|
rblz.|5
l.k.|
Kamerstukken II
1952-1953, 3034
Coördinatie
van bepalingen van socialeverzekeringswetten
met die van de loonbelasting en de vereveningsheffing (Coördinatiewet
Sociale Verzekering)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Algemeen |
| 2 |
Coördinatie van het loonbegrip |
| 3 |
Loonadministratie, inning en controle |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
1 t/m 20 |
[Algemeen, red.]
1.
Algemeen
De
bepalingen welke in dit ontwerp van wet
en in de drie andere, gelijktijdig met
en onder hetzelfde nummer bij de
Staten-Generaal ingediende ontwerpen van
wet zijn vervat, vormen de eerste - en in praktisch opzicht tevens de
belangrijkste - stap naar een meer
doelmatige en goedkopere regeling van
de heffing zowel van de premiën voor de
sociale verzekering als van de
belastingen naar het loon. Daarvan zal
met name ook het gevolg zijn dat de
administratieve verplichtingen die het
bedrijfsleven met het oog op deze
heffingen heeft te vervullen
aanmerkelijk in omvang afnemen.
De
huidige toestand op het gebied van de
belastingheffing naar het loon - loonbelasting en vereveningsheffing
- en de premieheffingen voor de
verschillende sociaIeverzekeringswetten wordt
gekenmerkt door het bestaan van een
groot aantal verschillen in bepalingen
handelende over dezelfde onderwerpen.
Deze
verschillen komen zowel voor tussen de
regelen omtrent de belastingheffing
naar het loon enerzijds en die
betreffende de premieheffingen
anderzijds als tussen laatstgenoemde
regelen onderling.
Voor
wat de sociale verzekering betreft,
kunnen vele onderlinge verschillen
tussen de onderscheidene wetten hierdoor
worden verklaard dat het tijdstip van
totstandkoming van de wettelijke
regelingen vaak ver uiteenligt en dat
herhaaldelijk in de latere wetten
nieuwere inzichten ten aanzien van
bepaalde onderwerpen zijn verwerkt,
zonder dat daarmede een aanpassing van
de oudere wetten gepaard ging.
De
Besluiten op de Loonbelasting en de
Vereveningsheffing [lees: Het Besluit op de Loonbelasting 1940
en het Besluit op de Vereveningsheffing
1941, red.] anderzijds
daarentegen zijn nagenoeg tegelijkertijd
ontstaan en sluiten in hoofdzaak op
elkaar aan, doch naar het zoveel
mogelijk in overeenstemming brengen van
hun bepalingen met die van de sociale
verzekering is niet of slechts in
geringe mate gestreefd.
Het
uiteenlopen van de regelingen is voorts
vergroot door de verschillen in
interpretatie. Ten gevolge van het feit
dat de colleges die kennisnemen van
geschillen inzake de sociale verzekering andere zijn dan
die welke
met de rechtspraak in zake de fiscale
heffingen zijn belast, kon omtrent
dezelfde vraagstukken een jurisprudentie
ontstaan die aan de uitvoeringsorganen
op sociaal en fiscaal terrein
uiteenlopende richtsnoeren gaf. Voorts
is het feit dat de uitvoering van de
belastingbesluiten enerzijds en die van
de socialeverzekeringswetten
anderzijds aan verschillende organen is
opgedragen oorzaak van het ontstaan
van een aantal afwijkende regelen
waartoe de praktijk van de uitvoering
aanleiding heeft gegeven.
Algemeen
is echter de overtuiging dat sommige
van deze verschillen geen zin hebben en
dat andere niet zo essentieel zijn dat
de daardoor veroorzaakte moeite en
kosten gerechtvaardigd zouden zijn. De
ondergetekenden stellen zich op het
standpunt dat het bereiken van meer
coördinatie op dit gebied van een
zodanig maatschappelijk belang is dat
de feitelijk gegroeide situatie en de
daarmede verband houdende ingeburgerde
gewoonten geen beletsel mogen vormen om
tot een geünificeerde regeling te komen,
tenzij daardoor dermate ernstig in het
karakter en de structuur van het
belastingrecht of de rblz.|5
r.k.|
sociale
verzekering zou worden ingegrepen dat tegen de aantasting van dat karakter of
die structuur de te bereiken
maatschappelijke besparing niet zou
opwegen.
Dit
uitgangspunt brengt mede dat gestreefd
dient te worden naar een ingrijpende
vereenvoudiging, bestaande uit een
aanpassing over en weer van de
grondslagen van de heffingen naar het
loon, zo groot mogelijke eenvormigheid
van de aan de uitvoering verbonden
formaliteiten en eenheid in de beslissingen bij uitvoering en
rechtspraak. Voorts is het wenselijk
dat mede langs de weg van overleg tussen
de uitvoerende organen samenwerking bij
controle en inning tot stand komt. Aldus
kan, nu het om verrichtingen gaat
waarvan de aantallen in de millioenen
lopen, allereerst voor de bedrijven,
doch tevens voor de gehele gemeenschap
een belangrijke bezuiniging worden
bereikt. De wenselijkheid daarvan klemt
te meer nu de omstandigheden nopen tot
het aangrijpen van alle middelen die
tot een zo efficiënt mogelijke
productie kunnen bijdragen.
Het
effect van een dergelijke aanpassing kan
moeilijk in cijfers worden uitgedrukt,
doch het staat vast dat het zeer
belangrijk is. Voorts is het van grote
betekenis - met name ook voor de
kleine ondernemer - dat de druk
veroorzaakt door het voortdurend moeten
nakomen van omvangrijke administratieve
verplichtingen zoveel mogelijk wordt
beperkt, waardoor meer tijd vrijkomt
voor de eigenlijke
ondernemersactiviteit.
Met
het oog hierop hebben in 1950 de
toenmalige Ministers van Financiën en
van Sociale Zaken een commissie in het
leven geroepen die tot opdracht had een
onderzoek in te stellen naar de
mogelijkheid van een coördinatie van de
loonbelasting en de vereveningsheffing
enerzijds en de heffing van socialeverzekeringspremiën anderzijds
en voorstellen ter zake voor te
bereiden.
Het
door deze breed samengestelde commissie
met eenstemmigheid uitgebrachte rapport dat aan de leden der
Staten-Generaal werd toegezonden, hield
een reeks van concrete voorstellen in,
terwijl van enige belangrijke aan te
brengen wetswijzigingen een nadere
uitwerking was gegeven. Dit rapport
verschaft naar de mening van de
ondergetekenden een goede grondslag voor
een wettelijke regeling ter bereiking
van de coördinatie.
De
gedetailleerde uitwerking van de in te
dienen wetsontwerpen is na het
verschijnen van het rapport - hierna
te noemen het coördinatierapport - met kracht ter hand genomen, met het
doel aan de door de commissie gedane
voorstellen zo spoedig mogelijk
uitvoering te geven. Deze voorstellen
kunnen in het kort als volgt worden
samengevat:
A.
Alle verschillen tussen het begrip loon
dat ten grondslag ligt aan de heffingen
ingevolge de socialeverzekeringswetten
en het Besluit op de Vereveningsheffing
vervallen.
B.
De verschillen tussen het begrip loon
voor de heffingen ingevolge de
socialeverzekeringswetten en de
vereveningsheffing enerzijds en het
loonbegrip voor de loonbelasting anderzijds worden sterk beperkt.
C.
De kringen van werknemers en werkgevers
vallende onder de sociaIeverzekeringswetten
en de
Besluiten op de Loonbelasting en de
Vereveningsheffing, worden zoveel
mogelijk dezelfde.
rblz.|6
l.k.|
D.
Aanbevolen wordt het doen overeenstemmen
van bepalingen inzake
betalingstermijnen, administratie en
dergelijke, alsmede een nauwe
samenwerking tussen de uitvoerende
organen bij de wetstoepassing.
E.
Voorgesteld wordt beroep in cassatie bij
de Hoge Raad mogelijk te maken van die
uitspraken van de Centrale Raad van
Beroep welke voor de coördinatie der
premieheffing van belang zijn.
Voor
wat betreft de voorstellen A tot en met
D, welke de coördinatie van de
wettelijke grondslagen van de heffingen
op het gebied van de sociale verzekering
en de belastingen naar het loon
omvatten, bleek weldra dat de
verwezenlijking van het voorstel onder C
nog een geruime tijd van voorbereiding
zou vergen, zowel door het overleg dat
hiervoor met verschillende instanties
zou moeten plaats hebben als met name
door de zeer omvangrijke technische
arbeid die zou moeten worden verricht.
Bij de verwezenlijking van dat voorstel,
de coördinatie van de kringen van
werknemers en werkgevers, gaat het om het
zoveel mogelijk doen vervallen van de
verschillen welke zich thans bij de sociaIeverzekeringswetten
en de
Besluiten op de Loonbelasting en de
Vereveningsheffing onder meer voordoen
ten aanzien van:
1.
loongrenzen;
2. personen die niet in een onderneming
werkzaam zijn;
3. personen die werkzaam zijn bij bloed-
of aanverwanten;
4.
directeuren van NV's die in het bezit
zijn van het merendeel van de aandelen;
5.
niet als werkgever ingeschreven personen die persoonlijk in aangenomen
werk arbeid verrichten en hun hulpen;
6.
niet als werkgever ingeschreven personen die niet in loondienst en niet
in aangenomen werk persoonlijk arbeid
verrichten, zoals melkslijters, melkrijders en dergelijke;
7.
thuiswerkers;
8.
deelvissers;
9.
zeelieden.
De
ondergetekenden zijn evenwel van oordeel dat een langdurig uitstel, in
aanmerking genomen de dringende behoefte
aan vereenvoudiging, niet aanvaardbaar
moet worden geacht. Zij hebben daarom
naar wegen gezocht om deze vertraging te
voorkomen. Daarbij zijn zij tot de
conclusie gekomen dat het mogelijk is
de onder A, B en D genoemde voorstellen
reeds eerder tot uitvoering te brengen,
waarbij zij het een zeer gelukkige
omstandigheid achten dat deze
voorstellen voor het bedrijfsleven het
belangrijkste zijn. De onder A, B en D
genoemde voorstellen zijn belichaamd in
de onderhavige ontwerpen van wet, die
voor elk van de twee gebieden - belastinghelling en sociale verzekering
- een zelfstandige, doch zoveel
mogelijk gelijkluidende regeling geven.
De
ondergetekenden wijzen er echter met
nadruk op dat ook naar hun mening de
hierboven onder C genoemde coördinatie
van de kringen van werknemers en
werkgevers spoedig dient te worden
verwezenlijkt.
Met
de voorbereiding daarvan zal dan ook met
spoed worden voortgegaan.
Het
hierboven onder E omschreven voorstel
betreft de coördinatie van de
rechtspraak. Ten aanzien van dit punt
heeft de Regering haar standpunt nog
niet bepaald.
Op
de voet van het coördinatierapport zijn
in de ontworpen wettelijke regelingen
die heffingen in de unificatie betrokken die de grondslag loon gemeen
hebben. Daartoe behoort niet de
Invaliditeitswet, waarvoor de premie
wordt voldaan door het plakken van
zegels, welker waarde niet in verband
staat met de hoogte van het loon. Voorts
is met het oog op de zeer bijzondere
situatie van het zeevaart- en
zeevisserijbedrijf met betrekking tot de
ongevallenverzekering ook de Zeeongevallenwet buiten beschouwing
gelaten.
De heffingen die derhalve in de
coördinatie zijn betrokken, berusten,
voor zoveel de sociale verzekering
betreft, op de Ongevallenwet 1921, de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, de Ziektewet, de Kinderbijslagwet, de
Werkloosheidswet en het
Ziekenfondsenbesluit en, voor zoveel de
belastingheffing rblz.|6
r.k.|
betreft,
op het Besluit op de Loonbelasting 1940
en het Besluit op de Vereveningsheffing
1941.
2. Coördinatie van het loonbegrip
Het
voor de loonbelasting geldende begrip
"loon" heeft een ruimere
betekenis dan dat geldende voor de sociaIeverzekeringswetten. De
loonbelasting heeft als maatstaf hetgeen
voor de werknemer ter beschikking komt;
zij treft derhalve niet uitsluitend
hetgeen rechtstreeks uit de
arbeidsverhouding voortvloeit, maar
houdt bijvoorbeeld in een aantal
gevallen ook rekening met datgene wat
de werknemer ingevolge de sociaIeverzekeringswetten
toekomt. Bij
de socialeverzekeringswetten
daarentegen is uitgangspunt het loon
dat rechtstreeks voortvloeit uit de
arbeidsverhouding tussen werkgever en
werknemer. Ook fooien worden daarbij
tot het loon gerekend. De uitkeringen
ingevolge de socialeverzekeringswetten
blijven evenwel buiten aanmerking.
Hoewel het Besluit op de
Vereveningsheffing 1941 voor de
bepaling van het loonbegrip nauw
aansluit bij het Besluit op de
Loonbelasting 1940, is door een reeks
van uitzonderingsbepalingen de situatie
ontstaan dat het loonbegrip voor die
heffing in belangrijke mate aansluit aan
dat voor de sociale verzekering.
Naar
de mening van de ondergetekenden bestaat
niet voldoende reden voor handhaving
van de nog bestaande verschillen tussen
de maatstaf voor de vereveningsheffing
en de grondslag voor de
socialeverzekeringswetten. In het
ontwerp van wet tot coördinatie van
bepalingen van loonbelasting en vereveningsheffing met die van
socialeverzekeringswetten is dan ook het begrip
loon voor de vereveningsheffing
aangepast aan het nieuwe loonbegrip voor
de socialeverzekeringswetten. Dit is
verwezenlijkt door op het ruime
loonbegrip voorkomende in het Besluit
op de Loonbelasting 1940, zoals dit na
de onderhavige wijziging zal luiden, een
aantal correcties toe te passen
waardoor het engere loonbegrip van de
socialeverzekeringswetten wordt
bereikt.
Een aantal verschillen tussen
het loonbegrip voor de verschillende
heffingen is aldus tenietgedaan. In de
toelichting op de artikelen wordt
hierop nader ingegaan.
Bepaalde
verschillen tussen het loonbegrip voor
de loonbelasting enerzijds en dat voor
de socialeverzekeringswetten anderzijds
kunnen evenwel niet worden weggenomen.
De belangrijkste voorbeelden hiervan
zijn de kinderbijslag en de andere
uitkeringen ingevolge de
socialeverzekeringswetten, alsmede de
aftrek uit hoofde van de
werknemersbijdrage in de premie. Het
verwaarlozen van deze bedragen bij de
heffing van de loonbelasting zou niet
aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van
verdeling van lasten.
Er is evenwel naar
gestreefd, ondanks het handhaven van de
hiervoor aangeduide verschillen, voor de
praktische uitvoering van de
loonadministratie een vereenvoudiging
van betekenis tot stand te brengen. De
wijze waarop dit is geschied, wordt
hieronder nader uiteengezet.
Premiebedragen ingevolge de
socialeverzekeringswetten
De
premiebijdragen van de werknemer worden
thans voor de toepassing van de sociaIeverzekeringswetten
als loon
aangemerkt. Voor de toepassing van de
Besluiten op de Loonbelasting en de
Vereveningsheffing wordt niet de
bijdrage ingevolge de Werkloosheidswet
en de Ziektewet, doch wel die ingevolge
hel Ziekenfondsenbesluit tot het loon
gerekend. De premiebijdrage van de
werkgever blijft voor alle heffingen
buiten beschouwing. Het hiervoor
gereleveerde verschil in behandeling bij
de belastingheffing van de premie
ingevolge de Ziektewet en
Werkloosheidswet enerzijds en het
Ziekenfondsenbesluit anderzijds vindt
zijn verklaring in het feit dat de
periodieke uitkeringen welke mede uit
de eerstbedoelde premiebijdragen worden
gefinancierd, in bepaalde gevallen aan
de loonbelasting en in de overige
gevallen aan de inkomstenbelasting zijn
onderworpen, zodat het belasten van die
bijdragen op een dubbele heffing zou
neerkomen, terwijl de voordelen
voortvloeiende uit het
Ziekenfondsenbesluit niet aan
belastinghelling zijn onderworpen, zodat
zich daar het gevaar van dubbele heffing
niet voordoet. Naar het oordeel van de rblz.|7
l.k.|
ondergetekenden
bestaat er echter ten deze geen
principieel verschil tussen het
werknemersaandeel en het
werkgeversaandeel in de premie, zodat de
thans bestaande praktijk, die het
werkgeversaandeel in de premie
ingevolge het Ziekenfondsenbesluit niet
tot het loon rekent, naar hun mening
niet bestendigd behoort te worden.
Een
unificatie op dit terrein tussen de
fiscale heffingen en de premieheffingen
blijkt niet te verwezenlijken. De eerste
mogelijkheid die daartoe zou openstaan,
namelijk het aan de belastingheffing
onderwerpen van alle premiebijdragen,
leidt, zoals hiervoor is uiteengezet,
tot dubbele heffing. De tweede
mogelijkheid, namelijk het achterwege
laten van premieheffing over de
werknemersbijdrage, zou inhouden dat
men, om de premie te berekenen, eerst de
premie zelf van het loon zou moeten
aftrekken.
Dit
verschil in behandeling van de
premie-inhouding is aanleiding tot een
verzwaring van de administratieve
werkzaamheden bij het opmaken van de
loonstaat. Hierna zal echter blijken
dat deze moeilijkheden kunnen worden
opgelost door het toepassen van een bijzondere tabel voor de loonbelasting.
Kinderbijslag
Er dient, zoals hieronder nader zal
blijken, onderscheiden te worden tussen
de uitkeringen ingevolge de
Kinderbijslagwet en de overige
uitkeringen ingevolge de sociaIeverzekeringswetten.
Hier
wordt nog slechts gewezen op het feit
dat de kinderbijslag in een belangrijk
groter aantal gevallen een rol speelt
dan de overige uitkeringen ingevolge de
socialeverzekeringswetten, die meer
incidenteel voorkomen.
Ten
aanzien van de kinderbijslag ingevolge
de Kinderbijslagwet, alsmede ten
aanzien van de kinderbijslag verleend
ingevolge een bijzondere regeling als
bedoeld in artikel 5 der
Kinderbijslagwet, geldt dat die
kinderbijslagen noch voor de
premieheffingen, noch voor de
vereveningsheffing worden belast. Voor
de toepassing van de loonbelasting kan
dit belangrijke inkomstenbestanddeel
uit de aard der zaak niet buiten
beschouwing worden gelaten.
Een
aanpassing van de loonbelasting aan de
socialeverzekeringswetten acht de
tweede ondergetekende dan ook niet
mogelijk. Wat de andere mogelijkheid
betreft, namelijk het tot het premieloon
rekenen van de kinderbijslagen, delen de
ondergetekenden de mening neergelegd
in het coördinatierapport dat zulks
evenzeer ongewenst is met het oog op het
bezwaar dat de werkgever voor
werknemers met een groot aantal kinderen
een belangrijk hogere premie
verschuldigd zou zijn dan voor
werknemers met weinig kinderen, hetgeen
ertoe zou kunnen leiden dat bij het
aannemen van personeel voorkeur zou
worden betoond voor werknemers zonder
kinderen, dan wel voor ongehuwden.
Op
dit punt is een coördinatie van de
wettelijke bepalingen dus uitgesloten.
Niettemin kan een belangrijke
vereenvoudiging worden bereikt door de
invoering van een bijzonder tarief voor
de loonbelasting. Bij het ontwerpen van
deze oplossing is ervan uitgegaan dat
de hiervoor genoemde verschilpunten
een niet te onderschatten verzwaring van
de loonadministratie ten gevolge hebben,
daar, nadat het premieloon is berekend,
dit voor de toepassing van het Besluit
op de Loonbelasting 1940 dient te worden
vermeerderd met de aanspraak op
kinderbijslag, en zulks, naar vanzelf
spreekt, voor iedere werknemer
afzonderlijk.
Er
dient hier nog te worden gewezen op de
niet onbelangrijke moeilijkheden bij de
loonadministratie die veroorzaakt
worden door de verschillen die bestaan
tussen de onderscheidene groepen van
kinderen waarvoor kinderbijslag kan
worden verkregen en die waarvoor
aanspraak op kinderaftrek bestaat. Het
doen verdwijnen van deze verschillen
moet voor de coördinatie dan ook van
grote betekenis worden geacht. Op dit
punt, dat mede voor de invoering van het
hierboven reeds genoemde bijzondere
tarief voor de loonbelasting van belang
is, zal hieronder nader worden
ingegaan.
Bijzonder
tarief
In het voorgaande is verklaard
dat in een tweetal gevallen waarin een
coördinatie van de wettelijke rblz.|7
r.k.|
bepalingen
uitgesloten is te achten, een oplossing
kan worden gevonden door het invoeren
van een voor de toepassing van het
Besluit op de Loonbelasting 1940 geldend
bijzonder tarief. Het betreft hier de
premie-inhouding voor een aantal sociaIeverzekeringswetten
en het in
aanmerking nemen van de aanspraak op
kinderbijslag.
De hiervoor aangeduide oplossing houdt
in dat in een bijzonder tarief de
premiebijdragen van de werknemer
ingevolge de Ziektewet
en de
Werkloosheidswet en die van de
werkgever, voor zover betrekking
hebbende op het Ziekenfondsenbesluit,
alsmede de aanspraak op kinderbijslag
worden verdisconteerd. Dit is aldus
uitgewerkt dat in het tarief de
loonbelastingbedragen die
corresponderen met een bepaald loon, na
aftrek van de hiervoor genoemde
werknemersbijdragen in de premie en
bijtelling van de hiervoor bedoelde
werkgeversbijdrage, alsmede van de
aanspraak op kinderbijslag, worden
opgenomen naast het loon zoals dat
luidt zonder deze aftrek en bijtelling.
Het resultaat hiervan zal zijn dat de
werkgever voortaan, nadat hij het loon
voor de socialeverzekeringswetten heeft
berekend, aan de hand van de hiervoor
bedoelde tabel meteen de verschuldigde
loonbelasting zal kunnen aflezen.
Een
dergelijk tarief moet uit de aard der
zaak gebaseerd zijn op een uniform
percentage voor de inhouding van de
premie; zulks is evenwel alleen dan
aanvaardbaar indien de verschillen in
de werkelijke inhoudingspercentages bij
de onderscheidene bedrijfstakken niet
tot grote verschillen in belastingdruk
leiden. Opgemerkt wordt dat de
inhoudingspercentages voor de Ziektewet,
voor het Ziekenfondsenbesluit en voor de
werkloosheidsverzekering in het
algemeen uniform zijn, doch voor de
wachtgeldverzekering niet. In het
algemeen zijn de schommelingen in
laatstbedoelde percentages evenwel
beperkt. In de meeste bedrijfstakken
zullen dan ook de afwijkingen van het
werkelijke nettoloon met het bij het
uniform inhoudingspercentage te belasten
fiscaal loon slechts zeer gering blijken
te zijn: het gaat hier in de meerderheid
van de gevallen, uitgedrukt in geld, om
verschillen van slechts enkele centen
per week. Een ernstig bezwaar wordt
hierin dan ook niet gezien.
Zoals hiervoor reeds is uiteengezet, moet
het voor de coördinatie van groot
belang worden geacht dat de bestaande
verschillen in de criteria voor
kinderbijslag en kinderaftrek zoveel
mogelijk verdwijnen. Het zal voorts
duidelijk zijn dat voor het tot stand
brengen van een bijzonder tarief, zoals
hierboven vermeld, het tenietdoen van
meergenoemde verschillen een vereiste
is.
Ter
verduidelijking mogen thans hieronder de
bestaande regelen in het kort worden
weergegeven:
Kinderbijslag
wordt in hoofdzaak verleend voor
kinderen die jonger dan 16 jaar zijn,
alsmede voor kinderen van 16-21 jaar
[lees: 16 tot 21 jaar, red.] die studerend of
niet-valide zijn.
Aanspraak
op kinderaftrek bestaat voor kinderen
die jonger dan 17 jaar zijn, alsmede
voor gebrekkige kinderen die jonger dan
21 jaar zijn, en voor studerende
kinderen die jonger dan 25 jaar zijn.
Bovendien
wordt, indien aldus voor ten minste drie
kinderen aftrek wordt genoten, voor
één ander kind tussen 17 en 21 jaar
aftrek verleend.
De
ondergetekenden delen het eenparig
oordeel van de commissie dat voor de
handhaving van de bestaande verschillen
in leeftijdsgrens geen grond bestaat.
Zij hebben dan ook in de thans
aanhangige wetsontwerpen een aantal
wijzigingen opgenomen waardoor bereikt
wordt dat het merendeel van de huidige
verschillen zal zijn verdwenen. In de
eerste plaats is in het Besluit op de
Loonbelasting 1940 en daarmede tevens in
het Besluit op de Inkomstenbelasting
1941 en in de Wet op de
Vermogensbelasting 1892 de algemene
leeftijdsgrens teruggebracht van 17
naar 16 jaar. De ondergetekenden willen
er hier op wijzen dat de wijziging van
de algemene leeftijdsgrens voor de
kinderaftrek aannemelijk is, uitgaande
van de gedachte dat de kinderaftrek
slechts dan behoort te worden toegekend
indien deze, gelet op de last die op de
ouders drukt, gerechtvaardigd is.
Daarbij dient in aanmerking te worden
genomen dat vele zelfverdienende
16-jarigen reeds een inkomen genieten
dat in niet onbelangrijke mate het
gezinsinkomen versterkt. rblz.|8
l.k.|
Bovendien
zou een verhoging van de leeftijdsgrens
voor de Kinderbijslagwet van 16 tot 17
jaar voor het bedrijfsleven
noodzakelijkerwijs financiële
consequenties met zich medebrengen,
waarbij volledigheidshalve zij opgemerkt dat de verlaging van de
leeftijdsgrens tot 16 jaar enige baten
voor de schatkist oplevert. Van belang
is hier voorts dat, naar uit recente
gegevens is gebleken, het aantal
onderwijs genietende kinderen in deze
leeftijdsgroep, waarvoor de aanspraak op
kinderaftrek blijft bestaan, in de
laatste jaren belangrijk is toegenomen.
In
de tweede plaats wordt in de
Kinderbijslagwet de grens voor
studerende kinderen verhoogd van 21 jaar
naar 25 jaar. Ten slotte zijn beiderzijds
in de overige criteria enige wijzigingen
gebracht waardoor een betere aanpassing
is verkregen.
De
verhoging van de leeftijdsgrens van
studerende kinderen van 21 naar 25 jaar
heeft eveneens financiële gevolgen,
doch het gaat hier om een naar
verhouding klein getal kinderen, zodat
het aan deze verhoging klevende
financiële bezwaar niet opweegt tegen
de bezwaren die tegen een verlaging van
de leeftijdsgrens van 25 naar 21 jaar
voor de kinderaftrek bestaan. Een
nauwkeurige berekening van de aan de
verhoging van de leeftijdsgrens voor
studerende kinderen in de
Kinderbijslagwet verbonden kosten is bij
gebrek aan de daarvoor nodige gegevens
niet mogelijk. Aangenomen mag echter
worden dat deze kosten een bedrag van ƒ1
millioen per jaar niet zullen
overschrijden.
Uit
het vorenstaande kan blijken dat de
aanspraak op kinderaftrek voor het
zogenaamde "extra kind" is
gehandhaafd. Teneinde te bereiken dat
de coördinatie hierdoor zo weinig
mogelijk zou worden verstoord, is een
bijzondere regeling getroffen, welke in
de toelichting op artikel
1, onderdeel
IV tot en met VII, van het wetsontwerp inzake
de coördinatie van bepalingen
loonbelasting en vereveningsheffing met
die van heffingen sociale verzekering
nader is toegelicht.
Voorts
wordt hier op een andere vereenvoudiging
gewezen die op het terrein van
kinderbijslag en kinderaftrek kan worden
bereikt en die mede verband houdt met de
toepassing van de bijzondere tabel. Het
tijdstip dat beslissend is voor het
bepalen van het aantal kinderen
waarvoor aanspraak op kinderbijslag
bestaat, is de aanvang van het
kalenderkwartaal. De kinderaftrek voor
de loonbelasting is gebaseerd op de
toestand op 1 December van het
voorafgaande jaar of op het tijdstip in
het lopende jaar waarop aanspraak op
kinderaftrek of verhoging van
kinderaftrek ontstaat. Het is duidelijk
dat het hierdoor mogelijk is dat voor
een kind wel aanspraak op kinderaftrek,
doch geen aanspraak op kinderbijslag
bestaat. Deze complicatie is weggenomen
door voor de loonbelasting ook de
aanvang van het kalenderkwartaal als
peildatum aan te wijzen. Dit heeft ten
gevolge dat ten aanzien van eenzelfde
kind kinderaftrek en kinderbijslag
tegelijkertijd aanvangen en eindigen.
De
bijzondere tabel zal uiteraard alleen
kunnen gelden voor die werknemers
waarop de wettelijke
kinderbijslagverzekering van toepassing
is. Ten aanzien van het loon van de
andere werknemers moet, zolang zij een
afwijkend bedrag aan kinderbijslag
ontvangen, de gewone tabel worden
toegepast.
Overige
uitkeringen ingevolge de sociaIeverzekeringswetten
Over
deze uitkeringen wordt ingevolge de sociaIeverzekeringswetten
geen premie
geheven.
De
huidige situatie op het gebied van de
belastingheffing kan in het kort als
volgt worden geschetst. De blijvende
ongevallenrenten en de door, voor
rekening van of door tussenkomst van de
werkgever betaalde ziekengelden,
werkloosheidsuitkeringen en dergelijke
zijn onderworpen aan een voorheffing
die gelijk is aan de loonbelasting. In
de overige gevallen, in het algemeen
derhalve indien het betreft uitkeringen die rechtstreeks door het
uitvoeringsorgaan worden uitbetaald,
vindt geen voorheffing plaats, maar
wordt, indien deze uitkeringen althans
een bedrag van ƒ100 overtreffen, de
belasting geheven door middel van een
aanslag in de inkomstenbelasting. De
werkgever dient voorts over door hem
verstrekte suppletoire uitkeringen
loonbelasting in te houden.
Vereveningsheffing is noch over de
wettelijke uitkeringen, noch over de
suppletoire rblz.|8
r.k.|
uitkeringen
bij ziekte of ongeval van verplicht
verzekerde werknemers verschuldigd.
De hiervoor omschreven toestand is
onbevredigend, daar bij de
loonadministratie, ingeval de werkgever
de uitkering betaalt, complicaties
optreden, terwijl voorts een verschil in
belastingheffing bestaat, al naargelang
de uitkeringen door de werkgever of
door het uitvoeringsorgaan worden
betaald.
Een
afdoende oplossing is naar de mening van
de ondergetekenden slechts te bereiken
indien ook de uitvoeringsorganen worden
verplicht loonbelasting in te houden
volgens het normale tarief.
In
het ontwerp van wet tot coördinatie van
bepalingen van loonbelasting en
vereveningsheffing met die van socialeverzekeringswetten is deze methode dan
ook gevolgd. De ruime omschrijving van
het loonbegrip omvat ook de hier
bedoelde
uitkeringen, hetgeen met zich medebrengt dat de uitvoeringsorganen
als werkgever moeten worden aangemerkt.
Hieraan zij toegevoegd dat indien de
uitkeringen geheel door tussenkomst van
de werkgever worden gedaan, uitsluitend
deze de loonbelasting dient in te
houden. Kent de werkgever een suppletie
toe op een niet door zijn tussenkomst
gedane uitkering, dan dient hij de
loonbelasting over deze suppletie te
berekenen met inachtneming van de
uitkering die de werknemer reeds heeft
ontvangen. Aldus wordt een ongelijkheid
weggenomen bestaande tussen de gevallen dat wel en dat niet de
uitkering door tussenkomst van de
werkgever geschiedt. In het eerste geval
zou over het gehele bedrag loonbelasting
zijn ingehouden, terwijl in het tweede
geval over de suppletie, daar zij in de
regel beneden de belastingvrije grens
blijft, geen loonbelasting verschuldigd
zou zijn.
Teneinde de taak van de uitvoeringsorganen
niet te zeer te verzwaren, waardoor het
gevaar van een vertraging in de uitbetaling van de uitkeringen zou
kunnen ontstaan, zullen bij
uitvoeringsvoorschrift nadere regelen
worden gegeven die deze taak in
administratief opzicht zullen
verlichten.
De hiervoor bedoelde methode leidt tot
een rechtvaardige belastingheffing over
de socialeverzekeringsuitkeringen. Op
alle uitkeringen zal op de normale wijze
loonbelasting worden ingehouden, hetgeen
met zich medebrengt dat de aanslagen in
de inkomstenbelasting, die thans vele
moeilijkheden opleveren, achterwege
kunnen blijven.
3. Loonadministratie, inning en controle
Uit
het vorenstaande kan blijken dat het
streven van de ondergetekenden er bij
voortduring op gericht is geweest, in
navolging van het coördinatierapport,
tot een zodanig resultaat te komen dat
de loonadministratie belangrijk wordt
vereenvoudigd.
De
vele verschillen welke tot nog toe tussen de sociaIeverzekeringswetten
en
de fiscale wetten
bestaan wat betreft
de grondslag voor de heffingen zijn
oorzaak dat de Ioonverantwoording
volgens de loonlijst voor de sociale
verzekering op vele en belangrijke
punten afwijkt van die volgens de
loonstaat voor de loonbelasting.
Bovendien verschillen de loonlijsten van
de verschillende uitvoeringsorganen van
de sociale verzekering nog weer
onderling.
In
het verleden is herhaaldelijk getracht
een gecombineerde loonstaat samen te
stellen, doch zolang de verschillen inzake het loonbegrip bestonden, waren
dergelijke pogingen tot mislukking
gedoemd. Een eenvoudige gecombineerde
loonverantwoordingsstaat bood immers
geen oplossing voor de vele
uiteenlopende situaties welke zich in
de praktijk konden voordoen, terwijl een
staat welke in deze gevallen wel voorzag zo omvangrijk zou worden dat
bijhouding daarvan de administratieve
last van de werkgever slechts weinig zou
verlichten.
De
voorgestelde unificatie van het begrip
loon schept echter de mogelijkheid thans
over te gaan tot het vaststellen van een
eenvoudige, uniforme, gecombineerde
loonstaat.
Behalve
naar een unificatie van het materiële
recht is voorts gestreefd naar een
coördinatie van de verschillende
heffingsmethoden. Ook op dit gebied is
een nauwere aansluiting verkregen,
waaromtrent de ondergetekenden in
hoofdzaak mogen verwijzen naar de
artikelsgewijze toelichting. Zij willen
hier rblz.|9
l.k.|
slechts opmerken dat, zo de onderhavige
wetsontwerpen tot wet worden verheven,
voortaan op het stuk van de voorrang
geen verschil meer zal bestaan tussen de
premiën en de loonbelasting en
vereveningsheffing. Ook naar hun mening
is voor de bestaande verschillen geen
reden. Bij verhaal ten laste van de
werkgever zal derhalve het ingevorderde
bedrag pondspondsgewijze moeten worden
verdeeld.
De
ondergetekenden achten het voorts van
belang dat op het gebied van de
controle een goede samenwerking tussen
de onderscheidene controleorganen plaatsvindt, daar thans de werkgever
bij het onderzoek van de
loonadministraties met verschillende
instanties te maken heeft, hetgeen voor
hem ongerief medebrengt. Teneinde deze
samenwerking te bevorderen, is in het
ontwerp van wet tot coördinatie van
bepalingen van loonbelasting en
vereveningsheffing met die van sociaIeverzekeringswetten
een bepaling opgenomen waardoor het mogelijk wordt
gemaakt dat gegevens die
belastingambtenaren bij het onderzoek
van loonadministraties hebben verkregen,
aan de organen van de sociale
verzekering worden doorgegeven.
In
dit verband willen de ondergetekenden
tevens nog wijzen op hetgeen door hen in
paragraaf 1 van deze memorie is opgemerkt
omtrent het tot stand brengen van een
geregeld overleg tussen de
belastingadministratie en de
uitvoeringsorganen, teneinde ook in de
praktijk van de uitvoering een zo goed
mogelijke coördinatie te verkrijgen.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikelen
1 [1], 2
[2] en 3
[3]
De artikelen
1 [1],
2 [2]
en 3
[3] bevatten enige algemene
begripsomschrijvingen.
Zoals
reeds in het algemeen deel van deze
memorie werd medegedeeld, bevat dit
ontwerp van wet geen voorstellen met
betrekking tot de coördinatie van de
begrippen "werknemer" en
"werkgever".
Aangezien evenwel in het ontwerp deze
termen regelmatig voorkomen, dient te
worden aangegeven welke personen
daaronder worden verstaan. Een regeling
hiervoor bevatten de artikelen 2
[2] en 3
[3],
waarin bij de omschrijving van de
begrippen geheel aansluiting is gezocht
bij de thans voor elke wet afzonderlijk
geldende bepalingen. De kringen der
verzekerden ondergaan derhalve in geen
enkel opzicht enige beperking of
verruiming.
Artikel
4 [4]
Volgens de eerste volzin van het
eerste lid van dit artikel wordt onder
loon verstaan al hetgeen uit een
dienstbetrekking wordt genoten. Deze
omschrijving komt overeen met de
definitie van het loonbegrip zoals deze
ingevolge het ontwerp van wet tot
coördinatie van bepalingen van
loonbelasting en vereveningsheffing met
die van sociaIeverzekeringswetten
in
artikel 4 van het Besluit op de
Loonbelasting 1940 zal worden opgenomen, met
dit verschil dat bij de loonbelasting
tevens rekening moet worden gehouden met
hetgeen uit een vroegere
dienstbetrekking wordt genoten.
Blijkens
de voorgestelde redactie van de eerste
volzin van artikel 4
[4] van het ontwerp is
de definitie van het loonbegrip zo ruim
mogelijk gehouden. Al hetgeen uit een
dienstbetrekking wordt genoten,
onverschillig in welke vorm, behoort in
beginsel tot het loon. Hieronder vallen,
behalve het loon in de gewone zin van
het woord, onder andere fooien,
gratificaties, emolumenten (zoals
bedrijfskleding), vergoeding voor kosten
(bijvoorbeeld rijwielvergoeding),
uitkeringen uit sociale fondsen,
uitkeringen bij bijzondere gelegenheden.
De uitzonderingen op de algemene regel
zijn aangegeven in het eerste en tweede
lid van artikel
6 [6], terwijl
artikel 7
[7] de
mogelijkheid opent dat ten aanzien van
fooien door de Sociale Verzekeringsraad
nadere regelen worden gegeven.
De
tweede volzin van artikel 4
[4] geeft
aan
welke betekenis aan het woord "genoten"
moet worden gehecht. De omschrijving is
ontleend aan artikel 7 van het Besluit
op de Loonbelasting 1940.
In
het ontwerp wordt geen omschrijving van
het begrip dagloon gegeven. Dit dient
in de afzonderlijke wetten te
geschieden. Het dagloon vormt de
grondslag voor de uitkeringen en moet
afgestemd zijn op het karakter van die
uitkeringen. Het heeft derhalve geen
betekenis voor de vereenvoudiging van de
loonadministratie. Dit is wel het geval
met het loonbegrip, voor rblz.|9
r.k.|
zover
dit ten grondslag ligt aan de
premieheffing. Weliswaar zal de
dagloonbepaling in het algemeen ook
geschieden naar de grondslag van het in
dit ontwerp opgenomen loonbegrip, doch
niet in alle gevallen is het aangewezen
dat premieloon en uitkeringsloon gelijk
zijn en in de afzonderlijke wetten zal
daarom de mogelijkheid moeten worden
opengelaten om bij de vaststelling van
het loon waarnaar de uitkeringen worden
berekend af te wijken van het algemene
loonbegrip.
Artikel
5 [5]
Volgens dit artikel behoren
aanspraken uit een dienstbetrekking om
na verloop van tijd of onder een
voorwaarde één of meer uitkeringen te
ontvangen, voor zover zij niet worden
gedekt door stortingen van de werknemer,
tot het loon. Hoewel verdedigd zou
kunnen worden dat aanspraken als
vorenbedoeld reeds begrepen zijn in de
in artikel 4
[4] gegeven omschrijving van
het begrip loon, verdient het, om elke
twijfel dienaangaande uit te sluiten,
aanbeveling om deze bepaling op te
nemen.
Het
woord "aanspraak" verdient nog
enige toelichting.
De
term "aanspraak", welke ook in de
artikelen 6 [6]
en 8
[8] gebruikt wordt, duidt
op een recht van de werknemer, welk
recht in de toekomst - na verloop van
tijd of onder een voorwaarde - verwerkelijkt kan worden. Men dient
hierbij onder meer te denken aan
aanspraken ingevolge pensioen- en
spaarregelingen, aan aanspraken
tegenover bedrijfs- en
ondernemingspensioenfondsen en
tegenover voorzieningsfondsen en
aanspraken op vacantiegeld in de vorm
van vacantiebonnen of anderszins.
Van
de tot het loon behorende aanspraken
dient te worden aangegeven op welk
bedrag deze aanspraken gewaardeerd
moeten worden. Artikel 8
[8] bevat een
regeling omtrent de waardering in geld
van tot het loon behorende aanspraken.
Op grond van dat artikel zal,
overeenkomstig het voorstel van de
Coördinatiecommissie, de geldswaarde
van een aanspraak op uitkeringen kunnen
worden gesteld op het bedrag van de
stortingen welke de werkgever verricht.
Zo zouden dus bijvoorbeeld de aanspraken
krachtens de socialeverzekeringswetten
kunnen worden gewaardeerd op de door de
werkgever te betalen premiën. Wanneer
geen stortingen worden verricht, zal de
aanspraak kunnen worden gewaardeerd op
de bedragen welke naar schatting
gestort zouden moeten zijn.
In
het eerste lid van artikel 6
[6] worden een
tweetal aanspraken genoemd welke - in
afwijking van het algemene beginsel - niet tot het loon behoren. Bij
mengvormen, wanneer derhalve niet
vaststaat of een aanspraak al dan niet
tot het loon behoort, kan, evenals thans
reeds bij de belastingheffing geschiedt,
naar een zo billijk mogelijke
oplossing worden gestreefd.
Volledigheidshalve
wordt erop gewezen dat de bepaling van
artikel 5 [5]
overeenkomt met het
voorgestelde nieuwe artikel 5 van het
Besluit op de Loonbelasting 1940.
Artikel
6 [6]
Het eerste lid van artikel 6
[6] bevat
een aantal uitzonderingen op de
artikelen 4 [4]
en 5
[5] en geeft derhalve aan
wat niet tot het loon behoort.
a.
De bepaling onder a dat
aanspraken die
op een pensioenregeling berusten niet
tot het loon behoren, vormt een
uitzondering op artikel
5 [5]. Hierbij zij
opgemerkt dat voor de toepassing van
het Besluit op de Loonbelasting 1940 en het
Besluit op de Vereveningsheffing 1941 de
aanspraken welke de werknemer ontleent
aan een pensioenregeling of aan een
regeling voor de oudedagsvoorziening
welke door de Minister van Financiën is
aangewezen als pensioenregeling, steeds
vrijgesteld zijn geweest. Zoals uit de
toelichting op artikel 5 [5]
blijkt, zouden
aanspraken op een pensioenregeling
moeten worden gewaardeerd op de
bijdragen van de werkgever tot dekking
van deze aanspraken. Het onbelast laten
van deze bijdragen is in overeenstemming
met de bestaande regeling voor de
loonbelasting en de vereveningsheffing.
Voor het onbelast laten van deze
bijdragen kan een belangrijk
sociaal-politiek argument aangevoerd
worden. Immers, het feit dat over deze
bijdragen geen premiën verschuldigd
zijn, heeft de tendenz de instelling van
ondernemingspensioenfondsen en
dergelijke te bevorderen.
b.
De onder b voorgestelde bepaling dat
aanspraken ingevolge socialeverzekeringswetten niet tot het
loon behoren, is een bevestiging van de
op dit punt tot nog toe gevolgde
praktijk rblz.|10
l.k.|
dat de premiebedragen van de werkgever
voor de socialeverzekeringswetten
onbelast blijven, doch die van de werknemer wel als loon worden
aangemerkt.
c.
Indien een aanspraak op een uitkering
als bedoeld in artikel
5 [5], tot het loon
behoort, zoals bijvoorbeeld een
aanspraak op een uitkering krachtens een
kapitaalverzekering, dient uiteraard de
uitkering welke op die aanspraak steunt niet tot het loon te worden
gerekend, aangezien anders een dubbele
heffing zou plaatsvinden, namelijk
bij het toekennen van de aanspraak en
bij het ontvangen van de uitkering.
d.
Zoals in het laatste onderdeel van
paragraaf 2
van het algemeen deel dezer memorie
reeds werd opgemerkt, omvat de ruime
omschrijving van het loonbegrip ook de
uitkeringen krachtens de
socialeverzekeringswetten. Aangezien
het niet juist zou zijn over deze
uitkeringen premie te heffen, is het
bepaalde onder d opgenomen. De aandacht
wordt er evenwel op gevestigd dat in
overeenstemming met het rapport van de commissie-Van den Tempel gehandhaafd
blijft het bepaalde in artikel 3 der
Ziektewet en in artikel 8 der
Kinderbijslagwet.
In
deze artikelen is bepaald dat degene
die krachtens de Werkloosheidswet
uitkering ontvangt, geacht wordt een
loon te genieten gelijk aan het dagloon waarnaar die uitkering is
berekend. Dit fictieve loon kan niet
worden aangemerkt als een uitkering
ingevolge socialeverzekeringswetten en
dient derhalve voor de berekening van
premie en uitkering krachtens de
Ziektewet en de Kinderbijslagwet,
evenals dit thans het geval is, in
aanmerking te worden genomen.
e.
Kinderbijslag krachtens een regeling in
de zin van artikel 5 der
Kinderbijslagwet kan op één lijn
worden gesteld met de kinderbijslag
krachtens die wet. De bepaling onder e
is derhalve een consequentie van het
onder d bepaalde.
f.
Hetgeen onder e is opgemerkt ten aanzien
van kinderbijslagen ingevolge een
bijzondere regeling geldt evenzeer voor
ziekengelduitkeringen ingevolge een
bijzondere regeling.
g.
Krachtens artikel 415 van het Wetboek
van Koophandel ontvangt een schepeling
ter zeevaart in geval van ziekte van
zijn werkgever een uitkering bestaande
in een bepaald percentage van het loon
dat hij genoot toen hij ziek werd. In
verband met het bepaalde onder d ligt
het voor de hand de hier bedoelde
uitkering niet als loon aan te merken.
h.
In de meeste gevallen zal een uitkering
ingevolge een pensioenregeling eerst
genoten worden wanneer niet meer aan
het arbeidsproces wordt deelgenomen en
er dus geen sprake meer is van heffingen
ingevolge de sociaIeverzekeringswetten.
Aangezien het evenwel mogelijk is dat
tijdens een dienstbetrekking een
pensioen van dezelfde werkgever wordt
genoten - bijvoorbeeld in het geval
dat een gepensionneerd arbeider bij
dezelfde werkgever arbeid blijft
verrichten -, verdient het aanbeveling vast te
leggen dat een
zodanig pensioen niet tot het loon
behoort.
i.
Uitkeringen over tijdvakken waarin de
werknemer geen arbeid verricht die door
hun geringe hoogte in wezen het
karakter van ondersteuning dragen,
dienen naar de mening van de eerste
ondergetekende premievrij te blijven,
terwijl betrekkelijk hoge uitkeringen
welke feitelijk tot het loon behoren,
belast moeten worden: in het bepaalde
onder i is in overeenstemming met het
gevoelen van de commissie een grens
voorgesteld van 50% van het loon. Door
het stellen van deze grens zullen de
vaak voorkomende suppleties op
ziekengeld en ongevalsuitkeringen, in
overeenstemming met de thans geldende
praktijk, premievrij blijven.
j.
Het ligt voor de hand dat de
vergoedingen, bedoeld onder j, evenmin
als dit thans het geval is, tot het loon
worden gerekend. Voorts moge worden
verwezen naar de toelichting op het
nieuwe artikel 6, eerste lid, onderdeel e,
van het Besluit op de Loonbelasting
1940.
k.
De bepaling onder k vloeit voort uit
hetgeen is medegedeeld bij de
toelichting op punt a [lees: toelichting
op onderdeel a, red.] van dit lid.
In
het tweede lid van dit artikel wordt aan
de Sociale Verzekeringsraad de
bevoegdheid verleend te bepalen dat
niet tot het normale, regelmatig
verstrekte loon behorende uitkeringen
niet tot het loon worden gerekend. Op
een daartoe strekkend besluit is de
goedkeuring van de Minister van Sociale
Zaken en
Volksgezondheid rblz.|10
r.k.|
vereist. Deze zal,
alvorens zijn goedkeuring ie verlenen,
overleg plegen met zijn ambtgenoot van
Financiën. Immers, de coördinatie van
de heffingen ingevolge de sociale
verzekering en de belastingen naar het
loon zou ten deze worden doorbroken
indien niet ook op grond van artikel 6,
tweede lid, onderdeel a, van het nieuwe
Besluit op de Loonbelasting 1940 een
soortgelijke beschikking zou worden
getroffen.
De
uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld
onder a en b, zijn van dien
aard dat
bezwaarlijk in de wet positief kan
worden aangegeven wanneer zij wel en
wanneer zij niet tot het loon behoren.
Zulks zal aan de praktijk van de
uitvoering moeten worden overgelaten.
Hetzelfde geldt voor de uitkeringen,
bedoeld onder c. Daaronder zullen
bijvoorbeeld vallen uitkeringen uit
fondsen waarvan de werknemers een
belangrijk deel bijeenbrengen door
middel van niet-aftrekbare premiën.
Hel
derde lid van artikel 6
[6] geeft aan wat
onder een pensioenregeling als bedoeld
in het eerste lid moet worden verstaan
Artikel
7 [7]
Fooien behoren in beginsel tot het
loon, zoals dat begrip in artikel 4
[4] is
omschreven.
Ook
thans, bij de huidige regeling, gelden
de fooien bij de sociaIeverzekeringswetten
krachtens
wetsduiding eveneens als loon. In de
regel vindt hier een schatting plaats.
Bij de wachtgeld- en
werkloosheidsverzekering worden fooien
of andere ontvangsten van derden welke
verband houden met ten behoeve van een
werkgever verrichte arbeid, als loon
beschouwd volgens regelen, te stellen
bij de wachtgeldreglementen der
bedrijfsverenigingen en het reglement
voor de werkloosheidsverzekering van
het Algemeen Werkloosheidsfonds. Het
bepaalde in het eerste lid van artikel 7
[7] bevat een regeling in deze richting door
de mogelijkheid te scheppen om voor de
fooien, zowel bij de premieheffing als
bij de uitkeringen, te werken met vaste
normen, waardoor ontkomen wordt aan de
bij de individuele schatting voorkomende
moeilijkheden.
De
werkelijkheid zal vrij dicht benaderd
worden, omdat het geven van de in dit
artikel bedoelde regelen geschiedt op
voorstel van één of meer
uitvoeringsorganen, zodat de bij de
verzekering belang hebbenden worden
ingeschakeld.
De
eerste volzin van het tweede lid maakt
het mogelijk om kleine incidentele
fooien en dergelijke prestatiën van
derden bij de vaststelling van het loon
buiten aanmerking te laten. Bij deze
waardering kan rekening worden gehouden
met de verschillen per tak van bedrijf
of beroep. Om dezelfde reden als
aangegeven bij artikel
6 [6], tweede lid, is
voor een desbetreffend besluit van de
Sociale Verzekeringsraad de goedkeuring
van de Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid nodig.
Artikel
8 [8]
De formuleringen van dit artikel zijn
ontleend aan overeenkomstige artikelen
in de bestaande wetten. Bij de
toelichting op artikel 5 [5]
werd reeds
ingegaan op de waardering van
aanspraken. Met betrekking tot één van
deze aanspraken, namelijk de vacantiebon, dient nog het volgende te
worden opgemerkt.
Voor
de berekening van de premie ingevolge de
sociaIeverzekeringswetten
worden
vacantiebonnen thans in de week van de
verstrekking voor de gehele waarde in
rekening gebracht. Voor de toepassing
van het Besluit op de Loonbelasting 1940
en het Besluit op de Vereveningsheffing
1941 worden de
vacantiebonnen slechts voor driekwart van de
waarde in aanmerking genomen. Deze
reductie wordt verleend omdat ten
gevolge van het bijtellen van de volle
waarde van de vacantiebon bij het loon
van een werkweek meer belasting zou
worden geheven dan verschuldigd zou zijn
bij het belasten van het bij de
inwisseling verkregen bedrag in de
vacantieweek. Overeenkomstig het
voorstel van de commissie zal ter wille
van de coördinatie op grond van het
tweede lid van artikel 8
[8] onder meer
kunnen worden bepaald dat
vacantiebonnen ook voor de
premieberekening ingevolge de
socialeverzekeringswetten voor driekwart
van
de waarde in rekening gebracht moeten
worden. Aangezien, zoals reeds in het algemeen deel dezer memorie werd
betoogd, het premieloon niet steeds
gelijk behoeft te zijn aan het
uitkeringsloon, bestaat er geen bezwaar
tegen dat voor de berekening van de
uitkeringen de vacantiebonnen voor de
volle waarde in rekening worden
gebracht.
rblz.|11
l.k.|
Artikel
9 [9]
Het eerste lid van artikel 9
[9] bevat
allereerst het voorstel om het
maximumloon per dag, waarnaar de premie
wordt berekend, te doen vaststellen bij
algemene maatregel van bestuur. Tot nog
toe werd dit maximumloon in elke wet
afzonderlijk aangegeven. Bij vrijwel
elke wijziging van de loongrens diende
de desbetreffende wettelijke bepaling
aan deze wijziging te worden aangepast.
In het onderhavige voorstel is zulks
niet meer nodig. In de afzonderlijke
wetten wordt een bepaling opgenomen
krachtens welke het maximumdagloon, als
basis voor de uitkeringen, wordt gesteld
op het bedrag, bedoeld in het eerste lid
van dit artikel.
Voor
het overige bevat dit lid nadere
bepalingen in zake de vaststelling van
het aantal arbeidsdagen. Deze bepalingen
zijn gedeeltelijk ontleend aan bestaande
wettelijke regelingen en gedeeltelijk
overgenomen uit artikel 6 van het Reglement voor de
werkloosheidsverzekering.
De
bepaling van het tweede lid heeft een
soortgelijke strekking als de huidige
bepalingen in de artikelen 48, vierde
lid, der Ongevallenwet 1921 en 85,
vierde lid, der Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922.
Het
derde lid opent de mogelijkheid dat de
Sociale Verzekeringsraad bepaalt dat
indien voor bepaalde groepen van
werknemers, bijvoorbeeld voor
brandweerlieden en zeelieden, in de
afzonderlijke wetten bij de berekening
van de uitkeringen van vaste daglonen
wordt uitgegaan, ook de premiën naar
deze daglonen en niet naar de werkelijke
lonen worden geheven.
De
bepaling van het vierde lid heeft een
soortgelijke strekking als het huidige
artikel 47 der Ongevallenwet 1921.
Artikel
10 [10]
Op grond van dit artikel zullen de
uitvoeringsorganen een model van een
eenvoudige, uniforme, gecombineerde
Ioonstaat kunnen vaststellen, gebaseerd
op het door de commissie ontworpen
model. Bij de vaststelling van het model
van deze Ioonstaat, alsmede van de
voorwaarden waaraan de
loonadministratie dient te voldoen,
zullen de uitvoeringsorganen zowel
onderling als met de belastingdienst
nauw overleg moeten plegen, teneinde te
komen tot een uniforme, doeltreffende en
overzichtelijke administratie waaruit
alle noodzakelijke gegevens zowel voor
de sociale verzekering als voor de
loonbelasting en de vereveningsheffing
op een vlotte en eenvoudige wijze geput
kunnen worden. Indien de volgens de
Ioonstaat vereiste gegevens zonder meer
aan de loonadministratie van de
werkgever kunnen worden ontleend, zal
hem ontheffing van het bijhouden van de
officiële staten verleend kunnen
worden.
Na
invoering van de nieuwe Ioonstaat en van
de bij artikel 11
[11] te bespreken wijziging
in de premie-inning kan de verplichting
tot inzending van loonlijsten vervangen
worden door de verplichting om
gelijktijdig met de betaling een opgave
in te leveren van het totale loon
waarop de premiebetaling betrekking
heeft. Het is evenwel noodzakelijk,
zowel ten gerieve van de belastingdienst
als van de socialeverzekeringsorganen,
dat na afloop van het kalenderjaar aan
de hand van een verzamelstaat een
nominatieve opgave wordt gedaan van de
gedurende het kalenderjaar of een
gedeelte daarvan werkzaam geweest zijnde
arbeiders, onder vermelding van de voor
de organen belast met de premie-inning
en de belastingheffing nodige gegevens.
Indien
door de uitvoeringsorganen een Ioonstaat
is voorgeschreven, zijn nog niet alle
administratieve vraagstukken opgelost.
Een bevredigend resultaat zal alleen dan
kunnen worden bereikt indien de
werkgever in staat is een aan redelijke
eisen beantwoordende loonadministratie
te voeren. Met betrekking tot grote en
middelgrote bedrijven bestaan op dit
stuk geen moeilijkheden. Wel is dit het
geval met vele kleine ondernemingen.
Het ligt evenwel eerder op de weg van de
organisaties van belanghebbenden om ten
deze bijvoorbeeld de instelling te
bevorderen van administratiekantoren,
als vrijwillige organisatorische
tussenschakels tussen enerzijds de
kleine werkgever en anderzijds de
uitvoeringsorganen der sociale
verzekering en de belastingdienst.
Hierdoor zou niet alleen de taak van de
kleine werkgever worden verlicht, maar
ook de controle in deze sector van het
bedrijfsleven vereenvoudigd kunnen
worden. Bovendien zou door wekelijkse
afdracht aan het rblz.|11
r.k.|
administratiekantoor
achterstand in de betaling van premiën
en belastingen voorkomen kunnen worden.
De figuur van een zodanig
administratiekantoor behoeft niet in de
wet te worden geregeld, daar haar
functie een andere is dan die van de
bestaande administratiekantoren van de
sociale verzekering.
Artikel
11 [11]
De bepalingen van artikel 11
[11] zijn
ontleend aan bestaande sociaIeverzekeringswetten.
Bij
Koninklijk besluit van 24 December 1952,
Stb. 1952, 671, zijn de personen in dienst
van spoor- en tramwegmaatschappijen die
op grond van het bepaalde in artikel
20,
tweede lid, der Ziektewet niet verzekerd
zijn krachtens die
wet, onder de werking van het Ziekenfondsenbesluit
gebracht. Artikel
2 [2], onderdeel
f, onder 4º,
bepaalt daarom dat deze personen voor
de toepassing van het
Ziekenfondsenbesluit als werknemers in
de zin van deze wet worden aangemerkt.
Het gevolg hiervan zou onder meer zijn
dat de ingevolge het
Ziekenfondsenbesluit verschuldigde
premie voor het op grond van
bovenvermelde bepaling onder dat besluit
vallende personeel van de N.V.
Nederlandsche Spoorwegen krachtens het
eerste lid van het onderhavige artikel
zou moeten worden vastgesteld en
ingevorderd door de bedrijfsvereniging
waarbij deze N.V.
is aangesloten. Teneinde
de in artikel 4 van het Koninklijk besluit van 24 December 1952 getroffen
bijzondere regeling voor de afrekening
van de door de N.V.
voor het
Ziekenfondsenbesluit verschuldigde
premie te kunnen bestendigen, is in het
tweede lid van het onderhavige artikel
de mogelijkheid geopend om bij algemene
maatregel van bestuur van het bepaalde
in het eerste lid af te wijken. Het
derde lid maakt het ook voor de Raden
van Arbeid mogelijk om voor de
ongevallenverzekering een
vooruitbetaling op de premie te
vorderen. De bedoeling is dat ook de
wijze van inning van de premie voor de
socialeverzekeringswetten en voor de
loonbelasting en de vereveningsheffing
wordt gecoördineerd. Door de Sociale
Verzekeringsraad zal een voor alle
uitvoeringsorganen geldende regeling
kunnen worden getroffen, teneinde te
komen tot een systeem van
voorschotheffingen, zoals thans reeds
bij de loonbelasting en de
vereveningsheffing geldt. De definitieve
vaststelling van de premie zal dan eenmaal per jaar kunnen geschieden na
ontvangst van de in de toelichting op
artikel 10 [10]
genoemde verzamelstaat.
De
vermelde invorderingsmethode zal
weliswaar wat meer administratiekosten
voor de uitvoeringsorganen kunnen
medebrengen, doch daar staat tegenover
dat niet alleen minder renteverlies
wordt geleden, doch dat ook de schuld
minder oploopt, hetgeen
betalingsmoeilijkheden zal voorkomen.
Artikelen
12 [12]
en 14
[14]
Deze artikelen maken het
mogelijk om de werkgevers die niet op
tijd voldoen aan hun verplichting om
loonopgaven te verstrekken en premie te
betalen, te belasten met de hieruit
voortvloeiende extra kosten. De eerste
ondergetekende acht het niet billijk
dat de werkgevers die hun
verplichtingen op normale wijze
nakomen, worden belast met de extra
kosten welke de nalatige
werkgevers veroorzaken. Verwacht mag
worden dat door de uitvoeringsorganen
een redelijk gebruik van deze
bevoegdheden zal worden gemaakt.
Artikel
13 [13]
De termijnen, bedoeld in het eerste
en derde lid, zijn thans korter.
Premiën welke langer dan twee jaar
verschuldigd zijn, worden op het
ogenblik niet meer vastgesteld. De
praktijk heeft geleerd dat deze termijn
te kort is. Daarom wordt voorgesteld
premiën niet meer vast te stellen
indien meer dan drie jaren zijn
verstreken sedert het einde van het
kalenderjaar waarin de premie
verschuldigd is geworden. In verband met
de verlenging van deze termijn is ook de
gebruikelijke termijn van twee jaar na
de betaling, door verloop van welke
termijn de rechtsvordering van
onverschuldigd betaalde premie verjaart,
verlengd tot drie jaren na het einde van
het kalenderjaar waarin de premie is
vastgesteld.
Artikel
15 [15]
Dit artikel bevat een unificatie van
de thans in de verschillende wetten op
dit punt voorkomende bepalingen.
Artikel
16 [16]
Dit artikel stelt de preferentie van
de premieschuld en haar concurrentie
met de belastingschuld, met uitzondering van die wegens de
grondbelasting, boven twijfel. rblz.|12
l.k.|
Aangezien
het recht op en het bedrag van een rente
krachtens de Invaliditeitswet onder meer
afhankelijk zijn van het totale aantal
en de waarde der betaalde premiën, is
aan de premievordering op grond van de
bepalingen van die wet een bijzondere
voorrang verleend. Deze voorrang gaat
zelfs boven die van de directe
belastingen, met uitzondering van de
grondbelasting. Indien bij executie of
faillissement het bedrag dat voor de
concurrent-preferente schulden krachtens
de sociale verzekering en de belasting
beschikbaar is niet voldoende is voor
een volledige betaling, zal dit bedrag
pondspondsgewijze over deze
verschillende schulden moeten worden
verdeeld.
Artikel
17 [17]
Dit artikel geeft een unificatie van
de in de verschillende wetten
voorkomende regeling der
gemoedsbezwaren. Een technische
wijziging betekent het belasten van de
werkgever met het premiebedrag
waarvoor hij aansprakelijk is. In geval
van gemoedsbezwaren wordt volgens de
bestaande wetten van de werkgever alleen
gevorderd het door hem zelf
verschuldigde premiebedrag, terwijl de
werknemer aansprakelijk wordt gesteld
voor zijn aandeel in de premie. De
ondergetekenden zijn van oordeel dat de
verhoging van de aanslag in de
inkomstenbelasting gebaseerd moet
worden op het gehele bedrag van de
vastgestelde premie, terwijl de
werkgever desgewenst van het rblz.|12
r.k.|
loon
van zijn werknemers het te hunnen laste
komende aandeel zou kunnen afhouden.
Voor zoveel nodig zij er de aandacht op
gevestigd dat het aldus verhaalde
bedrag geen premie ingevolge de sociaIeverzekeringswetten
is. Men kan
dit aldus zien dat de werkgever in dit
geval optreedt als kassier van een deel
van het aan het Rijk verschuldigde
bedrag. In verband hiermede ontbreekt
een bepaling ingevolge welke de
werknemer met zijn aandeel in de premie
wordt belast.
Artikel
18 [18]
In dit artikel is de strafsanctie
opgenomen, verbonden aan de overtreding
door de werkgever van één of meer
voorschriften, op grond van artikel 10
[10] door het uitvoeringsorgaan gegeven.
Artikel
20 [20]
Het ligt in het voornemen om de op
de coördinatie betrekking hebbende
wetsontwerpen op 1 Januari 1954 in
werking te doen treden.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken,
A.A. van Rhijn
De
Staatssecretaris van Financiën,
Van den Berge
|
|