St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ALGEMENE  OUDERDOMSWET

 

  
 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 
Kamerstukken II 1954-1955, 4009

Algemene ouderdomsverzekering ¹

1. Redactie: de wet is gepubliceerd in Stb. 1956, 281, en is in werking getreden met ingang van 1 augustus 1956 (Stb. 1956, 408).

 

 

Nr.r1 KONINKLIJKE  BOODSCHAP

 

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

     Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een ontwerp van Wet inzake een algemene ouderdomsverzekering.
     De toelichtende memorie (en bijlage), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.
     En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

 

Soestdijk, 29 Juni 1955

 

JULIANA

 

 

 

Nr.r2 ONTWERP  VAN  WET

 

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen inzake
een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van ouderdom;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1 [1].  [MvT]
-1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
-2. Waar in deze wet wordt gesproken van gehuwde man of echtgenoot wordt daaronder niet verstaan de gehuwde man die duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leeft.
-3. Waar in deze wet wordt gesproken van gehuwde vrouw of echtgenote wordt daaronder niet verstaan de gehuwde vrouw die duurzaam gescheiden van haar echtgenoot leeft.

 

Art. 2 [2].  [MvT]
Ingezetene in de zin van deze wet is degene die binnen het Rijk woont.

 

Art. 3 [3].  [MvT]
-1. Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld, voor zover in het volgende lid niet anders is bepaald.
-2. Ligt tussen het metterwoon verlaten van het Rijk en het metterwoon terugkeren binnen het Rijk een tijdvak van minder dan één jaar, dan wordt het metterwoon verlaten van het Rijk geacht niet te hebben plaatsgevonden. Dit geldt niet indien de betrokkene tijdens zijn afwezigheid op het grondgebied van een andere Mogendheid of in één der Overzeese Rijksdelen heeft gewoond.
-3. Schepen en luchtvaartuigen welke binnen het Rijk hun thuishaven hebben, worden ten opzichte van de bemanning beschouwd als deel van het Rijk.

 

Art. 4 [4].  [MvT]
-1. In de uitvoering van de in deze wet geregelde verzekering wordt voorzien door de Sociale Verzekeringsbank, met dien verstande dat de heffing en de invordering van de premiën geschieden door de Rijksbelastingdienst.
-2. Voor zover de uitvoering van de in deze wet geregelde verzekering geschiedt door de Sociale Verzekeringsbank, kan Onze Minister nadere regelen stellen met betrekking tot de te voeren administratie en de registratie van de verzekerden.

 

Art. 5 [5].  [MvT]
-1. De Sociale Verzekeringsbank wordt bij de uitvoering van haar taak bijgestaan door de Raden van Arbeid.
-2. Onze Minister wijst, gehoord de Sociale Verzekeringsbank, de werkzaamheden aan betrekking hebbende op de uitvoering dezer wet welke door de Raden van Arbeid zullen worden verricht.
-3. In de gevallen waarin Onze Minister ingevolge het bepaalde in het vorige lid werkzaamheden aan de Raden van Arbeid heeft toegewezen, zijn de bepalingen van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten van toepassing, met inachtneming van de wijzigingen welke de aard van het onderwerp vordert.
-4. Hetgeen ter uitvoering van het bepaalde in de vorige leden verder nodig is, wordt door Onze Minister geregeld.

 

 

HOOFDSTUK  II

Kring der verzekerden

 

Art. 6 [6].  [MvT]
-1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene die de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van binnen het Rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen;
c. geen ingezetene is en evenmin geacht kan worden blijvend buiten het Rijk te wonen, doch ter zake van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van het Rijk, mits hij Nederlander is.
-2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet geacht kan worden blijvend binnen het Rijk te wonen en die ter zake van binnen het Rijk verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van een andere Mogendheid.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen die niet ingevolge het eerste lid verzekerd zijn, als verzekerden in de zin van deze wet worden aangemerkt.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken:
a. ten aanzien van vreemdelingen;
b. ter voorkoming van samenloop van de verzekering ingevolge deze wet met een overeenkomstige regeling buiten het Rijk;
c. in gevallen van tijdelijk verblijf of tijdelijke werkzaamheid hier te lande;
d. ten aanzien van echtgenoten en overige gezinsleden van de in het tweede lid en van de in dit lid, onderdeel b en c, bedoelde personen.

 

 

HOOFDSTUK  III

Het ouderdomspensioen

 

§ 1.  Het recht op ouderdomspensioen

 

Art. 7 [7].  [MvT]
-1. Degene die verzekerd is geweest en de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op ouderdomspensioen.
-2. Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing op de gehuwde vrouw, behoudens in het geval dat:
a. haar echtgenoot de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en niet ingevolge deze wet verzekerd is geweest, noch op grond van artikel 46 [58] recht heeft op ouderdomspensioen; of
b. haar huwelijk plaatsvond nadat zowel zijzelf als haar echtgenoot de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt.

 

Art. 8 [9].  [MvT]
-1. Het ouderdomspensioen bedraagt, behoudens het overigens in dit artikel bepaalde, 804 gulden per jaar.
-2. Het ouderdomspensioen van de gehuwde man bedraagt 1338 gulden per jaar.
-3. Het ouderdomspensioen van de man en dat van de vrouw die beiden de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en tijdens het huwelijk duurzaam van elkander gescheiden leven, zonder van tafel en bed gescheiden te zijn, bedraagt de helft van het in het vorige lid genoemde bedrag.
-4. Het bepaalde in het tweede en in het derde lid is niet van toepassing indien de man en de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt.

 

Art. 9 [12].  [MvT]
-1. De in artikel 8 [9] genoemde bedragen worden bij algemene maatregel van bestuur met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden verhoogd of verlaagd, al naargelang het indexcijfer der lonen is gestegen dan wel is gedaald.
-2. Herziening van de in artikel 8 [9] genoemde bedragen heeft plaats telkens wanneer gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden na het in werking treden van artikel 8 [9], onderscheidenlijk na de laatste herziening, het indexcijfer der lonen een afwijking van gemiddeld ten minste 3% heeft vertoond van het indexcijfer op de laatste dag van de maand voorafgaande aan die waarin artikel 8 [9] in werking is getreden, onderscheidenlijk op de laatste dag van de maand voorafgaande aan die waarin de laatste herziening van de in artikel 8 [9] genoemde bedragen in werking is getreden.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de in artikel 8 [9] genoemde bedragen worden herzien voordat het in het vorige lid bedoelde tijdvak van zes maanden is verstreken, indien daartoe naar Ons oordeel bijzondere aanleiding bestaat.
-4. Bij een herziening worden de in artikel 8 [9] genoemde bedragen verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage als waarmede het indexcijfer der lonen afwijkt van het indexcijfer op de laatste dag van de maand voorafgaande aan die waarin artikel 8 [9] in werking is getreden; op laatstbedoeld indexcijfer worden echter toegepast de wijzigingen ter grootte van de procentuele veranderingen in het indexcijfer welke in verband met het bepaalde in het vijfde lid niet in aanmerking zijn genomen.
-5. Wanneer een herziening van de in artikel 8 [9] genoemde bedragen ertoe zou leiden dat voor de gepensionneerden ingevolge deze wet een wijziging hunner reële netto-inkomsten zou optreden welke niet of niet in dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene mate geldt voor de groep dergenen waarop het indexcijfer der lonen betrekking heeft, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat herziening geheel of gedeeltelijk achterwege blijft.
-6. Onder indexcijfer der lonen, bedoeld in de vorige leden, wordt verstaan het nader bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gewogen gemiddelde indexcijfer der uurlonen van volwassen arbeiders.
-7. Alvorens Ons een voordracht wordt gedaan tot een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vijfde of in het zesde lid, wordt de Sociaal-Economische Raad gehoord. Het advies van de Sociaal-Economische Raad wordt bekendgemaakt door plaatsing in het Staatsblad waarin de algemene maatregel wordt geplaatst waarop het advies betrekking heeft.
-8. Bij een herziening van de in artikel 8 [9], eerste en tweede lid, genoemde bedragen worden de bedragen naar boven afgerond op een veelvoud van 6 gulden.
-9. Waar in dit artikel wordt verwezen naar de bedragen, genoemd in artikel 8 [9], worden bedoeld de overeenkomstig artikel 63 [74] verhoogde of verlaagde bedragen indien dat artikel toepassing heeft gevonden. Waar in andere artikelen van deze wet wordt verwezen naar de bedragen, genoemd in artikel 8 [9], worden bedoeld de overeenkomstig de vorige leden en/of artikel 63 [74] verhoogde of verlaagde bedragen indien deze leden en/of dat artikel toepassing hebben gevonden.

 

Art. 10 [13].  [MvT]
-1. Op de bedragen, bedoeld in artikel 8 [9], eerste en derde lid, wordt een korting toegepast van 2%:
a. voor elk jaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd, niet verzekerd is geweest;
b. voor elke jaarpremie welke de pensioengerechtigde schuldig nalatig is geweest te betalen.
-2. Op het bedrag, genoemd in artikel 8 [9], tweede lid, wordt een korting toegepast van 1%:
a. voor elk jaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd, niet verzekerd is geweest;
b. voor elk jaar dat de echtgenote van de pensioengerechtigde na het bereiken van haar 15-jarige leeftijd, doch vóór het bereiken van haar 65-jarige leeftijd, of, zo zij jonger is dan haar man - behoudens in door
Onze Minister aan te wijzen gevallen -, na het bereiken van haar 15-jarige leeftijd, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd door haar man, niet verzekerd is geweest;
c. voor elke jaarpremie welke de pensioengerechtigde schuldig nalatig is geweest te betalen;
d. voor elke jaarpremie welke de echtgenote van de pensioengerechtigde schuldig nalatig is geweest te betalen.
-3. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk het tweede lid, onderdeel d, wordt een pensioengerechtigde vrouw, onderscheidenlijk de echtgenote van een pensioengerechtigde man, geacht schuldig nalatig te zijn geweest een jaarpremie te betalen over de tijd van haar huwelijk gedurende welke zij nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt en waarover haar echtgenoot schuldig nalatig is geweest een zodanige premie te betalen.
-4. Indien het ouderdomspensioen van een gehuwde man als gevolg van het bepaalde in het tweede lid minder zou bedragen dan het hoogste der ouderdomspensioenen waarop hij of zijn echtgenote ingevolge deze wet aanspraak zouden kunnen maken indien zij ongehuwd zouden zijn, wordt het vastgesteld op het hoogste van laatstbedoelde ouderdomspensioenen.
-5. Onze Minister stelt, gehoord de Sociale Verzekeringsbank, regelen vast omtrent de herleiding van gedeelten van jaarpremiën tot gehele jaarpremiën en van gedeelten van verzekeringsjaren tot gehele verzekeringsjaren.
-6. Na de korting, bedoeld in het eerste en in het tweede lid, wordt het ouderdomspensioen naar boven afgerond tot een veelvoud van 6 gulden.

 

Art. 11 [-].  [MvT]
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent het op verzoek toekennen van een verhoogd uitgesteld pensioen op een later tijdstip dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Bij die maatregel worden tevens regelen gesteld omtrent de berekening van het bedrag van het verhoogde pensioen, het tijdstip van ingang en de voorwaarden waaronder het kan worden verkregen.

 

 

§ 2.  Toekenning, ingang, intrekking, herziening en betaling van het ouderdomspensioen

 

Art. 12 [14].  [MvT]
-1. Het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen wordt op aanvraag toegekend door de Sociale Verzekeringsbank.
-2. De aanvraag om ouderdomspensioen of verhoging van ouderdomspensioen wordt ingediend bij de Sociale Verzekeringsbank.
-3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de Sociale Verzekeringsbank bevoegd het ouderdomspensioen of een verhoging van het ouderdomspensioen ambtshalve toe te kennen.

 

Art. 13 [16].  [MvT]
-1. Het ouderdomspensioen gaat in op de eerste dag der maand waarin de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.
-2. Het ouderdomspensioen van de weduwe wier echtgenoot in het genot van ouderdomspensioen was, gaat niet eerder in dan op de eerste dag der zesde maand volgende op die waarin haar echtgenoot is overleden.
-3. In afwijking van het bepaalde in de vorige leden kan een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan één jaar vóór de eerste dag der maand waarin de aanvraag werd ingediend of waarin ambtshalve toekenning plaatsvond. Onze Minister kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijking toestaan.

 

Art. 14 [17].  [MvT]
-1. Het ouderdomspensioen kan door de Sociale Verzekeringsbank worden ingetrokken of herzien wanneer degene aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager pensioen in aanmerking komt.
-2. De herziening van het ouderdomspensioen welke voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden en welke een verhoging van dit pensioen tot gevolg heeft, gaat in op de eerste dag der maand waarin de wijziging dier omstandigheden heeft plaatsgevonden. Het bepaalde in artikel 13 [16], derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. De intrekking van het ouderdomspensioen of de herziening daarvan welke een verlaging van dit pensioen tot gevolg heeft, gaat, behoudens in de door Onze Minister aan te wijzen gevallen, in op de eerste dag der maand volgende op die waarin de dag der dagtekening van de kennisgeving ingevolge artikel 40 [52], eerste lid, onderdeel a, is gelegen.
-4. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid, doch onverlet het bepaalde in het volgende lid, heeft herziening van het aan een gehuwde man toegekende ouderdomspensioen op grond van het overlijden van zijn echtgenote niet eerder plaats dan met ingang van de eerste dag der zesde maand volgende op die waarin het overlijden plaatsvond.
-5. De herziening van het ouderdomspensioen welke verband houdt met het bepaalde in artikel 9 [12] gaat, in afwijking van het bepaalde in het tweede en derde lid, in op de dag met ingang waarvan op grond van artikel 9 [12] de bedragen, genoemd in artikel 8 [9], eerste en tweede lid, door Onze Minister zijn herzien.
-6. Ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel kan Onze Minister nadere voorschriften geven.

 

Art. 15 [18].  [MvT]
-1. Na het overlijden van een gehuwde man of van een gehuwde vrouw wordt het aan de overledene toegekende ouderdomspensioen, eventueel herzien in verband met het bepaalde in artikel 9 [12], tot en met de laatste dag der vijfde maand volgende op die waarin het overlijden plaatsvond aan de langstlevende der echtgenoten uitbetaald.
-2. Na het overlijden van andere personen dan die, bedoeld in de aanhef van het vorige lid, wordt het aan hen toegekende ouderdomspensioen tot en met de laatste dag der maand waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald aan de persoon of de personen die daarvoor naar het oordeel van de Sociale Verzekeringsbank op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt, onderscheidenlijk komen, mits deze daartoe binnen zes maanden na het overlijden een verzoek bij de Sociale Verzekeringsbank heeft, onderscheidenlijk hebben, ingediend.

 

Art. 16 [19].  [MvT]
-1. Het ouderdomspensioen wordt betaalbaar gesteld door de Sociale Verzekeringsbank. De betaling geschiedt als regel maandelijks.
-2. De Sociale Verzekeringsbank kan het aan een gehuwde man toegekende ouderdomspensioen voor ten hoogste de helft betaalbaar stellen aan diens echtgenote.
-3. Wanneer een gepensionneerde een ander machtigt om het pensioen in ontvangst te nemen, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een maandelijkse betaling. Intrekking ener machtiging is slechts mogelijk met ingang van een maandelijkse betaling.
-4. Onze Minister kan regelen vaststellen inzake de betaalbaarstelling van het ouderdomspensioen ingevolge deze wet door organen welke belast zijn met de uitbetaling van ouderdomspensioen uit anderen hoofde dan ingevolge deze wet.
-5. De Sociale Verzekeringsbank is bevoegd om, onder door haar te stellen voorwaarden, op verzoek van de in het vorige lid bedoelde organen, gelijktijdig met het ouderdomspensioen ingevolge deze wet, pensioenen verschuldigd door die organen betaalbaar te stellen.

 

Art. 17 [20].  [MvT]
Indien een gepensionneerde en/of diens echtgenote in een gesticht of door of vanwege een instelling van weldadigheid, door het openbaar gezag erkend, worden, onderscheidenlijk wordt, verzorgd of verpleegd en de kosten van verzorging of verpleging geheel of gedeeltelijk ten laste komen van een openbaar lichaam of een instelling van weldadigheid als vorenbedoeld, kan op verzoek van het desbetreffende orgaan het pensioen over volle kalendermaanden gelegen binnen de duur van de verzorging of verpleging, voor zover het over die maanden nog niet is uitbetaald, aan het desbetreffende orgaan worden uitbetaald, met dien verstande dat:
a. aan dat orgaan in elk geval niet meer wordt uitbetaald dan de te zijnen laste komende kosten van verzorging of verpleging bedragen;
b. indien de gepensionneerde een gehuwde man of een gehuwde vrouw is, aan dat orgaan slechts een derde gedeelte van het pensioen wordt uitbetaald, tenzij de beide echtgenoten een verzorging of verpleging als vorenbedoeld genieten;
c. indien de gepensionneerde een gehuwde man of een gehuwde vrouw is op wie het bepaalde in artikel 8 [9], vierde lid, van toepassing is, aan dat orgaan slechts een derde gedeelte van het aan elk der echtgenoten toegekende pensioen wordt uitbetaald, tenzij de beide echtgenoten een verzorging of verpleging als vorenbedoeld genieten.

 

Art. 18 [-].  [MvT]
Wanneer een gepensionneerde misbruik van drank pleegt te maken, alsmede wanneer het, gezien diens maatschappelijke gedragingen en levenswijze, redelijkerwijs te verwachten is dat hij het pensioen zal misbruiken, kan de Sociale Verzekeringsbank het ouderdomspensioen te zijnen behoeve uitbetalen aan een door haar aan te wijzen persoon of instelling.

 

Art. 19 [-].  [MvT]
Voor zover in verband met het bepaalde in artikel 17 [20], onderscheidenlijk artikel 18 [-], het ouderdomspensioen niet werd uitbetaald aan de gepensionneerde, wordt het na het overlijden van de gepensionneerde, voor zover nodig in afwijking van het in artikel 15 [18] bepaalde, tot en met de laatste dag der maand waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald aan het in artikel 17 [20] bedoelde orgaan, onderscheidenlijk de in artikel 18 [-] bedoelde persoon of instelling.

 

Art. 20 [8b].  [MvT]
-1. Aan de gepensionneerde die is veroordeeld tot gevangenisstraf van drie maanden, tot hechtenis van drie maanden, tot plaatsing in een Rijkswerkinrichting of tot enige zwaardere straf of ter beschikking van de Regering is gesteld, wordt over volle kalendermaanden gelegen binnen de tijd dat hij zijn straf ondergaat, de maatregel ten aanzien van hem ten uitvoer wordt gelegd of hij zich door de vlucht aan de ten uitvoerlegging van het vonnis onttrekt, het ouderdomspensioen niet uitbetaald.
-2. De Sociale Verzekeringsbank is bevoegd over het ouderdomspensioen hetwelk aan een gepensionneerde zou moeten worden uitgekeerd indien deze niet verkeerde in een geval als in het eerste lid bedoeld, geheel of gedeeltelijk te beschikken ten behoeve van zijn echtgenote, zijn kinderen of andere personen wier kostwinner hij is.
-3. Onze Minister kan, voor zover van de bevoegdheid, in het vorige lid bedoeld, geen gebruik is gemaakt, hem die uit de gevangenis of werkinrichting is ontslagen alsnog in het genot stellen van het in het vorige lid bedoelde ouderdomspensioen tot een bedrag dat het pensioen over één jaar niet te boven gaat of het pensioen tot dat bedrag te zijnen behoeve doen aanwenden.

 

Art. 21 [23].  [MvT]
De termijnen van het ouderdomspensioen welke niet zijn ingevorderd binnen drie jaren na de eerste dag waarop zij konden worden ingevorderd, worden niet meer uitbetaald.

 

Art. 22 [24].  [MvT]
-1. Behoudens het bepaalde in het volgende lid zijn de eenmaal uitbetaalde termijnen van het ouderdomspensioen niet vatbaar voor terugvordering.
-2. Indien het ouderdomspensioen krachtens het bepaalde in artikel 14 [17], derde lid, met terugwerkende kracht is herzien of ingetrokken of als gevolg van een herziening als bedoeld in artikel 14 [17], vijfde lid, is verlaagd, kan het te veel of ten onrechte genotene geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van degene aan wie te veel of ten onrechte is uitbetaald, dan wel op het aan deze later toekomende pensioen in mindering worden gebracht.

 

Art. 23 [26].  [MvT]
-1. Het ouderdomspensioen is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zover dit dient tot verhaal van onderhoud waartoe de gepensionneerde volgens de wet is gehouden, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag.
-2. Volmacht tot ontvangst van ouderdomspensioen, onder welke vorm of welke benaming ook door de gepensionneerde verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met enige bepaling van dit artikel is nietig.

 

Art. 24 [27].  [MvT]
Het Rijk waarborgt zonder enig voorbehoud de betaling door de Sociale Verzekeringsbank van het ouderdomspensioen waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat.

 

 

HOOFDSTUK  IV

De op te brengen middelen

 

Art. 25 [-].  [MvT]
De middelen tot dekking van de ingevolge deze wet uit te keren pensioenen en van de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten, alsmede de middelen benodigd voor het vormen en in stand houden van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen reserve, worden gevonden door het heffen van premiën van de verzekerden.

 

Art. 26 [-].  [MvT]
-1. De premiën worden gestort in een door de Sociale Verzekeringsbank te beheren Ouderdomsfonds.
-2. De ingevolge deze wet uit te keren pensioenen en de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen ten laste van het Ouderdomsfonds.
-3. Onze Minister stelt, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, voorschriften vast met betrekking tot de belegging van de gelden van het Ouderdomsfonds.

 

Art. 27 [-].  [MvT]
-1. De premie wordt, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, geheven naar de maatstaf van het door de verzekerde in een kalenderjaar genoten inkomen en vastgesteld in een percentage van dat inkomen. Ten aanzien van degene die slechts een gedeelte van een kalenderjaar verzekerd is geweest, treedt dit gedeelte voor het kalenderjaar in de plaats.
-2. Onder inkomen wordt verstaan:
a. indien de verzekerde ingezetene is: het zuiver inkomen in de zin van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, vermeerderd met de ingevolge deze wet verschuldigde premiën en verminderd met:
1º. de op de voet van dat besluit aftrekbare buitengewone lasten en giften;
2º. de uitkeringen ingevolge de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen;
3º. de ingevolge deze wet uitgekeerde pensioenen;
b. indien de verzekerde geen ingezetene is: het binnenlands zuiver inkomen in de zin van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, vermeerderd met de ingevolge deze wet verschuldigde premiën en verminderd met de ingevolge deze wet uitgekeerde pensioenen.
-3. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid zijn de artikelen 2, eerste lid, tweede zin, en tweede lid, 51. vijfde lid, en 51a, vijfde lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 van overeenkomstige toepassing. Het bepaalde in de vorige volzin geldt niet ten aanzien van de gehuwde vrouw wier echtgenoot niet ingevolge deze wet is verzekerd, noch de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid is voorts artikel 43 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 van overeenkomstige toepassing.
-4. Voor zoveel de premie ingevolge het tweede lid van artikel 30 [-] bij wijze van inhouding wordt geheven, geldt, in afwijking van het tweede lid, als inkomen het loon dan wel de inkomsten welke voor de heffing van de loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing in aanmerking worden genomen, één en ander verminderd met:
a. het bedrag dat wegens kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen in de loonbelastingtabel is verwerkt;
b. het bedrag dat krachtens beslissing van de inspecteur der belastingen in mindering moet worden gebracht wegens hogere kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen, voor zover dat bedrag geen betrekking heeft op ingevolge deze wet verschuldigde premiën;
c. het bedrag dat krachtens beslissing van de inspecteur der belastingen in mindering moet worden gebracht wegens buitengewone lasten en giften;
d. de ingevolge deze wet uitgekeerde pensioenen.
-5. Het inkomen van de verzekerde van wie de premie ingevolge het tweede lid van artikel 30 [-] geheel of gedeeltelijk bij wijze van inhouding wordt geheven, wordt verminderd met de kinderbijslag waarop hij over de periode waarin de inhouding plaatsvindt, ingevolge de Kinderbijslagwet aanspraak heeft of aanspraak zou hebben gehad indien de bepalingen van die wet op hem van toepassing zouden zijn geweest.
-6. Indien het overeenkomstig de voorgaande leden bepaalde inkomen meer bedraagt dan 6000 gulden per jaar, wordt over dat meerdere geen premie geheven. Het bedrag van 6000 gulden wordt naar tijdsruimte evenredig verlaagd ten aanzien van:
a. degene die niet het gehele jaar verzekerd is geweest;
b. de vrouw te wier aanzien in de loop van een jaar de toepassing van het bepaalde in de eerste volzin van het derde lid van dit artikel een aanvang neemt dan wel eindigt.
-7. Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen met betrekking tot hetgeen in dit artikel is bepaald nadere regelen stellen.

 

Art. 28 [-].  [MvT]
-1. Het in het eerste lid van artikel 27 [-] bedoelde premiepercentage wordt door de Sociale Verzekeringsbank onder goedkeuring van Onze Minister, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, vastgesteld.
-2. Het premiepercentage wordt als regel telkens voor een periode van vijf jaren vastgesteld en wel zodanig dat het totaal van de over de eerstvolgende periode van vijf jaren te ontvangen premiën voldoende zal zijn om daaruit de pensioenen en de uitvoeringskosten over dat tijdvak te voldoen, alsmede om de in artikel 25 [-] bedoelde reserve te vormen en in stand te houden.

 

Art. 29 [-].  [MvT]
-1. Voor zoveel de premiën ingevolge het tweede lid van artikel 30 [-] bij wijze van inhouding worden geheven, is Onze Minister van Financiën bevoegd om, met inachtneming van het ingevolge het eerste lid van artikel 28 [-] vastgestelde percentage, de premiën te doen berekenen volgens tabellen welke, wat de grootte van de tariefklassen betreft, in overeenstemming zijn met de tariefklassen - voor zover aanwezig - van de tabellen welke voor de heffing van de loonbelasting van toepassing zijn.
-2. Bij het opstellen van de in het vorige lid bedoelde tabellen wordt hel bedrag, bedoeld in artikel 27 [-], vierde lid, onderdeel a, in het premiebedrag verwerkt en blijft dit bedrag bij het bepalen van het inkomen buiten aanmerking. Voorts kunnen de tabellen in dier voege worden vastgesteld dat:
a. de in het vijfde lid van artikel 27 [-] bedoelde vermindering daarin op zodanige wijze is verwerkt dat nevens het bedrag aan inkomen waarop die vermindering niet is toegepast, terstond het premiebedrag is vermeld;
b. de aanspraak op verstrekkingen ingevolge de wettelijke ziekenfondsverzekering, alsmede hetgeen behoort te worden ingehouden wegens premie ingevolge de Ziektewet en ingevolge de Werkloosheidswet, daarin op zodanige wijze zijn verwerkt - al dan niet tot een gemiddeld bedrag - dat nevens het bedrag aan inkomen waarin vorengenoemde bestanddelen niet zijn opgenomen, terstond het premiebedrag is vermeld.
-3. Bij het opstellen van de in de voorgaande leden bedoelde tabellen brengt Onze Minister van Financiën de door hem nodig geachte afrondingen en interpolaties aan.

 

Art. 30 [-].  [MvT]
-1. Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, geschiedt de heffing van de ingevolge deze wet verschuldigde premiën, onder verrekening van eventueel krachtens het tweede lid geheven premiën, bij wege van aanslag en met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regelen.
-2. Voor zoveel de verzekerde aan de loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing is onderworpen, worden de ingevolge deze wet verschuldigde premiën bij wijze van inhouding geheven en zijn dienaangaande de voor de heffing van de loonbelasting geldende regelen van overeenkomstige toepassing. Het bepaalde in het vorige lid blijft alsdan buiten toepassing in de gevallen waarin voor de heffing van de inkomstenbelasting geen aanslag wordt vastgesteld, noch teruggaaf van loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing wordt verleend.
-3. Ten aanzien van de invordering van de ingevolge deze wet verschuldigde premiën zijn de regelen geldende voor de invordering van 's Rijks directe belastingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat krachtens het tweede lid opgelegde aanslagen binnen één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet moeten worden voldaan.
-4. Onze Minister en Onze Minister van Financiën geven voorschriften inzake de afdracht van de door de Rijksbelastingdienst ten behoeve van het Ouderdomsfonds geïnde premiën.

 

Art. 31 [-].  [MvT]
-1. Van verzekerden die voor de heffing van de inkomstenbelasting in tariefgroep I zijn gerangschikt en wier inkomen minder bedraagt dan 1500 gulden per jaar, worden de premiën, voor zover deze niet bij wijze van inhouding worden geheven, niet ingevorderd.
-2. Van verzekerden die voor de heffing van de inkomstenbelasting in tariefgroep II of III zijn gerangschikt en wier inkomen minder bedraagt dan 2100 gulden per jaar, worden de premiën, voor zover deze niet bij wijze van inhouding worden geheven, niet ingevorderd.
-3. Van verzekerden wier inkomen het in de voorgaande leden voor hen aangegeven bedrag met niet meer dan 1000 gulden overtreft, worden de premiën, voor zover deze niet bij wijze van inhouding worden geheven, overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen gedeeltelijk ingevorderd.
-4. Het bepaalde in de vorige leden geldt niet indien de verzekerde over het jaar waarover de premiën zijn verschuldigd in aanmerking komt voor een aanslag in de vermogensbelasting.
-5. Met betrekking tot de bedragen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, vindt artikel 27 [-], zesde lid, tweede volzin, overeenkomstige toepassing.

 

Art. 32 [-].  [MvT]
-1. De premiën of de gedeelten van de premiën welke op grond van het bepaalde in artikel 31 [-] niet van de verzekerden worden ingevorderd, komen ten laste van het Rijk.
-2. Onze Minister en Onze Minister van Financiën stellen ter zake van het bepaalde in het vorige lid nadere regelen. Bij deze regelen wordt tevens bepaald op welke wijze het ingevolge het bepaalde in het vorige lid ten laste van het Rijk komende bedrag wordt vastgesteld.

 

Art. 33 [-].  [MvT]
-1. Indien een verzekerde nalatig is gebleven de over een bepaald jaar verschuldigde premie geheel of gedeeltelijk te betalen, houdt de Sociale Verzekeringsbank, indien zij beslist dat van een schuldig nalaten sprake is, daarvan aantekening. De kennisgeving welke van deze beslissing ingevolge het bepaalde in artikel 40 [52], eerste en tweede lid, plaatsvindt, vermeldt tevens in hoeverre een verschuldigde jaarpremie niet is betaald.
-2. Indien de Sociale Verzekeringsbank niet heeft beslist dat van een schuldig nalaten sprake is, komen de premiën, voor zover deze niet zijn betaald, ten laste van het Rijk.
-3. In de gevallen waarin een aantekening is gesteld als bedoeld in het eerste lid, kunnen de verzekerden alsnog gedurende vijf jaren na de kennisgeving van de aantekening de verschuldigde premiën geheel of gedeeltelijk betalen. In deze gevallen worden de verschuldigde premiën met een door Onze Minister te bepalen opslag verhoogd. Voor zover de verschuldigde premiën en de opslag alsnog zijn betaald, wordt de aantekening, bedoeld in het eerste lid, doorgehaald en de verzekerde over de betreffende periode niet geacht schuldig nalatig te zijn geweest. Van deze doorhaling wordt aan de verzekerden op de in artikel 40 [52], eerste en tweede lid, voorgeschreven wijze kennis gegeven. De kennisgeving vermeldt tevens in hoeverre, na de doorhaling, een verschuldigde jaarpremie nog onbetaald is gebleven.
-4. Voor de toepassing van de artikelen 25 [-] en 26 [-] wordt de in het vorige lid bedoelde opslag als premie beschouwd.
-5. Onze Minister kan ter zake van het bepaalde in de vorige leden nadere regelen vaststellen.

 

Art. 34 [-].  [MvT]
Verzekerden te wier behoeve ingevolge het bepaalde in artikel 32 [-] en artikel 33 [-], tweede lid, de premiën over een bepaald tijdvak geheel of voor een gedeelte ten laste van het Rijk komen, worden voor de toepassing van artikel 10 [13] geacht over dat tijdvak de door hen verschuldigde premiën geheel of voor dat gedeelte te hebben betaald.

 

Art. 35 [-].  [MvT]
-1. Verzekerden en gewezen verzekerden beneden een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen leeftijd, welke niet hoger kan worden gesteld dan 65 jaar, zijn in de gevallen, onder de voorwaarden en overeenkomstig het tarief bij algemene maatregel van bestuur te bepalen, tot premiebetaling bevoegd over tijdvakken gelegen na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar waarover zij niet verzekerd zijn geweest.
-2. Degene die van zijn bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, gebruikmaakt, wordt over de tijd waarover de premie is betaald als verzekerde beschouwd.

 

 

HOOFDSTUK  V

Vrijstelling wegens gemoedsbezwaren

 

Art. 36 [47].  [MvT]
-1. Degene die gemoedsbezwaren heeft tegen de in deze wet geregelde verzekering kan met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen en voorwaarden door de Sociale Verzekeringsbank worden vrijgesteld van de bij die maatregel aan te wijzen verplichtingen welke hem bij of krachtens deze wet zijn opgelegd.
-2. De Sociale Verzekeringsbank doet aan de inspecteurs der belastingen mededeling van degenen binnen hun ambtsgebied aan wie een vrijstelling als in het eerste lid bedoeld is verleend.
-3. Indien krachtens het bepaalde in het eerste lid aan een verzekerde vrijstelling van premiebetaling is verleend, verhoogt de inspecteur der belastingen de aan hem over het desbetreffende kalenderjaar op te leggen aanslag in de inkomstenbelasting met het bedrag dat van hem, ware de vrijstelling niet verleend, als premie had moeten worden geheven.
-4. Indien de in het voorgaande lid bedoelde aanslag in de inkomstenbelasting reeds ten kohiere is gebracht, wordt de verhoging van de verzekerde nagevorderd. Hetzelfde vindt plaats indien besloten was geen aanslag op te leggen of de opgelegde aanslag was vernietigd. Navordering heeft plaats door het ten kohiere brengen van een nadere aanslag wegens de verhoging.
-5. Voor zoveel de in het derde lid bedoelde verzekerde aan de loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing is onderworpen, verhoogt degene die de inhouding verricht de van de desbetreffende verzekerde in te houden belasting met het bedrag dat van hem, ware de vrijstelling niet verleend, als premie had moeten worden ingehouden.
-6. Artikel 30 [-], eerste, tweede en derde lid, vindt ten aanzien van de in de drie voorgaande leden bedoelde verhogingen overeenkomstige toepassing. Voorts vindt ten aanzien van de in het derde en vierde lid bedoelde verhoging artikel 31 [-] overeenkomstige toepassing.
-7. Indien krachtens het bepaalde in het eerste lid aan degene die ingevolge deze wet gehouden is premie van verzekerden in te houden vrijstelling van deze verplichting is verleend, verhoogt deze de van de verzekerden in te houden belasting met het bedrag dat hij van hen, ware de vrijstelling niet verleend, als premie had moeten inhouden. Het bepaalde in artikel 30 [-], tweede en derde lid, is ten aanzien van deze verhoging van overeenkomstige toepassing.
-8. Een bedrag ter grootte van hetgeen ingevolge het bepaalde in het voorgaande lid als hogere belasting van een verzekerde is ingehouden, wordt verrekend met de door die verzekerde eventueel bij wege van aanslag verschuldigde premie.
-9. Hetgeen krachtens het bepaalde in het derde en vierde lid door verhoging van de aanslag in de inkomstenbelasting is geheven, wordt als inkomstenbelasting verantwoord. Voor de toepassing van de bepalingen van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 wordt de verhoging evenwel niet als een aanslag of een deel van een aanslag beschouwd.
-10. Hetgeen krachtens het bepaalde in het vijfde en zevende lid als hogere belasting is ingehouden, wordt als loonbelasting verantwoord, doch overigens voor de toepassing van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en van het Besluit op de Loonbelasting 1940 niet als loonbelasting beschouwd.
-11. Het bedrag aan premie dat een verzekerde verschuldigd zou zijn geweest indien hem niet krachtens het eerste lid vrijstelling van premiebetaling zou zijn verleend, alsmede het bedrag aan premie dat degene aan wie vrijstelling van de verplichting om van verzekerden premie in te houden, is verleend, aan premie had moeten inhouden indien hem daarvan geen vrijstelling zou zijn verleend, komt voor rekening van het Rijk.
-12. Ten aanzien van een verzekerde aan wie krachtens het bepaalde in het eerste lid vrijstelling van premiebetaling is verleend, vinden met betrekking tot nagelaten betaling van ingevolge dit artikel verschuldigde belasting de artikelen 10 [13], 33 [-] en 34 [-] overeenkomstige toepassing.
-13. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden tevens geregeld de verdere gevolgen welke aan het verlenen van vrijstelling wegens gemoedsbezwaren zijn verbonden, alsmede de gevallen waarin de vrijstelling wordt of kan worden ingetrokken en de aan die intrekking verbonden gevolgen.

 

 

HOOFDSTUK  VI

Het verstrekken van inlichtingen

 

Art. 37 [49].  [MvT]
De gepensionneerde, alsmede degene aan wie ingevolge het bepaalde in artikel 16 [19], tweede lid, en artikel 20 [8b], tweede lid, een ouderdomspensioen of een gedeelte daarvan wordt uitbetaald, is verplicht binnen veertien dagen aan de Sociale Verzekeringsbank schriftelijk mededeling te doen van elke verandering van feiten en omstandigheden welke tot intrekking of vermindering van het pensioen aanleiding kan geven.

 

Art. 38 [50].  [MvT]
-1. Ieder is verplicht aan de .Sociale Verzekeringsbank, de Raad van Arbeid, de Rijksbelastingdienst of aan een daartoe schriftelijk door één van deze instanties gemachtigd persoon de ten behoeve van de uitvoering van deze wet van hem verlangde inlichtingen te geven.
-2. De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk worden verstrekt binnen een door een in het eerste lid bedoelde instantie of persoon schriftelijk te stellen termijn.
-3. Ieder is verplicht aan een in het eerste lid bedoelde instantie of aan een door deze daartoe schriftelijk gemachtigd persoon desgevraagd inzage te verlenen van boeken, bescheiden en andere stukken, voor zover dit nodig is ten behoeve van de uitvoering van deze wet.

 

Art. 39 [51].  [MvT]
-1. Publiekrechtelijke lichamen, de bedrijfsverenigingen en het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, bedoeld in de Organisatiewet Sociale Verzekering, zijn gehouden aan een in het eerste lid van het vorige artikel [50] bedoelde instantie of aan een door deze daartoe schriftelijk aangewezen persoon kosteloos de inlichtingen welke ten behoeve van de uitvoering van deze wet worden verlangd, te verstrekken en toe te zenden.
-2. Alle ambtenaren tot afgifte van uittreksels uit registers van de burgerlijke stand bevoegd zijn verplicht aan een in het eerste lid van het vorige artikel [50] bedoelde instantie de door deze gevraagde uittreksels uit die registers kosteloos toe te zenden.

 

 

HOOFDSTUK  VII

Bezwaar en beroep

 

Art. 40 [52].  [MvT]
-1. Aan de belanghebbende wordt schriftelijk kennis gegeven van een beslissing van de Sociale Verzekeringsbank welke:
a. verband houdt met het recht op en de uitbetaling van ouderdomspensioen;
b. betrekking heeft op een aantekening als bedoeld in het eerste lid van artikel 33 [-].
-2. Een kennisgeving als in het vorige lid bedoeld, vermeldt de dagtekening van de beslissing, de gronden waarop deze berust, alsmede naam en adres van het college waarbij ingevolge het bepaalde in het volgende artikel [53] beroep kan worden ingesteld en de termijn van beroep.
-3. Het in de vorige leden bepaalde is ten aanzien van een beslissing inzake herziening van het ouderdomspensioen in verband met het bepaalde in artikel 9 [12] slechts van toepassing indien de belanghebbende zulks verzoekt.

 

Art. 41 [53].  [MvT]
-1. Tegen een beslissing van de Sociale Verzekeringsbank waarvan ingevolge het bepaalde in het vorige artikel [52] schriftelijk kennis wordt gegeven, staat voor de belanghebbende beroep open.
-2. Over het in het vorige lid bedoelde beroep wordt geoordeeld door de raden van beroep en door de Centrale Raad van Beroep, bedoeld in de Beroepswet.
-3. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1 [1], tweede en derde lid, 2 [2], 3 [3] en 6 [6].
-4. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van raden van beroep voor de directe belastingen van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats van die raden inneemt.

 

Art. 42 [54].  [MvT]
-1. Voor zover in de volgende leden niet anders is bepaald, zijn, naargelang de ingevolge deze wet verschuldigde premiën bij wege van aanslag dan wel bij wijze van inhouding worden geheven, de voor de heffing van de inkomstenbelasting, onderscheidenlijk de loonbelasting, geldende regelen inzake de rechtsmiddelen van overeenkomstige toepassing.
-2. De inspecteur der belastingen doet op een bezwaarschrift eerst uitspraak nadat is komen vast te staan dat geen feiten en omstandigheden in geding zijn welke tevens van belang zijn voor de heffing van inkomstenbelasting, loonbelasting of een met de loonbelasting overeenkomende voorheffing ten laste van belanghebbende, dan wel, voor zover zulks wel het geval is, de beslissing daaromtrent voor de heffing van die belastingen onherroepelijk is geworden.
-3. Met betrekking tot een navorderingsaanslag welke geheel of gedeeltelijk berust op feiten die mede tot het opleggen van een navorderingsaanslag in één van de in het vorige lid bedoelde belastingen ten laste van belanghebbende aanleiding hebben gegeven, neemt de termijn voor het instellen van beroep eerst een aanvang op de datum waarop laatstbedoelde navorderingsaanslag onherroepelijk is komen vast te staan.
-4. Tegen hetgeen omtrent de toepassing van de artikelen 1 [1], tweede en derde lid, 2 [2] en 3 [3], alsmede omtrent het zuiver inkomen in de zin van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, dan wel het loon of de inkomsten welke voor de heffing van de loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing in aanmerking worden genomen, voor de heffing van die belastingen onherroepelijk is komen vast te staan, is beroep niet toegelaten.

 

 

HOOFDSTUK  VIII

Overgangsbepalingen

 

§ 1.  Het ouderdomspensioen van personen die vóór het in werking treden van artikel 6 de leeftijd van 15, doch nog niet die van 65 jaar hebben bereikt

 

Art. 43 [55].  [MvT]
-1. Degene die vóór het in werking treden van artikel 6 [6] de leeftijd van 15, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt en die - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar binnen het Rijk, Nederlands Nieuw-Guinea, Suriname of de Nederlandse Antillen heeft gewoond, wordt voor de toepassing van het bepaalde in artikel 10 [13], eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a en b, gedurende het tijdvak gelegen tussen de voleindiging van zijn 15de levensjaar en het in werking treden van artikel 6 [6] geacht verzekerd te zijn geweest. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin wordt de gehuwde vrouw die jonger is dan haar man geacht het 59ste levensjaar te hebben voleindigd op dezelfde dag als haar echtgenoot.
-2. De gehuwde vrouw die in tegenstelling tot haar echtgenoot vóór of op de dag van het in werking treden van artikel 6 [6] de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, doch overigens voldoet aan de voorwaarden in de eerste volzin van het vorige lid gesteld, wordt voor de toepassing van het bepaalde in artikel 10 [13], tweede lid, onderdeel b, gedurende het tijdvak gelegen tussen de voleindiging van haar 15e en de voleindiging van haar 65ste levensjaar geacht verzekerd te zijn geweest.
-3. Degene die voldoet aan het bepaalde in de eerste volzin van het eerste lid, doch nimmer ingevolge deze wet verzekerd is geweest, wordt nochtans voor de toepassing van artikel 7 [7] geacht verzekerd te zijn geweest.

 

Art. 44 [56].  [MvT]
De voordelen uit artikel 43 [55] voortvloeiende komen enkel toe aan degene die:
a. Nederlander is; en
b. binnen het Rijk woont.

 

Art. 45 [57].  [MvT]
Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald dat:
a. voor de toepassing van artikel 44 [56] niet-Nederlanders met Nederlanders worden gelijkgesteld;
b. voor de toepassing van de artikelen 43 [55] en 44 [56] het wonen buiten het Rijk wordt gelijkgesteld met het wonen binnen het Rijk.

 

 

§ 2.  Het ouderdomspensioen van personen die vóór of op de dag van het in werking treden van artikel 7 de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt

 

Art. 46 [58].  [MvT]
-1. Degene die vóór of op de dag van het in werking treden van artikel 7 [7] de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar binnen het Rijk, Nederlands Nieuw-Guinea, Suriname of de Nederlandse Antillen heeft gewoond, heeft recht op ouderdomspensioen.
-2. Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing op de gehuwde vrouw, behoudens in het geval dat:
a. haar echtgenoot de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en geen recht op ouderdomspensioen kan doen gelden; of
b. haar huwelijk plaatsvond na het in werking treden van artikel 7 [7] en nadat zowel zijzelf als haar echtgenoot de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt.

 

Art. 47 [59].  [MvT]
Voor het recht op ouderdomspensioen overeenkomstig artikel 46 [58] is vereist dat de belanghebbende:
a. Nederlander is; en
b. binnen het Rijk woont.

 

Art. 48 [60].  [MvT]
Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald dat:
a. voor de toepassing van artikel 47 [59] niet-Nederlanders met Nederlanders worden gelijkgesteld;
b. voor de toepassing van de artikelen 46 [58] en 47 [59] het wonen buiten het Rijk wordt gelijkgesteld met het wonen binnen het Rijk.

 

Art. 49 [61].  [MvT]
Ten aanzien van het bedrag van het ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 46 [58], blijft artikel 8 [9], vierde lid, voor zover de huwelijkssluiting plaatsvond vóór het in werking treden van artikel 7 [7], en voorts artikel 10 [13] buiten toepassing.

 

 

HOOFDSTUK  IX

Strafbepalingen

 

Art. 50 [62].  [MvT]
Hij die niet voldoet aan een der verplichtingen, bedoeld in de artikelen 37 [49] en 38 [50], wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste 600 gulden.

 

Art. 51 [63].  [MvT]
Hij die op grond van bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

 

Art. 52 [64].  [MvT]
Hij die op andere wijze dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk een opgave in strijd met de waarheid doet, zulks met het oogmerk om aldus een uitkering of een hogere uitkering ingevolge deze wet te verkrijgen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

 

Art. 53 [65].  [MvT]
Overtreding van bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste 100 gulden.

 

Art. 54 [-].  [MvT]
-1. Indien een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit wordt gepleegd door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, enige andere vereniging van personen of een doelvermogen, wordt de strafvervolging ingesteld en worden de straffen en maatregelen uitgesproken hetzij tegen die rechtspersoon, die vennootschap, die vereniging of dat doelvermogen, hetzij tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen beiden.
-2. Een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit wordt onder meer gepleegd door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen indien het gepleegd wordt door personen die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon, de vennootschap, de vereniging of het doelvermogen, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het strafbaar feit hebben gepleegd dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.
-3. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en, indien er meer bestuurders zijn, door één dezer. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. Het gerecht kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen; het kan alsdan zijn medebrenging gelasten.
-4. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, vindt artikel 538, onder 2º, van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing.

 

Art. 55 [66].  [MvT]
Met het opsporen van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast:
a. de overige ambtenaren van Rijks- en Gemeentepolitie;
b. de personen daartoe door Onze Minister aangewezen.

 

Art. 56 [67].  [MvT]
-1. De in artikel 55 [66] bedoelde personen hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen waarvan naar hun redelijk oordeel de betreding voor de vervulling van hun taak nodig is.
-2. Wordt aan de in artikel 55 [66] bedoelde personen de toegang geweigerd of belemmerd of wordt hun op aanmelding tot toelating niet geantwoord, dan verschaffen zij zich de toegang desnoods met inroeping van de sterke arm.
-3. De artikelen 120 tot en met 123 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 57 [68].  [MvT]
-1. De in artikel 55 [66] bedoelde personen zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun bij het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen omtrent een bedrijf of beroep dat wordt uitgeoefend, is bekend geworden, voor zover die geheimhouding niet in strijd is met de bepalingen van deze of een andere wet.
-2. Hij die de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste 600 gulden.
-3. Hij aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste 300 gulden.
-4. Geen vervolging heeft plaats dan op klacht van degene die het in het eerste lid bedoelde bedrijf of beroep uitoefent.

 

Art. 58 [69].  [MvT]
De in de artikelen 51 [63], 52 [64] en 57 [68] bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven, de in de artikelen 50 [62] en 53 [65] bedoelde strafbare feiten als overtredingen beschouwd.

 

 

HOOFDSTUK  X

Slotbepalingen

 

Art. 59 [70].  [MvT]
Hetgeen nog ter voorbereiding van het in werking treden van deze wet of tot haar uitvoering nodig is, wordt door Onze Minister geregeld. Het bepaalde in de vorige volzin is niet van toepassing op de heffing en de invordering van de ingevolge deze wet verschuldigde premiën.

 

Art. 60 [71].  [MvT]
-1. Binnen twee jaren na de inwerkingtreding van artikel 7 [7] kan een werkgever die een pensioen heeft toegezegd, bepalen dat het ouderdomspensioen ingevolge deze wet geheel of ten dele in mindering wordt gebracht op het door hem in uitzicht gestelde of op het reeds toegekende pensioen.
-2. Binnen twee jaren na de inwerkingtreding van artikel 7 [7] kunnen in de statuten en reglementen van een pensioenfonds, ook wanneer deze het tegendeel bepalen, bepalingen worden opgenomen krachtens welke ouderdomspensioen ingevolge deze wet geheel of ten dele in mindering wordt gebracht op de door het fonds in uitzicht gestelde of op de reeds toegekende uitkeringen.
-3. Indien het bepaalde in het eerste of tweede lid toepassing vindt op enig reeds toegekend pensioen, zijn verhogingen van het ouderdomspensioen ingevolge artikel 9 [12] van deze wet van de toepassing van het in het eerste en het tweede lid bepaalde uitgezonderd.
-4. Indien het bepaalde in het eerste of het tweede lid is toegepast op enig in uitzicht gesteld pensioen, dient daarbij te worden bepaald dat een verhoging van het ouderdomspensioen ingevolge artikel 9 [12] van deze wet welke plaatsvindt na de datum van beëindiging van de actieve deelneming aan de pensioenregeling, niet op het krachtens deze regeling genoten pensioen in mindering zal worden gebracht.
-5. Indien het bepaalde in het eerste of het tweede lid toepassing vindt op reeds toegekende of in uitzicht gestelde pensioenen waarop wegens het niet bereiken van het voor een volledig pensioen benodigde aantal dienst- of deelnemingsjaren een korting is of zal worden toegepast, mag op zodanige pensioenen niet meer dan het gedeelte van het ingevolge deze wet toegekende ouderdomspensioen worden gekort dat evenredig is aan het deel dat het reeds toegekende of in uitzicht gestelde pensioen uitmaakt van het bij een volledig aantal dienst- of deelnemingsjaren bereikbare pensioen.

 

Art. 61 [72].  [MvT]
-1. Met ingang van de dag waarop artikel 46 [58] in werking treedt, wordt de Wet van 24 Mei 1947, Stb. H 155 (Noodwet Ouderdomsvoorziening), ingetrokken. De bepalingen dier wet en van haar uitvoeringsvoorschriften blijven van toepassing ten aanzien van aanspraken op uitkeringen over tijdvakken gelegen vóór de in de vorige volzin bedoelde dag.
-2. Degenen die op de dag voorafgaande aan die waarop de Noodwet Ouderdomsvoorziening wordt ingetrokken, op grond van het bepaalde in artikel 11, vierde lid, tweede volzin, dier wet aanspraak kunnen maken op een gehuwdenuitkering, behouden deze aanspraak zolang de in voornoemde bepaling bedoelde termijn niet is verstreken.
-3. Degenen die op de dag voorafgaande aan die waarop de Noodwet Ouderdomsvoorziening wordt ingetrokken, op grond van het bepaalde in artikel 17, eerste lid, eerste volzin, dier wet aanspraak kunnen maken op uitbetaling van een gehuwdenuitkering, behouden deze aanspraak zolang de in voornoemde bepaling bedoelde termijn niet is verstreken.
-4. De belanghebbenden die aanspraak kunnen maken op ouderdomspensioen ingevolge deze wet behouden slechts hun aanspraak, bedoeld in het tweede en in het derde lid, voor zover het bedrag der uitkering, bedoeld in die leden, hoger is dan het ouderdomspensioen ingevolge deze wet.
-5. Degenen die op de dag voorafgaande aan die waarop de Noodwet Ouderdomsvoorziening wordt ingetrokken buiten het Rijk wonen en recht hebben op een uitkering krachtens die wet, behouden dit recht zolang zij buiten het Rijk wonen en niet op grond van het bepaalde in paragraaf 2 van hoofdstuk VIII aanspraak op ouderdomspensioen kunnen maken.
-6. De uitkeringen, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, komen ten laste van het Ouderdomsfonds, bedoeld in artikel 26 [-].
-7. Voor het overige blijven ten aanzien van de in het tweede, derde en vijlde lid bedoelde uitkeringen de bepalingen van de Noodwet Ouderdomsvoorziening en van de uitvoeringsvoorschriften daarvan van toepassing.
-8. Onze Minister kan ter uitvoering van het bepaalde in de vorige leden nadere regelen stellen.

 

Art. 62 [73].  [MvT]
Het Rijk verstrekt aan het Ouderdomsfonds renteloze voorschotten zolang het fonds geen voldoende middelen heeft voor de uitgaven van het fonds.

 

Art. 63 [74].  [MvT]
Wanneer het indexcijfer der lonen op de laatste dag van de maand voorafgaande aan die waarin artikel 8 [9] in werking is getreden een afwijking van ten minste 3% vertoont van het indexcijfer per 31 Maart 1955, worden de in artikel 8 [9], eerste en tweede lid, genoemde bedragen bij algemene maatregel van bestuur met ingang van de dag van het in werking treden van artikel 8 [9] herzien. Artikel 9 [12], vierde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 64 [75].  [MvT]
-1. Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Wet op de algemene ouderdomsverzekering".¹
-2. De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

1. Redactie: tijdens de parlementaire behandeling is de citeertitel vervangen door: Algemene Ouderdomswet.

 

 

     Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven

 

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,

De Minister van Financiën,

De Staatssecretaris van Financiën,

De Minister van Binnenlandse Zaken,

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AOW | MvT | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x