. In 1998 werd de
financiële verantwoordelijkheid voor de
individuele werkgever met de Pemba (Wet
premiedifferentiatie en marktwerking
bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen)
doorgetrokken naar de
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
De
achterliggende gedachte, van een
individuele toerekening van de
ziekteverzuim- en
arbeidsongeschiktheidslasten aan de
werkgever, is dat financiële prikkels
de werkgever aanzetten tot een goed
preventie-, ziekteverzuim- en
re-integratiebeleid. Hierdoor vermindert
het ziekteverzuim en de instroom in de WAO
en de Wet WIA.
In 2002
kreeg de activering van zieke werknemers
een verdere impuls met de Wet
verbetering poortwachter (Wvp). In de Wvp
is geregeld dat zieke werknemers en
hun werkgevers een aantal processtappen
zetten als sprake is van dreigend
langdurig ziekteverzuim. De Wvp stimuleert de werknemer en werkgever om
alle denkbare re-integratiemogelijkheden
te benutten. Hierdoor kan de duur van
het ziekteverzuim worden bekort en wordt
de kans verminderd dat de zieke
werknemer uiteindelijk in de Wet WIA
belandt. Als de zieke werknemer toch bij
de poort van de Wet WIA aankomt, moet
een re-integratieverslag worden
ingediend bij het UWV, waarin de
werkgever en werknemer verantwoording
afleggen over de door hen verrichte
inspanningen. Als daaruit blijkt dat de
werkgever zich onvoldoende heeft
ingespannen om de zieke werknemer zijn
werk of ander passend werk te laten
hervatten, dan kan het UWV de werkgever
verplichten om het loon nog maximaal
één
jaar door te betalen; dit is de
zogeheten "loonsanctie".
In 2004
is met de Wvlz
2003 ook het tweede jaar
van ziekte geprivatiseerd. Hierdoor werd
het stimulerende effect van de
loondoorbetaling op werkgevers verder
versterkt. Met de Wvlz
2003 is ook de
maximale ZW-periode voor vangnetters
verlengd tot twee jaar. Daarnaast werden
in 2004 de voorwaarden voor toekenning
van een WAO-uitkering aangepast door
een aangescherpt Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten (aSB). Dat
had tot gevolg dat meer functies dan
voorheen passend werden geacht voor
arbeidsongeschikte werknemers.
rblz.|9|
Eind 2005
volgde de invoering van de Wet WIA, ter
vervanging van de WAO. De Wet WIA kent
twee uitkeringen: de WGA-uitkering en de
IVA-uitkering (inkomensverzekering
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten). De WGA-uitkering
is bedoeld voor werknemers die
gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn of die
volledig maar niet duurzaam
arbeidsongeschikt zijn. De WGA is erop
gericht dat zieke werknemers zoveel
mogelijk weer aan de slag gaan (of
blijven) en hun resterende
verdiencapaciteit zoveel mogelijk
benutten. De IVA is bedoeld voor
werknemers die duurzaam en volledig
arbeidsongeschikt zijn.
In 2008
is het ZW-criterium verduidelijkt met de
Wet tot bevordering van de activering
van personen die aanspraak maken op een
uitkering op grond van de Ziektewet
[lees: Wet
houdende regels tot bevordering van
de activering van personen die
aanspraak maken op een uitkering op
grond van de Ziektewet, red.]
(hierna: Wet activering zieke
vangnetters). De verduidelijking van het
ZW-criterium hield in dat er bij de
ZW-beoordeling van een verzekerde zonder
werkgever geen rekening gehouden hoeft
te worden met de ongeschiktheid van de
betrokkene om bijzondere aspecten van de
laatstelijk verrichte arbeid uit te
oefenen.
In 2011
is de Wet verrekening inkomsten met
ziekengeld ¹ [lees: Wet
wijziging verrekening inkomsten met
ziekengeld, red.] in werking getreden. Doel
van die wet is de activerende werking
van de ZW te bevorderen. Daartoe is een
systematiek in de ZW opgenomen voor
verrekening van inkomsten met
ziekengeld, waardoor het voor een
vangnetter lonender wordt om (meer) te
gaan werken in een periode waarin
ziekengeld wordt ontvangen. Aanvankelijk
was ook een maatregel voorgesteld op
grond waarvan de ZW- en de WW-uitkering
geanticumuleerd werden. Naar aanleiding
van de inbreng van de Tweede Kamer heeft
de Minister van SZW
deze maatregel uit
het wetsvoorstel laten vervallen. Dit is
toegelicht in de eerdergenoemde brief
van 8 maart 2011.
1.
Eerder luidde de titel van het
wetsvoorstel: anticumulatie ZW
en WW.
2.5.
Doelstelling van het wetsvoorstel
De
doelstelling van het onderhavige
wetsvoorstel is om de ZW
activerender te
maken, door de re-integratie en
werkhervatting van vangnetters te
stimuleren en aldus hun ziekteverzuim
terug te dringen en de WIA-instroom te
verminderen. Wetswijziging - en
daarmee overheidsingrijpen - is
noodzakelijk, omdat zowel het
uitkeringsrecht als de
financieringswijze wettelijk zijn
vastgelegd. In het advies betreffende de
administratieve lasten heeft het
Adviescollege toetsing regeldruk
onderschreven dat de doelstelling van
het overheidsbeleid noopt tot
wetswijziging.
Uit de
vorige paragrafen is gebleken dat er de
afgelopen jaren veel beleid is ingezet
om het ziekteverzuim terug te dringen,
werkhervatting te stimuleren en de
instroom in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen te doen
verminderen. Ook is gebleken dat dit
beleid voornamelijk gericht is geweest
op en effectief is geweest voor
werknemers met een vast dienstverband,
maar dat het langdurig ziekteverzuim en
instroom in de Wet WIA
voor vangnetters
nog steeds op een onverminderd hoog
niveau ligt. In de ogen van de regering
is dit ongewenst.
Daarom
worden in dit wetsvoorstel verschillende
maatregelen voorgesteld waarmee de
activerende werking van de ZW
wordt
versterkt. De doelstelling van dit
wetsvoorstel is dan ook om het
ziekteverzuim van vangnetters en hun
instroom in de Wet WIA terug te dringen.
Om deze
doelstelling te verwezenlijken, stelt de
regering in dit wetsvoorstel een
samenhangend en evenwichtig pakket van
maatregelen voor. De maatregelen zijn
gericht op de drie partijen die hierbij
het meest betrokken zijn: vangnetters,
werkgevers en het UWV. De prikkel voor
de vangnetter om weer aan het werk te
gaan, wordt vergroot door het ZW-criterium te verscherpen, door een op
het arbeidsverleden rblz.|10|
gebaseerde
loongerelateerde fase van het ziekengeld
in de ZW te introduceren en door de
re-integratie- en
sollicitatieverplichtingen van de
vangnetter aan te scherpen. De
financiële betrokkenheid van de
werkgever wordt vergroot. Dit gebeurt
door de nieuwe wijze van
premiedifferentiatie. Om een snellere
werkhervatting te bevorderen, wordt
daarnaast voor het UWV de mogelijkheid
gecreëerd om convenanten af te sluiten
en wordt de maximale periode van
proefplaatsing verruimd tot zes maanden.
Voorts realiseert het UWV verbeteringen
in de uitvoering van de arborol en gaan
de uitzendsector en het UWV nauw
samenwerken.
Met dit
wetsvoorstel wordt aangesloten op het
beleid dat al is ingezet voor werknemers
met een vast dienstverband (zoals de Wvp,
Wvlz 2003
en Wet WIA). Op deze manier
krijgt de ZW
een moderner karakter.
3.
Aanpassing van het ZW-criterium
3.1.
Inleiding
De Minister van SZW
heeft in zijn brief van
8 maart 2011 zijn voornemen aangekondigd
om het ZW-criterium aan te scherpen.¹
Reden hiervoor is dat het huidige
ZW-criterium onvoldoende activerend is,
nu dit criterium gerelateerd is aan de
ongeschiktheid tot het kunnen verrichten
van "zijn arbeid". In dit wetsvoorstel
wordt voorgesteld om na het eerste
ziektejaar een criterium te hanteren
waarbij de ongeschiktheid tot werken
wordt gerelateerd aan het kunnen
verrichten van algemeen geaccepteerde
arbeid. Dit is analoog aan het
arbeidsongeschiktheidscriterium van de Wet WIA.
1.
Deze brief is een vervolg op de
brief van de Minister
van SZW van 6 september 2010.
Daarin heeft hij verslag gedaan van
de bevindingen van een ambtelijke
werkgroep van UWV
en SZW.
In deze brief heeft de Minister van
SZW tevens aangegeven dat hij een
nadere verkenning van een meer
activerend ZW-begrip
wenselijk acht. Het
onderhavige wetsvoorstel bevat
de uitkomsten van deze verkenning.
In het
navolgende worden de achtergrond en
inhoud van dit onderdeel van het
wetsvoorstel nader toegelicht.
3.2.
Een nieuw ZW-criterium
Voorgeschiedenis
Om in
aanmerking te komen voor ziekengeld op
grond van de ZW
geldt thans als maatstaf
de ongeschiktheid tot het verrichten van
"zijn arbeid" wegens ziekte. Hieronder
wordt verstaan: de feitelijk laatstelijk
verrichte arbeid vóór de aanvang van
de ziekte.
Dit
criterium geldt al sinds de invoering
van de ZW in 1930. Aan dit criterium is
sindsdien een nadere uitleg gegeven in
uitgebreide jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep.
Na
invoering van de ZW is dit wettelijke
criterium niet wezenlijk veranderd,
terwijl bij de invoering van de Wulbz in
1996 de functie en de doelgroep van de
ZW wel wezenlijk is veranderd. Sindsdien
vormt de ZW immers een vangnet voor
enkele specifiek afgebakende groepen.¹
1. Het ZW-criterium
is in 2008 enigszins aangepast. Sinds
die wijziging wordt geen rekening
gehouden met de ongeschiktheid van de
betrokkene om bijzondere aspecten van de
laatstelijk verrichte arbeid uit te
oefenen. Dit heeft echter niet geleid
tot een verdere herbezinning op het
criterium. Dit gebeurt wel met het
onderhavige wetsvoorstel.
Het
nieuwe ZW-criterium
In dit
wetsvoorstel wordt geregeld dat na het
eerste ziektejaar wordt beoordeeld of de
vangnetter in staat is om meer dan 65%
van zijn maatmaninkomen ¹ te verdienen
met het verrichten van algemeen
geaccepteerde arbeid. Is dat het geval,
dan heeft de betrokkene geen recht meer
op een ZW-uitkering, omdat hij niet als
arbeidsongeschikt in de zin van de ZW
wordt beschouwd. De betrokkene kan dan
immers andere -
dan zijn eigen -
arbeid verrichten. Er bestaat overigens
evenmin recht meer op een ZW-uitkering
als de betrokkene weer in staat is tot
het verrichten van zijn eigen arbeid.
1.
Onder maatmaninkomen wordt verstaan
hetgeen gezonde personen met
soortgelijke opleiding en ervaring,
ter plaatse waar hij arbeid verricht
of het laatst heeft verricht, of in
de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen.
rblz.|11|
Het
nieuwe ZW-criterium is ontleend aan het
arbeidsongeschiktheidscriterium van de Wet WIA.
Evenals
in het kader van de Wet WIA, geldt dat
alle algemeen geaccepteerde arbeid die
de vangnetter kan uitvoeren qua krachten
en bekwaamheden, als passend wordt
beschouwd. Met het nieuwe ZW-criterium
wordt een betere balans bereikt tussen
de inkomensbeschermende functie van de
ZW en de activerende functie van de ZW.
Doordat het huidige criterium aanknoopt
bij het laatstelijk verrichte werk,
staat in de ZW nu vooral de
inkomensbescherming centraal. Bij het
huidige ZW-criterium speelt activering
een ondergeschikte rol. Hierdoor is
sprake van een zekere onevenwichtigheid
tussen inkomensbescherming enerzijds en
activering anderzijds.
Bij het
nieuwe ZW-criterium wordt de
ongeschiktheid tot werken - na het
eerste ziektejaar - niet langer
uitsluitend gebaseerd op de vraag of de
vangnetter zijn laatstelijk verrichte
werk nog kan verrichten, maar wordt de
ongeschiktheid tot werken beoordeeld op
basis van het wel of niet kunnen
verrichten van algemeen geaccepteerde
arbeid. Dit is niet het geval voor
werknemers in vaste dienst. Op grond van
artikel 629, eerste lid, van het
Burgerlijk Wetboek [lees: van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, red.]
geldt immers voor werknemers in
vaste dienst als criterium het niet
kunnen verrichten van de "bedongen
arbeid". In dit kader zijn de volgende
aspecten van belang.
Allereerst
is van belang dat vangnetters zonder
werkgever, zoals uitzendkrachten en
andere flexibele krachten, - anders dan
werknemers in vaste dienst - doorgaans
geen bestendige arbeid verrichten.
Anders dan werknemers in vaste dienst
die - ook na hun herstel - de
bedongen arbeid verrichten, werken
flexibele krachten veelal voor
wisselende (uitzend)werkgevers in
wisselende arbeid. Daardoor is het een
toevallige momentopname welke arbeid nu
voor hen als "zijn arbeid" wordt
aangemerkt in het kader van de ZW-beoordeling op het moment dat zij
ziek worden. Zij hebben de laatstelijk
verrichte arbeid vaak niet al te lange
tijd verricht, terwijl zij bovendien
vaak weer andere arbeid zouden zijn gaan
verrichten als zij niet ziek waren
geworden. Toch vindt de ZW-beoordeling
nu gedurende maximaal 104 weken plaats
op basis van deze laatstelijk verrichte
arbeid. Ook bij de WW-gerechtigde die
ziek wordt, geldt de laatstelijk
verrichte arbeid als maatstaf, terwijl
het tot maximaal 38 maanden geleden kan
zijn dat de WW-gerechtigde dit werk
verrichtte.
Ten
tweede is van belang dat ten aanzien van
vangnetters minder vaak valt te
verwachten dat de re-integratie plaats
zal vinden in de laatstelijk verrichte
arbeid ("zijn arbeid"). Vangnetters
hebben immers juist geen werk en geen
dienstverband met een werkgever (meer).
Omdat werknemers in vaste dienst
doorgaans na hun herstel weer hun eigen
werk gaan verrichten bij hun werkgever,
is het logisch dat voor hen de
geschiktheid voor hun eigen werk
maatgevend is. Voor vangnetters die
geen vast dienstverband hebben maar die
flexibele arbeid verrichten, ligt het
echter niet voor de hand om de
beoordeling van hun geschiktheid tot
werken te beperken tot het werk dat zij
(toevallig) verrichtten op het moment
dat zij ziek werden. Wanneer zij
hersteld zijn, gaan zij vaak andere
arbeid verrichten. Voor hen ligt het
daarom veel meer voor de hand om bij de ZW-beoordeling ook ander werk te
betrekken. Daarom wordt de geschiktheid
tot werken in het onderhavige
wetsvoorstel gerelateerd aan het kunnen
verrichten van algemeen geaccepteerde
arbeid.
Ten derde
geldt voor werknemers met een vast
dienstverband een opzegverbod tijdens
ziekte. Bij vangnetters is hiervan geen
sprake. Er is immers geen sprake van een
lopend dienstverband. Het is een direct
voortvloeisel van het opzegverbod dat,
bij werknemers die ziek werden in rblz.|12|
een
vast dienstverband, wordt beoordeeld of
zij de bedongen arbeid kunnen
verrichten.
Tot slot
is het volgende van belang. In paragraaf
2.3 zijn de achtergronden van de
vangnetproblematiek geschetst. Hieruit
blijkt dat 80% van de vangnetters op
enige moment het eigen werk of ander
passend werk kan verrichten. Verder
blijkt dat bij zieke vangnetters vaker
dan bij zieke werknemers met een vast
dienstverband sprake is van een lastige
arbeidsmarktpositie (taalachterstand,
laag opgeleid, wisselend arbeidsverleden
en psychosociale problematiek). Het
ontvangen van een uitkering op grond van
de ZW verbetert de arbeidsmarktpositie
niet en biedt voor deze groep op lange
termijn geen soelaas. Integendeel, hoe
langer iemand uit het arbeidsproces is,
hoe lastiger het zal zijn om weer werk
te vinden. Het gaat er juist om
(langdurige) uitkeringsafhankelijkheid
te voorkomen en de arbeidsmarktpositie
van deze groep structureel te
verbeteren. Hervatting in passend werk
levert hieraan een bijdrage. De
aanscherping van het ZW-begrip bevordert
dit.
Het
nieuwe ZW-criterium gaat na het eerste
ziektejaar gelden. Dat heeft de volgende
redenen.
Allereerst
sluit de termijn van één jaar ziekte,
waarna het ZW-criterium wordt
aangescherpt, aan bij de
re-integratieverplichtingen die thans al
gelden op grond van de ZW. Ook nu al
verscherpen de
re-integratieverplichtingen (op grond
waarvan de zieke vangnetter zich moet
oriënteren op passende arbeid) na
verloop van tijd in het kader van de ZW.
Naarmate de ziekteperiode langer duurt,
worden er meer concessies verwacht van
degene die ziekengeld ontvangt, waardoor
steeds meer werk als passend kan worden
beschouwd. Na één jaar wordt in het
kader van de re-integratieverplichting -
op grond van artikel
30 van de ZW
-
alle arbeid als passende arbeid
beschouwd. In lijn met deze bestaande
re-integratieverplichting wordt met dit
wetsvoorstel geregeld dat na één jaar
ook bij de beoordeling van het recht op
ZW wordt getoetst of iemand algemeen
geaccepteerde arbeid kan verrichten.
De al
geldende re-integratieverplichting
behoeft nadere toelichting. Op grond van
artikel 30 van de ZW is de vangnetter
thans al verplicht om, als hij daartoe
in staat is, passende arbeid te
aanvaarden en om te trachten die
passende arbeid te verkrijgen. Deze
definitie van het begrip passende arbeid
is ingevoerd met de Wet tot bevordering
van de activering van personen die
aanspraak maken op een uitkering op
grond van de ZW
[lees: Wet
houdende regels tot bevordering van
de activering van personen die
aanspraak maken op een uitkering op
grond van de Ziektewet, red.]
en is ontleend
aan de WW. In de bijbehorende
Regeling
procesgang eerste en tweede
ziektejaar voor vangnetters zonder
werkgever is
aangegeven dat voor de uitleg van het
begrip passende arbeid aangesloten
wordt bij de bij de WW behorende
Richtlijn passende arbeid [lees: Richtlijn
passende arbeid 2008, red.]
(hierna: de richtlijn). Op grond van deze
richtlijn
geldt dat het niveau van de opleiding
en/of werkervaring één van de aspecten
vormt waarop de passendheid van het werk
beoordeeld wordt. Dit impliceert dat de
vangnetter die zich door opleiding en/of
werkervaring op een bepaald niveau heeft
gekwalificeerd, zich het eerste halfjaar
mag richten op arbeid overeenkomstig het
vroegere niveau. Wanneer de ziekte
langer duurt dan een halfjaar, dient de
betrokkene meer concessies te doen ten
aanzien van het niveau van de arbeid en
wordt ook werk op een lager niveau als
passende arbeid aangemerkt. Na het
eerste ziektejaar wordt uiteindelijk het
werk op alle opleidingsniveaus als
passend beschouwd. Dan wordt dus alle
algemeen geaccepteerde arbeid als
passende arbeid beschouwd.
De
termijn van één jaar sluit voorts goed
aan bij de eerstejaarsevaluatie die het UWV
samen met de vangnetter verricht aan
het eind van het eerste ziektejaar. Bij
deze evaluatie wordt samen met de
vangnetter rblz.|13|
teruggeblikt op het
achterliggende ziektejaar en wordt
vooruitgeblikt op de komende periode.
Een
aanpassing van het criterium na het
eerste ziektejaar ligt tot slot in de
rede vanwege het volgende. Zoals in
paragraaf 2.4 is toegelicht, is bij de
inwerkingtreding van de Wvlz
2003 in 2004
de maximale duur waarover een ZW-uitkering wordt verleend, verlengd
van één jaar naar twee jaar. De
verlenging van de maximale
uitkeringsduur van de ZW vond plaats
naar analogie van de verlenging van de
loondoorbetalingsperiode voor werknemers
met een vast dienstverband. Hoewel de
redenen om de loondoorbetalingsperiode
te verlengen voor werknemers met een
vast dienstverband (namelijk het
vergroten van het stimulerende effect op
de re-integratie-inspanningen van de
werkgever door de
loondoorbetalingsprikkel) niet golden
voor vangnetters, is de maximale
ZW-periode in 2004 dus verlengd. De
reden om deze periode ook voor hen te
verlengen, is onder meer gelegen in de
omstandigheid dat het wenselijk is dat
er voor beide groepen eenzelfde
wachttijd voor de Wet WIA
geldt.
Vóór
2004 werd na afloop van het eerste
ziektejaar beoordeeld of de betrokkene
recht had op een WAO-uitkering en vond
een WAO-beoordeling plaats. Deze
beoordeling vond plaats op basis van het
WAO-criterium, waarbij het kunnen
verrichten van algemeen geaccepteerde
arbeid centraal stond.
Als
gevolg van de verlenging van de maximale
ZW-duur worden vangnetters sinds 2004
gedurende twee jaar beoordeeld op het
minder strenge criterium van de ZW: de
"eigen arbeid".
In feite
heeft de Wvlz 2003 dus geleid tot een
minder streng criterium voor vangnetters
tijdens het tweede ziektejaar. Bij de invoering van de Wvlz
2003 is echter niet overwogen om het
criterium algemeen geaccepteerde arbeid
te handhaven gedurende het tweede
ziektejaar. Met het onderhavige
wetsvoorstel gebeurt dit alsnog.
Om deze
redenen is ervoor gekozen om het ZW-criterium aan te scherpen na het
eerste ziektejaar. Dan wordt de
vangnetter dus beoordeeld op basis van
het nieuwe criterium, waarbij het kunnen
verrichten van algemeen geaccepteerde
arbeid centraal staat. Gedurende het
voorafgaande eerste ziektejaar blijft
het huidige ZW-criterium (waarbij het
eigen werk centraal staat) gelden.
Hierbij is van belang dat de meeste
ziektegevallen van korte duur zijn. Het
merendeel van de zieke vangnetters doet
dan ook maar een heel korte periode een
beroep op de ZW. Voor de gevallen waarin
maar gedurende een korte periode een
beroep gedaan wordt op de ZW (zoals in
geval van griep) ligt het om
uitvoeringstechnische redenen niet voor
de hand om een uitgebreide (WIA-achtige)
beoordeling te doen, die het nieuwe
ZW-criterium met zich meebrengt. Het
gaat hier immers om mensen die korte
tijd wegens ziekte niet in staat zijn om
arbeid te verrichten, maar die doorgaans
vanzelf weer herstellen.
Beoordeling
door het UWV
Voor de
beoordeling na het eerste ziektejaar is
zoveel mogelijk aangesloten bij de
huidige (uitvoerings)systematiek van de Wet WIA, waarbij aan de hand van
geschikte functies wordt vastgesteld of
de betrokkene beschikt over resterende
verdiencapaciteit. Ook wat betreft de
gehanteerde begrippen wordt zoveel
mogelijk aangesloten bij de al geldende
terminologie van de Wet WIA. Hierbij
valt te denken aan termen als "algemeen
geaccepteerde arbeid" en "maatmaninkomen".
Daarnaast gaan de relevante bepalingen
uit het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten gelden.
rblz.|14|
Door
middel van een vergelijking tussen het
maatmanloon en het loon dat de
vangnetter kan verdienen in algemeen
geaccepteerde arbeid zal het UWV
aan
het eind van het eerste ziektejaar
vaststellen of er - als gevolg van
ziekte - bij de vangnetter sprake is
van een verlies aan verdienvermogen.
Indien blijkt dat de betrokkene een
verlies heeft aan verdienvermogen van
minder dan 35%, dan zal hij als gevolg
van het nieuwe criterium niet langer
recht op ziekengeld hebben grond van de ZW. Om de betrokkene de gelegenheid te
geven zich in te stellen op een andere
situatie en zich te oriënteren op het
verrichten van andere arbeid, wordt het
ziekengeld ingetrokken na een
uitlooptermijn van één maand. Heeft
hij een verlies aan verdienvermogen van
35% of meer, dan houdt de verzekerde ook
na het eerste ziektejaar recht op
ziekengeld.
Het UWV
zal de beoordeling na het eerste
ziektejaar ook verrichten voor
vangnetters van eigenrisicodragers.
Eigenrisicodragers zijn immers niet in
staat om een dergelijke beoordeling uit
te voeren en uitvoering door het UWV is
efficiënter. Het UWV zal bij
eigenrisicodragers geen kosten in
rekening brengen voor de uitvoering van
deze beoordeling.
Doelgroep
Uit het
vorenstaande bleek al (impliciet) dat
het nieuwe ZW-criterium zal gelden voor
vangnetters zonder werkgever en voor de
vangnetters van wie het dienstverband
tijdens ziekte eindigt.
Het
nieuwe criterium geldt niet voor
personen die weliswaar onder het
ZW-vangnet vallen, maar een
dienstverband met een werkgever hebben.
Het gaat dan om werknemers met een vast
dienstverband die ziek worden na
orgaandonatie, werknemers die aanspraak
hebben op een no-riskpolis en werknemers
die ziek zijn als gevolg van
zwangerschap of bevalling. Deze
werknemers hebben een werkgever om naar
terug te keren en te re-integreren. In
dit opzicht verkeren deze werknemers in
dezelfde positie als zieke werknemers
met een vast dienstverband, voor wie de
loondoorbetalingsplicht geldt. Daarom
blijft voor vangnetters die in dienst
zijn van een werkgever het huidige
ZW-criterium gelden. Zij worden dus
gedurende beide ziektejaren beoordeeld
op basis van het eigen werk. Overigens
geldt de aanscherping voor deze groep
wel vanaf het moment dat ze geen
werkgever meer hebben.
3.3.
Overgangsrecht
Bij de
aanpassing van het ZW-criterium worden
de rechten van verzekerden die op de dag
vóór inwerkingtreding van deze wijziging
recht op ziekengeld hadden,
geëerbiedigd. Het nieuwe ZW-criterium
geldt daarom alleen voor nieuwe
ziektegevallen. Dat wil zeggen dat het
nieuwe criterium alleen geldt voor de
vangnetter wiens eerste ziektedag
gelegen is op of na de datum van de
inwerkingtreding van de wijziging. Omdat
het nieuwe ZW-criterium na het eerste
ziektejaar van de betrokkene wordt
gehanteerd, zal de beoordeling op basis
van het nieuwe criterium voor het eerst
plaatsvinden één jaar na de
inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel.
4.
Arbeidsverledeneis
4.1.
Inleiding en doel
Met dit
onderdeel van het wetsvoorstel wordt een
onderscheid ingevoerd tussen de
loongerelateerde ZW-uitkering en de
minimum-ZW-uitkering. De duur van de
loongerelateerde uitkering wordt
afhankelijk van het arbeidsverleden van
de betrokkene.
rblz.|15|
Onder het
huidige recht is de hoogte van het
ziekengeld gedurende de volledige
ZW-periode (104 weken) gebaseerd op het
laatstverdiende loon (het dagloon). Het
ziekengeld bedraagt 70% van het dagloon
en in sommige gevallen 100% van het
dagloon (namelijk in geval van de
no-riskpolis en bij ziekte als gevolg
van zwangerschap, bevalling en
orgaandonatie). De ZW kent daarmee dus
thans uitsluitend een loongerelateerde
uitkering, die niet afhankelijk is van
het arbeidsverleden van de betrokkene.
Dit is
anders in de WW
en Wet WIA. In de WW is
het arbeidsverleden bepalend voor de
duur van het recht op WW-uitkering. De WGA-uitkering kent een hiermee
vergelijkbare loongerelateerde fase.
Tijdens de loongerelateerde fase wordt
de uitkering gebaseerd op het
laatstverdiende loon. Na afloop van de
loongerelateerde fase wordt de
WGA-uitkering - indien niet wordt
voldaan aan de vereisten voor de
loonaanvulling - niet langer gebaseerd
op het laatstverdiende loon, maar op het
wettelijk minimumloon.
De duur
van de loongerelateerde uitkering op
grond van de WW en de Wet WIA bedraagt
drie maanden. De duur van de
loongerelateerde uitkering wordt
verlengd met een bepaalde periode die
afhankelijk is van de duur van het
arbeidsverleden van de betrokkene.
Met dit
onderdeel van het onderhavige
wetsvoorstel wordt nu in de ZW
dezelfde
systematiek geïntroduceerd als in de WW
en de Wet WIA. Doel van deze maatregel
is om de ZW-gerechtigde een financiële
prikkel te geven om aan het werk te
gaan. Voorts wordt hiermee beoogd om
meer evenwicht aan te brengen tussen de
duur van het arbeidsverleden en de
prestaties waarop aanspraak ontstaat.
Zoals ook in paragraaf 2.3 is aangegeven,
hebben vangnetters immers over het
algemeen een korter arbeidsverleden dan
zieke werknemers van dezelfde leeftijd
in vaste dienst. Met deze maatregel
wordt bovendien een bijdrage geleverd
aan de begrotingsproblematiek. De
regering heeft deze maatregel
aangekondigd in de rijksbegroting voor
het jaar 2012.
4.2.
Inhoud
Analoog
aan de Wet WIA
wordt in dit wetsvoorstel
geregeld dat de periode waarin recht
bestaat op ziekengeld als het ware wordt
opgeknipt in twee fasen. Tijdens de
eerste fase wordt het ziekengeld
gerelateerd aan het laatstverdiende
loon. In de daaropvolgende fase wordt
het ziekengeld gerelateerd aan het
wettelijk minimumloon.
Tijdens de loongerelateerde fase
bedraagt het ziekengeld 70% van het
dagloon. Tijdens de vervolgfase bedraagt
het ziekengeld 70% van het
wettelijk minimumloon.
Conform
de regeling zoals die nu al geldt in de WW
en de Wet WIA, wordt in dit
wetsvoorstel geregeld dat de duur van
het loongerelateerde ziekengeld als
volgt wordt berekend.
De
basisduur van het loongerelateerde
ziekengeld bedraagt drie maanden. Deze
basisduur wordt verlengd met één maand
voor ieder volledig kalenderjaar dat het
arbeidsverleden de duur van drie
kalenderjaren overstijgt. Tijdens deze
fase bedraagt het ziekengeld 70% van het
laatstverdiende loon. De totale duur van
deze loongerelateerde fase bedraagt
maximaal 104 weken (zijnde de maximale ZW-duur). Na afloop van de periode van
het loongerelateerde ziekengeld wordt
het ziekengeld voor de resterende
periode gerelateerd aan het
wettelijk minimumloon. Het
ziekengeld bedraagt dan 70% van het
wettelijk minimumloon.
Conform
de geldende regeling (van artikel
59)
van de Wet WIA
wordt tevens geregeld dat
de in het verleden genoten
loongerelateerde uitkering op grond van
de WW in mindering wordt gebracht op de
loongerelateerde ziekengeldperiode.
rblz.|16|
Mocht de
betrokkene inkomen verwerven naast het
op het
wettelijk minimumloon gebaseerde ziekengeld, dan
wordt het inkomen in mindering gebracht
op het ziekengeld. De uitkeringshoogte
bedraagt dan 70% * (minimumloon - inkomen). Als gevolg van de toepassing
van deze formule behoudt de betrokkene
zijn aanspraak op ziekengeld, terwijl
slechts een deel van zijn inkomen gekort
wordt op zijn ziekengeld. Daardoor is de
som van zijn ziekengeld en de ontvangen
inkomsten uit arbeid altijd hoger dan
het ziekengeld en is het voor de ZW-gerechtigde lonend om te werken.
Het UWV
stelt de duur van de loongerelateerde
uitkering vast. In het geval een
werkgever eigenrisicodrager is voor de ZW informeert het UWV de
eigenrisicodrager op zijn verzoek over
de duur van het arbeidsverleden.
4.3.
Doelgroep
Dit
onderdeel zal gelden voor alle
vangnetters zonder werkgever en voor
alle vangnetters van wie het
dienstverband eindigt tijdens ziekte.
Dit betreft ook de specifieke groepen
vangnetters die geen werkgever meer
hebben en die nu nog aanspraak hebben op
ziekengeld ter hoogte van 100% van het
dagloon (degenen die ziek zijn als
gevolg van zwangerschap, bevalling en
orgaandonatie). Hoewel zij geen
werkgever meer hebben die het loon moet
doorbetalen, ontvangen deze groepen nu
toch, louter omdat de oorzaak van hun
ziekte gelegen is in zwangerschap,
bevalling of orgaandonatie, ziekengeld
dat hoger is dan in geval van een andere
ziekteoorzaak. De regering is van mening
dat het niet langer te rechtvaardigen is
dat de ziekteoorzaak bepalend is voor de
hoogte van het ziekengeld. Daarom wordt
in dit wetsvoorstel voorgesteld om ook
hun ziekengeld te bepalen op 70% van het
dagloon respectievelijk het
minimumloon.
Voor
werknemers die ziek zijn geworden en van
wie het dienstverband eindigt tijdens de
ziekte wordt de periode van genoten
loondoorbetaling van de werkgever niet
in mindering gebracht op de periode
waarin de verzekerde loongerelateerd
ziekengeld ontvangt. Gedurende deze
periode is immers geen ziekengeld
betaald, maar loon.
Dit
onderdeel zal niet gelden voor
vangnetters die wel een werkgever
hebben. De werknemers die in dienst zijn
bij een werkgever en die ziek zijn als
gevolg van orgaandonatie, zwangerschap
of bevalling en werknemers die aanspraak
hebben op een no-riskpolis, vallen dus
niet onder de werkingssfeer van dit
onderdeel van het
wetsvoorstel. De reden
hiervoor is dat de werkgever in die
gevallen het loon moet doorbetalen in
geval van ziekte. Het loon dat de
werkgever aan hen betaalt, wordt
gecompenseerd door het ziekengeld dat
wordt verstrekt op grond van de ZW. Als
de onderhavige maatregel ook voor deze
groepen zou gelden, zou dat ertoe leiden
dat de werkgever tijdens de vervolgfase
een lagere compensatie zou ontvangen
voor zijn loondoorbetalingsplicht. Dit
zou onder meer leiden tot een beperking
(in hoogte) van de no-riskpolis voor de
werkgever. De regering acht dit
ongewenst.
4.4.
Overgangsrecht
Bij het
invoeren van de op het arbeidsverleden
gebaseerde loongerelateerde fase voor
het ziekengeld worden de rechten van
verzekerden die vóór de dag van
inwerkingtreding van deze wijziging al
recht op ziekengeld hadden,
geëerbiedigd. Dit betekent dat de
personen die recht op ziekengeld hebben
op het moment dat de wetswijziging in
werking treedt, voor de duur van dat
recht loongerelateerd ziekengeld houden.
Dit onderdeel zal alleen gelden voor
nieuwe ziektegevallen, dat wil zeggen rblz.|17|
voor de vangnetter wiens eerste
ziektedag gelegen is op of na de
inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel.
5.
Snellere werkhervatting van vangnetters
5.1.
Inleiding
In dit
hoofdstuk worden de voorstellen
toegelicht waarmee de mogelijkheden van
vangnetters op snellere werkhervatting
worden vergroot. Vangnetters hebben geen
dienstverband meer tijdens ziekte. Zij
zijn aangewezen op een nieuw
dienstverband. Dit kan bij de laatste
werkgever of een andere werkgever zijn.
Dat is doorgaans lastiger dan
re-integratie tijdens een doorlopend
dienstverband, zoals het geval is bij
werknemers met een vast dienstverband
die ziek worden. Vereist is dat
vangnetters voldoende mogelijkheden
hebben (hersteld zijn) om te werken en
dat er werkgevers zijn bij wie zij het
werk kunnen hervatten.
Met het
oog op het vergroten van de
mogelijkheden op snellere werkhervatting
bevat dit wetsvoorstel de volgende
voorstellen:
- Creëren van de mogelijkheid voor
afspraken tussen het UWV
en
werkgevers;
- Verruiming van het instrument
proefplaatsing;
- Aanscherping van
re-integratieverplichtingen, conform
de WGA.
Daarnaast
wordt verbetering van de re-integratie
door de uitvoering nagestreefd. In dat
kader is mede van belang dat de
uitzendsector en het UWV
de intentie
hebben uitgesproken om een convenant te
sluiten. Met dit convenant wordt een
werkwijze ingevoerd om langdurig
ziekteverzuim van uitzendkrachten te
beperken. Deze werkwijze is de afgelopen
periode beproefd in een pilot.
Op
bovenstaande aspecten wordt hieronder
ingegaan.
5.2.
Basis voor afspraken met werkgevers
Dit
wetsvoorstel creëert de wettelijke
mogelijkheid voor het UWV
om afspraken
te maken met werkgevers. Die
mogelijkheid bestaat nu wel al ten
aanzien van jonggehandicapten met recht
op arbeidsondersteuning op grond van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten (Wet Wajong), maar
niet ten aanzien van personen die
aanspraak maken op ziekengeld op grond
van de ZW. Dit voorstel geeft het UWV
meer ruimte om direct met grotere
werkgevers, groepen werkgevers of
sectoren afspraken te maken over de
re-integratie en bemiddeling van
vangnetters. Een dergelijke afspraak kan
verschillende vormen aannemen: als
convenant, maar ook op andere wijze. Via
zo’n convenant of andersoortige
afspraak kan worden neergelegd op welke
wijze het UWV samen met de werkgever zal
gaan zorgen voor het matchen van
vangnetters met de beschikbare plaatsen
bij het bedrijf. De afspraken kunnen
betrekking hebben op concrete en direct
beschikbare vacatures, maar ook op het
aangaan van structurele relaties ten
behoeve van het creëren van werk voor
vangnetters. Het kan daarbij
bijvoorbeeld gaan om de bereidheid van
werkgevers om met het UWV in gesprek te gaan
over geschikte kandidaten. Het voorstel
ondersteunt initiatieven die door het UWV en
werkgevers kunnen worden ondernomen.
Deze
mogelijkheid ligt voorts in het
verlengde van initiatieven die sociale
partners ondernemen. Aan de positie van
flexwerkers hebben sociale partners
onder meer aandacht besteed in het
manifest "Naar nieuwe
arbeidsverhoudingen, mensen maken het
verschil, mensen realiseren groei".¹
In dit manifest wordt onder meer
aangegeven dat meer aandacht besteed
moet worden aan de arbeidsomstandigheden
van flexwerkers, rblz.|18|
met daarbij ook nieuwe
rollen voor opdrachtgevers.
Dit sluit
aan op de gedachten achter dit
wetsvoorstel. In dit wetsvoorstel worden
immers onder meer financiële prikkels
geïntroduceerd voor werkgevers die
stimuleren om meer te investeren in
arbeidsomstandigheden, verzuimpreventie
en -beheersing voor vangnetters. Ten
aanzien van arbeidsomstandigheden en
verzuimpreventie zijn werkgevers primair
zelf aan zet. Ten aanzien van de
verzuimbeheersing ligt de
verantwoordelijkheid na afloop van het
dienstverband primair bij het UWV. In
onderstaande paragrafen wordt toegelicht
langs welke lijnen het UWV deze
verzuimbeheersing versterkt kan
vormgeven. Door de grotere financiële
prikkels voor de ex-werkgever is
daarnaast sprake van een gedeeld belang
van de ex-werkgever en het UWV om te
komen tot snelle werkhervatting.
1.
Manifest "Naar nieuwe
arbeidsverhoudingen, mensen maken
het verschil, mensen realiseren
groei" van AWVN, FNV
Bondgenoten, CNV Vakmensen en De
Unie, januari 2011.
Aan het
benutten van de mogelijkheden tot
werkhervatting bij de voormalige
werkgever is al concreet vormgegeven in
een pilot die door het UWV
en de
Stichting arbo flexbranche wordt
uitgevoerd. Voorts past het UWV de
werkwijze aan, waarbij meer gebruik
gemaakt wordt van de mogelijkheid om bij
dreigend langdurig verzuim de laatste
werkgever te benaderen met het oog op
mogelijke werkhervatting bij de laatste
werkgever. Op deze punten wordt verderop
in dit hoofdstuk nader ingegaan.
5.3.
Verruiming van het instrument
proefplaatsing
Het UWV
is - behoudens bij ZW-eigenrisicodragers en vangnetters die
nog een werkgever hebben - verantwoordelijk voor de begeleiding van
zieke vangnetters. Het UWV stelt daartoe
een probleemanalyse en plan van aanpak
op die gericht zijn op herstel of
werkhervatting. Vervolgens geeft het UWV
uitvoering aan dit plan van aanpak en
stelt de uitvoering daarvan periodiek
bij. Het UWV kan daarbij gebruik maken
van de inzet van kortdurende
interventies, re-integratietrajecten en
de inzet van werkplekaanpassingen of
-voorzieningen.
In het
kader van dit wetsvoorstel is bezien of
uitbreiding van de huidige instrumenten
gewenst is. Van belang daarbij is dat
uitbreiding van instrumenten moet passen
bij de algemene uitgangspunten van het
re-integratiebeleid. Instrumenten dienen
daarom te voldoen aan de criteria
selectiviteit en vraaggerichtheid en
bovendien toegevoegde waarde te hebben.
Een instrument dat aan deze criteria
voldoet, is de proefplaatsing. Doel van
het instrument is de werkgever over de
streep te trekken om iemand in dienst te
nemen. In dit wetsvoorstel wordt de
mogelijkheid om dit instrument in te
zetten, verruimd. Proefplaatsing is een
aantrekkelijk instrument voor werkgevers,
omdat het de werkgever in staat stelt
iemand met behoud van uitkering een
werkplek aan te bieden gedurende een
bepaalde proefperiode en om een reëel
beeld van de potentiële werknemer te
verkrijgen. Voor de werkgevers zijn
hieraan dus geen loonkosten verbonden,
zodat het aantrekkelijker wordt een
vangnetter een kans te bieden op werk.
Door de mogelijkheid te bieden eerst een
periode met behoud van uitkering te
werken, krijgt de vangnetter de ruimte
om arbeidsritme op te doen, om ingewerkt
te raken en te laten zien wat hij waard
is.
Voorgesteld
wordt om de huidige periode voor de
proefplaatsing van maximaal drie maanden
te verruimen tot maximaal zes maanden.
Deze verruiming biedt meer mogelijkheden
om vast te stellen of de behoeften van
de werkgever en de mogelijkheden van
betrokkene op elkaar aansluiten.
Uitgangspunt bij de verruiming tot
maximaal zes maanden is dat het
instrument gericht wordt ingezet, via
maatwerk. Het betreft dus niet een
standaardperiode van zes maanden, maar een
maximumperiode. Het UWV
heeft de
mogelijkheid om de duur van de
proefplaatsing af te rblz.|19|
stemmen op de
noodzaak daarvan in de concrete
situatie.¹ Een langere periode kan in
bepaalde gevallen soelaas bieden, omdat
de periode nu te kort kan zijn (bijvoorbeeld
bij behoorlijke beperkingen of een
niet-stabiel beeld). Het kan dan zijn
dat de vangnetter weliswaar goed
gemotiveerd is, maar de werkgever de
periode te kort vindt. In andere
gevallen kan worden volstaan met een
kortere periode. Het is aan de
uitvoering om hieraan invulling te
geven.
Vereist
is wel, net zoals thans, een
intentieverklaring door de werkgever om
iemand nadien in dienst te houden. Deze
intentieverklaring dient vooraf te
worden afgegeven en geldt als voorwaarde
voor het toestaan van de proefplaatsing
door het UWV. Dit geeft aan dat het niet om
een vrijblijvende zaak gaat. Voorts
dient de werkgever, evenals nu, er zorg
voor te dragen dat betrokkene gedurende
de periode van de proefplaatsing valt
onder de dekking van zijn
aansprakelijkheids- en
ongevallenverzekering.
1. In
het geval er sprake is van een
eigenrisicodrager heeft deze de
mogelijkheid om de proefplaatsing in
te zetten.
Uit
cijfers van het UWV
blijkt dat in 2010
voor 359 ZW-gerechtigden een
proefplaatsing is gerealiseerd. De
verruiming van het instrument biedt
uitzicht op een groter gebruik van dit
instrument.
Vanuit
beleidsconsistentie en eenvoud wordt
deze verruiming ook doorgetrokken naar
andere wetten die door het UWV worden
uitgevoerd, namelijk de WW, de
WAO, de WAZ, de
Wet Wajong en de
Wet WIA.
Net zoals
verruiming van de proefplaatsing is de
no-riskpolis erop gericht om een
potentiële werkgever over de streep
trekken om een dienstverband aan te gaan
met een vangnetter die passend werk kan
verrichten. Gezien de gerichte inzet van
de proefplaatsing is ervoor gekozen om
het instrument proefplaatsing te
verruimen. De no-riskpolis staat open
voor vangnetters en reguliere
werknemers, na de WIA-claimbeoordeling,
dus na 104 weken. Dit is een heldere
markering, uitvoerbaar en goed
uitlegbaar. De selectieve inzet van dit
instrument wordt geborgd door aan te
sluiten bij de claimbeoordeling in het
kader van de Wet WIA en richt zich daarmee
op de "zwaardere" gevallen onder
werknemers en vangnetters.
Zoals ook
tijdens de behandeling van de begroting
van het ministerie
van SZW voor 2012 is
aangegeven, is de regering verder niet
voornemens om het instrument
no-riskpolis eerder in te zetten. In de
periode van loondoorbetaling is de
werkgever verantwoordelijk voor zieke
werknemers. Het UWV
is verantwoordelijk
voor zieke werknemers die geen werkgever
(meer) hebben. Wanneer de doelgroep van
het instrument no-riskpolis zou worden
uitgebreid met vangnetters, is het
logisch dat werkgevers ook gaan vragen
om dit instrument voor hun zieke
werknemers. Dit acht de regering
ongewenst, omdat dit leidt tot
afwenteling op het collectief. Op dit
punt wordt met dit wetsvoorstel dan ook
geen wijziging aangebracht.
Het UWV
kan voorts meer gebruik maken van reeds
bestaande mogelijkheden van samenwerking
met werkgevers. Via een kortdurend
praktijkassessment bij een werkgever kan
bijvoorbeeld meer zicht ontstaan op de
arbeidsmogelijkheden van de vangnetter.
Ook kan het UWV inzetten op detachering
bij een nieuwe werkgever. Dit kan
bijvoorbeeld via een
re-integratiebedrijf dat de betrokkene
dan in dienst neemt en detacheert bij
een werkgever. Het UWV heeft de
mogelijkheden hiertoe en door de
financiële prikkels die met dit
wetsvoorstel worden vergroot voor
werkgevers neemt het belang van
werkgevers om hiervan gebruik te maken
toe.
5.4.
Effectieve begeleiding door de
uitvoering
De
maatregelen in dit wetsvoorstel dragen
in onderlinge samenhang bij aan een
effectievere begeleiding. De
vangnetters, maar ook werkgevers, worden
immers aangesproken op hun mogelijkheden
en verantwoordelijkheden rblz.|20|
voor herstel en
werkhervatting. Voorts krijgt het UWV
door de mogelijkheid tot convenanten, de
verlenging van de maximumduur van de
proefplaatsing en aanscherping van de
re-integratieverplichtingen meer
instrumenten die effectieve begeleiding
ondersteunen.
Daarnaast
is verbetering van de
re-integratieaanpak door de uitvoering
van belang. Hiermee is reeds een aanvang
gemaakt; de inspanningen op dit vlak
worden voortgezet en waar mogelijk
aangescherpt. Het UWV heeft in 2010 naar
aanleiding van eerderdenoemde IWI-rapportage (zie paragraaf
2.2) een
verbeterplan opgesteld om de
re-integratie van zieke vangnetters te
verbeteren. Dit verbeterplan heeft de Minister van SZW
met zijn brief van 6
september 2010 aangeboden aan de Tweede
Kamer.¹ Het UWV streeft in het
verbeterplan naar meer
hersteldverklaringen en meer werkenden
in de ZW (ruim 40% in 2013).
Sleutelwoorden hierbij zijn "risicoselectie",
"demedicalisering"
en "participatie". De uitvoering van
het verbeterplan en de voornemens in dit
wetsvoorstel versterken elkaar.
Inmiddels heeft het UWV in de eigen
bedrijfsvoering verbeteringen
doorgevoerd op het terrein van uniforme
rapportages en nieuwe indicatoren over
uitstroom uit de ZW. Voorts wordt in
2012 landelijk een nieuwe werkwijze
ingevoerd waarmee de
re-integratiebegeleider, en dus niet
meer de verzekeringsarts, de casemanager
wordt in het klantproces. Over de
voortgang van uitvoering van dit
verbeterplan wordt de Tweede Kamer
geïnformeerd via de reguliere
rapportages van het UWV.
1.
Kamerstukken II 2009-2010, 32 123
XV, nr, 67.
Voorts is
een pilot van de uitzendsector en het UWV
van belang. De uitzendsector en het
UWV zijn in het najaar van 2011 in drie regio’s met een pilot gestart. Deze
pilot richt zich op een effectievere
werkwijze om langdurig ziekteverzuim van
uitzendkrachten terug te brengen. Kern
van de pilot is dat het UWV snel
vaststelt of een zieke uitzendkracht
weer passende arbeid kan verrichten.
Wanneer dat het geval is, wordt de
uitzendkracht overgedragen aan het
uitzendbureau waar de vangnetter als
laatste werkzaam was. Dit uitzendbureau
doet vervolgens een passend werkaanbod.
Wanneer de uitzendkracht verwijtbaar
onvoldoende meewerkt, legt het UWV een
sanctie op. De resultaten over drie
maanden (tot 1 februari 2012) zijn,
hoewel nog bescheiden in aantal,
bemoedigend qua resultaat. Van de 124
beoordeelde ziektegevallen zijn er 44
hersteld en zijn er 17 overgedragen voor
werkhervatting aan het uitzendbureau
waarbij als laatste werd gewerkt. Van
deze 17 zijn er 9 aan het werk. Hierbij
moet worden bedacht dat de periode kort
was en dat veel inspanningen zijn
verricht om deze publiek-private
samenwerking een goede basis te geven.
Hierop kan worden voortgebouwd.
Het UWV
en de Algemene Bond Uitzendondernemingen
(ABU) willen zich op basis van een
convenant verbinden aan landelijke
invoering van de werkwijze van de pilot.
De uitzendsector wil hierin ook
investeren. Dit laatste gebeurt onder
meer door de inrichting van een
landelijk transferbureau. Landelijke
invoering van deze werkwijze voor
uitzendkrachten is in lijn met de
maatregelen van dit
wetsvoorstel.
Aansprekend zijn met name dat in een
goede samenwerking snel wordt beoordeeld
of iemand nog ander passend werk kan
doen, de actieve werkgeversbenadering
via de overdracht aan de laatste
uitzendwerkgever die een passend
werkaanbod doet en de strikte
handhaving. De werkwijze van het UWV
voor uitzendkrachten die volgt uit het
convenant van het UWV met de
uitzendsector zal ook in regelgeving
worden opgenomen door een aanpassing van
de Regeling
procesgang eerste en tweede
ziektejaar voor vangnetters zonder
werkgever. De uitvoering en resultaten
van het convenant zullen nauwgezet
worden gevolgd.
Onder
meer gezien de inspanningen die de
uitzendsector en het UWV
op grond van
dit convenant plegen en de financiële
prikkels die breed voor werkgevers
worden ingevoerd - zie hiertoe
hoofdstuk 6 van deze memorie van
toelichting -, heeft de regering bij
nadere beschouwing afgezien van rblz.|21|
het
invoeren van de voorgenomen maatregel
van twee weken loondoorbetaling bij ziekte
voor uitzendbureaus.
Tot slot
zal het UWV, ingeval de vangnetter een
tijdelijk dienstverband had, meer
gebruik maken van de mogelijkheid om de
laatste werkgever te benaderen met het
oog op mogelijke werkhervatting bij de
laatste werkgever. De inzet is om
hieraan gericht uitvoering te geven
zonder dat dit leidt tot een groter
beroep op de capaciteit van de
uitvoering. Het UWV zal hieraan de
komende tijd verdere uitwerking geven.
Uiteraard
is begeleiding geen doel in zichzelf,
maar hooguit middel tot herstel en
werkhervatting. Het UWV
dient haar taak
te vervullen binnen de kaders van het
re-integratiebeleid en binnen
financiële kaders. Uitgangspunt hierbij
is dat re-integratie selectief wordt
ingezet, namelijk wanneer herstel en
werkhervatting op eigen kracht niet
mogelijk is. Er ligt in die zin ook een
belangrijke verantwoordelijkheid bij de ZW-gerechtigde. Het wetsvoorstel
ondersteunt en stimuleert deze
verantwoordelijkheid verder.
Het UWV
zal dus steeds een professionele
afweging moeten maken of de
ZW-gerechtigde op eigen kracht kan
herstellen en werk kan hervatten of dat
begeleiding nodig is, en zo ja, in welke
vorm en intensiteit. Daarbij zijn er
verschillende mogelijkheden: begeleiding
door een professional van het UWV, een
kortdurende interventie gericht op
herstel, inkoop van een traject gericht
op werkhervatting of bemiddeling naar
een werkplek, al dan niet met behulp van
een proefplaatsing.
Uit de
cijfers blijkt dat het UWV ook nu al
veel inspanningen verricht om mensen te
begeleiden naar werk. Zo zijn in 2011 70
000 plannen van aanpak opgesteld om
ZW-gerechtigden te begeleiden naar
herstel of werk. Voorts werd in 2011 €|32 mln uitgegeven aan kortdurende
interventies gericht op herstel en/of
werkhervatting. Daarnaast is voor circa €|18 mln aan trajecten ingekocht,
gericht op werkhervatting. De inkoop van
trajecten komt ten laste van het
taakstellend re-integratiebudget voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Het UWV
heeft dit budget inmiddels
gedecentraliseerd, waardoor het
bewustzijn van een effectieve inzet van
middelen op de werkvloer is vergroot.
Deze inspanningen blijven niet zonder
resultaat: blijkens het jaarverslag over
2011 stijgt het aantal werkenden na
dertien weken ziekte met 10% ruim uit boven het
streefcijfer van 6,5% dat het UWV in het
verbeterplan had gesteld. Ook neemt de
tijdigheid van opgestelde
probleemanalyses en plannen van aanpak
toe.
Dit laat
onverlet dat verdere verbeteringen
noodzakelijk zijn. Het wetsvoorstel en
de inspanningen van het UWV zijn daarop
gericht.
5.5.
Aanscherping van de
re-integratieverplichtingen conform de
WGA en een strikt handhavingsregime
In dit
wetsvoorstel worden de
re-integratieverplichtingen voor de
zieke vangnetter aangescherpt, conform
de verplichtingen die nu reeds gelden
voor WGA-gerechtigden. Doel is om de
vangnetter te bewegen tot een actievere
opstelling. Van de vangnetter mag een
actieve opstelling worden verwacht die
gericht is op herstel en werkhervatting
en medewerking van inspanningen die
daarop zijn gericht. De vangnetter heeft
immers een eigen verantwoordelijkheid om
zijn mogelijkheden optimaal te benutten.
De ZW kent nu wel een aantal
re-integratieverplichtingen,
bijvoorbeeld de verplichting om te
trachten passende arbeid te verkrijgen
en deze te verrichten, als betrokkene
daartoe in de gelegenheid wordt gesteld
(artikel 30 van de
ZW). De
verplichtingen van de WGA gaan echter
verder. Daarom wordt in dit wetsvoorstel
aangesloten bij de
re-integratieverplichtingen van de WGA (artikelen 29 en
30 van de
Wet WIA).
Deze verplichtingen omvatten zowel
inspanningen rblz.|22|
gericht op herstel als op
werkhervatting. Wat betreft herstel kan
het niet alleen gaan om eigen
inspanningen, maar ook om het gevolg
geven aan aanwijzingen van een
verzekeringsarts of een behandelend arts
om een bepaalde behandeling te volgen.
Wat betreft werkhervatting kan het om
een breed scala van activiteiten gaan.
Allereerst wordt van betrokkene verwacht
dat hij al het redelijkerwijs mogelijke
doet om zijn werk te hervatten of ander
passend werk te vinden, bijvoorbeeld
door het verrichten van sollicitaties.
Daarnaast wordt een actieve medewerking
aan noodzakelijk geachte activiteiten
verwacht, zoals het volgen van een
sollicitatietraining of een (bij)scholingstraject, het meewerken aan een
proefplaatsing, praktijkassessment of
leerwerktraject, het benutten van
mogelijkheden in de sfeer van
hulpmiddelen en werkplekaanpassingen en
dergelijke. Ook kan het gaan om het
meewerken aan inspanningen die
noodzakelijk zijn om meervoudige
problematiek (bijvoorbeeld verslaving of
schuldenproblematiek) aan te pakken. In
dat laatste geval zal het UWV
veelal
naar andere instanties verwijzen, zoals
de gemeente. Van betrokkene mag worden
verwacht dat hij actief aan noodzakelijk
geachte inspanningen meewerkt en deze
niet tegenwerkt, door bijvoorbeeld het
stellen van irreële eisen.
Na
overleg met betrokkene legt het UWV
de
afspraken en rechten en plichten vast in
een plan van aanpak en ziet periodiek
toe op de uitvoering daarvan. Dit is
conform de processtappen die ook gelden
bij gewone werknemers in het kader van
de Wvp en is uitgewerkt in de
Regeling
procesgang eerste en tweede
ziektejaar voor vangnetters zonder
werkgever. Zo
nodig kan er aanleiding zijn het plan
van aanpak bij te stellen.
De
aanscherping van
re-integratieverplichtingen dient
gepaard te gaan met een strikt en
consequent uitgevoerd handhavings- en
sanctiebeleid door het UWV. Zoals
opgemerkt, heeft de vangnetter een eigen
verantwoordelijkheid om zijn
mogelijkheden optimaal te benutten.
Re-integratieverplichtingen die voor de
vangnetters gelden en afspraken die met
de vangnetters worden gemaakt, dienen te
worden nagekomen. Indien dat niet
gebeurt, dient het UWV daar gevolgen aan
te verbinden.
In geval
van eigen risico dragen wordt de ZW
in
mandaat door de eigenrisicodrager
uitgevoerd. De eigenrisicodrager en
diens (ex-)werknemer moeten zich uit
dien hoofde ook aan de aangescherpte
verplichtingen houden.
5.6.
Overgangsrecht
De
rechten en plichten van verzekerden die
op het moment waarop dit wetsvoorstel in
werking treedt al ziek waren, worden
geëerbiedigd. De aanscherping van de
re-integratieverplichtingen geldt daarom
alleen voor nieuwe ziektegevallen.
De
verruiming van de proefplaatsing heeft
onmiddellijke werking en geldt dus voor
nieuwe en bestaande ziektegevallen. Het
is immers van belang zowel voor de
werkgever als voor de
uitkeringsgerechtigde dat het instrument
zo nodig ruimer kan worden toegepast.
6.
Aanpassingen in de
financieringssystematiek
6.1.
Inleiding
Dit
onderdeel van het wetsvoorstel
beschrijft de aanpassingen in de
financieringsystematiek voor ZW
en WGA
met als doel de activerende werking te
versterken en langdurig ziekteverzuim en
instroom in de Wet
WIA rblz.|23|
van flexwerkers tegen
te gaan. In het navolgende worden de
achtergrond, doelstelling en inhoud van
dit onderdeel van het wetsvoorstel nader
toegelicht.
6.2.
Hoofdlijnen en achtergrond van de
maatregelen voor werkgevers
De
prikkelwerking met betrekking tot de
financiering van het langdurig verzuim
en arbeidsongeschiktheid blijkt voor
werknemers met een vast dienstverband
succesvol. Voor hen wordt eerder en
actiever ingegrepen om verzuim te
voorkomen en te beheersen.
Tegelijkertijd is voor werknemers met
een flexibel dienstverband
(uitzendkrachten en werknemers met een
tijdelijk dienstverband) onverminderd
sprake van een hoge instroom in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen. Voor
deze groep wijzen de prikkels in de
financiering nu niet de goede kant op.
Dit versterkt de tweedeling tussen
flexibele en vaste arbeidskrachten en
de keuze voor contractvorm door de
werkgever door andere dan
bedrijfseconomische factoren. Vanuit
deze achtergrond wordt in dit
wetsvoorstel ook voor flexibele
werknemers een activerend arrangement
van financiële prikkels gecreëerd.
De
regering ziet mogelijkheden voor
werkgevers van flexibele arbeidskrachten
om meer dan nu het geval is werk te
maken van preventie en re-integratie.
Een financieel belang waarop dit
wetsvoorstel toeziet, spoort
uitzendbedrijven en werkgevers van
werknemers met een tijdelijk
dienstverband hiertoe aan. Samen met de
werknemersprikkels ontstaat een gedeeld
belang bij het voorkomen van ziekte en
een snelle werkhervatting bij onverhoopt
verzuim. Hierbij kan concreet worden
aangesloten bij de praktijk die bestaat
voor vaste werknemers. De kern van de
werkgeversprikkels zit in de financiële
drijfveer voor de werkgever. Het is aan
de werkgever om te bepalen hoe hij hiermee
omgaat en zijn mogelijkheden om het
verzuim te beperken benut.
Net als
bij werknemers met een vast
dienstverband heeft de werkgever voor de
WGA straks de keuze tussen publiek
verzekeren waarbij de
verantwoordelijkheid voor re-integratie
bij het UWV
ligt en eigen risico dragen waarbij de verantwoordelijkheid bij de
werkgever ligt. Bij werknemers met een
vast dienstverband is de werkgever
gedurende de eerste twee jaar ziekte
verplicht verantwoordelijk voor de
re-integratie en bij tijdelijke
dienstverbanden gedurende de looptijd
van het dienstverband (met een maximum
van twee jaar). Bij tijdelijke krachten
bij wie het dienstverband is beëindigd
en bij uitzendkrachten heeft de
werkgever de mogelijkheid te kiezen voor
eigen risico dragen om zo de regie over de
re-integratie in eigen hand te nemen.
De
regering is zich tegelijkertijd bewust
van het blijvende verschil in de aard
van het dienstverband. Bij flexwerkers
in de ZW en WGA
is, in tegenstelling tot
werknemers met een vast dienstverband
die ziek worden, het dienstverband
beëindigd. Overigens kan het bij de
huidige premiedifferentiatie in de WGA
ook gaan om werknemers van wie het
dienstverband inmiddels is beëindigd.
In beide gevallen heeft de werkgever in
beginsel eenzelfde instrumentarium tot
zijn beschikking. Het gaat daarbij
globaal om de volgende mogelijkheden:
- Zorgen voor goede
arbeidsomstandigheden en
personeelsbeleid, ter voorkoming van
uitval.
- Maken van afspraken om te investeren
in duurzame inzetbaarheid.
- Beheersen van kortdurend en langer
durend verzuim, waardoor verzuim
zoveel mogelijk wordt bekort.
rblz.|24|
- Activiteiten gericht op
re-integratie binnen het eigen
bedrijf, zo mogelijk in de eigen
functie en anders in een andere
functie (re-integratie eerste spoor).
- Activiteiten gericht op herplaatsing
bij een ander bedrijf (re-integratie
tweede spoor).
Uiteraard
zal het in een aantal gevallen voor
flexkrachten lastiger zijn om
bijvoorbeeld terug te keren in de oude
functie omdat deze niet altijd meer
bestaat. Uit onderzoek blijkt overigens
dat in veel gevallen de functie er nog
wel is.¹ Verder zijn de mogelijkheden
voor preventie iets geringer bij
flexkrachten, aangezien het
dienstverband gemiddeld een kortere
historie heeft. In de huidige situatie
wordt daarom bij flexkrachten
bijvoorbeeld meer gebruik gemaakt van
re-integratie via het tweede spoor en
minder van het eerste spoor. Echter, de
mogelijkheden voor herplaatsing in een
andere functie bij de oude werkgever (of
in dezelfde functie als deze er nog is)
hoeven in beginsel voor flexkrachten
niet anders te zijn dan voor werknemers
met een vast dienstverband. Dit vraagt
met name ook een cultuuromslag. Dit
geldt evenzeer voor de overige
activiteiten die hiervoor zijn genoemd.
De voorgestelde prikkels voor werkgevers
maken het ook financieel lonend om in de
toekomst meer in te zetten op deze
mogelijkheden.
Dat dit
mogelijk is, is onder meer zichtbaar in
de pilot van de uitzendsector en het UWV. In dat kader doet het uitzendbureau
waarbij de uitzendkracht als laatste
werkzaam was een passend werkaanbod. Ook
voor werknemers die ziek werden in een
tijdelijk dienstverband zal het UWV bij
de uitvoering van de arborol meer
aandacht gaan besteden aan de
mogelijkheid van re-integratie bij de
laatste werkgever.
1.
Uit een recent onderzoek van het
Sociaal en Cultureel Planbureau,
"Vraag naar arbeid 2011",
blijkt dat 70-80% van de functies
waarin werknemers met langlopende
tijdelijke contracten (langer dan
één jaar) werkzaam zijn, bij
vertrek van de werknemer weer worden
opgevuld.
In
onderstaande paragrafen wordt nader
ingegaan op de voorstellen met
betrekking tot de financiering via
individuele premiedifferentiatie.
6.3.
Financiële prikkels voor werkgevers
Op dit
moment bestaan er vier separate
financieringsstelsels voor de
loondoorbetaling, ZW,
WGA voor
werknemers met een vast dienstverband
(WGA-vast)
en WGA voor flexwerkers (WGA-flex). De
loondoorbetaling is privaat
georganiseerd. De werkgever is
eigenrisicodrager en kan dit risico privaat verzekeren. Bij de financiering
van de WGA-lasten voor vaste werknemers
en de ZW is sprake van hybride stelsels.
Dit houdt in dat de werkgever
keuzevrijheid heeft tussen publieke
verzekering en eigen risico dragen met de
mogelijkheid tot privaat verzekeren. De
financiering van WGA-lasten van
flexibele werknemers vindt plaats via
een publieke verzekering. De
loondoorbetaling kent, gegeven het feit
dat de werkgever dit risico in beginsel
draagt, per definitie een
werkgeversprikkel. De WGA-vast kent een
werkgeversprikkel middels individuele
premiedifferentiatie waarin veroorzaakte
lasten worden doorbelast aan de
werkgever. De ZW en WGA-flex kennen in
beginsel geen individuele
werkgeversprikkel, maar een sectoraal
bepaalde premie.¹
1. De
uitzendbranche kent thans
premiegroepen in de ZW,
naar aard van het dienstverband en
naar hoogte van de ZW-lasten.
Bij de
introductie van werkgeversprikkels voor
ziekte en arbeidsongeschiktheid bij
flexkrachten zijn de volgende
uitgangspunten gehanteerd:
1.
Per 2014 wordt een werkgeversprikkel
bij de WGA-flex en de ZW
geïntroduceerd. De
werkgeversprikkel wordt daar ingezet
waar deze het meest effectief is.
Uit onderzoek blijkt dat
werkgeversprikkels doelmatiger zijn
bij grote dan bij kleine werkgevers.
Met dit gegeven wordt rekening mee
gehouden door voor kleine werkgevers
een sectoraal bepaalde premie te
hanteren (zie paragraaf
6.3.1).
2.
Aansluiting bij de bestaande hybride
stelsels voor de WGA en de ZW (zie
paragraaf 6.3.2).
3.
Een aantal verbeteringen in de
systematiek van de financiering van
de ZW wordt reeds per 2013 ingevoerd
(zie paragraaf
6.3.3).
4. De
inrichting van de diverse fondsen
wordt zoveel mogelijk vereenvoudigd
(zie paragraaf 6.3.4 [deze paragraaf
bestaat niet, zie paragraaf
6.5, red.]).
rblz.|25|
6.3.1.
Werkgeversprikkels afhankelijk van
werkgeversgrootte
Bij de
bestaande systematiek is het afhankelijk
van de aard van het dienstverband (vast
of flex) of er een werkgeversprikkel in
de publieke premiestelling is opgenomen.
Met dit wetvoorstel vervalt het
onderscheid tussen flexibele en vaste
dienstverbanden ten aanzien van de
werkgeversprikkel in de publieke
premiestelling. Hiervoor in plaats komt
een onderscheid naar omvang van de
werkgever op basis van een verschil in
doelmatigheid van de prikkels. Voor
grote werkgevers (loonsom ≥ 100-maal de gemiddelde loonsom) gaat
individuele premiedifferentiatie gelden
voor de ZW- en
WGA-lasten (vast en flex).
Werkgevers worden hiermee op eenzelfde
manier in de publieke financiering
geprikkeld voor hun vaste en flexibele
personeel. Tegelijkertijd gaat voor
kleine werkgevers een sectoraal bepaalde
premie gelden voor de ZW en WGA-lasten
(vast en flex).¹ De loonsomgrens voor
kleine werkgevers wordt bij lagere
regelgeving vastgelegd. Voor middelgrote
werkgevers wordt de premie deels
sectoraal en deels individueel bepaald.
1. Op
dit moment geldt ook voor kleine
werkgevers een individueel
gedifferentieerde premie bij de WGA
voor vaste krachten.
Met deze
vormgeving wordt beter aangesloten bij
de private premiestelling. Dit bevordert
een gelijk speelveld in het hybride
stelsel. Private verzekeraars hanteren
bij kleinere werkgevers een premie die
slechts gedeeltelijk op het individuele
risico is gebaseerd en voor het overige
is gebaseerd op het gemiddelde risico
van vergelijkbare bedrijven. Bovendien
blijkt uit onderzoek dat financiële
prikkels effectiever zijn bij grote
werkgevers dan bij kleine werkgevers ¹ en dat prikkels bij kleine werkgevers
vaker leiden tot risicoselectie.² Met
de introductie van prikkels is een
positieve gedragsreactie beoogd van de
werkgever. Langs deze weg wordt de
werkgever immers financieel geprikkeld
om het ziekteverzuim te beperken. Een
ander gedragseffect, namelijk meer
risicoselectie bij de aanname van
personeel, blijkt vooral bij kleine
werkgevers voor te komen. De regering
heeft om deze reden gekozen voor een
sectorale premie bij kleine werkgevers,
die dit ongewenste effect wegneemt.
Tezamen met de no-riskpolis die ook
geldt indien personen uit de doelgroep
als uitzendkracht of op grond van een
tijdelijk dienstverband gaan werken,
zorgt dit ervoor dat risicoselectie
zoveel mogelijk wordt voorkomen.
1.
Koning (2004), Estimating the impact
of experience rating on the inflow
into disability insurance in the
Netherlands.
2. Veerman, Schellekens e.a. (2001),
Werkgevers over ziekteverzuim, arbo
en re-integratie, Eindrapportage van
het ZARA/SZW-werkgeverspanel.
Met het
onderscheid tussen grote en kleine
werkgevers wordt tevens een invulling
gegeven aan een onderdeel van de
kabinetsreactie naar aanleiding van de WIA-evaluatie
¹ waarin een aantal
verbeteringen in de prikkelstructuur van
het hybride WGA-stelsel is aangekondigd.
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 716,
nr. 1.
6.3.2.
Vormgeving WGA
Algemeen
Bij de
vormgeving van werkgeversprikkels is het
van belang de stabiliteit van het
hybride stelsel van de WGA
te
waarborgen, waarbij werkgevers kunnen
kiezen tussen een publieke verzekeraar
en eigen risico dragen met mogelijkheid
tot private verzekering. Door het CPB is
een toets uitgevoerd op de gevolgen van
de stabiliteit van het hybride stelsel.
Conclusie is dat risico’s voor de
stabiliteit van het stelsel kunnen
worden weggenomen via aanpassingen in de
publieke premiestelling. Vanuit die
wetenschap is gekozen om te starten met
premiedifferentiatie in de bestaande
verzekeringsstelsels voor WGA-flex
(publieke verzekering) en ZW
(hybride
stelsel). Op termijn wordt de WGA-flex
samengevoegd met de WGA-vast in één
hybride stelsel. Deze geleidelijke
wijziging van het hybride stelsel WGA
geeft verzekeraars en werkgevers de
benodigde voorbereidingstijd en biedt de
overheid de mogelijkheid om informatie
over flexrisico’s van rblz.|26|
werkgevers in te
winnen om zo te komen tot een
premiestelling die bijdraagt aan een
stabiel hybride stelsel voor de WGA.
Vormgeving
van het hybride stelsel WGA
Voor de WGA
is het uitgangspunt het bestaande
hybride stelsel. Een hybride stelsel
biedt naar het oordeel van de regering
op dit moment de beste voorwaarden voor
een maximale inzet van alle partijen
voor optimale preventie en re-integratie
van arbeidsongeschiktheid. Hiervoor is
een gelijk speelveld tussen UWV
en
private verzekeraars noodzakelijk. Een
gelijk speelveld houdt onder meer in een
premie die een reële keuzemogelijkheid
biedt voor de overgang tussen het
publieke en private stelsel. De publieke
premiestelling van de WGA-vast wordt met
dit doel verbeterd (zie kabinetsreactie
naar aanleiding van de WIA-evaluatie ¹)
en geëvalueerd ² (verwacht in 2013).
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 716,
nr. 1.
2. In het algemeen overleg over de Wet
WIA op 27 april 2011 heeft de Staatssecretaris
van SZW aan de Tweede Kamer
toegezegd nader onderzoek te laten
doen naar de stabiliteit van het
hybride stelsel in de WGA
en de
Tweede Kamer in 2013 te informeren
over de uitkomsten van het
onderzoek.
Met de
uitbreiding van de premiedifferentiatie
en het eigen risico dragen met de WGA-lasten vanuit flexwerk kan dit
wetsvoorstel leiden tot veranderingen in
de omvang van de private
verzekeringsmarkt. Grote verschuivingen
in marktaandeel tussen publieke
verzekering en eigen risico dragen WGA met
private verzekering zijn met dit
wetsvoorstel niet beoogd. De keuzes ten
aanzien van de vormgeving van de
financiering van de WGA zijn gemaakt
vanuit de gedachte dat deze optimaal
moeten bijdragen aan een stabiel hybride
stelsel. In deze paragraaf worden de
keuzes toegelicht. De keuzes zijn zo
gemaakt dat er een stabiel hybride
stelsel voor de WGA kan blijven bestaan.
Naar het oordeel van de regering is
sprake van effecten die per saldo niet
evident in het voor- of nadeel van één
van de partijen is.
Overgangsperiode
naar hybride stelsel voor alle WGA
lasten (vast en flex)
De
regering heeft ervoor gekozen om per
2014 werkgeversprikkels in de bestaande
stelsels van ZW
(hybride) en WGA-flex
(publiek) te introduceren. Op termijn
wordt de WGA-flex toegevoegd aan het
bestaande hybride stelsel voor de
WGA-vast. De keuze voor een
overgangsfase komt voort uit de wens om
met een getemporiseerde toevoeging van
de WGA-flex de stabiliteit van het
hybride stelsel te borgen. Gekozen is
voor een periode van twee jaar, gemeten
vanaf de start van werkgeversprikkels
bij flexwerkers, tot de overgang naar
een gecombineerd stelsel per 2016. De
beoogde inwerkingtredingdatum van deze
wet is 2013, waarbij het onderdeel
werkgeversprikkels per 2014 in werking
treedt. In de overgangsperiode tot aan
2016 hebben verzekeraars de tijd zich
voor te bereiden op de gecombineerde
private markt voor WGA-risico’s.
Gemeten vanaf de beoogde
inwerkingtredingdatum van de wet is er
zodoende een voorbereidingstijd van drie
jaar. Deze termijn sluit aan bij de
gebruikelijke looptijd van drie jaar van
bestaande verzekeringscontracten voor de
WGA. Deze zijn verlopen vóór de
ingangsdatum van het nieuwe
gecombineerde stelsel voor de WGA-vast
en WGA-flex. Bij nieuwe contracten die
vanaf 2013 worden gesloten, kan worden
geanticipeerd op deze wijziging van het
stelsel. Daarnaast biedt deze
overgangsperiode de overheid de
mogelijkheid om de benodigde informatie
over flexrisico’s van individuele
werkgevers te verzamelen ten behoeve van
een publieke premiestelling die
bijdraagt aan een gelijk speelveld voor
het hybride stelsel. Informatie over
flexrisico’s per individuele werkgever
die hiervoor kunnen worden benut, worden
vanaf 2012 door het UWV
geadministreerd.
rblz.|27|
Staartlasten
WGA
Zoals
hierboven beschreven, zal de individuele
premiedifferentiatie gelden voor grote
werkgevers en naar draagkracht voor
middelgrote werkgevers. Alle werkgevers
kunnen de keuze maken tussen publieke
verzekering en eigen risico dragen. Bij de
overgang van publieke verzekering naar
eigen risico dragen dan wel van
eigen risico dragen naar publieke
verzekering is het uitgangspunt dat
conform de bestaande systematiek de
lopende uitkeringslasten worden
afgefinancierd door de werkgever.
Werkgevers die eigenrisicodrager zijn
voor de WGA
en willen terugkeren in de
publieke verzekering blijven
verantwoordelijk voor de affinanciering
van de lopende uitkeringen die ontstaan
zijn tijdens de periode van eigen risico
dragen. Dat is ook nu al het
geval en is inherent aan de
financieringssystematiek (rentedekking)
bij private verzekeringen. Indien zij
voor hun risico een private verzekering
hebben afgesloten, zal die verzekering
voorzien in dekking van toekomstige
lasten. De lopende uitkeringslasten van
werkgevers die vanuit het publieke
systeem eigenrisicodrager worden, moeten
in de huidige vormgeving worden
gefinancierd vanaf het moment van
overstappen. Er is in het publieke
systeem immers sprake van een
omslagsysteem: de lopende uitkeringen
worden betaald uit de lopende premies.
Dit blijft het uitgangspunt. In
afwijking van deze hoofdregel hoeven
kleine werkgevers de staartlasten niet
zelf af te financieren bij uittreden uit
het publieke stelsel. Voor kleine
werkgevers kan dit een te grote drempel
zijn tot uittreden en de vraag of er
staartlasten zijn, is deels door toeval
bepaald. Achterblijvende staartlasten
worden gefinancierd uit een premie die
door zowel de publiek verzekerde als de privaat verzekerde werkgever wordt
betaald. De financiering van de
staartlasten wordt geregeld bij algemene
maatregel van bestuur. Dan zal ook
worden geregeld welk deel van de
staartlasten middelgrote werkgevers
moeten financieren.
Rentehobbel
WGA
De
noodzaak en hoogte van compensatie van
de rentehobbel bij het toevoegen van de WGA-flex aan de WGA-vast zal worden
beoordeeld wanneer meer zicht bestaat op
de premiestelling 2016.
6.3.3.
Vormgeving ZW
Voor de
eerste twee ziektejaren wordt
aangesloten bij de bestaande systematiek
voor de ZW. De systematiek van
loondoorbetaling zoals deze bij vaste
krachten bestaat tijdens de eerste twee
jaar ziekte wordt niet doorgetrokken
naar de ZW. Reden hiervoor is dat bij
uitzendkrachten en werknemers met een
tijdelijk dienstverband die een ZW
uitkering krijgen per definitie het
dienstverband is beëindigd.
Bij de ZW
wordt met ingang van 2014 in het
bestaande hybride stelsel een
individuele premiedifferentiatie
geïntroduceerd voor grote werkgevers,
een sectoraal bepaalde premie voor
kleine werkgevers en een deels
individueel en deels sectoraal bepaalde
premie voor middelgrote werkgevers. De
bestaande, voornamelijk sectoraal
bepaalde, premiestelling wordt hierdoor
vervangen. De mogelijkheid blijft
bestaan om uit te treden en
eigenrisicodrager te worden met de optie
voor privaat verzekeren.
Verwachte
effecten op het gelijke speelveld
Ten
aanzien van het hybride stelsel voor de ZW
is het uitgangspunt een evenwichtige
lastenverdeling en gelijk speelveld
tussen publieke en private partijen.
Gegeven de specifieke kenmerken van de
ZW en de rblz.|28|
financiering daarvan is het de
vraag of een hybride stelsel op lange
termijn echter stabiel is.
De
verwachting is dat werkgevers de eerste
twee jaar ziekte in toenemende mate
privaat zullen organiseren.
Ten
eerste sluit een private
verantwoordelijkheid aan bij de
bestaande situatie. Voor de tijdelijke
contracten is de financiering en
re-integratie van de eerste
ziekteperiode gedurende het contract via
loondoorbetaling al privaat
georganiseerd, vaak met private
verzekering van het financiële risico.
Private verzekeraars kunnen het totale
ziekterisico voor loondoorbetaling en ZW
in de eerste twee jaar in een
combinatiepakket verzekeren en daarmee
mogelijk een aantrekkelijker product
aanbieden dan de publieke verzekeraar.
Werkgevers zijn al bekend met het
privaat organiseren van de financiering
en verzuimbegeleiding tijdens de eerste
twee ziektejaren bij werknemers met een
vast dienstverband. Voor hen kan het,
mede vanwege de voorgestelde wijzigingen
in de financieringssystematiek,
aantrekkelijk zijn om voor de tijdelijke
krachten dit op dezelfde manier te
organiseren. Daarnaast is reeds een
tendens zichtbaar bij uitzendbureaus om
dit deel van het ziekteverzuim in eigen
hand te nemen.
Een
tweede reden is het verschil in
informatiepositie tussen de publieke
verzekeraar en private verzekeraars met
betrekking tot de ZW. Het ZW-stelsel
heeft anders dan de WGA
alleen
betrekking op de flexwerkers. Het UWV
is
als publieke verzekeraar beperkt in de
informatie die voor de premiestelling
kan worden benut. Private verzekeraars
kunnen bij hun premiestelling
uitgebreidere informatie opvragen en
benutten. Gegeven de atypische verdeling
van flexwerk (en dus risico’s) onder
werkgevers speelt dit verschil in
informatie in het bijzonder bij de ZW
mogelijk een beslissende rol.
Bij de
vormgeving van de financiering van de ZW
is daarom rekening gehouden met de
relatief beperkte duur van de uitkering,
de vormgeving van het bestaande hybride
stelsel van de ZW en de verwachting dat
het stelsel kan tenderen naar een
private vormgeving. De vormgeving van de
financiering van de ZW vanaf 2014 wordt
in de rest van deze paragraaf
toegelicht.
De
ontwikkelingen in het hybride stelsel ZW, de ontwikkeling van de
verzekeringsmarkt (aantallen
verzekeraars, premiestelling,
verzekerbaarheid van bedrijven met
relatief hoge risico’s), inzicht in de
effecten op de arbeidsmarkt,
effectiviteit van de uitvoering door
private partijen en de publieke
verzekeraar zullen worden gemonitord.
Aan de hand daarvan kan bepaald worden
welke rol de publieke verzekeraar op
termijn in dit stelsel zal spelen.
Mogelijk blijft de publieke verzekeraar
als concurrerende marktpartij een rol
spelen in dit hybride stelsel voor de
ZW, mogelijk past een rol als publiek
vangnet het beste bij dit stelsel of is
het mogelijk op termijn terug te treden
als publieke verzekeraar.
Garantstelling
en staartlasten
Omdat de ZW
een beperkte overzichtelijke periode
beslaat en omdat voor veel werkgevers
het risico vrijwel nihil is, kunnen
werkgevers eigenrisicodrager worden
zonder een garantstelling te overleggen.
Deze vormgeving sluit aan bij het regime
voor werkgevers van vaste krachten met
een loondoorbetalingverplichting en
neemt een drempel tot
eigenrisicodragerschap weg ten opzichte
van de bestaande situatie. Om te
voorkomen dat werkgevers die
eigenrisicodrager willen worden, zullen
wachten totdat de voorwaarde van een
garantstelling komt te vervallen, zal de
garantstelling met ingang van 2013 niet
meer nodig zijn om eigenrisicodrager
voor de ZW te worden.
rblz.|29|
Gegeven
de verwachte tendens van in toenemende
mate private verzekering van het ZW-risico en omdat de bedrijven die al
zijn uitgetreden de staartlasten hebben
kunnen achterlaten, is ervoor gekozen
om bij de ZW ook voor nieuwe uittreders
de staartlasten via een publieke premie
af te financieren. Deze publieke premie
zal over alle werkgevers (publiek en
privaat verzekerden) worden geheven. Bij
algemene maatregel van bestuur zal
worden bepaald uit welk fonds de
staartlasten worden gefinancierd.
Rentehobbel
ZW
De
rentehobbel duidt op de situatie bij
start van een nieuw hybride stelsel
waarin de private verzekeraar met
actuarieel dekkende premies al met een
structureel lastenniveau rekening houdt
in de premie, maar de publieke
verzekeraar met een omslagstelsel nog
niet. Een verhoging van de publieke
premie (rentehobbelcompensatie) kan dan
nodig zijn om een gelijk speelveld te
creëren. Omdat het UWV
vanaf 2012 de
flexrisico’s van individuele
werkgevers bijhoudt en de ZW
een
maximale duur van twee jaar heeft, kan
bij de start van de individuele
premiedifferentiatie in de ZW per 2014
ook bij de publieke premiestelling met
een vrijwel structureel lastenniveau
rekening worden gehouden. Een
compensatie voor een rentehobbel is
daarom niet nodig.
Verbeteringen
in de premiestelling per 2013
Op
verzoek van het Kamerlid Huizing (VVD)
heeft de Minister van SZW
tijdens de
begrotingsbehandeling 2012 toegezegd te
bezien welke verbeteringen kunnen worden
aangebracht in de financiering van de ZW
ten behoeve van een goed werkend hybride
stelsel. In dat kader worden per 2013 al
de volgende aanpassingen doorgevoerd.
Op dit
moment wordt de publieke premie bepaald
op basis van de totale loonsom
(inclusief bedrijven die
eigenrisicodrager zijn). De premie is
daardoor kunstmatig laag. Anderzijds
worden de staartlasten van uittredende
bedrijven gefinancierd door de premie
van de achterblijvende publiek
verzekerde werkgevers, waardoor de
premie kunstmatig hoger wordt. De
premiestelling wordt op deze punten
verbeterd door de premie ZW te bepalen
op basis van de loonsom van de publiek
verzekerde bedrijven en de staartlasten
te financieren uit een premie die door
zowel de publiek verzekerde als de
privaat verzekerde bedrijven wordt
betaald.
Voor de
uitzendsector is sprake van een
lastenplafond van 75% van de sectoraal
gedragen ZW- en
WGA-lasten. Boven dit
lastenplafond vindt overdracht van
lasten plaats naar het AWf en Aof, zodat
de meerlasten landelijk worden verevend.
De vormgeving van dit lastenplafond
wordt verbeterd, zodat de landelijke
bijdrage zich gaat richten op zowel
publiek als privaat verzekerde
werkgevers, waar thans alleen publiek
verzekerde werkgevers baat hebben bij
het lastenplafond. Dit gebeurt door de
verevening vorm te geven als een vaste
bijdrage van het Aof naar het
sectorfonds Uitzendbedrijven. Op deze
manier hebben uitzendwerkgevers in zowel
het publieke als in het private bestel
baat bij de compensatie. De structurele
omvang van de vaste bijdrage zal
eenmalig worden vastgesteld bij
ministeriële regeling. De bijdrage in
het jaar voorafgaand aan het moment van
inwerkingtreding van dit onderdeel van
het wetsvoorstel is leidend. Indien
naast de vaste bijdrage ook verevening
via de premiestelling te verwachten is,
kan de bijdrage hiervoor worden
gecorrigeerd.
rblz.|30|
6.4.
Werkgeversprikkels in twee stappen
De
werkgeversprikkels voor WGA-flex en ZW
worden in twee stappen geïntroduceerd.
Per 2014 wordt in de bestaande hybride
en publieke verzekeringsstelsels voor ZW
en WGA-flex individuele
premiedifferentiatie geïntroduceerd
voor grote werkgevers. In tabel 3 is de
vormgeving van de financiering van de ZW
en WGA per 2014 schematisch weergeven.
Tabel 3.
Vormgeving van het financieringsstelsel
per 2014:
Verzekering
Werkgeversgrootte |
ZW |
WGA-flex |
WGA-vast |
| Groot |
Hybride
Individuele
premiedifferentiatie
|
Publiek
Individuele
premiedifferentiatie |
Hybride
Individuele
premiedifferentiatie |
| Middel |
Hybride
Premie
deels individueel, deels sectoraal
bepaald |
Publiek
Premie
deels individueel, deels sectoraal
bepaald |
Hybride
Premie
deels individueel, deels sectoraal
bepaald |
| Klein |
Hybride
Sectoraal
bepaalde premie |
Publiek
Sectoraal
bepaalde premie |
Hybride
Sectoraal
bepaalde premie |
2016: hybride stelsel WGA-vast en WGA-flex
De tweede
stap in de invoering van
werkgeverprikkels gericht op flexwerkers
is het samenvoegen van de premiestelling
van WGA-flex met WGA-vast. Hiermee
ontstaat een gecombineerd hybride
WGA-stelsel. Werkgevers kunnen kiezen
voor publieke verzekering met
premiedifferentiatie of uit de publieke
WGA-verzekering te treden en
eigenrisicodrager te worden voor hun
totale WGA-lasten met de mogelijkheid
zich privaat te verzekeren. In tabel 4 is
de vormgeving van de financiering van de
ZW en WGA per 2016 schematisch
weergeven.
Tabel 4.
Vormgeving van het financieringsstelsel
per 2016:
Verzekering
Werkgeversgrootte |
ZW |
WGA-totaal |
| Groot |
Hybride
Individuele
premiedifferentiatie |
Hybride
Individuele
premiedifferentiatie |
| Middel |
Hybride
Premie
deels individueel, deels sectoraal
bepaald |
Hybride
Premie
deels individueel, deels sectoraal
bepaald |
| Klein |
Hybride
Sectoraal
bepaalde premie |
Hybride
Sectoraal
bepaalde premie |
6.5.
Vormgeving van fondsen en kassen
Inrichting
van de fondsen voor
werknemersverzekeringen
Dit
wetsvoorstel creëert een zo helder
mogelijk onderscheid tussen de
financiering van ziekte en
arbeidsongeschiktheid enerzijds en van
werkloosheid anderzijds. Vereenvoudiging
van de fondsbelasting langs deze weg
draagt bij aan de zichtbaarheid van de
verhouding tussen sociale premies en
lasten voor werkgevers en aan een
gestroomlijnde uitvoering.
De
financiering van de ZW-
en de WGA-uitkeringen voor flexibele werknemers
wordt onderdeel van de
Werkhervattingskas. Het onderscheid
tussen werknemers met een
dienstbetrekking voor onbepaalde tijd en
werknemers met een flexibele
dienstbetrekking heeft aanleiding rblz.|31|
gegeven tot een complexe
financieringsstructuur. Enerzijds is in
de Werkhervattingskas sprake van een
individueel vastgestelde premie per
werkgever ter dekking van de WGA-lasten
voor werknemers met een vast
dienstverband. Anderzijds is ter dekking
van de WGA-lasten voor de vangnetters
sprake van een sectoraal bepaalde premie
in de sectorfondsen en de premie voor
het Uitvoeringsfonds voor de overheid
(Ufo). Met dit wetsvoorstel vervalt
uiteindelijk dit onderscheid in de
financiering op basis van contractvorm.
Gevolgen
voor de premies
De
premielast van publiek verzekerde
werkgevers blijft bij inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel gemiddeld gelijk.
De bestaande lasten blijven gedekt door
premies. Op individueel niveau zal de
premie wijzigen zoals beoogd door middel
van een meer gerichte doorrekening van
lasten. In de hierop volgende jaren is
als gevolg van de versterkte activerende
werking van dit wetsvoorstel een daling
voorzien van de totale geraamde
uitkeringslasten en premies om deze te
dekken.
De
financiering van de lasten voor het
vangnet ZW en
WGA die nu plaatsvindt via
de sectorfondsen en het Ufo wordt
overgeheveld naar de Werkhervattingskas.
Het voorstel regelt hiermee dat alle
lasten van de ZW en de WGA van publiek
verzekerden (vast en vangnet) worden
gefinancierd via de Werkhervattingskas.
Aan het deel van de WGA-lasten dat
doorbelast wordt via de publieke
premiedifferentiatie dan wel via eigen
risico dragen, wordt met dit
wetsvoorstel niets veranderd (de
loonaanvulling boven de
WGA-vervolguitkering valt hier niet
onder). Het niveau van de premie voor de
Werkhervattingskas zal op het moment van
de overgang stijgen, omdat de ZW-lasten
en WGA-lasten die nu nog voor rekening
van de sectorfondsen komen hiernaar
worden overgeheveld. De totale premie
voor de sectorfondsen en voor het Ufo
zal tegelijkertijd dalen.
Voor een
aantal bijzondere groepen waarvoor
landelijke verevening wenselijk is,
blijven de ZW-lasten en
WGA-lasten
publiek gefinancierd en verloopt de
financiering via het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Dit
betreft uitkeringen op grond van de ZW
en WGA voor werknemers met aanspraak op
ziekengeld op grond van de no-riskpolis,
voor orgaandonoren en voor ziekte als
gevolg van zwangerschap/bevalling. Om te
voorkomen dat per uitkering steeds de
fondsbelasting moet worden gewijzigd,
blijven de ziektelasten van zieke
werklozen gefinancierd via het AWf en
Ufo. Hiernaast blijven ook
WGA-uitkeringen langer dan tien jaar,
onverhaalbare ZW-uitkeringen, IVA-uitkeringen, WAO-uitkeringen,
WAZ-uitkeringen en
Wazo-uitkeringen
onveranderd gefinancierd via het Aof.
Kosten
waarvoor verhaal door UWV
niet mogelijk
is na faillissement van de
eigenrisicodrager ZW
worden gefinancierd
vanuit het Aof, waarvoor een uniforme
premie geldt voor alle werkgevers. Bij
de WGA blijft het uitgangspunt dat de
kosten worden verhaald op de
garantsteller van de eigenrisicodrager;
alleen in die incidentele gevallen dat
dat niet mogelijk is, worden de
uitkeringen doorbelast aan het Aof.
Inrichting
van de fondsen in detail
-
Werkhervattingskas (Whk): alle
lasten van de ZW
en de WGA-flex en
-vast van publiek verzekerde
werkgevers, behoudens lasten die
voor rekening van het Aof komen; een
individuele premie bestaande uit
drie componenten voor ZW, WGA-flex
en WGA-vast. Met het opgaan van
WGA-flex in het hybride WGA-stelsel
worden de WGA-componenten rblz.|32|
samengevoegd en bestaat de
individuele premie voor publiek
verzekerden uit twee componenten (ZW
en WGA).
- Arbeidsongeschiktheidsfonds
(Aof):
lasten van arbeidsongeschiktheid
voor zover niet gedekt door de
Werkhervattingskas: WGA na tien
jaar, ZW en WGA op grond van
no-riskpolis, IVA, WAO,
WAZ, Wazo;
uniforme premie voor alle
werkgevers.
- Sectorfondsen: werkloosheid eerste
zes maanden in de markt; sectoraal
bepaalde premie.
- Algemeen Werkloosheidsfonds
(AWf):
lasten van werkloosheid na zes
maanden in de markt, zieke
werklozen; uniforme premie voor alle
marktwerkgevers.
- Uitvoeringsfonds voor de
overheid
(Ufo): werkloosheid ongeacht duur
met verhaal op overheidswerkgever,
zieke werklozen; uniforme premie
voor werkgevers van alle
overheidswerknemers.
Tabel
5. Bestaande en voorgestelde
fondsbelasting:
| Bestaand
systeem |
Werkloosheid |
Ziekte
en arbeidsongeschiktheid |
| Whk |
– |
WGA-uitkeringen
van vaste werknemers gedurende
eerste tien jaar van publiek
verzekerde werkgevers |
| Aof |
– |
-
WGA-uitkeringen
voor zover niet ten laste van
Werkhervattingskas of sectorfonds
- IVA-uitkeringen
- WAO-uitkeringen
- WAZ-uitkeringen |
| Sectorfondsen |
Eerste
zes maanden van werkloosheid |
ZW
van publiek verzekerde werkgevers
en WGA-uitkeringen gedurende
eerste tien jaar van werknemers
uit het vangnet |
| AWf |
Werkloosheid
na zes maanden |
ZW
voor werknemers in de markt op
grond van no-riskpolis,
zwangerschaps- en
bevallingsuitkeringen, zieke
werklozen |
| Ufo |
Werkloosheid
bij overheidswerkgevers, verhaald
op de overheidswerkgevers |
ZW
en WGA voor overheidswerknemers op
grond van no-riskpolis,
zwangerschaps- en
bevallingsuitkeringen, zieke
werklozen |
| Voorgesteld
systeem |
Werkloosheid |
Ziekte
en arbeidsongeschiktheid |
| Whk |
– |
ZW
en WGA-uitkeringen (flex + vast)
gedurende eerste tien jaar van
werknemers in dienst van publiek
verzekerde werkgevers |
| Aof |
– |
-
ZW
op grond van no-riskpolis,
zwangerschaps- en
bevallingsuitkeringen
- WGA-uitkeringen
voor zover niet ten laste van
Werkhervattingskas, onverhaalde
ZW-uitkeringen
- IVA-uitkeringen
- WAO-uitkeringen
- WAZ-uitkeringen |
| Sectorfondsen |
Eerste
zes maanden van werkloosheid |
– |
| AWf |
Werkloosheid
na zes maanden |
Zieke
werklozen |
| Ufo |
Werkloosheid
bij overheidswerkgevers, verhaald
op de overheidswerkgevers |
Zieke
werklozen |
rblz.|33|
6.6.
Gevolgen voor de uitvoering
Gevolgen
voor het UWV
Werkgevers
krijgen de mogelijkheid om
eigenrisicodrager te worden voor het ZW-
en WGA-risico (inclusief het WGA-risico
van flexwerkers per 2016).
Eigenrisicodragers zijn de publieke
premie(delen) niet verschuldigd. Voor de
werkgever die eigenrisicodrager is voor
de WGA voert het UWV
de noodzakelijke
werkzaamheden uit met betrekking tot
vaststelling van het recht, de duur en
de hoogte. Eventueel betaalt het UWV ook
de uitkering aan de werknemer en brengt
het UWV de uitkeringslasten in rekening
bij de eigenrisicodrager. Alleen voor de
kosten van de uitbetaling en het verhaal
van de uitkering kan het UWV kosten in
rekening brengen bij de
eigenrisicodrager. De overige kosten
worden doorbelast aan de werkgevers via
het Aof.
De
uitvoering door het UWV
wordt in
algemene zin beperkter van omvang
naarmate minder werkgevers publiek zijn
verzekerd. Het UWV hoeft minder
individuele premieberekeningen per
werkgever te maken met minder bezwaar-
en beroepszaken en heeft minder
uitvoeringstaken rond
uitkeringsverstrekking en re-integratie.
Daarnaast worden de premieberekeningen
voor het UWV eenvoudiger naarmate de
publieke premie gemakkelijker is vast te
stellen. Hier zijn twee tegengestelde
effecten van dit wetsvoorstel te
onderscheiden. Enerzijds wordt de premie
voor kleine werkgevers voor de WGA-vast
niet meer individueel maar sectoraal
bepaald. Bovendien worden de lasten aan
minder verschillende fondsen toegerekend
doordat de ZW
en de WGA voor vast en
flexibel samengaan in de
Werkhervattingskas. Deze wijzigingen
maken de uitvoering voor het UWV ten aanzien
van de premieberekening (met
mogelijkheid voor bezwaar- en beroep)
eenvoudiger. Anderzijds wordt met dit
wetsvoorstel individuele
premiedifferentiatie voor de ZW en
WGA-flex geïntroduceerd waar de premie
nu sectoraal bepaald is. Dit betekent
een verzwaring van de uitvoering.
Gevolgen
voor de belastingdienst
De belastingdienst
deelt jaarlijks aan de
publiek verzekerde werkgevers de hoogte
van de premie voor de Werkhervattingskas
mee. In 2014 en 2015 betreft dit drie
afzonderlijke premieonderdelen van de
Werkhervattingskas (ZW-deel voor publiek
verzekerden, WGA-vast deel voor publiek
verzekerden en WGA-flex deel voor alle
verzekerden). Vanaf 2016 betreft dit
twee afzonderlijke premieonderdelen
voor publiek verzekerde werkgevers. De belastingdienst
blijft controleren of
werkgevers de juiste premie betalen, dus
of werkgevers een premie betalen in
overeenstemming met de medegedeelde
premiebeslissingen. Basis voor de
premiedifferentiatie vormt de totale
loonsom van de werkgever. Dit is een
gegeven dat reeds is opgenomen in de
loonaangifteketen.
Werkgevers
die nu al eigenrisicodrager zijn voor de
WGA-lasten voor vaste werknemers moeten
een aanvullende schriftelijke garantie
overleggen aan de belastingdienst indien
zij ook voor de WGA-vangnetrisico’s
eigenrisicodrager willen worden vanaf
inwerkingtreding van dit onderdeel van
het wetsvoorstel (1 januari 2016). De
garantstelling voor eigenrisicodragers ZW
vervalt met dit
wetsvoorstel.
6.7.
Overgangsregime
De
aanpassingen in dit wetsvoorstel hebben
gevolgen voor de financieringswijze van
zowel lopende als nieuwe
uitkeringslasten. In deze paragraaf
worden de relevante aspecten van de
overgang naar de beoogde
financieringsystematiek beschreven. De
beoogde invoeringsdatum rblz.|34|
van 1 januari
2014 voor de financiële prikkels voor
werkgevers is in principe haalbaar,
afhankelijk van de keuzes die gemaakt
worden bij de nadere uitwerking bij
lagere regelgeving. Het is voor het UWV
niet mogelijk de voorstellen per 1
januari 2013 (zoals is beoogd voor de
overige onderdelen van het
wetsvoorstel)
uit te voeren, gezien de voorbereiding-
en implementatieperiode die voor de
introductie van een uitbreiding van de
bestaande premiedifferentiatie benodigd
is alsmede de betrouwbaarheid van de
benodigde gegevens. In de
oorspronkelijke systematiek registreerde
de uitvoeringsadministratie de
vangnetgegevens niet op individueel
werkgeversniveau, maar op sectoraal
niveau. Met ingang van 2012 worden de
flexrisico's ook op individueel
werkgeversniveau geregistreerd.
Verhaal
van WGA-premie op de werknemer
De
premies voor de WGA
zijn verschuldigd
door de werkgever. In de bestaande
systematiek heeft de werkgever de
mogelijkheid om ten hoogste de helft van
de WGA premie die is bestemd voor de
Werkhervattingskas of de helft van de
kosten van WGA-uitkeringen als hij
eigenrisicodrager is, te verhalen op het
nettoloon van de werknemer. De premie
voor de Werkhervattingskas gaat na
inwerkingtreding van deze wet ook de ZW-lasten en WGA-lasten van vangnetters
omvatten, die thans worden gefinancierd
uit de sectorfondsen. De premie voor de
ZW is een zelfstandige premieonderdeel
van de Werkhervattingskas. De premie
voor de WGA-flex in 2014 en 2015 ook,
maar per 2016 is deze integraal
onderdeel van de WGA (samengevoegd met
WGA-vast).
De
bestaande verhaalsmogelijkheid WGA
is op
verzoek van sociale partners opgenomen
in de Wet financiering sociale
verzekeringen (Wfsv). Het verhaalsrecht
vormt een uitzondering op het stelsel
van werknemersverzekeringen, waarbij de
premies verschuldigd zijn door
werkgevers en niet voor rekening komen
voor werknemers. Het verhaalsrecht heeft
betrekking op de premie voor de
Werkhervattingskas en de kosten van de
eigenrisicodrager WGA. Er is geen
verhaal mogelijk van de premie en
uitkeringslasten van de uitkeringen die
ten laste van de sectorfondsen komen en
de kosten van eigen risico dragen ZW.
Conform de bestaande systematiek zal het
verhaalsrecht van toepassing zijn op de
WGA-lasten in de Werkhervattingskas en
de kosten van eigen risico dragen WGA. De
facto wordt hiermee het verhaal mogelijk
voor WGA-lasten vast en flex.
Opslag
kinderopvang
De premie
voor de werkgeversbijdrage kinderopvang
is door alle werkgevers verschuldigd. De
opslag op de premie ten behoeve van
kinderopvang die nu wordt vastgesteld
bovenop de sectorfondspremie
respectievelijk de Ufo-premie zal worden
vervangen door een identieke opslag op
de Aof-premie. De hoogte van de
sectorpremie en de Ufo-premie wordt
hierdoor meer inzichtelijk; deze wordt
nog alleen bepaald door de
werkloosheidslasten.
Eigenrisicodragers
ZW en WGA
De
bestaande eigenrisicodragers ZW
blijven
eigenrisicodrager bij inwerkingtreding
van deze wet. Werkgevers kunnen
eigenrisicodrager worden via een
aanvraag bij de belastingdienst. Een
garantstelling is met ingang van 2013
niet meer nodig.
De
bestaande eigenrisicodragers WGA
blijven
eigenrisicodrager bij inwerkingtreding
van deze wet. Werkgevers kunnen
eigenrisocodrager worden voor de
WGA-vast via een aanvraag bij de belastingdienst
met rblz.|35|
overlegging van een
garantstelling. De garantstellingen die
thans worden afgegeven, strekken zich
alleen uit tot de lasten van vaste
werknemers. De WGA-flex lasten gaan per
2016 op in het hybride WGA-stelsel.
Betrokken werkgevers zullen uiterlijk 1
oktober 2015 een aanvullende
garantstelling, die de flexlasten dekt,
moeten overleggen bij de belastingdienst
om in aanmerking te komen voor
eigenrisicodragerschap voor de WGA (flex
en vast). Indien de uitgebreide garantie
niet tijdig wordt overgelegd, eindigt het
eigenrisicodragerschap per 1 januari
2016. In dit geval keert de werkgever
terug in het publieke bestel voor de
WGA-lasten.
7.
Financiële gevolgen, administratieve
lasten, internationale gevolgen en
gevolgen voor de arbeidsmarkt
7.1.
Financiële gevolgen
De in dit
wetsvoorstel voorgestelde maatregelen
hebben consequenties voor de
uitkeringslasten en de
uitvoeringskosten. Hieronder worden de
totale budgettaire consequenties in
tabelvorm weergegeven en toegelicht.
Tabel 6.
Financiële effecten van maatregelen (x
€|1 mln):
| |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
Struc-
tureel |
| 1.
Nieuw ZW-criterium: |
| Uitkeringslasten |
x |
x |
–29x |
–74x |
–92x |
–92x |
–92x |
| Uitvoeringskosten |
1x |
5x |
16x |
17x |
17x |
17x |
17x |
| 2.
Premiedifferentiatie voor
werkgevers: |
| Uitkeringslasten |
x |
–8x |
–40x |
–50x |
–75x |
–89x |
–120x |
| Uitvoeringskosten |
x |
PMx |
PMx |
PMx |
PMx |
PMx |
PMx |
| 3.
Re-integratiemaatregelen: |
| Uitkeringslasten |
x |
–15x |
–15x |
–15x |
–15x |
–15x |
–15x |
| Uitvoeringskosten |
x |
3x |
3x |
3x |
3x |
3x |
3x |
| 4.
Arbeidsverledeneis: |
| Uitkeringslasten |
–40x |
–65x |
–65x |
–65x |
–65x |
–65x |
–65x |
| Uitvoeringskosten |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
3x |
3x |
| Totaal: |
| Totaal |
3x |
–52x |
–127x |
–181x |
–224x |
–238x |
–269x |
1. Een
nieuw ZW-criterium
Doordat
de vangnetter op grond van dit
wetsvoorstel na het eerste ziektejaar
wordt beoordeeld op basis van "algemeen
geaccepteerde arbeid", neemt het aantal
vangnetters dat langer dan één jaar ziek
is af. De omvang van het langdurend
verzuim neemt hierdoor af. Op dit moment
worden vangnetters immers pas na twee jaar
conform dit criterium beoordeeld wanneer
zij een WIA-aanvraag doen. Als gevolg
van de onderhavige maatregel stroomt een
deel van de vangnetters dat nu langer
dan één jaar ziek is na één jaar al uit de
ZW, in plaats van na maximaal twee jaar.
Hierdoor stromen ongeveer 12 000
personen eerder de ZW uit. Een deel
hiervan doet alsnog beroep op WW
of Wwb.
Conform de Financiële-verhoudingswet
worden gemeenten gecompenseerd voor dit
hogere beroep op Wwb. Uiteindelijk
verlaten circa 10 000 vangnetters eerder
de uitkering. Dit komt overeen met
ongeveer 6600 uitkeringsjaren. De
besparing bedraagt in de structurele
situatie €|92 mln op de
uitkeringslasten.
De
uitvoeringskosten voor het UWV
bedragen
structureel €|17 mln. Dit is het saldo
van een besparing op de WIA-uitvoeringskosten en extra ZW-uitvoeringskosten. In de structurele
situatie is het saldo van
uitkeringslasten en uitvoeringskosten €|75 mln.
rblz.|36|
2.
Premiedifferentiatie voor werkgevers
Structureel
wordt door deze maatregel €|120 mln
bespaard. Dit is het saldo van een
besparing van €|125 mln door
individuele premiedifferentiatie bij
grote werkgevers en extra uitgaven van €|5 mln door sectorale
premiedifferentiatie voor kleine
werkgevers.
Grote
werkgevers
Door deze
maatregel worden grote werkgevers
individueel belast voor de vangnet-ZW-
en WGA-lasten van hun (ex-)werknemers.
De verwachting is dat dit leidt tot meer
inspanningen van grote werkgevers om
ziekteverzuim van flexwerkers te
voorkomen en te beperken. Hierdoor neemt
naar verwachting het aantal
uitkeringsjaren in de ZW met 3000 en in
de WGA met 5000 af. De besparing op de
uitkeringslasten wordt geraamd op
structureel €|125 mln. Hiervan is €|40 mln een besparing op de
ZW-uitkeringslasten en €|85 mln een
besparing op de WIA-uitkeringslasten. De
besparing voor de eerste jaren is lager
dan de structurele besparing. Dit komt
voornamelijk doordat het effect op de Wet
WIA langzaam opbouwt.
Kleine
werkgevers
In de
huidige situatie worden kleine
werkgevers individueel belast voor de WGA-lasten van hun werknemers met een
vast dienstverband en op sectoraal
niveau voor hun vangnet-ZW-lasten. Met
dit wetsvoorstel wordt de individuele
doorbelasting bij de WGA voor kleine
werkgevers vervangen door een
doorbelasting op sectorniveau.
De
prikkel voor een werkgever om het
ziekteverzuim van flexwerkers te
voorkomen of te beperken, wordt kleiner.
De WIA-lasten worden immers niet meer
individueel toegerekend aan de kleine
werkgevers. Bij iets grotere werkgevers
is sprake van een combinatie van een
sectorale en individuele premie. Uit
onderzoek is gebleken dat de
effectiviteit van deze prikkel voor
kleine werkgevers niet groot is (een
factor negen kleiner dan voor grote
werkgevers). Hierdoor is ook de stijging
van het aantal uitkeringen beperkt,
namelijk ongeveer 300 uitkeringsjaren. Dit leidt tot een
stijging van de uitkeringslasten van
ongeveer €|5 mln.
De kosten
voor de eerste jaren zijn lager dan de
structurele kosten. Voornamelijk komt
dit doordat het effect op de Wet WIA
langzaam opbouwt.
De raming
van de effecten van premiedifferentiatie
op de uitkeringslasten is gebaseerd op
beschikbare literatuur over het effect
van Pemba en loondoorbetaling bij
ziekte. Daarbij is er rekening mee
gehouden dat door verschillende
omstandigheden (andere doelgroep en
minder mogelijkheden voor re-integratie
eerste spoor) de effectiviteit van
financiële prikkels voor de werkgevers
van flexwerkers geringer is dan bij
vaste werknemers.
Met
betrekking tot de uitvoeringskosten van
premiedifferentiatie is een PM-post
opgenomen. Meer zicht op het effect voor
de uitvoeringskosten ontstaat zodra het UWV
en de belastingdienst
een
uitvoeringstoets hebben uitgebracht op
de lagere regelgeving die hoort bij dit
onderdeel van het
wetsvoorstel.
3.
Re-integratiemaatregelen
Het
effect van de voorgestelde
re-integratiemaatregelen is per saldo
een besparing van €|12 mln. Deze
besparing is met name het effect van de
door het UWV
en de uitzendsector in een
pilot beproefde werkwijze om
uitzendkrachten die weer passend werk
kunnen verrichten sneller een passend
werkaanbod te doen. Met betrekking tot
de overige rblz.|37|
re-integratiemaatregelen zal
enerzijds met name de verlenging van de
maximale duur van de proefplaatsing
ertoe leiden dat vangnetters voor
langere periode werken met behoud van
ziekengeld. Anderzijds bieden de
voorgestelde maatregelen, waaronder de
verruiming van de proefplaatsing, meer
mogelijkheden voor vangnetters tot
re-integratie en snellere
werkhervatting.
4.
Arbeidsverledeneis
Als
gevolg van de arbeidsverledeneis hebben
vangnetters met een kort arbeidsverleden
na verloop van tijd recht op een minimum-ZW-uitkering in plaats van een
loongerelateerde ZW-uitkering. Geraamd
wordt dat de uitkeringslasten hierdoor
in 2013 met €|40 mln afnemen. In de
jaren daarna is sprake van een
jaarlijkse besparing van €|65 mln.
De
uitvoeringskosten van dit onderdeel van
het wetsvoorstel bedragen afgerond €|3
mln.
7.2.
Effect op administratieve lasten
De
maatregel "een nieuw ZW-criterium"
heeft structureel effect op de
administratieve lasten van burgers.
Allereerst moet de burger kennisnemen
van de nieuwe wet. Dit kost gemiddeld
tien minuten per ZW-gerechtigde. Een groot
deel van de personen die voorheen niet
met de WIA-beoordeling te maken had,
moet nu wel een beoordeling ondergaan.
Ook moet een groot deel van de personen
die wel aan de WIA-poort komen een
extra beoordeling na één jaar doen. De
extra beoordeling kost alle
ZW-gerechtigden die langer dan één jaar
ziek zijn ongeveer 95 minuten. De extra
beoordeling leidt er tevens toe dat meer
burgers bezwaar gaan maken. Alleen van
de personen die zijn goedgekeurd, maakt
een deel bezwaar. Een bezwaarzaak kost
ongeveer 90 minuten per persoon. Ook
worden de re-integratieplichten
aangescherpt, waarover de zieke
werknemers zich bij het UWV
moeten
verantwoorden. Dit verantwoorden kost
ongeveer vijftien minuten per ZW-gerechtigde.
Alle
bedrijven moeten kennisnemen van de
nieuwe regelgeving wat betreft de
premiedifferentiatie. De lasten die
gepaard gaan met deze kennisname zijn
ongeveer €|0,3 mln. Hiernaast lopen
eigenrisicodragers tegen extra
administratieve lasten aan. De overige
onderdelen van dit wetsvoorstel hebben
geen effect op de regeldruk.
Geen van
de voorstellen heeft invloed op de
interbestuurlijke lasten en de regeldruk
voor professionals wijzigt niet als
gevolg van dit
wetsvoorstel.
7.3.
Internationale aspecten
In deze
paragraaf wordt ingegaan op de
internationale aspecten van dit
wetsvoorstel. Met name wordt ingegaan op
de vraag hoe dit wetsvoorstel zich
verhoudt tot de Europese Code inzake
sociale zekerheid en twee normverdragen
van de ILO [International Labour
Organization, red.]: ILO-verdrag nr. 121 en
ILO-verdrag nr. 130.
Een
belangrijke karakteristiek van de
normverdragen van de ILO is dat zij de
verdragssluitende staten de nodige
ruimte laten bij de inrichting van hun
socialezekerheidsstelsel. De wijze
waarop de verschillende risico’s
worden gedekt, de criteria die voor de
verschillende begrippen worden aangelegd
(werkloosheid, arbeidsongeschiktheid),
alsook de wijze van uitvoering (publiek
of privaat), zijn in principe een zaak
van de verdragssluitende landen, mits
daarbij aan de bepaalde normen wordt
voldaan. In dit verband is van belang
dat een verdragsstaat kan kiezen voor
een uitkeringsnorm waarbij de uitkering
ten minste een percentage bedraagt van
het laatstverdiende loon of voor een
norm waarbij de uitkering ten rblz.|38|
minste een
percentage bedraagt van het loon van een
ongeschoolde werknemer of het
wettelijk minimumloon.
Een
minimumnorm, die ILO-verdrag nr. 121
(arbeidsongeschiktheid als gevolg van
bedrijfsongevallen en beroepsziekten) in
dit verband stelt, is de minimumnorm ten
aanzien van de uitkeringshoogte. De
artikelen 19, eerste lid, en artikel 20,
eerste lid, van ILO-verdrag nr. 121
schrijven namelijk voor dat de uitkering
bij volledige arbeidsongeschiktheid ten
minste 60% bedraagt van het
laatstverdiende loon c.q. het
wettelijk minimumloon.
Als
gevolg van de invoering van de
arbeidsverledeneis wordt met dit
wetsvoorstel weliswaar de hoogte van het
ziekengeld aangepast, maar de hoogte van
de uitkering blijft daarmee binnen de
grenzen van ILO-verdrag nr. 121. Immers,
het ziekengeld bedraagt in de
vervolgfase 70% van het wettelijk
minimumloon. Dat is meer dan de
voorgeschreven norm van 60% van het
wettelijk minimumloon. Daarmee voldoet
het onderhavige wetsvoorstel dan ook aan
voornoemde bepalingen.
Voorts is
ILO-verdrag nr. 121 nog van belang in
verband met de onderhavige aanpassing
van het ZW-criterium. In dit
wetsvoorstel wordt immers ten aanzien
van de ZW - evenals ten aanzien van de Wet WIA
- de facto een minimumarbeidsongeschiktheidspercentage
gehanteerd van 35%. Het Comité van
Deskundigen van de ILO heeft de
zienswijze dat deze ondergrens in strijd
is met ILO-verdrag nr. 121. De regering
onderschrijft dit standpunt niet. Kort
gezegd is de regering van mening dat
artikel 14, eerste lid, van ILO-verdrag
nr. 121 de Nederlandse staat de
beleidsruimte biedt om de hoogte van de
ondergrens zelf vast te stellen. Die
ondergrens moet op grond van dit artikel
weliswaar zodanig worden vastgesteld dat
"hardship" wordt voorkomen, maar ook
daaraan heeft Nederland volgens de
regering voldaan, doordat deze groep
aanspraak kan maken op een uitkering op
grond van de WW
of de Wwb. Voor een meer
uitvoerige toelichting op het standpunt
van de regering wordt verwezen naar de
brief van de Staatssecretaris van SZW
aan de Tweede Kamer over dit onderwerp
van 6 april 2011.¹
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 29 427, nr.
10.
Daarnaast
zijn in ILO-verdrag nr. 130 normen
neergelegd ten aanzien van onder meer
uitkeringen bij ziekte. Krachtens de
artikelen 7 en 18 van dit verdrag heeft
de nationale wetgever de beleidsruimte
om zelf het stelsel van uitkeringen te
bepalen. Wel bevat dit verdrag normen
voor de hoogte en de duur van het
ziekengeld bij kortdurende
arbeidsongeschiktheid. Zo moet het
ziekengeld worden verleend tijdens de
volledige duur van de ziekte, maar mag
de duur van de uitkering begrensd worden
tot 52 weken per ziektegeval. Hierin
wordt geen wijziging aangebracht met
het onderhavige wetsvoorstel. Het
wetsvoorstel voldoet dan ook aan de
normen uit Verdrag nr. 130.
Met
betrekking tot de Europese code inzake
sociale zekerheid is van belang dat in
artikel 14 van deze code is bepaald dat
het door verzekering gedekte geval moet
omvatten ongeschiktheid tot werken,
welke voortspruit uit een ziektetoestand
en welke derving van inkomsten uit
arbeid met zich brengt, zoals nader
geregeld bij nationale wetgeving. Het
wetsvoorstel voldoet aan deze bepalingen
uit de Europese code.
Op basis
van het vorenstaande is de regering van
mening dat het onderhavige wetsvoorstel
in overeenstemming is met
internationaalrechtelijke normen en
verplichtingen.
rblz.|39|
7.4.
Arbeidsmarkteffecten
Aan de
voornemens in dit wetsvoorstel zijn
uiteenlopende arbeidsmarkteffecten
verbonden. Onderstaand wordt hierop
nader ingegaan.
Momenteel
is er voor werkgevers een duidelijke
financiële stimulans (loondoorbetaling
en gedifferentieerde WGA-premie) om te
investeren in inzetbaarheid en in het
voorkomen van ziekte en
arbeidsongeschiktheid van vaste
werknemers. Bij flexwerkers bestaan deze
prikkels voor werkgevers niet, waardoor
werkgevers een door het stelsel
ingegeven motief kunnen hebben om te
kiezen voor deze vorm van flexibiliteit.
Flexibiliteit is in dat geval geen vorm
van arbeidsmarktdynamiek, maar een
onevenwichtigheid. De evaluatie van het
gevoerde beleid toont ook duidelijk aan
dat financiële prikkels in de vorm van
loondoorbetaling of premiedifferentiatie
positief effect hebben. Zo is de
instroom in arbeidsongeschiktheid in de
periode 1999-2009 met 71% afgenomen.
Premiedifferentiatie (Pemba) en
loondoorbetaling (verlenging
loondoorbetaling naar twee jaar) hebben
daaraan een belangrijke bijdrage
geleverd. Voor vangnetters geldt dat de ZW
nu nog onvoldoende activerend werkt.
Met de
voorstellen zoals deze zijn opgenomen in
dit wetsvoorstel wordt het stelsel bij
ziekte en arbeidsongeschiktheid van
vangnetters meer activerend. De
beperking van langdurig verzuim en
beroep op de Wet WIA
die voortvloeien
uit dit wetsvoorstel hebben tot gevolg
dat het aantal uitkeringsgerechtigden in
de ZW en in de
WGA afneemt. Dit is een
positief arbeidsmarkteffect.
Een ander
positief arbeidsmarkteffect wordt
bereikt doordat met dit wetsvoorstel de
ZW-lasten voor vangnetters afnemen. Door
de daling van de ZW-lasten dalen de
hiermee gemoeide werkgeverslasten van
uitzendkrachten en tijdelijk personeel.
Werkgevers worden ook meer dan nu het
geval is, beloond voor hun preventie- en
re-integratie-inspanningen. De resultaten
hiervan werken namelijk door in de
individuele premiedifferentiatie (voor
grote werkgevers).
Een
andere toerekening van de kosten van
ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
kan ook langs andere weg invloed hebben
op de inzet van flexibele arbeid. Een
mogelijk negatief aspect is dat de
toegang tot flexibele arbeid (en daarmee
als vervolgstap eventueel vaste arbeid)
aan werknemers wordt onthouden als
gevolg van risicoselectie door
werkgevers (selectie aan de poort). Een
andere vorm van risicoselectie is dat
tijdelijke dienstverbanden of opdrachten
niet worden verlengd vanwege een hoog
gepercipieerd risico, bijvoorbeeld omdat
zich gezondheidsproblemen hebben
voorgedaan op het werk (selectie na de
poort).
Het
risico van toegenomen risicoselectie
door werkgevers is bij de totstandkoming
van dit wetsvoorstel bezien. Uit
onderzoek is bekend dat al vóór de
invoering van financiële prikkels ten
aanzien van ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid een negatieve
inschatting van iemands gezondheid de
kansen om aangenomen te worden,
verminderden. De voornaamste reden die
werkgevers daarvoor aanvoeren, is de
continuïteit van de bedrijfsvoering.
Uit onderzoek blijkt dat deze
risicoselectie is toegenomen. In welke
mate de risicoselectie is gegroeid en in
welke mate dit is te herleiden tot de
toename van financiële prikkels is
echter niet af te leiden uit onderzoek.
Daartoe ontbreekt voldoende informatie
over de wijze van selecteren door
werkgevers.
rblz.|40|
Eveneens
blijkt uit onderzoek dat kleine
werkgevers meer aan risicoselectie doen
dan grote werkgevers. Terwijl anderzijds
grote werkgevers meer mogelijkheden
hebben en meer inspanningen leveren ten
aanzien van preventie en re-integratie.¹ Bij de vormgeving van
premiedifferentiatie is rekening
gehouden met deze resultaten uit
onderzoek. Zo wordt onderscheid gemaakt
tussen kleine en grote werkgevers. Voor
kleine werkgevers vindt financiering
plaats op basis van sectorale
premiedifferentiatie en voor grote
werkgevers vindt financiering plaats op
grond van individuele
premiedifferentiatie (voor middelgrote
werkgevers is sprake van een combinatie
van individuele en sectorale
premiedifferentiatie). De financiële
prikkels worden zodoende versterkt bij
die werkgevers waar de positieve
effecten (meer preventie en
verzuimbegeleiding) het grootst zijn en
de negatieve effecten (risicoselectie)
het kleinst.
1. Astri,
Effecten van nieuwe financiële prikkels
in ZW en WGA op risicoselectie,
september 2011.
Ten
aanzien van de arbeidsmarkteffecten is
voorts de Wet
op de medische keuringen (Wmk)
van belang. Die wet beperkt de
mogelijkheden van werkgevers om
aanstellingskeuringen te verrichten. Ook
staan voor groepen zoals WAO-gerechtigden en WIA-gerechtigden en
35-minners instrumenten ter beschikking
zoals de no-riskpolis en proefplaatsing.
De Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag
maakt het voor werkgevers
moeilijker om op gezondheid te
selecteren. Tevens ontneemt de
no-riskpolis het belang hiertoe van de
werkgever doordat voor specifieke
groepen (personen met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of
35-minners) eventueel ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid geen gevolgen
hebben voor de loondoorbetaling en/of
premiedifferentiatie.
8.
Ontvangen commentaren
Het
conceptwetsvoorstel is op
uitvoerbaarheid beoordeeld door het UWV,
de belastingdienst
en het Verbond van
Verzekeraars, op administratieve lasten
door het Adviescollege toetsing
regeldruk (Actal) en op
toezichtbaarheidsaspecten door de IWI.
Voorts zijn met de Stichting van de
Arbeid de maatregelen uit dit
wetsvoorstel besproken.
Actal
heeft een ex-antetoets uitgebracht met
betrekking tot de regeldruk. Actal
onderschrijft dat de doelstelling van
het overheidsbeleid noopt tot
wetswijziging. Op enkele punten verzoekt
Actal om de beschrijving van het effect
op de (incidentele) administratieve
lasten completer in beeld te brengen.
Conform dit verzoek is paragraaf 7.2 van
deze memorie van toelichting aangepast.
Daarnaast doet Actal een drietal
inhoudelijke voorstellen om de
administratieve lasten die gemoeid zijn
met het wetsvoorstel te beperken. Dit
betreft ten eerste het advies om het UWV
de ruimte te laten om de beoordeling of
iemand ziek is voor bepaalde vangnetters
op dossierstukken te laten verrichten.
In voorkomende situaties bestaat deze
mogelijkheid nu al en hierin wordt geen
wijziging aangebracht. Ten tweede
adviseert Actal om de ziekmeldingsplicht
van de flexwerkgever/het uitzendbureau
bij het UWV bij aanvang van de ziekte te
schrappen. In het conceptwetsvoorstel
zoals dat werd voorgelegd aan Actal was
nog voorzien in invoering van twee weken
loondoorbetaling voor uitzendbureaus.
Daarmee hield dit punt verband.
Voortschrijdend inzicht heeft ertoe
geleid dat de regering ervoor gekozen
heeft om deze maatregel niet in te
voeren. Daarmee komt ook het commentaar
van Actal op dit punt te vervallen. Tot
slot verzoekt Actal in te gaan op de
relatie tussen de voorstellen met
betrekking tot premiedifferentiatie en
het voornemen om te komen tot een
loonsomheffing. Op dit moment wordt
mogelijke uitwerking van de
loonsomheffing verkend. Daarbij wordt al
rekening gehouden met de huidige
systematiek van premiedifferentiatie. De
nu voorgestelde wijziging in de
premiedifferentiatie, waarbij ook voor
de ZW-lasten en de
WGA-lasten van
werknemers met een flexibel
dienstverband sprake zal zijn van
premiedifferentiatie en waarbij een rblz.|41|
onderscheid wordt gemaakt tussen kleine
en grote werkgevers, is niet prohibitief
voor de loonsomheffing. Conform het verzoek
van Actal zal ook de lagere regelgeving
met betrekking tot de
premiedifferentiatie ter beoordeling op
de administratieve lasten aan Actal
worden voorgelegd.
De belastingdienst
wijst in de
uitvoeringstoets op de bezwaren tegen
het gebruik van de loonsom van het
flexibele personeel als basis voor
premiedifferentiatie. Ook doet de belastingdienst
het voorstel om voor de
mogelijkheden van de gewenste prikkels
en de vormgeving daarvan aan te sluiten
bij de ontwikkelingen van de
loonsomheffing. Conform het advies van
de belastingdienst vormt de basis voor
de premiedifferentiatie de totale
loonsom van de werkgever. Over de
relatie met het voornemen om te komen
tot een loonsomheffing is ingegaan bij
een soortgelijke opmerking van Actal.
Het wetsvoorstel leidt tot extra
werkzaamheden in het kader van de
werkgeversadministratie. Bij lagere
regelgeving wordt de systematiek van
premiedifferentiatie nader
gespecificeerd. De belastingdienst zal
een uitvoeringstoets uitbrengen over
deze lagere regelgeving.
De IWI heeft het wetsvoorstel beoordeeld op
toezichtbaarheid. De IWI heeft laten
weten dat het wetsvoorstel geen
aanleiding geeft tot het maken van
opmerkingen met betrekking tot de
toezichtbaarheid. Daarnaast heeft de IWI
enkele wetstechnische opmerkingen
geplaatst. Deze opmerkingen zijn
verwerkt in de wettekst. Voorts had de
IWI een vraag over de voorwaarden voor
het recht op no-riskpolis. Op de
voorwaarden voor het recht op
no-riskpolis wordt ingegaan in hoofdstuk
5 van deze memorie van toelichting.
In de
uitvoeringstoets geeft het UWV
aan dat
het wetsvoorstel uitvoerbaar en
handhaafbaar is. De voor de meeste
onderdelen van het wetsvoorstel beoogde
invoeringsdatum van 1 januari 2013 acht
het UWV eveneens haalbaar. De beoogde
invoeringsdatum van 1 januari 2014 voor
de financiële prikkels voor werkgevers
is in principe haalbaar. Een definitief
oordeel over dit laatste punt kan het
UWV geven zodra de lagere regelgeving
met betrekking tot premiedifferentiatie
voor uitvoeringstoets aan het UWV is
voorgelegd.
Het UWV
wenste begin 2012 te starten met de
voorbereidingen voor implementatie van
het wetsvoorstel. Ten behoeve hiervan
geeft het UWV aan dat op dat moment
voldoende specificaties beschikbaar
dienen te zijn en dat door de Minister van SZW
is ingestemd met de start van de
implementatie. Daarnaast wijst het UWV
op de samenloop van wetgevings- en
beleidstrajecten per 1 januari 2013. Het
UWV stelt dat deze samenloop vergt dat
keuzes gemaakt worden. Over de wijze van
implementatie van de maatregelen uit dit
wetsvoorstel zijn met het UWV nadere
afspraken gemaakt. De opmerking van het
UWV met betrekking tot de samenloop van
implementatietrajecten per 1 januari
2013 is ondervangen, omdat de in een
eerder stadium voorziene invoering van
twee weken loondoorbetaling voor
uitzendbureaus is komen te vervallen.
Het UWV heeft voldoende capaciteit voor
de invoering van de huidige onderdelen
van het wetsvoorstel.
Ook heeft
het UWV aandacht gevraagd voor de
stabiliteit van het hybride stelsel. Bij
de vormgeving van de werkgeversprikkels
is rekening gehouden met de stabiliteit
van het bestaande hybride stelsel van de
WGA.
Voorts is
het UWV in de uitvoeringstoets ingegaan
op de te verwachten effectiviteit van
twee weken loondoorbetaling voor
uitzendbureaus. Het kabinet heeft zoals
eerder is aangegeven, besloten om dit
onderdeel van het wetsvoorstel te laten
vervallen. Het commentaar van het UWV op
dit punt is zodoende niet meer relevant.
rblz.|42|
Conform
het verzoek van het UWV
is in de memorie
van toelichting een paragraaf opgenomen
die ingaat op de internationale aspecten
van het
wetsvoorstel.
Ook wordt
conform het verzoek van het UWV, in de
reactie op een gelijke vraag van Actal,
toegelicht hoe de voorgenomen
premiedifferentiatie zich verhoudt tot
de loonsomheffing.
Voorts
heeft het UWV een aantal wetstechnische
opmerkingen gemaakt. Dit commentaar is
verwerkt in het onderhavige wetsvoorstel
en heeft geleid tot een aantal
aanpassingen van overwegend technische
aard.
Met de
Stichting van de Arbeid zijn de noodzaak
en de inhoud van de voorstellen uit dit
wetsvoorstel besproken. De Stichting is
van mening dat op basis van de
aangereikte cijfers en analyse niet
aangegeven kan worden dat de voorgenomen
maatregelen gericht op werkgevers en
werknemers noodzakelijk dan wel
effectief zijn. De effecten van de
voorgestelde maatregelen op de
werkgelegenheid, de kans op
werkhervatting voor vangnetters en het
terugdringen van de instroom in de ZW
en Wet WIA zijn naar het
oordeel van de Stichting onvoldoende
inzichtelijk gemaakt. Hierdoor ontbreekt
het bij sociale partners aan draagvlak
voor de voorgenomen maatregelen. De
regering heeft hiervan kennisgenomen.
De financiële effecten en de
arbeidsmarkteffecten van de voorgestelde
maatregelen zijn toegelicht in hoofdstuk
7 van deze memorie van toelichting.
Ondanks het gebrek aan draagvlak bij
sociale partners acht de regering de
voorgestelde maatregelen noodzakelijk,
vanwege de bijdrage die de maatregelen
leveren aan het stimuleren van
arbeidsparticipatie van de zieke
werknemers zonder werkgever en het
terugdringen van langdurig ziekteverzuim
en de instroom van ZW-gerechtigden in de
Wet WIA. Over de nadere uitwerking van
de voorgestelde maatregelen zal ook de
komende tijd afstemming met de sociale
partners plaatsvinden.
Het
Verbond van Verzekeraars is met het oog
op de wijzigingen in de
financieringssystematiek eveneens in de
gelegenheid gesteld om
uitvoeringstechnisch commentaar te
leveren. Het Verbond heeft aangegeven
dat belang wordt gehecht aan separate
verzekeringsstelsels voor de ZW
en WGA.
De regering onderschrijft dit belang
voor het hybride stelsel van de WGA en
heeft daar bij de vormgeving aandacht
aan besteed. Met de opmerkingen van het
Verbond is rekening gehouden door de ZW
en WGA in separate hybride stelsels te
behouden en het toevoegen van de
WGA-flex aan het hybride stelsel van de
WGA-vast te temporiseren.
Het
Verbond heeft aangegeven dat de
uitwerking van de lagere regelgeving van
belang is voor een oordeel over de
uitvoerbaarheid. Met het Verbond zal
nader afgestemd worden over de concrete
uitwerking van premiedifferentiatie in
lagere regelgeving. Daarnaast wijst het
Verbond op het belang van een gelijk
speelveld tussen het UWV
en private
verzekeraars. Voorts heeft het Verbond
een aantal opmerkingen geplaatst die
hebben geleid tot een aantal
aanpassingen van overwegend technische
aard.
Artikelsgewijs
Artikel I.
Wijziging van de Ziektewet
Onderdeel
A
In het
aan artikel 1, eerste lid, toe te voegen
onderdeel wordt de definitie van
minimumloon opgenomen.
rblz.|43|
Onderdeel
B
In de in
onderdeel B voorgestelde artikelen 19aa
en 19ab
wordt het aangescherpte
criterium voor verzekerden zonder
werkgever die langer dan één jaar ziek
zijn, geïntroduceerd.
Artikel 19aa
Eerste
lid
In
artikel 19aa, eerste lid, aanhef en
onder b, is, in afwijking van
artikel 19, geregeld dat voor de
verzekerde zonder werkgever die het loon
doorbetaalt bij zieke en die 52 weken
ongeschikt tot het verrichten van zijn
arbeid is geweest, geldt dat recht op
ziekengeld bestaat indien hij niet in
staat is om met arbeid meer dan 65% van
zijn maatmaninkomen te verdienen. Het
aangescherpte criterium is van
toepassing op verzekerden die 52 weken
ziek zijn geweest en die geen werkgever
hebben. Het criterium wordt alleen
toegepast als aan beide voorwaarden,
namelijk de 52-wekenperiode en het niet
hebben van een werkgever, is voldaan.
Als aan beide voorwaarden is voldaan, is
artikel 19aa van toepassing. Dit
betekent bijvoorbeeld dat het niet zo is
dat de verzekerde gedurende de periode
van 52 weken geen werkgever gehad mag
hebben om onder het aangescherpte
criterium te vallen. Voldoende is dat de
verzekerde 52 weken ziek geweest is. Ook
kan het zich voordoen dat de verzekerde
wel 52 weken ziek geweest is, maar pas
op een later moment geen werkgever meer
heeft. In dat geval wordt het
aangescherpte criterium eerst van
toepassing zodra de verzekerde geen
werkgever meer heeft. Vanaf dat moment
wordt immers aan beide voorwaarden
voldaan.
Het
aangescherpte begrip sluit aan bij het
arbeidsgeschiktheidsbegrip zoals dat is
opgenomen in de artikelen 4 en
5 van de Wet WIA. Bij het vaststellen van wat de
verzekerde nog kan verdienen, wordt,
evenals in de Wet WIA, een vergelijking
gemaakt tussen het maatmaninkomen per
uur en de resterende verdiencapaciteit
per uur. De verdiencapaciteit mag
maximaal 65% van het maatmaninkomen per
uur bedragen om recht te houden op
ziekengeld.
De
mogelijkheid bestaat dat iemand die
volgens deze systematiek een
verdiencapaciteit van minder dan 65% van
het maatmaninkomen per uur heeft wel in
staat is zijn eigen arbeid weer te
verrichten. Dit kan zich voordoen
doordat in de huidige WIA-systematiek
altijd meerdere geschikte functies
gevonden moeten worden om iemands
arbeidsvermogen te bepalen. Om deze
reden is in het eerste lid, onderdeel a,
tevens bepaald dat recht op ziekengeld
alleen bestaat als de verzekerde ook
ongeschikt tot het verrichten van zijn
arbeid, conform artikel
19, is.
Tweede
lid
In het
tweede lid is geregeld dat het recht op
ziekengeld niet ogenblikkelijk eindigt,
maar, wegens zorgvuldigheidsredenen, pas
na een uitlooptermijn van één maand
eindigt wanneer de verzekerde na
arbeidskundig of
verzekeringsgeneeskundig onderzoek
minder dan 35% arbeidsongeschikt blijkt
te zijn. Door deze uitlooptermijn wordt
de verzekerde niet ogenblikkelijk met de
beëindiging van zijn recht op
ziekengeld geconfronteerd, maar wordt
hem enige tijd gegund om zich voor te
bereiden op de verandering in zijn
situatie.
Deze
termijn is een andere dan de
uitlooptermijn van twee maanden die in
het kader van de WAO
(en de Wet WIA)
wordt gehanteerd op grond van de
jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep. De reden hiervoor is dat de
uitkering op grond van de ZW
een ander
karakter heeft dan de uitkering op grond
van de WAO en de Wet WIA. De WAO en de
Wet WIA verzekeren immers het risico van
langdurige arbeidsongeschiktheid en zijn
langlopende uitkeringen, terwijl de ZW
het risico van ziekte verzekert en een
kortlopende uitkering betreft. De
ZW-uitkeringsgerechtigde moet rblz.|44|
er dan ook
rekening mee houden dat zijn recht op
uitkering beëindigd wordt zodra hij
arbeidsgeschikt is en niet meer voldoet
aan het ZW-criterium. Dit geldt te meer
bij het einde van het eerste ziektejaar.
Omdat het ZW-criterium op dat moment
wordt verscherpt en bij die beoordeling
niet langer alleen het kunnen verrichten
van de eigen arbeid maar ook het kunnen
verrichten van algemeen geaccepteerde
arbeid maatgevend is, moet de betrokkene
er ook dan rekening mee houden dat het
recht op ziekengeld kan worden
beëindigd.
Om deze
redenen wordt een uitlooptermijn van
één maand in overeenstemming met de
eisen van de zorgvuldigheid geacht.
Tot slot
wordt opgemerkt dat de uitlooptermijn
alleen betrekking heeft op een
beëindiging van het recht op ziekengeld
op grond van het eerste lid, onderdeel b. Indien het recht op ziekengeld op
grond van artikel
19 dan wel op grond
van artikel 19aa, eerste lid, onderdeel
a, wordt beëindigd, geldt geen
uitlooptermijn.
Derde lid
Indien de
verzekerde werkt, dan vloeit uit artikel
9, onderdeel h en i, van het
Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten voort dat
de verdiensten niet alleen theoretisch
worden geschat, maar dat daarnaast ook
de feitelijke inkomsten die hij met dat
werk verwerft zijn mate van
arbeidsgeschiktheid kunnen bepalen. Om
te voorkomen dat het recht op ziekengeld
direct eindigt zodra iemand gaat werken,
is in het derde lid geregeld dat het
recht op ziekengeld van de verzekerde
die met arbeid meer dan 65% van het
maatmaninkomen verdient één jaar na de
dag waarop de verzekerde met arbeid meer
dan 65% van het maatmaninkomen ging
verdienen, eindigt. Indien op het moment
waarop de beoordeling van de
verdiencapaciteit volgens het in het
eerste lid opgenomen criterium
plaatsvindt, blijkt dat de verzekerde
feitelijk meer dan 65% van het
maatmaninkomen verdient, wordt
vastgesteld op welk moment de verzekerde
voor het eerst 65% van het
maatmaninkomen ging verdienen. Deze dag
kan gelegen zijn in het eerste
ziektejaar. Hierbij is nog niet relevant
of sprake is van algemeen geaccepteerde
arbeid geschikt voor de krachten en
bekwaamheden van de verzekerde. Er wordt
dus slechts beoordeeld wat de feitelijke
verdiensten van de verzekerde zijn. Als
de verzekerde vervolgens meer dan 65%
van het maatmaninkomen blijft verdienen,
eindigt het recht op ziekengeld één jaar
na de dag waarop de verzekerde voor het
eerst meer dan 65% van het
maatmaninkomen verdiende, indien
vastgesteld wordt dat de verzekerde na
deze periode van één jaar in staat is
meer dan 65% van het maatmaninkomen te
verdienen. Op dat moment is wel relevant
of sprake is van algemeen geaccepteerde
arbeid geschikt voor de krachten en
bekwaamheden van de verzekerde. Indien
de verzekerde na de 52ste week op enig
moment niet langer 65% van het
maatmaninkomen verdient, loopt de
periode van één jaar waarin het recht op
ziekengeld niet kan eindigen op grond
van het eerste lid, onderdeel b, niet
langer door. Wordt vervolgens op enig
moment vastgesteld dat de verzekerde in
staat is om meer dan 65% van het
maatmaninkomen te verdienen, dan eindigt
het recht op ziekengeld alsnog. Daarbij
geldt dan wel de uitloopperiode van één
maand op grond van het tweede lid.
Blijkt op het moment dat 65% van het
maatmaninkomen of minder wordt verdiend,
dan wel na afloop van de periode van
één
jaar, dat de verzekerde niet 65% van het
maatmaninkomen kan verdienen en deze
verdiensten ook feitelijk niet heeft,
dan houdt de verzekerde zijn recht op
ziekengeld.
Opgemerkt
wordt dat voor de periode van één jaar
als bedoeld in het derde lid, niet
relevant is of de verzekerde de arbeid
gedurende de periode gelegen vóór de
52ste week ook blijft verrichten.
Slechts de eerste dag waarop de arbeid
verricht werd, is relevant om vast te
stellen wanneer de periode van één jaar
is aangevangen. Dit vloeit voort uit het
feit dat het rblz.|45|
voor het criterium dat tot
en met de 52ste week geldt niet relevant
is of iemand 65% van het maatmaninkomen
verdient.
Het derde
lid laat onverlet dat het recht op
ziekengeld in de periode van één jaar
wel om andere redenen kan eindigen. Zo
zal het recht op ziekengeld bijvoorbeeld
wel eindigen als de verzekerde zijn
eigen arbeid weer kan verrichten. Het
recht eindigt dan immers op grond van
het eerste lid, onderdeel a.
Het
inkomen dat de verzekerde verwerft in de
periode waarin het recht op ziekengeld
nog niet is geëindigd, wordt verrekend
met het ziekengeld op grond van artikel
31, tweede lid, dan wel op grond van
artikel 29e, eerste lid, onderdeel
b.
Vierde
lid
In het
vierde lid is geregeld in welke gevallen
korte onderbrekingen van de ziekte
samengeteld worden voor het bepalen van
de termijn van 52 weken.
Vijfde
lid
In dit
lid wordt het maatmaninkomen
gedefinieerd. De definitie is gelijk aan
de definitie van het maatmanloon in
artikel 1 van de Wet WIA.
Artikel 19ab
De
beoordelingssystematiek waarmee de
verdiencapaciteit en het maatmanloon van
de verzekerde wordt beoordeeld, is
dezelfde als de beoordelingssystematiek
uit de Wet WIA. Dit artikel komt daarom
overeen met artikel 6 van de
Wet WIA.
Het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten zal mede op
artikel 19ab worden gebaseerd.
Onderdeel
C
Waar
verwezen wordt naar het bestaande
artikel 19 moet tevens verwezen worden
naar het voorgestelde artikel 19aa,
omdat anders onduidelijkheid zou
bestaan over de vraag of de verwijzing
ook betrekking heeft op het voortbestaan
van het recht op ziekengeld als artikel
19aa van toepassing is.
Onderdeel
D
In
artikel 29a, vijfde lid, is geregeld dat
artikel 29, vijfde lid, buiten
toepassing blijft ten aanzien van de
vrouwelijke verzekerde die ziekengeld
ter hoogte van haar dagloon ontvangt op
grond van het tweede of vierde lid van
artikel 29a. Nu in het voorgestelde
artikel 29e geregeld wordt dat het
ziekengeld van degene die aanspraak
maakt op ziekengeld op grond van artikel
29a, lager is dan het dagloon, dient de
toevoeging "ter hoogte van haar
dagloon" in artikel 29a, vijfde lid, te
vervallen. De bepaling blijft echter van
toepassing op de vrouwelijke verzekerde
die ziekengeld ontvangt op grond van
artikel 29a, tweede of vierde lid,
ongeacht de hoogte van het ziekengeld.
Met de
wijziging van artikel 29a, zesde lid,
wordt bewerkstelligd dat de plichten die
voortvloeien uit het voorgestelde
artikel 29g niet gelden ten aanzien van
de vrouwelijke verzekerde die op grond
van artikel 29a, eerste of tweede lid,
recht heeft op ziekengeld. Het gaat om
verzekerden die voorafgaand aan
bevallingsverlof ziek zijn in verband
met zwangerschap. Voor hen gold al dat
de plichten die voortvloeien uit artikel
30 niet van toepassing zijn.
rblz.|46|
Onderdeel
E
Artikel 29e
Eerste
lid
In
artikel 29e wordt de hoogte van het
ziekengeld geregeld van verzekerden die
geen werkgever hebben die bij ziekte,
zwangerschap of bevalling het loon of de
bezoldiging doorbetaalt. Voor deze
verzekerden geldt dat het ziekengeld
gedurende de eerste drie maanden 70% van
het dagloon bedraagt. Dit is geregeld in
het eerste lid, onderdeel a. Doordat
deze bepaling alleen van toepassing is
op verzekerden zonder werkgever, gaat de
periode van drie maanden lopen op het
moment dat de verzekerde niet langer een
werkgever heeft die het loon
doorbetaalt. Mogelijk ontving de
verzekerde in de periode dat hij nog wel
een werkgever had die het loon betaalde
een hoger percentage van het dagloon aan
ziekengeld. Bijvoorbeeld op grond van
artikel 29, achtste lid, of 29a. Vanaf
de dag dat de verzekerde geen werkgever
meer heeft die het loon bij ziekte
doorbetaalt, bepaalt het voorgestelde
artikel 29e de hoogte van het
ziekengeld. Voor de werknemer zonder
werkgever is dit dus in alle gevallen
gedurende de periode, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, 70% van het
dagloon. De periode van drie maanden kan op
grond van het tweede lid worden
verlengd.
Na afloop
van de periode waarin de verzekerde
ziekengeld ter hoogte van 70% van het
dagloon ontvangt, wordt de hoogte van
het ziekengeld voor de resterende duur
van de periode waarin recht op
ziekengeld bestaat, vastgesteld op 70%
van het wettelijk minimumloon. In
verband met de afwijkende hoogte van het
ziekengeld is de wijze van
inkomensverrekening zoals deze is
opgenomen in artikel
31, tweede lid,
hier niet van toepassing. Eventueel
inkomen dat de verzekerde geniet, wordt
verrekend met het ziekengeld volgens de
formule 0,7 * (wettelijk minimumloon
- inkomen). Indien het dagloon lager is
dan het minimumloon, blijft het
ziekengeld gebaseerd op het dagloon.
Daarmee wordt voorkomen de het
ziekengeld in de vervolgfase omhoog zou
gaan. Opgemerkt wordt dat de
verplichting om het UWV
mede te delen
dat inkomen wordt genoten, zoals deze is
opgenomen in artikel
31, eerste lid, wel
van toepassing is op de verzekerde die
op grond van het voorgestelde artikel 29e, eerste lid, onderdeel
b, aanspraak
heeft op lager ziekengeld.
Tweede
lid
De
periode waarin de verzekerde ziekengeld
ter hoogte van 70% van het dagloon
ontvangt, duurt drie maanden. Uit het
tweede lid vloeit echter voort dat ieder
jaar dat het arbeidsverleden de duur van
drie kalenderjaren overschrijdt ertoe
leidt dat de periode van drie maanden
met één maand wordt verlengd. Dit is de
verlengde periode. Uiteraard brengt dit
niet met zich mee dat de totale periode
waarin recht op ziekengeld bestaat
langer wordt dan 104 weken. Dit vloeit
voort uit artikel
29, vijfde lid.
Derde lid
Onderdeel
a
Als de
verzekerde op basis van hetzelfde
arbeidsverleden reeds eerder gedurende
de verlengde periode ziekengeld ter
hoogte van zijn dagloon heeft ontvangen,
dan wordt de verlengde periode waarin de
verzekerde eerder ziekengeld ter hoogte
van het dagloon ontving in mindering
gebracht op de verlengde periode waarin
de verzekerde op grond van het tweede
lid, eerste zin, ziekengeld ter hoogte
van het dagloon zal ontvangen. De
verzekerde houdt bij een nieuw recht op
ziekengeld wel altijd ten minste drie
maanden het loongerelateerde ziekengeld;
eerder genoten recht op ziekengeld wordt
immers alleen in mindering gebracht op
de verlengde periode.
rblz.|47|
Als de
verzekerde gedurende een eerdere
verlengde periode waarin hij ziekengeld
ontving gedeeltelijk werkte, wordt de
volledige periode in mindering gebracht
op de nieuwe verlengde periode.
Arbeidsverleden dat de verzekerde in die
periode heeft opgebouwd, telt mee voor
het bepalen van de verlengde periode bij
een nieuw recht op ziekengeld; het zijn
immers dagen waarover loon wordt
ontvangen als bedoeld in artikel 29f.
Perioden
gelegen vóór de inwerkingtreding van het
voorgestelde artikel 29e
waarin de
verzekerde reeds ziekengeld ontving,
worden niet in mindering gebracht op de
verlengde periode. Deze eerdere perioden
waarin de verzekerde ziekengeld ontving,
kunnen immers niet aangemerkt worden als
eerdere verlengde perioden, omdat de ZW
een dergelijke periode vóór de
inwerkingtreding van dit artikel niet
kende.
Onderdeel
b
In
onderdeel b is geregeld dat ook bepaalde
perioden waarin de verzekerde een
loongerelateerde uitkering op grond van
de WW ontving in mindering
worden gebracht op de verlengde periode.
Dit is aan de orde indien het recht op
de werkloosheidsuitkering reeds vóór de
eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken was geëindigd of gedeeltelijk
was geëindigd, omdat betrokkene ging
werken of omdat betrokkene recht op een
uitkering op grond van de Wet arbeid en
zorg kreeg, maar het recht op
werkloosheidsuitkering zou zijn herleefd
als de betrokkene niet ziek geworden
was.
Niet alle WW-duur die de verzekerde ooit heeft
genoten, wordt in mindering gebracht.
Daarom is in dit onderdeel tevens
aangegeven in welke gevallende eerder
genoten WW-duur in mindering wordt
gebracht.
Het
betreft personen die op de dag voordat
het recht op werkloosheidsuitkering
geheel of gedeeltelijk werd beëindigd
uitsluitend op grond van artikel 7,
onderdeel a, als verzekerden werden
beschouwd. In dat geval is een
vermindering met de duur van de
loongerelateerde WW-uitkering aan de
orde. Dit betreft de persoon die
uitsluitend verzekerd was omdat hij als
werknemer werd beschouwd omdat hij een
werkloosheidsuitkering had (artikel
7,
onderdeel a). Het gaat dus om mensen die
in de WW zaten en daarnaast niet om
andere redenen ook als werknemer in de
zin van de ZW
werden aangemerkt,
bijvoorbeeld omdat ze ook in een
dienstbetrekking werkten. Voor hen geldt
dit onderdeel niet. Immers, perioden
waarin iemand naast de
werkloosheidsuitkering ook deels
ziekengeld ontving en dus niet
uitsluitend op grond van artikel
7,
onderdeel a, was verzekerd, worden reeds
op grond van onderdeel a in mindering
gebracht.
Vierde
lid
Indien de
verzekerde voorafgaand aan de dag waarop
recht op ziekengeld ontstond een
werkloosheidsuitkering had, dan wordt de
duur van de ontvangen loongerelateerde
uitkering op grond van de
WW in mindering gebracht
op de periode waarin de verzekerde
ziekengeld ter hoogte van 70% van het
dagloon ontvangt. Hiermee wordt
aangesloten bij artikel 59 van de
Wet WIA. De genoten
WW-duur wordt zowel op
de verlengde periode, bedoeld in het
tweede lid, als op de eerste drie
maanden, bedoeld in het eerste lid, in
mindering gebracht.
Net als
in het derde lid wordt de
loongerelateerde WW-uitkering alleen in
mindering gebracht als de verzekerde op
de dag vóór het recht op WW eindigde
uitsluitend op grond van artikel
7,
onderdeel a, van de ZW
verzekerd
was voor de ZW
omdat hij een
werkloosheidsuitkering genoot.
rblz.|48|
Vijfde
lid
De
verzekerde met een
werkloosheidsuitkering die wegens ziekte
in verband met zwangerschap of bevalling
of wegens orgaandonatie recht op
ziekengeld heeft, ontvangt, anders dan
overige zieke werklozen, vanaf de eerste
dag van de ongeschiktheid tot werken
ziekengeld. Voor de overige werklozen
geldt dat ze na dertien weken recht op
ziekengeld krijgen. Deze periode is niet
van invloed op de WW-duur. Om te
voorkomen dat de periode waarin de werkloze
verzekerde die ziek is wegens
zwangerschap of bevalling of wegens
orgaandonatie loongerelateerd ziekengeld
ontvangt hierdoor tot dertien weken korter
kan worden in vergelijking tot iemand
die gedurende de eerste dertien weken recht
op werkloosheidsuitkering houdt, is in
het vijfde lid geregeld dat in deze
gevallen de duur van de loongerelateerde
werkloosheidsuitkering niet in mindering
wordt gebracht op de eerste drie maanden
van de loongerelateerde periode in de ZW.
Zesde lid
Omdat in
het eerste lid, onderdeel b, reeds
bewerkstelligd is dat inkomen wordt
verrekend met het ziekengeld, is in het
zesde lid geregeld dat artikel
31,
tweede lid, dat de verrekening van
inkomen bij op het dagloon gebaseerd
ziekengeld regelt, niet van toepassing
is na afloop van de periode waarin de
verzekerde op grond van het eerste lid,
onderdeel a, ziekengeld ter hoogte van
70% van het dagloon ontvangt.
Zevende
lid
Indien
perioden van ongeschiktheid elkaar met
korte onderbrekingen opvolgen, dan wel
onderbroken worden door een periode
waarin de verzekerde een uitkering op
grond van de Wet arbeid en zorg ontvangt
in verband met zwangerschap en
bevalling, gaat, mits de ongeschiktheid
redelijkerwijs geacht kan worden voort
te vloeien uit dezelfde oorzaak, geen
nieuwe periode van drie maanden lopen
waarin de verzekerde loongerelateerd
ziekengeld ontvangt. Deze perioden
worden samengeteld.
Achtste
lid
In het
Algemene Inkomensbesluit [lees: Algemeen
inkomensbesluit socialezekerheidswetten,
red.] is bepaald wat
onder inkomen als bedoeld in artikel 31
wordt verstaan. Deze bepalingen zullen
ook van toepassing worden op inkomen
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b. Het achtste lid biedt daarvoor de
grondslag.
Artikel 29f
In
artikel 29f is geregeld hoe het
arbeidsverleden wordt vastgesteld. Het
arbeidsverleden wordt op dezelfde wijze
als in de Wet WIA
vastgesteld. Het
artikel is derhalve ontleend aan artikel
15 van de Wet WIA.
Artikel 29g
Het
voorgestelde artikel 29g
komt overeen
met artikel
29 Wet WIA. Hiermee wordt
expliciet geregeld wat de plichten zijn
van de verzekerde die ziekengeld
ontvangt. Opgemerkt wordt dat het UWV
alleen voorschriften als bedoeld in het
tweede lid zal geven als het UWV
verantwoordelijk is voor de
re-integratie van de verzekerde.
Eerste
lid
Indien de
verzekerde resterende verdiencapaciteit
heeft, dan is hij verplicht in voldoende
mate te trachten deze verdiencapaciteit
te behouden. Voorts is hij verplicht in
voldoende mate te trachten mogelijkheden
tot het verrichten van arbeid te
verkrijgen. Dit betekent ook dat hij
zijn mogelijkheden tot medisch herstel
moet benutten en zijn genezing in geen
geval mag belemmeren.
rblz.|49|
Dit
artikel betreft zowel medische
mogelijkheden als mogelijkheden die zijn
gericht op bekwaamheden die vereist zijn
voor het verrichten van arbeid.
Tweede
lid, onderdeel a
Het UWV,
maar ook een door het UWV ingeschakeld
re-integratiebedrijf, kan de verzekerde
die ziekengeld ontvangt, opdragen om een
medische behandeling te ondergaan. Een
aanwijzing kan bijvoorbeeld inhouden dat
de verzekerde zich onderwerpt aan een
door de verzekeringsarts of een
behandelend arts noodzakelijk geachte
behandeling van medische aard die
redelijkerwijs van de verzekerde mag
worden gevraagd.
Genezingsbelemmerende
gedragingen kunnen de verzekerde
verweten worden. Daarbij is niet vereist
dat de genezing daadwerkelijk belemmerd
is. Voldoende is dat de handeling naar
algemeen geldende medische maatstaven de
strekking heeft de genezing te
belemmeren.
Tweede
lid, onderdeel b
Onder het
eerste lid kan ten minste worden
begrepen dat de verzekerde verplicht is
mee te werken aan re-integratietrajecten
die het aanbod van de arbeidscapaciteit
versterken en bemiddelingstrajecten.
Aanbodversterkende trajecten zijn in het
algemeen trajecten gericht op het
verminderen van arbeidsbelemmeringen of
het verbeteren van bekwaamheden.
Scholing en opleiding kunnen daarvan
deel uitmaken. In bepaalde gevallen mag
van een verzekerde worden verwacht dat
hij, bijvoorbeeld door middel van
scholing of opleiding, tracht nieuwe
mogelijkheden tot het verrichten van
arbeid te verkrijgen. De activiteiten
die onderdeel uitmaken van een
bemiddelingstraject behelzen in het
algemeen sollicitatieondersteuning en
adviseren en motiveren van
uitkeringsgerechtigden, matching,
bemiddeling en nazorg.
Onder dit
onderdeel valt ook de verplichting tot
medewerking aan een proefplaatsing
indien het UWV
de inzet van dat
instrument wenselijk acht. De
proefplaatsing biedt de verzekerde de
mogelijkheid zes maanden werk te
verrichten bij een werkgever met behoud
van uitkering. De proefplaatsing is een
wijze van verkrijging van passende
arbeid waarbij de sollicitatieplicht
tijdelijk niet behoeft te gelden.
Tweede
lid, onderdeel c
Dit
onderdeel houdt in dat de betrokkene
mogelijkheden tot verkrijging van
hulpmiddelen in verband met de werkplek
en mogelijkheden tot aanpassing van de
werkplek, alsmede andere
persoonsgebonden voorzieningen, moet
benutten in verband met zijn
arbeidsinschakeling. Met andere woorden,
hij moet trachten deze hulpmiddelen te
verkrijgen of deze aanpassing van de
werkplek te bewerkstelligen. De
verzekerde is verplicht aan aanbod van
deze hulpmiddelen of aanbod van
aanpassing van de werkplek zijn
medewerking te verlenen.
Tweede
lid, onderdeel d en e
Het UWV stelt, in overleg met de verzekerde, een
plan van aanpak op. Daarnaast kan een
door het UWV ingeschakeld
re-integratiebedrijf een
re-integratieplan opstellen. De
verzekerde is niet alleen verplicht mee
te werken aan het opstellen van het plan
van aanpak en het re-integratieplan,
maar ook de plichten die daarin zijn
opgenomen na te leven.
rblz.|50|
Onderdeel
F
Met de
voorgestelde formulering van artikel
30,
eerste lid, wordt aangesloten bij
artikel 30, eerste lid, van de Wet WIA.
Daardoor wordt, in onderdeel c,
expliciet gemaakt dat de zieke werknemer
geen eisen mag stellen in verband met
door hem te verrichten arbeid die het
aanvaarden of verkrijgen van passende
arbeid belemmeren. In dit onderdeel
wordt de verplichting opgelegd zich
zodanig op te stellen dat hij passende
arbeid kan en wil aanvaarden. De
betrokkene kan door afwijkend gedrag,
het stellen van irreële eisen of door
ongebruikelijke werktijden een
bemiddelingspoging belemmeren. Op welke
eisen deze plicht precies ziet, is
vanwege de casuïstiek moeilijk aan te
geven. Het UWV
en zo nodig de rechter
moeten beoordelen of van dergelijke
eisen sprake is.
In
artikel 30, tweede lid, is geregeld dat
het hetgeen van de werknemer die
aanspraak heeft op ziekengeld maar die
passende arbeid weigert te verrichten,
had kunnen verdienen met die passende
arbeid, beschouwd wordt als inkomen in
de zin van artikel
31. Hieraan wordt een
verwijzing naar het voorgestelde artikel
29e toegevoegd. Inkomen dat de
verzekerde niet ontvangt omdat hij
weigert passende arbeid te verrichten,
zal ook met de vervolguitkering, bedoeld
in artikel 29e, eerste lid, onderdeel
b,
worden verrekend.
Van de
gelegenheid wordt gebruik gemaakt om te
verduidelijken dat artikel 31 in zijn
geheel van toepassing is, door de
aanduiding "eerste lid" te laten
vervallen. Dat artikel 31 in zijn geheel
van toepassing is, vloeide overigens al
wel voort uit het eerste lid van dat
artikel.
Onderdeel
G
Het
voorgestelde artikel 30aa
komt overeen
met artikel 32 van de
Wet WIA. De
Regeling
vrijstelling verplichtingen
socialezekerheidswetten zal mede
gebaseerd worden op het tweede lid van
het voorgestelde artikel 30aa. Het
Besluit
ontheffing verplichtingen
socialezekerheidswetten zal mede
gebaseerd worden op het derde lid. Op
dit moment is er nog geen gebruikt
gemaakt van de delegatiebevoegdheid die
is opgenomen in het eerste lid van
artikel 32 van de Wet WIA. De
delegatiebevoegdheid wordt echter ook in
het voorgestelde artikel 30aa
overgenomen, zodat, indien het op enig
moment wenselijk is van deze bevoegdheid
gebruik te maken, de te stellen regels
ook van toepassing kunnen worden op de ZW.
Onderdeel
H
In het
voorgestelde artikel
39, vierde lid,
wordt geregeld dat het UWV
ten aanzien
van de verzekerden zonder werkgever die
langer dan 52 weken ziek zijn geweest,
beoordeelt of ze volgens het
voorgestelde aangescherpte criterium nog
recht hebben op ziekengeld. Het UWV
stelt daarvoor vast welk percentage van
het maatmaninkomen de verzekerde nog kan
verdienen en stelt aan de hand daarvan
vast of nog recht op ziekengeld bestaat.
Opgemerkt wordt dat in artikel 63a,
tweede lid, van de ZW
niet
geregeld zal worden dat de
eigenrisicodrager voor de toepassing van
het voorgestelde artikel
39, vierde lid,
in de plaats treedt van het UWV. Ook in
het geval er een eigenrisicodrager is,
zal het UWV de beoordeling op grond van
artikel 19aa dus verrichten.
Onderdeel
I
De
plichten die zijn opgenomen in het
voorgestelde artikel 29g
komen
gedeeltelijk overeen met plichten die
voortvloeien uit artikel
45, eerste lid.
Desondanks is het wenselijk de plichten
ten aanzien van verzekerden die
ziekengeld ontvangen explicieter in de ZW
op te nemen en deels ook aan rblz.|51|
te
scherpen. Omdat de plichten die
voortvloeien uit artikel
45, eerste lid,
zien op een ruimere doelgroep, namelijk
alle verzekerden, worden deze, ondanks
de overlapping, gehandhaafd. Wel is het
wenselijk in artikel
45, eerste lid,
onderdeel k, op te nemen dat het
ziekengeld ook geheel, gedeeltelijk,
tijdelijk of blijvend geweigerd kan
worden als de nieuwe verplichtingen uit
artikel 29g niet worden nageleefd.
Onderdeel
J
Met deze
wijziging wordt de mogelijkheid om met
toestemming van het UWV
op een
proefplaats te werken, verlengd tot
maximaal zes maanden.
Mogelijk
verricht de verzekerde werkzaamheden op
de proefplaats op het moment dat het
aangescherpte criterium, zoals dat is
opgenomen in het voorgestelde artikel 19aa, op hem van toepassing wordt. Omdat
in het tweede lid van artikel 52e
reeds
is geregeld dat tijdens het verrichten
van werkzaamheden op een proefplaats het
ziekengeld niet wordt ingetrokken of
herzien, zal in dat geval het recht op
ziekengeld tijdens de proefplaatsing
niet worden ingetrokken op grond van
artikel 19aa.
Onderdeel
K
Met deze
wijziging wordt bewerkstelligd dat de
eigenrisicodrager in de plaats treedt
van het UWV
bij de toepassing van het
voorgestelde artikel 29g, tweede lid.
Onderdelen
L en M
Deze
wijzigingen betreffen het eigen risico
dragen voor uitkeringen van
de ZW. Zij houden verband met de
wijziging van de Wfsv en zijn bij de
voorstellen voor die wet toegelicht.
In
artikel 63b, tweede lid, tweede zin,
is bepaald dat indien de eigenrisicodrager
bij bijvoorbeeld faillissement het
ziekengeld niet betaalt, het UWV
dan het
ziekengeld betaalt en dit verhaalt op de
bank of verzekeraar van de
eigenrisicodrager. Nu de garantie bij
het eigen risico dragen ZW komt te
vervallen, kan dit verhaal ook
vervallen. Het zinsdeel dat vervalt, is
omschreven zoals het komt te luiden na
inwerkingtreding van de Wet
uniformering loonbegrip (Stb. 2011, 288), die op 1
januari in werking treedt (Stb. 2012,
45). Op grond van artikel 40,
tiende
lid, onderdeel a, [van de Wfsv,
red.] is het al zo dat het
eigen risico dragen eindigt met ingang van
de dag waarop de eigenrisicodrager in
staat van faillissement is verklaard of
ophoudt werkgever te zijn. De inspecteur
doet daarvan op verzoek van de werkgever
mededeling bij bezwaar vatbare
beschikking.
In
artikel 63c zijn de bepalingen uit
artikel 43, tweede en derde lid, van de
Wfsv opgenomen. Het betreft de
arbodienstverlening en de sanctionering
bij het daaraan niet meer voldoen. Een
bestuurlijke boete bij het niet melden
van het niet gebruikmaken van die
arbodienstverlening was al geregeld in
artikel 63c. Daaraan is nu
toegevoegd
dat de inspecteur het eigen risico
dragen met onmiddellijke ingang kan beëindigen
indien de eigenrisicodrager zich niet
meer laat bijstaan door een deskundig
persoon of arbodienst.
Onderdeel
N
In
artikel 72c, tweede lid, is geregeld dat
een beschikking die betrekking heeft op
het bestaan of voortbestaan van
ongeschiktheid tot werken gegeven wordt
binnen vier weken na ontvangst van de
aanvraag. Indien de verzekerde meer dan
52 weken ongeschikt is geweest tot het
verrichten van zijn arbeid, kan het voor
de beschikking omtrent het bestaan of
voortbestaan van het recht op ziekengeld
nodig zijn te beoordelen of aan het
nieuwe criterium in het voorgestelde
artikel 19aa, eerste lid, onderdeel
b, rblz.|52|
voldoet [lees: wordt voldaan, red.]. Voor deze beoordeling heeft het
UWV meer tijd nodig dan vier weken.
Daarom is geregeld dat het tweede lid
niet ziet op de situatie waarin een
beoordeling als bedoeld in artikel 19ab
moet worden gedaan. In dat geval geldt
op grond van artikel 72b, tweede lid,
een beslistermijn van acht weken.
Onderdeel
O
De
medische bezwaarschriftprocedure leidt
ertoe dat in bezwaar ook medische of
arbeidskundige herbeoordelingen
plaatsvinden. Deze beoordelingen vergen
extra onderzoek, waardoor de geldende
beslistermijn te kort is voor het UWV.
Om die reden wordt voorgesteld in het
nieuwe artikel 73a
te regelen dat de
beslistermijn, evenals in artikel 112
van de Wet WIA, in die gevallen
zeventien weken is. Indien advies
gevraagd wordt aan een externe
deskundige, wordt deze termijn met vier
weken verlengd.
In het
tweede lid is, net als in artikel
112,
tweede lid, van de Wet WIA, de
mogelijkheid opgenomen om de beslissing
met zes maanden te verdagen indien een
in het buitenland wonende persoon is
opgeroepen.
Onderdeel
P
De
termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift bij geschillen van
geneeskundige aard over het al dan niet
voortbestaan van ongeschiktheid tot
werken bedraagt op grond van artikel 75k
twee weken. In een geschil met
betrekking tot een beoordeling als
bedoeld in artikel 19ab
is een termijn
van twee weken te kort. Daarom wordt
voorgesteld artikel 75k
niet van
toepassing te laten zijn op geschillen
waar een dergelijke beoordeling aan de
orde is. Daarvoor geldt op grond van
artikel 6:7 van de Algemene wet
bestuursrecht de reguliere
bezwaartermijn van zes weken.
Onderdeel
Q
Artikel #
[Artikel 100,
red.]
In het
voorgestelde artikel # [artikel
100, red.] wordt geregeld
dat het aangescherpte criterium, de
aangescherpte plichten en de
vervolguitkering niet van toepassing
zijn op de verzekerde wiens eerste dag
van ongeschiktheid tot het verrichten
van arbeid is gelegen vóór de
inwerkingtreding van de wetswijziging.
Eerste
lid
In het
eerste lid is geregeld dat artikel 19aa,
waarin het aangescherpte ZW-criterium is
opgenomen, niet van toepassing is op de
verzekerde wiens eerste dag van
ongeschiktheid tot werken is gelegen vóór de inwerkingtreding van dat
artikel. Het huidige ZW-criterium uit
artikel 19 blijft derhalve op deze
persoon van toepassing.
Tweede
lid
In het
tweede lid is geregeld dat artikel 29g,
en artikel 30 zoals dat komt te luiden,
niet van toepassing is op de verzekerde
wiens eerste dag van ongeschiktheid tot
werken is gelegen vóór de dag van
inwerkingtreding van het gewijzigde
artikel 29g. De bestaande plichten uit
artikel 30 blijven wel van toepassing op
deze verzekerde.
Derde lid
Het
voorgestelde artikel 29e
zal alleen
gelden voor nieuwe ziektegevallen.
Verzekerden die vóór inwerkingtreding
van artikel 29e
al ziek waren, houden
derhalve gedurende de periode waarin ze
recht op ziekengeld rblz.|53|
hebben ziekengeld ter hoogte van 70% van hun dagloon.
Tevens wordt voorgesteld dat personen
die op de dag van inwerkingtreding van
de wetswijziging al ziek waren, zal
gelden dat zij ziekengeld ter hoogte van
hun dagloon blijven ontvangen als
artikel 29, tweede lid, onderdeel e, of
artikel 29a op hen van toepassing is.
Artikel
## [Artikel
101, red.]
Eerste
lid
In het
voorgestelde artikel ## [artikel
101, red.], eerste lid,
wordt geregeld dat het aangescherpte
criterium niet van toepassing is op
verzekerden die nog aanspraak maken op
een WAO-uitkering. Deze verzekerden
hebben op grond van artikel 120 van de
Wet WIA geen recht op een uitkering op
grond van de Wet WIA. Om deze reden
worden ze in de ZW
ook niet beoordeeld
volgens het nieuwe criterium, aangezien
dit is afgeleid van het WIA-criterium.
Tweede
lid
In het
voorgestelde tweede lid is geregeld dat
voor verzekerden die tevens recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben
de hoogte van het ziekengeld in de
verlengde periode 70% van het dagloon
blijft bedragen. Daarmee wordt voorkomen
dat het ziekengeld dat zij ontvangen
lager is dan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering waar zij
recht op hebben of waar zij weer recht
op krijgen door de toegenomen
arbeidsongeschiktheid. Als de
arbeidsongeschiktheidsuitkering hoger is
dan het ziekengeld, dan wordt het
ziekengeld aangevuld door de
arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het
oude niveau. Het kan zich echter
voordoen dat de hoogte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die
eerder verlaagd was door een toename
van de arbeidsgeschiktheid, eerst na 52
of 104 weken weer wordt verhoogd nadat
de mate van arbeidsongeschiktheid weer
toegenomen is. Met deze bepaling wordt
voorkomen dat het ziekengeld van de
betrokkene gedurende deze wachttijd
lager is dan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop
de betrokkene na de herziening recht
krijgt.
Artikel
II. Wijziging van de Wet financiering
sociale verzekeringen
Onderdeel
A (artikel
28)
In het
eerste lid kunnen de bepalingen
vervallen over ziekengeldlasten die bij
de vaststelling van de sectorpremie
worden betrokken.
Het zesde
lid kan vervallen omdat het niet meer
noodzakelijk is een onderscheid te maken
naar het deel van de sectorpremie dat
betrekking heeft op ziekengeldlasten of WGA-lasten van vangnetters en welk deel
van de premieopbrengst van de
sectorpremie daarop betrekking heeft.
Onderdeel
B (artikel
31)
Dit
artikel gaat over de premie die de
overheidswerkgever verschuldigd is. Ook
hierbij is het niet meer noodzakelijk te
regelen dat de premie voor verschillende
werkgevers kan verschillen in verband
met het al dan niet dragen van de
ziekengeldlasten van
overheidswerknemers.
rblz.|54|
Onderdelen
C, D en
I
(artikelen
38, 38a
en 76a)
Het
artikel 38 over de gedifferentieerde
premie Werkhervattingskas (Whk) wordt
opnieuw vastgesteld. Het artikel is voor
wat betreft de bepalingen over de
berekening van de gedifferentieerde
premie en de korting en opslag, die
geregeld wordt in het Besluit
Wfsv, alleen in die zin aangepast dat bij de
berekening van de gedifferentieerde
premie rekening kan worden gehouden met
de verschillende soorten lasten van de
Werkhervattingskas. Er zal sprake zijn
van verschillende premieonderdelen. In
het artikel wordt nu wel een algemene
definitie opgenomen van een categorie
werkgevers. Daarbij gaat het om kleine,
middelgrote en grote werkgevers voor wie
een individuele premie, premie per
sector of sectoronderdeel dan wel
gemiddelde van een sectorpremie en
individuele premie wordt vastgesteld. In
het derde lid wordt verwezen naar een
nadere regeling bij algemene maatregel
van bestuur voor het vaststellen van de
verschillende soorten premies naar
categorie waartoe een werkgever behoort.
De delegatiebepaling die nu in het
vijfde lid, onderdeel c, is opgenomen,
maakt het mogelijk in het Besluit Wfsv
de minimum- en maximumpremie nader te
regelen. De wijziging van artikel 38a
en
76a (vrijwillige verzekering) betreft
het aanpassen van de verwijzing naar het
geherformuleerde artikel
38. In die
artikelen wordt verwezen naar het
rekenpercentage, bedoeld in artikel
38,
tweede lid, onderdeel b. De berekening
van de vervangende premie of de premie
van de vrijwillige verzekering zal
daarmee ook variëren naar de mate
waarin voor de verschillende type lasten
een ander percentage wordt vastgesteld.
Onderdelen
E (artikel
40) en F
Artikel
40 bevat de procedurele bepalingen voor
het verzoek om eigenrisicodrager te
worden. De aanpassing van dit artikel
betreft het vervallen van de garantie
voor het eigen risico dragen ZW
(het
eigen risico dragen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a). Voorts is de
aanduiding van de betaling van de
uitkering waarvoor de werkgever
eigenrisicodrager WGA
kan worden,
gewijzigd. De uitbreiding is dat het
eigen risico dragen voor de WGA-uitkering
nu ook betrekking kan hebben op de
uitkeringen aan wat aangeduid wordt als
de WGA-vangnetters. Dit zijn de
werknemers die een WGA-uitkering
ontvangen terwijl de dienstbetrekking
waarin zij arbeidsongeschikt zijn
geworden al vóór het einde van de
wachttijd is beëindigd en deze
werknemers al ziekengeld op grond van de
ZW hadden ontvangen (artikel
29,
tweede lid, onderdeel c, van de ZW). De
WGA-uitkeringen van deze vangnetters
vielen niet onder het verhaal en het
eigen risico zoals geregeld in artikel 82
van de Wet WIA. Door aanpassing van dat
artikel en de verwijzing naar het
desbetreffende hoofdstuk in de Wet WIA
in dit artikel heeft het eigen risico
dragen ook betrekking op de
WGA-uitkeringen voor die flexibele
arbeidskrachten indien de wijziging van
de Wet WIA op dat punt in werking
treedt. Daarnaast is het eigen risico
dragen uitgebreid tot de
overlijdensuitkering op grond van Wet WIA
(zie hierbij ook de wijzigingen in de
Wet WIA). Het eigen risico dragen voor de
ZW is ook uitgebreid tot
overlijdensuitkeringen op grond van de
ZW.
De andere
wijzigingen in artikel 40 hangen samen
met het laten vervallen van de garantie
voor het eigen risico dragen ZW. Verder
heeft het door eerdere wijzigingen niet
meer gebruikte zestiende lid de inhoud
van het zeventiende lid gekregen.
rblz.|55|
Door de
aanpassingen en vereenvoudigingen in het
eigen risico dragen en het vervallen van
specifieke artikelen over eigen risico
dragen ZW is het niet meer
noodzakelijk aparte bepalingen op te
nemen over eigen risico dragen WGA
en
eigen risico dragen ZW. De
paragraafverdeling in de afdeling 5
"Eigen risico dragen" kan dan ook vervallen.
Ook de specifieke garantieregeling in
artikel 43, eerste lid, en artikel 44
voor het eigen
risico dragen ZW kan
vervallen. De inhoud van artikel
43,
tweede en derde lid, is opgenomen in
artikel 63c van de ZW.
Onderdelen
G, H
en I
De
artikelen 46 en 46a
regelen voor welke
premie de eigenrisicodrager ZW
dan wel
de eigenrisicodrager WGA
wordt vrijgesteld nu alle lasten van de
uitkeringen voor de betaling waarvan het
risico wordt gedragen ten laste komen
van de Whk. In ieder geval is het zo
dat bij eigen risico dragen van die lasten
premievrijstelling kan worden verkregen
bij eigen risico dragen. Lasten waarvan
het redelijk is dat die door alle
werkgevers of door alle
publiekverzekerde werkgevers worden
gedragen en geen individuele of
sectorale toerekening aan de orde is,
komen ten laste van het Aof.
Omdat het eigen
risico dragen ZW en WGA niet
gekoppeld is en het eigen risico dragen
WGA zich voorlopig nog niet uitstrekt
tot de WGA uitkeringen van vangnetters,
zijn er verschillende vrijstellingen van
de Werkhervattingskas, de
gedifferentieerde premie mogelijk [lees:
zijn er verschillende vrijstellingen van
de gedifferentieerde premie mogelijk, red.].
Afhankelijk van de omvang van het eigen
risico dragen WGA wordt de
vrijstelling bepaald. De beide artikelen
bepalen dit door aan te duiden welke
uitkeringen bij de vaststelling van de
gedifferentieerde premie buiten
beschouwing blijven. De regels in het Besluit
Wfsv op grond van artikel 38
zijn bepalend voor de wijze van
vaststellen van de gedifferentieerde
premie en zo ook van de vrijstellingen.
Onderdelen
J en K
Artikel
99 en 100 gaan over de middelen en de
lasten van het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf).
Middelen
die voortvloeien uit de ZW
en
ziekengelduitkeringen komen niet langer
ten laste van het AWf, met uitzondering
van de uitkeringen voor de zieke
werklozen op grond van artikel
29,
tweede lid, onderdeel d, van de ZW. De afstemming ten opzichte
van de sectorfondsen speelt ook niet
meer voor zover ook ziekengeld
uitkeringen ten laste van de
sectorfondsen kwamen. Deze onderdelen in
artikel 100 kunnen daarom vervallen. De
aanpassingen onder 3 en 4 hangen hier
ook mee samen. In onderdeel b is alleen
de uitkering aan zieke werkloze
gehandhaafd.
Onderdeel
f in artikel 100 vervalt omdat de Wet
tijdelijke bijdrage herstructurering
arbeidsvoorziening havens inmiddels is
ingetrokken.
Alle
uitkeringen voor zwangerschap en
bevallingsverlof, dus ook die voor
werknemers, komen ten laste van het Aof
in plaats van het AWf of Ufo. Daarom kan
onderdeel j vervallen.
Onderdelen
L, M en
N
De
aanpassingen in artikel 103 en
104
betreffen met uitzondering van de
aanpassingen die betrekking hebben op
artikel 105 het ook niet meer ten laste
van de sectorfondsen brengen van
ziekengeld uitkeringen en kosten die met
de uitvoering van de ZW
te maken
hebben. In het nieuwe artikel
103,
tweede lid, is geregeld de jaarlijkse
bijdrage uit het Aof die ten gunste komt
van het sectorfonds waarin de
uitzendbureaus zijn ingedeeld. Deze
bijdrage komt in de plaats van de lasten
boven het op grond van artikel
105,
derde lid, vastgestelde maximum die ten
laste van het AWf of ten laste van het
Aof komen. Deze bepaling treedt al
eerder in werking en rblz.|56|
wordt niet
gekoppeld aan de verschuiving van de
lasten van de sectorfondsen naar de Whk.
Artikel 105, derde lid, (onderdeel
N)
kan in verband hiermee vervallen.
Artikel 105, vierde lid, kan
vervallen
omdat het betrekking heeft op maximering
van de premie die ten gunste komt van
een sectorfonds in verband met het eigen
risico dragen voor de ZW en de ziekengelduitkeringen en WGA-uitkeringen die met deze
wetswijziging niet meer ten laste komen
van een sectorfonds.
De
wijziging van artikel 104
(onderdeel M)
betreft enerzijds de verschuiving van de
ziekengeld en WGA-uitkeringen als last
van de Whk. Anderzijds is
in het artikel een lid ingevoegd dat
met het vervallen van het vijfde en
zesde lid en vernummering van het
zevende en achtste lid uiteindelijk
genummerd wordt als nieuwe vijfde lid,
maar eerder in werking treedt als nieuw
zevende lid. Dit lid treedt namelijk
eerder in werking omdat het betrekking
heeft op lasten die niet langer meer ten
laste van sectorfondsen komen, terwijl
het wel ziekengeld en WGA-uitkeringen
betreft. Het gaat om de staartlasten van
werkgevers die eigenrisicodrager worden. Dat wil zeggen de lasten van
ziekengelduitkeringen en WGA-uitkeringen
aan werknemers die op het moment van
arbeidsongeschikt worden in dienst waren
van de werkgever die eigenrisicodrager
wordt, maar deze uitkeringen al
ontvingen op het moment van het
eigenrisicodrager worden van de
werkgever. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat deze
lasten waarvan de eigenrisicodrager niet
het risico draagt ook niet ten laste
komen van de sector die de
eigenrisicodrager verlaat. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt dan bepaald
waar die last dan wel wordt neergelegd.
Dit is verschillend naar omvang van de
werkgever. Voorts zal bepaald worden met
ingang van welk kalenderjaar van eigen
risico dragen de staartlasten niet
langer meer ten laste komen van een
sectorfonds maar ten laste van een ander
fonds, zodat dan door alle verzekerde
werkgevers deze lasten kunnen worden
opgebracht.
Onderdelen
O en P
De
artikelen 107 en 108 gaan over het
Ufo. Ook ziekengelduitkeringen of WGA-uitkeringen voor overheidswerknemers
komen niet meer ten laste van dit fonds,
met uitzondering van die van zieke
werklozen. Onderdelen waarin verwezen
wordt naar de ZW
(met uitzondering van
artikel 29, tweede lid, onderdeel d) of
de Wet WIA kunnen dus vervallen.
Onderdelen
Q en R
Artikel
114 en 115 betreffen de inkomsten en
lasten van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof).
In
onderdeel h van artikel 114 worden
inkomsten van bestuurlijke boeten op
grond van artikel 91
Wet WIA toegevoegd.
De twee nieuwe onderdelen betreffen de
vergoedingen voor secondopiniontaken
van het UWV
van werkgevers, inclusief
eigenrisicodragers, en werknemers die nu
middelen voor het Aof zijn (onderdeel i)
en de inkomsten uit boeten en andere
bijdragen op grond van de ZW
(onderdeel j).
Ten laste
van het Aof (artikel
115) komen alle
genoemde uitgaven, tenzij artikel 117b
(lasten Whk) of artikel 5:3 van de
Wet Wajong
daar iets over bepaalt. De
wijziging in het eerste lid, onderdeel c: ook de uitkeringen zwangerschap en
bevallingsverlof komen ten laste van het
Aof in plaats van het AWf. In onderdeel
e van het eerste lid wordt geregeld
welke ziekengelduitkeringen ten laste
van het Aof komen. Dit zijn onder meer de
uitkeringen voor de no-riskregelingen
(verwijzing naar
artikel 29,
eerste lid,
onderdeel g [, van de ZW,
red.]). De uitkeringen op grond
van de vrijwillige verzekering ZW (artikel 70
ZW) komen ook ten laste van
het Aof. Voor zover lasten van
ziekengelduitkeringen niet ten laste
komen van de Whk op grond van de rblz.|57|
uitzonderingen die zijn opgenomen in
artikel 117b, derde lid, komen ze ten
laste van het Aof. Dat is geregeld in de
nieuw toegevoegde onderdelen u en
v en
toegevoegd aan onderdeel e.
In het
nieuw toegevoegde onderdeel r wordt
aangegeven dat alle uitvoeringskosten in
verband met het vaststellen en
verstrekken van die uitkeringen van het
UWV en daarmee samenhangende
werkzaamheden ten laste komen van het
Aof. Er wordt niet meer een nader
onderscheid gemaakt zoals in de kosten
die ten laste kwamen van het AWf en de
sectorfondsen. De inhoud van onderdeel e
is nu opgenomen in onderdeel r.
Voorts
komen met deze wetswijziging nog ten
laste van het Aof alle uitvoeringskosten
in verband met het eigen risico dragen
ZW
die aan de eigenrisicodrager ZW worden
vergoed en kosten voor onderzoek door
het UWV naar de mate van
arbeidsongeschikt en de secondopiniononderzoeken.
Tot slot
wordt bepaald dat de bijdrage aan het
sectorfonds Uitzendbedrijven op grond
van artikel
103, tweede lid, ten laste
van het Aof komt. Alle werkgevers
(publiek verzekerden en
eigenrisicodragers) in de uitzendsector
kunnen van de bijdrage profiteren in de
vorm van een lagere premie voor het
sectorfonds.
Onderdelen
S en T
Artikel 117a
en 117b
betreffen de middelen en
lasten van de Whk. Deze hebben aan de
middelenkant alleen te maken met de
uitgebreide gedifferentieerde premie.
Bij de lasten komen daarbij de
uitkeringen ziekengeld aan werknemers
die geen werkgever meer hebben op wie de
loondoorbetalingsverplichting rust (artikel
29, tweede lid, onderdeel c, ZW) en uitzendkrachten
(artikel 29,
tweede lid, onderdeel a, ZW).
In het
derde lid zijn de uitkeringen opgenomen
die niet ten laste komen van de Whk en zo niet meegenomen
worden in de berekening van de
gedifferentieerde premie en dus door de
werkgevers zelf worden gedragen. Als
deze uitkeringen niet ten laste komen
van de Whk, komen ze ten laste van het
Aof en worden ze door alle werkgevers
gelijkelijk gedragen.
In het
derde lid, onderdeel c, waren alle
WGA-uitkeringen die ontstaan zijn na het
recht op ziekengeld uitkering
uitgezonderd. Dit wordt nu beperkt tot
die uitkeringen op grond van de ZW
die
betaald worden bij wijze van
no-riskpolis op grond van artikel
29,
tweede lid, onderdeel g, van de ZW
(de
ziekengelduitkering aan een werknemer
die arbeidsgehandicapte is of een oudere
werknemer, zodat op de werkgever geen
loondoorbetalingsplicht rust). Daaraan
worden toegevoegd ziekengelduitkeringen
aan vangnetters die verstrekt zijn
direct aansluitend op een
dienstbetrekking waarin de werknemer
ziekengeld ontving op grond van de
no-riskpolis.
Voorts
zijn hieraan nog drie andere
uitzonderingen toegevoegd waarbij
WGA-uitkeringen of ziekengelduitkeringen
aan vangnetters niet worden doorbelast
naar publiek verzekerde werkgevers. Het
betreft:
- de staartlasten van de
eigenrisicodragers ZW;
- de staartlasten van de
eigenrisicodragers WGA tot op het
moment dat de eigenrisicodragers
ook het risico dragen voor deze
zogenaamde flexlasten, met
uitzondering van de WGA-lasten van
werknemers die in aanmerking kwamen
voor de no-riskpolis op grond van
artikel 29b en 29d
ZW (zie artikel
82, vierde lid, van de Wet WIA);
- de kosten van ziekengelduitkeringen
die niet verhaald kunnen worden op
de eigenrisicodrager ZW omdat deze
bijvoorbeeld failliet is gegaan;
dergelijke lasten in verband met het
WGA eigen risico dragen zijn al
uitgezonderd in onderdeel b van dit
derde lid.
rblz.|58|
Voor het
overige zijn de lasten voor
uitvoeringskosten en re-integratiekosten
bij elkaar gezet in het vijfde lid en
kunnen het zesde en zevende lid
vervallen.
Onderdeel
U
In het
nieuwe overgangsartikel 122e
is bepaald
dat de werkgever die al
eigenrisicodrager is voor de WGA-uitkeringen van vast personeel met
ingang van de datum van inwerkingtreding
van de uitbreiding van het eigen risico
dragen op grond van artikel
82, vierde lid, van de Wet WIA
waardoor
ook medewerkers met flexibele
dienstbetrekking onder dit risico vallen,
wordt aangemerkt als een
eigenrisicodrager voor alle
WGA-uitkeringen. Hij dient daarbij wel
een nieuwe garantie over te leggen. Deze
bepaling gaat gelden met ingang van 1
januari 2016, zodat verzekeraars zich op
de uitbreiding van dit risico kunnen
voorbereiden. Indien de garantie niet
tijdig (dertien weken) vóór 1 januari 2013
wordt verstrekt, eindigt het
eigenrisicodragerschap WGA.
Artikel
III. Wijziging van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen
Onderdeel
A
Om te
voorkomen dat personen waarvan het recht
op ziekengeld op grond van het
voorgestelde artikel 19aa, eerste lid,
ZW is
geëindigd de wachttijd van de
Wet WIA wel
volmaken op grond van
artikel 23, tweede lid, onderdeel b,
doordat ze wel gedurende 104 weken
ongeschikt tot het verrichten van hun
arbeid blijven, wordt aan het vijfde lid
van artikel 23 toegevoegd dat perioden
waarin geen recht op ziekengeld bestond
omdat dit op grond van artikel 19aa,
eerste lid, [van de ZW,
red.] is geëindigd, niet
meetellen voor de wachttijd van de Wet
WIA. Hiermee wordt voorkomen dat
personen van wie reeds is vastgesteld
dat ze minder van 35% arbeidsongeschikt
zijn en dus niet in aanmerking komen
voor een uitkering op grond van de Wet
WIA, wederom beoordeeld moeten worden.
De
mogelijkheid bestaat dat een verzekerde
meerdere dienstbetrekkingen heeft
waarin hij op verschillende momenten
arbeidsongeschikt wordt. De verzekerde
heeft dan meerdere rechten op ziekengeld
op grond van de ZW. Daarvoor
geldt dat de wachttijd ook voor wat
betreft het op een later of eerder
moment ontstaan ziekengeld wel doorloopt
als één van deze rechten eindigt op
grond van het voorgestelde artikel 19aa.
Uiteraard is het vervolgens ook zo dat
als het recht op ziekengeld door die
later of eerder ontstane
arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd
op grond van artikel 19aa
van de ZW, de wachttijd ook voor dat
ziektegeval niet doorloopt. Indien uit
meerdere dienstbetrekkingen
verschillende rechten op ziekengeld zijn
ontstaan op dezelfde dag, heeft het
voorgestelde vijfde lid, onderdeel b,
alleen betrekking op de situatie waarin
de verzekerde uit geen van de
dienstbetrekkingen nog recht op
ziekengeld heeft. Immers is alleen dan
sprake van het niet meer hebben van
recht op ziekengeld.
Onderdeel
B
Met deze
wijziging wordt de mogelijkheid om met
toestemming van het UWV
op een
proefplaats te werken, verlengd tot
maximaal zes maanden.
Onderdelen
C, D en
E
De
wijzigingen van artikel
82, 83 en
84
zijn toegelicht bij de Wijziging van de
Wfsv [deze artikelen worden niet
toegelicht in de toelichting op artikel
II, red.]. Zij houden verband met het onder
het eigen risico brengen van de WGA-uitkeringen aan de vangnetters en de
overlijdensuitkeringen op grond van de Wet WIA. De uitbreiding van het eigen
risico dragen geldt rblz.|59|
op grond van artikel
82, vierde lid, van de Wet WIA
niet voor
de WGA-uitkeringen die worden betaald
aan werknemers die in aanmerking kwamen
voor ziekengeld op grond van artikel 29b
en 29d
ZW (de
no-riskpolis).
Artikel
IV tot en met VII
Met deze
wijzigingen wordt de mogelijkheid om met
toestemming van het UWV
op een
proefplaats te werken, verlengd tot
maximaal zes maanden.
Artikel
VIII. Wijziging Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Deze
wijziging bewerkstelligt dat het UWV
ook
ten aanzien de re-integratie van
personen die ziekengeld ontvangen
afspraken met werkgevers kan maken.
Voorts wordt bepaald in artikel
30a, derde lid, van de ZW dat het UWV
niet verantwoordelijk is voor de
re-integratie van werknemers van de
eigenrisicodrager ZW, voor zover die
voor de betaling van de ZW-uitkering het
risico draagt. Het is de taak van de
eigenrisicodrager op eigen kosten in de
toeleiding naar arbeid te voorzien.
Hiermee wordt de
re-integratieverantwoordelijkheid gelijk
aan die van de werkgever voor werknemers
met een vast dienstverband en dus ook
gelijk aan die van de werkgever die op
grond van de no-riskpolis ziekengeld
ontvangt. Daarmee spoort de
verantwoordelijkheid in de Wet SUWI ook
met die op grond van de ZW, zoals
de gelijke verantwoordelijkheid van de
eigenrisicodrager en de
overheidswerkgever zoals al is geregeld
in artikel 76e, zesde lid, van de
ZW.
Artikel
IX. Wijziging Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Met deze
wijziging van artikel 1.10 van de Wet
kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen (zoals dat artikel komt
te luiden met de aanpassing in het
genoemde wetsvoorstel) wordt
bewerkstelligd dat de
kinderopvangtoeslag voor ouders niet
meer mede wordt gefinancierd uit een
opslag op de sectorpremie en de
Ufo-premie, maar door een opslag van de
basispremie waarmee de middelen worden
verkregen voor het Aof. Hierdoor wordt
de sectorpremie en de Ufo-premie niet
langer bestemd voor andere kosten dan
die voor werkloosheidsuitkeringen. Het
voordeel is voorts dat de opslag wordt
gezet op een voor alle werkgevers
gelijke basispremie.
Artikel X.
Inwerkingtreding
In het algemeen deel van deze memorie van
toelichting is aangegeven hoe
verschillende onderdelen van dit
wetsvoorstel met name op het terrein van
de werkgeversprikkels op verschillende
tijdstippen in werking treden.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|