Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 blz. 1  

Kamerstukken II 2013-2014, 33 853

Wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met beëindiging van de voorschotregeling en vaststelling van een grondslag voor het stellen van regels ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Hoofdverblijf in dezelfde woning in de AOW
1.1 Algemeen
1.2 Reikwijdte
1.3 Ontvangen commentaren
1.4 Financiële effecten
1.5 Regeldrukeffecten
2 Beëindiging voorschotregeling
2.1 Algemeen
2.2 Financiële en regeldrukeffecten
xArtikelsgewijs
xxxr Artikelen I t/m V

 

 

Algemeen

 

     Dit wetsvoorstel heeft betrekking op twee onderwerpen. Allereerst voorziet het in een wijziging van de Algemene Ouderdomswet (AOW) om een grondslag vast te stellen voor het stellen van regels ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning. Verder bevat het een wijziging van de AOW en de Wet werk en bijstand in verband met de beëindiging van de in artikel 22 van de AOW opgenomen voorschotregeling.

 

1. Hoofdverblijf in dezelfde woning in de AOW


1.1. Algemeen


     De hoogte van het AOW-pensioen is afhankelijk van de leefvorm.¹ Gehuwden en ongehuwd samenwonenden ² die een gezamenlijke huishouding voeren, ontvangen een AOW-pensioen van 50% van het wettelijk minimumloon (WML) per persoon. Volgens artikel 1, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ³ is er van een gezamenlijke huishouding alleen sprake als er aan twee criteria is voldaan, namelijk dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (huisvestingscriterium) en zij voor elkaar zorgen financieel dan wel anderszins (verzorgingscriterium). Of aan het huisvestingscriterium wordt voldaan, is voor de Sociale verzekeringsbank (SVB), als uitvoerder van de AOW, in sommige gevallen moeilijk vast te stellen. Het gaat dan om de situatie waarbij twee mensen ieder een eigen huis hebben, maar in één van die woningen of in beide samen veel verblijven. Per individueel geval stelt de SVB vast of twee personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben en of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. De beoordeling of er  blz. 2  sprake is van een gezamenlijke huishouding is complex en de handhaving hierop arbeidsintensief. Het begrip sluit niet altijd aan bij de beleving van burgers, kan mede daardoor voor hen onduidelijk zijn, wat soms tot weerstand vanuit de maatschappij leidt. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij de zogenoemde latrelatie ("living apart together"), waarbij belanghebbenden er bewust voor kiezen geen gezamenlijke huishouding te (willen) voeren, maar apart te blijven wonen. Ondanks deze intentie kan in de feitelijke situatie op grond van de beoordeling van de objectieve individuele omstandigheden toch sprake zijn van een gezamenlijke huishouding. Als een gezamenlijke huishouding wordt vastgesteld, dan vallen AOW-gerechtigden hierdoor terug van 70% WML naar

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.