St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

COÖRDINATIEWET  SOCIALE  VERZEKERING

 

 

ONTWERP VAN WET

rblz.|5 l.k.| 

Kamerstukken II 1952-1953, 3034

Coördinatie van bepalingen van socialeverzekeringswetten met die van de loonbelasting en de vereveningsheffing (Coördinatiewet Sociale Verzekering)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Algemeen
2 Coördinatie van het loonbegrip
3 Loonadministratie, inning en controle
xArtikelsgewijs
xx Artikelen 1 t/m 20
 

 

 

[Algemeen, red.]

 

1. Algemeen


    
De bepalingen welke in dit ontwerp van wet en in de drie andere, gelijktijdig met en onder hetzelfde nummer bij de Staten-Generaal ingediende ontwerpen van wet zijn vervat, vormen de eerste - en in praktisch opzicht tevens de belangrijkste - stap naar een meer doelmatige en goedkopere regeling van de heffing zowel van de premiën voor de sociale verzekering als van de belastingen naar het loon. Daarvan zal met name ook het gevolg zijn dat de administratieve verplichtingen die het bedrijfsleven met het oog op deze heffingen heeft te vervullen aanmerkelijk in omvang afnemen.
     De huidige toestand op het gebied van de belastingheffing naar het loon - loonbelasting en vereveningsheffing - en de premieheffingen voor de verschillende sociaIeverzekeringswetten wordt gekenmerkt door het bestaan van een groot aantal verschillen in bepalingen handelende over dezelfde onderwerpen.
     Deze verschillen komen zowel voor tussen de regelen omtrent de belastingheffing naar het loon enerzijds en die betreffende de premieheffingen anderzijds als tussen laatstgenoemde regelen onderling.
     Voor wat de sociale verzekering betreft, kunnen vele onderlinge verschillen tussen de onderscheidene wetten hierdoor worden verklaard dat het tijdstip van totstandkoming van de wettelijke regelingen vaak ver uiteenligt en dat herhaaldelijk in de latere wetten nieuwere inzichten ten aanzien van bepaalde onderwerpen zijn verwerkt, zonder dat daarmede een aanpassing van de oudere wetten gepaard ging.
     De Besluiten op de Loonbelasting en de Vereveningsheffing [lees: Het Besluit op de Loonbelasting 1940 en het Besluit op de Vereveningsheffing 1941, red.] anderzijds daarentegen zijn nagenoeg tegelijkertijd ontstaan en sluiten in hoofdzaak op elkaar aan, doch naar het zoveel mogelijk in overeenstemming brengen van hun bepalingen met die van de sociale verzekering is niet of slechts in geringe mate gestreefd.
     Het uiteenlopen van de regelingen is voorts vergroot door de verschillen in interpretatie. Ten gevolge van het feit dat de colleges die kennisnemen van geschillen inzake de sociale verzekering andere zijn dan die welke met de rechtspraak in zake de fiscale heffingen zijn belast, kon omtrent dezelfde vraagstukken een jurisprudentie ontstaan die aan de uitvoeringsorganen op sociaal en fiscaal terrein uiteenlopende richtsnoeren gaf. Voorts is het feit dat de uitvoering van de belastingbesluiten enerzijds en die van de socialeverzekeringswetten anderzijds aan verschillende organen is opgedragen oorzaak van het ontstaan van een aantal afwijkende regelen waartoe de praktijk van de uitvoering aanleiding heeft gegeven.
     Algemeen is echter de overtuiging dat sommige van deze verschillen geen zin hebben en dat andere niet zo essentieel zijn dat de daardoor veroorzaakte moeite en kosten gerechtvaardigd zouden zijn. De ondergetekenden stellen zich op het standpunt dat het bereiken van meer coördinatie op dit gebied van een zodanig maatschappelijk belang is dat de feitelijk gegroeide situatie en de daarmede verband houdende ingeburgerde gewoonten geen beletsel mogen vormen om tot een geünificeerde regeling te komen, tenzij daardoor dermate ernstig in het karakter en de structuur van het belastingrecht of de
rblz.|5 r.k.| sociale verzekering zou worden ingegrepen dat tegen de aantasting van dat karakter of die structuur de te bereiken maatschappelijke besparing niet zou opwegen.
     Dit uitgangspunt brengt mede dat gestreefd dient te worden naar een ingrijpende vereenvoudiging, bestaande uit een aanpassing over en weer van de grondslagen van de heffingen naar het loon, zo groot mogelijke eenvormigheid van de aan de uitvoering verbonden formaliteiten en eenheid in de beslissingen bij uitvoering en rechtspraak. Voorts is het wenselijk dat mede langs de weg van overleg tussen de uitvoerende organen samenwerking bij controle en inning tot stand komt. Aldus kan, nu het om verrichtingen gaat waarvan de aantallen in de millioenen lopen, allereerst voor de bedrijven, doch tevens voor de gehele gemeenschap een belangrijke bezuiniging worden bereikt. De wenselijkheid daarvan klemt te meer nu de omstandigheden nopen tot het aangrijpen van alle middelen die tot een zo efficiënt mogelijke productie kunnen bijdragen.
     Het effect van een dergelijke aanpassing kan moeilijk in cijfers worden uitgedrukt, doch het staat vast dat het zeer belangrijk is. Voorts is het van grote betekenis - met name ook voor de kleine ondernemer - dat de druk veroorzaakt door het voortdurend moeten nakomen van omvangrijke administratieve verplichtingen zoveel mogelijk wordt beperkt, waardoor meer tijd vrijkomt voor de eigenlijke ondernemersactiviteit.
     Met het oog hierop hebben in 1950 de toenmalige Ministers van Financiën en van Sociale Zaken een commissie in het leven geroepen die tot opdracht had een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van een coördinatie van de loonbelasting en de vereveningsheffing enerzijds en de heffing van socialeverzekeringspremiën anderzijds en voorstellen ter zake voor te bereiden.
     Het door deze breed samengestelde commissie met eenstemmigheid uitgebrachte rapport dat aan de leden der Staten-Generaal werd toegezonden, hield een reeks van concrete voorstellen in, terwijl van enige belangrijke aan te brengen wetswijzigingen een nadere uitwerking was gegeven. Dit rapport verschaft naar de mening van de ondergetekenden een goede grondslag voor een wettelijke regeling ter bereiking van de coördinatie.
     De gedetailleerde uitwerking van de in te dienen wetsontwerpen is na het verschijnen van het rapport - hierna te noemen het coördinatierapport - met kracht ter hand genomen, met het doel aan de door de commissie gedane voorstellen zo spoedig mogelijk uitvoering te geven. Deze voorstellen kunnen in het kort als volgt worden samengevat:
A. Alle verschillen tussen het begrip loon dat ten grondslag ligt aan de heffingen ingevolge de socialeverzekeringswetten en het Besluit op de Vereveningsheffing vervallen.
B. De verschillen tussen het begrip loon voor de heffingen ingevolge de socialeverzekeringswetten en de vereveningsheffing enerzijds en het loonbegrip voor de loonbelasting anderzijds worden sterk beperkt.
C. De kringen van werknemers en werkgevers vallende onder de sociaIeverzekeringswetten en de Besluiten op de Loonbelasting en de Vereveningsheffing, worden zoveel mogelijk dezelfde.
rblz.|6 l.k.| D. Aanbevolen wordt het doen overeenstemmen van bepalingen inzake betalingstermijnen, administratie en dergelijke, alsmede een nauwe samenwerking tussen de uitvoerende organen bij de wetstoepassing.
E. Voorgesteld wordt beroep in cassatie bij de Hoge Raad mogelijk te maken van die uitspraken van de Centrale Raad van Beroep welke voor de coördinatie der premieheffing van belang zijn.

     Voor wat betreft de voorstellen A tot en met D, welke de coördinatie van de wettelijke grondslagen van de heffingen op het gebied van de sociale verzekering en de belastingen naar het loon omvatten, bleek weldra dat de verwezenlijking van het voorstel onder C nog een geruime tijd van voorbereiding zou vergen, zowel door het overleg dat hiervoor met verschillende instanties zou moeten plaats hebben als met name door de zeer omvangrijke technische arbeid die zou moeten worden verricht. Bij de verwezenlijking van dat voorstel, de coördinatie van de kringen van werknemers en werkgevers, gaat het om het zoveel mogelijk doen vervallen van de verschillen welke zich thans bij de sociaIeverzekeringswetten en de Besluiten op de Loonbelasting en de Vereveningsheffing onder meer voordoen ten aanzien van:
1. loongrenzen;
2. personen die niet in een onderneming werkzaam zijn;
3. personen die werkzaam zijn bij bloed- of aanverwanten;
4. directeuren van NV's die in het bezit zijn van het merendeel van de aandelen;
5. niet als werkgever ingeschreven personen die persoonlijk in aangenomen werk arbeid verrichten en hun hulpen;
6. niet als werkgever ingeschreven personen die niet in loondienst en niet in aangenomen werk persoonlijk arbeid verrichten, zoals melkslijters, melkrijders en dergelijke;
7. thuiswerkers;
8. deelvissers;
9. zeelieden.

     De ondergetekenden zijn evenwel van oordeel dat een langdurig uitstel, in aanmerking genomen de dringende behoefte aan vereenvoudiging, niet aanvaardbaar moet worden geacht. Zij hebben daarom naar wegen gezocht om deze vertraging te voorkomen. Daarbij zijn zij tot de conclusie gekomen dat het mogelijk is de onder A, B en D genoemde voorstellen reeds eerder tot uitvoering te brengen, waarbij zij het een zeer gelukkige omstandigheid achten dat deze voorstellen voor het bedrijfsleven het belangrijkste zijn. De onder A, B en D genoemde voorstellen zijn belichaamd in de onderhavige ontwerpen van wet, die voor elk van de twee gebieden - belastinghelling en sociale verzekering - een zelfstandige, doch zoveel mogelijk gelijkluidende regeling geven.
     De ondergetekenden wijzen er echter met nadruk op dat ook naar hun mening de hierboven onder C genoemde coördinatie van de kringen van werknemers en werkgevers spoedig dient te worden verwezenlijkt.
     Met de voorbereiding daarvan zal dan ook met spoed worden voortgegaan.
     Het hierboven onder E omschreven voorstel betreft de coördinatie van de rechtspraak. Ten aanzien van dit punt heeft de Regering haar standpunt nog niet bepaald.
     Op de voet van het coördinatierapport zijn in de ontworpen wettelijke regelingen die heffingen in de unificatie betrokken die de grondslag loon gemeen hebben. Daartoe behoort niet de Invaliditeitswet, waarvoor de premie wordt voldaan door het plakken van zegels, welker waarde niet in verband staat met de hoogte van het loon. Voorts is met het oog op de zeer bijzondere situatie van het zeevaart- en zeevisserijbedrijf met betrekking tot de ongevallenverzekering ook de Zeeongevallenwet buiten beschouwing gelaten.
     De heffingen die derhalve in de coördinatie zijn betrokken, berusten, voor zoveel de sociale verzekering betreft, op de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, de Ziektewet, de Kinderbijslagwet, de Werkloosheidswet en het Ziekenfondsenbesluit en, voor zoveel de belastingheffing
rblz.|6 r.k.| betreft, op het Besluit op de Loonbelasting 1940 en het Besluit op de Vereveningsheffing 1941.

 

2. Coördinatie van het loonbegrip


     Het voor de loonbelasting geldende begrip "loon" heeft een ruimere betekenis dan dat geldende voor de sociaIeverzekeringswetten. De loonbelasting heeft als maatstaf hetgeen voor de werknemer ter beschikking komt; zij treft derhalve niet uitsluitend hetgeen rechtstreeks uit de arbeidsverhouding voortvloeit, maar houdt bijvoorbeeld in een aantal gevallen ook rekening met datgene wat de werknemer ingevolge de sociaIeverzekeringswetten toekomt. Bij de socialeverzekeringswetten daarentegen is uitgangspunt het loon dat rechtstreeks voortvloeit uit de arbeidsverhouding tussen werkgever en werknemer. Ook fooien worden daarbij tot het loon gerekend. De uitkeringen ingevolge de socialeverzekeringswetten blijven evenwel buiten aanmerking. Hoewel het Besluit op de Vereveningsheffing 1941 voor de bepaling van het loonbegrip nauw aansluit bij het Besluit op de Loonbelasting 1940, is door een reeks van uitzonderingsbepalingen de situatie ontstaan dat het loonbegrip voor die heffing in belangrijke mate aansluit aan dat voor de sociale verzekering.
     Naar de mening van de ondergetekenden bestaat niet voldoende reden voor handhaving van de nog bestaande verschillen tussen de maatstaf voor de vereveningsheffing en de grondslag voor de socialeverzekeringswetten. In het ontwerp van wet tot coördinatie van bepalingen van loonbelasting en vereveningsheffing met die van socialeverzekeringswetten is dan ook het begrip loon voor de vereveningsheffing aangepast aan het nieuwe loonbegrip voor de socialeverzekeringswetten. Dit is verwezenlijkt door op het ruime loonbegrip voorkomende in het Besluit op de Loonbelasting 1940, zoals dit na de onderhavige wijziging zal luiden, een aantal correcties toe te passen waardoor het engere loonbegrip van de socialeverzekeringswetten wordt bereikt.
     Een aantal verschillen tussen het loonbegrip voor de verschillende heffingen is aldus tenietgedaan. In de toelichting op de artikelen wordt hierop nader ingegaan.
     Bepaalde verschillen tussen het loonbegrip voor de loonbelasting enerzijds en dat voor de socialeverzekeringswetten anderzijds kunnen evenwel niet worden weggenomen. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn de kinderbijslag en de andere uitkeringen ingevolge de socialeverzekeringswetten, alsmede de aftrek uit hoofde van de werknemersbijdrage in de premie. Het verwaarlozen van deze bedragen bij de heffing van de loonbelasting zou niet aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van verdeling van lasten.
     Er is evenwel naar gestreefd, ondanks het handhaven van de hiervoor aangeduide verschillen, voor de praktische uitvoering van de loonadministratie een vereenvoudiging van betekenis tot stand te brengen. De wijze waarop dit is geschied, wordt hieronder nader uiteengezet.


Premiebedragen ingevolge de socialeverzekeringswetten

     De premiebijdragen van de werknemer worden thans voor de toepassing van de sociaIeverzekeringswetten als loon aangemerkt. Voor de toepassing van de Besluiten op de Loonbelasting en de Vereveningsheffing wordt niet de bijdrage ingevolge de Werkloosheidswet en de Ziektewet, doch wel die ingevolge hel Ziekenfondsenbesluit tot het loon gerekend. De premiebijdrage van de werkgever blijft voor alle heffingen buiten beschouwing. Het hiervoor gereleveerde verschil in behandeling bij de belastingheffing van de premie ingevolge de Ziektewet en Werkloosheidswet enerzijds en het Ziekenfondsenbesluit anderzijds vindt zijn verklaring in het feit dat de periodieke uitkeringen welke mede uit de eerstbedoelde premiebijdragen worden gefinancierd, in bepaalde gevallen aan de loonbelasting en in de overige gevallen aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen, zodat het belasten van die bijdragen op een dubbele heffing zou neerkomen, terwijl de voordelen voortvloeiende uit het Ziekenfondsenbesluit niet aan belastinghelling zijn onderworpen, zodat zich daar het gevaar van dubbele heffing niet voordoet. Naar het oordeel van de rblz.|7 l.k.| ondergetekenden bestaat er echter ten deze geen principieel verschil tussen het werknemersaandeel en het werkgeversaandeel in de premie, zodat de thans bestaande praktijk, die het werkgeversaandeel in de premie ingevolge het Ziekenfondsenbesluit niet tot het loon rekent, naar hun mening niet bestendigd behoort te worden.
     Een unificatie op dit terrein tussen de fiscale heffingen en de premieheffingen blijkt niet te verwezenlijken. De eerste mogelijkheid die daartoe zou openstaan, namelijk het aan de belastingheffing onderwerpen van alle premiebijdragen, leidt, zoals hiervoor is uiteengezet, tot dubbele heffing. De tweede mogelijkheid, namelijk het achterwege laten van premieheffing over de werknemersbijdrage, zou inhouden dat men, om de premie te berekenen, eerst de premie zelf van het loon zou moeten aftrekken.
     Dit verschil in behandeling van de premie-inhouding is aanleiding tot een verzwaring van de administratieve werkzaamheden bij het opmaken van de loonstaat. Hierna zal echter blijken dat deze moeilijkheden kunnen worden opgelost door het toepassen van een bijzondere tabel voor de loonbelasting.


Kinderbijslag

     Er dient, zoals hieronder nader zal blijken, onderscheiden te worden tussen de uitkeringen ingevolge de Kinderbijslagwet en de overige uitkeringen ingevolge de sociaIeverzekeringswetten.
     Hier wordt nog slechts gewezen op het feit dat de kinderbijslag in een belangrijk groter aantal gevallen een rol speelt dan de overige uitkeringen ingevolge de socialeverzekeringswetten, die meer incidenteel voorkomen.
     Ten aanzien van de kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet, alsmede ten aanzien van de kinderbijslag verleend ingevolge een bijzondere regeling als bedoeld in artikel 5 der Kinderbijslagwet, geldt dat die kinderbijslagen noch voor de premieheffingen, noch voor de vereveningsheffing worden belast. Voor de toepassing van de loonbelasting kan dit belangrijke inkomstenbestanddeel uit de aard der zaak niet buiten beschouwing worden gelaten.
     Een aanpassing van de loonbelasting aan de socialeverzekeringswetten acht de tweede ondergetekende dan ook niet mogelijk. Wat de andere mogelijkheid betreft, namelijk het tot het premieloon rekenen van de kinderbijslagen, delen de ondergetekenden de mening neergelegd in het coördinatierapport dat zulks evenzeer ongewenst is met het oog op het bezwaar dat de werkgever voor werknemers met een groot aantal kinderen een belangrijk hogere premie verschuldigd zou zijn dan voor werknemers met weinig kinderen, hetgeen ertoe zou kunnen leiden dat bij het aannemen van personeel voorkeur zou worden betoond voor werknemers zonder kinderen, dan wel voor ongehuwden.
     Op dit punt is een coördinatie van de wettelijke bepalingen dus uitgesloten. Niettemin kan een belangrijke vereenvoudiging worden bereikt door de invoering van een bijzonder tarief voor de loonbelasting. Bij het ontwerpen van deze oplossing is ervan uitgegaan dat de hiervoor genoemde verschilpunten een niet te onderschatten verzwaring van de loonadministratie ten gevolge hebben, daar, nadat het premieloon is berekend, dit voor de toepassing van het Besluit op de Loonbelasting 1940 dient te worden vermeerderd met de aanspraak op kinderbijslag, en zulks, naar vanzelf spreekt, voor iedere werknemer afzonderlijk.
     Er dient hier nog te worden gewezen op de niet onbelangrijke moeilijkheden bij de loonadministratie die veroorzaakt worden door de verschillen die bestaan tussen de onderscheidene groepen van kinderen waarvoor kinderbijslag kan worden verkregen en die waarvoor aanspraak op kinderaftrek bestaat. Het doen verdwijnen van deze verschillen moet voor de coördinatie dan ook van grote betekenis worden geacht. Op dit punt, dat mede voor de invoering van het hierboven reeds genoemde bijzondere tarief voor de loonbelasting van belang is, zal hieronder nader worden ingegaan.


Bijzonder tarief

     In het voorgaande is verklaard dat in een tweetal gevallen waarin een coördinatie van de wettelijke rblz.|7 r.k.| bepalingen uitgesloten is te achten, een oplossing kan worden gevonden door het invoeren van een voor de toepassing van het Besluit op de Loonbelasting 1940 geldend bijzonder tarief. Het betreft hier de premie-inhouding voor een aantal sociaIeverzekeringswetten en het in aanmerking nemen van de aanspraak op kinderbijslag.
     De hiervoor aangeduide oplossing houdt in dat in een bijzonder tarief de premiebijdragen van de werknemer ingevolge de Ziektewet en de Werkloosheidswet en die van de werkgever, voor zover betrekking hebbende op het Ziekenfondsenbesluit, alsmede de aanspraak op kinderbijslag worden verdisconteerd. Dit is aldus uitgewerkt dat in het tarief de loonbelastingbedragen die corresponderen met een bepaald loon, na aftrek van de hiervoor genoemde werknemersbijdragen in de premie en bijtelling van de hiervoor bedoelde werkgeversbijdrage, alsmede van de aanspraak op kinderbijslag, worden opgenomen naast het loon zoals dat luidt zonder deze aftrek en bijtelling. Het resultaat hiervan zal zijn dat de werkgever voortaan, nadat hij het loon voor de socialeverzekeringswetten heeft berekend, aan de hand van de hiervoor bedoelde tabel meteen de verschuldigde loonbelasting zal kunnen aflezen.
     Een dergelijk tarief moet uit de aard der zaak gebaseerd zijn op een uniform percentage voor de inhouding van de premie; zulks is evenwel alleen dan aanvaardbaar indien de verschillen in de werkelijke inhoudingspercentages bij de onderscheidene bedrijfstakken niet tot grote verschillen in belastingdruk leiden. Opgemerkt wordt dat de inhoudingspercentages voor de Ziektewet, voor het Ziekenfondsenbesluit en voor de werkloosheidsverzekering in het algemeen uniform zijn, doch voor de wachtgeldverzekering niet. In het algemeen zijn de schommelingen in laatstbedoelde percentages evenwel beperkt. In de meeste bedrijfstakken zullen dan ook de afwijkingen van het werkelijke nettoloon met het bij het uniform inhoudingspercentage te belasten fiscaal loon slechts zeer gering blijken te zijn: het gaat hier in de meerderheid van de gevallen, uitgedrukt in geld, om verschillen van slechts enkele centen per week. Een ernstig bezwaar wordt hierin dan ook niet gezien.
     Zoals hiervoor reeds is uiteengezet, moet het voor de coördinatie van groot belang worden geacht dat de bestaande verschillen in de criteria voor kinderbijslag en kinderaftrek zoveel mogelijk verdwijnen. Het zal voorts duidelijk zijn dat voor het tot stand brengen van een bijzonder tarief, zoals hierboven vermeld, het tenietdoen van meergenoemde verschillen een vereiste is.
     Ter verduidelijking mogen thans hieronder de bestaande regelen in het kort worden weergegeven:
     Kinderbijslag wordt in hoofdzaak verleend voor kinderen die jonger dan 16 jaar zijn, alsmede voor kinderen van 16-21 jaar [lees: 16 tot 21 jaar, red.] die studerend of niet-valide zijn.
     Aanspraak op kinderaftrek bestaat voor kinderen die jonger dan 17 jaar zijn, alsmede voor gebrekkige kinderen die jonger dan 21 jaar zijn, en voor studerende kinderen die jonger dan 25 jaar zijn.
     Bovendien wordt, indien aldus voor ten minste drie kinderen aftrek wordt genoten, voor één ander kind tussen 17 en 21 jaar aftrek verleend.
     De ondergetekenden delen het eenparig oordeel van de commissie dat voor de handhaving van de bestaande verschillen in leeftijdsgrens geen grond bestaat. Zij hebben dan ook in de thans aanhangige wetsontwerpen een aantal wijzigingen opgenomen waardoor bereikt wordt dat het merendeel van de huidige verschillen zal zijn verdwenen. In de eerste plaats is in het Besluit op de Loonbelasting 1940 en daarmede tevens in het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en in de Wet op de Vermogensbelasting 1892 de algemene leeftijdsgrens teruggebracht van 17 naar 16 jaar. De ondergetekenden willen er hier op wijzen dat de wijziging van de algemene leeftijdsgrens voor de kinderaftrek aannemelijk is, uitgaande van de gedachte dat de kinderaftrek slechts dan behoort te worden toegekend indien deze, gelet op de last die op de ouders drukt, gerechtvaardigd is. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat vele zelfverdienende 16-jarigen reeds een inkomen genieten dat in niet onbelangrijke mate het gezinsinkomen versterkt.
rblz.|8 l.k.| Bovendien zou een verhoging van de leeftijdsgrens voor de Kinderbijslagwet van 16 tot 17 jaar voor het bedrijfsleven noodzakelijkerwijs financiële consequenties met zich medebrengen, waarbij volledigheidshalve zij opgemerkt dat de verlaging van de leeftijdsgrens tot 16 jaar enige baten voor de schatkist oplevert. Van belang is hier voorts dat, naar uit recente gegevens is gebleken, het aantal onderwijs genietende kinderen in deze leeftijdsgroep, waarvoor de aanspraak op kinderaftrek blijft bestaan, in de laatste jaren belangrijk is toegenomen.
     In de tweede plaats wordt in de Kinderbijslagwet de grens voor studerende kinderen verhoogd van 21 jaar naar 25 jaar. Ten slotte zijn beiderzijds in de overige criteria enige wijzigingen gebracht waardoor een betere aanpassing is verkregen.
     De verhoging van de leeftijdsgrens van studerende kinderen van 21 naar 25 jaar heeft eveneens financiële gevolgen, doch het gaat hier om een naar verhouding klein getal kinderen, zodat het aan deze verhoging klevende financiële bezwaar niet opweegt tegen de bezwaren die tegen een verlaging van de leeftijdsgrens van 25 naar 21 jaar voor de kinderaftrek bestaan. Een nauwkeurige berekening van de aan de verhoging van de leeftijdsgrens voor studerende kinderen in de Kinderbijslagwet verbonden kosten is bij gebrek aan de daarvoor nodige gegevens niet mogelijk. Aangenomen mag echter worden dat deze kosten een bedrag van ƒ1 millioen per jaar niet zullen overschrijden.
     Uit het vorenstaande kan blijken dat de aanspraak op kinderaftrek voor het zogenaamde "extra kind" is gehandhaafd. Teneinde te bereiken dat de coördinatie hierdoor zo weinig mogelijk zou worden verstoord, is een bijzondere regeling getroffen, welke in de toelichting op artikel 1, onderdeel IV tot en met VII, van het wetsontwerp inzake de coördinatie van bepalingen loonbelasting en vereveningsheffing met die van heffingen sociale verzekering nader is toegelicht.
     Voorts wordt hier op een andere vereenvoudiging gewezen die op het terrein van kinderbijslag en kinderaftrek kan worden bereikt en die mede verband houdt met de toepassing van de bijzondere tabel. Het tijdstip dat beslissend is voor het bepalen van het aantal kinderen waarvoor aanspraak op kinderbijslag bestaat, is de aanvang van het kalenderkwartaal. De kinderaftrek voor de loonbelasting is gebaseerd op de toestand op 1 December van het voorafgaande jaar of op het tijdstip in het lopende jaar waarop aanspraak op kinderaftrek of verhoging van kinderaftrek ontstaat. Het is duidelijk dat het hierdoor mogelijk is dat voor een kind wel aanspraak op kinderaftrek, doch geen aanspraak op kinderbijslag bestaat. Deze complicatie is weggenomen door voor de loonbelasting ook de aanvang van het kalenderkwartaal als peildatum aan te wijzen. Dit heeft ten gevolge dat ten aanzien van eenzelfde kind kinderaftrek en kinderbijslag tegelijkertijd aanvangen en eindigen.
     De bijzondere tabel zal uiteraard alleen kunnen gelden voor die werknemers waarop de wettelijke kinderbijslagverzekering van toepassing is. Ten aanzien van het loon van de andere werknemers moet, zolang zij een afwijkend bedrag aan kinderbijslag ontvangen, de gewone tabel worden toegepast.


Overige uitkeringen ingevolge de sociaIeverzekeringswetten

     Over deze uitkeringen wordt ingevolge de sociaIeverzekeringswetten geen premie geheven.
     De huidige situatie op het gebied van de belastingheffing kan in het kort als volgt worden geschetst. De blijvende ongevallenrenten en de door, voor rekening van of door tussenkomst van de werkgever betaalde ziekengelden, werkloosheidsuitkeringen en dergelijke zijn onderworpen aan een voorheffing die gelijk is aan de loonbelasting. In de overige gevallen, in het algemeen derhalve indien het betreft uitkeringen die rechtstreeks door het uitvoeringsorgaan worden uitbetaald, vindt geen voorheffing plaats, maar wordt, indien deze uitkeringen althans een bedrag van ƒ100 overtreffen, de belasting geheven door middel van een aanslag in de inkomstenbelasting. De werkgever dient voorts over door hem verstrekte suppletoire uitkeringen loonbelasting in te houden. Vereveningsheffing is noch over de wettelijke uitkeringen, noch over de suppletoire
rblz.|8 r.k.| uitkeringen bij ziekte of ongeval van verplicht verzekerde werknemers verschuldigd.
     De hiervoor omschreven toestand is onbevredigend, daar bij de loonadministratie, ingeval de werkgever de uitkering betaalt, complicaties optreden, terwijl voorts een verschil in belastingheffing bestaat, al naargelang de uitkeringen door de werkgever of door het uitvoeringsorgaan worden betaald.
     Een afdoende oplossing is naar de mening van de ondergetekenden slechts te bereiken indien ook de uitvoeringsorganen worden verplicht loonbelasting in te houden volgens het normale tarief.
     In het ontwerp van wet tot coördinatie van bepalingen van loonbelasting en vereveningsheffing met die van socialeverzekeringswetten is deze methode dan ook gevolgd. De ruime omschrijving van het loonbegrip omvat ook de hier bedoelde uitkeringen, hetgeen met zich medebrengt dat de uitvoeringsorganen als werkgever moeten worden aangemerkt. Hieraan zij toegevoegd dat indien de uitkeringen geheel door tussenkomst van de werkgever worden gedaan, uitsluitend deze de loonbelasting dient in te houden. Kent de werkgever een suppletie toe op een niet door zijn tussenkomst gedane uitkering, dan dient hij de loonbelasting over deze suppletie te berekenen met inachtneming van de uitkering die de werknemer reeds heeft ontvangen. Aldus wordt een ongelijkheid weggenomen bestaande tussen de gevallen dat wel en dat niet de uitkering door tussenkomst van de werkgever geschiedt. In het eerste geval zou over het gehele bedrag loonbelasting zijn ingehouden, terwijl in het tweede geval over de suppletie, daar zij in de regel beneden de belastingvrije grens blijft, geen loonbelasting verschuldigd zou zijn.
     Teneinde de taak van de uitvoeringsorganen niet te zeer te verzwaren, waardoor het gevaar van een vertraging in de uitbetaling van de uitkeringen zou kunnen ontstaan, zullen bij uitvoeringsvoorschrift nadere regelen worden gegeven die deze taak in administratief opzicht zullen verlichten.
     De hiervoor bedoelde methode leidt tot een rechtvaardige belastingheffing over de socialeverzekeringsuitkeringen. Op alle uitkeringen zal op de normale wijze loonbelasting worden ingehouden, hetgeen met zich medebrengt dat de aanslagen in de inkomstenbelasting, die thans vele moeilijkheden opleveren, achterwege kunnen blijven.

 

3. Loonadministratie, inning en controle


     Uit het vorenstaande kan blijken dat het streven van de ondergetekenden er bij voortduring op gericht is geweest, in navolging van het coördinatierapport, tot een zodanig resultaat te komen dat de loonadministratie belangrijk wordt vereenvoudigd.
     De vele verschillen welke tot nog toe tussen de
sociaIeverzekeringswetten en de fiscale wetten bestaan wat betreft de grondslag voor de heffingen zijn oorzaak dat de Ioonverantwoording volgens de loonlijst voor de sociale verzekering op vele en belangrijke punten afwijkt van die volgens de loonstaat voor de loonbelasting. Bovendien verschillen de loonlijsten van de verschillende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering nog weer onderling.
     In het verleden is herhaaldelijk getracht een gecombineerde loonstaat samen te stellen, doch zolang de verschillen inzake het loonbegrip bestonden, waren dergelijke pogingen tot mislukking gedoemd. Een eenvoudige gecombineerde loonverantwoordingsstaat bood immers geen oplossing voor de vele uiteenlopende situaties welke zich in de praktijk konden voordoen, terwijl een staat welke in deze gevallen wel voorzag zo omvangrijk zou worden dat bijhouding daarvan de administratieve last van de werkgever slechts weinig zou verlichten.
     De voorgestelde unificatie van het begrip loon schept echter de mogelijkheid thans over te gaan tot het vaststellen van een eenvoudige, uniforme, gecombineerde loonstaat.
     Behalve naar een unificatie van het materiële recht is voorts gestreefd naar een coördinatie van de verschillende heffingsmethoden. Ook op dit gebied is een nauwere aansluiting verkregen, waaromtrent de ondergetekenden in hoofdzaak mogen verwijzen naar de artikelsgewijze toelichting. Zij willen hier
rblz.|9 l.k.| slechts opmerken dat, zo de onderhavige wetsontwerpen tot wet worden verheven, voortaan op het stuk van de voorrang geen verschil meer zal bestaan tussen de premiën en de loonbelasting en vereveningsheffing. Ook naar hun mening is voor de bestaande verschillen geen reden. Bij verhaal ten laste van de werkgever zal derhalve het ingevorderde bedrag pondspondsgewijze moeten worden verdeeld.
     De ondergetekenden achten het voorts van belang dat op het gebied van de controle een goede samenwerking tussen de onderscheidene controleorganen plaatsvindt, daar thans de werkgever bij het onderzoek van de loonadministraties met verschillende instanties te maken heeft, hetgeen voor hem ongerief medebrengt. Teneinde deze samenwerking te bevorderen, is in het ontwerp van wet tot coördinatie van bepalingen van loonbelasting en vereveningsheffing met die van
sociaIeverzekeringswetten een bepaling opgenomen waardoor het mogelijk wordt gemaakt dat gegevens die belastingambtenaren bij het onderzoek van loonadministraties hebben verkregen, aan de organen van de sociale verzekering worden doorgegeven.
     In dit verband willen de ondergetekenden tevens nog wijzen op hetgeen door hen in paragraaf 1 van deze memorie is opgemerkt omtrent het tot stand brengen van een geregeld overleg tussen de belastingadministratie en de uitvoeringsorganen, teneinde ook in de praktijk van de uitvoering een zo goed mogelijke coördinatie te verkrijgen.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikelen 1 [1], 2 [2] en 3 [3]

     De artikelen 1 [1], 2 [2] en 3 [3] bevatten enige algemene begripsomschrijvingen.
     Zoals reeds in het algemeen deel van deze memorie werd medegedeeld, bevat dit ontwerp van wet geen voorstellen met betrekking tot de coördinatie van de begrippen "werknemer" en "werkgever". Aangezien evenwel in het ontwerp deze termen regelmatig voorkomen, dient te worden aangegeven welke personen daaronder worden verstaan. Een regeling hiervoor bevatten de artikelen 2 [2] en 3 [3], waarin bij de omschrijving van de begrippen geheel aansluiting is gezocht bij de thans voor elke wet afzonderlijk geldende bepalingen. De kringen der verzekerden ondergaan derhalve in geen enkel opzicht enige beperking of verruiming.

 

Artikel 4 [4]

     Volgens de eerste volzin van het eerste lid van dit artikel wordt onder loon verstaan al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten. Deze omschrijving komt overeen met de definitie van het loonbegrip zoals deze ingevolge het ontwerp van wet tot coördinatie van bepalingen van loonbelasting en vereveningsheffing met die van sociaIeverzekeringswetten in artikel 4 van het Besluit op de Loonbelasting 1940 zal worden opgenomen, met dit verschil dat bij de loonbelasting tevens rekening moet worden gehouden met hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.
     Blijkens de voorgestelde redactie van de eerste volzin van artikel 4 [4] van het ontwerp is de definitie van het loonbegrip zo ruim mogelijk gehouden. Al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten, onverschillig in welke vorm, behoort in beginsel tot het loon. Hieronder vallen, behalve het loon in de gewone zin van het woord, onder andere fooien, gratificaties, emolumenten (zoals bedrijfskleding), vergoeding voor kosten (bijvoorbeeld rijwielvergoeding), uitkeringen uit sociale fondsen, uitkeringen bij bijzondere gelegenheden. De uitzonderingen op de algemene regel zijn aangegeven in het eerste en tweede lid van artikel 6 [6], terwijl artikel 7 [7] de mogelijkheid opent dat ten aanzien van fooien door de Sociale Verzekeringsraad nadere regelen worden gegeven.
     De tweede volzin van artikel 4 [4] geeft aan welke betekenis aan het woord "genoten" moet worden gehecht. De omschrijving is ontleend aan artikel 7 van het Besluit op de Loonbelasting 1940.
     In het ontwerp wordt geen omschrijving van het begrip dagloon gegeven. Dit dient in de afzonderlijke wetten te geschieden. Het dagloon vormt de grondslag voor de uitkeringen en moet afgestemd zijn op het karakter van die uitkeringen. Het heeft derhalve geen betekenis voor de vereenvoudiging van de loonadministratie. Dit is wel het geval met het loonbegrip, voor
rblz.|9 r.k.| zover dit ten grondslag ligt aan de premieheffing. Weliswaar zal de dagloonbepaling in het algemeen ook geschieden naar de grondslag van het in dit ontwerp opgenomen loonbegrip, doch niet in alle gevallen is het aangewezen dat premieloon en uitkeringsloon gelijk zijn en in de afzonderlijke wetten zal daarom de mogelijkheid moeten worden opengelaten om bij de vaststelling van het loon waarnaar de uitkeringen worden berekend af te wijken van het algemene loonbegrip.

 

Artikel 5 [5]

     Volgens dit artikel behoren aanspraken uit een dienstbetrekking om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen te ontvangen, voor zover zij niet worden gedekt door stortingen van de werknemer, tot het loon. Hoewel verdedigd zou kunnen worden dat aanspraken als vorenbedoeld reeds begrepen zijn in de in artikel 4 [4] gegeven omschrijving van het begrip loon, verdient het, om elke twijfel dienaangaande uit te sluiten, aanbeveling om deze bepaling op te nemen.
     Het woord "aanspraak" verdient nog enige toelichting.
     De term "aanspraak", welke ook in de artikelen 6 [6] en 8 [8] gebruikt wordt, duidt op een recht van de werknemer, welk recht in de toekomst - na verloop van tijd of onder een voorwaarde - verwerkelijkt kan worden. Men dient hierbij onder meer te denken aan aanspraken ingevolge pensioen- en spaarregelingen, aan aanspraken tegenover bedrijfs- en ondernemingspensioenfondsen en tegenover voorzieningsfondsen en aanspraken op vacantiegeld in de vorm van vacantiebonnen of anderszins.
     Van de tot het loon behorende aanspraken dient te worden aangegeven op welk bedrag deze aanspraken gewaardeerd moeten worden. Artikel 8 [8] bevat een regeling omtrent de waardering in geld van tot het loon behorende aanspraken. Op grond van dat artikel zal, overeenkomstig het voorstel van de Coördinatiecommissie, de geldswaarde van een aanspraak op uitkeringen kunnen worden gesteld op het bedrag van de stortingen welke de werkgever verricht. Zo zouden dus bijvoorbeeld de aanspraken krachtens de socialeverzekeringswetten kunnen worden gewaardeerd op de door de werkgever te betalen premiën. Wanneer geen stortingen worden verricht, zal de aanspraak kunnen worden gewaardeerd op de bedragen welke naar schatting gestort zouden moeten zijn.
     In het eerste lid van artikel 6 [6] worden een tweetal aanspraken genoemd welke - in afwijking van het algemene beginsel - niet tot het loon behoren. Bij mengvormen, wanneer derhalve niet vaststaat of een aanspraak al dan niet tot het loon behoort, kan, evenals thans reeds bij de belastingheffing geschiedt, naar een zo billijk mogelijke oplossing worden gestreefd.
     Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat de bepaling van artikel 5 [5] overeenkomt met het voorgestelde nieuwe artikel 5 van het Besluit op de Loonbelasting 1940.

 

Artikel 6 [6]

     Het eerste lid van artikel 6 [6] bevat een aantal uitzonderingen op de artikelen 4 [4] en 5 [5] en geeft derhalve aan wat niet tot het loon behoort.
a. De bepaling onder a dat aanspraken die op een pensioenregeling berusten niet tot het loon behoren, vormt een uitzondering op artikel 5 [5]. Hierbij zij opgemerkt dat voor de toepassing van het Besluit op de Loonbelasting 1940 en het Besluit op de Vereveningsheffing 1941 de aanspraken welke de werknemer ontleent aan een pensioenregeling of aan een regeling voor de oudedagsvoorziening welke door de Minister van Financiën is aangewezen als pensioenregeling, steeds vrijgesteld zijn geweest. Zoals uit de toelichting op artikel 5 [5] blijkt, zouden aanspraken op een pensioenregeling moeten worden gewaardeerd op de bijdragen van de werkgever tot dekking van deze aanspraken. Het onbelast laten van deze bijdragen is in overeenstemming met de bestaande regeling voor de loonbelasting en de vereveningsheffing. Voor het onbelast laten van deze bijdragen kan een belangrijk sociaal-politiek argument aangevoerd worden. Immers, het feit dat over deze bijdragen geen premiën verschuldigd zijn, heeft de tendenz de instelling van ondernemingspensioenfondsen en dergelijke te bevorderen.
b. De onder b voorgestelde bepaling dat aanspraken ingevolge socialeverzekeringswetten niet tot het loon behoren, is een bevestiging van de op dit punt tot nog toe gevolgde praktijk
rblz.|10 l.k.| dat de premiebedragen van de werkgever voor de socialeverzekeringswetten onbelast blijven, doch die van de werknemer wel als loon worden aangemerkt.
c. Indien een aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 5 [5], tot het loon behoort, zoals bijvoorbeeld een aanspraak op een uitkering krachtens een kapitaalverzekering, dient uiteraard de uitkering welke op die aanspraak steunt niet tot het loon te worden gerekend, aangezien anders een dubbele heffing zou plaatsvinden, namelijk bij het toekennen van de aanspraak en bij het ontvangen van de uitkering.
d. Zoals in het laatste onderdeel van paragraaf 2 van het algemeen deel dezer memorie reeds werd opgemerkt, omvat de ruime omschrijving van het loonbegrip ook de uitkeringen krachtens de socialeverzekeringswetten. Aangezien het niet juist zou zijn over deze uitkeringen premie te heffen, is het bepaalde onder d opgenomen. De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat in overeenstemming met het rapport van de commissie-Van den Tempel gehandhaafd blijft het bepaalde in artikel 3 der Ziektewet en in artikel 8 der Kinderbijslagwet.
     In deze artikelen is bepaald dat degene die krachtens de Werkloosheidswet uitkering ontvangt, geacht wordt een loon te genieten gelijk aan het dagloon waarnaar die uitkering is berekend. Dit fictieve loon kan niet worden aangemerkt als een uitkering ingevolge socialeverzekeringswetten en dient derhalve voor de berekening van premie en uitkering krachtens de Ziektewet en de Kinderbijslagwet, evenals dit thans het geval is, in aanmerking te worden genomen.
e. Kinderbijslag krachtens een regeling in de zin van artikel 5 der Kinderbijslagwet kan op één lijn worden gesteld met de kinderbijslag krachtens die wet. De bepaling onder e is derhalve een consequentie van het onder d bepaalde.
f. Hetgeen onder e is opgemerkt ten aanzien van kinderbijslagen ingevolge een bijzondere regeling geldt evenzeer voor ziekengelduitkeringen ingevolge een bijzondere regeling.
g. Krachtens artikel 415 van het Wetboek van Koophandel ontvangt een schepeling ter zeevaart in geval van ziekte van zijn werkgever een uitkering bestaande in een bepaald percentage van het loon dat hij genoot toen hij ziek werd. In verband met het bepaalde onder d ligt het voor de hand de hier bedoelde uitkering niet als loon aan te merken.
h. In de meeste gevallen zal een uitkering ingevolge een pensioenregeling eerst genoten worden wanneer niet meer aan het arbeidsproces wordt deelgenomen en er dus geen sprake meer is van heffingen ingevolge de
sociaIeverzekeringswetten. Aangezien het evenwel mogelijk is dat tijdens een dienstbetrekking een pensioen van dezelfde werkgever wordt genoten - bijvoorbeeld in het geval dat een gepensionneerd arbeider bij dezelfde werkgever arbeid blijft verrichten -, verdient het aanbeveling vast te leggen dat een zodanig pensioen niet tot het loon behoort.
i. Uitkeringen over tijdvakken waarin de werknemer geen arbeid verricht die door hun geringe hoogte in wezen het karakter van ondersteuning dragen, dienen naar de mening van de eerste ondergetekende premievrij te blijven, terwijl betrekkelijk hoge uitkeringen welke feitelijk tot het loon behoren, belast moeten worden: in het bepaalde onder i is in overeenstemming met het gevoelen van de commissie een grens voorgesteld van 50% van het loon. Door het stellen van deze grens zullen de vaak voorkomende suppleties op ziekengeld en ongevalsuitkeringen, in overeenstemming met de thans geldende praktijk, premievrij blijven.
j. Het ligt voor de hand dat de vergoedingen, bedoeld onder j, evenmin als dit thans het geval is, tot het loon worden gerekend. Voorts moge worden verwezen naar de toelichting op het nieuwe artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit op de Loonbelasting 1940.
k. De bepaling onder k vloeit voort uit hetgeen is medegedeeld bij de toelichting op punt a [lees: toelichting op onderdeel a, red.] van dit lid.
     In het tweede lid van dit artikel wordt aan de Sociale Verzekeringsraad de bevoegdheid verleend te bepalen dat niet tot het normale, regelmatig verstrekte loon behorende uitkeringen niet tot het loon worden gerekend. Op een daartoe strekkend besluit is de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
rblz.|10 r.k.| vereist. Deze zal, alvorens zijn goedkeuring ie verlenen, overleg plegen met zijn ambtgenoot van Financiën. Immers, de coördinatie van de heffingen ingevolge de sociale verzekering en de belastingen naar het loon zou ten deze worden doorbroken indien niet ook op grond van artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van het nieuwe Besluit op de Loonbelasting 1940 een soortgelijke beschikking zou worden getroffen.
     De uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld onder a en b, zijn van dien aard dat bezwaarlijk in de wet positief kan worden aangegeven wanneer zij wel en wanneer zij niet tot het loon behoren. Zulks zal aan de praktijk van de uitvoering moeten worden overgelaten. Hetzelfde geldt voor de uitkeringen, bedoeld onder c. Daaronder zullen bijvoorbeeld vallen uitkeringen uit fondsen waarvan de werknemers een belangrijk deel bijeenbrengen door middel van niet-aftrekbare premiën.
     Hel derde lid van artikel 6 [6] geeft aan wat onder een pensioenregeling als bedoeld in het eerste lid moet worden verstaan

 

Artikel 7 [7]

     Fooien behoren in beginsel tot het loon, zoals dat begrip in artikel 4 [4] is omschreven.
     Ook thans, bij de huidige regeling, gelden de fooien bij de sociaIeverzekeringswetten krachtens wetsduiding eveneens als loon. In de regel vindt hier een schatting plaats. Bij de wachtgeld- en werkloosheidsverzekering worden fooien of andere ontvangsten van derden welke verband houden met ten behoeve van een werkgever verrichte arbeid, als loon beschouwd volgens regelen, te stellen bij de wachtgeldreglementen der bedrijfsverenigingen en het reglement voor de werkloosheidsverzekering van het Algemeen Werkloosheidsfonds. Het bepaalde in het eerste lid van artikel 7 [7] bevat een regeling in deze richting door de mogelijkheid te scheppen om voor de fooien, zowel bij de premieheffing als bij de uitkeringen, te werken met vaste normen, waardoor ontkomen wordt aan de bij de individuele schatting voorkomende moeilijkheden.
     De werkelijkheid zal vrij dicht benaderd worden, omdat het geven van de in dit artikel bedoelde regelen geschiedt op voorstel van één of meer uitvoeringsorganen, zodat de bij de verzekering belang hebbenden worden ingeschakeld.
     De eerste volzin van het tweede lid maakt het mogelijk om kleine incidentele fooien en dergelijke prestatiën van derden bij de vaststelling van het loon buiten aanmerking te laten. Bij deze waardering kan rekening worden gehouden met de verschillen per tak van bedrijf of beroep. Om dezelfde reden als aangegeven bij artikel 6 [6], tweede lid, is voor een desbetreffend besluit van de Sociale Verzekeringsraad de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid nodig.

 

Artikel 8 [8]

     De formuleringen van dit artikel zijn ontleend aan overeenkomstige artikelen in de bestaande wetten. Bij de toelichting op artikel 5 [5] werd reeds ingegaan op de waardering van aanspraken. Met betrekking tot één van deze aanspraken, namelijk de vacantiebon, dient nog het volgende te worden opgemerkt.
     Voor de berekening van de premie ingevolge de sociaIeverzekeringswetten worden vacantiebonnen thans in de week van de verstrekking voor de gehele waarde in rekening gebracht. Voor de toepassing van het Besluit op de Loonbelasting 1940 en het Besluit op de Vereveningsheffing 1941 worden de vacantiebonnen slechts voor driekwart van de waarde in aanmerking genomen. Deze reductie wordt verleend omdat ten gevolge van het bijtellen van de volle waarde van de vacantiebon bij het loon van een werkweek meer belasting zou worden geheven dan verschuldigd zou zijn bij het belasten van het bij de inwisseling verkregen bedrag in de vacantieweek. Overeenkomstig het voorstel van de commissie zal ter wille van de coördinatie op grond van het tweede lid van artikel 8 [8] onder meer kunnen worden bepaald dat vacantiebonnen ook voor de premieberekening ingevolge de socialeverzekeringswetten voor driekwart van de waarde in rekening gebracht moeten worden. Aangezien, zoals reeds in het algemeen deel dezer memorie werd betoogd, het premieloon niet steeds gelijk behoeft te zijn aan het uitkeringsloon, bestaat er geen bezwaar tegen dat voor de berekening van de uitkeringen de vacantiebonnen voor de volle waarde in rekening worden gebracht.

rblz.|11 l.k.| 

Artikel 9 [9]

     Het eerste lid van artikel 9 [9] bevat allereerst het voorstel om het maximumloon per dag, waarnaar de premie wordt berekend, te doen vaststellen bij algemene maatregel van bestuur. Tot nog toe werd dit maximumloon in elke wet afzonderlijk aangegeven. Bij vrijwel elke wijziging van de loongrens diende de desbetreffende wettelijke bepaling aan deze wijziging te worden aangepast. In het onderhavige voorstel is zulks niet meer nodig. In de afzonderlijke wetten wordt een bepaling opgenomen krachtens welke het maximumdagloon, als basis voor de uitkeringen, wordt gesteld op het bedrag, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
     Voor het overige bevat dit lid nadere bepalingen in zake de vaststelling van het aantal arbeidsdagen. Deze bepalingen zijn gedeeltelijk ontleend aan bestaande wettelijke regelingen en gedeeltelijk overgenomen uit artikel 6 van het Reglement voor de werkloosheidsverzekering.
     De bepaling van het tweede lid heeft een soortgelijke strekking als de huidige bepalingen in de artikelen 48, vierde lid, der Ongevallenwet 1921 en 85, vierde lid, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922.
     Het derde lid opent de mogelijkheid dat de Sociale Verzekeringsraad bepaalt dat indien voor bepaalde groepen van werknemers, bijvoorbeeld voor brandweerlieden en zeelieden, in de afzonderlijke wetten bij de berekening van de uitkeringen van vaste daglonen wordt uitgegaan, ook de premiën naar deze daglonen en niet naar de werkelijke lonen worden geheven.
     De bepaling van het vierde lid heeft een soortgelijke strekking als het huidige artikel 47 der Ongevallenwet 1921.

 

Artikel 10 [10]

     Op grond van dit artikel zullen de uitvoeringsorganen een model van een eenvoudige, uniforme, gecombineerde Ioonstaat kunnen vaststellen, gebaseerd op het door de commissie ontworpen model. Bij de vaststelling van het model van deze Ioonstaat, alsmede van de voorwaarden waaraan de loonadministratie dient te voldoen, zullen de uitvoeringsorganen zowel onderling als met de belastingdienst nauw overleg moeten plegen, teneinde te komen tot een uniforme, doeltreffende en overzichtelijke administratie waaruit alle noodzakelijke gegevens zowel voor de sociale verzekering als voor de loonbelasting en de vereveningsheffing op een vlotte en eenvoudige wijze geput kunnen worden. Indien de volgens de Ioonstaat vereiste gegevens zonder meer aan de loonadministratie van de werkgever kunnen worden ontleend, zal hem ontheffing van het bijhouden van de officiële staten verleend kunnen worden.
     Na invoering van de nieuwe Ioonstaat en van de bij artikel 11 [11] te bespreken wijziging in de premie-inning kan de verplichting tot inzending van loonlijsten vervangen worden door de verplichting om gelijktijdig met de betaling een opgave in te leveren van het totale loon waarop de premiebetaling betrekking heeft. Het is evenwel noodzakelijk, zowel ten gerieve van de belastingdienst als van de socialeverzekeringsorganen, dat na afloop van het kalenderjaar aan de hand van een verzamelstaat een nominatieve opgave wordt gedaan van de gedurende het kalenderjaar of een gedeelte daarvan werkzaam geweest zijnde arbeiders, onder vermelding van de voor de organen belast met de premie-inning en de belastingheffing nodige gegevens.
     Indien door de uitvoeringsorganen een Ioonstaat is voorgeschreven, zijn nog niet alle administratieve vraagstukken opgelost. Een bevredigend resultaat zal alleen dan kunnen worden bereikt indien de werkgever in staat is een aan redelijke eisen beantwoordende loonadministratie te voeren. Met betrekking tot grote en middelgrote bedrijven bestaan op dit stuk geen moeilijkheden. Wel is dit het geval met vele kleine ondernemingen. Het ligt evenwel eerder op de weg van de organisaties van belanghebbenden om ten deze bijvoorbeeld de instelling te bevorderen van administratiekantoren, als vrijwillige organisatorische tussenschakels tussen enerzijds de kleine werkgever en anderzijds de uitvoeringsorganen der sociale verzekering en de belastingdienst. Hierdoor zou niet alleen de taak van de kleine werkgever worden verlicht, maar ook de controle in deze sector van het bedrijfsleven vereenvoudigd kunnen worden. Bovendien zou door wekelijkse afdracht aan het
rblz.|11 r.k.| administratiekantoor achterstand in de betaling van premiën en belastingen voorkomen kunnen worden. De figuur van een zodanig administratiekantoor behoeft niet in de wet te worden geregeld, daar haar functie een andere is dan die van de bestaande administratiekantoren van de sociale verzekering.

 

Artikel 11 [11]

     De bepalingen van artikel 11 [11] zijn ontleend aan bestaande sociaIeverzekeringswetten.
     Bij Koninklijk besluit van 24 December 1952, Stb. 1952, 671, zijn de personen in dienst van spoor- en tramwegmaatschappijen die op grond van het bepaalde in artikel 20, tweede lid, der Ziektewet niet verzekerd zijn krachtens die wet, onder de werking van het Ziekenfondsenbesluit gebracht. Artikel 2 [2], onderdeel f, onder 4º, bepaalt daarom dat deze personen voor de toepassing van het Ziekenfondsenbesluit als werknemers in de zin van deze wet worden aangemerkt. Het gevolg hiervan zou onder meer zijn dat de ingevolge het Ziekenfondsenbesluit verschuldigde premie voor het op grond van bovenvermelde bepaling onder dat besluit vallende personeel van de N.V. Nederlandsche Spoorwegen krachtens het eerste lid van het onderhavige artikel zou moeten worden vastgesteld en ingevorderd door de bedrijfsvereniging waarbij deze
N.V. is aangesloten. Teneinde de in artikel 4 van het Koninklijk besluit van 24 December 1952 getroffen bijzondere regeling voor de afrekening van de door de N.V. voor het Ziekenfondsenbesluit verschuldigde premie te kunnen bestendigen, is in het tweede lid van het onderhavige artikel de mogelijkheid geopend om bij algemene maatregel van bestuur van het bepaalde in het eerste lid af te wijken. Het derde lid maakt het ook voor de Raden van Arbeid mogelijk om voor de ongevallenverzekering een vooruitbetaling op de premie te vorderen. De bedoeling is dat ook de wijze van inning van de premie voor de socialeverzekeringswetten en voor de loonbelasting en de vereveningsheffing wordt gecoördineerd. Door de Sociale Verzekeringsraad zal een voor alle uitvoeringsorganen geldende regeling kunnen worden getroffen, teneinde te komen tot een systeem van voorschotheffingen, zoals thans reeds bij de loonbelasting en de vereveningsheffing geldt. De definitieve vaststelling van de premie zal dan eenmaal per jaar kunnen geschieden na ontvangst van de in de toelichting op artikel 10 [10] genoemde verzamelstaat.
     De vermelde invorderingsmethode zal weliswaar wat meer administratiekosten voor de uitvoeringsorganen kunnen medebrengen, doch daar staat tegenover dat niet alleen minder renteverlies wordt geleden, doch dat ook de schuld minder oploopt, hetgeen betalingsmoeilijkheden zal voorkomen.

 

Artikelen 12 [12] en 14 [14]

     Deze artikelen maken het mogelijk om de werkgevers die niet op tijd voldoen aan hun verplichting om loonopgaven te verstrekken en premie te betalen, te belasten met de hieruit voortvloeiende extra kosten. De eerste ondergetekende acht het niet billijk dat de werkgevers die hun verplichtingen op normale wijze nakomen, worden belast met de extra kosten welke de nalatige werkgevers veroorzaken. Verwacht mag worden dat door de uitvoeringsorganen een redelijk gebruik van deze bevoegdheden zal worden gemaakt.

 

Artikel 13 [13]

     De termijnen, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn thans korter. Premiën welke langer dan twee jaar verschuldigd zijn, worden op het ogenblik niet meer vastgesteld. De praktijk heeft geleerd dat deze termijn te kort is. Daarom wordt voorgesteld premiën niet meer vast te stellen indien meer dan drie jaren zijn verstreken sedert het einde van het kalenderjaar waarin de premie verschuldigd is geworden. In verband met de verlenging van deze termijn is ook de gebruikelijke termijn van twee jaar na de betaling, door verloop van welke termijn de rechtsvordering van onverschuldigd betaalde premie verjaart, verlengd tot drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de premie is vastgesteld.

 

Artikel 15 [15]

     Dit artikel bevat een unificatie van de thans in de verschillende wetten op dit punt voorkomende bepalingen.

 

Artikel 16 [16]

     Dit artikel stelt de preferentie van de premieschuld en haar concurrentie met de belastingschuld, met uitzondering van die wegens de grondbelasting, boven twijfel. rblz.|12 l.k.| Aangezien het recht op en het bedrag van een rente krachtens de Invaliditeitswet onder meer afhankelijk zijn van het totale aantal en de waarde der betaalde premiën, is aan de premievordering op grond van de bepalingen van die wet een bijzondere voorrang verleend. Deze voorrang gaat zelfs boven die van de directe belastingen, met uitzondering van de grondbelasting. Indien bij executie of faillissement het bedrag dat voor de concurrent-preferente schulden krachtens de sociale verzekering en de belasting beschikbaar is niet voldoende is voor een volledige betaling, zal dit bedrag pondspondsgewijze over deze verschillende schulden moeten worden verdeeld.

 

Artikel 17 [17]

     Dit artikel geeft een unificatie van de in de verschillende wetten voorkomende regeling der gemoedsbezwaren. Een technische wijziging betekent het belasten van de werkgever met het premiebedrag waarvoor hij aansprakelijk is. In geval van gemoedsbezwaren wordt volgens de bestaande wetten van de werkgever alleen gevorderd het door hem zelf verschuldigde premiebedrag, terwijl de werknemer aansprakelijk wordt gesteld voor zijn aandeel in de premie. De ondergetekenden zijn van oordeel dat de verhoging van de aanslag in de inkomstenbelasting gebaseerd moet worden op het gehele bedrag van de vastgestelde premie, terwijl de werkgever desgewenst van het rblz.|12 r.k.| loon van zijn werknemers het te hunnen laste komende aandeel zou kunnen afhouden. Voor zoveel nodig zij er de aandacht op gevestigd dat het aldus verhaalde bedrag geen premie ingevolge de sociaIeverzekeringswetten is. Men kan dit aldus zien dat de werkgever in dit geval optreedt als kassier van een deel van het aan het Rijk verschuldigde bedrag. In verband hiermede ontbreekt een bepaling ingevolge welke de werknemer met zijn aandeel in de premie wordt belast.

 

Artikel 18 [18]

     In dit artikel is de strafsanctie opgenomen, verbonden aan de overtreding door de werkgever van één of meer voorschriften, op grond van artikel 10 [10] door het uitvoeringsorgaan gegeven.

 

Artikel 20 [20]

     Het ligt in het voornemen om de op de coördinatie betrekking hebbende wetsontwerpen op 1 Januari 1954 in werking te doen treden.

 

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken,
A.A. van Rhijn

De Staatssecretaris van Financiën,
Van den Berge

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | CSV | ontwerp van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x