|
rblz.|10
l.k.|
Kamerstukken II
1954-1955, 4009
Algemene
ouderdomsverzekering
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Historisch overzicht |
| 1.1 |
Eerste pogingen om tot een
ouderdomsvoorziening te geraken |
| 1.2 |
De totstandkoming van de
Invaliditeitswet en de Ouderdomswet 1919 |
| 1.3 |
Pogingen tot verbetering van de
wettelijke regeling |
| 1.4 |
De totstandkoming van een voorlopige
regeling in de vorm van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening |
| 1.5 |
Activiteiten met het oog op de
totstandkoming van een definitieve
voorziening |
| 1.6 |
Het advies van de Sociaal-Economische
Raad |
| 1.7 |
Reacties op het advies van de
Sociaal-Economische Raad |
| 2 |
De les der geschiedenis: een synthese |
| 3 |
Kring
der verzekerden |
| 4 |
Het ouderdomspensioen |
| 4.1 |
Pensioengerechtigde leeftijd |
| 4.2 |
Hoogte ouderdomspensioen |
| 5 |
De middelen tot
dekking der kosten |
| 5.1 |
Kring der premieplichtigen |
| 5.2 |
Eenheidspremie of naar het
inkomen proportionele premie |
| 5.3 |
Het
inkomen waarnaar
premie wordt geheven |
| 5.4 |
Premieheffing van kleine
zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden met geringe inkomsten |
| 6 |
Stelsel van
financiering |
| 7 |
Kosten der
verzekering |
| 8 |
De economische gevolgen van de
invoering der ouderdomsverzekering |
| 9 |
Uitvoering der
verzekering |
| 10 |
Overgangsregeling en aanpassing
bijzondere pensioenregelingen aan de algemene verplichte
ouderdomsverzekering |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 64 |
Algemeen
Het
vraagstuk van de ouderdomsverzekering
speelt reeds tientallen jaren een rol in
de sociaal-politieke geschiedenis van
ons land. De ontoereikendheid van de in
1913 getroffen en op 3 December 1919 in
werking getreden regeling in de Invaliditeitswet deed zich in
versterkte mate gevoelen door de
muntontwaarding in en na de laatste
wereldoorlog. Dat algemeen de
noodzakelijkheid van een ruimere, aan
het rechtsbewustzijn aangepaste,
regeling werd gevoeld, werd wel het
meest sprekend bewezen door het feit
dat in 1947 de Noodwet
Ouderdomsvoorziening, welke blijkens de
considerans in afwachting van de
totstandkoming ener definitieve
voorziening door middel van verplichte
verzekering werd getroffen, zonder
hoofdelijke stemming in de beide Kamers
der Staten-Generaal werd aanvaard,
ondanks de principiële bezwaren welke
tegen de opzet werden aangevoerd. Hoe
zegenrijk de werking van deze Noodwet op
zichzelf ook is geweest, zij vertoont de
typische kenmerken van een noodregeling,
waarbij de ondergetekenden met name
willen wijzen op het veel becritiseerde
systeem van de inkomensaftrek.
Hoewel
de Noodwet Ouderdomsvoorziening van de
aanvang af als een tijdelijke regeling
bedoeld is geweest, heeft deze
tijdelijkheid toch veel langer geduurd
dan oorspronkelijk blijkbaar door de
ambtsvoorgangers van de ondergetekenden
werd verwacht. Het verheugt de
ondergetekenden dat thans een ontwerp
van wet met betrekking tot een algemene
verplichte ouderdomsverzekering aan de
Staten-Generaal kan worden aangeboden.
De
ondergetekenden achten het nuttig om,
alvorens in een bespreking van de
grondslagen van het ontwerp te treden,
een overzicht te geven van de
geschiedenis van de ouderdomsverzekering hier te lande.
1.
Historisch overzicht
1.1. Eerste pogingen om tot een
ouderdomsvoorziening te geraken
De
parlementaire geschiedenis van de
ouderdomsverzekering in ons land kan
geacht worden te zijn aangevangen in
1889. Op 20 April van dat jaar werd
namelijk een wetsontwerp ingediend waarin werd
voorgesteld een staatscommissie te
benoemen welke onder meer de opdracht zou
krijgen gegevens te verzamelen voor de
kennis van de maatschappelijke
toestanden der arbeiders en van de
verhoudingen tussen werkgevers en
arbeiders in de verschillende
bedrijven. Nadat deze wet op 19 Januari
1890 in het Staatsblad was verschenen,
werd de staatscommissie bij Koninklijk besluit van 18 April 1890 ingesteld.
Voorzitter was jhr. mr. W.F. Rochussen.
Deze commissie had dus uitsluitend tot
opdracht om een enquête in te stellen.
In
de Troonrede van 1891 werd onder meer
verklaard dat maatregelen tot
verzekering van het lot van oude of
verminkte werklieden werden ontworpen.
Bij Koninklijk besluit van 29 September
1892 werd een nieuwe staatscommissie
ingesteld, rblz.|10
r.k.|
welker
samenstelling gelijk was aan die van de
hierboven bedoelde, met de opdracht
verslagen uit te brengen aangaande de
werkzaamheden van de eerste commissie en
de voorstellen te doen waartoe het door
die commissie gehouden onderzoek haar
aanleiding mocht geven. In het op 8
Januari 1894 door de commissie-Rochussen
uitgebrachte eindverslag werd onder meer
in
overweging gegeven "de wettelijke
regeling van verplichte verzekering van
werklieden tegen invaliditeit tengevolge
van ouderdom, met geldelijke bijdragen
van de werkgevers, de werklieden en den
Staat, teneinde in dien geest en naar
gelang der ondervinding ten aanzien der
verzekering tegen ongevallen een
wetsontwerp bij de
volksvertegenwoordiging aanhangig te
maken".
Inmiddels
was in het op 29 Juli 1893 uitgebrachte
voorlopig verslag der Tweede Kamer
betreffende een wijziging van de Wet op
de Rijkspostspaarbank de wens te kennen
gegeven dat door de Regering een
wetsontwerp zou worden ingediend om een
Staatsverzekeringsbank als een afdeling
van de Rijkspostspaarbank in het leven
te roepen.
In
de Troonrede van 1894 werd daarop
medegedeeld dat de Regering onder meer het
voornemen had een wetsvoordracht in te
dienen tot het openen der gelegenheid om
door het Rijk gewaarborgde lijfrenten
te verkrijgen. Het lag in de bedoeling
deze gelegenheid niet alleen te openen
voor arbeiders, doch voor de gehele
bevolking, voor zover zij geacht kon
worden daaraan behoefte te hebben. Bij
de openbare behandeling van de
Rijksbegroting voor het jaar 1895 werd
uitvoerig gesproken over de vraag of met
een vrijwillige, algemene regeling, als
door de Regering bedoeld, kon worden
volstaan, dan wel of tot een verplichte
verzekering voor arbeiders diende te
worden overgegaan. Het debat eindigde
met de aanvaarding van een motie-Heldt,
luidende: "De
Kamer, van oordeel: dat verzekering van
het lot van oude werklieden door een
pensioenstelsel wenschelijk is, verzoekt de Regeering te onderzoeken,
op welke grondslagen en op welke wijze
die verzekering zal kunnen en behooren
te worden geregeld".
Gevolg
gevend aan deze motie stelde de Regering
bij Koninklijk besluit van 31 Juli 1895
opnieuw een staatscommissie in, ditmaal
onder voorzitterschap van mr. C.
Pijnacker Hordijk. Deze commissie kreeg
de opdracht te onderzoeken "of naast
de instelling van eene
Rijkslijfrentebank en naast de regeling
der verzekering tegen ongelukken,
maatregelen bij de wet behooren te
worden genomen, om te bevorderen dat
werklieden en met dezen gelijk te
stellen personen, die door ouderdom of
door invaliditeit blijvend ongeschikt
zijn om in hun onderhoud te voorzien,
recht erlangen op geldelijke
uitkeeringen; en bij bevestigende
beantwoording dier vraag één of meerdere
daartoe strekkende wetsvoorstellen met
memorie van toelichting en raming der
geldelijke gevolgen te ontwerpen en aan
Ons in te dienen".
In
haar op 2 Juli 1898 uitgebracht rapport
kwam de commissie tot de conclusie dat
zij in beginsel de verplichte
verzekering zowel tegen invaliditeit
als tegen ouderdom raadzaam achtte, doch
dat zij zich wegens het grote verschil
van mening hetwelk zich in haar midden
had geopenbaard, moest onthouden rblz.|11
l.k.|
van het aanbieden van een wetsvoorstel
met memorie van toelichting.
Vermeldenswaard is nog dat de commissie
ook de vraag verzekering of
staatspensioen in haar beschouwingen
betrok: zij verklaarde zich eenstemmig
tegen staatspensionnering. Aan de
rechtsgrond voor een verplichte
verzekering werden uitvoerige
beschouwingen gewijd. Opmerking verdient dat volgens sommige leden van
de commissie er geen rechtsgrond
aanwezig was om aan één categorie van
burgers, namelijk de werklieden, een
verplichting tot verzekering op te
leggen. Men kon niet inzien met welk
recht de Staat deze verplichting niet
zou uitstrekken tot anderen in wier
belang dit eveneens werd geacht.
Door
anderen werd deze rechtsgrond geacht
gelegen te zijn in het recht van de
Staat om van zijn burgers een waarborg
te eisen dat zij niet armlastig worden,
dat wil zeggen ten laste van het algemeen komen.
Het
duurde tot 13 April 1905 alvorens door
Minister Kuyper een ontwerp "Invaliditeitswet"
werd ingediend. Hierin werd voorgesteld
alle personen die in Nederland werkzaam
waren in een onderneming, in een
inrichting of in een dienstbetrekking,
tegen een loon van niet meer dan ƒ1000,-
per jaar, zodra zij hun 16de jaar
vervuld hadden, te verplichten zich en
hun weduwen het recht op een rente bij
invaliditeit en ouderdom te verzekeren.
De rechtsgrond werd aldus omschreven: "Zij, die behooren tot het groote deel
der bevolking, dat voor eigen en
gezinsonderhoud geheel afhankelijk is
van de opbrengst van zijn in dienst van
anderen verrichten arbeid, moeten in die
opbrengst hun bestaansmiddelen vinden,
niet alleen voor de jaren, waarin zij
arbeiden kunnen, maar ook voor die
andere jaren, waarin zij tengevolge van
duurzame invaliditeit of ouderdom niet
meer tot arbeiden in staat zijn".
Zeer
merkwaardig in dit verband is dat dr.
Kuyper van oordeel was dat er in
beginsel wel een grond bestond om de
arbeider te verplichten zich voor het
geval van invaliditeit een rente te
verzekeren, maar hij zag deze grond niet
voor het verzekeren van een rente bij
het bereiken van een bepaalde leeftijd.
Echter was bij de werklieden sedert
jaren het verlangen levendig naar een
verzekering tegen de oude dag. Om aan
dit verlangen tegemoet te komen, werd de
verplichte verzekering tegen geldelijke
gevolgen van invaliditeit gecombineerd
met de ouderdomsverzekering. Een
verzekering verplicht voor zoveel
betreft invaliditeit, facultatief voor
zoveel betreft ouderdom, zou in de
practijk onoverkomelijke moeilijkheden
opleveren. Hoewel dr.
Kuyper in het
ontwerp uitging van een verzekering
uitsluitend voor loonarbeiders, lag aan
deze beperking blijkbaar geen
principiële overweging ten grondslag.
Immers in zijn "Proeve van
pensioenregeling voor werklieden en huns
gelijken" zegt hij, sprekende over
de met werklieden gelijkgestelden: "en
de overige ouden, wel verre van hierover
(namelijk de voorlopige beperking tot
werklieden) te klagen, zullen later wel
zien, hoe juist deze beweging voor het
werkliedenpensioen tenslotte ook hun
ten goede komt. Wie alles opeens wil,
bereikt niets, en alleen door zulk een
beweging in haar natuurlijk verloop aan
te moedigen en te leiden, komt men
slechts van deze eerste beweging op een
tweede, en zo van lieverlee tot het eind
van zijn weg".
Ook
uit de memorie van toelichting bij het
op 15 November 1904 ingediende ontwerp
Ziekteverzekeringswet blijkt
dat de beperking van de verzekering tot
loonarbeiders bij Kuyper geen kwestie
van principe was. Hij zag slechts geen
kans om een oplossing te vinden voor de
inning van de premie voor de
niet-loonarbeiders.
Het ontwerp
Invaliditeitswet bracht het niet
tot mondelinge behandeling, omdat het
Ministerie-Kuyper als gevolg van de
uitslag der verkiezingen in 1905 plaats
moest maken voor het Kabinet-De Meester,
waarin mr. J.D. Veegens het Departement
onder beheer kreeg waaronder de sociale
verzekering ressorteerde.
Nadat
het ontwerp-Kuyper was ingetrokken,
diende Minister Veegens op 16 October
1907 een ontwerp-Ouderdomswet in, waarin
het stelsel van het ontwerp-Kuyper in
hoofdzaak werd rblz.|11
r.k.|
overgenomen,
echter alleen voor zoveel het de
ouderdomsverzekering betrof. Het
ontwerp beperkte zich uitsluitend tot
deze verzekering, omdat de Minister, wat de
invaliditeitsverzekering betrof, een
onderzoek wilde instellen naar de
uitkomsten daarvan in Duitsland, welke
financieel ongunstig waren.
Uit
de memorie van toelichting blijkt dat
de Regering van oordeel was dat het
algemeen belang vorderde dat niet een
talrijke klasse van personen op
gevorderde leeftijd ten laste kwam van
de bijzondere of openbare armenzorg.
Tussenkomst van de Staat achtte zij
onmisbaar, omdat de arbeiders, zelfs met
steun van hun werkgevers, onmachtig
waren een voor allen geldende
organisatie tot stand te brengen. Het
veranderen van de zedelijke verplichting
van werkgevers en arbeiders om voor de
oude dag van laatstgenoemden te zorgen,
in een wettelijke plicht, was naar haar
mening ten volle gerechtvaardigd door
het algemeen belang. Er werd evenwel
geen grond gezien om personen die niet
uitsluitend hun middel van bestaan
vonden in het loon van hun arbeid in
dienst van anderen, in de verplichte
ouderdomsverzekering op te nemen. Ook
dit ontwerp kwam niet tot openbare
behandeling: het Kabinet-De Meester trad
af en maakte plaats voor het
Ministerie-Heemskerk.
1.2. De totstandkoming van de
Invaliditeitswet en de Ouderdomswet 1919
Met
Minister Talma, die in 1908 in het
Kabinet-Heemskerk de portefeuille van
Landbouw, Nijverheid en Handel kreeg,
begon een nieuw tijdperk in de
geschiedenis der sociale verzekering.
Deze Minister motiveerde de
noodzakelijkheid van een wettelijke
arbeidersverzekering aldus dat de
behoefte aan verzekering tegen
geldelijke gevolgen van ongevallen en de
behoefte aan verzekering tegen de
geldelijke gevolgen die tijdelijke of
blijvende ongeschiktheid tot werken
wegens andere oorzaken voor de arbeider
had, samenhing met de wijziging die de
voortbrenging ondergaan had. "Het is
de taak en het recht der Overheid zorg
te dragen", aldus de Minister, "dat
niet de verhoudingen, die door haar
beschermd en in stand gehouden worden,
voor de burgerij of een deel daarvan
gevolgen hebben, die het rechtsbesef
bij de bevolking ondermijnen en daardoor
het rechtsleven en daarmede haar eigen
bestaan bedreigen". Dat de
bestaansonzekerheid van de arbeider tot
de genoemde gevolgen van onze
maatschappelijke verhoudingen behoort,
behoefde naar zijn mening geen betoog. "Het is in strijd met het rechtsbesef,
wanneer een arbeider, die gearbeid heeft
zoolang hij kan, op het oogenblik, dat
hij niet meer kan werken, aangewezen is
op onderstand van derden. De zedelijke
eisch, dat het loon den arbeider in
staat stelle om te leven met zijn gezin,
moge niet omgezet kunnen worden in een
rechtsbepaling; waar het mogelijk is
recht te vormen, dat de verwezenlijking
van den zedelijken eisch bevordert,
behoort dit niet nagelaten te worden,
wil men de juiste verhouding tussen
zedelijkheid en recht handhaven. En het
behoeft geen betoog, dat, wil het loon
strekken voor den tijd van ziekte, ook
voor den tijd, dat hij, hetzij door
ouderdom, hetzij door algemeene
ongeschiktheid wegens andere oorzaak,
niet werken kan, een opzettelijke
regeling noodig is om dit te verzekeren."
Nadat
het ontwerp-Veegens was ingetrokken,
diende Minister Talma op 5 Mei 1911 een
nieuw ontwerp in, regelende de
verzekering tegen invaliditeit en
ouderdom. Wat zijn materiële inhoud
betreft, stemde dit ontwerp in grote
lijnen overeen met het ontwerp-Kuyper.
Minister
Talma zag de rechtsgrond voor een
verplichte ouderdomsverzekering in de
loondienstverhouding: de krachlens de
verzekering te verstrekken uitkeringen
dienden te worden gezien als uitgesteld
loon. De gehele arbeidersverzekering was
volgens hem eigenlijk niet anders dan "een poging den loonvorm zoodanig te
maken, dat, wanneer iemand gearbeid
heeft, het loon, dat hij ontvangt,
bestaat uit twee deelen, in de eerste
plaats het geld, dat hij mede naar huis
krijgt en waarmede hij zijn huishouden
kan onderhouden, en in de tweede plaats
het geld, dat, omgezet in een premie, in
staat stelt om, wanneer hij invalide
wordt, wanneer hij, hetzij bij ziekte,
hetzij rblz.|12
l.k.|
bij
invaliditeit, hetzij bij ouderdom, niet
meer in staat is te werken, hem te geven
een inkomen uit zijn loon".
Evenmin
als dr. Kuyper bleek echter ds. Talma de
zelfstandigen om principiële redenen
van de verzekering te willen uitsluiten.
Tijdens de debatten in de Tweede Kamer
merkte hij namelijk op dat hij nooit van
oordeel was geweest dat een verzekering tegen de geldelijke
gevolgen van ziekte, invaliditeit en
ouderdom alleen nodig was voor
arbeiders, maar wel dat alleen voor hen
vaststond dat een wettelijke regeling
van hun inkomen, waarbij ook voor
ziekte, invaliditeit en ouderdom hen een
uitkering toekwam, nodig en wenselijk
was.
Ook
tegen dit ontwerp rezen bij de Tweede
Kamer vele bedenkingen. In het verslag
van de Commissie van Voorbereiding werd
medegedeeld dat de Commissie overleg
had gepleegd met de Minister en dat als
gevolg daarvan vele veranderingen in het
ontwerp waren aangebracht. De
voornaamste punten waarover gedachtenwisseling met de Minister had
plaatsgehad, waren:
Verzekering
of staatspensioen
Tegenover
de verzekering voor de oude dag
verdedigden velen het stelsel van
staatspensionnering. Onder "verzekering"
werd verstaan een stelsel waarbij werd
voldaan aan de in artikel 246 van het Wetboek
van Koophandel aan een
verzekeringsovereenkomst gestelde eis:
door of voor de verzekerde wordt een
premie betaald om, wanneer enige
calamiteit hem treft, een uitkering te
ontvangen waarvan de hoogte afhankelijk is van de door of voor hem
individueel betaalde premie.
Onder
staatspensioen wordt verstaan een
stelsel waarbij aan bejaarden van
staatswege een uitkering wordt gegeven
welke uit de algemene middelen wordt
bekostigd, zonder dat daar enige
individuele prestatie in de vorm van
premiebetaling tegenoverstaat.
Dit
laatste stelsel werd door de S.D.A.P. [Sociaal-Democratische
Arbeiderspartij, red.] op
principiële gronden verdedigd, doch
door de Regering bestreden op grond dat
staatspensioen alleen voorzag in de
verzorging van de oude dag, maar niet in
geval van invaliditeit. Voorts zouden de
kosten van staatspensioen een bezwaar
zijn. Ten slotte stond de Regering
principieel op het standpunt dat
eventuele rente verkregen moest worden
uit gereserveerd loon en niet uit
belastingen.
Verzekering
uitsluitend voor arbeiders of ook voor
niet-arbeiders
De
Regering achtte verplichte verzekering
ook voor niet-arbeiders vooralsnog
practisch bezwaarlijk. Zou het later
gewenst blijken deze in te voeren, dan
achtte zij de voorgestelde regeling geen
belemmering om daartoe over te gaan.
Verplichte
of vrijwillige verzekering
Tegen
de verplichte verzekering werden
bezwaren aangeroerd, ook omdat deze in
het ontwerp beperkt werd tot de
arbeiders. De heren De Savornin Lohman
en Van Idsinga dienden op dit punt een
afzonderlijke nota in. Zij bestreden het
stelsel der verplichte
arbeidersverzekering op principiële
gronden: naar hun mening beoogde de
voorgedragen regeling klaarblijkelijk
het bijzondere belang van een bepaalde
klasse in de maatschappij te bevorderen,
aangezien andere burgers die in
dezelfde omstandigheden verkeerden,
uitgesloten werden.
De
Regering antwoordde hierop dat het niet
slechts voor de individuele arbeiders
wenselijk, maar ook uit een
maatschappelijk oogpunt van overwegend
belang was dat in het algemeen de
arbeidsvoorwaarden van personen in
loondienst zodanig werden geregeld dat
mede rekening werd gehouden met hun
behoeften in geval van invaliditeit en
ouderdom. Wilde een zodanige regeling
zijn gewaarborgd, dan moest op
regelmatige en stelselmatige wijze een
deel van het loon, met het oog op die
behoeften, worden gereserveerd. Voorts
achtte de Regering verplichte
verzekering nodig omdat zij van een
vrijwillige ouderdomsverzekering geen
resultaat verwachtte.
Bij
de mondelinge beraadslagingen deelden de
heren Schaper, Hugenholz, Vliegen en
Troelstra mede dat hun fractie
afwijzend stond tegenover het
wetsontwerp. In plaats van rblz.|12
r.k.|
ouderdomsverzekering
wensten zij staatspensionnering, een
voorziening geheel en al op kosten van
de Staat, niet als staatsarmenzorg,
maar als correctief op de nadelen van
het kapitalistische
voortbrengingssysteem.
De
heer Aalberse plaatste zich op het
standpunt van de Regering.
Staatspensioen verwierp hij principieel,
omdat de verplichte verzekering naar
zijn opvatting in wezen niets anders was
dan een wettelijke, gedeeltelijke
regeling van het arbeidsloon. Een
rechtvaardig loon moest zijn het volle
equivalent van de arbeid; alleen dan
voldeed het loon aan de eis van het
recht. En aangezien de waarde van de
menselijke arbeid minstens gelijk moest
zijn aan datgene wat nodig is voor de
noodzakelijke bevrediging van de
levensbehoeften, mocht het loon niet
dalen beneden dit absolute minimum. Dit
was een eis van het recht, dat door de
Staat beschermd moest worden. Tot de
noodzakelijke levensbehoeften behoorde
naar zijn mening niet alleen het
levensonderhoud in de dagen dat men
werken kan, doch ook in die dagen
waarop men door ziekte, invaliditeit of
ouderdom niet meer werken kan. Het
rechtvaardig minimumloon moest dus ten
minste zo hoog zijn "dat de arbeider,
die zijn leven lang arbeidt, daarvoor
voldoende ontvangt om te leven als hij
niet meer arbeiden kan". Daarop had
hij een natuurlijk recht. Wanneer de
Staat dus optrad om door wetgeving dat
recht te verwezenlijken, vervulde hij
zijn plicht van rechtsbescherming. De
verplichte arbeidersverzekering bedoelde
niet anders dan het recht van de
arbeider op een rechtvaardig minimumloon
te verwezenlijken.
Voor
het opleggen van een wettelijke
verplichting tot verzekering van
niet-loonarbeiders liet deze rechtsgrond
geen ruimte.
De
heer Van Idsinga beschouwde het
wetsontwerp als een voorstel tot
invoering van staatspensionnering met
het hatelijke karakter bovendien dat
de pensioenen alleen zouden worden
gegeven aan personen die slechts tot
één der maatschappelijke klassen
behoorden, namelijk de loonarbeiders. Hij kon
zich daarmede niet verenigen.
De heer
Patijn deelde mede voorstander te zijn
van staatspensioen, vooral op deze grond dat, blijkens ervaringen in het
buitenland, de mogelijkheid bestond een
stelsel in te voeren waarvan de
voordelen niet werden beperkt tot een
enkele klasse der maatschappij, de
loonarbeiders, maar ten goede kwamen aan
allen die daaraan behoefte hadden.
De
heer Bos was voorstander van verplichte
verzekering. Hij was echter tegenstander
van het regeringssysteem. Het juiste
systeem zou zijns inziens zijn: het in
het leven roepen van organisaties van
belanghebbenden met zelfbestuur en
zelfcontrôle.
De heer Nolens stond op
het standpunt dat een mens als individu
zijn vrijheid heeft, maar zich als
maatschappelijk wezen beperkingen van
die vrijheid moet laten welgevallen.
Door zijn deelnemen aan het
georganiseerd maatschappelijk leven,
door zijn leven in de Staat, wordt zijn
vrijheid aan banden gelegd. Hoever dat
aan banden leggen moest gaan, daarover
kon men van mening verschillen, maar het
kwam hem voor dat de vrijheid in elk
geval de voorrang moet hebben en dat
beperking daarvan alleen geoorloofd is
wanneer het vaststaat dat dit geschiedt
in het belang van het algemeen. Hoewel
hij dus de voorkeur zou geven aan een
vrijwillige verzekering indien daarmede
hetzelfde bereikt zou kunnen worden,
sprak hij zich niettemin uit voor een
verplichte verzekering en wel op grond
van de volgende vier motieven:
1º. uit
een oogpunt van algemeen belang moest de
verzekering op alle arbeiders
toepasselijk zijn, omdat anders, zoals
de ervaring in het buitenland had
bewezen, een groot deel erbuiten zou
blijven;
2º. de bijdragen die voor het
verkrijgen van de fondsen nodig zouden
zijn en die ook voor een deel door de
arbeiders opgebracht zouden moeten
worden, zouden een blijvend bestanddeel
van het loon dienen te worden;
3º. de
billijkheid tegenover de werkgevers
bracht mede dat voorkomen moest worden
dat sommige werkgevers niet aan hun
zedelijke verplichting zouden voldoen,
waardoor deze in rblz.|13
l.k.|
een
gunstiger concurrentiepositie zouden
komen dan de goedwillende werkgevers;
4º.
de ervaring die in het buitenland met
vrijwillige verzekering was opgedaan,
had uitgewezen dat men juist niet die
groepen bereikte waarvoor de
verzekering in de allereerste plaats was
bedoeld.
Voorts
stond de heer Nolens met de heer
Aalberse op het standpunt dat de
verplichte verzekering beperkt diende te
worden tot de loonarbeiders. Niet alleen
zag hij voor de overige leden van de
bevolking de noodzakelijkheid van een
dergelijke inbreuk op de vrijheid van
het individu niet in, maar hij kon ook
bij de zelfstandigen geen causaal
verband ontdekken tussen ziekte,
invaliditeit en ouderdom en het gemis
van inkomen, zoals bij de
arbeidersklasse. Indien een zelfstandige
door één of andere calamiteit niet meer
kon werken, dan volgde daaruit nog niet dat ook zijn bron van inkomen zou
ophouden te vloeien. En bovendien: door
het optreden als zelfstandige had hij
zelf dit risico op zich genomen.
De
heer De Visser zou de voorkeur gegeven
hebben aan vrijwillige verzekering, doch
aanvaardde de verplichte verzekering
omdat men er met het stelsel van
vrijwillige verzekering niet kwam. Hij
werd in zijn betoog gesteund door de
heer De Savornin Lohman.
De
heer Goeman Borgesius had geen bezwaar
tegen een stelsel van verplichte
verzekering tegen de gevolgen van
invaliditeit, maar tot leniging van de
nood van ouden van dagen wenste hij
staatspensioen.
Op
het ontwerp werd een aantal amendementen
ingediend, welke echter vrijwel alle
werden verworpen; zo verging het onder
andere een amendement van de heer Treub om het
stelsel van eenheidsrenten in te voeren
en één van de heer Duys om de
pensioengerechtigde leeftijd terug te
brengen van 70 op 65 jaar.
Eén
van de belangrijkste amendementen,
eveneens afkomstig van de heer Duys,
werd evenwel overgenomen. In het ontwerp
was geen datum van inwerkingtreding van
de wet genoemd. Wel was bepaald dat de
wet van rechtswege in werking zou treden
uiterlijk binnen drie jaar nadat artikel
357 (het huidige artikel 369) in
werking zou zijn getreden. Wanneer dat
artikel zelf in werking zou treden, was
evenwel niet geregeld. De heer Duys
stelde nu voor om artikel 357, waarin
recht op kosteloze ouderdomsrente werd
toegekend aan personen die bij het in
werking treden van dat artikel 70 jaar
of ouder waren, uiterlijk zes maanden na
de afkondiging van de wet in werking te
doen treden. Minister Talma verklaarde
dat hij ook zelf voornemens was geweest
een dergelijke bespoediging van de
inwerkingtreding te bevorderen en dat
hij daarom het amendement overnam. Van
verschillende kanten werd daarop de
Minister verweten dat hij daarmede
feitelijk het staatspensioen had
aanvaard. Dit werd door de Minister
ontkend. In de Eerste Kamer zei hij
daaromtrent onder meer: "Nu kan men dit toch
eigenlijk geen staatspensioen noemen,
het is een uitkeering van staatswege,
ja, maar het is de noodzakelijke
begeleiding van een uitgave, die geen
ander karakter heeft dan de inkoopsom
van het tegenwoordig geslacht. Een
inkoopsom, niets anders".
Het
ontwerp werd daarna zowel in de Tweede
Kamer als in de Eerste Kamer aanvaard en
verscheen op 5 Juni 1913 in het Staatsblad. De inwerkingtreding van het
artikel omtrent de kosteloze renten
werd bij Koninklijk besluit van 3
December 1913 bepaald.
In
1913 werd het rechtse
Ministerie-Heemskerk opgevolgd door het
linkse Ministerie-Cort van der Linden,
waarin de heer Treub de heer Talma
opvolgde als Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel.
Het
behoeft, gezien de gang van zaken bij de
behandeling van het ontwerp-Talma, geen
verwondering te wekken dat nu een
poging werd aangewend om ook de
niet-loonarbeiders bij de
ouderdomsverzekering te betrekken.
In
haar eerste Troonrede kondigde de
Regering de indiening van een
wetsontwerp aan tot het kosteloos
verlenen van ouderdomsrente aan
behoeftige 70-jarigen die
gedurende een te bepalen termijn geen
ondersteuning genoten van een instelling
rblz.|13
r.k.|
van weldadigheid. De Regering was namelijk
van oordeel de Invaliditeitswet niet
ongewijzigd tot uitvoering te mogen
brengen. De ouderdomsvoorziening door
middel van kosteloze renten was tijdens
de verkiezingen zodanig op de voorgrond
geplaatst dat de kiezers geacht konden
worden daarover een uitspraak te hebben
gedaan. Naar de mening van de Regering
was thans in de Tweede Kamer een
meerderheid gekozen die voorstander was
van staatspensioen.
Minister
Treub diende vervolgens op 6 Februari
1914 een ontwerp van wet in waarin werd
voorgesteld aan ieder die de leeftijd
van 70 jaar had bereikt of overschreden
en behoeftig was, recht te geven op een
kosteloze ouderdomsrente waarvan het
bedrag gelijk was aan dat van de
overgangsbepaling van de
Invaliditeitswet. Voordat dit ontwerp
bij de Tweede Kamer in behandeling kwam,
trad Minister Treub evenwel af, waarna
de verdediging werd overgenomen door de
Minister van Waterstaat, de heer
Lely,
naar wiens Departement de afdeling
Arbeidersverzekering intussen was
overgegaan.
De
voor- en tegenstanders van
staatspensioen zetten nog eens uitvoerig
hun standpunten uiteen. De S.D.A.P.
bleek nog principieel op het standpunt
van staatspensioen te staan. De heer
Sannes verdedigde dit op grond van de zogenaamde "meerwaardetheorie": de
waarde van de door de arbeider
gepresteerde arbeid was groter dan de
daarvoor door hem ontvangen beloning,
welke meerwaarde aan het kapitaal ten
goede kwam. Het was geen gunst, doch een
recht, wanneer de arbeider op zijn oude
dag, wanneer hij niet meer werken kon,
een gedeelte van deze meerwaarde
terugontving.
Het
wetsontwerp werd op 18 Mei 1916 door de
Tweede Kamer aangenomen, doch kwam in de
Eerste Kamer niet in openbare
behandeling, omdat voordien de Tweede
Kamer werd ontbonden en het ontwerp
daarmede, naar de mening van de Eerste
Kamer, op staatsrechtelijke gronden
vervallen was.
Daarop
dienden verschillende leden van de
linkerzijde een volkomen gelijkluidend
ontwerp van wet bij de nieuw gekozen
Tweede Kamer in, hetwelk op 14 Mei 1918
werd aangenomen, doch op 19 Juli 1918
door de Eerste Kamer werd verworpen. In
laatstgenoemde Kamer betoogde de heer
Polak dat de arbeider door zijn arbeid
niet alleen de werkgever, doch de gehele
maatschappij diende. De arbeider
verrichtte derhalve een sociale taak en
het was daarom de plicht van de gehele
gemeenschap en niet alleen van de
werkgevers om hem het leven mogelijk te
maken in de tijd dat hij niet meer
werken kon. Dit kon naar zijn mening
alleen door een stelsel van premievrij
staatspensioen.
Na de verkiezingen van
1918 trad het eerste Ministerie-Ruijs de
Beerenbrouck op. De drie in coalitie
verenigde rechtse partijen hadden de
verkiezingsstrijd onder meer gevoerd om
de Talma-wetten, die in 1913 in het
Staatsblad waren verschenen, doch door
het linkse Ministerie-Cort van der
Linden niet waren uitgevoerd, ten
spoedigste tot uitvoering te brengen.
Minister Aalberse, die de portefeuille
van het Ministerie van Arbeid beheerde,
diende op 20 Juni 1919 een wetsontwerp
in tot wijziging van de
Invaliditeitswet, alsmede een
ontwerp-Ouderdomswet.
In
het eerste ontwerp werd onder meer voorgesteld
de pensioengerechtigde leeftijd te
verlagen van 70 op 65 jaar en het bedrag
van de overgangsrente te verhogen van ƒ2,-
tot ƒ3,- per week.
Het ontwerp Ouderdomswet beoogde de
mogelijkheid tot vrijwillige
ouderdomsverzekering te openen voor
niet-loonarbeiders wier economische
positie met die van arbeiders gelijkstond.
Personen die bij de
inwerkingtreding van de wet 65 jaar of
ouder waren en die geen rente ontvingen
ingevolge de overgangsbepalingen van de
Invaliditeitswet, zouden in het genot
van een kosteloze ouderdomsrente van ƒ3,-
per week worden gesteld, indien zij niet
in de vermogensbelasting waren aangeslagen en hun inkomen beneden een
bepaald bedrag bleef. Personen die bij
de inwerkingtreding van de wet tussen 35
en 65 jaar oud waren en niet onder de
bepalingen van de Invaliditeitswet
vielen, konden zich tegen een verlaagde
premie een uitkering van ƒ3,- per
week op hun 65ste jaar verzekeren, rblz.|14
l.k.|
mits
zij niet in de vermogensbelasting waren
aangeslagen en hun inkomen beneden een
bepaald bedrag bleef. De
administratiekosten, het tekort dat de
verzekerden van 35 jaar of ouder zouden
opleveren, alsmede de gratis uitkeringen
voor degenen die bij de
inwerkingtreding van de wet al 65 jaar
zouden zijn, zouden voor rekening van de
Staat komen. Beide ontwerpen werden
zowel in de Tweede Kamer als in de
Eerste Kamer zonder hoofdelijke stemming
aangenomen. De Invaliditeitswet trad
daarna op 3 December 1919 volledig in
werking, tegelijk met de Ouderdomswet
1919.
1.3. Pogingen tot verbetering van de
wettelijke regeling
Hoewel
dus sedert 3 December 1919 zowel voor de
loonarbeiders als voor de economisch
met hen gelijkgestelden een wettelijke
ouderdomsregeling was getroffen, kan men
moeilijk zeggen dat het vraagstuk van
de ouderdomsvoorziening sindsdien was
opgelost. Het grootste bezwaar was wel
dat de uitkeringen van de reeds in 1913
tot stand gekomen Invaliditeitswet te
laag waren, welk bezwaar steeds
klemmender werd enerzijds door
voortschrijdende geldsontwaarding,
anderzijds door het door de arbeiders
bereikte hogere levenspeil als gevolg
van de door hen verkregen
loonstijgingen. Waren de uitkeringen
reeds in de verhoudingen van 1919 te
laag, in latere jaren stonden zij in
geen enkele verhouding meer tot het loon dat bij pensionnering werd
gederfd.
Reeds
in 1920 werden door de heren Duys en De
Muralt moties bij de Tweede Kamer
ingediend om de uitkeringen te verhogen.
Zij werden evenwel door Minister
Aalberse afgewezen wegens de daaraan
verbonden kosten en daarna door de Kamer
verworpen.
Een
ander bezwaar was dat de kring van
personen die krachtens de
Invaliditeitswet dan wel krachtens de
Ouderdomswet 1919 een ouderdomsrente
konden krijgen te beperkt was.
Langzamerhand kwam men vrij algemeen tot
de overtuiging dat ook de (kleine)
zelfstandigen bij de
ouderdomsverzekering dienden te worden
betrokken. De voorstanders van de "orthodoxe"
verzekering zagen evenwel geen
mogelijkheid om dit te effectueren,
omdat men geen kans zag de individuele
premiebetaling, conditio sine qua non
voor een verzekering, op een
bevredigende wijze te regelen.
Er
waren echter meer bezwaren. Zo ontvangt
de arbeider in het stelsel van de
Invaliditeitswet eerst de maximumouderdomsuitkering wanneer hij van
zijn 16de tot zijn 65ste jaar doorlopend
verzekerd is geweest. Voorts stond
enerzijds als gevolg van de verhoogde
levensstandaard van de arbeiders,
anderzijds door de voortschrijdende
muntontwaarding, het bedrag van de
ouderdomsrente, die reeds van de aanvang
af te laag was afgestemd, langzamerhand
in geen enkele verhouding meer tot het
peil dat men voor een enigszins
behoorlijke ouderdomsvoorziening zou
mogen eisen. Het gevolg van één en ander
was dat het aantal ouden van dagen dat
in behoeftige omstandigheden verkeerde
steeds toenam, waarvoor in het stelsel
van de orthodoxe verzekering geen
remedie was te vinden. Het behoeft dan
ook geen verwondering te baren dat dit
onderwerp in de vooroorlogse jaren bij
vrijwel elke begroting aan de orde werd
gesteld. Niettegenstaande de aanhangers
van de verzekeringsgedachte de aan het
stelsel van verzekering verbonden
bezwaren niet konden ontzenuwen, achtten
zij toch het staatspensioen, hetwelk
als enig alternatief werd gezien, niet
aanvaardbaar. Zij zagen dit
staatspensioen als een vorm van bedeling waartegen zij principiële
bezwaren hadden, omdat e!k stelsel van
gratis uitkeringen de volkskracht zou
ondermijnen. Het was in wezen
staatsarmenzorg en daarom vernederend.
Zij wilden juist de volkskracht verhogen
door het stimuleren van de eigen
verantwoordelijkheid, ook voor de
verzorging van de oude dag, door de
betrokkenen te verplichten in de actieve
periode een bedrag opzij te leggen,
teneinde daaraan het recht op uitkering
op hogere leeftijd te kunnen ontlenen.
Bovendien waren zij van mening dat
staatspensioen een ondraaglijke last op
de gemeenschap zou leggen.
Hoewel
zij zich dus tegen uitkeringen uit de staatskas verzetten, bleek het toch in
de practijk niet mogelijk om hieraan
geheel te ontkomen. Zo werden in de
Invaliditeitswet niet alleen rblz.|14
r.k.|
bepalingen opgenomen op grond waarvan uit de
algemene middelen kosteloze uitkeringen
werden verstrekt aan behoeftige personen die bij de inwerkingtreding
van genoemde bepalingen de
pensioengerechtigde leeftijd hadden
bereikt, doch ook werd een
staatsbijdrage verstrekt in de premie
van degenen die bij de intreding in de
verzekering de leeftijd van 16 jaar
hadden overschreden.
De voorstanders van staatspensioen, die van
mening waren dat alleen door
staatspensionnering een werkelijke
oplossing kon worden gevonden, gaven hun
strijd niet op. Zo werd op 29 November
1927 door de heer Sannes een motie bij
de Tweede Kamer ingediend welke hij
tijdens de behandeling van 22 tot 25 Mei
1928 verving door de volgende twee
moties.
I.
"De Kamer,
van
oordeel, dat een betere voorziening in
den nood van de ouden van dagen dringend
noodzakelijk is; dat daartoe in de
bestaande voorziening de kostelooze
ouderdomsrente (Staatspersioen)
behoort te worden ingeschakeld, en gaat
over tot de orde van den dag."
II.
"De Kamer,
van
oordeel, dat de inschakeling der
kostelooze ouderdomsrente (Staatspensioen) in het stelsel van
ouderdomsvoorziening in dier voege
behoort te geschieden, dat deze
voorziening kome te bestaan uit eene
vereeniging van Staatspensioen,
invaliditeitsrente en door vrijwillige
verzekering, met toeslag van den Staat,
verworven ouderdomsrente, verzoekt de
Regeering de indiening van
desbetreffende wetsontwerpen te
bevorderen, en gaat over tot de orde van
den dag."
In
de toelichting op deze moties werd onder
meer gezegd dat noch verzekering, noch
- wegens de kosten -
staatspensioen
alleen, een behoorlijke
oudedagsvoorziening kon geven, doch dat
dit slechts door een combinatie van
stelsels zou kunnen worden bereikt.
Beide
moties werden bestreden door de heren Smeenk,
Kortenhorst. Kuiper, Snoeck
Henkemans, omdat zij - hoewel erkennende dat verbeteringen in de
Invaliditeitswet en in de Ouderdomswet
noodzakelijk waren - om principiële
en financiële redenen staatspensioen
onaannemelijk achtten. De heer Boon
verklaarde namens zijn partijgenoten
dat zij, hoewel voorstanders van
staatspensioen, aan de motie-Sannes hun
stem niet konden geven, omdat in het
systeem van de heer Sannes
staatspensioen en verzekering samengekoppeld werden en omdat de
kosten van dit stelsel niet te dragen
zouden zijn. De heer Oud verklaarde dat
het standpunt van de Vrijzinnig-Democratische Partij
was dat, om een
doelmatige verzorging van de ouden van
dagen te krijgen, de regeling algemeen
moest zijn, zodat met name geen
scheidingslijn getrokken mocht worden
tussen loonarbeiders en niet-loonarbeiders. Wanneer men de
oplossing wilde zoeken langs de weg van
verzekering, dan moest zij dus omvatten
zowel de loonarbeiders als de
niet-loonarbeiders, maar dan moest
tevens de Staat bereid zijn de premies
voor zijn rekening te nemen voor
diegenen die niet in staat zouden zijn
uit eigen inkomsten die premies te
betalen.
Aldus moest men gaan in de
richting van staatspensioen. Hij wees er
daarbij op dat ook de leden der
rechterzijde in hun verzekeringswetten
telkens bepalingen hadden moeten
aanvaarden die uitsluitend op grond
van het staatspensioen waren te
verdedigen.
Minister Slotemaker
de Bruine verklaarde dat de
Regering niet bereid was tot het
verlenen van kosteloze ouderdomsrenten.
De juiste weg om de ouden van dagen te
helpen, lag naar zijn mening in een
verruiming van de bepalingen van de
Invaliditeitswet en de Ouderdomswet.
De
eerste motie werd daarop verworpen,
waarna de tweede werd ingetrokken.
Van
belang is evenwel dat hier twee dingen
duidelijk naar voren waren gekomen: ten
eerste dat de S.D.A.P. zich niet meer
principieel op het standpunt van
staatspensioen stelde, doch om
practische redenen een combinatie van
verzekering en staatspensioen gewenst
achtte en ten tweede dat thans de
gehele linkerzijde voorstander van
staatspensioen was.
rblz.|15
l.k.|
De
Regering kwam daarop eind 1928 met een
voorstel tot wijziging van de Invaliditeitswet, waarbij
onder meer de
loongrens werd verhoogd, personen die
in aangenomen werk arbeid verrichtten,
doch feitelijk loonarbeiders waren,
alsmede personen die bij wijze van
werkverschaffing waren tewerkgesteld,
onder de werking van de wet werden
gebracht, terwijl voorts voor het
verkrijgen van ouderdomsrente een
gunstiger bepaling werd getroffen voor
personen die op 65-jarige leeftijd niet
voldoende zegels hadden. Dit voorstel
werd door de beide Kamers aanvaard.
Hoewel
hierdoor wel enigszins aan de bezwaren
was tegemoetgekomen, kon toch moeilijk
van een oplossing van het
ouderdomsvraagstuk worden gesproken.
De
strijd ging dan ook onverminderd voort,
zonder echter enig resultaat op te
leveren. Niet alleen werd alle aandrang
tot verhoging van de uitkeringen om
financiële redenen afgewezen, doch ook
het vraagstuk van het brengen der
(kleine) zelfstandigen onder de
verplichte ouderdomsverzekering, dat
door de linkerzijde herhaalde malen aan
de orde werd gesteld, kwam geen stap
verder. Men zag hiervoor namelijk slechts
één oplossing, staatspensioen,
waartegen de rechterzijde zich om
principiële redenen bleef verzetten.
Toch
waren er symptomen waardoor aan het
licht kwam dat de partijen niet meer zo
scherp tegenover elkaar stonden.
Bleek
hierboven reeds dat de S.D.A.P. zich
niet langer op principiële gronden
tegen verzekering verzette, ook uit het
"verzekeringskamp" werd een
geluid gehoord waaruit zou kunnen
worden afgeleid dat ook van die kant de
zaak niet meer zo principieel gesteld
werd.
Minister
Verschuur zeide namelijk bij de behandeling
van de begroting van zijn Departement in
December 1929 onder meer het volgende:
"En
nu wil ik over het beginsel van het
Staatspensioen niet te veel zeggen en
zeker niet te veel slechts. Ik wil niet
de tegenstelling tusschen
Staatspensioen en andere vormen van
verzekering onnoodig verscherpen.
Daarvoor is geen reden. Er is
gelegenheid naar elkander toe te komen.
Aan de eene zijde kan worden toegegeven
dat men op den weg van onverplichte
bijdrage van den Staat reeds een
beduidend stuk heeft afgelegd. Tweemaal
heeft men ook een daad gesteld, maar als
men die zaak interpreteert, zou dat
kunnen worden opgevat als een
"soort"
Staatspensioen. Tweemaal is een
maatregel genomen, waartegenover geen
praestatie van de betrokkenen stond,
maar die maatregelen zijn genomen als
brug, als overgangsmaatregel, als
afronding bij iets anders, en de
meerderheid van de Kamer heeft altijd
gemeend dat het een noodzakelijke
afronding was om een stelsel, dat in
beginsel hooger stond, te doen slagen.
Wanneer
dus een dergelijke bijdrage beschouwd is
als een afronding, een noodzakelijke
hulp, dan geloof ik, dat, als men
anderzijds zou willen erkennen, gelijk
hier is geschied, dat het Staatspensioen
hoogstens als aanvulling van de sociale
verzekering kan gelden, de afstand, die
beide partijen scheidt, niet overdreven
groot kan worden genoemd."
Even
verder zegt hij dan nog: "Men
beschouwt de staatspensionneering op
den dag van heden niet anders dan als
een aanvulling, een onderdeel van de
sociale verzekering".
Ook
in de kringen van de belanghebbenden
zelf werd aan het vraagstuk van de
oudedagsvoorziening de nodige
belangstelling gegeven.
Op
een in 1931 gehouden congres van de
Nederlandse R.K. Middenstandsbond werd
een prae-advies uitgebracht waarin werd
geconcludeerd dat een afdoende
ouderdomsverzorging voor de kleine
zelfstandigen een zaak van algemeen
belang was. Aangezien men evenwel van
mening was dat invoering van een
verplichte ouderdomsverzekering zowel op
theoretische als op practische bezwaren
stuitte en voorts dat staatspensioen
niet aanvaard kon worden zolang niet
gebleken was dat het beoogde doel niet
langs de weg van verzekering bereikt kon
worden, werd gepleit voor een
vrijwillige verzekering met subsidie van
staatswege.
rblz.|15
r.k.|
Ook
een door de Vereniging van de
Christelijke Handels- en Industriële
Middenstand ingestelde commissie gaf in
1932 als haar oordeel dat het verzorgen
van eigen oude dag, door alle
zelfstandigen, een groot maatschappelijk
belang was. De commissie had geen
bezwaar legen een verplichte
verzekering, doch deed op grond van
practische bezwaren geen aanbeveling in
deze richting. Als de meest
aanbevelenswaardige oplossing werd
gezien een regeling welke geheel zou
aansluiten op de bestaande Ouderdomswet
1919, waarbij dan door het Rijk een
bijslag op de premie zou dienen te
worden gegeven.
Een
geheel ander geluid deed de Koninklijke
Nederlandse Middenstandsbond horen. In
1935 werd een door een commissie
uitgebracht rapport aanvaard waarin
onder meer werd gesteld dat een afdoende
verzorging van de oude dag van de kleine
zelfstandigen alleen te bereiken zou
zijn door invoering van een wettelijke
verplichte verzekering. Als rechtsgrond
werd aangevoerd dat het algemeen
belang vorderde dat in de verzorging
van de oude dag van deze groep van
economisch zwakkeren werd voorzien.
Niet
alleen de politieke partijen en de
organisaties van belanghebbenden
schonken aandacht aan het onderhavige
vraagstuk, doch ook de vakbeweging. In
het in 1938 door een commissie uit N.V.V.
[Nederlands Verbond van Vakverenigingen,
red.] en S.D.A.P. uitgebracht rapport over
sociale verzekering werd een apart
hoofdstuk gewijd aan de sociale
verzekering van de middenstand. Ook in
dit rapport werd het standpunt dat de
socialisten ten aanzien van het probleem
verzekering-staatspensioen waren gaan
innemen nog eens duidelijk geformuleerd
in de volgende passage: "Er blijven
echter zeer grote groepen personen over,
die voorlopig nog op geen wijze in een
systeem van sociale verzekering kunnen
opgenomen worden, of voor wie langs de
weg der verzekering geen noemenswaardige
resultaten te bereiken zijn. Deze zijn
alleen door een premievrij
staatspensioen te helpen en dat
staatspensioen moet ook algemeen zijn,
omdat het onredelijk zou zijn van het
genot uit te sluiten die groepen, aan
wier inkomen tenslotte de middelen
ontleend worden, waaruit het
staatspensioen bekostigd wordt, ook al
laat zich niet aantonen dat, op welke
wijze en in welke mate, bepaalde
personen er bij betrokken zijn. Het
staatspensioen is noodzakelijk en daarom
aanvaardbaar, maar het is dat alleen als
algemene basis, waarop werkelijke
pensioenverzekeringen voor alle door
zulke schema's bereikbare personen
kunnen worden opgetrokken. Het
staatspensioen zal niet gemakkelijk een
bevredigende hoogte bereiken, de pensioenverzekeringen, die het zonder
Rijksbijdragen stellen kunnen, blijven
daarom hoofdzaak". Er werd slechts
uitkomst uit de moeilijkheden verwacht
van een algemene verplichte verzekering
tegen geldelijke gevolgen van ouderdom,
invaliditeit, ziekte en ongevallen, ook
voor de kleine zelfstandigen. Voor die
zelfstandigen die niet in staat zouden
zijn de verschuldigde premiën op te
brengen, zou dit bij wijze van
maatschappelijk hulpbetoon moeten
geschieden.
Bij
de behandeling van de begroting van het
Ministerie van Sociale Zaken voor het
dienstjaar 1939 in de Tweede Kamer
bepleitte de heer Van den Tempel nog
eens weer het opnemen van de kleine
zelfstandigen in de verplichte sociale
verzekering en hij diende, teneinde een
uitspraak van de Kamer te verkrijgen,
de volgende motie in:
"De
Kamer,
van oordeel, dat het wenschelijk
is de uitbreiding van de verplichte
sociale verzekering - ongevallen-,
ziekte- en invaliditeits- en
ouderdomsverzekering - tot de kleine
zelfstandigen in overweging te nemen,
noodigt de Regeering uit een
Staatscommissie in te stellen om ter
zake van voorlichting te dienen, en gaat
over tot de orde van den dag."
Nadat
de aanneming van deze motie door
Minister Romme ontraden was, werd zij
door de Kamer met 41 tegen 25 stemmen
verworpen.
Uit het betoog van de
Minister blijkt dat hij er in beginsel
geen bezwaar tegen had om ook de kleine
zelfstandigen in de verplichte
verzekering op te nemen. Hij zag evenwel
bij de rblz.|16
l.k.|
practische
uitwerking veel voetangels en klemmen
liggen, welke moeilijkheden er nu echter
naar zijn mening eenmaal waren om een
poging uit te lokken ze op te lossen.
Minister Romme vroeg zich evenwel
af of een
zaak van zo grote allure door de Kamer
genoegzaam van alle kanten bekeken was
om daarover op dat moment een uitspraak
te doen. Hij achtte dit onderwerp voorts
nog niet in die mate rijp dat verwacht
kon worden dat zij met een staatscommissie binnen een bekwame
termijn de eindstreep zou kunnen halen.
Hij meende daarom dat het door de heer
Van den Tempel beoogde doel niet
gediend zou worden met het begraven van
de zaak in een staatscommissie die
zo'n brede taak zou krijgen dat het
jaren en jaren zou duren voor zij met
haar taak klaar zou zijn.
De
kwestie van de verzekering van
zelfstandigen kwam kort daarop weer
uitvoerig aan de orde in verband met het
op 9 Juli 1938 door de Hoge Raad van
Arbeid uitgebrachte advies naar
aanleiding van het aan die Raad door
Minister Romme voorgelegde voorontwerp
van een kinderbijslagverzekering.
Minister Romme had zich blijkens de
toelichting om redenen van practische
aard
voorshands beperkt tot de loontrekkenden.
De Hoge Raad was na een uitvoerige
gedachtenwisseling met twintig tegen
veertien stemmen van oordeel dat de kleine
zelfstandigen niet onder de kinderbijslagverzekering dienden te
worden gebracht. De tegenstemmers
betoogden dat bij vele kleine
zelfstandigen een dergelijke
noodtoestand heerste dat ingrijpen van
de Overheid niet achterwege kon blijven;
hun inkomen is dikwijls niet hoger, vaak
zelfs lager dan dat van menig arbeider.
Zij behoren dus evenzeer tot de
categorie der maatschappelijk zwakken.
Deze
leden bestreden het argument van degenen die de rechtsgrond voor de
arbeiders gelegen achtten in de
dienstverhouding en dus van oordeel
waren dat een rechtsgrond voor de
kleine zelfstandigen zou ontbreken.
Hunnerzijds wezen deze leden erop dat
bij de verdere ontwikkeling der socialeverzekeringswetgeving dit engere
standpunt meer en meer verlaten was en
een ontwikkeling plaatsgevonden had
die van het strengere
arbeidscontractuele standpunt evolueerde
naar een standpunt dat gekarakteriseerd
kon worden als dat waarbij het in
economische positie met arbeiders gelijkstaan beslissend wordt geacht ten
aanzien van het onder de sociale
verzekering betrokken zijn.
In
het op 30 Maart 1939 verschenen voorlopig
verslag van de Tweede Kamer
naar aanleiding van het op 13 December
1938 ingediende wetsontwerp bepleitten
verscheidene leden uitbreiding van de
voorgestelde regeling tot de
zelfstandigen. Zij wezen erop dat in
verschillende landen, ook in Nederland,
een al krachtiger wordende stroming zich
baan had gebroken voor opneming van deze
groep in de kring der verplicht
verzekerden. Zij zouden daarmede voor
ons land gaarne bij deze gelegenheid een
begin zien gemaakt. Te eerder meenden
zij de wens daartoe te mogen uiten, wijl
zij uit de memorie van toelichting hadden
afgeleid dat de Minister in dit
opzicht geen principiële bezwaren had,
doch dat uitsluitend overwegingen van
practische aard hem deden besluiten de
kinderbijslagregeling tot de
loontrekkenden te beperken.
In
de memorie van antwoord schreef Minister
Romme dat, ondanks enige verbetering in
de situatie, de moeilijkheden welke aan
opneming van de zelfstandigen in de
verplichte verzekering in de weg stonden nog geenszins waren opgelost.
Het
ligt voor de hand dat dit onderwerp bij
de algemene beraadslagingen niet
onbesproken bleef.
De
heer Kuiper verklaarde dat de
Katholieke Kamerfractie zich gaarne
aansloot bij het warme pleidooi voor
opname van de zelfstandigen in de
verzekering. Hij aanvaardde echter de
bezwaren van de Minister, doch drong erop
aan "dat aanstonds en in het
vlotte tempo, dat den Minister eigen is,
het noodige zal worden verricht om ook
de zelfstandigen, zoo spoedig als
doenlijk is, de sociaal-weldadige
beteekenis van den kinderbijslag
deelachtig te doen worden".
De
heer Bakker was er diep van overtuigd
dat ook voor de kleine zelfstandigen een
regeling moest worden getroffen.
rblz.|16
r.k.|
De
heer Drees herinnerde in zijn betoog aan
de motie-Van den Tempel, die tot zijn
leedwezen was afgewezen. "De Minister
heeft gezegd", aldus de heer Drees,
"dat hij geen motie wilde hebben die
een kapstok zou zijn. Wij moeten er nu
des te sterker op aandringen dat de
Minister zonder motie zoo spoedig
mogelijk deze sociale voorziening zal
doen gelden voor allen, die daaraan
sociaal behoefte hebben."
De
heer Smeenk was van oordeel dat een
verplichte regeling voor zelfstandigen
principieel niet zo gemakkelijk te
verdedigen zou zijn.
Een
ander geluid liet de heer Krol horen.
Hij betreurde het zeer dat de kleine
zelfstandigen weer "op de mat"
bleven staan. Hij herinnerde eraan dat
bij de behandeling van de Ouderdomswet
1919 in de Kamer de vrees was
uitgesproken dat de vrijwillige
verzekering van de kleine zelfstandigen
wel eens op een teleurstelling kon
uitlopen.
"Wij
leven nu in 1939 en wat zijn wij
gevorderd op het punt, waarover toen het
debat in deze Kamer ging, namelijk de
ouderdomsverzekering van de kleine
zelfstandigen?"
Uit
de beantwoording van de verschillende
sprekers door Minister Romme bleek dat
hij de rechtsgrond niet zag in de leer
van het rechtvaardige loon, zoals Talma
en Aalberse, waarmede slechts een
verplichte verzekering uitsluitend voor
loonarbeiders te verdedigen viel, doch
in de leer van de rechtvaardige prijs.
In zijn gedachtengang was een prijs
eerst rechtvaardig indien allen die
uit deze prijs de vergoeding voor hun
arbeid moeten ontvangen, dit zijn dus
zowel de loonarbeiders als de overige
bij de productie betrokken personen, een
zodanige beloning voor hun arbeid
verkrijgen dat deze niet alleen
voldoende is voor de tijd dat gewerkt
wordt, doch ook voor de tijd dat door
ziekte, invaliditeit, ouderdom en dergelijke omstandigheden niet kan
worden gewerkt.
Ook
in de Eerste Kamer werd van
verschillende kanten gepleit voor
opneming van de kleine zelfstandigen in
de sociale verzekering.
Het
is in het licht van het bovenstaande
niet verwonderlijk dat de heer Van den
Tempel, die de heer Romme op 10 Augustus 1939 als
Minister van Sociale
Zaken was opgevolgd, reeds spoedig
uitvoering gaf aan de gedachte
neergelegd in de door hem bij de
behandeling van de begroting voor 1939
ingediende, doch door de Tweede Kamer
verworpen motie. Bij Koninklijk besluit
van 1 April 1940 werd namelijk een staatscommissie ingesteld onder
voorzitterschap van mr. dr. J. van
Bruggen, welke de opdracht kreeg advies
uit te brengen over de inschakeling van
de kleine zelfstandigen in de verplichte
sociale verzekering.
In het op 30
September 1942 uitgebrachte eerste deel
van haar rapport gaf de commissie een
uitvoerige beschouwing over de vraag of
er een, en zo ja, welke rechtsgrond
aanwezig is voor de opname van de kleine
zelfstandigen in de sociale verzekering.
Met de grootst mogelijke meerderheid
kwam zij tot de conclusie dat er
inderdaad een rechtsgrond aanwezig is.
Deze rechtsgrond werd als volgt
geformuleerd:
"De
kleine zelfstandigen behooren tot de
groep der economisch zwakkeren; afdoende
verzorging hunner financieele behoeften
bij eigen kinderzegen, ziekte, ongeval,
invaliditeit en ouderdom is derhalve in
het algemeen belang geboden; deze is,
daar het particulier initiatief en de
overheidssteun te kort schoten, op goede
en gewenschte wijze slechts bereikbaar
door verplichte sociale verzekering
tegen die behoeften van dit deel dier
groep."
Het ligt voor de
hand dat
de commissie zich, gezien haar opdracht,
bij het formuleren van een rechtsgrond
tot de kleine zelfstandigen heeft
beperkt.
Het rapport ging vergezeld van
wetsontwerpen waarin de opneming van
zelfstandigen in de
ongevallenverzekering, de ziekengeldverzekering en de
kinderbijslagverzekering was uitgewerkt.
De commissie meende evenwel voorshands
van het doen van een voorstel tot
wijziging van de Invaliditeitswet te
moeten afzien, enerzijds wegens gebrek
aan voldoende statistisch materiaal,
anderzijds omdat zij het niet
uitgesloten achtte rblz.|17
l.k.|
dat
de lnvaliditeitswet toch binnen
afzienbare tijd gewijzigd zou worden.
Een
belangrijke stoot tot het opnieuw
bestuderen van het gehele vraagstuk der
sociale verzekering werd gegeven door
het in 1945 verschenen rapport van de in
1943 door de Regering in Londen
ingestelde commissie-Van Rhijn. De
commissie achtte een zo spoedig
mogelijke herziening onzer socialeverzekeringswetgeving noodzakelijk, in
die zin dat zij diende te worden geünificeerd en uitgebreid tot een
sluitend stelsel van sociale
voorzieningen, hetwelk als organisch
onderdeel ener op hetzelfde doel
gerichte algemene economische en
financiële politiek, tot strekking
heeft de gehele bevolking sociale
zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te
verschaffen.
De rechtsgrond werd als volgt geformuleerd:
"De
gemeenschap, georganiseerd in de Staat,
is aansprakelijk voor de sociale
zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van
al haar leden, op voorwaarde dat deze
leden zelf het redelijke doen om zich
die sociale zekerheid en vrijwaring
tegen gebrek te verschaffen".
In
het licht van de hierboven geschetste
ontwikkeling in de gedachten rond de
kwestie verzekering-staatspensioen kon
in het rapport worden verklaard dat de
begrippen sociale verzekering en
sociale verzorging, waaronder dan
staatspensioen wordt gerekend, in de
loop der tijden de neiging vertonen om
naar elkaar toe te groeien. De enige
maatstaf die ten slotte bij de
beoordeling of een bepaalde regeling tot
de ene dan wel tot de andere categorie
behoort, is volgens de commissie die van
het Internationaal Arbeidsbureau, namelijk:
"...the presence or absence of
the requirement, as a condition for the
grant of benefit, that contribution
should have been paid, by the
prospective beneficiary, or in his
name, into the fund which supplies the
benefit".
Op
het derde congres van de Vereniging van
Raden van Arbeid, gehouden op 26 en 27
Juni 1946 te Amsterdam, is de
rechtsgrond voor de sociale verzekering
uitvoerig aan de orde geweest. Hoewel de
verschillende sprekers vrijwel alle
richtingen vertegenwoordigden, werd
algemeen een uitbreiding van de kring
der verzekerden met de kleine
zelfstandigen, althans voor zover het de
ouderdomsverzekering betreft, bepleit.
Het
ligt voor de hand dat de Regering
welke na de bevrijding van ons land
optrad er behoefte aan gevoelde met de
organisaties van werkgevers en
werknemers in overleg te treden omtrent
de voorstellen van de commissie-Van
Rhijn. De toenmalige Minister van
Sociale Zaken, de heer Drees, vroeg
daartoe het advies van de Stichting van
den Arbeid.
Tegelijkertijd
gaf hij aan een kleine technische
ambtelijke commissie, onder
voorzitterschap van mr. dr. A.A. van
Rhijn, opdracht om uitgewerkte
voorstellen voor herziening en
uitbreiding der sociale verzekering te
ontwerpen. Inmiddels was uit een aantal
nota's van het bestuur van de Stichting
van den Arbeid gebleken dat de
vertegenwoordigers van werkgevers- en
arbeiderszijde in een door de Stichting
speciaal hiervoor in het leven geroepen
commissie onder voorzitterschap van haar
gedelegeerde, prof. mr. B.C. Slotemaker,
in belangrijke mate overeenstemming
hadden verkregen over de hoofdlijnen
ener toekomstige herziening en
unificatie van de sociale verzekering.
Minister
Drees achtte het toen voor een goede en
vlotte gang van zaken gewenst de
werkzaamheden van de technische regeringscommissie te coördineren met
die van de commissie uit de Stichting
van den Arbeid. In overleg met het
bestuur der Stichting werden beide
commissies daarop tezamen gevoegd tot
een zogenaamde Gemengde Commissie, weer onder
voorzitterschap van de heer Van Rhijn,
welke commissie aanvankelijk alleen het
vraagstuk van de oudedagsverzekering zou
bezien, doch later het gehele vraagstuk
van de herziening der sociale
verzekering in studie heeft genomen. Dit
was in September 1947.
rblz.|17
r.k.|
1.4. De totstandkoming van een voorlopige
regeling in de vorm van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening
Het vraagstuk van de oudedagsverzekering
kwam weer in de parlementaire sfeer bij
de behandeling van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening. De bestudering
van het aan de Gemengde Commissie
voorgelegde ingewikkelde probleem
vorderde namelijk meer tijd dan de Regering
verantwoord achtte te laten voorbijgaan,
voor en aleer maatregelen zouden worden
getroffen om in de algemeen erkende nood
van vele ouden van dagen te voorzien.
Het was daarom dat bij koninklijke boodschap van 27 November 1946 bij de
Tweede Kamer een wetsontwerp werd
ingediend waarin een op de
verzorgingsgedachte gebaseerde
noodvoorziening ten behoeve van de ouden
van dagen werd voorgesteld, in
afwachting van een definitieve
voorziening door middel van verplichte
verzekering.
"Uitgangspunt
voor de ontworpen regeling", aldus
de memorie van toelichting, "is
geweest de gedachte dat de voorziening
niet beperkt dient te blijven tot de
ouden van dagen, die in loondienst zijn
geweest, doch dat allen, ongeacht de
plaats, die zij in het maatschappelijk
leven hebben ingenomen, daarvoor in
aanmerking moeten kunnen komen, als hun
financieele omstandigheden het noodig
maken. Deze gedachte strookt met het
voornemen van den eersten ondergeteekende om de
toekomstige, in
voorbereiding zijnde
ouderdomsverzekering niet te beperken
tot de loonarbeiders, doch ook de niet-loontrekkenden daarin op te
nemen."
Het
voornemen van Minister Drees om in de
toekomstige definitieve
ouderdomsvoorziening ook de
niet-loontrekkenden op te nemen, vond in
de Kamers, zoals trouwens na het
voorgaande ook wel verwacht mocht
worden, geen bestrijding. Bij de
mondelinge beraadslagingen in de Tweede
Kamer betuigden enkele leden
uitdrukkelijk hun instemming. Zo
verklaarde de heer Krol dat hij met de
door de commissie-Van Bruggen in haar
rapport vermelde conclusie akkoord ging,
"namelijk dat er inderdaad voor de
Overheid een eigen rechtsgrond aanwezig
is om in ons vaderland langs den weg van
plicht de sociale verzekering in een
algeheel uit te bouwen". En om
daartoe te geraken, zou er naar zijn
mening in principe zelfs geen bezwaar
bestaan dat voor de laagste inkomens de
premie op één of andere wijze door de
Overheid wordt voldaan, terwijl evenmin
in beginsel een differentiatie der
premie in verband met het inkomen
bezwaar behoefde te ontmoeten.
De
heer Hooij zag in het ontwerp het
resultaat van een evolutie in de sociale
verzekeringen. "Stond men vroeger
vrijwel practisch op het standpunt dat
de ratio van de verplichte sociale
verzekering lag in het arbeidscontract,
in het loonarbeider zijn dus, dit
ontwerp ademt den geest en is de eerste
stap in het erkennen van den arbeid zelf
- of deze wordt verricht door een
werknemer of door een zelfstandige - als grondslag voor sociale
rechten."
De
heer Smeenk constateerde dat het
terecht veler begeren was om de kleine
zelfstandigen op te nemen in de kring
der verplicht verzekerden, althans voor
wat betreft de ouderdomsverzekering.
Hij zag echter nog wel technische
moeilijkheden.
Het
bovenstaande wil niet zeggen dat er
geen bezwaren tegen het wetsontwerp
bestonden. Integendeel, van
verschillende zijden werden deze
aangevoerd, zowel tegen het loslaten van
het verzekeringsprincipe als tegen het
stelsel van aftrek van eigen inkomsten.
Alle partijen waren het er evenwel over
eens dat de ouden van dagen op de in
het vooruitzicht gestelde definitieve
regeling op verzekeringsbasis niet
langer konden wachten.
Het ontwerp werd
in beide Kamers zonder hoofdelijke
stemming aangenomen, waarna de wet op 1
October 1947 in werking trad.
Bij
de behandeling van dit wetsontwerp kwam
nog eens weer duidelijk naar voren de
ontwikkeling in de kringen die
oorspronkelijk de gedachte van
staatspensioen voorstonden. Bleek uit de
considerans van het door de Ministers
Drees en Lieftinck ingediende ontwerp
reeds dat de noodvoorziening rblz.|18
l.k.|
werd
voorgesteld "in afwachting van de
totstandkoming eener definitieve
voorziening door middel van verplichte
verzekering", ook in de memorie
van antwoord aan de Tweede Kamer werd
nog eens uitdrukkelijk verklaard dat de
Regering streefde naar een uitbreiding
van de bestaande oudedagsvoorziening
door middel van verplichte verzekering.
De eerste ondergetekende stelt er voorts
prijs op in herinnering te brengen dat
hij bij de openbare behandeling van
bedoeld wetsontwerp in de Tweede Kamer
onder meer het volgende heeft gezegd: "Dat
een definitieve regeling zal uitgaan van
het verzekeringsbeginsel, al zullen ook
daarbij overgangsmaatregelen niet kunnen
worden gemist, achten mijn politieke
vrienden en ik juist. Wij zijn van
oordeel dat een in vrijheid levend volk
het niet zal kunnen stellen zonder een
sterk besef van persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid bij de
groote meerderheid van zijn burgers. En
daar de persoonlijke vrijheid voor ons,
democratische socialisten, het hoogste
goed is, erkennen wij gaarne, dat
voorzieningen in materiële nood, als
het kan, zoodanig getroffen moeten
worden, dat daardoor de persoonlijke
bestaansverantwoordelijkheid niet in het
gedrang komt".
1.5. Activiteiten met het oog op de
totstandkoming van een definitieve
voorziening
Men
zou misschien geneigd zijn te
veronderstellen dat, aangezien door de
aanneming van het wetsontwerp
noodregeling ouderdomsvoorziening in
feite reeds een beslissing werd genomen
voor wat betreft de kring der
verzekerden voor de definitieve
regeling, daarna dus een stilte rondom
deze strijdvraag zou zijn ingetreden.
Het tegendeel is echter het geval
geweest.
In
1947 gaf het bestuur van het Centrum
voor Staatkundige Vorming aan een
commissie onder voorzitterschap van mr.
A.M. Engels de opdracht rapport uit te
brengen over het vraagstuk van de
verplichte ouderdomsverzekering in
verband met de wenselijkheid de
bestaande noodregeling door een
definitieve te vervangen. In haar op 24
Juli 1951 gepubliceerd rapport "Verplichte
ouderdomsverzekering. Grondslagen van
een wettelijke regeling" stelt de
commissie de vraag op welke rechtsgrond
een verplichte ouderdomsverzekering
dient te steunen. Naar het oordeel van
de commissie is het een op het
natuurrecht gefundeerde verplichting van
ieder mens om door arbeid te zorgen voor
het levensonderhoud van zichzelf en de
zijnen. Ook voor de tijd dat hij
tengevolge van ouderdom niet meer in
staat zal zijn door werken in zijn
levensonderhoud te voorzien, behoort de
mens zich alle redelijke inspanning te
getroosten. Nu leert de practijk dat
men er niet gemakkelijk toe komt om geld
te reserveren voor zijn oude dag; zeer
velen schieten in dit opzicht tekort en
zulks niet enkel uit financiële
onmacht. Tengevolge daarvan worden zij,
als zij niet meer kunnen werken en
verdienen, armlastig en komen zij dus
ten laste van de gemeenschap. Deze
omstandigheid nu is het die de Overheid
het recht geeft om aan haar onderdanen
de verplichting op te leggen te sparen,
teneinde daarvan in de jaren dat zij
voor werken te oud zijn te kunnen
leven. Hier wordt gesproken van een
verplichting welke wordt opgelegd door
de Overheid, waarmede de commissie
onder de huidige structuur der
maatschappij de centrale Overheid
bedoelt.
Interessant is dat inmiddels enkele theoretici het
begrip sociale verzekering verder hebben
verdiept. De ondergetekenden doelen
hier op prof. M.G. Levenbach en dr.
G.M.J. Veldkamp.
Eerstgenoemde
omschrijft het begrip sociale
verzekering in "Sociaal
Maandblad", 2de jaargang, nr. 11,
aldus: "Onder
sociale verzekering in de ruimste zin is
te verstaan het geheel van die
instellingen of maatregelen, welke
beogen aan personen, die tot een
bepaalde groepering van economisch
zwakkeren behoren, recht op een zekere
prestatie te verschaffen in geval van
intreden van omstandigheden, welke voor
hen allen als mogelijkheid dreigen en
welke tot gevolg hebben, hetzij dat hun
inkomen (met name in verband met hun rblz.|18
r.k.|
arbeid)
ophoudt of vermindert, hetzij dat voor
hen zeer moeilijk te dragen uitgaven
noodzakelijk worden, hetzij beide".
Niet
essentieel wordt door deze deskundige
geacht dat er verband bestaat tussen
individuele premiebetaling en
individueel uitkeringsbedrag, noch dat
er verband bestaat tussen individueel
premiebedrag en individuele schade- of
uitkeringskans.
In
zijn proefschrift "Individualistische
karaktertrekken in de Nederlandse
Sociale Verzekering" sluit dr.
Veldkamp nauw aan bij de door Levenbach
gegeven definitie. Hij wijkt echter in
één opzicht af, namelijk in zoverre hij
ook aangeeft uit welke bron de middelen
geput moeten worden welke nodig zijn om
de prestaties te verschaffen. Hij acht
deze aanvulling nodig om de sociale
verzekering wél te onderscheiden van de
sociale verzorging. Zijn definitie luidt
dan aldus: "Onder
sociale verzekering of
sociaal-economische verzekering zullen
wij verstaan: het geheel van die
instellingen of maatregelen, welke
beogen, door middel van heffingen op het
inkomen of vermogen van de personen, die
tot een bepaalde sociaal-economische
groepering behoren, aan die personen
recht op een zekere prestatie te
verschaffen, in geval van intreden van
omstandigheden, welke voor hen allen als
mogelijkheid dreigen en welke tot
gevolg hebben, hetzij dat hun inkomen
ophoudt of vermindert, hetzij dat hun
vermogen geheel of gedeeltelijk tenietgaat,
hetzij dat voor hen zeer moeilijk
te dragen uitgaven noodzakelijk worden,
hetzij een combinatie van deze
mogelijkheden".
Dr. Veldkamp acht premiebetaling niet een
conditio sine qua non voor het recht op
uitkering, maar slechts een middel tot
dekking der uitgaven. De aanspraak op
prestaties is primair gebaseerd op het
behoren tot een bepaalde
sociaal-economische groepering en het
optreden der eventualiteit, waaraan
allen gemeenschappelijk onderworpen
zijn.
Zo
vraagt men zich bijvoorbeeld bij de beoordeling
van het recht op uitkering ingevolge de
Ziektewet niet af of de werkgever de
premie heeft betaald, doch of de
arbeider verzekerd is in de zin der wet
en of hij wegens ziekte ongeschikt is
tot het verrichten van zijn arbeid.
In
een inleiding op 23 April 1950 gehouden
voor de subgroep "sociale
verzekering" van de Algemene R.K.
Ambtenarenvereniging over de vraag "staatspensionnering
of ouderdomsverzekering" betrok prof.
Romme bovenvermelde definities van prof.
Levenbach en dr. Veldkamp in zijn
beschouwingen. Hij was het met Veldkamp
eens dat als de middelen maar komen
uit het arbeidsinkomen van de
verzekerden, men terecht van "verzekering" mag spreken
- onverschillig hoe men uit die bron put.
Het karakter van de sociale verzekering
wordt ook naar zijn mening door dit "hoe"
niet aangetast.
De
heer C.J. van Mastrigt verwijst naar
deze inleiding in zijn tijdens de C.H.
Zomerconferentie 1953 gehouden referaat
over "De ouderdomsverzekering in
Nederland". Hij verklaarde met de
conclusies van prof.
Romme in te
stemmen, zonder alles te onderschrijven
wat deze in zijn inleiding heeft gezegd.
Het
rapport van de aan het slot van paragraaf
1.3
besproken gemengde commissie-Van Rhijn
verscheen in Maart 1948.
Wat de kring
der verzekerden betreft, was de
commissie van oordeel dat in beginsel
de sociale verzekering behoorde te
worden uitgebreid tot buiten de kring
der loontrekkenden en dat die
uitbreiding met name de groep der
zelfstandigen diende te omvatten. Op
deze wijze zouden allen die inkomen uit
arbeid genieten bij de verzekering
betrokken zijn. In het algemeen bestond
bij de commissie geen bezwaar dat de
ouderdomsverzekering ook nog het
overige deel der bevolking zou omvatten.
Men was evenwel van oordeel dat de
omvang van de bevolkingsgroep welke
valt buiten de kring der loontrekkenden
en die der zelfstandigen, in verhouding
tot de gehele bevolking betrekkelijk
gering is, zodat een verplichte
verzekering welke én de
loontrekkenden én de zelfstandigen zou
omvatten, geacht kon worden zich
practisch tot het overgrote deel der
bevolking uit te strekken. In overweging
werd evenwel gegeven om in de wet de
mogelijkheid open te laten om de rblz.|19
l.k.|
verzekering
bij algemene maatregel van bestuur
eventueel tot de groep buiten de kring
der loontrekkenden en zelfstandigen uit
te breiden.
Ten
aanzien van de prestaties was de
commissie van mening dat de verzekering
zou moeten voorzien in een op een
noodzakelijk levensminimum gebaseerd
bodempensioen, hetwelk zou kunnen worden
aangevuld met uitkeringen uit de
bedrijfs- en ondernemingspensioenfondsen,
particuliere verzekeringen, e.d. Gaarne
zou zij een ruimere voorziening in
overweging gegeven hebben, ware het niet dat de economische omstandigheden
dit beletten. De commissie zag niet
voorbij dat velen die onder de
toekomstige wettelijke regeling zouden
vallen uitsluitend op de
bodemvoorziening zouden zijn aangewezen.
In verband hiermede diende het
bodempensioen in beginsel niet lager te
worden gesteld dan het bedrag waarmede,
voor zover toen kon worden beoordeeld, in
de primaire levensbehoeften kon worden
voorzien. Ter vaststelling van het
concrete bedrag der ouderdomsuitkering
zou de commissie daarom in beginsel
willen uitgaan van de uitkeringen
krachtens de Noodwet
Ouderdomsvoorziening. In verband evenwel
met de omstandigheid dat de
inkomensaftrek en de
gemeenteklasse-indeling naar het oordeel
van de commissie in de toekomstige
regeling geheel dienden te vervallen,
zou niet dienen te worden uitgegaan van
de absolute bedragen, genoemd in de
Noodwet, doch zou de feitelijke
gemiddelde uitkering krachtens die wet
een richtsnoer moeten vormen voor het
maximumbedrag der definitieve
ouderdomsuitkering.
Het
was in het bijzonder de
overgangsregeling waarbij de commissie
zich voor grote moeilijkheden gesteld
zag. Zou voor de zeer velen waarvoor
nog in het geheel geen
ouderdomsvoorziening werd getroffen en
voor de zeer vele anderen waarvoor de
volkomen onvoldoende regeling van de
Invaliditeitswet gold, geen
overgangsbepaling in het leven worden
geroepen, dan zou eerst na tientallen
van jaren een bevredigende toestand
zijn verkregen, omdat dan eerst
voldoende premie zou zijn opgebracht om
daaraan aanspraak op een volledige
uitkering te kunnen ontlenen. De
commissie gaf in overweging om het
bedrag van het pensioen in de
overgangstijd te stellen op een
percentage van het bodempensioen
krachtens de definitieve regeling. Het
scheen redelijk en gewenst dit
percentage te stellen op 70 ingeval de
uitkering in het geheel niet of nagenoeg
in het geheel niet uit voor de
betrokkene betaalde premiën kon worden
gefinancierd en op een evenredig hoger
percentage in de gevallen waarin de
uitkering gedeeltelijk zou worden
bekostigd door ten behoeve van de
verzekerde betaalde premiën. Hierbij
werd ervan uitgegaan dat ook bij de
overgangsregeling geheel zou worden
afgezien van het toepassen van
inkomensaftrek. Hoelang de
overgangsperiode zou moeten duren, werd
niet concreet aangegeven.
Toen
een wetsontwerp gebaseerd op het
rapport van de Gemengde Commissie
vrijwel gereed was, ontving de
ambtsvoorganger van de eerste
ondergetekende een brief d.d. 8 Juni
1951 van de Raad van Vakcentralen
waarin mededeling werd gedaan van de bij
die Raad levende opvatting met
betrekking tot een aantal hoofdzaken van
een definitieve ouderdomsregeling. De
aandacht werd voornamelijk gevestigd op
een tweetal punten en wel in de eerste
plaats op het probleem van de handhaving
van de koopkracht van de pensioenen en
in de tweede plaats op de wijze van
inning van de premiën.
Vooropgesteld
werd dat een oplossing met betrekking
tot het probleem van de handhaving van
de koopkracht van de pensioenen niet
onafhankelijk van de historische
ontwikkeling in ons land kon worden
gevonden. Er zou naar gestreefd moeten
worden om de bedrijfspensioenfondsen,
die vooral na de bevrijding hun plaats
veroverd hebben, niet alleen een plaats
te geven in de definitieve regeling,
maar er zou bovendien naar gestreefd
moeten worden om voor hen aan wie nog
geen bedrijfspensioen wordt gewaarborgd
een soortgelijke voorziening op korte
termijn tot stand te brengen. De
bedrijfspensioenfondsen zouden op het
kapitaaldekkingsstelsel moeten worden
gebaseerd. Gezocht zou moeten worden
naar een zeker evenwicht tussen beide
stelsels, op zodanige wijze dat
aanpassing rblz.|19
r.k.|
van
het pensioen aan de kosten van
levensonderhoud, althans voor een
belangrijk deel, mogelijk zou zijn.
De
besturen der vakcentralen zagen de
oplossing aldus: voor die bedrijfstakken welke nog geen bedrijfspensioenfondsen kennen, zou
moeten worden overgegaan tot het
verplicht instellen van
bedrijfspensioenfondsen of tot de
verplichte instelling van één
algemeen bedrijfspensioenfonds. In dit
laatste geval zou, natuurlijk onder
zekere voorwaarden, vrijstelling van de
algemene bedrijfspensioenverzekering
mogelijk moeten zijn zodra men in een
bedrijfstak een eigen
pensioenverzekering sticht.
Voor
de zelfstandigen zou de mogelijkheid
moeten worden geopend om zich vrijwillig
bij het betrokken bedrijfspensioenfonds
c.q. het algemeen bedrijfspensioenfonds
te verzekeren. Deze verzekering zou
moeten worden gebaseerd op het
aansprakenstelsel en zou dus een
bepaalde nominale uitkering moeten
garanderen.
De
uitkering van de bedrijfspensioenfondsen
of het algemeen bedrijfspensioenfonds
zou moeten worden aangevuld door de
verplichte volksverzekering, en wel tot
een bepaald percentage van het
gemiddelde arbeidsloon in een bepaald
jaar.
Bij
deze aanvulling zou moeten worden
uitgegaan van een bepaalde wettelijk
vastgestelde minimumuitkering door het
bedrijfspensioenfonds, met andere
woorden, indien enig
bedrijfspensioenfonds een hogere
uitkering dan de wettelijke zou wensen
te verstrekken, dan zou deze hogere
uitkering niet in mindering mogen komen
op de aanvulling krachtens de
volksverzekering. Hierdoor zou in de
eerste plaats bereikt worden dat men
eerder zou willen overgaan tot verhoging
der bedrijfspensioenfondsen en in de
tweede plaats dat op de duur de
uitkeringen krachtens de
bedrijfspensioenfondsen en de
volksverzekering samen een hoger
pensioen zouden kunnen garanderen.
Wat
het tweede punt, de wijze van inning der
premiën, betreft, was de Raad van
Vakcentralen tot de conclusie gekomen
dat de premieheffing voor de
volksverzekering zou moeten geschieden
door middel van een bijdrage welke een
percentage van het inkomen bedraagt. De
aanslag en de inning van de premie voor
de ouderdomsverzekering zou door het
apparaat van de inkomstenbelasting
tegelijk met de aanslag en de inning van
de inkomstenbelasting dienen plaats te
hebben.
Deze
brief van de Raad van Vakcentralen is
mede voor de ambtsvoorganger van de
eerste ondergetekende en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken
aanleiding geweest om op 27 Maart 1952
aan de Sociaal-Economische Raad
advies
te vragen omtrent beginselen, vorm en
omvang van de toekomstige
ouderdomsverzekering.
Bij
het verzoek om advies werden overgelegd
een uitvoerige nota welke - in
hoofdzaak - een nadere uitwerking
bevatte van de grondgedachten van het
advies van de Gemengde Commissie,
alsmede de brief van de Raad van
Vakcentralen.
Intussen
stelde het Centrum voor Staatkundige
Vorming in 1952 opnieuw een commissie
in, ditmaal staande onder
voorzitterschap van prof. mr. W.C.L. van der Grinten, welke de opdracht kreeg
het vraagstuk van de sociale
voorzieningen voor zelfstandigen, voor
zover mogelijk in zijn geheel, in studie
te nemen.
In
het rapport van deze commissie, dat op
19 Mei 1953 het licht zag, onder de
titel "Sociale voorzieningen voor
zelfstandigen", werd als oplossing
voor de oudedagsvoorziening voor
zelfstandigen gezien een regeling in de
trant van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening, gefinancierd uit
de algemene middelen van de Staat. Deze
regeling zou beperkt moeten worden tot
die zelfstandigen die nooddruftig zijn
en die voorts regelmatig als
zelfstandige maatschappelijke arbeid
hebben verricht.
Het
rapport van de commissie werd bestreden
door prof. Romme in het "Katholiek
Staatkundig Maandschrift" van Juli 1953.
Uit het slot van zijn betoog blijkt,
zoals ook reeds rblz.|20
l.k.|
naar
voren kwam bij de behandeling van zijn
ontwerp-Kinderbijslagwet, dat prof. Romme de rechtsgrond voor een
verzekering van zelfstandigen ziet in
de leer van de rechtvaardige prijs:
"Zo
goed als de loontrekkende uit zijn loon,
moet de zelfstandige uit zijn prijs het
onderhoud voor zich en zijn gezin en het
onderhoud voor zijn oude dag kunnen
verdienen. Niet bij wijze van staatsbedeling, maar uit de opbrengst
van zijn werk".
In
een artikel "Middenstand en sociale
wetgeving", opgenomen in het in
1952 door de Katholieke Middenstandsbond in het Bisdom
's-Hertogenbosch uitgegeven gedenkboek
"Een halve eeuw zelfstandige
middenstand in het Bisdom 's-Hertogenbosch", baseert
dr.
W.L.P.M.
de Kort de rechtsgrond voor
verplichte sociale verzekering op de
rechtvaardige verdeling van het
arbeidsinkomen. De premie voor de
sociale voorzieningen vormt een deel van
het arbeidsinkomen en vloeit direct
voort uit de prijs van product of
dienst. Waar nu de prijs voor product en
dienst niet hoog genoeg kan zijn om alle
werknemers individueel een inkomen te
bezorgen, hoog genoeg om op basis van
vrije voorzieningen hun zekerheden te
verwerven, daar is volgens dr.
De Kort
het systeem der collectieve verplichte
sociale zekerheid voor een bepaalde
maatschappelijke groep geschapen. Het
probleem ligt evenwel voor de
zelfstandigen niet anders: "Dat de
prijs hoog genoeg zou kunnen zijn om de
middenstander op basis van
zelfstandigheid voor zijn zekerheden te
doen zorgen, meent niemand".
Ook
in de kringen der
protestant-christelijke politieke
partijen bleef het vraagstuk de
gedachten bezighouden. Zo constateerde
de heer F.H. van de Wetering in zijn
artikel "Sociale voorzieningen voor
zelfstandigen, in het bijzonder de
oudedagsvoorziening" in "Koningin
en Vaderland" van 5, 12 en 19 Juni
1953, dat prof. F. de Roos over de
functie die de middenstand in ons volk
verricht voortreffelijke dingen had
gezegd, die naar zijn gevoelen dan ook
als rechtsgrond konden dienen voor het
feit dat de Overheid mede
verantwoordelijkheid voor de verplichte
sociale verzekering voor zelfstandigen
moet dragen. Gedoeld werd op de rede
die prof. de Roos op 6 September 1950
heeft gehouden voor de Christelijke
Middenstandsbond, waarin onder meer werd
betoogd dat het dragen van risico en
het uitoefenen van de ondernemersfunctie
twee geheel verschillende functies
zijn, die in principe in het
bedrijfsleven door verschillende
groepen van personen kunnen worden
uitgeoefend. Volgens de heer Van de
Wetering voegt de handel precies zoals
de industriële en de agrarische
producent waarde aan de goederen toe en
voor deze toevoeging van waarde ontvangt hij een beloning, die dus ten
volle het karakter van oorspronkelijk
inkomen draagt. In dit inkomen ligt het
element verzorging van de oude dag
besloten. Het interessante van de
zienswijze van prof. De Roos is, aldus
de heer Van de Wetering, dat hij ook de
loontrekkende en anderen risicodragers
noemt en daarmede een oud stokpaardje
ineens op stal heeft gezet.
In
deze gedachtengang achtte de heer Van de
Wetering het verstaanbaar dat tegen het
opnemen van zelfstandigen in een geheel
de bevolking omvattend stelsel van
sociale zekerheid geen principieel
bezwaar behoefde te worden gemaakt.
"Immers, het gaat bij de sociale
zekerheid slechts om het vinden van
gemeenschappelijke dekking tegen
bepaalde ongunstige levenskansen die
met de eigenlijke maatschappelijke
functie van de betrokkenen geen verband
houden, doch in het wezen van mens en
maatschappij besloten liggen. Bovendien
gaat de sociale zekerheid niet verder
dan het waarborgen van een minimum aan
bestaanszekerheid, zodat gevaar voor het
wegnemen van de prikkel der individuele
inspanning, bij een verstandig beleid,
niet behoeft te worden geducht".
De
heer C.J. van Mastrigt kwam in zijn
referaat gehouden tijdens de C.H.
Zomerconferentie 1953, na onder meer te hebben
opgemerkt dat het uitgesloten zou zijn
de definitieve voorziening te beperken
tot de loontrekkenden, nu alle
Nederlanders, mits zij behoeftig zijn,
van de noodwet kunnen profiteren en
voorts rblz.|20
r.k.|
dat
niemand, hoe goed gesitueerd ook, van te
voren weet of hij op 65-jarige leeftijd
toch niet een beroep op de gemeenschap
zal moeten doen, tot de conclusie dat
de verplichte ouderdomsverzekering voor
allen zal moeten gelden die inkomen uit
arbeid en/of vermogen genieten.
Als
voorbeeld van hetgeen op dit gebied aan
werkgeverszijde leeft, mogen de
ondergetekenden voorts nog de aandacht
vestigen op het in September 1952
gepubliceerde "Rapport
ouderdomsvoorzieningen" van het
Centraal Sociaal Werkgeversverbond [C.S.W.V.,
red.]. In
dit rapport wordt gesteld dat de
Overheid niet alleen als taak heeft erop toe te zien dat voor een ieder de
mogelijkheden worden opengehouden de
zorg voor zichzelf en zijn gezin te
effectueren en de behulpzame hand te
bieden aan degenen die zichzelf niet
kunnen helpen, doch de plicht heeft te
bevorderen dat de leden van de
gemeenschap maatregelen treffen ter
voorziening, althans in de eerste
levensbehoeften, op de oude dag en van
de nagelaten betrekkingen.
Maar
ook al zou men hierin geen voldoende
rechtsgrond kunnen zien voor een
wettelijke verzekering, dan nog nopen de
omstandigheden ertoe, aldus het rapport,
deze toch tot stand te brengen. Juist de
behoefte om zich zoveel mogelijk tegen
muntontwaarding te wapenen, maakt
onvermijdelijk dat de Overheid een
wettelijke ouderdomsverzekering
organiseert waarin de deelneming
verplicht wordt gesteld. Alleen reeds
redenen van techniek nopen naar de
mening van het C.S.W.V. tot de
aanvaarding van een wettelijk verplichte
ouderdomsverzekering, ongeacht welke
overwegingen van wijsgerig-maatschappelijke aard men
daaraan overigens ten grondslag zou
willen leggen.
Omtrent
de kring der verzekerden wordt dan
verder nog gezegd dat wanneer men ervan uitgaat dat de Overheid de taak
heeft de zelfverantwoordelijkheid der
burgers te bevorderen, maar daarnaast
geroepen is collectief de bevolking ertoe te brengen gemeenschappelijk de
verzekering te organiseren om te
voorkomen dat naderhand wellicht een
beroep op armenzorg moet worden gedaan,
daaruit dan principieel volgt dat allen
tot deze nationale verzekering moeten
worden toegelaten. Een voorziening als
de onderhavige werkt immers op zulke
lange termijnen dat niemand of nagenoeg
niemand kan zeggen nooit in de situatie
te zullen verkeren dat geen beroep op
armenzorg behoeft te worden gedaan.
1.6. Het advies van de Sociaal-Economische
Raad
Het
advies van de Sociaal-Economische Raad
[S.E.R., red.] werd op 26 Februari 1954 vastgesteld en
kort daarop, vergezeld van een
minderheidsnota, aan de Regering
aangeboden. Aangezien de leden van de
Staten-Generaal ook in het bezit van dat
advies zijn gesteld, mogen de
ondergetekenden er mede volstaan hier
slechts enkele hoofdzaken van het advies
aan te stippen. Zij bepalen zich daarbij
eerst tot het standpunt van de
meerderheid om daarna de opvatting te
bezien, neergelegd in de door enkele
leden van de Raad uitgebrachte
minderheidsnota.
Na
te hebben aangetoond dat relatief veel
bejaarden wegens onvermogen,
voortvloeiend uit hun maatschappelijke
positie, onderschatting van toekomstige
behoeften, waardedaling van het geld,
nalatigheid of welke andere oorzaak dan
ook, niet in staat zijn in hun onderhoud
te voorzien indien zij zich wegens
gevorderde leeftijd geen inkomen meer
kunnen verwerven, spreekt de Raad uit
dat het algemene morele besef met
betrekking tot de naaste reeds vereist
dat in de hierdoor ontstane nood wordt
voorzien. Indien echter het ontbreken
van een inkomen op de oude dag een
algemeen maatschappelijk verschijnsel
wordt, heeft de centrale overheid - zo
de Raad - de plicht tot ingrijpen,
niet alleen tot het wegnemen van de
nood. Zij heeft evenzeer tot taak de
maatregelen te treffen welke voorkomen
dat een dergelijke situatie kan
ontstaan.
In
aansluiting aan de historisch gegroeide
ontwikkeling in ons land kan naar het
oordeel van de Raad ook de wettelijke
ouderdomsvoorziening het best in de vorm
van een verplichte verzekering
geschieden.
De
Raad geeft aan deze vorm de voorkeur,
omdat daarin zowel het beginsel van de
eigen verantwoordelijkheid als dat rblz.|21
l.k.|
van
de gezamenlijke verantwoordelijkheid van
allen die aan een gelijksoortig risico
zijn onderworpen tot uitdrukking komt,
zij het dat de plicht tot het bijdragen
in de kosten en het verband tussen de
rechten en het al of niet nakomen van de
door de verzekering opgelegde plichten
op verschillende manieren tot
uitdrukking kunnen worden gebracht.
Uit
het bovenstaande volgt dat de Raad van
mening is dat de overheid mag ingrijpen
door het opleggen van een
verzekeringsplicht welke de
individuele vrijheid beperkt. Voor de
meerderheid van de Raad is dit een
rechtstreeks uitvloeisel van haar
standpunt dat de zorg voor de oude dag
primair berust op de belanghebbenden
zelf, die de plicht hebben in het
onderhoud van zichzelf en hun gezin te
voorzien, ook voor de periode dat zij
zich geen inkomen meer kunnen verwerven.
Nu blijkens de ervaring deze
verplichting door velen niet wordt
nagekomen of niet kan worden nagekomen,
heeft de overheid als behartigster van
het algemeen belang naar het oordeel van
de meerderheid het recht en de plicht de
nodige maatregelen ter effectuering van
deze plicht door belanghebbenden te
treffen. De verplichte sociale
verzekering, die immers mede berust op
de eigen verantwoordelijkheid van
belanghebbenden, acht zij in de huidige
omstandigheden de meest aangewezen vorm
voor dit ingrijpen.
Een
aantal andere leden acht in een
onbevredigende sociale situatie van een
bevolkingsgroep reeds een voldoende
grond gelegen voor overheidsmaatregelen
tot het wegnemen daarvan. Dit op de
verantwoordelijkheid van de gemeenschap
voor het welzijn van zijn leden
berustende ingrijpen kan, naar het
oordeel van deze leden, verschillende
vormen aannemen. Gegeven de historisch
gegroeide verhoudingen geven ook deze
leden de voorkeur aan een
ouderdomsverzekering boven een andere
vorm van ouderdomsvoorziening.
Naar
de mening van de Raad dient een
verplichte ouderdomsverzekering voor
alle ingezetenen, ongeacht hun
nationaliteit en ongeacht de bron en de
hoogte van hun inkomen, tot stand te
komen.
De
verzekering zal aan ieder die de
65-jarige leeftijd heeft bereikt een in
beginsel gelijk bodempensioen moeten
geven dat enige procenten boven het
niveau van de uitkering krachtens de
Noodwet Ouderdomsvoorziening zal moeten
liggen. Toepassing van een
gemeenteclassificatie wordt niet op haar
plaats geacht. Voor die loontrekkenden
die niet krachtens de voor hen geldende
arbeidsvoorwaarden rechten op een andere
ouderdomsvoorziening naast het wettelijk
bodempensioen kunnen doen gelden, zal
het ouderdomsgedeelte van de
Invaliditeitswet gehandhaafd dienen te
blijven.
De
pensioenaanspraken zullen, naar de
mening van de Raad, op een dergelijke
wijze in de wet dienen te worden
vastgelegd dat de reële waarde van de
pensioenen geen andere wijzigingen
ondergaat dan die welke overeenkomen
met de wijzigingen in de algemene
welvaart.
De
premie zal moeten bestaan uit een
percentage van het inkomen en voor
rekening van de verzekerde komen. Geen
premie zal verschuldigd zijn over het
inkomen boven ƒ6000.- dan wel boven het
bedrag hetwelk bij een unificatie van
de inkomensgrenzen voor de verschillende
sociale verzekeringen zal worden
vastgesteld. Voor de zelfstandigen wordt
geadviseerd om, in verband met te
verwachten moeilijkheden bij de inning
der premie, bij een inkomen tot een
zekere grens (bijvoorbeeld ƒ2000,- bij gehuwden)
van premie-invordering af te zien en bij
daarbij aansluitende inkomens tot aan
een tweede grens (bijvoorbeeld ƒ3000,- bij
gehuwden) een toenemend percentage der
premie in te vorderen. Het
niet-ingevorderde deel der premie zal
voor rekening van de overheid dienen te
worden genomen. In verband met de wijze
van premievaststelling zullen degenen
die zelf niet over inkomen beschikken
van premiebetaling zijn vrijgesteld.
Wat
het financieringsstelsel betreft,
spreekt de Raad zich uit voor het
omslagstelsel, zowel op grond van
algemene economische redenen als op
grond van de overweging dat bij
wisselende nominale pensioenaanspraken
het kapitaaldekkingsstelsel geen
doelmatige financieringsmethode is.
De
uitvoering van de verzekering zal
centraal dienen te rblz.|21
r.k.|
geschieden
door een onder toezicht van de Sociale
Verzekeringsraad staand zelfstandig
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam,
met dien verstande dat de vaststelling
en de inning van de premie niet door dit
lichaam, doch door de belastingdienst
zal dienen te geschieden. De apparatuur
van de Rijksverzekeringsbank zou in het
door de Raad gewenste uitvoeringsorgaan
kunnen worden geïncorporeerd.
Uit
de bij het S.E.R.-advies overgelegde
minderheidsnota, ondertekend door de
professoren W.C.L. van der Grinten,
M.J.H.
Smeets en F.J.H.M. van der Ven, blijkt dat het belangrijkste verschil
tussen meerderheid en minderheid in de
S.E.R. is dat de laatste slechts een
rechtsgrond aanwezig acht voor een
verplichte verzekering van loonarbeiders
en derhalve niet voor de
niet-loontrekkenden. Ten aanzien van hun
opvatting over de inhoud van het begrip
"rechtsgrond" wordt in de nota
verwezen naar de desbetreffende
beschouwingen in het rapport "Sociale
voorzieningen voor zelfstandigen",
uitgegeven door het Centrum voor
Staatkundige Vorming, hetwelk in de
vorige paragraaf met de daarop geleverde
critiek ter sprake is gekomen.
Voor
een optreden van de overheid ten aanzien
van zelfstandigen bestaat naar het
oordeel van de ondertekenaars van de
minderheidsnota in beginsel slechts
aanleiding voor zover het zelfstandigen
betreft die niet in staat zijn zelf
voor een ouderdomsvoorziening zorg te
dragen. Evenals in vermeld rapport van
het Centrum voor Staatkundige Vorming
wordt ook hier voorgesteld bedoelde
zelfstandigen te helpen door een
regeling in de trant van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening.
1.7. Reacties op het advies van de
Sociaal-Economische Raad
Het
ligt voor de hand dat een zo uitermate
belangrijk rapport als dat van de S.E.R.
over de
toekomstige ouderdomsvoorziening
allerwege in den lande de aandacht
heeft gekregen die het verdient.
Afgaande op de reacties die het heeft
opgeroepen, kan geconstateerd worden
dat het standpunt van de meerderheid van
de Raad bij een zeer grote meerderheid
van de politieke en maatschappelijke
groeperingen van onze bevolking
instemming heeft gevonden. De oude
strijdvraag verzekering of
staatspensioen is hierbij uiteraard niet
onbesproken gebleven. Het standpunt van
de minderheid van de Raad heeft vooral
van rooms-katholieke zijde zowel
instemming als bestrijding gevonden. De
ondergetekenden mogen hier enkele
reacties de revue laten passeren.
De
schrijver van de rubriek "Ten
geleide" in "De Volkskrant" van 12
Maart 1954 zegt, na te hebben opgemerkt
dat een sociale verzekering daar op haar
plaats is waar men in verbondenheid
leeft en zijn risico's in verbondenheid
wil dragen, niet veel, of beter helemaal
geen verschil te zien tussen
loontrekkenden en zelfstandigen wat
betreft het risico voor de oude dag. Ook
wat de verplichting tot het opleggen van
de verzekering aangaat, ziet de
schrijver geen verschil tussen
loontrekkenden en zelfstandigen.
Inderdaad neemt de zelfstandige in het
productieproces een wezenlijk andere
positie in dan de loontrekkende. Dit
zegt echter niets omtrent de sector der
inkomensbesteding waar het hier om
gaat. Hierin zijn de zelfstandigen even
vrij als de arbeiders en hebben zij
dezelfde verplichtingen. Hier is
principieel geen verschil.
De
bezwaren van de Tilburgse hoogleraren
lijken de schrijver dan ook niet van die
aard dat de regeling die de S.E.R. aan
de Minister adviseert ook maar ergens
in tegenstelling zou zijn met de
katholieke maatschappijbeginselen. In
tegendeel, het betekent een belangrijke
winst dat de verzekeringsgedachte en de
solidariteitsgedachte, persoonlijke
verantwoordelijkheid en onderlinge
verbondenheid de basis uitmaken van wat
hij hoopt dat zal zijn: de toekomstige
zekerheid voor de ouden van dagen.
Volgens "De Maasbode" van 11 Maart 1954
lijkt het standpunt van de meerderheid
van de S.E.R.
het enig mogelijke
uitgangspunt voor een onmiddellijke en
afdoende wettelijke regeling rblz.|22
l.k.|
welke
aanvaardbaar zal zijn - zij het hier
en daar wel wat erg onder voorbehoud - voor de meerderheid van ons volk.
In het
nummer van 23 Maart 1954 van hetzelfde
blad wordt evenwel gezegd dat het
minderheidsvoorstel een nadere
uitwerking zou verdienen, opdat zou
kunnen blijken of de daartegen
aangevoerde practische bezwaren wel
steek houden. Mochten de bezwaren gering
uitvallen, dan zou het blad er de
voorkeur aan geven de zelfstandigheid
van de zelfstandigen te respecteren en
niet tal van mensen te dwingen tot iets
waaraan zij geen behoefte hebben. Dit
zou ook de consequentie zijn van het
betoog van "De Katholieke
Werkgever", welk blad zich echter
op grond van andere argumenten in
beginsel aansluit bij het standpunt van
de meerderheid van de S.E.R.
Het
door "De Maasbode" aangehaalde blad "De
Katholieke Werkgever" schrijft in
zijn nummer van 20 Maart 1954 dat het
zich in zekere zin de in de
minderheidsnota ontwikkelde argumentatie
zeer wel kan indenken, doch op twee
punten een andere mening huldigt.
Enerzijds gelooft het blad dat het beroep op
solidariteit dat aan de
geprojecteerde sociale verzekering ten
grondslag ligt zijn steunpunt vindt in
het gemeenschapsbesef in de groep van
allen die op volwaardige wijze aan het
productieproces deelnemen en niet in een
dergelijk besef in de groepen van
loontrekkenden en zelfstandigen
afzonderlijk. Anderzijds meent het dat
de realiteit der onvoldoende eigen
zorg, welke het verplichtingskarakter
van een bodempensioen schraagt, eveneens
bij de zelfstandigen wordt aangetroffen.
Het
blad sluit zich van harte aan bij de
enkele leden van de S.E.R. die het
standpunt dat geen vrijstelling van
enige groep van de verzekeringsplicht
moet worden gegeven, baseren op de
overweging dat door het vrijstellen van
individuen of groepen deze zich zonder
meer zouden onttrekken aan het
solidariteitselement, hetwelk in een
stelsel van sociale verzekering aanwezig is, terwijl bovendien het
vrijstellen van deze individuen of
groepen op grote
administratief-technische bezwaren kan
sluiten.
In A.R.-kring heeft het advies van de S.E.R.-meerderheid
bestrijding gevonden door mr. W. Aantjes
in "Anti-RevoIutionnaire
Staatkunde" van October 1954. Deze
schrijver baseert zijn standpunt
grotendeels op uitlatingen die 40 tot
50 jaar geleden door Talma en Kuyper
zijn gedaan. Hij ziet de sociale
verzekering nog steeds in de volgens hem
"klassieke" zin dat er een
verband moet bestaan tussen de hoogte
der uitkering en de te betalen premie,
"hetgeen een wezenlijk kenmerk van
elke verzekering is". Uit de totale
premieopbrengst - aldus mr. Aantjes - wordt een bedrag
uitgekeerd dat,
behalve van andere factoren, ook
afhankelijk is van de betaalde premie.
De individuele uitkering staat in een
bepaalde verhouding tot de individuele
premie. Het is goed daarop te letten, nu
in onze tijd een begrip verzekering
wordt geïntroduceerd dat met het
gebruikelijke begrip nauwelijks iets
meer dan de naam gemeen heeft, doch (wat
de ouderdomsverzekering betreft)
materieel meer overeenkomst vertoont met
wat wij gewoon zijn met de naam
staatspensioen aan te duiden.
In
hetzelfde nummer van hetzelfde
tijdschrift schrijft prof. dr. J.P. van
Rooyen evenwel dat indien men als
criterium stelt dat van een verzekering
in de eigenlijke zin alleen dan sprake
is indien de betrokkene de actuarieel
te becijferen premie zelf betaalt, het
door de S.E.R. geprojecteerde schema in
genen dele als een ouderdomsverzekering
kan worden beschouwd. Verlegt men
daarentegen het zwaartepunt van de
premiën naar de uitkeringen en stelt
men dat het verlenen van
pensioenaanspraken beslissend moet
worden geacht, dan valt niet te
ontkennen dat het plan van de S.E.R.
een ouderdomsverzekering omvat.
In
het referaat getiteld "De komende
ouderdomsvoorziening", hetwelk de
heer A.W. Biewenga Wzn. hield op de
partijconferentie van de Anti-Revolutionnaire Partij op 13 en 14
October 1954, werd uiteraard ook aan dit
vraagstuk aandacht geschonken. In zijn
inleiding stelde de referent onder
meer dat
de Anti-Revolutionnaire Partij wil zijn
een partij die staat midden in het
leven van het volk, waarmee zij het
contact rblz.|22
r.k.|
niet
wil en mag verliezen; een partij die
ten volle wil rekening houden met de
veranderingen die zich voltrokken in de
periode die achter ons ligt en die
thans bezig zijn zich te voltrekken. Uit
de rest van het betoog blijkt dat de
heer Biewenga de door de S.E.R.
aanbevolen regeling als een "verzekering"
kan aanvaarden, onder voorbehoud dat de
kring der verzekerden dezelfde is als de
kring der premieplichtigen. Hij heeft
daarom in het algemeen bezwaar tegen het
voorstel van de S.E.R. om degenen die
geen inkomen genieten en dus geen premie
kunnen betalen, in de verzekering op Ie
nemen. Hij wil hierbij een zo ruim
mogelijk standpunt innemen, maar de
eenvoud van de voorgestelde voorziening,
welke ook hij als één van de
aantrekkelijke dingen ziet, wordt zijns
inziens te ver doorgedreven.
Het
dagblad "Trouw" gaat nog een
stapje verder en aanvaardt de door de
S.E.R. aanbevolen regeling zonder enig
voorbehoud als een verzekeringsstelsel.
Het blad schrijft namelijk op 13 Maart 1954
in een beschouwing over het S.E.R.-advies onder
meer
het volgende: "Het
is dus een verzekering en het is geen
staatspensioen, maar het is een
verzekering waarbij het totaal der
premiën betrekking heeft op het totaal
der thans bestaande
pensioenverplichtingen. De premie van
een individu heeft niet meer betrekking
op het pensioen van dat individu. De
voordelen van het stelsel zijn
duidelijk: er komt een bodempensioen
voor iedereen. De Noodwet gaat
verdwijnen. Het verzekeringsstelsel
wordt gehandhaafd. Het volk als geheel
verzekert het volk als geheel".
In "De Volkskrant" van 12 Maart 1954
zegt voorts de schrijver van de rubriek
"Ten geleide" onder meer dat de
bezwaren, alsof de voorgestelde gang van
zaken toch een verkapt systeem van
collectivistische verzorging zou zijn,
hem niet erg veel zeggen. "Er is
daarvoor te bewust en te duidelijk naar
het verzekeringssysteem gestreefd. Voor
loontrekkenden wordt bijvoorbeeld de
premie niet eens gedeeltelijk door de
werkgever en de werknemer betaald, maar
geheel door de werknemer; een
formaliteit als men wil, maar toch wel
een die iets zegt. Voor de jaren dat
geen premie geïnd wordt, wordt het
toekomstig ouderdomspensioen met twee
percent verminderd. Voor hen, die geacht worden de premie niet te kunnen
opbrengen, bij voorbeeld voor de
zelfstandigen, die niet tot een
jaarinkomen van ƒ2000,- komen, zal
de slaat de premie moeten betalen. Deze
factoren wijzen er wel op dat wij hier
niet met een bestemmingsbelasting te
maken hebben."
In "De Verzekeringsbode" van 26
Maart 1954 schrijft prof. dr. M. van
Haaften dat de manier waarop de
begrippen verzekering en premie in het
advies van de S.E.R.
worden gehanteerd
volkomen in overeenstemming is met de
Wet op het Levensverzekeringsbedrijf
1922. Om in de trant van deze wet van
verzekering te kunnen spreken, is het
niet nodig, aldus prof. Van Haaften,
"dat
er verband bestaat tussen de hoogte van
de uitkering, die een verzekerde
ontvangt, en de premie, welke hij heeft
betaald, zelfs niet dat hij zelf
überhaupt enige premie heeft betaald".
Volstrekt
tegengesteld aan deze opvatting is wat prof.
mr. P.J. Oud in "Elsevier"
van 10 April 1954 schrijft, namelijk dat het
"verzekeringsstelsel" van de S.E.R.
uit verzekeringsoogpunt maar een
wonderlijk geval is. Er wordt wel
gestreefd naar evenwicht tussen het
totaal der premiën en het totaal der
uitkeringen, maar allerminst naar
evenwicht tussen de individuele premie
en de individuele uitkering. Draagt het
stelsel van de S.E.R. in wezen veel meer
het karakter van staatspensioen dan van
verzekering, op één punt schijnt het
anders, aldus prof. Oud. Wie een
verschuldigde jaarpremie niet betaalt,
zal daardoor zijn pensioen met 2% voor
iedere niet-betaalde premie zien
verminderd. Ook dit acht hij echter meer
schijn dan wezen: bij een premie die
zozeer het karakter van een
belastingheffing draagt, is de
vermindering van het pensioen in feite
een straf op wanbetaling van
verschuldigde belasting. Slechts voor
hen die wegens verblijf in het
buitenland tijdelijk geen premie hebben
betaald en uit dien hoofde een
verminderd rblz.|23
l.k.|
pensioen
zullen ontvangen, is het anders. De
schrijver ziet dit inderdaad als een
concessie in de richting van
verzekering, doch hij meent dat dit,
gezien het geringe aantal personen dat
het hier betreft in verhouding tot de
gehele bevolking, meer de uitzondering
is die de regel bevestigt.
In "Vrijheid en Democratie" van 20
Maart 1954 constateert de R. met
voldoening dat het S.E.R.-advies in
zijn hoofdlijnen beantwoord aan de
opvattingen die in liberale kringen ten
deze gelden. De wetgever die een
regeling in deze geest tot stand brengt,
verricht een weldaad jegens ons volk,
aldus de schrijver.
Uit
de redevoering die hij op 20 Maart 1954
hield in een studieconferentie voor het
C.N.V. [Christelijk
Nationaal Vakverbond, red.] blijkt dat de heer C.J. van
Mastrigt, hoewel hij het geheel
overziende niet ontevreden is, een
aantal bedenkingen tegen het S.E.R.-advies
heeft.
In
een resolutie die op 8 April 1954 werd
aangenomen door de Raad van Overleg voor
sociaal-economische aangelegenheden van
het Katholiek bureau voor
maatschappelijk en cultureel overleg,
bestaande uit de besturen van de
Algemene Katholieke
Werkgevers-Vereniging, de Katholieke
Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, de
Nederlandse Katholieke Middenstandsbond,
de Nederlandse Katholieke
Arbeidersbeweging, de St.
Adalbertvereniging en de Katholieke
Standsorganisatie voor de Werkende
Middenstand, wordt grote voldoening
uitgesproken over het tot stand komen
en de strekking van het advies van de S.E.R.
Daarbij werd, na onder meer te hebben
overwogen dat de argumenten welke
pleiten voor deze oudedagsvoorziening op
basis van een systeem van sociale
verzekering, in het algemeen
gelijkelijk van kracht zijn ten aanzien
van de groepen der Ioon- en
salaristrekkenden en de zelfstandigen,
als oordeel uitgesproken dat het
advies de verzekeringsgedachte als
grondslag heeft.
Het N.V.V. wijdde op 10 April 1954 een
buitengewoon congres aan de
ouderdomsvoorziening. In de met algemene
stemmen door dit congres aangenomen
resolutie wordt onder meer warme instemming
met het advies van de S.E.R.
betuigd.
In
een artikel "Over de
ouderdomsvoorziening" in "Socialisme
en Democratie" van Mei 1954
schrijft ir. H. Vos, die als voorzitter
van de door de S.E.R. ingestelde
subcommissie een zeer werkzaam aandeel
in de totstandkoming van het advies
heeft gehad, dat zich als het ware
vanzelf opdringt het maken van een
vergelijking tussen de voornemens van de
Regering zoals zij waren neergelegd in
de aan de S.E.R. overgelegde "Nota
inzake de toekomstige
ouderdomsvoorziening" en het advies
van de S.E.R., waarbij dan tevens
betrokken kan worden het zogenaamde plan van
de Raad van Vakcentralen. Zowel aan de
opstelling van de regeringsnota als aan
de opstelling van het "plan" en
van het advies van de S.E.R. hebben
leden van de Partij van de Arbeid die
op politiek belangrijke plaatsen staan,
medegewerkt. Dit betekent dat de
verschillen tussen de onderscheiden
voorstellen over het algemeen zullen
liggen in het practische en niet in het
principiële vlak. "Misschien doe ik
beter met te zeggen", aldus ir. Vos,
"dat de noodzaak om te komen tot een
definitieve ouderdomsvoorziening telkens
zo sterk is gevoeld dat men er steeds
van is uitgegaan dat elke oplossing
beter is dan geen oplossing. Aan de
verschillende voorgestelde projecten
hebben telkens ook anderen dan leden van
de Partij van de Arbeid in belangrijke
mate medegewerkt. Dat ten slotte het
advies van de S.E.R. met zulk een grote
meerderheid op de hoofdpunten is
aanvaard, geeft meen ik ook aan dat
voor vrijwel allen in den lande, die
zich met het vraagstuk van de
ouderdomsvoorziening bezighouden, dit
zelfde heeft gegolden. Elke oplossing is
beter dan geen oplossing."
Als één van de
redenen waardoor in de S.E.R.
deze grote mate van eenstemmigheid is
bereikt, voert de schrijver aan dat
telkens de gegevens en de cijfers de
grondslag vormden van de discussie en
niet in de eerste plaats de theoretische
opvattingen.
rblz.|23
r.k.|
In "Het Vrije Volk" van 15 Maart
1954 schrijft de heer J.J.A. Berger
dat het de verdienste is geweest van het
plan van de Raad van Vakcentralen,
waarvan het advies van de S.E.R.
naar
zijn mening niet zo heel veel afwijkt,
dat het heeft gepoogd aan de
tegenstelling tussen verzekering en staatspensioen definitief een eind te
maken.
In "Socialisme en Democratie" van
Juli 1954 laat mr. H.B.J. Waslander
evenwel een geheel ander geluid horen.
Hij beschouwt het als een verdienste
dat de S.E.R. zich door grote
zakelijkheid heeft laten leiden en
daarbij vele knopen heeft doorgehakt.
Toch meent hij dat juist op dit punt
critiek gerechtvaardigd is: zakelijkheid
op het technische vlak juicht hij toe,
doch hij wil niet als "zakelijk"
prijzen dat ook meer principiële
knopen zijn doorgehakt.
Zou
de S.E.R. hebben toegegeven dat het
aanbevolen stelsel geen verzekering is
en ook geen staatspensioen, maar dat de
terminologie van de verzekering was
gekozen, dan zou schrijver eerder
bereid en in staat zijn geweest te
volgen dan nu de S.E.R. doet, alsof het
duidelijk een verzekering is en alsof
het plan vanuit sociaal-psychologisch
standpunt de merites zou hebben van een
sociale verzekering en niet veeleer de
voor- en nadelen die tot dusver aan een
premievrij staatspensioen verbonden
worden geacht. Erkend wordt dat sommige
beoefenaars van het arbeidsrecht, die
het begrip sociale verzekering steeds
meer zijn gaan uitbreiden, het de S.E.R.
wel gemakkelijk hebben gemaakt.
Ten slotte
willen de ondergetekenden nog vermelden
dat in het op 8 April 1954 door de Bond
voor Staatspensionnering gehouden
buitengewone congres na een inleiding
van de heer C.J. van I.ienden met
algemene stemmen een resolutie werd
aangenomen waarin voldoening werd
uitgesproken over de in het advies van
de S.E.R.
ontwikkelde voorstellen die
naar verbetering van het lot der ouden
van dagen zullen leiden en werd
vastgesteld dat een eventuele
wettelijke regeling op basis van dit
advies op een aantal punten tegemoetkomt aan
datgene wat gedurende
tientallen jaren door deze Bond is
gepropageerd, al is het ook geen
staatspensioen.
2.
De les der geschiedenis: een synthese
Het
in het vorige hoofdstuk vervatte
historische overzicht hebben de
ondergetekenden opzettelijk niet beperkt
gehouden tot een opsomming van
feitelijke gebeurtenissen. Veeleer is
getracht ook de ontwikkeling in de
denkbeelden ter zake van de
ouderdomsvoorziening te schetsen. In ons
geestelijk en politiek zo rijk
geschakeerde land is het tot stand
brengen van een voor een meerderheid
aanvaardbaar compromis vaak noodzakelijk
en in zich ook in het geheel niet
verwerpelijk. Toch kleeft aan
compromisoplossingen het nadeel dat
zij vrijwel niemand geheel bevredigen,
omdat zekere halfslachtigheid daarbij
niet te vermijden is.
Bij
de definitieve oplossing van het
probleem der oudedagsvoorziening
behoeft nu eens niet met een compromis
genoegen genomen te worden. De door de S.E.R.
voorgestelde oplossing is, gelijk
de eerste ondergetekende al eens in de
Tweede Kamer mocht opmerken, instede van
een niemand bevredigend compromis, een
synthese die uit een jarenlange
worsteling met de problematiek thans tevoorschijn komt.
De
ondergetekenden willen trachten in dit
hoofdstuk hun opvatting ten aanzien
van enkele grondslagen der ontworpen
regeling nader te adstrueren. Deze
grondslagen betreffen: de rechtsgrond,
het stelsel (verzekering of verzorging,
welke soort van verzekering), de kring
der verzekerden (alleen arbeiders, ook
zelfstandigen of allen) en de
waardevastheid der uitkeringen. Het
bleek niet goed mogelijk deze
vraagstukken, die onderling zeer nauw
verbonden zijn, hier geïsoleerd te
behandelen.
Aanvankelijk
speelden, voor wat de rechtsgrond voor
een verplichte wettelijke
ouderdomsverzekering betreft, vooral
twee overwegingen een rol. Gesteld werd
dat uit het arbeidsloon ook de middelen
verkregen moeten kunnen worden om te
voorzien rblz.|24
l.k.|
in de behoeften van de oude dag. Door
invoering van een wettelijke
verzekeringsplicht waarvoor de
werkgever de premie heeft op te brengen,
schept de overheid de gewenste situatie
waarin de arbeider zijn "rechtvaardig
loon" verkrijgt.
De
tweede overweging, welke met betrekking
tot de rechtsgrond van den beginne af
een rol gespeeld heeft, was dat de
gemeenschap het recht en de plicht heeft
om zich tegen armlastigheid van een
groot deel der bejaarden te beschermen
door verzekeringsplicht op te leggen. In
het eerste hoofdstuk van deze memorie
bleek dat men deze opvatting in latere
jaren nog meer dan eens ontmoet.
In
Talma's opvattingen, die in de
ouderdomsrente "uitgesteld loon"
ziet, vindt men de gedachte aan
bescherming van de gemeenschap terug,
zij het in een andere vorm. Hij stelt
dat de wijzigingen in de
voortbrengingswijze (waarmee hij
kennelijk de proletarisering bedoelt) de
Staat noodzaken ervoor te zorgen dat
deze door de Staat beschermde
maatschappelijke verhoudingen niet tot
gevolgen leiden die het rechtsbesef
ondermijnen.
Zeer
merkwaardig is dat dr. Kuyper in
beginsel eigenlijk geen rechtsgrond voor
het opleggen van een verzekeringsplicht
van staatswege ziet. Hij constateert
eenvoudig dat bij de werklieden sedert
jaren het verlangen naar zulk een
regeling levendig was. Blijkbaar achtte
hij dit een voldoende grond om een
wetsontwerp ter zake in te dienen.
De
socialisten baseren in die dagen hun eis
tot het treffen van wettelijke
maatregelen ter voorziening in de nood
der ouden van dagen (door middel van
staatspensioen) op de meerwaardetheorie.
De arbeider zou in zijn loon niet de
volle waarde van zijn arbeid vergoed
krijgen en derhalve aanspraak hebben op
een ouderdomsuitkering, zonder dat
daarvoor nog eens afzonderlijk premie
betaald behoefde te worden.
Het
is duidelijk dat zowel de theorie
omtrent het "rechtvaardig loon"
als de meerwaardetheorie uitgaan van de
gedachte dat de arbeider tekortgedaan
is en dat in zijn oudedagsverzorging
(of deze nu door een verplichte
verzekering of door staatspensioen wordt
tot stand gebracht) een compensatie
daarvoor gegeven dient te worden.
Nolens
stak in 1911 zijn voorkeur voor een
systeem van vrijwillige verzekering niet
onder stoelen of banken en motiveerde
zijn aanvaarding van een door de
overheid opgelegde verplichting
uitsluitend op practische overwegingen.
De commissie-Engels (van het Centrum voor
Staatkundige Vorming) poneert in 1951 de
stelling dat er een op het natuurrecht
gefundeerde verplichting is voor de mens
om door arbeid te zorgen voor de oude
dag van zich en de zijnen. De practijk
leert dat velen dat niet kunnen of niet
doen. Zij worden dan op hun oude dag
armlastig en dit levert voor de Staat de
rechtsgrond op om hen te dwingen
tijdens hun actieve periode te sparen
voor later. Hier verdiept men zich, om
het zo uit te drukken, niet meer in de
schuldvraag of de arbeider tekortgedaan
is of niet. Men stelt slechts vast dat
er een maatschappelijke nood bestaat en
vindt daarin voldoende aanleiding voor
dwingend ingrijpen van staatswege.
Het
Centraal Sociaal Werkgeversverbond komt
tot een soortgelijke constructie als het
in 1952 uitspreekt dat de Overheid de
plicht heeft te bevorderen dat de leden
der gemeenschap maatregelen treffen ter
voorziening althans in de eerste
levensbehoeften op de oude dag en van de
nagelaten betrekkingen.
Een
nieuw element brengt de S.E.R.
in de
opvattingen over de rechtsgrond voor overheidsingrijpen ter zake van de
oudedagsvoorziening door in zijn advies
te betogen dat de centrale overheid
de plicht heeft tot ingrijpen indien
het ontbreken van inkomen op de oude dag
een algemeen maatschappelijk
verschijnsel wordt. In de hierdoor
ontstane nood vereist het algemeen
moreel besef ten opzichte van de naaste
dat wordt ingegrepen. Niet alleen om de
nood te lenigen, maar ook om deze in de
toekomst te voorkomen.
In R.K.-kringen is de opvatting omtrent het
"rechtvaardig loon", dat
voldoende zou moeten zijn om daaruit ook
de zorg voor de oude dag te kunnen
bekostigen, vervangen door de gedachte
van de "rechtvaardige prijs", uit
welke prijs allen, dus rblz.|24
r.k.|
ook
de zelfstandigen die aan de
totstandkoming van het product hebben
meegewerkt, niet alleen hun dagelijks
levensonderhoud, maar ook de zorg voor
hun oude dag moeten kunnen bekostigen.
De gedachtengang op zichzelf lijkt
aanvaardbaar. In de concrete
werkelijkheid valt echter nimmer uit te
maken of een bepaald inkomen uit arbeid
nu inderdaad voldoende is om daaruit de
zorg voor de oude dag ook werkelijk te
kunnen bekostigen. Zou men uitsluitend
oordelen naar de stijging van de
inkomens zoals deze in de laatste
tientallen van jaren is tot stand
gekomen, dan is men geneigd de vraag
voor vrijwel alle inkomens bevestigend
te beantwoorden. Houdt men er echter
rekening mee dat techniek en wetenschap
in dezelfde periode de behoeftebevredigingsmiddelen en daarmee
de behoeften zelf verveelvoudigd
hebben, dan aarzelt men. Of een bepaalde
persoon in staat is iets of veel voor
zijn oude dag uit zijn inkomen te
reserveren, hangt niet in de eerste
plaats af van de objectieve hoogte van
zijn inkomen, maar van het gevoelde
welvaartstekort en dat is een zeer
subjectief gegeven, te subjectiever
omdat de omstandigheden in de
onderscheidene gezinshuishoudingen zo
sterk uiteenlopen. Vaststellen of in een
concreet geval sparen voor de oude dag
achterwege gebleven is omdat "de
rechtvaardige prijs" niet verkregen
werd, dan wel uit zorgeloosheid of door
andere omstandigheden, is derhalve niet
mogelijk. Nog veel onmogelijker is het
dit te constateren voor bepaalde
maatschappelijke groeperingen in haar
geheel.
Het
is dan ook niet verwonderlijk dat velen
er de voorkeur aan geven zich niet
langer te verdiepen in de vraag of de
arbeider dan wel de zelfstandige, dan
wel beiden, in hun loon respectievelijk
inkomen tekortgedaan werden wanneer
zij niet voor de oude dag hebben
gezorgd. Men stelt eenvoudig het feit
van de bestaande nood vast en leidt
daaruit, gezien ook de solidariteit ten
opzichte van de niet meer tot werken in
staat zijnde naaste, de noodzaak voor de
Staat af om in het algemeen belang in
te grijpen en een wettelijke regeling te
treffen.
Deze
rechtsgrond leidt niet automatisch - gelijk de rechtsgrond van het
"rechtvaardig
loon" wel doet - tot de conclusie dat er een wettelijk
geregelde verzekeringsplicht moet worden
opgelegd. Ook de wel gebezigde
rechtsgrond dat de samenleving zich
tegen armlastigheid van een groot deel
zijner bejaarde leden moet beschermen,
kan evengoed tot een verzorgings- als
tot een verzekeringsstelsel leiden.
Wanneer
de ondergetekenden dus concluderen dat,
op welke motieven dan ook, de overgrote
meerderheid van ons volk aanvaardt dat
de overheid het recht en de plicht heeft
om enigerlei vorm van
oudedagsvoorziening tot stand te brengen
(en de volksvertegenwoordiging maakte
zich tot tolk van deze communis opinio
door met algemene stemmen de Noodwet
Ouderdomsvoorziening in 1947 te
aanvaarden, ondanks bezwaren tegen
sommige onderdelen van de regeling), dan
is daarmee de vraag nog niet beantwoord
volgens welk systeem deze
oudedagsvoorziening moet worden tot
stand gebracht.
De
voorvechters van staatspensioen, voor
zover deze uit socialistische kring
stamden, waren van mening dat de
arbeiders die ten bate van de gehele
gemeenschap gewerkt hadden slechts een
deel van het hun toekomende loon
ontvangen hadden, zodat zij niet op de
werkgevers, maar op de gemeenschap in
haar geheel een claim hadden om op hun
oude dag zonder premiebetaling een
uitkering voor levensonderhoud te
ontvangen.
De voorstanders van de
verzekeringsgedachte hebben hun voorkeur
voor de "verzekering"
aanvankelijk vooral sterk met negatieve
argumenten verdedigd. Staatspensioen zou
"bedeling" zijn. Staatspensioen
zou geen "recht" op een uitkering
geven en dus neerkomen op
staatsarmenzorg. Voorts werden de hoge
kosten verbonden aan staatspensioen als
een bezwaar aangevoerd, alsook het feit dat men via staatspensioen wel in
de zorg voor de oude dag kon voorzien,
maar niet in de gevolgen van
invaliditeit.
Zoals
hierboven werd weergegeven, impliceerde
de rechtsgrond welke Talma, Aalberse en
anderen zagen voor staatsingrijpen ten
bate van de oude arbeider, een oplossing
via wettelijk verplichte verzekering. De
werkgever diende te worden verplicht
een "rechtvaardig loon" te
betalen, dat in twee rblz.|25
l.k.|
delen uiteenviel, een deel voor onmiddellijke
consumptie en een deel dat via
verzekering gereserveerd werd voor de
oude dag. Hierop sluit logisch aan dat
de premie voor de Invaliditeitswet
geheel door de werkgever wordt betaald.
Hieruit blijkt wel dat destijds het
later zo vaak gehoorde argument ten
gunste van verzekering, namelijk dat
deze ertoe bijdraagt dat de verzekerde
zich persoonlijk mededrager voelt van
de verzekering waaraan hij zelf
meebetaalt, slechts op de achtergrond
meespeelde.
Met
het in onbruik raken van de
meerwaardetheorie kreeg de voorkeur van
de socialisten voor staatspensioen een
meer practisch accent.
De
niet-socialistische voorstanders van
staatspensioen, die men niet
uitsluitend, maar wel in hoofdzaak in
liberale en vrijzinnig-democratische
kring vond, voerden het pleit voor
staatspensioen óók vooral aan de hand
van practische argumenten. Samenvattend
kwamen deze argumenten ongeveer op het
volgende neer. De onmogelijkheid om van
deze groep regelmatig premie te innen en
deze premie vast te stellen, sluit bij
een verzekeringsstelsel de (kleine)
zelfstandigen van de regeling uit. Ten
onrechte naar veler mening.
Aanvankelijk
betoogden sommige voorstanders van een
ouderdomsverzekering dat er voor het
opnemen van zelfstandigen daarin geen
rechtsgrond was. Andere voorstanders van
de "verzekering" zagen geen
principieel bezwaar tegen opneming van
de (kleine) zelfstandigen, doch zagen
geen kans de practische moeilijkheden
die zich daarbij voordeden op te
lossen. Weer anderen verklaarden (nog)
geen aanleiding te zien om in de
vrijheid van de zelfstandigen in te
grijpen, zo bijvoorbeeld Nolens. Maar de
voorstanders van staatspensioen hebben
hun voorkeur voor dat stelsel bijna
altijd ook op de noodzaak om de kleine
zelfstandigen daarin te betrekken,
gebaseerd.
In
de latere jaren, en met name na 1945,
wint de opvatting dat ook de kleine
zelfstandigen onder een wettelijk
geregelde verplichte
ouderdomsvoorziening zouden moeten
vallen steeds meer veld.
Reeds
vóór de Tweede Wereldoorlog had de Koninklijke
Nederlandse Middenstandsbond zich in
tegenstelling tot de beide confessionele
middenstandsorganisaties voor een
algemene ouderdomsregeling
uitgesproken.
Een
commissie uit N.V.V. en S.D.A.P.
verlangde in 1938 een algemene regeling
van staatspensioen (dus niet alleen voor
loontrekkenden), doch kwam tot de
conclusie dat als aanvulling op dit
staatspensioen verzekeringsregelingen
nodig zouden zijn. Een nieuw element
dus in de gedachtenwereld van de
voorstanders van staatspensioen.
Bij
de behandeling in 1939 van de door prof.
Romme verdedigde Kinderbijslagwet in de
Tweede Kamer stelden én de Minister én
een groot deel der Kamerleden zich op
het standpunt dat de kleine
zelfstandigen onder de
kinderbijslag- en onder een aantal
andere socialeverzekeringswetten
behoren te vallen. Prof. Romme week
slechts voor technisch-administratieve
moeilijkheden.
De commissie-Van Bruggen stelde zich (in
1942) op het standpunt dat de kleine
zelfstandigen ook tot de economisch
zwakke groepen behoren en dat
zij derhalve onder een aantal socialeverzekeringswetten dienen te vallen. De
commissie-Van Rhijn ging onder de
invloed van in de oorlog ontstane
denkbeelden inzake sociale zekerheid,
nog een stap verder en betoogde dat de
Staat aansprakelijk is voor de sociale
zekerheid van een ieder die het
redelijke doet om zich die sociale
zekerheid zelf te verschaffen.
Op
het congres van de Vereniging van Raden
van Arbeid in 1946 sprak een politiek
gesproken zeer gemengd gezelschap zich
uit voor een uitbreiding van de kring
van sociaalverzekerden tot de kleine
zelfstandigen.
De
wenselijkheid om de (kleine)
zelfstandigen in een wettelijk
geregelde ouderdomsverzekering op te
nemen, werd in de jaren na de oorlog
steeds minder in twijfel getrokken. In
het parlement bestond daarover een
communis opinio, hetgeen bleek toen in
1947 de Noodwet Ouderdomsvoorziening, rblz.|25
r.k.|
die
ook de kleine zelfstandigen in de
regeling opnam, met algemene stemmen
werd aanvaard.
Behalve
de onmogelijkheid om kleine
zelfstandigen te "verzekeren",
hadden de voorstanders van
staatspensioen nog andere pijlen op hun
boog tegen het verzekeringsstelsel. Zij
voerden aan dat bij zuivere toepassing
het nog enkele tientallen jaren zou
moeten duren aleer een verzekeringsstelsel tot redelijke
uitkeringen zou kunnen leiden. Weliswaar
kan men daarin voorzien door een
overgangsregeling, maar daarvoor moet
uit de algemene middelen geput worden en
aldus introduceert men elementen van
staatspensioen in de verzekering. Het
waren deze opmerkingen die in 1929
Minister Verschuur reeds deden zeggen
dat de afstand tussen de voorstanders
van verzekering en van staatspensioen
niet zo groot was als hij wel leek.
Een bezwaar dat ook aan een orthodox
systeem van ouderdomsverzekering, dat
een kapitaaldekkingsstelsel impliceert,
inhaerent is, is de weerloosheid tegen
geldsontwaarding. Dat dit vooral in de
oorlogs- en naoorlogsjaren sterk ging
spreken, ligt voor de hand. Het is in
een orthodox verzekeringsstelsel niet
mogelijk gebleken de renten aan
stijgende welvaart aan te passen, zonder
omvangrijke financiële offers van de
overheid. Voorts levert ook de belegging
van de enorme reserves die in een
orthodox verzekeringsstelsel ter dekking
van de aanspraken moeten worden gevormd
de nodige bezwaren en moeilijkheden op.
Ten slotte
was gebleken dat de met speciale
faciliteiten gesteunde mogelijkheid om
zich vrijwillig te verzekeren voor een
ouderdomsrente (V.O.V. [Vrijwillige
Ouderdomsverzekering, red.]) maar matige
resultaten had opgeleverd. Evenmin als
de loontrekkende lukt het blijkbaar de
kleine zelfstandige om duurzaam een deel
van zijn inkomen voor de oude dag te
bestemmen wanneer daartoe geen
wettelijke verplichting bestaat.
Het
lijkt verwonderlijk dat onder invloed
van al deze overwegingen na de
bevrijding de beweging voor
staatspensioen maar weinig aan invloed
bleek te hebben gewonnen. Dit stelsel
immers was, althans onder de vooroorlogse verhoudingen en bij de
vooroorlogse opvattingen, het middel bij
uitstek om alle genoemde desiderata en
bezwaren tot een oplossing te brengen,
ook al hadden vele voorstanders van
staatspensioen vóór de oorlog al
ingezien dat men er met staatspensioen
alleen ook niet kwam.
Dat nochtans een
krachtige opbloei van de beweging voor
staatspensioen is uitgebleven, kan
wellicht verklaard worden uit de grotere
nadruk welke kwam te liggen op de
persoonlijke
bestaansverantwoordelijkheid. Een
reactie misschien op de volstrekte
negatie van dit besef in de autoritaire
staten? Hoe dit zij, veler voorkeur ging
en gaat uit naar een systeem van
oudedagsvoorziening dat aan alle
verzekerden het verband tussen de offers
(de premiën) en de lusten (de renten)
duidelijk voor ogen stelt. Bij
staatspensioen is dit verband er voor de
collectiviteit ook wel, maar het
bestaat niet voor de zorgeloze en het is
voor alle gewone stervelingen in elk
geval tamelijk "onzichtbaar".
Hoe
echter in een verzekeringssysteem de
hiervoor gereleveerde zeer ernstige
bezwaren te ondervangen? Hier kwam de
wetenschap te hulp. Gelijk uit hoofdstuk
1 blijkt, lieten wetenschappelijke
beoefenaren der sociale wetenschappen
het standpunt los dat slechts dan van "verzekering" gesproken zou mogen
worden wanneer er een evenredigheid
bestaat tussen de voor en/of door een
verzekerde betaalde premiën en de aan
deze verzekerde uit te keren rente. Een
veel ruimere opvatting kwam in de plaats
van het orthodoxe verzekeringsbegrip.
Van sociale verzekering is volgens deze
opvatting sprake indien een groep van
personen uit inkomen of vermogen
bijdraagt aan een fonds waaruit
uitkeringen gedaan worden aan personen
tot dezelfde groep behorende, ingeval
bepaalde calamiteiten die de hele groep
bedreigen werkelijkheid worden. In een
dusdanig systeem wordt financiering door
middel van een omslagstelsel mogelijk,
hetgeen een aanpassing van de renten aan
eventuele geldsontwaarding of stijgende
dan wel dalende welvaart binnen het
bereik der mogelijkheden brengt. Zulk
een systeem maakt voorts rblz.|26
l.k.|
de
opstapeling van enorme kapitalen
overbodig. Ook de wijze van premievaststelling en -inning werd niet
langer als één van de criteria voor het
bestaan van een verzekeringsstelsel
gezien. Dientengevolge kon in deze
conceptie ook bij een
verzekeringssysteem het vraagstuk van de
premievaststelling en -inning van kleine
zelfstandigen tot een doeltreffende
oplossing worden gebracht door het aan
de belastingdienst op te dragen.
Dat
de nieuwe conceptie van het begrip
sociale verzekering niet pour besoin de
la cause in Nederland is uitgedacht,
blijkt behalve uit de internationale
litteratuur, ook uit de in hoofdstuk
1 geciteerde uitspraak van een commissie
van het Internationaal Arbeidsbureau.
En zie daar dan de synthese. Een
verzekeringsstelsel dat zo is opgezet
dat het vrijwel alle door de
voorstanders van staatspensioen
geopperde bezwaren tegen "verzekering"
kan ondervangen, zonder nochtans
wezenlijk tekort te doen aan een
duidelijk zichtbaar verband tussen offer
en uitkering, sterker nog, dat allen
volgens een beperkt draagkrachtbeginsel
dwingt een offer te brengen.
Tot
dusver was bij de bespreking van de
vraag of de ouderdomsverzekering
buiten de kring van de loontrekkenden
uitgebreid diende te worden steeds
sprake van "kleine"
zelfstandigen. Heeft het inderdaad zin
de opneming van zelfstandigen in een
wettelijke verplichte
ouderdomsverzekering te beperken tot "kleine"
zelfstandigen? Zijn er
zelfstandigen of andere
niet-loontrekkenden van wie met
voldoende zekerheid vaststaat dat zij
te zijner tijd zelf voor hun
levensonderhoud kunnen zorgen wanneer
zij de leeftijd van 65 jaar bereikt
hebben? De grote calamiteiten welke de
wereld getroffen hebben en wederom
kunnen treffen - oorlogen, revoluties,
natuurrampen, economische crises -, hebben ons te dien aanzien in ons
oordeel heel wat voorzichtiger gemaakt
dan men vroeger was. Maar ook de
wisselvalligheden in het persoonlijk lot
zijn zo groot dat vrijwel niemand zeker
weet of hij niet te eniger tijd zoveel
op zijn bezit moet interen of tot afkoop
van eenmaal gesloten verzekeringen moet
overgaan dat tegen alle verwachtingen
in op 65-jarige leeftijd de
ouderdomsrente een zeer welkome
mogelijkheid is. Het bestaan van de "vergeten groepen" is een baken
in zee. De ondergetekenden zijn
dienovereenkomstig met de S.E.R. van
mening - zij komen hierop in hoofdstuk
3 nog uitvoeriger terug - dat het
niet juist zou zijn personen met hogere
inkomens van de komende verplichte
ouderdomsverzekering uit te sluiten.
Uit
het voorgaande blijkt dat uit de
eertijds zo sterk divergerende meningen
ten aanzien van rechtsgrond, vorm en
inhoud der voorziening en kring van
verzekerden een zodanige mate van
overeenstemming is ontstaan dat het
thans mogelijk geacht moet worden met
instemming van de overgrote meerderheid
der beide Kamers van de Staten-Generaal
een systeem van wettelijke verplichte
ouderdomsverzekering voor alle
Nederlanders in te voeren.
In
stede van een bedreiging voor het besef
van persoonlijke
bestaansverantwoordelijkheid zien de
ondergetekenden in het thans
voorgestelde verzekeringsstelsel veeleer
juist een aan de huidige
maatschappelijke verhoudingen aangepaste
mogelijkheid om met deze persoonlijke
bestaansverantwoordelijkheid op het stuk
van de oudedagsvoorziening ernst te
maken.
De
rechtsgrond voor zulk een voorziening
zouden de ondergetekenden aldus willen
formuleren:
In
de huidige maatschappelijke verhoudingen
kan de gedachte van de persoonlijke
verantwoordelijkheid ook voor het
materieel bestaan tijdens de oude dag
slechts op vruchtbare wijze gerealiseerd
worden door middel van een stelsel van
verplichte algemene
ouderdomsverzekering. Derhalve heeft de
staat in het algemeen belang de plicht
en het recht om zulk een verzekering tot
stand te brengen.
3.
Kring
der verzekerden
Uit
de beschouwingen welke in het vorige
hoofdstuk aan het vraagstuk van de
rechtsgrond zijn gewijd, blijkt dat
naar rblz.|26
r.k.|
de
mening van de ondergetekenden de nieuwe
ouderdomsverzekering algemeen verplicht
dient te worden gesteld. Volgt uit de
rechtsgrond reeds dat de gehele
bevolking, omvattende loonarbeiders,
zelfstandigen en de overige niet-loontrekkenden, bij deze
verzekering dient te worden betrokken,
evenzeer leiden overwegingen van
practische aard, zoals uit dit hoofdstuk
nader zal blijken, tot het aanvaarden
van een volksverzekering.
Zoals
in het vervolg van deze memorie nog
nader zal worden toegelicht, zijn de
ondergetekenden van oordeel dat er een
verplichte ouderdomsverzekering dient
tot stand te komen welke een
bodempensioen waarborgt dat voor iedere
pensioengerechtigde gelijk is. Het ligt
daarom voor de hand dat één zelfde
regeling wordt getroffen voor alle
groepen van de bevolking. Dit laatste
is ook om administratieve redenen
gewenst. Zou immers voor verschillende
groepen van de bevolking een
afzonderlijke regeling worden getroffen,
dan zouden voortdurend de overgangen
van de ene naar de andere regeling
moeten worden nagegaan. Velen zijn nu
eens als loontrekkende, dan weer als
zelfstandige werkzaam. Dat zulks
uitgebreide administratieve
beslommeringen met zich zou brengen,
behoeft wel geen betoog.
Zijn
de ondergetekenden dan van oordeel dat
er één regeling moet komen waarbij
alle groepen van de bevolking zijn
betrokken, nochtans zou men kunnen
stellen dat de verplichte algemene
verzekering zich niet behoeft uit te
strekken tot personen die in goede doen
verkeren, zoals zij wier inkomen boven
een zekere grens uitkomt of die over een
aanzienlijk vermogen beschikken.
Hetzelfde zou men kunnen zeggen van
personen voor wie reeds een behoorlijke
oudedagsvoorziening geldt.
Niettemin
zijn de ondergetekenden, zoals in het
vervolg van dit hoofdstuk nader zal
worden uiteengezet, van oordeel dat de
algemene ouderdomsverzekering zich ook
tot deze categorieën van de bevolking
dient uit te strekken.
Voorts
zullen in dit hoofdstuk de redenen
worden aangegeven die het wenselijk
maken ook de gehuwde vrouw in de
verzekering te betrekken. Ten slotte zal
ook nog aandacht worden geschonken aan
de positie van de niet-ingezetenen die
hier te lande werkzaam zijn.
a. Personen wier inkomen of vermogen boven
een bepaalde grens uitgaat
Het is in de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving - zulks in
tegenstelling tot de meeste buitenlandse
wetgevingen - een niet ongebruikelijke
figuur dat personen wier inkomen of
loon een bepaalde grens overschrijdt
buiten de verzekering worden gehouden.
Zo kennen onze invaliditeits- en
ouderdomsverzekering, onze
ziekengeld- en
ziektekostenverzekering en onze
werkloosheidsverzekering een loongrens
van ƒ6000,-. Aan de uitsluiting van
de hoger gesalarieerden ligt de gedachte
ten grondslag dat de verplichte sociale
verzekering beperkt dient te blijven tot
de economisch zwakkeren, tot hen wier
inkomen van dien aard is dat zij niet
zelf de zich voordoende sociale risico's
kunnen dragen, terwijl zij zonder
wettelijke dwang er niet toe komen zich door
verzekering tegen deze risico's te
dekken. De hoger gesalarieerden, aldus
is de gedachtengang, moet men niet tot
verzekering verplichten, wijl deze
hetzij over voldoende middelen
beschikken om zelf tot het sluiten van
een verzekering over te gaan, hetzij een
zodanig inkomen genieten dat zij
daaruit ook in kwade dagen in hun
levensonderhoud kunnen voorzien.
Naast
verplichte sociale verzekeringen welke
aan een loongrens gebonden zijn, kent
onze wetgeving ook takken van
verzekering welke een zodanige grens
niet kennen. Gewezen moge worden op de
ongevallenverzekering en de
kinderbijslagverzekering. Het bij deze
wetten toegepaste stelsel dient naar de
mening van de ondergetekenden ook bij de
nieuwe ouderdomsverzekering te worden
gevolgd. Voor het niet binden van de
nieuwe ouderdomsverzekering aan een
loon- of inkomensgrens pleiten naar hun
mening verschillende redenen.
Het
genieten van een hoog inkomen in de
actieve periode is op zichzelf geen
waarborg dat men ook voldoende
bestaansmiddelen zal hebben wanneer men
te zijner tijd de arbeid zal rblz.|27
l.k.|
hebben
neergelegd. Van tevoren kan nimmer met
zekerheid worden gezegd dat men bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd geen
behoefte aan ouderdomspensioen zal
hebben. Het is dan ook redelijk dat
personen die tijdens hun actieve
periode in goede doen verkeren
verplicht worden deel te nemen in een
ouderdomsverzekering, opdat ook zij
gedekt zijn wanneer in latere jaren
blijkt dat de vroegere voorspoed van
voorbijgaande aard is geweest. Terecht
zou er aanstoot aan kunnen worden
genomen dat degenen die op grond van
hun inkomen van de verzekering zouden
zijn vrijgesteld en die op 65-jarige
leeftijd niettemin in behoeftige
omstandigheden komen te verkeren, van
kerkelijke of van particuliere zijde dan
wel van overheidswege zouden moeten
worden onderhouden; en zulks alleen
omdat van hen niet de offers voor de
ouderdomsverzekering zijn gevraagd,
welke wel door hun minder goed
gesitueerde medeburgers moesten worden
gebracht.
Naast
dit argument pleiten nog verschillende
andere redenen ervoor om ook personen
met een hoger inkomen niet van de
verplichte ouderdomsverzekering uit te
sluiten.
Zo
brengt het beginsel der solidariteit
mede dat men niet op grond van zijn
groter inkomen wordt vrijgesteld van
verplichtingen welke de wettelijke
ouderdomsverzekering voor het overige
deel der bevolking met zich brengt.
Verzekerden
voor wie de verhouding premie-uitkering
ongunstig ligt, worden van de beoogde
verzekering niet uitgesloten. Doch door
anderzijds de gunstige risico's, namelijk
de
personen uit de hogere inkomensgroepen,
niet buiten de verzekering te houden,
wordt de te betalen premie binnen
redelijke grenzen gehouden. De
inschakeling van deze gunstige risico's
is noodzakelijk om een afdoende
verzekering voor de economisch
zwakkeren feitelijk mogelijk te maken.
Men
zou voorts kunnen stellen dat degenen
wier inkomen een bepaalde maximumgrens
overschrijdt voldoende gelegenheid
hebben om eigen voorzieningen voor de
oude dag te treffen. Op dit punt sluiten
de ondergetekenden zich gaarne aan bij
de S.E.R. wanneer
deze zegt dat geenszins vaststaat dat
degenen die op grond van de hoogte van
hun inkomen zelf voor hun oude dag
kunnen zorgen, dit in feite ook doen,
terwijl controle daarop bezwaarlijk is
uit te oefenen en een omvangrijke
apparatuur zou vergen. Blijkt achteraf
dat de betrokkenen nalatig zijn geweest,
dan zullen zij toch aangewezen zijn op
ondersteuning door de gemeenschap.
Nog
afgezien hiervan zullen eventuele eigen
voorzieningen, zoals de S.E.R. terecht
opmerkt, slechts aanspraken kunnen geven
op nominale geldsbedragen waarvan de
toekomstige reële waarde onzeker is.
Met de S.E.R. achten
de ondergetekenden het daarom gewenst
dat ook de hogere inkomenstrekkers in
het genot van een gewaarborgde reële
aanspraak worden gesteld. Daartoe is het
echter nodig dat zij in de wettelijke
verzekering worden opgenomen, aangezien
slechts deze een dusdanige waarborg kan
bieden.
Voorts
dient men te bedenken dat het niet vaak
zal voorkomen dat iemands inkomen
gedurende de gehele actieve periode van
zijn leven boven de gestelde grens zal
uitgaan. De S.E.R. wijst erop dat in het bijzonder onder
de hogere inkomenstrekkers zich een
relatief groot aantal zelfstandigen
bevindt wier inkomen sterk kan
fluctueren. Deze personen zouden,
wanneer een inkomensgrens zou worden
gesteld, nu eens wel en dan weer niet
onder de verzekering vallen. Het is zeer
twijfelachtig of juist deze personen in
de "zeven vette jaren" wel eigen
pensioenvoorzieningen zullen treffen.
Gesteld echter dat een inkomensgrens zou worden
gesteld, dan zou er alle aanleiding
bestaan deze zeker niet lager te stellen
dan ƒ6000,-
per jaar, welk
bedrag thans reeds geldt als loongrens
voor de Werkloosheidswet, de
Invaliditeitswet, de Ziektewet en het
Ziekenfondsenbesluit. Indien een
maximumgrens van ƒ6000,-
per
jaar zou worden gesteld, dan zou dit
betekenen dat een betrekkelijk kleine
categorie van de verzekering zou zijn
vrijgesteld. Dit zou tevens betekenen
dat de administratie der verzekering
terwille van deze kleine rblz.|27
r.k.|
categorie
bijzonder zou worden bemoeilijkt. Immers,
er zou niet slechts een eenmalig
onderscheid moeten worden gemaakt tussen
verzekeringsplichtigen en niet-verzekeringsplichtigen, doch in
verband met de vele mogelijke
wisselingen van het inkomen zou
voortdurend individueel per verzekerde
moeten worden nagegaan of hij nog -
c.q. wederom -
aan de voorwaarden
voor verzekeringsplicht voldoet. Dit zou
zeer veel administratieve rompslomp met
zich brengen, waarvan de kosten niet
mogen worden onderschat.
Ten slotte
zij erop gewezen dat het stelsel van
de zogenaamde beperkte registratie, hetwelk
de grondslag vormt voor de
administratieve opzet van de
voorgenomen voorziening -
zie hoofdstuk 9 -,
slechts geëffectueerd
kan worden wanneer de gehele bevolking
onder de voorziening valt.
Op
al de vorenuiteengezette gronden zijn de
ondergetekenden tot de overtuiging
gekomen dat in de nieuwe
ouderdomsverzekering geen inkomensgrens
dient te worden gesteld. Het spreekt van
zelf dat zij er zich over verheugen
dat hun opvatting ten deze aansluit bij
de zienswijze van de S.E.R.
Hetgeen
hierboven is opgemerkt ten aanzien van
personen wier inkomen boven een te
stellen maximumgrens uitgaat, geldt
mutatis mutandis evenzeer ten aanzien
van degenen die over een aanzienlijk
vermogen beschikken en daaruit inkomsten
genieten. Hun vermogen toch is bij
voortduring onderworpen aan
verschillende economische risico's welke
ertoe kunnen leiden dat het
niet meer toereikend is om in het levensonderhoud van de gerechtigde te
voorzien. Doet deze eventualiteit zich
voor, zo betoogt de S.E.R., dan zal het veelal niet meer
mogelijk zijn door deelneming aan het
arbeidsproces zulk een inkomen te
verwerven dat men hieruit in zijn
levensonderhoud kan voorzien en tevens
een voldoende oudedagsvoorziening kan
opbouwen.
Ten slotte
mogen ook hier niet worden voorbijgezien
de administratieve bezwaren verbonden
aan het eventueel uitsluiten van een
betrekkelijk kleine groep van personen.
Met de S.E.R. zijn de
ondergetekenden dan ook van oordeel dat
de nieuwe ouderdomsverzekering zich ook
tot deze groep van inkomenstrekkers
dient uit te strekken.
h. Personen voor wie reeds een voorziening
voor de oude dag is getroffen
Indien
er geen aanleiding bestaat personen
boven een bepaalde inkomensgrens van de
verzekering vrij te stellen, dan kan
niettemin de vraag worden gesteld of aan
personen voor wie reeds een behoorlijke
ouderdomsvoorziening geldt, deze
faciliteit moet worden verleend. Ook
voor diegenen voor wie, in welke vorm
dan ook, reeds een behoorlijke
ouderdomsvoorziening geldt, dient naar
de mening van de ondergetekenden geen
vrijstelling van de algemene
ouderdomsvoorziening te worden verleend.
Immers - en hierbij sluiten de ondergetekenden zich weer geheel aan
bij de S.E.R.
- zijn
de zeer vele overgangen van de ene
onderneming naar de andere enerzijds en
het afwisselend bekleden van functies in
particuliere dienst en in
overheidsdienst anderzijds, er de
oorzaak van dat zeer velen slechts
aanspraak kunnen doen gelden op een
pensioen dat door het geringe aantal
dienstjaren laag blijft. Daarenboven is
het een bezwaar - hierop werd reeds
eerder gewezen - dat de bijzondere
voorzieningen slechts aanspraken kunnen
geven op nominale geldsbedragen.
Een
ander zwaarwegend argument om degenen
die onder een bijzondere regeling vallen niet buiten de algemene ouderdomsverzekering te houden, bestaat
voorts hierin dat het verlenen van
deze vrijstelling de administratie van
de te treffen algemene voorziening enorm
zou verzwaren. De gevallen waarin
uitzonderingen zouden moeten worden
toegestaan, zouden zeer talrijk zijn.
Een ingewikkelde administratie zou nodig
zijn in verband met de vele mutaties.
Uit administratief oogpunt moet het dan
ook onvermijdelijk worden geacht dat bijvoorbeeld voor de ambtenaren geen uitzondering
op de algemene regel wordt gemaakt.
Hoewel het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds hun in het algemeen een
behoorlijk ouderdomspensioen garandeert,
rblz.|28
l.k.|
dienen
ook voor de ambtenaren de in het
onderhavige ontwerp neergelegde
voorzieningen te gelden. Hetzelfde geldt
voor de militairen, het
spoorwegpersoneel, de mijnwerkers en
eventuele andere soortgelijke groepen.
Het
is duidelijk dat de administratieve
bezwaren, welke ertoe nopen om bijvoorbeeld
de
ambtenaren onder de algemene regeling te
doen vallen, in versterkte mate gelden
voor individuele voorzieningen welke
eventueel door zelfstandigen zijn
getroffen. Er zou een leger van
ambtenaren in het leven moeten worden
geroepen om controle op deze individuele
voorzieningen uit te oefenen en om na te
gaan of deze voorzieningen inderdaad nog
actief worden onderhouden.
Ten slotte
zij wellicht ten overvloede nog
opgemerkt dat het stelsel der beperkte
registratie hetwelk aan de
administratieve opzet van de algemene
regeling ten grondslag ligt - zie hoofdstuk
9 -, staat of valt met het
al dan niet achterwege laten van
uitzonderingen op de verzekering.
c.
Positie gehuwde vrouw
Zoals
boven uiteengezet, strekt de
voorgestelde regeling zich uit tot de
gehele bevolking. De bevolking werd
hierboven onderverdeeld in drie
categorieën: de loontrekkenden, de
zelfstandigen en de overige
niet-loontrekkenden.
Een
gehuwde vrouw die als loontrekkende of
zelfstandige aan het arbeidsproces
deelneemt, valt uiteraard als zodanig
onder de verzekering. Dient dit echter
ook, zo zou men zich kunnen afvragen, te
gelden voor de gehuwde vrouw die niet
aan het productieproces deelneemt, doch
in haar eigen huishouding werkzaam is?
De
ondergetekenden hebben zich afgevraagd
of er redenen zouden kunnen zijn om de
in haar eigen huishouding werkzame
gehuwde vrouw van de verzekering uit te
sluiten. Zij zien deze evenwel niet.
Integendeel, er zijn verschillende
overwegingen op grond waarvan de
gehuwde, in haar eigen huishouding
werkzame vrouw wél onder de
verzekering dient te vallen. Het is van
belang dat ook de gehuwde vrouw
zelfstandig een pensioen opbouwt voor de
oude dag. Is zij bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd nog gehuwd, dan heeft
zij bijgedragen - hierop wordt in hoofdstuk
4 nader teruggekomen - aan
de opbouw van het pensioen van haar
echtgenoot, hetwelk voor hen beiden
bestemd is. Is een gehuwde vrouw op haar
oude dag weduwe of gescheiden vrouw
geworden, dan kan zij, doordat zij zelf
een pensioen heeft opgebouwd,
zelfstandig op een ouderdomspensioen
aanspraak maken.
In
het kader van een algemene voor de
gehele bevolking geldende
ouderdomsverzekering zou het weinig
passen een gehuwde, in haar eigen
huishouding werkzame vrouw van de
verzekering uit te sluiten. Zeer vele
gehuwde vrouwen zijn vóór haar
huwelijk als loontrekkende in de
verzekering opgenomen geweest. Sommigen
blijven ook tijdens haar huwelijk korter
of langer tijd in het bedrijfsleven of
elders werkzaam en dus
verzekeringsplichtig. Daarnaast zoeken
vele gehuwde vrouwen wanneer zij
eventueel vroegtijdig weduwe worden,
opnieuw een werkkring. Voorts zijn tal
van gescheiden vrouwen genoopt opnieuw
in het arbeidsproces te treden om in
haar levensonderhoud te kunnen
voorzien. Hieruit volgt dat vele der in
haar eigen huishouding werkzame gehuwde
vrouwen hetzij vóór, hetzij tijdens,
hetzij na haar huwelijk onder de
verzekering vallen. In het belang van de
continuïteit der verzekering is het
noodzakelijk deze ook gedurende de tijd
dat de gehuwde vrouw in haar eigen
huishouding werkzaam is, te doen
doorlopen. Zou dit niet geschieden, dan
zou zulk een vrouw slechts op een
gereduceerd pensioen aanspraak kunnen
maken.
Voorts
geldt ook ten aanzien van de gehuwde
vrouwen dat, wanneer deze niet in de
verzekering zouden worden betrokken, het
stelsel der beperkte registratie
bezwaarlijk uitvoerbaar zou zijn.
Concluderende
kan dus worden gesteld dat de gehuwde
vrouw, ongeacht of zij al of niet aan
het productieproces deelneemt, in de
verzekering dient te worden en te
blijven opgenomen.
rblz.|28
r.k.|
Dat
de positie van de gehuwde vrouw
bijzondere voorzieningen eist ten
aanzien van het recht op
ouderdomspensioen alsmede ten aanzien
van de premiebetaling zal in hoofdstuk
4, onderscheidenlijk in hoofdstuk
5, van
deze memorie nader worden uiteengezet.
d.
Niet-ingezetenen
De
opzet van de regeling brengt mede dat
in beginsel ieder die hier te lande
woont verzekerd zal dienen te zijn.
Voorts zullen ook degenen die niet hier
te lande hun woonplaats hebben, doch
die hier te lande als werknemer werkzaam
zijn, onder de verzekering dienen te
vallen. Met name wordt hier gedacht aan
de grensarbeiders. Internationaal wordt
immers algemeen als gedragslijn aanvaard dat een werknemer zijn
pensioen opbouwt in het land waar hij
werkt. Het opnemen in de verzekering van
alle hier te lande werkzame werknemers
is bovendien wenselijk ter vermijding
van ongelijke concurrentieverhoudingen
welke zouden ontstaan indien
niet-ingezetenen van de verzekering en
derhalve van de daaraan verbonden
premiebetaling zouden worden
vrijgesteld.
Uiteraard
doen zich hier een aantal speciale
kwesties voor in verband met cumulatie
met buitenlandse regelingen welke
eventueel van toepassing kunnen zijn bij
tijdelijk verblijf hier te lande,
grensarbeid, enz. Verschillende punten
zullen bij de onderscheidene verdragen
moeten worden geregeld. Bij de
toelichting op de afzonderlijke
artikelen zal hierop nader worden
teruggekomen.
Het
komt de ondergetekenden vooralsnog niet
gewenst voor buiten Nederland wonende
personen die hier te lande als
zelfstandige werkzaam zijn, in de
verzekering te betrekken. Anders dan ten
aanzien van de werknemers is er
aangaande de zelfstandigen geen
internationaal aanvaarde regel die
hiertoe zou nopen. Voorts is het aantal
als zelfstandige hier te lande werkzame
niet-ingezetenen gering.
4.
Het ouderdomspensioen
4.1. Pensioengerechtigde leeftijd
Algemene
regel: 65 jaar
De vraag op welke
leeftijd de pensioengerechtigdheid een
aanvang dient te nemen, is de laatste
jaren druk besproken. Hierbij is in het
bijzonder in geding de vraag of het
gewenst is tot verhoging van de tot
dusver in het algemeen geldende
pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar
over te gaan. Er wordt daarbij dan
gewezen op de stijging van de gemiddelde
levensduur van de 65-jarigen. Aan deze
omstandigheid kan echter alleen dan een
argument tot verhoging van de
pensioengerechtigde leeftijd worden
ontleend indien mét de verhoging van
de gemiddelde levensduur ook een
verhoging van het prestatievermogen van
65-jarigen en ouderen gepaard zou gaan.
Dit is echter nog niet gebleken. In
publicatie nr. 2 van de Staatscommissie
voor de Pensioenwetgeving, welke handelt
over de pensioengerechtigde leeftijd, is
er daarentegen op gewezen dat noch in
het feit dat de medische wetenschap
vooruitgang heeft geboekt, noch in de
verbeterde hygiënische omstandigheden
een aanleiding kan worden gevonden tot
de verwachting dat de prestatiecurve
zich in opwaartse richting heeft
verschoven.
Voorts heeft men wel
gesteld dat de toeneming van het aantal
bejaarden om financiële redenen een
argument zou kunnen leveren voor de
verhoging van de pensioengerechtigde
leeftijd. Daartegenover moet echter weer
worden overwogen of de wenselijkheid om
de werkgelegenheid voor de jongeren op
peil te houden de handhaving van de
thans algemeen gangbare leeftijdsgrens
niet meer aanbeveling doet verdienen.
De
Invaliditeitswet, de Noodwet
Ouderdomsvoorziening en het overgrote
deel van de pensioenvoorzieningen in de
private sfeer verlenen het recht op
pensioen bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd. Zou nu het
bodempensioen ingevolge de algemene
ouderdomsverzekering op latere leeftijd
ingaan, dan zou rblz.|29
l.k.|
de
aansluiting van vorengenoemde
pensioenvoorzieningen op de algemene
ouderdomsverzekering verloren gaan. Dat
dit tot allerlei moeilijkheden en
verwikkelingen zou leiden, is duidelijk.
De ondergetekenden menen dan
ook dat
het aangewezen is met betrekking tot de
pensioengerechtigde leeftijd het advies
van de S.E.R.
te volgen, die de
65-jarige leeftijd als de
pensioengerechtigde leeftijd heeft
voorgesteld. In overeenstemming met dit
advies wordt in het ontwerp de
pensioengerechtigde leeftijd dan ook
gesteld op de tot nog toe algemeen
aanvaarde leeftijd van 65 jaar. Zou in
de toekomst van een stijging van de
prestatiecurve blijken of om andere
redenen een verhoging van de
pensioengerechtigde leeftijd mogelijk,
wenselijk of onvermijdelijk worden, dan
zal dit vraagstuk voor deze ouderdomsverzekering, voor de publieke
en voor de particuliere
pensioenvoorzieningen gesynchroniseerd
moeten worden. Wetswijziging zal dan
nodig zijn.
Verhoogd
uitgesteld pensioen
De
vraag kan worden gesteld of het
wenselijk zou zijn in het kader van de
voorgestelde ouderdomsverzekering de
mogelijkheid te openen om, geheel op
basis van vrijwilligheid, voor degenen
die zulks wensen het ouderdomspensioen
op een later tijdstip dan bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd te
doen ingaan en daarbij de verschuiving
van de datum van pensionnering te
compenseren door een verhoging van het
ouderdomspensioen. Zulk een stelsel van
verhoogd uitgesteld pensioen heeft
ongetwijfeld aantrekkelijke aspecten.
Het stellen van de pensioengerechtigde
leeftijd op 65 jaar, zonder enige
mogelijkheid om daarvan af te wijken,
zal het psychologische effect hebben
dat algemeen het werk wordt gestaakt bij
het bereiken van deze leeftijd. Toch zou
het in de huidige omstandigheden zijn
voordelen hebben als na het bereiken
van de 65-jarige leeftijd door hen die
daartoe in staat zijn, werd doorgewerkt.
Hoewel,
zoals reeds eerder is opgemerkt, uit de
toename van de gemiddelde levensduur
boven de 65 jaar niet kan worden
afgeleid dat ook het prestatievermogen
van 65-jarigen en ouderen is toegenomen,
kan toch niet worden ontkend dat
verscheidene 65-jarigen zich nog
dermate vitaal gevoelen dat zij gaarne
hun arbeid nog enige tijd zouden blijven
voortzetten. Zinvolle arbeid is voor hen
van groot belang te achten. Verwacht
mag worden dat van het openen van de
mogelijkheid tot verkrijging van een
verhoogd uitgesteld pensioen enige
stimulerende werking zal uitgaan om
niet automatisch bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd de arbeid neer te
leggen. Voorts zullen degenen die van
deze mogelijkheid gebruikmaken minder
gevaar opleveren dat zij na hun 65ste
jaar "goedkope arbeidskrachten"
worden dan degenen die, terwijl zij al
pensioen genieten, blijven doorwerken.
Zoals
in het vervolg van deze memorie nader
zal worden toegelicht, zal de wettelijke
voorziening een beperkt karakter dragen.
Voor degenen die naast hun wettelijk
pensioen geen andere pensioenvoorziening
hebben, kan er veel aan gelegen zijn om,
door deelname aan het stelsel van
verhoogd uitgesteld pensioen, het
wettelijk pensioenbedrag enigermate te
verhogen. Ditzelfde geldt voor hen die
niet gedurende hun gehele actieve
periode verzekerd zijn geweest of die
gedurende hun actieve periode nalatig
zijn gebleven verschuldigde premie te
betalen. Zoals verderop blijkt, zullen
deze personen niet voor het
maximumbodempensioen in aanmerking
kunnen komen en zal hun in verband
daarmede een verhoging van het pensioen
veelal niet onwelkom zijn.
Ook
de S.E.R.
heeft in zijn advies aan de
Regering (zie blz. 48-49) het stelsel
van verhoogd uitgesteld pensioen bezien.
De
S.E.R. ontraadt voorshands de invoering
van het stelsel van verhoogd uitgesteld
pensioen en wel op de volgende gronden.
In
de eerste plaats acht de Raad het een
bezwaar dat dit stelsel elementen van
het kapitaaldekkingsstelsel invoert,
omdat de niet-opgenomen pensioenbedragen
zouden dienen te worden gereserveerd en
belegd om inderdaad later een hogere
rente mogelijk te maken. Het wil de
ondergetekenden voorkomen rblz.|29
r.k.|
dat
het niet noodzakelijk is de niet-opgenomen pensioenbedragen te
reserveren en te beleggen om later een
hogere rente mogelijk te maken. Men kan
zich voorstellen dat de op hogere
leeftijd ingaande pensioenen volgens een
bepaalde schaal worden vastgesteld,
maar, evenals de normale pensioenen,
volgens het omslagstelsel worden
gefinancierd. De introductie van het
kapitaaldekkingsstelsel is hiervoor niet
noodzakelijk. Maar ook al zou het
kapitaaldekkingsstelsel moeten worden geïntroduceerd, dan zouden de
ondergetekenden dit toch niet als een
onoverkomelijk bezwaar zien tegen het
instituut van verhoogd uitgesteld
pensioen.
Vervolgens
is de S.E.R. van oordeel dat aan het
zelf kunnen kiezen van de ene of de
andere wijze van pensionnering te grote
financiële risico's zijn verbonden. De
Raad heeft hierbij naar alle
waarschijnlijkheid gedacht aan de
mogelijkheid dat bejaarden die zich
nog vitaal voelen wél en bejaarden
die zich minder vitaal voelen niet
uitstel van pensionnering zullen vragen.
De ondergetekenden geloven niet dat de
hieruit voortvloeiende risico's van
betekenende omvang zouden zijn.
Vervolgens
betoogt de S.E.R. dat er voor degenen
die door het niet opnemen van een
ouderdomspensioen hun inkomenspositie
in latere jaren wensen te verbeteren,
andere wegen openstaan om dit te
bereiken, met name ook de weg van de
particuliere verzekering. Deze stelling
is op zichzelf juist. De vraag is maar
of velen ertoe komen van de bestaande
wegen gebruik te maken. De
ondergetekenden menen dit voorshands - althans in het algemeen
- in twijfel
te moeten trekken.
De argumenten op grond waarvan de S.E.R.
de invoering van een stelsel van
verhoogd uitgesteld pensioen voorshands
meent te moeten ontraden, achten de
ondergetekenden niet van doorslaggevende
betekenis. Ware het uitgesloten te
achten dat te eniger tijd in ons land
weer werkloosheid van betekenende omvang
zou ontstaan, dan zouden zij in dit
wetsvoorstel ongetwijfeld de
mogelijkheid om op basis van
vrijwilligheid een (verhoogd) uitgesteld
pensioen aan te vragen, hebben
vastgelegd. Nu die zekerheid niet
bestaat, menen zij niet verder te moeten
gaan dan bij algemene maatregel van
bestuur de mogelijkheid te openen dat
aan pensioengerechtigde personen die op
eigen verzoek gedurende enige tijd hun
pensioen niet opnemen, op een later
tijdstip een hoger pensioen kan worden
toegekend. De betreffende algemene
maatregel van bestuur zal - zo nodig
en gewenst - in tijden waarin de
vraag naar arbeidskrachten aanmerkelijk
ten achter blijft bij het aanbod, weer
kunnen worden ingetrokken. Indien tot
een zodanige intrekking wordt
overgegaan, zullen uiteraard verkregen
rechten moeten worden geëerbiedigd.
Voorstel
S.E.R. inzake pensioengerechtigde
leeftijd van weduwen
De S.E.R.
acht het nog
gewenst (blz. 45), in afwachting van de
herziening der wettelijke regeling van
de weduwenverzekering, in navolging van
het bepaalde in artikel 81a juncto
artikel 81c van de Invaliditeitswet,
in geval van overlijden van een gehuwde
boven-65-jarige man die in het genot
was van ouderdomspensioen, zijn weduwe
het recht op ouderdomspensioen naar de
maatstaf voor een ongehuwde te doen
behouden indien zij op het tijdstip van
overlijden 60 jaar of ouder is, dan wel
dit recht te doen verkrijgen zodra zij
de 60-jarige leeftijd heeft bereikt.
De
ondergetekenden hebben het voorstel van
de S.E.R. op dit punt niet overgenomen.
In bedoeld voorstel ligt namelijk een grote
onbillijkheid opgesloten. Het valt
immers niet in te zien waarom de weduwe
van 60 jaar wier man op 65-jarige of
oudere leeftijd overlijdt wél en die
wier man op 64-jarige leeftijd overlijdt niet in het genot zou moeten
worden gesteld van een
ouderdomspensioen. In het bijzonder
evenwel, nu aan de S.E.R. advies is gevraagd over de
wijze
waarop in de toekomst in de verzekering
van een weduwenpensioen dient te worden
voorzien, terwijl voorts de Regering
zich beraadt over het treffen van een
noodvoorziening in afwachting van de
definitieve regeling der
weduwenverzekering, menen de
ondergetekenden op één en ander niet
vooruit te rblz.|30
l.k.|
moeten lopen door in het wetsontwerp op de
ouderdomsverzekering een incidentele
regeling liggende op het terrein van de
weduwenverzekering op te nemen.
4.2. Hoogte ouderdomspensioen
Uniform
bodempensioen
De S.E.R.
is eenstemmig van oordeel dat
de ouderdomsverzekering een beperkt
karakter zal moeten dragen.
Een
aantal leden acht deze beperking een
noodzakelijk uitvloeisel van de
historische ontwikkeling van de
ouderdomsvoorziening, in het bijzonder
ook in de privaatrechtelijke sfeer
(particuliere voorzieningen,
ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen) en van de
sociaal-economische situatie in ons
land. Zij stellen zich niet op het
standpunt dat de ouderdomsverzekering
niet verder mag strekken dan het
voorkomen van behoeftigheid op de oude
dag. In beginsel mag de wettelijke
regeling naar hun oordeel verder gaan en
mag daarin, naast dit behoefteelement,
ook het prestatie-element tot uiting worden
gebracht, waardoor het pensioen mede
verband houdt met de in de actieve
periode geleverde bijdrage tot het
nationale inkomen. Zijn echter
collectief of individueel oudedagsvoorzieningen
getroffen welke
in deze richting tenderen, dan dient
naar het oordeel van deze leden van de
Raad deze eigen zorg zoveel mogelijk te
worden ontzien.
Naar
het oordeel van deze leden kan de eigen
zorg, gelet op de omvang welke zij
reeds heeft bereikt en de te verwachten
ontwikkeling daarvan, bij de bepaling
van de hoogte van de prestaties der
ouderdomsverzekering niet worden
verwaarloosd. Hoewel zij een algemene
wettelijke ouderdomsverzekering niet
overbodig maakt, heeft zij een
dergelijke omvang bereikt dat op grond
hiervan voor een beperking van de
uitkeringen dezer verzekering aanleiding
is.
De omvang welke deze beperking dient aan
te nemen, wordt volgens deze leden mede
bepaald door de financiële en andere
economische gevolgen van de
ouderdomsverzekering, gelet op de
economische situatie waarin ons land
verkeert.
Voor
een aantal andere leden van de Raad
vloeit de algemeen aanvaarde beperkte
strekking van de ouderdomsverzekering
voort uit hun standpunt dat met het
opleggen van een verplichte verzekering
niet verder dient te worden gegaan dan
wordt vereist door het daarmede te
bereiken doel, namelijk dat de bejaarden
door verkregen rechten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Dit
doel is naar hun mening bereikt indien
een pensioen in uitzicht wordt gesteld
dat voorziet in een levensonderhoud dat
bij de huidige verhoudingen in ons land
minimaal sociaal wenselijk moet worden
geacht. Ook deze leden achten het
wenselijk dat het inkomen op de oude
dag verband houdt met het in de actieve
periode verdiende inkomen. Zij zijn
echter van oordeel dat in het hierin
tot uiting komende prestatie-element
door individuele of collectieve eigen
zorg moet worden voorzien en dat de
wettelijke regeling zich dient te
beperken tot het voorkomen van
behoeftigheid op de oude dag. Zij kan
naar hun oordeel ook niet verder reiken,
omdat de middelen daarvoor moeilijk
kunnen worden opgebracht.
De S.E.R. is op grond van
het vorenstaande tot de eenstemmige
conclusie gekomen dat voorshands een
algemene uniforme uitkering als
bodempensioen dient te worden verstrekt.
Omtrent
de wijze waarop in de toekomst de door
de Raad noodzakelijk geachte, met het
arbeidsverleden samenhangende
differentiëring in het inkomen op de
oude dag moet worden verwezenlijkt,
bestond in de Raad geen eenstemmigheid.
De Raad heeft zich hierover dan ook niet
uitgesproken.
De
door de ondergetekenden in hoofdstuk
2 aangegeven rechtsgrond voor de invoering
van de voorgestelde voorziening brengt
mede dat de wet de mogelijkheid moet
scheppen dat een ieder op zijn oude dag
is gevrijwaard tegen gebrek. Dit behoeft niet in te
houden dat de
wettelijke voorziening pensioenen
toekent welke op zichzelf reeds een
minimumlevensonderhoud waarborgen. De
ondergetekenden zijn ervan uitgegaan
dat de nieuwe regeling enerzijds
rekening dient te houden met rblz.|30
r.k.|
het
bestaan van pensioenvoorzieningen in de
privaatrechtelijke sfeer, terwijl zij
anderzijds niet remmend, doch zo
mogelijk eer stimulerend dient te werken
op het tot stand komen en in stand
blijven van zodanige voorzieningen. Zij
menen dat slechts bij een regeling
welke aan deze voorwaarden voldoet de
mogelijkheid wordt geschapen dat men
ook op het punt van de
oudedagsvoorziening zich zijn
persoonlijke verantwoordelijkheid bewust blijft of zal worden.
Op
grond van deze overweging menen ook de
ondergetekenden dat de nieuwe
wettelijke regeling slechts een
bodemvoorziening dient te geven. Gezien
het vorengaande zal deze voorziening
slechts uniforme uitkeringen moeten
verstrekken. Wanneer men er immers van
uitgaat dat de wettelijke regeling het
treffen van voorzieningen in de
privaatrechtelijke sfeer mogelijk moet
maken en zelfs stimuleren, ligt het niet
voor de hand bij deze regeling zelf
reeds verband te leggen tussen het
inkomen tijdens de actieve periode en
dat op de oude dag.
Het
naast elkaar functionneren van de
onderhavige voorziening enerzijds en
van privaatrechtelijke voorzieningen
anderzijds heeft ook nog een
financieel-economisch aspect, doordat de
voorgestelde regeling uitgaat van een
financiering van de verzekering volgens
het omslagstelsel, terwijl de
privaatrechtelijke voorzieningen voor
het merendeel op het
kapitaaldekkingsstelsel zijn gebaseerd
(zie hoofdstuk 6).
Gemeenteclassificatie;
inkomensaftrek
Volgt
uit het vorenstaande dat met een
uniform pensioenbedrag moet worden
volstaan, thans rijst de vraag op welk
bedrag het pensioen dan dient te worden
gesteld. Alvorens echter tot de
beantwoording van deze vraag over te
gaan, dient eerst te worden gesteld dat
het naar de mening van de
ondergetekenden niet in een
verzekeringsstelsel zou passen om het
bedrag van het bodempensioen afhankelijk
te stellen van de gemeente waarin de
pensioengerechtigde woont en dat om
dezelfde reden eventueel eigen inkomen
uit anderen hoofde niet tot vermindering
mag leiden van het bodempensioen.
Omtrent de aftrek van eigen inkomsten
heeft bovendien het Parlement zich
verschillende malen duidelijk
uitgesproken bij de totstandkoming en de
verschillende wijzigingen van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening. De nadelige
invloed daarvan op de spaarzin en op het
tot stand komen van bedrijfs- en andere
pensioenfondsen is daarbij herhaaldelijk
ter sprake gekomen. Moest deze aftrek
ondanks de daaraan verbonden bezwaren
bij de Noodwet echter wel worden
aanvaard, in de voorgestelde regeling
kan hij achterwege blijven en dit is
één van de in het oog vallende
verbeteringen welke de nieuwe
ouderdomsverzekering mede zal brengen.
Nadere precisering van het bedrag van
het ouderdomspensioen
De S.E.R.
is
unaniem van oordeel dat de beperking
van het ouderdomspensioen, als in het
begin van deze paragraaf geschetst, niet
zover mag gaan dat de uitkeringen
krachtens de nieuwe wettelijke
ouderdomsverzekering voor grote groepen
bejaarden lager zouden worden dan de
huidige krachtens wettelijke voorzieningen verkregen uitkeringen. Dit
geldt met name voor die Ioontrekkenden
die niet alleen een uitkering ingevolge
de Noodwet Ouderdomsvoorziening
genieten, maar tevens een ouderdomsrente
krachtens de Invaliditeitswet.
Verwezenlijking van het zojuist gestelde
desideratum vereiste echter op het
ogenblik dat de S.E.R. zijn advies
uitbracht een totaal inkomen van de
gewezen Ioontrekkenden in de orde van
grootte van ƒ1500,- à ƒ1600,- per jaar
voor gehuwden (thans, in verband met de
verhoging van de uitkeringen ingevolge
de Noodwet Ouderdomsvoorziening, ƒ1575,-
à ƒ1675,-).
De S.E.R.
meende dat op dat
ogenblik het pensioen niet op deze
hoogte kon worden gesteld. De Raad wees
hierbij allereerst op de onaanvaardbare
economische repercussies.
Pensioenbedragen in de orde van de zojuist vermelde grootte zouden een te
grote verhoging medebrengen van de
nominale lonen in verband met de gewenst
geachte compensatie van de premiën en
daarmede van de arbeidskosten van de
ondernemingen. rblz.|31
l.k.|
Slechts
een gedeelte van deze kosten zou kunnen
worden gecompenseerd door
lastenverlaging, te weten door afschaffing
van de vereveningsheffing.
Vervolgens
wees de S.E.R. op de
inkomensherverdeling van structurele
aard welke als gevolg van de
verouderende bevolking geleidelijk
grotere consequenties zal hebben.
Ten slotte
vestigde de S.E.R. er nog de aandacht op dat de verwezenlijking van andere
sociale doelstellingen, alsmede van
doelstellingen van economische en
culturele aard, niet bij voorbaat
twijfelachtig mag worden gemaakt.
Op
grond van bovenstaande overwegingen is
de S.E.R. van mening dat voorlopig moet
worden uitgegaan van een bodempensioen
dat enige procenten - gedacht wordt
aan 5% - ligt boven het niveau van de
op het tijdstip van invoering der
verzekering van kracht zijnde norm van
de Noodwet Ouderdomsvoorziening
geldende voor een eerste gemeenteklasse.
Het hogere niveau acht de Raad wenselijk
om al degenen -
en dus niet alleen degenen die woonachtig zijn in een
tweede-, derde-, vierde- of
vijfdeklasgemeente - die
vóór de invoering van de onderhavige
voorziening uitsluitend of bijna
uitsluitend op een uitkering ingevolge
de Noodwet Ouderdomsvoorziening waren
aangewezen, een verbetering in hun
financiële positie te geven.
Ook
de ondergetekenden zijn van mening dat
de nieuwe wettelijke regeling niet tot
gevolg mag hebben dat belangrijke
groepen van personen ingevolge
wettelijke voorzieningen aanspraak
hebben op een lager bedrag dan vóór de
invoering van deze regeling. Zij zijn
het echter eveneens met de S.E.R.
eens
dat op de door hem aangevoerde gronden
het gehuwdenpensioen niet kan worden
gesteld op ƒ1575,- à ƒ1675,- (dit zijn de
door de S.E.R. genoemde bedragen van ƒ1500,-
à ƒ1600,-, aangepast aan de
verhoging van de uitkeringen ingevolge
de Noodwet Ouderdomsvoorziening). Zij
kunnen het voorstel van de S.E.R. om het
bedrag van het ouderdomspensioen te
stellen op het met 5% verhoogde bedrag ingevolge de Noodwet
Ouderdomsvoorziening geldende voor een
eersteklasgemeente geheel delen. Na de
laatste verhoging ingaande 1 October
1954 bedraagt de maximumuitkering
ingevolge de Noodwet in een eersteklasgemeente
ƒ1272,-. Door verhoging van dit
bedrag met 5% wordt - na afronding - het voor de definitieve
ouderdomsverzekering voorgestelde
pensioenbedrag van ƒ1338,- voor gehuwden
verkregen.
Basispensioen;
gehuwdenpensioen
Bijgaand
ontwerp gaat niet - zoals het advies
van de S.E.R.
- uit van het
gehuwdenpensioen, maar van een algemeen
basispensioen. Voor dit basispensioen
komen hoofdzakelijk in aanmerking de
ongehuwden.
De
onderhavige voorziening beoogt, zoals in
het begin van deze paragraaf nader is
aangegeven, slechts een bodem te leggen
voor de oudedagsvoorziening. Aan een
dergelijke voorziening zal in het
algemeen bij een echtpaar behoefte
bestaan wanneer de man 65 jaar is.
Daarom kent het ontwerp enerzijds geen
ouderdomspensioen toe wanneer alleen de
vrouw de 65-jarige leeftijd heeft
bereikt en wordt anderzijds wel
ouderdomspensioen toegekend, ook al is
de vrouw nog geen 65 jaar. Voorts zijn
de ondergetekenden met de S.E.R. van
oordeel dat de kosten van
levensonderhoud van een echtpaar
geringer zijn dan die van twee
ongehuwden. In verband daarmede dient
het aan een gezin toekomend
ouderdomspensioen lager te worden
gesteld dan het dubbele van het
basispensioen.
Daarom
kent het ontwerp naast een basispensioen
(voor ongehuwden) een pensioen voor
gehuwde mannen. Dit pensioen, dat
bestemd is voor het onderhoud van een
echtpaar, bestaat uit twee, in beginsel
gelijke, delen, te weten een deel afkomstig van de verzekering van de
gehuwde man en een deel afkomstig van
de verzekering van de gehuwde vrouw.
Het
vorenstaande houdt dus in dat de
gehuwde vrouw geen zelfstandig recht
heeft op ouderdomspensioen. Het ontwerp
machtigt echter het uitvoeringsorgaan
de helft van het ouderdomspensioen
waarop de man recht heeft aan de
gehuwde vrouw uit te keren.
rblz.|31
r.k.|
De
beantwoording van de vraag in welke
verhouding het pensioen van de gehuwden
en dat van de ongehuwden tot elkaar
dienen te staan, is nogal moeilijk,
wegens gebrek aan beschikbare gegevens
omtrent de verhouding van de kosten van
levensonderhoud van gehuwde en die van
ongehuwde bejaarden. Dit weegt des te
zwaarder omdat het vraagstuk van de
kosten van levensonderhoud van de
bejaarden toch reeds in het algemeen zo
ingewikkeld is in verband met de geheel
verschillende omstandigheden waarin zij
verkeren, doordat een deel van hen een
eigen huishouding voortzet, anderen
inwonend zijn bij familie en nog weer
anderen in een bejaardentehuis of in een
inrichting worden verpleegd.
Intussen
staat echter wel vast dat de kosten van
levensonderhoud voor een bejaard
echtpaar aanzienlijk blijven beneden
het tweevoud der kosten van een
ongehuwde bejaarde. De ondergetekenden
menen daarom in navolging van de S.E.R. de verhouding van het bedrag van het
pensioen voor gehuwde mannen tot dat
voor ongehuwden te moeten stellen op 100:60. Uitgaande van het
boven besproken
gehuwdenpensioen van ƒ1338,- bedraagt
derhalve het basispensioen 60% daarvan,
te weten ƒ804,-.
Het
gehuwdenpensioen staat, zoals uit het
voorgaande blijkt, gelijk met 10/6 van
het basispensioen. Dit heeft tot gevolg
dat het aandeel dat ieder van de beide
echtgenoten in het gehuwdenpensioen
heeft in beginsel 5/6 bedraagt van het
basispensioen.
Voorlopige
handhaving van de ouderdomsverzekering
in de Invaliditeitswet
De
ondergetekenden ontveinzen zich intussen
niet dat met een pensioen als
voorgesteld zonder meer nog niet is
voldaan aan de zowel door de S.E.R.
als
door de ondergetekenden noodzakelijk
geachte voorwaarde dat de nieuwe
wettelijke voorziening niet tot gevolg
mag hebben dat een grote groep van
personen in wettelijke aanspraken
achteruitgaat. De S.E.R. wijst er dan
ook in zijn advies reeds op dat niet
met het voren besproken bodempensioen
kan worden volstaan. Immers zou dan voor
een grote groep loontrekkenden
geleidelijk een verslechtering van de
wettelijke oudedagsvoorziening intreden
indien de thans door velen van hen naast
de ingevolge de Noodwet
Ouderdomsvoorziening genoten uitkering
de ouderdomsrente krachtens de
Invaliditeitswet geleidelijk zou
verminderen en ten slotte geheel zou
wegvallen. Dit zou het geval zijn
indien na de invoering van de nieuwe
ouderdomsverzekering de
Invaliditeitswet, voor wat betreft het
ouderdomsgedeelte, werd ingetrokken,
waardoor daaraan geen nieuwe rechten
zouden kunnen worden ontleend. De
onmogelijkheid het algemene
bodempensioen op een zodanig bedrag te
stellen dat voor deze groep geen
verslechtering van de wettelijke
oudedagsvoorziening ontstaat, noodzaakt
er naar het oordeel van de Raad toe ten
behoeve van deze groep een aanvullende
voorziening te treffen. Niet alleen op
grond van historisch gegroeide
verhoudingen acht de Raad dit billijk.
De rechtvaardiging voor deze
differentiatie is gelegen in de
omstandigheid dat de loontrekkenden
wier inkomen beneden een bepaalde grens
ligt geen andere voorzieningen kunnen
opbouwen, zodat zij tijdens hun oude dag
uitsluitend op de wettelijke
ouderdomsvoorziening zijn aangewezen.
De overige groepen van de bevolking
daarentegen zullen als regel tijdens hun
oude dag over enig inkomen uit anderen
hoofde kunnen beschikken. Hieruit vloeit
voort dat de aanvullende voorziening
voor de loontrekkenden beneden een
bepaalde inkomensgrens een subsidiair
karakter dient te dragen. Zij is slechts
op haar plaats voor de loontrekkenden
die niet krachtens de voor hen geldende
arbeidsvoorwaarden op andere wijze
rechten op een aanvullende
ouderdomsvoorziening kunnen doen gelden.
Het
aanvullend karakter der te treffen
voorziening kan, naar de mening van de
S.E.R., tot uiting worden gebracht door
van de werkingssfeer van de
Invaliditeitswet voor wat het
ouderdomsgedeelte betreft desgewenst
uit te zonderen de loontrekkenden die
deelnemen in een ondernemings- of
bedrijfspensioenfonds waarvan de
prestaties ten minste gelijkwaardig zijn
aan de ouderdomsrenten ingevolge de
Invaliditeitswet.
rblz.|32
l.k.|
Een
opbouw van het inkomen van de bejaarden
die als loontrekkende werkzaam zijn
geweest uit bodempensioen en uit
pensioen volgens de herziene Invaliditeitswet of uit
bodempensioen
en uit bedrijfspensioen, eventueel
ondernemingspensioen, zal naar het oordeel van de Raad een verplicht
stellen van het deelnemen aan
bedrijfspensioenfondsen voor alle
bedrijfstakken - zoals door de Raad
van Vakcentralen in zijn bekende plan
was voorgesteld -, althans voorlopig,
overbodig maken. De verdere ontwikkeling
van het instituut der
bedrijfspensioenfondsen kan dan volgens
de Raad in het op vrijwillige basis te
voeren overleg tussen de organisaties
van ondernemers en van werknemers
geschieden. Voor elk der bedrijfstakken
afzonderlijk kan dan mede worden beslist
of het gewenst is de zelfstandigen aan
het bedrijfspensioenfonds deel te doen
nemen. In een aantal gevallen kan dit
wenselijk zijn in verband met het
hierboven aangegeven verschil in de uit
de wettelijke ouderdomsverzekering
voortvloeiende rechten van
loontrekkenden en zelfstandigen.
De
ondergetekenden willen gaarne de
suggestie van de S.E.R.
overnemen en,
althans voorshands, het
ouderdomsgedeelte van de
Invaliditeitswet handhaven. Zij zijn
echter van oordeel dat het vrijwel
onmogelijk zou zijn om de gedachte van
de S.E.R. over te nemen een zodanige
verruiming aan de in de artikelen 39 en
40 van die wet geopende
ontheffingsmogelijkheid te geven dat
voor alle werknemers die vallen onder
een ondernemingspensioenfonds of een
bedrijfspensioenfonds dat aan bepaalde
voorwaarden voldoet, van deze
ontheffingsmogelijkheid gebruik zou
kunnen worden gemaakt.
Van
de bezwaren welke aan het volgen van
het S.E.R.-advies tot verruiming van de
in de artikelen 39 en 40 der
Invaliditeitswet neergelegde
ontheffingsmogelijkheid verbonden zijn,
moge hier een korte uiteenzetting worden
gegeven.
De
verzekering ingevolge de
Invaliditeitswet omvat niet alleen een
ouderdomsverzekering, doch tevens een
invaliditeits-, weduwen- en
wezenverzekering. Het is kennelijk de
bedoeling van de S.E.R., en het ligt ook
voor de hand, om de wegens deelname aan
een bedrijfs- of
ondernemingspensioenfonds te verlenen
ontheffing alleen de in de
Invaliditeitswet geregelde
ouderdomsverzekering te doen betreffen.
Voor de betreffende verzekerden zou dus
de invaliditeits-, weduwen- en
wezenverzekering gehandhaafd moeten
blijven. Dit wil zeggen dat voor de
onderhavige verzekerden ook de
rentekaart gehandhaafd blijft, doch dat
het te plakken zegel, dat dan slechts
dient tot financiering van de
gehandhaafde invaliditeits-, weduwen- en
wezenverzekering, in waarde kan worden
verlaagd.
Dit
brengt mede dat de toch reeds
omvangrijke administratie van de
verzekering ingevolge de
Invaliditeitswet nog aanmerkelijk
omvangrijker wordt. Er zal afzonderlijke
boeking moeten plaatsvinden van
volwaardige en van in waarde
gereduceerde zegels, terwijl in de thans
reeds ingewikkelde renteberekeningen
nog nieuwe factoren zullen moeten worden
verwerkt. De uitvoeringsorganen zullen
voorts moeten controleren of er terecht
zegels van lagere waarde zijn geplakt,
hetgeen vooral ten aanzien van
werknemers die vaak van werkgever
veranderen een omvangrijk onderzoek
zal vergen. Dit onderzoek zal niet
alleen de administratie van de
uitvoeringsorganen belasten, doch
eveneens die van de werkgevers. Wanneer
een werknemer aan wie ontheffing is
verleend de dienst van zijn werkgever
verlaat, zonder dat hij recht op
uitgesteld bedrijfs- of
ondernemingspensioen heeft verworven,
zal voor deze werknemer over het
tijdvak van de verleende ontheffing, in
overeenstemming met het bepaalde in
artikel 41 der Invaliditeitswet,
wiskundige reserve moeten worden
gevorderd. Aangezien artikel 8, tweede
lid, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet het recht op uitgesteld
pensioen pas na vijf jaren van deelname
aan een pensioenfonds verzekert, zal
veelvuldig wiskundige reserve gevorderd
moeten worden. In het bijzonder ten
aanzien van werknemers die veelvuldig
van werkgever veranderen, rijzen hier
grote moeilijkheden, wederom niet alleen
voor de uitvoeringsorganen, maar ook
voor de werkgevers. Wordt hierbij in
aanmerking genomen dat uit financieel
oogpunt de rblz.|32
r.k.|
verlaging
van lasten welke voor de werkgever uit
een aan een werknemer verleende
vrijstelling voortvloeit slechts gering
zou kunnen zijn - aan te nemen is dat
de waarde van het rentezegel bij
vrijstelling maximaal tot op de helft
van de huidige waarde kan worden
gereduceerd, zodat de verlaging ten
hoogste 30 cent per week bedraagt -,
dan achten de ondergetekenden het niet
verantwoord, in het zicht van een
algehele herziening der
Invaliditeitswet, thans tot een
administratief zeer moeilijk uitvoerbare
incidentele wijziging van genoemde wet
over te gaan.
Zoals
bekend is, heeft de S.E.R.
thans in onderzoek op welke wijze
in de in de Invaliditeitswet geregelde
invaliditeitsverzekering, alsook in de
in die wet geregelde weduwen- en
wezenverzekering in de toekomst
definitief zal dienen te worden
voorzien. Pas wanneer het advies van de
S.E.R. omtrent de definitieve regeling
van genoemde verzekeringen bekend is,
zal een verantwoorde beslissing mogelijk
zijn omtrent de vraag wat er met de
Invaliditeitswet dient te gebeuren. De
ondergetekenden zijn van mening dat pas
dan ook het tijdstip is aangebroken
waarop omtrent het al dan niet, geheel
of gedeeltelijk, handhaven van het
ouderdomsgedeelte van de
Invaliditeitswet kan worden beslist. Tot
bedoeld tijdstip menen zij, vooral ook
teneinde een grote administratieve
warwinkel te voorkomen, de
Invaliditeitswet ongewijzigd te moeten
handhaven.
De
vraag rijst intussen of bij voorlopige
onverkorte handhaving van de
Invaliditeitswet nu niet de verdere
ontwikkeling van ondernemings- en
bedrijfspensioenfondsen zal worden
geremd.
De
ondergetekenden verwachten dit niet.
In
de eerste plaats betreft het hier
slechts een geringe last voor de
werkgevers. Immers slechts de helft van
de ingevolge de Invaliditeitswet
verschuldigde premie kan geacht worden
bestemd te zijn om de kosten van de in
die wet geregelde ouderdomsverzekering
te dekken.
Maar
daarnaast bestaat voor de bijzondere
pensioenregelingen steeds de
mogelijkheid - een mogelijkheid
waarvan ook in het verleden veelvuldig
gebruik is gemaakt - om op de
verstrekkingen ingevolge de bijzondere
pensioenregelingen ouderdomsrenten
ingevolge de Invaliditeitswet geheel of
ten dele in mindering te brengen.
Ten slotte
mag niet uit het oog worden verloren
dat de voorgestelde voorziening in het
geheel geen aftrek van eigen inkomsten
kent. Dit zal uiteraard niet zonder
invloed blijven op de ontwikkeling van
de bijzondere pensioenregelingen.
Intussen verdient het nog wel de
aandacht dat zelfs onder de vigeur van
de Noodwet Ouderdomsvoorziening, welke
wel een regeling van inkomensaftrek
bevat, het instituut van de bijzondere
pensioenvoorzieningen aanzienlijke
ontwikkeling heeft gevonden.
Aanvullende
voorzieningen voor zelfstandigen
Degenen
die geen rechten aan de Invaliditeitswet
kunnen ontlenen, gaan door de
voorgestelde wettelijke voorziening op
de oude dag niet in inkomsten achteruit.
Voor zover het wettelijke voorzieningen
betreft, kunnen zij thans alleen maar
aanspraak maken op uitkeringen ingevolge
de Noodwet Ouderdomsvoorziening.
Evenwel zal uiteraard ook voor hen het
voorgestelde pensioen geen voldoende
bestaanszekerheid waarborgen en zullen
dus aanvullende voorzieningen nodig
zijn. De ondergetekenden zijn van mening dat hier ruimte is voor het
treffen van voorzieningen in de
particuliere sfeer. De positie van de
zelfstandigen, ook op de oude dag, is
veelal een geheel andere dan die der
(gewezen) loontrekkenden. Vaak blijft er
nog een band bestaan met de zaak of met
het bedrijf waaraan zij waren verbonden
of beschikken zij over een vermogentje
ontstaan door verkoop van de zaak of van
het bedrijf. Voorts zullen vele
zelfstandigen eerder in staat zijn tot
het treffen van eigen voorzieningen dan
de loontrekkenden. Weliswaar is gebleken dat zij in het verleden
daartoe niet in voldoende mate zijn
gekomen, maar het is niet
onwaarschijnlijk dat de invoering van
de wettelijke ouderdomsverzekering een
stimulans zal rblz.|33
l.k.|
betekenen
voor het treffen van aanvullende
particuliere voorzieningen. Dit laatste
geldt niet slechts de zelfstandigen,
maar evenzeer de loontrekkenden.
De verwachting dat een wettelijke
bodemvoorziening het treffen van
aanvullende particuliere voorzieningen
zal stimuleren, wordt door
leidinggevende personen van de
levensverzekeringsmaatschappijen
gedeeld en berust mede op de in Amerika
opgedane ervaringen.
Cumulatie
algemene ouderdomsverzekering en andere
oudedagsvoorzieningen
In
het vorenstaande zijn de maatregelen
besproken welke dienen te worden
getroffen om te voorkomen dat grote
groepen van verzekerden - met name
loontrekkenden - door de invoering
van de onderhavige voorziening niet in
inkomen achteruit zullen gaan.
De
vraag dient echter ook onder het oog
gezien te worden of invoering van deze
voorziening geen ongewenste cumulatie
van uitkeringen ingevolge de
voorgestelde regeling en pensioenen uit
anderen hoofde tot gevolg heeft. Voor
vele werknemers zijn al bijzondere
pensioenregelingen van toepassing welke
bij volledige diensttijd pensioenen tot
70 of 80% van het loon garanderen.
Wanneer daar nu nog het bodempensioen
bovenop zou komen, kunnen ongewenste
situaties ontstaan, doordat bijvoorbeeld
het
totale inkomen op de oude dag het
inkomen tijdens de actieve periode
overtreft.
In hoofdstuk
3 van deze memorie is reeds
uiteengezet dat ook personen voor wie
een bijzondere voorziening geldt onder
de voorgestelde bodemvoorziening dienen
te vallen. De oplossing zal daarom
moeten worden gezocht in het kader van
de bijzondere pensioenregelingen. Deze
materie wordt in hoofdstuk
10, dat
handelt over de door de S.E.R.
voorgestelde vijfjarige
overgangsperiode en over de aanpassing
van de bijzondere pensioenvoorzieningen
aan de in bijgaand ontwerp voorgestelde
algemene voorziening, nader aan de orde
gesteld.
Kortingen
op het bodempensioen
In
navolging van de S.E.R.
behelst bijgaand
ontwerp een stelsel van proportionele
premie (zie toelichting paragraaf
5.2) bij een uniforme uitkering. Samenhang
tussen het recht op uitkering en de
premiebetaling wordt verkregen door de
hoogte van de uitkeringen afhankelijk te
stellen van het aantal jaren dat de
belanghebbende verzekerd is geweest en
van het aantal verschuldigde premiën
dat is betaald. Nu zal uiteraard slechts
bij verzekerden van premieplichtigheid
sprake kunnen zijn. Aangezien slechts 15-tot-65-jarigen verzekerd zijn, bedraagt
de maximumduur van de premieplichtigheid
50 jaar. In verband daarmede wordt in
het ontwerp voorgesteld op het pensioen
van degenen die voor het basispensioen
in aanmerking komen een korting toe te
passen van 2% voor elk jaar waarover
zij niet verzekerd zijn geweest of
waarover geen premie is betaald.
De
S.E.R. kent eveneens een korting van 2%
toe ten aanzien van het
gehuwdenpensioen. Een korting wordt dan
toegepast voor elk jaar dat de gehuwde
man vóór of tijdens het huwelijk niet
verzekerd is geweest of in verzuim is
gebleven premie te betalen. De stand van
de verzekering van de gehuwde vrouw, ook
van vóór het huwelijk, heeft derhalve
geen invloed op het bedrag van het
pensioen.
Zo
zal in de gedachtengang van de S.E.R. op
het pensioen van een gehuwde man die
van zijn 15de tot 25ste jaar in het
buitenland verbleef een korting van 20% worden toegepast, ook al is zijn
echtgenote steeds verzekerd geweest en
niet in verzuim geweest in het betalen
van de verschuldigde premie. In het
stelsel van de S.E.R. kan het zelfs
voorkomen dat een gehuwde man helemaal
geen pensioen ontvangt, omdat hij nooit
verzekerd is geweest, hoewel zijn vrouw
steeds verzekerd was en steeds premie
heeft betaald. Omgekeerd heeft in het
stelsel van de S.E.R. de gehuwde man
die steeds verzekerd is geweest en niet
nalatig is geweest in het betalen van de
premie, recht op het volledige
gehuwdenpensioen, ook al rblz.|33
r.k.|
is
zijn vrouw gedurende vele jaren niet
verzekerd of in de premiebetaling wel
nalatig geweest.
De
ondergetekenden zijn van oordeel dat
het stelsel van de S.E.R. op dit punt
niet geheel kan worden gevolgd. Naar hun
mening dient ervan te worden uitgegaan
dat van een echtpaar elk der beide
echtgenoten zelfstandig zijn eigen pensioen opbouwt. Aan de gehuwde vrouw
wordt echter in het algemeen geen recht
toegekend op het door haar opgebouwde
pensioen. Het ontwerp kent, zoals reeds
eerder bleek, aan de gehuwde man een
recht toe op een gehuwdenpensioen. De
hoogte van dit pensioen is dan
afhankelijk van de stand van de
afzonderlijke verzekeringen van beide
echtgenoten.
Zoals
in het vorengaande reeds werd
toegelicht, zal het maximumpensioenaandeel in het gehuwdenpensioen
van ieder der echtgenoten 5/6 maal het
basispensioen bedragen, oftewel ƒ669,-
per jaar. Op dit aandeel zou nu - geheel overeenkomstig de gang van zaken
bij degene die voor het basispensioen
in aanmerking komt - een korting
moeten worden toegepast van 2% voor elk
jaar waarover de betrokken echtgenoot
niet verzekerd is geweest of waarover
ten onrechte geen premie is betaald. Het
pensioen van de gehuwde man zou dan
bedragen de som van de aldus door elk
der echtgenoten afzonderlijk opgebouwde
pensioenen.
Aangezien
het maximale gehuwdenpensioen het
dubbele bedraagt van het maximale pensioenaandeel van elk der echtgenoten
afzonderlijk, is het gevolg hiervan dat
de korting wegens het niet verzekerd
zijn of wegens nagelaten premiebetaling,
toegepast op het maximale
gehuwdenpensioen, niet 2%, doch 1%
dient te bedragen voor elk jaar
waarover de man niet verzekerd is
geweest of nalatig is gebleven premie te
betalen en voor elk jaar waarover de
vrouw niet verzekerd is geweest of
nalatig is gebleven premie te betalen.
Doordat tegenover de samenvoeging van de
pensioenaandelen een halvering van het
kortingspercentage staat, blijft het
effect van de korting in omvang gelijk.
Het
verschil tussen het voorstel van de
S.E.R. en de in het wetsontwerp
neergelegde voorziening ligt
voornamelijk in de verschillende wijze
waarop met de voorhuwelijkse jaren van
de beide echtgenoten wordt rekening
gehouden. Het zal zich namelijk tijdens
het huwelijk slechts zelden voordoen
dat de ene echtgenoot wél en de andere
niét verzekerd is, omdat de woonplaats
van man en vrouw in de regel dezelfde
zal zijn. Voorts is het in het stelsel
van het wetsontwerp niet denkbaar dat
tijdens het huwelijk slechts één der
echtgenoten in gebreke is premie te
betalen. Het ontwerp gaat ervan uit dat
premie moet worden betaald van het
belastbaar inkomen. Voor zover de gehuwde
vrouw al een eigen bron van inkomen zal
hebben, wordt dit voor de premiebetaling
gerekend een onderdeel te zijn van het
inkomen van haar man. De gehuwde vrouw
kan in deze gedachtengang dus niet in
verzuim zijn premie te betalen. Het is
echter bij deze situatie billijk dat
verzuim in de premiebetaling door de
gehuwde man ook zijn echtgenote wordt
aangerekend. Vandaar dat het
wetsontwerp in artikel
10 [13], derde lid,
bepaalt dat de gehuwde vrouw geacht
wordt geen premie te hebben betaald over
de jaren waarover haar man tijdens het
huwelijk geen premie heeft betaald.
Het
vorenstaande brengt mee dat de opbouw
van de verzekering van de man en die
van de verzekering van de vrouw tijdens
het huwelijk parallel lopen, zodat er op
dit punt geen verschil bestaat tussen
het systeem van de S.E.R. en dat van de
voorgestelde voorziening.
Het aandeel
dat de echtelieden elk voor zich vóór
het huwelijk in het pensioen opbouwen,
staat evenwel geheel los van elkaar.
Anders dan bij de S.E.R. is, voor zover
het de voorhuwelijkse jaren betreft,
niet alléén de stand van de
verzekering van de man beslissend voor
de vraag of een korting moet worden
toegepast.
Aanpassing
van de pensioenen aan wijzigingen in de
algemene welvaart
De Invaliditeitswet en
in de regel ook de bestaande
pensioenfondsen geven slechts recht op
pensioenen uitgedrukt in rblz.|34
l.k.|
een
nominaal geldsbedrag of in een
percentage van het (laatst) genoten
loon of inkomen. Deze pensioenregelingen
houden dus geen rekening met
koopkrachtveranderingen van het geld en
dit is wel de belangrijkste oorzaak dat
met name de Invaliditeitswet in de
huidige situatie zo weinig betekenis
meer heelt en dat velen op hun oude dag,
ook al hebben zij in hun actieve periode
een voorziening getroffen welke
destijds zeer behoorlijk kon worden
geacht, thans toch over een gering of
zelfs onvoldoend inkomen de beschikking
hebben.
De
ondergetekenden zijn evenals de S.E.R.
van oordeel dat de pensioenaanspraken
op zodanige wijze in de wet dienen te
worden vastgelegd dat de koopkracht van
het ouderdomspensioen wordt aangepast
aan wijzigingen in de economische
situatie.
In
de bij het S.E.R.-rapport gevoegde
bijlage VIII is een duidelijke
uiteenzetting gegeven omtrent de
verschillende maatstaven welke voor dit
doel bruikbaar kunnen worden geacht.
Voor de keuze van een systeem gesteld,
zijn de ondergetekenden met de S.E.R.
van oordeel dat het meest aanbeveling
verdient een stelsel inhoudende een
binding van het bodempensioen aan de
regelingslonen.
Indexcijfers
van regelingslonen worden periodiek door
het Centraal Bureau voor de Statistiek
bekendgemaakt, namelijk voor
nijverheid, transport, landbouw,
administratief personeel en rijkspersoneel. Aangezien echter slechts
de weging voor de drie eerstgenoemde
sectoren bekend is en derhalve slechts
voor het totaal daarvan regelmatig een
gemiddeld indexcijfer wordt
gepubliceerd, lijkt momenteel de meest
verantwoorde methode om laatstbedoeld
indexcijfer als maatstaf voor de
aanpassing van het ouderdomspensioen te
kiezen. Indien in de toekomst een nog
representatiever indexcijfer der
regelingslonen zou worden berekend, kan
daarop te zijner tijd worden
overgeschakeld.
De
voorgestelde maatstaf heeft het voordeel dat hij in het algemeen zowel
een stijging van de kosten van
levensonderhoud als de ontwikkeling van
de nationale welvaart pleegt te volgen.
Weliswaar reageert het loonniveau
gewoonlijk slechts met een zekere
vertraging, doch dit is op zichzelf een
argument ten gunste van een binding aan
de lonen, aangezien daardoor de
situatie wordt voorkomen dat de
gepensionneerde in tijden van stijgende
welvaart een door de wet gegarandeerde
automatische verhoging van zijn pensioen
zou genieten vóórdat het nog werkzame
deel der bevolking een
positieverbetering heeft bereikt. Laatst
bedoelden kunnen immers op een
dergelijke automatische aanpassing geen
aanspraak maken en moeten integendeel
elke verhoging van hun loon door middel
van onderhandelingen trachten te
realiseren.
Een
verder voordeel van deze maatstaf is
dat de gegevens betreffende de
ontwikkeling van de regelingslonen
maandelijks ter beschikking komen,
terwijl zij bovendien een voor iedereen
begrijpelijke en controleerbare
indicator zijn. Daarnaast kan worden
opgemerkt dat de index van de
regelingsIonen niet het nadeel heeft
ener zeer grote conjunctuurgevoeligheid.
Als
bezwaar tegen opneming van de zogenaamde
indexclausule wordt wel aangevoerd dat
het onjuist zou zijn toekomstige
generaties te binden. Men weet, aldus
deze redenering, op het moment van de
invoering van de wet niet hoe in de
toekomst zich de economische situatie
van ons land zal ontwikkelen.
De
ondergetekenden kunnen dit bezwaar niet
delen. Ten aanzien van élke wettelijke
voorziening, dus ook bij een wetlelijke
ouderdomsverzekering met in nominale
bedragen vastgestelde pensioenen, geldt dat deze toekomstige generaties
bindt. In dit opzicht is er dus geen
principieel verschil ten opzichte van
een verzekering met indexclausule.
Evenwel moet worden toegegeven dat een
ouderdomsverzekering in zoverre een
eigen plaats inneemt ten opzichte van
vele andere sociale voorzieningen dat
door de nog steeds stijgende gemiddelde
levensduur de ouden van dagen een
toenemend aandeel in de samenstelling
van de totale bevolking zullen gaan
vormen en dus een lastenverzwaring voor
de toekomstige rblz.|34
r.k.|
actieve generaties zullen veroorzaken.
Deze thans reeds te voorziene
omstandigheid doet nadere overweging van
de vraag of het verantwoord is tot
opneming van de indexclausule over te
gaan niet overbodig zijn. Dienaangaande
moge daarom het volgende worden
opgemerkt.
Zolang
de index van de regelingslonen constant
blijft, maakt het voor het actieve deel
der bevolking in het geheel geen
verschil of tot toepassing van de
indexclausule is besloten dan wel tot
gefixeerde nominale bedragen. In beide
gevallen zal de lastenverzwaring
uitsluitend worden bepaald door de mate
van uitbreiding van de groep ouden van
dagen.
Indien
de regelingslonen een dalende beweging
mochten ondergaan, zal een nominaal
pensioen een extra lastenverzwaring
voor de nog werkzamen opleveren,
aangezien het gelijkblijvende
pensioenbedrag een groter percentage van
het dalende loonbedrag zal gaan
uitmaken. Deze factor zou dan naast de
toeneming van het aantal ouden van dagen
tot gelding komen. De indexclausule
heeft daarentegen het voordeel dat het
pensioen in dit geval evenredig met het
loon zal verminderen. Bij dalende lonen
zou de indexclausule stellig in het
voordeel van de toekomstige actieve
beroepsbevolking blijken te zijn.
Daarentegen zal bij stijging van de
regelingslonen de indexclausule voor de
actieve categorieën minder gunstig
zijn. De toeneming van het aantal ouden
van dagen zal dan immers volledig leiden
tot een dienovereenkomstige
lastenverzwaring, terwijl deze bij
gefixeerde pensioenen geheel of
gedeeltelijk zou worden gecompenseerd
door de relatieve achteruitgang van het
pensioenbedrag in verhouding tot het
gestegen loon. Op zich zelf is deze mogelijkheid om ook in de toekomst bij
voortschrijdende vergrijzing de premie
voor de ouderdomsverzekering binnen
bepaalde perken te houden, misschien
zelfs wel te stabiliseren, zeer aantrekkelijk. De ondergetekenden
hebben dan ook zeer ernstig overwogen
of daartoe niet zou moeten worden
overgegaan, waarbij uiteraard de
toekomstige wetgever altijd nog bij
aanmerkelijke welvaartsstijging tot
verhoging van de uitkeringen zou kunnen
besluiten.
De
overweging echter dat het sociaal gezien toch wel moeilijk verdedigbaar
is om de ouden van dagen, vooral
diegenen onder hen die hoofdzakelijk
van deze verzekeringsuitkering zullen
moeten leven, bij een aanzienlijke
stijging van de weivaart in de toekomst niet meer dan de thans
vastgestelde uitkeringen (eventueel
aangepast aan gestegen kosten van
levensonderhoud) te verstrekken,
teneinde het actieve deel van de
bevolking dat van de welvaartsstijging
ten volle profiteert 1 of 2% premie
te besparen, heeft hen doen besluiten
de aanpassing aan de regelingslonen en
niet aan de kosten van levensonderhoud
in de wet op te nemen. Daarbij heeft ook
de overweging een rol gespeeld dat
alle werkgevers- en
werknemersvertegenwoordigers in de
S.E.R. zich daarmede accoord hebben
verklaard, hetgeen impliceert dat de
vertegenwoordigers van de groepen die
in de toekomst deze last zullen moeten
dragen, daartoe ook bereid gebleken
zijn. De ondergetekenden vertrouwen
dat men in de toekomst ook bereid zal
blijken bij de beoordeling en
vaststelling van het deel van het
nationale inkomen dat aan de actieven
toevalt de consequenties van de thans
te nemen beslissing te dragen.
5.
De middelen tot
dekking der kosten
5.1. Kring der premieplichtigen
Verzekering met premiebetaling
De middelen tot dekking van de
aan een ouderdomsverzekering verbonden kosten kunnen op verschillende
manieren worden gevonden, bijvoorbeeld door het heffen van een bestemmingsbelasting of door
premieheffing. Nu brengt het wezen van de
sociale verzekering niet per se een bepaalde wijze van opbrengen der
middelen mede. De ondergetekenden hebben gekozen voor een verzekering met
premiebetaling. Zij menen dat hieraan de rblz.|35
l.k.|
voorkeur dient te worden
gegeven, gezien de historische ontwikkeling in ons land en omdat daardoor
de persoonlijke verantwoordelijkheid om zelf voor de oude dag te zorgen het
meest tot uitdrukking komt.
Premiebetaling door alle verzekerden die inkomen genieten
Uitgangspunt bij de
beantwoording van de vraag wie tot premiebetaling moeten worden verplicht,
dient te zijn dat de premiën moeten worden opgebracht door degenen die
door of in verband met arbeid of vermogen inkomen genieten. In zijn rapport
merkt de S.E.R. dan ook terecht op (blz.
57/58) dat de premie in beginsel
ten laste behoort te komen van de verzekerden zelf. Voor een onderscheid in
die zin dat de premie der loontrekkenden gedeeltelijk of geheel door de
werkgevers en die voor de niet-loontrekkenden door deze geheel zelf zou
worden betaald, is in een volksverzekering, welke ervan uitgaat dat de
werkenden in staat moeten zijn uit hun inkomsten een oudedagsvoorziening te
bekostigen, geen plaats. Dit houdt uiteraard niet in dat er geen verschil
zou mogen worden gemaakt in de wijze waarop van de verschillende groepen
van verzekerden premie wordt geïnd. Met name laat dit onverlet de
mogelijkheid om de premie van werknemers te innen door inhouding op het loon
van het verschuldigde bedrag (zie hoofdstuk 9).
Aanvang en einde premieplicht
In de regel zal de
inkomstenverwerving een aanvang nemen met het intreden in het arbeidsproces.
Dit kan reeds het geval zijn voordat de 15-jarige leeftijd is bereikt.
Aangezien echter de kring der verzekerden is beperkt tot de 15-tot
65-jarigen en uiteraard slechts verzekerden premieplichtig kunnen zijn,
heeft dit tot gevolg dat eerst vanaf de 15-jarige leeftijd premieplicht
kan bestaan en dat die plicht bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
een einde neemt.
Premieheffing van jeugdige
verzekerden
Er zijn grote groepen van
personen die in verband met hun studie eerst op oudere dan de 15-jarige
leeftijd aan het productieproces gaan deelnemen. Deze beschikken in het
algemeen uiteraard nog niet over een inkomen waarover premie kan worden
geheven en zullen derhalve pas op latere leeftijd in feite premieplichtig
zijn.
Men zou zich kunnen afvragen of
het wel billijk is om degenen die reeds op hun 15de jaar aan het
arbeidsproces deelnemen dan reeds premie te laten betalen. Deze personen
zullen daardoor over een langer - en soms een veel langer - tijdvak
premie moeten betalen dan degenen die op oudere leeftijd voor het eerst
productieve arbeid gaan verrichten, terwijl het bedrag van het pensioen voor
allen gelijk is. De ondergetekenden mogen erop wijzen dat deze
tegenwerping inderdaad juist zou zijn indien zou worden voorgesteld van
iedere premieplichtige een uniform premiebedrag te vragen. Dan zou zelfs de
premie extra zwaar op de jeugdige werkenden drukken. Maar de voorgestelde
regeling gaat uit, zoals verder nog nader zal worden uiteengezet, van een
naar het inkomen proportionele premieheffing. Aangezien de jeugdlonen
betrekkelijk laag zijn, heeft dit tot gevolg dat door de jeugdige werkenden
maar kleine bedragen aan premie behoeven te worden opgebracht. Daartegenover zullen in de regel
degenen die wegens verdere
scholing
eerst op latere leeftijd aan het productieproces gaan deelnemen weliswaar
over een enigszins kortere periode premie betalen, maar wegens de door hen
gemiddeld genoten hogere inkomsten over het betalingstijdvak als geheel
genomen een behoorlijke premiebijdrage leveren.
De ondergetekenden sluiten zich
hierbij geheel aan bij de opvatting van de S.E.R.
(blz. 37 van het rapport),
welke het betalen van premie op jeugdige leeftijd als een voordeel ziet,
omdat hierdoor onmiddellijk bij de aanvang van de inkomstenverwerving het
besef wordt bijgebracht dat het inkomen niet uitsluitend bestemd is om in
de dagelijkse behoefte te voorzien. De Raad merkt voorts nog terecht op dat
door het betrekken van de jeugdige werkenden in de premiebetaling een
betere rblz.|35
r.k.|
verdeling van de premielast over
de duur van de gehele verzekeringsperiode wordt verkregen, waardoor voor de
volwassenen, voor wie de premiebetaling als regel een zwaardere last
betekent, de premie enigszins kan worden verlaagd.
Zou men de jongeren niet in de
premiebetaling betrekken, dan zou voorts het gevolg zijn dat zij hierdoor
in verhouding tot de ouderen goedkopere arbeidskrachten zouden worden.
Premieheffing over inkomen uit
vermogen
In het bovenstaande werd ervan
uitgegaan dat in de regel de inkomstenverwerving eerst ontstaat bij het
intreden in het arbeidsproces. Een uitzondering hierop vormt de groep van
personen die uit vermogen of uit periodieke uitkeringen een inkomen
genieten. De S.E.R. besteedt speciale aandacht aan deze groep (blz. 37/38
van het advies). Hij wijst er daarbij op dat tot deze categorie nagenoeg
uitsluitend wezen behoren wier levensonderhoud en opleiding niet door hun
ouders kunnen worden bekostigd. Zij zijn daarvoor op periodieke uitkeringen
dan wel op de opbrengst van hun vermogen aangewezen en zullen veelal zelfs
op hun vermogen moeten interen. De Raad stelt daarom voor om met de
bijzondere situatie van de tot deze groep behorende personen rekening te
houden door voor hen de plicht tot premiebetaling op een later tijdstip te
doen aanvangen en wel als regel bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd.
Zou de gedachtengang van de
S.E.R. op dit punt worden gevolgd, dan valt niet in te zien waarom de
leeftijdsgrens van 21 jaar ook zou moeten worden aangehouden indien de
betrokkenen dan nog studeren. Het zou dan redelijk zijn als algemene regel
voor deze groep van verzekerden aan te houden dat bij het bereiken van de
21-jarige leeftijd de betalingsplicht een aanvang neemt, maar daarnaast een
uitzondering te maken voor degenen die nog niet de leeftijd van 27 jaar
hebben bereikt en wier tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het
volgen van onderwijs. Voor wat betreft deze leeftijdsgrens zou dan
aansluiting worden verkregen aan de Kinderbijslagwet en aan de in de
belastingwetgeving geldende bepalingen voor kinderaftrek.
Na ampele overweging zijn de
ondergetekenden echter van oordeel dat het advies van de S.E.R. op dit punt
niet kan worden gevolgd. Allereerst valt het op dat de S.E.R. deze
vrijstelling alleen bepleit voor degenen beneden de leeftijd van 21 jaar
wier inkomen uitsluitend bestaat uit inkomsten uit vermogen of uit
periodieke uitkeringen. Genieten deze personen nog enige, zij het geringe,
andere inkomsten, dan zijn zij in de gedachtengang van de S.E.R. wel
premieplichtig en tellen de inkomsten uit vermogen of uit periodieke
uitkeringen weer wel mee bij de premieberekening. Zo zou het dus kunnen
voorkomen dat personen met een behoorlijk inkomen uit vermogen of uit
periodieke uitkeringen niet premieplichtig zijn, terwijl andere personen
die aan inkomen uit arbeid en uit vermogen samen een lager inkomen genieten wel premieplichtig zouden zijn. Voorts brengt het voorstel van de
S.E.R. mede dat personen die dank zij het feit dat zij over een
vermogentje beschikken of inkomsten uit periodieke uitkeringen genieten,
zich zonder meer aan de studie kunnen wijden, geen premie behoeven te
betalen en derhalve extra bevoorrecht zijn boven degenen die hun
studiekosten zelf moeten verdienen of misschien zelfs hun studie moeten
afbreken om aan het productieproces te kunnen deelnemen en wel premie
moeten betalen. Hiervoor lijkt geen voldoende motivering aanwezig.
Voorts mag niet worden vergeten
dat verschillende personen beneden de leeftijd van 21 jaar met een inkomen
uit vermogen of uit periodieke uitkeringen helemaal niet daadwerkelijk
studeren. Er bestaat geen reden om dezulken van premiebetaling vrij te
stellen.
Ten slotte kan uit een oogpunt van ouderdomsvoorziening moeilijk als
een bezwaar worden gezien dat de onderhavige groep veelal op het vermogen
moet interen. Tegenover de vermogensintering slaat een recht op een
waardevast pensioen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Met het oog
op de rblz.|36
l.k.|
oude dag behoeft derhalve deze
vermogensintering niet te worden tegengegaan.
In het wetsontwerp wordt er dan
ook van uitgegaan dat alle verzekerden van 15 tot 65 jaar, ongeacht de bron
van hun inkomen, premieplichtig zijn.
Premieheffing over het inkomen
van de gehuwde vrouw
In het vorengaande is als
uitgangspunt gekozen dat de premiën moeten worden opgebracht door de
verzekerden, voor zover deze inkomen genieten. Ten aanzien van een aantal
groepen van verzekerden dient de premiebetaling nader te worden bezien. Als
eerste voornaamste groep dient zich daarbij aan die der gehuwde vrouwen.
Uit paragraaf 4.2 is
reeds gebleken dat aan de gehuwde vrouw geen zelfstandig recht op pensioen
wordt gegeven. In het pensioenbedrag waarop de gehuwde man aanspraak kan
maken, is evenwel het pensioenaandeel dat de vrouw tijdens haar
verzekering heeft opgebouwd, begrepen. Het ligt dan ook voor de hand de
gehuwde vrouw ook niet zelfstandig premie te doen betalen, doch de
premiebetaling geheel via de man te leiden. In de gevallen waarin de
gehuwde vrouw eigen inkomsten heeft, kan dan van de man premie worden
geheven over het inkomen van man en vrouw tezamen. In vele gevallen zal de
gehuwde vrouw evenwel in het geheel geen of slechts zeer geringe eigen
inkomsten hebben. De vraag rijst derhalve of de van de gehuwde man voor
zijn eigen verzekering en voor de verzekering van zijn echtgenote geheven
premie hoger dient te worden gesteld dan de premie die een ongehuwde
betaalt. De ondergetekenden menen deze vraag ontkennend te moeten
beantwoorden.
In de eerste plaats dient in
aanmerking te worden genomen dat het pensioen van de gehuwde man, hoewel
opgebouwd uit twee verzekeringen, geenszins het dubbele bedraagt van het
ongehuwdenpensioen, doch dit pensioen slechts met twee derde gedeelte overtreft.
Voorts betaalt de vrouw in haar voorhuwelijkse jaren steeds zelfstandig
premie. Deze voorhuwelijkse jaren kunnen een vrij korte, maar ook een lange
verzekeringsperiode betreffen. Rekent men nog daarbij de premie welke
tijdens het huwelijk door de man over eigen inkomsten van de vrouw wordt
betaald, dan blijkt dat in vele gevallen tegenover het twee derde gedeelte
waarmede het gehuwdenpensioen het ouderdomspensioen van de ongehuwde
overtreft een redelijke premieprestatie staat. Achten de ondergetekenden
om deze reden reeds een verhoogde premie voor de gehuwde man niet gewenst,
tevens dient in aanmerking te worden genomen dat een verhoogde premie voor
het doorsnee gezin een te zware last zou betekenen.
De regeling van de
premiebetaling waarin het wetsontwerp ten aanzien van de gehuwde vrouw
voorziet, welke regeling geheel in overeenstemming is met het advies van de S.E.R.,
ligt grotendeels besloten in de aanvaarding - althans in beginsel -
van het fiscale inkomensbegrip voor de bepaling van het inkomen
waarnaar de voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premie wordt geheven.
Zo vloeit uit het voor de ouderdomsverzekering van overeenkomstige
toepassing zijnde artikel 2 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941
voort dat het inkomen van de gehuwde vrouw tot dat van haar man wordt
gerekend. Hoewel de gehuwde vrouw, gelijk iedere verzekerde, in beginsel
premieplichtig is, kan van haar in feite geen premie worden gevorderd, daar
zij voor de toepassing van de voorgestelde verzekering geen eigen inkomen
heeft.
Voor de verzekering van een
echtpaar wordt dus alleen van de man premie gevorderd. Door zijn betaling
wordt echter de vrouw geacht mede te betalen. Dit brengt uiteraard mede dat
in de gevallen dat de man de verschuldigde premie niet betaalt, ook zijn
vrouw geacht wordt geen premie te hebben betaald. Van de gevolgen hiervan op
de hoogte van het ouderdomspensioen is in hoofdstuk 4 reeds een
uiteenzetting gegeven.
Zoals uit de volgende paragraaf
blijkt, wordt in de gevallen waarin het inkomen meer bedraagt dan ƒ6000,-,
over dat meerdere geen premie geheven. Dit geldt evenzeer voor het rblz.|36
r.k.|
inkomen van de gehuwde man, ook
al is dit samengesteld uit inkomsten zowel van de man als van de vrouw.
Van verzekerden zonder inkomen
kan geen premie worden geheven
Een volgende bijzondere groep
van verzekerden vormen de ongehuwde vrouwen die zonder een inkomen te
verwerven in het arbeidsproces zijn ingeschakeld. Dit zijn grotendeels
vrouwen die in zogenaamde onvolkomen gezinnen, waar de moeder ontbreekt, de
huishouding verzorgen of die een taak vervullen in de vrij talrijke
gevallen van samenwoning van familieleden. Hoewel deze ongehuwde vrouwen in
beginsel premieplichtig zijn, volgt uit het ontbreken van inkomen dat er in
feite geen premie van haar kan worden gevorderd. De onderhavige ongehuwde
vrouwen bekleden een positie welke veel gemeen heeft met die welke de
gehuwde vrouw in het gezin vervult. Uitgaande van deze overeenkomst is het
redelijk aan te nemen dat mede voor haar premie wordt betaald door de in
het productieproces ingeschakelde leden van de gezinnen waarin zij
werkzaam zijn.
Voorts dient hier ook te worden
vermeld de groep dergenen die uit het arbeidsproces zijn uitgeschakeld
tengevolge van lichamelijke of geestelijke gebreken. Voor zover de hier
bedoelde personen geen uitkering ontvangen ingevolge een wettelijke of
particuliere verzekering, noch uit anderen hoofde eigen inkomen hebben,
zullen zij zijn aangewezen op onderstand van een instelling van
maatschappelijke zorg of door familie of kennissen worden onderhouden. De
ondergetekenden onderschrijven de mening van de S.E.R., weergegeven op
bladzijde 45 van het advies, dat het voor de gemeenschap gewenst is ook
deze personen, door deelname aan de verzekering, op 65-jarige leeftijd een
eigen inkomen toe te kennen, enerzijds omdat velen van hen toch reeds ten
laste van de overheid komen, anderzijds omdat dan degenen die jarenlang in
het onderhoud dezer getroffenen hebben voorzien, van de na het 65ste jaar
dikwijls nog stijgende kosten een deel vergoed krijgen, terwijl bovendien
de kans van het wegvallen van een oorspronkelijke verzorger bij het ouder
worden sterk toeneemt. Behorende tot de kring der verzekerden zijn ook deze
personen in beginsel premieplichtig. Hebben zij evenwel geen eigen inkomen,
dan zullen zij niet in de premiebetaling bijdragen.
De premieheffing naar het
inkomen brengt, zoals uit het vorengaande blijkt, mee dat van een aantal
verzekerden geen premie wordt gevorderd wegens het ontbreken van inkomen. De
S.E.R., die deze kwestie ook in zijn beschouwingen heeft
betrokken (blz. 39 van het rapport), acht dit in een sociale verzekering
aanvaardbaar, mits het aantal verzekerden dat wegens gemis aan inkomen geen
premie betaalt, in verhouding tot het totale aantal verzekerden niet
onevenredig groot wordt.
De ondergetekenden
onderschrijven in deze het standpunt van de S.E.R.
Het aantal verzekerden dat op
generlei wijze inkomen geniet, valt niet nauwkeurig te bepalen. Wel is een
aanknopingspunt gelegen in het aantal personen dat geen inkomen uit
beroepsarbeid geniet. De S.E.R. leidt uit de gegevens van de beroeps- en
volkstelling van 31 Mei 1947 af dat van de leeftijdsgroep van 21- tot
64-jarigen [lees: 21- tot 65-jarigen, red.]
122 000 mannen en 321 000 vrouwen, dus totaal 443 000 personen,
geen beroep uitoefenden. De groep der 15- tot 20-jarigen kan hier buiten
beschouwing blijven, daar de tot deze leeftijdsgroep behorende verzekerden
die geen beroep uitoefenen vrijwel allen nog studerende zijn en na
beëindiging van de studie in het productieproces zullen worden opgenomen
en hun bijdrage in de premiebetaling zullen gaan leveren. Dit laatste geldt
echter evenzeer voor de 21-jarigen en ouderen die nog studerende zijn.
Dezen zijn evenwel, zoals ook de S.E.R. opmerkt, allen begrepen in
bovengenoemd aantal van 443 000 personen dat derhalve, ter bepaling van het
aantal dergenen die geen premie zullen betalen, een aanmerkelijke
verlaging dient te ondergaan. Voorts zijn in het aantal van 443 000
begrepen al diegenen die uit anderen hoofde dan door het verrichten van rblz.|37
l.k.|
beroepswerkzaamheden een inkomen
genieten - bijvoorbeeld uit weduwenpensioen, uit ongevallen- en/of
invaliditeitsrente, uit vermogen - en die daarover premie verschuldigd
zijn. Ook met het zeker niet geringe aantal van laatstbedoelde personen
dient het cijfer van 443 000 nog te worden verlaagd.
De ondergetekenden zijn derhalve
met de S.E.R. van oordeel dat, buiten de categorie der gehuwde vrouwen - die ten aanzien van de premiebetaling een geheel eigen positie
inneemt
- het totale aantal der verzekerden die geen eigen inkomen verwerven
betrekkelijk gering is.
Een gevolg van het
feit dat een
aantal verzekerden dat geen inkomen geniet niet in de premiebetaling
bijdraagt, terwijl dit geen vermindering van pensioenrechten tot gevolg
heeft - immers, er is bij deze verzekerden geen sprake van nalatigheid in
de premiebetaling -, is dat het door de overige verzekerden verschuldigde
premiepercentage enigermate zal stijgen. Aangezien het aantal verzekerden
zonder inkomen, zoals hierboven is opgemerkt, betrekkelijk gering is, zal
bedoelde stijging van het premiepercentage eveneens gering zijn.
5.2. Eenheidspremie of naar het
inkomen proportionele premie
Het voor en tegen van uniforme
en van procentuele premie
In hoofdstuk
4 is gesteld dat
het doel der verzekering is gericht op het verkrijgen van een in beginsel
voor ieder gelijk bodempensioen. Men zou nu kunnen stellen dat deze
doelstelling ertoe zou moeten leiden dat dan ook de te betalen premie in
beginsel voor alle verzekerden gelijk dient te zijn.
Ondergetekenden willen er om te
beginnen op wijzen dat het leggen van zulk een strikt verband tussen
individuele premie en individuele uitkering volgens hedendaagse opvattingen
niet noodzakelijkerwijze uit de verzekeringsgedachte voortvloeit.
Maar ook al zou men zich op het
bestreden individuele standpunt stellen, dan nog wordt, zoals de S.E.R.
op
blz. 54 van zijn advies terecht aantoont, het beoogde doel niet bereikt bij
het aanvaarden van een uniforme premie. Het ontwerp gaat er immers van uit -
zulks in overeenstemming met het voorstel van de S.E.R. - dat premie
wordt betaald vanaf het ogenblik dat men aan het arbeidsproces deelneemt.
Dat zal bij de één op jongere leeftijd het geval zijn dan bij de ander.
Daardoor ontstaat dus een verschil in aantal jaren waarover premie moet
worden betaald. Maar dan valt het reeds aanstonds in het oog dat bij het
stelsel van een uniforme premie door degene die op jeugdige leeftijd aan de
arbeid gaat veel meer premie zou worden betaald dan door degene die op
latere leeftijd inkomen gaat verwerven. En zo zou dus het beoogde evenwicht
tussen premiebetaling enerzijds en uitkeringsrecht anderzijds niet zijn
bereikt. Dit zou integendeel eerder worden bereikt bij het stelsel van een
naar het inkomen gedifferentieerde premie. Immers wordt bij dat stelsel het
kortere tijdvak waarover degenen die op latere leeftijd in het
arbeidsproces treden premie betalen, gecompenseerd door de hogere premie
welke in de regel door dezen wordt opgebracht in verband met hun gemiddeld
hoger inkomen dan dat van degenen die reeds op jongere leeftijd arbeid zijn
gaan verrichten.
Aan het heffen van een vaste
premie zijn echter nog andere belangrijke bezwaren verbonden. Men heeft wel
gesteld dat deze wijze van heffing eenvoudig zou zijn. Inderdaad moet
worden toegegeven dat dit systeem het voordeel heeft dat niet, zoals bij
het stelsel waarbij de premie wordt uitgedrukt in een percentage van het
inkomen, voor iedere verzekerde nauwkeurig het inkomen behoeft te worden
vastgesteld. Maar daartegenover staat dat een stelsel van uniforme
premieheffing voor velen een veel zwaardere belasting betekent dan een
stelsel van premieheffing waarbij rekening wordt gehouden met de hoogte van
het inkomen. Een uniforme premie zou immers bij de in het ontwerp
voorgestelde pensioenbedragen rblz.|37
r.k.|
moeten worden gebaseerd op het
gemiddelde inkomen. Dit betekent voor degenen die geringe inkomsten
genieten en voor wie geen compensatiemogelijkheid bestaat, een relatief
zwaardere belasting. Hierdoor zal het kunnen voorkomen dat personen die
bij een procentuele premie nog juist tot betaling in staat zijn, daartoe
niet meer in staat zijn bij een zwaarder drukkende uniforme premie.
De S.E.R. wijst er voorts nog
terecht op dat bij het onderhavige vraagstuk de invloed van de wijze van
premievaststelling op de volkshuishouding en op de onderlinge verhoudingen
in het bedrijfsleven niet mag worden verwaarloosd. De Raad vestigt er in dit
verband de aandacht op dat een uniforme premie een relatief zwaardere
belasting zal betekenen van die takken van bedrijf welke arbeidsintensief
zijn en waarin relatief veel ongeschoolde arbeiders met lage lonen werkzaam
zijn. In het bijzonder in de takken van bedrijf met grote aantallen
jeugdige werknemers zal - aldus nog steeds de Raad - een uniforme premie
de arbeidskosten steeds verhogen, waardoor de concurrentiepositie ten
opzichte van het buitenland zou kunnen worden aangetast. Een uniforme
premie zou de werkgelegenheid ongunstiger beïnvloeden en tot grotere
verschuivingen in de onderlinge verhoudingen aanleiding geven dan een
procentuele premie.
Bovenvermelde overwegingen maken
de ondergetekenden geheel tot de hunne. Behalve door deze overwegingen is de
keuze ten gunste van het heffen van een procentueel gelijke premie naar het
inkomen mede beïnvloed door de in deze wijze van premieheffing tot
uitdrukking komende solidariteitsgedachte, inhoudende dat de economisch
sterkeren mede dienen bij te dragen voor de economisch zwakkeren. Het
bezwaar dat aan een premieheffing naar het inkomen een kostbaar
inkomensonderzoek moet zijn verbonden, kan goeddeels worden ondervangen
door, zoals in het ontwerp wordt voorgesteld, het premieplichtig inkomen te
koppelen aan het belastbaar inkomen voor de loonbelasting, respectievelijk
inkomstenbelasting (zie paragraaf 5.3).
Over ten hoogste ƒ6000,- inkomen
is premie verschuldigd
Uit het vorenstaande behoeft
naar de mening van de ondergetekenden niet noodzakelijkerwijs te volgen
dat nu het inkomen van de verzekerden tot een onbeperkt bedrag bij de
premiebetaling in aanmerking moet worden gebracht. Voorkomen moet worden
dat er een te sterke wanverhouding tussen betaalde premie enerzijds en
uitkering anderzijds ontstaat. Voorts dient het treffen van voldoende
aanvullende voorzieningen voor degenen die over een relatief hoog inkomen
beschikken niet te zeer door het heffen van een in verhouding tot de
uitkering onevenredig hoge premie voor de verplichte verzekering te worden
bemoeilijkt. De ondergetekenden zijn dan ook van oordeel dat het
premiebedrag vanaf een bepaald inkomen uniform dient te zijn. In het ontwerp
wordt voorgesteld bij de berekening van de premie geen rekening te houden
met het inkomen voor zover dit een bedrag van ƒ6000,- per jaar overtreft.
De S.E.R., welke eveneens de
vorenbedoelde beperking bepleit, wijst erop dat uit gemaakte berekeningen
is gebleken dat het premiepercentage slechts weinig afneemt per ƒ1000,-
verhoging van dit bedrag, terwijl daartegenover voor degenen wier inkomen
ligt om en bij de ƒ6000,- elke verhoging van het gedeelte van het inkomen
dat bij de berekening van de premie in aanmerking komt een verzwaring van
lasten zal betekenen.
Het ligt voor de hand dat de
grens van ƒ6000,- evenals de bedragen van het ouderdomspensioen dient te
worden aangepast bij wijzigingen in de loonindex. Ook de S.E.R. is deze
mening toegedaan. Deze aanpassing zal evenwel moeilijk kunnen worden
geregeld op de, vrijwel automatische, wijze waarop in het wetsontwerp in
de aanpassing der pensioenen is voorzien. De heffing der premiën op basis
van het inkomen over een kalenderjaar maakt het gewenst eventuele
wijzigingen van de grens van ƒ6000,-, indien enigszins mogelijk, steeds op rblz.|38
l.k.|
1 Januari te doen ingaan. Voor
wijziging van de inkomensgrens van ƒ6000,- zal, evenals dit het geval is
ten aanzien van de in andere socialeverzekeringswetten vermelde
loongrenzen, steeds wetswijziging nodig zijn.
5.3. Het
inkomen waarnaar
premie wordt geheven
Aansluiting bij het fiscale inkomen
De vraag
rijst aan de hand van
welke normen het premieplichtig inkomen dient te worden bepaald.
De ondergetekenden
onderschrijven de mening van de S.E.R. dat het, gegeven de inschakeling van
het fiscale apparaat voor de heffing en de inning van de premie - waarover in
hoofdstuk 9 van deze memorie nader wordt gehandeld -, in de
rede ligt aan te sluiten bij het voor de inkomsten- en loonbelasting
gehanteerde inkomensbegrip. In het wetsontwerp is deze aansluiting dan ook
als uitgangspunt genomen.
Zo zullen, in aansluiting aan de
ter zake in de belastingwetgeving gegeven regelen, op het inkomen, alvorens
dit aan premieheffing wordt onderworpen, in mindering worden gebracht de
kosten van verwerving, de "persoonlijke verplichtingen", de op de
verzekerde drukkende buitengewone lasten alsook, onder zekere beperkingen,
giften aan bepaalde instellingen.
Zoals reeds in paragraaf 5.1 werd uiteengezet, wordt het inkomen van de gehuwde vrouw tot dat
van de man gerekend, zulks in overeenstemming met artikel 2 van het Besluit
op de Inkomstenbelasting 1941. Ten aanzien van de bepalingen omtrent het
inkomen is voorts artikel 43 van laatstgenoemd besluit van toepassing,
waaruit volgt dat bij het inkomen van de ouder wordt gevoegd het, anders
dan uit dienstbetrekking verworven, inkomen van de kinderen voor wie hij
kinderaftrek voor de Inkomstenbelasting geniet.
Afwijkingen van het fiscale
inkomen. Premie ouderdomsverzekering aftrekbaar voor loon- en
inkomstenbelasting
Niet in alle opzichten evenwel
dient naar hef oordeel van de ondergetekenden de als uitgangspunt gestelde
aansluiting bij het fiscale inkomensbegrip te worden gevolgd. Met name dient
naar hun oordeel van de fiscale bepalingen ten aanzien van het inkomen te
worden afgeweken voor wat betreft de ingevolge de algemene
ouderdomsverzekering betaalde premie, het ingevolge die verzekering
uitgekeerde pensioen en de kinderbijslag.
Eerstbedoelde afwijking van het
fiscale inkomen is een gevolg van het feit dat de ingevolge deze wet
verschuldigde premiën voor de heffing van de loon- en inkomstenbelasting
in aftrek kunnen worden gebracht als "persoonlijke verplichtingen"
(lijfrentepremiën).
Het ligt echter voor de hand dat de premie ingevolge ouderdomsverzekering
niet in mindering wordt gebracht op het inkomen waarvan die premie wordt
geheven.
Geen premie verschuldigd over
het ouderdomspensioen
Het tweede verschilpunt vormt
het ouderdomspensioen waarop de voorgestelde verzekering recht geeft. Dit
pensioen behoort tot het fiscale inkomen. Het is evenwel onlogisch uitkeringen ingevolge een sociale verzekering tevens te belasten met premie
voor diezelfde verzekering. Ter vermijding hiervan is bepaald dat het
ouderdomspensioen ingevolge de voorgestelde verzekering niet tot het
premieplichtig inkomen behoort. Deze uitzondering heeft overigens slechts
zeer beperkte betekenis. Immers, ouderdomspensioen ontvangt als regel
slechts degene wiens verzekering beëindigd is wegens het bereiken van de
65-jarige leeftijd, zodat uit dien hoofde reeds geen premie meer
verschuldigd is. In een enkel geval evenwel kan een verzekerde
ouderdomspensioen ontvangen. Zo bijvoorbeeld de weduwe die nog niet de 65-jarige
leeftijd heeft bereikt en die na het overlijden van haar echtgenoot nog
enige maanden het aan deze toegekende pensioen ontvangt, teneinde haar rblz.|38
r.k.|
gelegenheid te geven zich aan de
gewijzigde omstandigheden aan te passen.
Geen premie verschuldigd over
kinderbijslag
Voorts zijn de ondergetekenden
van oordeel dat het gewenst is ook de kinderbijslag, hoewel daarover wel
loon- en inkomstenbelasting verschuldigd is, van het premieplichtig inkomen
ingevolge de ouderdomsverzekering uit te zonderen. In het kader van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt - zulks in tegenstelling met de
regeling voor de loonbelasting - de kinderbijslag niet tot het premieloon
gerekend met het oog op het bezwaar dat de werkgever voor werknemers met
een groot aantal kinderen een belangrijk hogere premie verschuldigd zou zijn
dan voor werknemers met weinig kinderen, hetgeen ertoe zou kunnen leiden
dat bij het aannemen van personeel voorkeur zou worden betoond voor
werknemers zonder kinderen dan wel voor ongehuwden. De S.E.R.
spreekt op
blz. 93 van zijn rapport terecht uit dat dit bezwaar zich als gevolg van de
premieheffing voor de ouderdomsverzekering niet kan voordoen, aangezien de
premie voor deze verzekering, anders dan de premie voor de andere
socialeverzekeringswetten, geheel door de werknemer zal worden betaald. Hieraan
verbindt de S.E.R. vervolgens de conclusie dat afwijking van het fiscale
inkomensbegrip op het punt van de kinderbijslag dan ook niet geboden is.
Hoewel de ondergetekenden de
mening van de S.E.R. dat het geschetste bezwaar zich bij de premieheffing
voor de ouderdomsverzekering niet kan voordoen, onderschrijven, hebben zij
niettemin noch in het ontbreken van vorenbedoeld bezwaar, noch in de door
hen erkende wenselijkheid bij de premieheffing voor de
ouderdomsverzekering, om redenen van administratieve eenvoud, zo nauw
mogelijk aan te sluiten bij het fiscale inkomensbegrip, voldoende aanleiding
kunnen vinden de kinderbijslag tot het premieplichtige inkomen te rekenen,
nu - zoals zij nader zullen uiteenzetten - gegronde motieven daartegen
pleiten. Vooropgesteld zij hierbij dat het onbelast laten van de
kinderbijslag de administratieve uitvoering van de premieheffing zo weinig
mogelijk dient te verzwaren. Het wetsontwerp bevat daartoe enige
voorzieningen, waarop hieronder nader wordt teruggekomen.
Zou de kinderbijslag tot het
premieplichtige inkomen worden gerekend, dan zou een zeer onbillijke
werking van de maatregelen waarin het wetsontwerp voorziet ter
tegemoetkoming aan de betalingsonmacht van de kleine zelfstandigen, hiervan
het gevolg zijn. Bedoelde maatregelen, waarvan in de volgende paragraaf een
uitvoerige uiteenzetting wordt gegeven, voorzien in het buiten invordering
laten van de premie verschuldigd door zelfstandigen en overige
niet-loontrekkenden wier inkomen een bepaald bedrag niet overschrijdt. Dit
bedrag is voor gehuwden en daarmede gelijkgestelden bepaald op ƒ2100,-.
Bedraagt het inkomen meer dan ƒ2100,-, doch minder dan ƒ3100,-, dan wordt een
met het inkomen oplopend gedeelte van de premie ingevorderd.
Wordt nu tot
het inkomen ook de kinderbijslag gerekend, dan doet zich het volgende voor.
Van een gehuwde zelfstandige
zonder kinderen die een inkomen heeft van ƒ2050,- wordt wegens
betalingsonmacht geen premie ingevorderd.
Van een gehuwde zelfstandige met kinderen die uit zijn bedrijf eveneens een inkomen van ƒ2050,- heeft, doch
daarnaast kinderbijslag geniet, waardoor zijn totaal inkomen boven ƒ2100,-
stijgt, wordt wel premie ingevorderd. Toch is bij deze zelfstandige met
kinderen eerder betalingsonmacht aanwezig te achten dan bij eerstgenoemde
zelfstandige zonder kinderen, daar het inkomen zonder kinderbijslag van
beiden even groot is. De kinderbijslag kan immers geenszins geacht worden
geheel te voorzien in de kosten verbonden aan het onderhouden der kinderen.
Naarmate het inkomen van bovenbedoelde zelfstandige met
kinderen, als gevolg
van het ontvangen van kinderbijslag meer stijgt boven ƒ2100,- zal, door het
oplopen van het voor rekening van de verzekerde komende deel van de premie,
de verschuldigde rblz.|39
l.k.|
premie relatief sterk
stijgen. In feite betekent dit dat naarmate het kindertal toeneemt een
steeds groter deel van de ontvangen kinderbijslag weer als premie voor de
ouderdomsverzekering moet worden afgestaan. De geschetste onbillijkheden
worden voorkomen door de kinderbijslag niet tot het inkomen te rekenen.
In het door de S.E.R.
uitgebrachte advies inzake een kinderbijslagregeling voor zelfstandigen
wordt voorgesteld de premie-inning voor zodanige kinderbijslagregeling, op
dezelfde wijze als voor de ouderdomsverzekering, door de belastingdienst te
doen geschieden. Het ligt voor de hand dat, terwille van de administratieve
eenvoud, bij de verwerkelijking van een kinderbijslagregeling voor
zelfstandigen met premieheffing op de door de S.E.R. geadviseerde wijze, ten
aanzien van het premieplichtig inkomen aansluiting dient te worden gezocht
bij het inkomen waarover premie voor de ouderdomsverzekering wordt
geheven. De beslissing welke voor de ouderdomsverzekering wordt genomen
ten aanzien van het al dan niet belasten van de kinderbijslag met premie
ingevolge deze verzekering, zal dus tevens van belang zijn voor de
definitieve wettelijke regeling van de kinderbijslag voor zelfstandigen. Zou
nu de kinderbijslag tot het inkomen worden gerekend, dan zou zich bij de
kinderbijslagverzekering voor zelfstandigen de vreemde situatie voordoen
dat premie ingevolge die verzekering verschuldigd zou zijn over de uitkering waarin diezelfde verzekering voorziet, met andere woorden, er zal
kinderbijslagpremie worden geheven over de kinderbijslag.
Neemt men bij het bovenstaande
nog in aanmerking dat voor de bestaande
socialeverzekeringswetten algemeen
is aanvaard dat over de kinderbijslag geen socialeverzekeringspremiën
verschuldigd zijn, dan ligt het voor de hand dat de ondergetekenden hebben
gemeend zich ook voor wat betreft de algemene ouderdomsverzekering in dit
opzicht bij de bestaande sociale verzekeringen te moeten aansluiten en de
kinderbijslag voor de premieheffing onbelast te moeten laten.
Zoals hierboven reeds werd
vermeld, dient ervoor te worden gewaakt dat de onderhavige afwijking van
het fiscale inkomensbegrip de, zowel voor de belastingdienst
als voor de
werkgevers, aan de premieheffing voor de ouderdomsverzekering verbonden
administratieve last zou verzwaren. Hiertoe, en met name om voor de
werkgevers de mogelijkheid van het gebruik van premietabellen te behouden - op welke tabellen in
hoofdstuk 9 van deze memorie en bij de
artikelsgewijze toelichting nader wordt teruggekomen -, is in het
wetsontwerp bepaald dat ter bepaling van het premieplichtig inkomen het
inkomen van elke verzekerde van wie de premie geheel of gedeeltelijk bij
wijze van inhouding wordt geheven, wordt verminderd met de kinderbijslag
waarop hij over de periode waarin de inhouding plaatsvindt, ingevolge de
Kinderbijslagwet aanspraak heeft of aanspraak zou hebben gehad indien de
bepalingen van die wet op hem van toepassing zouden zijn geweest. Hierdoor
wordt bereikt dat voor alle loontrekkenden met kinderen een gefixeerd
bedrag aan kinderbijslag van premieheffing wordt vrijgesteld, namelijk de
kinderbijslag ter hoogte van de bedragen, genoemd in de Kinderbijslagwet. De
loontrekkenden die op grond van een bijzondere kinderbijslagregeling een
hogere kinderbijslag ontvangen dan waarop de Kinderbijslagwet recht geeft,
zullen dus over het bedrag waarmee de wettelijke kinderbijslag wordt
overtroffen wel premie verschuldigd zijn. De ondergetekenden kunnen dit
evenwel niet als een bezwaar zien. Integendeel kan worden gezegd dat voor
alle loontrekkenden gelijkheid in behandeling ontstaat ten aanzien van de
premieheffing voor de ouderdomsverzekering, door voor ieder buiten
aanmerking te laten een gelijk bedrag aan kinderbijslag. Voorts brengt de
onderhavige bepaling mee dat een zeer kleine groep van
loonbelastingplichtige verzekerden die, hoewel ze wel kinderen hebben, geen
kinderbijslag ontvangen doordat geen kinderbijslagregeling op hen van
toepassing is, toch voor de premieheffing ingevolge de ouderdomsverzekering de aftrek van het gefixeerde bedrag aan
kinderbijslag
op hun inkomen zien toegepast. De hier bedoelde verzekerden zijn bijvoorbeeld
te
vinden onder het huispersoneel en rblz.|39
r.k.|
onder de personen die in
loondienst van niet-rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen werkzaam
zijn. Waar deze personen toch reeds de kinderbijslag missen, achten de
ondergetekenden het niet bezwaarlijk dat hun bij de premieheffing voor de
ouderdomsverzekering een gering voordeel toevalt.
Ten slotte dient nog te
worden opgemerkt dat voor de zelfstandigen het werkelijk genoten bedrag aan
kinderbijslag ingevolge de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen van
het premieplichtige inkomen is uitgezonderd. Wordt deze Noodwet vervangen
door een definitieve regeling, dan zal ten aanzien van de kinderbijslagen
ingevolge de definitieve voorziening eenzelfde gedragslijn moeten worden
gevolgd.
5.4. Premieheffing van kleine
zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden met geringe inkomsten
Tegemoetkoming aan kleine
zelfstandigen en aan andere niet-loontrekkenden met een klein inkomen
Zoals in
paragraaf 5.1 is uiteengezet, wordt bij de premieheffing als uitgangspunt
gesteld dat
iedere verzekerde die door of in verband met arbeid of vermogen inkomen
geniet, verplicht is tot premiebetaling.
De vraag rijst echter of er
aanleiding bestaat om bij elk inkomen een bepaald bedrag niet in aanmerking
te nemen bij de vaststelling van de premie of om alle verzekerden met een
inkomen beneden een bepaald bedrag van premiebetaling vrij te stellen.
Ook de S.E.R. heeft deze vragen
uitvoerig bezien. Uit zijn rapport (blz. 58) blijkt dat vrijstelling van
premiebetaling over een deel van het inkomen voor alle premieplichtigen,
zelfs indien dit deel van het inkomen betrekkelijk laag wordt gesteld, het
percentage van de premie dat moet worden geheven van het resterende deel,
zeer aanmerkelijk doet toenemen en wel zodanig dat degenen die het
maximumpremiebedrag moeten betalen, dit bedrag zeer sterk zien stijgen. De
hieruit voortvloeiende verdeling van de druk over de verschillende
inkomensgroepen wordt door de S.E.R. niet redelijk geacht. De
ondergetekenden kunnen op dit punt geheel de zienswijze van de S.E.R. delen.
De S.E.R. acht het voorts niet
noodzakelijk, wegens te verwachten inningsmogelijkheden bij een aantal
verzekerden, een algemene vrijstelling te verlenen voor iedere verzekerde
wiens inkomen een bepaald niveau niet overschrijdt. De Raad verheelt zich
daarbij niet dat voor bepaalde categorieën van trekkers van lage inkomens
het betalen van premie zeer bezwaarlijk kan zijn, gelet op de omstandigheid dat dikwijls zelfs de primaire levensbehoeften nauwelijks
kunnen worden bevredigd. De wijze van invordering der premie zal dan ook de
premiebetaling in belangrijke mate beïnvloeden. Bij de loontrekkenden
zullen zich te dezen aanzien geen moeilijkheden voordoen, aangezien van deze
groep de premie door de werkgever zal worden ingehouden, zodat aanwending
door de premieplichtige van het voor premiebetaling bestemde deel van het
inkomen voor andere doeleinden niet mogelijk is. Voor de zelfstandigen kan
deze wijze van premie-invordering niet worden toegepast. Zij zullen derhalve
een deel van het inkomen waarover zij reeds de beschikking hebben verkregen als premie moeten afdragen. Hierbij dient in het oog te worden
gehouden - aldus de S.E.R. - dat het inkomen van de zelfstandigen
veelal in relatief grote mate schommelt en dat het inkomen in vele gevallen
niet voor vrije besteding beschikbaar is, maar wegens gebrek aan andere
financieringsmiddelen gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden moet worden
aangewend. De Raad concludeert, op grond van door het Ministerie van
Financiën bij de belastinginning opgedane ervaringen, dat bij zelfstandigen
met een inkomen beneden ƒ3000,- de premie in veel gevallen oninbaar zal
blijken te zijn.
De ondergetekenden
onderschrijven de mening van de S.E.R. dat het, ter tegemoetkoming aan de
betalingsmoeilijkheden van de kleine zelfstandigen, niet gerechtvaardigd
voorkomt maatregelen te nemen welke werken ten aanzien van alle
verzekerden - bijvoorbeeld door bij elk inkomen een bepaald rblz.|40
l.k.|
bedrag niet in aanmerking te
nemen bij de vaststelling van de premie of door alle verzekerden met een
inkomen beneden een bepaald bedrag van premiebetaling vrij te stellen - en daardoor een redelijke verdeling van lasten welhaast
onmogelijk zouden
maken.
Daarentegen zullen bepaalde
andere maatregelen welke tegemoetkomen aan de betalingsonmacht van de
kleine zelfstandigen niet kunnen worden gemist. Als vaststaande kan immers
worden aangenomen dat een aantal kleine zelfstandigen niet in staat zal
zijn de premie op te brengen. Worden hiervoor geen voorzieningen getroffen,
dan zal het gevolg zijn dat een aantal minder draagkrachtige verzekerden,
die juist grote behoefte hebben aan een behoorlijke ouderdomsvoorziening,
te zijner tijd van een ouderdomspensioen verstoken blijven of althans
slechts aanspraak kunnen maken op een te laag pensioen. Bijzondere
maatregelen zijn hier derhalve nodig. De ondergetekenden wensen evenwel
uitdrukkelijk vast te stellen dat volgens de bepalingen van het
wetsontwerp ook iedere kleine zelfstandige premieplichtig is. De bijzondere
maatregelen waarin het wetsontwerp voor de kleine zelfstandigen voorziet,
bestaan hierin dat van hen de in beginsel verschuldigde premie niet wordt
ingevorderd indien hun inkomen minder bedraagt dan een bepaald bedrag. Dit
bedrag zal naar de mening van de ondergetekenden in de huidige
omstandigheden niet hoger dienen te worden gesteld dan op ƒ2100,- per jaar
voor gehuwden en op ƒ1500,- per jaar voor ongehuwden. Hierbij dient te worden
opgemerkt dat in het betreffende artikel van het wetsontwerp (artikel
31 [-])
niet de begrippen "gehuwden" en "ongehuwden" worden genoemd,
doch aansluiting is gezocht bij de rangschikking in tariefgroepen voor de
heffing van de inkomstenbelasting.
Het ontwerp gaat er namelijk van uit
dat het bedrag van ƒ2100,- inkomen per jaar zal gelden voor alle
verzekerden
die voor de heffing van de inkomstenbelasting in tariefgroep II of III zijn
gerangschikt. Hierdoor zijn ongehuwde verzekerden die gedurende vijf jaren
een echtelijk huishouden hebben gevoerd, zoals bijvoorbeeld weduwen en weduwnaars,
met gehuwden gelijkgesteld. Voorts wordt hiermede bereikt dat voor alle
verzekerden die recht op kinderaftrek voor de belastingheffing hebben,
ongeacht of zij gehuwd zijn, het bedrag van maximaal ƒ2100,- zal gelden.
Ter voorkoming van een te snelle
overgang achten de ondergetekenden het in navolging van het advies van de S.E.R.
gewenst bij een inkomen boven genoemde bedragen niet onmiddellijk
tot invordering van de gehele verschuldigde premie over te gaan, maar een
geleidelijk toenemend deel van de premie in te vorderen. Door het inkomen
waarbij de gehele premie zal worden ingevorderd ƒ1000,- hoger te stellen dan
de vorengenoemde inkomensbedragen van ƒ2100,- per jaar voor gehuwden en
daarmede gelijkgestelden en ƒ1500,- per jaar voor ongehuwden, zal naar hun
oordeel voldoende ruimte worden gelaten om een geleidelijk oplopende
schaal, volgens welke de premie zal worden ingevorderd, te ontwerpen.
Ter toelichting van de gekozen
inkomensgrenzen van ƒ1500,-, onderscheidenlijk ƒ2100,-, waar beneden geen
premie zal worden ingevorderd, wordt opgemerkt dat deze grenzen samenvallen
met de inkomensgrenzen waarbij voor de tariefgroep I, onderscheidenlijk
II, de heffing van de inkomstenbelasting zal aanvangen indien het thans
aanhangige wetsontwerp nr. 3885 (zitting 1954-1955) tot wet zal zijn
verheven.
Dat evenwel degenen wier
inkomen zodanig is dat bovenomschreven bepalingen op hen van toepassing
zouden kunnen zijn, toch in beginsel premieplichtig blijven, blijkt wel
hieruit dat tot invordering der verschuldigde premie wél zal worden
overgegaan indien de betrokkenen in aanmerking komen voor een aanslag in de
vermogensbelasting. In deze gevallen immers zal de betalingsonmacht, met het
oog waarop de tegemoetkomingen zijn getroffen, niet aanwezig zijn. Voorts
dient te worden opgemerkt dat bijvoorbeeld van een verzekerde die deels als
zelfstandige en deels als loontrekkende werkzaam is, de premie over zijn
inkomen uit dienstbetrekking steeds, door middel van inhouding, ten volle
zal worden ingevorderd. Voor zover het totale inkomen van zodanige verzekerde
beneden bovengenoemde rblz.|40
r.k.|
grenzen blijft, kunnen
dan nog, uitsluitend met betrekking tot dat deel van het inkomen dat als
zelfstandige is verworven, de voor de kleine zelfstandigen getroffen
tegemoetkomende bepalingen toepassing vinden.
De ondergetekenden zijn van mening dat door bovenomschreven voorziening die maatregelen ter
tegemoetkoming van de kleine zelfstandigen zijn getroffen welke - in
grote lijnen - ook de S.E.R. voor ogen hebben gestaan.
Zij menen voorts nog op het
volgende aspect, verbonden aan de voor de kleine zelfstandigen getroffen
regeling inzake de premie-invordering, te moeten wijzen. Aangezien de juiste
hoogte van het inkomen van zelfstandigen die geen inkomstenbelasting
betalen, bij de belastingdienst
niet bekend is, zal deze dienst, indien van
hen premie voor de ouderdomsverzekering zou moeten worden gevorderd, de
nauwkeurige inkomensgegevens hiervoor speciaal dienen te verzamelen. Met
name bij de zeer kleine zelfstandigen levert dit vaak grote moeilijkheden
op. Het achterwege laten van de invordering der premie bij een groot deel
van die kleine zelfstandigen wier inkomen beneden de belastinggrenzen
ligt, levert derhalve ook een niet te onderschatten besparing aan
administratiekosten op.
Deze besparing zou niet worden bereikt indien gevolg zou worden gegeven aan de op blz. 63 van het
S.E.R.-rapport
vermelde mening van enkele leden van de S.E.R. dat alle verzekerden - dus ook de kleine zelfstandigen met een inkomen beneden
ƒ2100,-, respectievelijk ƒ1500,-
- door het aanbieden van een premieaanslag in de gelegenheid moeten
worden gesteld de door hen verschuldigde premie te betalen. Aan het opleggen
der premieaanslag dient immers steeds het verzamelen van nauwkeurige
inkomensgegevens vooraf te gaan. De ondergetekenden verwachten van het
aanbieden van een premienota aan meergenoemde kleine zelfstandigen met een
inkomen beneden ƒ2100,- of ƒ1500,- weinig of geen resultaat ten aanzien van
de premiebetaling. Mede gezien de verhoging der administratiekosten welke
zou optreden, kunnen zij de mening van bedoelde enkele leden van de S.E.R.
niet delen.
Aangezien de motieven welke
hebben geleid tot het treffen van de hierboven weergegeven regeling voor
kleine zelfstandigen grotendeels ook gelden voor die overige
niet-loontrekkenden die slechts over een gering inkomen beschikken hetwelk niet is onderworpen aan een voorheffing krachtens het Besluit op de
Loonbelasting 1940 of een daarmede overeenkomende voorheffing, zijn de
ondergetekenden van oordeel dat meerbedoelde regeling zich ook tot deze
categorie van niet-loontrekkenden dient uit te strekken.
Men zou zich kunnen afvragen of
het tegenover de loontrekkenden met een even laag inkomen als de
niet-loontrekkenden ten aanzien van wie van invordering der premie wordt
afgezien, wel billijk is dat zij de volle premielast dragen.
Hierbij dient evenwel te worden bedacht dat de loontrekkenden, zoals in hoofdstuk 8 van deze memorie
nader wordt uiteengezet, in verband met de voor de ouderdomsverzekering
verschuldigde premie een Iooncompensatie zullen ontvangen. Voorts zullen
zodanig lage inkomens als ten aanzien waarvan bij de kleine zelfstandigen
en andere niet-loontrekkenden van premie-invordering wordt afgezien, bij de
loontrekkenden vrijwel alleen bij de jeugdige ongehuwden worden aangetroffen, voor wie de premiebetaling niet bezwaarlijk kan worden
geacht. Integendeel heeft het betrekken van de jeugdigen in de
premiebetaling belangrijke voordelen, welke in paragraaf 5.1
reeds
zijn uiteengezet.
Andere gevallen van onmacht tot
premiebetaling bij niet-loontrekkenden
Het is
mogelijk dat bij de
pogingen tot invordering van door een niet-loontrekkende verschuldigde
premie blijkt dat invordering niet mogelijk is als gevolg van bijzondere,
de verzekerde persoonlijk betreffende, doch hem niet toe te rekenen
omstandigheden, zoals bijvoorbeeld grote uitgaven door ziekte. Zoals in hoofdstuk
9 van deze memorie nader zal worden uiteengezet, zal in deze gevallen het
nalaten der premiebetaling geen aantekening, welke tot een korting op het
pensioen leidt, tot gevolg behoeven te hebben.
rblz.|41
l.k.|
Overname van de premiebetaling
door het Rijk
Zowel indien op grond van de in
deze paragraaf aangegeven regeling van invordering van premie van kleine
zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden met een klein inkomen geheel of
gedeeltelijk wordt afgezien als wanneer in de naderhand aangeduide andere
gevallen van onmacht tot premiebetaling bij niet-loontrekkenden de pogingen
tot invordering van premie niet of niet volledig tot resultaat hebben
geleid, terwijl geen aantekening leidende tot korting op het pensioen
wordt gesteld, achten de ondergetekenden het met de S.E.R.
redelijk de premie welke niet is ingevorderd ten laste van het Rijk te brengen. De
voor de ouderdomsverzekering op te brengen premie moet in zekere zin worden
gerekend tot de kosten van het noodzakelijk levensonderhoud. Deze
gedachtengang leidt ertoe dat ten aanzien van personen die de premie
werkelijk niet kunnen opbrengen de Staat zal moeten bijspringen. Dat in
deze gevallen de premiebetaling geheel of gedeeltelijk door de overheid
dient te worden overgenomen, vormt naar het oordeel van de S.E.R. een
onmisbaar element in het door hem voorgestelde stelsel, dat niet daaruit kan
worden gelicht.
Ook met het oog op de positie
van de loontrekkenden is het noodzakelijk dat de wegens betalingsonmacht
van niet-loontrekkenden niet-ingevorderde premie ten laste van de overheid
en niet - via een verhoogde premie - te hunnen laste wordt gebracht.
6.
Stelsel van
financiering
Het vraagstuk van de
financiering der sociale verzekering, in het bijzonder van de
ouderdomsverzekering, is in het verleden herhaalde malen onderwerp geweest
van diepgaande studie. Tot voor korte tijd kon echter geen oplossing worden
gevonden die algemene instemming vond. Des te verheugender is het dat
thans in de S.E.R. wel eenheid van inzicht blijkt te bestaan.
De meest voorkomende
financieringsvormen zijn:
a. het fondsvormingsstelsel,
waarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen het kapitaaldekkings- en het
rentedekkingstelsel;
b. het omslagstelsel.
Aan het advies van de
S.E.R. kon
de volgende analyse van de genoemde stelsels worden ontleend.
Bij het kapitaaldekkingsstelsel
wordt voor elke verzekerde berekend de wiskundige reserve welke aanwezig
dient te zijn om - uitgaande van bepaalde veronderstellingen ten aanzien
van de gemiddelde sterfte naar leeftijd en geslacht, van de gemiddeld te
kweken rente en van de administratiekosten - alle toekomstige
verplichtingen uit hoofde van reeds ingegane en nog niet ingegane renten te
dekken, rekening houdende met de te verwachten opbrengsten van nog te
betalen premiën.
Het vermogen van het fonds dat
door de premiebetalingen ontstaat, dient dan van het begin af aan
voortdurend - ten minste - zo groot te zijn als de som van de wiskundige
reserves voor alle verzekerden tezamen.
In dit systeem worden dus
gedurende de duur van de premieheffing - bijvoorbeeld van 15 tot 65 jaar - de
vermogens gevormd, mede door rentebijschrijving, waaruit na het 65ste
levensjaar de ouderdomsrente kan worden betaald.
Bij het rentedekkingsstelsel
wordt een reserve gevormd alleen voor de reeds ingegane renten. Voor degenen die op een bepaald tijdstip 65 jaar
of ouder zijn en rente
genieten, is dus op dat ogenblik een gezamenlijk vermogen aanwezig waaruit
alle toekomstige renten voor deze groep kunnen worden voldaan. Voor degenen die 65 jaar
worden en dan in het genot der rente treden, moet dan
in het desbetreffende jaar het vermogen worden opgebracht waaruit zij in
de volgende jaren hun ouderdomsrente kunnen verkrijgen. Het totaal aanwezige
vermogen is dus bij het rentedekkingsstelsel aanzienlijk kleiner dan bij
het kapitaaldekkingsstelsel.
rblz.|41
r.k.|
De jaarlijkse lasten zullen,
indien de vereiste vermogens eenmaal zijn gevormd, bij een constante
bevolkingsstructuur in beide stelsels even hoog zijn. Bij een zich
uitbreidende bevolking, waarbij echter na enige tientallen jaren een
evenwicht wordt verwacht en daarna een, relatieve, veroudering - de
toestand dus welke in Nederland wordt verwacht -, zal de jaarlijkse last
van een rentedekkingssysteem (zelfs afgezien van het kleinere noodzakelijke
vermogen, dat eerst langzaam zou kunnen worden opgebouwd) aanvankelijk
geringer en later groter zijn dan die van een kapitaaldekkingssysteem.
Beide stelsels van fondsvorming
eisen zeer grote vermogensaccumulaties.
Bij het omslagstelsel wordt,
afgezien van een schommelfonds, geen vermogen gevormd. De in een bepaald
jaar te betalen renten dienen in datzelfde jaar te worden opgebracht.
Vorming van een schommelfonds is ook in het omslagstelsel gewenst, zowel ter
overbrugging van de verschillen doordat de jaarlijkse inkomsten en uitgaven
niet nauwkeurig aan elkaar gelijk zullen zijn, als ter vermijding van
jaarlijkse wijzigingen in het premiepercentage. Het fonds kan echter
beperkt van omvang blijven.
Binnen het kader van de in
hoofdstuk 1 vermelde
technische commissie-Van Rhijn heeft enige jaren geleden een bijzondere
commissie onder leiding van mr. dr. Van Rhijn zich beziggehouden met het
vraagstuk van de financiering van de ouderdomsverzekering. Aan de
beschouwingen van het nog altijd lezenswaardige rapport van deze commissie
wordt het volgende ontleend.
Bij een vergelijkende
beschouwing over het kapitaaldekkings- en het omslagstelsel wijst de commissie
op de moeilijkheden welke bij het kapitaaldekkingsstelsel bestaan gedurende
de overgangsperiode. Bij de invoering der verzekering zal een deel der
bevolking zo oud zijn dat de voorwaarde met betrekking tot de duur der
periode waarover premie moet worden betaald niet meer kan worden vervuld.
Het vermogen dat voor de uitkering van het oudere gedeelte der bevolking
wordt bijeengebracht, is zodoende niet toereikend om de normale uitkering
voor hen te financieren, zodat, indien men de oudere bevolkingsklasse
deswege niet van de verzekering wil uitsluiten, aanvullende middelen zullen
moeten worden gevonden.
Bij het omslagstelsel wordt, aldus de commissie,
omdat fondsvorming wordt afgewezen, aanstonds de toestand bereikt welke bij
het kapitaaldekkingsstelsel eerst na tientallen jaren optreedt, namelijk dat
ontvangsten en uitkeringen met elkaar in evenwicht zijn. Een speciale
voorziening voor hen die bij de invoering der verzekering reeds op
gevorderde leeftijd zijn, is bij het omslagstelsel strikt genomen niet
noodzakelijk. De commissie merkt evenwel op dat de rente welke bij het
kapitaalsdekkingsstelsel met het gevormde vermogen wordt gekweekt en
waardoor een premie kan worden geheven welke lager is dan de jaarlijks te
dekken uitkeringen in het omslagstelsel, als bijdrage van de Staat in een
andere vorm moet worden ontvangen indien men de premie op gelijke hoogte
wil laten als voor het kapitaaldekkingsstelsel is berekend.
Een essentieel
verschil tussen de beide stelsels bestaat naar het oordeel der commissie
hierin dat bij het kapitaaldekkingsstelsel gedurende de overgangsperiode
van de zijde van het werkende deel der bevolking een tweeledige besparing in
de zin van consumptiebeperking plaatsvindt; in de eerste plaats wordt hun
consumptie beperkt om het niet werkende oudere deel, voor zover dit deel
niet of niet voldoende premie heeft betaald, de vereiste uitkering te doen,
doch bovendien moet de werkende generatie andermaal haar consumptie beperken
om het vermogen bijeen te brengen dat te zijner tijd haar eigen uitkeringen
moet mogelijk maken. Bij het omslagstelsel daarentegen wordt het laatste
achterwege gelaten in het vertrouwen dat de toekomstige werkende generatie
op haar beurt door de wet verplicht zal worden om zodanige premiën te
betalen (en dus haar consumptie dienovereenkomstig te beperken) als nodig is
om de thans werkenden te zijner tijd in het genot van de hun toekomende
uitkeringen te kunnen stellen.
Wanneer de periode welke in het
kapitaaldekkingsstelsel als overgangstoestand wordt aangeduid eenmaal
voorbij is, ziet de rblz.|42
l.k.|
commissie tot het ogenblik
waarop een structuurwijziging hetzij in de bevolkingsopbouw, hetzij in
de sociale voorzieningen intreedt, volkshuishoudkundig gezien geen verschil
meer lussen beide stelsels. In juridisch opzicht blijven ook in die periode
de verschillen bestaan.
Naar aanleiding van het tegen het omslagstelsel aangevoerde bezwaar dat dit stelsel de kosten van
invoering van een ouderdomsverzekering op toekomstige generaties afwentelt,
merkt de commissie op dat deze afwenteling eerst practisch aan de dag zal
kunnen treden - afgezien van het ondenkbare geval dat de sociale
voorzieningen zouden worden afgeschaft - bij relatieve vermindering van
het actieve deel van de bevolking, doordat de middelen niet of niet
voldoende aanwezig zijn om de verwachtingen van hen die tot dusverre door
premiebetaling hun consumptie beperkten in het uitzicht van te zijner tijd
te ontvangen uitkeringen, te verwezenlijken.
Bij toepassing van het
kapitaaldekkingsstelsel is in geval van een relatieve vermindering van het
actieve deel der bevolking, aldus de commissie, weliswaar een fonds aanwezig uit welks gedeeltelijke liquidatie de middelen vrijkomen om de
verzekerden een uitkering te verschaffen, doch de omstandigheden waaronder
deze liquidatie zou moeten plaatsvinden, zullen dan zodanig zijn dat de
zekerheid die de aanwezigheid van het fonds moest verschaffen slechts in
onvolledige mate bestaat. Immers, de geleidelijke liquidatie van fondsen zal
reeds door het vergrote aanbod de koersen en dus ook de opbrengsten der
beleggingen ongunstig beïnvloeden. Daarbij komt nog dat door het relatief
kleiner worden van de actieve bevolking de omvang der maatschappelijke
productie - en daarmede het consumptiemiddelenfonds - terugloopt; de
vraag naar consumptiegoederen vermindert, maar in geringere mate dan het
aanbod; derhalve zal een prijsstijging optreden en de productiecapaciteit
der bedrijven zal niet volledig worden benut uit gebrek aan arbeid; kortom
een slepende structurele depressie zal zich voordoen, welke ook van de zijde
van de vraag oorzaak is van daling der koersen van beleggingsfondsen.
Naar het oordeel van de grootst
mogelijke meerderheid der commissie pleit het in de aanhef van de vorige
alinea bedoelde argument slechts ten gunste van het fondsvormingsselsel
indien vaststaat dat bij aanvaarding van het fondsvormingsstelsel het
geaccumuleerde fonds zou hebben bijgedragen tot vergroting van het
productiepotentieel en daarmede niet slechts een geldrente, doch ook een
natuurlijke rente (dit is een reële vermeerdering van het volksinkomen met
consumptiegoederen, welke de koopkrachtige vraag tot rente- en
kostendekkende prijzen kan opnemen) zou hebben gekweekt. Dit nu acht zij
uitgesloten. De belegging van de enorme kapitalen die het fonds in de
overgangsperiode zal opbouwen, zal op onoverkomenlijke moeilijkheden
stuiten, tenzij de Staat de in de gedachtengang van de commissie te zijnen
laste komende kosten van de toekenning van verstreken verzekeringsjaren door
middel van langlopende leningen financiert en deze leningen bij de fondsen
onderbrengt. De commissie merkt dan voorts op dat buitenlandse beleggingen
van sociale fondsen, dat wil zeggen kapitaalexport, afgezien van de principiële
bedenkingen daartegen en afgezien van elke beleggingsverruiming
tenietdoende reciprociteitseisen, voor ons van voldoende deviezen en
productiemiddelen verstoken land tot de practische onmogelijkheden behoren.
Hierbij willen de ondergetekenden terloops aantekenen dat de algemene
deviezenpositie van ons land thans op zichzelf genomen ruimere beleggingen
in het buitenland zou toestaan. De principiële bezwaren tegen beleggingen
van sociale fondsen in het buitenland en de beleggingsverruiming
tenietdoende reciprociteitseisen blijven onverminderd van kracht.
In het rapport van de commissie-Verrijn Stuart, ingesteld bij Koninklijk
besluit van 9 Februari
1939, nr. 44, wordt ten aanzien van de huidige in de Invaliditeitswet
geregelde ouderdomsverzekering de wiskundige reserve aan het eind van de
overgangsperiode op ongeveer ƒ3,8 milliard gesteld. uitgaande van
een uitkering van ƒ6,- per week en een rentestand van 4%. De gedaalde
rentestand en de hogere uitkeringen in aanmerking nemend, kan naar de
mening der commissie als rblz.|42
r.k.|
vaststaand worden aangenomen dat in
een periode van 40 jaar een bedrag van vele milliarden zal moeten
worden belegd, waarbij niet uit het oog moet worden verloren dat ook andere
institutionele beleggers het aanbod zullen vergroten, terwijl de toenemende
zelffinanciering doet vrezen dat de kapitaalvraag in de toekomst zal
afnemen. Het gevolg zal zijn dat voor een groot deel der te beleggen gelden
geen of slechts improductieve bestemmingen zullen kunnen worden gevonden,
ook al neemt men het begrip productief in de meest ruime zin van het woord.
Voor zover belegging in
niet-productieve richting plaatsvindt, zullen, zo merkt de commissie op, de
besparingen geen verhogingen van het productiepotentieel teweegbrengen; het
toekomstige nationale inkomen waaruit de toekomstige uitkeringen moeten
worden afgeleid, heeft geen vergroting tengevolge van besparingen in het
heden ondergaan, zodat, bezien vanuit het oogpunt der economische
collectiviteit, alsdan geen wezenlijk verschil aanwezig is tussen
omslagstelsel en fondsvormingsstelsel.
De commissie vestigt er voorts
de aandacht op dat de voorstanders van het kapitaaldekkingsstelsel van
mening zijn dat zelfs indien het premiekapitaal voor een kleiner of groter
deel in improductieve staatsfondsen zou worden belegd, dit stelsel hiermede
nog niet veroordeeld is. Zij leggen de nadruk - en één lid der commissie
onderschreef deze opvatting - op het belang van de formele
onafhankelijkheid van het verzekeringsfonds, welke een waarborg vormt tegen
vermenging van de door de verzekerden bijeengebrachte gelden en de staatskas
en tegen een daaruit voortvloeiende subordinatie van de belangen van de
verzekerden aan de belangen der schatkist. Zij menen dat slechts een
onafhankelijk fonds aan de wettelijke bepalingen een zekere
onaantastbaarheid schenkt. Met name zal volgens deze opvatting in tijden van
conjuncturele neergang het afgezonderd vermogen der fondsen de verzekerden
eerder vrijwaren tegen aantasting van het uitkeringspeil dan uitsluitend de
wettelijke bepalingen bij toepassing van het omslagstelsel vermogen.
Anderzijds wordt van de zijde
van de voorstanders van het omslagstelsel aangevoerd dat dit stelsel bij
stijging van het prijsniveau eerder tot verhoging van de uitkeringsnormen
zal leiden dan het fondsvormingsstelsel.
Dit argument is daarom vooral
van belang wijl de economische geschiedenis een tendentiële
waardevermindering van het geld heeft te zien gegeven. Bovendien versterken
plotselinge evenwichtsverstoringen in het prijsniveau in opwaartse zin
tengevolge van internationale conflicten c.q. oorlogen deze tendentie.
Men ziet dan ook van de zijde
van de voorstanders van het omslagstelsel in het kapitaaldekkingsstelsel een
in de sfeer van de sociale verzekering niet-passende reminiscens aan het
commercieel geschoeide privaatrechtelijk verzekeringsbedrijf. Daar is een
fonds nodig ter handhaving van de solvabiliteit van de verzekeraar. Wanneer
de Staat echter insolvent wordt, sleept hij, aannemend dat het
verzekeringskapitaal grotendeels in staatsfondsen is belegd, de verzekerden
door de ontwaarding van het in staatsfondsen belegde verzekeringskapitaal
evenzeer in zijn faillissement mee.
Ten slotte gelden naar het
oordeel van de grootst mogelijke meerderheid der commissie als bezwaar tegen
het fondsvormingsstelsel nog de moeilijkheden die voor het fonds zullen
ontstaan bij daling van de rentestand tot een peil gelegen beneden de
rentegrondslag. Deze natuurlijker wijze reeds uit het overmatig
kapitaalsaanbod van de zijde der fondsen voortvloeiende daling van het
rentepeil zal de fondsen op de duur voor grote tekorten plaatsen en hen tot
onmiddellijke verhoging van de verzekeringsbijdrage nopen, hetgeen weer een
nog groter kapitaalsaanbod tengevolge zou hebben. Hiertegenover kan echter
worden gewezen op de mogelijkheid om de uit een gestegen rentestand
voortvloeiende overschotten aan te wenden tot compensatie der bovengenoemde
tekorten.
Ook de S.E.R. heeft zich, zoals
reeds in het begin van dit hoofdstuk bleek, met de wijze van financiering
der verzekering beziggehouden. De Raad stelt allereerst dat de uitkeringen, rblz.|43
l.k.|
ongeacht de gevolgde financieringswijze, uit de lopende productie zullen moeten geschieden.
Vanuit dit aspect is het derhalve van belang - zo de Raad - een stelsel
van financiering te kiezen dat de omvang van de toekomstige productie zo
mogelijk gunstig beïnvloedt. Een dergelijke invloed zal van een wijze van
financiering waarbij fondsvorming op grote schaal plaatsvindt niet
uitgaan, omdat de fondsvorming de omvang der besparingen zeer sterk zou doen
stijgen, terwijl het niet waarschijnlijk is dat de factoren welke de
omvang van de investeringen bepalen zich hierdoor zodanig zullen wijzigen
dat de toeneming van de spaarneiging tot additionele investeringen
aanleiding zal geven. Een financieringsstelsel waarvan, althans gedurende
de periode van de opbouw van het vermogen, een permanente deflatoire
werking uitgaat, acht de Raad ongewenst. Hiermede wordt niet ontkend dat er
zich situaties kunnen voordoen waarin de deflatoire invloeden gewenst
kunnen zijn. In dergelijke situaties kan ook van een omslagstelsel met een
schommelfonds op soepele wijze - en in een aantal gevallen zelfs nagenoeg
automatisch - de in de gegeven conjuncturele situatie gewenste invloed
uitgaan.
Na vervolgens te hebben nagegaan welke vermogens volgens het rentedekkingsstelsel en het
kapitaaldekkingsstelsel nodig zijn, concludeert de Raad dat het streven
naar vermogensaccumulatie van de geschetste omvang voor het onderhavige
doel reeds daarom verwerpelijk is, wijl die vermogensaccumulatie niet
nodig en zelfs doelloos is. De Raad vervolgt dan met erop te wijzen dat het
stelsel ontleend aan de techniek der individuele verzekeringen, waar de
fondsvorming onvermijdelijk is, behoudens de vorming van een beperkt
schommelfonds, nutteloos wordt in een algemene ouderdomsverzekering. Is
eenmaal - zo de Raad - de fondsvorming volgens één der beide stelsels
(kapitaal- of rentedekkingsstelsel) voltooid, dan blijft het fonds,
behoudens eventuele voorzieningen uit hoofde van toeneming der bevolking
e.d., ongewijzigd voortbestaan en heeft het ten behoeve van de
ouderdomsverzekering geen economische functie meer te vervullen; het effect
van premiebetaling en uitkering wordt dan in wezen identiek aan dat van
premiebetaling en uitkering bij het omslagstelsel. De vermogensaccumulatie
is in werkelijkheid slechts een dekking voor een vermeende achterstand in de
premiebetaling, een overbodige backservice, die in waarheid strijdig is met
één der grondgedachten van een allen omvattende sociale verzekering. De
ondergetekenden willen er de aandacht op vestigen dat de S.E.R. verwaarloost dat het fonds in een kapitaal- of rentedekkingsstelsel
in ieder geval zijn betekenis ten aanzien van de daaruit te kweken interest
behoudt.
De S.E.R. wijst dan op de
bezwaren van deze overbodige vermogensaccumulatie. Ze houdt geen verband
met de behoefte aan investering en de omvang staat derhalve in geen
rationele verhouding tot de vraag naar vermogen. Deze irrationele
verhouding schept niet alleen door de incongruentie tussen vraag en aanbod
van vermogen moeilijkheden bij de belegging. maar moet herhaaldelijk
storend werken op geld- en kapitaalmarkt. Het beheer van een vermogen van de
geschetste omvang vereist een groot apparaat, naast dat hetwelk, onafhankelijk van de vorm der financiering, nodig is voor premieheffing en
uitkeringen. Indien het vermogen belegd wordt in de private productie,
schept dat beheer, aldus de S.E.R., ook grote risico's, welke slechts
vermeden kunnen worden door uitlening aan de gemeenschapsorganen. Op
zichzelf acht de Raad deze laatste wijze van belegging niet verwerpelijk,
maar ze doet door de omvang van het aanbod en het gemis van een verband met
de reële behoefte aan vermogen van de Staat en de lagere organen der
gemeenschap, toch weer storende invloed voor de geld- en kapitaalmarkt en
daardoor ook met betrekking tot de rentevoet ontstaan, die de in het kader
van de sociale verzekeringen reeds op zichzelf gevaarlijke neiging tot
belegging in aandelen belangrijk zullen versterken. Een streven in de
richting van de belegging in aandelen in de sector der private productie
doet bijzondere moeilijkheden en bezwaren ontstaan door de accumulatie van
het door de fondsvorming ontstane vermogen in de handen van een orgaan dat
voor deze taak niet geschikt is of waarvoor althans het doelmatige apparaat
nog zal moeten rblz.|43
r.k.|
worden in het leven geroepen.
Bovendien zou de hiermede gepaard gaande
machtsconcentratie ten aanzien van de investeringen problemen in het leven
roepen waarvan de omvang nog niet is te overzien.
Al deze bezwaren worden
vermeden, aldus de S.E.R., bij de toepassing van het omslagstelsel.
Doordat geen vermogen voor reeds
ingegane renten behoeft te worden gevormd en geen vermogen voor straks te
verstrekken renten behoeft te worden opgebouwd, zal de premie in de eerste
tientallen jaren aanmerkelijk lager kunnen zijn dan bij een rentedekkings-
of kapitaaldekkingssysteem het geval is. Nadat in deze systemen het
vermogen is opgebouwd, zou, bij gelijkblijvende bevolkingsstructuur en bij
een gelijk nationaal inkomen, de jaarlijkse last voor alle drie de stelsels
even groot zijn, behoudens dan de omstandigheid, waarop de ondergetekenden
reeds eerder doelden, dat men bij het omslagstelsel de interest over de
reserve mist, zodat hier een grotere premie noodzakelijk is. Bij een
ontwikkeling waarbij het aantal bejaarden ten opzichte van het aantal
actieven toeneemt, zal de jaarlijkse last van het omslagstelsel in de
toekomst (dat wil zeggen na het vormen der vermogens voor andere stelsels) groter
zijn. Deze voor een verdere toekomst waarschijnlijk grotere last heeft de
Raad, gezien de overige voordelen van het omslagstelsel, menen te moeten
aanvaarden.
Biedt het omslagstelsel dus de
mogelijkheid om de aan de fondsvorming verbonden bezwaren te vermijden, dat
stelsel brengt, zo gaat de Raad verder, bovendien voordeel - waarop ook
door de vorenbedoelde financieringscommissie werd gewezen - door de
mogelijkheid welke het opent om zonder grote bezwaren een aanpassing te
verzekeren aan een veranderde koopkracht van de gulden. Die aanpassing kan
in het omslagstelsel in beginsel op natuurlijke wijze en zonder schokken
worden verkregen, omdat de mogelijkheid hier openstaat een rechtstreeks
verband te leggen tussen de hoogte van de uitkeringen en die der
premiebedragen, terwijl de laatste kunnen worden gekoppeld aan het
welvaartsniveau der actieve deelnemers aan de voortbrenging. Aldus wordt
een harmonisch geheel verkregen dat niet verstoord wordt door de schokken
welke bij de systemen der fondsvorming onvermijdelijk zijn en waarbij met
name de backservice vaak onoverkomelijke moeilijkheden kan doen ontstaan.
De betekenis van de in de
voorgaande alinea geschetste aan het omslagstelsel verbonden mogelijkheid
van aanpassing aan de koopkracht heeft voor velen in den lande de laatste
jaren de ogen geopend voor de voordelen van dat stelsel. Men heeft ervaren
dat bij een sterke daling van de koopkracht van de gulden de op fondsvorming
gebaseerde ouderdomsvoorziening in zodanige mate in gebreke blijft dat zij
haar doelstelling mist. De Raad acht het niet zonder nut de aandacht erop
te vestigen dat ook bij stijging van de koopkracht van het geld het
omslagstelsel op eenvoudige wijze een onderlinge aanpassing van het niveau
van uitkering en premiebetaling mogelijk maakt.
Na ampele overweging van de
argumenten vóór en tegen beide stelsels in de hiervoor weergegeven
beschouwingen van de financieringscommissie onder leiding van mr. dr. van
Rhijn en van de S.E.R. hebben de ondergetekenden de
voorkeur gegeven aan een wijze van financiering op de grondslag van een
omslagstelsel, waarbij vooral de doorslag heeft gegeven dat bij dit
stelsel zonder grote bezwaren aanpassing van de pensioenen aan een
verandering in de koopkracht van de gulden kan worden verkregen.
Voorts zijn de ondergetekenden
van oordeel dat bij het omslagstelsel de moeilijkheden waarvoor men bij
de opzet van een ouderdomsverzekering gedurende de overgangsperiode komt te
staan gemakkelijker zijn op te lossen dan bij het stelsel van fondsvorming.
Verder heeft nog tot de voorkeur
van de Regering voor het omslagstelsel geleid dat de grotere zekerheid
welke het fondsvormingsstelsel ten aanzien van een algemene verplichte
ouderdomsverzekering biedt, naar haar mening meer van theoretische dan van
practische betekenis is. De grondgedachte van het rblz.|44
l.k.|
omslagstelsel, namelijk dat de actief
werkende generatie de middelen moet opbrengen om de oudere generatie in het
genot van uitkering te stellen, geldt evenzeer ten aanzien van het stelsel
van fondsvorming. De actief werkende generatie toch zal moeten zorg dragen
dat de geaccumuleerde fondsen de opbrengst afwerpen welke daarvan verwacht
wordt. Op zich zelf bevat het stelsel van fondsvorming die waarborgen niet
in zich. In deze gedachtengang dient ernaar te worden gestreefd die
waarborgen rechtstreeks door de activiteit van de toekomstig werkende
generatie te verkrijgen.
Ten slotte hebben de
ondergetekenden overwogen dat de toepassing van het
kapitaaldekkingsstelsel bij de ouderdomsverzekering naar alle
waarschijnlijkheid een ongunstige invloed zou uitoefenen op de particuliere
investeringsbereidheid. Er zou immers een fonds ontstaan van vele milliarden
guldens dat in verband met zijn aard slechts in zeer beperkte mate in de
risicodragende sfeer belegd zou kunnen worden. Te verwachten valt dat ten
gevolge daarvan niet alleen een overschot zou ontstaan aan risicomijdende
besparingen, maar tevens een zodanige vermindering van risicoaanvaardende
besparingen in de particuliere sector dat de beperkte mogelijkheden om een
gedeelte van het fondsvermogen risicodragend te beleggen daar zeker niet
tegen op zouden wegen.
De ondergetekenden zijn er zich
van bewust dat het totaal achterwege blijven van elke kapitaalvorming bij
de oudedagsvoorziening in het algemeen evenmin aanbeveling verdient. In de
economische situatie waarin ons land verkeert en naar alle
waarschijnlijkheid voorshands zal blijven verkeren, moet ook kapitaalvorming
door middel van verzekeringsfondsen van waarde worden geacht. Onder
voorbehoud derhalve dat de kapitaalvorming langs deze weg niet leidt tot
een te groot aanbod van in hoofdzaak risicomijdend kapitaal, kan die
kapitaalvorming nuttig worden geoordeeld. De benodigde kapitaalvorming zal
evenwel tot stand kunnen komen door de particuliere fondsen, waaronder
begrepen de bedrijfs- en ondernemingspensioenfondsen. Aldus kan een zekere
mate van kapitaalvorming worden bevorderd; vermeden dient echter te worden
dat naar beleggingsmogelijkheden moet worden gezocht voor de enorme
kapitalen die van een kapitaaldekkingsstelsel bij de thans voorgestelde
wettelijke ouderdomsvoorziening het gevolg zouden zijn.
Vorming van een beperkte reserve
bij wijze van schommelfonds, waarover nader in hoofdstuk 7, achten de
ondergetekenden evenwel noodzakelijk.
7.
Kosten der
verzekering
Inleiding
Zoals in het
vorige hoofdstuk
bleek, hebben de ondergetekenden gekozen voor een financiering der
ouderdomsverzekering door middel van het omslagstelsel. Thans dient de uit
deze wijze van financiering voortkomende ontwikkeling van lasten en baten te
worden bezien. De volgende beschouwingen zijn gebaseerd op de als bijlage
aan deze memorie toegevoegde actuariële nota van de wiskundige adviseur van
de Rijksverzekeringsbank. Hierbij dient te worden bedacht dat met de in
deze nota gegeven schattingen omtrent het in de toekomst te heffen
premiepercentage slechts is bedoeld de grootteorde van de percentages aan
te geven. Niet alleen moesten ten behoeve van deze schattingen uiteraard
bepaalde prognoses omtrent de toekomstige loop van de bevolking en de
verdeling der inkomens worden opgesteld, maar bovendien vereisten de
gemaakte schattingen reeds voor de eerstkomende jaren de kennis van
grootheden die niet alle nauwkeurig bekend zijn en derhalve moesten worden
geraamd.
Nettopremiepercentage
Ervan
uitgaande dat de
ontworpen voorziening per 1 Januari 1957 in werking zal treden en daarna
geen wijzigingen van de pensioenbedragen tengevolge van veranderingen in het
indexcijfer der lonen zullen optreden, wordt in de actuariële nota de rblz.|44
r.k.|
volgende raming van de nettolasten (in millioenen guldens) gegeven:
| Jaar |
Nettolasten |
| 1957 |
x722 |
| 1958 |
x736 |
| 1959 |
x754 |
| 1960 |
x772 |
| 1961 |
x791 |
| 1962 |
x810 |
|
1963 |
x829 |
| 1964 |
x848 |
| 1965 |
x865 |
| 1966 |
x884 |
| 1971 |
x993 |
| 1976 |
1095 |
| 1981 |
1182 |
De bovengenoemde cijfers zijn met
die welke
bij het advies van de S.E.R. werden
gepubliceerd vergelijkbaar. De
verschillen tussen beide cijferreeksen kunnen, zoals in de nota is
opgemerkt, nagenoeg volledig uit de verhoging (ad 6%) van de in het advies
voorgestelde uitkeringen en de afwijking van de aldaar gebezigde
bevolkingsprognose ten opzichte van de thans beschikbare herziene prognose
worden verklaard.
De nettolasten stijgen tot omstreeks 1971 met rond 12%
per vijf jaren. Daarna wordt de stijging geringer: over de periode 1971-1976
bedraagt deze rond 10%; over de periode 1976-1981 rond 8%. In deze stijging
komt zowel de absolute toename van de bevolking als de relatieve toename van
het aantal bejaarden tot uitdrukking.
Tegenover deze prognose van de nettolasten stelt de wiskundige adviseur van de Rijksverzekeringsbank in
zijn nota de volgende prognose omtrent het premieplichtig inkomen (in
millioenen guldens):
| Jaar |
Premieplichtig inkomen |
| 1957 |
11
721 |
| 1958 |
11
824 |
| 1959 |
11
932 |
| 1960 |
12 044 |
| 1961 |
12 157 |
| 1962 |
12
297 |
|
1963 |
12 434 |
| 1964 |
12 559 |
| 1965 |
12 694 |
| 1966 |
12 831 |
| 1971 |
13 544 |
| 1976 |
14 247 |
| 1981 |
14 933 |
Zoals kon worden verwacht, vertonen ook deze
cijfers een voortdurende stijging; deze bedraagt door elkaar genomen 5% per
vijf jaren. Waar de nettolasten dus aanmerkelijk sterker dan het
premieplichtig inkomen stijgen, moet er rekening mede worden gehouden dat
het premiepercentage geleidelijk zal toenemen.
De actuariële nota vermeldt
onderstaand overzicht van het nettopremiepercentage (dit is het bedrag der
nettolasten, uitgedrukt in procenten van het premieplichtig inkomen) voor
dezelfde kalenderjaren:
| Jaar |
Nettopremiepercentage |
| 1957 |
6,16 |
| 1958 |
6,22 |
| 1959 |
6,32 |
| 1960 |
6,41 |
| 1961 |
6,51 |
| 1962 |
6,59 |
|
1963 |
6,67 |
| 1964 |
6,75 |
| 1965 |
6,81 |
| 1966 |
6,89 |
| 1971 |
7,33 |
| 1976 |
7,69 |
| 1981 |
7,92 |
Uit de voortdurende stijging van het
nettopremiepercentage blijkt duidelijk welk een toenemende financiële druk de toekomstige
ouderdomsvoorziening op de groep der actieven ten bate van die der bejaarden
zal leggen. Zij is een onvermijdelijk gevolg van de vergrijzing der
bevolking, welke in de gebezigde bevolkingsprognose ligt opgesloten.
Tegenover de toenemende financiële druk welke de zorg voor de bejaarden op
de groep der actieven zal leggen, mag gesteld worden de relatieve
vermindering van het aantal jeugdigen welke eveneens uit de prestaties der
actieve groep moeten worden onderhouden. Hierin ligt dus een zekere compensatie, al is het niet wel doenlijk deze in
cijfers die enig houvast geven uit te drukken.
Het verdient intussen de aandacht dat in het advies
van de S.E.R. de "natuurlijke" stijging van het premiepercentage
gedurende de periode 1955-1970 lager wordt geraamd dan in het bovenstaande
het geval is. Ongetwijfeld is de omstandigheid dat een andere
bevolkingsprognose werd gebezigd mede van invloed geweest. Bovendien houdt
de S.E.R. (blz. 81 van het rapport) rekening met een trendmatige stijging
van het rblz.|45
l.k.|
nationale inkomen per hoofd van
de bevolking. Dit geschiedt in de actuariële nota niet. Naar de mening van
de ondergetekenden terecht. Zonder twijfel mag gerekend worden met een
stijging van de productiviteit en derhalve met die van het inkomen per
hoofd der bevolking. Het is evenwel zeer bezwaarlijk de grootte van deze
stijging op enigszins langere termijn met enige nauwkeurigheid te ramen.
Belangrijker is nog dat de raming der uitgaven noodgedwongen uitgaat van gelijkblijvende uitkeringsbedragen. Stijgt het nationale inkomen per hoofd
van de bevolking, dan zullen ook de lonen wel stijgen. In het gekozen
systeem gaan dan ook de uitkeringen omhoog. Ook dit is een reden om bij het
ramen van de inkomsten de stijging van het inkomen per hoofd van de
bevolking maar buiten beschouwing te laten. Te meer omdat de stijging van
inkomens boven ƒ6000,- per jaar niet in de toekomstige premieopbrengst tot
uiting zal komen.
Ook het aanvangsniveau van het
premiepercentage in het S.E.R.-advies ligt aanmerkelijk lager dan het boven
weergegeven percentage. Uit de actuariële nota blijkt dat bij de huidige
ramingen de nettolasten hoger en het premieplichtig inkomen lager dan bij
de schattingen van de S.E.R. zijn verondersteld. De afwijkende raming met
betrekking tot de nettolasten kan nagenoeg geheel worden verklaard uit de
wijzigingen in het loonniveau die een verhoging van de uitkeringsbedragen
met 6% nodig maakten. Bovendien heeft het aanvangspercentage van de S.E.R.
betrekking op 1955, terwijl in dit hoofdstuk wordt uitgegaan van 1957,
waarin het aantal bejaarden relatief groter is.
Uit de actuariële nota blijkt voorts dat de afwijkende raming met betrekking tot het premieplichtig
inkomen, naast andere factoren (loonsverhogingen; handhaving grens van
premieplichtig inkomen op ƒ6000,-, ondanks loonsverhogingen; kinderbijslag
geen inkomen in de zin van het ontwerp) vrijwel geheel moet worden verklaard
uit de omstandigheid dat de S.E.R. zich bij zijn berekeningen op een ruimer
inkomensbegrip heeft gebaseerd dan dat waarvan hij overigens in zijn advies
uitgaat en dat in het wetsvoorstel is overgenomen.
Brutopremiepercentage
De bovenstaande cijfers geven
omtrent de grootte van het te heffen brutopremiepercentage nog geen beeld,
daar met de vorming en instandhouding van een reserve bij wijze van
schommelfonds en de aan de uitvoering van de voorziening verbonden kosten
nog geen rekening is gehouden.
Indien men het omslagstelsel
aldus toepast dat het premiepercentage noodzakelijk ter dekking van de
geraamde lasten over een kalenderjaar, voor ieder jaar afzonderlijk wordt
geschat, zal dit percentage van jaar tot jaar blijken te veranderen. Een
dergelijke voortdurende wijziging van het premiepercentage moet echter
ongewenst worden geacht. In verband daarmede bepaalt artikel
28 [-], tweede
lid, van het ontwerp dat het premiepercentage als regel telkens voor een
periode van vijf jaren moet worden vastgesteld. In dit systeem kan een
reserve bij wijze van schommelfonds niet worden gemist. Deze reserve heeft
ten doel het premiepercentage zoveel mogelijk constant te doen zijn. Daar de
bedoelde noodzakelijke wijzigingen van het premiepercentage in beginsel uit
drieërlei oorzaken voortkomen, kan, zoals nader in de actuariële nota is
uiteengezet, aan het schommelfonds een drievoudig stabiliserende functie
worden toegekend.
In de nota is opgemerkt dat het
gewenst is tekorten welke het gevolg zijn van wezenlijke divergenties
tussen verwachting en werkelijkheid, althans voorlopig, met behulp van een
veiligheidsopslag in de premie te kunnen voorkomen.
Waar de ervaring omtrent de
wenselijke grootte van die veiligheidsmarge ontbreekt, moest dienaangaande
een voorlopige keuze worden gedaan. De wiskundige adviseur van de
Rijksverzekeringsbank stelt voor de eerste vijfjarige periode de
veiligheidsmarge in de premie op 2% van de nettopremie. De gewenste
grootte van de veiligheidsmarge voor een volgende vijfjarige periode zal
(behalve van de verkregen ervaring!) afhangen van de desbetreffende
periode. Wanneer bij het begin van een nieuwe periode in het ouderdomsfonds
nog een rblz.|45
r.k.|
overschot van premieontvangsten uit
het vorige tijdvak aanwezig is ter grootte van minstens 10% van de gemiddeld over de
nieuwe periode te verwachten jaarlijkse nettopremieontvangst, zal de
veiligheidsmarge voor die periode wellicht achterwege kunnen blijven.
Behalve met de bovengenoemde veiligheidsopslag moet het premiepercentage met een opslag voor
administratiekosten worden verhoogd. De grootte van deze opslag kan nog niet
nauwkeurig worden aangegeven, aangezien thans omtrent de omvang der
administratiekosten geen volledige gegevens beschikbaar zijn. Bij de raming
van de administratiekosten is enerzijds van belang te bedenken dat de
voorgestelde regeling de gehele bevolking zal omvatten. Anderzijds mag niet
uit het oog worden verloren dat de regeling uit administratief oogpunt
zeer eenvoudig is van opzet. Door het beoogde systeem van beperkte
registratie der verzekerden wijkt de voorziening in haar administratieve
opzet af van de bestaande socialeverzekeringswetten. Het zal overigens
raadzaam zijn bij de eerste vaststelling van het premiepercentage de opslag
voor administratiekosten niet te laag Ie stellen. De uitvoering van een
nieuwe wet brengt juist in de eerste jaren van haar gelding extra - veelal
onvoorziene - kosten mede. Wanneer de opslag later te hoog zou blijken te
zijn, komen er extra baten ter beschikking welke in de tweede periode ter
compensatie van de te verwachten natuurlijke stijging van de premie zouden
kunnen worden aangewend.
Indien te zijner tijd de opslag
voor onkosten wordt uitgedrukt in een percentage van de nettopremie, zal
worden bereikt dat een stijging van de onkosten, voor zover voortkomend
uit een stijging van het indexcijfer der lonen, geen bijzondere
voorzieningen vereist.
Gevolgen invoering der
verzekering
De
gevolgen welke de invoering
van de verzekering direct of indirect voor de grootte van het premieplichtig
inkomen en dus van het brutopremiepercentage zal hebben, zijn thans niet
exact aan te geven.
In hoofdstuk 8, inzake de
economische gevolgen van de invoering der voorziening, zijn echter wel een
aantal algemene veronderstellingen gemaakt. Zo kan verwacht worden dat de
werknemers voor de door hen te betalen premie een compenserende
loonsverhoging zullen ontvangen.
Voorts moet er rekening mede worden gehouden dat de werkgevers de looncompensatie geheel of gedeeltelijk zullen
trachten door te berekenen in de prijzen, terwijl de zelfstandigen zulks
ook zullen pogen te doen voor de premie welke zij voor zichzelf ingevolge
de voorgestelde voorziening zullen moeten betalen.
De genoemde factoren zullen de
omvang van het premieplichtig inkomen doen toenemen, terwijl zij de totale
lasten van de verzekering niet zullen doen stijgen. De te verwachten
looncompensatie zal geen invloed mogen hebben op de hoogte van de
pensioenen, omdat anders een wijziging in de reële netto-inkomenspositie van
de bejaarden zou ontstaan welke niet in dezelfde mate voor de werknemers
geldt (zie artikel 9 [12], vijfde lid, van
het ontwerp). Zoals bij lezing van hoofdstuk
8 zal blijken, is het niet waarschijnlijk dat er factoren
zullen optreden welke de omvang van het premieplichtig inkomen noemenswaard
nadelig zullen beïnvloeden. Aangezien dus bij de gemaakte
veronderstellingen het premieplichtig inkomen zal toenemen, terwijl de
lasten gelijk zullen blijven, zal het premiepercentage iets lager kunnen
zijn dan men op grond van het in het begin van dit hoofdstuk gestelde zou
verwachten.
De over de eerste vijf jaren gemiddeld benodigde
nettopremie
bedraagt 6,33%. Na verhoging met 2% voor het schommelfonds wordt 6,46%
verkregen. Houdt men rekening met de administratiekosten en de overige
opgesomde factoren, die zich beter laten overzien kort vóór de
inwerkingtreding van de verzekering, dan zal de totale premie dus voor de
eerste vijf jaar liggen in de orde van grootte van 6,5 à 7%. Het juiste
cijfer zal eerst met vrucht kunnen worden vastgesteld bij de invoering van
de verzekering.
rblz.|46
l.k.|
Omvang rijksbijdrage wegens niet-ingevorderde en niet-betaalde premiën
Zoals in
paragraaf 5.4 nader werd toegelicht, worden de niet bij wijze van inhouding geheven
premiën verschuldigd door verzekerden wier inkomen beneden een zekere
grens blijft en die niet aangeslagen zijn in de vermogensbelasting, niet of
slechts gedeeltelijk ingevorderd (artikel 31
[-] van het ontwerp).
De niet-ingevorderde premiën
komen, zoals eveneens in paragraaf 5.4 werd uiteengezet, ten laste
van het Rijk (artikel 32 [-]). Dit geldt ook ten aanzien van de
premiën welke
door de verzekerden niet zijn betaald, zonder dat van een schuldig nalaten
sprake is (artikel 33 [-], tweede lid).
De grootte van het bedrag dat
ten laste van 's Rijks schatkist zal komen in verband met niet-ingevorderde premiën valt op dit moment niet vast te stellen wegens gebrek
aan feitelijke gegevens.
Teneinde evenwel enig inzicht te
verkrijgen in de orde van grootte van bedoeld bedrag, is, na overleg met het
Centraal Planbureau en op grond van de ervaringen in de loop der jaren bij
de invordering van de belastingen opgedaan, een zeer ruwe schatting gemaakt.
Deze schatting leidde tot een rijksbijdrage in de orde van grootte van ƒ30
millioen per jaar. In dit bedrag van ƒ30 millioen zijn dan begrepen zowel
de premiën welke van kleine zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden
met een inkomen van minder dan ƒ3100,-, onderscheidenlijk ƒ2500,- per jaar, voor
gehuwden en daarmede gelijkgestelden, onderscheidenlijk voor ongehuwden,
geheel of gedeeltelijk niet worden ingevorderd, als de door zelfstandigen
en andere niet-loontrekkenden verschuldigde premiën waarvan de
invordering wel is beproefd, doch niet tot resultaat heeft geleid, terwijl
toch ook geen schuldig nagelaten premiebetaling aanwezig wordt geacht.
Er zij evenwel nogmaals op gewezen dat de voor de vaststelling van de
rijksbijdrage in de premie
benodigde feitelijke gegevens thans niet aanwezig zijn, zodat ten aanzien
van genoemd bedrag van ƒ30 millioen het nodige voorbehoud in acht dient te
worden genomen.
Opmerking verdient
nog dat door
de S.E.R. een aanmerkelijk hogere bijdrage van het Rijk is voorzien, namelijk
van ƒ50 millioen per jaar. Hierbij dient evenwel in aanmerking te worden
genomen dat de S.E.R. zich bij de bepaling van dit bedrag heeft gebaseerd
op de inkomenspositie van de zelfstandigen in 1949. Sedertdien moet evenwel
rekening worden gehouden met een aanzienlijke inkomensstijging en met een
aanmerkelijke daling van de bedragen welke niet ingevorderd kunnen worden.
8.
De economische gevolgen van de
invoering der ouderdomsverzekering
Bij een bespreking van de vraag
of de lasten welke zullen voortvloeien uit de invoering ener
ouderdomsverzekering, gelijk in dit wetsontwerp wordt geregeld, door de
Nederlandse volksgemeenschap gedragen kunnen worden, dient onderscheid
gemaakt te worden tussen de economische gevolgen welke deze verzekering
zal hebben op korte en op lange termijn.
Op korte termijn gezien, valt in
de eerste plaats te rekenen met enige stijging in het peil der
arbeidskosten. De arbeiders, die de gehele premie zullen moeten gaan
betalen, zullen daarvoor een compenserende loonsverhoging verlangen, gelijk
trouwens in het advies van de S.E.R. in uitzicht wordt gesteld. Omdat in
geen geval vooruitgelopen kan worden op het resultaat van de
onderhandelingen ter zake tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, dient
hier in het midden te blijven of deze compensatie geheel gelijk zal zijn aan
het bedrag der op te brengen premie, te meer omdat de aanvankelijk door de
S.E.R. geraamde premiepercentages, zoals in hoofdstuk 7 is gebleken,
hoger zullen liggen. Het is echter geen gewaagde veronderstelling ervan uit
te gaan dat de compenserende loonsverhoging zal uitgaan boven de 4% welke
aan de werkgevers door de voorgenomen afschaffing van de vereveningsheffing zal toevallen. Het ligt voor de
hand dat in een aantal rblz.|46
r.k.|
gevallen de ondernemers zullen
trachten en er ook in zullen slagen dit verschil in de prijzen hunner
producten of diensten door te berekenen. Bovendien zullen de zelfstandigen
ook voor zichzelve de premie hebben op te brengen, waartegenover geen
compensatie door het vervallen van de vereveningsheffing zal slaan. Ook hier
moet dus rekening gehouden worden met een minstens gedeeltelijke
doorberekening van deze premie in de prijzen.
De stijging van het peil der
arbeidskosten zal het prijspeil en de exportpositie enigszins ten ongunste
beïnvloeden. Het Centraal Planbureau berekende dat deze repercussies zeer
waarschijnlijk binnen enge grenzen (1 à 1,5%) zullen blijven. Voor zover
daardoor de werkgelegenheid ongunstig zou worden beïnvloed, mag worden
aangenomen dat een dergelijke teruggang zal worden gecompenseerd door de
invloed van een vermoedelijk te verwachten (eveneens bescheiden) stijging
van het consumptievolume. Ook de investeringen zullen door één en ander niet
noemenswaard worden beïnvloed.
Een ander gevolg dat
onmiddellijk optreedt, is een verschuiving in het voor besteding
beschikbare inkomen ten gunste van de bejaarden. De uitkeringen krachtens de
nieuwe ouderdomsverzekering liggen iets hoger dan de bedragen van de
Noodwet Ouderdomsvoorziening. Maar dit is niet het voornaamste. Veel
belangrijker is dat veel meer ouden van dagen van de nieuwe regeling zullen
profiteren dan van de Noodwet, die alleen uitkeringen toekent aan hen wier
eigen inkomen beneden zekere maximumgrenzen blijft. Voorts zal geen
inkomensaftrek meer worden toegepast. En ten slotte kent de nieuwe
ouderdomsverzekering uit haar aard geen gemeenteklasse-indeling. Het
inkomen van de groep der bejaarden zal dientengevolge niet onaanzienlijk
toenemen. De hieruit voortvloeiende inkomensverschuiving wordt door twee
factoren gemitigeerd. In de eerste plaats zal ten minste een deel van de
toeslagen welke vanwege de gemeentelijke diensten voor sociale zorg aan
sommige Noodwettrekkers worden gegeven, kunnen vervallen of verminderd
kunnen worden. En in de tweede plaats zullen kinderen en andere familieleden
kunnen afzien van verplichte of vrijwillige alimentatiebijdragen voor
bejaarden of deze verlagen.
Sociaal gesproken ligt de
inkomensverschuiving ten gunste van de bejaarden in de bedoeling van de
regeling. Economisch gesproken zou van deze verschuiving misschien een
tendens tot bestedingsinflatie kunnen uitgaan, in zoverre tengevolge van
ontsparing bij de actieve groepen een vergroting van het totale verbruik
ontstaat. Van veel betekenis zal dit echter vermoedelijk niet zijn, omdat
verwacht kan worden dat, voor zover een verschuiving in de inkomens
optreedt ten gunste van de bejaarden, de actieve groepen hun inkomensvermindering grotendeels zullen opvangen door een beperking van hun
consumptieve uitgaven. Voor het overige merken de ondergetekenden op dat in
een periode van hoogconjunctuur, als wij thans beleven, veelal zekere
tendenties tot een inflatoire ontwikkeling aanwezig zullen zijn. Daardoor
kan men zich van het treffen van sociale maatregelen, als er hier één wordt
voorgesteld, niet laten weerhouden. Immers in perioden van minder gunstige
conjunctuur bestaat algemeen het gevoelen dat voor het treffen van
belangrijke sociale voorzieningen gunstiger tijden moeten worden afgewacht.
Op deze wijze zou men nimmer aan het nemen van maatregelen als de
onderhavige toekomen. Mocht tegen de verwachtingen in een zekere versterking
van inflatoire tendenties door de invoering van de hier voorgestelde
verzekering voelbaar worden, dan zal het te voeren financiële, monetaire en
economische beleid op het tegengaan van deze tendenties gericht moeten
worden.
De invloed van de invoering der
nieuwe ouderdomsverzekering op de overheidsfinanciën zal niet van grote
betekenis zijn. Tegenover het wegvallen van de uitkeringen krachtens de
Noodwet Ouderdomsvoorziening, voor 1955 te ramen op ƒ297 millioen, staat
het opheffen van de vereveningsheffing, welker opbrengst geraamd wordt voor
1955 op ƒ300 millioen. De Overheid zal echter, overeenkomstig het
onderhavige wetsvoorstel, de niet-geïnde premies voor een deel der
zelfstandigen voor haar rekening moeten nemen, te ramen op een ƒ30 millioen
rblz.|47
l.k.|
's jaars. Bovendien draagt de
Overheid de kosten van de rentederving op de aan het Ouderdomsfonds te
verlenen voorschotten, opdat dit fonds nog voordat premies geïnd zijn,
onmiddellijk met de uitkeringen een aanvang zal kunnen maken.
Er is daarnaast een vijftal
andere sociale voorzieningen - te weten de toeslagen op renten ingevolge de
Invaliditeitswel, de kinderbijslagen voor invaliditeits-, ouderdoms- en
wezenrentetrekkers ingevolge de Invaliditeitswet, de kinderbijslagen voor
kleine zelfstandigen, de kraamgelden en de toeslagen op renten ingevolge de
Ongevallenwetten - welke tot dusver evenals de Noodwet
Ouderdomsvoorziening geacht werden uit de vereveningsheffing te worden
betaald. Gelijk blijkt uit de cijfers hierboven genoemd, was dit in feite
in 1955 niet meer het geval. In dit opzicht verandert er dus door de
opheffing van de vereveningsheffing niets. Met andere woorden: de nieuwe
last voortvloeiende uit de invoering van de nieuwe ouderdomsverzekering kan
voor de schatkist gesteld worden op rond ƒ30 millioen zonder de rentederving wegens de te verstrekken renteloze voorschotten. De Regering
acht deze uitgave voor het onderhavige doel, gezien de stand der
rijksfinanciën, aanvaardbaar.
Wat de
gevolgen op lange termijn
betreft, merken de ondergetekenden in de eerste plaats op dat deze met een
veel geringer mate van waarschijnlijkheid kunnen worden voorzien. Tal van
factoren welke hierop van invloed zijn, vallen wat hun toekomstige
ontwikkeling betreft noch te berekenen, noch te voorspellen. Dit geldt
bijvoorbeeld voor het nationale inkomen, de internationale conjunctuur en de
emigratie. Zou men, met een beroep op de onzekerheid der ontwikkeling, de
onderhavige voorziening achterwege laten, dan doemt men zichzelf tot
duurzame dadenloosheid.
Naar het inzicht van het
Centraal Planbureau kan gesteld worden dat de hierboven geschetste
invloeden op het binnenlandse prijspeil en op de export na enkele jaren ten
hoogste ongeveer in betekenis zullen verdubbelen wat de prijzen betreft en
verdrievoudigen wat de export betreft. Ook in dat geval zijn deze gevolgen
dan nog niet van een dusdanige omvang dat naar het inzicht van de
ondergetekenden daaraan motieven zouden kunnen worden ontleend om de
onderhavige voorziening thans niet te treffen. Bij de totstandkoming van
belangrijke sociale voorzieningen in het verleden was de situatie geen
andere dan de huidige. Verwezen worde onder andere naar de invoering van de
Wachtgeld- en Werkloosheidswet. Ook toen stonden slechts gegevens
omtrent de gevolgen op korte termijn ter beschikking. De sedertdien plaatsgehad hebbende ontwikkeling van zaken geeft allerminst
aanleiding de toen
genomen beslissing thans te betreuren. In het algemeen kan worden gesteld
dat gevolgen van maatregelen als de onderhavige op de duur in de totale
economische en sociale structuur worden opgenomen, daarin als het ware
worden "verwerkt" en dat zich het in de toekomst te voeren beleid
inzake lonen, overheidsfinanciën, enz. daaraan aanpast. Een mogelijkheid om
die aanpassing min of meer "pijnloos" te laten verlopen, ligt in de
stijging van de productiviteit waarop, juist als het om de ontwikkeling op
wat langere termijn gaat, gerekend mag worden. Ook als de ontwikkeling op
deze wijze "pijnloos" verloopt, betekent zij niettemin -
en het is goed dat ons volk zich dit duidelijk bewust maakt -
dat de loon- en
andere inkomens der actieve groepen in geringer mate toenemen dan de
stijging der productiviteit zou mogelijk maken indien er geen
ouderdomsverzekering ware. Bij de beoordeling en vaststelling van inkomens,
onder andere ook van Ionen en salarissen, dient men hiermede ter dege rekening te
houden. Wordt dit uit het oog verloren, dan zou het arbeidskostenpeil te
hoog kunnen worden ten detrimente van de werkgelegenheid. Het welvaartsoffer dat ter wille van de ouden van dagen door de gehele actieve
bevolking moet worden gebracht, zou aldus op een deel der bevolking -
de
werklozen - worden afgewenteld, een situatie welke uit sociaal-ethisch
oogpunt volstrekt verwerpelijk zou zijn en waartegen met alle kracht gewaakt
dient te worden. Nog kan worden opgemerkt dat mede in verband met het
vorenstaande in dit wetsontwerp een verband werd gelegd niet
rblz.|47
r.k.|
tussen kosten van
levensonderhoud en uitkeringen, doch tussen lonen en uitkeringen, zodat
indien het loonpeil tengevolge van de invoering der ouderdomsverzekering
iets minder zou kunnen stijgen dan zonder deze voorziening mogelijk geweest
ware, ook de uitkeringen met niet meer dan het percentage van de
loonstijging omhoog zullen gaan.
Wanneer het om de gevolgen op
lange termijn gaat, dient aan twee aspecten nog aandacht geschonken te
worden. En wel aan de mogelijke invloed van de in dit wetsontwerp belichaamde toeneming van de sociale zekerheid op de productiviteit en aan
de gevolgen van de zeker optredende "vergrijzing" van onze
bevolking. Wat het eerste betreft, wordt wel gesteld dat een toeneming van
de sociale zekerheid, hier dus het bieden van de zekerheid van een
minimuminkomen op de oude dag, de prikkel tot persoonlijke inspanning zou
verslappen. In hoeverre moet zulks in dit geval worden gevreesd? De
voorgestelde verzekering geeft elke verzekerde slechts een uitkering
waaruit een minimaal levensonderhoud kan worden bekostigd. De
ondergetekenden zijn van mening dat hierin juist een prikkel gelegen kan
zijn voor velen om door eigen offers zich een zodanig inkomen op de oude
dag te verzekeren dat dit tezamen met de uitkering krachtens dit
wetsontwerp een redelijke oudedagsvoorziening waarborgt. Zij staan in die
verwachting niet alleen. In de kringen van het particuliere
verzekeringswezen wordt deze mening gedeeld. Velen die thans geen kans
zien geheel zelfstandig een eigen voorziening op te bouwen, zien van elke
eigen zorg voor de oude dag maar af. Dat zal straks veranderen. Bovendien
mag niet vergeten worden dat de hier voorgestelde verzekering, als zij
eenmaal tot stand gekomen is, bij zeer velen een gevoel van grote
bevrediging zal scheppen. Ook dat kan een stimulans tot inspanning zijn.
De voortgaande vergrijzing van
ons volk is een niet te ontkennen feit. Zij maakt het treffen van
voorzieningen voor de oude dag urgenter, maar ook moeilijker, want
kostbaarder. Zou de last te zwaar worden in de toekomst, dan is verlichting
mogelijk door de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen, een mogelijkheid
welke goed aansluit aan een toeneming van de gemiddelde leeftijd en een
verbeterende lichamelijke conditie der bejaarden. Ook is er in vele landen
een tendenz waarneembaar tot toenemende vrouwenarbeid. Men kan dit
betreuren of toejuichen, te stuiten valt zulk een ontwikkeling, als zij zich
ook in ons land zou gaan voordoen, niet. Maar zij zou in elk geval een
toeneming van het aantal actieven beneden de 65 jaar betekenen, dat wil
zeggen een relatieve toeneming van het aantal premie betalenden, vergeleken
met het aantal pensioengerechtigden. Hoever het proces der vergrijzing zal
en kan doorgaan, is niet te zeggen. Maar dat het niet ongelimiteerd kan
voortgaan, staat menselijkerwijs gesproken wel vast. Hoe dit alles ook zij,
ook zonder ouderdomsverzekering zal ons volk op één of andere wijze de
consequenties van de vergrijzing hebben te dragen en het is sociaal beslist
niet verantwoord deze consequenties af te wentelen op de economisch zwakke
groep der bejaarden zelf door hen verstoken te doen blijven van een
ouderdomsverzekering.
Samenvattend komen de
ondergetekenden tot de conclusie dat de economische gevolgen van de
invoering ener ouderdomsverzekering als hier voorgesteld op korte termijn
zeker niet van een aard en omvang zullen zijn dat op grond daarvan de
voorgestelde verzekering achterwege zou dienen te blijven en dat de
gevolgen op lange termijn, voor zover voorzienbaar bij de grote onzekerheden welke hier bestaan, die grond evenmin opleveren.
9.
Uitvoering der
verzekering
Gecentraliseerde uitvoering
Bij de
bepaling van de wijze
waarop en van het orgaan waardoor de ouderdomsverzekering zal worden
uitgevoerd, dient men zich vooral te realiseren dat de voorgestelde
regeling rblz.|48
l.k.|
een volksverzekering is: zij
omvat alle groepen van de bevolking, geen enkele uitgezonderd, en
onderscheidt zich in dit opzicht derhalve van de andere sociale
verzekeringen. Door dit onderscheid mist zij, zoals ook de S.E.R.
in zijn
advies opmerkt, het bedrijfseigen karakter dat verschillende van de andere
sociale verzekeringen kenmerkt. Voor een bedrijfstaksgewijze uitvoering,
waarin de Organisatiewet Sociale Verzekering voor de onderscheidene sociale
verzekeringen voorziet, bestaat bij de voorgestelde ouderdomsverzekering
dan ook geen aanleiding. Een doelmatige organisatie van deze verzekering
vereist naar de mening van de ondergetekenden een in beginsel
gecentraliseerde uitvoering welke naar behoefte territoriaal kan worden
gedecentraliseerd.
Uitvoering door de Sociale
Verzekeringsbank, bijgestaan door de Raden van Arbeid
De S.E.R.
adviseert de
uitvoering der ouderdomsverzekering op te dragen aan een onder toezicht van
de Sociale Verzekeringsraad staand zelfstandig rechtspersoonlijkheid
bezittend lichaam. Het komt de Raad voor dat, mede ter uitvoering van de
onderhavige verzekering, de Rijksverzekeringsbank tot een zelfstandig
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam zou kunnen worden omgevormd.
Hierdoor zou de nieuwe verzekering onmiddellijk de beschikking krijgen over
een administratieve apparatuur welke met de onderhavige materie vertrouwd
is.
De ondergetekenden
onderschrijven geheel de hierboven weergegeven gedachte van de S.E.R. Zij
achten het daarbij tevens van belang dat wanneer van de apparatuur van de
Rijksverzekeringsbank gebruik wordt gemaakt, als van zelf de mogelijkheid
wordt geschapen gezamenlijke uitbetaling van ouderdomspensioenen ingevolge
de nieuwe voorziening en van ouderdomsrenten ingevolge de Invaliditeitswet
op eenvoudige wijze te bewerkstelligen.
Op grond van het vorenstaande
zijn de ondergetekenden van mening dat de uitvoering van de
ouderdomsverzekering dient te worden opgedragen aan een centraal
uitvoeringsorgaan, de Sociale Verzekeringsbank, een zelfstandig
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, waarin de apparatuur van de
Rijksverzekeringsbank zal worden geïncorporeerd. Deze Sociale
Verzekeringsbank kan, teneinde een naar behoefte territoriaal
gedecentraliseerde uitvoering te verkrijgen, bij de uitvoering van haar taak
worden bijgestaan door de Raden van Arbeid. De vaststelling en de
invordering der voor deze verzekering verschuldigde premiën - waarover hieronder nader wordt
gehandeld
- zal geschieden door de Rijksbelastingdienst.
Bestuursvorm Sociale
Verzekeringsbank
Ter voorziening in de omvorming
van de Rijksverzekeringsbank tot het hierboven genoemde
rechtspersoonlijkheid bezittende lichaam de Sociale
Verzekeringsbank kan
eerlang een ontwerp van wet tot wijziging van de Wet op de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid worden
tegemoetgezien.
Hieronder moge volgen een kort
overzicht van de beoogde wijzigingen.
Bedoeld ontwerp van wet zal dus,
zoals gezegd, voorzien in de omvorming van de Rijksverzekeringsbank tot een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, de Sociale Verzekeringsbank.
Voorts zal het huidige bestuur
der Rijksverzekeringsbank bij de Sociale Verzekeringsbank de functie
bekleden van directie en belast zijn met de leiding der dagelijkse
werkzaamheden. Het algemeen uitvoerings- en financieel beleid van de Sociale
Verzekeringsbank zal worden gevoerd door een bestuur samengesteld uit
vertegenwoordigers van organisaties van werkgevers en werknemers en uit
leden aangewezen door de Overheid. Bij deze laatsten is niet uitsluitend
gedacht aan overheidsvertegenwoordigers in strikte zin, doch mede aan van
overheidswege aangewezen personen die geacht kunnen worden andere
maatschappelijke groeperingen dan werkgevers en werknemers te
vertegenwoordigen. De voorgestelde ouderdomsverzekering omvat immers het
gehele volk. Het is daarom gewenst dat ook rblz.|48
r.k.|
andere maatschappelijke
groeperingen dan werkgevers en werknemers in het bestuur der Bank
vertegenwoordigd zijn. Hierbij is onder andere gedacht aan organisaties van
huisvrouwen en van beoefenaren van de vrije beroepen.
Heffing en invordering van de
premie door de Rijksbelastingdienst
Naar de mening van de
ondergetekenden is het uit een oogpunt van doelmatigheid gewenst één
onderdeel van de uitvoeringstaak ten aanzien van de voorgestelde
ouderdomsverzekering, namelijk de heffing en invordering der verschuldigde
premiën, niet op te dragen aan de Sociale
Verzekeringsbank. In
overeenstemming met het advies van de S.E.R. is in
het ontwerp van wet met
dit onderdeel der uitvoeringstaak belast de Rijksbelastingdienst. Deze
dienst toch beschikt reeds ten aanzien van het overgrote deel der bevolking
over de gegevens omtrent het inkomen en daarmede over de gegevens waarvan
de kennis vereist is voor de bepaling van het bedrag der voor de
ouderdomsverzekering verschuldigde premie en beschikt voorts over een
omvangrijk en geschoold invorderingsapparaat.
Het ware denkbaar de gegevens
omtrent het inkomen door de belastingdienst aan de Sociale Verzekeringsbank
te doen verstrekken, opdat ook de premieheffing en -invordering geheel
door de Sociale Verzekeringsbank zouden kunnen geschieden. Hierdoor zou
echter een aanzienlijke vermeerdering van administratieve werkzaamheden
optreden, terwijl deze gang van zaken ook in het oog vallende moeilijkheden
zou opleveren in de gevallen waarin een verzekerde tegen de hoogte van de
hem opgelegde premieaanslag - en daarmede tegen de hoogte van zijn aan de
premieaanslag ten grondslag liggend inkomen - bezwaar maakt. In al deze
gevallen zou de Sociale Verzekeringsbank zich weer met de belastingdienst
dienen te verstaan en het zou dus - althans materieel gezien - toch
uiteindelijk deze dienst zijn die over de hoogte van de premieaanslag
beslist. Naar het oordeel van de ondergetekenden weegt het voordeel dat
men zou kunnen zien in het opdragen ook van dit deel der uitvoeringstaak - de heffing en invordering der
premiën
- aan de Sociale Verzekeringsbank
en in het - althans formeel - buiten de uitvoeringsorganisatie laten van
de belastingdienst niet op tegen de nadelen verbonden aan genoemde
vermeerdering van administratieve werkzaamheden en aan de geschetste te
verwachten moeilijkheden.
Het opdragen, om redenen van doelmatigheid, van de heffing en invordering van de premiën aan de
Rijksbelastingadministratie brengt uiteraard voor die administratie een
aanmerkelijke uitbreiding van werkzaamheden mede. De invordering van de
premiën zal door deze dienst moeten worden ingepast in het geheel van het
invorderingsbeleid, waarbij de aard van de verschuldigde bedragen kan nopen
tot een zekere differentiatie in dat beleid, zoals ook bij de invordering
van de naar karakter uiteenlopende belastingen nodig kan zijn. De zeer grote
ervaring van de Rijksbelastingdienst op dit terrein geeft grond voor de
verwachting dat op deze wijze de zware taak van heffing en invordering van
de honderden millioenen aan premie waarom het hier gaat, plaatsvindt op
de meest verantwoorde wijze die binnen het bereik ligt.
Wordt aldus een deel van de werkzaamheden verbonden aan de uitvoering van de wettelijke
ouderdomsverzekering als zelfstandige taak toevertrouwd, onder
verantwoordelijkheid van de Minister van
Financiën, aan een overheidsorgaan dat buiten de kring van de uitvoeringsorganen der sociale
verzekering staat, voor het karakter van de voorgestelde verzekering als
zodanig heeft deze doelmatigheidsmaatregel uiteraard generlei betekenis.
De
heffing en de invordering door de belastingdienst van de verschuldigde
premie zal in het systeem van de voorgestelde regeling geschieden
overeenkomstig de bepalingen welke gelden voor de heffing en de invordering
van de inkomstenbelasting en de loonbelasting. Dit betekent niet dat de
verschuldigde premie zal worden vermeld op hetzelfde aanslagbiljet waarop
de aanslag in de inkomstenbelasting voorkomt; de rblz.|49
l.k.|
premie wordt per afzonderlijke
aanslag aan de verzekerden medegedeeld.
Van degenen wier inkomen is
onderworpen aan een voorheffing krachtens het Besluit op de Loonbelasting
1940 of aan een daarmede overeenkomende voorheffing ingevolge de Tweede
Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 - in hoofdzaak de groep der
loontrekkenden - wordt de premie op gelijke wijze als de loonbelasting
door de werkgever op het loon ingehouden. Teneinde de werkzaamheden welke
voor de werkgevers aan deze inhouding verbonden zijn beperkt te houden,
zullen premietabellen worden ingevoerd. De premietabellen zullen zodanig
met de loonbelastingtabellen kunnen worden gecombineerd dat de werkgevers
uit de tabel rechtstreeks de premie en de loonbelasting zullen kunnen
aflezen.
De vraag kan gesteld worden in
hoeverre bij de premieheffing de inschakeling van de bedrijfsverenigingen,
bedoeld in de Organisatiewet Sociale Verzekering, mogelijk en gewenst is.
Het is duidelijk dat de bedrijfsverenigingen niet kunnen worden
ingeschakeld voor de premieheffing van zelfstandigen, daar zij noch over de
voor de premieheffing benodigde gegevens omtrent het inkomen van
zelfstandigen beschikken, noch over een registratie van de premieplichtige
zelfstandigen. Het zou mogelijk zijn de bedrijfsverenigingen de premiën
voor de loontrekkenden te doen innen indien de premie alleen van het loon
zou worden geheven. Ware dit het geval, dan zou naar het oordeel van de
ondergetekenden het desideratum van een uniforme wetstoepassing zich toch
nog tegen het opdragen van de premie-inning aan twee instanties verzetten.
Premie is echter verschuldigd over het gehele inkomen, dus ook over
inkomsten welke niet uit arbeid in dienstbetrekking zijn verworven.
Hierdoor kan, ook indien de bedrijfsverenigingen zouden worden ingeschakeld
bij de premieheffing van de loontrekkenden, de belastingdienst toch niet
gemist worden als orgaan dat uiteindelijk de verschuldigde premie
vaststelt. Inschakeling van de bedrijfsverenigingen bij de premieheffing
zou dus niet betekenen dat de belastingdienst geen bemoeienis meer zou
hebben met de premieheffing van de loontrekkenden. [De volgende zin bevat
onjuiste tekst, red.] Integendeel, de belasting- dient in aanmerking te worden genomen dat de huidige door
zekerde, opgave moeten ontvangen van de door de werkgevers bij wijze van
voorheffing ingehouden premiën. Hierbij dienst [lees: dient, red.] in aanmerking te worden
genomen dat de huidige door de bedrijfsverenigingen gevolgde wijze van
premieheffing ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering
niet voorziet - en in het systeem van genoemde Coördinatiewet en van de
verzekeringen welke door de ingevolge die wet geheven premiën worden
gefinancieerd, ook geenszins behoeft te voorzien - in een registratie van
de voor iedere verzekerde individueel geheven premiën. Slechts per
werkgever worden de premiën welke voor een collectiviteit van verzekerden
zijn betaald, door de bedrijfsverenigingen geregistreerd.
De ondergetekenden zijn derhalve
van oordeel dat het niet mogelijk is de bedrijfsverenigingen in te
schakelen bij de premieheffing voor de ouderdomsverzekering. Opmerking
verdient dat ook de S.E.R. in zijn advies inschakeling van de
bedrijfsverenigingen bij de premieheffing afwijst.
Ook voor de premieheffing van degenen wier inkomen niet aan een voorheffing krachtens het Besluit op de
Loonbelasting 1940 of een daarmede overeenkomende voorheffing is
onderworpen, beschikt de belastingdienst reeds over de gegevens omtrent
het inkomen in de gevallen waarin een aanslag in de inkomstenbelasting is
opgelegd of waarin na vaststelling van het inkomen gebleken is dat geen
inkomstenbelasting verschuldigd is. Ten aanzien van het overgrote deel der
tot deze groep behorende personen zal het vaststellen van het bedrag der
voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premie voor de belastingdienst
derhalve geen moeilijkheden opleveren. Slechts in die gevallen waarin
vaststelling van het inkomen ten behoeve van de inkomstenbelasting niet
heeft plaatsgevonden omdat dit inkomen beneden de belastbare grens ligt,
zal de belastingdienst ten behoeve van de heffing van de premie voor de
ouderdomsverzekering alsnog tot vaststelling van het inkomen moeten
overgaan. De moeilijkheden welke zich hierbij kunnen voordoen, worden naar
het oordeel van de ondergetekenden zeer rblz.|49
r.k.|
in omvang beperkt door de in paragraaf
5.4 van deze memorie uiteengezette regeling, welke inhoudt
dat van een kleine zelfstandige of van een andere niet-loontrekkende van
wie de premie niet bij wijze van inhouding wordt geheven, geen premie wordt
ingevorderd, mits de betreffende verzekerde niet is aangeslagen in de
vermogensbelasting en zijn inkomen minder bedraagt dan ƒ2100,- indien hij
gehuwd is - of voor de toepassing van de onderhavige bepaling met een
gehuwde is gelijkgesteld - of minder dan ƒ1500,- indien hij ongehuwd is.
De ondergetekenden zijn van mening dat door de inschakeling van de belastingdienst op de wijze als
hierboven is aangegeven, een doelmatige en efficiënte wijze van heffing en
invordering der voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premiën wordt
verkregen.
De uitvoeringstaak van de
Sociale Verzekeringsbank
Zoals hierboven is uiteengezet,
zijn de ondergetekenden van oordeel dat de uitvoeringstaak, voor zover deze
niet betreft de heffing en invordering der verschuldigde premiën, geheel
dient te berusten bij de Sociale Verzekeringsbank, bijgestaan door de Raden
van Arbeid.
Deze uitvoeringstaak zal
omvatten het onder goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, vaststellen van het
percentage van het inkomen dat door de verzekerden aan premie verschuldigd
is, het beheren van het Ouderdomsfonds, het beleggen van de gelden van dit
fonds overeenkomstig door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
gehoord de Sociale Verzekeringsraad, te stellen regelen, de beperkte
registratie ter bepaling van de omvang van de pensioenrechten en de
vaststelling en uitbetaling der pensioenen.
De beperkte registratie
De administratie ter bepaling
van de omvang van de pensioenrechten der verzekerden zou op zodanige wijze
kunnen worden gevoerd dat de Sociale
Verzekeringsbank zou overgaan tot
registratie van alle verzekerden en tot het aanleggen van een administratie
waarin ten aanzien van elke verzekerde alle gegevens voorkomen welke voor
het bepalen van de omvang en van het tijdstip van ingang der pensioenrechten
benodigd zijn, zoals burgerlijke staat, verblijf buitenslands en betaling
der premie. Ook de gegevens omtrent de mutaties in de groep der verzekerden
door huwelijk, overlijden, emigratie en immigratie zouden in een dergelijke
administratie dienen te worden verwerkt. De gegevens omtrent de
premiebetaling zouden door de belastingdienst nominatief aan de Sociale
Verzekeringsbank dienen te worden doorgegeven ter verwerking in de
administratie van de verzekerden. Als men echter in ogenschouw neemt dat
de verzekering het gehele volk omvat, is het duidelijk dat zodanige
registratie een enorme administratieve arbeid zou vergen, waarbij vergeleken
de huidige vrij omvangrijke administratie van de Invaliditeitswet bij de
Rijksverzekeringsbank slechts kinderspel zou zijn. Naar de mening van de
ondergetekenden is het, wanneer zulks niet volstrekt noodzakelijk is, niet
verantwoord de opbouw van een dergelijke omvangrijke administratie bij de
wet voor te schrijven. Naar de overtuiging van de ondergetekenden bestaat
deze noodzaak in het kader van een de gehele bevolking omvattende
ouderdomsverzekering stellig niet.
In de eerste plaats wordt een
volledige registratie van de gehele bevolking reeds gevonden in de
bevolkingsboekhouding. Het moet dan ook overbodig worden geacht een
soortgelijke, zeer omvangrijke registratie nogmaals door de Sociale
Verzekeringsbank te doen aanleggen. Voorts is ook voor de premie-inning een
afzonderlijke nominatieve registratie van de verzekerden niet noodzakelijk,
daar de belastingdienst het overgrote deel der premieplichtigen in verband
met de invordering van de inkomsten- en loonbelasting reeds registreert.
Deze dienst zal tot een aanvullende registratie moeten overgaan van die
verzekerden die in de administratie voor de inkomsten- en loonbelasting
niet voorkomen en toch premieplichtig zijn voor de ouderdomsverzekering,
waarbij met name wordt gedacht rblz.|50
l.k.|
aan de verzekerden wier inkomen
beneden de voor de inkomsten- en loonbelasting belastbare grens blijft.
Hierbij zal, indien zulks nodig mocht blijken, ook van de in de vorm van de
bevolkingsboekhouding aanwezig zijnde registratie der verzekerden gebruik
kunnen worden gemaakt.
Bleek uit het vorenstaande dat
aan een registratie bij de Sociale Verzekeringsbank, waarin ten aanzien van
elke verzekerde alle gegevens voorkomen welke voor het bepalen van de
pensioenrechten nodig zijn, geen behoefte bestaat, dit neemt niet weg dat
een beperkte registratie bij die instelling niet zal kunnen worden gemist.
In deze registratie dienen, met
vermelding van alle gegevens welke voor de bepaling van de omvang der
pensioenrechten van belang zijn, te worden opgenomen de - weinig talrijke -
gevallen waarin de belastingdienst op grond van artikel 3 van het Besluit
op de Inkomstenbelasting 1941 concludeert dat iemand binnen het Rijk woont -
en dus verzekerd is -, terwijl volgens het bevolkingsregister, dat
wordt bijgehouden overeenkomstig de Wet Bevolkings- en Verblijfsregisters,
de betrokken persoon niet binnen het Rijk woont - en dus niet verzekerd is -,
of omgekeerd. Daar voor de ouderdomsverzekering het woonplaatsbegrip,
neergelegd in artikel 3 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, is
overgenomen, dienen de gegevens van de belastingdienst voor deze gevallen in
de plaats te treden van de in het bevolkingsregister voorkomende gegevens.
Hierin dient voornoemde registratie bij de Sociale Verzekeringsbank te
voorzien.
Een volledige registratie zal de
Sociale Verzekeringsbank voorts moeten voeren van alle personen die, hoewel
geen ingezetenen zijnde - en dus in het bevolkingsregister niet voorkomende -, toch verzekerd zijn ingevolge
deze wet, zoals bijvoorbeeld hier te
lande in dienstbetrekking werkzaam zijnde arbeiders die hun woonplaats in
het buitenland hebben (zogenaamde grensarbeiders) en personeel van de Nederlandse
buitenlandse dienst.
Worden anderzijds bepaalde
ingezetenen van de ouderdomsverzekering uitgezonderd - te denken valt bijvoorbeeld
aan hier te lande wonende personen die in het buitenland in
dienstbetrekking werkzaam zijn -, dan is voor hen tevens registratie bij
de Sociale Verzekeringsbank vereist.
Veelal zullen de bij de
belastingdienst bekend zijnde gegevens van de loon- of inkomstenbelasting
kunnen dienen om de Sociale Verzekeringsbank in staat te stellen voor de ouderdomsverzekering, waar nodig, een eigen registratie te gaan voeren.
Behalve de in de bovengenoemde
gevallen voor de ouderdomsverzekering benodigde aanvullingen op de gegevens
van het bevolkingsregister, dient de Sociale Verzekeringsbank in de loop der
verzekeringsperiode nog te registreren de gevallen waarin een verzekerde
schuldig heeft nagelaten premie te betalen. Hierop wordt hieronder nader
teruggekomen.
Het aantal verzekerden waarvan
de Sociale Verzekeringsbank een eigen registratie dient te voeren, zal
evenwel beperkt blijven, vergeleken bij het totale aantal verzekerden. Het
normaaltype verzekerde is de ingezetene die hier te lande blijft wonen en
werken en die regelmatig zijn premie betaalt. Bij het beoordelen van de
pensioenaanvrage van zodanige verzekerde kan de Sociale Verzekeringsbank
geheel afgaan op de gegevens van het bevolkingsregister.
De ondergetekenden achten het
een belangrijk voordeel verbonden aan het systeem der voorgestelde
verzekering dat het uitvoeringsorgaan niet tot het administreren van
vorenbedoeld normaaltype verzekerde behoeft over te gaan. Een aanzienlijke
besparing op de administratiekosten wordt hierdoor verkregen.
De S.E.R. heeft in zijn rapport
slechts een registratie van de gegevens omtrent de gevallen waarin
nagelaten premiebetaling tot korting op het pensioen leidt, voorzien en
daaraan de benaming "negatieve registratie" verleend. Nu, zoals uit
het bovenstaande is gebleken, de registratie mede de op het
bevolkingsregister benodigde aanvullingen dient te omvatten, komt het de
ondergetekenden juister voor te spreken van "beperkte registratie".
rblz.|50
r.k.|
De Sociale Verzekeringsbank
beslist in welke gevallen er sprake is van schuldig nagelaten premiebetaling
De Rijksbelastingdienst
en de Sociale Verzekeringsbank hebben bij de uitvoering van de
ouderdomsverzekering ieder een taak, welke zij vrijwel geheel onafhankelijk
van elkaar zullen kunnen verrichten. Toch is er een gebied waar de
uitvoeringstaken van beide organen elkaar raken, namelijk wanneer het gaat om
een beslissing omtrent het stellen van een aantekening wegens schuldig
nagelaten premiebetaling, welke aantekening een korting op het pensioen ten
gevolge heeft. De beslissing omtrent het stellen van genoemde aantekening
is van rechtstreeks belang ten aanzien van de hoogte van het aan de
betrokken verzekerde bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
toe te kennen pensioen. Naar de mening van de ondergetekenden dient deze
beslissing derhalve te worden genomen door de Sociale Verzekeringsbank,
aangezien in het bestuur van dit orgaan de verzekerden vertegenwoordigd
zijn.
Theoretisch gesproken zou dit betekenen dat de belastingdienst van alle
gevallen waarin een verzekerde
over een bepaald jaar nalatig is gebleven een verschuldigde premie geheel
of gedeeltelijk te betalen, mededeling zou dienen te doen aan de Sociale
Verzekeringsbank, onder overlegging van de rapporten met de van belang
zijnde gegevens. Het is duidelijk dat een dergelijke handelwijze vele
practische en administratieve bezwaren zou medebrengen. De ondergetekenden
menen evenwel dat aan deze bezwaren voor een groot deel tegemoetgekomen
kan worden. Zij zijn namelijk van oordeel dat het geen zin heeft mededeling
te doen van die gevallen waarin het duidelijk is dat het niet betalen van
de premie niet aan de schuld van de verzekerde is toe te schrijven. De
belastingdienst zal dan ook van het doen van mededeling kunnen afzien in die
gevallen waarin naar zijn oordeel redelijkerwijze moet worden aangenomen
dat het achterwege blijven van het betalen van de premie niet aan de schuld
van de verzekerde te wijten is.
Op grond van door de
belastingdienst bij de betreffende mededeling over te leggen rapporten
dient de Sociale Verzekeringsbank te beslissen of er al dan niet van een
schuldig nalaten sprake is. Slechts in bevestigend geval volgt het stellen
van een aantekening wegens nagelaten premiebetaling, van welke aantekening
de verzekerde bij schriftelijke beslissing mededeling wordt gedaan. Tegen
deze beslissing kan de verzekerde beroep instellen bij de raad van beroep
voor de sociale verzekering, met recht van hoger beroep op de Centrale Raad
van Beroep.
Indien de Sociale Verzekeringsbank niet heeft
beslist dat van
een schuldig nalaten kan worden gesproken - dit zal het geval zijn indien
aan de verzekerde niet te verwijten betalingsonmacht aanwezig wordt geacht -, dan komt, zoals ook reeds in
paragraaf 5.4 van deze
memorie is opgemerkt, de premie welke geheel of gedeeltelijk niet is betaald ten laste van het Rijk. Daar in dit geval de premie, zij het niet
door de verzekerde, toch is betaald, blijft het stellen van een aantekening
achterwege.
Bij het vorenstaande dient te
worden opgemerkt dat het aantal gevallen waarin een door de
belastingdienst opgelegde premieaanslag onbetaald is gebleven minder
veelvuldig zal zijn dan de S.E.R. bij het uitbrengen van zijn advies voor
ogen zal hebben gestaan. In de thans voorgestelde wettelijke regeling is namelijk
niet overgenomen de suggestie van de S.E.R. dat het uitvoeringsorgaan de
keuze zal hebben tussen dwangmatige invordering van een niet tijdig betaalde
premie en afzien van de invordering van zodanige premie met als consequentie
het stellen van een aantekening wegens nagelaten premiebetaling. De
voorgestelde regeling gaat ervan uit dat steeds getracht dient te worden
een opgelegde premieaanslag in te vorderen, zo nodig met daartoe strekkende
rechtsmiddelen. Zou deze regeling niet als uitgangspunt worden genomen, dan
zou het gevaar bestaan dat de als verplicht bedoelde verzekering in feite
een vrijwillige zou worden. Het zou namelijk kunnen voorkomen dat betaling van
een opgelegde premieaanslag achterwege blijft, niet doordat de betrokken
verzekerde onmachtig is te betalen, doch doordat hij aan een korting op zijn
pensioen de voorkeur geeft boven het betalen der premie. rblz.|51
l.k.|
Zodanige toepassing van het
stelsel der kortingen op het pensioen brengt echter de opzet van de
ouderdomsvoorziening in gevaar. Immers, de voorgestelde voorziening beoogt
een bodempensioen te garanderen voor de oude dag, omdat velen daarvoor zelf
niet kunnen of willen zorgen. Zou nu in enige betekenende mate tot kortingen
op de toekomstige uitkeringen worden overgegaan, dan zou het gestelde doel
niet worden bereikt.
Opmerking verdient nog dat het
stellen van een aantekening leidende tot korting op het pensioen niet plaatsvindt in de gevallen dat de door een werkgever van een verzekerde
ingehouden premie bij deze werkgever, bijvoorbeeld wegens faillissement, niet
invorderbaar blijkt te zijn. De verzekerde heeft in dit geval de
verschuldigde premie betaald, zodat hem geen verwijt treft. Het
Ouderdomsfonds draagt in deze gevallen de nadelige gevolgen van het niet
afdragen van de reeds betaalde premie.
De uitbetaling van de
ouderdomspensioenen
Ten
slotte behoort tot de
uitvoeringstaak van de Sociale
Verzekeringsbank, zoals hierboven reeds is
vermeld, de uitbetaling der ouderdomspensioenen.
Het ligt voor de hand dat deze
pensioenen tezamen met de renten ingevolge de Invaliditeitswet, waarop vele
pensioengerechtigden tevens aanspraak zullen kunnen maken, worden
uitbetaald.
Velen der pensioengerechtigden
zullen voorts aanspraken kunnen doen gelden op een bedrijfs-, ondernemings-
of ambtelijk pensioen. De ondergetekenden zijn met de S.E.R.
van oordeel
dat ook gezamenlijke uitbetaling van deze pensioenen en van de
ouderdomspensioenen waarop ingevolge de algemene ouderdomsverzekering
aanspraak kan worden gemaakt, mogelijk dient te zijn. In het wetsontwerp is
in de mogelijkheid tot gezamenlijke uitbetaling voorzien.
10.
Overgangsregeling en aanpassing
bijzondere pensioenregelingen aan de algemene verplichte
ouderdomsverzekering
Het standpunt van de S.E.R.
De onderhavige voorziening gaat
uit van een verzekeringsperiode van 50 jaar. Slechts degenen die van hun 15de tot hun
65ste jaar verzekerd zijn geweest - en niet schuldig nalatig
zijn geweest in het betalen van premie -, komen in aanmerking voor het
volle bodempensioen.
Op het moment van de
inwerkingtreding van de voorgestelde voorziening zijn er echter velen die
de leeftijd van 65 jaar reeds hebben bereikt en derhalve niet meer verzekerd
kunnen zijn ingevolge deze regeling; vele anderen zullen nog wel gedurende
een zekere tijd verzekerd kunnen zijn, aangezien zij nog geen 65 jaar zijn,
maar kunnen, omdat zij ouder zijn dan 15 jaar, geen volledige
verzekeringsperiode meer doormaken.
De vraag rijst nu of ten aanzien
van de hier bedoelde personen de voorgestelde voorziening zonder meer
terstond volledig in werking kan treden, met dien verstande dan dat zij
over de jaren vóór het in werking treden van deze regeling waarover zij
niet verzekerd zijn geweest als verzekerd worden beschouwd.
De beantwoording van deze vraag
levert nog speciale moeilijkheden op in verband met de omstandigheid dat
velen van de bedoelde personen reeds belangrijke aanspraken hebben op
pensioen ingevolge bijzondere pensioenvoorzieningen (bijvoorbeeld
ondernemings- en
bedrijfspensioenfondsen; ambtelijke pensioenvoorzieningen).
Aan het hier gereleveerde
probleem heeft ook de S.E.R. aandacht besteed. Met name zijn de economische
en sociale aspecten van een onmiddellijk volledig invoeren van de regeling
in bovenbedoelde zin onderzocht.
Wat betreft het economisch
aspect spreekt de S.E.R. uitdrukkelijk uit dat een definitief oordeel over
de gevolgen van de invoering der ouderdomsverzekering slechts kan worden
gegeven tegen de achtergrond van de op het voorgenomen tijdstip van
invoering aanwezige economische situatie. Mocht deze, aldus de S.E.R.,
onverhoopt voor invoering [lees: vóór invoering, red.] ongunstig zijn, dan rblz.|51
r.k.|
zal uiteraard met grotere
omzichtigheid tewerk dienen te worden gegaan dan in een gunstige situatie.
In verband daarmede kan het oordeel van de S.E.R. omtrent het tempo van
invoering der nieuwe voorziening dan ook slechts een voorlopig karakter
dragen. Dit is mede het geval omdat bij het onderzoek van de S.E.R.
noodzakelijkerwijs van enkele veronderstellingen moest worden uitgegaan,
zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de hoogte van de pensioenen en de compensatie
der premielasten.
Met inachtneming van de genoemde beperkingen is de S.E.R.
van oordeel dat op grond van de economische gevolgen volledige invoering op
korte termijn geen overwegende bezwaren ontmoet. Bij een economische
situatie als gemiddeld in 1952/1953 is noch de invloed op het prijsniveau,
noch die op de werkgelegenheid zo groot dat uit dien hoofde geleidelijkheid
zou moeten worden betracht. De S.E.R. erkent dat de stijging van de
binnenlandse bestedingen welke als gevolg van onmiddellijke invoering of
invoering op korte termijn optreedt, gedurende enige jaren wellicht tot
enige terughoudendheid bij de realisering van andere sociale en culturele
doeleinden zal noodzaken. Indien de bij een normale ontwikkeling te
verwachten stijging van het nationale inkomen wordt verwezenlijkt, zal
deze terughoudendheid naar het oordeel van de S.E.R. echter slechts
gedurende een beperkte periode in acht genomen behoeven te worden.
De economische situatie op het
moment van invoering is naar het oordeel van de S.E.R. van bijzondere
betekenis. Zou een reeds scherpe inflatoire situatie bestaan, dan is op
grond van de inflatoire tendentie die van de volledige directe invoering
moet worden verwacht, uit dien hoofde voorzichtigheid bij de invoering
geboden. Aan de geleidelijke invoering, zij het slechts voor de duur waarin
de economische omstandigheden zulks noodzakelijk zouden maken, zou de S.E.R.
dan echter de voorkeur geven boven een uitstel van het tijdstip van
invoering.
Ook de sociale gevolgen van de invoering van de
ouderdomsverzekering zijn door de S.E.R. nauwkeurig onderzocht.
Hij komt
daarbij tot de conclusie dat op sociale gronden op zichzelf een
onmiddellijke volledige invoering van de verzekering niet behoeft af te
stuiten. De S.E.R. constateert dat als gevolg van een directe volledige
invoering der ouderdomsverzekering een inkomensverschuiving binnen de groep
der bejaarden zal optreden. Immers, zij die naast het ouderdomspensioen
geen andere bron van inkomen hebben, zullen hun inkomsten ten hoogste zien
stijgen met het eventuele verschil tussen het ouderdomspensioen en de
uitkeringen van de Noodwet Ouderdomsvoorziening. Van degenen echter die op
grond van zelf getroffen voorzieningen of van bijzondere pensioenregelingen
reeds in het genot zijn van een redelijk te achten ouderdomspensioen zal - aldus nog steeds de
S.E.R. -, tenzij bijzondere wettelijke voorzieningen
worden getroffen, het totale inkomen met het gehele bedrag van het
ouderdomspensioen toenemen. De S.E.R. acht echter deze inkomensverschuiving
binnen de kring der bejaarden geen voldoende reden om van invoering op korte
termijn af te zien. De S.E.R. is van oordeel dat dergelijke verschuivingen
onafscheidenlijk aan een stelsel van algemene ouderdomsverzekering zijn
verbonden. Hij is er voorts van overtuigd dat in de sfeer van het
bedrijfsleven zich deze verschuivingen slechts in geringe mate zullen
voordoen, omdat zeer veel pensioenvoorzieningen die geacht kunnen worden
zodanige aanspraken te geven dat geen verhoging nodig is (bijvoorbeeld 70%
van het laatstverdiende inkomen), de bepaling bevatten dat uitkeringen uit
hoofde van wettelijke voorzieningen in mindering worden gebracht. Slechts
voor personeel in publiekrechtelijke dienst en voor enige andere
categorieën loontrekkenden (bijvoorbeeld spoorwegpersoneel) zullen aanpassingen van
de bijzondere pensioenvoorzieningen nodig zijn.
De S.E.R. erkent dat voor
het bewerkstelligen van de aanpassing der bijzondere pensioenvoorzieningen
en ter wille van het vermijden van al te grote schokken aan de door
invoering van de wettelijke ouderdomsverzekering geschapen situatie, een
overgangstermijn gewenst kan zijn. Slechts op grond van deze overweging kan
naar zijn mening een - overigens korte - rblz.|52
l.k.|
overgangsperiode worden
gerechtvaardigd. Aangezien met de voorbereidingen van deze aanpassing reeds
een begin kan worden gemaakt zodra de voornemens van de Regering met
betrekking tot de ouderdomsverzekering bekend zijn, zal naar de mening van
de S.E.R. de overgangsperiode ten hoogste vijf jaar dienen te duren.
Wat het systeem van de
overgangsregeling zelf betreft, de S.E.R. verwerpt een overgangsregeling
volgens welke slechts degenen die na de datum van inwerkingtreding de
pensioengerechtigde leeftijd bereiken, krachtens de nieuwe wettelijke
regeling een ouderdomspensioen ontvangen, terwijl de op het moment van
invoering der regeling aanwezige bejaarden aan de nieuwe regeling geen
aanspraken zouden kunnen ontlenen. Deze laatsten zouden dan - zo de S.E.R. -,
voor zover zij daarvoor in aanmerking komen, op de uitkeringen van de
Noodwet Ouderdomsvoorziening aangewezen blijven. Een dergelijke regeling,
welke leidt tot een zeer sterk onderscheid in de behandeling van de
bejaarden al naargelang zij vóór of na de datum van invoering der nieuwe
wettelijke regeling de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, acht de S.E.R.
in ieder geval ongewenst.
In de gedachtengang van de S.E.R.
wordt uitgegaan van een overgangsregeling welke iedere bejaarde in beginsel
recht geeft op het bodempensioen, maar welke gedurende de overgangsperiode
een gedeeltelijke aftrek op dit pensioen kent voor de bejaarden die andere
inkomsten genieten. In dit stelsel vervallen derhalve de aanspraken
ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening en geschiedt de uitkering aan de
op het tijdstip van invoering aanwezige bejaarden en aan degenen die
tijdens de overgangsperiode 65 jaar worden, op basis van de nieuwe
verzekering ten laste waarvan zij worden gebracht.
Overigens acht de S.E.R., juist
met het oog op de inkomensaftrek. welke steeds een achterstelling inhoudt
voor degenen die gedeeltelijk voor hun eigen oude dag hebben gezorgd, een
enigszins langdurige overgangsperiode ongewenst, mede ook omdat hierdoor de
ontwikkeling van de particuliere voorzieningen en van de ondernemings- en
bedrijfspensioenfondsen dreigt te worden belemmerd.
Het stelsel van het wetsontwerp
Het wetsontwerp gaat, in
aansluiting aan het advies van de S.E.R., ervan
uit dat vanaf het moment van
invoering der voorgestelde regeling in beginsel
ieder die de 65-jarige
leeftijd heeft bereikt of overschreden, recht heeft op het volledige
bodempensioen (artikelen 46 tot en met 49
[58-61]). De Noodwet Ouderdomsvoorziening en de
ingevolge deze Noodwet toegekende ouderdomsuitkeringen kunnen met ingang
van dat moment derhalve vervallen (artikel
61 [72], eerste lid. van het wetsontwerp).
Voorts wordt in beginsel degenen die bij het in werking treden der verzekering nog niet de leeftijd
van 65, doch wel die van 15 jaar hebben bereikt, zodat van hen niet meer
vanaf het moment van hun intrede in het productieproces premie zal worden
geheven, niets op het pensioen gekort wegens de jaren verstreken na het
bereiken van de 15-jarige leeftijd, doch vóór het in werking treden der
voorgestelde voorziening. Ook laatstbedoelde personen zullen dus, indien
zij vanaf het in werking treden der verzekering tot het bereiken van de
65-jarige leeftijd steeds verzekerd blijven en de verschuldigde premie
betalen, in beginsel recht hebben op het volle pensioen (artikel
43 [55]).
Uit het voorgaande volgt dat
vanaf het moment van invoering der voorgestelde regeling alle bejaarden hun
pensioenrechten zullen kunnen ontlenen aan deze regeling.
Zoals hierboven is uiteengezet,
zullen, in overeenstemming met het advies van de S.E.R., de op het tijdstip
van invoering der verzekering 65-jarigen en ouderen in beginsel recht hebben
op het volle bodempensioen. Aan degenen die ouder dan 15, doch jonger dan
65 jaar zijn, wordt voorts in beginsel de mogelijkheid verleend bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd eveneens het volle pensioen te
verwerven.
De ondergetekenden zijn van mening dat dit niet in strijd komt met het aanvaarden van de
socialeverzekeringsgedachte voor de ouderdomsverzekering.
rblz.|52
r.k.|
Wel wordt in de voorgestelde
ouderdomsverzekering verband tussen premiebetaling en uitkering gelegd, in
die zin dat een korting op het pensioen plaatsvindt voor elk jaar
waarover nagelaten is de verschuldigde premie te betalen. Nalatigheid in dit
opzicht kan evenwel degenen die geen premie meer kunnen betalen omdat zij
reeds bij het in werking treden der nieuwe regeling de 65-jarige leeftijd
hebben bereikt, zowel als degenen die niet over een volledige 50-jarige
verzekeringsperiode premie kunnen betalen doordat zij bij de invoering van
de nieuwe wet reeds aan het productieproces deelnemen, niet worden verweten.
Immers, in de jaren gedurende welke zij reeds in het productieproces waren
ingeschakeld, ontbrak een verzekeringsregeling als de thans voorgestelde.
Intussen ontveinzen de
ondergetekenden zich niet dat de voor de 65-jarigen en ouderen, alsook de
voor de 15-tot-65-jarigen, in bijgaand ontwerp getroffen regelingen een grote
tegemoetkoming tegenover deze groepen van personen inhouden, waarvan de
kosten dienen te worden opgebracht door de verzekerden tijdens hun actieve
levensperiode. Het komt de ondergetekenden derhalve ongewenst voor de
onderhavige overgangsbepalingen zonder onderscheid op iedereen van
toepassing te doen zijn. Zij zouden deze bepalingen slechts willen doen
gelden voor Nederlanders die reeds geruime tijd hier te lande of in de
overzeese Rijksdelen woonachtig zijn geweest.
Hiertoe is, in iets soepeler
vorm, aansluiting gezocht bij de Noodwet Ouderdomsvoorziening, door de eis
te stellen dat men, om op de onderhavige overgangsregeling een beroep te
kunnen doen, al dan niet onafgebroken gedurende zes jaren na de voleindiging
van zijn 59ste levensjaar zijn woonplaats binnen het Rijk, Nederlands
Nieuw-Guinea, Suriname of de Nederlandse Antillen heeft gehad. Met deze
regeling wordt bereikt dat door genoemde Noodwet gewekte verwachtingen niet
worden beschaamd. Immers, zij die op het moment van invoering van de
nieuwe ouderdomsvoorziening in het genot zijn van een uitkering ingevolge de
Noodwet Ouderdomsvoorziening, zien deze uitkering vervangen door een
pensioen op grond van de nieuwe regeling, terwijl zij die bij het in
werking treden van de nieuwe wet nog slechts enkele jaren van de 65-jarige
leeftijd verwijderd zijn en derhalve het uitzicht hadden om binnen enkele
jaren uitkering krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening te verkrijgen,
door de onderhavige overgangsregeling ook in beginsel op het volle
ouderdomspensioen krachtens deze wet aanspraak zullen kunnen
maken, indien
zij slechts in Nederland blijven wonen en over de enkele jaren die hen nog
van de 65-jarige leeftijd scheiden de ingevolge de voorgestelde wet
verschuldigde premie voldoen.
Intussen is het duidelijk dat degenen die in verband met de hoogte van hun inkomen geen aanspraak op
uitkering ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening kunnen maken, wel recht
zullen hebben op ouderdomspensioen ingevolge de overgangsbepalingen van de
nieuwe voorziening. In dit opzicht is dus de werkingssfeer van de nieuwe
voorziening geenszins beperkt tot die van de Noodwet Ouderdomsvoorziening.
De ondergetekenden willen er ten slotte nog de aandacht op vestigen dat de voor
15-tot-65-jarigen
voorgestelde overgangsregeling steeds minder betekenis krijgt naargelang
de voorgestelde ouderdomsverzekering langer van kracht is. Het aantal
voorverzekeringsjaren wordt immers geleidelijk aan kleiner. Degenen die
bij het in werking treden van de voorziening reeds dicht de 65-jarige
leeftijd zijn genaderd, hebben uiteraard zeer veel van die voorverzekeringsjaren,
degenen die nog in het begin van hun actieve
leven staan, hebben uiteraard maar een zeer gering aantal van die jaren.
De gedachte van de S.E.R. om
gedurende een overgangsperiode van vijf jaren aftrek van eigen inkomsten
toe te passen, hebben de ondergetekenden echter niet overgenomen.
Evenmin
als de S.E.R. achten de ondergetekenden uit economisch oogpunt een
overgangsperiode met inkomensaftrek noodzakelijk.
Weliswaar zijn de kosten
verbonden aan de onmiddellijke volledige invoering belangrijk hoger dan bij
een overgangsregeling, maar de ondergetekenden kunnen daaraan geen doorslaggevende betekenis toekennen. Zij hebben daarbij mede rblz.|53
l.k.|
overwogen dat onmiddellijke
volledige invoering slechts indirect een geringe verhoging van
overheidsuitgaven zal veroorzaken en dat het monetaire effect onbeduidend
zal zijn, aangezien het hogere bedrag aan uitkeringen wordt gecompenseerd
door een dienovereenkomstig hogere premie.
De S.E.R. heeft een
overgangsperiode met gedeeltelijke aftrek van eigen inkomsten dan ook
hoofdzakelijk bepleit om de gelegenheid te geven de bijzondere
pensioenvoorzieningen aan de nieuwe situatie welke ontstaat door invoering
van de onderhavige regeling aan te passen.
Het wil de ondergetekenden
echter voorkomen dat voor dit doel geen overgangsregeling nodig is, ja, dat
zulk een overgangsregeling de "aanpassing" administratief sterk zou
bemoeilijken.
Wat de ambtelijke
pensioenvoorzieningen betreft, kan een wetsontwerp worden tegemoetgezien
waarbij de aanpassing van de ambtelijke pensioenvoorzieningen wordt
geregeld.
Met betrekking tot de
particuliere pensioenvoorzieningen is in artikel 60
[71] van het ontwerp een
regeling getroffen krachtens welke de betrokken pensioentoezeggingen zullen
kunnen worden gewijzigd, voor zover de mogelijkheid daartoe tot dusverre nog
niet bestond.
In verband met het bovenstaande
lijkt derhalve ook voor deze gevallen een overgangsperiode met
inkomensaftrek niet noodzakelijk.
De ondergetekenden menen integendeel dat een overgangsregeling als door de S.E.R. voorgesteld
allerlei moeilijkheden zou oproepen.
Reeds nu kennen de statuten of
reglementen van verscheidene pensioenfondsen een bepaling ingevolge welke
uitkeringen krachtens een wettelijke voorziening in mindering worden of
kunnen worden gebracht. Bij andere pensioenvoorzieningen zal een dergelijke
bepaling overeenkomstig artikel 60 [71]
van het ontwerp alsnog kunnen worden
opgenomen.
Voor dergelijke regelingen nu
rijst de moeilijkheid dat enerzijds bij de bepaling van de grootte van het
pensioen rekening moet worden gehouden met de wettelijke uitkeringen,
terwijl anderzijds, juist omgekeerd, tijdens een overgangsperiode de hoogte
van de wettelijke voorziening mede zou worden bepaald door het (pensioen)inkomen van de gerechtigde.
Is een dergelijke berekening
reeds niet eenvoudig wanneer een pensioen de enige bron van inkomsten
vormt, wel zeer gecompliceerd wordt de situatie indien de betrokkene, bijvoorbeeld
op grond van verschillende achtereenvolgende dienstbetrekkingen, meer dan
één pensioen ontvangt of indien hij, naast pensioen, nog andere inkomsten
heeft.
In al deze gevallen zou men
allereerst de nodige gegevens moeten trachten te achterhalen en vervolgens
dienen te berekenen welk bedrag aan uitkering op grond van de wettelijke
regeling op het pensioen in mindering moet worden gebracht. Hierbij speelt
dan een rol dat deze uitkering op haar beurt weer afhankelijk is van de
inkomsten van de betrokkene, onder meer dus het - verminderde - pensioen. In
de niet zeldzame gevallen waarin er sprake is van meer dan één pensioen
waarop aftrek wordt toegepast, worden de problemen wel bijzonder moeilijk op
te lossen.
Ten slotte moet dan nog worden bedacht dat gedurende de overgangstermijn de berekeningen van jaar tot jaar
opnieuw zouden moeten worden uitgevoerd indien het door de S.E.R.
aanbevolen stelsel doorgang zou vinden.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1 [1]
Tweede en derde lid
Het tweede lid
bepaalt dat onder gehuwde man of echtgenoot slechts wordt verstaan de niet duurzaam van zijn echtgenote gescheiden levende man. Het
derde lid bepaalt dat onder gehuwde vrouw of echtgenote slechts wordt
verstaan de niet duurzaam van haar echtgenoot gescheiden levende vrouw.
Derhalve worden gehuwden die van tafel en bed gescheiden zijn of die,
zonder van tafel en bed gescheiden te zijn, in feite duurzaam gescheiden van
elkaar leven, in navolging van artikel 2, tweede lid, van het Besluit op de
Inkomstenbelasting 1941, als ongehuwde personen aangemerkt.
rblz.|53
r.k.|
De onderscheiding tussen
"gehuwd"
en "ongehuwd" is van belang voor het recht op ouderdomspensioen (zie
artikelen 7 [7], 8
[9], 10 [13],
43 [55]
en 46 [58]) en voor de premiebetaling (zie
artikel 27 [-]).
Artikel
2 [2]
In hoofdstuk
3 van
het algemeen deel dezer memorie is uiteengezet dat de ouderdomsverzekering
zich tot de gehele bevolking dient uit te strekken. Daartoe wordt in artikel
6 [6] bepaald dat ieder "ingezetene"
- van 15 tot 65 jaar - verzekerd is. In artikel 2 [2]
wordt de inhoud van het begrip "ingezetene"
aangegeven. Ingezetene in de zin van het ontwerp is
iedereen die in
Nederland woont. Bij de beoordeling van de vraag of iemand binnen het Rijk
woont, zullen de regelen, gegeven in artikel
3 [3], in acht dienen te worden
genomen.
Artikel
3 [3]
Ter bepaling of iemand al dan niet binnen het Rijk woont,
geeft dit artikel nadere regelen. Het artikel is ontleend aan artikel 3 van
het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, zulks in verband met de
premie-inning door de belastingdienst.
Dit artikel is niet alleen van
belang voor de bepaling of iemand al dan niet ingezetene (artikel
2 [2]) en
daardoor al dan niet verzekerde (artikel 6
[6]) is, doch geldt overal waar in
het wetsontwerp iemands woonplaats aan de orde komt, hetgeen bijvoorbeeld
ook het
geval is in de overgangsbepalingen van de artikelen 43 en
volgende [55 e.v.].
De
hoofdregel voor de woonplaatsbepaling is neergelegd in het eerste lid en
houdt in dat naar de omstandigheden wordt beoordeeld waar iemand woont. De
afhankelijke woonplaatsen van gehuwde vrouwen en van handelingsonbekwamen
welke het Burgerlijk
Wetboek kent, zijn hier derhalve niet bepalend.
Door de
aansluiting bij artikel 3 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 is
de jurisprudentie welke zich omtrent dat artikel heeft gevormd tevens van
belang voor de toepassing van artikel 3
[3] van het onderhavige
ontwerp.
De woonplaats vastgesteld op grond van artikel 3
[3] van het
wetsontwerp stemt
vrijwel steeds overeen met de woonplaats welke het bevolkingsregister
aangeeft. In een gering aantal gevallen kan artikel 3
[3] tot afwijking van de
gegevens van het bevolkingsregister leiden, bijvoorbeeld bij zeevarenden en in
gevallen van tijdelijk verblijf in het buitenland.
Artikel
4 [4]
Eerste lid
Dit lid
bepaalt dat in de uitvoering van de verzekering wordt voorzien door
de Sociale Verzekeringsbank. In hoofdstuk
9 van het algemeen deel dezer
memorie werd omtrent de uitvoering reeds een uiteenzetting gegeven. Daarbij
werd tevens aangegeven dat de Rijksbelastingdienst
zal worden belast met de
heffing en de invordering der door de verzekerden verschuldigde premiën.
Tweede lid
Ingevolge het tweede lid kan de
Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid nadere regelen stellen met betrekking tot de door de Sociale
Verzekeringsbank voor de uitvoering der verzekering te voeren administratie
en met betrekking tot de registratie van de verzekerden.
Zoals in hoofdstuk 9 van het algemeen deel dezer memorie reeds werd uiteengezet, is slechts ten
aanzien van een beperkt aantal verzekerden afzonderlijke registratie bij de
Sociale Verzekeringsbank nodig.
Artikel
5 [5]
De Sociale
Verzekeringsbank wordt
bij de uitvoering van haar taak bijgestaan door de Raden van Arbeid. De
taakverdeling tussen deze organen wordt door de Minister van Sociale Zaken
en Volksgezondheid, gehoord de Sociale Verzekeringsbank, nader geregeld.
Artikel
6 [6]
Eerste lid, onderdeel a
In het eerste lid, aanhef en onder
a, wordt
vrijwel de gehele actieve bevolking onder de verzekering gebracht. Volstaan
moge worden met een verwijzing naar hoofdstuk 3 van het algemeen deel
dezer memorie en naar de toelichting op artikel 2 [2].
Het wetsontwerp gaat uit
van een 50-jarige verzekeringsduur. Waar de verzekering eindigt bij het
bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, welke op 65 jaar is gesteld,
dient zij aan te vangen op 15-jarige leeftijd.
rblz.|54
l.k.|
Eerste lid, onderdeel b
Het eerste
lid, onderdeel b, strekt ertoe werknemers die buiten Nederland wonen, doch hier
te lande in dienstbetrekking werkzaam zijn, in de verzekering op te nemen.
In het bijzonder geldt het hier de in ons land werkzame grensarbeiders.
Zoals aan het slot van hoofdstuk 3 van het algemeen deel dezer memorie
reeds is vermeld, noopt de internationaal algemeen aanvaarde regel dat een
loontrekkende verzekerd is ingevolge de wetgeving van het land waar hij
werkzaam is ertoe deze groep loontrekkenden in de verzekering te
betrekken. Ook ter vermijding van ongelijke concurrentieverhoudingen is dit
gewenst.
Aangezien de premie-inning voor
de loontrekkenden zal geschieden op analoge wijze als is voorgeschreven
voor de inning van de loonbelasting, is in het eerste lid, onderdeel b, enerzijds
door het vereiste van het onderworpen zijn aan de loonbelasting, anderzijds
door het woord "dienstbetrekking", aansluiting gezocht bij de
terminologie van de artikelen 2 en 3 van het Besluit op de Loonbelasting
1940. Van onderworpen zijn aan de loonbelasting is ook sprake wanneer ten
aanzien van een loonbelastingplichtige op grond van een verdrag, ter
voorkoming van dubbele belastingheffing, de feitelijke heffing van
loonbelasting ingevolge de Nederlandse wet achterwege blijft.
Ten aanzien van het begrip "dienstbetrekking" dient te worden
opgemerkt dat
het onderhavige
wetsontwerp alleen het grondbegrip "dienstbetrekking" met het Besluit
op de Loonbelasting 1940 gemeen heeft. De in dat besluit genoemde gevallen
waarin men steeds geacht wordt zijn arbeid in dienstbetrekking te
verrichten, zijn in dit wetsontwerp niet overgenomen.
Zo bepaalt artikel 2, eerste
lid, onderdeel b, van het Besluit op de Loonbelasting 1940 dat aan de
loonbelasting onderworpen zijn de niet binnen het Rijk wonende bestuurders
en commissarissen van vennootschappen, verenigingen en maatschappijen
welke binnen het Rijk zijn gevestigd. Artikel 3, tweede lid, van meergenoemd
besluit bepaalt dat commissarissen van vennootschappen, verenigingen en
andere rechtspersonen steeds geacht worden hun arbeid als zodanig in
dienstbetrekking te verrichten. Ten aanzien van genoemde personen is voor
de loonbelastingheffing derhalve niet vereist dat zij in feite in
dienstbetrekking werken. Zij zijn, ook als ze niet in dienstbetrekking
werkzaam zouden zijn, toch onderworpen aan de loonbelasting. Artikel
6 [6],
eerste lid, onderdeel b, van het onderhavige wetsontwerp is evenwel slechts dan
op hen van toepassing indien een werkelijke dienstbetrekking aanwijsbaar
is.
Voorts dient nog te worden opgemerkt dat de in de artikelen 2 en 3 van het Besluit op de Loonbelasting
voorkomende term "vroeger verrichte arbeid" niet is overgenomen,
zodat het in artikel 6 [6], eerste lid, onderdeel b, van het wetsontwerp bepaalde
zich niet uitstrekt tot degenen die ter zake van vroeger binnen het Rijk
verrichte arbeid pensioen genieten.
Door de aangegeven afwijkingen
van het Besluit op de Loonbelasting 1940 wordt bereikt dat van de
niet-ingezetenen slechts zij die werkelijk tot de categorie der
loontrekkenden behoren door de onderhavige bepaling in de verzekering
worden opgenomen.
Eerste lid, onderdeel c
Ingevolge
het eerste lid, onderdeel c, worden in de verzekering opgenomen de Nederlanders,
niet-ingezetenen, die ter zake van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde of
loon genieten ten laste van het Rijk.
Deze bepaling betreft
inzonderheid het in den vreemde wonende personeel van de Nederlandse
buitenlandse diplomatieke en consulaire dienst, alsmede de Gouverneurs van
de Overzeese Rijksdelen en de hun toegevoegde ambtenaren, allen evenwel
slechts voor zover zij Nederlander zijn. Voorts zijn van genoemde categorie
van personen slechts diegenen verzekerd die niet blijvend buiten Nederland
zijn gevestigd. Zij die blijvend buiten Nederland woonplaats hebben,
behoren in principe onder de voorzieningen van het land hunner vestiging te
vallen, aangezien zij veelal geacht kunnen worden zich geheel op dat land
te hebben georiënteerd.
Een aanwijzing dat de hier
bedoelde personen die wedde of loon ten laste van de Nederlandse staatsbegroting
genieten rblz.|54
r.k.|
zich blijvend buiten Nederland
hebben gevestigd, is veelal hierin gelegen dat dan de hier te lande
geldende ambtelijke pensioenregelingen op hen niet van toepassing zijn.
Tweede lid
Dit lid houdt,
teneinde van de verzekering uit te zonderen de vreemdelingen die ter zake van
binnen het Rijk verrichte arbeid wedde of loon genieten ten laste van een
andere Mogendheid en die niet geacht kunnen worden blijvend binnen het Rijk
hun woonplaats te hebben, de contrabepaling in van het eerste lid, onderdeel
c.
Derde lid
Het derde lid opent
de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur personen die niet
ingevolge het eerste lid verzekerd zijn, als verzekerden in de zin van deze
wet aan te merken. Gedacht wordt bijvoorbeeld aan in het buitenland wonende
werknemers die ter zake van hier te lande verrichte arbeid uitkering
ontvangen ingevolge de Nederlandse Ongevallenwet of Ziektewet. Tijdens hun
werkzaamheid hier te lande zijn deze werknemers, zoals hierboven reeds werd
uiteengezet, ingevolge het eerste lid, onderdeel b, verzekerd. Het ligt voor de
hand hun verzekering tijdens het genot van uitkering ingevolge bovengenoemde
socialeverzekeringswetten, ook wanneer de
dienstbetrekking
reeds is beëindigd, te continueren.
Voorts moet het wenselijk worden
geacht de mogelijkheid te openen echtgenoten van hier te lande werkzame
werknemers die in het buitenland wonen, tijdens de verzekering van hun man
hier te lande verzekerd te doen zijn. Vooral voor echtgenoten van
grensarbeiders zal een dergelijke regeling nodig kunnen zijn.
Verder zal het gewenst zijn van
de niet blijvend buiten Nederland gevestigde, in het eerste lid, onderdeel c,
bedoelde personen die ter zake van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde
of loon genieten ten laste van het Rijk, ook de echtgenoten en zo nodig
eveneens de overige gezinsleden in de verzekering te betrekken. Zijn de hier
bedoelde personen die hun wedde uit 's Rijks schatkist ontvangen wel
blijvend buiten Nederland gevestigd, dan zal het wellicht aanbeveling
verdienen hen verzekerd te doen zijn indien in het land waar zij wonen
geen ouderdomsvoorziening op hen van toepassing is.
Wellicht zal het wenselijk zijn
ook nog voor andere groepen van personen van de hier geschapen mogelijkheid
om hen in de verzekering te betrekken gebruik te maken. Het maatschappelijk leven is zo
gevarieerd dat niet van te voren alle gevallen waarin
verzekering ingevolge de onderhavige regeling al dan niet gewenst is, zijn
te overzien.
Vierde lid
Het kan ook gewenst
zijn bepaalde groepen van personen van de verzekering uit te sluiten. Dit
zal bijvoorbeeld, ter voorkoming van samenloop van de verzekering ingevolge de
voorgestelde voorziening met een overeenkomstige regeling buiten het Rijk,
nodig kunnen zijn ten aanzien van personen die zich reeds buiten Nederland
pensioenrechten verwerven. Voorts valt te denken aan in het buitenland
wonende vreemdelingen die hier te lande gedurende korte tijd in een
onderneming van publieke vermakelijkheden als loontrekkende werkzaam zijn
en aan vreemdelingen zonder vaste woonplaats. Ook andere dergelijke
gevallen kunnen zich in de practijk voordoen. Teneinde in de gevallen
waarin de betrokken personen eigenlijk onder onze verzekering niet thuishoren, hen buiten de verzekering te kunnen houden, is in het vierde lid van
artikel 6 [6], onderdeel a, b en c, een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen.
In het
vierde lid, onderdeel d, is voorts nog uitdrukkelijk bepaald dat bij algemene
maatregel van bestuur echtgenoten en overige gezinsleden van de in het
tweede lid en in het vierde lid, onderdeel b en c, bedoelde personen van de
verzekering kunnen worden uitgezonderd.
Incidenteel en van land tot land
zal moeten worden bezien of aan het begrip verzekerde, zoals dit in het
eerste lid van artikel 6 [6]
is omschreven, uitbreiding of beperking moet worden
gegeven. Het derde, onderscheidenlijk het vierde lid van artikel 6
[6] openen de
mogelijkheid een regeling te treffen bij algemene maatregel van bestuur. Bij
een algemene maatregel rblz.|55
l.k.|
van bestuur kan echter slechts
eenzijdig een regeling worden getroffen. Het is daarbij alleen mogelijk
bepaalde niet-ingezetenen onder de Nederlandse verzekering te brengen of
omgekeerd bepaalde groepen van ingezetenen buiten de verzekering te
plaatsen, zonder dat daarbij een andere Mogendheid verplicht kan worden
eenzelfde gedragslijn te volgen. Een zogenaamde wederkerigheidsregeling kan echter
worden getroffen bij een overeenkomst met een andere Mogendheid. Aangezien
ingevolge artikel 65 [oud, red.] van de Grondwet een dergelijke overeenkomst praevaleert boven de nationale wet, behoeven hiervoor geen
bijzondere
voorzieningen te worden getroffen.
Artikel
7 [7]
Het eerste lid van
artikel 7 [7] stelt als algemene regel
voorop dat iedereen die verzekerd is
geweest en die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, recht heeft op
pensioen.
In het tweede lid wordt dan
evenwel een uitzondering gemaakt voor de gehuwde vrouw. Het ontwerp gaat er
weliswaar van uit dat de gehuwde vrouw zelfstandig verzekerd is en dat zij
haar eigen pensioen opbouwt, doch in hoofdstuk 4 van het algemeen deel
dezer memorie werd reeds uiteengezet om welke redenen in het wetsontwerp
aan de gehuwde vrouw in het algemeen geen afzonderlijk recht op het door
haar opgebouwde pensioen kan worden toegekend en waarom dit dient te worden
geïncorporeerd in het aan de man toe te kennen gehuwdenpensioen. De hoogte
van dit pensioen is dan afhankelijk van de stand van de afzonderlijke
verzekeringen van beide echtgenoten.
In dit verband dient nog te
worden gewezen op het tweede lid van artikel
16 [19], dat de mogelijkheid opent
het pensioen van een gehuwde man, ook zonder diens bewilliging, voor de
helft betaalbaar te stellen aan diens vrouw.
Wordt aan de gehuwde vrouw van
65 jaar geen recht op pensioen toegekend, dan zal ook de gehuwde vrouw die
in Nederland werkzaam is geweest, doch wier man nooit in Nederland verzekerd
is geweest, geen pensioen kunnen worden toegekend. Het gevolg is dan dat bijvoorbeeld
de in België wonende gehuwde vrouw die, al dan niet vóór haar
huwelijk, in Nederland verzekerd is geweest, geen recht heeft op pensioen.
Daardoor gaan dan de jaren waarin de vrouw in Nederland werkte en welke
dus zowel vóór als tijdens haar huwelijk kunnen liggen, voor haar
volledig verloren, niettegenstaande er door haar premie is betaald. Teneinde
deze ongewenste consequentie te voorkomen, wordt in het tweede lid, onderdeel a,
voorgesteld aan de echtgenote van een man die nooit in de Nederlandse
verzekering is opgenomen geweest een eigen recht op pensioen toe te
kennen. Dat daarbij als voorwaarde wordt gesteld dat haar man de 65-jarige
leeftijd moet hebben bereikt, spreekt voor zichzelf. Ook de 65-jarige
vrouw van een wel verzekerde, doch nog geen 65-jarige echtgenoot heeft
immers geen recht op ouderdomspensioen, evenmin als haar echtgenoot zelf.
De andere voorwaarde, in het
tweede lid, onderdeel a, gesteld voor een zelfstandig recht op pensioen van de
verzekerd geweest zijnde gehuwde vrouw wier echtgenoot nimmer verzekerd
is geweest, inhoudende dat haar echtgenoot geen recht op ouderdomspensioen
ingevolge de overgangsbepaling van artikel 46
[58] heeft, is evenzeer duidelijk.
Er wordt hier immers slechts beoogd aan de gehuwde vrouw een zelfstandig
recht op pensioen te verlenen in de gevallen waarin haar man dit recht
ontbeert.
Het is voorts nog gewenst om de
gehuwde vrouw een zelfstandig recht te geven op pensioen in de gevallen
waarin het huwelijk plaatsvond nadat zowel de man als de vrouw reeds de
65-jarige leeftijd hebben bereikt. Vóór het huwelijk had namelijk elk der
echtgenoten ingevolge het bepaalde in artikel
8 [9], eerste lid, recht op het
basispensioenbedrag. Zonder nadere regeling zouden de echtgenoten echter na
het huwelijk slechts het gehuwdenpensioen van artikel
8 [9], tweede lid, kunnen
ontvangen, dat lager is dan het dubbele van het basispensioen. Deze terugval
komt niet gewenst voor. Beter lijkt het de vóór het huwelijk bestaande
pensioenrechten onverkort te handhaven. Dit wordt bereikt door het bepaalde
in artikel 7 [7], tweede lid, onderdeel b, juncto
artikel 8 [9],
vierde lid.
rblz.|55
r.k.|
Het toekennen van een
afzonderlijk recht op pensioen aan de gehuwde vrouw van 65 jaar of ouder
wordt in het tweede lid, onderdeel b, uitdrukkelijk beperkt tot de
vrouw
die trouwt met een man die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. De regeling
beoogt immers te voorkomen dat twee pensioengerechtigden door samen in het
huwelijk te treden een terugval in inkomsten ondergaan. Indien een 65-jarige
vrouw in het huwelijk treedt met een man die nog geen 65 jaar is, dan
verliest de vrouw dus haar pensioen. Haar man zal evenwel in het merendeel
van de gevallen nog in het arbeidsproces zijn opgenomen en daardoor of uit
anderen hoofde over inkomsten beschikken en zo in staat zijn in het
onderhoud van zichzelf en van zijn echtgenote te voorzien. Het verlies van
pensioenrechten door de vrouw in dit geval is in overeenstemming met de uit
artikel 7 [7] algemeen voortvloeiende
consequentie dat een echtpaar slechts dan
een - aan de man toegekend - pensioen kan genieten indien de man de
65-jarige leeftijd heeft bereikt.
Slechts duurzaam samenwonende
echtgenoten worden ingevolge artikel 1
[1] als gehuwd beschouwd. Dit brengt mede dat bij duurzame niet-samenwoning zowel de man als de vrouw - daar
zij als ongehuwd worden beschouwd - recht hebben op pensioen.
Artikel
8 [9]
De bedragen van het
ouderdomspensioen vonden reeds toelichting in hoofdstuk 4 van het algemeen
deel dezer memorie.
Eerste lid
Dit lid stelt als
grondslag dat het pensioen ƒ804,- per jaar bedraagt. Dit geldt voor
alle groepen van personen die niet in het tweede en derde lid worden
genoemd. Uiteraard wordt het merendeel daarvan gevormd door de ongehuwden,
onder wie ingevolge het bepaalde in artikel
1 [1], tweede en derde lid, ook
vallen de duurzaam van elkander gescheiden levende echtgenoten.
Tweede lid
Dit lid maakt een
uitzondering op het eerste lid voor de gehuwde man in wiens pensioen het
aan diens echtgenote toekomende pensioen is verwerkt.
Derde lid
Uit het bepaalde in
artikel 1 [1], tweede en derde lid, volgt dat
echtgenoten die duurzaam
gescheiden van elkaar leven als ongehuwd worden beschouwd. Zonder nadere
voorziening zou elk der beide echtgenoten recht hebben op het
basispensioen. Teneinde te voorkomen dat daardoor van elkaar gescheiden
levende echtgenoten, die niet wettelijk van tafel en bed zijn gescheiden, in
een gunstiger positie komen dan het samenwonende echtpaar, wordt in het
derde lid ten aanzien van hen bepaald dat zij, zodra zij beiden 65 jaar
zijn - en dus zonder nadere voorziening beiden op het basispensioen
aanspraak zouden kunnen maken -, ieder slechts recht hebben op de helft
van het gehuwdenpensioen. Diegene der hier bedoelde echtgenoten die vóór
de andere de leeftijd van 65 jaar bereikt, ontvangt tot dat beiden 65 jaar
zijn het basispensioen. In de regel zal dit de man zijn, daar hij veelal
ouder is dan de vrouw. Leefden de echtgenoten niet duurzaam gescheiden, dan
zou de man terstond vanaf zijn 65ste jaar het gehuwdenpensioen ontvangen. Door
het gescheiden leven verkeert hij, wat zijn pensioenrechten betreft, over
de laatstbedoelde periode waarin wel hij, doch niet zijn vrouw de
65-jarige leeftijd heeft bereikt, derhalve toch reeds in een ongunstige
positie, ook al ontvangt hij het basispensioen. Er is geen aanleiding over
deze periode de pensioenrechten nog meer te verminderen door slechts op de
helft van het gehuwdenpensioen recht te verlenen.
Vierde lid
Het in het
wetsontwerp voorgestelde pensioen van de gehuwde man bedraagt minder dan het
dubbele van het pensioen van twee ongehuwden, wijl, zoals de ondergetekenden in het
algemeen deel dezer memorie hebben
uiteengezet,
naar hun oordeel de kosten van levensonderhoud voor een echtpaar geringer
zijn dan die voor twee alleenstaanden. Dat de kosten van levensonderhoud
voor een echtpaar geringer zijn dan die voor twee ongehuwden geldt uiteraard
ook ten aanzien van het echtpaar waarbij het huwelijk pas is rblz.|56
l.k.|
voltrokken nadat beide echtgenoten
de 65-jarige leeftijd hebben bereikt. Zoals reeds bij de toelichting op
artikel 7 [7], tweede lid, onderdeel b, werd aangegeven, menen de ondergetekenden
evenwel dat het sociaal ongewenst moet worden geacht indien in het
onderhavige geval, waarin beide echtelieden reeds in het genot waren van
pensioen, door het huwelijk de totale inkomsten van man en vrouw zouden
dalen.
Ook indien de echtgenoten, in
het onderhavige geval bedoeld, naderhand duurzaam gescheiden gaan leven,
zonder wettelijk van tafel en bed te scheiden, zullen zij hun verkregen
pensioenrechten behouden. Het derde lid van artikel 8
[9] vindt dan geen
toepassing.
Artikel
9 [12]
Dit artikel, waarin
de aanpassing van de koopkracht van het ouderdomspensioen aan de
wijzigingen in de algemene economische situatie geregeld wordt, bevat een
uitwerking van de in hoofdstuk 4 van het algemeen deel dezer memorie
omtrent deze aanpassing ontwikkelde gedachten.
Eerste lid
Het eerste lid houdt
het beginsel in van de binding van de hoogte der pensioenbedragen aan het
verloop van het indexcijfer der lonen.
Tweede lid
Het tweede lid houdt
in dat een herziening van de pensioenbedragen moet plaatshebben wanneer
zes maanden achtereen het indexcijfer der lonen een gemiddelde wijziging
van 3% of meer heeft ondergaan. Het is dus niet nodig dat in elk der zes
bedoelde maanden afzonderlijk de afwijking van 3% of meer bestaat.
De termijn van zes maanden is gekozen om enerzijds het ouderdomspensioen niet gedurende te lange tijd bij
de ontwikkeling van de lonen te laten achterlopen en anderzijds om het
aantal aanpassingen binnen redelijke perken te houden.
Derde lid
Het derde lid maakt
een herziening der bedragen mogelijk voor het geval dat een bijzondere
wijziging van het indexcijfer der lonen is opgetreden vóórdat zes
maanden verstreken zijn sinds de vorige herziening. Gedacht is hier dus aan
de eventualiteit van een schoksgewijze stijging van het gehele loonniveau.
Vierde lid
Indien herziening
moet plaatshebben, worden de pensioenbedragen met hetzelfde percentage
verhoogd of verlaagd als dat van de wijziging van het indexcijfer der lonen.
De aanpassing geschiedt volledig, dat wil zeggen aan het laatst bekende indexcijfer.
Vijfde lid
De ondergetekenden
zijn van oordeel dat aan het automatisme - zoals dit in het vierde lid
van dit artikel is neergelegd - in bepaalde omstandigheden een beperking
dient te worden opgelegd, namelijk indien de aanpassing ertoe zou leiden dat voor
de ouden van dagen een wijziging hunner reële netto-inkomsten optreedt
welke niet in dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene mate geldt voor de
groep der loontrekkenden. Onder reële netto-inkomsten wordt in dit verband
verstaan de koopkracht van het vrij besteedbare deel van het totale
inkomen.
Als een sprekend voorbeeld zou
kunnen worden genoemd het geval dat de premie te laag is gebleken om
daaruit de bestaande pensioenuitkeringen te bestrijden en om die reden
wordt verhoogd, terwijl de hoogte van het ouderdomspensioen gelijk blijft.
Indien nu een looncompensatie wordt gegeven voor de verhoging van de premie,
zal het indexcijfer der regelingslonen stijgen, zonder dat deze maatregel
enige reële betekenis voor de loontrekkenden heeft.
Derhalve dient dus het
ouderdomspensioen niet op het gestegen loonindexcijfer te reageren. Zou dit
wel geschieden, dan zou aan het principe van de wettelijke regeling, namelijk
het
aanpassen van het ouderdomspensioen aan fluctuaties in de algemene
welvaart, afbreuk worden gedaan. Het onderhavige lid opent de mogelijkheid
om in de hier bedoelde gevallen het automatisme te doorbreken.
Zoals reeds werd vermeld in hoofdstuk
7 van het algemeen deel dezer memorie kan het onderhavige lid
ook dienstig rblz.|56
r.k.|
zijn ter vermijding van
verhoging van de pensioenbedragen in geval van stijging van het indexcijfer
der lonen als gevolg van de bij de invoering van de voorgestelde voorziening
te verwachten looncompensatie.
Zesde lid
In het algemeen deel
van de toelichting hebben de ondergetekenden reeds uiteengezet dat en
waarom zij kiezen voor een stelsel inhoudende binding van het bodempensioen
aan de regelingslonen. Door de in het ontwerp gegeven omschrijving van het
begrip indexcijfer der lonen als het gewogen gemiddelde indexcijfer der
uurlonen van volwassen arbeiders, wordt aan deze gedachte zo goed mogelijk
uitdrukking gegeven. De ondergetekenden zijn zich intussen ervan bewust dat
het begrip nader precisering behoeft. Deze nadere precisering hangt nauw
samen met de beschikbare statistische gegevens.
Zevende lid
De in het vijfde
lid gegeven bevoegdheid om een herziening van de bedragen van het
ouderdomspensioen in bepaalde gevallen geheel of ten dele achterwege te
laten, alsmede de in het zesde lid gegeven bevoegdheid om het indexcijfer
der lonen nader aan te geven, kunnen van verstrekkende betekenis zijn. In
verband daarmede schrijft het onderhavige lid voor dat ter zake het advies
van de S.E.R. moet worden ingewonnen.
Artikel
10 [13]
In paragraaf
4.2 van het algemeen deel dezer memorie is reeds uiteengezet dat
de in artikel 8 [9]
genoemde pensioenbedragen maxima zijn en dat daarop,
wanneer aan bepaalde verzekeringsvoorwaarden niet is voldaan, kortingen
worden toegepast. Het stelsel der toe te passen kortingen vond te dier
plaatse eveneens toelichting.
Artikel 10 [13]
geeft nader aan in welke gevallen
een korting wordt toegepast.
Eerste lid
Dit lid behandelt de
korting welke plaatsvindt op de pensioenbedragen, bedoeld in het eerste en
in het derde lid van artikel 8 [9]. In de eerste plaats wordt een korting op het
pensioen toegepast voor elk jaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken
van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet
verzekerd is geweest. De omschrijving van het begrip verzekerde in artikel 6
[6] is zo ruim dat practisch de gehele hier te lande woonachtige, actieve
bevolking verzekerd is. Het bepaalde onder a heeft dan ook in hoofdzaak
betrekking op tijdvakken gedurende welke de belanghebbende in het
buitenland woonachtig is geweest, zonder dat hij tezelfdertijd hier te
lande in loondienst werkzaam was.
Uiteraard vindt geen korting plaats over tijdvakken gelegen vóór het bereiken van de 15-jarige en na het bereiken
van de 65-jarige leeftijd, waarover geen verzekeringsplicht bestaat.
Eveneens heeft geen verzekeringsplicht bestaan over tijdvakken gelegen
vóór de inwerkingtreding van artikel 6
[6]. Voor deze tijdvakken is in
artikel
43 e.v. [55 e.v.] een overgangsregeling opgenomen.
Vervolgens vindt een korting op het
pensioenbedrag plaats voor elke jaarpremie welke de pensioengerechtigde
schuldig nalatig is geweest te betalen. Het gaat hier over premiën in de
betaling waarvan men nalatig is geweest. Voor tijdvakken waarover een
verzekerde geen premie verschuldigd is geweest, vindt geen korting plaats,
aangezien er voor wat betreft die tijdvakken van nalatigheid geen sprake is.
In dit verband moge worden gewezen op de positie van degene die geen
inkomen geniet. De premie wordt vastgesteld in een percentage van het
inkomen. Geniet men geen inkomen, dan kan men ook geen premie verschuldigd
zijn. Op het pensioen van een verzekerde die over bepaalde tijdvakken geen
premie heeft betaald wijl hij geen inkomen genoot, vindt derhalve te dier
zake geen korting plaats.
Voorts moge worden gewezen op de personen te wier
aanzien op grond van artikel 31 [-] in verband met betalingsonmacht geheel of
gedeeltelijk van premie-invordering wordt afgezien. Voor deze wordt, zoals
in paragraaf 5.4 van het algemeen deel is uiteengezet, de premie
geheel of gedeeltelijk door het Rijk betaald. Ingevolge het bepaalde in
artikel 34 [-] ondergaat het pensioen van deze personen ter zake van het
feit rblz.|57
l.k.|
dat door hen geheel of
gedeeltelijk geen premie is betaald evenmin een korting. Hetzelfde geldt
ten aanzien van degenen die geheel of gedeeltelijk nalatig zijn gebleven
een verschuldigde premie te betalen, maar ten aanzien van wie de Sociale
Verzekeringsbank geen aantekening houdt, omdat naar haar oordeel niet van
een schuldig nalaten sprake is.
Bij het bepalen van de mate
waarin kortingen moeten worden toegepast, is - in overeenstemming met de
maximale verzekeringsduur - in beginsel uitgegaan van een
verzekeringsperiode van 50 jaar. In verband daarmede wordt voor elk jaar
dat iemand niet verzekerd is geweest of schuldig nalatig is gebleven in het
betalen van premie, een korting op het pensioen toegepast van 2%.
Tweede lid
Dit lid behandelt de
korting welke plaatsvindt op het in artikel
8 [9], tweede lid, genoemde
pensioen van de gehuwde man. Zoals reeds in paragraaf 4.2
van het
algemeen deel van deze memorie werd uiteengezet, bestaat het pensioen van de
gehuwde man uit twee delen, te weten één deel dat vóór en tijdens het
huwelijk is opgebouwd door hemzelf en één deel dat vóór en tijdens het
huwelijk is opgebouwd door zijn echtgenote. Het bedrag van het
gehuwdenpensioen staat tot dat van het ongehuwdenpensioen in een verhouding
van 100:60. Het gehuwdenpensioen bedraagt dus 10/6 van het basispensioen,
oftewel, afgerond op een veelvoud van ƒ6,-, ƒ1338,-. Het maximumaandeel
dat elk van de beide echtgenoten in het gehuwdenpensioen kan leveren,
bedraagt derhalve 5/6 deel van het basispensioen (afgerond ƒ669,-). Op
dit aandeel zou nu - geheel overeenkomstig de in de toelichting op het
eerste lid uiteengezette gang van zaken ten aanzien van degene die voor het
basispensioen in aanmerking komt - een korting moeten worden toegepast van
2% voor elk jaar waarover de betrokken echtgenoot niet verzekerd is
geweest of waarover schuldig is nagelaten premie te betalen. Het pensioen
van de gehuwde man zal dan bedragen de som van de aldus door elk der
echtgenoten afzonderlijk opgebouwde pensioenen.
Aangezien het maximale
gehuwdenpensioen het dubbele bedraagt van het maximale pensioenaandeel van
elk der echtgenoten afzonderlijk, zal de korting wegens het niet verzekerd
zijn of wegens schuldig nagelaten premiebetaling, toegepast op het maximale
gehuwdenpensioen, niet 2%, doch 1% dienen te bedragen voor elk jaar
waarover de man niet verzekerd is geweest of schuldig nalatig is gebleven
premie te betalen en voor elk jaar waarover de vrouw niet verzekerd is
geweest of schuldig nalatig is gebleven premie te betalen. Doordat tegenover de samenvoeging van de pensioenaandelen een halvering van het
kortingspercentage staat, blijft het effect van de korting in omvang
gelijk.
Wat betreft het verzekerd zijn
neemt de gehuwde vrouw in het systeem van het wetsontwerp een volkomen
zelfstandige positie in. Zou tijdens het huwelijk de man wel en de vrouw
niet verzekerd zijn - hetgeen zich bijvoorbeeld kan voordoen bij hier te lande
werkzame, doch buiten het Rijk wonende arbeiders -, dan komt dit
automatisch tot uitdrukking in het aandeel dat de gehuwde vrouw voor het
pensioen van haar man levert.
Het komt veelvuldig voor dat de
gehuwde man eerder de 65-jarige leeftijd bereikt dan zijn vrouw. Indien geen
nadere voorziening zou worden getroffen, zou in deze gevallen de vrouw
steeds één of meer negatieve jaren inbrengen, omdat zij nog niet tot haar
65ste jaar verzekerd is geweest. In verband daarmede wordt in het tweede
lid, onderdeel b, bepaald dat in de gevallen waarin de vrouw jonger is dan de
man de korting van 1% voor elk ontbrekend verzekeringsjaar, voor wat
betreft de verzekering van de vrouw slechts wordt toegepast voor elk jaar
dat zij na het bereiken van haar 15-jarige leeftijd, doch vóór het
bereiken van de 65-jarige leeftijd door haar man niet verzekerd is geweest.
Door deze bepaling wordt het
inbrengen van de bovenbedoelde negatieve jaren door de vrouw voorkomen,
zodat ook de man die met een jongere vrouw is gehuwd terstond rblz.|57
r.k.|
bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd het volle gehuwdenpensioen kan ontvangen. Er wordt
namelijk van tevoren aangenomen dat de vrouw gedurende de jaren welke
haar nog van de 65-jarige leeftijd scheiden op het moment waarop haar man
die leeftijd bereikt, verzekerd zal zijn. Het is evenwel duidelijk dat in
gevallen waarin redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de vrouw
gedurende bedoelde jaren niet verzekerd zal zijn, de onderhavige
tegemoetkomende regeling niet zal dienen te gelden. Daarom is in het tweede
lid, onderdeel b, de mogelijkheid geopend dat de Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid gevallen aanwijst waarin de onderhavige verzekeringsjaren
aan de vrouw niet van tevoren worden geschonken. Gedacht wordt hierbij bijvoorbeeld
aan vrouwen van geëmigreerden. De feitelijk doorgemaakte verzekeringsjaren
zullen ook ten aanzien van geëmigreerden en hun echtgenoten dienen te
worden gehonoreerd. Het zou echter te ver gaan hun pensioenen gunstig te
beïnvloeden door aan de vrouw verzekeringsjaren toe te kennen welke
nimmer vervuld zullen worden.
Derde lid
De vraag
rijst
wanneer gezegd kan worden dat de gehuwde vrouw in verzuim is om premie te
betalen. Zoals uit paragraaf 5.1 van het algemeen deel dezer memorie
blijkt, wordt voor de premiebetaling het inkomen van de vrouw tot dat van de
man gerekend. De gehuwde vrouw heeft dus zelfstandig geen inkomen waarover
premie verschuldigd is. Dientengevolge zou bij gehuwde vrouwen eigenlijk
nooit sprake kunnen zijn van een verzuim ten aanzien van de premiebetaling,
zelfs niet indien de man schuldig nalatig blijft premie te betalen over het
door zijn vrouw verworven inkomen. Deze situatie lijkt onjuist. Ervan
uitgaande dat van een echtpaar alleen de gehuwde man premie moet betalen,
ligt het voor de hand nalatigheid zijnerzijds tevens als nalatigheid van
zijn echtgenote aan te merken. In verband daarmede bepaalt artikel
10 [13], derde
lid. zowel voor de bepaling van het gehuwdenpensioen als voor de bepaling
van het basispensioen dat een gehuwde vrouw geacht wordt nalatig te zijn
met premie betalen indien haar man nalatig is premie te betalen. Dit geldt
evenwel slechts over de tijd van haar huwelijk gedurende welke zij nog niet
de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Deze beperking is aangebracht omdat
het onbillijk zou zijn nog kortingen toe te passen op het pensioen over
jaren waarin de gehuwde vrouw reeds de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.
Opmerking verdient nog dat het
woord "echtgenoot" in het derde lid is gebruikt in de beperkte
betekenis welke dit woord ingevolge het bepaalde in artikel
1 [1]. tweede lid,
heeft. Dit heeft tot gevolg dat over eventuele jaren waarin de man en de
vrouw duurzaam gescheiden hebben geleefd nalatigheid in de premiebetaling
van de man niet geacht wordt mede de vrouw te betreffen. In geval van
duurzaam gescheiden leven worden de echtgenoten immers ingevolge artikel
1 [1],
tweede en derde lid, als ongehuwd beschouwd, zodat in dat geval de vrouw
geheel zelfstandig premie betaalt.
Vierde lid
Zoals bij de
toelichting op het tweede lid reeds werd uiteengezet, bedraagt het maximumpensioenaandeel dat elk der echtgenoten voor het gehuwdenpensioen
levert
minder dan het basispensioen, namelijk 5/6 deel daarvan. Dit zou tot gevolg
hebben dat wanneer het pensioenaandeel van één der echtgenoten nihil of
nagenoeg nihil bedraagt, het gehuwdenpensioen lager is dan het basispensioen waarop de andere echtgenoot recht zou
hebben indien hij
ongehuwd zou zijn.
Een voorbeeld moge dit
toelichten. Een Nederlander die vanaf zijn 15de jaar steeds verzekerd is
geweest, trouwt op 64-jarige leeftijd met een Belgische vrouw van 64 jaar
die vóór haar huwelijk nimmer verzekerd is geweest. Het echtpaar gaat in
Nederland wonen. Bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd heeft de man 50
verzekeringsjaren, de vrouw echter slechts één verzekeringsjaar. Zij is van
haar 15de tot haar 64ste jaar, dus gedurende 49 jaren, niet verzekerd geweest,
zodat op het gehuwdenpensioen ingevolge artikel
10 [13], tweede lid, onderdeel b, een
korting van 49% zou moeten worden toegepast. Aannemende dat de
verschuldigde premie steeds is betaald, zou het gehuwdenpensioen dus 51%
van ƒ1338,- = rblz.|58
l.k.|
ƒ684,- bedragen (afgerond op een
veelvoud van ƒ6,-). Was de man evenwel ongehuwd gebleven, dan zou hij het
volle basispensioen van ƒ804,- hebben ontvangen. Overlijdt zijn vrouw, dan
zou zijn ouderdomspensioen alsnog tot laatstgenoemd bedrag worden verhoogd.
Teneinde de bovenaangegeven
ongewenste situatie te voorkomen, bepaalt het vierde lid dat in zodanig
geval het gehuwdenpensioen wordt vastgesteld op het hogere basispensioen.
Vijfde lid
Voor elke
verschuldigde onbetaald gebleven jaarpremie wordt een korting toegepast op
het maximumpensioenbedrag. Niet steeds zal echter de betaling van een
gehele jaarpremie achterwege zijn gebleven. Integendeel, meer veelvuldig
zal het voorkomen dat een deel van de jaarpremie onbetaald is gebleven. De
onbetaald gebleven gedeelten van jaarpremiën dienen dan tot jaarpremiën te
worden herleid. Hieromtrent moeten door de Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid, na ingewonnen advies van de Sociale
Verzekeringsbank,
nadere regelen worden gesteld.
Hetzelfde geldt omtrent de
herleiding van gedeelten van verzekeringsjaren tot gehele
verzekeringsjaren.
Artikel
11 [-]
Voor de toelichting
van dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van het algemeen
deel dezer memorie.
Artikel
12 [14]
Eerste lid
Uit het
eerste lid van dit artikel blijkt dat het ouderdomspensioen alsmede een
verhoging van pensioen in beginsel slechts op aanvraag wordt toegekend.
Verhoging van pensioen zal
kunnen worden aangevraagd door de gepensionneerde ongehuwde man die in het
huwelijk treedt met een vrouw beneden de leeftijd van 65 jaar. Eveneens kan
de gehuwde man die - al dan niet tevens wettelijk van tafel en bed
gescheiden zijnde - duurzaam van zijn vrouw gescheiden leeft, verhoging
van pensioen verkrijgen wanneer hij weer met zijn vrouw gaat samenleven.
Voorts is verhoging van pensioen
mogelijk voor de gehuwde man en de gehuwde vrouw die beiden de leeftijd van
65 jaar hebben bereikt en duurzaam gescheiden leven, zonder van tafel en bed
gescheiden te zijn, wanneer zij zich alsnog van tafel en bed laten scheiden.
Ten slotte kan verhoging van
pensioen verkrijgen degene die niet terstond bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd, doch pas naderhand gaat voldoen aan het in artikel 43
[55] gestelde vereiste omtrent het zes jaren woonachtig zijn in Nederland of de
Overzeese Rijksdelen. Op dit geval wordt bij de toelichting van het derde
lid teruggekomen.
Tweede lid
Dit lid
bepaalt dat
de aanvraag om ouderdomspensioen of verhoging van ouderdomspensioen bij de Sociale
Verzekeringsbank moet worden ingediend. Hierbij dient in aanmerking
te worden genomen dat de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid op
grond van het tweede lid van artikel 5
[5] kan bepalen dat de aanvraag bij de
Raad van Arbeid moet worden ingediend.
Derde lid
Geschiedt de
toekenning van een ouderdomspensioen of van een verhoging van een pensioen
in beginsel nadat een aanvraag is ontvangen, er kunnen zich nochtans
gevallen voordoen waarin het gewenst is dat de Sociale
Verzekeringsbank ambtshalve, zonder dat daartoe een aanvraag is ontvangen, tot toekenning van
ouderdomspensioen of van een verhoging van een pensioen overgaat. Het derde
lid opent daartoe de mogelijkheid.
Indien een gepensionneerde
gehuwde man overlijdt, terwijl zijn echtgenote de leeftijd van 65 jaar reeds
heeft bereikt, zal de Sociale Verzekeringsbank in staat zijn het aan de
weduwe toekomende pensioen ambtshalve toe te kennen. De hiervoor benodigde
gegevens heeft de Sociale Verzekeringsbank namelijk reeds moeten verzamelen
voordat indertijd tot toekenning van het aan de man toekomende
gehuwdenpensioen kon worden overgegaan. In hoeverre het overigens nog
mogelijk zal zijn tot ambtshalve eerste toekenning van ouderdomspensioen
over te gaan, valt thans nog niet te overzien.
rblz.|58
r.k.|
Zoals uit de
toelichting op
artikel 43 [55] blijkt, kan het voorkomen dat
iemand die aanvankelijk slechts
op een gering pensioen aanspraak kon maken, naderhand gaat voldoen aan het
in dat artikel gestelde vereiste omtrent het zes jaren woonachtig zijn in
Nederland of de Overzeese Rijksdelen, waardoor de gunstige overgangsregeling
van artikel 43 [55]
op hem van toepassing wordt. Aangezien reeds bij de eerste
toekenning van ouderdomspensioen uit de bij de aanvraag verstrekte of uit
het bevolkingsregister verkregen gegevens het tijdstip kan worden
vastgesteld waarop voor de betrokkene de zes jaren ingezetenschap vervuld
zullen zijn, zal de Sociale Verzekeringsbank in haar administratie van dit
tijdstip aantekening kunnen houden en tot ambtshalve toekenning van de uit
artikel 43 [55] voortvloeiende verhoging van het ouderdomspensioen kunnen
overgaan zodra bedoeld tijdstip is aangebroken.
Opgemerkt wordt nog dat een
beslissing inzake toekenning of weigering van ouderdomspensioen de
belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel
40 [52], eerste lid, onderdeel a,
en tweede lid, in voor beroep vatbare vorm wordt toegezonden.
Artikel
13 [16]
Eerste lid
In
beginsel voldoet men aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen
bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, welk beginsel is neergelegd in
het eerste lid van artikel 7 [7]. Om administratieve redenen is de datum van
ingang van het pensioen bepaald op de eerste dag der maand waarin de
65-jarige leeftijd wordt bereikt.
In sommige gevallen ontstaat het
recht op ouderdomspensioen eerst na het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
Dit geval doet zich voor ten aanzien van een gehuwde vrouw wier recht op
pensioen als regel eerst kan ontstaan wanneer zij niet meer gehuwd is of
wanneer zij van haar man duurzaam gescheiden gaat leven.
Tweede lid
Ingevolge het bepaalde in
artikel 15 [18], eerste lid, wordt na het overlijden
van een gehuwde man het aan hem toegekende ouderdomspensioen nog aan zijn
echtgenote uitbetaald tot en met de laatste dag van de vijfde maand na zijn
overlijden. Het ligt voor de hand dat in dit geval het eigen pensioen van
de weduwe niet eerder kan ingaan dan na de beëindiging van de uitbetaling
van het gehuwdenpensioen.
Derde lid
Aan de toekenning van
pensioenen met terugwerkende kracht dient een grens te worden gesteld.
Daartoe is in het derde lid bepaald dat een ouderdomspensioen niet vroeger
kan ingaan dan één jaar vóór de indiening der aanvraag of vóór de
ambtshalve toekenning. Er zouden zich nochtans zeer bijzondere gevallen
kunnen voordoen dat het niet doen ingaan van een pensioen op een vroeger
tijdstip een bijzondere hardheid zou betekenen. Voor deze bijzondere
gevallen is een uitzonderingsmogelijkheid opengelaten.
Artikel
14 [17]
Eerste lid
Dit artikel handelt over intrekking en herziening van een
ouderdomspensioen.
Het ouderdomspensioen moet kunnen worden
ingetrokken
wanneer een gepensionneerde daarvoor niet meer in aanmerking komt. Dit geval
doet zich voor wanneer een gepensionneerde vrouw in het huwelijk treedt met
een man die de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt. Eveneens dient
intrekking plaats te vinden van het pensioen toegekend aan een gehuwde vrouw die, zonder van tafel en bed gescheiden te zijn, duurzaam van haar
echtgenoot gescheiden leeft, wanneer zij weer met haar echtgenoot gaat
samenleven. Voorts dient intrekking te geschieden van het pensioen
toegekend aan een gehuwde vrouw die van tafel en bed gescheiden is, wanneer
zij zich weer met haar echtgenoot verzoent.
Indien degene die op grond van
de overgangsbepaling van artikel 46 [58]
in het genot van pensioen is naar het
buitenland verhuist, vervalt zijn recht op pensioen, zodat intrekking dient
plaats te vinden. Is een gehuwde vrouw op grond van artikel
46 [58], tweede lid, onderdeel a, in het genot van pensioen, dan dient intrekking plaats te
vinden
zodra haar man recht op ouderdomspensioen kan doen gelden.
rblz.|59
l.k.|
Herziening van een pensioen
vindt plaats wanneer een gepensionneerde voor een hoger of lager pensioen
in aanmerking komt.
Gevallen waarin verhoging van
een toegekend pensioen dient plaats te vinden, zijn reeds genoemd in de
toelichting op artikel 12 [14].
Een toegekend pensioen zal in de
regel moeten worden omgezet in een lager pensioen wanneer een gehuwde man
weduwnaar wordt. Eveneens zal verlaging van het aan een gehuwde man
toegekende pensioen plaatsvinden indien hij duurzaam van zijn vrouw
gescheiden gaat leven of wanneer echtscheiding of scheiding van tafel en bed
plaatsvindt.
Verhuizing naar het buitenland
zal, zoals uit de toelichting op artikel 44 [56]
blijkt, verlaging van pensioen
tot gevolg hebben voor degene wiens pensioen met inachtneming van de
overgangsbepaling van artikel 43 [55]
werd vastgesteld.
Tweede lid
Dit lid
bepaalt dat
de herziening van het ouderdomspensioen welke een verhoging van dit
pensioen tot gevolg heeft door wijziging der omstandigheden, ingaat op de
eerste dag der maand waarin de wijziging der omstandigheden welke tot de
herziening van het ouderdomspensioen heeft geleid, heeft plaatsgevonden. De
grens welke artikel 13 [16],
derde lid, stelt aan het toekennen van pensioenen met
terugwerkende kracht is eveneens nodig met betrekking tot het als gevolg
van een wijziging der omstandigheden verhogen van pensioenen met
terugwerkende kracht. Zodanige verhoging zal derhalve niet vroeger kunnen
ingaan dan één jaar vóór de indiening der aanvraag tot verhoging of voor de
ambtshalve toekenning van de verhoging. Ook hier is de
uitzonderingsmogelijkheid welke voor bijzondere gevallen gewenst kan zijn
aanwezig.
Alle in de toelichting op
artikel 12 [14] reeds genoemde gevallen waarin verhoging van een toegekend
pensioen dient plaats te vinden, hebben betrekking op een wijziging der
omstandigheden. Het zal zich evenwel ook kunnen voordoen dat verhoging
van een toegekend pensioen dient plaats te vinden zonder dat er van een
wijziging der omstandigheden sprake is, bijvoorbeeld wanneer de gegevens ontleend
aan het bevolkingsregister aanvankelijk onjuist zijn toegepast. De datum
van ingang van de uit het herstellen van een zodanige administratieve fout
voortvloeiende - op het eerste lid van dit artikel te baseren - verhoging van een pensioen is in het tweede lid niet geregeld. De fout zal
derhalve met ongelimiteerd terugwerkende kracht kunnen worden hersteld.
Opgemerkt wordt nog dat een uit het herstellen van een dergelijke
administratieve fout voortvloeiende verlaging van een pensioen niet met
terugwerkende kracht zal kunnen ingaan. De redactie van het hierna te
bespreken derde lid omvat namelijk mede de verlaging van een pensioen welke
niet voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden.
Derde lid
In het algemeen gaat
een intrekking van het ouderdomspensioen of een herziening daarvan welke
een verlaging van het pensioen tot gevolg heeft in op de eerste dag van de
maand volgende op die waarop daarvan aan de betrokkene mededeling is
gedaan. De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid kan evenwel
gevallen aanwijzen waarin de intrekking of verlaging op een vroeger tijdstip
kan ingaan. Tot het openen van de mogelijkheid tot intrekking of verlaging
van een toegekend pensioen met terugwerkende kracht zal bijvoorbeeld aanleiding
bestaan voor de gevallen waarin de intrekking of verlaging het gevolg is
van het verstrekken van onjuiste inlichtingen of van een onjuiste opgave
door de betrokkene, alsmede van het niet nakomen van de verplichting aan de
Sociale Verzekeringsbank binnen veertien dagen schriftelijk mededeling te doen
van elke verandering van feiten en omstandigheden welke tot intrekking of
vermindering van het pensioen aanleiding kan geven.
Verwezen wordt nog naar de opmerking gemaakt bij de toelichting op het tweede lid, inhoudende dat de
redactie van het derde lid mede omvat de verlaging van een pensioen welke
niet voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden.
Vierde lid
Deze bepaling strekt
ertoe de weduwnaar na het overlijden van de andere echtgenoot nog een korte rblz.|59
r.k.|
tijd in het genot van het
gehuwdenpensioen te laten, teneinde hem gelegenheid te geven zich aan de
gewijzigde omstandigheden aan te passen. De uit het overlijden van de vrouw
voortvloeiende herziening van het gehuwdenpensioen vindt niet eerder plaats
dan met ingang van de eerste dag der zesde maand volgende op die waarin
het overlijden plaatsvond. Dit uitstel van de herziening van het
gehuwdenpensioen laat onverlet de mogelijkheid tot herziening van het
pensioen in verband met wijzigingen in de loonindex.
Vijfde lid
De herziening van
het ouderdomspensioen welke verband houdt met een als gevolg van
wijzigingen in het indexcijfer der lonen plaatsgevonden hebbende
herziening der in artikel 8 [9]
genoemde pensioenbedragen gaat in op de dag
met ingang waarvan op grond van artikel 9
[12] de pensioenbedragen, genoemd in
artikel 8 [9], door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn
herzien.
De beslissing inzake intrekking
of herziening van het ouderdomspensioen wordt de belanghebbende op grond
van artikel 40 [52], eerste lid, onderdeel
a, en tweede lid, in voor beroep vatbare
vorm toegezonden. Dit geldt ingevolge artikel
40 [52], derde lid, niet indien de
herziening van het ouderdomspensioen het gevolg is van wijzigingen in de
loonindex. In dat geval wordt slechts op verzoek van de belanghebbende een
voor beroep vatbare beslissing verstrekt. Beroep zal namelijk bij zodanige
herziening vrijwel nimmer worden ingesteld, daar hier niet de grondslagen
van het individuele pensioenrecht - welke bij de eerste toekenning van
het pensioen reeds appellabel waren - in het geding zijn. Uiteraard
behoudt de Sociale
Verzekeringsbank de bevoegdheid eigener beweging de
gepensionneerden van de hier bedoelde wijziging van de pensioenbedragen bij
schriftelijke mededeling - anders dan in voor beroep vatbare vorm - kennis te geven.
Artikel
15 [18]
Eerste lid
Evenals
dit bij de Noodwet Ouderdomsvoorziening het geval is, wordt het wenselijk
geacht dat na het overlijden van een gehuwde man het volle bedrag van het
pensioen van de overledene nog gedurende enige maanden aan de weduwe
toekomt, zulks om een geleidelijke aanpassing aan de veranderde
omstandigheden voor haar gemakkelijker te maken.
Voor de weinig talrijke gevallen waarin aan de gehuwde vrouw een zelfstandig recht op pensioen is
toegekend (artikel 7 [7],
tweede lid, en artikel
46 [58], tweede lid), voorziet dit lid in de
uitbetaling van dit pensioen, gedurende enige maanden na het overlijden van
de gepensionneerde gehuwde vrouw, aan de weduwnaar. Ook hier is het motief
de aanpassing aan de veranderde omstandigheden voor de weduwnaar te
vergemakkelijken.
Indien na het overlijden van de
gepensionneerde de ouderdomspensioenen in verband met het bepaalde in
artikel 9 [12] worden aangepast aan een wijziging in de loonindex, zal deze
aanpassing ook dienen plaats te vinden ten aanzien van het aan de
langstlevende der echtgenoten ingevolge dit lid uit te betalen pensioen.
Tweede lid
Het ten tijde van
het overlijden van andere personen dan die, bedoeld in de aanhef van het
eerste lid van artikel 15 [18], nog verschuldigde pensioen wordt uitbetaald aan
degene die daarvoor naar het oordeel van de Sociale
Verzekeringsbank op
billijkheidsgronden in aanmerking komt, bijvoorbeeld degene die voor de begrafenis
heeft gezorgd of de naaste familieleden van de overledene. Het verzoek
daartoe moet binnen zes maanden na het overlijden worden ingediend.
Tot
genoemde andere personen dan die, bedoeld in de aanhef van het eerste lid,
behoren in de eerste plaats de ongehuwden, doch, ingevolge artikel
1 [1],
tweede en derde lid, eveneens duurzaam gescheiden levende echtgenoten.
Artikel
16 [19]
Eerste lid
Het
ouderdomspensioen dient als regel maandelijks te worden uitbetaald. De
redactie van het eerste lid is evenwel zodanig gesteld dat afwijking van
deze rblz.|60
l.k.|
regel mogelijk is. Afwijking kan namelijk in bepaalde gevallen gewenst zijn, teneinde gelijktijdige uitbetaling
van het ouderdomspensioen en van uit anderen hoofde genoten pensioen niet
te belemmeren. Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds bijvoorbeeld stelt het pensioen
per drie maanden betaalbaar. In daartoe geëigende gevallen zal het mogelijk
zijn ook de ingevolge de voorgestelde voorziening uit te betalen
ouderdomspensioenen over een kortere of langere periode dan één maand
betaalbaar te stellen.
Tweede lid
Dit lid opent de
mogelijkheid dat het pensioen van een gehuwde man, ook zonder diens
bewilliging, voor de helft betaalbaar wordt gesteld aan diens vrouw.
Vierde lid
Vele arbeiders
zullen, naast het bodempensioen ingevolge deze wet, ook nog in het genot
zijn van een pensioen uit anderen hoofde. Teneinde het mogelijk te maken
dat deze pensioenen in één bedrag aan de gepensionneerde betaalbaar
kunnen worden gesteld, is aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
de bevoegdheid gegeven regelen te stellen inzake
betaalbaarstelling van het ouderdomspensioen ingevolge deze wet door
organen welke belast zijn met de uitbetaling van ouderdomspensioen uit
anderen hoofde. Het artikel is zeer ruim gesteld en kan derhalve zowel ten
aanzien van de organen belast met de uitbetaling van bedrijfs- en
ondernemingspensioenen als ten aanzien van organen welke ambtelijke
pensioenen uitbetalen toepassing vinden.
Vijfde lid
Betaalbaarstelling
in één bedrag van verschillende pensioenen waarop de gepensionneerde
aanspraak kan maken, kan ook worden bereikt door de bijzondere pensioenen
tezamen met het bodempensioen door de Sociale
Verzekeringsbank te doen
betaalbaar stellen. In het vijfde lid is aan de Sociale Verzekeringsbank de
bevoegdheid verleend aan een daartoe strekkend verzoek van de organen
belast met de uitbetaling van de bijzondere pensioenen gevolg te geven.
Artikel
17 [20]
Artikel 17
[20] is
ontleend aan artikel 15 der Noodwet Ouderdomsvoorziening en strekt ertoe
de mogelijkheid te openen om, wanneer een gepensionneerde of diens
echtgenote geheel of ten dele voor rekening van een openbaar lichaam of van
een door het openbaar gezag erkende instelling van weldadigheid in een
gesticht of op andere wijze wordt verzorgd of verpleegd, het
ouderdomspensioen, in plaats van aan de belanghebbende, geheel of
gedeeltelijk te doen uitbetalen aan het lichaam of de instelling voor wiens
of voor wier rekening de verzorging of verpleging geschiedt. Aan het
desbetreffende orgaan mag in geen geval meer worden uitgekeerd dan de te
zijnen laste komende kosten van verzorging of verpleging bedragen. Indien de
gepensionneerde gehuwd is, mag aan het orgaan slechts een derde gedeelte van het
pensioen worden betaald. Van dit pensioen blijft dan dus twee derde deel behouden
voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot. Dit geldt niet indien
ook de andere echtgenoot de verzorging geniet. Ontvangen beide echtgenoten
een pensioen doordat zij ten tijde van de huwelijkssluiting beiden reeds de
leeftijd van 65 jaar hadden bereikt, dan eist de consequentie dat van het
pensioen van elk der echtgenoten een derde deel aan het orgaan mag worden
uitbetaald. Van het door beide echtgenoten gezamenlijk genoten bedrag aan
pensioen blijft dan namelijk eveneens twee derde deel behouden voor het levensonderhoud
van de andere echtgenoot. Ook hier geldt de beperking tot twee derde deel
niet
indien beide echtgenoten de verzorging genieten.
Aan het onderhavige artikel ligt
de gedachte ten grondslag dat, wijl het ouderdomspensioen strekt tot
voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud, het redelijk is dat
wanneer men dat onderhoud geheel of gedeeltelijk ontvangt op kosten van een
openbaar lichaam of een instelling van weldadigheid, het pensioen aan dat
lichaam of die instelling ten goede komt. Dit geschiedt evenwel niet van
rechtswege; het belanghebbend orgaan moet daartoe een verzoek indienen bij
de Sociale Verzekeringsbank. Ingevolge het bepaalde in artikel
40 [52], eerste
lid, onderdeel a, en tweede lid, dient de Sociale Verzekeringsbank van een
ter zake genomen beslissing zowel aan het belanghebbende rblz.|60
r.k.|
orgaan als aan de
gepensionneerde schriftelijk kennis te geven, met vermelding van de
beroepsmogelijkheden.
Artikel
18 [-]
Deze bepaling
spreekt voor zichzelf. Wanneer een gepensionneerde bezwaar heeft tegen
toepassing van dit artikel, kan hij zich tot de raad van beroep (S.V.) [raden
van beroep voor de sociale verzekering, red.]
wenden.
Artikel
19 [-]
Dit artikel houdt
een beperkte afwijking in van artikel 15
[18].
Voor zover het ouderdomspensioen
niet aan de gepensionneerde, doch aan een in artikel 17
[20] bedoeld orgaan of
aan een in artikel 18 [-] bedoelde persoon of instelling werd uitbetaald,
geschiedt dit na het overlijden van de gepensionneerde nog tot en met de
laatste dag der maand waarin het overlijden plaatsvond.
Voor het overige blijft artikel
15 [18] van kracht. Wordt bijvoorbeeld het aan een gehuwde man toegekende pensioen
ingevolge artikel 17 [20]
voor een derde deel uitbetaald aan een in dat artikel bedoeld
orgaan, dan zal dit orgaan ook nog over de maand waarin de betreffende
gehuwde man overlijdt een derde deel van het ouderdomspensioen ontvangen. Over
deze maand zal de weduwe van de gepensionneerde twee derde deel van het pensioen
ontvangen. Vervolgens ontvangt zij nog vijf maanden het volle aan de
overledene toegekende pensioen.
Artikel
20 [8b]
Aan dit artikel ligt
de gedachte ten grondslag dat degene die een vrijheidsstraf ondergaat en
dientengevolge van staatswege zijn noodzakelijk levensonderhoud ontvangt, in
het algemeen geen behoefte heeft aan ouderdomspensioen. De Sociale
Verzekeringsbank is bevoegd over het ouderdomspensioen te beschikken ten
behoeve van de echtgenote of de kinderen van de gepensionneerde of ten
behoeve van andere personen wier kostwinner hij is. Voor zover van deze
bevoegdheid geen gebruik is gemaakt, kan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
de gepensionneerde bij ontslag uit de gevangenis of werkinrichting alsnog in het genot stellen van ouderdomspensioen tot een
bedrag dat het pensioen over één jaar niet te boven gaat of het pensioen
tot dat bedrag te zijnen behoeve doen aanwenden.
Artikel
21 [23]
Dit artikel vereist
geen nadere toelichting.
Artikel
22 [24]
In beginsel zijn de
eenmaal uitbetaalde termijnen van het ouderdomspensioen niet vatbaar voor
terugvordering.
In de gevallen evenwel waarin
krachtens het derde lid van artikel 14
[17] de mogelijkheid tot intrekking of
herziening van pensioenen met terugwerkende kracht zal worden geopend, kan
reeds uitbetaald pensioen ingevolge artikel 22
[24] worden teruggevorderd. In de
toelichting op het derde lid van artikel 14
[17] zijn aan de gepensionneerde te
verwijten gevallen genoemd waarin tot het openen van bedoelde mogelijkheid
aanleiding zal bestaan.
Voorts kan ingevolge artikel 22
[24] tot terugvordering worden overgegaan indien te veel pensioen is
uitbetaald
nadat tengevolge van wijziging in de loonindex de pensioenbedragen zijn
verlaagd. Het is denkbaar dat alle wijzigingen in de pensioenbedragen niet
vóór de eerstvolgende betaalbaarstelling zouden kunnen worden verwerkt.
Het komt de ondergetekenden beter voor in dat geval verrekening van het te
veel uitgekeerde met het later toekomende pensioen mogelijk te maken dan
de uitbetaling van de pensioenen op te schorten.
Artikel
23 [26]
Het
ouderdomspensioen strekt ter voorziening in het noodzakelijk
levensonderhoud. Teneinde dit zoveel mogelijk aan dat doel te doen
beantwoorden, komen in dit artikel enige bepalingen voor welke een waarborg
geven dat het toegekende pensioen ook werkelijk aan de belanghebbenden ten
goede zal komen, althans dat dit hun niet kan worden ontnomen. Zo is het
pensioen onvervreemdbaar en het kan niet dienen als voorwerp van verpanding
of belening. Ook kan daarop geen enkel gerechtelijk beslag worden gelegd,
behoudens voor zover dit dient tot verhaal van onderhoud waartoe de
pensioengerechtigde volgens de wet is gehouden.
rblz.|61
l.k.|
Artikel
24 [27]
De Staat, welke in
het algemeen belang de gehele bevolking bij de wet tot verzekering
verplicht, dient ervoor garant te zijn dat de wettelijk vastgestelde
uitkeringen ook werkelijk worden genoten. Vandaar dat in het onderhavige
artikel wordt uitgesproken dat het Rijk zonder enig voorbehoud de betaling
door de Sociale Verzekeringsbank van het
ouderdomspensioen waarop
ingevolge deze wet aanspraak bestaat, waarborgt.
Artikelen 25
[-]
en
26
[-]
In hoofdstuk
5 van het algemeen deel van deze memorie is reeds uiteengezet dat de
middelen tot dekking van de uitgaven welke de voorgestelde voorziening met
zich meebrengt, zullen worden gevonden door het heffen van premiën van de
verzekerden. Deze uitgaven betreffen in de eerste plaats de pensioenen zelf.
Daarnaast denke men echter aan de aan het vaststellen en betaalbaar stellen
van de pensioenen verbonden kosten, alsmede aan de kosten welke de heffing
en de invordering van de premiën meebrengen.
Voorts is in hoofdstuk 6 van
het algemeen deel van deze memorie reeds uiteengezet dat de voorgestelde
voorziening zal worden gefinancierd door middel van het omslagstelsel. In hoofdstuk
7 hebben de ondergetekenden reeds de redenen aangegeven waarom
het echter toch wel gewenst is een zekere reserve te vormen. Zij willen op
deze plaats volstaan met een verwijzing naar de bedoelde passage.
Gezien de functie van deze
reserve (schommelfonds) zullen uiteraard ook de middelen om deze te vormen
en in stand te houden door heffing van premiën van de verzekerden dienen te
worden gevonden.
Zoals ten slotte in hoofdstuk 9 van het algemeen deel dezer memorie werd uiteengezet, zal de
Sociale
Verzekeringsbank met het beheer van het Ouderdomsfonds dienen te worden
belast. In overeenstemming met hetgeen ter zake in andere socialeverzekeringswetten is bepaald, zullen door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, regelen worden gesteld
omtrent de belegging van de gelden van dit fonds.
Artikel
27 [-]
De algemene
strekking van dit artikel is reeds toegelicht in hoofdstuk 5
van het
algemeen deel van deze memorie.
Tweede lid
In hoofdstuk
5 is er
reeds op gewezen dat het in de rede ligt voor de bepaling van het
premieplichtig inkomen aansluiting te zoeken bij het inkomen waarover
daadwerkelijk inkomsten- of loonbelasting wordt geheven. De omschrijving van
het begrip inkomen in het onderhavige lid sluit dan ook nauw aan bij het
inkomen waarover inkomstenbelasting wordt geheven. Ten aanzien van de
ingevolge de voorgestelde voorziening verschuldigde premiën, de ingevolge
die voorziening uit te keren pensioenen en de kinderbijslag
wordt echter in
het ontwerp van het belastbaar inkomen afgeweken. In hoofdstuk
5 zijn de
redenen hiervoor reeds uitvoerig vermeld, weshalve de ondergetekenden op
deze plaats volstaan met een verwijzing naar de desbetreffende passages.
Voor wat de kinderbijslag betreft, wordt ook nog verwezen naar de
toelichting op het vijfde lid van het onderhavige artikel.
Derde lid
Zoals eveneens reeds
in hoofdstuk 5 ter sprake kwam, is het gewenst dat bij de
ouderdomsverzekering voor de premieheffing het inkomen en de aftrekposten
(buitengewone lasten en giften) van de gehuwde vrouw tot die van haar man
worden gerekend, omdat zulks ook bij het Besluit op de Inkomstenbelasting
1941 het geval is ingevolge de artikelen 2, eerste lid, tweede zin, en tweede
lid, 51, vijfde lid, en 51a, vijfde lid. Het gevolg hiervan
is dat de
gehuwde vrouw, alhoewel in beginsel premieplichtig, in feite geen premie
behoeft te betalen, omdat zij voor de ouderdomsverzekering niet geacht wordt
een eigen inkomen te hebben. De gehuwde man betaalt nu premie over het
gemeenschappelijk inkomen van beide echtelieden. Dit alles is geheel in
overeenstemming met de gang van zaken bij de inkomstenbelasting, waarbij ook
alleen de gehuwde man in feite belastingplichtig is.
rblz.|61
r.k.|
Het is echter niet gewenst deze
gedragslijn ook aan te houden in de gevallen waarin de man, alhoewel nog
geen 65 jaar zijnde, niet verzekerd is. Dit zou immers meebrengen dat in
deze gevallen een wel verzekerde gehuwde vrouw wier man niet verzekerd is
en evenmin 65 jaar of ouder, wel een pensioen opbouwt zonder dat zij premie
behoeft te betalen. Dit is noch uit een verzekeringsoogpunt, noch uit een
oogpunt van economische concurrentie gewenst. In verband daarmede dienen
vorenbedoelde bepalingen van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 ten
aanzien van de hier bedoelde gevallen buiten toepassing te blijven. In deze
gevallen worden dus het inkomen en de aftrekposten van de gehuwde vrouw
niet tot die van haar man gerekend. Hierdoor worden de desbetreffende
gehuwde vrouwen dus ook zelf in feite premieplichtig.
Ten slotte is het gewenst, in
aansluiting aan artikel 43 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941,
het anders dan uit dienstbetrekking verworven inkomen van de kinderen
waarvoor kinderaftrek voor de inkomstenbelasting wordt genoten, bij dat van
de ouders te voegen.
Vierde lid
In artikel
30 [-],
tweede lid, van het ontwerp wordt voorgesteld ten aanzien van
degenen bij
wie belasting wordt geheven bij wijze van inhouding, ook de premiën aldus
te heffen. Het ligt voor de hand in deze gevallen voor de bepaling van het
premieplichtig inkomen aansluiting te zoeken aan het loon respectievelijk de
inkomsten waarover belasting wordt ingehouden. Daarbij dient rekening te
worden gehouden met een vaste aftrek van ƒ100,- voor
verwervingskosten en persoonlijke verplichtingen, waarmede ook voor de
loonbelasting rekening wordt gehouden.
Evenals bij de bepaling van het
premieplichtig inkomen in de gevallen waarin de premiën bij wijze van
aanslag worden geheven (tweede lid), zal ook bij de bepaling van het
premieplichtig inkomen in de gevallen waarin de premie bij wijze van
inhouding wordt geheven, van het belastbare loon respectievelijk de belastbare
inkomsten moeten worden afgeweken ten aanzien van de ingevolge de
voorgestelde voorziening verschuldigde premiën, de ingevolge die
voorziening uit te keren pensioenen en de kinderbijslag. De materie van de
kinderbijslag wordt echter niet in het onderhavige, maar in het vijfde lid
geregeld. Voor nadere toelichting hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk
5 van het algemeen deel van deze memorie en naar de toelichting op het vijfde
lid.
Vijfde lid
Zoals in
paragraaf 5.3 van het algemeen deel dezer memorie reeds werd uiteengezet, is
het wenselijk te bepalen dat verzekerden met kinderen die loon of
daarmede overeenkomende inkomsten genieten steeds geacht worden
overeenkomstig de bepalingen van de Kinderbijslagwet kinderbijslag
te hebben
genoten. Niet alleen brengt dit met zich mede dat gelijkheid in behandeling
ontstaat, ongeacht volgens welke kinderbijslagregeling men kinderbijslag
geniet, maar bovenal is deze regeling noodzakelijk om het mogelijk te maken
dat ook de gewone tabel voor de loonbelasting - zie ook de toelichting op
artikel 29 [-] - zodanig met de premietabel wordt gecombineerd dat in
beginsel uit het loon respectievelijk de inkomsten waarop de tabel moet worden
toegepast rechtstreeks de premie en de loonbelasting kunnen worden
afgelezen.
De ondergetekenden willen er nog
op wijzen dat ingevolge de voorgestelde redactie van dit lid ook personen
met kinderen van wie de premiën slechts gedeeltelijk bij wijze van
inhouding worden geheven, over de periode waarin de inhouding plaatsvindt
steeds geacht worden kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet te
genieten. Dit brengt mede dat bij het bepalen ingevolge het tweede lid van
het premieplichtig inkomen voor de heffing bij wege van aanslag, een bedrag
gelijk aan de wettelijke kinderbijslag op het inkomen in mindering moet
worden gebracht. De bij de premieheffing bij wijze van inhouding eenmaal
verleende aftrek op het inkomen wegens aanspraak op kinderbijslag blijft dus
gehandhaafd indien naderhand eventueel aanvullende premieheffing bij wege
van aanslag plaatsvindt.
rblz.|62
l.k.|
Zesde lid
De inkomenslimiet van
ƒ6000,- voor de premieheffing vond ook reeds bespreking in hoofdstuk
5 van
het algemeen deel dezer memorie. In enkele gevallen achten de
ondergetekenden evenwel een verlaging van de grens van ƒ6000,- een eis van
billijkheid. Wanneer bijvoorbeeld van een echtpaar de man op 1 Juli overlijdt, zou
zonder bijzondere voorziening op dit punt de man over het eerste halfjaar
het maximale premiebedrag verschuldigd kunnen zijn en de weduwe daarenboven
nog eens over het tweede halfjaar, terwijl zonder overlijden van de man het
maximale premiebedrag slechts eenmaal verschuldigd zou zijn. Daarom is voor
deze en dergelijke gevallen een bijzondere regeling opgenomen die dit
ongewenste gevolg wegneemt.
Zevende lid
In de
gevallen
waarin de premiën worden geheven bij wijze van inhouding geschiedt deze
inhouding meestal niet per jaar, maar per week of per maand. Hierdoor kan
het voorkomen dat aanvankelijk relatief te veel premiën worden ingehouden.
Het lijkt gewenst dat bij de
ministeriële beschikking welke ingevolge het zevende lid van dit artikel
zal kunnen worden genomen ook regelen worden getroffen om in gevallen
waarin het inkomen groter is dan ƒ6000,- te grote inhoudingen te voorkomen.
Artikel
28 [-]
Eerste lid
Het
premiepercentage zal door de Sociale
Verzekeringsbank worden vastgesteld.
Waar de algemene ouderdomsverzekering voor de gehele bevolking een
aangelegenheid betreft van algemeen belang waarvoor de Regering
verantwoordelijk is, is het noodzakelijk de vaststelling van de hoogte van
het premiepercentage aan de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
te onderwerpen. Alvorens zijn goedkeuring te verlenen, zal
de Minister evenwel de Sociale Verzekeringsraad dienen te horen.
Tweede lid
De voorgeschreven
vijfjaarlijkse herziening van het premiepercentage houdt verband met de
wijze van financiering der ouderdomsverzekering, namelijk door middel van het
omslagstelsel. Zie hiervoor de hoofdstukken 6 en 7
van het algemeen deel
dezer memorie.
De redactie is - door
invoeging van de woorden "als regel"
- zo gesteld dat de
herziening van het percentage ook kan geschieden vóórdat sinds de laatste
vaststelling vijf jaren zijn verstreken, voor het geval bijzondere
omstandigheden zulks wenselijk zouden maken.
Artikel
29 [-]
Eerste lid
Het
onderhavige artikel is er voornamelijk op gericht de techniek van de premie-inhouding
door de werkgevers op grond van artikel
30 [-], tweede lid,
zoveel mogelijk te doen aansluiten bij de techniek van de inhouding van de
loonbelasting. Uniformiteit in de tariefklassen is een eerste vereiste
wanneer men de premietabellen wil kunnen combineren met de
belastingtabellen.
Tweede lid
Voor de
loonbelasting is een aftrek van ƒ100,- wegens kosten van verwerving
en persoonlijke verplichtingen in het belastingbedrag verwerkt. Dit bedrag
is ingevolge het bepaalde in artikel 27
[-], vierde lid, onderdeel a, geen inkomen
in de zin van deze wet. Het is echter in aansluiting aan het vorenstaande
gewenst ook voor de premieheffing deze aftrek niet in het inkomen, maar in
het premiebedrag te verwerken. Bij de vaststelling van het inkomen heeft de
werkgever dan alleen te maken met het bedrag dat de inspecteur der
belastingen voor aftrek wegens hogere kosten van verwerving en persoonlijke
verplichtingen heeft toegestaan.
Zoals bekend, worden bij de
loonbelasting twee verschillende tabellen gebruikt, te weten de gewone
tabel en de zogenaamde coördinatietabel.
Wanneer de voor de loonbelasting
geldende gewone tabel moet worden toegepast, moet het fiscale loon exact
worden bepaald. De aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet
of de kinderbijslag ingevolge een andere regeling is daarin mitsdien
begrepen. De bepaling van onderdeel a van dit lid opent nu de mogelijkheid
de premietabel in dat geval zodanig vast te stellen dat het voor de
loonbelasting geldende rblz.|62
r.k.|
loon ook voor de premieheffing
tot grondslag dient en dat de vermindering wegens kinderbijslag (artikel
27 [-], vijfde lid), evenals het eerder besproken vaste bedrag voor verwervingskosten en
persoonlijke verplichtingen, in het premiebedrag wordt verwerkt.
Wanneer met gebruikmaking van
artikel 1a van het Besluit op de Loonbelasting 1940 de voor de loonbelasting
geldende coördinatietabel moet worden toegepast, behoeft het fiscale loon
niet exact te worden bepaald. De coördinatietabel gaat in beginsel uit van
het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (dat is in het
algemeen het brutoloon). In dit loonbegrip zijn niet begrepen de
kinderbijslag en de premiebijdrage van de werkgever ingevolge het
Ziekenfondsenbesluit, daarentegen wel de premiebijdragen van de werknemer
ingevolge de Ziektewet en de Werkloosheidswet. De eerstgenoemde elementen
zijn echter wel loon voor de loonbelasting; de laatstgenoemde daarentegen
niet. De coördinatietabel is nu zo opgesteld dat achter het brutoloon het
verschuldigde belastingbedrag staat vermeld. In dat bedrag zijn dan de
vorengenoemde factoren verwerkt, terwijl tevens rekening is gehouden met het
eerdergenoemde vaste bedrag voor kosten van verwerving en persoonlijke
verplichtingen.
Onderdeel b van het onderhavige
lid komt nu, behoudens de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de
Kinderbijslagwet - welke voor de premieheffing via het vijfde lid van
artikel 27 [-] niet is belast -, overeen met artikel 1a van het Besluit op de
Loonbelasting 1940. De vereenvoudiging welke dit artikel door de invoering
van de coördinatietabel voor de heffing van de loonbelasting heeft doen
ontstaan, zal mitsdien ook voor de premieheffing gelden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat, ongeacht of de gewone tabel dan wel de coördinatietabel wordt
toegepast, de verschuldigde loonbelasting en het ingevolge de
ouderdomsverzekering verschuldigde premiebedrag in beginsel bij hetzelfde
loonbedrag kunnen worden afgelezen. Een verschil vormt evenwel de
ouderdomspremie zelf, welke niet voor de premieheffing, maar wel voor de
belastingheffing aftrekbaar is. Ook dit verschil kan evenwel worden
weggewerkt door voor de loonbelasting de bij een bepaald loon verschuldigde
premie in het belastingbedrag te verwerken. De Regering is voornemens te
bevorderen dat de daartoe nodige wetsvoorstellen tot wijziging van het
Besluit op de Loonbelasting 1940 worden ingediend. Slechts op het punt van
de kinderaftrek via vermindering van het loon blijft verschil bestaan tussen
het loon waarop de premietabel en het loon waarop de loonbelastingtabel moet
worden toegepast. Met het in het voorgaande neergelegde systeem is evenwel
bereikt dat voor de werkgevers bij de premie-inhouding een zo gering
mogelijke uitbreiding van de werkzaamheden ontstaat.
Artikel
30 [-]
Eerste lid
Deze
bepaling stelt voorop dat de premieheffing als regel geschiedt door het
opleggen van aanslagen. De omstandigheid dat de heffing en de inning van
de premiën door de belastingdienst geschieden, doet het wenselijk zijn om
in het systeem van de heffing aan te sluiten bij de heffing van de
inkomstenbelasting. Zo is het onder meer wenselijk dat aan de
premieplichtige zo vroeg mogelijk in een jaar een voorlopige aanslag wordt
opgelegd voor de over dat jaar vermoedelijk verschuldigde premie, voor zover
deze niet in de loop van het jaar overeenkomstig het tweede lid bij wijze
van inhouding wordt geheven. Getracht zal worden de voorlopige aanslagen
over een kalenderjaar reeds in de maanden Januari en Februari van datzelfde
jaar te verzenden.
Voor zoveel ingevolge het
bepaalde in het tweede lid van dit artikel de heffing van de premiën
gedeeltelijk bij wijze van inhouding geschiedt, moet deze heffing - evenals bij de
belastingwetgeving
- als een voorheffing worden beschouwd.
De krachtens deze voorheffing geheven premiën zullen dus verrekend moeten
worden met de bij wijze van aanslag te heffen premiën. Zo zullen bijvoorbeeld bij
een echtpaar waarvan man en vrouw beiden in loondienst werkzaam zijn,
ingevolge het bepaalde in het tweede lid ook van beider loon premiën
worden ingehouden. Daardoor is het mogelijk dat over meer dan ƒ6000,- rblz.|63
l.k.|
per jaar premie wordt
ingehouden. Ingevolge het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 27
[-] worden
voor de bepaling van het premieplichtig inkomen de inkomsten van echtelieden
samengeteld, terwijl ingevolge het zesde lid van dat artikel per jaar over
niet meer dan ƒ6000,- van dit inkomen premie mag worden geheven. In het
onderhavige geval zal de verrekening van de bij wijze van inhouding geheven
premiën met de bij wijze van aanslag te heffen premiën derhalve ten
gevolge hebben dat een negatieve aanslag wordt opgelegd en de over meer dan
ƒ6000,- betaalde premiën worden terugbetaald.
Door de voor de heffing van de
inkomstenbelasting geldende regelen van overeenkomstige toepassing te
verklaren, zullen ook de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende
regels inzake navordering voor de premieheffing overeenkomstige toepassing
kunnen vinden.
Tweede lid
De
voordelen welke
de gehele of gedeeltelijke voldoening van de inkomstenbelasting door middel
van loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing met zich
brengt, zijn van zodanig belang dat het wenselijk is ook de premieheffing
van loontrekkenden en met deze gelijk behandelden door middel van inhouding
te doen geschieden. De deswege voor de heffing van de loonbelasting geldende
bepalingen - welke ook op de daarmede overeenkomende voorheffing
ingevolge de Tweede Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 van
toepassing zijn - kunnen daartoe op overeenkomstige wijze worden
toegepast. Hiermede wordt tevens bereikt dat ook de voor de heffing van de
loonbelasting geldende regelen in zake navordering voor de premieheffing
overeenkomstige toepassing vinden.
Verzekerden aan wie op grond
van artikel 54 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 geen aanslag
in de inkomstenbelasting wordt opgelegd, ontvangen ook geen aanslag in de
ouderdomspremie. Ten aanzien van hen wordt alleen met inhouding van premie
volstaan.
Opmerking verdient nog dat de
premie ook bij wijze van inhouding zal worden geheven van degenen die wel
in beginsel aan de loonbelasting of de daarmede overeenkomende voorheffing
ingevolge de Tweede Uitvoeringsbeschikking onderworpen zijn, doch wier loon
of inkomen zo gering is dat het beneden de belastbare grens blijft, zodat
in feite geen belasting wordt ingehouden. Dit geldt ook indien op grond van
bepalingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing daadwerkelijke
inhouding van belasting achterwege blijft.
Zoals reeds in de toelichting op
artikel 29 [-] is opgemerkt, is het mogelijk de premietabellen en de
loonbelastingtabellen zodanig aan elkaar aan te passen dat de inhouding
van de ouderdomspremie voor de werkgevers slechts een zeer geringe
uitbreiding van de door hen reeds voor de inhouding van de loonbelasting
verrichte werkzaamheden betekent.
Derde lid
De onderhavige
bepaling beoogt voornamelijk de invordering van aanslagen ouderdomspremie
te doen geschieden overeenkomstig de Invorderingswet 1845. De toepassing
van deze wet [lees: die wet, red.] brengt met zich mede dat aanslagen ouderdomspremie kunnen
worden voldaan in zoveel maandelijkse termijnen als er van de dagtekening
van het aanslagbiljet af nog volle maanden zijn in het jaar waarop de
ouderdomspremie betrekking heeft, één en ander met een minimum van vijf
maandelijkse termijnen. Zoals reeds bij het eerste lid is opgemerkt, zal
getracht worden de voorlopige aanslagen over een kalenderjaar reeds in de
maanden Januari en Februari van datzelfde jaar te verzenden. Evenals in
artikel 23 van het Besluit op de Loonbelasting 1940 is evenwel een
uitzondering gemaakt voor aanslagen welke met overeenkomstige toepassing
van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels zijn opgelegd.
Het betreft hier voornamelijk aanslagen welke worden opgelegd aan werkgevers die de ingehouden premie niet hebben
afgedragen of die te
weinig premie hebben ingehouden en/of afgedragen.
Opgemerkt zij voorts nog dat de
toepassing van de Invorderingswet 1845 ten gevolge heeft dat aan
vorderingen wegens premie ingevolge de ouderdomsvoorziening dezelfde
voorrang rblz.|63
r.k.|
is toegekend als aan vorderingen
ter zake van aanslagen in de inkomstenbelasting of de loonbelasting en aan
de premievorderingen ingevolge de meeste socialeverzekeringswetten.
Artikel
31 [-]
De
materie welke in
dit artikel wordt geregeld, is reeds uitvoerig toegelicht in paragraaf
5.4 van het algemeen deel van deze memorie.
Artikel
32 [-]
Eerste lid
In paragraaf
5.4 van het algemeen deel dezer memorie is reeds uiteengezet dat premiën of gedeelten van
premiën welke wegens
betalingsonmacht niet worden ingevorderd ten laste komen van het Rijk.
Tweede lid
Het is moeilijk
precies na te gaan van hoeveel verzekerden geen premie of slechts een
gedeelte van de premie kan worden ingevorderd en hoe groot het bedrag is
dat op grond van het bepaalde in artikel 31
[-] niet wordt ingevorderd. Het ligt
voor de hand, zeker ten aanzien van degenen die in het geheel geen premie
betalen en wier inkomen in de regel niet nauwkeurig behoeft te worden
vastgesteld, met een schatting van het bedrag aan niet ontvangen premiën
te volstaan. Artikel 32 [-], tweede lid, opent daartoe de
mogelijkheid door aan
de Ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid en
van Financiën op te
dragen nader te regelen op welke wijze het bedrag aan niet ingevorderde
premiën kan worden vastgesteld.
Artikel
33 [-]
De Rijksbelastingdienst
is belast met de heffing en de invordering der
premiën. In verreweg het merendeel der gevallen zullen de premiën van de
verzekerden binnenkomen. De belastingdienst zal daartoe alle mogelijke en
gewenste middelen aanwenden. In een aantal gevallen zal echter ondanks
alles geen premie binnenkomen. Hieronder zullen gevallen zijn waarin de
schuld ligt bij de verzekerden; in andere gevallen zullen de verzekerden
ondanks alle goede wil niet bij machte zijn de premiën te betalen. Zoals in
hoofdstuk 9 van het algemeen deel dezer memorie reeds is uiteengezet, geeft
de belastingdienst de gevallen waarin de premiën niet of niet volledig
zijn betaald door aan de Sociale
Verzekeringsbank, tenzij redelijkerwijs
kan worden aangenomen dat het achterwege blijven van het betalen van de
premie niet aan de schuld van de verzekerde is te wijten. De Bank beoordeelt
dan of het niet of niet volledig betalen van de premiën veroorzaakt is door
eigen schuld van de betrokkene of niet. In het bevestigende geval houdt zij
daarvan aantekening, met als gevolg dat te zijner tijd een korting op het
pensioen zal worden toegepast, tenzij op een later tijdstip alsnog betaling
van de verschuldigde premiën overeenkomstig het bepaalde in artikel
33 [-], derde lid, heeft plaatsgehad. In het ontkennende geval niet; de premiën komen dan
ten laste van het Rijk, terwijl voor de toepassing van artikel 10
[13] de
belanghebbende niet geacht wordt schuldig nalatig te zijn geweest premie te
betalen.
Het is uiteraard voor een goede
gang van zaken gewenst dat de Sociale Verzekeringsbank en de
Rijksbelastingdienst nauw contact met elkaar onderhouden. Zo zal het bijvoorbeeld
gewenst zijn dat de Rijksbelastingdienst aan de Sociale Verzekeringsbank
bij het doorgeven van de betreffende verzekerden die nalatig zijn gebleven
een verschuldigde premie geheel of gedeeltelijk te betalen, gegevens omtrent
de financiële positie van de betrokkenen overlegt. Uit de door de
belastingdienst opgemaakte rapporten zal de Sociale Verzekeringsbank kunnen
concluderen of al dan niet van een schuldig nalaten sprake is.
Met betrekking tot de in het
derde lid van artikel 33 [-] geregelde
mogelijkheid om alsnog gedurende vijf
jaren na de kennisgeving van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde
aantekening de verschuldigde premiën te betalen, wordt opgemerkt dat deze
mogelijkheid alleen openstaat voor de verzekerde. Hieruit volgt dat
nabetaling niet meer kan geschieden indien de premieschuldige de leeftijd
van 65 jaar heeft bereikt - aangezien hij dan niet meer tot de kring der
verzekerden behoort -, ook al is de periode van vijf jaren na de kennisgeving nog niet verstreken.
Artikel
34 [-]
Ingevolge
artikel 10 [13]
wordt een korting op het pensioen toegepast voor elk jaar dat de verzekerde
schuldig rblz.|64
l.k.|
nalatig is geweest premie te
betalen. Het ligt in de rede dat in de gevallen waarin het Rijk de
premiën geheel of voor een gedeelte voor zijn rekening neemt, de
verzekerde geacht wordt voor de toepassing van artikel 10
[13] de premiën geheel
of voor dat gedeelte te hebben betaald.
Artikel
35 [-]
Dit artikel maakt
het mogelijk dat personen die niet gedurende hun gehele actieve periode (15
tot 65 jaar) verzekerd zijn geweest zich voor de betrokken periode in de
verzekering inkopen.
Speciaal is hierbij gedacht aan personen die slechts gedurende korte tijd buitenslands wonen zonder de
bedoeling zich in het buitenland duurzaam te vestigen. Men denke bijvoorbeeld
aan personen die in verband met studie of algemene vorming of om
gezondheidsredenen tijdelijk in het buitenland woonachtig zijn.
Ook biedt dit artikel uitkomst
voor degenen die uit de Overzeese Rijksdelen repatriëren en veelal zowel
vóór hun vertrek uit Nederland als na hun terugkomst in Nederland
verzekerd zijn en zodoende met een gebroken verzekering zitten.
Voorts blijkt in de practijk
nogal eens de behoefte te bestaan dat personen bij vertrek naar het
buitenland nog enige tijd het opbouwen van hun pensioenrechten krachtens de
ouderdomsverzekering van het land dat zij verlieten, blijven voortzetten,
ook al voldoen zij niet meer aan de verzekeringsvoorwaarden. Ook voor deze
gevallen biedt het onderhavige artikel uitkomst.
Bij uitvoeringsvoorschrift zal
nader moeten worden bepaald welke premie moet worden betaald, op welke
wijze deze zal worden geïnd en tot welke leeftijd inkoop mogelijk zal zijn.
Artikel
36 [47]
Evenals de overige
socialeverzekeringswetten dient ook de nieuwe Ouderdomswet een regeling
inzake gemoedsbezwaren te bevatten.
Gezien de eigen structuur van de
voorgestelde regeling (volksverzekering; premieplichtigheid van de
verzekerden zelf; premieheffing en -invordering volgens de regels
geldende voor de heffing en invordering van de inkomstenbelasting en
loonbelasting) kan er niet mede worden volstaan de regeling geldende voor
de socialeverzekeringswetten, zoals deze is neergelegd in artikel 17 van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering, zonder meer van overeenkomstige
toepassing te verklaren. De in het wetsontwerp neergelegde regeling gaat
echter wel van dezelfde grondgedachte uit. Het bedrag dat wegens
gemoedsbezwaren, hetzij van de verzekerde zelf, hetzij van degene die
ingevolge artikel 30 [-], tweede lid, van
het ontwerp met premie-inhouding is
belast, hetzij van beiden, niet als premie kan worden geheven, wordt als
belasting geheven. Het Rijk vergoedt aan het Ouderdomsfonds een bedrag ter
grootte van het totaalbedrag aan wegens gemoedsbezwaren niet geheven
premiën. Dit betreft dus enerzijds het bedrag dat niet als premie, doch
als belasting wordt ingevorderd, anderzijds het bedrag dat niet wordt
ingevorderd wegens overeenkomstige toepassing van artikel
31 [-].
Wanneer een persoon aan wie een
vrijstelling wegens gemoedsbezwaren is verleend deze bezwaren naderhand
niet meer zou gevoelen, kan hij om intrekking van de verleende vrijstelling
verzoeken. Voor de jaren waarover een persoon wegens gemoedsbezwaren
vrijgesteld was van het betalen van premie zal hem, wegens op grond van
deze vrijstelling achterwege gebleven premiebetaling, op zijn pensioen niet
worden gekort, omdat voor de jaren waarop de vrijstelling van
premiebetaling betrekking had, op hem, zij het op andere wijze, een even
grote financiële last drukte als op degene aan wie geen vrijstelling van
premiebetaling werd verleend. Slechts indien hij schuldig nalaat de
ingevolge artikel 36 [47]
verschuldigde belasting te betalen, zal de
kortingsregeling van artikel 10 [13]
overeenkomstige toepassing vinden.
Artikelen
37 [49],
38
[50]
en
39
[51]
Deze
artikelen behoeven geen nadere toelichting.
Artikel
40 [52]
Verschillende
artikelen van het ontwerp dragen aan de Sociale
Verzekeringsbank het nemen
van beslissingen rblz.|64
r.k.|
op welke van invloed zijn op
het recht op en de uitbetaling van het ouderdomspensioen.
Zo is de Sociale
Verzekeringsbank ingevolge artikel 12
[14] belast met de toekenning van
ouderdomspensioen.
Artikel 14 [17]
geeft de Sociale
Verzekeringsbank de bevoegdheid in bepaalde gevallen een toegekend
ouderdomspensioen in te trekken of te herzien.
Ook de artikelen
15 [18], 16
[19], 17
[20] en
18 [-] brengen beslissingen van de Sociale Verzekeringsbank mee welke van
invloed zijn op het genot van het ouderdomspensioen.
Bij artikel 33
[-] wordt de Sociale
Verzekeringsbank opgedragen aantekening te houden van door verzekerden
schuldig nagelaten betaling van premiën; tevens wordt haar opgedragen een
zodanige aantekening weer door te halen in de gevallen waarin alsnog premie
wordt betaald.
Het betreft hier steeds beslissingen waartegen ingevolge
artikel 41 [53] voor de belanghebbende beroep
openstaat.
Het onderhavige artikel schrijft
nu voor dat, en de wijze waarop, de Sociale Verzekeringsbank aan de
belanghebbende schriftelijk moet kennis geven van beslissingen welke
verband houden met het recht op en de uitbetaling van ouderdomspensioen,
alsmede van beslissingen betreffende het stellen of het doorhalen van een
aantekening wegens nalatigheid om premie te betalen. Alhoewel van deze
laatste beslissingen ook met goed recht kan worden gezegd dat zij verband
houden met het recht op ouderdomspensioen, worden zij in verband met haar
bijzondere aard toch afzonderlijk in het eerste lid vermeld.
In het derde
lid wordt op de algemene regel betreffende de plicht tot en de wijze van
kennisgeving van beslissingen ten aanzien van één categorie van
beslissingen een uitzondering gemaakt. Ingevolge artikel 9
[12] van het
wetsontwerp zullen de in het ontwerp neergelegde bedragen van de pensioenen
op-en-neer gaan met de schommelingen in de loonindex. Wanneer nu een
wijziging in het wettelijk pensioenbedrag plaatsvindt, zullen alle
toegekende pensioenen moeten worden herzien. Het is, zoals reeds in de
toelichting op het vijfde lid van artikel 14
[17] werd uiteengezet, niet nodig
van deze herzieningen aan alle belanghebbenden bij een voor beroep vatbare
beslissing mededeling te doen. Het lijkt voldoende te bepalen dat zulks
slechts behoeft te geschieden in de gevallen waarin een belanghebbende
zulks verzoekt. Het derde lid van dit artikel voorziet hierin.
Artikel
41 [53]
Eerste en tweede lid
Tegen de in het vorige artikel genoemde beslissingen
van de Sociale Verzekeringsbank kan door de belanghebbende beroep worden
ingesteld bij de raden van beroep voor de sociale verzekering [raden van
beroep (S.V.), red.]. Ten aanzien
van beslissingen waarbij het ouderdomspensioen wordt herzien in verband met
een wijziging van de wettelijke pensioenbedragen ingevolge artikel
9 [12], is
zulks slechts mogelijk indien de belanghebbende een voor beroep vatbare
beslissing heeft gevraagd.
Ieder der partijen is bevoegd tegen een door een
raad van beroep gewezen uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Centrale
Raad van Beroep.
Hetgeen verder het beroep en het hoger beroep tegen de in
het eerste lid bedoelde beslissingen betreft, is geregeld bij de Beroepswet.
Derde en vierde lid
Zoals in de
toelichting bij het volgende artikel [54]
wordt
aangegeven, wordt over beroep ingesteld tegen een beslissing inzake
verschuldigde premie, in hoogste ressort geoordeeld door de Hoge
Raad. De in
dit beroep te beslissen vraag omtrent het al dan niet verschuldigd zijn van
premie kan resulteren in de vraag of degene van wie de premie wordt
gevorderd al dan niet hier te lande woont en dientengevolge al dan niet
verzekerd is, ofwel al dan niet gehuwd is in de zin van artikel
1 [1], tweede en
derde lid, van het wetsontwerp. De vragen betreffende woonplaats en
betreffende al dan niet gehuwd zijn kunnen, zoals uit de toelichting op het
volgende artikel [54] blijkt, ook beslist
zijn doordat bij de belastingheffing
de beantwoording ervan onherroepelijk is komen vast te staan. Ook dan is de
Hoge Raad de hoogste rechterlijke instantie.
rblz.|65
l.k.|
In de in het eerste lid van het
vorige artikel [52], onderdeel a, bedoelde beslissingen wordt ook beslist omtrent de
vraag of de aanvrager al dan niet verzekerd is geweest. Laatstbedoelde
beslissingen worden echter genomen door de Sociale
Verzekeringsbank.
Voorts impliceren deze beslissingen uitspraken over de vraag of iemand
gehuwd dan wel ongehuwd is in de zin van de voorgestelde voorziening alsmede
- al dan niet mede in verband met de overgangsbepalingen van de artikelen
43 en volgende [55 e.v.] - over de vraag waar iemand woont of heeft
gewoond. Over beroep ingesteld tegen deze beslissingen zou, indien geen nadere
voorziening ware getroffen, in hoogste ressort worden geoordeeld door de
Centrale Raad van Beroep. Aldus zou een uiteenlopende jurisprudentie kunnen
ontstaan omtrent dezelfde materie - namelijk
de plaats waar iemand woont, het
al dan niet verzekerd zijn en het al dan niet gehuwd zijn -
enerzijds van
de Hoge Raad, anderzijds van de Centrale Raad van Beroep.
Ter voorkoming hiervan dient
voor beroep tegen de beslissingen waarbij zich dit gevaar van
uiteenlopende jurisprudentie kan voordoen een gemeenschappelijke hoogste
rechter te worden aangewezen, ongeacht of de onderhavige beslissingen zijn
genomen door de Sociale Verzekeringsbank of door de Rijksbelastingdienst.
Geheel aansluitend bij het bij koninklijke boodschap van 8 Februari 1955 ingediende wetsontwerp tot aanvulling van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (zitting
1954-1955, nr. 3859) met een artikel betreffende cassatie, bij welk ontwerp een
regeling ter voorziening in soortgelijke moeilijkheden wordt voorgesteld,
is de oplossing gezocht in deze zin dat tegen uitspraken van de Centrale
Raad van Beroep in bepaalde gevallen beroep in cassatie bij de Hoge Raad kan
worden ingesteld. De gevallen waarin de mogelijkheid tot cassatie is
geopend, beperken zich tot die uitspraken van de Centrale Raad van Beroep waarbij van
schending of verkeerde toepassing van één der artikelen
1 [1], tweede en derde
lid, 2 [2], 3
[3] en
6 [6] sprake kan zijn. Artikel
1 [1], tweede en derde lid, betreft de
begrippen gehuwde man of echtgenoot en gehuwde vrouw of echtgenote. De
artikelen 2 [2] en 6
[6] bepalen de inhoud van het begrip verzekerde ingevolge de
onderhavige voorziening. Artikel 3 [3]
regelt waar iemand woont.
Door in de cassatieprocedure
aan te sluiten bij de procedure geldende voor het fiscaal-administratieve
procesrecht, zijn aan de justitiabelen de kosten van verplichte
rechtskundige bijstand bespaard.
Artikel
42 [54]
De in hoofdstuk
9 van het algemeen deel dezer memorie en bij de toelichting op artikel 4
[4] aangegeven verdeling van de uitvoeringstaak over de
Sociale
Verzekeringsbank en de Rijksbelastingdienst
heeft haar consequenties ten
aanzien van de regeling van het beroepsrecht.
Het is ongewenst bij geschillen
tussen de inspecteur der belastingen en een premieplichtige of een
inhoudingsplichtige de beroepsprocedure te volgen welke in de sociale
verzekering gebruikelijk is, te weten beroep op de raden van beroep (S.V.)
en hoger beroep op de
Centrale Raad van Beroep. Een geschil omtrent de
premieheffing zal immers nagenoeg steeds samengaan met een geschil op het
terrein van de inkomstenbelasting of de loonbelasting, nu blijkens artikel
27 [-] zowel de premieheffing als de belastingheffing in beginsel uitgaan van
hetzelfde inkomensbegrip. De raden van beroep (S.V.) en de Centrale Raad van
Beroep hebben geen bemoeienis met het in het Besluit op de
Inkomstenbelasting 1941 en in het Besluit op de Loonbelasting 1940 geregelde
fiscale recht en waar een andere administratieve rechter deskundig ten
aanzien van deze materie reeds aanwezig is, ligt het voor de hand deze
laatste rechter ook in te schakelen bij het beroepsrecht met betrekking tot
de ingevolge deze wet verschuldigde premie.
Het onderhavige artikel bepaalt
dan ook dat van de voor de heffing van de inkomstenbelasting en de
loonbelasting openstaande rechtsmiddelen - waaronder de mogelijkheid van
bezwaar bij de inspecteur, hetwelk evenwel niet tot de beroepsprocedure
kan worden gerekend - in dezelfde gevallen en bij rblz.|65
r.k.|
dezelfde instanties op
overeenkomstige wijze voor de premieheffing gebruik kan worden gemaakt.
De ondergetekenden zijn evenwel
van oordeel dat het niet gewenst is dat twee procedures worden gevoerd
omtrent geschilpunten die zowel de belastingheffing als de premieheffing
aangaan. Zulks zou voor alle belrokken partijen, met inbegrip van de
rechterlijke macht, tot overbodige arbeid leiden. In het vierde lid van het
onderhavige artikel is daarom de bepaling opgenomen dat geschilpunten die
voor de belastingheffing onherroepelijk zijn komen vast te staan niet
nogmaals tot voorwerp ener procedure kunnen worden gemaakt via de premieheffing. De
geschilpunten waarom het hier gaat, betreffen de
woonplaats, het zuiver inkomen, het loon en het al dan niet gehuwd zijn.
Teneinde het beoogde resultaat
te bereiken, is in het tweede lid de bepaling opgenomen dat op een
bezwaarschrift tegen de premieheffing eerst uitspraak mag worden gedaan
nadat gebleken is dat het geschil alleen de premieheffing aangaat of, zo
het geschil ook de belastingheffing aangaat, dat het geschil voor de
belastingheffing onherroepelijk tot een beslissing is gebracht.
In enigszins andere vorm is in
het derde lid van dit artikel een maatregel voor het geval van navordering
getroffen. In dit geval moet de inspecteur der belastingen de
belanghebbende, voordat tot navordering wordt overgegaan, in de gelegenheid stellen opheldering te geven omtrent de
feiten die naar des
inspecteurs mening de navordering rechtvaardigen. Indien de verschafte
opheldering het standpunt van de inspecteur niet wijzigt en hij derhalve tot
navordering overgaat, kan tegen de deswege opgelegde navorderingsaanslag
rechtstreeks beroep worden ingesteld. Teneinde
ook in dit geval een dubbele
procedure te voorkomen, is bepaald dat de beroepstermijn voor de
premieheffing eerst aanvangt nadat een eventueel op dezelfde gronden
opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting of de loonbelasting
in kracht van gewijsde is gegaan. Het beroep tegen de navordering in de
premieheffing kan dan eveneens beperkt blijven tot de punten die niet voor
de belastingheffing van belang zijn geweest.
Aangezien de verschilpunten
tussen het inkomensbegrip voor de premieheffing en dat voor de
belastingheffing in de regel exact van aard zijn, valt niet te verwachten
dat deze veelvuldig het voorwerp van een procedure zullen vormen.
Het zal echter wellicht meer voorkomen dat over het inkomen van de premieplichtige geen belasting, maar
wel premie verschuldigd is. In dat geval kan het inkomen van de premieplichtige voor de belastingheffing nimmer tot een procedure
aanleiding geven. Mitsdien komen de woonplaats, het al dan niet gehuwd zijn
en het zuiver inkomen voor de belastingheffing niet onherroepelijk vast te
staan en kan een geschil daaromtrent alsdan via de premieaanslag aan het
oordeel van de rechter worden onderworpen.
Artikel
43 [55]
Eerste lid
Dit
artikel bevat een overgangsregeling voor degenen die vóór de invoering
van de voorgestelde verzekering de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die
van 65 jaar hebben bereikt. Dat het treffen van een overgangsregeling voor
deze groep van verzekerden - hoewel het rapport van de S.E.R.
hiervan geen meiding maakt - noodzakelijk is, moge blijken uit het
volgende.
Het stelsel van het wetsontwerp
(de artikelen 8 [9]
en 10 [13]) brengt
mede dat een ongehuwde bij het bereiken van
de 65-jarige leeftijd recht heeft op een ouderdomspensioen van ƒ804,- per jaar, waarbij een korting wordt toegepast van 2% voor elke onbetaald
gebleven verschuldigde jaarpremie en voor elk jaar dat hij niet verzekerd
is geweest. Voor de gehuwde man die de pensioengerechtigde leeftijd heeft
bereikt, bedraagt het ouderdomspensioen ƒ1338,-, verminderd met een
korting van 1% voor elk jaar waarover hij
een verschuldigde premie onbetaald heeft gelaten of niet verzekerd is
geweest en van 1% voor elk jaar waarover zijn echtgenote een verschuldigde
premie niet betaalde of niet verzekerd is geweest. Samentelling van beide
laatstgenoemde percentages geeft voor de gehuwde man dus ook een korting
van rblz.|66
l.k.|
2% voor elk jaar waarover
zowel hij als zijn echtgenote een verschuldigde premie niet betaalden of
niet verzekerd waren. Waar in de verdere toelichting op dit artikel wordt
gesproken over een korting van 2%, dient er rekening mee te
worden gehouden dat, voor wat betreft de gehuwde man, dit percentage is
samengesteld uit 1% voor de verzekering van
zijn echtgenote en 1% voor zijn eigen verzekering. De regeling gaat uit
van de gedachte dat de verzekering 50 jaren kan duren en dat derhalve het
ouderdomspensioen in 50 jaren wordt opgebouwd. Elke betaalde jaarpremie geeft in deze
gedachtengang recht op 2% van het ouderdomspensioen. In het
wetsontwerp is dit evenwel niet op deze positieve wijze uitgedrukt, doch is
dit langs negatieve weg benaderd, door de bepaling dat voor elke schuldig
niet-betaalde jaarpremie en voor elk jaar dat men, bijvoorbeeld wegens verblijf in
het buitenland, niet verzekerd is geweest, op het ouderdomspensioen een
korting wordt toegepast van 2%. Het is duidelijk dat aan dit stelsel
inhaerent is een 50-jarige verzekeringsduur.
Zolang de verzekering nog geen
50 jaren heeft gefunctionneerd, zal toepassing van de gestelde regel ertoe
leiden dat voor degenen die bij de aanvang van de verzekering de
aanvangsleeftijd voor de verzekering hebben overschreden, voor elk jaar
verstreken vóór het in werking treden van artikel
6 [6] een korting van 2% op het pensioen zou moeten worden toegepast. Voor
degenen die bij de
aanvang van de verzekering reeds een gevorderde leeftijd hebben bereikt,
betekent dit dat zij slechts voor een zeer laag pensioen in aanmerking
zouden kunnen komen. Dit is onaanvaardbaar.
Nu zou men zich op het standpunt
kunnen stellen dat men alle jaren verstreken vóór het in werking treden
van de verzekering voor de onderhavige personen maar als "verzekerde"
jaren moet laten gelden, ook in geval van verblijf buitenslands tijdens die
periode. Echter, ook deze methode leidt - zij het in andere richting -
tot consequenties welke niet kunnen worden aanvaard. Dit moge aan de
hand van enkele voorbeelden worden verduidelijkt.
Eerste voorbeeld: Een in Zwitserland
wonende arbeider en zijn echtgenote die na hun 15de jaar niet in Nederland
hebben gewoond, komen hier te lande wonen, juist ten tijde van de invoering der verzekering. Beiden zijn dan 64 jaar. Het echtpaar kan dan
nog één jaar verzekerd zijn. Voor dit ene jaar verzekering zou deze
arbeider, die na zijn 15de jaar slechts één jaar in Nederland heeft gewoond en
daar dus ook slechts één jaar heeft bijgedragen tot de nationale productie,
recht hebben op een pensioen van ƒ1338,-. Immers, hij en zijn echtgenote
hebben geen enkel "negatief" jaar.
Tweede voorbeeld: Een
arbeider die
bij de invoering der verzekering 45 jaar is en voordien met zijn echtgenote
in het buitenland vertoefde, is sedert de 45-jarige leeftijd gedurende
één jaar met zijn gezin hier te lande woonachtig geweest. De overige tijd
vertoefde het gehele gezin weer in het buitenland. Dit echtpaar heeft
derhalve negentien negatieve jaren, waarvoor 38% op het ouderdomspensioen zou
worden gekort. Die arbeider zou recht hebben op een pensioen van ƒ834,- (zijnde 62% van
ƒ1338,-, afgerond tot een veelvoud van ƒ6,-), in
ruil voor één jaar bijdragen tot onze nationale welvaart.
Derde voorbeeld: Wanneer de in het
tweede voorbeeld bedoelde arbeider bij de invoering der verzekering 35 jaar is,
zou hij voor één jaar verzekering hier te lande - hij heeft dan 29
negatieve jaren - recht hebben op een pensioen van ƒ564,-, zijnde 42% (100%
- 58%) van 1338,-.
Dat in de gestelde voorbeelden
voor één jaar verzekering hier te lande, naargelang van de leeftijd van
de verzekerde ten tijde van de invoering der verzekering, recht zou bestaan
op een pensioen van ƒ1338,-, ƒ834,- of ƒ564,- per jaar, lijkt de
ondergetekenden een onverantwoorde consequentie van een overigens
onmisbare overgangsregeling. Dusdanige liberaliteiten zouden de verzekering
in discrediet brengen en velen, die dat overigens niet begeren, ertoe
verleiden zich op hun oude dag in Nederland te vestigen. Deze vérgaande
consequenties zijn een gevolg van het feit dat in de gestelde voorbeelden
jaren verstreken vóór de invoering der verzekering, bij de bepaling rblz.|66
r.k.|
van de hoogte van het
ouderdomspensioen, zonder enige beperkende bepaling, buiten beschouwing
werden gelaten.
In artikel 43
[55] van het
wetsontwerp wordt een regeling voorgesteld welke naar de mening van de
ondergetekenden de overgangsmoeilijkheden op billijke wijze oplost. Dit artikel - met name het eerste lid van dit artikel - gaat
ervan uit dat personen die vóór het in werking treden van artikel 6
[6] de leeftijd van 15
jaar, doch nog niet die van 65 jaar hebben bereikt en die, al dan niet
onafgebroken, gedurende zes jaren na het bereiken van de 59-jarige leeftijd
binnen het Rijk of de Overzeese Rijksdelen hebben gewoond, geacht worden
vóór het in werking treden der wet verzekerd te zijn geweest. Artikel 44
[56] verbindt daaraan nog als voorwaarde dat zij Nederlander moeten zijn en
binnen het Rijk moeten wonen.
In het kader van de in artikel
43 [55] voorgestelde overgangsregeling levert de kortingsregeling van artikel 10
[13] ten aanzien van de onderhavige personen, ook voor wat betreft de
tijd
gelegen vóór de aanvang der verzekering, geen moeilijkheden op. Het
bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, en in het tweede lid, onderdeel
c en
d, van
artikel 10 [13] sorteert te hunnen aanzien geen effect, wijl vóór het in
werking treden van artikel 6 [6]
geen premiën verschuldigd waren. De mogelijkheid welke het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, onderdeel
a en b, van artikel 10
[13] geven om tot korting op het pensioen over te gaan, werpt
evenmin resultaat af, nu de onderhavige categorie van personen juist voor
de toepassing van laatstgenoemde wettelijke bepalingen geacht wordt
verzekerd te zijn geweest.
Het gevolg van de voorgestelde
regeling is dus nu dat de hier bedoelde personen het volledige
ouderdomspensioen verwerven, ook al zijn zij slechts gedurende een gedeelte
van hun actieve leven werkelijk verzekerd geweest. Zo zal iemand die bij
het in werking treden van de wet 40 jaar is, bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd slechts over 25 jaren werkelijk verzekerd zijn
geweest. Gedurende de periode van zijn 15de tot zijn 40ste jaar wordt hij nu
eveneens geacht verzekerd te zijn geweest. Met andere woorden er zijn 25 "werkelijke"
en 25 "fictieve" verzekeringsjaren.
Uit het vorenstaande bleek reeds dat het de ondergetekenden ongewenst voorkomt de vergaande
overgangsbepaling van artikel 43 [55]
zonder onderscheid op iedereen van
toepassing te doen zijn.
Gelijk dit ook voor het recht op het kosteloze
ouderdomspensioen, geregeld in de artikelen
46 tot en met 49 [58-61] van het
ontwerp, het
geval is, dient naar de mening van de ondergetekenden ook de onderhavige
overgangsbepaling slechts te gelden voor personen die reeds geruime tijd
hier te lande of in de Overzeese Rijksdelen woonachtig zijn geweest.
Hiertoe is, in iets soepeler
vorm, aansluiting gezocht bij de Noodwet Ouderdomsvoorziening, door de eis
te stellen dat men om op de onderhavige overgangsregeling een beroep te
kunnen doen - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de
voleindiging van zijn 59ste levensjaar binnen het Rijk, Nederlands
Nieuw-Guinea, Suriname of de Nederlandse Antillen moet hebben gewoond. Met
deze regeling is bereikt dat door genoemde Noodwet gewekte verwachtingen
niet worden beschaamd. Immers, zij die bij het in werking treden van de wet
nog slechts enkele jaren van de 65-jarige leeftijd verwijderd zijn en
derhalve het uitzicht hadden om binnen enkele jaren uitkering krachtens de
Noodwet Ouderdomsvoorziening te verkrijgen, zullen door de onderhavige
overgangsregeling ook op het volle ouderdomspensioen krachtens deze wet
aanspraak kunnen maken indien zij slechts in Nederland blijven wonen (artikel
44 [56]) en over de enkele jaren die hen nog van de
65-jarige leeftijd
scheiden, de ingevolge deze wet verschuldigde premie voldoen.
Zij die niet
terstond bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd voldoen aan de eis dat
zij vanaf hun 59ste jaar al dan niet onafgebroken gedurende zes jaren binnen
het Rijk, Nederlands Nieuw-Guinea, Suriname of de Nederlandse Antillen
moeten hebben gewoond, kunnen alsnog een beroep op de overgangsbepaling van
artikel 43 [55] doen zodra te hunnen aanzien de termijn van zes jaren is
vervuld.
Zijn zij nog ingevolge deze wet verzekerd geweest, dan kunnen zij
vanaf hun 65ste jaar tot aan het tijdstip waarop rblz.|67
l.k.|
bedoelde termijn van zes jaren
vervuld is, aanspraak maken op een ouderdomspensioen berekend zonder
toepassing van de overgangsbepaling van artikel
43 [55]. Het aldus berekende pensioen zal echter de eerste jaren na het in werking treden der wet zeer
laag zijn wegens het ontbreken van vele werkelijke verzekeringsjaren. Een
voorbeeld moge dit toelichten.
Een Nederlander die met zijn
Nederlandse echtgenote steeds in het buitenland heeft gewoond, komt met zijn
gezin in Nederland wonen op de dag waarop hijzelf en zijn echtgenote 63
jaar worden. De onderhavige wet is juist één jaar geleden in werking getreden.
Tot zijn 65ste jaar betaalt deze Nederlander de ingevolge deze wet
verschuldigde premie. De overgangsregeling van artikel 43
[55] is pas na het
bereiken van de 69-jarige leeftijd op hem van toepassing.
Van zijn 65ste tot zijn 69ste
jaar heeft hij wel recht op ouderdomspensioen, doch met terzijdelating van
de overgangsbepaling van artikel 43 [55]. Hij, noch zijn echtgenote, waren van
hun 15de tot hun 63ste jaar (48 jaar) verzekerd. Ingevolge artikel
10 [13],
tweede lid, onderdeel a en b, dient op het aan de gehuwde man toekomende
pensioen een korting te worden toegepast van 48% + 48% = 96%. Hij
ontvangt van zijn 65ste jaar tot zijn 69ste jaar dus een pensioen van ƒ1338,-
– 96% van dit bedrag = ƒ54,-. Vanaf zijn 69ste jaar dus kan artikel 43
[55] toepassing vinden. De jaren gelegen tussen zijn
15de jaar en het in werking
treden der wet wordt hij, evenals zijn echtgenote, nu geacht verzekerd te
zijn geweest. Korting op het pensioen vindt vanaf zijn 69ste jaar derhalve
nog slechts plaats voor het éne jaar dat hij en zijn echtgenote na het in
werking treden der wet niet verzekerd zijn geweest. Het pensioen bedraagt
voortaan dus ƒ1338,-
– 2% van dit bedrag = ƒ1314,- (afgerond op een
veelvoud van ƒ6,-).
Zoals reeds bij de toelichting
op het derde lid van artikel 12 [14]
is opgemerkt, kan in gevallen als in het
laatste voorbeeld bedoeld de verhoging van het ouderdomspensioen ambtshalve
door de Sociale
Verzekeringsbank worden toegekend.
Zoals in hoofdstuk 4 van het
algemeen deel van deze memorie nader werd toegelicht, bestaat het pensioen
van de gehuwde man uit een deel dat door hemzelf en een deel dat door zijn
echtgenote is opgebouwd. Zou nu aan de gehuwde vrouw steeds als voorwaarde
worden gesteld dat zij na het bereiken van haar 59ste jaar zes jaren in
Nederland moet zijn geweest om voor fictieve verzekeringsjaren in aanmerking
te komen, dan zou dit tot ongewenste gevolgen aanleiding geven in de
gevallen waarin de vrouw jonger is dan haar man. Zo zal bijvoorbeeld bij een
echtpaar waarvan bij het in werking treden van de voorgestelde voorziening
de man 64 jaar en de vrouw 55 jaar oud is, de man recht op ouderdomspensioen
hebben zodra hij 65 jaar is. Ook al hebben nu beide echtgenoten hun gehele
leven in Nederland gewoond, ontvangt de man zonder nadere voorziening toch
nog niet het volledige gehuwdenpensioen, omdat de vrouw nog niet na haar
59ste levensjaar zes jaren in Nederland heeft gewoond en in verband daarmede
voor de jaren liggende vóór de inwerkingtreding van de voorziening nog
geen fictieve verzekeringsjaren krijgt toegerekend.
De tweede volzin van het eerste
lid van het onderhavige artikel bepaalt nu dat de gehuwde vrouw geacht
wordt op hetzelfde moment als haar man de 59-jarige leeftijd te hebben
bereikt. Door deze bepaling wordt bereikt dat de gehuwde vrouw die jonger
is dan haar man steeds fictieve verzekeringsjaren worden toegerekend
indien zij maar ten minste zes jaren - al dan niet onafgebroken - in
Nederland heeft gewoond nadat haar man de leeftijd van 59 jaar heeft
bereikt.
Tweede lid
Het eerste lid van
artikel 43 [55] heeft betrekking op
personen die bij het in werking treden der wet de leeftijd van 15, doch nog niet die van 65 jaar hebben bereikt. Voor
degenen die bij de invoering der wet reeds 65 jaar zijn, houdt artikel 46
[58] een afzonderlijke overgangsregeling in. Toch dient voor een bepaalde
categorie van degenen die op het tijdstip van het in werking treden der wet
reeds de 65-jarige leeftijd hebben bereikt een overgangsregeling in de
geest van artikel 43 [55], eerste lid, te worden getroffen,
namelijk voor de gehuwde vrouw wier echtgenoot bij de invoering der wet de leeftijd van 65 jaar
rblz.|67
r.k.|
nog niet heeft bereikt en wiens
pensioen dus met toepassing van artikel 43
[55], eerste lid, wordt berekend. Dit
hangt samen met het feit dat aan de gehuwde vrouw in het algemeen geen
zelfstandig recht op pensioen is toegekend en met de daaruit voortvloeiende
tweeledige opbouw van het pensioen van de gehuwde man. Vorenbedoelde gehuwde
vrouw dient haar aandeel te leveren in de pensioenopbouw van haar man.
Zonder nadere voorziening zou
evenwel op het pensioen van de gehuwde man op wie het eerste lid van
artikel 43 [55] van toepassing is, doch wiens echtgenote reeds 65 jaar was bij
het in werking treden der wet en dus nimmer verzekerd is geweest, gezien het
bepaalde in artikel 10 [13], tweede lid, onderdeel
b, 50% moeten worden gekort. Het
tweede lid van artikel 43 [55]
voorkomt evenwel deze korting door te bepalen
dat de gehuwde vrouw die bij het in werking treden van de wet reeds 65 jaar
is, doch overigens voldoet aan de voorwaarden, in het eerste lid van artikel
43 [55] gesteld, voor de toepassing van het bepaalde in artikel
10 [13], tweede lid, onderdeel b, geacht wordt verzekerd te zijn geweest van haar 15de tot haar 65ste
jaar.
Derde lid
Het eerste lid heeft
slechts betrekking op het verzekerd zijn voor de toepassing van artikel
10 [13],
welk artikel de kortingen op het ouderdomspensioen regelt. Het recht op
ouderdomspensioen is evenwel geregeld in artikel 7
[7] en wordt in het eerste
lid van dat artikel verleend aan degene die verzekerd is geweest en de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
Nu zullen niet alle personen op
wie artikel 43 [55]
betrekking heeft verzekerd zijn geweest ingevolge deze wet.
immers, in het buitenland wonende personen die nog geen 65 jaar zijn bij
het in werking treden van de voorgestelde voorziening en die na hun 65ste
jaar in Nederland komen wonen, zullen nimmer verzekerd zijn geweest. Toch
dient de overgangsregeling van artikel 43
[55], eerste lid, naar de mening van
de ondergetekenden ook op deze personen, voor zover zij Nederlanders zijn (artikel
44 [56], onderdeel a), van toepassing te zijn, opdat zij, in navolging van
de Noodwet Ouderdomsvoorziening, zodra zij hier zes jaar gewoond hebben, een
ouderdomspensioen kunnen ontvangen.
Ingevolge het bepaalde in het
derde lid van artikel 43 [55]
worden deze personen voor de toepassing van
artikel 7 [7] geacht verzekerd te zijn geweest, waardoor de aanspraak op
pensioen vaststaat.
Ter toelichting van de
berekening van het ouderdomspensioen in zodanig geval diene het volgende
voorbeeld.
De in het laatste voorbeeld van
de toelichting op het eerste lid bedoelde Nederlandse man en vrouw komen
niet op 63-jarige, doch op 66-jarige leeftijd naar Nederland, terwijl de
onderhavige wet dan reeds vier jaren heeft gewerkt.
Deze Nederlander is nu in het
geheel niet verzekerd geweest en kan aan de normale in deze wet geregelde
verzekering dus geen recht op ouderdomspensioen ontlenen.
Op de overgangsregeling van
artikel 43 [55] zal hij pas na zes jaar ingezetenschap een beroep kunnen doen.
Heeft hij de zes jaren ingezetenschap vervuld - hij is dan 72 jaar -, dan
wordt hij zowel als zijn echtgenote geacht vanaf het bereiken van de
15-jarige leeftijd tot het in werking treden der wet - zij waren toen 62
jaar - verzekerd te zijn geweest.
Na het in werking treden der wet waren
beide echtgenoten tot hun 65ste jaar nog drie jaren niet verzekerd.
Het ouderdomspensioen bedraagt
dan vanaf de 72-jarige leeftijd ƒ1338,- – 6% van dit bedrag = ƒ1260,-.
Artikel
44 [56]
Zoals reeds in de
toelichting op artikel 43 [55]
werd opgemerkt, komt
het de ondergetekenden gewenst voor de overgangsregeling van dat artikel te
beperken tot Nederlanders die hier te lande wonen. Vestigt iemand die in
het genot is van een pensioen waarvan het bedrag is vastgesteld met
toepassing van artikel 43 [55] zich buiten
Nederland of verliest iemand de
Nederlandse nationaliteit, dan zal hij slechts aanspraak behouden op een
pensioenbedrag berekend met terzijdestelling van artikel
43 [55]. Voor elk jaar
waarover de betrokkene van zijn 15de tot zijn 65ste jaar - dus ook over de
tijd gelegen vóór de invoering rblz.|68
l.k.|
van de verzekering - niet
verzekerd is geweest, zal hem dan op grond van artikel 10
[13] op zijn pensioen
worden gekort.
Artikel
45 [57]
Artikel
45 [57], onderdeel a,
opent de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur voor de
toepassing van artikel 44 [56]
niet-Nederlanders met Nederlanders gelijk te
stellen. Deze mogelijkheid is in het bijzonder van belang ten aanzien van
statenlozen.
Voor wat betreft de onderdanen
van een andere Mogendheid, deze zullen eveneens bij algemene maatregel van
bestuur met Nederlanders kunnen worden gelijkgesteld. Veelal zal deze
gelijkstelling echter reeds plaatshebben op grond van een met een andere
Mogendheid gesloten overeenkomst. Ingevolge artikel 65 [oud, red.] der
Grondwet
praevaleert een zodanige overeenkomst boven de nationale wet, zodat
uitdrukkelijke verwijzing in het onderhavige wetsvoorstel naar een
overeenkomst met een andere Mogendheid, waarbij van deze voorziening kan
worden afgeweken, overbodig is. In deze gevallen speelt artikel 45
[57] dus niet.
Voorts wordt in artikel
45 [57], onderdeel b, de mogelijkheid geopend om bij algemene maatregel van bestuur
voor de toepassing van de artikelen 43
[55] en
44 [56]
het wonen buiten het Rijk met
het wonen binnen het Rijk gelijk te stellen.
Ingevolge artikel
6 [6], eerste lid, onderdeel c, van
het ontwerp zal ook verzekerd zijn overeenkomstig de bepalingen
van de voorgestelde regeling de Nederlander die geen ingezetene is en die
evenmin geacht kan worden blijvend buiten het Rijk te wonen, doch ter zake
van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van het
Rijk. Deze bepaling beoogt onder meer diplomaten, consuls, hieraan toegevoegde
ambtenaren en in het buitenland verblijvende Nederlandse militairen onder de
ouderdomsverzekering te brengen. De overgangsbepaling van artikel 43
[55] is
echter slechts van toepassing op personen die na hun 59ste levensjaar zes
jaren in Nederland hebben gewoond. Het gevolg daarvan zou zijn dat
vorenbedoelde personen, wanneer zij op hun 65ste jaar repatriëren, eerst
een wachttijd van zes jaar zouden moeten doormaken alvorens zij van de
overgangsregeling zouden kunnen profiteren. Dit zou naar de mening van de
ondergetekenden zeer onbevredigend zijn. Bij algemene maatregel van bestuur
zal nu in deze gevallen het wonen buiten Nederland kunnen worden
gelijkgesteld met het wonen binnen het Rijk.
Zoals in de toelichting op
artikel 44 [56] reeds is opgemerkt, zal
degene die in het genot is van een pensioen waarvan het bedrag is vastgesteld met toepassing van artikel
43 [55],
in geval van vestiging van zijn woonplaats buiten Nederland slechts
aanspraak behouden op een pensioenbedrag berekend met terzijdestelling
van artikel 43 [55]. Hij zal dus zijn pensioen zien dalen. Dit zal evenzeer
gelden voor een gepensionneerde die voor betrekkelijk korte tijd, maar
toch zolang en onder zodanige omstandigheden dat hij niet meer geacht kan
worden hier te lande te wonen, naar het buitenland gaat bijvoorbeeld om zijn
geëmigreerde kinderen te bezoeken. Bij een op grond van artikel 45
[57] uit te
vaardigen algemene maatregel van bestuur zal eventueel kunnen worden bepaald dat te zijnen aanzien het wonen buiten het Rijk wordt gelijkgesteld
met het wonen binnen het Rijk.
Overigens zal het gelijkstellen
van het wonen buiten het Rijk met het wonen binnen het Rijk ook op grond van
een overeenkomst met een andere Mogendheid kunnen plaatshebben. In verband
met de voorrang van een dergelijke overeenkomst boven de wet zal in deze
gevallen artikel 45 [57], onderdeel
b, geen toepassing behoeven te vinden.
Artikel
46 [58]
Eerste lid
In hoofdstuk
10 van het algemeen deel dezer memorie is uiteengezet dat de
nieuwe ouderdomsvoorziening zich ook uitstrekt tot degenen die vóór het
in werking treden dier voorziening de leeftijd van 65 jaar reeds hebben
bereikt en dat dientengevolge de regeling vervat in de Noodwet
Ouderdomsvoorziening komt te vervallen. Dit maakt het nodig in het
wetsontwerp een bijzondere overgangsregeling op te nemen voor degenen die
reeds vóór of op de dag van het in werking treden der wet de leeftijd van
65 jaar hebben bereikt. Aan de verzekering zelf kan deze groep uiteraard
niet rblz.|68
r.k.|
meer deelnemen. Niettemin is het
de bedoeling aan deze bejaarden dezelfde rechten te geven alsof zij
verzekerd geweest waren.
Het recht op ouderdomspensioen
wordt in dit artikel slechts gegeven aan degenen die reeds geruime tijd
hier te lande of in de Overzeese Rijksdelen woonachtig zijn geweest.
Er is geen reden om aan bejaarde personen die slechts korte tijd in ons land
wonen zonder meer een
ouderdomspensioen van ƒ1338,-, onderscheidenlijk ƒ804,- per jaar, te
verlenen. Het gaat hier om personen die op grond van hun te hoge leeftijd
bij de invoering der verzekering niet meer aan de verzekering kunnen
deelnemen. Waar het verzekerd zijn in het algemeen gebonden is aan het hier
te lande wonen, is het voor de hand liggend om ook het recht op het
kosteloze ouderdomspensioen te binden aan het enige tijd hier te lande
woonachtig zijn geweest. Daartoe is in het eerste lid van artikel 46
[58] - zij
het in een soepeler vorm - aansluiting gezocht bij de desbetreffende
regeling van de Noodwet Ouderdomsvoorziening. Met het hier te lande gewoond
hebben wordt gelijkgesteld het gewoond hebben in Nederlands Nieuw-Guinea,
Suriname of de Nederlandse Antillen.
Tweede lid
Dit lid bevat ten
aanzien van de gehuwde vrouwen die bij het in werking treden van de
wet
reeds 65 jaar of ouder zijn een overeenkomstige regeling als artikel
7 [7],
tweede lid, voor de gehuwde vrouwen die ingevolge deze wet verzekerd zijn
geweest.
Ook in de onderhavige
overgangsregeling wordt aan de gehuwde vrouw geen zelfstandig recht op
pensioen toegekend. Haar echtgenoot ontvangt het gehuwdenpensioen van ƒ1338,-
(artikel 8 [9], tweede lid).
Er kunnen zich evenwel gevallen voordoen dat een gehuwde man, hoewel de 65-jarige leeftijd bereikt
hebbende, geen recht op ouderdomspensioen kan doen gelden, bijvoorbeeld doordat hij
niet voldoet aan het woonplaatsvereiste gesteld in het eerste lid. In deze
gevallen verleent het tweede lid, onderdeel a, aan de gehuwde vrouw, indien zij
overigens aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet,
een zelfstandig recht op pensioen dat zij overigens ontbeert. Ingevolge
artikel 8 [9], eerste lid, ontvangt zij ƒ804,-.
Het tweede lid, onderdeel b, van
artikel 46 [58] heeft dezelfde strekking als het tweede lid, onderdeel
b, van
artikel 7 [7]. Het beoogt terugval in pensioen te
voorkomen indien twee
gepensionneerden in het huwelijk treden. Voor een nadere toelichting moge
worden verwezen naar de toelichting op artikel 7 [7], tweede lid, onderdeel
b.
In het tweede lid, onderdeel b, van
artikel 46 [58] wordt nog als bijzondere eis
gesteld dat het huwelijk plaatevond na het in werking treden van artikel 7
[7], dat wil zeggen na het in werking treden
van de overgangsregeling, neergelegd in het eerste lid van artikel
46 [58]. Het
tweede lid, onderdeel b, bedoelt immers slechts terugval in pensioen te
voorkomen. Vond het huwelijk plaats vóór het in werking treden van de
onderhavige overgangsregeling, dan waren de echtelieden nog niet in het
genot van ouderdomspensioen ingevolge de voorgestelde voorziening en is er
dus van terugval in pensioenrechten geen sprake.
Artikel
47 [59]
In
aansluiting
aan de regeling van de Noodwet Ouderdomsvoorziening wordt het recht op een
kosteloos ouderdomspensioen door het bepaalde onder a beperkt tot
Nederlanders. Er bestaat geen voldoende reden dit kosteloze pensioen
zonder meer ook toe te kennen aan vreemdelingen.
Eveneens in aansluiting aan de
regeling van de Noodwet Ouderdomsvoorziening bestaat ingevolge het bepaalde
onder b op het kosteloze ouderdomspensioen alleen recht wanneer men hier te
lande woont. Het is alleszins redelijk alleen personen die hier te lande
wonen aanspraak op het kosteloze pensioen toe te kennen. Vestigt iemand
die in het genot is van een kosteloos pensioen zich buiten Nederland, dan
komt zijn pensioen automatisch te vervallen. Keert hij later weer hier te
lande terug, dan kan hij in het genot van zijn pensioen worden hersteld.
rblz.|69
l.k.|
Artikel
48 [60]
Het bepaalde in dit
artikel heeft voor de toepassing van de artikelen 46
[58] en
47 [59]
dezelfde
strekking als het bepaalde in artikel 45
[57] voor de toepassing van de
artikelen
43 [55] en 44
[56]. Voor de toelichting op dit artikel moge derhalve worden verwezen
naar hetgeen in de toelichting op artikel 45 [57]
is gezegd omtrent het
gelijkstellen van niet-Nederlanders met Nederlanders en van het wonen
buiten het Rijk met het wonen binnen het Rijk.
Artikel
49 [61]
Ingevolge dit
artikel blijft ten aanzien van het bedrag van het ouderdomspensioen, bedoeld
in artikel 46 [58], het bepaalde in artikel
8 [9], vierde lid, buiten toepassing,
voor zover de huwelijkssluiting plaatsvond vóór het in werking treden van
artikel 7 [7]. Deze bepaling is nodig in verband met artikel
46 [58], tweede lid, onderdeel b.
Het vierde lid van artikel 8
[9] sluit de toepassing van het tweede en derde lid van dat artikel uit ten
aanzien van de man en de vrouw die ten tijde van de huwelijkssluiting
beiden de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt. Op hen is dus het eerste lid
van artikel 8 [9]
van toepassing, waardoor zij aanspraak kunnen maken op het
basispensioen. Voor zover de huwelijkssluiting heeft plaatsgevonden vóór
het in werking treden van de overgangsregeling van artikel
46 [58], is, zoals in
de toelichting op artikel 46 [58], tweede lid, onderdeel
b, is uiteengezet,
toekenning van het basispensioen niet op haar plaats. In dat geval dient
derhalve artikel 8 [9], tweede lid, weer toepassing te kunnen vinden, opdat het
gehuwdenpensioen kan worden toegekend. Ook het derde lid van artikel 8
[9] dient
weer toepassing te kunnen vinden. In het vorenstaande voorziet het
onderhavige artikel.
Dit artikel bepaalt voorts dat
ten aanzien van het ouderdomspensioen, bedoeld in artikel
46 [58], artikel 10
[13] buiten toepassing blijft. Artikel 10
[13] regelt de kortingen op het
ouderdomspensioen wegens nagelaten premiebetaling en wegens het niet
verzekerd zijn. Het is duidelijk dat ten aanzien van het in artikel 46
[58] bedoelde ouderdomspensioen dat wordt verleend aan
degenen die bij het in
werking treden der wet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en die dus
nimmer verzekerd hebben kunnen zijn en daardoor evenmin nalatig in de
premiebetaling kunnen zijn geweest, de kortingsregeling van artikel 10
[13] geen
toepassing dient te vinden.
Behoudens artikel
8 [9], vierde lid,
en artikel 10 [13]
zijn evenwel de overige bepalingen welke het wetsontwerp met
betrekking tot het ouderdomspensioen inhoudt ook op het in artikel 46
[58] bedoelde pensioen van toepassing.
Zo zal ook dit pensioen voor de
gehuwde man ƒ1338,- bedragen en het basispensioen ƒ804,-. Ook geldt de in
artikel 9 [12] geregelde aanpassing van de pensioenen aan wijzigingen in de
loonindex voor de pensioenen, bedoeld in artikel
46 [58].
Artikelen 50 t/m
59 [62-70]
Deze
artikelen behoeven geen nadere toelichting.
Artikel
60 [71]
Bij de
inwerkingtreding van de voorgestelde voorziening zal veelal de behoefte
gevoeld worden bestaande pensioenregelingen te herzien. Dit vloeit voort uit
de aard der voorgestelde voorziening als bodemvoorziening; de particuliere
pensioenregelingen kunnen voortaan worden opgezet rekening houdende met
deze algemene voorziening.
Vele pensioentoezeggingen zijn gedaan onder voorbehoud van korting van de
uitkeringen, krachtens bestaande
of toekomstige wettelijke regelingen, geheel of gedeeltelijk op de pensioenen. Ook de statuten of reglementen van vele pensioenfondsen
bevatten bepalingen in die geest. Ook echter waar dusdanig voorbehoud niet
werd gemaakt of zulke bepalingen ontbreken, is het gewenst daartoe alsnog
de mogelijkheid te openen. Geschiedt dit niet, dan wordt de onderneming
die tot dusver in het geheel geen of zeer onvoldoende pensioenvoorzieningen
trof, bevoordeeld boven de onderneming die reeds een redelijke eigen
pensioenvoorziening tot stand heeft gebracht. Door een samenloop van
bodempensioen en particulier pensioen zou in sommige gevallen het totale
inkomen van een gepensionneerde boven 100% van zijn laatstverdiende
inkomen kunnen stijgen. Eventuele wettelijke belemmeringen die het rblz.|69
r.k.|
onmogelijk zouden maken deze
ongewenste situaties te voorkomen, dienen naar de mening van de
ondergetekenden uit de weg te worden geruimd.
Daarom opent artikel 60
[71] de
mogelijkheid tot het verminderen van het in uitzicht gestelde of reeds
toegekende pensioen. Deze aanpassing moet echter binnen twee jaar na
invoering van de wet tot stand worden gebracht. Het eerste lid heeft
betrekking op de toezeggingen door de werkgever, het tweede op de regelingen welke door een pensioenfonds worden uitgevoerd. In het laatste
geval is de voor wijziging van statuten of reglementen voorgeschreven
procedure (bijvoorbeeld een meerderheidsbeslissing van de vergadering der
verzekerden) niet buiten werking gesteld.
Het spreekt wel vanzelf dat bij
het onderhavige artikel als uitgangspunt is genomen dat het totale
pensioenbedrag, met inbegrip derhalve van de wettelijke voorziening, niet
mag dalen beneden het vóór de inwerkingtreding van de voorgestelde
voorziening geldende pensioenen. Daarnaast zijn echter in het derde, vierde
en vijfde lid enkele richtlijnen neergelegd welke bij de herziening in acht
dienen te worden genomen, te weten:
1º. Het karakter van "waardevastheid"
van het bodempensioen (artikel 9 [12]) dient gehandhaafd te blijven. Hiertoe
wordt voor de reeds ingegane pensioenen in het derde lid en voor de
toegezegde pensioenen in het vierde lid een regeling gegeven.
2º. Indien tot aanpassing wordt
besloten, behoort er rekening mede gehouden te worden dat op de pensioenen welke door een te korte diensttijd onvolledig
zijn niet het
gehele bedrag van de bodemvoorziening, doch slechts een proportioneel
gedeelte daarvan in mindering zal worden gebracht.
Een wettelijke regeling welke verdergaat en verlangt dat bij aanpassing de totale voorziening niet daalt
beneden een bepaald percentage van het loon, achten de ondergetekenden niet
gewenst. Een dergelijke regeling zou niet alleen practisch zeer moeilijk
zijn te verwezenlijken, gezien het zeer uiteenlopend karakter der
verschillende pensioenvoorzieningen, doch bovendien tot onbillijkheden
leiden, daar deze regeling wel degenen zou treffen die reeds een, wellicht
zeer redelijke, pensioenvoorziening hebben toegezegd, doch niet de
werkgevers die de totstandkoming van deze wet hebben
afgewacht alvorens
zelf enig pensioen in uitzicht te stellen.
Het lijkt dan ook meer in
overeenstemming met de sfeer waarin tot nu toe de pensioenvoorzieningen tot
stand zijn gekomen dat de wetgever zich beperkt tot het openen van de
juridische mogelijkheid tot aanpassing, terwijl aan het bedrijfsleven zelf
wordt overgelaten te bepalen in hoeverre van de wettelijke bevoegdheid
gebruik zal worden gemaakt. Zoals bekend heeft de Stichting van den Arbeid
hieromtrent reeds een advies doen uitgaan.
Artikel
61 [72]
Eerste lid
Indien
dit ontwerp tot wet verheven wordt, zal de Noodwet Ouderdomsvoorziening
vervallen. Met betrekking tot aanspraken op uitkering over tijdvakken
gelegen vóór de datum waarop de Noodwet vervalt, blijven de bepalingen
dier wet en haar uitvoeringsvoorschriften evenwel van toepassing.
Tweede, derde en vierde lid
Ingevolge artikel 11, vierde lid, tweede volzin, van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening blijft de gehuwde man die in het genot is van een gehuwdenuitkering, na het overlijden van zijn echtgenote nog enige tijd in
het genot van die uitkering.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste
volzin, van de Noodwet Ouderdomsvoorziening blijft de weduwe van degene die
in het genot was van een uitkering nog enige tijd in het genot dier uitkering.
De strekking van de onderhavige leden is te
voorkomen dat degenen die geen of een lager ouderdomspensioen ingevolge de voorgestelde
voorziening ontvangen dan waarop zij recht zouden hebben wanneer de Noodwet
Ouderdomsvoorziening niet werd ingetrokken, in inkomsten achteruitgaan.
Vijfde lid
Voor zover in het buitenland wonende
personen die in het genot
zijn van een uitkering krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening niet op
grond van het bepaalde in rblz.|70
l.k.|
paragraaf 2 van
hoofdstuk VIII van dit
ontwerp aanspraak op een kosteloos ouderdomspensioen kunnen maken, komt het
gewenst voor hen in het genot van hun huidige uitkering te laten.
Zevende lid
Op de uitkeringen,
in het tweede, derde en vijfde lid bedoeld, blijven overigens de bepalingen
van de Noodwet Ouderdomsvoorziening en van de uitvoeringsvoorschriften
daarvan van toepassing. In het bijzonder wordt hierbij gedacht aan de in de
Noodwet voorkomende bepalingen betreffende herziening en intrekking der
uitkeringen.
Artikel
62 [73]
Het Ouderdomsfonds
zal niet terstond bij het in werking treden der wet over de benodigde gelden
beschikken om de ouderdomspensioenen te kunnen uitbetalen. De premieafdracht van de door de werkgevers van de loontrekkenden ingehouden
premie zal in het algemeen pas na het verstrijken van een kalenderkwartaal
plaatsvinden. Ook met het opleggen van premieaanslagen aan de
niet-loontrekkenden zal enige tijd gemoeid zijn. Artikel 62
[73] bepaalt nu dat
het Rijk aan het Ouderdomsfonds renteloos de gelden voorschiet nodig voor
de uitgaven van het fonds, zolang dat fonds geen voldoende middelen heeft.
Artikel
63 [74]
Na het in werking
treden der voorgestelde verzekering zullen de pensioenen op grond van
artikel 9 [12] van het ontwerp worden aangepast aan het verloop van het
indexcijfer der regelingslonen. Ook gedurende de periode gelegen vóór de
datum van in werking treden van de onderhavige rblz.|70
r.k.|
voorziening kan het indexcijfer der
lonen evenwel wijziging ondergaan. Artikel 63
[74] voorziet in het aanpassen van
de pensioenbedragen aan deze wijziging in het indexcijfer. Daarbij vinden
de regelen, gesteld in artikel 9 [12], voor zover nodig overeenkomstige
toepassing.
Opgemerkt wordt nog dat het in
artikel 63 [74] genoemde indexcijfer per 31 Maart 1955 betreft het
laatst bekende
indexcijfer ten tijde van de vaststelling van de in het wetsontwerp genoemde pensioenbedragen.
Artikel
64 [75]
Dit artikel behoeft
niet nader te worden toegelicht.
De Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
J.G. Suurhoff
De Minister van Financiën,
Van de Kieft
De Staatssecretaris van
Financiën,
Van den Berge
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
Beel
|
|