|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 204
Wijziging
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
en de Wet maatschappelijke ondersteuning in
verband met invoering van een vermogensinkomensbijtelling voor de
vaststelling van de eigen bijdragen voor zorg of voorzieningen op grond
van die wetten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Het
voorstel |
| 3 |
De
inkomensgevolgen en budgettaire effecten |
| 4 |
Administratieve
lasten |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I en II |
Algemeen
1.
Inleiding
In het Regeer- en Gedoogakkoord ¹ is afgesproken
dat per 1 januari 2013 een vermogensinkomensbijtelling gaat plaatsvinden
voor het vaststellen van de eigen bijdrage op grond van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Deze bijtelling houdt in dat 4%
van het box-3-vermogen bij het bijdrageplichtige inkomen zal worden
meegeteld als indicatie voor de vermogenspositie van de verzekerde. Het
gaat daarbij om het bedrag boven het heffingvrije vermogen van artikel
5.5 en 5.6 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. In het verzamelinkomen zelf is al 4% van
het vermogen boven het heffingvrije vermogen inbegrepen. De 4%
bijtelling die op grond van dit voorstel van wet als bijtelling voor het
bijdrageplichtige inkomen wordt geregeld, gaat gelden naast het via de
fiscaliteit in het verzamelinkomen inbegrepen fictief rendement op
vermogen.
Met de vermogensinkomensbijtelling wordt beoogd
om bij het inkomen dat relevant is voor het vaststellen van de hoogte
van de eigen bijdrage een klein percentage van het vermogen van
betrokkene bij te tellen. Dit levert circa €|80 miljoen per jaar aan
kostenbesparing op.
Vanwege het gezamenlijke inkomensafhankelijke
maximum heeft de maatregel niet alleen betrekking op de eigen bijdrage
voor zorg op grond van de AWBZ, maar ook op de eigen bijdrage voor
maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Om deze maatregel mogelijk te maken, worden met
dit voorstel de AWBZ en de Wmo aangepast. In hoofdstuk 2
wordt op deze maatregel nader ingegaan.
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 417, nr.
15.
De AWBZ
borgt het risico van kosten voor zorg die burgers niet zelf kunnen
dragen. Om in de dekking van deze kosten te voorzien, is een
volksverzekering tot stand gebracht waar iedere burger een
inkomensafhankelijke premie voor betaalt en op het moment van gebruik
van zorg tevens een bijdrage betaalt in de kosten van die zorg.¹
rblz.|2|
Voor AWBZ-zorg
geldt daarom sinds jaar en dag dat de verzekerde van 18 jaar of ouder een bijdrage betaalt in de kosten van de zorg. Deze eigen bijdrage
wordt geheven omdat het redelijk wordt geacht dat de gebruiker van zorg
bijdraagt in de kosten van zorg. Voor zorg met verblijf geldt bovendien
dat de verzekerde aanzienlijk bespaart op uitgaven van wonen, eten en
drinken en andere kosten die verband houden met zelfstandig wonen. Eigen
bijdragen zijn ook nodig om de AWBZ betaalbaar te houden. Voor de Wmo
geldt dat gemeenten vrij zijn in het heffen van eigen bijdragen. Als de
gemeente eigen bijdragen heft, is de gemeente wel gebonden aan de in het
Besluit maatschappelijke ondersteuning
geregelde inkomensafhankelijke maxima.
Een belangrijke overweging om een
vermogensinkomensbijtelling op grond van de AWBZ en de Wmo te
introduceren, is om verzekerden die, al dan niet naast hun maandelijkse
inkomen, uitkering of pensioen, een vermogen hebben een eigen bijdrage
te laten betalen die meer in overeenstemming is met hun financiële
situatie. Op deze wijze wordt de scheve situatie verminderd tussen
personen die via een pensioenfonds hun pensioen hebben geregeld en
personen die dat doen via opbouw van vermogen. Bijvoorbeeld, de
zelfstandige die zijn pensioen heeft opgebouwd door het verkopen van
zijn bedrijf wordt nu relatief ontzien, terwijl hij wel een groot
vermogen kan hebben. Straks betaalt hij een eigen bijdrage die meer in
lijn ligt met de bijdrage van personen die een meer gebruikelijke
pensioenopbouw hebben. Het inkomen dat gegenereerd wordt uit vermogen
kan te weinig zijn om de extra eigen bijdrage te betalen, zeker in
tijden van economische crisis. Het vermogen zelf dat personen bezitten,
is echter voldoende om de verhoging van de eigen bijdrage op te vangen.
1. Kamerstukken
II 1965-1966, 8457, nr. 3.
Het
vermogen tot aan het heffingvrije vermogen wordt, net zoals onder het
fiscale stelsel gebeurt, geheel buiten beschouwing gelaten. Bovendien
geldt dat de bijtelling van de extra 4% van het vermogen boven het
heffingvrije vermogen enkel als rekenregel wordt gebruikt bij de
vaststelling van de eigen bijdrage op grond van de AWBZ
of de Wmo. Het verzamelinkomen in de
fiscaliteit verandert dus niet.
2.
Het voorstel
Het huidige artikel
6, vierde lid, van de AWBZ
geeft de bevoegdheid om bij algemene
maatregel van bestuur (AMvB) te bepalen
dat de aanspraak op AWBZ-zorg
slechts tot gelding kan worden gebracht
indien de verzekerde een bijdrage in de
kosten betaalt. Daarbij kan worden
bepaald dat deze bijdrage mede
afhankelijk gesteld wordt van het
inkomen van de verzekerde en zijn
echtgenoot. Een soortgelijke bepaling is
artikel 15
van de Wmo.
Hierin is bepaald dat de gemeenteraad
bij verordening kan bepalen dat voor een
individuele voorziening of een
persoonsgebonden budget een eigen
bijdrage verschuldigd is. De hoogte van
die bijdrage kan mede afhankelijk
gesteld worden van het inkomen van de
verzekerde en zijn echtgenoot. Ingevolge
artikel 19,
eerste lid, van die
wet kan de hoogte van een
financiële tegemoetkoming voor
verschillende soorten van
maatschappelijke ondersteuning mede
afhankelijk gesteld worden van het
inkomen van de verzekerde en zijn
echtgenoot. Dit wetsvoorstel maakt het
mogelijk bij AMvB te regelen dat bij het
bepalen van de eigen bijdragen op grond
van de AWBZ en de Wmo
ook nog met 4% van het vermogen rekening
wordt gehouden.
De verschuldigde eigen bijdragen zijn
voor de AWBZ
nader geregeld in het Bijdragebesluit
zorg en de daarop gebaseerde
Bijdrageregeling zorg AWBZ en voor de Wmo
in het Besluit
maatschappelijke ondersteuning.
1. Er geldt een eigen bijdrage voor zorg
met verblijf. Deze bijdrage wordt in
twee soorten onderscheiden:
rblz.|3|
a. De zogenoemde hoge eigen bijdrage die
geregeld is in hoofdstuk
II, paragraaf 2, van het Bijdragebesluit
zorg. Het verschuldigd zijn van deze
bijdrage is uitgangspunt bij
AWBZ-verblijf. Deze bijdrage bedraagt in
2012 maximaal €|2138,40 (voor
gehuwden die samen zijn opgenomen, geldt
dit bedrag voor hen samen) per maand.
Hoe het bijdrageplichtige inkomen voor
deze bijdrage wordt berekend, is
geregeld in paragraaf
2 van
het Bijdragebesluit
zorg en de daarop gebaseerde
Bijdrageregeling zorg AWBZ. De basis
voor de hoogte van de eigen bijdrage is
het verzamelinkomen van twee jaar terug.
Daar worden allerlei posten bij opgeteld
en van afgetrokken en wat resteert, is
het bijdrageplichtige inkomen per jaar.
Voor de berekening van het maandelijks
te betalen bedrag wordt het
bijdrageplichtig inkomen gedeeld door
twaalf, waarbij die uitkomst weer wordt
verhoogd met 2%.
b. De zogenoemde lage eigen bijdrage die
geregeld is in hoofdstuk
II, paragraaf 3, van het Bijdragebesluit
zorg. Deze lage eigen bijdrage vormt
een uitzondering op de hoge bijdrage.
Deze geldt in hoofdlijn voor verzekerden
met een thuiswonende partner, voor een
alleenstaande of gehuwden die samen zijn
opgenomen gedurende het eerste halfjaar
van verblijf, voor verzekerden van wie
terugkeer naar de maatschappij binnen
afzienbare tijd te verwachten is en voor
verblijfsgeïndiceerden die het
volledige pakket thuis ontvangen. Het
gaat dus om verzekerden die nog een
eigen huishouden hebben.
Het
bijdrageplichtige inkomen is bij deze
bijdrage gelijk aan het verzamelinkomen
van twee jaar terug. De bijdrage
bedraagt per maand 12,5% van het
bijdrageplichtig jaarinkomen gedeeld
door twaalf met een minimum van €|148,20 en een maximum van €|778,60 per
maand (bedragen 2012).
2. Er geldt een eigen bijdrage voor
persoonlijke verzorging, verpleging en
begeleiding als de verzekerde die zorg
thuis krijgt. Deze eigen bijdrage is
geregeld in hoofdstuk
III van het Bijdragebesluit
zorg. Deze eigen bijdrage houdt in
een bedrag van €|13,40 per uur (bedrag
2012) met een inkomensafhankelijk
maximum per vier weken, dat verschilt
naar leeftijd (tot 65 jaar en vanaf 65
jaar) en naar leefeenheid
(gehuwd/samenwonend of alleenstaand).
Dit maximum
geldt ook voor de eigen bijdragen die gemeenten opleggen voor maatschappelijke
ondersteuning als bedoeld in de Wmo. Er
geldt een anticumulatieregeling die
inhoudt dat het maximum voor de
Wmo-bijdragen en de AWBZ-bijdragen samen
geldt en dat de Wmo voor gaat op de
AWBZ. De grondslag voor de hoogte van
het maximum is het verzamelinkomen van
twee jaar terug.
De vermogensinkomensbijtelling houdt in
dat het bijdrageplichtige inkomen dat de
basis vormt voor de eigen bijdrage of
voor de maximale eigen bijdrage wordt
verhoogd met 4% van het box-3-vermogen als indicatie voor de vermogenspositie
van de verzekerde. Het gaat daarbij om
het bedrag boven het bedrag aan
heffingvrij vermogen van artikel 5.5 en
5.6 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Bij de uitvoering van de maatregel zijn
het CAK [Centraal Administratiekantoor, red.]
en de belastingdienst betrokken.
De belastingdienst levert inkomens- en
belastinggegevens voor de vaststelling
van de eigen bijdrage door het CAK aan.
De belastingdienst zal ook de
uitlevering van de voor deze maatregel
noodzakelijke vermogensgegevens gaan
verzorgen. De belastingdienst is daartoe
in staat. Ook het CAK is in staat deze
maatregel uit te voeren.
rblz.|4|
3.
De inkomensgevolgen en budgettaire
effecten
Volgens het Regeer- en Gedoogakkoord
brengt deze maatregel €|80 miljoen op
jaarbasis op. Hiervan wordt ongeveer €|60 miljoen opgebracht door cliënten die
in intramurale instellingen verblijven.
Het Centraal
bureau voor de statistiek
is gevraagd om na te gaan of meer
recente vermogensgegevens leiden tot
aanpassing van deze bedragen.
De maatregel
heeft de volgende inkomensgevolgen:
- Cliënten die de hoge eigen bijdrage
voor zorg met verblijf betalen, gaan er
per maand gemiddeld €|130,- op
achteruit.
- Voor cliënten die de lage eigen
bijdrage voor zorg met verblijf betalen,
is de inkomensdaling gemiddeld ongeveer €|40,- per maand.
- Cliënten die de eigen bijdrage voor
zorg zonder verblijf of de bijdrage voor
maatschappelijke ondersteuning betalen,
gaan er gemiddeld per maand circa €|15.-
op achteruit.
Deze inkomenseffecten hebben alleen
betrekking op de eigen bijdragen die
verzekerden verschuldigd zijn die een
vermogen hebben boven het heffingvrije vermogen. Het overgrote deel van de
bijdrageplichtigen heeft geen vermogen
boven het heffingvrije vermogen.
Op 11 april 2011 ¹ is het CAK gevraagd de
uitvoeringsaspecten van deze maatregel
in kaart te brengen en aan te geven wat
de gevolgen zijn voor het CAK. Het CAK
heeft op 30 juni 2011 ² uitvoeringsaspecten in kaart gebracht.
Daaruit blijkt dat de maatregel in
technische zin eenvoudig is uit te
voeren. Het gaat immers slechts om een
geautomatiseerde extra optelpost die
bestaat uit bij de belastingdienst
bekende gegevens. Deze gegevens zijn
door de burger zelf bij de belastingdienst aangeleverd. Het CAK
verwacht vooral extra werk dat
voortvloeit uit contacten met
verzekerden die met de gevolgen van de
vermogensinkomensbijtelling worden
geconfronteerd.
Met het CAK zal
de komende tijd worden bezien hoe
verzekerden die door de maatregel worden
getroffen zo goed en gericht mogelijk
kunnen worden geïnformeerd. Naast het
belang dat verzekerden goede informatie
krijgen, wordt zo voorkomen dat het CAK
met onnodige vragen en bezwaren wordt
belast. Het moet verzekerden duidelijk
worden dat het gaat om gegevens die zij
zelf bij de belastingdienst moeten
hebben aangeleverd en die dus bij hen
bekend zijn. Op deze wijze wordt
onnodige extra belasting van het CAK
voorkomen.
In overleg met
het CAK zullen bij de verdere uitwerking
van deze maatregel ook andere
onzekerheden de komende tijd worden
weggenomen. In de nota van toelichting
op de AMvB waarmee, ter uitwerking van
de onderhavige maatregel, het Bijdragebesluit
zorg en het Besluit
maatschappelijke ondersteuning
worden gewijzigd, zal daar verder op
ingegaan worden. Dan kan ook meer
inzicht in de uitvoeringskosten gegeven
worden.
1.
Kenmerk: Z/VU-3060147.
2. Kenmerk: FW.290611.
4.
Administratieve lasten
Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen
voor het bedrijfsleven. Er zijn dus geen
extra administratieve lasten voor het
bedrijfsleven. Ook voor verzekerden zijn
er geen extra administratieve lasten.
Zij hoeven voor deze maatregel immers
geen actie te ondernemen.
rblz.|5|
Artikelsgewijs
Artikelen
I, onderdeel A, en II
¹
Met
deze bepalingen worden de artikelen 6,
vierde lid, van de AWBZ
en 15,
tweede lid, en 19,
eerste lid, van de Wmo
gewijzigd teneinde de
vermogensinkomensbijtelling mogelijk te
maken, zoals in hoofdstuk 2
van het algemeen deel van de toelichting
is uiteengezet. Daartoe wordt aan deze
bepalingen het woord "vermogen"
toegevoegd. In het Bijdragebesluit
zorg en het Besluit
maatschappelijke ondersteuning zal
worden geregeld dat bij het
bijdrageplichtige inkomen van de
verzekerde 4% van het box-3-vermogen zal
worden meegeteld. Het gaat daarbij om
het bedrag boven het bedrag aan
heffingvrij vermogen van artikel 5.5 en
5.6 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
1.
Tijdens de parlementaire behandeling is
aan artikel
15 Wmo
een vierde lid en aan artikel
19 Wmo
een derde lid toegevoegd, red.
Artikel
I, onderdeel B
Dit
onderdeel betreft het herstel van een
omissie.
De Staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner
|