|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2009-2010, 32 450
Wijziging
van de Algemene wet bestuursrecht en
aanverwante wetten met het oog op
enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet
aanpassing bestuursprocesrecht)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Strekking van
het wetsvoorstel |
| 1.2 |
Voorbereiding van dit wetsvoorstel |
| 1.3 |
Andere wetswijzigingen |
| 1.4 |
Bestuurslasten, administratieve lasten
en budgettaire gevolgen |
| 1.5 |
Opbouw van het wetsvoorstel en van de
memorie van toelichting |
| 2 |
Concentratie van het bestuursprocesrecht
in de Algemene wet bestuursrecht |
| 2.1 |
De huidige systematiek van de wetgeving |
| 2.2 |
Reden voor wijziging |
| 2.3 |
De nieuwe systematiek |
| 2.4 |
De bijlagen bij de Awb |
| 2.5 |
Griffierechten en indexering |
| 3 |
Naar een slagvaardiger
bestuursprocesrecht |
| 3.1 |
Algemeen |
| 3.2 |
Vervangende
besluiten hangende bezwaar of beroep (artikel 6:19 nieuw) |
| 3.3 |
Het passeren van gebreken in een besluit
(artikel 6:22) |
| 3.4 |
De hoorplicht in bestuursrechtelijke
procedures (artikelen 7:3, 7:17 en 9:10) |
| 3.5 |
Een "grote kamer" (artikel
8:10a) |
| 3.6 |
Conclusies
in de bestuursrechtspraak (artikel 8:12a) |
| 3.7 |
Het relativiteitsvereiste in het
bestuursrecht (artikel 8:69a) |
| 3.8 |
Proceseconomie in hoger beroep en verzet
(artikelen 8:10a, 8:55, 8:86 en 8:108) |
| 3.9 |
Incidenteel hoger beroep (artikelen
8:110 tot en met 8:112) |
| 3.10 |
De
judiciële lus (artikel 8:113) |
| 4 |
Herverkaveling rechtsmacht
bestuursrechtspraak |
| 4.1 |
Inleiding |
| 4.2 |
Overheveling van rechtsmacht naar de
Centrale Raad van Beroep |
| 4.3 |
Overheveling
van rechtsmacht naar het College van Beroep voor het
bedrijfsleven |
| 5 |
Implementatie Verordening (EG) 1/2003 |
| 6xxx |
Aanpassingswetgeving |
| xArtikelsgewijs |
| Deel
A. Wijziging
van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten |
| Deel
B. Wijziging
van andere wetten |
| Deel
C. Overgangs-
en slotbepalingen |
rblz.|2|
Algemeen
1.
Inleiding
1.1. Strekking van
het wetsvoorstel
In dit wetsvoorstel
is een reeks voorstellen tot wijziging van het bestuursprocesrecht
samengebracht. Deze vallen uiteen in vier groepen:
•
inhoudelijke wijzigingen, gericht op
stroomlijning van procedures en
bevordering van een effectieve en
definitieve geschilbeslechting;
• meer
technische wijzigingen, onder meer
gericht op verbetering van de
toegankelijkheid van de wetgeving door
het bestuursprocesrecht zoveel mogelijk
te concentreren in de Algemene wet
bestuursrecht (Awb);
• een
beperkte herverkaveling van de
rechtsmacht tussen de drie hoogste
feitelijke bestuursrechters;
•
overige wijzigingen.
De eerste
groep omvat wijzigingen die beogen om
het bestuursprocesrecht te stroomlijnen
en slagvaardiger te maken en om een
effectievere geschillenbeslechting
mogelijk te maken. Deze wijzigingen zijn
deels eerder aangekondigd in het
kabinetsstandpunt over de tweede
evaluatie van de Awb, zoals neergelegd in de
nota "Naar een slagvaardiger
bestuursrecht",¹ alsmede in de
toelichting bij de Crisis-
en herstelwet.² Concreet gaat het om:
•
stroomlijning van de artikelen 6:18 en
6:19 Awb (meenemen van nieuwe of
gewijzigde besluiten in een lopende
bezwaar- of beroepsprocedure);
•
verruiming van de mogelijkheden om
gebreken in een besluit te passeren als
daardoor geen belanghebbenden zijn
benadeeld;
•
aanpassing van de regeling van het horen
in bezwaar en administratief beroep en
in het klachtrecht;
•
instelling van een zogenaamde "grote
kamer" voor belangrijke richtinggevende
uitspraken in hoogste instantie;
rblz.|3|
•
invoering van de mogelijkheid tot het
nemen van onafhankelijke conclusies in
belangrijke zaken bij de hoogste
bestuursrechters;
•
invoering van een relativiteitsvereiste
in het bestuursprocesrecht;
•
verruiming van de mogelijkheden tot het
enkelvoudig afdoen van het hoger beroep;
•
invoering van de mogelijkheid tot het
instellen van incidenteel hoger beroep;
•
invoering van de mogelijkheid voor de
hogerberoepsrechter om te bepalen dat
tegen een ter uitvoering van zijn
uitspraak genomen besluit slechts beroep
bij hem openstaat en niet weer bij de
rechtbank (de zogeheten "judiciële
lus");
•
afschaffing van het mandaatverbod in
hoger beroep.
1.
Kamerstukken II 2003-2004, 29 279, nr.
16.
2. Kamerstukken II 2009-2010, 32 127,
nr. 3.
De tweede
groep omvat een aantal meer technische
wijzigingen. Deze zijn in hoofdzaak
gericht op concentratie van het
bestuursprocesrecht in feitelijke
instanties in de Awb. Thans is een deel
van dit bestuursprocesrecht nog geregeld
in andere wetten, zoals de Wet
op de Raad van State (Wet RvS), de Beroepswet,
de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
(Wbbo) en de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (Awr).
Dit geldt met name voor de bepalingen
over het hoger beroep. Deze zijn in 1994
niet direct in de Awb opgenomen in
verband met de toen lopende discussies
over de instanties waaraan het hoger
beroep zou moeten worden opgedragen. In
plaats daarvan zijn in de vier genoemde
wetten (onderling gelijkluidende)
bepalingen over het procesrecht in hoger
beroep opgenomen.
Bij nader
inzien staat de discussie over de
institutionele vormgeving van het hoger
beroep echter los van het procesrecht.
Daarom ligt het in de rede om nu ook het
hoger beroep uniform in de Awb te
regelen. Slechts voor het hoger beroep
in belastingzaken en vreemdelingenzaken
zijn enkele afwijkende bepalingen nodig.
Aldus zal de Awb een nagenoeg complete
codificatie van het bestuursprocesrecht
gaan bevatten, zoals steeds het
uiteindelijke doel is geweest. Dit komt
de toegankelijkheid en
overzichtelijkheid van de wetgeving ten
goede.
De derde
groep wijzigingen betreft de
bevoegdheidsverdeling tussen de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van
State (ABRvS), de Centrale Raad van
Beroep (CRvB) en het College van Beroep
voor het bedrijfsleven (CBb). Deze
herverkaveling is aangekondigd in een
brief van de Ministers van Justitie en
van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van 28 april
2004.¹
1.
Kamerstukken II 2003-2004, 25 425, nr.
7, blz. 6.
De vierde
groep bestaat uit wijzigingen die om
andere redenen wenselijk zijn. Daarbij
gaat het om wijzigingen ter
implementatie van Verordening (EG)
1/2003, inzake de decentrale toepassing
van het Europese mededingingsrecht. Deze
verordening is spoedshalve in eerste
instantie geïmplementeerd in de Mededingingswet, maar gezien het
procesrechtelijk karakter van de
betrokken bepalingen passen deze beter
in hoofdstuk 8 van de
Awb.
1.2.
Voorbereiding van dit wetsvoorstel
Het onderhavige wetsvoorstel (met
uitzondering van de herverkaveling van
de rechtsmacht van de ABRvS, de
CRvB en
het CBb, zie hierna) is gebaseerd op een
voorontwerp "Wet aanpassing
bestuursprocesrecht" dat op 25 april
2006 openbaar is gemaakt (te vinden op www.justitie.nl). Vervolgens heeft een
aantal instanties desgevraagd over dit
voorontwerp geadviseerd: het
Adviescollege toetsing administratieve
lasten, de Nederlandse Vereniging van
Rechtspraak, de Raad voor de rechtspraak
(RvdR), de ABRvS, de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG), de
Sociaal-Economische Raad rblz.|4|
en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Verder heeft
een groot aantal ministeries gereageerd
en is een uitvoerige schriftelijke
reactie ontvangen van prof. mr. A.Q.C.
Tak.
Daarnaast
heeft de Commissie verbetervoorstellen
bestuursrecht van de RvdR in oktober
2006 een eindrapport uitgebracht, met
diverse voorstellen ter verbetering van
de toepassing van het
bestuursprocesrecht. Voorts moet hier
worden gewezen op het ongevraagd advies
van de Raad van State van 7 oktober 2005
(het eerste "terugkoppelingsadvies")
op basis van praktijkervaringen in en
met de bestuursrechtspraak, dat enige
verbetervoorstellen bevat.¹ Bovendien
zijn het voorontwerp of onderdelen
daarvan door diverse wetenschappers
becommentarieerd.
Bij de
voorbereiding van het onderhavige
wetsvoorstel hebben wij dankbaar gebruik
gemaakt van alle hiervoor aangeduide
adviezen en commentaren. Dit heeft
geleid tot een groot aantal
verbeteringen van en aanvullingen op het
voorontwerp.
1.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 300 VI,
nr. 169, blz. 15-17.
Oorspronkelijk
is de opzet geweest om de herverkaveling
van de rechtsmacht van de ABRvS, de
CRvB en het
CBb in een apart wetsvoorstel te
regelen. Wegens de nauwe band met de
nieuwe bijlagen bij de Awb
in het
voorontwerp "Wet aanpassing
bestuursprocesrecht" hebben wij er
echter voor gekozen om beide
wetsvoorstellen samen te voegen. Aan de
voorgestelde herverkaveling tussen de
ABRvS, de CRvB en het
CBb liggen
voorstellen van deze colleges ten
grondslag. Een concept van de
wijzigingen is in 2006 aan hen
voorgelegd en ook aan de Raad voor de rechtspraak, de
Nederlandse Vereniging van
Rechtspraak
(NVvR), de Nederlandse
Orde van Advocaten (NOvA), het
Adviescollege toetsing administratieve
lasten (Actal), de VNG, het
Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie
van Waterschappen (UvW) en de
Consumentenbond. Mede namens de
Presidenten van de CRvB en het
CBb is in
2006 door de toenmalige voorzitter van
de ABRvS een positief advies uitgebracht.
Ook de Raad voor de rechtspraak heeft in
zijn reactie op het concept naar dit
gezamenlijke advies verwezen. De
redactionele opmerkingen uit het advies
zijn overgenomen en verwerkt. De NVvR
heeft aangegeven geen opmerkingen te
hebben. In een door de Algemene Raad van
de NOvA onderschreven advies van de
Adviescommissie Bestuursrecht van de
NOvA wordt positief geoordeeld over het
conceptwetsvoorstel, maar worden
kanttekeningen geplaatst bij de
vervanging van rechtspraak in twee
instanties door rechtspraak in één
instantie door de overheveling van
rechtsmacht op grond van een aantal
wetten naar het
CBb. Namens Actal is de
gevraagd om een nadere kwantificering
van de - zeer beperkte - daling van
de administratieve lasten die dit
wetsvoorstel naar verwachting teweegbrengt.
Naar aanleiding hiervan is paragraaf
1.4
van deze toelichting aangevuld. Ten
opzichte van de in consultatie gegeven
versie van de wijzigingen zijn in het
thans voorliggende wetsvoorstel voorts
diverse actualiseringen aangebracht in
verband met nadien doorgevoerde
wetswijzigingen.
1.3.
Andere wetswijzigingen
Dit wetsvoorstel bevat de meeste, maar
niet alle aangekondigde of in procedure
zijnde wetgeving op het gebied van het
bestuursprocesrecht. Vier andere wetten
of wetsvoorstellen zijn voor het
procesrecht van belang:
• De
Wet elektronisch
verkeer met de bestuursrechter is onlangs tot wet
verheven (Stb. 2010,
173) en op 1 juli
2010 in werking getreden (Stb. 2010,
207). Feitelijk zal het vanaf 1 oktober
2010 mogelijk zijn om langs
elektronische weg, met behulp van een
webformulier, beroep bij de
rechtbank in
te stellen; naar verwachting in de loop
van 2011 zal langs deze elektronische
weg ook hoger beroep kunnen worden
ingesteld.
rblz.|5|
• Over
een wetsvoorstel schadevergoeding en
nadeelcompensatie Awb
heeft de Raad van State
op 15 oktober 2009 advies
uitgebracht. Naar verwachting zal dit
wetsvoorstel najaar 2010 bij de Tweede
Kamer kunnen worden ingediend.
•
Voorjaar 2010 is een voorontwerp
schadevergoeding wegens overschrijding
van de redelijke termijn in consultatie
gegeven. Naar verwachting zal eind 2010
een wetsvoorstel aan de Raad van State
kunnen worden voorgelegd.
• In de
kabinetsreactie over de derde evaluatie
van de Awb en het project "Versnelling
besluitvorming in het ruimtelijk domein" is aangekondigd dat een
wetsvoorstel zal worden voorbereid met
in ieder geval bepalingen over de
regiezitting, het beslismodel van de
bestuursrechter en de
proceskostenveroordeling.¹
1.
Kamerstukken II 2009-2010, 29 279, nr.
111.
Aparte
aandacht verdient de verhouding tot de Crisis-
en herstelwet (Chw). In die
wet zijn enkele voorzieningen
opgenomen die
voor een beperkt deel van het
bestuursrecht als het ware vooruitlopen
op het onderhavige
wetsvoorstel. Het
gaat daarbij om de verruimde
mogelijkheid tot het passeren van
gebreken in een besluit (artikel
6:22)
en om het relativiteitsvereiste (artikel
8:69a). Het is mogelijk dat de
ervaringen met de Chw op deze punten nog
aanleiding zullen geven tot bijstelling
of aanvulling van dit
wetsvoorstel.
1.4.
Bestuurslasten, administratieve lasten
en budgettaire gevolgen
Van de onderdelen van dit wetsvoorstel
die zijn gericht op stroomlijning van
het bestuursprocesrecht mag worden
verwacht dat deze zullen bijdragen aan
een vermindering van de lasten die voor
het bestuur aan het voeren van
bestuursrechtelijke procedures zijn
verbonden. Daarom zal het onderhavige
wetsvoorstel ook een neerwaarts effect
hebben op de budgetten die met het
voeren van bestuursrechtelijke
procedures zijn gemoeid. Dit effect kan
echter niet worden gekwantificeerd,
omdat onbekend is om hoeveel procedures
het gaat en wat de besparing per
procedure zal zijn; dit laatste zal per
soort procedure sterk verschillen.
In het
wetsvoorstel wordt voorgesteld het
bedrag van de forfaitaire
proceskostenvergoeding die
bestuursorganen bij verlies van een
procedure moeten betalen voortaan te
indexeren op dezelfde wijze als de
griffierechten die de burgers moeten
betalen. Daardoor zal het budgettaire
beslag dat met deze vergoedingen is
gemoeid nominaal stijgen. Ook dit kan
niet worden gekwantificeerd, omdat niet
bekend is hoeveel
proceskostenvergoedingen jaarlijks
worden betaald. Bovendien is in reële
termen geen sprake van een stijging.
Het
wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de
administratieve lasten voor burgers en
bedrijven. Er worden geen nieuwe
informatieverplichtingen in het leven
geroepen.
De
voorgestelde herverkavelingen zullen
naar verwachting leiden tot een lichte
daling van het zaaksaanbod bij de ABRvS
en een lichte stijging van het
zaaksaanbod bij de
CRvB
en het
CBb. Het
aantal beroepen tegen besluiten op grond
van de wetten die door dit wetsvoorstel
worden bestreken, is echter dermate
gering dat de gevolgen voor deze
colleges beperkt zijn. Eén en ander
betekent dat budgettaire verschuivingen
achterwege kunnen blijven. Ter
toelichting hierop het volgende.
De
regelingen waarbij de bevoegdheid in
hoger beroep verschuift van de ABRvS
naar
de CRvB hebben de laatste jaren geen
enkele zaak bij de ABRvS
opgeleverd, met
uitzondering van hoofdstuk IV
(gehandicaptenparkeerkaart) van het Besluit
administratieve bepalingen inzake het
wegverkeer (gemiddeld 11,5
zaken per jaar). Bij de Wet
geneesmiddelenprijzen (overheveling
rechtsmacht in hoger beroep van ABRvS
naar
CBb) ging het
rblz.|6|
de laatste jaren om
gemiddeld 0,5 zaak. Over de bij de rechtbanken aangebrachte zaken die
worden overgeheveld van de rechtbanken
in eerste aanleg en ABRvS
in hoger beroep
naar het
CBb in eerste en enige aanleg
zijn geen exacte cijfers bekend, omdat
niet alle registratiesystemen van de
rechtbanken in deze informatie voorzien.
Uit de wel bekende gegevens kan worden
afgeleid dat bij het
CBb een toename van
het aantal beroepszaken is te verwachten
met ongeveer 90 zaken per jaar, waarbij
het merendeel van deze zaken betrekking
zal hebben op de Kaderwet
LNV-subsidies.
Daarnaast
bevat dit wetsvoorstel wijzigingen die
geen enkel effect hebben op de werklast,
aangezien het gaat om besluiten die
reeds op grond van de "bloc-de-compétenceregel"
(zie paragraaf 4.3 van deze
toelichting) onder de rechtsmacht van
het betrokken college zijn gebracht.
1.5.
Opbouw van het wetsvoorstel en van de
memorie van toelichting
Het wetsvoorstel bestaat uit drie delen:
• deel
A: wijzigingen van de Awb
en enige aanverwante
(procesrechtelijke) wetten;
• deel
B: uit deel A voortvloeiende wijzigingen
van bijzondere
wetten;
• deel
C: overgangs- en slotbepalingen.
Het algemeen deel van deze memorie van
toelichting bevat beschouwingen over de
wijzigingen die samenhangen met het
streven naar concentratie van het
bestuursprocesrecht in de Awb
in
algemene zin (hoofdstuk 2), over de
meer inhoudelijke wijzigingen die
samenhangen met het streven naar een
slagvaardiger bestuursprocesrecht (hoofdstuk
3), over de herverkaveling
van de rechtsmacht in de
bestuursrechtspraak (hoofdstuk
4), over
Verordening (EG) 1/2003 (hoofdstuk
5) en
over de aanpassingswetgeving (hoofdstuk
6).
De
artikelsgewijze toelichting is, in
aansluiting op de wettekst, weer
onderverdeeld in de delen
A, B en C.
Deel B
van de wettekst is onderverdeeld in
paragrafen per ministerie, waarin
telkens de wetten
worden aangepast
waarvan de betreffende minister eerste
ondertekenaar is. In beginsel is
uitgegaan van de nu geldende tekst van
die wetten. Bij nota van wijziging zal
dit wetsvoorstel kort vóór de mondelinge
behandeling in de Tweede Kamer worden
geactualiseerd en worden afgestemd met
de op dat tijdstip aanhangige
wetsvoorstellen.
2.
Concentratie van het bestuursprocesrecht
in de Algemene wet bestuursrecht
2.1.
De huidige systematiek van de wetgeving
Het bestuursprocesrecht is thans
verspreid over diverse wetten. De Awb
bevat in hoofdstuk 6 diverse bepalingen
die voor zowel de
bezwaarschriftprocedure en het
administratief beroep als het beroep bij
de bestuursrechter gelden (bijvoorbeeld
artikel 6:7, over de bezwaar- en
beroepstermijn). Hoofdstuk 7
Awb bevat
de bepalingen die specifiek zijn voor de
bezwaarschriftprocedure en het
administratief beroep.
Ingewikkelder
ligt het bij het procesrecht voor het
beroep bij de bestuursrechter. Hoofdstuk
8 Awb
geldt slechts rechtstreeks voor de
procedure bij de
rechtbank. Artikel
8:1,
eerste lid, Awb
bepaalt dat een
belanghebbende tegen een besluit beroep
kan instellen bij de rechtbank. Uit
artikel 8:6, eerste lid, Awb
volgt
echter dat dit niet geldt indien tegen
het besluit beroep kan worden ingesteld
bij een andere bestuursrechter. Dit
laatste is rblz.|7|
vaak het geval. Bijna 100 bijzondere
wetten bepalen dat tegen (een
deel van de) besluiten op grond van die
wet beroep in eerste en enige aanleg kan
worden ingesteld bij de ABRvS, de
CRvB of
het CBb. Voor die gevallen verklaren de
instellingswetten van genoemde colleges
het procesrecht van hoofdstuk 8
Awb van
overeenkomstige toepassing (zie
respectievelijk artikel 46 (36-oud) Wet
RvS,¹ artikel 17
Beroepswet
en artikel
19 Wbbo).
Tegen
uitspraken van de rechtbank als
bestuursrechter kan -
afhankelijk van
de aard van het geschil -
in beginsel
hoger beroep worden ingesteld bij de ABRvS, de CRvB, het
CBb of een
gerechtshof (zie respectievelijk artikel
47 (37-oud) Wet
RvS, artikel 18 Beroepswet
en de
daarbij behorende bijlage, artikel 20 Wbbo
en de daarbij behorende bijlage en artikel 27h
Awr).
Op dit hoger beroep is hoofdstuk 8
Awb eveneens grotendeels van overeenkomstige
toepassing verklaard (artikel 49
(39-oud) Wet
RvS, artikel 21 Beroepswet,
artikel 22 Wbbo
en artikel 27j Awr).
Daarnaast bevatten de vier genoemde
wetten nog enige, onderling vrijwel
gelijkluidende, aanvullende bepalingen
over het hoger beroep.
Deze
gecompliceerde wetgevingstechniek vindt
zijn oorsprong in de Wet
voltooiing eerste fase herziening
rechterlijke organisatie (Stb. 1993, 650). Destijds
werd voor een aantal, maar niet alle,
deelterreinen van het bestuursrecht
rechtspraak in twee (feitelijke)
instanties ingevoerd. Op andere
terreinen bleef vooralsnog sprake van
rechtspraak in één instantie. Voor
veel deelterreinen van bestuursrecht was
hoger beroep bij de inwerkingtreding van
de Awb, op 1 januari 1994, een nieuw
verschijnsel. Daarom is toen besloten
het hoger beroep vooralsnog niet in de
Awb, maar in de instellingswetten van de
hogerberoepsrechters te regelen.
1. In
deze toelichting wordt uitgegaan van de
nummering van de Wet
RvS zoals deze zal luiden vanaf 1
september 2010 (Stb.
2010, 175 en 236).
Gemakshalve zijn ook de oude nummers nog
vermeld.
2.2.
Reden voor wijziging
Inmiddels is op steeds meer terreinen
van bestuursrecht rechtspraak in twee
feitelijke instanties ingevoerd en is op
ruime schaal ervaring opgedaan met het
hoger beroep. Deze ervaringen nopen tot
enige aanpassingen, zoals de invoering
van incidenteel hoger beroep en van
conclusies. Deze aanpassingen zijn in
dit wetsvoorstel opgenomen. Het ligt
voor de hand om tegelijk de regeling van
het hoger beroep haar definitieve plaats
in de Awb
te geven. Die wet beoogt
immers een codificatie van het algemeen
deel van het bestuursrecht, met inbegrip
van het bestuursprocesrecht. Bovendien
komt het de toegankelijkheid en
overzichtelijkheid van het
bestuursprocesrecht ten goede als de
materie zoveel mogelijk in één wet is
geregeld.
Eén en
ander heeft tot gevolg dat de
procesrechtelijke bepalingen uit de Wet
RvS, de Beroepswet
en de Wbbo
worden
overgebracht naar de Awb. Het gevolg
voor de Beroepswet en de Wbbo is dat
daarin nog slechts institutionele
bepalingen zullen overblijven.
Naast de
genoemde wetten bevat sedert 1 januari
2005 ook de Awr
bepalingen over hoger
beroep. Deze komen op enkele details na
overeen met de bepalingen in de zojuist
genoemde wetten. Daarom kunnen ook de
bepalingen van de Awr worden vervangen
door een algemene regeling in de Awb. In
de Awr blijven nog slechts de
afwijkingen van het Awb-regime staan,
alsmede de regeling van het beroep in
cassatie, die immers specifiek is voor
het belastingrecht.
Buiten
beschouwing blijft evenwel het hoger
beroep bij het gerechtshof Leeuwarden
tegen uitspraken van de sectoren kanton
van de rechtbanken over besluiten op
grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften. Nu hoofdstuk 8
Awb niet geldt voor het beroep in eerste
aanleg bij de sector kanton, ligt het
niet in de rede het hoger beroep wel in
de Awb te regelen.
Naast
bepalingen over het hoger beroep komen
in de bijzondere wetgeving nog meer
bepalingen van procesrechtelijke aard
voor, zoals bepalingen over
griffierechten en dergelijke.
Voorgesteld wordt om ook rblz.|8|
deze bepalingen
ten behoeve van de overzichtelijkheid
zoveel mogelijk over te hevelen naar de
Awb. Voor bestuursprocesrecht in bijzondere
wetten
is nog slechts plaats
indien en voor zover daadwerkelijk een
gerechtvaardigde aanleiding tot
afwijking van het Awb-procesrecht
bestaat. Een voorbeeld van dit laatste
zijn de korte beroepstermijnen in de Kieswet. Om te voorkomen dat bij een
geslaagd beroep verkiezingen achteraf
ongeldig zouden moeten worden verklaard,
moet gewaarborgd zijn dat
beroepsprocedures over de geldigheid van
kandidatenlijsten en dergelijke vóór
de
verkiezingen worden afgehandeld.
Eveneens
met het oog op de overzichtelijkheid van
de wetgeving zijn ook bepalingen die
beroep in eerste aanleg openstellen op
een andere bestuursrechter dan de
rechtbank, opgenomen in een bij de Awb
behorende bijlage die opsomt in welke
gevallen beroep openstaat bij de ABRvS,
de CRvB, het
CBb of een
gerechtshof. Dit
is niet alleen overzichtelijk en nuttig
voor bestuursorganen (om een juiste
rechtsmiddelenclausule onder besluiten
te plaatsen) en belanghebbenden (om snel
en eenvoudig na te gaan bij welke
bestuursrechter beroep moet worden
ingesteld), maar ook voor de Minister
van Justitie (om overzicht over het
stelsel van bestuursrechtspraak te
houden en de consistentie daarvan te
bewaken).
Ten slotte
bevatten bijzondere wetten de nodige
uitzonderingen op de hoofdregel (artikel
7:1 Awb) dat een bezwaarschriftprocedure
moet worden doorlopen alvorens beroep
bij de bestuursrechter kan worden
ingesteld. Om de eerdergenoemde redenen
zijn ook deze uitzonderingen
overgebracht naar een bijlage bij de Awb
(de Regeling rechtstreeks
beroep).
2.3.
De nieuwe systematiek
In de nieuwe systematiek heeft hoofdstuk
8 Awb
niet slechts betrekking op de
rechtbank, maar op alle in feitelijke
aanleg oordelende bestuursrechters.
Daarbij zijn eerst de regels voor het
beroep in eerste aanleg uitgeschreven (titel 8.1 tot en met
8.3). Titel 8.4 is
gereserveerd voor de toekomstige
regeling van een bestuursrechtelijke
verzoekschriftprocedure, zoals
voorgesteld in het voorontwerp
schadevergoeding en nadeelcompensatie en
voor de in voorbereiding zijnde regeling
inzake schadevergoeding bij
overschrijding van de redelijke termijn,
genoemd in artikel 6 EVRM [Europees
verdrag voor de bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, red.].
Vervolgens
is in een nieuwe titel 8.5 het hoger
beroep geregeld, waarbij overigens het
grootste deel van de titels 8.1 tot en
met 8.3 van toepassing is verklaard. Net
als nu zal het procesrecht voor het
hoger beroep dus in belangrijke mate
overeenkomen met dat voor de eerste
aanleg. Deze nieuwe titel 8.5
introduceert het begrip
hogerberoepsrechter, dat in artikel 1:4
wordt gedefinieerd als: een
bestuursrechter die in hoger beroep
oordeelt. De - slechts één artikel
tellende - titel over herziening van
uitspraken is vernummerd tot titel
8.6,
omdat zowel uitspraken in eerste aanleg
als uitspraken in hoger beroep vatbaar
kunnen zijn voor herziening. De indeling
van hoofdstuk 8 wordt dus als volgt:
Titel 8.1.
Algemene bepalingen over het beroep in
eerste aanleg
Titel 8.2.
Behandeling van het beroep in eerste
aanleg
Titel 8.3.
Voorlopige voorziening en onmiddellijke
uitspraak in de hoofdzaak
Titel 8.4.
Schadevergoeding
Titel 8.5.
Hoger beroep
Titel 8.6.
Herziening
Nieuw is
dat ook de absolute bevoegdheid voor
alle in feitelijke aanleg oordelende
bestuursrechters, en niet slechts voor
de
rechtbank, in de Awb
(afdeling
8.1.1)
is geregeld. Slechts de regeling van de
bevoegdheid van rblz.|9|
de Hoge Raad in
belastingzaken blijft in de Awr
staan,
omdat deze specifiek is voor het
belastingrecht. Afgezien van de hierna
in hoofdstuk 4 te bespreken
herverkaveling is de regeling van de
absolute bevoegdheid overigens niet
gewijzigd. Voor het beroep in eerste
aanleg blijft de regel dat de rechtbank
bevoegd is, tenzij de wet een andere
bestuursrechter aanwijst. Nieuw is
slechts dat het nu de Awb
zelf is die
voor bepaalde gevallen een andere
bestuursrechter aanwijst. Dit geschiedt
door een verwijzing naar een bijlage bij
de wet - de Bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak - waarin de
besluiten zijn opgesomd waarvoor een
andere bestuursrechter bevoegd is (zie
het voorgestelde artikel 8:6
Awb).
Ook de
bevoegdheid van de verschillende
hogerberoepsrechters wordt in de Awb
geregeld (artikel
8:105), wederom door
een verwijzing naar de nieuwe
Bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak. Ook hier blijft de
regel inhoudelijk ongewijzigd: tegen een
uitspraak van een rechtbank kan hoger
beroep worden ingesteld bij de ABRvS,
tenzij de Awb een andere
hogerberoepsrechter aanwijst.
2.4.
De bijlagen bij de Awb
Het algemene bestuursprocesrecht wordt
geregeld in de hoofdstukken
6, 7 en
8 Awb. Nadat een belanghebbende bezwaar
heeft gemaakt tegen een besluit, kan
beroep worden ingesteld bij de
rechtbank. Tegen de uitspraak van de
rechtbank staat hoger beroep open bij de
ABRvS. Op dit algemene
bestuursprocesrecht bestaan
uitzonderingen die thans zijn vastgelegd
in bijzondere
wetten. Dit onderdeel van
het wetsvoorstel concentreert een aantal
uitzonderingen in drie bijlagen bij de Awb, die voor het gemak ook van een naam
zijn voorzien:
•
Bijlage 1, de Regeling rechtstreeks
beroep, geeft een opsomming van de
wettelijke voorschriften waarbij, in
afwijking van artikel 7:1
Awb, geen
bezwaarschriftprocedure wordt doorlopen.
•
Bijlage 2, de Bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak, vermeldt de
voorschriften waarvoor, in afwijking van
hoofdstuk 8 Awb, een afwijkende
beroepsgang geldt.
•
Bijlage 3, de Regeling verlaagd
griffierecht, bevat de voorschriften
waarvoor in beroep of hoger beroep een
lager griffierecht verschuldigd is dan
volgt uit de artikelen
8:41, tweede lid,
en 8:109, eerste lid,
Awb.
2.5.
Griffierechten en indexering
In lijn met het streven om het
bestuursprocesrecht zoveel mogelijk in
de Awb te concentreren, zijn ook
bepalingen over griffierechten in bijzondere
wetten zoveel mogelijk
overgebracht naar de Awb. Tevens is de
bestaande bevoegdheid tot aanpassing van
de griffierechten aan de
consumentenprijsindex vervangen door een
jaarlijkse verplichting daartoe. Omdat
de Awb ook andere bedragen bevat dan de
griffierechtbedragen, is voorzien in een
algemene indexeringsbepaling. Verwezen
zij naar de toelichting
op de artikelen
8:41, 8:109 en
11:2 Awb.
3.
Naar een slagvaardiger
bestuursprocesrecht
3.1.
Algemeen
De toetsing van het bestuurshandelen
door de bestuursrechter is in de loop
der jaren van karakter veranderd. Vóór
1994 was de heersende leer dat de
bestuursrechtspraak niet slechts strekte
tot bescherming van belangen van burgers
tegen onrechtmatig overheidshandelen (de
rechtsbeschermingsfunctie van de
bestuursrechtspraak), maar tot
behartiging van het algemeen belang door
handhaving van het objectieve rblz.|10|
recht. Bij
de invoering van de Awb
in 1994 heeft de
wetgever echter uitdrukkelijk afscheid
genomen van deze toezichtsfunctie van de
bestuursrechtspraak en gekozen voor het
primaat van de
rechtsbeschermingsfunctie.¹
Deze
keuze heeft belangrijke gevolgen gehad
voor de ontwikkeling van het
bestuursprocesrecht en de taakopvatting
van de bestuursrechter in de laatste
vijftien jaar. Een commissie uit de
Vereniging voor Bestuursrecht VAR [VAR:
Vereniging voor Administratief Recht, red.]
heeft
die ontwikkeling enige jaren geleden
treffend samengevat als "van toetsing
naar geschilbeslechting".²
Voorheen
bracht het algemene belang bij
handhaving van het objectieve recht
volgens velen bijvoorbeeld mee dat de
bestuursrechter een bestreden besluit in
alle opzichten op rechtmatigheid diende
te toetsen, ook op punten waarover de
eisende partij niet had geklaagd. In
deze klassieke visie fungeerde de
bestuursrechter als opperhoeder van de
rechtmatigheid van het bestuurshandelen
en de eisende burger als een soort
verklikker die de opperhoeder wijst op
fouten van het bestuur. Met de invoering
van de Awb is nadrukkelijk afscheid van
deze gedachte genomen. Tegenwoordig ligt
de nadruk meer dan vroeger op de taak
van de bestuursrechter om het geschil
tussen burger en bestuur te beslechten.
Daarbij past bijvoorbeeld dat de omvang
van het geschil tegenwoordig in beginsel
wordt bepaald door partijen en niet
langer door de bestuursrechter. Er is
dus sprake van een zekere terugtred van
de bestuursrechter; deze is bij het
verrichten van ambtshalve activiteiten
meer gaan lijken op de burgerlijke
rechter.
In
beginsel is dit een positieve
ontwikkeling. De rechter is namelijk
minder geschikt als algemene
toezichthouder op het bestuur, reeds
omdat slechts een tamelijk willekeurige
selectie van onjuiste besluiten hem via
beroepen bereikt. Deze selectie is
bovendien niet representatief; er wordt
zelden beroep ingesteld tegen te hoge
uitkeringen of te lage
belastingaanslagen.
Door de
keuze voor het primaat van de
rechtsbeschermingsfunctie en, in het
verlengde daarvan, de toegenomen
aandacht voor de geschilbeslechtende
taak van de bestuursrechter, is de vraag
naar de effectiviteit van de
bestuursrechtspraak scherper op de
voorgrond komen te staan.
Belanghebbenden, en meer in het algemeen
de samenleving, hebben behoefte aan een
bestuursrechter die binnen een redelijke
termijn duidelijkheid schept over de
rechtspositie van belanghebbenden en de
geldigheid van besluiten en geschillen
daarover zo mogelijk definitief
beslecht. In dat opzicht functioneert
het bestuursprocesrecht nog niet
optimaal, al is er wel een ontwikkeling
in de goede richting.³ Dit wetsvoorstel
beoogt deze ontwikkeling te ondersteunen
en verder door te trekken.
1.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 495, nr.
3, blz. 35.
2. VAR-commissie Rechtsbescherming,
"De toekomst van de
rechtsbescherming tegen de overheid. Van
toetsing naar geschilbeslechting",
Den Haag: BJu 2004.
3. Zie o.m. B.J. Schueler e.a.,
"Definitieve geschilbeslechting
door de bestuursrechter", Den Haag:
BJu 2007 (een onderzoek in het kader van
de derde evaluatie van de Awb).
De
voornaamste reden waarom de
bestuursrechtspraak thans soms
onvoldoende effectief is, is het
verschijnsel dat wel is aangeduid als
"bestuurlijk pingpongen".¹ Als de
bestuursrechter constateert dat aan het
bestreden besluit een gebrek kleeft,
moet hij dit besluit in beginsel
vernietigen. Vaak volstaat hij daar ook
mee (een zogenaamde "kale"
vernietiging). In veel gevallen moet het
bestuursorgaan dan een nieuw besluit
nemen. Omdat veel gebreken in besluiten
herstelbaar zijn (de meeste
vernietigingen vinden plaats wegens
onzorgvuldige voorbereiding of
onvoldoende motivering), komt het nogal
eens voor dat het nieuwe besluit
dezelfde strekking heeft als het
vernietigde besluit. Tegen het nieuwe
besluit staat dan opnieuw bezwaar en
beroep open. In sommige gevallen leidt
dat opnieuw tot vernietiging en weer een
nieuw besluit. In dergelijke gevallen
kan het lang duren voordat partijen
definitief weten waar zij aan toe zijn.
Eén en ander wordt door zowel burgers
als bestuursorganen in toenemende mate
als een probleem ervaren. De langdurige
onzekerheid leidt tot frustratie en soms
ook tot economische schade, bijvoorbeeld
als het gaat om de realisering van
infrastructurele projecten.
Gelet
hierop is het kabinetsbeleid erop
gericht te bevorderen dat zoveel
mogelijk geschillen na afloop van één
bestuursrechtelijke procedure definitief
zijn beslecht, met andere woorden: dat
de eerste bodemuitspraak rblz.|11|
van de
bestuursrechter ook daadwerkelijk een einduitspraak is. Hierbij geldt
uiteraard dat snelheid niet ten koste
mag gaan van zorgvuldigheid, noch van
mogelijkheden om besluiten in rechte aan
te vechten, of van kansen om te
beargumenteren dat een aangevochten
besluit onrechtmatig is. Anders zou
verhoging van efficiency uiteindelijk
leiden tot verlies aan rechtsbescherming
voor belanghebbenden, in plaats van
extra rechtsbescherming. Maar de
bestuursrechter moet beschikken over
bevoegdheden die hem in staat stellen om
te zorgen voor snelle duidelijkheid voor
belanghebbenden en bestuursorganen over
hun onderlinge rechtsposities, zonder de
bestaande mogelijkheden voor het
aanvechten van besluiten te beknotten.
Het gaat altijd om een evenwicht tussen
snelheid en zorgvuldigheid, maar de
laatste jaren is het inzicht gegroeid
dat snelheid daarbij een zelfstandige
waarde is, waaraan meer gewicht moet
worden toegekend dan in het verleden wel
eens het geval is geweest.
De
Awb
biedt de bestuursrechter overigens ook
nu al enige instrumenten om een geschil
definitief te beslechten. Zo kan de
bestuursrechter ingevolge artikel 6:22
Awb een besluit waaraan een formeel
gebrek kleeft toch in stand laten
indien door dit gebrek geen
belanghebbende in zijn belangen is
geschaad. Ook kan hij een besluit wel
vernietigen, maar bepalen dat de
rechtsgevolgen in stand blijven (artikel
8:72, derde lid). Dit doet zich
bijvoorbeeld voor als een besluit is
genomen door een ambtenaar die niet over
een toereikend mandaat beschikt, maar
tevens vaststaat dat de wel bevoegde
ambtenaar inhoudelijk hetzelfde besluit
zou hebben genomen. Ook kan de
bestuursrechter onder omstandigheden
"zelf in de zaak voorzien", dit wil
zeggen: in de uitspraak doen hetgeen het
bestuursorgaan zou behoren te doen en
vervolgens bepalen dat zijn uitspraak in
de plaats treedt van het vernietigde
besluit (artikel
8:72, vierde lid).
Sedert 1 januari 2010 is daar het
instrument van de "bestuurlijke lus" (artikel
8:51a Awb) bijgekomen.
Tot voor
kort werden sommige van deze
instrumenten echter te weinig gebruikt
of vertoonden zij bij nader inzien
onnodige beperkingen. Daarom bevat dit
wetsvoorstel een aantal voorzieningen om
de mogelijkheden om bestuursrechtelijke
geschillen snel en definitief te
beslechten, aan te vullen of te
verbeteren. Deze zijn: verruiming van de
mogelijkheden om het bestreden besluit
tijdens de bezwaar- of beroepsprocedure
te wijzigen (het vernieuwde artikel
6:19), verruiming van de mogelijkheden
om gebreken van het bestreden besluit te
passeren (artikel
6:22), een extra
mogelijkheid om een hoorzitting tijdens
de bezwaarfase achterwege te laten (artikelen 7:3 en
7:17) en het
introduceren van de mogelijkheid tot
"kortsluiting" bij verzet tegen een
uitspraak waarin de bestuursrechter
zonder zitting uitspraak heeft gedaan (artikel
8:55).
Wat
tijdens de parlementaire behandeling van
het initiatiefvoorstel Wet
bestuurlijke lus Awb is geschreven en gezegd over de
verhouding tussen burger en bestuur
gedurende de rechterlijke procedures,
geldt ook voor de zojuist aangeduide
voorstellen. Deze brengen geen wijziging
in de bestaande verhoudingen. Het
bestuursorgaan krijgt geen extra
gelegenheden voor reparatie van gebreken en aan belanghebbenden worden
geen kansen voor herstel van
vergissingen en omissies ontnomen.
1. J.E.M.
Polak, "Effectieve
bestuursrechtspraak" (oratie
Leiden), Deventer 2000, blz. 7.
Bij dit
alles past echter een belangrijke
kanttekening. In een aantal gevallen mag
de bestuursrechter het geschil niet
definitief beslechten, omdat dit afstuit
op het zogeheten "primaat van het
bestuur" bij de besluitvorming. De
bestuursrechter mag namelijk als regel
niet treden in de beleids- en/of
beoordelingsvrijheid die de wetgever
bewust aan het bestuursorgaan heeft
toevertrouwd. Anders zou de
bestuursrechter het bestaande stelsel
van machtsevenwicht, dat is gebaseerd op
democratische legitimatie, in gevaar
kunnen brengen. Het gevolg van één en
ander is dat de bestuursrechter soms wel
mag aangeven hoe het indertijd niet had
gemoeten, maar niet hoe het nu - op
basis van actuele feiten en
omstandigheden - wel zou kunnen of
moeten.
rblz.|12|
Het beleid is in dit kader gericht op het
bereiken van een evenwicht tussen twee
belangrijke uitgangspunten, namelijk
enerzijds dat de rechter aan partijen zo
snel en veel mogelijk duidelijkheid over
hun onderlinge rechtsposities verschaft
en anderzijds dat het bestuur naar eigen
inzicht invulling moet kunnen geven aan
beleids- en beoordelingsvrijheid die de
wetgever het bestuur heeft geboden. Dit
evenwicht is echter niet voor eens en
voor altijd gegeven. Naar huidig inzicht
stuit definitieve geschilbeslechting
minder vaak af op de beleids- of
beoordelingsvrijheid van het bestuur dan
in het verleden wel werd gedacht.
3.2.
Vervangende besluiten hangende bezwaar
of beroep (artikel 6:19 nieuw)
Het komt vaak voor dat een
bestuursorgaan een besluit hangende
bezwaar of beroep wijzigt. Voor zover
dit - bijvoorbeeld - gebeurt om een
fout te herstellen of om rekening te
houden met inmiddels gewijzigde
omstandigheden, kan deze handelwijze
bijdragen aan een definitieve
geschilbeslechting binnen een redelijke
termijn. Vóór de invoering van de Awb
leidde een dergelijke handelwijze echter
regelmatig tot verlies van
rechtsbescherming, doordat
belanghebbenden zich niet altijd bewust
waren dat het nodig was om tegen het
nieuwe besluit afzonderlijk opnieuw
bezwaar te maken of beroep in te
stellen. Daarom bevat de Awb in de
artikelen 6:18 en 6:19 een belangrijke
voorziening voor dit soort gevallen.
Het
huidige artikel
6:18, eerste lid, stelt
voorop dat een bestuursorgaan een
besluit waartegen bezwaar is gemaakt of
beroep is ingesteld, mag intrekken of
wijzigen voor zover het daartoe ook
bevoegd zou zijn geweest als geen
bezwaar zou zijn gemaakt of beroep zou
zijn ingesteld. Artikel 6:19 bepaalt
vervolgens dat het bezwaar of beroep
tegen het oorspronkelijke besluit wordt
geacht zich (mede) te richten tegen het
gewijzigde besluit, tenzij dit geheel
aan de bezwaren van de belanghebbende
tegemoetkomt. Op deze wijze behoudt het
bestuursorgaan de vrijheid tot het
terugnemen of wijzigen van een besluit
zonder afbreuk te doen aan
rechtsbescherming van belanghebbenden.¹
Uit de
eerste evaluatie van de Awb bleek dat de
artikelen 6:18 en 6:19
Awb in de
praktijk regelmatig leidden tot
complicaties. Het leek de onderzoekers
toen nog te vroeg om over te gaan tot
wetswijziging. Zij betwijfelden het nut
van de voorschriften niet, maar
adviseerden wel een nadere studie naar
de werking van deze artikelen te
verrichten. Na enige jaren zou dan een
wetswijziging ter hand kunnen worden
genomen.¹* De Evaluatiecommissie Awb I
(commissie-Polak)
nam deze aanbevelingen over.² In het
kader van de tweede evaluatie van de Awb
is uitgebreid onderzoek gedaan naar de
werking van de artikelen 6:18 en
6:19 in
de fase van het hoger beroep.³ Op basis
hiervan deed de Evaluatiecommissie Awb
II (commissie-Boukema) in haar
eindrapport enkele aanbevelingen.³*
1. PG Awb
I [parlementaire geschiedenis van de eerste
tranche van de Awb, red.], blz. 308.
1*. J.B.J.M. ten Berge e.a.,
"Ervaringen met de Awb. Het
bestuursprocesrecht", Deventer
1996, blz. 218-220.
2. Toepassing en effecten van de
Algemene wet bestuursrecht 1994-1996,
Den Haag 1996, te vinden op
www.justitie.nl, onder
Thema’s/Wetgeving/Dossiers/Awb/Diversen.
3. R.J.G.M. Widdershoven e.a.,
"Algemeen bestuursrecht 2001: hoger
beroep", Den Haag 2001, blz.
145-165.
3*. Toepassing en effecten van de
Algemene wet bestuursrecht 1997-2001,
Den Haag 2002, blz. 41.
Inmiddels
heeft de jurisprudentie voor veel van de
in de praktijk gesignaleerde knelpunten
passende oplossingen gevonden. Daarom is
thans het moment aangebroken om - mede
op basis van de bevindingen uit de beide
evaluaties - over te gaan tot
verduidelijking en vereenvoudiging van
de wettekst. Daartoe wordt een nieuw
artikel 6:19 voorgesteld, dat de huidige
artikelen 6:18, 6:19 en
8:13a
vervangt.
Daarnaast bevat dit wetsvoorstel een
wijziging van artikel
8:81. Deze
voorstellen sluiten aan bij de
ontwikkelingen in de jurisprudentie. Zij
hebben dus een codificerend karakter en
betreffen met name de toepassing in
hoger beroep. Voor een inhoudelijke
bespreking zij verwezen naar de
artikelsgewijze toelichting. Aan het
slot van de toelichting
op artikel 6:19
(nieuw) wordt nog aandacht geschonken
aan enkele vragen bij de toepassing van
de huidige artikelen 6:18 en
6:19 die
niet goed door middel van wetswijziging
oplosbaar zijn.
rblz.|13|
3.3.
Het passeren van gebreken in een besluit
(artikel 6:22)
Artikel 6:22
Awb bepaalt dat de
bestuursrechter, dan wel een
bestuursorgaan dat op bezwaar of
administratief beroep beslist, de
schending van een vormvoorschrift kan
passeren - door het bestreden besluit
in stand te laten - indien blijkt dat
de belanghebbenden hierdoor niet zijn
benadeeld. Bij de totstandkoming van de Awb
rees de vraag of "nu verscheidene
procedurele eisen en bijvoorbeeld het
motiveringsbeginsel in de Awb de status
van algemeen verbindend voorschrift
krijgen, de bestuursrechter in alle
gevallen waarin zo’n vormvoorschrift
is geschonden het beroep gegrond zou
moeten verklaren en tot vernietiging zou
moeten overgaan".¹ De regering
beantwoordde deze vraag ontkennend en
stelde daarom voor om artikel 6:22 in
de
wet op te nemen.
Artikel
6:22 biedt dus een mogelijkheid om een
vernietiging op louter formele gronden
te voorkomen en past aldus goed in het
streven naar een slagvaardiger
bestuursprocesrecht. Van verschillende
zijden is echter opgemerkt dat het
artikel in dat opzicht niet ver genoeg
gaat. Naar huidig recht is artikel 6:22
slechts van toepassing indien het
besluit slechts in strijd is met een
voorschrift dat kan worden aangemerkt
als een vormvoorschrift. Een
vormvoorschrift is een voorschrift dat
geen eisen stelt aan de inhoud van het
besluit, maar ziet op de procedure van
totstandkoming of de wijze waarop het
besluit moet worden genomen of
vastgelegd. Men denke onder meer aan
regels over de inrichting van een
bestuurlijke voorprocedure en aan
beslistermijnen zonder fataal karakter.
In een aantal gevallen is onduidelijk of
een voorschrift wel of niet als
vormvoorschrift kan worden beschouwd.
1. PG Awb
I [parlementaire geschiedenis van de eerste
tranche van de Awb, red.], blz. 313.
Bevoegdheidsgebreken
worden over het algemeen aangemerkt als
fundamentele gebreken die niet met
toepassing van artikel 6:22 kunnen
worden gepasseerd, ook als het besluit
is genomen op grond van een ontoereikend
of niet toelaatbaar mandaat. Indien
vaststaat dat de wel bevoegde ambtenaar
of de mandaatgever zelf inhoudelijk geen
ander besluit zal nemen, kiest de
bestuursrechter er soms voor om het
bestreden besluit te vernietigen, maar
de rechtsgevolgen ervan - met
toepassing van artikel
8:72, derde lid, Awb
- in stand te laten.¹ Bij meer
ernstige mandaatgebreken, zoals het
geheel ontbreken van een
mandaatverhouding, geschiedt dit echter
niet.² Gebreken in de kenbaarheid van
de motivering worden doorgaans
aangemerkt als formele gebreken die met
toepassing van artikel 6:22 zijn te
passeren indien de belanghebbenden
tijdens de beroepsprocedure alsnog
tijdig inzicht in de motivering krijgen,³ bijvoorbeeld door middel van
een verweerschrift, een mondelinge
toelichting ter zitting of inzending van
onderliggende stukken. Soms hoeft een
nadere motivering niet te worden gegeven
omdat kan worden vastgesteld dat de
belanghebbende anderszins van de
motivering van het besluit op de hoogte
is en niet in zijn processuele belangen
is geschaad.
1.
Bijvoorbeeld ABRvS
17 oktober 2001, AB 2001, 372 m.nt. NV.
2. ABRvS 17 oktober 2001, AB 2002, 44
m.nt. NV.
3. Bijvoorbeeld ABRvS 25 februari 2000,
AB 2002, 42 m.nt. NV.
Het
voorschrift dat een besluit dient te
berusten op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 en
7:12) ziet meer op de
inhoud van een besluit. Zowel de
CRvB
als de ABRvS
merken dergelijke materiële
motiveringsgebreken (artikel 3:46 en 7:12) in beginsel aan als gebreken die
niet met toepassing van artikel 6:22
kunnen worden gepasseerd.¹ Als een
besluit op een onjuiste wettelijke
grondslag is gebaseerd, wordt naar
huidig recht artikel 6:22 niet
toegepast.² Ook schending van artikel
3:2 Awb
- de plicht van het
bestuursorgaan om voldoende relevante
feitenkennis te vergaren - wordt in
beginsel niet aangemerkt als schending
van een vormvoorschrift.³ Hetzelfde
geldt voor specifieke vormen van deze
plicht, zoals het horen van
belanghebbenden tijdens de bezwaarfase
op grond van artikel
7:2 ³* en het zich
laten adviseren op grond van een
bijzondere wet.
Het
begrip vormvoorschrift heeft dus geleid
tot een tamelijk omvangrijke
jurisprudentie, die geen betrekking
heeft op de vraag waar het eigenlijk om
gaat, namelijk of de gevolgen van een
door een bestuursorgaan gemaakte fout
rechtvaardigen dat het besluit wordt
vernietigd. Daarom is rblz.|14|
in het verleden
meermalen gepleit voor verruiming van
artikel 6:22. Aldus bijvoorbeeld reeds
de Commissie Evaluatie Awb I. Zij stelde
voor de term "vormvoorschrift" te
wijzigen in "voorschrift inzake de
totstandbrenging of de motivering van
het besluit". Aldus zou de wet buiten
twijfel stellen dat artikel 6:22 niet
slechts kan worden toegepast indien een
procedurevoorschrift in enge zin is
geschonden, maar ook indien anderszins
fouten zijn gemaakt bij de
totstandbrenging of motivering van het
besluit. Wel diende ook volgens de
Commissie de grens te zijn dat artikel
6:22 niet zou mogen worden toegepast als
het gebrek tot een inhoudelijk ander
besluit had kunnen of moeten leiden.
1. CRvB
26 juni 1998, Rawb 1999, 8, en ABRvS
1 mei 2000, JB 2000/177.
2. ABRvS 31 oktober 1997, JB 1998/7, en
CRvB 29 oktober 1998, TAR 1998, 190.
3. CRvB 28 november 1997, Rawb 1998, 91.
3*. CRvB 4 januari 2000, AB 2000, 146
m.nt. HBr, en ABRvS 18 augustus 2004, AB
2004, 416 m.nt. NV.
Enige
tijd later stelde de werkgroep-Van
Kemenade voor om artikel 6:22 nog verder
te verruimen, zodat onder omstandigheden
ook schending van een materieel
voorschrift zou kunnen worden
gepasseerd.¹ In reactie daarop heeft de
regering in 1998 in de nota "Juridisering in het openbaar
bestuur"
aandacht besteed aan de vraag naar de
wenselijkheid van een uitbreiding van
artikel 6:22: "Het
komt voor dat achteraf bij de
bestuursrechter gebreken in de
besluitvorming worden geconstateerd die
niet eerder zijn onderkend en die van
geringe betekenis zijn, maar toch niet
kunnen worden gepasseerd, omdat er
strikt genomen geen sprake is van een
vormvoorschrift in de zin van artikel
6:22. Een voorbeeld vormt een formeel
gebrek in geval van mandaat: het besluit
is door een onbevoegde ondertekend of
namens het verkeerde bestuursorgaan (…).
Het onbevoegdelijk nemen van een besluit
kan niet worden aangemerkt als een
schending van een vormvoorschrift in de
zin van artikel 6:22
Awb. Een
onbevoegdelijk genomen besluit zal dus
in beginsel moeten worden vernietigd.
Onder omstandigheden kunnen echter de
rechtsgevolgen in stand worden gelaten.
Indien het bevoegde bestuursorgaan
tijdens de procedure te kennen geeft het
besluit voor zijn rekening te nemen, kan
het efficiënt zijn indien de
bestuursrechter het gebrek kan passeren.
Het kabinet zal daarom bezien of artikel
6:22 in deze zin kan worden verruimd".²
1.
Rapport "Bestuur in geding",
Haarlem 1997.
2. Kamerstukken II 1998-1999, 26 360,
nr. 1, blz. 25-26.
In de
nota "Naar een slagvaardiger
bestuursrecht" ¹ pleitte ook het
toenmalige kabinet reeds voor verruiming
van artikel
6:22, met het argument dat
niet de aard van het geschonden
voorschrift doorslaggevend is, maar het
antwoord op de vraag of door de
schending een belanghebbende is
benadeeld. Bij een ontkennende
beantwoording van deze vraag eist de
slagvaardigheid van het bestuur(sprocesrecht)
dat een mogelijkheid bestaat om
vernietiging van het bestreden besluit
achterwege te laten. Ook ik meen dat
voor de beantwoording van de vraag of
een gebrek in een besluit kan worden
gepasseerd, niet de aard van het
geschonden voorschrift beslissend zou
moeten zijn, maar uitsluitend het
antwoord op de vraag of door de
schending iemand is benadeeld. Daarom
wordt voorgesteld om het woord "vormvoorschrift" te vervangen door
"geschreven of ongeschreven rechtsregel
of algemeen rechtsbeginsel". Uit de
jurisprudentie blijkt immers enerzijds
dat het ook bij schending van
voorschriften die geen vormvoorschriften
in strikte zin zijn, voorkomt dat
niemand door deze schending is
benadeeld, en anderzijds dat het enkele
feit dat het geschonden voorschrift een
vormvoorschrift is, niet in alle
gevallen meebrengt dat de schending kan
worden gepasseerd. Daarom dient de aard
van het voorschrift niet langer centraal
te staan. In een bestuursprocesrecht dat
gericht is op een materiële en zo
mogelijke definitieve beslechting van
het geschil dient de problematiek van
het passeren van gebreken niet te worden
benaderd vanuit de invalshoek van de
aard van de voorschriften.²
Wel zal
het zo zijn dat in geval van materiële
gebreken vaak wel sprake is van een
benadeling van belanghebbenden. Dan had
immers - als het gebrek zich niet had
voorgedaan - het dictum van het
besluit anders kunnen luiden. Het is
echter niet zo dat als de
bestuursrechter een rblz.|15|
materieel gebrek
constateert, het besluit reeds om die
reden moet worden vernietigd. Indien
blijkt dat niemand is benadeeld, kan de
bestuursrechter het gebrek zonder
bezwaar passeren.
In lijn
met dit standpunt is inmiddels in
artikel 1.5 van de Crisis-
en herstelwet voor het toepassingsbereik van
die
wet een verruimde versie van artikel 6:22
opgenomen. Thans wordt voorgesteld deze
verruimde versie voor het gehele
bestuursrecht in te voeren. Daardoor
zullen geschillen vaker definitief
kunnen worden beslecht.
Dit heeft
nog een ander voordeel. De
bestuursrechter en het bestuursorgaan
die zo’n klein materieel gebrek willen
passeren, zijn thans geneigd om te doen
of het bestreden besluit helemaal geen
gebrek kent teneinde aldus het
(administratief) beroep ongegrond te
kunnen verklaren. Deze neiging op haar
beurt bevordert verhullend taalgebruik
en werkt bovendien nodeloos
conflictopwekkend voor de partij die in
de gaten heeft dat een door hem
aangevoerd gebrek in de uitspraak of de
beslissing op administratief beroep
wordt "weggepoetst". Artikel 6:22 in
de thans voorgestelde formulering draagt
bij aan een beter inzicht in de
redenering van de bestuursrechter of het
bestuursorgaan.
1.
Kamerstukken II 2004-2005, 29 279, nr.
16 (herdruk), blz. 5-6.
2. Vergelijk N.M. van Waterschoot,
"Het door de vingers zien van
gebreken die de materiële inhoud niet
raken", JBPlus 2002, blz. 181-194.
Overigens
bevat artikel 6:22 een bevoegdheid - en dus geen verplichting
- om de
schending van vormvoorschriften te
passeren. Een reden om deze bepaling
niet toe te passen, kan zijn gelegen in
het essentiële of fundamentele karakter
van de geschonden norm. De
bestuursrechter kan bijvoorbeeld ook
kiezen voor vernietiging van het
bestreden besluit als is gebleken dat
het bestuursorgaan bepaalde
vormvoorschriften bewust heeft
genegeerd.
Het
passeren van het verzuim - en het in
aansluiting daarop ongegrond verklaren
van het beroep - betekent voorts niet
dat de belanghebbende met de
proceskosten blijft zitten. In zoverre
zij verwezen naar artikel
8:74, tweede
lid (griffierecht), en artikel
8:75,
eerste lid (overige proceskosten), die
gegrondverklaring van het beroep
uitdrukkelijk niet als voorwaarde
stellen.¹ Als blijkt dat een causaal
verband bestaat tussen het gepasseerde
gebrek en het beroep - met andere
woorden: dat het gepasseerde gebrek een
reden was om beroep in te stellen -,
schroomt de bestuursrechter niet om het
bestuursorgaan te veroordelen tot
vergoeding van griffierecht en andere
proceskosten.²
In de
literatuur en door de Raad van State
is
het standpunt naar voren gebracht dat
artikel 6:22 voor bezwaar en
administratief beroep eigenlijk
overbodig is, omdat in deze procedures
het besluit kan worden herroepen en in
het vervolgens opnieuw te nemen besluit
de vormverzuimen kunnen worden hersteld
(artikelen 7:11 en
7:25 Awb). Toch is
ervoor gekozen het artikel ook voor deze
bestuurlijke voorprocedures te
handhaven. Het is belangrijk dat
partijen beseffen dat in de bestuurlijke
voorfase procedurele fouten kunnen
worden gepasseerd, zodat het op louter
formele gronden aanvechten van een
besluit niet altijd zinvol is.
1. Zie
ook PG Awb II [parlementaire
geschiedenis van de tweede
tranche van de Awb, red.], blz. 481.
2. Voorbeelden: CBb
23 mei 1995, JB 1995/177, en CRvB
22 januari 2004, JB 2004/130.
3.4.
De hoorplicht in bestuursrechtelijke
procedures (artikelen 7:3, 7:17 en 9:10)
Artikel 7:2 regelt dat degene die een
bezwaarschrift heeft ingediend de
gelegenheid moet krijgen om over zijn
bezwaar te worden gehoord. De artikelen
7:16, eerste lid, en 9:10, eerste lid,
regelen hetzelfde voor respectievelijk
het administratief beroep en de interne
klachtprocedure. Deze "hoorplicht" is
een belangrijk onderdeel van de
procedure in bezwaar en administratief
beroep en van de klachtprocedure. Daarom
worden de uitzonderingen op deze
hoorplicht - de artikelen
7:3, 7:17 en
9:10, tweede lid - in de rechtspraak
restrictief uitgelegd.
Deze
benadering kan in haar algemeenheid
worden onderschreven. Op één punt is
de rechtspraak echter té restrictief,
namelijk als het gaat om hantering van
de zogenoemde "antwoordkaartmethode".
Veel bestuursorganen - vooral grote
"beschikkingenfabrieken" zoals het UWV
[Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
red.] - sturen de rblz.|16|
indiener van een
bezwaarschrift gewoonlijk een brief
waarin deze wordt gewezen op zijn recht
om te worden gehoord, met het verzoek
door middel van het retourneren van een
bijgevoegde gefrankeerde antwoordkaart
of telefonisch binnen een bepaalde
termijn aan te geven of hij van dit
recht gebruik wenst te maken. Indien
betrokkene niet binnen de gestelde
termijn reageert, gaat het
bestuursorgaan ervan uit dat deze geen
prijs stelt op een hoorzitting.
Dit
laatste is volgens vaste jurisprudentie
niet toegestaan. Volgens vaste
rechtspraak van zowel de ABRvS
als de
CRvB
mag het recht om te worden gehoord
niet afhankelijk worden gesteld van
enige niet in de wet voorziene
formaliteit, zelfs niet van het
terugsturen van een antwoordkaart.¹ Dit
betekent in de praktijk dat
bestuursorganen ook voor belanghebbenden
die niet op de uitnodiging reageren een
hoorzitting moeten organiseren, met het
risico op onnodig tijdverlies als
vervolgens geen van de belanghebbenden
komt opdagen. Overigens zijn naar
aanleiding van deze jurisprudentie
sommige wetten
gewijzigd, om de "antwoordkaartmethode" te legaliseren;
zie bijvoorbeeld artikel 128
Werkloosheidswet en artikel 113
Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen.
Naar mijn
oordeel kan van burgers in redelijkheid
wel worden gevergd dat zij aangeven of
zij gebruik willen maken van de
gelegenheid om te worden gehoord.
Voorgesteld wordt daarom om in de wet
uitdrukkelijk te bepalen dat van het
horen mag worden afgezien indien de
indiener van het bezwaar-, beroep- of
klaagschrift niet binnen een daartoe
gestelde redelijke termijn heeft
aangegeven of hij van de uitnodiging
gebruik wil maken.
1. ABRvS
3 maart 2004, AB 2004, 252 m.nt. NV,
ABRvS 8 juni 2005, AB 2005, 310 m.nt. NV
en CRvB 4
juli 2003, JB 2003/268.
3.5.
Een "grote kamer" (artikel
8:10a)
Thans behandelen de verschillende
bestuursrechters zaken in een
enkelvoudige kamer dan wel een
meervoudige kamer van drie leden. Ik
meen dat daarnaast voor een beperkt
aantal zaken behoefte bestaat aan een
"grote kamer" van vijf leden. Hiervoor
bestaan drie argumenten.
Ten
eerste zijn de zojuist genoemde colleges
onderverdeeld in organisatorische
eenheden (enigszins verwarrend ook wel
"kamers" genoemd). Zo heeft de
ABRvS een kamer voor ruimtelijke
ordeningszaken, één voor milieuzaken,
één voor vreemdelingenzaken en één
voor hoger beroep en overige zaken. Het
kan echter voorkomen dat een rechtsvraag
op het terrein van meer dan één kamer
speelt. Behandeling van een zaak door
een grote kamer met leden die afkomstig
zijn uit de verschillende betrokken
kamers (in de zin van organisatorische
eenheden) kan dan een goede manier zijn
om de rechtseenheid binnen het college
te bewaren. Ten tweede kan een
dergelijke grote kamer ook worden benut
voor het bewaken van de rechtseenheid
tussen de verschillende hoogste
bestuursrechters, doordat leden van de
verschillende colleges regelmatig tevens
plaatsvervanger zijn in één van de
andere colleges.
Ten derde
maakt het gegeven dat een uitspraak is
gedaan door een grote kamer, juist omdat
dit slechts bij uitzondering zal
gebeuren, aan de rechtspraktijk en de
verdere buitenwereld onmiddellijk
duidelijk dat het college zelf de zaak
als belangrijk en de uitspraak ook voor
andere zaken als richtinggevend
beschouwt. Thans is niet altijd
duidelijk of een uitspraak die afwijkt
van eerdere uitspraken een nieuwe
koers inhoudt of slechts verband houdt
met de bijzonderheden van het
voorliggende geval. Door duidelijker te
onderscheiden tussen zaken met belang
voor de rechtsontwikkeling en "gewone"
zaken kan de hogerberoepsrechter zijn
rechtsvormende taak op een meer
transparante wijze uitoefenen. Diverse
internationale rechtscolleges (zoals het
Hof van Justitie van de Europese Unie en
het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens [EHRM,
red.]) en buitenlandse hoogste
bestuursrechters (zoals de Franse
Conseil d'État) maken op deze wijze
gebruik van het instrument van een
"grote kamer".
rblz.|17|
In welke
gevallen een "grote kamer" wordt
ingezet, wordt aan de betrokken
rechterlijke colleges overgelaten. Er
mag echter van worden uitgegaan dat het
om betrekkelijk weinig gevallen zal
gaan; anders zou het "speciale"
karakter van de grote kamer ook weer
verloren gaan. Mede hierdoor is het
beslag op de zittingscapaciteit en
daardoor het effect op de doorlooptijden
van de invoering van een grote kamer te
verwaarlozen.
3.6.
Conclusies in de bestuursrechtspraak
(artikel 8:12a)
In het kader van de behandeling van een
cassatieberoep door de HR [Hoge
Raad, red.] moet (in
burgerlijke en strafzaken) of kan (in
belastingzaken) de procureur-generaal of
een advocaat-generaal een conclusie
nemen. Een conclusie is een
onafhankelijk, openbaar en met redenen
omkleed advies aan de rechter over een
in de zaak te nemen beslissing. Deze
vorm van advisering vormt ook een
onderdeel van de procedure bij het Hof
van Justitie van de Europese Unie en bij
een aantal buitenlandse hoogste
bestuursrechters (zoals de Franse
Conseil d’Etat).
Onomstreden
is dat conclusies bijdragen aan de
inhoudelijke kwaliteit van rechtspraak
in het algemeen en rechtsvorming door de
rechter in het bijzonder. Een conclusie
biedt meer mogelijkheid dan de
rechterlijke uitspraak zelf om het te
beslechten geschil te plaatsen in het
bredere verband van de
rechtsontwikkeling. Ook kan een
conclusie aandacht besteden aan
verschillende mogelijke antwoorden op de
voorliggende rechtsvraag en de daarbij
behorende argumenten. Daardoor is de
rechter zo breed mogelijk geïnformeerd
als hij zijn oordeel moet vellen en
wordt het proces van wikken en (tegen
elkaar af)wegen voor partijen en derden
inzichtelijker. Een conclusie kan mede
de functie vervullen die in common
law-landen en bij het Europese Hof voor de
Rechten van de Mens wordt vervuld door
dissenting en concurring opinions van
rechters.
Conclusies
kunnen voorts bijdragen aan de
rechtseenheid, doordat daarin ook
aandacht kan worden besteed aan de
jurisprudentie van andere hoogste
rechters. Zo is denkbaar dat één van
de bestuursrechtelijke colleges in een
zaak waarin een rechtsvraag rijst over
het opleggen van een bestuurlijke boete
behoefte heeft aan voorlichting over de
rechtspraak van de Hoge Raad
over een
vergelijkbare rechtsvraag in het
strafrecht.
Tegen
deze achtergrond hebben de ABRvS, de
CRvB
en het
CBb
ervoor gepleit om ook bij
deze drie colleges de mogelijkheid tot
het nemen van conclusies in belangrijke
zaken te bieden. Wij achten deze
suggestie waardevol en hebben daarom in
het onderhavige wetsvoorstel een
regeling van deze strekking opgenomen.
Het nemen
van conclusies is voor de
bestuursrechtspraak, buiten het
belastingrecht waar het is ingebed in de
specifieke context van de
cassatieprocedure, een nieuw fenomeen
waarmee nog ervaring moet worden
opgedaan. Daarom wordt vooralsnog
volstaan met een summiere regeling. De
mogelijkheid om een conclusie te vragen,
is beperkt tot zaken die in behandeling
zijn bij een meervoudige of grote kamer.
Voor zaken die enkelvoudig kunnen worden
afgedaan, zal aan een conclusie geen
behoefte bestaan. Het is echter ook
zeker niet de bedoeling van de drie
colleges dat in alle zaken die
meervoudig worden behandeld een
conclusie zal worden uitgebracht. Voor
het vragen van een conclusie zal
doorgaans slechts aanleiding zijn als in
een zaak een belangrijke rechtsvraag
rijst die van belang is voor de
rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Dit doet zich maar in een beperkt aantal
zaken per jaar voor. Daardoor zal het
invoeren van de conclusie ook nauwelijks
tot vertraging bij de behandeling van
zaken leiden.
De
conclusie kan worden genomen door een
lid van één van de drie
bestuursrechtelijke colleges. Aldus is
gewaarborgd dat de conclusie wordt
genomen door een persoon die voldoet aan
de benoemingsvereisten voor rblz.|18|
een hoog
rechterlijk ambt en over de vereiste
deskundigheid op het gebied van de
bestuursrechtspraak beschikt.
De
gekozen formulering laat de mogelijkheid
open dat een persoon uitsluitend voor
het nemen van conclusies in één van de
colleges wordt benoemd. Veelal zal het
dan gaan om een benoeming tot staatsraad
in buitengewone dienst, omdat door het
beperkte aantal zaken het nemen van
conclusies geen volledige dagtaak zal
zijn. Langs deze weg kan ook een
samenwerking tot stand worden gebracht
tussen de drie betrokken colleges en het
parket bij de Hoge Raad. Door één of
meer leden van het parket te benoemen
tot staatsraad in buitengewone dienst,
uitsluitend met het oog op het nemen van
conclusies in bestuursrechtelijke zaken,
kan een belangrijke bijdrage worden
geleverd aan het bewaken van de
rechtseenheid, in het bijzonder daar
waar er belangrijke raakvlakken zijn
tussen rechtsgebieden waarop de Hoge
Raad de hoogste rechter is en
rechtsgebieden waarop de drie
bestuursrechtelijke colleges in hoogste
instantie oordelen.
3.7.
Het relativiteitsvereiste in het
bestuursrecht (artikel 8:69a)
3.7.1. Het
probleem en het debat daarover
In het privaatrecht verplicht een
onrechtmatige daad slechts tot
vergoeding van de daardoor veroorzaakte
schade indien de geschonden rechtsnorm
strekt tot bescherming van eiser tegen
schade zoals hij die heeft geleden (artikel
6:163 BW). Deze regel wordt ook wel
aangeduid als het relativiteits- of
Schutznormvereiste.
Het
bestuursrecht kent geen
relativiteitsregel. Weliswaar kan
slechts beroep worden ingesteld door
degene wiens belang rechtstreeks bij het
bestreden besluit is betrokken (artikel
8:1, eerste lid, juncto artikel
1:2,
eerste lid), maar dit is slechts een
toegangsdrempel. Hierbij komt nog dat
het begrip "belang" hier feitelijk
moet worden opgevat. Een te verwachten
feitelijke benadeling als gevolg van (de
effectuering van) het bestreden besluit
is voldoende om de eisende partij aan te
merken als belanghebbende. Deze
benadering werd reeds vóór de
inwerkingtreding van de Awb
gevolgd door
de bestuursrechtspraak; de Awb-wetgever
heeft deze benadering aanvankelijk
nadrukkelijk omarmd.¹ In het verlengde
hiervan geldt, volgens vaste
jurisprudentie, dat een belanghebbende
zich mag beroepen op elke rechtsregel
waarmee het bestreden besluit volgens
hem in strijd komt.
Eén en
ander betekent dat geen verband hoeft
bestaan tussen een beroepsgrond en de
daadwerkelijke (of: achterliggende)
reden om een besluit in rechte aan te
vechten en dus ook dat de
bestuursrechter soms een besluit moet
vernietigen wegens schending van een
rechtsregel die niet strekt tot
bescherming van een belang waarin de
eisende partij feitelijk dreigt te
worden geschaad. Denk hierbij onder meer
aan de bewoners van een villawijk die
zich verzetten tegen een besluit tot
vestiging van een woonwagenkamp in de
directe omgeving van deze wijk, met het
argument dat de woonwagenbewoners te
veel
geluidsoverlast ondervinden van een
nabijgelegen zwembad of spoorlijn.² Een
ander illustratief voorbeeld betreft de
ondernemer die opkomt tegen de
bouwvergunning voor realisering van een
supermarkt uit vrees voor daling van
zijn omzet/winst, met het argument dat
realisering van het bouwplan leidt tot
verslechtering van de luchtkwaliteit ter
plaatse.³
1.
Kamerstukken II 1990-1991, 21 221, nr.
8.
2. ABRvS
19 maart 2003, AB 2003, 191 m.nt. deG.
3. ABRvS 5 april 2006, AB 2006, 183,
m.nt. A.G.A. Nijmeijer onder AB 2006,
184.
De ooit
gemaakte keuze om in het geheel geen
relativiteitsregel te formuleren, roept
de vraag op of rechtsbescherming mede is
bedoeld voor toetsing van besluiten aan
rechtsregels die niet zijn geschreven
voor degene die zich erop beroept, met
andere woorden: of het gevaar van
oneigenlijk gebruik van
beroepsprocedures dreigt. Over deze
vraag is de laatste jaren in de
rechtsgeleerde literatuur een uitvoerig
debat gevoerd. rblz.|19|
Daarin hebben sommigen
genoemde vraag bevestigend beantwoord,¹
anderen ontkennend.² De voorstanders
van invoering van een
relativiteitsvereiste wijzen erop dat de
moderne bestuursrechtspraak niet zozeer
strekt tot toezicht op rechtmatigheid
van overheidshandelen, maar veeleer tot
rechtsbescherming van individuen;
verwezen zij naar paragraaf
3.1 van
deze toelichting. De tegenstanders
brengen hiertegen in dat een ieder wiens
belang feitelijk rechtstreeks bij een
besluit is betrokken aanspraak maakt op
een in alle opzichten rechtmatig
besluit. In hun visie behoeven de
villabewoners uit het zojuist
aangehaalde voorbeeld niet te dulden dat
bijvoorbeeld hun woningen in waarde
verminderen door een onrechtmatig
besluit, ook niet als deze
onrechtmatigheid slechts schuilt in de
schending van een voorschrift dat niet
strekt tot bescherming van de
vermogensbelangen van de villabewoners.
1. O.m.
S. Pront-van Bommel,
"Bestuursprocesrecht" (diss.
UvA), Den Haag: BJu 2002, M. Scheltema
en M.W. Scheltema,
"Gemeenschappelijk recht,
Deventer": Kluwer 2003, M.
Schreuder-Vlasblom, "Kroniek
Bestuursprocesrecht", NTB 2003,
blz. 175-193, B.J. Schueler, "Het
zand in de machine" (oratie UvA),
Deventer 2003, R.J.N. Schlössels,
"De belanghebbende", Deventer:
Kluwer 2004, N. Verheij, "Uit
zuinigheid naar relativiteit", in:
A.W. Heringa e.a. (red.), "Het
bestuursrecht beschermd" (liber
amicorum F.A.M. Stroink), Den Haag: BJu
2006, blz. 99-112, B.J. Schueler,
"Tussen te veel en te weinig.
Subjectivering en finaliteit in de
bestuursrechtspraak", preadvies
Vereniging voor Bouwrecht 2009, B.J. van
Ettekoven, "Bestuursrechtspraak
voor Jan & Alleman? Op weg naar een
stelsel van subjectieve
rechtsbescherming", preadvies
Vereniging voor Bouwrecht 2009.
2. O.m. J.C.A. de Poorter, "De
belanghebbende" (diss. Tilburg),
Den Haag 2003), S. Zijlstra, "De
toekomst van de rechtsbescherming",
NTB 2003, blz. 158-167, G.T.J.M.
Jurgens, "Relativiteit in het
bestuursrecht" (oratie UU 2004, nog
niet gepubliceerd) en B.W.N. de Waard,
"Relativiteit en
rechtsbescherming", NTB 2007, 2,
J.C.A. de Poorter, "Doel en functie
van de toegang tot de bestuursrechter:
bespiegelingen over ontwikkelingen in
het bestuursprocesrecht", preadvies
VAR Vereniging voor bestuursrecht 2010,
Den Haag: Bju 2010, G.T.J.M. Jurgens,
"De bestuursrechtelijke
relativiteitseis", preadvies VAR
Vereniging voor bestuursrecht 2010, Den
Haag: Bju 2010.
Het
zojuist beschreven debat heeft ertoe
geleid dat mijn ambtsvoorgangers
onderzoek hebben laten verrichten naar
de voor- en nadelen van invoering van
een relativiteitsvereiste in het
bestuursprocesrecht.¹ Dit onderzoek
heeft geresulteerd in een rapport van De
Poorter, De Waard, Marseille en Zomer
(hierna: "De Poorter c.s. 2004").²
Dit rapport is aan de Tweede Kamer
aangeboden.³ Vervolgens is aan de
Commissie wetgeving algemene regels van
bestuursrecht gevraagd (a) te adviseren
over de vraag of invoering van een
relativiteitsvereiste in enigerlei vorm
wenselijk is, (b) indien invoering
wenselijk wordt geacht, daarvoor op de
gebruikelijke wijze een voorontwerp uit
te brengen. Naar aanleiding van deze
adviesaanvraag heeft de Commissie enkele
malen beraadslaagd. Uiteindelijk is
gebleken dat binnen de Commissie geen
overeenstemming kan worden bereikt over
de vraag of ook in het bestuursrecht een
relativiteitsvereiste zou moeten gelden.
Daarom is afgezien van het uitbrengen
van een voorontwerp.³*
1.
Kamerstukken II 2003-2004, 29 279, nr.
16 (herdruk), blz. 7.
2. "Herijking van het
belanghebbendebegrip. Een
relativiteitsvereiste in het
Awb-procesrecht?", Den Haag 2004.
3. Kamerstukken II 2003-2004, 29 200 VI,
nr. 176.
3*. Het advies is te vinden op www.justitie.nl.
Eind 2007
heeft de Tweede Kamer de regering
gevraagd om een voorstel voor het
relativiteitsvereiste.¹ Naar aanleiding
daarvan heeft het kabinet aangekondigd
dat een dergelijk voorstel zou worden
opgenomen in het onderhavige
wetsvoorstel.² Vooruitlopend daarop is
inmiddels een relativiteitsvereiste
opgenomen in artikel 1.9 van de Crisis-
en herstelwet, voor zaken op het door
die
wet bestreken deelterrein van het
bestuursrecht.
1.
Motie-De Krom/Koopmans, Kamerstukken II
2007-2008, 29 385, nr. 14.
2. O.a. Kamerstukken II 2008-2009, 31
721, nr. 24, blz. 39.
3.7.2. De
omvang van het probleem
Uit onderzoek blijkt dat de problematiek
zich in de praktijk voornamelijk
manifesteert bij beroepen tegen
besluiten die zijn gericht tot een ander
dan de eisende partij. Anders gezegd: de
geadresseerden van het bestreden besluit
verwijzen zelden naar normen die niet
(mede) strekken tot bescherming van hun
belangen. Dit is een belangrijke
constatering, aangezien een groot deel
van het werk van de bestuursrechters
bestaat uit beslechting van
tweepartijengeschillen (met name op het
gebied van belastingheffing, sociale
zekerheid, toelating van vreemdelingen),
waarin besluiten worden getoetst die
zijn gericht aan de personen die
daartegen beroep hebben ingesteld.
Van de
bestuursrechters zijn het vooral de rechtbanken en de
ABRvS die zich
bezighouden met de beslechting van
meerpartijengeschillen; deze komen
vooral, maar niet uitsluitend, op het
gebied van het omgevingsrecht veel voor.
Het gaat dan om beroepen van omwonenden,
belangenorganisaties en concurrenten
e.d.. De Poorter c.s. 2004 concluderen
dat omwonenden en belangenorganisaties
zich in de meeste gevallen beroepen op
rechtsregels die (mede) strekken tot
bescherming van hun belangen. Voor
concurrenten lijkt dit echter anders te
liggen. Dit rechtvaardigt het vermoeden
dat - zeker procentueel gezien - slechts in een gering aantal
beroepszaken sprake is van een "relativiteitsprobleem". Kwantitatief
onderzoek bevestigt deze
veronderstelling. Volgens een ruwe
schatting speelt het "relativiteitsprobleem" voor de
rechtbanken rblz.|20|
momenteel bij 1 op de 250 zaken en bij de Afdeling
bestuursrechtspraak bij 1 op de 15
zaken.
Dit
vermoeden is echter geen reden om het
"relativiteitsprobleem" te negeren of
te bagatelliseren. De procedures waarin
dit probleem kan spelen, hebben namelijk
vaak betrekking op besluiten met
aanzienlijke economische of
maatschappelijke gevolgen voor veel
mensen en bedrijven. Het gaat bovendien
vaak om zaken die in de media aandacht
krijgen en daardoor van relatief grote
invloed zijn op het maatschappelijk
draagvlak voor het bestuursrecht. Vanuit
deze invalshoek bestaat voldoende
aanleiding tot het zoeken naar een
mogelijkheid om te voorkomen dat de
bestuursrechter moet overgaan tot
vernietiging van een besluit dat de
realisering van een project met grote
maatschappelijke betekenis mogelijk
maakt, wegens strijd met een wettelijk
voorschrift dat niet is geschreven om de
belangen van de eisende partij te
behartigen en te beschermen.
Dit past
in het streven naar een slagvaardiger
bestuursprocesrecht, waarin geschillen
vaker definitief worden beslecht. Het
tegenargument dat een burger onder alle
omstandigheden recht heeft op een in
alle opzichten rechtmatig besluit
spreekt ondergetekende niet aan.
Natuurlijk behoort het bestuur zich
altijd aan het recht te houden, maar
daaruit volgt niet dat iedere feitelijk
belanghebbende bij iedere
rechtsschending altijd aanspraak heeft
op vernietiging van het besluit door de
rechter. Er zijn ook andere middelen om
de rechtmatigheid van het bestuur te
bewaken, zoals bestuurlijk toezicht.
Rechtsbescherming door de rechter
behoort gewaarborgd te zijn voor wie
(beweerdelijk) in zijn rechtspositie is
aangetast, maar niet iedere schending
van een rechtsregel is automatisch een
aantasting van de rechtspositie van
iedere belanghebbende.
3.7.3. De
voorgestelde wijziging
De formulering van het voorgestelde
artikel 8:69a is zakelijk gelijk aan die
van artikel 1.9 van de Crisis-
en herstelwet. Daaruit en uit de keuze voor
artikel 8:69a kan worden afgeleid dat
gekozen is voor een
relativieteitsvereiste dat niet werkt
als een ontvankelijkheidsdrempel, maar
slechts als een middel dat, nadat
appellant als belanghebbende is
aangemerkt, de toetsing door de rechter
kan beperken.
Voorts is
gekozen voor een variant van het
relativiteitsvereiste die "strikt" is
in die zin dat de bestuursrechter zo
nodig moet vaststellen wat het
beschermingsbereik is van de norm die
(beweerdelijk) geschonden is en niet
slechts wat het globale doel is van het
regelcomplex waartoe de norm behoort. Zo
komt de meer principiële gedachte
achter het relativiteitsvereiste het
beste tot uitdrukking.
Anderzijds
is er, net als in de Crisis-
en herstelwet, voor gekozen te bepalen dat
de bestuursrechter slechts van
vernietiging kan en moet afzien indien
de geschonden rechtsnorm kennelijk - dat wil zeggen: evident
- niet strekt
tot bescherming van de belangen van
degene die zich erop beroept. Dit komt
tegemoet aan het bezwaar dat het soms
niet eenvoudig is om het
beschermingsbereik van een norm vast te
stellen en dat een relativiteitsvereiste
daarom veel extra werk voor de rechter
zou meebrengen. Het voorkomt ook dat bij
normen van Europese oorsprong regelmatig
prejudiciële vragen aan het Hof van
Justitie van de Europese Unie moeten
worden gesteld, hetgeen een aanzienlijke
vertraging van de procedure kan
meebrengen. In deze variant zal het
relativiteitsvereiste naar verwachting
slechts een bescheiden extra werklast
voor de rechter met zich brengen.
Bovendien zal op het tijdstip van
inwerkingtreding van het onderhavige
wetsvoorstel de nodige jurisprudentie
over de Crisis- en herstelwet
beschikbaar zijn, waarin het
beschermingsbereik van een aantal
belangrijke bestuursrechtelijke normen
reeds is uitgekristalliseerd.
Er is
voorts voor gekozen om het
relativiteitsvereiste slechts in te
voeren voor de fase van het beroep bij
de rechter en niet ook voor de fase van
rblz.|21|
het bezwaar. Beslissen op bezwaar heeft
een wezenlijk ander karakter dan
rechtspraak. Tijdens de bezwaarfase ligt
de nadruk niet slechts op
rechtsbescherming van belanghebbenden,
maar ook op kwaliteitsverhoging van
besluitvorming. Het gaat niet alleen om
onderzoek naar geschonden individuele
belangen (rechtmatigheidstoetsing "ex
tunc"), maar ook om onderzoek naar
aspecten die nog niet bij de eerdere
belangenafweging waren betrokken
(volledige heroverweging "ex nunc").
Beslissen op bezwaar is een vorm van
bestuur en niet van rechtspraak. Daarom
mag het bestuursorgaan zich in de
beslissing op bezwaar niet beperken tot
het bespreken van de bezwaargronden; het
moet in volle omvang bezien of het
primaire besluit nog steeds juridisch
houdbaar en beleidsmatig wenselijk is.¹
In het
zojuist beschreven stelsel past geen
relativiteitsregel, want in dat geval
kan van een volledige heroverweging geen
sprake zijn. Bovendien zou het ongerijmd
zijn om het bestuursorgaan enerzijds te
verplichten tot het onderzoeken van
aspecten die niet met zoveel woorden
door de bezwaarmaker zijn aangeroerd,
maar anderzijds te verbieden om daarbij
bepaalde rechtsregels - die de
belangen van de bezwaarmaker niet beogen
te beschermen - buiten beschouwing te
laten.
Bij dit
alles komt nog dat de
bezwaarschriftprocedure een belangrijk
instrument is om de gemaakte
bestuurlijke keuze te verduidelijken, om
daarvoor een zo breed mogelijk draagvlak
te creëren en om indien enigszins
mogelijk te streven naar een minnelijke
oplossing.² Deze filterfunctie - en
daarmee de toegevoegde waarde van de
bezwaarschriftprocedure - komt onder
druk te staan als het bestuursorgaan
wordt belast met juridische debatten
over de vraag of een bepaald argument
bij de heroverweging van het primaire
besluit mag worden betrokken.³
1. ABRvS
2 mei 2007, AB 2007, 263.
2. K.H. Sanders, "De heroverweging
getoetst" (diss. RUG), Deventer
1998, blz. 81-82.
3. Vgl. L.M. Koenraad, G.A.L. van
Schijndel, "Raadsleden en
bezwaar", Gst. 2005, 40).
3.7.5.
Europees en internationaal recht
3.7.5.1.
Europees recht
Diverse
schrijvers betwijfelen ¹ of - en
sommige betwisten ² zelfs dat - het
relativiteitsvereiste zich verdraagt met
het recht van de Europese Unie, in het
bijzonder met de daaruit voortvloeiende
eis van een effectieve
rechtsbescherming. Ook bij de
parlementaire behandeling van de Crisis-
en herstelwet is daarover uitvoerig
gediscussieerd.
1. O.m.
Ch. Backes in zijn noot onder HvJEG 7
september 2004, AB 2004, 365, en S.
Prechal, R.H. van Ooik, J.H. Jans, K.J.M.
Mortelmans, "Europeanisation of the
law: consequences for the Dutch
judiciary", Den Haag 2004.
2. Bijvoorbeeld J.H. Jans,
"Doorgeschoten? Enkele opmerkingen
over de gevolgen van de Europeanisering
van het bestuursrecht voor de
grondslagen van de
bestuursrechtspraak" (oratie
Groningen), Groningen 2005, blz. 6.
Naar mijn
oordeel komt de invoering van een
relativiteitsvereiste op zichzelf niet
in strijd met het Europees recht.
Hierbij moet wel worden opgemerkt dat
veel Europeesrechtelijke bepalingen een
ruim toepassingsbereik hebben, met
andere woorden: strekken tot bescherming
van een groot aantal belangen, althans de
belangen van een omvangrijke groep
(rechts)personen.¹ Deze redenering
correspondeert met de uitleg die door
R.J.G.M. Widdershoven ² en A.J.C. de
Moor-van Vugt ³ is gegeven aan
jurisprudentie van het Europese Hof van
Justitie (HvJEU). Het
relativiteitsvereiste als zodanig kan op
Europeesrechtelijke normen worden
toegepast, mits met inachtneming van het
vaak ruime beschermingsbereik van deze
normen.³*
1. In
deze zin ook o.m. De Poorter c.s. 2004.
2. O.m. in zijn noot onder HvJEG 12
oktober 2004, AB 2005, 17.
3. O.m. in haar noot onder HvJEG 13
januari 2005, AB 2005, 118.
3*. In deze zin ook: R.P.B.A. Dingemans,
R.J.G.M. Widdershoven, "De
Schutznormleer in communautair
perspectief: het Duitse debat", NTB
2005, 46; B.J. Schueler, "Tussen te
veel en te weinig. Subjectivering en
finaliteit in de
bestuursrechtspraak", preadvies
Vereniging voor Bouwrecht 2009.
3.7.5.2.
Verdrag van Århus
Naar
het oordeel van ondergetekende staat
invoering van een relativiteitsregel
evenmin op gespannen voet met het
Verdrag van Århus (Trb. 1998, 289
(Engels/Frans); Nederlandse vertaling in
Trb. 2001, 73), hierna ook wel aan te
duiden als "het verdrag". Artikel 9,
tweede lid, van het verdrag eist - kort gezegd -
dat "leden van het betrokken
publiek" met voldoende belang
desgewenst toegang krijgen tot een
onafhankelijke en onpartijdige rechter
die de materiële en formele
rechtmatigheid van "enig besluit,
handelen of nalaten vallend onder de
bepalingen van artikel 6" kan toetsen.
Artikel 6 bevat het recht op inspraak
bij de totstandkoming van besluiten,
zoals vergunningen, over het al dan niet
toestaan van bepaalde activiteiten.
rblz.|22|
Aan deze
algemene eis voldoet het Nederlandse
bestuursprocesrecht. Het is immers voor
belanghebbenden mogelijk om beroep (bij
de
rechtbank of de ABRvS) in te stellen
tegen besluiten met invloed op het
milieu. Het verdrag bevat geen bepaling
die uitdrukkelijk verplicht tot het
treffen van maatregelen die de rechter
in staat stelt om per definitie alle
door een eiser geponeerde stellingen te
bespreken (De Poorter c.s. 2004, blz.
91). Een dergelijke vergaande
verplichting evenmin [lees: valt
evenmin, red.] af te leiden uit de
"Implementation guide" bij en de
strekking van het verdrag. Wel wordt
erkend dat het Verdrag van Århus berust
op de veronderstelling dat voor een
effectieve handhaving van het objectieve
milieurecht een vrij ruime toegang tot
de bestuursrechter noodzakelijk is. Het
verdrag noopt er dus wel toe om
veiligheidshalve het beschermingsbereik
van milieuvoorschriften niet al te
beperkt op te vatten. In zoverre zij
verwezen naar hetgeen zojuist over de
reikwijdte van Europeesrechtelijke
bepalingen is gesteld. Er is echter geen
reden om aan te nemen dat het verdrag
zich in algemene zin tegen invoering van
een relativiteitsvereiste verzet.¹
1. Aldus
ook B.J. Schueler, "Tussen
te veel en te weinig. Subjectivering en
finaliteit in de
bestuursrechtspraak",
preadvies Vereniging voor Bouwrecht
2009.
3.8.
Proceseconomie in hoger beroep en verzet
(artikelen 8:10a, 8:55, 8:86 en 8:108)
3.8.1.
Enkelvoudige kamer in hoger beroep
Thans kan een zaak die de
rechtbank meervoudig heeft behandeld, in hoger
beroep niet naar een enkelvoudige kamer
worden verwezen (zie de artikelen 49
(39-oud), derde lid, Wet
RvS, 21, derde
lid, Beroepswet
en 22, derde lid, Wbbo).
Bij de introductie van de mogelijkheid
van hoger beroep in het belastingrecht
is deze beperking op advies van de Raad van State
niet overgenomen (Kamerstukken
II 2003-2004, 29 251, nr. 3, blz. 29).
De
gedachte achter deze beperking was dat
een zaak die in eerste aanleg meervoudig
is behandeld, als regel te complex zal
zijn voor enkelvoudige afdoening in
hoger beroep. Dit gaat echter niet in
alle gevallen op. Met enige regelmaat
doen rechtbanken zaken meervoudig af om
nieuwe rechters ervaring te laten opdoen
in een meervoudige kamer voordat deze in
een enkelvoudige kamer worden ingezet.
Verder is het denkbaar dat een zaak zijn
complexiteit na afdoening ervan door de
rechtbank verliest, doordat een partij
slechts een beperkt deel van het
oorspronkelijke geschil aan de
hogerberoepsrechter voorlegt.
Gelet op één en ander is het zuiverder om de
hogerberoepsrechter louter op grond van
de inhoud van de zaak zoals deze in
hoger beroep voorligt te laten
beoordelen of deze geschikt is voor
enkelvoudige afdoening. Wij stellen dus
voor om deze beperking voor het gehele
bestuursrecht te laten vervallen.
3.8.2.
Kortsluiting in hoger beroep (artikel
8:86)
Artikel 8:86 geeft de
voorzieningenrechter de bevoegdheid om
na de behandeling ter zitting van een
verzoek om voorlopige voorziening tevens
uitspraak te doen op het beroep ten
gronde indien nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de
beoordeling van de zaak. Dit wordt in de
wandeling "kortsluiting" genoemd en
komt veel voor.
In hoger
beroep kan een zaak thans slechts worden
"kortgesloten" indien zij in eerste
aanleg is behandeld door een
enkelvoudige kamer (zie de artikelen 49
(39-oud), eerste lid, Wet
RvS, 21,
eerste lid, Beroepswet
en 22, eerste
lid, Wbbo. Ook deze beperking
- die
voor het hoger beroep in belastingzaken
niet geldt - berust op de
veronderstelling dat een zaak die in
eerste aanleg meervoudig behandeld is
te complex zal zijn om te worden "kortgesloten". Zoals
in paragraaf 3.8.1
uiteengezet, gaat deze veronderstelling
niet altijd op. Daarom wordt voorgesteld
deze beperking te laten vervallen.
rblz.|23|
Indien
een bestuursrechter in eerste en enige
aanleg bevoegd is, heeft de
voorzieningenrechter voor kortsluiting
de toestemming van partijen nodig (zie
bijvoorbeeld artikel 46 (36-oud), eerste
lid, Wet
RvS, 17, eerste lid, Beroepswet en 19, eerste lid,
Wbbo). De
achtergrond van dit verschil is dat in
dergelijke gevallen de zaak niet eerder
in volle omvang is behandeld, terwijl
tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter in deze gevallen
ook geen hoger beroep meer openstaat.
Mede op advies van de Raad van State
is
dit toestemmingsvereiste daarom
gehandhaafd; het is thans opgenomen in
het voorgestelde artikel
8:86, tweede
lid.
3.8.3.
"Kortsluiting" na verzet
Als de bestuursrechter een beroep buiten
zitting afdoet omdat het kennelijk
niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond
of kennelijk gegrond is, dan wel de
bestuursrechter kennelijk onbevoegd is (artikel
8:54), staat daartegen verzet open (artikel
8:55). De indiener van het verzetschrift
wordt daarover gehoord indien hij
daarom heeft gevraagd (artikel
8:55, derde
lid). Indien het verzet gegrond is,
vervalt de uitspraak waartegen verzet is
gedaan en wordt de behandeling van het
beroep voortgezet. Dit betekent in de
praktijk dat dan vervolgens alsnog een
zitting moet worden belegd.
De
Commissie verbetervoorstellen
bestuursrecht van de Raad voor de
rechtspraak heeft erop gewezen dat het
voorkomt dat bij het horen van de
indiener over zijn verzetschrift blijkt
dat het verzet gegrond is - bijvoorbeeld omdat de overschrijding van
de beroepstermijn bij nader inzien
verschoonbaar is -, maar tevens
volstrekt duidelijk wordt hoe de
beslissing op het beroep zal moeten
luiden. Het alsnog beleggen van een
zitting heeft dan geen toegevoegde
waarde, maar leidt wel tot vertraging.
Onder omstandigheden zou het doelmatig
zijn als het horen over het verzet en
de zitting zouden kunnen worden
gecombineerd, uiteraard onder handhaving
van uit een oogpunt van hoor en
wederhoor noodzakelijke waarborgen. In
het onderhavige wetsvoorstel is deze
suggestie van de Commissie overgenomen;
zie het nieuwe artikel
8:55.
3.9.
Incidenteel hoger beroep (artikelen
8:110 tot en met 8:112)
De keuze voor rechtsbescherming als
primaire doelstelling van het
bestuursprocesrecht - zie paragraaf
3.1 van deze toelichting - brengt
met zich dat de omvang van het geschil
wordt bepaald door de gronden die de
indiener van het beroepschrift aanvoert.
Dit geldt ook in hoger beroep. Een
gevolg hiervan is dat de aangevallen
uitspraak slechts wordt beoordeeld aan
de hand van de gronden die de appellant
heeft aangevoerd. De wederpartij - soms ook wel aangeduid als "geïntimeerde"
- kan zich uiteraard
tegen de aangevoerde gronden verweren,
maar geen eigen gronden tegen de
uitspraak aanvoeren als deze niet zelf
tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
Een
voorbeeld kan dit verduidelijken.¹ Een
minister verleent subsidie aan een gemeente. Bij de definitieve
vaststelling van de subsidie ontstaat
een geschil. Volgens de gemeente acht de
minister vijf kostenposten ten onrechte
niet subsidiabel. De gemeente stelt
beroep in. De
rechtbank vernietigt het
bestreden besluit, met de kanttekening
dat de minister drie van de vijf posten
terecht niet subsidiabel heeft geacht.
Feitelijk worden beide partijen
gedeeltelijk in het gelijk gesteld. De
gemeente berust in de uitspraak van de
rechtbank om "van de zaak af te
zijn",
maar de minister stelt hoger beroep in.
De beroepsgronden van de minister hebben
uiteraard slechts betrekking op de twee
kostenposten die aanleiding waren om
zijn besluit te vernietigen.
Door het
hoger beroep van de minister blijft de
gemeente tegen haar zin betrokken bij
het geschil over de
vaststellingsbeschikking. Bovendien kan
de gemeente niets winnen maar wel
verliezen, terwijl de minister wel iets
kan winnen maar niets verliezen. Dit
probleem wordt klemmend als het rblz.|24|
hoger
beroep vlak vóór het verstrijken van
de daarvoor geldende termijn is
ingesteld. In dat geval heeft de
gemeente immers te weinig tijd om alsnog
een ontvankelijk hogerberoepschrift in
te dienen. De jurisprudentie staat wel
toe dat de gemeente eigen gronden
aanvoert als die zeer nauw samenhangen
met de door appellant aangevoerde
gronden, maar dit wordt maar zelden
aangenomen.²
Het
zojuist geschetste probleem kan worden
opgelost door een partij de bevoegdheid
te geven om naar aanleiding van het
hoger beroep van zijn wederpartij bij
verweerschrift alsnog ook zelf in hoger
beroep te komen. Dit wordt incidenteel
hoger beroep genoemd; het "gewone"
hoger beroep heet ook wel het principaal
hoger beroep. Het civiele procesrecht
kent deze mogelijkheid van incidenteel
hoger beroep al van oudsher; zie thans
artikel 339, derde lid, Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Sedert
2005 bestaat deze mogelijkheid ook in
het fiscaal procesrecht (zie het huidige
artikel 27m Awr). Zij bestaat voorts ook
in het Duitse en Franse
bestuursprocesrecht.³
1. Het
voorbeeld is ontleend aan het rapport
van de Commissie-Boukema,
"Toepassing en effecten van de
Algemene wet bestuursrecht
1997-2001", Den Haag 2002, blz. 37.
2. ABRvS
20 augustus 1998, JB 1998, 208.
3. P.A. Willemsen, "De grenzen van
de rechtsstrijd in het
bestuursrechtelijk beroep en hoger
beroep in rechtsvergelijkend
perspectief" (diss. UU), Deventer:
Kluwer 2005, respectievelijk blz. 299 en
285.
In het
kader van de tweede evaluatie van de
Awb is onder meer
onderzoek gedaan naar de ervaringen met
het hoger beroep in het bestuursrecht.¹
Op basis van dit onderzoek heeft de
Commissie Evaluatie Algemene wet
bestuursrecht II (commissie-Boukema)
aanbevolen om een vorm van incidenteel
hoger beroep mogelijk te maken.² Later
heeft ook de Commissie Rechtsbescherming
van de Vereniging voor Bestuursrecht VAR
de invoering van de mogelijkheid van
incidenteel hoger beroep bepleit.³ In
de nota "Naar een slagvaardiger
bestuursrecht" hebben de toenmalige
bewindslieden van Justitie en van
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties aangegeven positief
tegenover deze aanbeveling te staan.³*
Ik deel dit oordeel. Derhalve wordt in
het onderhavige wetsvoorstel voorgesteld
incidenteel hoger beroep mogelijk te
maken voor het gehele bestuursrecht.
Samengevat zijn daarvoor drie, in
elkaars verlengde liggende, argumenten:
1. De
processuele positie van de verwerende
partij in hoger beroep wordt versterkt.
Deze krijgt een "tegenaanvalswapen" in
handen.
2.
Daardoor is het instellen van hoger
beroep niet meer zonder risico; de
appellerende partij kan er door de
tegenaanval van zijn wederpartij ook op
achteruitgaan.
3. Dit
bevordert een zorgvuldige afweging van
de kansen en risico’s van een hoger
beroep en daarmee een weloverwogen
gebruik van dit rechtsmiddel.
1.
R.J.G.M. Widdershoven e.a., Algemeen
bestuursrecht 2001: hoger beroep, Den
Haag: BJu 2001.
2. "Toepassing en effecten van de
Algemene wet bestuursrecht
1997-2001", Den Haag 2002, blz. 39.
3. "De toekomst van de
rechtsbescherming tegen de
overheid", Den Haag 2004, blz. 118.
3*. Kamerstukken II 2004-2005, 29 279,
nr. 16H, blz. 7.
3.10.
De judiciële lus (artikel 8:113)
Indien de hogerberoepsrechter een
uitspraak van de bestuursrechter
vernietigt, doet hij wat de
rechtbank zou behoren te doen (artikel
8:113,
eerste lid). Dit kan betekenen dat de
hogerberoepsrechter het inleidend beroep
alsnog ongegrond verklaart (indien hij
oordeelt dat de rechtbank dit beroep ten
onrechte gegrond heeft verklaart), met
het gevolg dat het bestuursorgaan wordt
ontheven van zijn verplichting tot het
nemen van een nieuw besluit ter
vervanging van het vernietigde besluit (artikel
8:72, eerste lid).
De
vernietiging van een uitspraak van de
rechtbank kan echter ook leiden tot
gegrondverklaring van het inleidend
beroep (indien de hogerberoepsrechter
oordeelt dat de rechtbank het dit beroep
ten onrechte ongegrond heeft verklaard)
en vervolgens tot vernietiging van het
bestreden besluit (aangezien de
rechtbank dit - ingevolge artikel
8:72, eerste lid - had moeten doen)
en daarmee tot de verplichting van het
bestuursorgaan om alsnog een vervangend
besluit te nemen. Deze situatie heeft
tot gevolg dat nog geruime tijd
onduidelijkheid over de rechtspositie
van belanghebbenden ten opzichte van het
bestuursorgaan blijft bestaan. Want in
beginsel is het vervangende besluit
vatbaar voor beroep bij de rechtbank rblz.|25|
en tegen de uitspraak van de rechtbank kan
hoger beroep worden ingesteld.
Zo’n
hernieuwde behandeling in twee
instanties is niet altijd nodig, zeker
niet als het gaat om herstel van een
relatief klein gebrek of als er geen
geschil meer is over de feiten. Dan kan
zich de situatie voordoen dat
behandeling in twee instanties uit een
oogpunt van kwaliteit niet meer nodig is en uit een oogpunt van definitieve
beslechting van het geschil binnen een
redelijke termijn (zoals voorgeschreven
door artikel 6 EVRM) zelfs onwenselijk
is. Daarom hebben zowel (de Commissie
verbetervoorstellen bestuursrecht van)
de Raad voor de rechtspraak als de
Commissie Evaluatie Awb III (commissie-Ilsink)
gepleit voor de mogelijkheid van "sprongberoep" na vernietiging van een
uitspraak van de rechtbank. Tegen deze
achtergrond wordt in het onderhavige
wetsvoorstel voorgesteld een zogenaamde
"judiciële lus" mogelijk te maken.
Dit houdt
in dat de hogerberoepsrechter de
bevoegdheid krijgt om te bepalen dat
tegen het besluit van het bestuursorgaan
dat dient ter vervanging van het alsnog
vernietigde bestreden besluit slechts
beroep kan worden ingesteld bij de
hogerberoepsrechter zelf. Dit is een
bevoegdheid, geen verplichting. De
hogerberoepsrechter kan dus per geval
afwegen of een hernieuwde behandeling in
twee instanties uit een oogpunt van
rechtsbescherming nog toegevoegde waarde
heeft of dat de wenselijkheid van een
definitieve beslechting van het geschil
binnen een redelijke termijn zwaarder
moet wegen. Voor verlies van
rechtsbescherming behoeft dan ook niet
te worden gevreesd.
4.
Herverkaveling rechtsmacht
bestuursrechtspraak
4.1.
Inleiding
Zoals gezegd, bevat dit wetsvoorstel
tevens een beperkte herverkaveling van
de bevoegdheden van de ABRvS, de
CRvB en
het CBb. Deze herverkaveling is
aangekondigd in de brief van de
Ministers van Justitie en van
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van 28 april
2004.¹
De
voorgestelde wijzigingen houden in dat
enkele besluiten die thans in hoogste
ressort vallen onder de rechtsmacht van
de ABRvS, onder de bevoegdheid van de
CRvB of het
CBb worden gebracht. Met
deze beperkte "grenscorrecties" worden
enkele inconsistenties opgeheven die in
de loop der jaren in de
competentieverdeling zijn geslopen.
Aldus ontstaat een meer logische en
praktische afbakening van de
rechterlijke bevoegdheden, hetgeen
bijdraagt aan een grotere rechtseenheid.
1.
Kamerstukken II 2003-2004, 25 425, nr.
7, blz. 6.
4.2.
Overheveling van rechtsmacht naar de
Centrale Raad van Beroep
4.2.1. De
rechtsmacht van de Centrale Raad van
Beroep
Geschillen over besluiten die zijn te
kenschetsen als financiële
tweepartijengeschillen vormen reeds
sedert vele decennia de hoofdmoot van
het werkterrein van de CRvB. Het
werkterrein van de CRvB strekt zich uit
tot de behandeling van geschillen op het
terrein van het ambtenarenrecht,
pensioenwetgeving, wetgeving voor
oorlogsgetroffenen, de sociale zekerheid
en de studiefinanciering. In het
overgrote deel van deze geschillen
fungeert de CRvB als hogerberoepsrechter.
De regelingen waarover de CRvB in hoger
beroep oordeelt, zijn thans opgesomd in
de bijlage bij de
Beroepswet. Door
dit
wetsvoorstel zullen zij worden
overgebracht naar de artikelen 9 en 10
van de Bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb).
rblz.|26|
4.2.2.
Belangrijkste wijzigingen
In de
huidige bijlage bij de
Beroepswet ontbreken enkele regelingen die qua
onderwerp, kader, strekking en
toepasselijk recht sterke verwantschap
vertonen met regelingen die wel in de
bijlage zijn vermeld. Dit heeft tot
gevolg dat tegen besluiten die op de
niet in de bijlage vermelde regelingen
zijn gebaseerd hoger beroep openstaat
bij de ABRvS, terwijl juist de
CRvB ruime
expertise heeft op het desbetreffende
beleidsterrein. Derhalve wordt
voorgesteld om enkele regelingen onder
de rechtsmacht van de CRvB in hoger
beroep te brengen. Het beroep in eerste
aanleg bij de rechtbanken blijft
ongewijzigd. Dit betreft de volgende
regelingen (of onderdelen daarvan):
• het
Besluit
administratieve bepalingen inzake het
wegverkeer, hoofdstuk IV
(gehandicaptenparkeerkaarten);
• het Besluit
bovenwettelijke
werkloosheidsregeling voor
onderwijspersoneel primair en
voortgezet onderwijs;
• het Besluit
uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen 1999;
• het
Besluit van 20 juni 1984, houdende
vaststelling van een algemene maatregel
van bestuur regelende de vergoeding van
motorrijtuigenbelasting voor
oorlogsgetroffenen (Stb. 1984, 364);
• de Garantiewet
Surinaamse pensioenen;
• het
Reglement eenmalige uitkering
silicosevergoeding oud-mijnwerkers;
• de
Toeslagregeling pensioenen Suriname en
de Nederlandse Antillen;
• de Uitkeringswet
gewezen militairen;
• de Uitkeringswet
tegemoetkoming twee- tot vijfjarige
diensttijd veteranen;
• de Wet
invoering en financiering Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen: een
besluit van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
op grond van
artikel 2.6, eerste lid, en artikel 2.7a, eerste lid;
• de Wet
kinderopvang: de artikelen 29 en 30;
• de Wet
van 16 juli 2001 tot het stellen
van nadere regels in verband met
de introductie van een
toeslagregeling ter compensatie
van het gemis aan
overhevelingstoeslag per 1 januari
2001 ten aanzien van de Toeslagwet
Indonesische pensioenen 1956 en
enkele andere overzeese
pensioenwetten alsmede het
actualiseren van die wetten in
verband met de inwerkingtreding
van de Algemene nabestaandenwet
(Stb. 2001, 377);
• de Wet
verevening pensioenrechten bij scheiding;
• de Wet
op de jeugdzorg: een beschikking
gegeven op grond van artikel 5, tweede
lid, of artikel 6, vierde lid.
Voorts
wordt voorgesteld om de Tijdelijke
vergoedingsregeling psychotherapie
na-oorlogse generatie, die kan worden
aangemerkt als een regeling inzake
oorlogsgetroffenen, onder de rechtsmacht
van de CRvB
in eerste en enige aanleg te
brengen, zoals ook het geval is met de wetten
op dat terrein.
4.3.
Overheveling van rechtsmacht naar het
College van Beroep voor het
bedrijfsleven
4.3.1. De
rechtsmacht van het CBb
Het CBb is, naast zijn taak als rechter
voor de meeste besluiten en feitelijke
handelingen van de lichamen van de
publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie,
gespecialiseerd in rechtspraak over de
uitvoering van regelingen van
sociaaleconomische aard, dat wil zeggen
regelingen die economische ordening of
sturing dan wel kwaliteitsnormen voor rblz.|27|
producten behelzen. Van een regeling van
sociaaleconomische aard kan in het
algemeen ook worden gesproken als het
gaat om wettelijke voorschriften die
primair de uitoefening van beroepen of
bedrijven betreffen. Dit geldt niet voor
voorschriften die betrekking hebben op
het oprichten en in werking houden van
inrichtingen ten behoeve van bedrijf of
beroep zoals deze bijvoorbeeld in de
milieuwetgeving voorkomen.
Deze
algemene beschrijving van het
werkterrein van het CBb is als leidend
beginsel voor de bevoegdheidstoedeling
vastgelegd in de toelichting op aanwijzing 150 van de
Aanwijzingen
voor de regelgeving (Ar). In de meeste
gevallen heeft de wetgever,
overeenkomstig Ar 150, tweede lid,
besluiten op grond van één wet steeds
in hun geheel onder de rechtsmacht van
het CBb gebracht. In die gevallen is
duidelijk dat het CBb als
gespecialiseerde bestuursrechter
exclusief bevoegd is en dat er dus geen
beroep kan worden ingesteld bij de
"algemene" bestuursrechter (beroep in
eerste aanleg bij de
rechtbank en hoger
beroep bij de ABRvS). In gevallen waarin
dat niet zo is, dus met name indien in
een wet sprake is van een (niet-limitatieve) opsomming van besluiten die
tot de competentie van het CBb behoren,
zijn in de jurisprudentie wat betreft de
verhouding tussen de algemene
bestuursrechter en het CBb de volgende
vuistregels uitgekristalliseerd:
a. Indien
de in de wet gegeven opsomming van de
bij het CBb appellabele besluiten
kennelijk berust op de veronderstelling
dat daarmee alle besluiten zijn
bestreken die krachtens de
desbetreffende wet kunnen worden
genomen, dan wordt uitgegaan van een
zogenoemd "bloc de compétence" van
het CBb (de term is ontleend aan de
Franse bestuursrechtelijke literatuur).
Blijken er dan besluiten te bestaan
waaraan de wetgever niet heeft gedacht,
dan prevaleert de kennelijke bedoeling
om het CBb als bijzondere
bestuursrechter over de gehele linie
bevoegd te verklaren boven de functie
van de ABRvS (en de rechtbank in eerste
aanleg) als algemene rechter.
b. Gaat
daarentegen de wet zelf uit van een
onderscheid tussen enerzijds besluiten
die aan de rechtsmacht van het CBb zelf
worden onderworpen en anderzijds
besluiten die aan de rechtsmacht van een
andere bijzondere bestuursrechter worden
toebedeeld of kennelijk aan de algemene
bestuursrechter worden overgelaten, dan
is voor het aannemen van een "bloc de
compétence" geen plaats.
c. Het
gestelde onder b komt anders te liggen
indien binnen de wet een duidelijk
afgebakend deelterrein is aan te wijzen
waarop de wetgever kennelijk exclusieve
rechtsmacht aan het CBb heeft willen
toekennen. Dan geldt weer de regel onder
a: het CBb is bevoegd op grond van een
"bloc de compétence", voor zover het
dit deelterrein betreft.
4.3.2.
Belangrijkste wijzigingen
Gelet op de aard van het werkterrein van
het CBb wordt voorgesteld om vijf wetten
(volledig) onder de rechtsmacht van het
CBb te brengen: de Kaderwet
LNV-subsidies, de Landbouwkwaliteitswet,
de Wet
geneesmiddelenprijzen, de Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren (hoofdstuk VIIa) en de
Wet
ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme.
Deze
wetten behoren thans nog geheel of
gedeeltelijk tot de rechtsmacht van de
"algemene" bestuursrechter: de
rechtbank in eerste aanleg en de ARBS
als appelrechter en in één geval
(hoofdstuk VIIa van de Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren) tot de
rechtsmacht van de ABRvS
als rechter in
eerste en enige aanleg.
Het CBb fungeert meestal als bestuursrechter in
eerste en enige aanleg. Bij enkele
wetten is het CBb echter
hogerberoepsrechter, terwijl beroep in
eerste aanleg openstaat bij de rechtbank
Rotterdam. Het beroep in twee instanties
in deze wetten houdt in vrijwel alle
gevallen verband met de mogelijkheid om
deze wetten te handhaven door het
opleggen van een bestuurlijke boete.
Deze lijn - in beginsel beroep in
eerste en enige aanleg rblz.|28|
bij het
CBb en in
genoemde uitzonderingsgevallen hoger
beroep bij het
CBb - is ook
aangehouden bij de voorgestelde
competentieverdeling in de vijf wetten
die (volledig) onder de rechtsmacht van
het
CBb komen te vallen. Concreet
betekent dit dat in één van deze vijf
wetten - de Wet
geneesmiddelenprijzen - rechtspraak in twee instanties is
gehandhaafd. In één wet, te weten de Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren (hoofdstuk VIIa), is de bestaande
rechtspraak in één instantie
gehandhaafd. In de overige drie wetten
wordt het beroep in twee instanties
vervangen door beroep in één
instantie.
Voor
beroep in eerste aanleg wordt de
rechtbank te Rotterdam exclusief
bevoegd. Deze wijziging brengt de
aanwijzing van de bevoegde rechtbank in
overeenstemming met die in andere wetten
op het terrein van het sociaaleconomisch
bestuursrecht. Daar is steeds gekozen
voor concentratie bij de rechtbank te
Rotterdam (bijvoorbeeld artikel 93,
eerste lid, van de Mededingingswet
en
artikel 23 van de Warenwet). In lijn
hiermee is tevens de Wet
toezicht financiële verslaggeving in eerste
aanleg geheel onder de bevoegdheid van
de rechtbank Rotterdam gebracht, terwijl
nu alleen de hoofdstukken 4 en 5 van die
wet daaronder vallen.
Verder
wordt voorgesteld om
handhavingsbesluiten (besluiten tot het
opleggen van een last onder
bestuursdwang of een last onder dwangsom)
op het gebied van de Winkeltijdenwet
uitdrukkelijk onder de bevoegdheid van
het CBb
te brengen. Het gaat daarbij om
handhavingsbesluiten die niet hun
grondslag vinden in de Winkeltijdenwet
zelf, maar in artikel 125 van de Gemeentewet
onderscheidenlijk artikel
5:32 van de Awb.
Overeenkomstig de hierboven beschreven
maatstaven voor het "bloc de
compétence" wordt er in de
jurisprudentie van het CBb
reeds van
uitgegaan dat het CBb
ook bevoegd is
voor deze handhavingsbesluiten voor
zover het de handhaving betreft van een
wet die of een deelterrein in die wet
dat tot de rechtsmacht van het CBb
behoort. Duidelijkheidshalve wordt
ervoor gekozen om deze bevoegdheid
uitdrukkelijk in de bijlage vast te
leggen.
Daarbij
kan immers een parallel worden getrokken
met de soortgelijke voorziening die in
de laatste zinsnede van het huidige
artikel 20.1, derde lid, van de Wet
milieubeheer is opgenomen voor de
bevoegdheid van de ABRvS
in eerste en
enige aanleg bij handhavingsbesluiten.
Overigens wordt door dit wetsvoorstel
ook die bepaling overgenomen in de bijlagen, waarbij bovendien een zodanige
wijziging wordt aangebracht dat de ABRvS
in meer gevallen in eerste en enige
aanleg bevoegd wordt bij
handhavingsbesluiten die rechtstreeks
samenhangen met besluiten inzake
vergunningen, ontheffingen en
dergelijke. Op deze wijze is tevens
gevolg gegeven aan de opmerkingen die de
Raad van State
over de bevoegdheidsafbakening tussen
bestuursrechters heeft gemaakt in zijn
advies van 7 oktober 2005 inzake diverse
verbeteringen in de wetgeving.¹
1.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 300 VI,
nr. 169, blz. 15-17, punt 14.b.
Schematisch overzicht van de
voorgestelde herverkavelingen:
| Regeling |
Huidige
competentie |
Voorgestelde
competentie |
| Besluit
administratieve bepalingen inzake
het wegverkeer: hoofdstuk IV |
Eerste
aanleg:
rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| Besluit
van 20 juni 1984, houdende
vaststelling van een algemene
maatregel van bestuur regelende de
vergoeding van
motorrijtuigenbelasting voor
oorlogsgetroffenen (Stb.
1984, 364) |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| Garantiewet Surinaamse pensioenen |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| rblz.|29|
Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren
(hoofdstuk VIIa) |
ABRvS
in eerste en enige aanleg |
CBb
in eerste en enige aanleg |
| Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren
(overige besluiten) |
CBb in eerste en enige aanleg |
CBb in eerste en enige aanleg |
| Kaderwet
LNV-subsidies |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
CBb in eerste en enige aanleg |
| Landbouwkwaliteitswet,
m.b.t. besluiten inzake
vergunningen/ontheffingen |
CBb in eerste en enige aanleg |
CBb in eerste en enige aanleg |
| Landbouwkwaliteitswet,
m.b.t. overige besluiten |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
CBb in eerste en enige aanleg |
| Reglement
eenmalige uitkering
silicosevergoeding
oud-mijnwerkers, vastgesteld bij
besluit van het bestuur van de
Stichting Silicose Oud-Mijnwerkers
van 18 april 1994 |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| Toeslagregeling
pensioenen Suriname en Nederlandse
Antillen |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| Tijdelijke
vergoedingsregeling psychotherapie
na-oorlogse generatie |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
CRvB
in eerste en enige aanleg |
| Uitkeringswet
tegemoetkoming twee- tot
vijfjarige diensttijd veteranen |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| Wet
geneesmiddelenprijzen |
Eerste
aanleg: Den
Haag
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: Rotterdam
Hoger
beroep: CBb |
| Wet
verevening pensioenrechten bij
scheiding |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| Wet
van 16 juli 2001 tot het stellen
van nadere regels in verband met
de introductie van een
toeslagregeling ter compensatie
van het gemis aan
overhevelingstoeslag per 1 januari
2001 ten aanzien van de Toeslagwet
Indonesische pensioenen 1956 en
enkele andere overzeese
pensioenwetten alsmede het
actualiseren van die wetten in
verband met de inwerkingtreding
van de Algemene nabestaandenwet (Stb.
2001, 377) |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| Besluit
uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen
1999 |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| Wet
invoering en financiering Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen:
een besluit van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
op grond
van artikel
2.6, eerste lid, en
artikel 2.7a, eerste lid |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| Wet
kinderopvang: de artikelen 29 en
30 |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
| Winkeltijdenwet |
CBb in eerste en enige aanleg |
Eerste
aanleg: Rotterdam
Hoger
beroep: CBb |
| Besluiten
op grond van artikel 125 van de Gemeentewet
of artikel 5:32 van de
Awb
ter handhaving van het bij of
krachtens de Winkeltijdenwet
bepaalde |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: Rotterdam
Hoger
beroep: CBb |
| Uitkeringswet
gewezen militairen |
Eerste
aanleg: Den
Haag
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: Den
Haag
Hoger
beroep: CRvB |
| rblz.|30|
Wet
toezicht financiële verslaggeving, de
artikelen 2,
eerste lid, 3, eerste en tweede
lid, 4, 9, 12 en 30 |
Geen
beroep mogelijk |
Geen
beroep mogelijk |
| Wet
toezicht financiële verslaggeving, hoofdstuk 4 en 5 |
Eerste
aanleg: Rotterdam
Hoger
beroep: CBb |
Eerste
aanleg: Rotterdam
Hoger
beroep: CBb |
| Wet
toezicht financiële verslaggeving, overige
besluiten |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CBb |
Eerste
aanleg: Rotterdam
Hoger
beroep: CBb |
| Wet
ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme |
Eerste
aanleg: Rotterdam
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: Rotterdam
Hoger
beroep: CBb |
| Wet
op de jeugdzorg, beroepen tegen
een beschikking gegeven op grond
van artikel 5, tweede lid, of
artikel 6, vierde lid |
Eerste
aanleg: kinderrechter
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: kinderrechter
Hoger
beroep: CRvB |
| Besluit
bovenwettelijke
werkloosheidsregeling voor
onderwijspersoneel primair en
voortgezet onderwijs |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: ABRvS |
Eerste
aanleg: rechtbank
Hoger
beroep: CRvB |
5.
Implementatie Verordening (EG) 1/2003
Verordening (EG) 1/2003 ¹ bevat
bepalingen inzake het toezicht op de
naleving van de communautaire
mededingingsregels van de artikelen 101
en 102 van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie (voorheen
de artikelen 81 en 82 EG-verdrag), die
respectievelijk een verbod op
mededingingsbeperkende overeenkomsten en
een verbod van misbruik van een
economische machtspositie bevatten. De verordening regelt onder meer een
gedecentraliseerde toepassing van de
communautaire mededingingsregels - naast de Europese Commissie (Commissie)
zijn daartoe ook de nationale
mededingingsautoriteiten en de nationale
rechter bevoegd - en de samenwerking
tussen de Commissie, de nationale
mededingingsautoriteiten en de nationale
rechterlijke instanties. Hoewel de verordening rechtstreekse werking heeft,
bevat artikel 15 een aantal bepalingen
die in het nationale procesrecht moeten
worden uitgewerkt. Dat is gebeurd in de
artikelen 89h, 89i en 89j
Mededingingswet
[Mw, red.] en -
voor civiele
procedures -
in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Het is
wenselijk om deze bepalingen over te
hevelen naar de Awb. Immers, de
mogelijkheid bestaat dat het
communautaire mededingingsrecht ook
wordt toegepast door andere
bestuursrechters dan de rechtbank te
Rotterdam en het
CBb
(de
bestuursrechters die bevoegd zijn op
grond van de Mededingingswet). Want
zodra een partij stelt dat een
bestuursorgaan heeft gehandeld als
onderneming, kunnen communautaire
mededingingsaspecten aan de orde komen.
Een bestuursorgaan handelt als
onderneming indien het commerciële
activiteiten ontplooit, zoals bij de
verkoop of verpachting van grond.
Mededingingsaspecten kunnen voorts
bijvoorbeeld ook spelen in zaken op
grond van de Mediawet [lees: Mediawet
2008, red.] en bij
vergunningen en aanbestedingen. Het
onderhavige wetsvoorstel voorziet in
overheveling van de artikelen 89h,
89i
en 89j Mw
-
met enige aanpassingen -
naar de Awb.
1.
Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad
van de Europese Unie van 16 december
2002 betreffende de uitvoering van de
mededingingsregels van de artikelen 81
en 82 van het Verdrag (PbEG 2003,
L 1).
6. Aanpassingswetgeving
De voorgestelde wijzigingen van de Awb
noodzaken tot aanpassing van een groot
aantal bijzondere
wetten. Daarin
voorziet deel B van het
het
wetsvoorstel. De voorgestelde
aanpassingen hebben diverse redenen, te
weten:
• de
opsomming van wettelijke voorschriften
waarbij, in afwijking van artikel 7:1
Awb, geen bezwaarschriftprocedure wordt
doorlopen, in de Regeling rechtstreeks
beroep (zie paragraaf 2.4 van deze
toelichting);
rblz.|31|
• de
opsomming van wettelijke voorschriften
die een van de hoofdregel afwijkende
rechtsgang voorschrijven, in de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
(zie paragraaf 2.4 van deze
toelichting);
• de
opsomming van wettelijke voorschriften
die een regeling over het griffierecht
bevatten, in de Regeling verlaagd griffierecht
(zie paragraaf
2.4 van
deze toelichting);
• de
verruiming van de mogelijkheden af te
zien van het horen van belanghebbenden
voorafgaand aan de beslissing op bezwaar
of administratief beroep in artikel 7:3
onderscheidenlijk artikel 7:17 (zie
paragraaf 3.4 van deze toelichting);
• de
vervanging van de in onbruik geraakte
termen "administratieve rechter" en
"administratieve rechtspraak" door de
meer eigentijdse begrippen "bestuursrechter" en
"bestuursrechtspraak" (zie de toelichting op artikel 1:4);
• het
implementeren van Verordening (EG)
1/2003 in de Awb (zie hoofdstuk
5 van
deze toelichting).
De eerste
vier redenen brengen mee dat een
aanzienlijk aantal bepalingen in
bijzondere wetten kan vervallen, omdat
de inhoud daarvan voortaan in de
bijlagen bij de Awb zal worden geregeld.
Artikelsgewijs
Deel
A
Artikel
I (Awb)
Onderdeel A
(artikel 1:4)
Eerste en
derde lid
Sinds de invoering van de Awb
zijn de in
de toelichting bij de tweede tranche
gebruikte termen "bestuursrechter" en
"bestuursrechtspraak" gangbaar
geworden. De wettekst gebruikt echter
nog de oudere, inmiddels in onbruik
geraakte, termen "administratieve
rechter" en "administratieve
rechtspraak". Het onderhavige
wetsvoorstel vormt een goede gelegenheid
om de terminologie van de wet in
overeenstemming te brengen met het
inmiddels gangbare spraakgebruik.
Tweede
lid
In
verband met de regeling van het hoger
beroep in de Awb
is een handzaam woord
nodig voor "een bestuursrechter die in
hoger beroep oordeelt". Gekozen is voor
het woord "hogerberoepsrechter". Bij
de huidige stand van de wetgeving vallen
onder deze omschrijving:
• de
ABRvS;
• de
CRvB;
• het
CBb;
• de
vijf gerechtshoven, voor zover zij
oordelen in belasting- en aanverwante
zaken;
• het
gerechtshof te Leeuwarden, oordelend
over verkeersovertredingen op grond van
de Wet
administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften (Wahv).
Voor het
gerechtshof Leeuwarden heeft de
kwalificatie als hogerberoepsrechter
echter geen praktische betekenis, omdat
hoofdstuk 8 Awb
in Wahv-zaken niet van
toepassing is.
rblz.|32|
Onderdeel B
(artikel 1:5)
Deze wijziging houdt verband met de
vervanging van de termen administratieve
rechter en administratieve rechtspraak
door bestuursrechter en
bestuursrechtspraak. Zie de toelichting
op artikel 1:4.
Onderdeel
C (artikelen 1:7 en
1:8)
Het
Verdrag van Lissabon heeft de officiële
benamingen van de Europese instellingen
op enkele punten gewijzigd. Deze
wijziging betreft een aanpassing aan de
nieuwe terminologie; zij heeft geen
inhoudelijke betekenis.
Onderdeel
D (artikel
3:16)
De
voorgestelde wijziging houdt in dat het
tijdstip van indiening van zienswijzen
bij het verkeerde bestuursorgaan
bepalend is voor het antwoord op de
vraag of de zienswijze tijdig is
ingediend.
Het
bestuursorgaan moet op grond van artikel
2:3, eerste lid, zienswijzen doorzenden
aan het bevoegde bestuursorgaan, maar
dit artikel regelt niet - zoals de Raad van State
in zijn
terugkoppelingsadvies opmerkt ¹ - dat
het tijdstip van indiening bij het
onbevoegde orgaan bepalend is voor het
antwoord op de vraag of het geschrift
tijdig is ingediend. Voor veel van de
geschriften waarvoor de doorzendplicht
op grond van artikel
2:3, eerste lid,
geldt, doet het tijdstip van indiening
niet ter zake.
Niet-tijdige indiening van zienswijzen heeft
echter wel processuele gevolgen. Zo
leidt dit er in beginsel toe dat
betrokkene op dat punt geen beroep op de
bestuursrechter kan instellen. Volgens
jurisprudentie van de ABRvS
moest artikel
6:15 analoog op de vroegere
bedenkingenprocedure van afdeling 3.5
worden toegepast.² Het ligt voor de
hand dat de ABRvS
tot dezelfde conclusie
zal komen met betrekking tot het
doorzenden van zienswijzen op grond van
de met ingang van 1 juli 2005 in werking
getreden afdeling
3.4. Het is echter
wenselijk dat deze waarborg in de wet
wordt vastgelegd zodat buiten twijfel
staat dat het tijdstip van indiening bij
het verkeerde orgaan in beginsel geacht
wordt het tijdstip van indiening bij het
bevoegde orgaan te zijn.
1.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 300 VI,
nr. 169, blz. 7.
2. Vz. ABRvS
8 mei 2001, LJN AV3297.
Onderdeel
E (artikelen
3:28, 3:29 en
4:19)
Deze
wijziging houdt verband met de
vervanging van de termen administratieve
rechter en administratieve rechtspraak
door bestuursrechter en
bestuursrechtspraak. Zie de toelichting
op artikel 1:4.
Onderdeel
F (artikel 4:20d)
Dit
betreft een wetstechnische verbetering;
artikel 4:18 kent inmiddels nog maar
één lid.
Onderdeel
G (artikel
4:23)
Het
Verdrag van Lissabon heeft de officiële
benamingen van de Europese instellingen
op enkele punten gewijzigd. Deze
wijziging betreft een aanpassing aan de
nieuwe terminologie; zij heeft geen
inhoudelijke betekenis.
Onderdeel
H (artikel
4:85)
Deze
wijziging houdt verband met de
vervanging van de termen administratieve
rechter en administratieve rechtspraak
door bestuursrechter en
bestuursrechtspraak. Zie de toelichting
op artikel 1:4.
Onderdelen
I en J
(artikelen 4:98 en
4:113)
De
artikelen 4:98 en 4:113 bevatten
bepalingen die de bevoegdheid geven tot
indexering van in die artikelen genoemde
bedragen. Deze bepalingen kunnen
vervallen, omdat het voorgestelde
artikel 11:2 de indexering van in de Awb
voorkomende bedragen in het algemeen
regelt.
rblz.|33|
Onderdelen
K, L,
M en
N
(artikelen
4:125, 5:31c,
5:39, 6:4,
6:13 en
6:15)
Deze
wijzigingen houden verband met de
vervanging van de termen administratieve
rechter en administratieve rechtspraak
door bestuursrechter en
bestuursrechtspraak. Zie de toelichting
op artikel 1:4.
Onderdeel
O (artikel
6:18)
Artikel
6:19 (nieuw) vervangt onder meer het
huidige artikel
6:18. De bevoegdheid om
het bestreden besluit in te trekken of
te wijzigen hangende bezwaar of beroep
(huidig artikel
6:18, eerste lid) blijkt
al voldoende uit het eerste lid van
artikel 6:19 (nieuw). De inhoud van het
tweede lid van artikel 6:18 is
verplaatst naar het derde lid van
artikel 6:19.
Artikel
6:18, derde lid, bepaalt thans dat na
intrekking of wijziging van een besluit
hangende bezwaar of beroep geen nieuw
besluit mag worden genomen dat naar
inhoud of strekking overeenkomt met het
oorspronkelijke besluit. Dit derde lid
is indertijd opgenomen vanuit de vrees
dat met het herhaaldelijk wijzigen of
intrekken het beroepsrecht van
betrokkenen zou kunnen worden
gefrustreerd.¹ De toelichting noemt het
voorbeeld van een gemeentebestuur dat
een bestuursdwangbesluit eerst intrekt
en vervolgens opnieuw neemt in de hoop
daarmee onder een beroep tegen het
eerste bestuursdwangbesluit uit te
komen.² De in artikel
6:18, derde lid,
geformuleerde uitzonderingen op het
verbod om opnieuw een besluit van
dezelfde strekking te nemen, worden in
de praktijk echter zo ruim uitgelegd dat
het verbod nauwelijks beperkende
betekenis heeft. In de praktijk blijken
soms ook legitieme redenen te bestaan om
een besluit waaraan gebreken kleven
eerst in te trekken en vervolgens, na
herstel van deze gebreken, opnieuw te
nemen. Dit kan bijdragen aan het
voorkomen van een formele vernietiging
die het geschil niet definitief
beslecht. Bovendien wordt artikel
6:19,
eerste lid, zo uitgelegd dat in zo’n
geval het beroep tegen het
oorspronkelijke besluit geacht wordt
zich niet alleen mede te richten tegen
het intrekkingsbesluit, maar ook tegen
het nieuwe (derde) besluit.³ Langs die
weg is dus al in bescherming tegen
misbruik voorzien. Voorgesteld wordt om
die uitleg te codificeren door in
artikel 6:19 ook te verwijzen naar een
besluit ter vervanging van het bestreden
besluit (dat op dat moment al dan niet
door de rechter is vernietigd). Eén en
ander leidt tot de conclusie dat het
derde lid van artikel 6:18 kan worden
gemist. Hetzelfde geldt dan voor de met
het derde lid verbonden
mededelingsplicht van het vierde lid.
1.
Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr.
3, blz. 137-138.
2. ARRS 10 november 1981, AB 1982, 144.
3. Bijvoorbeeld CRvB
28 april 1998, RSV 1998, 193.
Onderdeel
P (artikel
6:19)
Artikel
6:19 (nieuw) vervangt de huidige
artikelen 6:18, 6:19 en
8:13a. De
wijzigingen strekken tot verduidelijking
en vereenvoudiging en tot codificatie
van de rechtspraak, met name over de
toepassing in hoger beroep (artikel
6:24).
Aan het
slot van onderstaande toelichting
op artikel 6:19 (nieuw) wordt ingegaan op
enkele vragen bij de toepassing van de
huidige artikelen 6:18 en
6:19 die niet
goed door middel van wetswijziging
oplosbaar zijn.
Eerste
lid
Als een bestuursorgaan een besluit waartegen
bezwaar of (hoger) beroep aanhangig is,
intrekt, wijzigt of vervangt, dan heeft
het al aanhangige bezwaar of (hoger)
beroep in beginsel en van rechtswege ook
betrekking op het nieuwe besluit. Dit
geldt als het bestuursorgaan het nieuwe
besluit uit eigen beweging neemt, maar
ook als het nieuwe besluit wordt genomen
ter uitvoering van een (tussen)uitspraak
van de (hogerberoeps)rechter,
bijvoorbeeld bij toepassing van de
bestuurlijke lus. Het eerste lid
voorkomt verlies van rechtsbescherming
(de belanghebbende hoeft niet afzonderlijk te ageren tegen het nieuwe
besluit), maar voorkomt ook dat
hetzelfde geschil tegelijkertijd wordt
behandeld door twee organen: door rblz.|34|
het
bestuursorgaan en de rechter of door de
rechtbank en de hogerberoepsrechter.
Het
eerste lid geldt ook als uitsluitend het
bestuursorgaan hoger beroep heeft
ingesteld. Met het oog daarop is de
zinsnede "tenzij dat besluit aan het
bezwaar of beroep geheel tegemoetkomt"
uit het huidige artikel
6:19, eerste
lid, niet overgenomen. Zo’n regel is
immers niet passend als uitsluitend het
bestuursorgaan hoger beroep instelt en
hangende de procedure in hoger beroep - ter uitvoering van de aangevallen
uitspraak van de rechtbank - een nieuw
besluit neemt. Een dergelijk besluit kan
geheel tegemoetkomen aan de wens van
degene die beroep tegen het
oorspronkelijke bestreden besluit had
ingesteld. Het bestuursorgaan blijft
echter ook in die situatie belang houden
bij het betrekken van het nieuwe besluit
bij de lopende procedure. De
hogerberoepsrechter kan namelijk
oordelen dat het eerder genomen besluit
geen gebreken vertoont en in het
verlengde hiervan dat geen reden voor
het nemen van het nieuwe besluit
bestaat. Dit oordeel leidt tot
vernietiging van zowel de aangevallen
uitspraak van de rechtbank als het
nieuwe besluit van het bestuursorgaan.
Met het
begrip "belang" wordt in het eerste
lid bedoeld: procesbelang. Hierbij valt
met name te denken aan een
tweepartijengeschil waarin het
bestuursorgaan alsnog geheel
tegemoetkomt aan hetgeen de
belanghebbende in het beroep bij de
rechtbank heeft gevraagd. Immers, in zo’n
geval heeft de belanghebbende gekregen
wat hij wil (bijvoorbeeld: de gevraagde
uitkering of subsidie), terwijl er geen
andere belanghebbenden zijn.
Uit het
eerste lid, in samenhang met artikel
6:24, volgt onder meer dat als een
besluit hangende hoger beroep wordt
gewijzigd, het hoger beroep mede
betrekking heeft op het
wijzigingsbesluit. De
hogerberoepsrechter is bevoegd en dus
ook gehouden om over het
wijzigingsbesluit te oordelen, zodat
niet tevens de rechtbank of het
bestuursorgaan bevoegd kan zijn.¹ Dit
is slechts anders als de
hogerberoepsinstantie besluit tot
verwijzing naar een lagere instantie,
bijvoorbeeld als de rechtbank het beroep
ten onrechte niet-ontvankelijk heeft
geoordeeld en daardoor niet aan de
inhoud van het geschil is toegekomen.
Die bevoegdheid tot verwijzing (nu
artikel 6:19, tweede lid) is te vinden
in het nieuwe vijfde lid.
Het
voorontwerp bevatte een aparte bepaling
voor de situatie dat het bestuursorgaan
hoger beroep instelt tegen de uitspraak
van de rechtbank waarbij zijn besluit is
vernietigd, maar intussen wel een nieuw
besluit neemt ter voldoening aan de
opdracht van de rechtbank om een nieuw
besluit te nemen. Artikel 8:95 van het
voorontwerp regelde, in navolging van de
rechtspraak, dat het hoger beroep in dat
geval mede betrekking heeft op het
nieuwe besluit. De nu voorgestelde tekst
van het eerste lid maakt die aparte
bepaling overbodig. Mede met het oog
daarop is in het eerste lid een
verwijzing toegevoegd naar een besluit
ter vervanging van het bestreden (en in
dit geval inmiddels vernietigde)
besluit.
Het
eerste lid, gecombineerd met het vierde
lid, vervangt tevens het huidige artikel
8:13a, dat regelt dat de rechtbank een
beroep tegen een besluit dat is genomen
na toepassing van de bestuurlijke lus in
hoger beroep, moet doorverwijzen naar de
hogerberoepsrechter. Die verplichting
voor de rechtbank blijft dus gewoon
bestaan, maar valt nu onder de meer
algemene verwijzingsplicht van artikel
6:19, vierde lid.
1. ABRvS
12 december 2001, AB 2002, 323 m.nt. A.T.
Marseille.
Tweede
lid
Dit lid
codificeert de bestaande jurisprudentie
waarin de huidige artikelen 6:18 en
6:19
ook worden toegepast als een bezwaar- of
beroepschrift wordt ingediend tegen een
besluit dat buiten medeweten van de
belanghebbende reeds is ingetrokken,
gewijzigd of vervangen. Het is evident
dat ook in dergelijke gevallen behoefte
bestaat aan de bescherming van
belanghebbenden.
rblz.|35|
Derde lid
Dit lid
vervangt het huidige tweede lid van
artikel 6:18. Het doen van een
mededeling van het nieuwe besluit aan
het orgaan waarbij het bezwaar aanhangig
is, is geschrapt, aangezien het in beide
gevallen gaat om hetzelfde (bestuurs)orgaan.
Vierde
lid
De - ingevolge het eerste of tweede lid
- onbevoegde (lagere) instantie moet het
door haar ontvangen bezwaar- of
beroepschrift met toepassing van artikel
6:15, eerste lid, doorzenden aan de wel
bevoegde (hogere) instantie. Na
doorzending kan de hogere instantie
eventueel besluiten om de zaak met
toepassing van het vijfde lid (nieuw)
terug te verwijzen naar de lagere
instantie. Als bijvoorbeeld bij de
rechtbank, al dan niet door een derde,
beroep wordt ingesteld tegen het nieuwe
besluit, terwijl dat besluit dient ter
uitvoering van een tussenuitspraak van
de hogerberoepsrechter, dan regelt het
vierde lid, in samenhang met het eerste
lid, dat de hogerberoepsrechter ook het
bij de rechtbank ingestelde beroep
behandelt.
Een ander
voorbeeld is de situatie waarin het
oorspronkelijke besluit gunstig is voor
aanvrager X (zijn vergunning is bij de
eerste beslissing op bezwaar in stand
gebleven) maar ongunstig voor omwonende
Y (die daarom beroep bij de rechtbank
heeft ingesteld), terwijl het nadere
besluit (dat strekt tot herroeping en
weigering van de vergunning) ongunstig
is voor X maar gunstig voor Y (aangezien
hij immers heeft gekregen wat hij met
het instellen van beroep wilde
bereiken). Als X het nieuwe besluit in
rechte wil aanvechten, garandeert het
vierde lid, in samenhang met het eerste
lid, dat de regie over het
meerpartijengeschil tussen X, Y en
B&W in handen blijft van de
rechtbank, waaraan het geschil reeds was
voorgelegd.
Gelet op
artikel 3:45 en artikel 6:19 (nieuw)
moet het bestuursorgaan bij de
bekendmaking van een "artikel
6:19-besluit" vermelden dat hiertegen
geen afzonderlijk rechtsmiddel openstaat en dat het betreffende
besluit met toepassing van artikel
6:19,
vierde lid, zal worden toegezonden aan
de bestuursrechter waarbij het beroep
tegen het oorspronkelijke besluit
aanhangig is.
Vijfde
lid
Het
vijfde lid vervangt het huidige tweede
lid. Op grond van het vijfde lid kan de
(hogerberoeps)rechter de behandeling van
de zaak verwijzen naar het orgaan dat
hij daartoe meer geschikt acht. Zo kan
de
rechtbank het beroep verwijzen naar
de bezwaarschriftprocedure om het
(eerst) te doen behandelen als bezwaar,
bijvoorbeeld als de zaak niet rijp is
voor behandeling door de rechter. Pas na
verwijzing op grond van het vijfde lid
verkrijgen de bestuursrechter in eerste
aanleg of het bestuursorgaan de
bevoegdheid het nadere besluit te
toetsen onderscheidenlijk te
heroverwegen.
Zesde lid
Het zesde
lid vervangt het huidige derde lid.
rblz.|36|
Vragen
bij de toepassing van de huidige
artikelen 6:18 en 6:19 die niet goed
door middel van wetswijziging oplosbaar
zijn:
1.
Wanneer is sprake van een artikel
6:18-besluit?
In de
praktijk rijst soms de vraag of een
nieuw besluit dat hangende een bezwaar-
of beroepsprocedure wordt genomen wel
een intrekkings- of wijzigingsbesluit in
de zin van artikel 6:18 is. Als
hoofdlijn geldt dat een besluit op een
nieuwe aanvraag tot herziening,
verlenging of vervanging van het
bestreden besluit in de regel geen
besluit in de zin van artikel 6:18 is.
Het verwerend bestuursorgaan komt dan
immers niet terug van een eerder genomen
besluit, maar voldoet slechts aan de
verplichting om op een nieuwe aanvraag
een primair besluit te nemen op basis
van een nieuwe besluitvorming. Een ander
uitgangspunt is dat het nieuwe besluit
moet vallen binnen de feitelijke
grondslag en de reikwijdte van het
eerder genomen besluit. Als een besluit
wordt herzien op basis van een
substantieel nieuw feitencomplex, is in
het algemeen geen sprake van een besluit
in de zin artikel
6:18, maar van een
geheel nieuw besluit.
Onder
omstandigheden kunnen uitzonderingen op
deze regel gewenst zijn, in die zin dat
een besluit op een nieuwe aanvraag toch
wordt "meegenomen" in een lopende
procedure. Van belang is onder meer in
hoeverre het nieuwe besluit feitelijk
afwijkt van het oorspronkelijke besluit,
op een andere bevoegdheidsgrondslag
berust of andere rechtsgevolgen in het
leven roept. De bestuursrechter dient
aan de hand van de omstandigheden van
het concrete geval te beoordelen of het
nieuwe besluit kan worden meegenomen in
de procedure van het oude besluit.
2.
Besluiten van een ander bestuursorgaan
Een
besluit dat is genomen door een ander
bestuursorgaan dan het bestuursorgaan
dat het bestreden besluit heeft genomen,
is in beginsel geen besluit in de zin
van artikel 6:19
(nieuw). Indien hangende
het beroep tegen een op een
administratief beroep genomen besluit
het in primo bevoegde orgaan zijn
oorspronkelijke besluit wijzigt, is
laatstgenoemd besluit dus geen besluit
in de zin van artikel
6:19.¹ Artikel
6:19 is voorts niet toepasselijk als een
door een onbevoegd orgaan genomen
besluit vervolgens door het wel bevoegde
orgaan wordt bekrachtigd.
Ook in
dit geval is niet ondenkbaar dat in
bijzondere gevallen een uitzondering op
deze regel moet worden gemaakt. Ook
hiervoor zijn echter moeilijk algemene
criteria te geven. Het verdient de
voorkeur de bestuursrechter voldoende
vrijheid te laten om - rekening
houdend met de concrete omstandigheden
van het geval - hierover te oordelen.
1. ABRvS
29 juni 1999, AB 1999, 341.
3.
Toepasselijkheid van artikel 6:19 in de
bezwaarfase
Wil een
bestuursorgaan naar aanleiding van een
bezwaarschrift terugkomen op een primair
besluit, dan kan dit op basis van
artikel 6:19 (nieuw primair besluit) of
op basis van artikel 7:11 (heroverweging
en beslissing op bezwaar). Het komt in
deze situatie in de praktijk met enige
regelmaat voor dat een nieuw primair
besluit wordt genomen. Het nieuwe
primaire besluit wordt dan als een
herstelbesluit aangemerkt dat op grond
van artikel 6:19 kan worden meegenomen,
met het gevolg dat nog sprake is van een
bezwaar waarop nog steeds niet is - maar wel moet worden
- beslist.
Als regel
behoort de intrekking of wijziging van
een primair besluit op grondslag van een
bezwaar te geschieden in een beslissing
op bezwaar als bedoeld in artikel
7:11,
tweede lid. Deze bepaling is immers
speciaal voor dergelijke situaties
geschreven, met als doel om aan
belanghebbenden zo snel en effectief
mogelijk finale duidelijkheid over hun
rechtsposities te verschaffen. In ieder
geval dient de bestuursrechter zo’n rblz.|37|
besluit normaliter als een beslissing op
bezwaar te kwalificeren, als onderdeel
van zijn plicht om ambtshalve onderzoek
naar zijn eigen bevoegdheid en de
ontvankelijkheid van het beroep te
verrichten.
Het
bestuursorgaan kan echter onder
omstandigheden een goede reden hebben om
het primaire besluit reeds voorafgaand
aan het besluit op bezwaar te wijzigen,
bijvoorbeeld op een bepaald aspect - zoals de verlenging van een in een
bestuursdwangbeschikking opgenomen
begunstigingstermijn - teneinde een
voorlopigevoorzieningsprocedure te
voorkomen.
Met enige
regelmaat neemt het bestuursorgaan naar
aanleiding van een bezwaar een besluit
met een element dat niet langer is te
beschouwen als het resultaat van de
heroverweging van het primaire besluit,
met andere woorden: een afzonderlijk
besluit dat qua feitencomplex
onvoldoende samenhang met het primaire
besluit vertoont. Twee voorbeelden:
Voorbeeld 1. B&W leggen een last onder
dwangsom op om A te bewegen tot het
staken van de permanente bewoning van
een schuur (strijd met het "gebruiksvoorschrift" van een
bestemmingsplan). A maakt bezwaar. Naar
aanleiding hiervan nemen B&W een
besluit waarbij - met
ongegrondverklaring van het bezwaar - A wordt gelast de in de schuur
aangebrachte woonvoorzieningen te
verwijderen (strijd met artikel 40,
eerste lid, Woningwet). Het nieuwe
besluit behelst niet alleen een
heroverweging van het primaire besluit (ongegrondverklaring
van het bezwaar, met instandlating van
het primaire besluit), maar ook een
nieuw primair besluit waartegen
afzonderlijk bezwaar moet worden gemaakt
(lastgeving tot verwijdering van
voorzieningen).¹
Voorbeeld 2. Het UWV
kent aan C een gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering toe. C
maakt bezwaar, met het argument dat hij
volledig arbeidsongeschikt is. Naar
aanleiding hiervan verklaart het UWV het
bezwaar ongegrond, met de toevoeging dat
het dagloon wordt verhoogd wegens een
ambtshalve geconstateerde rekenfout. De
verhoging van het dagloon is te
beschouwen als een nieuw primair
besluit.
Het
bestuursorgaan moet dus per individueel
geval nagaan of het besluit (slechts) is
te kwalificeren als een beslissing op
bezwaar waartegen beroep op de
bestuursrechter mogelijk is, dan wel
(tevens) als een primair besluit
waartegen eerst bezwaar moet worden
gemaakt. Het is dan ook van belang dat
het bestuursorgaan onder elk besluit een
correcte rechtsmiddelenclausule plaatst
(artikelen 3:45 en
6:23) en dat de
bestuursrechter in een zo vroeg mogelijk
stadium van de beroepsprocedure nagaat
of het bestreden (deel)besluit vatbaar
is voor beroep of bezwaar.
1. Zie
ook Kamerstukken II 2007-2008, 31 352,
nr. 3, blz. 8.
Onderdeel
Q (artikel
6:22)
Voorgesteld
wordt in artikel 6:22 de woorden "ondanks schending van een
vormvoorschrift" te vervangen door:
ondanks schending van een geschreven of
ongeschreven rechtsregel of een algemeen
rechtsbeginsel. Doorslaggevend voor het
passeren van een gebrek is niet meer de
aard van het geschonden voorschrift,
maar de vraag of belanghebbenden worden
benadeeld indien het gebrek wordt
gepasseerd. Voor een nadere toelichting
op de redenen voor de verruiming van het
toepassingsbereik van artikel 6:22 zij
verwezen naar paragraaf
3.3 van het
algemeen deel van deze toelichting.
Artikel
6:22 kan slechts worden toegepast indien
aannemelijk is dat de belanghebbenden
door de schending van het
vormvoorschrift niet zijn benadeeld. Dit
betekent in de praktijk dat aannemelijk
moet zijn dat ook bij naleving van het
vormvoorschrift geen ander besluit zou
zijn genomen. Was zonder de
procedurefout een andere uitkomst van de
besluitvorming mogelijk geweest, dan zal
deze fout wel tot vernietiging nopen.¹
rblz.|38|
Het
criterium dat het ontbreken van
benadeling "aannemelijk" moet zijn, is
ontleend aan artikel 1.5 van de Crisis-
en herstelwet. In het kader van dat
wetsvoorstel wees de Raad van State
erop dat maar zelden met absolute
zekerheid zal vaststaan dat er niemand
is benadeeld.² Het stellen van de eis
dat het ontbreken van benadeling
vaststaat, zou artikel 6:22 dus
krachteloos maken. Daarom is gekozen
voor de iets lichtere maatstaf dat het
ontbreken van benadeling "aannemelijk"
moet zijn.
Vereist
is dat "de" - dit wil zeggen: alle
- belanghebbenden niet worden
benadeeld. De bestuursrechter kan
artikel 6:22 dus niet toepassen als de
mogelijkheid bestaat dat derden-belanghebbenden zijn benadeeld,
ook niet als die derden-belanghebbenden
niet als partij aan het proces
deelnemen. Zo kunnen gebreken in de
kennisgeving van aanvragen en
ontwerpbesluiten vaak niet met
toepassing van artikel 6:22 worden
gepasseerd, omdat doorgaans niet kan
worden uitgesloten dat potentieel
belanghebbenden door het
kennisgevingsgebrek zijn benadeeld.³
Indien
artikel 6:22 niet kan worden toegepast,
is denkbaar dat de rechter wel reden
ziet voor het met toepassing van artikel
8:72, derde lid, onderdeel b, de
rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit in stand te laten [lees: voor het met toepassing van artikel
8:72, derde lid, onderdeel b,
in stand laten van de
rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit, red.]. Daartoe kan
bijvoorbeeld aanleiding zijn als een
belanghebbende door het gebrek wel is
benadeeld, maar dit feitelijk niet meer
te herstellen is.
1. PG Awb
I [parlementaire geschiedenis van de eerste
tranche van de Awb, red.], blz. 313.
2. Kamerstukken II 2009-2010, 32 127,
nr. 4, blz. 15 en 34.
3. ABRvS
13 februari 2001, JB 2001, 73 m.nt. PvdB.
Onderdeel
R (artikel
6:24)
Door de
voorgestelde aanvulling van artikel 6:24
wordt buiten twijfel gesteld dat de
bepalingen van afdeling 6.2 - waaronder de
artikelen 6:9 tot en met
6:11 en artikel 6:13 - van
overeenkomstige toepassing zijn op het
incidenteel hoger beroep. Zie ook de
toelichting op artikel 8:110.
Onderdeel
S (afdeling
7.1)
Deze
wijziging houdt verband met de
vervanging van de termen administratieve
rechter en administratieve rechtspraak
door bestuursrechter en
bestuursrechtspraak. Zie de toelichting
op artikel 1:4 (artikel I, onderdeel
A).
Onderdeel
T (artikel
7:1) en U
(artikel 7:1a)
Deze
wijzigingen houden verband met de
vervanging van de termen administratieve
rechter en administratieve rechtspraak
door bestuursrechter en
bestuursrechtspraak. Zie de toelichting op artikel 1:4
(artikel I, onderdeel
A).
Tevens wordt artikel 7:1 aangepast in
verband met de overheveling van
uitzonderingen op de verplichte
bezwaarschriftprocedure van bijzondere
wetten naar de Regeling rechtstreeks
beroep.
Onderdeel
V (artikel
7:3)
De hier
voorgestelde wijziging bewerkstelligt
dat het bestuursorgaan tijdens de
bezwaarfase mag afzien van het horen van
een belanghebbende indien deze niet
binnen een redelijke termijn heeft
gereageerd om de uitnodiging om aan te
geven of hij wil worden gehoord.
Verwezen zij naar paragraaf
3.4 van
het algemeen deel van deze toelichting.
Onderdeel
W (artikel
7:12)
De
heroverweging van een besluit dat niet
tot één of meer belanghebbenden is
gericht (hierna: besluit van algemene
strekking), op grondslag van een
ontvankelijk bezwaar kan noodzaken tot
herroeping of wijziging van dit besluit.
In zo’n geval moet de beslissing op
bezwaar worden gepubliceerd
overeenkomstig de eisen van artikel
3:42, aangezien de herroeping of
wijziging anders niet in werking treedt
(artikel
3:40).
Blijft
het besluit van algemene strekking in
stand, dan is deze publicatie niet
nodig, aangezien de beslissing op
bezwaar die inhoudt dat het bezwaar
niet-ontvankelijk of ongegrond is zich
goed beschouwt slechts richt tot de
bezwaarmaker en eventuele andere
belanghebbenden die aan rblz.|39|
de
bezwaarschriftprocedure hebben
deelgenomen. Belanghebbenden die geen
bezwaar hebben gemaakt, behoeven van zo’n
beslissing op bezwaar niet op de hoogte
te worden gesteld, aangezien zij
ingevolge artikel 6:13 geen beroep meer
kunnen instellen en hun positie ook niet
wijzigt. Derhalve wordt voorgesteld een
uitzondering op de publicatieplicht te
maken voor beslissingen op bezwaar die
strekken tot instandlating van een
besluit van algemene strekking. Een
dergelijke beslissing op bezwaar behoeft
niet langer overeenkomstig artikel 3:42
te worden gepubliceerd, doch slechts te
worden toegezonden of uitgereikt aan de
degene tot wie zij is gericht, dat wil
zeggen: de indiener van het
bezwaarschrift. Deze bekendmakingsregel
correspondeert overigens met de gangbare
praktijk bij veel bestuursorganen.
Onderdeel
X (artikel
7:15)
De
voorgestelde wijziging van de artikelen
7:15 en 7:28
Awb biedt een oplossing
voor in de praktijk geconstateerde
problemen bij de verrekening van
proceskostenvergoedingen met
toevoegvergoedingen op grond van artikel
37 van de Wet
op de rechtsbijstand. Het Besluit
vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) beoogt te bereiken
dat indien de
belanghebbende procedeert op basis van
een toevoeging, de
proceskostenvergoeding [lees:
proceskostenvergoedingen, red.] zoveel mogelijk
in mindering worden gebracht op de
toevoegvergoeding. Deze verrekening
vindt in de praktijk soms ten onrechte
niet plaats. Dit gebeurt wanneer
proceskostenvergoedingen rechtstreeks
worden toegekend aan de belanghebbende,
vaak doordat het betrokken
bestuursorgaan niet bekend is met het
feit dat wordt geprocedeerd op basis van
een toevoeging. Vervolgens ontbreekt
voldoende grondslag voor de raad voor
rechtsbijstand om verrekening te doen
plaatsvinden. Uit jurisprudentie van de ABRvS blijkt dat artikel 32,
derde lid, Bvr
geen grondslag biedt voor
verrekening van de rechtstreeks aan een
rechtszoekende toegekende
proceskostenvergoeding met de door de
raad voor rechtsbijstand toegekende
toevoegvergoeding. De rechtszoekende kan
volgens de ABRvS niet worden aangemerkt
als "derde" in de zin van artikel 32,
tweede lid, Bvr
(vergelijk onder meer
ABRvS 21 februari 2007, LJN AZ9000).
De
voorgestelde wijziging van de artikelen
7:15 en 7:28
Awb beoogt de verrekening
van proceskostenvergoeding met
toevoegvergoedingen te vergemakkelijken.
Daartoe wordt bepaald dat het
bestuursorgaan de tijdens de
bezwaarschriftprocedure gemaakte
proceskosten - die worden toegekend
aan de belanghebbende - geheel aan de
rechtsbijstandverlener van de
belanghebbende moet betalen als sprake
is van een toevoeging op grond van de Wet
op de rechtsbijstand (Wrb). In zo’n
geval maakt de belanghebbende op
zichzelf aanspraak op de
proceskostenvergoeding, maar vindt
betaling van deze vergoeding plaats aan
de rechtsbijstandverlener.
De
rechtsbijstandverlener draagt zorg voor
verrekening met de eigen bijdrage van
zijn cliënt. Reeds in de memorie van
toelichting bij de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures
(Stb. 2002,
55) werd erop gewezen dat dit de meest
praktische gang van zaken is, omdat
bestuursorganen maar weinig te maken
hebben met kostenvergoeding waarbij
sprake is van een toevoeging
(Kamerstukken II 1999/2000, 27 024, nr.
3, blz. 10). De meeste bestuursorganen
handelen overigens nu al
dienovereenkomstig.
Er is
geen aanleiding te verwachten dat dit
meer dan incidenteel zal leiden tot
conflicten tussen de
rechtsbijstandsverlener en diens
cliënt, aangezien elke
rechtsbijstandsverlener die gebruik
maakt van een toevoeging geacht kan
worden bekend te zijn met de Wet op de
rechtsbijstand en het op zijn weg ligt
zijn cliënt daarover voor te lichten.
Onderdeel
Y (artikel
7:17)
De hier
voorgestelde wijziging bewerkstelligt
dat het bestuursorgaan ook tijdens de
fase van administratief beroep mag
afzien van het horen van rblz.|40|
een
belanghebbende indien deze niet binnen
een redelijke termijn heeft gereageerd op de uitnodiging om aan te geven of hij
wil worden gehoord. Verwezen zij naar
paragraaf 3.4 van het algemeen deel
van deze toelichting.
Onderdeel
Z (artikel
7:28)
Deze
wijziging komt overeen met de wijziging
van artikel 7:15
(onderdeel
X);
kortheidshalve zij verwezen naar de
toelichting op laatstgenoemd onderdeel.
Onderdeel
AA (hoofdstuk
8)
In het
opschrift van hoofdstuk
8 wordt tot
uitdrukking gebracht dat dit hoofdstuk
niet langer uitsluitend ziet op het
beroep bij de
rechtbank, maar op het
beroep bij alle bestuursrechters, zowel
in eerste aanleg als in hoger beroep.
Dit is het gevolg van de keuze om het
bestuursprocesrecht zoveel mogelijk in
de Awb onder te brengen. Zie ook
paragraaf 2.1 van het algemeen deel van
deze toelichting.
Onderdeel
BB (titel
8.1)
In het
opschrift van titel
8.1 is tot
uitdrukking gebracht dat de titel
slechts rechtstreeks geldt voor het
beroep in eerste aanleg. De afdelingen
8.1.2 tot en met 8.1.5 zijn overigens,
op een enkele uitzondering na, ook van
toepassing in hoger beroep. Dit volgt
echter niet rechtstreeks uit deze
afdelingen, maar uit artikel
8:108.
Aldus sluit de indeling van de regeling
van het procesrecht op een natuurlijke
en overzichtelijke wijze aan bij de
verschillende fasen die een procedure
kan doorlopen. De Wetboeken
van Burgerlijke Rechtsvordering en van
Strafvordering kennen een vergelijkbare
opzet.
Onderdeel
CC (afdeling
8.1.1)
Afdeling
8.1.1 regelt de bevoegdheid van de
verschillende bestuursrechters in eerste
aanleg. Deze bevoegdheid wijzigt,
behoudens de in hoofdstuk
4 van het
algemeen gedeelte van deze toelichting
beschreven herverkaveling, inhoudelijk
niet ten opzichte van de huidige
situatie, maar de regeling wordt nu in
de Awb geconcentreerd. Daarnaast zijn
enkele bepalingen overzichtelijker
geordend.
Artikel 8:1
Artikel 8:1 bevat twee belangrijke
hoofdregels van ons bestuursprocesrecht:
•
beroep bij de bestuursrechter kan worden
ingesteld tegen een besluit in de zin
van artikel 1:3
Awb;
•
beroep bij de bestuursrechter kan
slechts worden ingesteld door een
belanghebbende in de zin van artikel 1:2
Awb.
Het
voorgestelde artikel regelt echter niet
meer bij welke bestuursrechter het
beroep kan worden ingesteld; dat wordt
geregeld in artikel
8:6.
Artikel 8:2
Algemeen
Er bestaan twee soorten afwijkingen van
de hoofdregel dat beroep kan worden
ingesteld tegen een besluit:
• tegen
bepaalde bestuurshandelingen die geen
besluiten zijn, staat toch beroep open
(uitbreidingen);
• tegen
bepaalde besluiten staat geen beroep
open (uitzonderingen).
De
uitbreidingen zijn geregeld in artikel
8:2 en de uitzonderingen in de
artikelen 8:3 tot en met 8:5.
rblz.|41|
Artikel
8:2 bevat drie uitbreidingen, namelijk
bepaalde handelingen ten aanzien van
ambtenaren als zodanig (eerste lid),
schriftelijke beslissingen inhoudende de
weigering van de goedkeuring van
bepaalde besluiten (tweede lid,
onderdeel a) en beslissingen inhoudende
de weigering van de goedkeuring van
besluiten ter voorbereiding van een
privaatrechtelijke rechtshandeling
(tweede lid, onderdeel b).
Eerste
lid
Het
eerste lid komt goeddeels overeen met
het huidige artikel
8:1, tweede lid. In
het ambtenarenrecht zijn vanouds ook
bepaalde handelingen ten aanzien van een
ambtenaar als zodanig die geen besluiten
zijn voor beroep vatbaar. Deze
afwijking is in 1994 gehandhaafd, omdat
de wetgever de omvang van de
rechtsbescherming in het ambtenarenrecht
niet wilde verminderen. Er bestaat geen
aanleiding hierover thans anders te
denken. De praktische betekenis van deze
uitbreiding is overigens gering.
Tevens is
een bestaande omissie hersteld. De
militair ambtenaar in de zin van artikel
1 Militaire
Ambtenarenwet 1931 maakt
namelijk aanspraak op dezelfde
rechtsbescherming als de ambtenaar in de
zin van artikel 1 Ambtenarenwet en de
dienstplichtige in de zin van hoofdstuk
2 Kaderwet
dienstplicht. In dit kader
zij ook gewezen op artikel
8:4, derde
lid (nieuw), onderdeel a, en artikel 1,
onderdeel a, Regeling verlaagd griffierecht.
Tweede
lid
Het
tweede lid van het voorgestelde artikel
8:2 komt geheel overeen met het huidige
artikel 8:1, derde lid.
Artikel
8:3
Het
eerste lid komt overeen met het huidige
artikel 8:2. Tegen - kort gezegd - besluiten houdende algemeen verbindende
voorschriften of beleidsregels staat
geen beroep open. Zoals uiteengezet in
het kabinetsstandpunt over de tweede
evaluatie van de Awb
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 279, nr. 16, blz. 12-13),
acht de regering handhaving van deze
uitzondering geboden. In verband daarmee
zullen ook de bij het "uitstelwetje"
(Stb. 1998, 738) aangebrachte
wijzigingen in de Wet
voltooiing eerste fase herziening
rechterlijke organisatie (Stb. 1993, 650) worden geschrapt. Deze
wijzigingen hielden - kort gezegd - in dat
artikel 8:2 op een bij wet te
bepalen tijdstip zou vervallen.
Het
tweede lid komt overeen met het huidige
artikel 8:3 Awb.
Artikel
8:4
Artikel
8:4 zondert een aantal categorieën van
besluiten uit van de mogelijkheid van
beroep. Het artikel komt inhoudelijk
overeen met het huidige artikel
8:4. Met
het oog op de leesbaarheid is het echter
in vier leden onderverdeeld. Een
bijkomend voordeel hiervan is dat bij
wijzigingen van de opsomming - die,
naar de ervaring heeft geleerd, tamelijk
vaak nodig zijn - minder onderdelen
behoeven te worden vernummerd [lees:
verletterd, red.].
Het
eerste lid somt de uitgezonderde
besluiten op die in de Awb
zelf zijn
geregeld. Het tweede lid betreft
besluiten op het gebied van de defensie
en in verband met buitengewone
omstandigheden. Bij de in het derde lid
genoemde uitzonderingen gaat het telkens
om een beoordeling van bekwaamheden of
eigenschappen, die zich minder goed voor
rechterlijke toetsing leent. Het vierde
lid bevat de overige categorale
uitzonderingen.
rblz.|42|
Artikel
8:5
Eerste
lid
Het
eerste lid is zakelijk gelijk aan het
huidige artikel
8:5, eerste lid. Het
zondert besluiten op grond van bepaalde,
in hoofdstuk 1
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
opgesomde,
wettelijke voorschriften uit van de
mogelijkheid van beroep.
Tweede
lid
Het
tweede lid komt overeen met het huidige
artikel 8:6, tweede lid. Het huidige
tweede lid van artikel 8:5
(overgangsrecht bij wijziging van de bijlage) is verplaatst naar het
voorgestelde artikel
11:3.
Artikel
8:6
Algemeen
Dit
artikel regelt de absolute bevoegdheid
van de verschillende bestuursrechters in
eerste aanleg. Met andere woorden: het
regelt bij welke bestuursrechter beroep
in eerste - en soms ook enige - aanleg kan worden ingesteld.
Eerste
lid
Het
eerste lid bevat de hoofdregel: het
beroep kan worden ingesteld bij de
rechtbank (vergelijk het huidige artikel
8:1, eerste lid), tenzij de wet een
andere bestuursrechter aanwijst
(vergelijk het huidige artikel
8:6, eerste
lid). De wet die andere bestuursrechters
aanwijst, is voortaan echter de Awb
zelf, meer in het bijzonder de tweede
bijlage bij de
wet, de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Zekerheidshalve is
tevens rekening gehouden met de
mogelijkheid dat in
uitzonderingsgevallen de bevoegde
bestuursrechter wordt aangewezen door
een andere wettelijk voorschrift.
Tweede
lid
Het
tweede lid bevat een inhoudelijke
verandering ten opzichte van de thans
bestaande bevoegdheidsverdeling.
Ingevolge
het tweede lid staat beroep open op de
hogerberoepsrechter tegen een besluit
dat is genomen naar aanleiding van een
uitspraak van de hogerberoepsrechter die
daartoe verplicht, indien de
hogerberoepsrechter dit in zijn
uitspraak bepaalt. Tegen zo’n besluit
staat dus niet opnieuw in twee
instanties beroep open; er is sprake van
sprongberoep. Voor een algemene
toelichting zij verwezen naar paragraaf
3.10 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Gekozen
is voor de door de commissie-Ilsink ¹ voorgestelde variant waarbij de
hogerberoepsrechter beoordeelt of
sprongberoep is aangewezen. Doorgaans
zal dit het geval zijn, omdat een
eventueel nieuw geschil over het nieuwe
besluit meestal beperkter van omvang is
dan het geschil over het eerste besluit.
Met de commissie-Ilsink is de regering
echter van mening dat het kan voorkomen
dat bij het nieuwe besluit nieuwe
kwesties spelen die nog helemaal niet
aan de orde zijn geweest in de eerste
procedure. In zo’n geval kan een
hernieuwde behandeling in twee
instanties zijn aangewezen. Een
facultatieve variant waarbij het oordeel
aan de hogerberoepsrechter wordt
overgelaten, heeft dan ook de voorkeur.
Voor onduidelijkheid behoeft niet te
worden gevreesd, omdat in voorkomende
gevallen in de beslissing op het hoger
beroep zal worden aangegeven waar men in
beroep kan komen tegen het nieuwe
besluit van het bestuursorgaan.
rblz.|43|
Een
alternatief voor de facultatieve variant
zou zijn de bepaling dat altijd sprake
is van sprongberoep indien het
bestuursorgaan als gevolg van een
uitspraak van de hogerberoepsrechter een
nieuw besluit neemt, met de mogelijkheid
de behandeling van het beroep tegen dat
besluit te verwijzen naar de
rechtbank als daartoe aanleiding is. Een nadeel
hiervan is dat dit een minder
inzichtelijke regeling is dan de
facultatieve variant, zonder dat daar
voordelen ten opzichte van deze variant
tegenover staan. Daarom is van dit
alternatief afgezien.
1.
"Toepassing en effecten van de
Algemene wet bestuursrecht
2002-2006", Kamerstukken II
2006-2007, 29 279, nr. 51.
Artikel
8:7
Het
eerste en het tweede lid komen overeen
met het huidige artikel
8:7. Het derde
lid is toegevoegd voor de gevallen
waarin beroep in eerste aanleg openstaat
bij een gerechtshof. Dit komt sinds de
inwerkingtreding van de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties
(Stb. 2004, 672) nog
sporadisch voor. Zie bijvoorbeeld
artikel 59, zevende lid, juncto 95 en
97
Wet financiering sociale verzekeringen
(beschikkingen omtrent sectorindeling en
-aansluiting van werkgevers). Het vierde
lid ziet op de gevallen waarin het
beroep in eerste aanleg is
geconcentreerd bij één of enkele rechtbanken.
Artikel
8:8
Dit
artikel komt grotendeels overeen met het
huidige artikel
8:8. Er is echter een
vijfde lid toegevoegd, met het oog op de
gevallen waarin beroep in eerste aanleg
openstaat bij een gerechtshof.
Artikel
8:9
Dit
artikel komt overeen met het huidige
artikel 8:9.
Onderdeel
DD (artikel 8:10a)
Het
eerste tot en met derde en het vijfde
lid van dit artikel komen overeen met de
huidige artikelen 46 (36-oud), tweede
tot en met vijfde lid, Wet
RvS, 17,
tweede tot en met vijfde lid, Beroepswet
en 19, tweede tot en met vijfde lid, Wbbo. Bij andere bestuursrechters dan de
rechtbank geldt de hoofdregel dat een
zaak in behandeling wordt genomen door
een meervoudige kamer van drie leden.
Deze kan de zaak echter verwijzen naar
een enkelvoudige kamer indien zij
daarvoor geschikt is. Bij de rechtbanken
geldt de omgekeerde regel. De thans nog
bestaande regel dat een zaak die door
de rechtbank meervoudig is behandeld, in
hoger beroep niet naar een enkelvoudige
kamer kan worden verwezen, is geschrapt,
omdat daaraan geen behoefte meer
bestaat. Voor een nadere toelichting zij
verwezen naar paragraaf
3.8 van het
algemeen deel van deze toelichting.
Het
vierde lid introduceert voor
bestuursrechters die in hoogste aanleg
rechtspreken de mogelijkheid dat de
meervoudige kamer de zaak verwijst naar
een grote kamer van vijf leden. Voor een
toelichting daarop zij verwezen naar
paragraaf 3.5 van het algemeen deel
van deze toelichting.
Onderdeel
EE (artikel
8:12)
Omdat
artikel 8:12 voortaan niet langer
uitsluitend voor de
rechtbank, maar ook
voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters geldt, is
"de rechtbank" vervangen door: de
bestuursrechter. Zie ook paragraaf
2.1
van het algemeen deel van deze
toelichting.
Onderdeel
FF (artikel 8:12a)
rblz.|44|
Eerste
lid
De kern
van de regeling wordt gevormd door de
bevoegdheid om te bepalen dat een
conclusie wordt genomen. Deze
bevoegdheid komt toe aan de voorzitter
onderscheidenlijk president van het
betrokken college. Dit is een waarborg
dat slechts in zaken die van voldoende
belang zijn voor de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling een conclusie wordt
gevraagd. Voorts waarborgt het enige
distantie tussen de persoon die de
conclusie neemt en de kamer die op het
beroep beslist. Uiteraard kan de
voorzitter of president zich bij de
uitoefening van deze bevoegdheid laten
vervangen op gelijke wijze als bij zijn
andere bevoegdheden. Het eerste lid
noemt de ABRvS, de
CRvB en het
CBb
uitdrukkelijk, om duidelijk te maken dat
de gerechtshoven die oordelen over het
hoger beroep in belastingzaken niet de
bevoegdheid hebben om een conclusie te
vragen. Anders dan de drie genoemde
colleges oordelen de gerechtshoven
immers niet in hoogste instantie, omdat
nog beroep in cassatie openstaat.
De
bevoegdheid om een conclusie te vragen,
is beperkt tot zaken die in behandeling
zijn bij een meervoudige of grote kamer.
Het is de bedoeling dat alleen
conclusies worden genomen in een beperkt
aantal belangrijke zaken. Het oordeel
dat een zaak belangrijk genoeg is voor
een conclusie is niet te rijmen met
verwijzing van de zaak naar een
enkelvoudige kamer.
Omdat de
conclusie voor het bestuursrecht (met
uitzondering van het belastingrecht) een
nieuwe figuur is, is ervoor gekozen de
conclusie te laten nemen door een lid
van het college vraagt [lees: het
college dat vraagt, red.], dan wel (zie het
tweede lid) van één van de andere
betrokken colleges. Er behoeft dus geen
aparte organisatie te worden opgezet.
Dit sluit niet uit dat personen juist
met het oog op het nemen van conclusies
in één van de betrokken colleges worden
benoemd.
Tweede
lid
Elk van
de betrokken colleges kan ook een lid
van één van de andere betrokken colleges
om een conclusie vragen. Uiteraard is
daarvoor wel de instemming van de
voorzitter onderscheidenlijk president
van dat andere college nodig. Daartoe
kan aanleiding zijn als dat andere
college beschikt over bijzondere
deskundigheid op het gebied van de
rechtsvragen die in de desbetreffende
zaken spelen. Ook kan langs deze weg een
bijdrage worden geleverd aan de
onderlinge afstemming van de
jurisprudentie van de drie colleges over
kwesties waarmee zij alle drie te maken
hebben.
Derde lid
Het derde
lid stelt enige vanzelfsprekende eisen
aan vorm en inhoud van de conclusie.
Vierde
lid
De
conclusie wordt genomen na de sluiting
van het onderzoek ter zitting. Dit
voorkomt dat de conclusie voorwerp
wordt van het debat tussen partijen op
de zitting en waarborgt dat degene die
de conclusie neemt voldoende is
voorgelicht over de standpunten van
partijen en de geschilpunten die hen
verdeeld houden. Dat is ook het meest
praktisch en voorkomt onnodig werk. Het
is immers mogelijk dat in een zaak een
rechtsvraag wordt opgeworpen die op
zichzelf het vragen van een conclusie
zou rechtvaardigen, maar dat na afloop
van de zitting blijkt dat deze
rechtsvraag niet behoeft te worden
beantwoord omdat de voorliggende zaak op
een andere grond kan worden afgedaan.
Voor het
nemen van een conclusie wordt een
termijn gesteld van zes weken. Aldus
blijft de verlenging van de procedure
door het nemen van een conclusie beperkt.
rblz.|45|
De
tweede
volzin voorkomt dat voor het vragen van
een conclusie een uitdrukkelijke
beslissing tot schorsing of heropening
van het onderzoek ter zitting moet
worden genomen.
Vijfde
lid
Het
vijfde lid bepaalt dat partijen
schriftelijk op de conclusie kunnen
reageren. Dit is een vereiste dat
voortvloeit uit artikel 6 EVRM (EHRM 30
oktober 1991, NJ 1992, 73 m.nt. EAA (Borgers)).
De termijn van twee weken is gelijk aan
de termijn die ook de Hoge Raad
hanteert
voor een reactie op een conclusie.
Zesde lid
De
conclusie wordt bekendgemaakt op
dezelfde wijze als een uitspraak. Derden
kunnen op dezelfde wijze als bij een
uitspraak afschriften van de conclusie
verkrijgen.
Zevende
lid
Het
spreekt vanzelf dat degene die de
conclusie neemt niet tevens als rechter
over de zaak mag oordelen. Uit artikel 6
EVRM vloeit voorts voort dat hij niet
aanwezig mag zijn bij de beraadslaging
in raadkamer over de zaak (EHRM 7 juni
2001, NJ 2001, 592 (Kress)).
Achtste
lid
Het
achtste lid stelt buiten twijfel dat een
conclusie niets minder of meer is dan
een aan de bestuursrechter gericht
advies.
Onderdeel
GG (artikel
8:13)
Ook in
artikel 8:13 (verwijzing) is rekening
gehouden met het geval dat beroep in
eerste aanleg openstaat bij een gerechtshof.
Onderdeel
HH (artikel 8:13a)
Artikel 8:13a
is overbodig geworden doordat het
nieuwe artikel 6:19 de doorverwijzing
van een zaak meer in het algemeen
regelt.
Onderdelen
II (artikel
8:14), JJ
(artikelen
8:18, 8:20,
8:21, 8:22,
8:24 en
8:25), KK
(artikel
8:26), LL
(artikelen
8:27,en 8:28),
MM
(artikel 8:28a),
NN
(artikel
8:29), OO
(artikel
8:31) en PP
(artikelen
8:32, 8:33,
8:35, 8:36,
8:37,
8:39 en 8:40)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door
"hij" en "haar" door: hem.
Onderdeel
QQ (titel
8.2)
In het
opschrift van titel 8.2 is tot
uitdrukking gebracht dat de titel
slechts rechtstreeks van toepassing is
op de behandeling van het beroep in
eerste aanleg.
Onderdeel
RR (artikel
8:41)
Dit
artikel regelt het griffierecht voor het
beroep in eerste aanleg en is qua
strekking gelijk aan het huidige artikel
8:41. Het verschil is dat het tweede lid
nu voor de wetten waarvoor het lage
griffierechttarief geldt, verwijst naar
de Regeling verlaagd griffierecht en
niet langer naar de bijlage bij de
Beroepswet. Het lage griffierecht geldt
namelijk ook in een aantal gevallen
waarover niet de CRvB, maar een andere
bestuursrechter in hoogste aanleg
oordeelt. Voorts is het artikel - met
het oog op de leesbaarheid rblz.|46|
ervan - redactioneel aangepast, onder meer door
splitsing van enkele leden. Zie ook
paragraaf 2.4 van het algemeen deel van
deze toelichting.
Onderdeel
SS (artikelen
8:42, 8:43 en
8:44)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door
"hij" en "haar" door: hem.
Onderdeel
TT (artikel
8:45)
Algemeen
Behoudens
de vervanging van "rechtbank" door
"bestuursrechter" vloeien deze
wijzigingen voort uit Verordening (EG)
1/2003. In zoverre zij verwezen naar
hoofdstuk 5 van het algemeen deel van
deze toelichting.
In het
vierde tot en met zesde lid van artikel
8:45 wordt artikel 15, eerste lid, van
de verordening uitgewerkt (vergelijk
artikel 89i Mw
en de artikelen 67 en 68 Rv). Gelet op de inrichting van het
bestuursproces is het passend het
procedurele kader rond de bevoegdheid
van de bestuursrechter tot het vragen
van inlichtingen of advies aan de
Europese Commissie onder te brengen in
afdeling 8.2.2, met bepalingen over het
vooronderzoek. In deze fase van de
beroepsprocedure verzamelt de
bestuursrechter de op de zaak betrekking
hebbende informatie, met de mogelijkheid
om deskundigen te consulteren. Plaatsing
in deze fase is bovendien aangewezen
omdat partijen een schriftelijke
zienswijze kunnen geven over de
inlichtingen of het advies.
Artikel
8:45 bevat de bevoegdheid van de
bestuursrechter om partijen of anderen
te vragen inlichtingen of stukken te
verstrekken. Het verzoek van de
bestuursrechter aan de Europese
Commissie om inlichtingen of advies is
te zien als een bijzondere uitwerking
van deze algemene bevoegdheid.
Vierde
lid
In
overeenstemming met aanwijzing 340 van
de Aanwijzingen
voor de regelgeving omschrijft het vierde lid niet de
bevoegdheid zelf van de bestuursrechter
om de Europese Commissie om inlichtingen
of advies te vragen over de toepassing
van de artikelen 101 of 102 van het
Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie [WEU, red.] (voorheen artikelen 81 en
82 van het EG-verdrag). In dit lid zijn
het eerste en tweede lid van artikel 89i
Mw
samengevoegd. De formulering van de
eerste volzin is ontleend aan artikel
8:47, derde lid (voornemen tot benoemen
deskundigen), en wijkt om die reden af
van die van artikel 89i, eerste lid,
Mw.
Vijfde
lid
Op het
verstrekken van inlichtingen of stukken
door de Europese Commissie aan de
bestuursrechter is artikel
8:29, vijfde
lid, van overeenkomstige toepassing
verklaard. Dit correspondeert met
hetgeen in het tweede en derde lid van
artikel 8:45 voor bestuursorganen en
werkgevers is bepaald. Het van
overeenkomstige toepassing verklaren
vloeit voort uit het feit dat artikel
8:29 slechts ziet op stukken die moeten
worden overgelegd en dat de Europese
Commissie informatie of advies mag
verstrekken.
Het van
overeenkomstige toepassing verklaren van
artikel 8:29 sluit overigens aan bij
punt 25 van de Mededeling van de
Commissie. De Europese Commissie zal de
(bestuurs)rechter met het oog op de
geheimhoudingsplicht van artikel 339 WEU
(voorheen artikel 287 van het
EG-verdrag) vragen of hij de bescherming
van vertrouwelijke inlichtingen rblz.|47|
en
zakengeheimen kan en zal garanderen. Met
het van overeenkomstige toepassing
verklaren van artikel 8:29 kan de
bestuursrechter de geheimhouding van
deze gegevens garanderen.
De (bestuurs)rechter
kan de Europese Commissie geen termijn
stellen voor het verstrekken van
inlichtingen of advies. Artikel 89i
Mw
en de artikelen 67 en 68 Rv
bevatten
hiervoor evenmin een termijn. De
Commissie heeft in de Mededeling
uitdrukkelijk een aantal termijnen
genoemd: voor inlichtingen één maand
(punt 22 van de Mededeling) en voor
advies vier maanden (punt 28 van de
Mededeling). Daarbij is steeds
uitdrukkelijk aangegeven dat het een inspanningsverplichting betreft. Beide
elementen vormen een contra-indicatie
voor het stellen van een termijn door de
bestuursrechter.
Zesde lid
De
formulering van het zesde lid is
aangepast aan de Awb-terminologie, door
gebruik van de term "zienswijze" in
plaats van het in artikel 89i, vierde
lid, Mw
gebruikte begrip "mening". De
formulering is ontleend aan artikel
8:47, vijfde en zesde lid. Artikel 89i,
vierde lid, Mw
bepaalt dat de
bestuursrechter een termijn vaststelt.
Gelet op de systematiek in de Awb en met
het oog op een uniforme toepassing van
termijnen verdient het echter de
voorkeur de termijn in de wet te fixeren
en de bestuursrechter de mogelijkheid te
geven daarvan af te wijken (gelijk aan
artikel 8:47, vijfde en zesde lid, ten
aanzien van het deskundigenbericht).
Artikel 89i, derde lid,
Mw
bepaalt dat de
griffier een afschrift van het antwoord
op het verzoek om inlichtingen of van
het advies aan partijen zendt. Deze
bepaling is overbodig in het licht van
artikel 8:39, eerste lid, waarin is
bepaald dat de griffier de op de zaak
betrekking hebbende stukken aan partijen
toezendt en is om die reden niet
overgenomen.
Als de
raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit (RvB NMa) zijn
zienswijze laat vergezellen door stukken
waarvan volgens hem geheimhouding
noodzakelijk is, kan hij verzoeken dat
slechts de bestuursrechter kennis van de
betreffende stukken zal mogen nemen
(vergelijk artikel
8:29, eerste lid). In
zo’n geval ligt het voor de hand dat
de bestuursrechter de procedure volgt
die is beschreven in artikel 13
Procesregeling
bestuursrecht 2008 (Stcrt.
2008, 114, blz. 19;
rechtbank) [zie Procesregeling
bestuursrecht 2010, red.] of
artikel 12 Procesregeling
bestuursrechtelijke colleges 2006 (Stcrt.
2005, 250, blz. 49; ABRvS,
CRvB
en
CBb).
Onderdeel
UU (artikel 8:45a)
Algemeen
Deze
wijzigingen vloeien voort uit
Verordening (EG) 1/2003. In zoverre zij
verwezen naar hoofdstuk 5
van het
algemeen deel van deze toelichting.
Het betreft een uitwerking van artikel 15,
derde lid, van de verordening, welk artikel
bepaalt dat de Europese Commissie en de
raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit (RvB NMa)
opmerkingen kunnen maken zonder dat zij
partij zijn in een zaak (vergelijk de
artikelen 89h Mw
en 44a Rv). Deze
mogelijkheid wordt ook wel aangeduid als
de "amicus curiae-bevoegdheid".
Deze
bepaling is geplaatst in artikel 8:45a.
Het kenbaar maken door de Europese
Commissie en de RvB NMa van de wens om
uit eigen beweging opmerkingen te maken
in een zaak zal doorgaans in de fase
van het vooronderzoek plaatsvinden.
Omwille van de duidelijkheid en
overzichtelijkheid is gekozen voor
plaatsing direct na artikel
8:45. Aldus
blijven de bepalingen met betrekking tot
de verordening dicht bij elkaar staan.
rblz.|48|
Eerste
lid
Artikel
15, derde lid, van de verordening bevat geen
procedureel kader. In punt 17 van de
Mededeling is aangegeven dat de
lidstaten - bij gebreke aan
communautaire procedureregels en voor
zover dit nodig is om deze vormen van
bijstand te vergemakkelijken - passende procedureregels moeten
vaststellen die zowel de nationale
rechterlijke instanties als de Europese
Commissie in staat stellen ten volle
gebruik te maken van de door de
verordening geboden mogelijkheden. In
punt 34 van de Mededeling is over de
zogeheten "amicus
curiae-bevoegdheid"
uitdrukkelijk aangegeven dat de
procedurevoorschriften en praktijken van
de lidstaten het relevante procedurele
kader bepalen.
Artikel
15, derde lid, van de verordening bevat geen
bepaling die regelt dat de Europese
Commissie en de RvB NMa de
rechtbank op
de hoogte moeten stellen van hun
voornemen om opmerkingen te maken in een
zaak. Met het oog op een goede
procesorde is het echter wenselijk een
regeling ter zake te treffen. Dit
voorkomt immers dat de bestuursrechter
wordt "overvallen" door dergelijke
schriftelijke opmerkingen en dat hij
daarmee bij het stellen van een termijn
of de vaststelling van een datum voor
een andere proceshandeling geen rekening
heeft kunnen houden. Om die reden
bepaalt het eerste lid dat de Europese
Commissie en de RvB NMa de wens tot het
maken van schriftelijke opmerkingen
kenbaar moeten maken aan de
bestuursrechter. Dit is in de artikelen
89h, eerste lid, Mw
en 44a Rv
op gelijke
wijze geregeld.
Artikel
15, derde lid, van de verordening bevat evenmin
een termijn voor het maken van
schriftelijke opmerkingen. In artikel
8:45a, eerste lid, krijgt de
bestuursrechter de bevoegdheid daarvoor
een termijn vast te stellen (vergelijk
de artikelen 89h, eerste lid, Mw
en
44a
WBRV [Wet
op belastingen van rechtsverkeer, red.]). Anders dan bij het verstrekken
van inlichtingen of advies door de
Europese Commissie (zie de toelichting
op artikel 8:45, vijfde lid) noemt de
Mededeling geen specifieke termijn en
gaat het hier niet om een
inspanningsverplichting. De mogelijkheid
tot het stellen van een termijn is uit
een oogpunt van een goede procesorde te
verkiezen. Bovendien zijn vrijwel alle
proceshandelingen in de Awb
aan een
termijn gebonden. Om deze redenen past
het om deze bevoegdheid van de Europese
Commissie en de RvB NMa aan een termijn
te kunnen verbinden. Indien de
bestuursrechter geen termijn stelt,
geldt dat de opmerkingen tot tien dagen
vóór de zitting kunnen worden ingediend
(artikel 8:60a, eerste lid).
Tweede
lid
De
Europese Commissie en de RvB NMa kunnen
ook mondelinge opmerkingen maken. De
bestuursrechter dient daarvoor wel eerst
toestemming te verlenen. Artikel 89h,
eerste lid, Mw
bepaalt dat de mondelinge
opmerkingen van de Commissie of de RvB
NMa ter zitting worden gemaakt. De
mondelinge opmerkingen kunnen echter ook
al tijdens het vooronderzoek worden
gemaakt op een daarvoor bestemde zitting
(vergelijk het horen van partijen en
getuigen tijdens het vooronderzoek,
artikelen 8:44 en 8:46). Het tweede lid
biedt daartoe de gelegenheid. Voor het
maken van mondelinge opmerkingen ter
zitting wordt in artikel 8:60a
een
voorziening getroffen. Partijen kunnen
ook over mondelinge opmerkingen
schriftelijk hun zienswijze geven
(vierde lid). Juist vanwege de
mogelijkheid voor partijen tot het geven
van een zienswijze kan het in de rede
liggen de mondelinge opmerkingen ter
comparitie te laten maken.
Derde lid
In het
derde lid is bepaald dat de
bestuursrechter van het verstrekken van
de stukken mededeling doet aan partijen.
De bestuursrechter behoort rblz.|49|
partijen
daarover te informeren, hetgeen
impliciet kan worden afgeleid uit de
artikelen 89h, tweede lid, en 44a,
tweede lid, Rv. Deze artikelen bevatten
namelijk de mogelijkheid voor partijen
om hun mening te geven over de te
verstrekken stukken. Het geven van een
zienswijze over de te verstrekken
stukken wordt echter niet nodig
bevonden.
De
bestuursrechter kan geen stukken aan de
Europese Commissie of de RvB NMa
verstrekken waarvan de kennisneming op
grond van artikel 8:29 aan hem is
voorbehouden. Indien daaraan behoefte
bestaat, kan een partij in het kader van
de zienswijze naar aanleiding van de
opmerkingen van de Europese Commissie of
de RvB NMa (artikel 8:45a, vierde lid)
haar mening geven over een stuk dat de
bestuursrechter aan de Commissie of de
RvB NMa heeft verstrekt.
Vierde
lid
De
formulering van het vierde lid is
ontleend aan artikel
8:47, vijfde en
zesde lid. Zie verder de toelichting
op artikel 8:45, zesde lid. De bepaling in
artikel 89h, derde lid, Mw
dat de
bestuursrechter partijen in staat kan
stellen op elkaars opmerkingen te
reageren, is niet overgenomen. Het past
niet in de systematiek van de Awb
om in
artikel 8:45a een dergelijke bepaling op
te nemen. Een dergelijke bepaling
ontbreekt immers ook in het kader van de
artikelen 8:43, tweede lid, 8:44 en
8:47. Partijen die willen reageren op
elkaars zienswijze over de opmerkingen
van de Commissie of de RvB NMa kunnen
dat doen ofwel bij re- en dupliek ofwel
in hun pleidooi ter zitting.
Onderdelen
VV (artikelen 8:46 en
8:47), WW
(artikel
8:49), XX
(artikel
8:50), YY
(artikel
8:51), ZZ
(artikel 8:51a) en
AAA
(artikelen 8:51b
en 8:51c)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door
"hij" en "haar" door: hem.
Onderdeel
BBB (artikel 8:51d)
Dit
artikel betreft de toepassing van de
"bestuurlijke lus" door de hoogste
rechter. Anders dan de
rechtbank kan de
hoogste rechter het bestuursorgaan niet
slechts in de gelegenheid stellen, maar
opdragen om een gebrek in een besluit te
herstellen. Deze regel komt overeen met
de huidige artikelen 46, zesde lid, en
49, zesde lid, Wet
RvS (artikelen 36 en 39-oud), 17, zesde lid,
en 21, zesde lid, Beroepswet
en 19,
zesde lid, en 22, zesde lid, Wbbo.
Onderdeel
CCC (artikel
8:52)
Algemeen
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door
"hij" en "haar" door: hem.
Tweede
lid
De
termijn waarbinnen de griffierechten
moeten zijn ontvangen, is in het te
wijzigen artikel 8:41 niet langer
opgenomen in het tweede maar het vijfde
lid. Dit noodzaakt tot aanpassing van
artikel 8:52, tweede lid.
rblz.|50|
Het
tweede lid verschaft de bestuursrechter
de bevoegdheid verschillende termijnen
te verkorten. Dit geldt thans echter
niet voor de termijn, bedoeld in artikel
8:58, eerste lid, voor het indienen van
nadere stukken door partijen. In het
kader van een goede procesorde is het
van belang dat de bestuursrechter en
partijen tijdig van nadere stukken
kunnen kennisnemen.
De
zogeheten "tiendagentermijn" kan
echter knellen bij versnelde behandeling
als de bestuursrechter op zeer korte
termijn een zitting belegt, incidenteel
zelfs binnen tien dagen na ontvangst van
het beroepschrift. De Raad van State
heeft hierop in zijn "terugkoppelingsadvies" ook
gewezen.¹
In zo’n geval kan afweging van het
belang bij tijdige beschikbaarheid van
alle gedingstukken tegen het belang bij
behandeling van het beroep op korte
termijn leiden tot het oordeel dat een
kortere termijn voor indiening van
stukken is gerechtvaardigd.
Daarom
krijgt de bestuursrechter de bevoegdheid
om - in afwijking van artikel
8:58,
eerste lid - een termijn vast te
stellen van minder dan tien dagen. Omdat
een kortere termijn niet altijd nodig of
wenselijk zal zijn, is er niet voor
gekozen bij versnelde behandeling per
definitie een kortere indieningstermijn
te laten gelden, zoals bij een
voorlopige voorziening het geval is (artikel
8:83, eerste lid).
1.
Kamerstukken II 2005-2006. 30 300 VI,
nr. 169, blz. 14.
Onderdelen
DDD (artikel
8:53), EEE
(artikel
8:54)
en FFF
(artikel 8:54a)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door
"hij" en "haar" door: hem.
Onderdeel
GGG (artikel
8:55)
Artikel
8:55 is met het oog op de leesbaarheid
opnieuw uitgeschreven, maar behoudens
enige redactionele wijzigingen
(waaronder de vervanging van "rechtbank" door
"bestuursrechter")
zijn alleen het vijfde en het tiende lid
nieuw. Deze nieuwe bepalingen maken het
mogelijk dat, kort gezegd, het horen van
de indiener van een verzetschrift
geschiedt op een "gewone" zitting,
waarop dan in voorkomende gevallen
tevens het beroep in de hoofdzaak kan
worden behandeld. Deze "kortsluiting"
is mogelijk indien alle partijen zijn
opgeroepen voor de zitting en daarbij
zijn gewezen op de mogelijkheid dat ook
de hoofdzaak ter sprake zal komen en de
rechter van oordeel is dat nader
onderzoek niet nodig is.
Onderdelen
HHH (artikel 8:55b) en
III
(artikel
8:55c)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door: hij.
In dit
kader is relevant om te constateren dat
het beroep tegen het uitblijven van een
besluit moet worden ingesteld bij de
bestuursrechter die in eerste aanleg mag
oordelen over beroepen tegen het
corresponderende reële besluit (ABRvS 29
augustus 1996, JB 1996/200, en CRvB
16
januari 2007, JB 2007/77; vergelijk ook
ABRvS 1 februari 2006, JB 2006/77).
Hieruit valt af te leiden dat ook de ABRvS, de CRvB en het
CBb op grond van
artikel 8:55b, eerste lid, kunnen worden
geadieerd.
Onderdeel
JJJ (artikel 8:55d)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door: hij.
rblz.|51|
In
het
tweede lid is verduidelijkt dat ook de
in dit artikel bedoelde dwangsom kan
worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig
de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Onderdelen
KKK (artikelen 8:55e
en 8:55f),
LLL
(artikel
8:56), MMM
(artikel
8:57) en NNN (artikelen 8:59 en
8:60)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door: hij.
Onderdeel
OOO (artikel 8:60a)
Algemeen
Deze
wijzigingen vloeien voort uit
Verordening (EG) 1/2003. In zoverre zij
verwezen naar hoofdstuk 5
van het
algemeen deel van deze toelichting.
Eerste
lid
Op grond
van artikel 8:45a, eerste lid, kan de
bestuursrechter de Europese Commissie en
de RvB NMa een
termijn stellen voor het indienen van de
schriftelijke opmerkingen. Laat de
bestuursrechter dit achterwege, dan
geldt ingevolge het eerste lid dat de
opmerkingen tot tien dagen vóór de
zitting kunnen worden gemaakt. De
termijn van tien dagen is een termijn
van orde die een goed verloop van de
procedure waarborgt. Deze termijn sluit
aan bij hetgeen voor partijen is
geregeld. Ook partijen kunnen tot tien
dagen vóór de zitting nadere stukken
indienen (artikel
8:58, eerste lid). Als
zij te laat zijn, is de bestuursrechter
niet meer verplicht hun stukken of
opmerkingen bij de zaak te betrekken.
Voor de
schriftelijke opmerkingen van de
Europese Commissie of de RvB NMa geldt
hetzelfde. Worden de opmerkingen korter
dan tien dagen vóór de zitting
ingediend, dan is het aan de
bestuursrechter om te bepalen of deze
nog in het geding worden toegelaten. Na
het indienen van de opmerkingen kan de
bestuursrechter beslissen dat de zitting
wordt verdaagd en het onderzoek wordt
geschorst (artikel
8:64, eerste lid).
Partijen moeten immers in de gelegenheid
worden gesteld een schriftelijke
zienswijze te geven over de opmerkingen.
Het kan de bestuursrechter geschikt
voorkomen de zitting eerst na het
indienen van de zienswijzen te laten
plaatsvinden.
Tweede
lid
De
Europese Commissie en de RvB NMa kunnen
ook mondelinge opmerkingen maken ter
zitting. Aangezien artikel 8:45a
zich
alleen uitstrekt over het vooronderzoek,
is voor het maken van mondelinge
opmerkingen ter zitting een
afzonderlijke bepaling nodig. Indien de
Commissie of de RvB NMa te laat is met
het indienen van schriftelijke
opmerkingen, ligt het in de rede dat de
bestuursrechter in verband met de goede
procesorde ook toestemming zal weigeren
voor het - op zo korte termijn - maken van mondelinge opmerkingen ter
zitting.
Derde lid
Indien de
wens tot het maken van mondelinge
opmerkingen pas na afsluiting van het
vooronderzoek aan de bestuursrechter
kenbaar wordt gemaakt, kan de Europese
Commissie of de RvB NMa de
bestuursrechter om stukken vragen, met
het oog op de voorbereiding van hun
opmerkingen. rblz.|52|
Partijen moeten op de
hoogte worden gebracht van de
verstrekking van die stukken. Daarom is
artikel 8:45a, derde lid, van
overeenkomstige toepassing verklaard.
Ook voor
mondelinge opmerkingen ter zitting geldt
dat partijen daarop nog moeten kunnen
reageren. De zienswijze kan uiteraard al
mondeling ter zitting worden gegeven.
Daarnaast moeten partijen echter ook de
gelegenheid krijgen om hun zienswijze
schriftelijk naar voren te brengen. Dit
wordt bereikt door het van
overeenkomstige toepassing verklaren van
artikel 8:45a, vierde lid. De
bestuursrechter kan in dat geval het
onderzoek ter zitting schorsen (artikel
8:64, eerste lid).
Onderdeel
PPP (artikel
8:61)
De
wijziging van het tweede lid impliceert
dat niet langer steeds een
proces-verbaal van de zitting behoeft te
worden opgemaakt indien hoger beroep is
ingesteld. Dit is slechts nog vereist
indien de hogerberoepsrechter daarom
vraagt. Dit bespaart onnodig werk. Voor
een verdere motivering zij verwezen naar
de toelichting
op artikel 8:107.
Onderdelen
QQQ (artikel
8:62), RRR
(artikel
8:63), SSS (artikel
8:64), TTT
(artikel
8:65), UUU (artikel
8:66), VVV
(artikel
8:67), WWW (artikel
8:68) en XXX
(artikel
8:69)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door: hij.
Voorts is in artikel
8:67, vijfde lid,
"administratieve rechter" vervangen
door: bestuursrechter.
Onderdeel
YYY (artikel 8:69a)
Hiervoor - in paragraaf
3.7 van het algemeen
deel van deze toelichting - is reeds
aangegeven dat en waarom is gekozen voor
invoering van een relativiteitsregel in
het bestuursprocesrecht. Dit noodzaakt
tot het maken van een keuze tussen drie
door De Poorter c.s.¹ onderscheiden
varianten, namelijk (1) de ruime
relativiteitsregel, (2) de strikte
relativiteitsregel en (3) het verbod om
zich te beroepen op contraire belangen.
De ruime
relativiteitsregel. In deze leer kan een
belanghebbende een besluit slechts in
rechte aanvechten als de regeling waarop
het bestreden besluit berust mede
strekt tot bescherming van de belangen
van de eisende partij. Hier moet de
bestuursrechter de vraag welke belangen
worden beschermd dus beantwoorden aan
de hand van het globale doel van de
regeling als geheel.
De
strikte relativiteitsregel. In deze leer
kan een belanghebbende een besluit
slechts in rechte aanvechten als het
concrete voorschrift dat volgens de
eisende partij is geschonden mede
strekt tot bescherming van de belangen
van de eisende partij. Hier moet de
bestuursrechter de vraag welke belangen
worden beschermd niet op het niveau van
de regeling als geheel, maar per
afzonderlijk voorschrift beantwoorden.
Een
verbod om zich te beroepen op contraire
belangen. In de leer van de contraire
belangen wordt een belanghebbende in
vergelijking met de heersende leer
slechts in zoverre beperkt in hetgeen
hij kan aanvoeren dat hij geen
schendingen aan de orde kan stellen van
normen die specifiek het - aan het
belang van appellant tegengestelde - belang van anderen beschermen. In deze
opvatting zou de concurrent dus nog
steeds kunnen klagen over verslechtering
van de luchtkwaliteit, maar de
villabewoner niet meer over de
geluidsoverlast voor de
woonwagenbewoners.
In
artikel 8:69a is gekozen voor een
strikte relativiteitsregel omdat dit het
meest recht doet aan de principiële
gedachte achter het
relativiteitsvereiste. Bovendien is de
strikte variant enerzijds effectiever
dan het verbod om zich te beroepen op
contraire belangen en biedt zij
anderzijds meer rblz.|53|
mogelijkheden tot
maatwerk dan de ruime
relativiteitsregel. De formulering biedt
voldoende ruimte om rekening te houden
met het soms ruime beschermingsbereik
van normen van Europese oorsprong en
aldus strijd met het Europese recht of
het Verdrag van Århus te voorkomen.
Voorts
is, zoals reeds in paragraaf
3.7 van
het algemeen deel van deze toelichting
is uiteengezet, in navolging van artikel
1.9 van de Crisis-
en herstelwet gekozen
voor een variant waarin de
bestuursrechter slechts van vernietiging
kan en moet afzien indien de geschonden
norm kennelijk - dus: evident - niet
strekt tot bescherming van de belangen
van de degene die de norm inroept.
De
voorgestelde bepaling is imperatief
geformuleerd. Beantwoording van de vraag
of een bepaald wettelijk voorschrift
strekt tot bescherming van degene die zich
op dat voorschrift beroept, heeft immers
invloed op de omvang van het geschil;
een aspect van openbare orde waaraan de
bestuursrechter ambtshalve aandacht
behoort te besteden. Bovendien zou een
facultatieve formulering - de
bestuursrechter kan toetsing van het
bestreden besluit aan een geschreven of
ongeschreven rechtsregel achterwege
laten - het gevaar van
rechtsongelijkheid meebrengen en
daarmee het risico van extra hoger
beroepen over de vraag of de
bestuursrechter artikel 8:69a
redelijkerwijs had mogen of juist moeten
toepassen.
Het
vorenstaande leidt tot de vraag welk
effect de voorgestelde
relativiteitsregel feitelijk zal hebben,
c.q. in welke mate het voorgestelde
artikel 8:69a daadwerkelijk invloed op
de beoordeling van beroepen en de
toetsing van bestreden besluiten zal
krijgen. Enkele voorbeelden kunnen dit
verduidelijken.
Eerste
voorbeeld: de bewoners van een villawijk
die zich verzetten tegen een besluit tot
vestiging van een woonwagenkamp in de
directe omgeving van deze wijk, met het
argument dat de woonwagenbewoners te
veel
geluidsoverlast ondervinden van een
nabijgelegen zwembad of spoorlijn (vgl. ABRvS
19 maart 2003, AB 2003, 191 m.nt.
deG). Het argument van de bewoners van
de villawijk is te herleiden tot de
stelling dat het bestreden besluit in
strijd komt met de Wet
geluidhinder. De
bestuursrechter mag deze stelling niet
betrekken bij de beoordeling van het
beroep en de toetsing van het bestreden
besluit, omdat de Wet geluidhinder in
dit concrete geval slechts het belang
van de woonwagenbewoners beoogt te
beschermen.
Artikel 8:69a
mag echter niet aan de bewoners
van de villawijk worden tegengeworpen
als deze betogen dat de geluidsoverlast
in en rond hun eigen woningen zal
toenemen door de geplande vestiging van
het woonwagenkamp. In dat geval strekt
de Wet geluidhinder namelijk wél tot
bescherming van de belangen van de
bewoners van de villawijk.
Tweede
voorbeeld: de ondernemer die opkomt
tegen de ontheffing van het ter plaatse
geldende bestemmingsplan de
bouwvergunning [lees: die opkomt tegen
de bouwvergunning, red.] voor realisering van een
supermarkt uit vrees voor daling van
zijn omzet/winst, met het argument dat
realisering van het bouwplan leidt tot
verslechtering van de luchtkwaliteit ter
plaatse (vergelijk ABRvS
5 april 2006, AB
2006, 183, m.nt. A.G.A. Nijmeijer onder
AB 2006, 184). Het argument van de
ondernemer is te herleiden tot de
stelling dat de bestreden vrijstelling
in strijd komt met de eisen die de Wet
milieubeheer en de daarop gebaseerde
uitvoeringsregelgeving stellen. De
bestuursrechter mag deze stelling niet
betrekken bij de beoordeling van het
beroep en de toetsing van het bestreden
besluit, omdat de Wet milieubeheer
slechts de belangen beschermt van
degenen die wonen in de directe
nabijheid van de geplande supermarkt.
Artikel 8:69a
mag echter niet aan de ondernemer
worden tegengeworpen als deze zijn
winkel in de directe nabijheid van de
geplande supermarkt exploiteert en boven
zijn winkel woont. In dat geval strekt
de Wet milieubeheer namelijk ook tot
bescherming van het belang van de
ondernemer in diens hoedanigheid van
omwonende.
rblz.|54|
Derde voorbeeld. A vraagt en krijgt een
bouwvergunning voor de realisering van
een trap in zijn woning die noodzaakt
tot aanpassing van de draagconstructie.
Buurman B en buurvrouw C maken
tevergeefs bezwaar; de bouwvergunning
blijft na heroverweging in stand. Zowel
B als C stellen tegen het besluit op
bezwaar beroep in bij de
rechtbank.
B stelt
dat de vormgeving van trap niet voldoet
aan de eisen die artikel 2.33, eerste
lid, Bouwbesluit 2003 stelt. Dit artikel
strekt echter slechts tot bescherming
van de veiligheid van degenen die
regelmatig verblijven in het gebouw waar
de trap is beoogd en niet tevens tot
behartiging van de belangen van
omwonenden die vrezen voor overlast
wegens bouwwerkzaamheden. Daarom mag de
rechtbank de stelling van B niet
betrekken bij de toetsing van het
besluit op bezwaar inzake de gewraakte
bouwvergunning.
C stelt
dat de inpandige verbouwing de
brandwerende voorzieningen aantast en
aldus leidt tot strijd met artikel 2.12,
eerste lid, Bouwbesluit 2003. Dit
artikel strekt tot bescherming van de
veiligheid van zowel degenen die
regelmatig verblijven in het gebouw waar
de trap is beoogd als de omwonenden.
Daarom moet de rechtbank de stelling C
wél betrekken bij de toetsing van het
besluit op bezwaar inzake de gewraakte
bouwvergunning.
Enige
andere voorbeelden:
• Een
concurrent kan zich niet beroepen op
welstandsbepalingen.
• Een
milieuorganisatie kan zich, agerend
tegen de uitbreiding van een luchthaven,
niet beroepen op de staatssteunregels
van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie.
• Een
bouwmarkt kan zich niet beroepen op de
normen voor luchtkwaliteit om de
vestiging van een concurrent tegen te
houden.
1.
"Herijking van het
belanghebbendebegrip. Een
relativiteitsvereiste in het
Awb-procesrecht?", Den Haag 2004.
Twee
aspecten verdienen nog kort de aandacht.
Ten eerste het beschermingsbereik van
procedurele normen. In beginsel geldt
het relativiteitsvereiste evenzeer voor
procedurele normen als voor materiële.
Dit laat zich illustreren aan de hand
van het voorbeeld van de hoorplicht van
de artikelen 4:7 en
4:8 Awb. Een
belanghebbende die ten onrechte niet is
gehoord, kan zich daar uiteraard op
beroepen, want in zoverre beschermt de
hoorplicht evident mede zijn belangen.
Maar hij kan zich er niet op beroepen
dat een andere belanghebbende ten
onrechte niet is gehoord.
Ten
tweede kent het privaatrecht in het
kader van het relativiteitsvereiste de
zogenaamde correctie-Langemeijer. Deze
houdt kort gezegd in dat een handeling
die in strijd is met een geschreven
rechtsregel die niet de belangen van
eiser beschermt, tevens in strijd kan
zijn met een ongeschreven
zorgvuldigheidsnorm die wél de belangen
van eiser beschermt. Zij is door de Hoge Raad
toegepast in het bekende
Tandartsen-arrest.¹ De Afdeling
bestuursrechtspraak heeft onlangs een
variant toegepast in de zaak van de
Amelandse benzinepompen.² In die zaak
kon een concurrent zich weliswaar niet
rechtstreeks beroepen op schending van
het bestemmingsplan, maar wel op de
rechtszekerheid die hij aan dat plan
moest kunnen ontlenen. Dit betrof echter
een schadevergoedingszaak; de
onrechtmatigheid van de verleende
bouwvergunning stond al vast. In de
context van een vernietigingsberoep
lijkt de ruimte voor een dergelijke
correctie beperkter. Ieder wettelijk
voorschrift beoogt per definitie mede de
rechtszekerheid te dienen, maar het kan
niet zo zijn dat het
relativiteitsvereiste langs deze weg
goeddeels van zijn werking zou kunnen
worden beroofd. Het gaat erom wiens
rechtszekerheid het voorschrift dient en
welke concrete verwachtingen een
belanghebbende daaraan mocht ontlenen.
1. HR
17 januari 1958, NJ 1961, 568.
2. ABRvS
24 december 2008, AB 2009, 213 m.nt.
B.P.M. van Ravels en A.M.L. Jansen.
Onderdeel
ZZZ (artikel
8:70)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende rblz.|55|
bestuursrechters gelden, is
"de rechtbank" vervangen door: de
bestuursrechter.
Onderdeel
AAAA (artikel
8:72)
Algemeen
De
voorgestelde wijziging van artikel 8:72
behelst een herschikking en aanscherping
van de uitspraakbevoegdheden van de
bestuursrechter. Hierbij geldt als
uitgangspunt dat hij het aan hem
voorgelegde geschil zo definitief
mogelijk beslecht, indien en voor zover
zijn staatsrechtelijke positie en de
beschikbare informatie dit toelaten.
Daartoe
beschikt de bestuursrechter over diverse
instrumenten. Bij de keuze tussen deze
instrumenten zal hij zich onder meer
(moeten) laten leiden door de aard van
het geconstateerde gebrek (bijvoorbeeld
bevoegdheid, procedureel, motivering,
feiten of recht), de vraag of het
bestuursorgaan met betrekking tot het
bestreden besluit een zekere
beleidsruimte had, de eventuele belangen
van derden en soms ook de voor het nemen
van een besluit benodigde specifieke
deskundigheid. Het is mogelijk dat de
bestuursrechter deze keuze tot voorwerp
van debat ter zitting maakt, zodat
partijen hun voorkeur kunnen uitspreken
voor een bepaalde afdoeningsmodaliteit.
Eerste
lid
Het
eerste lid stelt voorop wat nog steeds
de hoofdregel is: als het beroep gegrond
is, vernietigt de bestuursrechter het
bestreden besluit geheel of
gedeeltelijk. Ten opzichte van de
huidige tekst bevat het voorgestelde
eerste lid echter twee nieuwe elementen.
In de
eerste plaats is, op advies van de
Commissie Evaluatie Awb II (commissie-Boukema),
¹ uitdrukkelijk bepaald dat het
bestuursorgaan na een vernietiging in
beginsel verplicht is een nieuw besluit
te nemen, ook als de uitspraak hierover
niets expliciet vermeldt. Over deze
verplichting van het bestuursorgaan - die door de jurisprudentie uitdrukkelijk
is geformuleerd ² - bestaat in de
praktijk weinig twijfel. Desondanks
meende de Commissie dat het nuttig zou
zijn op dit punt de gangbare praktijk
van een expliciete wettelijke basis te
voorzien. De verplichting om in plaats
van het vernietigde besluit een nieuw
besluit te nemen, geldt ook als tegen de
uitspraak waarbij het besluit is
vernietigd hoger beroep is ingesteld,
tenzij aan het hoger beroep schorsende
werking is toegekend. Dit laatste is
thans slechts het geval in (het grootste
deel van) het socialezekerheidsrecht en
het belastingrecht.
In de
tweede plaats wordt benadrukt dat de
bestuursrechter in zijn overwegingen het
bestuursorgaan aanwijzingen kan geven
over de inhoud van het na vernietiging
te nemen nieuwe besluit. Deze "aanwijzingsbevoegdheid" is begrensd.
De bestuursrechter is immers gebonden
aan de grenzen van het geschil zoals dit
aan hem is voorgelegd. Voorts kunnen de
overwegingen alleen betrekking hebben op
de min of meer gebonden elementen van
het bestreden besluit. Het strookt niet
met het besluitvormingsprimaat van het
bestuur indien de "aanwijzingsbevoegdheid" ook
betrekking zouden kunnen hebben op
onderdelen van het besluit ten aanzien
waarvan discretionaire ruimte bestaat.
Het oordeel van de bestuursrechter over
de rechtmatigheid van het bestreden
besluit en zijn - daaraan in het
verlengde liggende - aanwijzingen met
betrekking tot het nieuwe besluit zijn
tot slot gebaseerd op de feiten en
omstandigheden zoals die in het
voorliggende geschil zijn komen vast te
staan. De rechterlijke toetsing vindt
immers ex tunc plaats. Bij het nemen van
een nieuwe beslissing moet het
bestuursorgaan echter rekening houden
met nieuwe feiten en omstandigheden dan
wel feiten en omstandigheden die vallen
buiten de omvang van het geschil.
1. "Toepassing
en effecten van de Algemene wet
bestuursrecht 1997-2000", Den
Haag 2001, blz. 40.
2. ABRvS
1 oktober 1998, JB 1998/256; CRvB
16 januari 2003, JB 2003/72.
rblz.|56|
Tweede
lid
Het
tweede lid is gelijk aan het huidige
tweede lid.
Derde lid
In
afwijking van het eerste lid kan de
bestuursrechter ook kiezen voor een
aantal andere instrumenten die hij thans
al heeft. Deze instrumenten zijn in de
wettekst herschikt, om duidelijker tot
uitdrukking te brengen dat deze een
alternatief vormen voor het vernietigen
van het besluit met de plicht voor het
bestuursorgaan om een nieuw besluit te
nemen (eerste lid).
De
bestuursrechter kan bijvoorbeeld zelf in
de zaak voorzien (derde lid, onderdeel a) als na vernietiging van het bestreden
besluit rechtens maar één besluit
mogelijk is. Ook is het mogelijk dat de
bestuursrechter het besluit vernietigt
met instandhouding van de rechtsgevolgen
(derde lid, onderdeel b). Dit laatste
gebeurt bijvoorbeeld wel eens als een
besluit zonder toereikend mandaat is
genomen, maar inhoudelijk de
rechterlijke toets kan doorstaan. Tot
slot kan de bestuursrechter in zijn
uitspraak het besluit vernietigen en
bepalen dat het bestuursorgaan geen
nieuw besluit behoeft te nemen (derde
lid, onderdeel c). Aan dit dictum kan om
uiteenlopende redenen behoefte bestaan.
Soms is
het zinloos om te eisen dat het
bestuursorgaan een nieuw besluit neemt,
bijvoorbeeld als redelijkerwijs geen van
de belanghebbenden baat bij zo’n
besluit kan hebben. Zo heeft het weinig
nut om alsnog tot weigering van een
kapvergunning te beslissen als de boom
inmiddels is gekapt. In dat geval kan de
weigering immers niet worden
geëffectueerd. Soms is het ook niet
nodig: als een sanctiebesluit wordt
vernietigd op de grond dat geen sprake
is van een overtreding, is het geschil
daarmee definitief beslecht.
Het is
echter ook mogelijk dat een meer
principiële reden zich verzet tegen de
plicht voor het bestuursorgaan om een
nieuw besluit te nemen, met name als
deze plicht op gespannen voet komt te
staan met een door de bestuursrechter te
respecteren beleidsvrijheid van het
bestuursorgaan. Hierbij moet met name
worden gedacht aan de situatie waarin
een ambtshalve genomen besluit wordt
vernietigd. Een voorbeeld ter
illustratie. Burgemeester en wethouders
nemen een verkeersbesluit dat met
toepassing van afdeling 3.4 is
voorbereid. Het hiertegen gerichte
beroep van een omwonende wordt gegrond
verklaard, zodat het verkeersbesluit
zelf wordt vernietigd (artikel
8:72,
eerste lid), aangezien geen
bezwaarschriftprocedure openstond (artikel
7:1, eerste lid, onderdeel d).
Het eisen van een nieuw verkeersbesluit
komt feitelijk neer op een verplichting
tot toepassing van artikel 15 Wegenverkeerswet
1994, welke bepaling
echter is geformuleerd als een
discretionaire bevoegdheid. Het
bestuursorgaan heeft ook de mogelijkheid
om geheel af te zien van een
verkeersbesluit ter plaatse. Dit
betekent dat de bestuursrechter die
volstaat met de gegrondverklaring van
het beroep en de vernietiging van het
bestreden besluit de beleidsvrijheid
van het bestuursorgaan doorkruist
terwijl daarvoor geen geldige reden
bestaat.
Uit het
vorenstaande kan worden afgeleid dat de
bestuursrechter onder bepaalde
omstandigheden toepassing aan artikel
8:72, derde lid, onderdeel c, moet
geven, ter vermijding van een te
ingrijpende invloed op de
belangenafweging die aan het
bestuursorgaan toekomt.
Vierde
lid
Het
vierde lid (nieuw) komt overeen met de
het huidige vierde lid, aanhef en onder b. Deze bevoegdheid is
ingevoerd bij de Wet
bestuurlijke lus Awb.
rblz.|57|
Vijfde
lid
Het
vijfde lid komt overeen met het eerste
deel van de eerste volzin van het
huidige vijfde lid.
Zesde lid
Het zesde
lid komt overeen met het tweede deel van
het huidige vijfde lid. Het regelt de
voorlopige voorziening bij
einduitspraak. Ter verduidelijking is
daaraan toegevoegd dat op deze
voorlopige voorziening artikel 8:87 van
overeenkomstige toepassing is. Dit
betekent dat de voorzieningenrechter ook
een bij einduitspraak gegeven voorlopige
voorziening kan wijzigen of opheffen
indien gewijzigde omstandigheden daartoe
aanleiding geven. Tegen een bij
einduitspraak gegeven voorlopige
voorziening staat geen hoger beroep
open, evenmin als tegen een "gewone"
voorlopige voorziening. Dit is
verduidelijkt in artikel
8:97.
Zevende
lid
Het
zevende lid is gelijk aan het huidige
zesde lid.
Achtste
lid
Het
achtste lid komt overeen met het huidige
zevende lid, met dien verstande dat de
verwijzing naar het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering is
gepreciseerd.
Onderdelen
BBBB (artikel 8:72a),
CCCC
(artikel
8:73), DDDD
(artikel 8:73a),
EEEE
(artikel
8:74), FFFF
(artikel
8:75), GGGG (artikel
8:77) en HHHH
(artikel
8:78)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door
"hij"
en "haar" door: zijn. Tevens is in
artikel 8:77 "administratieve
rechter"
vervangen door; bestuursrechter.
Verwezen zij naar de toelichting
op de
voorgestelde wijziging van artikel 1:4
(artikel I, onderdeel
A).
Onderdeel
IIII (artikel
8:79)
Deze
wijziging vloeit voort uit Verordening
(EG)1/2003. In zoverre zij verwezen naar
hoofdstuk 5 van het algemeen deel van
deze toelichting.
Het
nieuwe derde lid van artikel 8:79 bevat
een uitwerking van artikel 15, tweede
lid, van de verordening (vergelijk de artikelen
89j Mw
en 28 Rv), dat bepaalt dat de
lidstaten de Europese Commissie een
afschrift zenden van de van de [lees:
van de uitspraken van de, red.] nationale
rechterlijke instanties met betrekking
tot de toepassing van de artikelen 81 of
82 EG-verdrag. Omdat het wenselijk is de
toezending van uitspraken zoveel
mogelijk te laten plaatsvinden door
één centrale instantie, is ervoor
gekozen de Raad voor de rechtspraak aan
te wijzen als verzendende instantie.
Deze taak strookt met de
taakomschrijving van de Raad voor de
rechtspraak, die op grond van artikel 91
Wet
op de rechterlijke organisatie is
belast met de ondersteuning van de
bedrijfsvoering van de gerechten. Het
verzenden van bovenbedoelde uitspraken
is als zodanig aan te merken.
Ook de
vonnissen in civiele zaken met
betrekking tot de toepassing van de
artikelen 101 of 102 WEU (voorheen
artikel 81 of 82 EG-verdrag) worden door
de Raad voor de rechtspraak aan de
Europese Commissie gezonden. De bepaling
uit 89j Mw
dat de griffier kan volstaan
met verstrekking van een geanonimiseerd
afschrift van de uitspraak wanneer de
bescherming van zwaarwegende belangen
van partijen of van derden daartoe
aanleiding geeft, is niet overgenomen.
De Awb bevat geen uitdrukkelijke
rblz.|58|
grondslag voor anonimisering van
uitspraken, maar algemeen wordt aanvaard
dat de griffier kan volstaan met
verstrekking van een uittreksel indien
en voor zover de eerbiediging van de
persoonlijke levenssfeer van één of meer
partijen dit met zich brengt.¹ Daarom
is er geen noodzaak om voor de gevallen,
bedoeld in het derde lid, wel een
afzonderlijke grondslag voor
anonimisering te creëren.
1. PG Awb
II [parlementaire geschiedenis van de tweede
tranche van de Awb, red.], blz. 508.
Onderdelen
JJJJ (artikel
8:80), KKKK
(artikel 8:80a) en
LLLL
(artikel
8:80b)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
"de rechtbank" vervangen door: de
bestuursrechter. Dit maakt het tevens
noodzakelijk om "zij" te vervangen
door "hij" en "haar" door: zijn.
Onderdeel
MMMM (artikel
8:81)
Algemeen
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter.
Vierde
lid
In de
praktijk blijkt dat ook in de
voorlopigevoorzieningsprocedure behoefte
bestaat aan de beschermende werking van
artikel 6:19. Voorzieningenrechters
plegen dit artikel zo nodig ook analoog
toe te passen.¹ Voorgesteld wordt om
deze jurisprudentie te codificeren, door
ook artikel 6:19 uitdrukkelijk van
overeenkomstige toepassing te verklaren.
Dit stelt tevens buiten twijfel dat voor
de beoordeling van een intrekkings-,
wijzigings- of vervangingsbesluit in het
kader van een reeds aanhangig verzoek om
voorlopige voorziening niet opnieuw
griffierecht is verschuldigd. Het nieuwe
besluit gaat immers van rechtswege deel
uitmaken van de procedure.
1. P.M.
Langbroek, "Een trein die naast de
rails rijdt, een analyse van de
betekenis van de artikelen 6:18 en 6:19
in het licht van het bestuursrechtelijk
kort geding", TAR 1998, blz. 409.
Onderdeel
NNNN (artikel
8:82)
Dit
artikel regelt het griffierecht bij een
verzoek om voorlopige voorziening. Het
is qua strekking gelijk aan het huidige
artikel 8:82, maar redactioneel
aangepast. In het tweede lid is de
regel uitgeschreven die ook nu al geldt,
namelijk dat het griffierecht voor een
verzoek om voorlopige voorziening gelijk
is aan het griffierecht voor de
hoofdzaak. In het zesde lid zijn de
woorden "indien het verzoek wordt
ingetrokken" vervallen. Incidenteel kan
er ook in andere gevallen aanleiding
zijn het griffierecht te vergoeden.
Onderdeel
OOOO (artikel
8:83)
De
bevoegdheden van de bestuursrechter, de
RvB NMa en de Europese
Commissie als bedoeld in de artikelen
8:45, vierde tot en met zesde lid, en
8:45a, en de plicht van de griffier als
bedoeld in artikel
8:79, derde lid,
kunnen strikt genomen ook worden
uitgeoefend in het kader van een verzoek
om een voorlopige voorziening.
Overigens
is het de vraag of de Europese Commissie
en de RvB NMa veel
van deze bevoegdheid gebruik zullen
maken, gelet op de korte termijnen
waarbinnen een dergelijk verzoek in de
regel wordt behandeld. Met het oog op
die korte termijnen kan de
voorzieningenrechter bepalen dat de
schriftelijke zienswijze op grond van de
artikelen 8:45, zesde lid, of 8:45a,
derde lid, mondeling ter zitting wordt rblz.|59|
gegeven indien de vereiste spoed daartoe
noopt of indien dat hem anderszins
geëigend voorkomt.
De
bestuursrechter heeft op grond van
artikel 8:45, vierde lid, een
discretionaire bevoegdheid om partijen
hun wensen kenbaar te laten maken
omtrent de te vragen inlichtingen of het
te vragen advies. De
voorzieningenrechter kan daarvan dus ook
afzien als de vereiste spoed daartoe
noopt.
Onderdeel
PPPP (artikel
8:84)
Derde lid
(nieuw)
Het
voorgestelde nieuwe derde lid biedt de
voorzieningenrechter de mogelijkheid het
stellen van financiële zekerheid als
voorwaarde ter verbinden aan het treffen
van een voorlopige voorziening.
Thans
bestaat deze mogelijkheid niet. Artikel
8:84 biedt de bestuursrechter slechts de
mogelijkheid de voorziening geheel of
gedeeltelijk toe te wijzen zonder dat
wordt gesproken over de mogelijkheid
nadere voorwaarden te stellen. In de
praktijk is het wel voorgekomen dat een
voorlopige voorziening werd getroffen
nadat de verzoeker zich ter zitting
bereid had verklaard financiële
zekerheid te stellen.¹
Hoewel
slechts zelden een voorlopige
voorziening wordt getroffen in
financiële zaken, kan wel behoefte
bestaan aan de mogelijkheid van het
stellen van financiële zekerheid ter
bescherming van het belang van de
rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan
behoort. Te denken valt aan een
voorlopige voorziening tegen een besluit
tot terugvordering van een omvangrijke
subsidie.
Bovendien
kan het voorkomen dat de nationale
voorzieningenrechter zich genoodzaakt
ziet de werking van een
gemeenschapshandeling op te schorten.
Hij moet dan ingevolge de rechtspraak
van het Hof van Justitie van de Europese
Unie bevoegd zijn zo nodig te verlangen
dat de verzoeker zekerheden stelt ter
bescherming van de financiële belangen
van de Europese Unie.² Om die reden
beveelt de Commissie Evaluatie Awb III (commissie-Ilsink)
in haar rapport aan de
voorzieningenrechter uitdrukkelijk de
bevoegdheid te geven de toekenning van
een voorlopige voorziening afhankelijk
te maken van het stellen van zekerheid
door de verzoeker.
1. Vz. ABRvS
10 mei 2005, AB 2005, 361 m.nt. WdO.
2. Gevoegde zaken 143/88 en C-92/89,
Zuckerfabrik Süderdithmarschen, Jur.
1991, I-5342.
Zesde lid
(nieuw)
Ook
uitspraken van de voorzieningenrechter
die de toepassing van de artikelen 101
en 102 van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie betreffen,
dienen aan de Europese Commissie te
worden gezonden. Dit wordt bereikt door
het nieuwe derde lid van artikel 8:79
van overeenkomstige toepassing te
verklaren.
Onderdeel
QQQQ (artikel
8:85)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door: hij.
Onderdeel
RRRR (artikel
8:86)
Artikel
8:86 regelt de zogenaamde "kortsluiting": naar aanleiding van de
behandeling ter zitting van een verzoek
om voorlopige voorziening tevens
uitspraak doen in het hoofdzaak. Indien
een bestuursrechter in eerste en enige
aanleg bevoegd is, heeft de
voorzieningenrechter voor kortsluiting
de toestemming van partijen nodig (zie
bijvoorbeeld artikel 46 (36-oud), eerste
lid, Wet
RvS, 17, eerste lid, Beroepswet en 19, eerste lid,
Wbbo).
rblz.|60|
De
achtergrond van dit verschil is dat in
dergelijke gevallen de zaak niet eerder
in volle omvang is behandeld, terwijl
tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter in deze gevallen
ook geen hoger beroep meer openstaat.
Mede op advies van de Raad van State
is
dit toestemmingsvereiste daarom
gehandhaafd; het is thans opgenomen in
het voorgestelde artikel
8:86, tweede
lid.
Het derde
lid bepaalt dat partijen in de
uitnodiging moeten worden gewezen op de
mogelijkheid van kortsluiting en in
voorkomende gevallen op het
toestemmingsvereiste; ook dit komt
overeen met het geldende recht.
Onderdeel
SSSS (artikel
8:87)
Omdat de
titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet
meer uitsluitend voor de
rechtbank, maar
ook voor de andere in eerste aanleg
oordelende bestuursrechters gelden, is
telkens "de rechtbank" vervangen door:
de bestuursrechter. Dit maakt het
noodzakelijk om in voorkomende gevallen
ook "zij" te vervangen door: hij.
Onderdeel
TTTT (titel
8.5)
Aan
hoofdstuk 8 Awb
wordt een nieuwe titel
8.5 toegevoegd, betreffende het hoger
beroep. De bepalingen zijn grotendeels
gelijkluidend aan thans geldende
bepalingen inzake hoger beroep in de Wet
RvS, de Beroepswet, de
Wbbo
en de Awr.
In zoverre zij ook verwezen naar de
paragrafen 2.2 en 2.3 van het algemeen
deel van deze toelichting. Enkele
verschillen zullen bij de afzonderlijke
artikelen worden toegelicht. De gekozen
nummering houdt rekening met het
voornemen om in de toekomst vóór de
bepalingen over hoger beroep nog
bepalingen op te nemen over
schadevergoeding in het algemeen en
schadevergoeding bij overschrijding van
de redelijke termijn van artikel 6 EVRM.
Artikel
8:104
Algemeen
Dit
artikel regelt tegen welke uitspraken
hoger beroep openstaat. Het komt voor
een belangrijk deel overeen met de
artikelen 47 (37-oud) Wet
RvS, 18 Beroepswet, 20
Wbbo
en 27h Awr.
Vierde
lid
Wij
achten het wenselijk dat een op grond
van artikel
8:72, zesde lid (nieuw),
getroffen voorlopige voorziening niet
vatbaar is voor hoger beroep. Voor een
nadere motivering van dit voorstel zij
verwezen naar de toelichting
op artikel
8:72 (artikel I, onderdeel AAAA). De
reden om dit uitdrukkelijk te bepalen,
is gelegen in het feit dat een op grond
van artikel
8:72, zesde lid (nieuw),
getroffen voorlopige voorziening wordt
opgenomen in een uitspraak als bedoeld
in afdeling
8.2.6.
Artikel
8:105
Dit
artikel regelt bij welke instantie hoger
beroep kan worden ingesteld. De
hoofdregel blijft dat het hoger beroep
moet worden ingesteld bij de ABRvS,
tenzij de wet een andere instantie
aanwijst (vergelijk thans artikel 47
(37-oud), eerste lid, Wet
RvS). Deze
andere wet zal voortaan echter de Awb
zelf zijn, meer bepaald hoofdstuk 4 van
de tweede bijlage bij de Awb, de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Inhoudelijk
voorziet dit wetsvoorstel slechts in een
beperkte herverkaveling van rechtsmacht
tussen de hogerberoepsrechters. Deze is
toegelicht in hoofdstuk 4
van het
algemeen deel van deze toelichting.
rblz.|61|
Artikel
8:106
Dit
artikel regelt in welke gevallen het
hoger beroep schorsende werking heeft.
Onderdeel a komt overeen met het huidige
artikel 19 Beroepswet. Onderdeel b komt
overeen met artikel 27h, vijfde lid,
Awr,
zoals dit sedert 1 januari 2005 luidt.
Artikel
8:107
Eerste en
tweede lid
Het eerste lid verplicht de griffier van de
hogerberoepsrechter om de rechter in
eerste aanleg te informeren over een
ingesteld hoger beroep.
Het
tweede lid verplicht de griffier van de
rechtbank om de gedingstukken, de
aantekeningen van de zitting en de
uitspraak aan de hogerberoepsrechter te
zenden.
Derde lid
Het derde
lid bepaalt dat de hogerberoepsrechter
kan verzoeken om het proces-verbaal van
de zitting. De bepaling komt grotendeels
overeen met de huidige artikelen 48
(38-oud) Wet
RvS, 20 Beroepswet, 21
Wbbo
en 27i Awr.
Een
verschil met bovenstaande bepalingen is
dat de
rechtbank niet langer vier
afschriften van het proces-verbaal en de
uitspraak aan de hogerberoepsrechter
hoeft te zenden. Zo’n verplichting is
niet meer van deze tijd.
Een
ander, relevanter, verschil is dat de
griffier van de rechtbank niet langer
per definitie een proces-verbaal van de
zitting bij de rechtbank moet toesturen
aan de hogerberoepsrechter. Deze regel
correspondeert met de huidige praktijk,
waarin vaak - met instemming van de
hogerberoepsrechter - wordt volstaan
met het verzenden van aantekeningen van
de zitting. Dit bespaart tijd in
gevallen waarin geen behoefte bestaat
aan een uitgewerkt proces-verbaal.
Indien hieraan wel behoefte bestaat,
biedt het voorgestelde derde lid de
hogerberoepsrechter de mogelijkheid
daarom te verzoeken en een termijn voor
toezending van het proces-verbaal te
stellen. In artikel
8:61, tweede lid,
wordt neergelegd dat de griffier een
proces-verbaal maakt op verzoek van de
hogerberoepsrechter.
Voor
beroep in cassatie in belastingzaken is
echter de verplichting van toezending
van het proces-verbaal door de griffier
van (de rechtbank en) het gerechtshof
gehandhaafd. De reden hiervoor is dat in
cassatie geen nieuwe feitelijke
stellingen kunnen worden betrokken.
Partijen kunnen geen feitelijke gegevens
naar voren brengen die zij niet al
eerder naar voren brachten. Het is
daarom belangrijk dat de cassatierechter
kan beschikken over een juist en
volledig proces-verbaal van de zitting
van het gerecht tegen wiens uitspraak
cassatie is ingesteld. Voorgesteld wordt
deze verplichting neer te leggen in de Awr
(zie artikel V van
deel A van het
onderhavige wetsvoorstel).
Artikel
8:108
Eerste
lid; algemeen
Dit
artikel verklaart de
titels 8.1 tot en met 8.3, met enige uitzonderingen, van
toepassing op het hoger beroep. In
zoverre komt het overeen met de huidige
artikelen 49 (39-oud) Wet
RvS, 21 Beroepswet, 22
Wbbo
en 27j Awr. Er zijn
echter twee inhoudelijke verschillen.
Deze betreffen de toepassing van artikel
8:86, eerste lid, en de verwijzing van
een zaak naar een enkelvoudige kamer.
rblz.|62|
Eerste
lid; uitzonderingen
De
uitzonderingen op de toepasselijkheid
van de
titels 8.1 tot en met 8.3 hebben
hoofdzakelijk een technisch karakter.
Afdeling
8.1.1 ziet op de absolute bevoegdheid
van de bestuursrechter in eerste aanleg
en dus naar zijn aard niet op het hoger
beroep.
Artikel
8:10 regelt dat bij de
rechtbank enkelvoudige behandeling hoofdregel is,
met de mogelijkheid van verwijzing naar
een meervoudige kamer. In hoger beroep
geldt thans het omgekeerde en wij zien
geen aanleiding hierin verandering te
brengen.
Artikel
8:41, tweede lid, regelt de hoogte van
het griffierecht in eerste aanleg. In
hoger beroep geldt een hoger
griffierecht; zie artikel
8:109.
Artikel
8:74 betreft de teruggave van het
griffierecht bij gegrondverkaring; dat
is voor het hoger beroep geregeld in
artikel 8:114.
Anders
dan thans is artikel
8:82, inzake het
griffierecht voor een verzoek om
voorlopige voorziening, wel van
overeenkomstige toepassing in hoger
beroep. Hierdoor geldt ook in hoger
beroep de regel dat het griffierecht
voor een verzoek om een voorlopige
voorziening gelijk is aan het
griffierecht voor de hoofdzaak en is het
niet meer nodig eerstgenoemd
griffierecht afzonderlijk te regelen.
Ten
slotte is - evenzeer anders dan thans - ook
artikel
8:13, inzake verwijzing
van een zaak naar een ander gerecht van
hetzelfde niveau, wel van
overeenkomstige toepassing in hoger
beroep. Voor de meeste
hogerberoepsrechters mist dit praktische
betekenis, maar voor de gerechtshoven
kan het onder omstandigheden nuttig
zijn.
Eerste
lid; proceseconomie in hoger beroep
De
huidige proceswetten bepalen dat de
hogerberoepsrechter artikel
8:86, eerste
lid, niet kan toepassen indien de zaak
in eerste aanleg meervoudig is afgedaan.
Wij stellen voor om deze beperking - die ook in het belastingrecht niet geldt
- te laten vervallen. Voor een
toelichting van dit voorstel zij
verwezen naar paragraaf
3.8.1 van het
algemeen deel van deze toelichting.
Thans kan
een zaak die door de
rechtbank meervoudig is behandeld, in hoger beroep
niet naar een enkelvoudige kamer worden
verwezen (zie de artikelen 49 (39-oud),
derde lid, Wet
RvS, 21, derde lid,
Beroepswet
en 22, derde lid, Wbbo). Wij
stellen voor ook deze beperking op te
heffen. Voor een toelichting van dit
voorstel zij verwezen naar paragraaf
3.8.2 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Tweede
lid
Het
tweede lid verklaart
hoofdstuk V van de Awr van
toepassing in alle gevallen waarin de
bijzondere wetgever hoger beroep openstelt bij een gerechtshof. Dit betekent
dat de in de Awr
geregelde
bijzonderheden van de fiscale rechtsgang
gelden voor alle zaken waarmee een
gerechtshof als bestuursrechter te maken
krijgt.
Artikel
8:109
Dit
artikel regelt het griffierecht in hoger
beroep. De zaken waarvoor het lage
griffierecht geldt, zijn opgesomd in de
derde bijlage bij de Awb, de
Regeling
verlaagd griffierecht. Het griffierecht
voor een verzoek om voorlopige
voorziening is gelijk aan het
griffierecht voor de hoofdzaak (artikel
8:109, bezien in samenhang met artikel
8:82, tweede lid).
rblz.|63|
Artikel
8:110
Algemeen
Dit
artikel regelt het incidenteel hoger
beroep. Op de redenen voor invoering van
de mogelijkheid van incidenteel hoger
beroep is reeds ingegaan in paragraaf
3.9 van het algemeen deel van deze
toelichting. Daarom wordt hier volstaan
met een bespreking van de meer
technische aspecten.
Het
fiscaal procesrecht kent reeds de
mogelijkheid van incidenteel hoger
beroep (zie het huidige artikel 27m
Awr)
en die van incidenteel beroep in
cassatie (artikel 29b Awr). De regeling
van beide voorzieningen is zo eenvoudig
mogelijk opgezet, opdat de
rechtspraktijk de maximale ruimte krijgt
om zelf invulling te geven aan dit
nieuwe processuele instrument.¹ In de
jurisprudentie over artikel 29b Awr
heeft de Hoge Raad
daarbij zoveel
mogelijk aansluiting gezocht bij het
burgerlijk procesrecht (artikelen 339 en
410 Rv).
In dit
wetsvoorstel is ervoor gekozen om de
regeling van het incidenteel hoger
beroep in het algemeen
bestuursprocesrecht zoveel mogelijk te
laten aansluiten bij het systeem zoals
dit reeds geldt voor het fiscaal
procesrecht, zij het dat de regeling op
advies van de Raad van State
iets verder
is uitgewerkt.
1. Zie
Kamerstukken II 1997-1998, 25 175, nr.
6, blz. 6.
Eerste
lid
Het
eerste lid opent de mogelijkheid van
incidenteel hoger beroep. Er is niet
voor gekozen om de rechtbanken te
verplichten deze mogelijkheid
uitdrukkelijk op te nemen in de
rechtmiddelclausule bij hun uitspraken.
Dat is voor burgers die zonder
professionele rechtsbijstand procederen
alleen zinvol als ook wordt uitgelegd
wat incidenteel hoger beroep is en dan
wordt de rechtmiddelclausule wel erg
lang. In belastingzaken pleegt de
griffier van het gerechtshof bij
toezending van het hoger beroepschrift
op de mogelijkheid van incidenteel appel
te wijzen. Dat is een goede gewoonte,
maar het is niet nodig om dit
uitdrukkelijk te regelen.
Het
eerste lid regelt voorts wie incidenteel
hoger beroep in kunnen stellen: degenen
die ook een "gewoon" hoger beroep
zouden hebben kunnen instellen. Dit zijn
belanghebbenden en het bestuursorgaan
(zie het voorgestelde artikel
8:104,
eerste lid, dat op dit punt overeenkomt
met het geldende recht). In de praktijk
zal het veelal gaan om een
belanghebbende die ook partij was bij
het geding in eerste aanleg. Een
belanghebbende die geen beroep bij de
rechtbank heeft ingesteld, kan namelijk
slechts hoger beroep, en dus ook
incidenteel hoger beroep, instellen als
hem redelijkerwijs niet kan worden
verweten dat hij geen beroep bij de
rechtbank heeft ingesteld. Dit volgt uit
artikel 6:13 Awb, dat ook voor het
incidenteel hoger beroep geldt (zie het
voorgestelde artikel
6:24, waarin dit
duidelijkheidshalve uitdrukkelijk is
bepaald).
Het
bekendste voorbeeld is de
vergunninghouder die niet kan worden
verweten dat hij niet in beroep gaat
tegen zijn eigen vergunning. Als de
rechtbank op het beroep van een
omwonende zijn vergunning vernietigt,
moet de vergunninghouder daartegen wel
hoger beroep kunnen instellen. Echter,
in veel gevallen heeft deze
vergunninghouder ook al als partij
deelgenomen aan het geding in eerste
aanleg (artikel 8:26
Awb).
In dit
type situatie kan de vergunninghouder
ook behoefte hebben aan incidenteel
hoger beroep. Een voorbeeld kan dit
verduidelijken. Aan iemand wordt een
vergunning verleend waaraan twee
voorschriften zijn verbonden. Deze
vergunninghouder kan met de
voorschriften goed leven en gaat daarom
niet in bezwaar of beroep. Een omwonende
gaat echter, na bezwaar, wel in beroep
bij de rechtbank en voert twee
beroepsgronden aan: de vergunning had
helemaal niet mogen worden verleend en
in ieder geval had het voorschrift
omtrent het beperken van geluidhinder
strenger rblz.|64|
moeten zijn. De rechtbank
verwerpt de eerste beroepsgrond, maar
honoreert de tweede. De vergunninghouder
legt zich aanvankelijk bij deze
uitspraak neer, omdat hij ook met het
voorschrift zoals dit volgens de
rechtbank zou moeten luiden nog wel kan
leven. Dan gaat echter de omwonende in
hoger beroep. In dat geval kan de
vergunninghouder alsnog incidenteel
hoger beroep instellen tegen het oordeel
van de rechtbank omtrent het
geluidhindervoorschrift. Hem kan immers
niet worden verweten dat hij geen beroep
bij de rechtbank heeft ingesteld. Ook
dan gaat het echter, als gezegd, vaak om
een incidenteel hoger beroep van een
partij in eerste aanleg, omdat de
vergunninghouder vaak met toepassing
van artikel 8:26 als zodanig wordt
aangemerkt.
Daartegenover
staat het voorbeeld van de omwonende die
tegen de vergunning geen beroep bij de
rechtbank heeft ingesteld. Deze kan
ingevolge artikel 6:13 geen gewoon hoger
beroep meer instellen en derhalve ook
geen incidenteel hoger beroep.
De tweede
volzin regelt dat de voorschriften
inzake het hoger beroep ook van
toepassing zijn op incidenteel hoger
beroep, tenzij uitdrukkelijk anders is
bepaald. Het gaat hier niet alleen om de
voorschriften van titel
8.4, maar ook om
de regels van hoofdstuk 6
Awb, die
van
overeenkomstige toepassing zijn op het
hoger beroep. Daaruit volgt bijvoorbeeld
dat ook een incidenteel hoger beroep
schriftelijk moet worden ingesteld (artikel
6:4) en moet voldoen aan de vereisten
van artikel 6:5 (ondertekening,
dagtekening en dergelijke).
Tweede
lid
De voor
een partij geldende termijn voor het
instellen van incidenteel hoger beroep
is gekoppeld aan het tijdstip waarop de
gronden van het hoger beroep worden
verzonden aan die partij. Gewoonlijk zal
dat tijdstip voor alle partijen gelijk
zijn. Denkbaar is echter dat een
belanghebbende die principaal hoger
beroep had kunnen instellen dit niet
heeft gedaan, maar naar aanleiding van
de vraag of hij op de voet van artikel
8:26 Awb
als partij aan het geding wil
deelnemen of naar aanleiding van de
mededeling dat hij partij van rechtswege
is (zie artikel
10, tweede lid, van de Procesregeling
bestuursrechtelijke colleges 2006), alsnog de behoefte
krijgt om zelf appelgronden aan te
voeren. Deze belanghebbende kan binnen
de grenzen van artikel 6:13 (zie de
toelichting op het eerste lid)
incidenteel hoger beroep instellen. Niet
uitgesloten is dat de gronden van het
hoger beroep aan hem op een later
tijdstip worden verzonden dan aan de
overige partijen.
Derde en
vierde lid
Het
beginsel van hoor en wederhoor brengt
uiteraard mee dat de andere partij(en)
op het incidenteel hoger beroep moeten
kunnen reageren. Het derde lid voorziet
daarin. Daarvoor wordt een termijn van
vier weken gesteld. De rechter kan deze
termijn in bijzondere gevallen
verlengen.
Het Besluit
proceskosten bestuursrecht zal
worden aangevuld om in geval van een
proceskostenveroordeling een vergoeding
voor deze extra proceshandeling mogelijk
te maken.
Vijfde
lid
Overwogen
is voor het incidenteel hoger beroep
griffierecht te heffen. Voorgesteld
wordt hier vooralsnog van af te zien. Er
is pas beperkt ervaring opgedaan met het
incidenteel hoger beroep in het
bestuursrecht, te weten in het
belastingrecht. Die ervaringen zijn
positief, maar geven ons vooralsnog geen
aanleiding voor de verwachting dat van
de mogelijkheid op grote schaal gebruik
zal worden gemaakt.
rblz.|65|
Daarom
zullen, naar ons oordeel, de kosten die
met het innen van griffierechten zijn
gemoeid (waaronder de kosten van
vertraging), niet opwegen tegen de
voordelen van het heffen van
griffierecht. Hierbij komt de
complicerende factor dat het mogelijk is
dat een verweerschrift in eerste
instantie niet wordt herkend als
incidenteel beroep, maar dat in de loop
van het geding wel blijkt te zijn. Dan
zou alsnog griffierecht moeten worden
geheven.
Bij een
volgende evaluatie zal aan de hand van
de ervaringen met het incidenteel beroep opnieuw worden bezien of het
wenselijk is alsnog griffierecht te gaan
heffen.
Artikel
8:111
Eerste
lid
Het
eerste lid bepaalt dat een eventuele
niet-onvankelijkheid van het principale
hoger beroep geen gevolgen heeft voor de
ontvankelijkheid van een eenmaal
ingesteld incidenteel hoger beroep. Met
deze regel wordt aangesloten bij het
fiscaal- en burgerlijk procesrecht.
Daarmee komt tot uitdrukking dat het
incidentele appel, eenmaal ingesteld,
een zelfstandig rechtsmiddel is dat op
zijn eigen merites moet worden beoordeeld.
Tweede
lid
Artikel
339, vierde lid, Rv
bepaalt dat de
intrekking van het principale beroep het
incidentele beroep niet doet vervallen.
De belastingkamer van de Hoge Raad
heeft
ook dit standpunt ingenomen (zie HR 10
augustus 2001, BNB 2001, 377 m.nt. J.
van Soest ). Voorgesteld wordt om het in
artikel 339, eerste lid, Rv
geformuleerde uitgangspunt voor het
gehele bestuursprocesrecht te laten
gelden. Ook hier geldt weer dat het
incidentele beroep, eenmaal ingesteld,
op zijn eigen merites moet worden
beoordeeld. Het behoort niet zo te zijn
dat de insteller van het principaal
hoger beroep door intrekking ook kan
beslissen over het lot van het hoger
beroep van een andere partij.
Artikel
8:112
In het
burgerlijk procesrecht komt het
regelmatig voor dat het incidenteel
hoger beroep voorwaardelijk wordt
ingesteld, namelijk onder de voorwaarde
dat het principaal hoger beroep geheel
of gedeeltelijk slaagt. In dat geval
geeft de insteller van het hoger beroep
aan dat hij slechts behoefte heeft aan
beoordeling van zijn beroepsgronden als
het principale hoger beroep leidt tot
vernietiging van de uitspraak van de
rechtbank. Deze figuur kan ook in het
bestuursrecht nuttig zijn, omdat zij de
rechter werk kan besparen. Daarom stelt
het eerste lid buiten twijfel dat een
dergelijk voorwaardelijk incidenteel
hoger beroep ook in het bestuursrecht
mogelijk is.
Het
tweede lid regelt wat het rechtsgevolg
is als de voorwaarde niet wordt vervuld:
dan vervalt het incidenteel hoger beroep
van rechtswege. Dit geldt ook als het
principaal hoger beroep wordt
ingetrokken; ook dan zal degene die het
incidenteel appel slechts voorwaardelijk
heeft ingesteld immers geen behoefte
meer hebben aan beoordeling van zijn
beroepsgronden. In dit geval is het ook
niet bezwaarlijk dat het lot van het
incidenteel appel afhangt van dat van
het principaal appel; daar heeft de
indiener van het voorwaardelijk
incidenteel appel immers zelf voor
gekozen.
rblz.|66|
Artikel
8:113
Eerste
lid
Dit
artikel regelt de aanvullende
uitspraakbevoegdheden in hoger beroep.
Het komt overeen met de artikelen 53
(42-oud) Wet
RvS, 24 Beroepswet, 26
Wbbo
en 27o Awr. Indien de
hogerberoepsrechter doet hetgeen de
rechtbank had behoren te doen, staan hem
vanzelfsprekend ook de dicta van artikel
8:72 ter beschikking. Hetzelfde geldt
voor de nevendicta van de artikelen 8:73
tot en met 8:75.
Tweede
lid
Het
tweede lid introduceert de bevoegdheid
tot toepassing van de zogeheten "judiciële
lus". De judiciële lus
houdt in dat de hogerberoepsrechter kan
bepalen dat tegen een nieuw besluit dat
als gevolg van zijn uitspraak moet
worden genomen uitsluitend beroep bij
hem, en dus niet meer bij de
rechtbank,
zal openstaan ("sprongberoep"). Voor
een motivering van de keuze voor
introductie van dit instrument zij
verwezen naar paragraaf
3.10 van het
algemeen deel van deze toelichting,
alsmede naar de toelichting op artikel
8:6, zesde lid. Over de toepassing van
de judiciële lus in concreto merken wij
het volgende op.
Allereerst
is van belang dat het gaat om een
bevoegdheid, geen verplichting. De
hogerberoepsrechter kan dus maatwerk
leveren op basis van zijn door ervaring
gevormde verwachting over de toegevoegde
waarde van een hernieuwde behandeling in
twee instanties. Binnen deze kaders valt
te wijzen op enige handvatten die kunnen
helpen bij het beslissen over het
gebruik van artikel
8:106, tweede lid.
Als de
hogerberoepsrechter het gerechtvaardigde
vermoeden krijgt dat het nieuwe besluit
een andere inhoud krijgt dan het te
vernietigen bestreden besluit, dient hij
zorgvuldig na te gaan of sprongberoep
wel wenselijk is. Dit laat zich
illustreren aan de hand van twee
voorbeelden.
Eerste
voorbeeld. B&W suggereren tijdens de
behandeling van het hoger beroep dat een
nieuwe heroverweging van de in geding
zijnde ontheffing van een
bestemmingsplan (artikel 3.23 Wro) wel
eens kan leiden tot het alsnog weigeren
van die vrijstelling. In zo’n geval
bestaat reden voor terughoudendheid.
Reden: een weigering van de vrijstelling
geeft de oorspronkelijke aanvrager
aanleiding tot het aanwenden van een
rechtsmiddel en in geval van
sprongberoep verliest hij een
rechterlijke instantie. Nu is dit op
zichzelf niet onaanvaardbaar, want de
aanvrager moet hoe dan ook voldoende
ruimte - van zowel het bestuursorgaan
als de hogerberoepsrechter - krijgen
om zijn belangen naar voren te brengen
en een onvoldoende voorbereid nieuw
besluit zal zonder meer wegens strijd
met artikel 3:2
worden vernietigd.
Niettemin vergt toepassing van artikel
8:113, tweede lid, in deze situatie in
ieder geval een extra motivering in de
uitspraak van de hogerberoepsrechter.
Tweede
voorbeeld. B&W laten tijdens de
behandeling van het hoger beroep
doorschemeren dat zij eraan denken om
het ter discussie staande projectbesluit
(artikel 3.10 Wro [Wet
ruimtelijke ordening, red.]) ten behoeve van een
appartementencomplex zodanig aan te
passen dat het uitzicht van appellanten
niet langer wordt belemmerd. Op grond
hiervan krijgt de hogerberoepsrechter
het vermoeden dat de beoogde "verschuiving" van het
appartementencomplex gaat leiden tot
protesten van andere omwonenden, ook al
vergt de verschuiving slechts een zeer
geringe aanpassing van de
oorspronkelijke aanvraag. Ook hier is
voorzichtigheid met sprongberoep
geboden, gezien de kans dat het nieuwe
besluit tegenstand van andere
belanghebbende omwonenden dan van
appellanten krijgt.
Natuurlijk
zijn er ook voorbeelden van situaties
waarin toepassing van de judiciële lus
juist als uitgangspunt kan fungeren.
Zoals: tweepartijengeschillen (over
uitkeringen en subsidies) waarbij het
bestreden besluit rblz.|67|
"slechts" een
aanvullend feitenonderzoek en een
daarbij behorende motivering vergt. Maar
ook: meerpartijengeschillen waarin de
noodzaak tot het aanvullend onderzoek is
beperkt tot een specifiek aspect van het
bestreden besluit (zoals luchtkwaliteit,
bodemgesteldheid of parkeerbehoefte) en
een goede kans bestaat dat het extra
onderzoek niet zal leiden tot een andere
belangenafweging inzake het project.
Artikel
8:114
Deze
bepaling is ontleend aan de artikelen 54
(43-oud) Wet
RvS, 25 Beroepswet, 27
Wbbo
en 27p Awr, maar met een aanvulling.
Genoemde bepalingen schrijven naar de
letter dwingend voor dat vernietiging
van de uitspraak van de
rechtbank per
definitie leidt tot de verplichting van
het bestuursorgaan tot teruggave van het
betaalde griffierecht aan de indiener
van het beroepschrift.
Vernietiging
van de aangevallen uitspraak naar
aanleiding van het hoger beroep van een
belanghebbende betekent echter niet
altijd dat het bestuursorgaan in het
ongelijk is gesteld. Het kan
bijvoorbeeld ook voorkomen dat de
aangevallen uitspraak wordt vernietigd
omdat de rechtbank het beroep ten
onrechte ontvankelijk heeft geacht,
zichzelf ten onrechte bevoegd heeft
geacht of buiten de grenzen van het
geschil is getreden.
In
dergelijke gevallen - zo pleegt de
hogerberoepsrechter te overwegen - brengt een redelijke uitleg van
voornoemde bepalingen mee dat het
griffierecht wordt terugbetaald door de
griffier in plaats van vergoed door het
bestuursorgaan (zie bijvoorbeeld ABRvS
21
mei 2003, AB 2003, 324 m.nt. TN; ABRvS
29
januari 2001, AB 2001, 373 m.nt. JHvdV).
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om
deze jurisprudentie te codificeren.
Artikelen
8:115 en 8:116
Deze
bepalingen komen overeen met de
artikelen 55 en 56 (44 en 45-oud) Wet
RvS, 26 en
27 Beroepswet, 28 en 29
Wbbo
en 27q en 27r Awr. Zij spreken voor
zich. Als de
rechtbank ten onrechte niet
aan een inhoudelijke behandeling van de
zaak is toegekomen, geldt de hoofdregel
dat de hogerberoepsrechter de zaak
terugwijst naar de rechtbank. De
hogerberoepsrechter kan de zaak echter
ook zelf afdoen, bijvoorbeeld als beide
partijen daarom vragen. Ten slotte kan de
hogerberoepsrechter de zaak ook om
andere reden terugwijzen. Zie voor een
voorbeeld van dit laatste CRvB
24 april
1997, AB 1997, 365 m.nt. HH.
Artikel
8:117
Deze
bepaling komt overeen met de artikelen
57 (46-oud) Wet
RvS, 28 Beroepswet, 30
Wbbo
en 27s Awr. Indien de aangevallen
uitspraak is gedaan door een relatief
onbevoegde
rechtbank, kan de
hogerberoepsrechter deze onbevoegdheid
voor gedekt verklaren. Zie bijvoorbeeld CRvB
10 februari 2000, AB 2000, 181 m.nt.
HH.
Artikel
8:118
Deze
bepaling komt overeen met de artikelen
50 (39a-oud) Wet
RvS, 21a
Beroepswet
en
23 Wbbo. Zij schept in hoger beroep de
mogelijkheid van een afzonderlijke
proceskostenveroordeling voor het geval
dat het bestuursorgaan zijn hoger beroep
intrekt.
Onderdeel
UUUU (artikel
8:119)
Artikel
8:119, inzake herziening, is in de
eerste plaats technisch aangepast aan de
nieuwe terminologie en systematiek.
Tevens is geregeld dat voor een verzoek
tot herziening een griffierecht wordt
geheven gelijk aan rblz.|68|
griffierecht dat ten
tijde van het indiening van het verzoek
verschuldigd zou zijn geweest in de
procedure die heeft geleid tot de
uitspraak waarvan herziening wordt
gevraagd, alsmede dat dit griffierecht
door de griffier wordt terugbetaald als
de uitspraak daadwerkelijk wordt
herzien.
Onderdeel
VVVV (artikel
9:8)
Deze
wijziging houdt verband met de
vervanging van de termen administratieve
rechter en administratieve rechtspraak
door bestuursrechter en
bestuursrechtspraak. Zie de toelichting
op artikel 1:4.
Onderdeel
WWWW (artikel
9:10)
Deze
wijziging bewerkstelligt dat het
bestuursorgaan in de interne
klachtprocedure mag afzien van het horen
van een belanghebbende indien deze niet
binnen een redelijke termijn heeft
gereageerd op de uitnodiging om aan te
geven of hij wil worden gehoord.
Verwezen zij naar paragraaf
3.4 van
het algemeen deel van deze toelichting.
Onderdeel
XXXX (artikelen
9:22, 9:23 en
9:24)
Deze
wijziging houdt verband met de
vervanging van de termen administratieve
rechter en administratieve rechtspraak
door bestuursrechter en
bestuursrechtspraak. Zie de toelichting
op artikel 1:4.
Onderdeel
YYYY (artikel
10:3)
Het
huidige artikel
10:3, tweede lid,
onderdeel c, verbiedt een bestuursorgaan
om het nemen van een beslissing op
administratief beroep te mandateren. Dit
verbod dateert uit een tijd toen er nog
veelvuldig voorkwam dat tegen een
besluit van een bestuursorgaan van een gemeente
of provincie administratief
beroep kon worden ingesteld op een
bestuursorgaan van de provincie of het Rijk. In die situatie kon een beslissing
op administratief beroep worden gezien
als een zekere inbreuk op de
decentralisatie en daarom als een
ingrijpende beslissing. In deze vorm
komt administratief beroep echter nog
maar sporadisch voor. Voor zover er nog
administratief beroep openstaat, gaat
het vaak om beroep tegen een beslissing
van een "ambtelijk" bestuursorgaan
(zoals bijvoorbeeld de korpschef in het
kader van de wapenwetgeving) op een
minister. Dan is van een inbreuk op de
decentralisatie geen sprake. Het verbod
om een beslissing op administratief
beroep te mandateren, is derhalve
verouderd en wordt daarom geschrapt.
Onderdeel
ZZZZ (artikel
11:1)
Het
huidige tweede lid van artikel 11:1
zondert de bepalingen over het beroep
bij de bestuursrechter uit van de
verplichte vijfjaarlijkse evaluatie van
de Awb. In feite hadden de drie tot
dusver verrichte periodieke evaluaties
van de Awb echter mede betrekking op het
bestuursprocesrecht. Bovendien volgt uit
de evaluatieplicht niet dat bij iedere
evaluatie aan alle onderdelen van de Awb
aandacht moet worden besteed. Het tweede
lid kan derhalve worden gemist.
Onderdeel
AAAAA (artikelen 11:2 en
11:3)
Artikel
11:2
Algemeen
In de Awb
en het daarop gebaseerde Besluit
proceskosten bestuursrecht (Bpb) komen
diverse geldbedragen voor. Deze vallen
in twee groepen uiteen: bedragen die aan
of door de burger verschuldigd zijn en
grensbedragen.
rblz.|69|
Eerste
lid
Het
eerste lid ziet op de bedragen die aan
of door de burger zijn verschuldigd. Dit
zijn de griffierechten (artikel
8:41,
tweede lid, en 8:109, eerste en tweede
lid, het proceskostenforfait (onderdeel
B van de bijlage bij
artikel 2,
onderdeel a, Bpb) en het
verletkostentarief (artikel
2, onderdeel
d, Bpb). Bij inwerkingtreding van de
vierde tranche komt daar de vergoeding
voor de kosten van een aanmaning (artikel
4:113, eerste lid) bij.
Bij de
griffierechten en de aanmaningskosten is
thans voorzien in een bevoegdheid om de
bedragen bij algemene maatregel van
bestuur aan te passen aan
prijsontwikkeling. De laatste jaren is
van deze bevoegdheid jaarlijks gebruik
gemaakt. Het ligt daarom meer voor de
hand de bevoegdheid om te zetten in een
verplichting. Nu het bovendien om een
strikt gebonden bevoegdheid gaat, is het
niet nodig de indexering bij algemene
maatregel van bestuur te doen
plaatsvinden; een ministeriële regeling
volstaat.
Bij de
bedragen uit het Bpb
is
niets geregeld over indexering. Het is
echter niet goed verdedigbaar om de
bedragen die de burger moet betalen wel
te indexeren en de bedragen die hij
eventueel ontvangt niet. Daarom is in
artikel 11:2, eerste lid, bepaald dat
alle bij of krachtens de wet
vastgestelde bedragen, met uitzondering
van de in het tweede lid genoemde
grensbedragen, jaarlijks bij
ministeriële regeling worden aangepast
aan de ontwikkeling van de
consumentenprijsindex.
Tweede
lid
Naast
bedragen die aan of door de burger zijn
verschuldigd, introduceert de
vierde tranche in de Awb
een aantal
grensbedragen. Dit zijn:
• de
ondergrens waaronder geen wettelijke
rente wordt betaald (artikel
4:98,
tweede lid);
• de
grens tussen de lage en de hoge
aanmaningsvergoeding (artikel
4:113,
tweede lid);
• de
aanvullende grens tussen de lichte en de
zware boeteprocedure (artikel
5:53,
eerste lid).
Bij deze
bedragen is jaarlijkse indexering niet
nodig en zelfs ongewenst, omdat het bij
voorkeur min of meer ronde bedragen
moeten zijn. Daarom geeft het tweede lid
voor deze bedragen slechts een
bevoegdheid, niet een verplichting, om
de bedragen te indexeren. Dit zou
bijvoorbeeld om de vijf jaar kunnen
geschieden, waarbij een min of meer
afgerond bedrag kan worden gekozen.
Artikel
11:3
Deze
bepaling neemt onder meer de functie
over van het huidige artikel
8:5, tweede
lid, artikel 28a
Beroepswet
en artikel
23, tweede lid, Wbbo. Omdat de
bijlagen
bij de wet, naar de ervaring leert,
veelvuldig zullen moeten worden
gewijzigd, voorziet artikel 11:3 in een
permanente overgangsbepaling. Deze houdt
in dat een wijziging van de bijlage
automatisch eerbiedigende werking heeft
ten aanzien van reeds genomen besluiten
en reeds gedane uitspraken.
Dit laat
uiteraard onverlet dat de bijzondere
wetgever - indien hij daartoe
aanleiding ziet - bij wet in formele
zin een afwijkend overgangsregime kan
creëren. Een permanente
overgangsbepaling in de Awb
voorkomt
echter dat bij een wijziging het
overgangsrecht wordt vergeten.
Onderdeel
BBBBB (bijlage)
De
huidige bijlage - ook wel bekend als
"de negatieve lijst" - geeft een
opsomming van besluiten waartegen geen
beroep kan worden ingesteld. Deze
opsomming is geïncorporeerd in artikel
1 van de bij de Awb
rblz.|70|
behorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Daarom kan de
huidige bijlage vervallen.
Onderdeel
CCCCC (Regeling rechtstreeks
beroep,
Bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak en Regeling verlaagd
griffierecht)
In
paragraaf 2.4 van het algemeen deel van
deze toelichting is reeds ingegaan op de
opzet van de nieuwe bijlagen bij de Awb.
Hierna wordt ingegaan op de
verschillende artikelen van de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
(bijlage 2 bij de
Awb). Voor zover de
bevoegdheidsverdeling door deze bijlage
inhoudelijk wordt gewijzigd, vloeit dit
voort uit de in hoofdstuk 4
van het
algemeen deel van deze toelichting
besproken herverkaveling van rechtsmacht
tussen de ABRvS, de
CRvB en het
CBb. Deze wijzigingen
worden hieronder niet opnieuw
toegelicht.
Artikel 1
Artikel 1 regelt tegen welke besluiten
geen beroep bij de bestuursrechter openstaat. Dit artikel bevat een opsomming
van de wettelijke voorschriften die zijn
genoemd in de huidige bijlage bij de Awb en van de afzonderlijke
voorschriften in diverse bijzondere
wetten.
Artikel 2
Artikel 2 regelt tegen welke besluiten
beroep in eerste en enige aanleg
openstaat bij de ABRvS.
Artikel 3
Artikel 3
regelt tegen welke besluiten beroep in
eerste en enige aanleg openstaat bij de CRvB.
Artikel 4
Artikel 4
regelt tegen welke besluiten beroep in
eerste en enige aanleg openstaat bij het
CBb.
Artikel 5
Artikel 5
regelt tegen welke besluiten beroep in
eerste en enige aanleg openstaat bij een
gerechtshof.
Artikelen
6, 7 en 8
Deze
artikelen regelen in welke gevallen het
beroep in eerste aanleg niet bij alle
negentien rechtbanken openstaat, maar is
geconcentreerd bij één of meer
rechtbanken.
Artikel 9
Artikel 9
regelt in welke gevallen het hoger
beroep tegen de uitspraak van de
rechtbank openstaat bij de CRvB
én
tevens schorsende werking heeft (zie
artikel 8:106). De lijst komt derhalve,
behoudens de herverkaveling, overeen met
onderdeel C, nummers 1 tot en met 24,
van de
huidige bijlage bij de
Beroepswet.
rblz.|71|
Artikel
10
Artikel
10 regelt in welke gevallen het hoger
beroep tegen de uitspraak van de
rechtbank openstaat bij de CRvB, waarbij
dit hoger beroep geen schorsende werking
heeft. De lijst komt derhalve, behoudens
de herverkaveling, overeen met de
huidige bijlage bij de
Beroepswet (dus: de
onderdelen A, B en
C), met uitzondering
van onderdeel
C, nummers 1 tot en met
24.
Artikel
11
Artikel
11 regelt in welke gevallen het hoger
beroep tegen de uitspraak van de
rechtbank openstaat bij het CBb. Deze
lijst komt derhalve, behoudens de
herverkaveling, overeen met de huidige
bijlage bij de Wbbo.
Artikel
12
Artikel
12 regelt de gevallen waarin geen sprake
is van een besluit als bedoeld in
artikel 26 Awr, maar toch de fiscale
rechtsgang openstaat en derhalve hoger
beroep openstaat bij een gerechtshof.
De derde
bijlage bij de Awb
is de Regeling
verlaagd griffierecht. Zij vervangt de
onderdelen B en C, onder 1 tot en met
25, 29 en 33, van de
huidige bijlage bij de
Beroepswet, alsmede een aantal
bepalingen uit bijzondere
wetten en
artikel 27b Awr.
Artikel
II (Wet RvS)
Onderdelen A
en B
Deze wijzigingen maken de instelling van
een grote kamer mogelijk bij de ABRvS.
Verwezen zij naar paragraaf
3.5 van
het algemeen deel van deze toelichting.
Onderdeel
C
Deze
wijziging herstelt een kleine
onjuistheid die bij de Wet
van 22 april 2010 tot wijziging van de Wet op de Raad
van State in verband met de
herstructurering van de Raad van State
in de wet is geslopen. In het systeem
van de Wet
RvS is het passender om de
bevoegdheid tot het vaststellen van een
klachtregeling toe te bedelen aan de
voorzitter van de Afdeling
bestuursrechtspraak en niet aan de
Afdeling als geheel.
Onderdeel
D
Het
procesrechtelijk deel van de Wet
RvS kan
vervallen, nu de inhoud daarvan door het
onderhavige wetsvoorstel wordt
overgebracht naar de Awb.
Artikel
III (Beroepswet)
Onderdeel A
Deze wijziging maakt de instelling van
een grote kamer mogelijk bij de CRvB.
Verwezen zij naar paragraaf
3.5 van
het algemeen deel van deze toelichting.
Onderdeel
B
De
procesrechtelijke bepalingen van de Beroepswet
kunnen vervallen, nu de
inhoud daarvan door het onderhavige
wetsvoorstel wordt overgebracht naar de
Awb. De institutionele bepalingen van de
Beroepswet worden gehandhaafd.
rblz.|72|
Artikel
IV (Wbbo)
Onderdeel A
Deze wijziging maakt de instelling van
een grote kamer mogelijk bij het CBb.
Verwezen zij naar paragraaf
3.5 van
het algemeen deel van deze toelichting.
Onderdeel
B
De
procesrechtelijke bepalingen van de Wbbo
kunnen vervallen, nu de inhoud daarvan
door het onderhavige wetsvoorstel wordt
overgebracht naar de Awb. De
institutionele bepalingen van de Wbbo
worden gehandhaafd.
Artikel
V (Awr)
Onderdeel A
Het opschrift van afdeling 2 wordt
aangepast omdat in deze afdeling
geregelde bijzonderheden van de fiscale
rechtsgang zowel in beroep bij de
rechtbank als in hoger beroep gelden.
Onderdeel
B
Deze
wijziging in artikel 25a Awr
houdt
verband met de vervanging van de termen
administratieve rechter en
administratieve rechtspraak door
bestuursrechter en bestuursrechtspraak.
Zie de toelichting op artikel 1:4 Awb.
Onderdeel
C
In
artikel 26 Awr
wordt met de vervanging
van "rechtbank" door "bestuursrechter" rekening gehouden
met het gegeven dat sporadisch nog
beroep in eerste aanleg openstaat bij
een gerechtshof. Hiernaast is in het
eerste lid, aanhef, van de artikelen 26
en 26a Awr
de verwijzing naar artikel
8:1, eerste lid, Awb
gewijzigd in een
verwijzing naar artikel 8:1
Awb. Voor de
leesbaarheid is de aanhef van artikel
26, eerste lid, Awr
uitgeschreven.
Onderdeel
D
Dit
betreft een aanpassing van een
verwijzing noodzakelijk geworden door
de wijziging van artikel 8:1
Awb.
Onderdeel
E
Artikel
27 Awr
regelt thans dat in afwijking van
het huidige artikel
8:7, tweede lid, Awb
het beroep in belastingzaken is
geconcentreerd bij vijf van de negentien
rechtbanken. Voorgesteld wordt om deze
concentratie te regelen in artikel
8:7,
vierde lid, Awb
juncto hoofdstuk 3
(artikel 8, tweede lid), van de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Artikel 27 Awr
kan
mitsdien vervallen.
Artikel 27b
Awr
regelt thans het griffierecht
voor het beroep in eerste aanleg in
belastingzaken. Het onderhavige
wetsvoorstel regelt dit in artikel 8:41
Awb en de
Regeling verlaagd griffierecht. Daarom kan artikel 27b
Awr
vervallen.
Onderdeel
F
Artikel 27h, eerste lid, van de Awr
regelt thans
wie in belastingzaken bevoegd is om
hoger beroep in te stellen: degene die
beroep kon instellen bij de
rechtbank en
de inspecteur, voor lagere overheden de
heffingsamtbenaar. Hoewel deze
bevoegdheid niet wijzigt, noodzaakt het
centraal regelen van het hoger beroep in
artikel 8:104 Awb
dat in artikel 27h een
uitzondering hierop wordt opgenomen voor
hoger beroep in belastingzaken.
rblz.|73|
In
het
tweede lid van artikel 27h wordt buiten
twijfel gesteld dat enkele specifieke
bepalingen voor het beroep in
belastingzaken ook gelden voor het hoger
beroep. Zie ook het huidige artikel 27j,
tweede lid, Awr.
Onderdeel
G
De
huidige afdeling 3 van hoofdstuk V van
de Awr, inzake het hoger beroep bij het
gerechtshof, kan vervallen, nu wordt
voorgesteld dat de bepalingen in de Awb
over het hoger beroep eveneens voor
belastingprocedures zullen gelden.
Bijzonderheden van het hoger beroep in
belastingzaken zijn geregeld in artikel
27h Awr, dat tot afdeling 2, hoofdstuk
V, Awr
zal gaan behoren. Met de wijzigingen voorgesteld in dit
onderdeel zijn de bijzondere bepalingen
voor zowel het beroep als het hoger
beroep in belastingzaken geregeld in
afdeling 2, hoofdstuk V, Awr.
Onderdeel
H
Zoals
reeds aangegeven in de toelichting
op artikel 8:107 Awb (artikel I, onderdeel
TTTT), is het wenselijk dat de Hoge Raad
als cassatierechter in belastingzaken
steeds kan beschikken over het
proces-verbaal van de zitting van het
hof of de
rechtbank. Dit is hier
geregeld.
Onderdelen
I en J
De in dit
wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen in
de Awb noodzaken tot een aanpassing van
de verwijzingen naar de Awb in artikel
29 Awr. Dit onderdeel strekt daartoe.
Tevens
wordt met de in artikel 29 Awr
toegevoegde verwijzing naar artikel
8:109 Awb
onder meer bereikt dat voor de
heffing van het griffierecht in cassatie
de bedragen, genoemd in artikel
8:109,
eerste lid, Awb, van toepassing zijn.
Dit zijn dezelfde bedragen die voorkomen
in het huidige artikel 29a Awr. De
verwijzing naar artikel 8:41
Awb, met
uitzondering van het tweede lid, in
artikel 29 Awr
regelt de
verschuldigdheid van het griffierecht in
cassatie en de betaling ervan.
Doordat
het griffierecht in cassatie thans is
geregeld via de verwijzing naar de Awb
in artikel 29 Awr, kan artikel 29a
Awr
vervallen.
Onderdeel
K
In de Vierde
tranche Algemene wet bestuursrecht (Stb. 2009, 264) is
aan artikel 1:1
Awb een vierde lid
toegevoegd, inhoudende dat de
vermogensrechtelijke gevolgen van een
handeling van een bestuursorgaan in
algemene zin worden toegerekend aan de
rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan
behoort. Artikel 29g Awr
wordt hieraan
alsnog aangepast.
Artikel
VI
Deze wijziging houdt verband met het
definitief handhaven van de in artikel
8:3 neergelegde regel dat geen beroep
openstaat tegen algemeen verbindende
voorschriften of beleidsregels. Verwezen
zij naar de toelichting
op artikel 8:3 (artikel I, onderdeel
CC, van dit
wetsvoorstel).
Deel
B. Wijziging van andere wetten
In hoofdstuk 6 van het algemeen deel
van deze toelichting is aangegeven welke
redenen noodzaken tot aanpassing van een
groot aantal bijzondere
wetten.
1. De
Regeling rechtstreeks beroep (bijlage 1
bij de Awb) geeft een uitputtende
opsomming van de wettelijke
voorschriften waarvoor geldt dat, in
afwijking van artikel 7:1
Awb, tegen
besluiten op grond van die voorschriften
geen bezwaarschriftprocedure openstaat.
2. De
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
(bijlage 2 bij de Awb) geeft een
uitputtende opsomming van wettelijke
voorschriften die een van de hoofdregel
afwijkende rechtsgang voorschrijven.
rblz.|74|
3. De Regeling verlaagd griffierecht
(bijlage
3 bij de Awb) geeft een uitputtende
opsomming van besluiten waarvoor geldt
dat voor beroep daartegen het lage
griffierecht wordt geheven.
4. De
artikelen 7:3 (deel A, artikel I,
onderdeel V) en 7:17 (deel A, artikel I,
onderdeel Y) verruimen de mogelijkheden
om af te zien van het horen van
belanghebbenden voorafgaand aan de
beslissing op bezwaar onderscheidenlijk
op administratief beroep.
5. De in
onbruik geraakte termen "administratieve
rechter" en "administratieve
rechtspraak" zijn
vervangen door de meer eigentijdse
begrippen "bestuursrechter" en
"bestuursrechtspraak".
6.
Verordening (EG) 1/2003 wordt in de Awb
geïmplementeerd; zie de artikelen 8:45
(deel A, artikel I, onderdeel
TT), 8:45a
(deel A, artikel I, onderdeel UU) en
8:60a
(deel A, artikel I, onderdeel
OOO).
Ad 1 en
2. Verreweg de meeste aanpassingen
vloeien voort uit de voorgestelde
bijlagen 1 en 2 bij de Awb. Een groot
aantal artikelen kan geheel vervallen.
Er zijn echter diverse artikelen die
meer regelen dan een bijzondere
rechtsgang; deze artikelen moeten in
verband daarmee veelal opnieuw worden
geredigeerd. Voorbeelden: artikel 281a
Gemeentewet
(artikel V), artikel D9 Kieswet
(artikel VI); artikel 4 Uitvoeringswet
Nederlands-Duits Executieverdrag (artikel
LIX), artikel
29 Reconstructiewet
concentratiegebieden (artikel LXXXIV), artikel 184
Wet
op het primair onderwijs (artikel
XCIV),
artikel 162 Waterschapswet
(artikel LXXIV), artikel 44 Huisvestingswet
(artikel CXLVIII), de artikelen 20.1,
20.2, 20.3, 20.5, 20.6 en 20.15 Wet
milieubeheer (artikel CLIX) en artikel 8.2
Wet
ruimtelijke ordening (artikel CLXI).
Ad 3.
Thans bepalen artikel
8:41, derde lid,
onderdeel a, en artikel
22, tweede lid,
onderdeel a, Beroepswet
in welke
gevallen de indiener van een
(hoger)beroepschrift het "lage" tarief
is verschuldigd; deze bepalingen
verwijzen daartoe naar de bijlage bij de
Beroepswet (onderdeel
B en onderdeel
C,
de nummers 1 tot en met 25, 29 en 33).
Deze wetten
zijn ook genoemd in de Regeling verlaagd griffierecht.
De
Regeling verlaagd griffierecht noemt
echter ook enige wetten die niet in de
bijlage bij de Beroepswet zijn vermeld.
De in deze wetten vervatte bepalingen
over verlaagd griffierecht kunnen
vervallen. Het gaat hierbij om artikel
38 Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 (artikel
CXXXVIII), artikel 45
Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet
(artikel CXXXIX) en artikel 34 Wet
buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers (artikel
CXL).
Ad 4. De
bepalingen die wegens de voorgestelde
wijziging van de artikelen 7:3 (deel A,
artikel I, onderdeel V) en 7:17 (deel A,
artikel I, onderdeel Y) kunnen
vervallen, zijn: artikel 37a
Toeslagenwet
(artikel
CII), artikel 128
Werkloosheidswet (artikel CIII),
artikel
95b Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (artikel CIV),
artikel
6:2
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten (artikel CV [artikel
CXII, red.]) en artikel
87a Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (artikel
CIX).
Ad 5. In
een aantal bijzondere
wetten komt de
term "administratieve rechter" voor.
Voorgesteld wordt om ook in deze wetten
het begrip "bestuursrechter" te
introduceren. Het gaat om: de Rijkswet
tot goedkeuring van enkele verdragen
inzake de bestrijding van fraude en
corruptie II (artikel LVIII), de Wet
op de rechterlijke organisatie (artikel
LXIX),
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel
LXXII) en de Wet
op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek (artikel
XCIII).
Ad 6.
Door het implementeren van Verordening
2003/1 in de Awb
kunnen de artikelen 89h, 89i en
89j Mw
(artikel
XXII) vervallen.
rblz.|75|
Deel
C
Artikel
1
Dit artikel bevat het overgangsrecht.
Gekozen is voor eerbiedigende werking.
Het nieuwe recht is niet van toepassing
op op het tijdstip van inwerkingtreding
aanhangige bezwaar- en beroepsprocedures
tegen primaire besluiten - dus:
besluiten waartegen geen bezwaar is
gemaakt of administratief beroep is
ingesteld - die vóór dat tijdstip
zijn bekendgemaakt en evenmin op op het
tijdstip van inwerkingtreding aanhangige
hogerberoepsprocedures tegen uitspraken
die vóór dit tijdstip zijn
bekendgemaakt. In plaats daarvan blijft
het oude recht van toepassing.
Maar
indien na de inwerkingtreding van deze
wet wordt beslist op een bezwaarschrift
of een administratief beroepschrift
tegen een voordien bekendgemaakt primair
besluit, is op het beroep bij de
bestuursrechter tegen de beslissing op
bezwaar of administratief beroep het
nieuwe recht van toepassing. Evenzo is
het nieuwe recht van toepassing op het
hoger beroep tegen een uitspraak van de
rechtbank die na inwerkingtreding van
deze wet is bekendgemaakt, ook als deze
uitspraak betrekking heeft op een
besluit dat voordien is bekendgemaakt.
Artikel
2
Hoewel het in de bedoeling ligt deze wet
als één geheel in werking te laten
treden, is de mogelijkheid van gedifferentieerde
inwerkingtreding opengehouden. Het
onderhavige wetsvoorstel bevat een groot
aantal wijzigingen van andere wetten. De
ervaring met dergelijke omvangrijke
aanpassingsoperaties leert dat het
daarbij nuttig is om de mogelijkheid
achter de hand te houden om een enkele
aanpassing van inwerkingtreding uit te
zonderen.
Artikel
3
Omdat deze wijzigingswet naar
verwachting veelvuldig zal worden
aangehaald, is een citeertitel
opgenomen.
De Minister
van Justitie,
Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
E.M.H. Hirsch Ballin
|