|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 327
Wijziging
van verschillende
wetten in verband met de vereenvoudiging van de uitvoering van deze
wetten door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Wet vereenvoudiging regelingen UWV)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Aanleiding |
| 2 |
Hoofdlijnen |
| 2.1 |
Aanleiding en probleemstelling |
| 2.2 |
Doel |
| 2.3 |
Rechtvaardiging overheidsinterventie |
| 2.4 |
Instrumentkeuze |
| 2.5 |
Gevolgenbeoordeling |
| 2.6 |
Betrokkenen |
| 3 |
Toelichting
per voorstel |
| 3.1 |
Uitkeringsvaststelling
WW alsmede ZW en Wazo |
| 3.2 |
Aanpassing fictieve opzegtermijn |
| 3.3 |
Doelgroep inkomstenverrekening (begrip
langdurig werkloos) |
| 3.4 |
Wijziging
startersregeling WW |
| 3.5 |
Calamiteitenregeling:
wijziging artikel 8 BBA en artikel 18 WW |
| 4 |
Financiële gevolgen en regeldruk |
| 5 |
Ontvangen
commentaren |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m IX |
Algemeen
1.
Aanleiding
De regering streeft naar een overheid die
alleen doet wat ze moet doen, zo dicht mogelijk bij mensen.¹ Beleid zal
zich minder moeten gaan richten op het maken van gedetailleerde regels
en voorschriften en meer op het creëren van een omgeving waarin
anderen zich aangesproken en gestimuleerd voelen om zelf met oplossingen
te komen voor maatschappelijke vraagstukken. De overheid beperkt de
dienstverlening tot het noodzakelijke. Door regelgeving minder complex
te maken, zijn efficiëntere oplossingen mogelijk en kan er ook beter
gehandhaafd worden. In de uitvoering kunnen aanzienlijke stappen gezet
worden door de werkwijzen bij de tijd te brengen met behulp van moderne
ICT-toepassingen en intensiever gebruik van automatische
gegevensbestanden.
1.
Regeerakkoord, Kamerstukken II 2010-2011,
32 417, nr. 15.
De brief
van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) van 14 maart 2011
¹ beschrijft de invulling van de
hoofdlijnen van de taakstelling voor het
domein van SZW van €|288 miljoen. Voor
het Uitvoeringsinstituut
Werknemersverzekeringen (UWV) is een
algemene taakstelling opgenomen van €|221 miljoen. Samen met de taakstelling
van €|78 miljoen die is opgelegd door
de vorige regering resulteert dit in een
algemene taakstelling voor het UWV van €|299 miljoen in de uitvoeringskosten,
te realiseren in de periode 2012-2015.
Voor het onderdeel vereenvoudiging van
wet- en regelgeving is een streefbedrag
voorzien van €|50 miljoen. In een
algemeen overleg op 6 en 28 april 2011
is deze brief met de Tweede Kamer
besproken.
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 500 XV,
nr. 75.
Dit
wetsvoorstel bevat de uitwerking van
vereenvoudigingsvoorstellen voor wet- en
regelgeving op het terrein van het UWV.
Het betreft een samenhangend pakket dat
regels en uitvoeringsvoorschriften
schrapt of aanpast en daarmee de
uitkeringsvaststelling faciliteert.
Daarnaast bevat dit wetsvoorstel een
aantal op zichzelf staande voorstellen.
Daarmee wordt een substantiële bijdrage
geleverd aan de bezuinigingsopgave waar
het UWV voor staat.
rblz.|2|
2.
Hoofdlijnen
2.1.
Aanleiding en probleemstelling
Het probleem dat bij dit wetsvoorstel
centraal staat, is de complexiteit van
een aantal door het UWV
uitgevoerde
regelingen. Het proces van vaststelling
van uitkeringen gaat gepaard met het
opvragen en verwerken van gegevens van
werkgevers en werknemers. Het opvragen
van gegevens hangt mede samen met het
feit dat in de huidige situatie niet
optimaal gebruik gemaakt kan worden van
gegevens uit de polisadministratie. Dit
geheel leidt tot een relatief
ingewikkeld uitvoeringsproces en het
werkt kostenverhogend. Behalve op de
uitvoeringsorganisatie heeft dit
uiteraard ook zijn weerslag op de
werknemers en op werkgevers, die in veel
gevallen - aanvullende - gegevens
moeten aanleveren. Ook kan complexe
regelgeving leiden tot onduidelijkheid.
De voorlichtingstaak van het UWV wordt
hierdoor moeilijker.
Ook
vormen specifieke regelingen voor
specifieke doelgroepen of situaties een
bron van complexiteit. In sommige
gevallen vragen dergelijke regelingen
meer uitvoeringscapaciteit dan nodig zou
zijn in een situatie waarin de
basisregels toegepast zouden worden.
2.2. Doel
Het doel
van het wetsvoorstel is vereenvoudiging
van wet- en regelgeving, in het belang
van meer doelmatigheid, een grotere
inzichtelijkheid van de regelgeving en
vermindering van uitvoeringskosten voor
de overheid en de administratieve lasten
voor werkgevers en werknemers. De
aanpassingen worden primair ingegeven
door uitvoeringstechnische overwegingen.
Door wet- en regelgeving te
vereenvoudigen kan een additionele
besparing in de uitvoeringskosten worden
gerealiseerd, die met louter
efficiencymaatregelen niet kan worden
bereikt. Daarbij is ernaar gestreefd de
effecten op de uitkeringen zo klein
mogelijk te houden. Het is echter niet
mogelijk om materiële wijzigingen
helemaal uit te sluiten.
In dit
kader streeft de regering niet naar
besparingen op de uitkeringslasten. Wel
geldt als randvoorwaarde dat de
uitwerking van al deze maatregelen per
saldo niet mag leiden tot hogere
uitkeringslasten. Per maatregel kan
overigens wel sprake zijn van enige
stijging of daling van de
uitkeringslasten. De regering acht dit
onvermijdelijk en is van mening dat het
totale pakket voldoet aan de
randvoorwaarde.
2.3.
Rechtvaardiging overheidsinterventie
De
financiële kaders die door de regering
voor het SZW-domein zijn gekozen, maken
het nodig om tot een efficiëntere en
goedkopere uitvoeringsorganisatie te
komen. Dit kan niet uitsluitend gedaan
worden door efficiencymaatregelen bij de
uitvoeringsorganen. Aanpassing van
wetgeving kan ook een bijdrage leveren
aan een efficiëntere uitvoering.
2.4.
Instrumentkeuze
Het
instrument dat wordt ingezet, is
aanpassing van wetgeving in de
Werkloosheidswet (WW) en Ziektewet (ZW),
om de uitkeringsvaststelling beter te
doen aansluiten bij de gegevens die in
de polisadministratie voorhanden zijn.
Materieel is de betekenis van de
aanpassingen in de wetgeving beperkt.
Het belang is eerder
uitvoeringstechnisch: het UWV
kan het
proces van uitkeringsvaststelling
efficiënter inrichten en verdergaand
automatiseren, waardoor de
uitvoeringskosten dalen.
Voorts
heeft de regering een aantal speciale
regelingen in de WW bezien tegen het
licht van de doelstelling van
vereenvoudiging. Het betreft rblz.|3|
faciliteiten voor specifieke groepen of
situaties. Dit leidt tot voorstellen om
enkele regelingen te vereenvoudigen of
gerichter in te zetten.
2.5.
Gevolgenbeoordeling
Voor
burgers en bedrijven betekenen de
voorstellen dat hen minder vaak gevraagd
wordt gegevens aan te leveren. WW-aanvragen zullen plaatsvinden via een
elektronisch aanvraagformulier. Dit is
overigens nu ook al bij het merendeel
van de aanvragen het geval. De effecten
op de uitkeringen van de nieuwe manier
van uitkeringsvaststelling zijn klein.
Als gevolg van de nieuwe
uitkeringsvaststelling wordt met een
zeer lichte verhoging van de
uitkeringslasten ZW en WW rekening
gehouden. In totaal zorgt het
wetsvoorstel voor een lichte daling van
de uitkeringslasten. Aanpassingen in
enkele speciale regelingen in de WW
kunnen ten opzichte van de bestaande
situatie grotere verschillen opleveren.
In hoofdstuk 3 wordt hier per voorstel
op ingegaan. De wijzigingen betreffen
nieuwe gevallen.
2.6.
Betrokkenen
De
maatregelen zijn tot stand gekomen op
basis van ervaringen en voorstellen vanuit de uitvoering binnen het UWV
en
uitgewerkt in nauw overleg met het UWV.
Daarbij zijn ook de uitkomsten van het
algemeen overleg met de Commissie SZW
van de Tweede Kamer op 6 en 28 april
2011 betrokken.
3.
Toelichting per voorstel
3.1.
Uitkeringsvaststelling WW alsmede ZW en
Wazo
Het
voorstel uitkeringsvaststelling bestaat
uit vier delen. Dit geheel van
voorstellen faciliteert het UWV
om de
uitkeringsvaststelling zoveel mogelijk
te baseren op de gegevens uit de
polisadministratie. Enkele begrippen en
criteria worden geherformuleerd zodat ze
beter aansluiten bij de beschikbare
gegevens. Dit stelt het UWV in staat om
de polisadministratie intensiever te
gebruiken bij het bepalen van recht,
hoogte en duur van de uitkering, in
combinatie met verificatie door de
aanvrager en controle door het UWV.
3.1.1.
Uitkeringsvaststelling WW: verloonde
arbeidsuren
Huidige
regeling
Voor
beoordeling van het recht op WW
moet het UWV
onder meer vaststellen of de
werknemer een relevant
arbeidsurenverlies heeft geleden alsmede
zijn recht op onverminderde
loondoorbetaling over de verloren uren.
Van een relevant arbeidsurenverlies is
sprake als een werknemer ten minste vijf
of ten minste de helft van zijn
arbeidsuren heeft verloren.¹ Hiertoe
wordt op dit moment het (eventuele)
aantal arbeidsuren dat een werknemer in
een kalenderweek werkt, vergeleken met
het gemiddelde aantal arbeidsuren dat
hij in de 26 kalenderweken voorafgaande
aan die kalenderweek heeft gewerkt (GAA).
Het verschil tussen het GAA en het
(eventuele) resterende aantal
arbeidsuren bepaalt de omvang van het
arbeidsurenverlies.
1. Bij
een gemiddeld aantal arbeidsuren van
minder dan tien uur is een verlies van
de helft van dit aantal voldoende.
Voorbeeld:
Een werknemer gaat minder uren werken
met ingang van 1 oktober. Deze werknemer
heeft in de 26 kalenderweken voorafgaand
aan 1 oktober gemiddeld 40 uur per
kalenderweek gewerkt. Dat betekent dat
het GAA 40 is. Betrokkene blijft na 1
oktober 25 uur per kalenderweek werken.
Zijn arbeidsurenverlies is dan 15,
namelijk het GAA (= 40) minus het
resterende aantal arbeidsuren (= 25).
rblz.|4|
Aanleiding
tot deregulering
Bij
bovenstaande beoordeling wordt uitgegaan
van het aantal gewerkte arbeidsuren. Het
aantal gewerkte arbeidsuren wordt echter
niet in de polisadministratie
geregistreerd. Dit gegeven moet daarom
apart worden uitgevraagd bij de
werknemer. De polisadministratie
registreert wel het aantal verloonde
arbeidsuren.
Voorgestelde
regeling
Het
voorstel is om een definitie van "arbeidsuren" op te nemen in
artikel 1
van de
WW. Onder
"arbeidsuren"
wordt
verstaan de uren waarover een werknemer
loon heeft ontvangen. Dit komt overeen
met het begrip "verloonde
arbeidsuren"
in de polisadministratie. Het kan zich
echter voordoen dat een werknemer zijn
loon nog niet heeft ontvangen op het
moment dat hij een
WW-uitkering
aanvraagt. Zo kan het voorkomen dat een
werknemer zijn loon over januari pas een
paar maanden later ontvangt. Als deze
werknemer bijvoorbeeld op 31 januari
wordt ontslagen en de volgende dag een
uitkering aanvraagt, dan is nog niet in
de polisadministratie opgenomen dat de
werknemer verloonde arbeidsuren had in
januari. Zonder nadere voorziening zou
daarom sprake zijn van
arbeidsurenverlies op 1 januari, terwijl
daarvan feitelijk pas sprake is op 1
februari. Daarom wordt ook een uur
waarover een werknemer recht heeft op
inkomen uit arbeid aangemerkt als een
arbeidsuur. Dit is een voorzetting van
het huidige beleid. Daarnaast zal bij
ministeriële regeling worden geregeld
dat een aantal andere uren worden
gelijkgesteld met arbeidsuren, ook al
heeft de werknemer over die uren geen
loon ontvangen én geen recht op loon.
Dit zijn situaties waarbij het
onwenselijk is dat arbeidsurenverlies
intreedt omdat de werknemer uit een
andere bron inkomsten ontvangt die
dienen ter compensatie van het loon. Een
voorbeeld is de situatie dat een
werknemer minder heeft gewerkt als
gevolg van een regeling tot toepassing
van een kortere dan de normale werktijd.
De uren waarin de werknemer niet heeft
gewerkt, zullen worden aangemerkt als
arbeidsuren, zodat geen
arbeidsurenverlies intreedt.
Het
voorgaande brengt mee dat de huidige
voorwaarde dat van werkloosheid pas
sprake kan zijn als de werknemer geen
recht meer heeft op onverminderde
loondoorbetaling over de verloren
arbeidsuren, kan vervallen. Deze eis is
immers opgesloten in de definitie van
"arbeidsuren". Immers, van een
arbeidsuur is sprake als een werknemer
loon heeft ontvangen of recht heeft op
loon.
Deze
wijziging heeft geen gevolgen voor de
omvang van het GAA en dus ook niet voor
de omvang van het arbeidsurenverlies. De
wijziging brengt wel mee dat de uitvraag
bij de werknemer kan worden beperkt,
omdat de uren waarover een werknemer
loon heeft ontvangen zoveel als mogelijk
is uit de polisadministratie kunnen
worden gehaald. Daarin zijn ze opgenomen
onder de rubriek "verloonde
arbeidsuren". Zodoende kunnen de
administratieve lasten en
uitvoeringskosten dalen.
Eén en
ander brengt mee dat lagere regelgeving
moet worden aangepast. Bepaalde uren
waarin niet is gewerkt, worden, als
eerder gezegd, gelijkgesteld met
gewerkte uren.¹ Dit betreft onder meer
uren waarvoor een regeling van
werktijdverkorting gold. Deze regeling
zal blijven gelden, met dien verstande
dat de formulering van de bepalingen
wordt aangepast aan de definitie van
"arbeidsuur".
Vanuit
het oogpunt van eenvoud en uniformiteit
wordt de omschrijving van het begrip
"arbeidsuren" ook van toepassing op
andere wetsartikelen. Het gaat dan om de
artikelen die betrekking hebben op de
referte-eis en de vaststelling van het
recht op uitkering in verband met - gedeeltelijke
- werkhervatting.
rblz.|5|
Deze
wijziging wordt ook doorgevoerd in de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA).
1.
Regeling gelijkstelling niet gewerkte
met gewerkte uren [lees: Regeling
gelijkstelling niet-gewerkte uren met
gewerkte uren, red.].
Gevolgen
voor de uitkering
Dit
voorstel heeft geen gevolgen voor het
recht op en de hoogte en duur van de WW-uitkering, behalve in de volgende
twee situaties. De eerste betreft de
situatie dat een werknemer (tegen
betaling) heeft overgewerkt. Op dit
moment blijven deze overwerkuren bij de
vaststelling van het GAA buiten
beschouwing. Dat wijzigt met dit
voorstel. Dit kan leiden tot een gering
aantal extra uitkeringen van kleine
omvang. De tweede heeft betrekking op de
situatie dat een werknemer op non-actief
is gesteld. Onder de huidige regelgeving
wordt voor het bepalen van het GAA
gekeken naar het moment waarop sprake is
van arbeidsurenverlies. Het moment van
arbeidsurenverlies valt dus samen met
het moment dat de werknemer niet meer
werkt, dus ingangsdatum van de
non-actiefstelling. Dit wijzigt met dit
voorstel. Het moment van
arbeidsurenverlies ligt dan niet langer
meer op het moment waarop de werknemer
op non-actief wordt gesteld, maar wordt
verschoven naar het moment waarop de
werkgever geen loon meer betaalt. Het is
dus in deze situatie niet meer van
belang om te bepalen vanaf welk moment
de werknemer niet meer werkzaam is (dan
wel de periode van non-actiefstelling
begint).
Administratieve
lasten voor burgers en bedrijven
Het
voorstel leidt ertoe dat het UWV
bij de
beoordeling van het recht op WW-uitkering minder gegevens behoeft uit
te vragen bij werknemers. Dit betekent
voor werknemers en het UWV een
administratieve lastenverlichting.
3.1.2.
Uitkeringsvaststelling WW: aanpassing
arbeidsverledeneis
Huidige
regeling
Om in
aanmerking te komen voor een WW-uitkering met een duur van meer dan
drie maanden wordt gekeken naar de
kalenderjaren voorafgaand aan de
werkloosheid (het arbeidsverleden). Een
kalenderjaar telt mee voor het
arbeidsverleden als de werknemer in dat
kalenderjaar over minimaal 52 dagen loon
(SV-dagen [socialeverzekeringsdagen, red.]) heeft ontvangen.
Aanleiding
tot deregulering
Deze
zogenaamde SV-dagen moet de werkgever
aangeven bij de loonaangifte en worden
daarna opgenomen in de
polisadministratie. Deze informatie is
alleen relevant voor het vaststellen van
de duur van het arbeidsverleden.
Werkgevers hebben herhaaldelijk gepleit
voor afschaffing van de SV-dagen.
Voorgestelde
regeling
Een
kalenderjaar telt in dit voorstel mee
voor het arbeidsverleden als de
werknemer in dat kalenderjaar minimaal
208 arbeidsuren heeft gehad. Hiervoor is
reeds besproken wat onder een "arbeidsuur" wordt verstaan. De
arbeidsverledeneis geeft invulling aan
het opbouwkarakter van de WW. Voor een
langer durende uitkering dan drie maanden
is een voldoende binding met het
arbeidsproces vereist. De huidige
voorwaarde van ten minste 52 SV-dagen is
het uitgangspunt geweest bij de
voorgestelde regeling. Het getal 52 is
daartoe vermenigvuldigd met 4, omdat er
dan sprake is van een dienstbetrekking
met enig substantiële omvang. Een
kalenderjaar telt dus mee voor het
arbeidsverleden voor een werknemer als
hij ten minste 208 arbeidsuren heeft in
dat kalenderjaar. Daarbij is niet
vereist dat die 208 arbeidsuren over ten
minste 52 werkdagen zijn verspreid. Ook
een dienstverband van acht uur op 26 dagen
- of andere varianten die uitkomen op
totaal 208 arbeidsuren - is voldoende
om het kalenderjaar mee te laten tellen
voor het arbeidsverleden.
rblz.|6|
Om
dit te
verduidelijken, kan het voorbeeld dienen
van werknemer A die in jaar t op 50
dagen steeds 8 uur heeft gewerkt. In
totaal heeft deze persoon over 400 uur
loon ontvangen. In de huidige regeling
voldoet hij niet aan de eis van 52
dagen. Jaar t telt dus niet mee voor het
arbeidsverleden. Werknemer B heeft op
100 dagen steeds vier uur gewerkt. In
totaal heeft hij dus ook over 400 uur
loon ontvangen. Hij voldoet wel aan de
eis van 52 dagen. Jaar t telt voor hem
dus wel mee. In de nieuwe situatie
worden A en B gelijk behandeld. Met 400
arbeidsuren voldoen zij beiden aan het
criterium van de genoemde 208 uur. Deze
wijziging wordt ook doorgevoerd in de
Wet WIA.
Gevolgen
voor de uitkering
De
wijziging van 52 SV-dagen per
kalenderjaar in de eis dat de werknemer
over minimaal 208 uren loon heeft
ontvangen in een kalenderjaar, kan van
invloed zijn op de duur van het
arbeidsverleden en daarmee op de duur
van de WW-uitkering. Voor deeltijders
die minder dan vier uur per week werken en
daarmee niet aan de "208
arbeidsuren"
per jaar komen, kan het betekenen dat de
duur van de WW-uitkering korter zal zijn
dan in de huidige situatie. Voor elk
kalenderjaar dat niet meetelt voor het
arbeidsverleden geldt dat de
WW-uitkering één maand korter duurt of
dat de werknemer niet voldoet aan de
"4-uit-5-eis" en daarmee geen recht
heeft op een WW-uitkering van langer dan
drie maanden. Daarnaast is er ook een groep
werknemers die nu niet aan de eis van 52
SV-dagen voldoet, maar wel aan de eis
van "208 arbeidsuren". Voor deze
werknemers betekent deze wijziging dat -
in tegenstelling tot de huidige
situatie - kalenderjaren wel meetellen
voor het arbeidsverleden en daarmee
hebben deze werknemers dus recht op een
langer durende WW-uitkering.
Administratieve
lasten voor burgers en bedrijven
De
werkgevers hoeven bij de loonaangifte
niet meer het aantal SV-dagen van hun
werknemers op te geven. Deze extra
uitvraag kan hiermee vervallen. Dit
betekent administratieve
lastenverlichting voor werkgevers.
3.1.3.
Uitkeringsvaststelling WW: bij
referte-eis uitgaan van kalenderweken
Huidige
regeling
Om te
bepalen of een werknemer recht heeft op
een WW-uitkering moet het
UWV beoordelen
of wordt voldaan aan de zogenaamde
referte-eis. Deze referte-eis houdt in
dat de werknemer in de 36 weken
onmiddellijk voorafgaand aan de eerste
dag van werkloosheid in ten minste 26
weken heeft gewerkt. Als de eerste
WW-dag van betrokkene op een donderdag
valt, betekent dat in deze situatie
gekeken moet worden of deze werknemer in
de 36 weken daarvoor arbeid heeft
verricht. In dit voorbeeld betreft het
"gebroken" weken die lopen van
donderdag tot en met woensdag.
Aanleiding
tot deregulering
Bij een
werknemer die per week wisselende uren
werkt, moet bij de beoordeling van het
recht op WW precies worden nagevraagd op
welke dagen hij in die periode van 36
weken voorafgaand aan zijn eerste WW-dag
heeft gewerkt. Dit leidt tot extra
gegevensuitvraag bij de werknemer en/of
de werkgever.
Voorgestelde
regeling
Voorstel
is om bij de bepaling van de wekeneis
niet langer uit te gaan van weken, maar
van kalenderweken. Dit betekent dat in
alle gevallen de referteperiode eindigt
op de zondag voorafgaand aan de eerste WW-dag. Hantering van kalenderweken
heeft als voordeel dat het UWV
alleen de rblz.|7|
gegevens per kalenderweek nodig heeft en
niet meer per dag. Deze wijziging zal
materieel geen gevolgen hebben voor het
recht op uitkering.
Deze
wijziging wordt ook doorgevoerd in de
Wet WIA.
Gevolgen
voor de uitkeringen
Er zijn
geen gevolgen voor de uitkeringen.
Administratieve
lasten voor burgers en bedrijven
Het
voorstel leidt ertoe dat het UWV
bij de
beoordeling van het recht op WW-uitkering minder gegevens behoeft uit
te vragen bij werknemers en werkgevers.
Dit betekent voor werknemers, werkgevers
en het UWV een administratieve
lastenverlichting.
3.1.4.
Aanpassing dagloonregels WW/ZW/Wazo
Huidige
regeling
Onderdeel
van de uitkeringsvaststelling is
vaststelling van de hoogte van de
uitkering met behulp van het dagloon van
de verzekerde. Het dagloon is gebaseerd
op het SV-loon dat de verzekerde heeft
genoten in de referteperiode
voorafgaande aan het intreden van de
verzekerde gebeurtenis (ziekte,
werkloosheid, zwangerschap). De
hoofdregel voor de dagloonvaststelling
is opgenomen in de verschillende socialeverzekeringswetten. In het Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen
¹ zijn nadere
regels vastgesteld.
De
referteperiode is in de meeste gevallen
één jaar, eindigend op de laatste dag
van het aangiftetijdvak (één maand of
vier weken) voorafgaande aan de
verzekerde gebeurtenis. In dat jaar
wordt voor de WW
en de ZW de laatste
dienstbetrekking meegenomen, alsmede
eerdere dienstbetrekkingen naar de mate
waarin de laatste dienstbetrekking
daarvoor in de plaats is gekomen. Deze
beoordeling van de mate waarin de
laatste dienstbetrekking in de plaats is
gekomen van de eerdere dient door het UWV
met de hand gedaan te worden. Voor
ziekengeld op grond van de no-riskpolis,
de compensatieregeling voor werknemers
van 55 jaar of ouder, de uitkering
wegens buitengewone natuurlijke
omstandigheden in de WW, de uitkering
wegens werktijdverkorting op grond van
het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) en
uitkering wegens zwangerschap en
bevallingsverlof op grond van de Wet
arbeid en zorg (Wazo) geldt een kortere
referteperiode, namelijk het laatste
aangiftetijdvak.
1. Besluit
van 8 oktober 2005, Stb. 2005,
546.
Aanleiding
tot deregulering
De
gegevens over het loon in de
referteperiode worden ontleend aan de
polisadministratie. Op het moment waarop
de verzekerde de uitkering aanvraagt,
zijn de gegevens van het laatste
benodigde aangiftetijdvak nog niet
altijd opgenomen in de
polisadministratie. Het UWV
kan de
aanvraag dan pas afhandelen zodra de
gegevens via de loonaangifte alsnog in
de polisadministratie zijn opgenomen,
dan wel na navraag bij de werkgever of
bij de werknemer. Dit betekent een
vertraging in de beslissing. Voorts is
het berekenen van het dagloon op basis
van alle dienstbetrekkingen in de
referteperiode gecompliceerd en niet
volledig te automatiseren. Dit speelt ingeval van meerdere opeenvolgende of
overlappende dienstbetrekkingen, in het
bijzonder bij variaties in de omvang.
Bij aanvragen op grond van de
Wet WIA of
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
speelt dit niet omdat men niet
arbeidsongeschikt wordt uit een bepaalde
dienstbetrekking. Dit in tegenstelling
tot de WW, waarbij men werkloos wordt
uit een bepaalde dienstbetrekking.
rblz.|8|
Voorgestelde
regeling
De
referteperiode voor dagloonberekening
wordt vastgesteld met toepassing van
"t-1": het laatste aangiftetijdvak (t)
voorafgaande aan het intreden van de
verzekerde gebeurtenis wordt buiten
beschouwing gelaten. Het refertejaar
schuift daarmee een tijdvak terug en
vangt dus een tijdvak eerder aan.
Voorts
wordt het dagloon voor de WW, de
ZW en
de Wazo gebaseerd op het loon in de
referteperiode uit de laatste
dienstbetrekking met de werkgever
waarbij de werknemer in dienst was op
het moment van intreden van de
verzekerde gebeurtenis. Indien deze
dienstbetrekking een kortere periode
beslaat dan één jaar, dan wordt de
referteperiode gelijkgesteld met de duur
van deze dienstbetrekking. Met eerdere
dienstbetrekkingen behoeft niet langer
door het UWV
rekening gehouden te worden,
zodat ook de beoordeling in hoeverre de
laatste dienstbetrekking hiervoor in de
plaats is gekomen, vervalt. Ook wordt
voorkomen dat eerdere
dienstbetrekkingen, die mogelijk een
hoger of lager salaris hadden, meetellen
in het dagloon, waardoor de uitkering
ten opzichte van de laatste
dienstbetrekking onevenredig hoog of
laag kan uitpakken. Om het UWV voldoende
voorbereidingstijd te geven, worden de
nieuwe dagloonbepalingen op een nader te
bepalen tijdstip in de eerste helft van
2013 van kracht.
Voor de
Wet WIA en de WAO blijft de
dagloonvaststelling op bovengenoemde
punten ongewijzigd.
In het Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen
worden de
bepalingen over vakantiebijslag en
eenmalig periodiek salaris
vereenvoudigd.
De
dagloongarantie WW
in het Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen
voor werknemers die werk bij een andere
werkgever aanvaarden en vervolgens
binnen bepaalde termijn opnieuw werkloos
worden, wordt gericht op de werknemers
die het werk aanvaarden vanuit
werkloosheid. Bij deze werknemers kan
het UWV het dagloon van de nieuwe
uitkering afzetten tegenover het dagloon
van de eerste werkloosheidsuitkering en
eventueel de tweede
werkloosheidsuitkering vaststellen op
het dagloon van de eerste werkloosheid.
Bij werknemers die van werk naar werk
gaan en daarna werkloos worden, is er
geen eerder vastgesteld uitkeringsrecht
en zou het UWV alsnog moeten vaststellen
of de werknemer recht op uitkering zou
hebben gehad als hij werkloos zou zijn
geworden en wat het dagloon van die
uitkering geweest zou zijn. Deze
beoordeling is uitvoeringstechnisch
bewerkelijk. Daarnaast ligt het bieden
van een dagloongarantie in dit geval
minder voor de hand. Iemand die vanuit
werkloosheid solliciteert, is in een
moeilijkere positie dan een werknemer
die van werk naar werk gaat en komt
eerder in aanmerking voor een stimulans
om lager betaald werk te aanvaarden.
Voor iemand die van werk naar werk
overstapt, zal de hoogte van het dagloon
bij eventuele werkloosheid voor de
werknemer minder belangrijk zijn dan de
kwaliteit van de nieuwe baan zelf.
Gevolgen
voor de uitkeringen
De
wijzigingen in de dagloonvaststelling
leiden per saldo niet tot hogere of
lagere daglonen. Het alleen meenemen van
het loon uit de laatste dienstbetrekking
kan op individueel niveau ten opzichte
van de huidige systematiek tot andere
uitkomsten leiden, zowel hoger als
lager. Dit laat zich verklaren door de
keuze voor een ander uitgangspunt. Nu
wordt het dagloon berekend op basis van
alle opeenvolgende dienstbetrekkingen in
het refertejaar. In de voorgestelde
systematiek wordt aangesloten bij de
laatste dienstbetrekking. In de nieuwe
systematiek is de verhouding tussen het
laatstverdiende loon en de uitkering
duidelijk en passend bij rblz.|9|
het
loondervingskarakter van de WW
en de ZW.
Het betreft alleen nieuwe gevallen.
Administratieve
lasten voor burgers en bedrijven
De
wijzigingen leiden tot minder
administratieve lasten bij werkgevers en
werknemers. De uitvraag door het UWV
als
gevolg van ontoereikende informatie in
de polisadministratie zal grotendeels
vervallen. Dit betreft het opvragen van
gegevens over het laatste
aangiftetijdvak en gegevens over
opgebouwde vakantietoeslag en opgebouwd
extra periodiek salaris in de
referteperiode. Voor het overige hebben
de wijzigingen geen gevolgen voor
werkgevers. Slechts incidenteel kan het
blijven voorkomen dat nog informatie
wordt gevraagd bij de werkgever als de
informatie in de polisadministratie en
van de werknemer niet toereikend is voor
de dagloonvaststelling.
3.1.5.
Uitkeringsvaststelling: financiële
gevolgen
Uitvoeringskosten
Het
gecombineerde voorstel leidt tot een
structurele besparing van de
uitvoeringskosten van in totaal €|44,1
miljoen vanaf 2015. De besparing is het
gevolg van eenvoudigere regels en
werkprocessen in combinatie met een
automatisering van de
uitkeringsvaststelling.
Uitkeringslasten
De
overgang van gewerkte naar verloonde
arbeidsuren heeft nauwelijks effect op
de uitkeringslasten. De volgende
onderdelen hebben wel effect op de
uitkeringslasten:
De nieuwe
arbeidsverledeneis betekent dat per
saldo voor ongeveer 10 000 aanvragers
minder dan voorheen een jaar mee zal
tellen bij de bepaling van hun WW-recht.
Ongeveer een derde hiervan zal dit merken
omdat zij hun WW-recht volledig
gebruiken. Dit resulteert in een
besparing van ongeveer €|4 miljoen.
Omdat de nieuwe arbeidsverledeneis per
toekomende tijd wordt ingevoerd, zal de
maatregel een lang ingroeipad hebben.
De
aanpassing van de dagloonregels heeft
per saldo geen effect op de
uitkeringslasten.
3.2.
Aanpassing fictieve opzegtermijn
Huidige
regeling
Als een dienstbetrekking eindigt zonder
toepassing van de bij opzegging geldende
termijn en de werknemer een
ontslagvergoeding ontvangt, dan wordt
(een deel) van deze vergoeding
aangemerkt als loon over een (fictieve)
opzegtermijn. De ingangsdatum van de WW-uitkering verschuift in dat geval tot
na die termijn. Bij ontslagroute via het
UWV of de kantonrechter geldt voor de
fictieve opzegtermijn een forfaitaire
aftrek van één maand. Als werkgever en
werknemer de dienstbetrekking met
wederzijds goedvinden beëindigen, geldt
deze forfaitaire aftrek niet. Voor
werknemers en werkgevers vormt dit een
prikkel om niet op basis van wederzijds
goedvinden uit elkaar te gaan, maar via
de kantonrechter (om één maand WW te
"winnen"), ook al is hier geen
noodzaak toe.
Aanleiding
tot deregulering
Met de
beperking van de verwijtbaarheidstoets
in de WW per 1 oktober 2006 is beoogd
het aantal onnodige ontslagzaken terug
te dringen. De evaluatie van deze
maatregel wees uit dat het aantal pro-formaontslagprocedures tussen 2006 en
2008 aanzienlijk is afgenomen, maar
minder dan was voorzien. De voorgestelde
aanpassing van de fictieve opzegtermijn
beoogt het aantal pro-formaontslagprocedures verder terug te
dringen.
rblz.|10|
Voorgestelde
regeling
De
wijziging ziet op gelijktrekken van de
fictieve opzegtermijn na een
ontbindingsprocedure en na een
beëindigingovereenkomst. Met deze
aanpassing vervalt de bekorting van de
fictieve opzegtermijn na een
ontbindingsprocedure, waardoor het
minder aantrekkelijk wordt om voor
ontbinding via de kantonrechter te
kiezen indien men ook op basis van
wederzijds goedvinden uit elkaar kan. De
fictieve opzegtermijn wordt met dit
voorstel in alle gevallen gelijk. Vanuit
de WW bezien is er dan geen enkele reden
meer voor een pro-formaontbindingsprocedure. Het aantal
pro-formaprocedures zal hierdoor verder
afnemen. De hier voorgestelde regeling
is niet opgenomen in dit
wetsvoorstel.
Zoals toegelicht in paragraaf 3.1.1
wordt voorgesteld om een definitie van
"arbeidsuren" op te nemen in artikel 1
van de WW. Tevens zal bij ministeriële
regeling worden bepaald welke uren
worden gelijkgesteld met een "arbeidsuur". Dit brengt met zich mee
dat bepaalde leden van artikel 16
WW kunnen komen te vervallen en de inhoud
ervan zal worden opgenomen in de
ministeriële regeling. De hier
beschreven wijziging maakt daar deel van
uit.
Uitvoeringskosten
Het
voorstel leidt tot minder
uitvoeringskosten als gevolg van het
verstrekken van minder uitkeringen en
minder aanvragen per jaar. De besparing
wordt geraamd op circa €|0,8 miljoen.
Uitkeringslasten
Het
voorstel bespaart ongeveer €|6 miljoen
op de uitkeringslasten. Dit is het
gevolg van een latere en daardoor lagere
instroom in de
WW.
Administratieve
lasten voor burgers en bedrijven
De
administratieve lasten voor bedrijven
die betrekking hebben op
ontslagprocedures zullen naar
verwachting beperkt dalen vanwege
vermindering van het aantal pro-formaontslagprocedures. Hetzelfde geldt voor
de rechterlijke macht.
3.3.
Doelgroep inkomstenverrekening (begrip
langdurig werkloos)
Huidige
regeling
In juli
2009 zijn in het kader van "passende
arbeid" de gevolgen van werkhervatting
voor WW gerechtigden gewijzigd.
WW-gerechtigden die langer dan één jaar
werkloos zijn, behouden hun WW-uitkering
waarbij de nieuwe inkomsten uit arbeid
voor 70% met de uitkering worden
verrekend. Inkomstenverrekening voorkomt
dat de werknemer een financieel nadeel
lijdt door lager betaald werk te gaan
verrichten. Weer aan het werk gaan,
levert ten opzichte van de WW-uitkering
in dat geval altijd een financieel
voordeel op. Inkomstenverrekening geldt
als de WW-gerechtigde na 52 weken
onafgebroken werkloosheid weer is gaan
werken als werknemer. Deze bijzondere
regeling voor langdurig werklozen neemt
belemmeringen voor werkhervatting weg
bij de WW-gerechtigde die al enige tijd
niet meer actief is op de arbeidsmarkt
en bevordert een bredere oriëntatie op
werk, ook op een lager niveau.
Belangrijk hierbij zijn de definitie van
"langdurig werkloze" en het nadelig
effect van inkomstenverrekening ten opzichte van de
urenverrekeningssystematiek indien tegen
een hoger loon wordt hervat dan waar de
uitkering op is gebaseerd.
Een WW-gerechtigde is langdurig werkloos
indien hij 52 weken onafgebroken
werkloos is geweest. Hierbij worden
onderbrekingen van het WW-recht
(bijvoorbeeld door volledige
werkhervatting of een andere oorzaak)
die korter duren dan vier weken, meegeteld
bij de vaststelling van die 52 weken.
Dit betekent dat personen die tijdens
die 52 weken langere rblz.|11|
tijd volledig aan
het werk zijn niet als langdurig
werkloos zijn te beschouwen.
Aanleiding
tot deregulering
De
huidige definitie van "langdurig
werkloze" leidt in de
uitvoeringspraktijk tot ongewenste
effecten. Ook WW-gerechtigden die
gedurende het eerste jaar bij herhaling
tijdelijk en/of gedeeltelijk werk vinden,
vallen onder deze definitie. Bij
werkhervatting na 52 weken werkloosheid
wordt inkomstenverrekening toegepast, wat
bij deze groep in vele gevallen leidt
tot een lager totaal inkomen
(WW-uitkering + loon) in vergelijking
met urenverrekeningssystematiek. In de
praktijk blijkt dat WW-gerechtigden die
in het eerste WW-jaar bij herhaling
tijdelijk en/of gedeeltelijk werk vinden
meestal - tijdelijk - werkzaam zijn
in een baan van hetzelfde (opleidings-
en inkomens)niveau als de
dienstbetrekking waaruit ze werkloos
zijn geworden. Compensatie van
financieel nadeel door verrekening van
inkomen in plaats van urenverrekening is
in dit geval niet nodig. Doel van de
voorgestelde wijziging is om de
inkomstenverrekening beter te richten op
personen die voor werkhervatting zijn
aangewezen op lager betaalde arbeid.
Voorgestelde
regeling
De
voorgestelde wijziging beoogt de
inkomstenverrekening beter te richten op
personen die voor werkhervatting zijn
aangewezen op lager betaalde arbeid. Dit
wordt bereikt door de definitie van
"langdurig werkloze" aan te scherpen.
In de huidige regeling wordt het inkomen
verrekend - in plaats van de gewerkte
uren - wanneer de WW-gerechtigde op
het moment van werkhervatting gedurende
ten minste 52 weken onafgebroken recht
heeft gehad op uitkering en op dat
moment volledig werkloos is. Hierbij
worden perioden van onderbrekingen van
het WW-recht die korter duren dan vier weken meegeteld. Deze bepaling wordt
zodanig aangepast dat naast de hiervoor
genoemde voorwaarden tevens geldt dat op
het moment dat betrokkene gaat werken
hij dertien weken aaneengesloten volledig
werkloos is geweest. Hiermee wordt
bereikt dat WW-gerechtigden die
regelmatig tijdelijk werk vinden niet
meer in aanmerking komen voor
inkomstenverrekening. Tevens wordt
voorgesteld dat als eenmaal
inkomstenverrekening is toegepast bij - tijdelijke
- werkhervatting, dit
ook zal worden toegepast bij elke
volgende werkhervatting zolang het recht
op WW duurt. De voorwaarde dat
betrokkene op het moment dat hij het
werk hervat dertien weken aaneengesloten
volledig werkloos is geweest, vervalt in
die situatie. Hiermee wordt voorkomen
dat afwisselend inkomstenverrekening dan
wel urenverrekening moet worden
toegepast.
Gevolgen
voor de uitkeringen
Voor WW-gerechtigden die - na een
langdurige periode (minimaal 52 weken)
volledig werkloos te zijn geweest - werk vinden, verandert er niets. De
inkomsten uit deze nieuwe baan worden
verrekend met de WW-uitkering. Voor
WW-gerechtigden die bij herhaling
tijdelijk werk vinden in het eerste
WW-jaar blijft de hoogte en duur van de
WW-uitkering ongewijzigd na afloop van
dat jaar. De urenverrekeningssystematiek
blijft voor deze groep WW-gerechtigden
van toepassing. Er zullen minder mensen
na het eerste WW-jaar in aanmerking
komen voor inkomstenverrekening. Dit
betreft met name de WW-gerechtigden die
in de dertien weken vóór het moment van
werkhervatting - gedeeltelijk - hebben gewerkt.
Uitvoeringskosten
De
voorgestelde aanpassing levert een
besparing op bij de uitvoeringskosten
van circa €|1 miljoen. Dat komt
doordat de doelgroep waarvoor
inkomstenverreking dient plaats te
vinden kleiner wordt.
rblz.|12|
Uitkeringslasten
Als
gevolg van gerichtere toepassing van de
inkomstenverrekening resulteert een
besparing op de uitkeringslasten van
ongeveer €|3 miljoen.
Administratieve
lasten voor burgers en bedrijven
Dit
voorstel heeft geen gevolgen voor de
administratieve lasten voor het
bedrijfsleven.
3.4.
Wijziging startersregeling WW
Huidige
regeling
De
startersregeling WW
houdt in dat de
WW-gerechtigde gedurende 26 weken kan
starten als zelfstandig ondernemer. De
WW-gerechtigde houdt gedurende deze 26
weken recht op WW-uitkering. 70% van de
inkomsten uit het eigen bedrijf (winst)
wordt verrekend met de WW-uitkering over
die startperiode. Een WW-gerechtigde kan
alleen maar deelnemen aan de
startersregeling nadat het UWV
toestemming heeft gegeven. Het doel van
deze regeling is om WW-gerechtigden te
stimuleren om als zelfstandige aan de
slag te gaan en volledig uit te stromen
uit de WW.
Aanleiding
tot deregulering
Uit de
evaluatie in 2009 van de
startersregeling WW
bleek dat de wijze
van inkomstenverrekening ingewikkeld
werd gevonden door de starters. Een
belangrijk knelpunt was dat er voor de
starter lange tijd onzekerheid bestaat
over het bedrag dat - mogelijk - nog
teruggevorderd kan worden. De
definitieve aangifte van de winst wordt
pas twee of drie jaar na afloop van de
startperiode door de belastingdienst
vastgesteld. De starter kan dan na die
periode alsnog worden geconfronteerd met
hoge terugvorderingen.
Voorgestelde
regeling
De
voorgestelde wijziging beoogt de
knelpunten die WW-gerechtigden ervaren
bij de huidige regeling, weg te nemen
door de startersregeling te
vereenvoudigen. In plaats van
verrekening van inkomsten achteraf
wordt de WW-uitkering gedurende de
startperiode met een vast percentage
gekort. Het kortingspercentage is
vastgesteld op 29% van de uitkering.
Starters behouden tijdens de
startperiode recht op hun WW-uitkering,
maar hun WW-uitkering wordt met 29%
verlaagd. Dit percentage is voor
iedereen gelijk en is onafhankelijk van
de inkomsten uit het eigen bedrijf of de
als zelfstandige gewerkte uren. De
starter heeft voordat hij deelneemt aan
de regeling goed inzicht in zijn
financiële situatie. Ook bij deze
vereenvoudigde regeling geldt dat een
WW-gerechtigde pas kan deelnemen aan de
startersregeling nadat het UWV
toestemming heeft gegeven.
Bij
algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat de uitkering met een
lager bedrag wordt verminderd als na een
bepaalde periode blijkt dat het gebruik
van de startersregeling is afgenomen.
Gevolgen
voor de uitkeringen
Het
kortingspercentage is voor iedere
starter gelijk, maar de gevolgen van
deze forfaitaire regeling kunnen
verschillen per starter. Voor de WW-gerechtigde die in de startperiode
weinig inkomen uit het eigen bedrijf
heeft, zal het totale inkomen (WW +
winst) relatief laag zijn. Terwijl
WW-gerechtigden die (verwachten) veel
inkomen uit het eigen bedrijf (te)
verwerven, voordeel hebben bij deze
forfaitaire regeling.
Uitvoeringskosten
Met dit
voorstel kan circa €|1 miljoen op de
uitvoeringskosten worden bespaard
doordat minder inkomstenverrekeningen
behoeven plaats te vinden.
rblz.|13|
Uitkeringslasten
De
regeling wordt budgettair neutraal
vormgegeven en heeft daarom geen effect
op de uitkeringslasten. Het percentage
van 29% is gebaseerd op het gebruik van
de regeling over de afgelopen jaren.
Administratieve
lasten voor burgers en bedrijven
Betrokkenen
hoeven geen informatie meer door te
geven aan het UWV
over hun inkomsten als
zelfstandige.
3.5.
Calamiteitenregeling: wijziging artikel
8 BBA en artikel 18 WW
Huidige
regeling
Op dit
moment bestaan er twee regelingen
waarbij in geval van buitengewone niet-economische omstandigheden WW-uitkering
kan worden verstrekt tijdens
dienstbetrekking. Dit zijn de onwerkbaarweerregeling in de WW en de
werktijdverkortingsregeling (WTV) op
grond van artikel
8 van het BBA.
Aanleiding
tot deregulering
Hoewel
beide regelingen zien op het verstrekken
van een WW-uitkering in geval van
buitengewone niet-economische
omstandigheden, zijn er aanzienlijke
verschillen tussen de regelingen. Deze
verschillen zijn niet altijd goed
verklaarbaar. Zo kan bijvoorbeeld bij
onwerkbaar weer een beroep op de
regeling worden gedaan ongeacht de mate
waarin een bedrijf wordt geraakt door
buitengewone weersomstandigheden,
terwijl voor een beroep op de WTV-regeling er sprake moet zijn van het
gedurende ten minste twee kalenderweken
niet kunnen benutten van ten minste 20%
van de arbeidscapaciteit per week. Een
ander verschil is dat bij een beroep op
de onwerkbaarweerregeling een werknemer
niet hoeft te voldoen aan de
referte-eisen voor het recht op
uitkering, de duur van de uitkering
wordt bepaald door de duur van de
omstandigheden en het recht geen
gevolgen heeft voor een eventueel later
recht op uitkering. Bij een beroep op de
WTV-regeling moet een werknemer wel
voldoen aan de referte-eisen voor het
recht op uitkering, wordt de duur van de
uitkering bepaald door de regels die
daarvoor op grond van de WW gelden en
kan het recht wel gevolgen hebben voor
een eventueel later recht op uitkering.
Een volgend verschil is dat voor
werktijdverkorting op grond van de WTV-regeling een vergunning is vereist van
het ministerie van
SZW, terwijl voor een
beroep op de onwerkbaarweerregeling
geen vergunning is vereist.
De
regering is tot de conclusie gekomen dat
deze verschillen ongewenst zijn. Het
verdient voorkeur te komen tot een
zoveel mogelijk uniforme regeling die
van toepassing is bij calamiteiten,
waarbij de niet te rechtvaardigen
verschillen tussen de onwerkbaarweerregeling in de WW en de WTV ongedaan
worden gemaakt en waarbij de uitvoering
van de regeling zoveel mogelijk in één
hand ligt (te weten: het UWV). De
wijzigingen van artikel
8 BBA
(betreffende het verbod op
werktijdverkorting, waarvan vrijstelling
kan worden verleend) en artikel 18
WW
bieden hiervoor de basis. Deze
calamiteitenregeling zal worden
vormgegeven in een ministeriële
regeling gebaseerd op de hiervoor
genoemde artikelen, zodat zij snel kan
worden aangepast als omstandigheden
daartoe aanleiding geven.
Voorgestelde
regeling
De
calamiteitenregeling zal er als volgt
uit zien.
1. In
artikel 18 WW
wordt geregeld dat de
werknemer die tijdelijk niet of minder
kan werken recht op uitkering heeft als
de werkgever met toepassing van artikel
8 BBA
bevoegd is de werktijd te
verkorten.
rblz.|14|
2. Op
grond van artikel
8
BBA
zal worden
geregeld dat in geval van winterse
omstandigheden (vorst of sneeuwval) een
werkgever de werktijd kan verkorten als
ten minste 20% van de arbeidscapaciteit
per week niet kan worden benut na een
periode van vier weken waarin dat het
geval is geweest. Voor de vaststelling
van de periode van vier weken worden
weken waarin ten minste 20% van de
arbeidscapaciteit niet kan worden benut
in de maanden november van enig
kalenderjaar tot en met maart van het
daaropvolgende kalenderjaar samengeteld.
De regering meent dat het niet kunnen
werken als gevolg van winterse
omstandigheden tot het normale
ondernemersrisico behoort. Dat is alleen
niet het geval bij langdurige perioden
van vorst of sneeuwval waardoor in
substantiële mate (ten minste 20%) geen
gebruik kan worden gemaakt van de
beschikbare arbeidscapaciteit.
3. In
andere gevallen van het niet kunnen
benutten van de beschikbare
arbeidscapaciteit als gevolg van niet-economische omstandigheden zal gelden
dat een werkgever bevoegd is de werktijd
te verkorten als ten minste 20% van de
arbeidscapaciteit per week niet kan
worden benut, na een periode van twee weken
waarin dat het geval is geweest, mits
die omstandigheden naar het oordeel van
de minister van SZW niet tot het normale
ondernemersrisico kunnen worden
gerekend. Het gaat hier om plaatselijke,
regionale of andere calamiteiten waarvan
de effecten zich niet beperken tot een
enkele onderneming. Voorbeelden hiervan
uit het verleden zijn: het ontruimen van
de Betuwe wegens hoog water, de
vuurwerkramp in Enschede, de aanslagen
in de VS in 2001 en de MKZ-crisis. Meer
recente voorbeelden zijn de ramp met de
kerncentrale in Japan en de stremming in
de Rijn. Van belang hierbij is dat er
een directe relatie bestaat tussen de
aangevoerde oorzaak en de
werkvermindering. Als een bepaalde
omstandigheid pas op langere termijn tot
werkvermindering leidt en/of slechts
indirect gevolgen heeft, dan kan geen
beroep op de regeling worden gedaan. Als
voorbeeld wordt genoemd de aanslagen in
de VS, die naast directe gevolgen voor de
luchtvaart en reisbranche ook meer
indirecte gevolgen heeft gehad voor de
economie in algemene zin.
Hiermee
komt de mogelijkheid om gebruik te maken
van de regeling in geval van
bijvoorbeeld brand of blikseminslag bij
een bedrijf te vervallen. In dergelijke
situaties kan de loonschade die wordt
geleden als gevolg van leegloop worden
gedekt door een
bedrijfsschadeverzekering. Het sluiten
van dergelijke verzekeringen is niet
ongebruikelijk. De regering acht het dan
ook niet langer wenselijk dat in
dergelijke situaties gebruik kan worden
gemaakt van de calamiteitenregeling.
4. In
beide gevallen geldt dat als aan de
voorwaarden wordt voldaan, de werkgever
bevoegd is de werktijd te verkorten met
het aantal uren dat een werknemer als
gevolg van die omstandigheden de arbeid
niet kan verrichten, gedurende een
periode van zes weken. Deze periode kan
driemaal worden verlengd. De werkgever zal
niet bevoegd zijn de werktijd te
verkorten als het niet kunnen benutten
van de arbeidscapaciteit naar
verwachting langer zal duren dan 26
weken. Dat is thans op grond van de WTV-regeling ook het geval. Voorkomen moet
worden dat een werknemer in de regeling
terechtkomt als het uitzicht op herstel
van de bedrijvigheid ontbreekt. In dat
geval ligt ontslag van de werknemer meer
voor de hand, zodat hij zich kan richten
op het verkrijgen van werk bij een
andere werkgever.
5. Wat
betreft het recht op WW
zal voor deze
calamiteitenregeling in de eerste plaats
worden geregeld dat het recht op
WW-uitkering telkens voor perioden van
zes weken wordt verleend. Op die manier
kan het UWV tussentijds controleren of aan
de voorwaarden voor vrijstelling van het
verbod op werktijdverkorting wordt
voldaan. Verder zal worden rblz.|15|
geregeld, net
als thans geldt bij de onwerkbaarweerregeling in de WW, dat de werknemer voor
het verkrijgen van dat recht niet hoeft
te voldoen aan de daarvoor gestelde
referte-eisen, dat het recht niet van
invloed is op een later (regulier) recht
op WW en de werknemer is vrijgesteld van
de sollicitatieverplichting.
6. Ten
slotte zal erin worden voorzien dat bij
geconstateerde fraude de bevoegdheid tot
werktijdverkorting met terugwerkende
kracht vervalt, waardoor de werkgever
alle betaalde WW-uitkeringen moet
terugbetalen, naast de sanctie die kan
worden opgelegd wegens het niet nakomen
van de informatieverplichting.
7. Omdat
het niet praktisch zou zijn dit voorstel
in te voeren tijdens het winterseizoen,
is voorzien in invoering op 1 juli 2013.
Gevolgen
voor werkgevers en werknemers
Zoals
hiervoor aangegeven, meent de regering
dat het niet kunnen werken als gevolg
van winterse omstandigheden een normaal
en voorspelbaar ondernemersrisico is.
Dat is alleen niet het geval bij
langdurige perioden van vorst of
sneeuwval waardoor in substantiële mate
(ten minste 20%) geen gebruik kan worden
gemaakt van de beschikbare
arbeidscapaciteit. Werkgevers in
sectoren die nu gebruik maken van WW
in
verband met winterse omstandigheden
zullen de eerste vier weken winters weer
dus voor eigen rekening moeten nemen.
Zij zijn niet bevoegd de werktijd te
verkorten. Werknemers wiens salaris
wordt doorbetaald als er vanwege het
weer niet wordt gewerkt, ondervinden dan
ook geen nadelige gevolgen.
Uitvoeringskosten
De
regering verwacht dat als gevolg van de
invoering van één uniforme regeling
die van toepassing is bij calamiteiten,
de uitvoeringskosten bij het UWV
zullen
dalen. In gemiddelde winters zal het
beroep op WW in verband met winterse
omstandigheden beperkt zijn. De
samenvoeging van de WTV en de onwerkbaarweerregeling levert dan ook een
besparing op in de uitvoeringskosten van
het UWV van €|1,5 miljoen.
Uitkeringslasten
De
regeling met betrekking tot winterse
omstandigheden kent een
eigenrisicoperiode van vier weken,
gebaseerd op het gemiddeld aantal dagen
onwerkbaar weer in één jaar. In een
normale winter is er daarom geen
aanspraak. Dit betekent een besparing
van circa €|10 miljoen.
Administratieve
lasten voor het bedrijfsleven
De
administratieve lasten zullen naar
verwachting ongeveer gelijk blijven.
4.
Financiële gevolgen en regeldruk
Uitvoeringskosten
Dit
voorstel van wet bevat voorstellen die
leiden tot vereenvoudiging van de
uitvoering van wet- en regelgeving. De
vereenvoudiging zit onder meer in minder
aanvragen, minder uitvraag van gegevens
en meer geautomatiseerde verwerking van
uitkeringstrajecten. De
vereenvoudigingvoorstellen hebben
gevolgen voor de uitvoeringskosten. Er
zal een structurele besparing van €|48,4 miljoen mee worden bereikt. In
onderstaande tabel is deze besparing
meerjarig in beeld gebracht.
rblz.|16|
Tabel 1.
Besparing uitvoeringskosten wetsvoorstel
[x €|1
miljoen, red.]:
| Maatregel |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
| Uitvoeringskosten |
12,5 |
31,1 |
48,4 |
48,4 |
Uitkeringslasten
De
voorgestelde maatregelen raken ook de
uitkeringslasten. De inschatting is dat
per saldo de in deze wet opgenomen
vereenvoudigingen leiden tot een
structurele besparing van €|23 miljoen
op de uitkeringslasten. Ten opzichte van
de totale
WW-lasten (ongeveer €|5
miljard) is deze besparing uiterst
klein. In onderstaande tabel is de
besparing meerjarig en per voorstel in
beeld gebracht.
Tabel 2.
Gevolgen voor uitkeringslasten (x €|1
miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
Struc-
tureel |
| Uitkeringsvaststelling: |
| dagloonberekening
WW |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
| dagloonberekening
ZW |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
| arbeidsverledeneis |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
–4xx |
| Totaal
uitkeringsvaststelling |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
–4xx |
| x |
| Wijziging
startersregeling |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
| Aanpassing
regeling fictieve opzegtermijn |
–6xx |
–6xx |
–6xx |
–6xx |
–6xx |
| Doelgroep
inkomstenverrekening/langdurig
werkloos |
–3xx |
–3xx |
–3xx |
–3xx |
–3xx |
| Nieuwe
calamiteitenregeling |
–10xx |
–10xx |
–10xx |
–10xx |
–10xx |
| Totaal |
–19xx |
–19xx |
–19xx |
–19xx |
–23xx |
Administratieve
lasten
Als
gevolg van de nieuwe methode van
uitkeringsvaststelling dalen de
administratieve lasten voor bedrijven
en burgers. Bedrijven hoeven minder
gegevens apart aan het UWV
te
verstrekken. Zij hoeven onder andere
niet meer het aantal SV-dagen op te
geven. Ook hoeven zij geen gegevens over
het laatste aangiftetijdvak meer aan het
UWV te verstrekken. Over de verloonde
arbeidsuren hoeft de werknemer minder
gegevens te verstrekken dan het geval
was bij gewerkte uren, omdat het UWV
vaker gebruik kan maken van de gegevens
uit de polisadministratie. De daling van
de administratieve lasten voor bedrijven
is circa €|8 miljoen als gevolg van de
nieuwe regelgeving. De daling van de
administratieve lasten voor
WW-
en
ZW-
aanvragers is circa zeven minuten per
aanvraag. Naast deze besparing moeten
bedrijven en burgers kennisnemen van de
nieuwe regelgeving. Deze kosten zijn
eenmalig. De eenmalige kosten van
kennisname voor bedrijven zijn in totaal
circa €|4
miljoen. Voor burgers betreft
het circa tien minuten per burger.
De
aanpassing van de inkomstenverrekening
heeft geen gevolgen voor de
administratieve lasten.
Als
gevolg van de aanpassing van de fictieve
opzegtermijn zullen de administratieve
lasten voor bedrijven die betrekking
hebben op ontslagprocedures naar
verwachting beperkt dalen vanwege
vermindering van het aantal pro-formaontslagprocedures. Dit bespaart ongeveer €|2 miljoen op de administratieve
lasten van bedrijven.
De
gewijzigde startersregeling WW betekent
dat betrokkenen geen informatie meer
hoeven door te geven aan het UWV over
hun inkomsten als zelfstandige. In de
voorgestelde regeling hoeven starters
niet meer aan te geven hoeveel ze denken
te gaan verdienen. Ook vindt er geen
standaardverrekening achteraf meer
plaats. Hierover hebben de starters dus
ook geen contact meer met het UWV. Dit
zorgt voor minder rblz.|17|
administratieve
lasten. De administratieve lasten voor
starters dalen met ongeveer veertien minuten
per starter. Hiernaast ondervinden de
starters wel een eenmalige regeldruk
omdat ze kennis moeten nemen van de
nieuwe regeling. Deze kennisname kost
per starter circa tien minuten.
De
administratieve lasten van de nieuwe
calamiteitenregeling zullen naar
verwachting ongeveer gelijk zijn aan de
huidige situatie.
Inhoudelijke
nalevingskosten, interbestuurlijke
lasten en effecten op professionals
Aan het
voorstel zijn geen verplichte
inhoudelijke nalevingskosten verbonden.
Bij de calamiteitenregeling kunnen
bedrijven zich herverzekeren, maar dat
is geen verplichting. Hiernaast kent het
wetsvoorstel ook geen interbestuurlijke
lasten en effecten op professionals.
5.
Ontvangen commentaren ¹
Uitvoeringstoetsen
en toezichtbaarheidstoets
Het
wetsvoorstel is voor advies voorgelegd
aan het UWV, de belastingdienst, de
Inspectie Werk en Inkomen (IWI) en de
Stichting van de Arbeid.
1. De
ontvangen adviezen van het UWV
en de belastingdienst
zijn ter inzage gelegd bij het Centraal
Informatiepunt van de Tweede Kamer.
Het UWV acht
het wetsvoorstel uitvoerbaar en
handhaafbaar. Het acht de beoogde
invoeringsdatum van 1 januari 2013
haalbaar. De bepalingen met betrekking
tot de dagloonberekening kunnen echter
pas op een nader te bepalen datum in de
eerste helft van 2013 in werking treden.
Het UWV maakt voorts een voorbehoud dat
eventuele ingrijpende wijzigingen
gevolgen kunnen hebben voor het
implementatietraject dat begin 2012 is
gestart.
Ten
aanzien van de rechtmatigheid van de
vastgestelde uitkeringen benadrukt het
UWV dat de bestaande eisen onverkort
gehandhaafd zullen blijven. Het UWV
verwacht met het nieuwe systeem ten
minste de huidige
rechtmatigheidsscore te kunnen
handhaven. Doordat meer gegevens uit de
polisadministratie gegenereerd worden,
hoeven er minder gegevens bij de
aanvrager te worden opgevraagd. Dit
maakt het volgens het UWV mogelijk om
meer capaciteit vrij te maken voor
controles op de plausibiliteit van
beschikbare gegevens en voor het
achterhalen van juiste gegevens.
Voor de
calamiteitenregeling doet het UWV de
suggestie om als ingangsdatum 1 juli
2013 te kiezen, zodat de wijziging niet
in het winterseizoen plaatsvindt. Deze
suggestie neemt de regering over. Het
UWV heeft ten slotte een aantal
wetstechnische opmerkingen gemaakt die
zijn verwerkt.
De belastingdienst
werpt de vraag op of het
gebruik door het UWV
van de rubriek "verloonde uren" in het door
werkgevers in te vullen
loonaangiftebericht zou moeten leiden
tot aanpassing van deze rubriek. Het
wetsvoorstel geeft geen aanleiding om de
rubriek aan te passen. Ook geeft de
belastingdienst aan dat de voorgestelde
aanpassing van de dagloonregels ertoe
kan leiden dat rubrieken vervallen of
toelichtingen moeten worden gewijzigd.
Ook kunnen de nieuwe dagloonregels
leiden tot een afname van het aantal
correcties vanwege foutieve invulling
door werkgevers. Om dat te kunnen
bepalen, zal de belastingdienst de
concepttekst van het aangepaste
dagloonbesluit [lees: Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen,
red.] nader onderzoeken.
De IWI
heeft geen opmerkingen over de
toezichtbaarheid. De wetstechnische
opmerkingen van de IWI zijn verwerkt in
het wetsvoorstel.
rblz.|18|
Commentaar
Stichting van de Arbeid
De
Stichting van de Arbeid (Stichting)
heeft bij brief van 15 december 2011
geadviseerd over het
wetsvoorstel. Zij
kan zich vinden in het doel van het
wetsvoorstel, maar is van mening dat
onder de noemer van vereenvoudiging ook
voorstellen worden gedaan die niet onder
die noemer thuishoren. De regering wijst
er in reactie op dat alle voorstellen
leiden tot besparingen in de
uitvoeringskosten als gevolg van een
eenvoudiger werkproces. Hieronder wordt
geconcentreerd op de opmerkingen die
door zowel werkgevers als werknemers
worden gesteund. Tegen de WW-vaststelling op basis van verloonde
uren bestaat geen bezwaar mits hieronder
wordt verstaan verloonde uren waar
iemand recht op heeft. De regering kan
bevestigen dat dit inderdaad de
strekking is van het wetsvoorstel.
Ten
aanzien van de nieuwe dagloonregels
stelt de Stichting dat vaststelling van
het dagloon op basis van het laatste
dienstverband gevoelig kan zijn voor
samenspanning tussen werkgever en
werknemer, waarbij gedurende een
loontijdvak tegen een hoger loon gewerkt
wordt voor een derde partij.
Hierover
merkt de regering het volgende op. De
dagloonregels worden in overleg met het UWV
nader uitgewerkt. Voorkomen van
onjuist gebruik is een belangrijk
aandachtspunt. Hiervoor wordt door het
UWV een monitor ingericht waaruit kan
blijken of er oneigenlijk gebruik
gemaakt wordt. Bezien wordt of een
geautomatiseerde herkenning mogelijk is
van onrealistische of twijfelachtige
dienstverbanden of loonopgaven. Verder
moet in de "nieuwe" functie ook
daadwerkelijk arbeid verricht worden.
Als daaraan niet voldaan wordt, is er
geen sprake van een dienstbetrekking. In
het kader van de loonaangifte gelden
voorts instructies voor werkgevers
wanneer zij een nieuwe dienstbetrekking
dienen aan te melden en wanneer niet.
Daarin is bijvoorbeeld vastgelegd dat
een verandering van functie of
arbeidsvoorwaarden geen reden is om in
het kader van de loonaangifte een nieuwe
dienstbetrekking aan te melden.
Werkgevers worden hierover door de belastingdienst
geïnstrueerd en er
wordt op gecontroleerd. De aanvrager van
een uitkering moet bij de aanvraag de
nieuwe dienstbetrekking en het daarbij
aangegeven loon valideren. De aanvrager
is verplicht om de gestelde vragen naar
waarheid te beantwoorden.
De
Stichting gaat er ook vanuit dat de
aanpassing van de dagloonregels geen
gevolgen heeft voor de dagloongaranties.
Ook de dagloongaranties worden nog nader
uitgewerkt. De regering vindt echter
niet dat dagloongaranties zover dienen
te gaan dat personen altijd kunnen
terugvallen op het oude dagloon indien
zij een functie aanvaarden tegen een
lager loon dan de vorige functie. Dat
men werkloosheid voorkomt door arbeid te
aanvaarden, ook indien het loon lager is
dan het voorgaande loon, is een algemeen
uitgangspunt in de WW
en mag van iedere
werkzoekende gevraagd worden.
Ten
aanzien van de inkomstenverrekening
stelt de Stichting dat de aanvullende
eis dat men dertien weken aaneengesloten
volledig werkloos moet zijn geweest, zou
kunnen leiden tot minder
werkhervattingen, omdat werklozen vrezen
dat zij door het aannemen van tijdelijk
werk later niet meer voor een
inkomstenverrekening in aanmerking
zullen komen. De regering schat in dat
dit gedragseffect van geringe omvang zal
zijn. Het weegt naar haar mening niet op
tegen de wens om de regeling terug te
brengen naar de oorspronkelijke
doelgroep, namelijk langdurig werklozen.
rblz.|19|
Ten
aanzien van de startersregeling vreest
de Stichting dat deze niet voldoende zal
stimuleren, omdat startende zelfstandigen
in de eerste periode van hun bedrijf
weinig inkomen zullen genereren. De
regering wijst er in dit verband op dat
het wetsvoorstel de mogelijkheid
openhoudt om de uitkering, binnen de
grenzen van budgettaire neutraliteit,
met een lager bedrag te verminderen
indien in de praktijk blijkt dat het
gestelde percentage te hoog is.
De
calamiteitenregeling wordt niet
afgewezen, maar de Stichting vindt de
periode van zes weken (zoals opgenomen
in het aan de Stichting voorgelegde
concept) alvorens een beroep op de
regeling kan worden gedaan bij het niet
kunnen werken als gevolg van winterse
omstandigheden te lang en pleit voor een
periode van twee weken. Ook wil men ruimte
houden om bij CAO afwijkende afspraken
te maken. De regering is van mening dat
winterse omstandigheden in een land als
Nederland gebruikelijk zijn en dat
werkgevers er rekening mee kunnen houden
en zich erop kunnen voorbereiden dat die
omstandigheden zich voor zullen doen.
Pas als die omstandigheden van langere
duur zijn, ligt het in de rede beroep op
een publieke regeling mogelijk te maken,
omdat dan niet langer gesproken kan
worden van normale omstandigheden. Mede
naar aanleiding van het verzoek van de
Stichting zal deze periode worden
gesteld op vier weken gedurende welke
ten minste 20% van de arbeidscapaciteit
als gevolg van winterse omstandigheden
niet kan worden benut. Met die periode
van vier weken wordt aangesloten bij de
periode die thans geldt op grond van de
bouw-CAO alvorens een beroep kan worden
gedaan op artikel 18
WW, te weten 22
vorstdagen. Verder is de regering van
mening dat het niet in de rede ligt om
ruimte te bieden om hier bij CAO van af
te kunnen wijken. Dat zou er
bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat voor
iedere dag dat er sprake is van winterse
omstandigheden uitkering moet worden
verstrekt. Ook zouden er verschillen
kunnen ontstaan wanneer wel en geen
beroep op de regeling kan worden gedaan.
Beide effecten acht de regering
ongewenst. Ook wordt gewezen op het feit
dat de regeling gefinancierd wordt uit
de sectorfondsen, waar door alle
werkgevers in een bepaalde sector aan
wordt bijgedragen. Het kan niet zo zijn
dat werkgevers die hun werkzaamheden zo
inrichten dat zij geen of beperkt last
hebben van winterse omstandigheden
moeten gaan meebetalen aan uitkeringen die
verstrekt worden aan werkgevers die dat
niet doen en om die reden bij CAO afwijkende afspraken (willen) maken.
Artikelsgewijs
Artikel
I, onderdeel A, B,
C, onder 4 en 6,
D,
F, onder 4,
I, onder 1, 2, 3 en 6, en
J,
artikel III, onderdeel A en B, en
artikel VIII, onderdeel A en B
[onderdeel
B is vervallen, red.]
De wijziging van de in deze onderdelen
genoemde artikelen is een uitwerking van
het voorstel om bij de beoordeling van
het recht op een WW-uitkering of een
WIA-uitkering uit te gaan van uren
waarover loon is ontvangen in plaats van
uren waarin is gewerkt. Daarom is
voorgesteld om een definitie van "arbeidsuren" op te nemen in
artikel 1
van de WW en de
Wet WIA
[zie het tijdens de parlementaire
behandeling gewijzigde artikel
I, onderdeel B (artikel
1a van de WW)
en artikel
III, onderdeel B (artikel
1a van de Wet
WIA),
red.]. Onder
arbeidsuur wordt verstaan een uur
waarover de werknemer loon heeft
ontvangen en een uur waarover de
werknemer recht heeft op inkomen uit
arbeid. Tevens is voorgesteld om bij
ministeriële regeling te bepalen welke
uren worden gelijkgesteld met een "arbeidsuur". Het kan immers voorkomen
dat een werknemer geen recht heeft op
loon, maar waarbij het toch onwenselijk
is dat arbeidsurenverlies intreedt omdat
de werknemer uit een andere bron
inkomsten ontvangt die dienen ter
compensatie van loon, zoals bijvoorbeeld
bij de WTV. Ook is het wenselijk om bij
ministeriële regeling te bepalen in
welke situaties arbeidsuren die onder
de definitie vallen zoals omschreven in
het voorgestelde artikel
1, onderdeel o,
onder 1º en 2º, van de WW, buiten
rblz.|20|
aanmerking moeten blijven. Gedacht kan
worden aan specifieke situaties waarin
een werknemer nog recht heeft op loon,
maar dit loon niet tot uitbetaling komt
omdat de werkgever het niet kan voldoen
als gevolg van betalingsonmacht. Hiermee
wordt aangesloten bij het huidige
beleid. Er bestaat immers een
ministeriële regeling waarin
niet-gewerkte uren worden gelijkgesteld
met gewerkte uren [zie: Regeling
gelijkstelling niet-gewerkte uren met
gewerkte uren, red.]. Deze regeling zal
moeten worden aangepast aan de hier
voorgestelde wijzigingen. Dit brengt met
zich mee dat een aantal bepalingen dat
in de huidige regelgeving is opgenomen
in diverse leden van artikel 16
WW (onderdeel
C) kan komen te vervallen.
Deze bepalingen zullen worden opgenomen
in de hierboven genoemde ministeriële
regeling. Er is geen inhoudelijke
wijziging beoogd ten opzichte van de
huidige regelgeving, behalve met
betrekking tot aanpassing van de
fictieve opzegtermijn. Zie de toelichting
onder artikel I, onderdeel
C, onder 3.
Deze
wijziging brengt tevens met zich mee dat
de voorwaarde in artikel
16, eerste lid,
onderdeel a, van de WW dat er sprake
moet zijn van "het recht op
onverminderde loondoorbetaling" kan
komen te vervallen. Om die reden is
artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van
de WW gewijzigd.
In
artikel 14 van de WW
is een definitie
opgenomen voor het begrip "loon", te
weten SV-loon op grond van de Wet
financiering sociale verzekeringen
(Wfsv). In de voorgestelde definitie
gaat het om een uur waarover de
werknemer loon heeft ontvangen. Dit
betreft SV-loon op grond van de Wfsv met
uitzondering van een aantal elementen
zoals bijvoorbeeld de uitkeringen op
grond van de werknemersverzekering. Om
die reden is voorgesteld om een
definitie op te nemen van inkomen uit
arbeid.
De
voorgestelde werkwijze leidt ertoe dat
in plaats van gewerkte uren verloonde
arbeidsuren uitgangspunt vormen voor het
vaststellen van het recht en de duur van
de WW- dan wel
WIA-uitkering. Dit
brengt echter geen wijzigingen met zich
mee voor de WW- en
WIA-uitkeringsgerechtigden, omdat de
referteperiode uitgangspunt is van de
beoordeling van het recht.
In de
voorgestelde wijzigingen wordt in enkele
artikelleden gesproken over "arbeidsuur
heeft gewerkt". Zie bijvoorbeeld
artikel I, onderdeel D. Zoals hiervoor
aangegeven, wordt in artikel 1 van de
WW "arbeidsuur" gedefinieerd. Op grond
van een ministeriële regeling wordt met
arbeidsuur gelijkgesteld een uur
waarover de werknemer inkomen uit arbeid
heeft ontvangen. Niet in alle situaties
zal er sprake van zijn dat de werknemer
in dat uur feitelijk gewerkt heeft.
Bijvoorbeeld in de situatie van
(onbetaald) verlof, vakantie, etc.
Vanwege een heldere formulering is in
dit voorstel gekozen om toch in alle
gevallen te spreken over "arbeidsuren
hebben gewerkt".
Zie voor
een meer inhoudelijke toelichting en de
achtergrond paragraaf 3.1.1 van het
algemeen deel van deze memorie van
toelichting.
Artikel
I, onderdeel C, onder 3 en 5
Artikel 16, derde en vierde lid,
WW komen te vervallen vanwege het voorstel
om een definitie van "arbeidsuren" op
te nemen in artikel 1 van de
WW. Daarmee
komt de zinsnede "alsmede het recht op
onverminderde doorbetaling van zijn loon" in
artikel 16, eerste lid,
WW te
vervallen. Aangezien het derde en vierde
lid invulling geven aan deze zinsnede
kunnen deze leden vervallen. Zie voor
een meer inhoudelijke toelichting en de
achtergrond paragraaf 3.1.1 en
3.2 van
het algemeen deel van deze memorie van
toelichting.
rblz.|21|
Artikel
I, onderdeel C, onder 1 en 2, E en
F, en
artikel III, onderdeel D
Met de wijziging van weken naar
kalenderweken in artikel 17
WW en
artikel 58, eerste lid,
Wet WIA wordt
het voorstel uitgewerkt om bij de
wekeneis niet langer uit te gaan van
weken, maar van kalenderweken. Het
voordeel hiervan is dat het UWV
alleen
de gegevens per week nodig heeft in
plaats van per dag en het UWV zodoende
niet meer met gebroken weken hoeft te
werken. Zie voor een meer inhoudelijke
toelichting paragraaf 3.1.3 van het
algemeen deel van deze memorie van
toelichting.
Artikel
I, onderdeel G, H,
K,
L,
N en
Q, en
artikel V
Met deze
wijzigingen wordt het voorstel
uitgewerkt om de onwerkbaarweerregeling
in de WW en de WTV-regeling in het BBA
te uniformeren tot één regeling.
Het thans
geldende artikel
8, eerste lid, van het BBA
bepaalt dat het de werkgever is
verboden om de werktijd van de werknemer
op minder dan 48 uur per week te stellen
en gesteld te houden. De urennorm die in
het artikellid is opgenomen, is in
overeenstemming met de destijds geldende
normale arbeidstijd per week. Inmiddels
kent de arbeidstijd per week een grote
variatie als uitvloeisel van
maatschappelijke ontwikkelingen. Zo
heeft het werken in deeltijd een vlucht
genomen en is de 36- of 38-urige
voltijds werkweek niet bijzonder. In het
kader van dit wetsvoorstel wordt dit
artikellid dan ook aangepast aan de
maatschappelijke realiteit (artikel V,
onderdeel A). Het voorstel behelst een
verbod voor de werkgever om de werktijd
van de werknemer op minder uren per week
te stellen of gesteld te houden dan voor
of door die werknemer is overeengekomen.
De "door de werknemer overeengekomen
werktijd" verwijst naar de individuele
arbeidsovereenkomst. Hiermee is het
verbod "geïndividualiseerd". Dat
geldt dan niet alleen voor bijvoorbeeld
afspraken met betrekking tot het in
deeltijd werken, zoals bijvoorbeeld een
24- of 32-urige werkweek. Het geldt ook
voor bijvoorbeeld de zogenoemde "min-maxcontracten".
Als daarin een ondergrens is afgesproken
van bijvoorbeeld twaalf uur per week, dan is
een eenzijdige bekorting van de werktijd
door een werkgever naar bijvoorbeeld
tien uur per week in strijd met het verbod.
De "voor de werknemer overeengekomen
werktijd" geeft aan dat er andere
overeenkomsten zijn die van invloed zijn
op de werktijd van de werknemer. Dan
gaat het vooral om de collectieve
arbeidsovereenkomst.
De thans
in het tweede lid van artikel
8 van het BBA
voorkomende uitzonderingen op
het verbod van werktijdverkorting zijn
gedateerd en kunnen vervallen. Een
voorbeeld daarvan is de verwijzing naar
een door de Minister van SZW
goedgekeurde wachtgeldregeling waarvan
in artikel
10 van het BBA
sprake
is. Deze bepaling is in feite al
overbodig geworden met het in werking
treden van de WW. Daarmee kan ook
artikel
10 van het BBA
vervallen
(zie artikel V, onderdeel
B).
In het
thans geldende derde lid van artikel
8 van het BBA
is voorzien in een
ontheffingsmogelijkheid. Als gevolg van
de afstemming van de regeling van het
verbod van werktijdverkorting in artikel
8 van het BBA
en de uitkering op
grond van artikel 18 van de
WW wordt de
ontheffingsmogelijkheid vervangen door
een vrijstellingsmogelijkheid (artikel
V, onderdeel A). Dat betekent dat niet
meer voor individuele gevallen een
ontheffing van het verbod kan worden
gevraagd. De werkgever die aan de
criteria van de vrijstelling voldoet,
kan daarvan gebruik maken zonder dat hij
een ontheffingsverzoek hoeft te doen.
Met onderdelen H en
K, onder 1, worden
artikel 19, eerste lid, WW
respectievelijk artikel
22, tweede lid, WW
aangepast aan dit voorstel.
rblz.|22|
Tevens
wordt voorgesteld artikel
22, vierde
lid, WW aan te passen in die zin dat de
betaaltermijn van zes weken wordt verlengd
naar veertien weken (onderdeel
K, onder 2). De
reden hiervoor is dat bij aanvragen om
uitkering als hier aan de orde het
minder voorspelbaar is om welke
aantallen het zal gaan. Die
onvoorspelbaarheid rechtvaardigt een
langere betalingstermijn, zodat bij een
plotselinge toename van aanvragen nog
steeds aan de wettelijke
betalingstermijn kan worden voldaan.
Mocht het zo zijn dat door de langere
betalingstermijn problemen ontstaan
(voor werkgever of werknemer), dan kan
het UWV besluiten tot het verstrekken
van een voorschot op de uitkering.
In
artikel I, onderdeel G, wordt artikel 18
WW aangepast. Voor een toelichting op
het eerste en het tweede lid van het
aangepaste artikel wordt verwezen naar
paragraaf 3.5 van het algemeen deel van
deze memorie van toelichting. In artikel
I, onderdeel L (artikel
25, tweede lid
van de WW), wordt geregeld dat als de
uitkering, bedoeld in artikel
18, via de
werkgever wordt betaald (wat in de regel
het geval zal zijn), deze laatste dan ook
verantwoordelijkheid draagt jegens het UWV
en aanspreekbaar is als het gaat om
de nakoming van informatieverplichtingen
betreffende de uitkering.
In
verband hiermee wordt met de
voorgestelde wijziging van artikel
27a WW
(artikel I, onderdeel
N) geregeld
dat in het geval van een uitkering als
bedoeld in artikel 18 een bestuurlijke
boete kan worden opgelegd aan de
werkgever bij het niet nakomen van de
hiervoor genoemde verplichtingen.
Tevens
wordt in het verlengde van deze
wijzigingen in artikel I, onderdeel
Q,
een wijziging van artikel 36
WW voorgesteld die ertoe strekt dat een
onverschuldigd betaalde uitkering kan
worden teruggevorderd bij de werkgever.
Als een uitkering wordt teruggevorderd
bij de werkgever, kan deze het
teruggevorderde bedrag niet verhalen op
de werknemer. Als dat wel mogelijk zou
zijn, wordt het beoogde doel - de
werkgever verantwoordelijk maken voor de
op grond van artikel 18 verstrekte
uitkering - niet bereikt. Bij niet-naleving van verplichtingen of het er
niet op toezien dat verplichtingen door
de werknemer worden nageleefd, zouden de
consequenties hiervan als het gaat om
terugvordering van WW-uitkering immers
kunnen worden afgewenteld op werknemers.
Voor een
nadere toelichting wordt verwezen naar
paragraaf 3.5 van het algemeen deel van
deze memorie van toelichting.
Artikel
I, onderdeel I, onder 4, 5 en 7
Met de
voorgestelde wijziging in onderdeel
I,
onder 4, wordt invulling gegeven aan het
voornemen om de inkomstenverrekening
beter te richten op personen die voor
werkhervatting zijn aangewezen op lager
betaalde arbeid. Dit wordt bereikt door
artikel 20, zesde lid, zodanig aan te
passen dat op het moment dat de
langdurig werkloze wederom arbeid gaat
verrichten er gedurende dertien aaneengesloten kalenderweken sprake is
geweest van volledige werkloosheid.
Hiermee wordt voorkomen dat
uitkeringsgerechtigden die een minder
grote afstand van de arbeidsmarkt hebben
(zij hebben bijvoorbeeld recentelijk
(korter dan dertien weken voorafgaand aan
nieuwe volledige werkloosheid) maximaal
vier weken gewerkt) ook in aanmerking komen
voor de inkomstenverrekening. De
inkomstenverrekening heeft voor deze
laatste groep geen positief effect omdat
gebleken is dat zij over het algemeen
door regelmatig te werken hun oude
inkomstenniveau op peil weten te houden.
rblz.|23|
Met de
voorgestelde wijziging in onderdeel
I,
onder 5, wordt geregeld dat indien naast
een lopende WW-uitkering waarop
inkomstenverrekening wordt toegepast een
volgend recht op WW-uitkering ontstaat,
ook op dat nieuwe recht op WW-uitkering
inkomstenverrekening wordt toegepast.
Met het
voorgestelde nieuwe dertiende lid van
artikel 20 WW
(onderdeel
I, onder 7)
wordt geregeld dat voor de langdurig
werkloze waarbij eenmaal
inkomstenverrekening heeft
plaatsgevonden, zoals bedoeld in het
voorgesteld zesde lid, onderdeel b, van
artikel 20 WW, niet opnieuw de eis geldt
dat er dertien aaneengesloten kalenderweken
sprake moet zijn geweest van volledige
werkloosheid. Hiermee wordt voorkomen
dat afwisselend inkomstenverrekening dan
wel urenverrekening plaatsvindt.
Zie voor
een nadere toelichting ook paragraaf 3.3
van het algemeen deel van deze memorie
van toelichting.
Artikel
I, onderdeel M, O,
P,
U,
V en
W, en
artikel VI
De
voorgestelde wijzigingen betreffen een
aanpassing van de startersregeling.
Met
onderdeel U wordt bewerkstelligd dat de
inkomstenverrekening voor werklozen die
op grond van artikel
77a WW
met
toestemming van het UWV
gebruik maken
van de mogelijkheid om tijdelijk
werkzaamheden als zelfstandigen te
verrichten, vervalt.
In het
voorgestelde artikel
35ab (onderdeel
P)
wordt geregeld dat de uitkering van de
werkloze die met toestemming van het UWV
gebruik maakt van de mogelijkheid om
werkzaamheden als zelfstandige te
verrichten, wordt verminderd met 29%.
Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat de uitkering met een
lager percentage wordt verminderd. De
mogelijkheid om het percentage bij
algemene maatregel van bestuur bij te
stellen, is opgenomen om de vermindering
snel te kunnen aanpassen indien in de
praktijk blijkt dat 29% een te hoog
percentage is. Het percentage van 29% is
gebaseerd op het gebruik van de regeling
van afgelopen jaren in combinatie met
een budgetneutrale uitwerking van dit
voorstel. Als na een bepaalde periode
blijkt dat het gebruik van de
startersregeling is afgenomen, kan
verlaging van het kortingspercentage aan
de orde zijn.
Indien
een werknemer op grond van artikel
20,
zesde lid, onderdeel b, of negende lid,
van de WW werkt met behoud
van de werkloosheidsuitkering, worden de
inkomsten uit arbeid op grond van
artikel 35aa, eerste lid, gedeeltelijk
verrekend met de uitkering. Het kan zich
voordoen dat tegelijkertijd ook de
korting op de uitkering op grond van het
voorgestelde artikel
35ab, eerste lid,
van toepassing is omdat de werknemer
gebruik maakt van de startersregeling.
In het voorgestelde tweede lid van
artikel 35ab is geregeld dat in dit
geval de uitkering eerst verminderd
wordt met de inkomsten uit arbeid op
grond van artikel
35aa, eerste lid, en
dat daarna de forfaitaire korting wordt
toegepast.
Onderdeel
V [betreffende artikel #
(artikel 130w
WW), red.] regelt
dat voor werklozen aan wie op
het moment dat de voorgestelde
wijzigingen in werking treden al met
toestemming werkzaamheden als
zelfstandige verrichtten, de huidige
situatie van toepassing blijft. De
uitkering zal dus niet verminderd
worden, maar het inkomen dat ze
verwerven met de werkzaamheden als
zelfstandige wordt verrekend met de
uitkering.
Aangezien
de in artikel
135b WW
voorgeschreven
evaluatie inmiddels heeft
plaatsgevonden,¹ kan artikel
135b WW
vervallen rblz.|24|
(artikel I, onderdeel
W).
1.
Kamerstukken II 2009-2010, 32 123 XV,
nr. 5.
De
voorgestelde wijziging in artikel VI
behelst een aanpassing van de Toeslagenwet. Het is niet wenselijk dat
de vermindering van de WW-uitkering op
grond van het voorgestelde artikel
35ab WW
tot gevolg heeft dat de eventuele
toeslag die de startende zelfstandige op
grond van de Toeslagenwet ontvangt,
wordt verhoogd. Daarmee wordt de
vermindering immers in bepaalde gevallen
weer gedeeltelijk tenietgedaan, terwijl
deze vermindering het inkomen dat de
werkloze als zelfstandige gaat
verdienen, moet compenseren. Daarom
wordt in het voorgestelde artikel
5,
vijfde lid, van de Toeslagenwet geregeld
dat voor de vaststelling van de hoogte
van de toeslag de werkloosheidsuitkering
in aanmerking wordt genomen alsof de
vermindering niet heeft plaatsgevonden.
Opgemerkt wordt dat het inkomen dat de
betrokkene verwerft in de periode dat
hij werkt als zelfstandige, wel
verrekend zal worden met de eventueel
ontvangen toeslag.
Voor meer
inhoudelijk informatie en achtergrond
wordt verwezen naar paragraaf 3.4 van
het algemeen deel van deze memorie van
toelichting.
Artikel
I, onderdeel R en S,
artikel III,
onderdeel C, artikel IV en
artikel VIII,
onderdeel C [vervallen,
red.]
Met deze
voorgestelde wijzigingen wordt
uitwerking gegeven aan het voornemen om
voor de berekening van de duur van de WW- of
WIA-uitkering niet langer uit
te gaan van 52 of meer dagen waarover
loon is ontvangen, maar over 208 of meer
arbeidsuren hebben gewerkt. Deze laatste
gegevens zijn aanwezig in de
polisadministratie, waardoor een extra
uitvraag bij werkgevers in het vervolg
kan worden voorkomen. Zie voor een
nadere toelichting paragraaf
3.1.1 en
3.1.2 van het algemeen deel van deze
memorie van toelichting.
Artikel
I, onderdeel T, artikel II en
artikel
VII
Dit
betreft een voorgestelde wijziging van
de WW en de ZW. Met deze wijzigingen
wordt uitvoering gegeven aan het
voorstel de referteperiode met een
loonaangiftetijdvak (één maand of vier
weken) te vervroegen omdat de gegevens
uit de loonaangifte dan reeds in de
polisadministratie zijn verwerkt en er
geen uitvraag bij werkgevers meer nodig
is. Daarom wordt in de voorgestelde
tekst gesproken over het tweede
aangiftetijdvak voorafgaande aan het
aangiftetijdvak waarin het
arbeidsurenverlies of de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
Tevens
wordt met deze wijzigingen mogelijk
gemaakt om in het refertejaar slechts
uit te gaan van hetgeen de werknemer
verdiende in de dienstbetrekking waaruit
hij werkloos raakte, dan wel ziek werd.
Indien deze dienstbetrekking een kortere
periode beslaan dan één jaar, wordt de
referteperiode daaraan aangepast. Dit is
een verschil met de huidige praktijk,
waarbij al het in het refertejaar
verdiende loon wordt meegeteld, dus ook
het loon in andere dienstbetrekkingen
waaruit de werknemer niet werkloos of
ziek is geworden.
De Wazo verwijst naar de dagloonbepaling in de
ZW voor de werknemer die recht heeft op
ziekengeld op grond van de no-riskpolis.
Hierdoor bevat de referteperiode slechts
het laatste aangiftetijdvak in plaats
van (maximaal) één jaar. Omdat voor deze
werknemers in het dagloonbesluit [zie: Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen,
red.] de
referteperiode gelijkgetrokken wordt
met de overige werknemers, moet de
bepaling in de Wazo hieraan technisch
worden aangepast. Het Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen
zal eveneens worden aangepast.
rblz.|25|
Voor een
meer inhoudelijke toelichting wordt
verwezen naar paragraaf 3.1.4 van het
algemeen deel van deze memorie van
toelichting.
Artikel
VIII
Indien
het bij koninklijke boodschap van 23
april 2012 ingediende voorstel van wet
tot wijziging van de ZW
en enige
andere wetten om ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid van vangnetters te
beperken (Wet beperking ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid vangnetters) tot
wet wordt verheven en in werking is
getreden, zal het arbeidsverleden in de
zin van artikel
29f van de ZW op
dezelfde wijze worden vastgesteld als in
de WW en de
Wet WIA. Dit artikel regelt
dat de Ziektewet op dit punt gewijzigd
wordt zodra de in dit wetsvoorstel
voorgestelde wijziging van de
vaststelling van het arbeidsverleden
voor de WW en de Wet WIA tot wet wordt
verheven en in werking is getreden.
Artikel
IX
Er wordt
beoogd om de artikelen met betrekking
tot de nieuwe calamiteitenregeling in
werking te laten treden met ingang van 1
juli 2013. Dit om te voorkomen dat de
wijziging van wet- en regelingeving in
de wintermaanden plaats zal vinden.
Om het UWV
voldoende voorbereidingstijd te
geven, zullen de bepalingen op grond
waarvan het dagloon wordt bepaald, op
een nader te bepalen tijdstip in de
eerste helft van 2013 in werking treden,
dit in afwijking van de voorziene
inwerkingtreding van het wetsvoorstel
per 1 januari 2013.
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|