|
rblz.|10
l.k.|
Kamerstukken II
1954-1955, 4009
Algemene
ouderdomsverzekering
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Historisch overzicht |
| 1.1 |
Eerste pogingen om tot een
ouderdomsvoorziening te geraken |
| 1.2 |
De totstandkoming van de
Invaliditeitswet en de Ouderdomswet 1919 |
| 1.3 |
Pogingen tot verbetering van de
wettelijke regeling |
| 1.4 |
De totstandkoming van een voorlopige
regeling in de vorm van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening |
| 1.5 |
Activiteiten met het oog op de
totstandkoming van een definitieve
voorziening |
| 1.6 |
Het advies van de Sociaal-Economische
Raad |
| 1.7 |
Reacties op het advies van de
Sociaal-Economische Raad |
| 2 |
De les der geschiedenis: een synthese |
| 3 |
Kring
der verzekerden |
| 4 |
Het ouderdomspensioen |
| 4.1 |
Pensioengerechtigde leeftijd |
| 4.2 |
Hoogte ouderdomspensioen |
| 5 |
De middelen tot
dekking der kosten |
| 5.1 |
Kring der premieplichtigen |
| 5.2 |
Eenheidspremie of naar het
inkomen proportionele premie |
| 5.3 |
Het
inkomen waarnaar
premie wordt geheven |
| 5.4 |
Premieheffing van kleine
zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden met geringe inkomsten |
| 6 |
Stelsel van
financiering |
| 7 |
Kosten der
verzekering |
| 8 |
De economische gevolgen van de
invoering der ouderdomsverzekering |
| 9 |
Uitvoering der
verzekering |
| 10 |
Overgangsregeling en aanpassing
bijzondere pensioenregelingen aan de algemene verplichte
ouderdomsverzekering |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 64 |
Algemeen
Het
vraagstuk van de ouderdomsverzekering
speelt reeds tientallen jaren een rol in
de sociaal-politieke geschiedenis van
ons land. De ontoereikendheid van de in
1913 getroffen en op 3 December 1919 in
werking getreden regeling in de Invaliditeitswet deed zich in
versterkte mate gevoelen door de
muntontwaarding in en na de laatste
wereldoorlog. Dat algemeen de
noodzakelijkheid van een ruimere, aan
het rechtsbewustzijn aangepaste,
regeling werd gevoeld, werd wel het
meest sprekend bewezen door het feit
dat in 1947 de Noodwet
Ouderdomsvoorziening, welke blijkens de
considerans in afwachting van de
totstandkoming ener definitieve
voorziening door middel van verplichte
verzekering werd getroffen, zonder
hoofdelijke stemming in de beide Kamers
der Staten-Generaal werd aanvaard,
ondanks de principiële bezwaren welke
tegen de opzet werden aangevoerd. Hoe
zegenrijk de werking van deze Noodwet op
zichzelf ook is geweest, zij vertoont de
typische kenmerken van een noodregeling,
waarbij de ondergetekenden met name
willen wijzen op het veel becritiseerde
systeem van de inkomensaftrek.
Hoewel
de Noodwet Ouderdomsvoorziening van de
aanvang af als een tijdelijke regeling
bedoeld is geweest, heeft deze
tijdelijkheid toch veel langer geduurd
dan oorspronkelijk blijkbaar door de
ambtsvoorgangers van de ondergetekenden
werd verwacht. Het verheugt de
ondergetekenden dat thans een ontwerp
van wet met betrekking tot een algemene
verplichte ouderdomsverzekering aan de
Staten-Generaal kan worden aangeboden.
De
ondergetekenden achten het nuttig om,
alvorens in een bespreking van de
grondslagen van het ontwerp te treden,
een overzicht te geven van de
geschiedenis van de ouderdomsverzekering hier te lande.
1.
Historisch overzicht
1.1. Eerste pogingen om tot een
ouderdomsvoorziening te geraken
De
parlementaire geschiedenis van de
ouderdomsverzekering in ons land kan
geacht worden te zijn aangevangen in
1889. Op 20 April van dat jaar werd
namelijk een wetsontwerp ingediend waarin werd
voorgesteld een staatscommissie te
benoemen welke onder meer de opdracht zou
krijgen gegevens te verzamelen voor de
kennis van de maatschappelijke
toestanden der arbeiders en van de
verhoudingen tussen werkgevers en
arbeiders in de verschillende
bedrijven. Nadat deze wet op 19 Januari
1890 in het Staatsblad was verschenen,
werd de staatscommissie bij Koninklijk besluit van 18 April 1890 ingesteld.
Voorzitter was jhr. mr. W.F. Rochussen.
Deze commissie had dus uitsluitend tot
opdracht om een enquête in te stellen.
In
de Troonrede van 1891 werd onder meer
verklaard dat maatregelen tot
verzekering van het lot van oude of
verminkte werklieden werden ontworpen.
Bij Koninklijk besluit van 29 September
1892 werd een nieuwe staatscommissie
ingesteld, rblz.|10
r.k.|
welker
samenstelling gelijk was aan die van de
hierboven bedoelde, met de opdracht
verslagen uit te brengen aangaande de
werkzaamheden van de eerste commissie en
de voorstellen te doen waartoe het door
die commissie gehouden onderzoek haar
aanleiding mocht geven. In het op 8
Januari 1894 door de commissie-Rochussen
uitgebrachte eindverslag werd onder meer
in
overweging gegeven "de wettelijke
regeling van verplichte verzekering van
werklieden tegen invaliditeit tengevolge
van ouderdom, met geldelijke bijdragen
van de werkgevers, de werklieden en den
Staat, teneinde in dien geest en naar
gelang der ondervinding ten aanzien der
verzekering tegen ongevallen een
wetsontwerp bij de
volksvertegenwoordiging aanhangig te
maken".
Inmiddels
was in het op 29 Juli 1893 uitgebrachte
voorlopig verslag der Tweede Kamer
betreffende een wijziging van de Wet op
de Rijkspostspaarbank de wens te kennen
gegeven dat door de Regering een
wetsontwerp zou worden ingediend om een
Staatsverzekeringsbank als een afdeling
van de Rijkspostspaarbank in het leven
te roepen.
In
de Troonrede van 1894 werd daarop
medegedeeld dat de Regering onder meer het
voornemen had een wetsvoordracht in te
dienen tot het openen der gelegenheid om
door het Rijk gewaarborgde lijfrenten
te verkrijgen. Het lag in de bedoeling
deze gelegenheid niet alleen te openen
voor arbeiders, doch voor de gehele
bevolking, voor zover zij geacht kon
worden daaraan behoefte te hebben. Bij
de openbare behandeling van de
Rijksbegroting voor het jaar 1895 werd
uitvoerig gesproken over de vraag of met
een vrijwillige, algemene regeling, als
door de Regering bedoeld, kon worden
volstaan, dan wel of tot een verplichte
verzekering voor arbeiders diende te
worden overgegaan. Het debat eindigde
met de aanvaarding van een motie-Heldt,
luidende: "De
Kamer, van oordeel: dat verzekering van
het lot van oude werklieden door een
pensioenstelsel wenschelijk is, verzoekt de Regeering te onderzoeken,
op welke grondslagen en op welke wijze
die verzekering zal kunnen en behooren
te worden geregeld".
Gevolg
gevend aan deze motie stelde de Regering
bij Koninklijk besluit van 31 Juli 1895
opnieuw een staatscommissie in, ditmaal
onder voorzitterschap van mr. C.
Pijnacker Hordijk. Deze commissie kreeg
de opdracht te onderzoeken "of naast
de instelling van eene
Rijkslijfrentebank en naast de regeling
der verzekering tegen ongelukken,
maatregelen bij de wet behooren te
worden genomen, om te bevorderen dat
werklieden en met dezen gelijk te
stellen personen, die door ouderdom of
door invaliditeit blijvend ongeschikt
zijn om in hun onderhoud te voorzien,
recht erlangen op geldelijke
uitkeeringen; en bij bevestigende
beantwoording dier vraag één of meerdere
daartoe strekkende wetsvoorstellen met
memorie van toelichting en raming der
geldelijke gevolgen te ontwerpen en aan
Ons in te dienen".
In
haar op 2 Juli 1898 uitgebracht rapport
kwam de commissie tot de conclusie dat
zij in beginsel de verplichte
verzekering zowel tegen invaliditeit
als tegen ouderdom raadzaam achtte, doch
dat zij zich wegens het grote verschil
van mening hetwelk zich in haar midden
had geopenbaard, moest onthouden rblz.|11
l.k.|
van het aanbieden van een wetsvoorstel
met memorie van toelichting.
Vermeldenswaard is nog dat de commissie
ook de vraag verzekering of
staatspensioen in haar beschouwingen
betrok: zij verklaarde zich eenstemmig
tegen staatspensionnering. Aan de
rechtsgrond voor een verplichte
verzekering werden uitvoerige
beschouwingen gewijd. Opmerking verdient dat volgens sommige leden van
de commissie er geen rechtsgrond
aanwezig was om aan één categorie van
burgers, namelijk de werklieden, een
verplichting tot verzekering op te
leggen. Men kon niet inzien met welk
recht de Staat deze verplichting niet
zou uitstrekken tot anderen in wier
belang dit eveneens werd geacht.
Door
anderen werd deze rechtsgrond geacht
gelegen te zijn in het recht van de
Staat om van zijn burgers een waarborg
te eisen dat zij niet armlastig worden,
dat wil zeggen ten laste van het algemeen komen.
Het
duurde tot 13 April 1905 alvorens door
Minister Kuyper een ontwerp "Invaliditeitswet"
werd ingediend. Hierin werd voorgesteld
alle personen die in Nederland werkzaam
waren in een onderneming, in een
inrichting of in een dienstbetrekking,
tegen een loon van niet meer dan ƒ1000,-
per jaar, zodra zij hun 16de jaar
vervuld hadden, te verplichten zich en
hun weduwen het recht op een rente bij
invaliditeit en ouderdom te verzekeren.
De rechtsgrond werd aldus omschreven: "Zij, die behooren tot het groote deel
der bevolking, dat voor eigen en
gezinsonderhoud geheel afhankelijk is
van de opbrengst van zijn in dienst van
anderen verrichten arbeid, moeten in die
opbrengst hun bestaansmiddelen vinden,
niet alleen voor de jaren, waarin zij
arbeiden kunnen, maar ook voor die
andere jaren, waarin zij tengevolge van
duurzame invaliditeit of ouderdom niet
meer tot arbeiden in staat zijn".
Zeer
merkwaardig in dit verband is dat dr.
Kuyper van oordeel was dat er in
beginsel wel een grond bestond om de
arbeider te verplichten zich voor het
geval van invaliditeit een rente te
verzekeren, maar hij zag deze grond niet
voor het verzekeren van een rente bij
het bereiken van een bepaalde leeftijd.
Echter was bij de werklieden sedert
jaren het verlangen levendig naar een
verzekering tegen de oude dag. Om aan
dit verlangen tegemoet te komen, werd de
verplichte verzekering tegen geldelijke
gevolgen van invaliditeit gecombineerd
met de ouderdomsverzekering. Een
verzekering verplicht voor zoveel
betreft invaliditeit, facultatief voor
zoveel betreft ouderdom, zou in de
practijk onoverkomelijke moeilijkheden
opleveren. Hoewel dr.
Kuyper in het
ontwerp uitging van een verzekering
uitsluitend voor loonarbeiders, lag aan
deze beperking blijkbaar geen
principiële overweging ten grondslag.
Immers in zijn "Proeve van
pensioenregeling voor werklieden en huns
gelijken" zegt hij, sprekende over
de met werklieden gelijkgestelden: "en
de overige ouden, wel verre van hierover
(namelijk de voorlopige beperking tot
werklieden) te klagen, zullen later wel
zien, hoe juist deze beweging voor het
werkliedenpensioen tenslotte ook hun
ten goede komt. Wie alles opeens wil,
bereikt niets, en alleen door zulk een
beweging in haar natuurlijk verloop aan
te moedigen en te leiden, komt men
slechts van deze eerste beweging op een
tweede, en zo van lieverlee tot het eind
van zijn weg".
Ook
uit de memorie van toelichting bij het
op 15 November 1904 ingediende ontwerp
Ziekteverzekeringswet blijkt
dat de beperking van de verzekering tot
loonarbeiders bij Kuyper geen kwestie
van principe was. Hij zag slechts geen
kans om een oplossing te vinden voor de
inning van de premie voor de
niet-loonarbeiders.
Het ontwerp
Invaliditeitswet bracht het niet
tot mondelinge behandeling, omdat het
Ministerie-Kuyper als gevolg van de
uitslag der verkiezingen in 1905 plaats
moest maken voor het Kabinet-De Meester,
waarin mr. J.D. Veegens het Departement
onder beheer kreeg waaronder de sociale
verzekering ressorteerde.
Nadat
het ontwerp-Kuyper was ingetrokken,
diende Minister Veegens op 16 October
1907 een ontwerp-Ouderdomswet in, waarin
het stelsel van het ontwerp-Kuyper in
hoofdzaak werd rblz.|11
r.k.|
overgenomen,
echter alleen voor zoveel het de
ouderdomsverzekering betrof. Het
ontwerp beperkte zich uitsluitend tot
deze verzekering, omdat de Minister, wat de
invaliditeitsverzekering betrof, een
onderzoek wilde instellen naar de
uitkomsten daarvan in Duitsland, welke
financieel ongunstig waren.
Uit
de memorie van toelichting blijkt dat
de Regering van oordeel was dat het
algemeen belang vorderde dat niet een
talrijke klasse van personen op
gevorderde leeftijd ten laste kwam van
de bijzondere of openbare armenzorg.
Tussenkomst van de Staat achtte zij
onmisbaar, omdat de arbeiders, zelfs met
steun van hun werkgevers, onmachtig
waren een voor allen geldende
organisatie tot stand te brengen. Het
veranderen van de zedelijke verplichting
van werkgevers en arbeiders om voor de
oude dag van laatstgenoemden te zorgen,
in een wettelijke plicht, was naar haar
mening ten volle gerechtvaardigd door
het algemeen belang. Er werd evenwel
geen grond gezien om personen die niet
uitsluitend hun middel van bestaan
vonden in het loon van hun arbeid in
dienst van anderen, in de verplichte
ouderdomsverzekering op te nemen. Ook
dit ontwerp kwam niet tot openbare
behandeling: het Kabinet-De Meester trad
af en maakte plaats voor het
Ministerie-Heemskerk.
1.2. De totstandkoming van de
Invaliditeitswet en de Ouderdomswet 1919
Met
Minister Talma, die in 1908 in het
Kabinet-Heemskerk de portefeuille van
Landbouw, Nijverheid en Handel kreeg,
begon een nieuw tijdperk in de
geschiedenis der sociale verzekering.
Deze Minister motiveerde de
noodzakelijkheid van een wettelijke
arbeidersverzekering aldus dat de
behoefte aan verzekering tegen
geldelijke gevolgen van ongevallen en de
behoefte aan verzekering tegen de
geldelijke gevolgen die tijdelijke of
blijvende ongeschiktheid tot werken
wegens andere oorzaken voor de arbeider
had, samenhing met de wijziging die de
voortbrenging ondergaan had. "Het is
de taak en het recht der Overheid zorg
te dragen", aldus de Minister, "dat
niet de verhoudingen, die door haar
beschermd en in stand gehouden worden,
voor de burgerij of een deel daarvan
gevolgen hebben, die het rechtsbesef
bij de bevolking ondermijnen en daardoor
het rechtsleven en daarmede haar eigen
bestaan bedreigen". Dat de
bestaansonzekerheid van de arbeider tot
de genoemde gevolgen van onze
maatschappelijke verhoudingen behoort,
behoefde naar zijn mening geen betoog. "Het is in strijd met het rechtsbesef,
wanneer een arbeider, die gearbeid heeft
zoolang hij kan, op het oogenblik, dat
hij niet meer kan werken, aangewezen is
op onderstand van derden. De zedelijke
eisch, dat het loon den arbeider in
staat stelle om te leven met zijn gezin,
moge niet omgezet kunnen worden in een
rechtsbepaling; waar het mogelijk is
recht te vormen, dat de verwezenlijking
van den zedelijken eisch bevordert,
behoort dit niet nagelaten te worden,
wil men de juiste verhouding tussen
zedelijkheid en recht handhaven. En het
behoeft geen betoog, dat, wil het loon
strekken voor den tijd van ziekte, ook
voor den tijd, dat hij, hetzij door
ouderdom, hetzij door algemeene
ongeschiktheid wegens andere oorzaak,
niet werken kan, een opzettelijke
regeling noodig is om dit te verzekeren."
Nadat
het ontwerp-Veegens was ingetrokken,
diende Minister Talma op 5 Mei 1911 een
nieuw ontwerp in, regelende de
verzekering tegen invaliditeit en
ouderdom. Wat zijn materiële inhoud
betreft, stemde dit ontwerp in grote
lijnen overeen met het ontwerp-Kuyper.
Minister
Talma zag de rechtsgrond voor een
verplichte ouderdomsverzekering in de
loondienstverhouding: de krachlens de
verzekering te verstrekken uitkeringen
dienden te worden gezien als uitgesteld
loon. De gehele arbeidersverzekering was
volgens hem eigenlijk niet anders dan "een poging den loonvorm zoodanig te
maken, dat, wanneer iemand gearbeid
heeft, het loon, dat hij ontvangt,
bestaat uit twee deelen, in de eerste
plaats het geld, dat hij mede naar huis
krijgt en waarmede hij zijn huishouden
kan onderhouden, en in de tweede plaats
het geld, dat, omgezet in een premie, in
staat stelt om, wanneer hij invalide
wordt, wanneer hij, hetzij bij ziekte,
hetzij rblz.|12
l.k.|
bij
invaliditeit, hetzij bij ouderdom, niet
meer in staat is te werken, hem te geven
een inkomen uit zijn loon".
Evenmin
als dr. Kuyper bleek echter ds. Talma de
zelfstandigen om principiële redenen
van de verzekering te willen uitsluiten.
Tijdens de debatten in de Tweede Kamer
merkte hij namelijk op dat hij nooit van
oordeel was geweest dat een verzekering tegen de geldelijke
gevolgen van ziekte, invaliditeit en
ouderdom alleen nodig was voor
arbeiders, maar wel dat alleen voor hen
vaststond dat een wettelijke regeling
van hun inkomen, waarbij ook voor
ziekte, invaliditeit en ouderdom hen een
uitkering toekwam, nodig en wenselijk
was.
Ook
tegen dit ontwerp rezen bij de Tweede
Kamer vele bedenkingen. In het verslag
van de Commissie van Voorbereiding werd
medegedeeld dat de Commissie overleg
had gepleegd met de Minister en dat als
gevolg daarvan vele veranderingen in het
ontwerp waren aangebracht. De
voornaamste punten waarover gedachtenwisseling met de Minister had
plaatsgehad, waren:
Verzekering
of staatspensioen
Tegenover
de verzekering voor de oude dag
verdedigden velen het stelsel van
staatspensionnering. Onder "verzekering"
werd verstaan een stelsel waarbij werd
voldaan aan de in artikel 246 van het Wetboek
van Koophandel aan een
verzekeringsovereenkomst gestelde eis:
door of voor de verzekerde wordt een
premie betaald om, wanneer enige
calamiteit hem treft, een uitkering te
ontvangen waarvan de hoogte afhankelijk is van de door of voor hem
individueel betaalde premie.
Onder
staatspensioen wordt verstaan een
stelsel waarbij aan bejaarden van
staatswege een uitkering wordt gegeven
welke uit de algemene middelen wordt
bekostigd, zonder dat daar enige
individuele prestatie in de vorm van
premiebetaling tegenoverstaat.
Dit
laatste stelsel werd door de S.D.A.P. [Sociaal-Democratische
Arbeiderspartij, red.] op
principiële gronden verdedigd, doch
door de Regering bestreden op grond dat
staatspensioen alleen voorzag in de
verzorging van de oude dag, maar niet in
geval van invaliditeit. Voorts zouden de
kosten van staatspensioen een bezwaar
zijn. Ten slotte stond de Regering
principieel op het standpunt dat
eventuele rente verkregen moest worden
uit gereserveerd loon en niet uit
belastingen.
Verzekering
uitsluitend voor arbeiders of ook voor
niet-arbeiders
De
Regering achtte verplichte verzekering
ook voor niet-arbeiders vooralsnog
practisch bezwaarlijk. Zou het later
gewenst blijken deze in te voeren, dan
achtte zij de voorgestelde regeling geen
belemmering om daartoe over te gaan.
Verplichte
of vrijwillige verzekering
Tegen
de verplichte verzekering werden
bezwaren aangeroerd, ook omdat deze in
het ontwerp beperkt werd tot de
arbeiders. De heren De Savornin Lohman
en Van Idsinga dienden op dit punt een
afzonderlijke nota in. Zij bestreden het
stelsel der verplichte
arbeidersverzekering op principiële
gronden: naar hun mening beoogde de
voorgedragen regeling klaarblijkelijk
het bijzondere belang van een bepaalde
klasse in de maatschappij te bevorderen,
aangezien andere burgers die in
dezelfde omstandigheden verkeerden,
uitgesloten werden.
De
Regering antwoordde hierop dat het niet
slechts voor de individuele arbeiders
wenselijk, maar ook uit een
maatschappelijk oogpunt van overwegend
belang was dat in het algemeen de
arbeidsvoorwaarden van personen in
loondienst zodanig werden geregeld dat
mede rekening werd gehouden met hun
behoeften in geval van invaliditeit en
ouderdom. Wilde een zodanige regeling
zijn gewaarborgd, dan moest op
regelmatige en stelselmatige wijze een
deel van het loon, met het oog op die
behoeften, worden gereserveerd. Voorts
achtte de Regering verplichte
verzekering nodig omdat zij van een
vrijwillige ouderdomsverzekering geen
resultaat verwachtte.
Bij
de mondelinge beraadslagingen deelden de
heren Schaper, Hugenholz, Vliegen en
Troelstra mede dat hun fractie
afwijzend stond tegenover het
wetsontwerp. In plaats van rblz.|12
r.k.|
ouderdomsverzekering
wensten zij staatspensionnering, een
voorziening geheel en al op kosten van
de Staat, niet als staatsarmenzorg,
maar als correctief op de nadelen van
het kapitalistische
voortbrengingssysteem.
De
heer Aalberse plaatste zich op het
standpunt van de Regering.
Staatspensioen verwierp hij principieel,
omdat de verplichte verzekering naar
zijn opvatting in wezen niets anders was
dan een wettelijke, gedeeltelijke
regeling van het arbeidsloon. Een
rechtvaardig loon moest zijn het volle
equivalent van de arbeid; alleen dan
voldeed het loon aan de eis van het
recht. En aangezien de waarde van de
menselijke arbeid minstens gelijk moest
zijn aan datgene wat nodig is voor de
noodzakelijke bevrediging van de
levensbehoeften, mocht het loon niet
dalen beneden dit absolute minimum. Dit
was een eis van het recht, dat door de
Staat beschermd moest worden. Tot de
noodzakelijke levensbehoeften behoorde
naar zijn mening niet alleen het
levensonderhoud in de dagen dat men
werken kan, doch ook in die dagen
waarop men door ziekte, invaliditeit of
ouderdom niet meer werken kan. Het
rechtvaardig minimumloon moest dus ten
minste zo hoog zijn "dat de arbeider,
die zijn leven lang arbeidt, daarvoor
voldoende ontvangt om te leven als hij
niet meer arbeiden kan". Daarop had
hij een natuurlijk recht. Wanneer de
Staat dus optrad om door wetgeving dat
recht te verwezenlijken, vervulde hij
zijn plicht van rechtsbescherming. De
verplichte arbeidersverzekering bedoelde
niet anders dan het recht van de
arbeider op een rechtvaardig minimumloon
te verwezenlijken.
Voor
het opleggen van een wettelijke
verplichting tot verzekering van
niet-loonarbeiders liet deze rechtsgrond
geen ruimte.
De
heer Van Idsinga beschouwde het
wetsontwerp als een voorstel tot
invoering van staatspensionnering met
het hatelijke karakter bovendien dat
de pensioenen alleen zouden worden
gegeven aan personen die slechts tot
één der maatschappelijke klassen
behoorden, namelijk de loonarbeiders. Hij kon
zich daarmede niet verenigen.
De heer
Patijn deelde mede voorstander te zijn
van staatspensioen, vooral op deze grond dat, blijkens ervaringen in het
buitenland, de mogelijkheid bestond een
stelsel in te voeren waarvan de
voordelen niet werden beperkt tot een
enkele klasse der maatschappij, de
loonarbeiders, maar ten goede kwamen aan
allen die daaraan behoefte hadden.
De
heer Bos was voorstander van verplichte
verzekering. Hij was echter tegenstander
van het regeringssysteem. Het juiste
systeem zou zijns inziens zijn: het in
het leven roepen van organisaties van
belanghebbenden met zelfbestuur en
zelfcontrôle.
De heer Nolens stond op
het standpunt dat een mens als individu
zijn vrijheid heeft, maar zich als
maatschappelijk wezen beperkingen van
die vrijheid moet laten welgevallen.
Door zijn deelnemen aan het
georganiseerd maatschappelijk leven,
door zijn leven in de Staat, wordt zijn
vrijheid aan banden gelegd. Hoever dat
aan banden leggen moest gaan, daarover
kon men van mening verschillen, maar het
kwam hem voor dat de vrijheid in elk
geval de voorrang moet hebben en dat
beperking daarvan alleen geoorloofd is
wanneer het vaststaat dat dit geschiedt
in het belang van het algemeen. Hoewel
hij dus de voorkeur zou geven aan een
vrijwillige verzekering indien daarmede
hetzelfde bereikt zou kunnen worden,
sprak hij zich niettemin uit voor een
verplichte verzekering en wel op grond
van de volgende vier motieven:
1º. uit
een oogpunt van algemeen belang moest de
verzekering op alle arbeiders
toepasselijk zijn, omdat anders, zoals
de ervaring in het buitenland had
bewezen, een groot deel erbuiten zou
blijven;
2º. de bijdragen die voor het
verkrijgen van de fondsen nodig zouden
zijn en die ook voor een deel door de
arbeiders opgebracht zouden moeten
worden, zouden een blijvend bestanddeel
van het loon dienen te worden;
3º. de
billijkheid tegenover de werkgevers
bracht mede dat voorkomen moest worden
dat sommige werkgevers niet aan hun
zedelijke verplichting zouden voldoen,
waardoor deze in rblz.|13
l.k.|
een
gunstiger concurrentiepositie zouden
komen dan de goedwillende werkgevers;
4º.
de ervaring die in het buitenland met
vrijwillige verzekering was opgedaan,
had uitgewezen dat men juist niet die
groepen bereikte waarvoor de
verzekering in de allereerste plaats was
bedoeld.
Voorts
stond de heer Nolens met de heer
Aalberse op het standpunt dat de
verplichte verzekering beperkt diende te
worden tot de loonarbeiders. Niet alleen
zag hij voor de overige leden van de
bevolking de noodzakelijkheid van een
dergelijke inbreuk op de vrijheid van
het individu niet in, maar hij kon ook
bij de zelfstandigen geen causaal
verband ontdekken tussen ziekte,
invaliditeit en ouderdom en het gemis
van inkomen, zoals bij de
arbeidersklasse. Indien een zelfstandige
door één of andere calamiteit niet meer
kon werken, dan volgde daaruit nog niet dat ook zijn bron van inkomen zou
ophouden te vloeien. En bovendien: door
het optreden als zelfstandige had hij
zelf dit risico op zich genomen.
De
heer De Visser zou de voorkeur gegeven
hebben aan vrijwillige verzekering, doch
aanvaardde de verplichte verzekering
omdat men er met het stelsel van
vrijwillige verzekering niet kwam. Hij
werd in zijn betoog gesteund door de
heer De Savornin Lohman.
De
heer Goeman Borgesius had geen bezwaar
tegen een stelsel van verplichte
verzekering tegen de gevolgen van
invaliditeit, maar tot leniging van de
nood van ouden van dagen wenste hij
staatspensioen.
Op
het ontwerp werd een aantal amendementen
ingediend, welke echter vrijwel alle
werden verworpen; zo verging het onder
andere een amendement van de heer Treub om het
stelsel van eenheidsrenten in te voeren
en één van de heer Duys om de
pensioengerechtigde leeftijd terug te
brengen van 70 op 65 jaar.
Eén
van de belangrijkste amendementen,
eveneens afkomstig van de heer Duys,
werd evenwel overgenomen. In het ontwerp
was geen datum van inwerkingtreding van
de wet genoemd. Wel was bepaald dat de
wet van rechtswege in werking zou treden
uiterlijk binnen drie jaar nadat artikel
357 (het huidige artikel 369) in
werking zou zijn getreden. Wanneer dat
artikel zelf in werking zou treden, was
evenwel niet geregeld. De heer Duys
stelde nu voor om artikel 357, waarin
recht op kosteloze ouderdomsrente werd
toegekend aan personen die bij het in
werking treden van dat artikel 70 jaar
of ouder waren, uiterlijk zes maanden na
de afkondiging van de wet in werking te
doen treden. Minister Talma verklaarde
dat hij ook zelf voornemens was geweest
een dergelijke bespoediging van de
inwerkingtreding te bevorderen en dat
hij daarom het amendement overnam. Van
verschillende kanten werd daarop de
Minister verweten dat hij daarmede
feitelijk het staatspensioen had
aanvaard. Dit werd door de Minister
ontkend. In de Eerste Kamer zei hij
daaromtrent onder meer: "Nu kan men dit toch
eigenlijk geen staatspensioen noemen,
het is een uitkeering van staatswege,
ja, maar het is de noodzakelijke
begeleiding van een uitgave, die geen
ander karakter heeft dan de inkoopsom
van het tegenwoordig geslacht. Een
inkoopsom, niets anders".
Het
ontwerp werd daarna zowel in de Tweede
Kamer als in de Eerste Kamer aanvaard en
verscheen op 5 Juni 1913 in het Staatsblad. De inwerkingtreding van het
artikel omtrent de kosteloze renten
werd bij Koninklijk besluit van 3
December 1913 bepaald.
In
1913 werd het rechtse
Ministerie-Heemskerk opgevolgd door het
linkse Ministerie-Cort van der Linden,
waarin de heer Treub de heer Talma
opvolgde als Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel.
Het
behoeft, gezien de gang van zaken bij de
behandeling van het ontwerp-Talma, geen
verwondering te wekken dat nu een
poging werd aangewend om ook de
niet-loonarbeiders bij de
ouderdomsverzekering te betrekken.
In
haar eerste Troonrede kondigde de
Regering de indiening van een
wetsontwerp aan tot het kosteloos
verlenen van ouderdomsrente aan
behoeftige 70-jarigen die
gedurende een te bepalen termijn geen
ondersteuning genoten van een instelling
rblz.|13
r.k.|
van weldadigheid. De Regering was namelijk
van oordeel de Invaliditeitswet niet
ongewijzigd tot uitvoering te mogen
brengen. De ouderdomsvoorziening door
middel van kosteloze renten was tijdens
de verkiezingen zodanig op de voorgrond
geplaatst dat de kiezers geacht konden
worden daarover een uitspraak te hebben
gedaan. Naar de mening van de Regering
was thans in de Tweede Kamer een
meerderheid gekozen die voorstander was
van staatspensioen.
Minister
Treub diende vervolgens op 6 Februari
1914 een ontwerp van wet in waarin werd
voorgesteld aan ieder die de leeftijd
van 70 jaar had bereikt of overschreden
en behoeftig was, recht te geven op een
kosteloze ouderdomsrente waarvan het
bedrag gelijk was aan dat van de
overgangsbepaling van de
Invaliditeitswet. Voordat dit ontwerp
bij de Tweede Kamer in behandeling kwam,
trad Minister Treub evenwel af, waarna
de verdediging werd overgenomen door de
Minister van Waterstaat, de heer
Lely,
naar wiens Departement de afdeling
Arbeidersverzekering intussen was
overgegaan.
De
voor- en tegenstanders van
staatspensioen zetten nog eens uitvoerig
hun standpunten uiteen. De S.D.A.P.
bleek nog principieel op het standpunt
van staatspensioen te staan. De heer
Sannes verdedigde dit op grond van de zogenaamde "meerwaardetheorie": de
waarde van de door de arbeider
gepresteerde arbeid was groter dan de
daarvoor door hem ontvangen beloning,
welke meerwaarde aan het kapitaal ten
goede kwam. Het was geen gunst, doch een
recht, wanneer de arbeider op zijn oude
dag, wanneer hij niet meer werken kon,
een gedeelte van deze meerwaarde
terugontving.
Het
wetsontwerp werd op 18 Mei 1916 door de
Tweede Kamer aangenomen, doch kwam in de
Eerste Kamer niet in openbare
behandeling, omdat voordien de Tweede
Kamer werd ontbonden en het ontwerp
daarmede, naar de mening van de Eerste
Kamer, op staatsrechtelijke gronden
vervallen was.
Daarop
dienden verschillende leden van de
linkerzijde een volkomen gelijkluidend
ontwerp van wet bij de nieuw gekozen
Tweede Kamer in, hetwelk op 14 Mei 1918
werd aangenomen, doch op 19 Juli 1918
door de Eerste Kamer werd verworpen. In
laatstgenoemde Kamer betoogde de heer
Polak dat de arbeider door zijn arbeid
niet alleen de werkgever, doch de gehele
maatschappij diende. De arbeider
verrichtte derhalve een sociale taak en
het was daarom de plicht van de gehele
gemeenschap en niet alleen van de
werkgevers om hem het leven mogelijk te
maken in de tijd dat hij niet meer
werken kon. Dit kon naar zijn mening
alleen door een stelsel van premievrij
staatspensioen.
Na de verkiezingen van
1918 trad het eerste Ministerie-Ruijs de
Beerenbrouck op. De drie in coalitie
verenigde rechtse partijen hadden de
verkiezingsstrijd onder meer gevoerd om
de Talma-wetten, die in 1913 in het
Staatsblad waren verschenen, doch door
het linkse Ministerie-Cort van der
Linden niet waren uitgevoerd, ten
spoedigste tot uitvoering te brengen.
Minister Aalberse, die de portefeuille
van het Ministerie van Arbeid beheerde,
diende op 20 Juni 1919 een wetsontwerp
in tot wijziging van de
Invaliditeitswet, alsmede een
ontwerp-Ouderdomswet.
In
het eerste ontwerp werd onder meer voorgesteld
de pensioengerechtigde leeftijd te
verlagen van 70 op 65 jaar en het bedrag
van de overgangsrente te verhogen van ƒ2,-
tot ƒ3,- per week.
Het ontwerp Ouderdomswet beoogde de
mogelijkheid tot vrijwillige
ouderdomsverzekering te openen voor
niet-loonarbeiders wier economische
positie met die van arbeiders gelijkstond.
Personen die bij de
inwerkingtreding van de wet 65 jaar of
ouder waren en die geen rente ontvingen
ingevolge de overgangsbepalingen van de
Invaliditeitswet, zouden in het genot
van een kosteloze ouderdomsrente van ƒ3,-
per week worden gesteld, indien zij niet
in de vermogensbelasting waren aangeslagen en hun inkomen beneden een
bepaald bedrag bleef. Personen die bij
de inwerkingtreding van de wet tussen 35
en 65 jaar oud waren en niet onder de
bepalingen van de Invaliditeitswet
vielen, konden zich tegen een verlaagde
premie een uitkering van ƒ3,- per
week op hun 65ste jaar verzekeren, rblz.|14
l.k.|
mits
zij niet in de vermogensbelasting waren
aangeslagen en hun inkomen beneden een
bepaald bedrag bleef. De
administratiekosten, het tekort dat de
verzekerden van 35 jaar of ouder zouden
opleveren, alsmede de gratis uitkeringen
voor degenen die bij de
inwerkingtreding van de wet al 65 jaar
zouden zijn, zouden voor rekening van de
Staat komen. Beide ontwerpen werden
zowel in de Tweede Kamer als in de
Eerste Kamer zonder hoofdelijke stemming
aangenomen. De Invaliditeitswet trad
daarna op 3 December 1919 volledig in
werking, tegelijk met de Ouderdomswet
1919.
1.3. Pogingen tot verbetering van de
wettelijke regeling
Hoewel
dus sedert 3 December 1919 zowel voor de
loonarbeiders als voor de economisch
met hen gelijkgestelden een wettelijke
ouderdomsregeling was getroffen, kan men
moeilijk zeggen dat het vraagstuk van
de ouderdomsvoorziening sindsdien was
opgelost. Het grootste bezwaar was wel
dat de uitkeringen van de reeds in 1913
tot stand gekomen Invaliditeitswet te
laag waren, welk bezwaar steeds
klemmender werd enerzijds door
voortschrijdende geldsontwaarding,
anderzijds door het door de arbeiders
bereikte hogere levenspeil als gevolg
van de door hen verkregen
loonstijgingen. Waren de uitkeringen
reeds in de verhoudingen van 1919 te
laag, in latere jaren stonden zij in
geen enkele verhouding meer tot het loon dat bij pensionnering werd
gederfd.
Reeds
in 1920 werden door de heren Duys en De
Muralt moties bij de Tweede Kamer
ingediend om de uitkeringen te verhogen.
Zij werden evenwel door Minister
Aalberse afgewezen wegens de daaraan
verbonden kosten en daarna door de Kamer
verworpen.
Een
ander bezwaar was dat de kring van
personen die krachtens de
Invaliditeitswet dan wel krachtens de
Ouderdomswet 1919 een ouderdomsrente
konden krijgen te beperkt was.
Langzamerhand kwam men vrij algemeen tot
de overtuiging dat ook de (kleine)
zelfstandigen bij de
ouderdomsverzekering dienden te worden
betrokken. De voorstanders van de "orthodoxe"
verzekering zagen evenwel geen
mogelijkheid om dit te effectueren,
omdat men geen kans zag de individuele
premiebetaling, conditio sine qua non
voor een verzekering, op een
bevredigende wijze te regelen.
Er
waren echter meer bezwaren. Zo ontvangt
de arbeider in het stelsel van de
Invaliditeitswet eerst de maximumouderdomsuitkering wanneer hij van
zijn 16de tot zijn 65ste jaar doorlopend
verzekerd is geweest. Voorts stond
enerzijds als gevolg van de verhoogde
levensstandaard van de arbeiders,
anderzijds door de voortschrijdende
muntontwaarding, het bedrag van de
ouderdomsrente, die reeds van de aanvang
af te laag was afgestemd, langzamerhand
in geen enkele verhouding meer tot het
peil dat men voor een enigszins
behoorlijke ouderdomsvoorziening zou
mogen eisen. Het gevolg van één en ander
was dat het aantal ouden van dagen dat
in behoeftige omstandigheden verkeerde
steeds toenam, waarvoor in het stelsel
van de orthodoxe verzekering geen
remedie was te vinden. Het behoeft dan
ook geen verwondering te baren dat dit
onderwerp in de vooroorlogse jaren bij
vrijwel elke begroting aan de orde werd
gesteld. Niettegenstaande de aanhangers
van de verzekeringsgedachte de aan het
stelsel van verzekering verbonden
bezwaren niet konden ontzenuwen, achtten
zij toch het staatspensioen, hetwelk
als enig alternatief werd gezien, niet
aanvaardbaar. Zij zagen dit
staatspensioen als een vorm van bedeling waartegen zij principiële
bezwaren hadden, omdat e!k stelsel van
gratis uitkeringen de volkskracht zou
ondermijnen. Het was in wezen
staatsarmenzorg en daarom vernederend.
Zij wilden juist de volkskracht verhogen
door het stimuleren van de eigen
verantwoordelijkheid, ook voor de
verzorging van de oude dag, door de
betrokkenen te verplichten in de actieve
periode een bedrag opzij te leggen,
teneinde daaraan het recht op uitkering
op hogere leeftijd te kunnen ontlenen.
Bovendien waren zij van mening dat
staatspensioen een ondraaglijke last op
de gemeenschap zou leggen.
Hoewel
zij zich dus tegen uitkeringen uit de staatskas verzetten, bleek het toch in
de practijk niet mogelijk om hieraan
geheel te ontkomen. Zo werden in de
Invaliditeitswet niet alleen rblz.|14
r.k.|
bepalingen opgenomen op grond waarvan uit de
algemene middelen kosteloze uitkeringen
werden verstrekt aan behoeftige personen die bij de inwerkingtreding
van genoemde bepalingen de
pensioengerechtigde leeftijd hadden
bereikt, doch ook werd een
staatsbijdrage verstrekt in de premie
van degenen die bij de intreding in de
verzekering de leeftijd van 16 jaar
hadden overschreden.
De voorstanders van staatspensioen, die van
mening waren dat alleen door
staatspensionnering een werkelijke
oplossing kon worden gevonden, gaven hun
strijd niet op. Zo werd op 29 November
1927 door de heer Sannes een motie bij
de Tweede Kamer ingediend welke hij
tijdens de behandeling van 22 tot 25 Mei
1928 verving door de volgende twee
moties.
I.
"De Kamer,
van
oordeel, dat een betere voorziening in
den nood van de ouden van dagen dringend
noodzakelijk is; dat daartoe in de
bestaande voorziening de kostelooze
ouderdomsrente (Staatspersioen)
behoort te worden ingeschakeld, en gaat
over tot de orde van den dag."
II.
"De Kamer,
van
oordeel, dat de inschakeling der
kostelooze ouderdomsrente (Staatspensioen) in het stelsel van
ouderdomsvoorziening in dier voege
behoort te geschieden, dat deze
voorziening kome te bestaan uit eene
vereeniging van Staatspensioen,
invaliditeitsrente en door vrijwillige
verzekering, met toeslag van den Staat,
verworven ouderdomsrente, verzoekt de
Regeering de indiening van
desbetreffende wetsontwerpen te
bevorderen, en gaat over tot de orde van
den dag."
In
de toelichting op deze moties werd onder
meer gezegd dat noch verzekering, noch
- wegens de kosten -
staatspensioen
alleen, een behoorlijke
oudedagsvoorziening kon geven, doch dat
dit slechts door een combinatie van
stelsels zou kunnen worden bereikt.
Beide
moties werden bestreden door de heren Smeenk,
Kortenhorst. Kuiper, Snoeck
Henkemans, omdat zij - hoewel erkennende dat verbeteringen in de
Invaliditeitswet en in de Ouderdomswet
noodzakelijk waren - om principiële
en financiële redenen staatspensioen
onaannemelijk achtten. De heer Boon
verklaarde namens zijn partijgenoten
dat zij, hoewel voorstanders van
staatspensioen, aan de motie-Sannes hun
stem niet konden geven, omdat in het
systeem van de heer Sannes
staatspensioen en verzekering samengekoppeld werden en omdat de
kosten van dit stelsel niet te dragen
zouden zijn. De heer Oud verklaarde dat
het standpunt van de Vrijzinnig-Democratische Partij
was dat, om een
doelmatige verzorging van de ouden van
dagen te krijgen, de regeling algemeen
moest zijn, zodat met name geen
scheidingslijn getrokken mocht worden
tussen loonarbeiders en niet-loonarbeiders. Wanneer men de
oplossing wilde zoeken langs de weg van
verzekering, dan moest zij dus omvatten
zowel de loonarbeiders als de
niet-loonarbeiders, maar dan moest
tevens de Staat bereid zijn de premies
voor zijn rekening te nemen voor
diegenen die niet in staat zouden zijn
uit eigen inkomsten die premies te
betalen.
Aldus moest men gaan in de
richting van staatspensioen. Hij wees er
daarbij op dat ook de leden der
rechterzijde in hun verzekeringswetten
telkens bepalingen hadden moeten
aanvaarden die uitsluitend op grond
van het staatspensioen waren te
verdedigen.
Minister Slotemaker
de Bruine verklaarde dat de
Regering niet bereid was tot het
verlenen van kosteloze ouderdomsrenten.
De juiste weg om de ouden van dagen te
helpen, lag naar zijn mening in een
verruiming van de bepalingen van de
Invaliditeitswet en de Ouderdomswet.
De
eerste motie werd daarop verworpen,
waarna de tweede werd ingetrokken.
Van
belang is evenwel dat hier twee dingen
duidelijk naar voren waren gekomen: ten
eerste dat de S.D.A.P. zich niet meer
principieel op het standpunt van
staatspensioen stelde, doch om
practische redenen een combinatie van
verzekering en staatspensioen gewenst
achtte en ten tweede dat thans de
gehele linkerzijde voorstander van
staatspensioen was.
rblz.|15
l.k.|
De
Regering kwam daarop eind 1928 met een
voorstel tot wijziging van de Invaliditeitswet, waarbij
onder meer de
loongrens werd verhoogd, personen die
in aangenomen werk arbeid verrichtten,
doch feitelijk loonarbeiders waren,
alsmede personen die bij wijze van
werkverschaffing waren tewerkgesteld,
onder de werking van de wet werden
gebracht, terwijl voorts voor het
verkrijgen van ouderdomsrente een
gunstiger bepaling werd getroffen voor
personen die op 65-jarige leeftijd niet
voldoende zegels hadden. Dit voorstel
werd door de beide Kamers aanvaard.
Hoewel
hierdoor wel enigszins aan de bezwaren
was tegemoetgekomen, kon toch moeilijk
van een oplossing van het
ouderdomsvraagstuk worden gesproken.
De
strijd ging dan ook onverminderd voort,
zonder echter enig resultaat op te
leveren. Niet alleen werd alle aandrang
tot verhoging van de uitkeringen om
financiële redenen afgewezen, doch ook
het vraagstuk van het brengen der
(kleine) zelfstandigen onder de
verplichte ouderdomsverzekering, dat
door de linkerzijde herhaalde malen aan
de orde werd gesteld, kwam geen stap
verder. Men zag hiervoor namelijk slechts
één oplossing, staatspensioen,
waartegen de rechterzijde zich om
principiële redenen bleef verzetten.
Toch
waren er symptomen waardoor aan het
licht kwam dat de partijen niet meer zo
scherp tegenover elkaar stonden.
Bleek
hierboven reeds dat de S.D.A.P. zich
niet langer op principiële gronden
tegen verzekering verzette, ook uit het
"verzekeringskamp" werd een
geluid gehoord waaruit zou kunnen
worden afgeleid dat ook van die kant de
zaak niet meer zo principieel gesteld
werd.
Minister
Verschuur zeide namelijk bij de behandeling
van de begroting van zijn Departement in
December 1929 onder meer het volgende:
"En
nu wil ik over het beginsel van het
Staatspensioen niet te veel zeggen en
zeker niet te veel slechts. Ik wil niet
de tegenstelling tusschen
Staatspensioen en andere vormen van
verzekering onnoodig verscherpen.
Daarvoor is geen reden. Er is
gelegenheid naar elkander toe te komen.
Aan de eene zijde kan worden toegegeven
dat men op den weg van onverplichte
bijdrage van den Staat reeds een
beduidend stuk heeft afgelegd. Tweemaal
heeft men ook een daad gesteld, maar als
men die zaak interpreteert, zou dat
kunnen worden opgevat als een
"soort"
Staatspensioen. Tweemaal is een
maatregel genomen, waartegenover geen
praestatie van de betrokkenen stond,
maar die maatregelen zijn genomen als
brug, als overgangsmaatregel, als
afronding bij iets anders, en de
meerderheid van de Kamer heeft altijd
gemeend dat het een noodzakelijke
afronding was om een stelsel, dat in
beginsel hooger stond, te doen slagen.
Wanneer
dus een dergelijke bijdrage beschouwd is
als een afronding, een noodzakelijke
hulp, dan geloof ik, dat, als men
anderzijds zou willen erkennen, gelijk
hier is geschied, dat het Staatspensioen
hoogstens als aanvulling van de sociale
verzekering kan gelden, de afstand, die
beide partijen scheidt, niet overdreven
groot kan worden genoemd."
Even
verder zegt hij dan nog: "Men
beschouwt de staatspensionneering op
den dag van heden niet anders dan als
een aanvulling, een onderdeel van de
sociale verzekering".
Ook
in de kringen van de belanghebbenden
zelf werd aan het vraagstuk van de
oudedagsvoorziening de nodige
belangstelling gegeven.
Op
een in 1931 gehouden congres van de
Nederlandse R.K. Middenstandsbond werd
een prae-advies uitgebracht waarin werd
geconcludeerd dat een afdoende
ouderdomsverzorging voor de kleine
zelfstandigen een zaak van algemeen
belang was. Aangezien men evenwel van
mening was dat invoering van een
verplichte ouderdomsverzekering zowel op
theoretische als op practische bezwaren
stuitte en voorts dat staatspensioen
niet aanvaard kon worden zolang niet
gebleken was dat het beoogde doel niet
langs de weg van verzekering bereikt kon
worden, werd gepleit voor een
vrijwillige verzekering met subsidie van
staatswege.
rblz.|15
r.k.|
Ook
een door de Vereniging van de
Christelijke Handels- en Industriële
Middenstand ingestelde commissie gaf in
1932 als haar oordeel dat het verzorgen
van eigen oude dag, door alle
zelfstandigen, een groot maatschappelijk
belang was. De commissie had geen
bezwaar legen een verplichte
verzekering, doch deed op grond van
practische bezwaren geen aanbeveling in
deze richting. Als de meest
aanbevelenswaardige oplossing werd
gezien een regeling welke geheel zou
aansluiten op de bestaande Ouderdomswet
1919, waarbij dan door het Rijk een
bijslag op de premie zou dienen te
worden gegeven.
Een
geheel ander geluid deed de Koninklijke
Nederlandse Middenstandsbond horen. In
1935 werd een door een commissie
uitgebracht rapport aanvaard waarin
onder meer werd gesteld dat een afdoende
verzorging van de oude dag van de kleine
zelfstandigen alleen te bereiken zou
zijn door invoering van een wettelijke
verplichte verzekering. Als rechtsgrond
werd aangevoerd dat het algemeen
belang vorderde dat in de verzorging
van de oude dag van deze groep van
economisch zwakkeren werd voorzien.
Niet
alleen de politieke partijen en de
organisaties van belanghebbenden
schonken aandacht aan het onderhavige
vraagstuk, doch ook de vakbeweging. In
het in 1938 door een commissie uit N.V.V.
[Nederlands Verbond van Vakverenigingen,
red.] en S.D.A.P. uitgebracht rapport over
sociale verzekering werd een apart
hoofdstuk gewijd aan de sociale
verzekering van de middenstand. Ook in
dit rapport werd het standpunt dat de
socialisten ten aanzien van het probleem
verzekering-staatspensioen waren gaan
innemen nog eens duidelijk geformuleerd
in de volgende passage: "Er blijven
echter zeer grote groepen personen over,
die voorlopig nog op geen wijze in een
systeem van sociale verzekering kunnen
opgenomen worden, of voor wie langs de
weg der verzekering geen noemenswaardige
resultaten te bereiken zijn. Deze zijn
alleen door een premievrij
staatspensioen te helpen en dat
staatspensioen moet ook algemeen zijn,
omdat het onredelijk zou zijn van het
genot uit te sluiten die groepen, aan
wier inkomen tenslotte de middelen
ontleend worden, waaruit het
staatspensioen bekostigd wordt, ook al
laat zich niet aantonen dat, op welke
wijze en in welke mate, bepaalde
personen er bij betrokken zijn. Het
staatspensioen is noodzakelijk en daarom
aanvaardbaar, maar het is dat alleen als
algemene basis, waarop werkelijke
pensioenverzekeringen voor alle door
zulke schema's bereikbare personen
kunnen worden opgetrokken. Het
staatspensioen zal niet gemakkelijk een
bevredigende hoogte bereiken, de pensioenverzekeringen, die het zonder
Rijksbijdragen stellen kunnen, blijven
daarom hoofdzaak". Er werd slechts
uitkomst uit de moeilijkheden verwacht
van een algemene verplichte verzekering
tegen geldelijke gevolgen van ouderdom,
invaliditeit, ziekte en ongevallen, ook
voor de kleine zelfstandigen. Voor die
zelfstandigen die niet in staat zouden
zijn de verschuldigde premiën op te
brengen, zou dit bij wijze van
maatschappelijk hulpbetoon moeten
geschieden.
Bij
de behandeling van de begroting van het
Ministerie van Sociale Zaken voor het
dienstjaar 1939 in de Tweede Kamer
bepleitte de heer Van den Tempel nog
eens weer het opnemen van de kleine
zelfstandigen in de verplichte sociale
verzekering en hij diende, teneinde een
uitspraak van de Kamer te verkrijgen,
de volgende motie in:
"De
Kamer,
van oordeel, dat het wenschelijk
is de uitbreiding van de verplichte
sociale verzekering - ongevallen-,
ziekte- en invaliditeits- en
ouderdomsverzekering - tot de kleine
zelfstandigen in overweging te nemen,
noodigt de Regeering uit een
Staatscommissie in te stellen om ter
zake van voorlichting te dienen, en gaat
over tot de orde van den dag."
Nadat
de aanneming van deze motie door
Minister Romme ontraden was, werd zij
door de Kamer met 41 tegen 25 stemmen
verworpen.
Uit het betoog van de
Minister blijkt dat hij er in beginsel
geen bezwaar tegen had om ook de kleine
zelfstandigen in de verplichte
verzekering op te nemen. Hij zag evenwel
bij de rblz.|16
l.k.|
practische
uitwerking veel voetangels en klemmen
liggen, welke moeilijkheden er nu echter
naar zijn mening eenmaal waren om een
poging uit te lokken ze op te lossen.
Minister Romme vroeg zich evenwel
af of een
zaak van zo grote allure door de Kamer
genoegzaam van alle kanten bekeken was
om daarover op dat moment een uitspraak
te doen. Hij achtte dit onderwerp voorts
nog niet in die mate rijp dat verwacht
kon worden dat zij met een staatscommissie binnen een bekwame
termijn de eindstreep zou kunnen halen.
Hij meende daarom dat het door de heer
Van den Tempel beoogde doel niet
gediend zou worden met het begraven van
de zaak in een staatscommissie die
zo'n brede taak zou krijgen dat het
jaren en jaren zou duren voor zij met
haar taak klaar zou zijn.
De
kwestie van de verzekering van
zelfstandigen kwam kort daarop weer
uitvoerig aan de orde in verband met het
op 9 Juli 1938 door de Hoge Raad van
Arbeid uitgebrachte advies naar
aanleiding van het aan die Raad door
Minister Romme voorgelegde voorontwerp
van een kinderbijslagverzekering.
Minister Romme had zich blijkens de
toelichting om redenen van practische
aard
voorshands beperkt tot de loontrekkenden.
De Hoge Raad was na een uitvoerige
gedachtenwisseling met twintig tegen
veertien stemmen van oordeel dat de kleine
zelfstandigen niet onder de kinderbijslagverzekering dienden te
worden gebracht. De tegenstemmers
betoogden dat bij vele kleine
zelfstandigen een dergelijke
noodtoestand heerste dat ingrijpen van
de Overheid niet achterwege kon blijven;
hun inkomen is dikwijls niet hoger, vaak
zelfs lager dan dat van menig arbeider.
Zij behoren dus evenzeer tot de
categorie der maatschappelijk zwakken.
Deze
leden bestreden het argument van degenen die de rechtsgrond voor de
arbeiders gelegen achtten in de
dienstverhouding en dus van oordeel
waren dat een rechtsgrond voor de
kleine zelfstandigen zou ontbreken.
Hunnerzijds wezen deze leden erop dat
bij de verdere ontwikkeling der socialeverzekeringswetgeving dit engere
standpunt meer en meer verlaten was en
een ontwikkeling plaatsgevonden had
die van het strengere
arbeidscontractuele standpunt evolueerde
naar een standpunt dat gekarakteriseerd
kon worden als dat waarbij het in
economische positie met arbeiders gelijkstaan beslissend wordt geacht ten
aanzien van het onder de sociale
verzekering betrokken zijn.
In
het op 30 Maart 1939 verschenen voorlopig
verslag van de Tweede Kamer
naar aanleiding van het op 13 December
1938 ingediende wetsontwerp bepleitten
verscheidene leden uitbreiding van de
voorgestelde regeling tot de
zelfstandigen. Zij wezen erop dat in
verschillende landen, ook in Nederland,
een al krachtiger wordende stroming zich
baan had gebroken voor opneming van deze
groep in de kring der verplicht
verzekerden. Zij zouden daarmede voor
ons land gaarne bij deze gelegenheid een
begin zien gemaakt. Te eerder meenden
zij de wens daartoe te mogen uiten, wijl
zij uit de memorie van toelichting hadden
afgeleid dat de Minister in dit
opzicht geen principiële bezwaren had,
doch dat uitsluitend overwegingen van
practische aard hem deden besluiten de
kinderbijslagregeling tot de
loontrekkenden te beperken.
In
de memorie van antwoord schreef Minister
Romme dat, ondanks enige verbetering in
de situatie, de moeilijkheden welke aan
opneming van de zelfstandigen in de
verplichte verzekering in de weg stonden nog geenszins waren opgelost.
Het
ligt voor de hand dat dit onderwerp bij
de algemene beraadslagingen niet
onbesproken bleef.
De
heer Kuiper verklaarde dat de
Katholieke Kamerfractie zich gaarne
aansloot bij het warme pleidooi voor
opname van de zelfstandigen in de
verzekering. Hij aanvaardde echter de
bezwaren van de Minister, doch drong erop
aan "dat aanstonds en in het
vlotte tempo, dat den Minister eigen is,
het noodige zal worden verricht om ook
de zelfstandigen, zoo spoedig als
doenlijk is, de sociaal-weldadige
beteekenis van den kinderbijslag
deelachtig te doen worden".
De
heer Bakker was er diep van overtuigd
dat ook voor de kleine zelfstandigen een
regeling moest worden getroffen.
rblz.|16
r.k.|
De
heer Drees herinnerde in zijn betoog aan
de motie-Van den Tempel, die tot zijn
leedwezen was afgewezen. "De Minister
heeft gezegd", aldus de heer Drees,
"dat hij geen motie wilde hebben die
een kapstok zou zijn. Wij moeten er nu
des te sterker op aandringen dat de
Minister zonder motie zoo spoedig
mogelijk deze sociale voorziening zal
doen gelden voor allen, die daaraan
sociaal behoefte hebben."
De
heer Smeenk was van oordeel dat een
verplichte regeling voor zelfstandigen
principieel niet zo gemakkelijk te
verdedigen zou zijn.
Een
ander geluid liet de heer Krol horen.
Hij betreurde het zeer dat de kleine
zelfstandigen weer "op de mat"
bleven staan. Hij herinnerde eraan dat
bij de behandeling van de Ouderdomswet
1919 in de Kamer de vrees was
uitgesproken dat de vrijwillige
verzekering van de kleine zelfstandigen
wel eens op een teleurstelling kon
uitlopen.
"Wij
leven nu in 1939 en wat zijn wij
gevorderd op het punt, waarover toen het
debat in deze Kamer ging, namelijk de
ouderdomsverzekering van de kleine
zelfstandigen?"
Uit
de beantwoording van de verschillende
sprekers door Minister Romme bleek dat
hij de rechtsgrond niet zag in de leer
van het rechtvaardige loon, zoals Talma
en Aalberse, waarmede slechts een
verplichte verzekering uitsluitend voor
loonarbeiders te verdedigen viel, doch
in de leer van de rechtvaardige prijs.
In zijn gedachtengang was een prijs
eerst rechtvaardig indien allen die
uit deze prijs de vergoeding voor hun
arbeid moeten ontvangen, dit zijn dus
zowel de loonarbeiders als de overige
bij de productie betrokken personen, een
zodanige beloning voor hun arbeid
verkrijgen dat deze niet alleen
voldoende is voor de tijd dat gewerkt
wordt, doch ook voor de tijd dat door
ziekte, invaliditeit, ouderdom en dergelijke omstandigheden niet kan
worden gewerkt.
Ook
in de Eerste Kamer werd van
verschillende kanten gepleit voor
opneming van de kleine zelfstandigen in
de sociale verzekering.
Het
is in het licht van het bovenstaande
niet verwonderlijk dat de heer Van den
Tempel, die de heer Romme op 10 Augustus 1939 als
Minister van Sociale
Zaken was opgevolgd, reeds spoedig
uitvoering gaf aan de gedachte
neergelegd in de door hem bij de
behandeling van de begroting voor 1939
ingediende, doch door de Tweede Kamer
verworpen motie. Bij Koninklijk besluit
van 1 April 1940 werd namelijk een staatscommissie ingesteld onder
voorzitterschap van mr. dr. J. van
Bruggen, welke de opdracht kreeg advies
uit te brengen over de inschakeling van
de kleine zelfstandigen in de verplichte
sociale verzekering.
In het op 30
September 1942 uitgebrachte eerste deel
van haar rapport gaf de commissie een
uitvoerige beschouwing over de vraag of
er een, en zo ja, welke rechtsgrond
aanwezig is voor de opname van de kleine
zelfstandigen in de sociale verzekering.
Met de grootst mogelijke meerderheid
kwam zij tot de conclusie dat er
inderdaad een rechtsgrond aanwezig is.
Deze rechtsgrond werd als volgt
geformuleerd:
"De
kleine zelfstandigen behooren tot de
groep der economisch zwakkeren; afdoende
verzorging hunner financieele behoeften
bij eigen kinderzegen, ziekte, ongeval,
invaliditeit en ouderdom is derhalve in
het algemeen belang geboden; deze is,
daar het particulier initiatief en de
overheidssteun te kort schoten, op goede
en gewenschte wijze slechts bereikbaar
door verplichte sociale verzekering
tegen die behoeften van dit deel dier
groep."
Het ligt voor de
hand dat
de commissie zich, gezien haar opdracht,
bij het formuleren van een rechtsgrond
tot de kleine zelfstandigen heeft
beperkt.
Het rapport ging vergezeld van
wetsontwerpen waarin de opneming van
zelfstandigen in de
ongevallenverzekering, de ziekengeldverzekering en de
kinderbijslagverzekering was uitgewerkt.
De commissie meende evenwel voorshands
van het doen van een voorstel tot
wijziging van de Invaliditeitswet te
moeten afzien, enerzijds wegens gebrek
aan voldoende statistisch materiaal,
anderzijds omdat zij het niet
uitgesloten achtte rblz.|17
l.k.|
dat
de lnvaliditeitswet toch binnen
afzienbare tijd gewijzigd zou worden.
Een
belangrijke stoot tot het opnieuw
bestuderen van het gehele vraagstuk der
sociale verzekering werd gegeven door
het in 1945 verschenen rapport van de in
1943 door de Regering in Londen
ingestelde commissie-Van Rhijn. De
commissie achtte een zo spoedig
mogelijke herziening onzer socialeverzekeringswetgeving noodzakelijk, in
die zin dat zij diende te worden geünificeerd en uitgebreid tot een
sluitend stelsel van sociale
voorzieningen, hetwelk als organisch
onderdeel ener op hetzelfde doel
gerichte algemene economische en
financiële politiek, tot strekking
heeft de gehele bevolking sociale
zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te
verschaffen.
De rechtsgrond werd als volgt geformuleerd:
"De
gemeenschap, georganiseerd in de Staat,
is aansprakelijk voor de sociale
zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van
al haar leden, op voorwaarde dat deze
leden zelf het redelijke doen om zich
die sociale zekerheid en vrijwaring
tegen gebrek te verschaffen".
In
het licht van de hierboven geschetste
ontwikkeling in de gedachten rond de
kwestie verzekering-staatspensioen kon
in het rapport worden verklaard dat de
begrippen sociale verzekering en
sociale verzorging, waaronder dan
staatspensioen wordt gerekend, in de
loop der tijden de neiging vertonen om
naar elkaar toe te groeien. De enige
maatstaf die ten slotte bij de
beoordeling of een bepaalde regeling tot
de ene dan wel tot de andere categorie
behoort, is volgens de commissie die van
het Internationaal Arbeidsbureau, namelijk:
"...the presence or absence of
the requirement, as a condition for the
grant of benefit, that contribution
should have been paid, by the
prospective beneficiary, or in his
name, into the fund which supplies the
benefit".
Op
het derde congres van de Vereniging van
Raden van Arbeid, gehouden op 26 en 27
Juni 1946 te Amsterdam, is de
rechtsgrond voor de sociale verzekering
uitvoerig aan de orde geweest. Hoewel de
verschillende sprekers vrijwel alle
richtingen vertegenwoordigden, werd
algemeen een uitbreiding van de kring
der verzekerden met de kleine
zelfstandigen, althans voor zover het de
ouderdomsverzekering betreft, bepleit.
Het
ligt voor de hand dat de Regering
welke na de bevrijding van ons land
optrad er behoefte aan gevoelde met de
organisaties van werkgevers en
werknemers in overleg te treden omtrent
de voorstellen van de commissie-Van
Rhijn. De toenmalige Minister van
Sociale Zaken, de heer Drees, vroeg
daartoe het advies van de Stichting van
den Arbeid.
Tegelijkertijd
gaf hij aan een kleine technische
ambtelijke commissie, onder
voorzitterschap van mr. dr. A.A. van
Rhijn, opdracht om uitgewerkte
voorstellen voor herziening en
uitbreiding der sociale verzekering te
ontwerpen. Inmiddels was uit een aantal
nota's van het bestuur van de Stichting
van den Arbeid gebleken dat de
vertegenwoordigers van werkgevers- en
arbeiderszijde in een door de Stichting
speciaal hiervoor in het leven geroepen
commissie onder voorzitterschap van haar
gedelegeerde, prof. mr. B.C. Slotemaker,
in belangrijke mate overeenstemming
hadden verkregen over de hoofdlijnen
ener toekomstige herziening en
unificatie van de sociale verzekering.
Minister
Drees achtte het toen voor een goede en
vlotte gang van zaken gewenst de
werkzaamheden van de technische regeringscommissie te coördineren met
die van de commissie uit de Stichting
van den Arbeid. In overleg met het
bestuur der Stichting werden beide
commissies daarop tezamen gevoegd tot
een zogenaamde Gemengde Commissie, weer onder
voorzitterschap van de heer Van Rhijn,
welke commissie aanvankelijk alleen het
vraagstuk van de oudedagsverzekering zou
bezien, doch later het gehele vraagstuk
van de herziening der sociale
verzekering in studie heeft genomen. Dit
was in September 1947.
rblz.|17
r.k.|
1.4. De totstandkoming van een voorlopige
regeling in de vorm van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening
Het vraagstuk van de oudedagsverzekering
kwam weer in de parlementaire sfeer bij
de behandeling van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening. De bestudering
van het aan de Gemengde Commissie
voorgelegde ingewikkelde probleem
vorderde namelijk meer tijd dan de Regering
verantwoord achtte te laten voorbijgaan,
voor en aleer maatregelen zouden worden
getroffen om in de algemeen erkende nood
van vele ouden van dagen te voorzien.
Het was daarom dat bij koninklijke boodschap van 27 November 1946 bij de
Tweede Kamer een wetsontwerp werd
ingediend waarin een op de
verzorgingsgedachte gebaseerde
noodvoorziening ten behoeve van de ouden
van dagen werd voorgesteld, in
afwachting van een definitieve
voorziening door middel van verplichte
verzekering.
"Uitgangspunt
voor de ontworpen regeling", aldus
de memorie van toelichting, "is
geweest de gedachte dat de voorziening
niet beperkt dient te blijven tot de
ouden van dagen, die in loondienst zijn
geweest, doch dat allen, ongeacht de
plaats, die zij in het maatschappelijk
leven hebben ingenomen, daarvoor in
aanmerking moeten kunnen komen, als hun
financieele omstandigheden het noodig
maken. Deze gedachte strookt met het
voornemen van den eersten ondergeteekende om de
toekomstige, in
voorbereiding zijnde
ouderdomsverzekering niet te beperken
tot de loonarbeiders, doch ook de niet-loontrekkenden daarin op te
nemen."
Het
voornemen van Minister Drees om in de
toekomstige definitieve
ouderdomsvoorziening ook de
niet-loontrekkenden op te nemen, vond in
de Kamers, zoals trouwens na het
voorgaande ook wel verwacht mocht
worden, geen bestrijding. Bij de
mondelinge beraadslagingen in de Tweede
Kamer betuigden enkele leden
uitdrukkelijk hun instemming. Zo
verklaarde de heer Krol dat hij met de
door de commissie-Van Bruggen in haar
rapport vermelde conclusie akkoord ging,
"namelijk dat er inderdaad voor de
Overheid een eigen rechtsgrond aanwezig
is om in ons vaderland langs den weg van
plicht de sociale verzekering in een
algeheel uit te bouwen". En om
daartoe te geraken, zou er naar zijn
mening in principe zelfs geen bezwaar
bestaan dat voor de laagste inkomens de
premie op één of andere wijze door de
Overheid wordt voldaan, terwijl evenmin
in beginsel een differentiatie der
premie in verband met het inkomen
bezwaar behoefde te ontmoeten.
De
heer Hooij zag in het ontwerp het
resultaat van een evolutie in de sociale
verzekeringen. "Stond men vroeger
vrijwel practisch op het standpunt dat
de ratio van de verplichte sociale
verzekering lag in het arbeidscontract,
in het loonarbeider zijn dus, dit
ontwerp ademt den geest en is de eerste
stap in het erkennen van den arbeid zelf
- of deze wordt verricht door een
werknemer of door een zelfstandige - als grondslag voor sociale
rechten."
De
heer Smeenk constateerde dat het
terecht veler begeren was om de kleine
zelfstandigen op te nemen in de kring
der verplicht verzekerden, althans voor
wat betreft de ouderdomsverzekering.
Hij zag echter nog wel technische
moeilijkheden.
Het
bovenstaande wil niet zeggen dat er
geen bezwaren tegen het wetsontwerp
bestonden. Integendeel, van
verschillende zijden werden deze
aangevoerd, zowel tegen het loslaten van
het verzekeringsprincipe als tegen het
stelsel van aftrek van eigen inkomsten.
Alle partijen waren het er evenwel over
eens dat de ouden van dagen op de in
het vooruitzicht gestelde definitieve
regeling op verzekeringsbasis niet
langer konden wachten.
Het ontwerp werd
in beide Kamers zonder hoofdelijke
stemming aangenomen, waarna de wet op 1
October 1947 in werking trad.
Bij
de behandeling van dit wetsontwerp kwam
nog eens weer duidelijk naar voren de
ontwikkeling in de kringen die
oorspronkelijk de gedachte van
staatspensioen voorstonden. Bleek uit de
considerans van het door de Ministers
Drees en Lieftinck ingediende ontwerp
reeds dat de noodvoorziening rblz.|18
l.k.|
werd
voorgesteld "in afwachting van de
totstandkoming eener definitieve
voorziening door middel van verplichte
verzekering", ook in de memorie
van antwoord aan de Tweede Kamer werd
nog eens uitdrukkelijk verklaard dat de
Regering streefde naar een uitbreiding
van de bestaande oudedagsvoorziening
door middel van verplichte verzekering.
De eerste ondergetekende stelt er voorts
prijs op in herinnering te brengen dat
hij bij de openbare behandeling van
bedoeld wetsontwerp in de Tweede Kamer
onder meer het volgende heeft gezegd: "Dat
een definitieve regeling zal uitgaan van
het verzekeringsbeginsel, al zullen ook
daarbij overgangsmaatregelen niet kunnen
worden gemist, achten mijn politieke
vrienden en ik juist. Wij zijn van
oordeel dat een in vrijheid levend volk
het niet zal kunnen stellen zonder een
sterk besef van persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid bij de
groote meerderheid van zijn burgers. En
daar de persoonlijke vrijheid voor ons,
democratische socialisten, het hoogste
goed is, erkennen wij gaarne, dat
voorzieningen in materiële nood, als
het kan, zoodanig getroffen moeten
worden, dat daardoor de persoonlijke
bestaansverantwoordelijkheid niet in het
gedrang komt".
1.5. Activiteiten met het oog op de
totstandkoming van een definitieve
voorziening
Men
zou misschien geneigd zijn te
veronderstellen dat, aangezien door de
aanneming van het wetsontwerp
noodregeling ouderdomsvoorziening in
feite reeds een beslissing werd genomen
voor wat betreft de kring der
verzekerden voor de definitieve
regeling, daarna dus een stilte rondom
deze strijdvraag zou zijn ingetreden.
Het tegendeel is echter het geval
geweest.
In
1947 gaf het bestuur van het Centrum
voor Staatkundige Vorming aan een
commissie onder voorzitterschap van mr.
A.M. Engels de opdracht rapport uit te
brengen over het vraagstuk van de
verplichte ouderdomsverzekering in
verband met de wenselijkheid de
bestaande noodregeling door een
definitieve te vervangen. In haar op 24
Juli 1951 gepubliceerd rapport "Verplichte
ouderdomsverzekering. Grondslagen van
een wettelijke regeling" stelt de
commissie de vraag op welke rechtsgrond
een verplichte ouderdomsverzekering
dient te steunen. Naar het oordeel van
de commissie is het een op het
natuurrecht gefundeerde verplichting van
ieder mens om door arbeid te zorgen voor
het levensonderhoud van zichzelf en de
zijnen. Ook voor de tijd dat hij
tengevolge van ouderdom niet meer in
staat zal zijn door werken in zijn
levensonderhoud te voorzien, behoort de
mens zich alle redelijke inspanning te
getroosten. Nu leert de practijk dat
men er niet gemakkelijk toe komt om geld
te reserveren voor zijn oude dag; zeer
velen schieten in dit opzicht tekort en
zulks niet enkel uit financiële
onmacht. Tengevolge daarvan worden zij,
als zij niet meer kunnen werken en
verdienen, armlastig en komen zij dus
ten laste van de gemeenschap. Deze
omstandigheid nu is het die de Overheid
het recht geeft om aan haar onderdanen
de verplichting op te leggen te sparen,
teneinde daarvan in de jaren dat zij
voor werken te oud zijn te kunnen
leven. Hier wordt gesproken van een
verplichting welke wordt opgelegd door
de Overheid, waarmede de commissie
onder de huidige structuur der
maatschappij de centrale Overheid
bedoelt.
Interessant is dat inmiddels enkele theoretici het
begrip sociale verzekering verder hebben
verdiept. De ondergetekenden doelen
hier op prof. M.G. Levenbach en dr.
G.M.J. Veldkamp.
Eerstgenoemde
omschrijft het begrip sociale
verzekering in "Sociaal
Maandblad", 2de jaargang, nr. 11,
aldus: "Onder
sociale verzekering in de ruimste zin is
te verstaan het geheel van die
instellingen of maatregelen, welke
beogen aan personen, die tot een
bepaalde groepering van economisch
zwakkeren behoren, recht op een zekere
prestatie te verschaffen in geval van
intreden van omstandigheden, welke voor
hen allen als mogelijkheid dreigen en
welke tot gevolg hebben, hetzij dat hun
inkomen (met name in verband met hun rblz.|18
r.k.|
arbeid)
ophoudt of vermindert, hetzij dat voor
hen zeer moeilijk te dragen uitgaven
noodzakelijk worden, hetzij beide".
Niet
essentieel wordt door deze deskundige
geacht dat er verband bestaat tussen
individuele premiebetaling en
individueel uitkeringsbedrag, noch dat
er verband bestaat tussen individueel
premiebedrag en individuele schade- of
uitkeringskans.
In
zijn proefschrift "Individualistische
karaktertrekken in de Nederlandse
Sociale Verzekering" sluit dr.
Veldkamp nauw aan bij de door Levenbach
gegeven definitie. Hij wijkt echter in
één opzicht af, namelijk in zoverre hij
ook aangeeft uit welke bron de middelen
geput moeten worden welke nodig zijn om
de prestaties te verschaffen. Hij acht
deze aanvulling nodig om de sociale
verzekering wél te onderscheiden van de
sociale verzorging. Zijn definitie luidt
dan aldus: "Onder
sociale verzekering of
sociaal-economische verzekering zullen
wij verstaan: het geheel van die
instellingen of maatregelen, welke
beogen, door middel van heffingen op het
inkomen of vermogen van de personen, die
tot een bepaalde sociaal-economische
groepering behoren, aan die personen
recht op een zekere prestatie te
verschaffen, in geval van intreden van
omstandigheden, welke voor hen allen als
mogelijkheid dreigen en welke tot
gevolg hebben, hetzij dat hun inkomen
ophoudt of vermindert, hetzij dat hun
vermogen geheel of gedeeltelijk tenietgaat,
hetzij dat voor hen zeer moeilijk
te dragen uitgaven noodzakelijk worden,
hetzij een combinatie van deze
mogelijkheden".
Dr. Veldkamp acht premiebetaling niet een
conditio sine qua non voor het recht op
uitkering, maar slechts een middel tot
dekking der uitgaven. De aanspraak op
prestaties is primair gebaseerd op het
behoren tot een bepaalde
sociaal-economische groepering en het
optreden der eventualiteit, waaraan
allen gemeenschappelijk onderworpen
zijn.
Zo
vraagt men zich bijvoorbeeld bij de beoordeling
van het recht op uitkering ingevolge de
Ziektewet niet af of de werkgever de
premie heeft betaald, doch of de
arbeider verzekerd is in de zin der wet
en of hij wegens ziekte ongeschikt is
tot het verrichten van zijn arbeid.
In
een inleiding op 23 April 1950 gehouden
voor de subgroep "sociale
verzekering" van de Algemene R.K.
Ambtenarenvereniging over de vraag "staatspensionnering
of ouderdomsverzekering" betrok prof.
Romme bovenvermelde definities van prof.
Levenbach en dr. Veldkamp in zijn
beschouwingen. Hij was het met Veldkamp
eens dat als de middelen maar komen
uit het arbeidsinkomen van de
verzekerden, men terecht van "verzekering" mag spreken
- onverschillig hoe men uit die bron put.
Het karakter van de sociale verzekering
wordt ook naar zijn mening door dit "hoe"
niet aangetast.
De
heer C.J. van Mastrigt verwijst naar
deze inleiding in zijn tijdens de C.H.
Zomerconferentie 1953 gehouden referaat
over "De ouderdomsverzekering in
Nederland". Hij verklaarde met de
conclusies van prof.
Romme in te
stemmen, zonder alles te onderschrijven
wat deze in zijn inleiding heeft gezegd.
Het
rapport van de aan het slot van paragraaf
1.3
besproken gemengde commissie-Van Rhijn
verscheen in Maart 1948.
Wat de kring
der verzekerden betreft, was de
commissie van oordeel dat in beginsel
de sociale verzekering behoorde te
worden uitgebreid tot buiten de kring
der loontrekkenden en dat die
uitbreiding met name de groep der
zelfstandigen diende te omvatten. Op
deze wijze zouden allen die inkomen uit
arbeid genieten bij de verzekering
betrokken zijn. In het algemeen bestond
bij de commissie geen bezwaar dat de
ouderdomsverzekering ook nog het
overige deel der bevolking zou omvatten.
Men was evenwel van oordeel dat de
omvang van de bevolkingsgroep welke
valt buiten de kring der loontrekkenden
en die der zelfstandigen, in verhouding
tot de gehele bevolking betrekkelijk
gering is, zodat een verplichte
verzekering welke én de
loontrekkenden én de zelfstandigen zou
omvatten, geacht kon worden zich
practisch tot het overgrote deel der
bevolking uit te strekken. In overweging
werd evenwel gegeven om in de wet de
mogelijkheid open te laten om de rblz.|19
l.k.|
verzekering
bij algemene maatregel van bestuur
eventueel tot de groep buiten de kring
der loontrekkenden en zelfstandigen uit
te breiden.
Ten
aanzien van de prestaties was de
commissie van mening dat de verzekering
zou moeten voorzien in een op een
noodzakelijk levensminimum gebaseerd
bodempensioen, hetwelk zou kunnen worden
aangevuld met uitkeringen uit de
bedrijfs- en ondernemingspensioenfondsen,
particuliere verzekeringen, e.d. Gaarne
zou zij een ruimere voorziening in
overweging gegeven hebben, ware het niet dat de economische omstandigheden
dit beletten. De commissie zag niet
voorbij dat velen die onder de
toekomstige wettelijke regeling zouden
vallen uitsluitend op de
bodemvoorziening zouden zijn aangewezen.
In verband hiermede diende het
bodempensioen in beginsel niet lager te
worden gesteld dan het bedrag waarmede,
voor zover toen kon worden beoordeeld, in
de primaire levensbehoeften kon worden
voorzien. Ter vaststelling van het
concrete bedrag der ouderdomsuitkering
zou de commissie daarom in beginsel
willen uitgaan van de uitkeringen
krachtens de Noodwet
Ouderdomsvoorziening. In verband evenwel
met de omstandigheid dat de
inkomensaftrek en de
gemeenteklasse-indeling naar het oordeel
van de commissie in de toekomstige
regeling geheel dienden te vervallen,
zou niet dienen te worden uitgegaan van
de absolute bedragen, genoemd in de
Noodwet, doch zou de feitelijke
gemiddelde uitkering krachtens die wet
een richtsnoer moeten vormen voor het
maximumbedrag der definitieve
ouderdomsuitkering.
Het
was in het bijzonder de
overgangsregeling waarbij de commissie
zich voor grote moeilijkheden gesteld
zag. Zou voor de zeer velen waarvoor
nog in het geheel geen
ouderdomsvoorziening werd getroffen en
voor de zeer vele anderen waarvoor de
volkomen onvoldoende regeling van de
Invaliditeitswet gold, geen
overgangsbepaling in het leven worden
geroepen, dan zou eerst na tientallen
van jaren een bevredigende toestand
zijn verkregen, omdat dan eerst
voldoende premie zou zijn opgebracht om
daaraan aanspraak op een volledige
uitkering te kunnen ontlenen. De
commissie gaf in overweging om het
bedrag van het pensioen in de
overgangstijd te stellen op een
percentage van het bodempensioen
krachtens de definitieve regeling. Het
scheen redelijk en gewenst dit
percentage te stellen op 70 ingeval de
uitkering in het geheel niet of nagenoeg
in het geheel niet uit voor de
betrokkene betaalde premiën kon worden
gefinancierd en op een evenredig hoger
percentage in de gevallen waarin de
uitkering gedeeltelijk zou worden
bekostigd door ten behoeve van de
verzekerde betaalde premiën. Hierbij
werd ervan uitgegaan dat ook bij de
overgangsregeling geheel zou worden
afgezien van het toepassen van
inkomensaftrek. Hoelang de
overgangsperiode zou moeten duren, werd
niet concreet aangegeven.
Toen
een wetsontwerp gebaseerd op het
rapport van de Gemengde Commissie
vrijwel gereed was, ontving de
ambtsvoorganger van de eerste
ondergetekende een brief d.d. 8 Juni
1951 van de Raad van Vakcentralen
waarin mededeling werd gedaan van de bij
die Raad levende opvatting met
betrekking tot een aantal hoofdzaken van
een definitieve ouderdomsregeling. De
aandacht werd voornamelijk gevestigd op
een tweetal punten en wel in de eerste
plaats op het probleem van de handhaving
van de koopkracht van de pensioenen en
in de tweede plaats op de wijze van
inning van de premiën.
Vooropgesteld
werd dat een oplossing met betrekking
tot het probleem van de handhaving van
de koopkracht van de pensioenen niet
onafhankelijk van de historische
ontwikkeling in ons land kon worden
gevonden. Er zou naar gestreefd moeten
worden om de bedrijfspensioenfondsen,
die vooral na de bevrijding hun plaats
veroverd hebben, niet alleen een plaats
te geven in de definitieve regeling,
maar er zou bovendien naar gestreefd
moeten worden om voor hen aan wie nog
geen bedrijfspensioen wordt gewaarborgd
een soortgelijke voorziening op korte
termijn tot stand te brengen. De
bedrijfspensioenfondsen zouden op het
kapitaaldekkingsstelsel moeten worden
gebaseerd. Gezocht zou moeten worden
naar een zeker evenwicht tussen beide
stelsels, op zodanige wijze dat
aanpassing rblz.|19
r.k.|
van
het pensioen aan de kosten van
levensonderhoud, althans voor een
belangrijk deel, mogelijk zou zijn.
De
besturen der vakcentralen zagen de
oplossing aldus: voor die bedrijfstakken welke nog geen bedrijfspensioenfondsen kennen, zou
moeten worden overgegaan tot het
verplicht instellen van
bedrijfspensioenfondsen of tot de
verplichte instelling van één
algemeen bedrijfspensioenfonds. In dit
laatste geval zou, natuurlijk onder
zekere voorwaarden, vrijstelling van de
algemene bedrijfspensioenverzekering
mogelijk moeten zijn zodra men in een
bedrijfstak een eigen
pensioenverzekering sticht.
Voor
de zelfstandigen zou de mogelijkheid
moeten worden geopend om zich vrijwillig
bij het betrokken bedrijfspensioenfonds
c.q. het algemeen bedrijfspensioenfonds
te verzekeren. Deze verzekering zou
moeten worden gebaseerd op het
aansprakenstelsel en zou dus een
bepaalde nominale uitkering moeten
garanderen.
De
uitkering van de bedrijfspensioenfondsen
of het algemeen bedrijfspensioenfonds
zou moeten worden aangevuld door de
verplichte volksverzekering, en wel tot
een bepaald percentage van het
gemiddelde arbeidsloon in een bepaald
jaar.
Bij
deze aanvulling zou moeten worden
uitgegaan van een bepaalde wettelijk
vastgestelde minimumuitkering door het
bedrijfspensioenfonds, met andere
woorden, indien enig
bedrijfspensioenfonds een hogere
uitkering dan de wettelijke zou wensen
te verstrekken, dan zou deze hogere
uitkering niet in mindering mogen komen
op de aanvulling krachtens de
volksverzekering. Hierdoor zou in de
eerste plaats bereikt worden dat men
eerder zou willen overgaan tot verhoging
der bedrijfspensioenfondsen en in de
tweede plaats dat op de duur de
uitkeringen krachtens de
bedrijfspensioenfondsen en de
volksverzekering samen een hoger
pensioen zouden kunnen garanderen.
Wat
het tweede punt, de wijze van inning der
premiën, betreft, was de Raad van
Vakcentralen tot de conclusie gekomen
dat de premieheffing voor de
volksverzekering zou moeten geschieden
door middel van een bijdrage welke een
percentage van het inkomen bedraagt. De
aanslag en de inning van de premie voor
de ouderdomsverzekering zou door het
apparaat van de inkomstenbelasting
tegelijk met de aanslag en de inning van
de inkomstenbelasting dienen plaats te
hebben.
Deze
brief van de Raad van Vakcentralen is
mede voor de ambtsvoorganger van de
eerste ondergetekende en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken
aanleiding geweest om op 27 Maart 1952
aan de Sociaal-Economische Raad
advies
te vragen omtrent beginselen, vorm en
omvang van de toekomstige
ouderdomsverzekering.
Bij
het verzoek om advies werden overgelegd
een uitvoerige nota welke - in
hoofdzaak - een nadere uitwerking
bevatte van de grondgedachten van het
advies van de Gemengde Commissie,
alsmede de brief van de Raad van
Vakcentralen.
Intussen
stelde het Centrum voor Staatkundige
Vorming in 1952 opnieuw een commissie
in, ditmaal staande onder
voorzitterschap van prof. mr. W.C.L. van der Grinten, welke de opdracht kreeg
het vraagstuk van de sociale
voorzieningen voor zelfstandigen, voor
zover mogelijk in zijn geheel, in studie
te nemen.
In
het rapport van deze commissie, dat op
19 Mei 1953 het licht zag, onder de
titel "Sociale voorzieningen voor
zelfstandigen", werd als oplossing
voor de oudedagsvoorziening voor
zelfstandigen gezien een regeling in de
trant van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening, gefinancierd uit
de algemene middelen van de Staat. Deze
regeling zou beperkt moeten worden tot
die zelfstandigen die nooddruftig zijn
en die voorts regelmatig als
zelfstandige maatschappelijke arbeid
hebben verricht.
Het
rapport van de commissie werd bestreden
door prof. Romme in het "Katholiek
Staatkundig Maandschrift" van Juli 1953.
Uit het slot van zijn betoog blijkt,
zoals ook reeds rblz.|20
l.k.|
naar
voren kwam bij de behandeling van zijn
ontwerp-Kinderbijslagwet, dat prof. Romme de rechtsgrond voor een
verzekering van zelfstandigen ziet in
de leer van de rechtvaardige prijs:
"Zo
goed als de loontrekkende uit zijn loon,
moet de zelfstandige uit zijn prijs het
onderhoud voor zich en zijn gezin en het
onderhoud voor zijn oude dag kunnen
verdienen. Niet bij wijze van staatsbedeling, maar uit de opbrengst
van zijn werk".
In
een artikel "Middenstand en sociale
wetgeving", opgenomen in het in
1952 door de Katholieke Middenstandsbond in het Bisdom
's-Hertogenbosch uitgegeven gedenkboek
"Een halve eeuw zelfstandige
middenstand in het Bisdom 's-Hertogenbosch", baseert
dr.
W.L.P.M.
de Kort de rechtsgrond voor
verplichte sociale verzekering op de
rechtvaardige verdeling van het
arbeidsinkomen. De premie voor de
sociale voorzieningen vormt een deel van
het arbeidsinkomen en vloeit direct
voort uit de prijs van product of
dienst. Waar nu de prijs voor product en
dienst niet hoog genoeg kan zijn om alle
werknemers individueel een inkomen te
bezorgen, hoog genoeg om op basis van
vrije voorzieningen hun zekerheden te
verwerven, daar is volgens dr.
De Kort
het systeem der collectieve verplichte
sociale zekerheid voor een bepaalde
maatschappelijke groep geschapen. Het
probleem ligt evenwel voor de
zelfstandigen niet anders: "Dat de
prijs hoog genoeg zou kunnen zijn om de
middenstander op basis van
zelfstandigheid voor zijn zekerheden te
doen zorgen, meent niemand".
Ook
in de kringen der
protestant-christelijke politieke
partijen bleef het vraagstuk de
gedachten bezighouden. Zo constateerde
de heer F.H. van de Wetering in zijn
artikel "Sociale voorzieningen voor
zelfstandigen, in het bijzonder de
oudedagsvoorziening" in "Koningin
en Vaderland" van 5, 12 en 19 Juni
1953, dat prof. F. de Roos over de
functie die de middenstand in ons volk
verricht voortreffelijke dingen had
gezegd, die naar zijn gevoelen dan ook
als rechtsgrond konden dienen voor het
feit dat de Overheid mede
verantwoordelijkheid voor de verplichte
sociale verzekering voor zelfstandigen
moet dragen. Gedoeld werd op de rede
die prof. de Roos op 6 September 1950
heeft gehouden voor de Christelijke
Middenstandsbond, waarin onder meer werd
betoogd dat het dragen van risico en
het uitoefenen van de ondernemersfunctie
twee geheel verschillende functies
zijn, die in principe in het
bedrijfsleven door verschillende
groepen van personen kunnen worden
uitgeoefend. Volgens de heer Van de
Wetering voegt de handel precies zoals
de industriële en de agrarische
producent waarde aan de goederen toe en
voor deze toevoeging van waarde ontvangt hij een beloning, die dus ten
volle het karakter van oorspronkelijk
inkomen draagt. In dit inkomen ligt het
element verzorging van de oude dag
besloten. Het interessante van de
zienswijze van prof. De Roos is, aldus
de heer Van de Wetering, dat hij ook de
loontrekkende en anderen risicodragers
noemt en daarmede een oud stokpaardje
ineens op stal heeft gezet.
In
deze gedachtengang achtte de heer Van de
Wetering het verstaanbaar dat tegen het
opnemen van zelfstandigen in een geheel
de bevolking omvattend stelsel van
sociale zekerheid geen principieel
bezwaar behoefde te worden gemaakt.
"Immers, het gaat bij de sociale
zekerheid slechts om het vinden van
gemeenschappelijke dekking tegen
bepaalde ongunstige levenskansen die
met de eigenlijke maatschappelijke
functie van de betrokkenen geen verband
houden, doch in het wezen van mens en
maatschappij besloten liggen. Bovendien
gaat de sociale zekerheid niet verder
dan het waarborgen van een minimum aan
bestaanszekerheid, zodat gevaar voor het
wegnemen van de prikkel der individuele
inspanning, bij een verstandig beleid,
niet behoeft te worden geducht".
De
heer C.J. van Mastrigt kwam in zijn
referaat gehouden tijdens de C.H.
Zomerconferentie 1953, na onder meer te hebben
opgemerkt dat het uitgesloten zou zijn
de definitieve voorziening te beperken
tot de loontrekkenden, nu alle
Nederlanders, mits zij behoeftig zijn,
van de noodwet kunnen profiteren en
voorts rblz.|20
r.k.|
dat
niemand, hoe goed gesitueerd ook, van te
voren weet of hij op 65-jarige leeftijd
toch niet een beroep op de gemeenschap
zal moeten doen, tot de conclusie dat
de verplichte ouderdomsverzekering voor
allen zal moeten gelden die inkomen uit
arbeid en/of vermogen genieten.
Als
voorbeeld van hetgeen op dit gebied aan
werkgeverszijde leeft, mogen de
ondergetekenden voorts nog de aandacht
vestigen op het in September 1952
gepubliceerde "Rapport
ouderdomsvoorzieningen" van het
Centraal Sociaal Werkgeversverbond [C.S.W.V.,
red.]. In
dit rapport wordt gesteld dat de
Overheid niet alleen als taak heeft erop toe te zien dat voor een ieder de
mogelijkheden worden opengehouden de
zorg voor zichzelf en zijn gezin te
effectueren en de behulpzame hand te
bieden aan degenen die zichzelf niet
kunnen helpen, doch de plicht heeft te
bevorderen dat de leden van de
gemeenschap maatregelen treffen ter
voorziening, althans in de eerste
levensbehoeften, op de oude dag en van
de nagelaten betrekkingen.
Maar
ook al zou men hierin geen voldoende
rechtsgrond kunnen zien voor een
wettelijke verzekering, dan nog nopen de
omstandigheden ertoe, aldus het rapport,
deze toch tot stand te brengen. Juist de
behoefte om zich zoveel mogelijk tegen
muntontwaarding te wapenen, maakt
onvermijdelijk dat de Overheid een
wettelijke ouderdomsverzekering
organiseert waarin de deelneming
verplicht wordt gesteld. Alleen reeds
redenen van techniek nopen naar de
mening van het C.S.W.V. tot de
aanvaarding van een wettelijk verplichte
ouderdomsverzekering, ongeacht welke
overwegingen van wijsgerig-maatschappelijke aard men
daaraan overigens ten grondslag zou
willen leggen.
Omtrent
de kring der verzekerden wordt dan
verder nog gezegd dat wanneer men ervan uitgaat dat de Overheid de taak
heeft de zelfverantwoordelijkheid der
burgers te bevorderen, maar daarnaast
geroepen is collectief de bevolking ertoe te brengen gemeenschappelijk de
verzekering te organiseren om te
voorkomen dat naderhand wellicht een
beroep op armenzorg moet worden gedaan,
daaruit dan principieel volgt dat allen
tot deze nationale verzekering moeten
worden toegelaten. Een voorziening als
de onderhavige werkt immers op zulke
lange termijnen dat niemand of nagenoeg
niemand kan zeggen nooit in de situatie
te zullen verkeren dat geen beroep op
armenzorg behoeft te worden gedaan.
1.6. Het advies van de Sociaal-Economische
Raad
Het
advies van de Sociaal-Economische Raad
[S.E.R., red.] werd op 26 Februari 1954 vastgesteld en
kort daarop, vergezeld van een
minderheidsnota, aan de Regering
aangeboden. Aangezien de leden van de
Staten-Generaal ook in het bezit van dat
advies zijn gesteld, mogen de
ondergetekenden er mede volstaan hier
slechts enkele hoofdzaken van het advies
aan te stippen. Zij bepalen zich daarbij
eerst tot het standpunt van de
meerderheid om daarna de opvatting te
bezien, neergelegd in de door enkele
leden van de Raad uitgebrachte
minderheidsnota.
Na
te hebben aangetoond dat relatief veel
bejaarden wegens onvermogen,
voortvloeiend uit hun maatschappelijke
positie, onderschatting van toekomstige
behoeften, waardedaling van het geld,
nalatigheid of welke andere oorzaak dan
ook, niet in staat zijn in hun onderhoud
te voorzien indien zij zich wegens
gevorderde leeftijd geen inkomen meer
kunnen verwerven, spreekt de Raad uit
dat het algemene morele besef met
betrekking tot de naaste reeds vereist
dat in de hierdoor ontstane nood wordt
voorzien. Indien echter het ontbreken
van een inkomen op de oude dag een
algemeen maatschappelijk verschijnsel
wordt, heeft de centrale overheid - zo
de Raad - de plicht tot ingrijpen,
niet alleen tot het wegnemen van de
nood. Zij heeft evenzeer tot taak de
maatregelen te treffen welke voorkomen
dat een dergelijke situatie kan
ontstaan.
In
aansluiting aan de historisch gegroeide
ontwikkeling in ons land kan naar het
oordeel van de Raad ook de wettelijke
ouderdomsvoorziening het best in de vorm
van een verplichte verzekering
geschieden.
De
Raad geeft aan deze vorm de voorkeur,
omdat daarin zowel het beginsel van de
eigen verantwoordelijkheid als dat rblz.|21
l.k.|
van
de gezamenlijke verantwoordelijkheid van
allen die aan een gelijksoortig risico
zijn onderworpen tot uitdrukking komt,
zij het dat de plicht tot het bijdragen
in de kosten en het verband tussen de
rechten en het al of niet nakomen van de
door de verzekering opgelegde plichten
op verschillende manieren tot
uitdrukking kunnen worden gebracht.
Uit
het bovenstaande volgt dat de Raad van
mening is dat de overheid mag ingrijpen
door het opleggen van een
verzekeringsplicht welke de
individuele vrijheid beperkt. Voor de
meerderheid van de Raad is dit een
rechtstreeks uitvloeisel van haar
standpunt dat de zorg voor de oude dag
primair berust op de belanghebbenden
zelf, die de plicht hebben in het
onderhoud van zichzelf en hun gezin te
voorzien, ook voor de periode dat zij
zich geen inkomen meer kunnen verwerven.
Nu blijkens de ervaring deze
verplichting door velen niet wordt
nagekomen of niet kan worden nagekomen,
heeft de overheid als behartigster van
het algemeen belang naar het oordeel van
de meerderheid het recht en de plicht de
nodige maatregelen ter effectuering van
deze plicht door belanghebbenden te
treffen. De verplichte sociale
verzekering, die immers mede berust op
de eigen verantwoordelijkheid van
belanghebbenden, acht zij in de huidige
omstandigheden de meest aangewezen vorm
voor dit ingrijpen.
Een
aantal andere leden acht in een
onbevredigende sociale situatie van een
bevolkingsgroep reeds een voldoende
grond gelegen voor overheidsmaatregelen
tot het wegnemen daarvan. Dit op de
verantwoordelijkheid van de gemeenschap
voor het welzijn van zijn leden
berustende ingrijpen kan, naar het
oordeel van deze leden, verschillende
vormen aannemen. Gegeven de historisch
gegroeide verhoudingen geven ook deze
leden de voorkeur aan een
ouderdomsverzekering boven een andere
vorm van ouderdomsvoorziening.
Naar
de mening van de Raad dient een
verplichte ouderdomsverzekering voor
alle ingezetenen, ongeacht hun
nationaliteit en ongeacht de bron en de
hoogte van hun inkomen, tot stand te
komen.
De
verzekering zal aan ieder die de
65-jarige leeftijd heeft bereikt een in
beginsel gelijk bodempensioen moeten
geven dat enige procenten boven het
niveau van de uitkering krachtens de
Noodwet Ouderdomsvoorziening zal moeten
liggen. Toepassing van een
gemeenteclassificatie wordt niet op haar
plaats geacht. Voor die loontrekkenden
die niet krachtens de voor hen geldende
arbeidsvoorwaarden rechten op een andere
ouderdomsvoorziening naast het wettelijk
bodempensioen kunnen doen gelden, zal
het ouderdomsgedeelte van de
Invaliditeitswet gehandhaafd dienen te
blijven.
De
pensioenaanspraken zullen, naar de
mening van de Raad, op een dergelijke
wijze in de wet dienen te worden
vastgelegd dat de reële waarde van de
pensioenen geen andere wijzigingen
ondergaat dan die welke overeenkomen
met de wijzigingen in de algemene
welvaart.
De
premie zal moeten bestaan uit een
percentage van het inkomen en voor
rekening van de verzekerde komen. Geen
premie zal verschuldigd zijn over het
inkomen boven ƒ6000.- dan wel boven het
bedrag hetwelk bij een unificatie van
de inkomensgrenzen voor de verschillende
sociale verzekeringen zal worden
vastgesteld. Voor de zelfstandigen wordt
geadviseerd om, in verband met te
verwachten moeilijkheden bij de inning
der premie, bij een inkomen tot een
zekere grens (bijvoorbeeld ƒ2000,- bij gehuwden)
van premie-invordering af te zien en bij
daarbij aansluitende inkomens tot aan
een tweede grens (bijvoorbeeld ƒ3000,- bij
gehuwden) een toenemend percentage der
premie in te vorderen. Het
niet-ingevorderde deel der premie zal
voor rekening van de overheid dienen te
worden genomen. In verband met de wijze
van premievaststelling zullen degenen
die zelf niet over inkomen beschikken
van premiebetaling zijn vrijgesteld.
Wat
het financieringsstelsel betreft,
spreekt de Raad zich uit voor het
omslagstelsel, zowel op grond van
algemene economische redenen als op
grond van de overweging dat bij
wisselende nominale pensioenaanspraken
het kapitaaldekkingsstelsel geen
doelmatige financieringsmethode is.
De
uitvoering van de verzekering zal
centraal dienen te rblz.|21
r.k.|
geschieden
door een onder toezicht van de Sociale
Verzekeringsraad staand zelfstandig
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam,
met dien verstande dat de vaststelling
en de inning van de premie niet door dit
lichaam, doch door de belastingdienst
zal dienen te geschieden. De apparatuur
van de Rijksverzekeringsbank zou in het
door de Raad gewenste uitvoeringsorgaan
kunnen worden geïncorporeerd.
Uit
de bij het S.E.R.-advies overgelegde
minderheidsnota, ondertekend door de
professoren W.C.L. van der Grinten,
M.J.H.
Smeets en F.J.H.M. van der Ven, blijkt dat het belangrijkste verschil
tussen meerderheid en minderheid in de
S.E.R. is dat de laatste slechts een
rechtsgrond aanwezig acht voor een
verplichte verzekering van loonarbeiders
en derhalve niet voor de
niet-loontrekkenden. Ten aanzien van hun
opvatting over de inhoud van het begrip
"rechtsgrond" wordt in de nota
verwezen naar de desbetreffende
beschouwingen in het rapport "Sociale
voorzieningen voor zelfstandigen",
uitgegeven door het Centrum voor
Staatkundige Vorming, hetwelk in de
vorige paragraaf met de daarop geleverde
critiek ter sprake is gekomen.
Voor
een optreden van de overheid ten aanzien
van zelfstandigen bestaat naar het
oordeel van de ondertekenaars van de
minderheidsnota in beginsel slechts
aanleiding voor zover het zelfstandigen
betreft die niet in staat zijn zelf
voor een ouderdomsvoorziening zorg te
dragen. Evenals in vermeld rapport van
het Centrum voor Staatkundige Vorming
wordt ook hier voorgesteld bedoelde
zelfstandigen te helpen door een
regeling in de trant van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening.
1.7. Reacties op het advies van de
Sociaal-Economische Raad
Het
ligt voor de hand dat een zo uitermate
belangrijk rapport als dat van de S.E.R.
over de
toekomstige ouderdomsvoorziening
allerwege in den lande de aandacht
heeft gekregen die het verdient.
Afgaande op de reacties die het heeft
opgeroepen, kan geconstateerd worden
dat het standpunt van de meerderheid van
de Raad bij een zeer grote meerderheid
van de politieke en maatschappelijke
groeperingen van onze bevolking
instemming heeft gevonden. De oude
strijdvraag verzekering of
staatspensioen is hierbij uiteraard niet
onbesproken gebleven. Het standpunt van
de minderheid van de Raad heeft vooral
van rooms-katholieke zijde zowel
instemming als bestrijding gevonden. De
ondergetekenden mogen hier enkele
reacties de revue laten passeren.
De
schrijver van de rubriek "Ten
geleide" in "De Volkskrant" van 12
Maart 1954 zegt, na te hebben opgemerkt
dat een sociale verzekering daar op haar
plaats is waar men in verbondenheid
leeft en zijn risico's in verbondenheid
wil dragen, niet veel, of beter helemaal
geen verschil te zien tussen
loontrekkenden en zelfstandigen wat
betreft het risico voor de oude dag. Ook
wat de verplichting tot het opleggen van
de verzekering aangaat, ziet de
schrijver geen verschil tussen
loontrekkenden en zelfstandigen.
Inderdaad neemt de zelfstandige in het
productieproces een wezenlijk andere
positie in dan de loontrekkende. Dit
zegt echter niets omtrent de sector der
inkomensbesteding waar het hier om
gaat. Hierin zijn de zelfstandigen even
vrij als de arbeiders en hebben zij
dezelfde verplichtingen. Hier is
principieel geen verschil.
De
bezwaren van de Tilburgse hoogleraren
lijken de schrijver dan ook niet van die
aard dat de regeling die de S.E.R. aan
de Minister adviseert ook maar ergens
in tegenstelling zou zijn met de
katholieke maatschappijbeginselen. In
tegendeel, het betekent een belangrijke
winst dat de verzekeringsgedachte en de
solidariteitsgedachte, persoonlijke
verantwoordelijkheid en onderlinge
verbondenheid de basis uitmaken van wat
hij hoopt dat zal zijn: de toekomstige
zekerheid voor de ouden van dagen.
Volgens "De Maasbode" van 11 Maart 1954
lijkt het standpunt van de meerderheid
van de S.E.R.
het enig mogelijke
uitgangspunt voor een onmiddellijke en
afdoende wettelijke regeling rblz.|22
l.k.|
welke
aanvaardbaar zal zijn - zij het hier
en daar wel wat erg onder voorbehoud - voor de meerderheid van ons volk.
In het
nummer van 23 Maart 1954 van hetzelfde
blad wordt evenwel gezegd dat het
minderheidsvoorstel een nadere
uitwerking zou verdienen, opdat zou
kunnen blijken of de daartegen
aangevoerde practische bezwaren wel
steek houden. Mochten de bezwaren gering
uitvallen, dan zou het blad er de
voorkeur aan geven de zelfstandigheid
van de zelfstandigen te respecteren en
niet tal van mensen te dwingen tot iets
waaraan zij geen behoefte hebben. Dit
zou ook de consequentie zijn van het
betoog van "De Katholieke
Werkgever", welk blad zich echter
op grond van andere argumenten in
beginsel aansluit bij het standpunt van
de meerderheid van de S.E.R.
Het
door "De Maasbode" aangehaalde blad "De
Katholieke Werkgever" schrijft in
zijn nummer van 20 Maart 1954 dat het
zich in zekere zin de in de
minderheidsnota ontwikkelde argumentatie
zeer wel kan indenken, doch op twee
punten een andere mening huldigt.
Enerzijds gelooft het blad dat het beroep op
solidariteit dat aan de
geprojecteerde sociale verzekering ten
grondslag ligt zijn steunpunt vindt in
het gemeenschapsbesef in de groep van
allen die op volwaardige wijze aan het
productieproces deelnemen en niet in een
dergelijk besef in de groepen van
loontrekkenden en zelfstandigen
afzonderlijk. Anderzijds meent het dat
de realiteit der onvoldoende eigen
zorg, welke het verplichtingskarakter
van een bodempensioen schraagt, eveneens
bij de zelfstandigen wordt aangetroffen.
Het
blad sluit zich van harte aan bij de
enkele leden van de S.E.R. die het
standpunt dat geen vrijstelling van
enige groep van de verzekeringsplicht
moet worden gegeven, baseren op de
overweging dat door het vrijstellen van
individuen of groepen deze zich zonder
meer zouden onttrekken aan het
solidariteitselement, hetwelk in een
stelsel van sociale verzekering aanwezig is, terwijl bovendien het
vrijstellen van deze individuen of
groepen op grote
administratief-technische bezwaren kan
sluiten.
In A.R.-kring heeft het advies van de S.E.R.-meerderheid
bestrijding gevonden door mr. W. Aantjes
in "Anti-RevoIutionnaire
Staatkunde" van October 1954. Deze
schrijver baseert zijn standpunt
grotendeels op uitlatingen die 40 tot
50 jaar geleden door Talma en Kuyper
zijn gedaan. Hij ziet de sociale
verzekering nog steeds in de volgens hem
"klassieke" zin dat er een
verband moet bestaan tussen de hoogte
der uitkering en de te betalen premie,
"hetgeen een wezenlijk kenmerk van
elke verzekering is". Uit de totale
premieopbrengst - aldus mr. Aantjes - wordt een bedrag
uitgekeerd dat,
behalve van andere factoren, ook
afhankelijk is van de betaalde premie.
De individuele uitkering staat in een
bepaalde verhouding tot de individuele
premie. Het is goed daarop te letten, nu
in onze tijd een begrip verzekering
wordt geïntroduceerd dat met het
gebruikelijke begrip nauwelijks iets
meer dan de naam gemeen heeft, doch (wat
de ouderdomsverzekering betreft)
materieel meer overeenkomst vertoont met
wat wij gewoon zijn met de naam
staatspensioen aan te duiden.
In
hetzelfde nummer van hetzelfde
tijdschrift schrijft prof. dr. J.P. van
Rooyen evenwel dat indien men als
criterium stelt dat van een verzekering
in de eigenlijke zin alleen dan sprake
is indien de betrokkene de actuarieel
te becijferen premie zelf betaalt, het
door de S.E.R. geprojecteerde schema in
genen dele als een ouderdomsverzekering
kan worden beschouwd. Verlegt men
daarentegen het zwaartepunt van de
premiën naar de uitkeringen en stelt
men dat het verlenen van
pensioenaanspraken beslissend moet
worden geacht, dan valt niet te
ontkennen dat het plan van de S.E.R.
een ouderdomsverzekering omvat.
In
het referaat getiteld "De komende
ouderdomsvoorziening", hetwelk de
heer A.W. Biewenga Wzn. hield op de
partijconferentie van de Anti-Revolutionnaire Partij op 13 en 14
October 1954, werd uiteraard ook aan dit
vraagstuk aandacht geschonken. In zijn
inleiding stelde de referent onder
meer dat
de Anti-Revolutionnaire Partij wil zijn
een partij die staat midden in het
leven van het volk, waarmee zij het
contact rblz.|22
r.k.|
niet
wil en mag verliezen; een partij die
ten volle wil rekening houden met de
veranderingen die zich voltrokken in de
periode die achter ons ligt en die
thans bezig zijn zich te voltrekken. Uit
de rest van het betoog blijkt dat de
heer Biewenga de door de S.E.R.
aanbevolen regeling als een "verzekering"
kan aanvaarden, onder voorbehoud dat de
kring der verzekerden dezelfde is als de
kring der premieplichtigen. Hij heeft
daarom in het algemeen bezwaar tegen het
voorstel van de S.E.R. om degenen die
geen inkomen genieten en dus geen premie
kunnen betalen, in de verzekering op Ie
nemen. Hij wil hierbij een zo ruim
mogelijk standpunt innemen, maar de
eenvoud van de voorgestelde voorziening,
welke ook hij als één van de
aantrekkelijke dingen ziet, wordt zijns
inziens te ver doorgedreven.
Het
dagblad "Trouw" gaat nog een
stapje verder en aanvaardt de door de
S.E.R. aanbevolen regeling zonder enig
voorbehoud als een verzekeringsstelsel.
Het blad schrijft namelijk op 13 Maart 1954
in een beschouwing over het S.E.R.-advies onder
meer
het volgende: "Het
is dus een verzekering en het is geen
staatspensioen, maar het is een
verzekering waarbij het totaal der
premiën betrekking heeft op het totaal
der thans bestaande
pensioenverplichtingen. De premie van
een individu heeft niet meer betrekking
op het pensioen van dat individu. De
voordelen van het stelsel zijn
duidelijk: er komt een bodempensioen
voor iedereen. De Noodwet gaat
verdwijnen. Het verzekeringsstelsel
wordt gehandhaafd. Het volk als geheel
verzekert het volk als geheel".
In "De Volkskrant" van 12 Maart 1954
zegt voorts de schrijver van de rubriek
"Ten geleide" onder meer dat de
bezwaren, alsof de voorgestelde gang van
zaken toch een verkapt systeem van
collectivistische verzorging zou zijn,
hem niet erg veel zeggen. "Er is
daarvoor te bewust en te duidelijk naar
het verzekeringssysteem gestreefd. Voor
loontrekkenden wordt bijvoorbeeld de
premie niet eens gedeeltelijk door de
werkgever en de werknemer betaald, maar
geheel door de werknemer; een
formaliteit als men wil, maar toch wel
een die iets zegt. Voor de jaren dat
geen premie geïnd wordt, wordt het
toekomstig ouderdomspensioen met twee
percent verminderd. Voor hen, die geacht worden de premie niet te kunnen
opbrengen, bij voorbeeld voor de
zelfstandigen, die niet tot een
jaarinkomen van ƒ2000,- komen, zal
de slaat de premie moeten betalen. Deze
factoren wijzen er wel op dat wij hier
niet met een bestemmingsbelasting te
maken hebben."
In "De Verzekeringsbode" van 26
Maart 1954 schrijft prof. dr. M. van
Haaften dat de manier waarop de
begrippen verzekering en premie in het
advies van de S.E.R.
worden gehanteerd
volkomen in overeenstemming is met de
Wet op het Levensverzekeringsbedrijf
1922. Om in de trant van deze wet van
verzekering te kunnen spreken, is het
niet nodig, aldus prof. Van Haaften,
"dat
er verband bestaat tussen de hoogte van
de uitkering, die een verzekerde
ontvangt, en de premie, welke hij heeft
betaald, zelfs niet dat hij zelf
überhaupt enige premie heeft betaald".
Volstrekt
tegengesteld aan deze opvatting is wat prof.
mr. P.J. Oud in "Elsevier"
van 10 April 1954 schrijft, namelijk dat het
"verzekeringsstelsel" van de S.E.R.
uit verzekeringsoogpunt maar een
wonderlijk geval is. Er wordt wel
gestreefd naar evenwicht tussen het
totaal der premiën en het totaal der
uitkeringen, maar allerminst naar
evenwicht tussen de individuele premie
en de individuele uitkering. Draagt het
stelsel van de S.E.R. in wezen veel meer
het karakter van staatspensioen dan van
verzekering, op één punt schijnt het
anders, aldus prof. Oud. Wie een
verschuldigde jaarpremie niet betaalt,
zal daardoor zijn pensioen met 2% voor
iedere niet-betaalde premie zien
verminderd. Ook dit acht hij echter meer
schijn dan wezen: bij een premie die
zozeer het karakter van een
belastingheffing draagt, is de
vermindering van het pensioen in feite
een straf op wanbetaling van
verschuldigde belasting. Slechts voor
hen die wegens verblijf in het
buitenland tijdelijk geen premie hebben
betaald en uit dien hoofde een
verminderd rblz.|23
l.k.|
pensioen
zullen ontvangen, is het anders. De
schrijver ziet dit inderdaad als een
concessie in de richting van
verzekering, doch hij meent dat dit,
gezien het geringe aantal personen dat
het hier betreft in verhouding tot de
gehele bevolking, meer de uitzondering
is die de regel bevestigt.
In "Vrijheid en Democratie" van 20
Maart 1954 constateert de R. met
voldoening dat het S.E.R.-advies in
zijn hoofdlijnen beantwoord aan de
opvattingen die in liberale kringen ten
deze gelden. De wetgever die een
regeling in deze geest tot stand brengt,
verricht een weldaad jegens ons volk,
aldus de schrijver.
Uit
de redevoering die hij op 20 Maart 1954
hield in een studieconferentie voor het
C.N.V. [Christelijk
Nationaal Vakverbond, red.] blijkt dat de heer C.J. van
Mastrigt, hoewel hij het geheel
overziende niet ontevreden is, een
aantal bedenkingen tegen het S.E.R.-advies
heeft.
In
een resolutie die op 8 April 1954 werd
aangenomen door de Raad van Overleg voor
sociaal-economische aangelegenheden van
het Katholiek bureau voor
maatschappelijk en cultureel overleg,
bestaande uit de besturen van de
Algemene Katholieke
Werkgevers-Vereniging, de Katholieke
Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, de
Nederlandse Katholieke Middenstandsbond,
de Nederlandse Katholieke
Arbeidersbeweging, de St.
Adalbertvereniging en de Katholieke
Standsorganisatie voor de Werkende
Middenstand, wordt grote voldoening
uitgesproken over het tot stand komen
en de strekking van het advies van de S.E.R.
Daarbij werd, na onder meer te hebben
overwogen dat de argumenten welke
pleiten voor deze oudedagsvoorziening op
basis van een systeem van sociale
verzekering, in het algemeen
gelijkelijk van kracht zijn ten aanzien
van de groepen der Ioon- en
salaristrekkenden en de zelfstandigen,
als oordeel uitgesproken dat het
advies de verzekeringsgedachte als
grondslag heeft.
Het N.V.V. wijdde op 10 April 1954 een
buitengewoon congres aan de
ouderdomsvoorziening. In de met algemene
stemmen door dit congres aangenomen
resolutie wordt onder meer warme instemming
met het advies van de S.E.R.
betuigd.
In
een artikel "Over de
ouderdomsvoorziening" in "Socialisme
en Democratie" van Mei 1954
schrijft ir. H. Vos, die als voorzitter
van de door de S.E.R. ingestelde
subcommissie een zeer werkzaam aandeel
in de totstandkoming van het advies
heeft gehad, dat zich als het ware
vanzelf opdringt het maken van een
vergelijking tussen de voornemens van de
Regering zoals zij waren neergelegd in
de aan de S.E.R. overgelegde "Nota
inzake de toekomstige
ouderdomsvoorziening" en het advies
van de S.E.R., waarbij dan tevens
betrokken kan worden het zogenaamde plan van
de Raad van Vakcentralen. Zowel aan de
opstelling van de regeringsnota als aan
de opstelling van het "plan" en
van het advies van de S.E.R. hebben
leden van de Partij van de Arbeid die
op politiek belangrijke plaatsen staan,
medegewerkt. Dit betekent dat de
verschillen tussen de onderscheiden
voorstellen over het algemeen zullen
liggen in het practische en niet in het
principiële vlak. "Misschien doe ik
beter met te zeggen", aldus ir. Vos,
"dat de noodzaak om te komen tot een
definitieve ouderdomsvoorziening telkens
zo sterk is gevoeld dat men er steeds
van is uitgegaan dat elke oplossing
beter is dan geen oplossing. Aan de
verschillende voorgestelde projecten
hebben telkens ook anderen dan leden van
de Partij van de Arbeid in belangrijke
mate medegewerkt. Dat ten slotte het
advies van de S.E.R. met zulk een grote
meerderheid op de hoofdpunten is
aanvaard, geeft meen ik ook aan dat
voor vrijwel allen in den lande, die
zich met het vraagstuk van de
ouderdomsvoorziening bezighouden, dit
zelfde heeft gegolden. Elke oplossing is
beter dan geen oplossing."
Als één van de
redenen waardoor in de S.E.R.
deze grote mate van eenstemmigheid is
bereikt, voert de schrijver aan dat
telkens de gegevens en de cijfers de
grondslag vormden van de discussie en
niet in de eerste plaats de theoretische
opvattingen.
rblz.|23
r.k.|
In "Het Vrije Volk" van 15 Maart
1954 schrijft de heer J.J.A. Berger
dat het de verdienste is geweest van het
plan van de Raad van Vakcentralen,
waarvan het advies van de S.E.R.
naar
zijn mening niet zo heel veel afwijkt,
dat het heeft gepoogd aan de
tegenstelling tussen verzekering en staatspensioen definitief een eind te
maken.
In "Socialisme en Democratie" van
Juli 1954 laat mr. H.B.J. Waslander
evenwel een geheel ander geluid horen.
Hij beschouwt het als een verdienste
dat de S.E.R. zich door grote
zakelijkheid heeft laten leiden en
daarbij vele knopen heeft doorgehakt.
Toch meent hij dat juist op dit punt
critiek gerechtvaardigd is: zakelijkheid
op het technische vlak juicht hij toe,
doch hij wil niet als "zakelijk"
prijzen dat ook meer principiële
knopen zijn doorgehakt.
Zou
de S.E.R. hebben toegegeven dat het
aanbevolen stelsel geen verzekering is
en ook geen staatspensioen, maar dat de
terminologie van de verzekering was
gekozen, dan zou schrijver eerder
bereid en in staat zijn geweest te
volgen dan nu de S.E.R. doet, alsof het
duidelijk een verzekering is en alsof
het plan vanuit sociaal-psychologisch
standpunt de merites zou hebben van een
sociale verzekering en niet veeleer de
voor- en nadelen die tot dusver aan een
premievrij staatspensioen verbonden
worden geacht. Erkend wordt dat sommige
beoefenaars van het arbeidsrecht, die
het begrip sociale verzekering steeds
meer zijn gaan uitbreiden, het de S.E.R.
wel gemakkelijk hebben gemaakt.
Ten slotte
willen de ondergetekenden nog vermelden
dat in het op 8 April 1954 door de Bond
voor Staatspensionnering gehouden
buitengewone congres na een inleiding
van de heer C.J. van I.ienden met
algemene stemmen een resolutie werd
aangenomen waarin voldoening werd
uitgesproken over de in het advies van
de S.E.R.
ontwikkelde voorstellen die
naar verbetering van het lot der ouden
van dagen zullen leiden en werd
vastgesteld dat een eventuele
wettelijke regeling op basis van dit
advies op een aantal punten tegemoetkomt aan
datgene wat gedurende
tientallen jaren door deze Bond is
gepropageerd, al is het ook geen
staatspensioen.
2.
De les der geschiedenis: een synthese
Het
in het vorige hoofdstuk vervatte
historische overzicht hebben de
ondergetekenden opzettelijk niet beperkt
gehouden tot een opsomming van
feitelijke gebeurtenissen. Veeleer is
getracht ook de ontwikkeling in de
denkbeelden ter zake van de
ouderdomsvoorziening te schetsen. In ons
geestelijk en politiek zo rijk
geschakeerde land is het tot stand
brengen van een voor een meerderheid
aanvaardbaar compromis vaak noodzakelijk
en in zich ook in het geheel niet
verwerpelijk. Toch kleeft aan
compromisoplossingen het nadeel dat
zij vrijwel niemand geheel bevredigen,
omdat zekere halfslachtigheid daarbij
niet te vermijden is.
Bij
de definitieve oplossing van het
probleem der oudedagsvoorziening
behoeft nu eens niet met een compromis
genoegen genomen te worden. De door de S.E.R.
voorgestelde oplossing is, gelijk
de eerste ondergetekende al eens in de
Tweede Kamer mocht opmerken, instede van
een niemand bevredigend compromis, een
synthese die uit een jarenlange
worsteling met de problematiek thans tevoorschijn komt.
De
ondergetekenden willen trachten in dit
hoofdstuk hun opvatting ten aanzien
van enkele grondslagen der ontworpen
regeling nader te adstrueren. Deze
grondslagen betreffen: de rechtsgrond,
het stelsel (verzekering of verzorging,
welke soort van verzekering), de kring
der verzekerden (alleen arbeiders, ook
zelfstandigen of allen) en de
waardevastheid der uitkeringen. Het
bleek niet goed mogelijk deze
vraagstukken, die onderling zeer nauw
verbonden zijn, hier geïsoleerd te
behandelen.
Aanvankelijk
speelden, voor wat de rechtsgrond voor
een verplichte wettelijke
ouderdomsverzekering betreft, vooral
twee overwegingen een rol. Gesteld werd
dat uit het arbeidsloon ook de middelen
verkregen moeten kunnen worden om te
voorzien rblz.|24
l.k.|
in de behoeften van de oude dag. Door
invoering van een wettelijke
verzekeringsplicht waarvoor de
werkgever de premie heeft op te brengen,
schept de overheid de gewenste situatie
waarin de arbeider zijn "rechtvaardig
loon" verkrijgt.
De
tweede overweging, welke met betrekking
tot de rechtsgrond van den beginne af
een rol gespeeld heeft, was dat de
gemeenschap het recht en de plicht heeft
om zich tegen armlastigheid van een
groot deel der bejaarden te beschermen
door verzekeringsplicht op te leggen. In
het eerste hoofdstuk van deze memorie
bleek dat men deze opvatting in latere
jaren nog meer dan eens ontmoet.
In
Talma's opvattingen, die in de
ouderdomsrente "uitgesteld loon"
ziet, vindt men de gedachte aan
bescherming van de gemeenschap terug,
zij het in een andere vorm. Hij stelt
dat de wijzigingen in de
voortbrengingswijze (waarmee hij
kennelijk de proletarisering bedoelt) de
Staat noodzaken ervoor te zorgen dat
deze door de Staat beschermde
maatschappelijke verhoudingen niet tot
gevolgen leiden die het rechtsbesef
ondermijnen.
Zeer
merkwaardig is dat dr. Kuyper in
beginsel eigenlijk geen rechtsgrond voor
het opleggen van een verzekeringsplicht
van staatswege ziet. Hij constateert
eenvoudig dat bij de werklieden sedert
jaren het verlangen naar zulk een
regeling levendig was. Blijkbaar achtte
hij dit een voldoende grond om een
wetsontwerp ter zake in te dienen.
De
socialisten baseren in die dagen hun eis
tot het treffen van wettelijke
maatregelen ter voorziening in de nood
der ouden van dagen (door middel van
staatspensioen) op de meerwaardetheorie.
De arbeider zou in zijn loon niet de
volle waarde van zijn arbeid vergoed
krijgen en derhalve aanspraak hebben op
een ouderdomsuitkering, zonder dat
daarvoor nog eens afzonderlijk premie
betaald behoefde te worden.
Het
is duidelijk dat zowel de theorie
omtrent het "rechtvaardig loon"
als de meerwaardetheorie uitgaan van de
gedachte dat de arbeider tekortgedaan
is en dat in zijn oudedagsverzorging
(of deze nu door een verplichte
verzekering of door staatspensioen wordt
tot stand gebracht) een compensatie
daarvoor gegeven dient te worden.
Nolens
stak in 1911 zijn voorkeur voor een
systeem van vrijwillige verzekering niet
onder stoelen of banken en motiveerde
zijn aanvaarding van een door de
overheid opgelegde verplichting
uitsluitend op practische overwegingen.
De commissie-Engels (van het Centrum voor
Staatkundige Vorming) poneert in 1951 de
stelling dat er een op het natuurrecht
gefundeerde verplichting is voor de mens
om door arbeid te zorgen voor de oude
dag van zich en de zijnen. De practijk
leert dat velen dat niet kunnen of niet
doen. Zij worden dan op hun oude dag
armlastig en dit levert voor de Staat de
rechtsgrond op om hen te dwingen
tijdens hun actieve periode te sparen
voor later. Hier verdiept men zich, om
het zo uit te drukken, niet meer in de
schuldvraag of de arbeider tekortgedaan
is of niet. Men stelt slechts vast dat
er een maatschappelijke nood bestaat en
vindt daarin voldoende aanleiding voor
dwingend ingrijpen van staatswege.
Het
Centraal Sociaal Werkgeversverbond komt
tot een soortgelijke constructie als het
in 1952 uitspreekt dat de Overheid de
plicht heeft te bevorderen dat de leden
der gemeenschap maatregelen treffen ter
voorziening althans in de eerste
levensbehoeften op de oude dag en van de
nagelaten betrekkingen.
Een
nieuw element brengt de S.E.R.
in de
opvattingen over de rechtsgrond voor overheidsingrijpen ter zake van de
oudedagsvoorziening door in zijn advies
te betogen dat de centrale overheid
de plicht heeft tot ingrijpen indien
het ontbreken van inkomen op de oude dag
een algemeen maatschappelijk
verschijnsel wordt. In de hierdoor
ontstane nood vereist het algemeen
moreel besef ten opzichte van de naaste
dat wordt ingegrepen. Niet alleen om de
nood te lenigen, maar ook om deze in de
toekomst te voorkomen.
In R.K.-kringen is de opvatting omtrent het
"rechtvaardig loon", dat
voldoende zou moeten zijn om daaruit ook
de zorg voor de oude dag te kunnen
bekostigen, vervangen door de gedachte
van de "rechtvaardige prijs", uit
welke prijs allen, dus rblz.|24
r.k.|
ook
de zelfstandigen die aan de
totstandkoming van het product hebben
meegewerkt, niet alleen hun dagelijks
levensonderhoud, maar ook de zorg voor
hun oude dag moeten kunnen bekostigen.
De gedachtengang op zichzelf lijkt
aanvaardbaar. In de concrete
werkelijkheid valt echter nimmer uit te
maken of een bepaald inkomen uit arbeid
nu inderdaad voldoende is om daaruit de
zorg voor de oude dag ook werkelijk te
kunnen bekostigen. Zou men uitsluitend
oordelen naar de stijging van de
inkomens zoals deze in de laatste
tientallen van jaren is tot stand
gekomen, dan is men geneigd de vraag
voor vrijwel alle inkomens bevestigend
te beantwoorden. Houdt men er echter
rekening mee dat techniek en wetenschap
in dezelfde periode de behoeftebevredigingsmiddelen en daarmee
de behoeften zelf verveelvoudigd
hebben, dan aarzelt men. Of een bepaalde
persoon in staat is iets of veel voor
zijn oude dag uit zijn inkomen te
reserveren, hangt niet in de eerste
plaats af van de objectieve hoogte van
zijn inkomen, maar van het gevoelde
welvaartstekort en dat is een zeer
subjectief gegeven, te subjectiever
omdat de omstandigheden in de
onderscheidene gezinshuishoudingen zo
sterk uiteenlopen. Vaststellen of in een
concreet geval sparen voor de oude dag
achterwege gebleven is omdat "de
rechtvaardige prijs" niet verkregen
werd, dan wel uit zorgeloosheid of door
andere omstandigheden, is derhalve niet
mogelijk. Nog veel onmogelijker is het
dit te constateren voor bepaalde
maatschappelijke groeperingen in haar
geheel.
Het
is dan ook niet verwonderlijk dat velen
er de voorkeur aan geven zich niet
langer te verdiepen in de vraag of de
arbeider dan wel de zelfstandige, dan
wel beiden, in hun loon respectievelijk
inkomen tekortgedaan werden wanneer
zij niet voor de oude dag hebben
gezorgd. Men stelt eenvoudig het feit
van de bestaande nood vast en leidt
daaruit, gezien ook de solidariteit ten
opzichte van de niet meer tot werken in
staat zijnde naaste, de noodzaak voor de
Staat af om in het algemeen belang in
te grijpen en een wettelijke regeling te
treffen.
Deze
rechtsgrond leidt niet automatisch - gelijk de rechtsgrond van het
"rechtvaardig
loon" wel doet - tot de conclusie dat er een wettelijk
geregelde verzekeringsplicht moet worden
opgelegd. Ook de wel gebezigde
rechtsgrond dat de samenleving zich
tegen armlastigheid van een groot deel
zijner bejaarde leden moet beschermen,
kan evengoed tot een verzorgings- als
tot een verzekeringsstelsel leiden.
Wanneer
de ondergetekenden dus concluderen dat,
op welke motieven dan ook, de overgrote
meerderheid van ons volk aanvaardt dat
de overheid het recht en de plicht heeft
om enigerlei vorm van
oudedagsvoorziening tot stand te brengen
(en de volksvertegenwoordiging maakte
zich tot tolk van deze communis opinio
door met algemene stemmen de Noodwet
Ouderdomsvoorziening in 1947 te
aanvaarden, ondanks bezwaren tegen
sommige onderdelen van de regeling), dan
is daarmee de vraag nog niet beantwoord
volgens welk systeem deze
oudedagsvoorziening moet worden tot
stand gebracht.
De
voorvechters van staatspensioen, voor
zover deze uit socialistische kring
stamden, waren van mening dat de
arbeiders die ten bate van de gehele
gemeenschap gewerkt hadden slechts een
deel van het hun toekomende loon
ontvangen hadden, zodat zij niet op de
werkgevers, maar op de gemeenschap in
haar geheel een claim hadden om op hun
oude dag zonder premiebetaling een
uitkering voor levensonderhoud te
ontvangen.
De voorstanders van de
verzekeringsgedachte hebben hun voorkeur
voor de "verzekering"
aanvankelijk vooral sterk met negatieve
argumenten verdedigd. Staatspensioen zou
"bedeling" zijn. Staatspensioen
zou geen "recht" op een uitkering
geven en dus neerkomen op
staatsarmenzorg. Voorts werden de hoge
kosten verbonden aan staatspensioen als
een bezwaar aangevoerd, alsook het feit dat men via staatspensioen wel in
de zorg voor de oude dag kon voorzien,
maar niet in de gevolgen van
invaliditeit.
Zoals
hierboven werd weergegeven, impliceerde
de rechtsgrond welke Talma, Aalberse en
anderen zagen voor staatsingrijpen ten
bate van de oude arbeider, een oplossing
via wettelijk verplichte verzekering. De
werkgever diende te worden verplicht
een "rechtvaardig loon" te
betalen, dat in twee rblz.|25
l.k.|
delen uiteenviel, een deel voor onmiddellijke
consumptie en een deel dat via
verzekering gereserveerd werd voor de
oude dag. Hierop sluit logisch aan dat
de premie voor de Invaliditeitswet
geheel door de werkgever wordt betaald.
Hieruit blijkt wel dat destijds het
later zo vaak gehoorde argument ten
gunste van verzekering, namelijk dat
deze ertoe bijdraagt dat de verzekerde
zich persoonlijk mededrager voelt van
de verzekering waaraan hij zelf
meebetaalt, slechts op de achtergrond
meespeelde.
Met
het in onbruik raken van de
meerwaardetheorie kreeg de voorkeur van
de socialisten voor staatspensioen een
meer practisch accent.
De
niet-socialistische voorstanders van
staatspensioen, die men niet
uitsluitend, maar wel in hoofdzaak in
liberale en vrijzinnig-democratische
kring vond, voerden het pleit voor
staatspensioen óók vooral aan de hand
van practische argumenten. Samenvattend
kwamen deze argumenten ongeveer op het
volgende neer. De onmogelijkheid om van
deze groep regelmatig premie te innen en
deze premie vast te stellen, sluit bij
een verzekeringsstelsel de (kleine)
zelfstandigen van de regeling uit. Ten
onrechte naar veler mening.
Aanvankelijk
betoogden sommige voorstanders van een
ouderdomsverzekering dat er voor het
opnemen van zelfstandigen daarin geen
rechtsgrond was. Andere voorstanders van
de "verzekering" zagen geen
principieel bezwaar tegen opneming van
de (kleine) zelfstandigen, doch zagen
geen kans de practische moeilijkheden
die zich daarbij voordeden op te
lossen. Weer anderen verklaarden (nog)
geen aanleiding te zien om in de
vrijheid van de zelfstandigen in te
grijpen, zo bijvoorbeeld Nolens. Maar de
voorstanders van staatspensioen hebben
hun voorkeur voor dat stelsel bijna
altijd ook op de noodzaak om de kleine
zelfstandigen daarin te betrekken,
gebaseerd.
In
de latere jaren, en met name na 1945,
wint de opvatting dat ook de kleine
zelfstandigen onder een wettelijk
geregelde verplichte
ouderdomsvoorziening zouden moeten
vallen steeds meer veld.
Reeds
vóór de Tweede Wereldoorlog had de Koninklijke
Nederlandse Middenstandsbond zich in
tegenstelling tot de beide confessionele
middenstandsorganisaties voor een
algemene ouderdomsregeling
uitgesproken.
Een
commissie uit N.V.V. en S.D.A.P.
verlangde in 1938 een algemene regeling
van staatspensioen (dus niet alleen voor
loontrekkenden), doch kwam tot de
conclusie dat als aanvulling op dit
staatspensioen verzekeringsregelingen
nodig zouden zijn. Een nieuw element
dus in de gedachtenwereld van de
voorstanders van staatspensioen.
Bij
de behandeling in 1939 van de door prof.
Romme verdedigde Kinderbijslagwet in de
Tweede Kamer stelden én de Minister én
een groot deel der Kamerleden zich op
het standpunt dat de kleine
zelfstandigen onder de
kinderbijslag- en onder een aantal
andere socialeverzekeringswetten
behoren te vallen. Prof. Romme week
slechts voor technisch-administratieve
moeilijkheden.
De commissie-Van Bruggen stelde zich (in
1942) op het standpunt dat de kleine
zelfstandigen ook tot de economisch
zwakke groepen behoren en dat
zij derhalve onder een aantal socialeverzekeringswetten dienen te vallen. De
commissie-Van Rhijn ging onder de
invloed van in de oorlog ontstane
denkbeelden inzake sociale zekerheid,
nog een stap verder en betoogde dat de
Staat aansprakelijk is voor de sociale
zekerheid van een ieder die het
redelijke doet om zich die sociale
zekerheid zelf te verschaffen.
Op
het congres van de Vereniging van Raden
van Arbeid in 1946 sprak een politiek
gesproken zeer gemengd gezelschap zich
uit voor een uitbreiding van de kring
van sociaalverzekerden tot de kleine
zelfstandigen.
De
wenselijkheid om de (kleine)
zelfstandigen in een wettelijk
geregelde ouderdomsverzekering op te
nemen, werd in de jaren na de oorlog
steeds minder in twijfel getrokken. In
het parlement bestond daarover een
communis opinio, hetgeen bleek toen in
1947 de Noodwet Ouderdomsvoorziening, rblz.|25
r.k.|
die
ook de kleine zelfstandigen in de
regeling opnam, met algemene stemmen
werd aanvaard.
Behalve
de onmogelijkheid om kleine
zelfstandigen te "verzekeren",
hadden de voorstanders van
staatspensioen nog andere pijlen op hun
boog tegen het verzekeringsstelsel. Zij
voerden aan dat bij zuivere toepassing
het nog enkele tientallen jaren zou
moeten duren aleer een verzekeringsstelsel tot redelijke
uitkeringen zou kunnen leiden. Weliswaar
kan men daarin voorzien door een
overgangsregeling, maar daarvoor moet
uit de algemene middelen geput worden en
aldus introduceert men elementen van
staatspensioen in de verzekering. Het
waren deze opmerkingen die in 1929
Minister Verschuur reeds deden zeggen
dat de afstand tussen de voorstanders
van verzekering en van staatspensioen
niet zo groot was als hij wel leek.
Een bezwaar dat ook aan een orthodox
systeem van ouderdomsverzekering, dat
een kapitaaldekkingsstelsel impliceert,
inhaerent is, is de weerloosheid tegen
geldsontwaarding. Dat dit vooral in de
oorlogs- en naoorlogsjaren sterk ging
spreken, ligt voor de hand. Het is in
een orthodox verzekeringsstelsel niet
mogelijk gebleken de renten aan
stijgende welvaart aan te passen, zonder
omvangrijke financiële offers van de
overheid. Voorts levert ook de belegging
van de enorme reserves die in een
orthodox verzekeringsstelsel ter dekking
van de aanspraken moeten worden gevormd
de nodige bezwaren en moeilijkheden op.
Ten slotte
was gebleken dat de met speciale
faciliteiten gesteunde mogelijkheid om
zich vrijwillig te verzekeren voor een
ouderdomsrente (V.O.V. [Vrijwillige
Ouderdomsverzekering, red.]) maar matige
resultaten had opgeleverd. Evenmin als
de loontrekkende lukt het blijkbaar de
kleine zelfstandige om duurzaam een deel
van zijn inkomen voor de oude dag te
bestemmen wanneer daartoe geen
wettelijke verplichting bestaat.
Het
lijkt verwonderlijk dat onder invloed
van al deze overwegingen na de
bevrijding de beweging voor
staatspensioen maar weinig aan invloed
bleek te hebben gewonnen. Dit stelsel
immers was, althans onder de vooroorlogse verhoudingen en bij de
vooroorlogse opvattingen, het middel bij
uitstek om alle genoemde desiderata en
bezwaren tot een oplossing te brengen,
ook al hadden vele voorstanders van
staatspensioen vóór de oorlog al
ingezien dat men er met staatspensioen
alleen ook niet kwam.
Dat nochtans een
krachtige opbloei van de beweging voor
staatspensioen is uitgebleven, kan
wellicht verklaard worden uit de grotere
nadruk welke kwam te liggen op de
persoonlijke
bestaansverantwoordelijkheid. Een
reactie misschien op de volstrekte
negatie van dit besef in de autoritaire
staten? Hoe dit zij, veler voorkeur ging
en gaat uit naar een systeem van
oudedagsvoorziening dat aan alle
verzekerden het verband tussen de offers
(de premiën) en de lusten (de renten)
duidelijk voor ogen stelt. Bij
staatspensioen is dit verband er voor de
collectiviteit ook wel, maar het
bestaat niet voor de zorgeloze en het is
voor alle gewone stervelingen in elk
geval tamelijk "onzichtbaar".
Hoe
echter in een verzekeringssysteem de
hiervoor gereleveerde zeer ernstige
bezwaren te ondervangen? Hier kwam de
wetenschap te hulp. Gelijk uit hoofdstuk
1 blijkt, lieten wetenschappelijke
beoefenaren der sociale wetenschappen
het standpunt los dat slechts dan van "verzekering" gesproken zou mogen
worden wanneer er een evenredigheid
bestaat tussen de voor en/of door een
verzekerde betaalde premiën en de aan
deze verzekerde uit te keren rente. Een
veel ruimere opvatting kwam in de plaats
van het orthodoxe verzekeringsbegrip.
Van sociale verzekering is volgens deze
opvatting sprake indien een groep van
personen uit inkomen of vermogen
bijdraagt aan een fonds waaruit
uitkeringen gedaan worden aan personen
tot dezelfde groep behorende, ingeval
bepaalde calamiteiten die de hele groep
bedreigen werkelijkheid worden. In een
dusdanig systeem wordt financiering door
middel van een omslagstelsel mogelijk,
hetgeen een aanpassing van de renten aan
eventuele geldsontwaarding of stijgende
dan wel dalende welvaart binnen het
bereik der mogelijkheden brengt. Zulk
een systeem maakt voorts rblz.|26
l.k.|
de
opstapeling van enorme kapitalen
overbodig. Ook de wijze van premievaststelling en -inning werd niet
langer als één van de criteria voor het
bestaan van een verzekeringsstelsel
gezien. Dientengevolge kon in deze
conceptie ook bij een
verzekeringssysteem het vraagstuk van de
premievaststelling en -inning van kleine
zelfstandigen tot een doeltreffende
oplossing worden gebracht door het aan
de belastingdienst op te dragen.
Dat
de nieuwe conceptie van het begrip
sociale verzekering niet pour besoin de
la cause in Nederland is uitgedacht,
blijkt behalve uit de internationale
litteratuur, ook uit de in hoofdstuk
1 geciteerde uitspraak van een commissie
van het Internationaal Arbeidsbureau.
En zie daar dan de synthese. Een
verzekeringsstelsel dat zo is opgezet
dat het vrijwel alle door de
voorstanders van staatspensioen
geopperde bezwaren tegen "verzekering"
kan ondervangen, zonder nochtans
wezenlijk tekort te doen aan een
duidelijk zichtbaar verband tussen offer
en uitkering, sterker nog, dat allen
volgens een beperkt draagkrachtbeginsel
dwingt een offer te brengen.
Tot
dusver was bij de bespreking van de
vraag of de ouderdomsverzekering
buiten de kring van de loontrekkenden
uitgebreid diende te worden steeds
sprake van "kleine"
zelfstandigen. Heeft het inderdaad zin
de opneming van zelfstandigen in een
wettelijke verplichte
ouderdomsverzekering te beperken tot "kleine"
zelfstandigen? Zijn er
zelfstandigen of andere
niet-loontrekkenden van wie met
voldoende zekerheid vaststaat dat zij
te zijner tijd zelf voor hun
levensonderhoud kunnen zorgen wanneer
zij de leeftijd van 65 jaar bereikt
hebben? De grote calamiteiten welke de
wereld getroffen hebben en wederom
kunnen treffen - oorlogen, revoluties,
natuurrampen, economische crises -, hebben ons te dien aanzien in ons
oordeel heel wat voorzichtiger gemaakt
dan men vroeger was. Maar ook de
wisselvalligheden in het persoonlijk lot
zijn zo groot dat vrijwel niemand zeker
weet of hij niet te eniger tijd zoveel
op zijn bezit moet interen of tot afkoop
van eenmaal gesloten verzekeringen moet
overgaan dat tegen alle verwachtingen
in op 65-jarige leeftijd de
ouderdomsrente een zeer welkome
mogelijkheid is. Het bestaan van de "vergeten groepen" is een baken
in zee. De ondergetekenden zijn
dienovereenkomstig met de S.E.R. van
mening - zij komen hierop in hoofdstuk
3 nog uitvoeriger terug - dat het
niet juist zou zijn personen met hogere
inkomens van de komende verplichte
ouderdomsverzekering uit te sluiten.
Uit
het voorgaande blijkt dat uit de
eertijds zo sterk divergerende meningen
ten aanzien van rechtsgrond, vorm en
inhoud der voorziening en kring van
verzekerden een zodanige mate van
overeenstemming is ontstaan dat het
thans mogelijk geacht moet worden met
instemming van de overgrote meerderheid
der beide Kamers van de Staten-Generaal
een systeem van wettelijke verplichte
ouderdomsverzekering voor alle
Nederlanders in te voeren.
In
stede van een bedreiging voor het besef
van persoonlijke
bestaansverantwoordelijkheid zien de
ondergetekenden in het thans
voorgestelde verzekeringsstelsel veeleer
juist een aan de huidige
maatschappelijke verhoudingen aangepaste
mogelijkheid om met deze persoonlijke
bestaansverantwoordelijkheid op het stuk
van de oudedagsvoorziening ernst te
maken.
De
rechtsgrond voor zulk een voorziening
zouden de ondergetekenden aldus willen
formuleren:
In
de huidige maatschappelijke verhoudingen
kan de gedachte van de persoonlijke
verantwoordelijkheid ook voor het
materieel bestaan tijdens de oude dag
slechts op vruchtbare wijze gerealiseerd
worden door middel van een stelsel van
verplichte algemene
ouderdomsverzekering. Derhalve heeft de
staat in het algemeen belang de plicht
en het recht om zulk een verzekering tot
stand te brengen.
3.
Kring
der verzekerden
Uit
de beschouwingen welke in het vorige
hoofdstuk aan het vraagstuk van de
rechtsgrond zijn gewijd, blijkt dat
naar rblz.|26
r.k.|
de
mening van de ondergetekenden de nieuwe
ouderdomsverzekering algemeen verplicht
dient te worden gesteld. Volgt uit de
rechtsgrond reeds dat de gehele
bevolking, omvattende loonarbeiders,
zelfstandigen en de overige niet-loontrekkenden, bij deze
verzekering dient te worden betrokken,
evenzeer leiden overwegingen van
practische aard, zoals uit dit hoofdstuk
nader zal blijken, tot het aanvaarden
van een volksverzekering.
Zoals
in het vervolg van deze memorie nog
nader zal worden toegelicht, zijn de
ondergetekenden van oordeel dat er een
verplichte ouderdomsverzekering dient
tot stand te komen welke een
bodempensioen waarborgt dat voor iedere
pensioengerechtigde gelijk is. Het ligt
daarom voor de hand dat één zelfde
regeling wordt getroffen voor alle
groepen van de bevolking. Dit laatste
is ook om administratieve redenen
gewenst. Zou immers voor verschillende
groepen van de bevolking een
afzonderlijke regeling worden getroffen,
dan zouden voortdurend de overgangen
van de ene naar de andere regeling
moeten worden nagegaan. Velen zijn nu
eens als loontrekkende, dan weer als
zelfstandige werkzaam. Dat zulks
uitgebreide administratieve
beslommeringen met zich zou brengen,
behoeft wel geen betoog.
Zijn
de ondergetekenden dan van oordeel dat
er één regeling moet komen waarbij
alle groepen van de bevolking zijn
betrokken, nochtans zou men kunnen
stellen dat de verplichte algemene
verzekering zich niet behoeft uit te
strekken tot personen die in goede doen
verkeren, zoals zij wier inkomen boven
een zekere grens uitkomt of die over een
aanzienlijk vermogen beschikken.
Hetzelfde zou men kunnen zeggen van
personen voor wie reeds een behoorlijke
oudedagsvoorziening geldt.
Niettemin
zijn de ondergetekenden, zoals in het
vervolg van dit hoofdstuk nader zal
worden uiteengezet, van oordeel dat de
algemene ouderdomsverzekering zich ook
tot deze categorieën van de bevolking
dient uit te strekken.
Voorts
zullen in dit hoofdstuk de redenen
worden aangegeven die het wenselijk
maken ook de gehuwde vrouw in de
verzekering te betrekken. Ten slotte zal
ook nog aandacht worden geschonken aan
de positie van de niet-ingezetenen die
hier te lande werkzaam zijn.
a. Personen wier inkomen of vermogen boven
een bepaalde grens uitgaat
Het is in de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving - zulks in
tegenstelling tot de meeste buitenlandse
wetgevingen - een niet ongebruikelijke
figuur dat personen wier inkomen of
loon een bepaalde grens overschrijdt
buiten de verzekering worden gehouden.
Zo kennen onze invaliditeits- en
ouderdomsverzekering, onze
ziekengeld- en
ziektekostenverzekering en onze
werkloosheidsverzekering een loongrens
van ƒ6000,-. Aan de uitsluiting van
de hoger gesalarieerden ligt de gedachte
ten grondslag dat de verplichte sociale
verzekering beperkt dient te blijven tot
de economisch zwakkeren, tot hen wier
inkomen van dien aard is dat zij niet
zelf de zich voordoende sociale risico's
kunnen dragen, terwijl zij zonder
wettelijke dwang er niet toe komen zich door
verzekering tegen deze risico's te
dekken. De hoger gesalarieerden, aldus
is de gedachtengang, moet men niet tot
verzekering verplichten, wijl deze
hetzij over voldoende middelen
beschikken om zelf tot het sluiten van
een verzekering over te gaan, hetzij een
zodanig inkomen genieten dat zij
daaruit ook in kwade dagen in hun
levensonderhoud kunnen voorzien.
Naast
verplichte sociale verzekeringen welke
aan een loongrens gebonden zijn, kent
onze wetgeving ook takken van
verzekering welke een zodanige grens
niet kennen. Gewezen moge worden op de
ongevallenverzekering en de
kinderbijslagverzekering. Het bij deze
wetten toegepaste stelsel dient naar de
mening van de ondergetekenden ook bij de
nieuwe ouderdomsverzekering te worden
gevolgd. Voor het niet binden van de
nieuwe ouderdomsverzekering aan een
loon- of inkomensgrens pleiten naar hun
mening verschillende redenen.
Het
genieten van een hoog inkomen in de
actieve periode is op zichzelf geen
waarborg dat men ook voldoende
bestaansmiddelen zal hebben wanneer men
te zijner tijd de arbeid zal rblz.|27
l.k.|
hebben
neergelegd. Van tevoren kan nimmer met
zekerheid worden gezegd dat men bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd geen
behoefte aan ouderdomspensioen zal
hebben. Het is dan ook redelijk dat
personen die tijdens hun actieve
periode in goede doen verkeren
verplicht worden deel te nemen in een
ouderdomsverzekering, opdat ook zij
gedekt zijn wanneer in latere jaren
blijkt dat de vroegere voorspoed van
voorbijgaande aard is geweest. Terecht
zou er aanstoot aan kunnen worden
genomen dat degenen die op grond van
hun inkomen van de verzekering zouden
zijn vrijgesteld en die op 65-jarige
leeftijd niettemin in behoeftige
omstandigheden komen te verkeren, van
kerkelijke of van particuliere zijde dan
wel van overheidswege zouden moeten
worden onderhouden; en zulks alleen
omdat van hen niet de offers voor de
ouderdomsverzekering zijn gevraagd,
welke wel door hun minder goed
gesitueerde medeburgers moesten worden
gebracht.
Naast
dit argument pleiten nog verschillende
andere redenen ervoor om ook personen
met een hoger inkomen niet van de
verplichte ouderdomsverzekering uit te
sluiten.
Zo
brengt het beginsel der solidariteit
mede dat men niet op grond van zijn
groter inkomen wordt vrijgesteld van
verplichtingen welke de wettelijke
ouderdomsverzekering voor het overige
deel der bevolking met zich brengt.
Verzekerden
voor wie de verhouding premie-uitkering
ongunstig ligt, worden van de beoogde
verzekering niet uitgesloten. Doch door
anderzijds de gunstige risico's, namelijk
de
personen uit de hogere inkomensgroepen,
niet buiten de verzekering te houden,
wordt de te betalen premie binnen
redelijke grenzen gehouden. De
inschakeling van deze gunstige risico's
is noodzakelijk om een afdoende
verzekering voor de economisch
zwakkeren feitelijk mogelijk te maken.
Men
zou voorts kunnen stellen dat degenen
wier inkomen een bepaalde maximumgrens
overschrijdt voldoende gelegenheid
hebben om eigen voorzieningen voor de
oude dag te treffen. Op dit punt sluiten
de ondergetekenden zich gaarne aan bij
de S.E.R. wanneer
deze zegt dat geenszins vaststaat dat
degenen die op grond van de hoogte van
hun inkomen zelf voor hun oude dag
kunnen zorgen, dit in feite ook doen,
terwijl controle daarop bezwaarlijk is
uit te oefenen en een omvangrijke
apparatuur zou vergen. Blijkt achteraf
dat de betrokkenen nalatig zijn geweest,
dan zullen zij toch aangewezen zijn op
ondersteuning door de gemeenschap.
Nog
afgezien hiervan zullen eventuele eigen
voorzieningen, zoals de S.E.R. terecht
opmerkt, slechts aanspraken kunnen geven
op nominale geldsbedragen waarvan de
toekomstige reële waarde onzeker is.
Met de S.E.R. achten
de ondergetekenden het daarom gewenst
dat ook de hogere inkomenstrekkers in
het genot van een gewaarborgde reële
aanspraak worden gesteld. Daartoe is het
echter nodig dat zij in de wettelijke
verzekering worden opgenomen, aangezien
slechts deze een dusdanige waarborg kan
bieden.
Voorts
dient men te bedenken dat het niet vaak
zal voorkomen dat iemands inkomen
gedurende de gehele actieve periode van
zijn leven boven de gestelde grens zal
uitgaan. De S.E.R. wijst erop dat in het bijzonder onder
de hogere inkomenstrekkers zich een
relatief groot aantal zelfstandigen
bevindt wier inkomen sterk kan
fluctueren. Deze personen zouden,
wanneer een inkomensgrens zou worden
gesteld, nu eens wel en dan weer niet
onder de verzekering vallen. Het is zeer
twijfelachtig of juist deze personen in
de "zeven vette jaren" wel eigen
pensioenvoorzieningen zullen treffen.
Gesteld echter dat een inkomensgrens zou worden
gesteld, dan zou er alle aanleiding
bestaan deze zeker niet lager te stellen
dan ƒ6000,-
per jaar, welk
bedrag thans reeds geldt als loongrens
voor de Werkloosheidswet, de
Invaliditeitswet, de Ziektewet en het
Ziekenfondsenbesluit. Indien een
maximumgrens van ƒ6000,-
per
jaar zou worden gesteld, dan zou dit
betekenen dat een betrekkelijk kleine
categorie van de verzekering zou zijn
vrijgesteld. Dit zou tevens betekenen
dat de administratie der verzekering
terwille van deze kleine rblz.|27
r.k.|
categorie
bijzonder zou worden bemoeilijkt. Immers,
er zou niet slechts een eenmalig
onderscheid moeten worden gemaakt tussen
verzekeringsplichtigen en niet-verzekeringsplichtigen, doch in
verband met de vele mogelijke
wisselingen van het inkomen zou
voortdurend individueel per verzekerde
moeten worden nagegaan of hij nog -
c.q. wederom -
aan de voorwaarden
voor verzekeringsplicht voldoet. Dit zou
zeer veel administratieve rompslomp met
zich brengen, waarvan de kosten niet
mogen worden onderschat.
Ten slotte
zij erop gewezen dat het stelsel van
de zogenaamde beperkte registratie, hetwelk
de grondslag vormt voor de
administratieve opzet van de
voorgenomen voorziening -
zie hoofdstuk 9 -,
slechts geëffectueerd
kan worden wanneer de gehele bevolking
onder de voorziening valt.
Op
al de vorenuiteengezette gronden zijn de
ondergetekenden tot de overtuiging
gekomen dat in de nieuwe
ouderdomsverzekering geen inkomensgrens
dient te worden gesteld. Het spreekt van
zelf dat zij er zich over verheugen
dat hun opvatting ten deze aansluit bij
de zienswijze van de S.E.R.
Hetgeen
hierboven is opgemerkt ten aanzien van
personen wier inkomen boven een te
stellen maximumgrens uitgaat, geldt
mutatis mutandis evenzeer ten aanzien
van degenen die over een aanzienlijk
vermogen beschikken en daaruit inkomsten
genieten. Hun vermogen toch is bij
voortduring onderworpen aan
verschillende economische risico's welke
ertoe kunnen leiden dat het
niet meer toereikend is om in het levensonderhoud van de gerechtigde te
voorzien. Doet deze eventualiteit zich
voor, zo betoogt de S.E.R., dan zal het veelal niet meer
mogelijk zijn door deelneming aan het
arbeidsproces zulk een inkomen te
verwerven dat men hieruit in zijn
levensonderhoud kan voorzien en tevens
een voldoende oudedagsvoorziening kan
opbouwen.
Ten slotte
mogen ook hier niet worden voorbijgezien
de administratieve bezwaren verbonden
aan het eventueel uitsluiten van een
betrekkelijk kleine groep van personen.
Met de S.E.R. zijn de
ondergetekenden dan ook van oordeel dat
de nieuwe ouderdomsverzekering zich ook
tot deze groep van inkomenstrekkers
dient uit te strekken.
h. Personen voor wie reeds een voorziening
voor de oude dag is getroffen
Indien
er geen aanleiding bestaat personen
boven een bepaalde inkomensgrens van de
verzekering vrij te stellen, dan kan
niettemin de vraag worden gesteld of aan
personen voor wie reeds een behoorlijke
ouderdomsvoorziening geldt, deze
faciliteit moet worden verleend. Ook
voor diegenen voor wie, in welke vorm
dan ook, reeds een behoorlijke
ouderdomsvoorziening geldt, dient naar
de mening van de ondergetekenden geen
vrijstelling van de algemene
ouderdomsvoorziening te worden verleend.
Immers - en hierbij sluiten de ondergetekenden zich weer geheel aan
bij de S.E.R.
- zijn
de zeer vele overgangen van de ene
onderneming naar de andere enerzijds en
het afwisselend bekleden van functies in
particuliere dienst en in
overheidsdienst anderzijds, er de
oorzaak van dat zeer velen slechts
aanspraak kunnen doen gelden op een
pensioen dat door het geringe aantal
dienstjaren laag blijft. Daarenboven is
het een bezwaar - hierop werd reeds
eerder gewezen - dat de bijzondere
voorzieningen slechts aanspraken kunnen
geven op nominale geldsbedragen.
Een
ander zwaarwegend argument om degenen
die onder een bijzondere regeling vallen niet buiten de algemene ouderdomsverzekering te houden, bestaat
voorts hierin dat het verlenen van
deze vrijstelling de administratie van
de te treffen algemene voorziening enorm
zou verzwaren. De gevallen waarin
uitzonderingen zouden moeten worden
toegestaan, zouden zeer talrijk zijn.
Een ingewikkelde administratie zou nodig
zijn in verband met de vele mutaties.
Uit administratief oogpunt moet het dan
ook onvermijdelijk worden geacht dat bijvoorbeeld voor de ambtenaren geen uitzondering
op de algemene regel wordt gemaakt.
Hoewel het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds hun in het algemeen een
behoorlijk ouderdomspensioen garandeert,
rblz.|28
l.k.|
dienen
ook voor de ambtenaren de in het
onderhavige ontwerp neergelegde
voorzieningen te gelden. Hetzelfde geldt
voor de militairen, het
spoorwegpersoneel, de mijnwerkers en
eventuele andere soortgelijke groepen.
Het
is duidelijk dat de administratieve
bezwaren, welke ertoe nopen om bijvoorbeeld
de
ambtenaren onder de algemene regeling te
doen vallen, in versterkte mate gelden
voor individuele voorzieningen welke
eventueel door zelfstandigen zijn
getroffen. Er zou een leger van
ambtenaren in het leven moeten worden
geroepen om controle op deze individuele
voorzieningen uit te oefenen en om na te
gaan of deze voorzieningen inderdaad nog
actief worden onderhouden.
Ten slotte
zij wellicht ten overvloede nog
opgemerkt dat het stelsel der beperkte
registratie hetwelk aan de
administratieve opzet van de algemene
regeling ten grondslag ligt - zie hoofdstuk
9 -, staat of valt met het
al dan niet achterwege laten van
uitzonderingen op de verzekering.
c.
Positie gehuwde vrouw
Zoals
boven uiteengezet, strekt de
voorgestelde regeling zich uit tot de
gehele bevolking. De bevolking werd
hierboven onderverdeeld in drie
categorieën: de loontrekkenden, de
zelfstandigen en de overige
niet-loontrekkenden.
Een
gehuwde vrouw die als loontrekkende of
zelfstandige aan het arbeidsproces
deelneemt, valt uiteraard als zodanig
onder de verzekering. Dient dit echter
ook, zo zou men zich kunnen afvragen, te
gelden voor de gehuwde vrouw die niet
aan het productieproces deelneemt, doch
in haar eigen huishouding werkzaam is?
De
ondergetekenden hebben zich afgevraagd
of er redenen zouden kunnen zijn om de
in haar eigen huishouding werkzame
gehuwde vrouw van de verzekering uit te
sluiten. Zij zien deze evenwel niet.
Integendeel, er zijn verschillende
overwegingen op grond waarvan de
gehuwde, in haar eigen huishouding
werkzame vrouw wél onder de
verzekering dient te vallen. Het is van
belang dat ook de gehuwde vrouw
zelfstandig een pensioen opbouwt voor de
oude dag. Is zij bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd nog gehuwd, dan heeft
zij bijgedragen - hierop wordt in hoofdstuk
4 nader teruggekomen - aan
de opbouw van het pensioen van haar
echtgenoot, hetwelk voor hen beiden
bestemd is. Is een gehuwde vrouw op haar
oude dag weduwe of gescheiden vrouw
geworden, dan kan zij, doordat zij zelf
een pensioen heeft opgebouwd,
zelfstandig op een ouderdomspensioen
aanspraak maken.
In
het kader van een algemene voor de
gehele bevolking geldende
ouderdomsverzekering zou het weinig
passen een gehuwde, in haar eigen
huishouding werkzame vrouw van de
verzekering uit te sluiten. Zeer vele
gehuwde vrouwen zijn vóór haar
huwelijk als loontrekkende in de
verzekering opgenomen geweest. Sommigen
blijven ook tijdens haar huwelijk korter
of langer tijd in het bedrijfsleven of
elders werkzaam en dus
verzekeringsplichtig. Daarnaast zoeken
vele gehuwde vrouwen wanneer zij
eventueel vroegtijdig weduwe worden,
opnieuw een werkkring. Voorts zijn tal
van gescheiden vrouwen genoopt opnieuw
in het arbeidsproces te treden om in
haar levensonderhoud te kunnen
voorzien. Hieruit volgt dat vele der in
haar eigen huishouding werkzame gehuwde
vrouwen hetzij vóór, hetzij tijdens,
hetzij na haar huwelijk onder de
verzekering vallen. In het belang van de
continuïteit der verzekering is het
noodzakelijk deze ook gedurende de tijd
dat de gehuwde vrouw in haar eigen
huishouding werkzaam is, te doen
doorlopen. Zou dit niet geschieden, dan
zou zulk een vrouw slechts op een
gereduceerd pensioen aanspraak kunnen
maken.
Voorts
geldt ook ten aanzien van de gehuwde
vrouwen dat, wanneer deze niet in de
verzekering zouden worden betrokken, het
stelsel der beperkte registratie
bezwaarlijk uitvoerbaar zou zijn.
Concluderende
kan dus worden gesteld dat de gehuwde
vrouw, ongeacht of zij al of niet aan
het productieproces deelneemt, in de
verzekering dient te worden en te
blijven opgenomen.
rblz.|28
r.k.|
Dat
de positie van de gehuwde vrouw
bijzondere voorzieningen eist ten
aanzien van het recht op
ouderdomspensioen alsmede ten aanzien
van de premiebetaling zal in hoofdstuk
4, onderscheidenlijk in hoofdstuk
5, van
deze memorie nader worden uiteengezet.
d.
Niet-ingezetenen
De
opzet van de regeling brengt mede dat
in beginsel ieder die hier te lande
woont verzekerd zal dienen te zijn.
Voorts zullen ook degenen die niet hier
te lande hun woonplaats hebben, doch
die hier te lande als werknemer werkzaam
zijn, onder de verzekering dienen te
vallen. Met name wordt hier gedacht aan
de grensarbeiders. Internationaal wordt
immers algemeen als gedragslijn aanvaard dat een werknemer zijn
pensioen opbouwt in het land waar hij
werkt. Het opnemen in de verzekering van
alle hier te lande werkzame werknemers
is bovendien wenselijk ter vermijding
van ongelijke concurrentieverhoudingen
welke zouden ontstaan indien
niet-ingezetenen van de verzekering en
derhalve van de daaraan verbonden
premiebetaling zouden worden
vrijgesteld.
Uiteraard
doen zich hier een aantal speciale
kwesties voor in verband met cumulatie
met buitenlandse regelingen welke
eventueel van toepassing kunnen zijn bij
tijdelijk verblijf hier te lande,
grensarbeid, enz. Verschillende punten
zullen bij de onderscheidene verdragen
moeten worden geregeld. Bij de
toelichting op de afzonderlijke
artikelen zal hierop nader worden
teruggekomen.
Het
komt de ondergetekenden vooralsnog niet
gewenst voor buiten Nederland wonende
personen die hier te lande als
zelfstandige werkzaam zijn, in de
verzekering te betrekken. Anders dan ten
aanzien van de werknemers is er
aangaande de zelfstandigen geen
internationaal aanvaarde regel die
hiertoe zou nopen. Voorts is het aantal
als zelfstandige hier te lande werkzame
niet-ingezetenen gering.
4.
Het ouderdomspensioen
4.1. Pensioengerechtigde leeftijd
Algemene
regel: 65 jaar
De vraag op welke
leeftijd de pensioengerechtigdheid een
aanvang dient te nemen, is de laatste
jaren druk besproken. Hierbij is in het
bijzonder in geding de vraag of het
gewenst is tot verhoging van de tot
dusver in het algemeen geldende
pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar
over te gaan. Er wordt daarbij dan
gewezen op de stijging van de gemiddelde
levensduur van de 65-jarigen. Aan deze
omstandigheid kan echter alleen dan een
argument tot verhoging van de
pensioengerechtigde leeftijd worden
ontleend indien mét de verhoging van
de gemiddelde levensduur ook een
verhoging van het prestatievermogen van
65-jarigen en ouderen gepaard zou gaan.
Dit is echter nog niet gebleken. In
publicatie nr. 2 van de Staatscommissie
voor de Pensioenwetgeving, welke handelt
over de pensioengerechtigde leeftijd, is
er daarentegen op gewezen dat noch in
het feit dat de medische wetenschap
vooruitgang heeft geboekt, noch in de
verbeterde hygiënische omstandigheden
een aanleiding kan worden gevonden tot
de verwachting dat de prestatiecurve
zich in opwaartse richting heeft
verschoven.
Voorts heeft men wel
gesteld dat de toeneming van het aantal
bejaarden om financiële redenen een
argument zou kunnen leveren voor de
verhoging van de pensioengerechtigde
leeftijd. Daartegenover moet echter weer
worden overwogen of de wenselijkheid om
de werkgelegenheid voor de jongeren op
peil te houden de handhaving van de
thans algemeen gangbare leeftijdsgrens
niet meer aanbeveling doet verdienen.
De
Invaliditeitswet, de Noodwet
Ouderdomsvoorziening en het overgrote
deel van de pensioenvoorzieningen in de
private sfeer verlenen het recht op
pensioen bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd. Zou nu het
bodempensioen ingevolge de algemene
ouderdomsverzekering op latere leeftijd
ingaan, dan zou rblz.|29
l.k.|
de
aansluiting van vorengenoemde
pensioenvoorzieningen op de algemene
ouderdomsverzekering verloren gaan. Dat
dit tot allerlei moeilijkheden en
verwikkelingen zou leiden, is duidelijk.
De ondergetekenden menen dan
ook dat
het aangewezen is met betrekking tot de
pensioengerechtigde leeftijd het advies
van de S.E.R.
te volgen, die de
65-jarige leeftijd als de
pensioengerechtigde leeftijd heeft
voorgesteld. In overeenstemming met dit
advies wordt in het ontwerp de
pensioengerechtigde leeftijd dan ook
gesteld op de tot nog toe algemeen
aanvaarde leeftijd van 65 jaar. Zou in
de toekomst van een stijging van de
prestatiecurve blijken of om andere
redenen een verhoging van de
pensioengerechtigde leeftijd mogelijk,
wenselijk of onvermijdelijk worden, dan
zal dit vraagstuk voor deze ouderdomsverzekering, voor de publieke
en voor de particuliere
pensioenvoorzieningen gesynchroniseerd
moeten worden. Wetswijziging zal dan
nodig zijn.
Verhoogd
uitgesteld pensioen
De
vraag kan worden gesteld of het
wenselijk zou zijn in het kader van de
voorgestelde ouderdomsverzekering de
mogelijkheid te openen om, geheel op
basis van vrijwilligheid, voor degenen
die zulks wensen het ouderdomspensioen
op een later tijdstip dan bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd te
doen ingaan en daarbij de verschuiving
van de datum van pensionnering te
compenseren door een verhoging van het
ouderdomspensioen. Zulk een stelsel van
verhoogd uitgesteld pensioen heeft
ongetwijfeld aantrekkelijke aspecten.
Het stellen van de pensioengerechtigde
leeftijd op 65 jaar, zonder enige
mogelijkheid om daarvan af te wijken,
zal het psychologische effect hebben
dat algemeen het werk wordt gestaakt bij
het bereiken van deze leeftijd. Toch zou
het in de huidige omstandigheden zijn
voordelen hebben als na het bereiken
van de 65-jarige leeftijd door hen die
daartoe in staat zijn, werd doorgewerkt.
Hoewel,
zoals reeds eerder is opgemerkt, uit de
toename van de gemiddelde levensduur
boven de 65 jaar niet kan worden
afgeleid dat ook het prestatievermogen
van 65-jarigen en ouderen is toegenomen,
kan toch niet worden ontkend dat
verscheidene 65-jarigen zich nog
dermate vitaal gevoelen dat zij gaarne
hun arbeid nog enige tijd zouden blijven
voortzetten. Zinvolle arbeid is voor hen
van groot belang te achten. Verwacht
mag worden dat van het openen van de
mogelijkheid tot verkrijging van een
verhoogd uitgesteld pensioen enige
stimulerende werking zal uitgaan om
niet automatisch bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd de arbeid neer te
leggen. Voorts zullen degenen die van
deze mogelijkheid gebruikmaken minder
gevaar opleveren dat zij na hun 65ste
jaar "goedkope arbeidskrachten"
worden dan degenen die, terwijl zij al
pensioen genieten, blijven doorwerken.
Zoals
in het vervolg van deze memorie nader
zal worden toegelicht, zal de wettelijke
voorziening een beperkt karakter dragen.
Voor degenen die naast hun wettelijk
pensioen geen andere pensioenvoorziening
hebben, kan er veel aan gelegen zijn om,
door deelname aan het stelsel van
verhoogd uitgesteld pensioen, het
wettelijk pensioenbedrag enigermate te
verhogen. Ditzelfde geldt voor hen die
niet gedurende hun gehele actieve
periode verzekerd zijn geweest of die
gedurende hun actieve periode nalatig
zijn gebleven verschuldigde premie te
betalen. Zoals verderop blijkt, zullen
deze personen niet voor het
maximumbodempensioen in aanmerking
kunnen komen en zal hun in verband
daarmede een verhoging van het pensioen
veelal niet onwelkom zijn.
Ook
de S.E.R.
heeft in zijn advies aan de
Regering (zie blz. 48-49) het stelsel
van verhoogd uitgesteld pensioen bezien.
De
S.E.R. ontraadt voorshands de invoering
van het stelsel van verhoogd uitgesteld
pensioen en wel op de volgende gronden.
In
de eerste plaats acht de Raad het een
bezwaar dat dit stelsel elementen van
het kapitaaldekkingsstelsel invoert,
omdat de niet-opgenomen pensioenbedragen
zouden dienen te worden gereserveerd en
belegd om inderdaad later een hogere
rente mogelijk te maken. Het wil de
ondergetekenden voorkomen rblz.|29
r.k.|
dat
het niet noodzakelijk is de niet-opgenomen pensioenbedragen te
reserveren en te beleggen om later een
hogere rente mogelijk te maken. Men kan
zich voorstellen dat de op hogere
leeftijd ingaande pensioenen volgens een
bepaalde schaal worden vastgesteld,
maar, evenals de normale pensioenen,
volgens het omslagstelsel worden
gefinancierd. De introductie van het
kapitaaldekkingsstelsel is hiervoor niet
noodzakelijk. Maar ook al zou het
kapitaaldekkingsstelsel moeten worden geïntroduceerd, dan zouden de
ondergetekenden dit toch niet als een
onoverkomelijk bezwaar zien tegen het
instituut van verhoogd uitgesteld
pensioen.
Vervolgens
is de S.E.R. van oordeel dat aan het
zelf kunnen kiezen van de ene of de
andere wijze van pensionnering te grote
financiële risico's zijn verbonden. De
Raad heeft hierbij naar alle
waarschijnlijkheid gedacht aan de
mogelijkheid dat bejaarden die zich
nog vitaal voelen wél en bejaarden
die zich minder vitaal voelen niet
uitstel van pensionnering zullen vragen.
De ondergetekenden geloven niet dat de
hieruit voortvloeiende risico's van
betekenende omvang zouden zijn.
Vervolgens
betoogt de S.E.R. dat er voor degenen
die door het niet opnemen van een
ouderdomspensioen hun inkomenspositie
in latere jaren wensen te verbeteren,
andere wegen openstaan om dit te
bereiken, met name ook de weg van de
particuliere verzekering. Deze stelling
is op zichzelf juist. De vraag is maar
of velen ertoe komen van de bestaande
wegen gebruik te maken. De
ondergetekenden menen dit voorshands - althans in het algemeen
- in twijfel
te moeten trekken.
De argumenten op grond waarvan de S.E.R.
de invoering van een stelsel van
verhoogd uitgesteld pensioen voorshands
meent te moeten ontraden, achten de
ondergetekenden niet van doorslaggevende
betekenis. Ware het uitgesloten te
achten dat te eniger tijd in ons land
weer werkloosheid van betekenende omvang
zou ontstaan, dan zouden zij in dit
wetsvoorstel ongetwijfeld de
mogelijkheid om op basis van
vrijwilligheid een (verhoogd) uitgesteld
pensioen aan te vragen, hebben
vastgelegd. Nu die zekerheid niet
bestaat, menen zij niet verder te moeten
gaan dan bij algemene maatregel van
bestuur de mogelijkheid te openen dat
aan pensioengerechtigde personen die op
eigen verzoek gedurende enige tijd hun
pensioen niet opnemen, op een later
tijdstip een hoger pensioen kan worden
toegekend. De betreffende algemene
maatregel van bestuur zal - zo nodig
en gewenst - in tijden waarin de
vraag naar arbeidskrachten aanmerkelijk
ten achter blijft bij het aanbod, weer
kunnen worden ingetrokken. Indien tot
een zodanige intrekking wordt
overgegaan, zullen uiteraard verkregen
rechten moeten worden geëerbiedigd.
Voorstel
S.E.R. inzake pensioengerechtigde
leeftijd van weduwen
De S.E.R.
acht het nog
gewenst (blz. 45), in afwachting van de
herziening der wettelijke regeling van
de weduwenverzekering, in navolging van
het bepaalde in artikel 81a juncto
artikel 81c van de Invaliditeitswet,
in geval van overlijden van een gehuwde
boven-65-jarige man die in het genot
was van ouderdomspensioen, zijn weduwe
het recht op ouderdomspensioen naar de
maatstaf voor een ongehuwde te doen
behouden indien zij op het tijdstip van
overlijden 60 jaar of ouder is, dan wel
dit recht te doen verkrijgen zodra zij
de 60-jarige leeftijd heeft bereikt.
De
ondergetekenden hebben het voorstel van
de S.E.R. op dit punt niet overgenomen.
In bedoeld voorstel ligt namelijk een grote
onbillijkheid opgesloten. Het valt
immers niet in te zien waarom de weduwe
van 60 jaar wier man op 65-jarige of
oudere leeftijd overlijdt wél en die
wier man op 64-jarige leeftijd overlijdt niet in het genot zou moeten
worden gesteld van een
ouderdomspensioen. In het bijzonder
evenwel, nu aan de S.E.R. advies is gevraagd over de
wijze
waarop in de toekomst in de verzekering
van een weduwenpensioen dient te worden
voorzien, terwijl voorts de Regering
zich beraadt over het treffen van een
noodvoorziening in afwachting van de
definitieve regeling der
weduwenverzekering, menen de
ondergetekenden op één en ander niet
vooruit te rblz.|30
l.k.|
moeten lopen door in het wetsontwerp op de
ouderdomsverzekering een incidentele
regeling liggende op het terrein van de
weduwenverzekering op te nemen.
4.2. Hoogte ouderdomspensioen
Uniform
bodempensioen
De S.E.R.
is eenstemmig van oordeel dat
de ouderdomsverzekering een beperkt
karakter zal moeten dragen.
Een
aantal leden acht deze beperking een
noodzakelijk uitvloeisel van de
historische ontwikkeling van de
ouderdomsvoorziening, in het bijzonder
ook in de privaatrechtelijke sfeer
(particuliere voorzieningen,
ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen) en van de
sociaal-economische situatie in ons
land. Zij stellen zich niet op het
standpunt dat de ouderdomsverzekering
niet verder mag strekken dan het
voorkomen van behoeftigheid op de oude
dag. In beginsel mag de wettelijke
regeling naar hun oordeel verder gaan en
mag daarin, naast dit behoefteelement,
ook het prestatie-element tot uiting worden
gebracht, waardoor het pensioen mede
verband houdt met de in de actieve
periode geleverde bijdrage tot het
nationale inkomen. Zijn echter
collectief of individueel oudedagsvoorzieningen
getroffen welke
in deze richting tenderen, dan dient
naar het oordeel van deze leden van de
Raad deze eigen zorg zoveel mogelijk te
worden ontzien.
Naar
het oordeel van deze leden kan de eigen
zorg, gelet op de omvang welke zij
reeds heeft bereikt en de te verwachten
ontwikkeling daarvan, bij de bepaling
van de hoogte van de prestaties der
ouderdomsverzekering niet worden
verwaarloosd. Hoewel zij een algemene
wettelijke ouderdomsverzekering niet
overbodig maakt, heeft zij een
dergelijke omvang bereikt dat op grond
hiervan voor een beperking van de
uitkeringen dezer verzekering aanleiding
is.
De omvang welke deze beperking dient aan
te nemen, wordt volgens deze leden mede
bepaald door de financiële en andere
economische gevolgen van de
ouderdomsverzekering, gelet op de
economische situatie waarin ons land
verkeert.
Voor
een aantal andere leden van de Raad
vloeit de algemeen aanvaarde beperkte
strekking van de ouderdomsverzekering
voort uit hun standpunt dat met het
opleggen van een verplichte verzekering
niet verder dient te worden gegaan dan
wordt vereist door het daarmede te
bereiken doel, namelijk dat de bejaarden
door verkregen rechten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Dit
doel is naar hun mening bereikt indien
een pensioen in uitzicht wordt gesteld
dat voorziet in een levensonderhoud dat
bij de huidige verhoudingen in ons land
minimaal sociaal wenselijk moet worden
geacht. Ook deze leden achten het
wenselijk dat het inkomen op de oude
dag verband houdt met het in de actieve
periode verdiende inkomen. Zij zijn
echter van oordeel dat in het hierin
tot uiting komende prestatie-element
door individuele of collectieve eigen
zorg moet worden voorzien en dat de
wettelijke regeling zich dient te
beperken tot het voorkomen van
behoeftigheid op de oude dag. Zij kan
naar hun oordeel ook niet verder reiken,
omdat de middelen daarvoor moeilijk
kunnen worden opgebracht.
De S.E.R. is op grond van
het vorenstaande tot de eenstemmige
conclusie gekomen dat voorshands een
algemene uniforme uitkering als
bodempensioen dient te worden verstrekt.
Omtrent
de wijze waarop in de toekomst de door
de Raad noodzakelijk geachte, met het
arbeidsverleden samenhangende
differentiëring in het inkomen op de
oude dag moet worden verwezenlijkt,
bestond in de Raad geen eenstemmigheid.
De Raad heeft zich hierover dan ook niet
uitgesproken.
De
door de ondergetekenden in hoofdstuk
2 aangegeven rechtsgrond voor de invoering
van de voorgestelde voorziening brengt
mede dat de wet de mogelijkheid moet
scheppen dat een ieder op zijn oude dag
is gevrijwaard tegen gebrek. Dit behoeft niet in te
houden dat de
wettelijke voorziening pensioenen
toekent welke op zichzelf reeds een
minimumlevensonderhoud waarborgen. De
ondergetekenden zijn ervan uitgegaan
dat de nieuwe regeling enerzijds
rekening dient te houden met rblz.|30
r.k.|
het
bestaan van pensioenvoorzieningen in de
privaatrechtelijke sfeer, terwijl zij
anderzijds niet remmend, doch zo
mogelijk eer stimulerend dient te werken
op het tot stand komen en in stand
blijven van zodanige voorzieningen. Zij
menen dat slechts bij een regeling
welke aan deze voorwaarden voldoet de
mogelijkheid wordt geschapen dat men
ook op het punt van de
oudedagsvoorziening zich zijn
persoonlijke verantwoordelijkheid bewust blijft of zal worden.
Op
grond van deze overweging menen ook de
ondergetekenden dat de nieuwe
wettelijke regeling slechts een
bodemvoorziening dient te geven. Gezien
het vorengaande zal deze voorziening
slechts uniforme uitkeringen moeten
verstrekken. Wanneer men er immers van
uitgaat dat de wettelijke regeling het
treffen van voorzieningen in de
privaatrechtelijke sfeer mogelijk moet
maken en zelfs stimuleren, ligt het niet
voor de hand bij deze regeling zelf
reeds verband te leggen tussen het
inkomen tijdens de actieve periode en
dat op de oude dag.
Het
naast elkaar functionneren van de
onderhavige voorziening enerzijds en
van privaatrechtelijke voorzieningen
anderzijds heeft ook nog een
financieel-economisch aspect, doordat de
voorgestelde regeling uitgaat van een
financiering van de verzekering volgens
het omslagstelsel, terwijl de
privaatrechtelijke voorzieningen voor
het merendeel op het
kapitaaldekkingsstelsel zijn gebaseerd
(zie hoofdstuk 6).
Gemeenteclassificatie;
inkomensaftrek
Volgt
uit het vorenstaande dat met een
uniform pensioenbedrag moet worden
volstaan, thans rijst de vraag op welk
bedrag het pensioen dan dient te worden
gesteld. Alvorens echter tot de
beantwoording van deze vraag over te
gaan, dient eerst te worden gesteld dat
het naar de mening van de
ondergetekenden niet in een
verzekeringsstelsel zou passen om het
bedrag van het bodempensioen afhankelijk
te stellen van de gemeente waarin de
pensioengerechtigde woont en dat om
dezelfde reden eventueel eigen inkomen
uit anderen hoofde niet tot vermindering
mag leiden van het bodempensioen.
Omtrent de aftrek van eigen inkomsten
heeft bovendien het Parlement zich
verschillende malen duidelijk
uitgesproken bij de totstandkoming en de
verschillende wijzigingen van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening. De nadelige
invloed daarvan op de spaarzin en op het
tot stand komen van bedrijfs- en andere
pensioenfondsen is daarbij herhaaldelijk
ter sprake gekomen. Moest deze aftrek
ondanks de daaraan verbonden bezwaren
bij de Noodwet echter wel worden
aanvaard, in de voorgestelde regeling
kan hij achterwege blijven en dit is
één van de in het oog vallende
verbeteringen welke de nieuwe
ouderdomsverzekering mede zal brengen.
Nadere precisering van het bedrag van
het ouderdomspensioen
De S.E.R.
is
unaniem van oordeel dat de beperking
van het ouderdomspensioen, als in het
begin van deze paragraaf geschetst, niet
zover mag gaan dat de uitkeringen
krachtens de nieuwe wettelijke
ouderdomsverzekering voor grote groepen
bejaarden lager zouden worden dan de
huidige krachtens wettelijke voorzieningen verkregen uitkeringen. Dit
geldt met name voor die Ioontrekkenden
die niet alleen een uitkering ingevolge
de Noodwet Ouderdomsvoorziening
genieten, maar tevens een ouderdomsrente
krachtens de Invaliditeitswet.
Verwezenlijking van het zojuist gestelde
desideratum vereiste echter op het
ogenblik dat de S.E.R. zijn advies
uitbracht een totaal inkomen van de
gewezen Ioontrekkenden in de orde van
grootte van ƒ1500,- à ƒ1600,- per jaar
voor gehuwden (thans, in verband met de
verhoging van de uitkeringen ingevolge
de Noodwet Ouderdomsvoorziening, ƒ1575,-
à ƒ1675,-).
De S.E.R.
meende dat op dat
ogenblik het pensioen niet op deze
hoogte kon worden gesteld. De Raad wees
hierbij allereerst op de onaanvaardbare
economische repercussies.
Pensioenbedragen in de orde van de zojuist vermelde grootte zouden een te
grote verhoging medebrengen van de
nominale lonen in verband met de gewenst
geachte compensatie van de premiën en
daarmede van de arbeidskosten van de
ondernemingen. rblz.|31
l.k.|
Slechts
een gedeelte van deze kosten zou kunnen
worden gecompenseerd door
lastenverlaging, te weten door afschaffing
van de vereveningsheffing.
Vervolgens
wees de S.E.R. op de
inkomensherverdeling van structurele
aard welke als gevolg van de
verouderende bevolking geleidelijk
grotere consequenties zal hebben.
Ten slotte
vestigde de S.E.R. er nog de aandacht op dat de verwezenlijking van andere
sociale doelstellingen, alsmede van
doelstellingen van economische en
culturele aard, niet bij voorbaat
twijfelachtig mag worden gemaakt.
Op
grond van bovenstaande overwegingen is
de S.E.R. van mening dat voorlopig moet
worden uitgegaan van een bodempensioen
dat enige procenten - gedacht wordt
aan 5% - ligt boven het niveau van de
op het tijdstip van invoering der
verzekering van kracht zijnde norm van
de Noodwet Ouderdomsvoorziening
geldende voor een eerste gemeenteklasse.
Het hogere niveau acht de Raad wenselijk
om al degenen -
en dus niet alleen degenen die woonachtig zijn in een
tweede-, derde-, vierde- of
vijfdeklasgemeente - die
vóór de invoering van de onderhavige
voorziening uitsluitend of bijna
uitsluitend op een uitkering ingevolge
de Noodwet Ouderdomsvoorziening waren
aangewezen, een verbetering in hun
financiële positie te geven.
Ook
de ondergetekenden zijn van mening dat
de nieuwe wettelijke regeling niet tot
gevolg mag hebben dat belangrijke
groepen van personen ingevolge
wettelijke voorzieningen aanspraak
hebben op een lager bedrag dan vóór de
invoering van deze regeling. Zij zijn
het echter eveneens met de S.E.R.
eens
dat op de door hem aangevoerde gronden
het gehuwdenpensioen niet kan worden
gesteld op ƒ1575,- à ƒ1675,- (dit zijn de
door de S.E.R. genoemde bedragen van ƒ1500,-
à ƒ1600,-, aangepast aan de
verhoging van de uitkeringen ingevolge
de Noodwet Ouderdomsvoorziening). Zij
kunnen het voorstel van de S.E.R. om het
bedrag van het ouderdomspensioen te
stellen op het met 5% verhoogde bedrag ingevolge de Noodwet
Ouderdomsvoorziening geldende voor een
eersteklasgemeente geheel delen. Na de
laatste verhoging ingaande 1 October
1954 bedraagt de maximumuitkering
ingevolge de Noodwet in een eersteklasgemeente
ƒ1272,-. Door verhoging van dit
bedrag met 5% wordt - na afronding - het voor de definitieve
ouderdomsverzekering voorgestelde
pensioenbedrag van ƒ1338,- voor gehuwden
verkregen.
Basispensioen;
gehuwdenpensioen
Bijgaand
ontwerp gaat niet - zoals het advies
van de S.E.R.
- uit van het
gehuwdenpensioen, maar van een algemeen
basispensioen. Voor dit basispensioen
komen hoofdzakelijk in aanmerking de
ongehuwden.
De
onderhavige voorziening beoogt, zoals in
het begin van deze paragraaf nader is
aangegeven, slechts een bodem te leggen
voor de oudedagsvoorziening. Aan een
dergelijke voorziening zal in het
algemeen bij een echtpaar behoefte
bestaan wanneer de man 65 jaar is.
Daarom kent het ontwerp enerzijds geen
ouderdomspensioen toe wanneer alleen de
vrouw de 65-jarige leeftijd heeft
bereikt en wordt anderzijds wel
ouderdomspensioen toegekend, ook al is
de vrouw nog geen 65 jaar. Voorts zijn
de ondergetekenden met de S.E.R. van
oordeel dat de kosten van
levensonderhoud van een echtpaar
geringer zijn dan die van twee
ongehuwden. In verband daarmede dient
het aan een gezin toekomend
ouderdomspensioen lager te worden
gesteld dan het dubbele van het
basispensioen.
Daarom
kent het ontwerp naast een basispensioen
(voor ongehuwden) een pensioen voor
gehuwde mannen. Dit pensioen, dat
bestemd is voor het onderhoud van een
echtpaar, bestaat uit twee, in beginsel
gelijke, delen, te weten een deel afkomstig van de verzekering van de
gehuwde man en een deel afkomstig van
de verzekering van de gehuwde vrouw.
Het
vorenstaande houdt dus in dat de
gehuwde vrouw geen zelfstandig recht
heeft op ouderdomspensioen. Het ontwerp
machtigt echter het uitvoeringsorgaan
de helft van het ouderdomspensioen
waarop de man recht heeft aan de
gehuwde vrouw uit te keren.
rblz.|31
r.k.|
De
beantwoording van de vraag in welke
verhouding het pensioen van de gehuwden
en dat van de ongehuwden tot elkaar
dienen te staan, is nogal moeilijk,
wegens gebrek aan beschikbare gegevens
omtrent de verhouding van de kosten van
levensonderhoud van gehuwde en die van
ongehuwde bejaarden. Dit weegt des te
zwaarder omdat het vraagstuk van de
kosten van levensonderhoud van de
bejaarden toch reeds in het algemeen zo
ingewikkeld is in verband met de geheel
verschillende omstandigheden waarin zij
verkeren, doordat een deel van hen een
eigen huishouding voortzet, anderen
inwonend zijn bij familie en nog weer
anderen in een bejaardentehuis of in een
inrichting worden verpleegd.
Intussen
staat echter wel vast dat de kosten van
levensonderhoud voor een bejaard
echtpaar aanzienlijk blijven beneden
het tweevoud der kosten van een
ongehuwde bejaarde. De ondergetekenden
menen daarom in navolging van de S.E.R. de verhouding van het bedrag van het
pensioen voor gehuwde mannen tot dat
voor ongehuwden te moeten stellen op 100:60. Uitgaande van het
boven besproken
gehuwdenpensioen van ƒ1338,- bedraagt
derhalve het basispensioen 60% daarvan,
te weten ƒ804,-.
Het
gehuwdenpensioen staat, zoals uit het
voorgaande blijkt, gelijk met 10/6 van
het basispensioen. Dit heeft tot gevolg
dat het aandeel dat ieder van de beide
echtgenoten in het gehuwdenpensioen
heeft in beginsel 5/6 bedraagt van het
basispensioen.
Voorlopige
handhaving van de ouderdomsverzekering
in de Invaliditeitswet
De
ondergetekenden ontveinzen zich intussen
niet dat met een pensioen als
voorgesteld zonder meer nog niet is
voldaan aan de zowel door de S.E.R.
als
door de ondergetekenden noodzakelijk
geachte voorwaarde dat de nieuwe
wettelijke voorziening niet tot gevolg
mag hebben dat een grote groep van
personen in wettelijke aanspraken
achteruitgaat. De S.E.R. wijst er dan
ook in zijn advies reeds op dat niet
met het voren besproken bodempensioen
kan worden volstaan. Immers zou dan voor
een grote groep loontrekkenden
geleidelijk een verslechtering van de
wettelijke oudedagsvoorziening intreden
indien de thans door velen van hen naast
de ingevolge de Noodwet
Ouderdomsvoorziening genoten uitkering
de ouderdomsrente krachtens de
Invaliditeitswet geleidelijk zou
verminderen en ten slotte geheel zou
wegvallen. Dit zou het geval zijn
indien na de invoering van de nieuwe
ouderdomsverzekering de
Invaliditeitswet, voor wat betreft het
ouderdomsgedeelte, werd ingetrokken,
waardoor daaraan geen nieuwe rechten
zouden kunnen worden ontleend. De
onmogelijkheid het algemene
bodempensioen op een zodanig bedrag te
stellen dat voor deze groep geen
verslechtering van de wettelijke
oudedagsvoorziening ontstaat, noodzaakt
er naar het oordeel van de Raad toe ten
behoeve van deze groep een aanvullende
voorziening te treffen. Niet alleen op
grond van historisch gegroeide
verhoudingen acht de Raad dit billijk.
De rechtvaardiging voor deze
differentiatie is gelegen in de
omstandigheid dat de loontrekkenden
wier inkomen beneden een bepaalde grens
ligt geen andere voorzieningen kunnen
opbouwen, zodat zij tijdens hun oude dag
uitsluitend op de wettelijke
ouderdomsvoorziening zijn aangewezen.
De overige groepen van de bevolking
daarentegen zullen als regel tijdens hun
oude dag over enig inkomen uit anderen
hoofde kunnen beschikken. Hieruit vloeit
voort dat de aanvullende voorziening
voor de loontrekkenden beneden een
bepaalde inkomensgrens een subsidiair
karakter dient te dragen. Zij is slechts
op haar plaats voor de loontrekkenden
die niet krachtens de voor hen geldende
arbeidsvoorwaarden op andere wijze
rechten op een aanvullende
ouderdomsvoorziening kunnen doen gelden.
Het
aanvullend karakter der te treffen
voorziening kan, naar de mening van de
S.E.R., tot uiting worden gebracht door
van de werkingssfeer van de
Invaliditeitswet voor wat het
ouderdomsgedeelte betreft desgewenst
uit te zonderen de loontrekkenden die
deelnemen in een ondernemings- of
bedrijfspensioenfonds waarvan de
prestaties ten minste gelijkwaardig zijn
aan de ouderdomsrenten ingevolge de
Invaliditeitswet.
rblz.|32
l.k.|
Een
opbouw van het inkomen van de bejaarden
die als loontrekkende werkzaam zijn
geweest uit bodempensioen en uit
pensioen volgens de herziene Invaliditeitswet of uit
bodempensioen
en uit bedrijfspensioen, eventueel
ondernemingspensioen, zal naar het oordeel van de Raad een verplicht
stellen van het deelnemen aan
bedrijfspensioenfondsen voor alle
bedrijfstakken - zoals door de Raad
van Vakcentralen in zijn bekende plan
was voorgesteld -, althans voorlopig,
overbodig maken. De verdere ontwikkeling
van het instituut der
bedrijfspensioenfondsen kan dan volgens
de Raad in het op vrijwillige basis te
voeren overleg tussen de organisaties
van ondernemers en van werknemers
geschieden. Voor elk der bedrijfstakken
afzonderlijk kan dan mede worden beslist
of het gewenst is de zelfstandigen aan
het bedrijfspensioenfonds deel te doen
nemen. In een aantal gevallen kan dit
wenselijk zijn in verband met het
hierboven aangegeven verschil in de uit
de wettelijke ouderdomsverzekering
voortvloeiende rechten van
loontrekkenden en zelfstandigen.
De
ondergetekenden willen gaarne de
suggestie van de S.E.R.
overnemen en,
althans voorshands, het
ouderdomsgedeelte van de
Invaliditeitswet handhaven. Zij zijn
echter van oordeel dat het vrijwel
onmogelijk zou zijn om de gedachte van
de S.E.R. over te nemen een zodanige
verruiming aan de in de artikelen 39 en
40 van die wet geopende
ontheffingsmogelijkheid te geven dat
voor alle werknemers die vallen onder
een ondernemingspensioenfonds of een
bedrijfspensioenfonds dat aan bepaalde
voorwaarden voldoet, van deze
ontheffingsmogelijkheid gebruik zou
kunnen worden gemaakt.
Van
de bezwaren welke aan het volgen van
het S.E.R.-advies tot verruiming van de
in de artikelen 39 en 40 der
Invaliditeitswet neergelegde
ontheffingsmogelijkheid verbonden zijn,
moge hier een korte uiteenzetting worden
gegeven.
De
verzekering ingevolge de
Invaliditeitswet omvat niet alleen een
ouderdomsverzekering, doch tevens een
invaliditeits-, weduwen- en
wezenverzekering. Het is kennelijk de
bedoeling van de S.E.R., en het ligt ook
voor de hand, om de wegens deelname aan
een bedrijfs- of
ondernemingspensioenfonds te verlenen
ontheffing alleen de in de
Invaliditeitswet geregelde
ouderdomsverzekering te doen betreffen.
Voor de betreffende verzekerden zou dus
de invaliditeits-, weduwen- en
wezenverzekering gehandhaafd moeten
blijven. Dit wil zeggen dat voor de
onderhavige verzekerden ook de
rentekaart gehandhaafd blijft, doch dat
het te plakken zegel, dat dan slechts
dient tot financiering van de
gehandhaafde invaliditeits-, weduwen- en
wezenverzekering, in waarde kan worden
verlaagd.
Dit
brengt mede dat de toch reeds
omvangrijke administratie van de
verzekering ingevolge de
Invaliditeitswet nog aanmerkelijk
omvangrijker wordt. Er zal afzonderlijke
boeking moeten plaatsvinden van
volwaardige en van in waarde
gereduceerde zegels, terwijl in de thans
reeds ingewikkelde renteberekeningen
nog nieuwe factoren zullen moeten worden
verwerkt. De uitvoeringsorganen zullen
voorts moeten controleren of er terecht
zegels van lagere waarde zijn geplakt,
hetgeen vooral ten aanzien van
werknemers die vaak van werkgever
veranderen een omvangrijk onderzoek
zal vergen. Dit onderzoek zal niet
alleen de administratie van de
uitvoeringsorganen belasten, doch
eveneens die van de werkgevers. Wanneer
een werknemer aan wie ontheffing is
verleend de dienst van zijn werkgever
verlaat, zonder dat hij recht op
uitgesteld bedrijfs- of
ondernemingspensioen heeft verworven,
zal voor deze werknemer over het
tijdvak van de verleende ontheffing, in
overeenstemming met het bepaalde in
artikel 41 der Invaliditeitswet,
wiskundige reserve moeten worden
gevorderd. Aangezien artikel 8, tweede
lid, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet het recht op uitgesteld
pensioen pas na vijf jaren van deelname
aan een pensioenfonds verzekert, zal
veelvuldig wiskundige reserve gevorderd
moeten worden. In het bijzonder ten
aanzien van werknemers die veelvuldig
van werkgever veranderen, rijzen hier
grote moeilijkheden, wederom niet alleen
voor de uitvoeringsorganen, maar ook
voor de werkgevers. Wordt hierbij in
aanmerking genomen dat uit financieel
oogpunt de rblz.|32
r.k.|
verlaging
van lasten welke voor de werkgever uit
een aan een werknemer verleende
vrijstelling voortvloeit slechts gering
zou kunnen zijn - aan te nemen is dat
de waarde van het rentezegel bij
vrijstelling maximaal tot op de helft
van de huidige waarde kan worden
gereduceerd, zodat de verlaging ten
hoogste 30 cent per week bedraagt -,
dan achten de ondergetekenden het niet
verantwoord, in het zicht van een
algehele herziening der
Invaliditeitswet, thans tot een
administratief zeer moeilijk uitvoerbare
incidentele wijziging van genoemde wet
over te gaan.
Zoals
bekend is, heeft de S.E.R.
thans in onderzoek op welke wijze
in de in de Invaliditeitswet geregelde
invaliditeitsverzekering, alsook in de
in die wet geregelde weduwen- en
wezenverzekering in de toekomst
definitief zal dienen te worden
voorzien. Pas wanneer het advies van de
S.E.R. omtrent de definitieve regeling
van genoemde verzekeringen bekend is,
zal een verantwoorde beslissing mogelijk
zijn omtrent de vraag wat er met de
Invaliditeitswet dient te gebeuren. De
ondergetekenden zijn van mening dat pas
dan ook het tijdstip is aangebroken
waarop omtrent het al dan niet, geheel
of gedeeltelijk, handhaven van het
ouderdomsgedeelte van de
Invaliditeitswet kan worden beslist. Tot
bedoeld tijdstip menen zij, vooral ook
teneinde een grote administratieve
warwinkel te voorkomen, de
Invaliditeitswet ongewijzigd te moeten
handhaven.
De
vraag rijst intussen of bij voorlopige
onverkorte handhaving van de
Invaliditeitswet nu niet de verdere
ontwikkeling van ondernemings- en
bedrijfspensioenfondsen zal worden
geremd.
De
ondergetekenden verwachten dit niet.
In
de eerste plaats betreft het hier
slechts een geringe last voor de
werkgevers. Immers slechts de helft van
de ingevolge de Invaliditeitswet
verschuldigde premie kan geacht worden
bestemd te zijn om de kosten van de in
die wet geregelde ouderdomsverzekering
te dekken.
Maar
daarnaast bestaat voor de bijzondere
pensioenregelingen steeds de
mogelijkheid - een mogelijkheid
waarvan ook in het verleden veelvuldig
gebruik is gemaakt - om op de
verstrekkingen ingevolge de bijzondere
pensioenregelingen ouderdomsrenten
ingevolge de Invaliditeitswet geheel of
ten dele in mindering te brengen.
Ten slotte
mag niet uit het oog worden verloren
dat de voorgestelde voorziening in het
geheel geen aftrek van eigen inkomsten
kent. Dit zal uiteraard niet zonder
invloed blijven op de ontwikkeling van
de bijzondere pensioenregelingen.
Intussen verdient het nog wel de
aandacht dat zelfs onder de vigeur van
de Noodwet Ouderdomsvoorziening, welke
wel een regeling van inkomensaftrek
bevat, het instituut van de bijzondere
pensioenvoorzieningen aanzienlijke
ontwikkeling heeft gevonden.
Aanvullende
voorzieningen voor zelfstandigen
Degenen
die geen rechten aan de Invaliditeitswet
kunnen ontlenen, gaan door de
voorgestelde wettelijke voorziening op
de oude dag niet in inkomsten achteruit.
Voor zover het wettelijke voorzieningen
betreft, kunnen zij thans alleen maar
aanspraak maken op uitkeringen ingevolge
de Noodwet Ouderdomsvoorziening.
Evenwel zal uiteraard ook voor hen het
voorgestelde pensioen geen voldoende
bestaanszekerheid waarborgen en zullen
dus aanvullende voorzieningen nodig
zijn. De ondergetekenden zijn van mening dat hier ruimte is voor het
treffen van voorzieningen in de
particuliere sfeer. De positie van de
zelfstandigen, ook op de oude dag, is
veelal een geheel andere dan die der
(gewezen) loontrekkenden. Vaak blijft er
nog een band bestaan met de zaak of met
het bedrijf waaraan zij waren verbonden
of beschikken zij over een vermogentje
ontstaan door verkoop van de zaak of van
het bedrijf. Voorts zullen vele
zelfstandigen eerder in staat zijn tot
het treffen van eigen voorzieningen dan
de loontrekkenden. Weliswaar is gebleken dat zij in het verleden
daartoe niet in voldoende mate zijn
gekomen, maar het is niet
onwaarschijnlijk dat de invoering van
de wettelijke ouderdomsverzekering een
stimulans zal rblz.|33
l.k.|
betekenen
voor het treffen van aanvullende
particuliere voorzieningen. Dit laatste
geldt niet slechts de zelfstandigen,
maar evenzeer de loontrekkenden.
De verwachting dat een wettelijke
bodemvoorziening het treffen van
aanvullende particuliere voorzieningen
zal stimuleren, wordt door
leidinggevende personen van de
levensverzekeringsmaatschappijen
gedeeld en berust mede op de in Amerika
opgedane ervaringen.
Cumulatie
algemene ouderdomsverzekering en andere
oudedagsvoorzieningen
In
het vorenstaande zijn de maatregelen
besproken welke dienen te worden
getroffen om te voorkomen dat grote
groepen van verzekerden - met name
loontrekkenden - door de invoering
van de onderhavige voorziening niet in
inkomen achteruit zullen gaan.
De
vraag dient echter ook onder het oog
gezien te worden of invoering van deze
voorziening geen ongewenste cumulatie
van uitkeringen ingevolge de
voorgestelde regeling en pensioenen uit
anderen hoofde tot gevolg heeft. Voor
vele werknemers zijn al bijzondere
pensioenregelingen van toepassing welke
bij volledige diensttijd pensioenen tot
70 of 80% van het loon garanderen.
Wanneer daar nu nog het bodempensioen
bovenop zou komen, kunnen ongewenste
situaties ontstaan, doordat bijvoorbeeld
het
totale inkomen op de oude dag het
inkomen tijdens de actieve periode
overtreft.
In hoofdstuk
3 van deze memorie is reeds
uiteengezet dat ook personen voor wie
een bijzondere voorziening geldt onder
de voorgestelde bodemvoorziening dienen
te vallen. De oplossing zal daarom
moeten worden gezocht in het kader van
de bijzondere pensioenregelingen. Deze
materie wordt in hoofdstuk
10, dat
handelt over de door de S.E.R.
voorgestelde vijfjarige
overgangsperiode en over de aanpassing
van de bijzondere pensioenvoorzieningen
aan de in bijgaand ontwerp voorgestelde
algemene voorziening, nader aan de orde
gesteld.
Kortingen
op het bodempensioen
In
navolging van de S.E.R.
behelst bijgaand
ontwerp een stelsel van proportionele
premie (zie toelichting paragraaf
5.2) bij een uniforme uitkering. Samenhang
tussen het recht op uitkering en de
premiebetaling wordt verkregen door de
hoogte van de uitkeringen afhankelijk te
stellen van het aantal jaren dat de
belanghebbende verzekerd is geweest en
van het aantal verschuldigde premiën
dat is betaald. Nu zal uiteraard slechts
bij verzekerden van premieplichtigheid
sprake kunnen zijn. Aangezien slechts 15-tot-65-jarigen verzekerd zijn, bedraagt
de maximumduur van de premieplichtigheid
50 jaar. In verband daarmede wordt in
het ontwerp voorgesteld op het pensioen
van degenen die voor het basispensioen
in aanmerking komen een korting toe te
passen van 2% voor elk jaar waarover
zij niet verzekerd zijn geweest of
waarover geen premie is betaald.
De
S.E.R. kent eveneens een korting van 2%
toe ten aanzien van het
gehuwdenpensioen. Een korting wordt dan
toegepast voor elk jaar dat de gehuwde
man vóór of tijdens het huwelijk niet
verzekerd is geweest of in verzuim is
gebleven premie te betalen. De stand van
de verzekering van de gehuwde vrouw, ook
van vóór het huwelijk, heeft derhalve
geen invloed op het bedrag van het
pensioen.
Zo
zal in de gedachtengang van de S.E.R. op
het pensioen van een gehuwde man die
van zijn 15de tot 25ste jaar in het
buitenland verbleef een korting van 20% worden toegepast, ook al is zijn
echtgenote steeds verzekerd geweest en
niet in verzuim geweest in het betalen
van de verschuldigde premie. In het
stelsel van de S.E.R. kan het zelfs
voorkomen dat een gehuwde man helemaal
geen pensioen ontvangt, omdat hij nooit
verzekerd is geweest, hoewel zijn vrouw
steeds verzekerd was en steeds premie
heeft betaald. Omgekeerd heeft in het
stelsel van de S.E.R. de gehuwde man
die steeds verzekerd is geweest en niet
nalatig is geweest in het betalen van de
premie, recht op het volledige
gehuwdenpensioen, ook al rblz.|33
r.k.|
is
zijn vrouw gedurende vele jaren niet
verzekerd of in de premiebetaling wel
nalatig geweest.
De
ondergetekenden zijn van oordeel dat
het stelsel van de S.E.R. op dit punt
niet geheel kan worden gevolgd. Naar hun
mening dient ervan te worden uitgegaan
dat van een echtpaar elk der beide
echtgenoten zelfstandig zijn eigen pensioen opbouwt. Aan de gehuwde vrouw
wordt echter in het algemeen geen recht
toegekend op het door haar opgebouwde
pensioen. Het ontwerp kent, zoals reeds
eerder bleek, aan de gehuwde man een
recht toe op een gehuwdenpensioen. De
hoogte van dit pensioen is dan
afhankelijk van de stand van de
afzonderlijke verzekeringen van beide
echtgenoten.
Zoals
in het vorengaande reeds werd
toegelicht, zal het maximumpensioenaandeel in het gehuwdenpensioen
van ieder der echtgenoten 5/6 maal het
basispensioen bedragen, oftewel ƒ669,-
per jaar. Op dit aandeel zou nu - geheel overeenkomstig de gang van zaken
bij degene die voor het basispensioen
in aanmerking komt - een korting
moeten worden toegepast van 2% voor elk
jaar waarover de betrokken echtgenoot
niet verzekerd is geweest of waarover
ten onrechte geen premie is betaald. Het
pensioen van de gehuwde man zou dan
bedragen de som van de aldus door elk
der echtgenoten afzonderlijk opgebouwde
pensioenen.
Aangezien
het maximale gehuwdenpensioen het
dubbele bedraagt van het maximale pensioenaandeel van elk der echtgenoten
afzonderlijk, is het gevolg hiervan dat
de korting wegens het niet verzekerd
zijn of wegens nagelaten premiebetaling,
toegepast op het maximale
gehuwdenpensioen, niet 2%, doch 1%
dient te bedragen voor elk jaar
waarover de man niet verzekerd is
geweest of nalatig is gebleven premie te
betalen en voor elk jaar waarover de
vrouw niet verzekerd is geweest of
nalatig is gebleven premie te betalen.
Doordat tegenover de samenvoeging van de
pensioenaandelen een halvering van het
kortingspercentage staat, blijft het
effect van de korting in omvang gelijk.
Het
verschil tussen het voorstel van de
S.E.R. en de in het wetsontwerp
neergelegde voorziening ligt
voornamelijk in de verschillende wijze
waarop met de voorhuwelijkse jaren van
de beide echtgenoten wordt rekening
gehouden. Het zal zich namelijk tijdens
het huwelijk slechts zelden voordoen
dat de ene echtgenoot wél en de andere
niét verzekerd is, omdat de woonplaats
van man en vrouw in de regel dezelfde
zal zijn. Voorts is het in het stelsel
van het wetsontwerp niet denkbaar dat
tijdens het huwelijk slechts één der
echtgenoten in gebreke is premie te
betalen. Het ontwerp gaat ervan uit dat
premie moet worden betaald van het
belastbaar inkomen. Voor zover de gehuwde
vrouw al een eigen bron van inkomen zal
hebben, wordt dit voor de premiebetaling
gerekend een onderdeel te zijn van het
inkomen van haar man. De gehuwde vrouw
kan in deze gedachtengang dus niet in
verzuim zijn premie te betalen. Het is
echter bij deze situatie billijk dat
verzuim in de premiebetaling door de
gehuwde man ook zijn echtgenote wordt
aangerekend. Vandaar dat het
wetsontwerp in artikel
10 [13], derde lid,
bepaalt dat de gehuwde vrouw geacht
wordt geen premie te hebben betaald over
de jaren waarover haar man tijdens het
huwelijk geen premie heeft betaald.
Het
vorenstaande brengt mee dat de opbouw
van de verzekering van de man en die
van de verzekering van de vrouw tijdens
het huwelijk parallel lopen, zodat er op
dit punt geen verschil bestaat tussen
het systeem van de S.E.R. en dat van de
voorgestelde voorziening.
Het aandeel
dat de echtelieden elk voor zich vóór
het huwelijk in het pensioen opbouwen,
staat evenwel geheel los van elkaar.
Anders dan bij de S.E.R. is, voor zover
het de voorhuwelijkse jaren betreft,
niet alléén de stand van de
verzekering van de man beslissend voor
de vraag of een korting moet worden
toegepast.
Aanpassing
van de pensioenen aan wijzigingen in de
algemene welvaart
De Invaliditeitswet en
in de regel ook de bestaande
pensioenfondsen geven slechts recht op
pensioenen uitgedrukt in rblz.|34
l.k.|
een
nominaal geldsbedrag of in een
percentage van het (laatst) genoten
loon of inkomen. Deze pensioenregelingen
houden dus geen rekening met
koopkrachtveranderingen van het geld en
dit is wel de belangrijkste oorzaak dat
met name de Invaliditeitswet in de
huidige situatie zo weinig betekenis
meer heelt en dat velen op hun oude dag,
ook al hebben zij in hun actieve periode
een voorziening getroffen welke
destijds zeer behoorlijk kon worden
geacht, thans toch over een gering of
zelfs onvoldoend inkomen de beschikking
hebben.
De
ondergetekenden zijn evenals de S.E.R.
van oordeel dat de pensioenaanspraken
op zodanige wijze in de wet dienen te
worden vastgelegd dat de koopkracht van
het ouderdomspensioen wordt aangepast
aan wijzigingen in de economische
situatie.
In
de bij het S.E.R.-rapport gevoegde
bijlage VIII is een duidelijke
uiteenzetting gegeven omtrent de
verschillende maatstaven welke voor dit
doel bruikbaar kunnen worden geacht.
Voor de keuze van een systeem gesteld,
zijn de ondergetekenden met de S.E.R.
van oordeel dat het meest aanbeveling
verdient een stelsel inhoudende een
binding van het bodempensioen aan de
regelingslonen.
Indexcijfers
van regelingslonen worden periodiek door
het Centraal Bureau voor de Statistiek
bekendgemaakt, namelijk voor
nijverheid, transport, landbouw,
administratief personeel en rijkspersoneel. Aangezien echter slechts
de weging voor de drie eerstgenoemde
sectoren bekend is en derhalve slechts
voor het totaal daarvan regelmatig een
gemiddeld indexcijfer wordt
gepubliceerd, lijkt momenteel de meest
verantwoorde methode om laatstbedoeld
indexcijfer als maatstaf voor de
aanpassing van het ouderdomspensioen te
kiezen. Indien in de toekomst een nog
representatiever indexcijfer der
regelingslonen zou worden berekend, kan
daarop te zijner tijd worden
overgeschakeld.
De
voorgestelde maatstaf heeft het voordeel dat hij in het algemeen zowel
een stijging van de kosten van
levensonderhoud als de ontwikkeling van
de nationale welvaart pleegt te volgen.
Weliswaar reageert het loonniveau
gewoonlijk slechts met een zekere
vertraging, doch dit is op zichzelf een
argument ten gunste van een binding aan
de lonen, aangezien daardoor de
situatie wordt voorkomen dat de
gepensionneerde in tijden van stijgende
welvaart een door de wet gegarandeerde
automatische verhoging van zijn pensioen
zou genieten vóórdat het nog werkzame
deel der bevolking een
positieverbetering heeft bereikt. Laatst
bedoelden kunnen immers op een
dergelijke automatische aanpassing geen
aanspraak maken en moeten integendeel
elke verhoging van hun loon door middel
van onderhandelingen trachten te
realiseren.
Een
verder voordeel van deze maatstaf is
dat de gegevens betreffende de
ontwikkeling van de regelingslonen
maandelijks ter beschikking komen,
terwijl zij bovendien een voor iedereen
begrijpelijke en controleerbare
indicator zijn. Daarnaast kan worden
opgemerkt dat de index van de
regelingsIonen niet het nadeel heeft
ener zeer grote conjunctuurgevoeligheid.
Als
bezwaar tegen opneming van de zogenaamde
indexclausule wordt wel aangevoerd dat
het onjuist zou zijn toekomstige
generaties te binden. Men weet, aldus
deze redenering, op het moment van de
invoering van de wet niet hoe in de
toekomst zich de economische situatie
van ons land zal ontwikkelen.
De
ondergetekenden kunnen dit bezwaar niet
delen. Ten aanzien van élke wettelijke
voorziening, dus ook bij een wetlelijke
ouderdomsverzekering met in nominale
bedragen vastgestelde pensioenen, geldt dat deze toekomstige generaties
bindt. In dit opzicht is er dus geen
principieel verschil ten opzichte van
een verzekering met indexclausule.
Evenwel moet worden toegegeven dat een
ouderdomsverzekering in zoverre een
eigen plaats inneemt ten opzichte van
vele andere sociale voorzieningen dat
door de nog steeds stijgende gemiddelde
levensduur de ouden van dagen een
toenemend aandeel in de samenstelling
van de totale bevolking zullen gaan
vormen en dus een lastenverzwaring voor
de toekomstige rblz.|34
r.k.|
actieve generaties zullen veroorzaken.
Deze thans reeds te voorziene
omstandigheid doet nadere overweging van
de vraag of het verantwoord is tot
opneming van de indexclausule over te
gaan niet overbodig zijn. Dienaangaande
moge daarom het volgende worden
opgemerkt.
Zolang
de index van de regelingslonen constant
blijft, maakt het voor het actieve deel
der bevolking in het geheel geen
verschil of tot toepassing van de
indexclausule is besloten dan wel tot
gefixeerde nominale bedragen. In beide
gevallen zal de lastenverzwaring
uitsluitend worden bepaald door de mate
van uitbreiding van de groep ouden van
dagen.
Indien
de regelingslonen een dalende beweging
mochten ondergaan, zal een nominaal
pensioen een extra lastenverzwaring
voor de nog werkzamen opleveren,
aangezien het gelijkblijvende
pensioenbedrag een groter percentage van
het dalende loonbedrag zal gaan
uitmaken. Deze factor zou dan naast de
toeneming van het aantal ouden van dagen
tot gelding komen. De indexclausule
heeft daarentegen het voordeel dat het
pensioen in dit geval evenredig met het
loon zal verminderen. Bij dalende lonen
zou de indexclausule stellig in het
voordeel van de toekomstige actieve
beroepsbevolking blijken te zijn.
Daarentegen zal bij stijging van de
regelingslonen de indexclausule voor de
actieve categorieën minder gunstig
zijn. De toeneming van het aantal ouden
van dagen zal dan immers volledig leiden
tot een dienovereenkomstige
lastenverzwaring, terwijl deze bij
gefixeerde pensioenen geheel of
gedeeltelijk zou worden gecompenseerd
door de relatieve achteruitgang van het
pensioenbedrag in verhouding tot het
gestegen loon. Op zich zelf is deze mogelijkheid om ook in de toekomst bij
voortschrijdende vergrijzing de premie
voor de ouderdomsverzekering binnen
bepaalde perken te houden, misschien
zelfs wel te stabiliseren, zeer aantrekkelijk. De ondergetekenden
hebben dan ook zeer ernstig overwogen
of daartoe niet zou moeten worden
overgegaan, waarbij uiteraard de
toekomstige wetgever altijd nog bij
aanmerkelijke welvaartsstijging tot
verhoging van de uitkeringen zou kunnen
besluiten.
De
overweging echter dat het sociaal gezien toch wel moeilijk verdedigbaar
is om de ouden van dagen, vooral
diegenen onder hen die hoofdzakelijk
van deze verzekeringsuitkering zullen
moeten leven, bij een aanzienlijke
stijging van de weivaart in de toekomst niet meer dan de thans
vastgestelde uitkeringen (eventueel
aangepast aan gestegen kosten van
levensonderhoud) te verstrekken,
teneinde het actieve deel van de
bevolking dat van de welvaartsstijging
ten volle profiteert 1 of 2% premie
te besparen, heeft hen doen besluiten
de aanpassing aan de regelingslonen en
niet aan de kosten van levensonderhoud
in de wet op te nemen. Daarbij heeft ook
de overweging een rol gespeeld dat
alle werkgevers- en
werknemersvertegenwoordigers in de
S.E.R. zich daarmede accoord hebben
verklaard, hetgeen impliceert dat de
vertegenwoordigers van de groepen die
in de toekomst deze last zullen moeten
dragen, daartoe ook bereid gebleken
zijn. De ondergetekenden vertrouwen
dat men in de toekomst ook bereid zal
blijken bij de beoordeling en
vaststelling van het deel van het
nationale inkomen dat aan de actieven
toevalt de consequenties van de thans
te nemen beslissing te dragen.
5.
De middelen tot
dekking der kosten
5.1. Kring der premieplichtigen
Verzekering met premiebetaling
De middelen tot dekking van de
aan een ouderdomsverzekering verbonden kosten kunnen op verschillende
manieren worden gevonden, bijvoorbeeld door het heffen van een bestemmingsbelasting of door
premieheffing. Nu brengt het wezen van de
sociale verzekering niet per se een bepaalde wijze van opbrengen der
middelen mede. De ondergetekenden hebben gekozen voor een verzekering met
premiebetaling. Zij menen dat hieraan de rblz.|35
l.k.|
voorkeur dient te worden
gegeven, gezien de historische ontwikkeling in ons land en omdat daardoor
de persoonlijke verantwoordelijkheid om zelf voor de oude dag te zorgen het
meest tot uitdrukking komt.
Premiebetaling door alle verzekerden die inkomen genieten
Uitgangspunt bij de
beantwoording van de vraag wie tot premiebetaling moeten worden verplicht,
dient te zijn dat de premiën moeten worden opgebracht door degenen die
door of in verband met arbeid of vermogen inkomen genieten. In zijn rapport
merkt de S.E.R. dan ook terecht op (blz.
57/58) dat de premie in beginsel
ten laste behoort te komen van de verzekerden zelf. Voor een onderscheid in
die zin dat de premie der loontrekkenden gedeeltelijk of geheel door de
werkgevers en die voor de niet-loontrekkenden door deze geheel zelf zou
worden betaald, is in een volksverzekering, welke ervan uitgaat dat de
werkenden in staat moeten zijn uit hun inkomsten een oudedagsvoorziening te
bekostigen, geen plaats. Dit houdt uiteraard niet in dat er geen verschil
zou mogen worden gemaakt in de wijze waarop van de verschillende groepen
van verzekerden premie wordt geïnd. Met name laat dit onverlet de
mogelijkheid om de premie van werknemers te innen door inhouding op het loon
van het verschuldigde bedrag (zie hoofdstuk 9).
Aanvang en einde premieplicht
In de regel zal de
inkomstenverwerving een aanvang nemen met het intreden in het arbeidsproces.
Dit kan reeds het geval zijn voordat de 15-jarige leeftijd is bereikt.
Aangezien echter de kring der verzekerden is beperkt tot de 15-tot
65-jarigen en uiteraard slechts verzekerden premieplichtig kunnen zijn,
heeft dit tot gevolg dat eerst vanaf de 15-jarige leeftijd premieplicht
kan bestaan en dat die plicht bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
een einde neemt.
Premieheffing van jeugdige
verzekerden
Er zijn grote groepen van
personen die in verband met hun studie eerst op oudere dan de 15-jarige
leeftijd aan het productieproces gaan deelnemen. Deze beschikken in het
algemeen uiteraard nog niet over een inkomen waarover premie kan worden
geheven en zullen derhalve pas op latere leeftijd in feite premieplichtig
zijn.
Men zou zich kunnen afvragen of
het wel billijk is om degenen die reeds op hun 15de jaar aan het
arbeidsproces deelnemen dan reeds premie te laten betalen. Deze personen
zullen daardoor over een langer - en soms een veel langer - tijdvak
premie moeten betalen dan degenen die op oudere leeftijd voor het eerst
productieve arbeid gaan verrichten, terwijl het bedrag van het pensioen voor
allen gelijk is. De ondergetekenden mogen erop wijzen dat deze
tegenwerping inderdaad juist zou zijn indien zou worden voorgesteld van
iedere premieplichtige een uniform premiebedrag te vragen. Dan zou zelfs de
premie extra zwaar op de jeugdige werkenden drukken. Maar de voorgestelde
regeling gaat uit, zoals verder nog nader zal worden uiteengezet, van een
naar het inkomen proportionele premieheffing. Aangezien de jeugdlonen
betrekkelijk laag zijn, heeft dit tot gevolg dat door de jeugdige werkenden
maar kleine bedragen aan premie behoeven te worden opgebracht. Daartegenover zullen in de regel
degenen die wegens verdere
scholing
eerst op latere leeftijd aan het productieproces gaan deelnemen weliswaar
over een enigszins kortere periode premie betalen, maar wegens de door hen
gemiddeld genoten hogere inkomsten over het betalingstijdvak als geheel
genomen een behoorlijke premiebijdrage leveren.
De ondergetekenden sluiten zich
hierbij geheel aan bij de opvatting van de S.E.R.
(blz. 37 van het rapport),
welke het betalen van premie op jeugdige leeftijd als een voordeel ziet,
omdat hierdoor onmiddellijk bij de aanvang van de inkomstenverwerving het
besef wordt bijgebracht dat het inkomen niet uitsluitend bestemd is om in
de dagelijkse behoefte te voorzien. De Raad merkt voorts nog terecht op dat
door het betrekken van de jeugdige werkenden in de premiebetaling een
betere rblz.|35
r.k.|
verdeling van de premielast over
de duur van de gehele verzekeringsperiode wordt verkregen, waardoor voor de
volwassenen, voor wie de premiebetaling als regel een zwaardere last
betekent, de premie enigszins kan worden verlaagd.
Zou men de jongeren niet in de
premiebetaling betrekken, dan zou voorts het gevolg zijn dat zij hierdoor
in verhouding tot de ouderen goedkopere arbeidskrachten zouden worden.
Premieheffing over inkomen uit
vermogen
In het bovenstaande werd ervan
uitgegaan dat in de regel de inkomstenverwerving eerst ontstaat bij het
intreden in het arbeidsproces. Een uitzondering hierop vormt de groep van
personen die uit vermogen of uit periodieke uitkeringen een inkomen
genieten. De S.E.R. besteedt speciale aandacht aan deze groep (blz. 37/38
van het advies). Hij wijst er daarbij op dat tot deze categorie nagenoeg
uitsluitend wezen behoren wier levensonderhoud en opleiding niet door hun
ouders kunnen worden bekostigd. Zij zijn daarvoor op periodieke uitkeringen
dan wel op de opbrengst van hun vermogen aangewezen en zullen veelal zelfs
op hun vermogen moeten interen. De Raad stelt daarom voor om met de
bijzondere situatie van de tot deze groep behorende personen rekening te
houden door voor hen de plicht tot premiebetaling op een later tijdstip te
doen aanvangen en wel als regel bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd.
Zou de gedachtengang van de
S.E.R. op dit punt worden gevolgd, dan valt niet in te zien waarom de
leeftijdsgrens van 21 jaar ook zou moeten worden aangehouden indien de
betrokkenen dan nog studeren. Het zou dan redelijk zijn als algemene regel
voor deze groep van verzekerden aan te houden dat bij het bereiken van de
21-jarige leeftijd de betalingsplicht een aanvang neemt, maar daarnaast een
uitzondering te maken voor degenen die nog niet de leeftijd van 27 jaar
hebben bereikt en wier tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het
volgen van onderwijs. Voor wat betreft deze leeftijdsgrens zou dan
aansluiting worden verkregen aan de Kinderbijslagwet en aan de in de
belastingwetgeving geldende bepalingen voor kinderaftrek.
Na ampele overweging zijn de
ondergetekenden echter van oordeel dat het advies van de S.E.R. op dit punt
niet kan worden gevolgd. Allereerst valt het op dat de S.E.R. deze
vrijstelling alleen bepleit voor degenen beneden de leeftijd van 21 jaar
wier inkomen uitsluitend bestaat uit inkomsten uit vermogen of uit
periodieke uitkeringen. Genieten deze personen nog enige, zij het geringe,
andere inkomsten, dan zijn zij in de gedachtengang van de S.E.R. wel
premieplichtig en tellen de inkomsten uit vermogen of uit periodieke
uitkeringen weer wel mee bij de premieberekening. Zo zou het dus kunnen
voorkomen dat personen met een behoorlijk inkomen uit vermogen of uit
periodieke uitkeringen niet premieplichtig zijn, terwijl andere personen
die aan inkomen uit arbeid en uit vermogen samen een lager inkomen genieten wel premieplichtig zouden zijn. Voorts brengt het voorstel van de
S.E.R. mede dat personen die dank zij het feit dat zij over een
vermogentje beschikken of inkomsten uit periodieke uitkeringen genieten,
zich zonder meer aan de studie kunnen wijden, geen premie behoeven te
betalen en derhalve extra bevoorrecht zijn boven degenen die hun
studiekosten zelf moeten verdienen of misschien zelfs hun studie moeten
afbreken om aan het productieproces te kunnen deelnemen en wel premie
moeten betalen. Hiervoor lijkt geen voldoende motivering aanwezig.
Voorts mag niet worden vergeten
dat verschillende personen beneden de leeftijd van 21 jaar met een inkomen
uit vermogen of uit periodieke uitkeringen helemaal niet daadwerkelijk
studeren. Er bestaat geen reden om dezulken van premiebetaling vrij te
stellen.
Ten slotte kan uit een oogpunt van ouderdomsvoorziening moeilijk als
een bezwaar worden gezien dat de onderhavige groep veelal op het vermogen
moet interen. Tegenover de vermogensintering slaat een recht op een
waardevast pensioen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Met het oog
op de rblz.|36
l.k.|
oude dag behoeft derhalve deze
vermogensintering niet te worden tegengegaan.
In het wetsontwerp wordt er dan
ook van uitgegaan dat alle verzekerden van 15 tot 65 jaar, ongeacht de bron
van hun inkomen, premieplichtig zijn.
Premieheffing over het inkomen
van de gehuwde vrouw
In het vorengaande is als
uitgangspunt gekozen dat de premiën moeten worden opgebracht door de
verzekerden, voor zover deze inkomen genieten. Ten aanzien van een aantal
groepen van verzekerden dient de premiebetaling nader te worden bezien. Als
eerste voornaamste groep dient zich daarbij aan die der gehuwde vrouwen.
Uit paragraaf 4.2 is
reeds gebleken dat aan de gehuwde vrouw geen zelfstandig recht op pensioen
wordt gegeven. In het pensioenbedrag waarop de gehuwde man aanspraak kan
maken, is evenwel het pensioenaandeel dat de vrouw tijdens haar
verzekering heeft opgebouwd, begrepen. Het ligt dan ook voor de hand de
gehuwde vrouw ook niet zelfstandig premie te doen betalen, doch de
premiebetaling geheel via de man te leiden. In de gevallen waarin de
gehuwde vrouw eigen inkomsten heeft, kan dan van de man premie worden
geheven over het inkomen van man en vrouw tezamen. In vele gevallen zal de
gehuwde vrouw evenwel in het geheel geen of slechts zeer geringe eigen
inkomsten hebben. De vraag rijst derhalve of de van de gehuwde man voor
zijn eigen verzekering en voor de verzekering van zijn echtgenote geheven
premie hoger dient te worden gesteld dan de premie die een ongehuwde
betaalt. De ondergetekenden menen deze vraag ontkennend te moeten
beantwoorden.
In de eerste plaats dient in
aanmerking te worden genomen dat het pensioen van de gehuwde man, hoewel
opgebouwd uit twee verzekeringen, geenszins het dubbele bedraagt van het
ongehuwdenpensioen, doch dit pensioen slechts met twee derde gedeelte overtreft.
Voorts betaalt de vrouw in haar voorhuwelijkse jaren steeds zelfstandig
premie. Deze voorhuwelijkse jaren kunnen een vrij korte, maar ook een lange
verzekeringsperiode betreffen. Rekent men nog daarbij de premie welke
tijdens het huwelijk door de man over eigen inkomsten van de vrouw wordt
betaald, dan blijkt dat in vele gevallen tegenover het twee derde gedeelte
waarmede het gehuwdenpensioen het ouderdomspensioen van de ongehuwde
overtreft een redelijke premieprestatie staat. Achten de ondergetekenden
om deze reden reeds een verhoogde premie voor de gehuwde man niet gewenst,
tevens dient in aanmerking te worden genomen dat een verhoogde premie voor
het doorsnee gezin een te zware last zou betekenen.
De regeling van de
premiebetaling waarin het wetsontwerp ten aanzien van de gehuwde vrouw
voorziet, welke regeling geheel in overeenstemming is met het advies van de S.E.R.,
ligt grotendeels besloten in de aanvaarding - althans in beginsel -
van het fiscale inkomensbegrip voor de bepaling van het inkomen
waarnaar de voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premie wordt geheven.
Zo vloeit uit het voor de ouderdomsverzekering van overeenkomstige
toepassing zijnde artikel 2 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941
voort dat het inkomen van de gehuwde vrouw tot dat van haar man wordt
gerekend. Hoewel de gehuwde vrouw, gelijk iedere verzekerde, in beginsel
premieplichtig is, kan van haar in feite geen premie worden gevorderd, daar
zij voor de toepassing van de voorgestelde verzekering geen eigen inkomen
heeft.
Voor de verzekering van een
echtpaar wordt dus alleen van de man premie gevorderd. Door zijn betaling
wordt echter de vrouw geacht mede te betalen. Dit brengt uiteraard mede dat
in de gevallen dat de man de verschuldigde premie niet betaalt, ook zijn
vrouw geacht wordt geen premie te hebben betaald. Van de gevolgen hiervan op
de hoogte van het ouderdomspensioen is in hoofdstuk 4 reeds een
uiteenzetting gegeven.
Zoals uit de volgende paragraaf
blijkt, wordt in de gevallen waarin het inkomen meer bedraagt dan ƒ6000,-,
over dat meerdere geen premie geheven. Dit geldt evenzeer voor het rblz.|36
r.k.|
inkomen van de gehuwde man, ook
al is dit samengesteld uit inkomsten zowel van de man als van de vrouw.
Van verzekerden zonder inkomen
kan geen premie worden geheven
Een volgende bijzondere groep
van verzekerden vormen de ongehuwde vrouwen die zonder een inkomen te
verwerven in het arbeidsproces zijn ingeschakeld. Dit zijn grotendeels
vrouwen die in zogenaamde onvolkomen gezinnen, waar de moeder ontbreekt, de
huishouding verzorgen of die een taak vervullen in de vrij talrijke
gevallen van samenwoning van familieleden. Hoewel deze ongehuwde vrouwen in
beginsel premieplichtig zijn, volgt uit het ontbreken van inkomen dat er in
feite geen premie van haar kan worden gevorderd. De onderhavige ongehuwde
vrouwen bekleden een positie welke veel gemeen heeft met die welke de
gehuwde vrouw in het gezin vervult. Uitgaande van deze overeenkomst is het
redelijk aan te nemen dat mede voor haar premie wordt betaald door de in
het productieproces ingeschakelde leden van de gezinnen waarin zij
werkzaam zijn.
Voorts dient hier ook te worden
vermeld de groep dergenen die uit het arbeidsproces zijn uitgeschakeld
tengevolge van lichamelijke of geestelijke gebreken. Voor zover de hier
bedoelde personen geen uitkering ontvangen ingevolge een wettelijke of
particuliere verzekering, noch uit anderen hoofde eigen inkomen hebben,
zullen zij zijn aangewezen op onderstand van een instelling van
maatschappelijke zorg of door familie of kennissen worden onderhouden. De
ondergetekenden onderschrijven de mening van de S.E.R., weergegeven op
bladzijde 45 van het advies, dat het voor de gemeenschap gewenst is ook
deze personen, door deelname aan de verzekering, op 65-jarige leeftijd een
eigen inkomen toe te kennen, enerzijds omdat velen van hen toch reeds ten
laste van de overheid komen, anderzijds omdat dan degenen die jarenlang in
het onderhoud dezer getroffenen hebben voorzien, van de na het 65ste jaar
dikwijls nog stijgende kosten een deel vergoed krijgen, terwijl bovendien
de kans van het wegvallen van een oorspronkelijke verzorger bij het ouder
worden sterk toeneemt. Behorende tot de kring der verzekerden zijn ook deze
personen in beginsel premieplichtig. Hebben zij evenwel geen eigen inkomen,
dan zullen zij niet in de premiebetaling bijdragen.
De premieheffing naar het
inkomen brengt, zoals uit het vorengaande blijkt, mee dat van een aantal
verzekerden geen premie wordt gevorderd wegens het ontbreken van inkomen. De
S.E.R., die deze kwestie ook in zijn beschouwingen heeft
betrokken (blz. 39 van het rapport), acht dit in een sociale verzekering
aanvaardbaar, mits het aantal verzekerden dat wegens gemis aan inkomen geen
premie betaalt, in verhouding tot het totale aantal verzekerden niet
onevenredig groot wordt.
De ondergetekenden
onderschrijven in deze het standpunt van de S.E.R.
Het aantal verzekerden dat op
generlei wijze inkomen geniet, valt niet nauwkeurig te bepalen. Wel is een
aanknopingspunt gelegen in het aantal personen dat geen inkomen uit
beroepsarbeid geniet. De S.E.R. leidt uit de gegevens van de beroeps- en
volkstelling van 31 Mei 1947 af dat van de leeftijdsgroep van 21- tot
64-jarigen [lees: 21- tot 65-jarigen, red.]
122 000 mannen en 321 000 vrouwen, dus totaal 443 000 personen,
geen beroep uitoefenden. De groep der 15- tot 20-jarigen kan hier buiten
beschouwing blijven, daar de tot deze leeftijdsgroep behorende verzekerden
die geen beroep uitoefenen vrijwel allen nog studerende zijn en na
beëindiging van de studie in het productieproces zullen worden opgenomen
en hun bijdrage in de premiebetaling zullen gaan leveren. Dit laatste geldt
e
|