St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ALGEMENE  OUDERDOMSWET

 

  
 

ONTWERP VAN WET

rblz.|10 l.k.| 

Kamerstukken II 1954-1955, 4009

Algemene ouderdomsverzekering

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Historisch overzicht
1.1 Eerste pogingen om tot een ouderdomsvoorziening te geraken
1.2 De totstandkoming van de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet 1919
1.3 Pogingen tot verbetering van de wettelijke regeling
1.4 De totstandkoming van een voorlopige regeling in de vorm van de Noodwet Ouderdomsvoorziening
1.5 Activiteiten met het oog op de totstandkoming van een definitieve voorziening
1.6 Het advies van de Sociaal-Economische Raad
1.7 Reacties op het advies van de Sociaal-Economische Raad
2 De les der geschiedenis: een synthese
3 Kring der verzekerden
4 Het ouderdomspensioen
4.1 Pensioengerechtigde leeftijd
4.2 Hoogte ouderdomspensioen
5 De middelen tot dekking der kosten
5.1 Kring der premieplichtigen
5.2 Eenheidspremie of naar het inkomen proportionele premie
5.3 Het inkomen waarnaar premie wordt geheven
5.4 Premieheffing van kleine zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden met geringe inkomsten
6 Stelsel van financiering
7 Kosten der verzekering
8 De economische gevolgen van de invoering der ouderdomsverzekering
9 Uitvoering der verzekering
10 Overgangsregeling en aanpassing bijzondere pensioenregelingen aan de algemene verplichte ouderdomsverzekering
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 1 t/m 64
 

 

 

Algemeen

 

     Het vraagstuk van de ouderdomsverzekering speelt reeds tientallen jaren een rol in de sociaal-politieke geschiedenis van ons land. De ontoereikendheid van de in 1913 getroffen en op 3 December 1919 in werking getreden regeling in de Invaliditeitswet deed zich in versterkte mate gevoelen door de muntontwaarding in en na de laatste wereldoorlog. Dat algemeen de noodzakelijkheid van een ruimere, aan het rechtsbewustzijn aangepaste, regeling werd gevoeld, werd wel het meest sprekend bewezen door het feit dat in 1947 de Noodwet Ouderdomsvoorziening, welke blijkens de considerans in afwachting van de totstandkoming ener definitieve voorziening door middel van verplichte verzekering werd getroffen, zonder hoofdelijke stemming in de beide Kamers der Staten-Generaal werd aanvaard, ondanks de principiële bezwaren welke tegen de opzet werden aangevoerd. Hoe zegenrijk de werking van deze Noodwet op zichzelf ook is geweest, zij vertoont de typische kenmerken van een noodregeling, waarbij de ondergetekenden met name willen wijzen op het veel becritiseerde systeem van de inkomensaftrek.
     Hoewel de Noodwet Ouderdomsvoorziening van de aanvang af als een tijdelijke regeling bedoeld is geweest, heeft deze tijdelijkheid toch veel langer geduurd dan oorspronkelijk blijkbaar door de ambtsvoorgangers van de ondergetekenden werd verwacht. Het verheugt de ondergetekenden dat thans een ontwerp van wet met betrekking tot een algemene verplichte ouderdomsverzekering aan de Staten-Generaal kan worden aangeboden.
     De ondergetekenden achten het nuttig om, alvorens in een bespreking van de grondslagen van het ontwerp te treden, een overzicht te geven van de geschiedenis van de ouderdomsverzekering hier te lande.

 

1. Historisch overzicht


1.1. Eerste pogingen om tot een ouderdomsvoorziening te geraken


     De parlementaire geschiedenis van de ouderdomsverzekering in ons land kan geacht worden te zijn aangevangen in 1889. Op 20 April van dat jaar werd namelijk een wetsontwerp ingediend waarin werd voorgesteld een staatscommissie te benoemen welke onder meer de opdracht zou krijgen gegevens te verzamelen voor de kennis van de maatschappelijke toestanden der arbeiders en van de verhoudingen tussen werkgevers en arbeiders in de verschillende bedrijven. Nadat deze wet op 19 Januari 1890 in het Staatsblad was verschenen, werd de staatscommissie bij Koninklijk besluit van 18 April 1890 ingesteld. Voorzitter was jhr. mr. W.F. Rochussen. Deze commissie had dus uitsluitend tot opdracht om een enquête in te stellen.
     In de Troonrede van 1891 werd onder meer verklaard dat maatregelen tot verzekering van het lot van oude of verminkte werklieden werden ontworpen. Bij Koninklijk besluit van 29 September 1892 werd een nieuwe staatscommissie ingesteld,
rblz.|10 r.k.| welker samenstelling gelijk was aan die van de hierboven bedoelde, met de opdracht verslagen uit te brengen aangaande de werkzaamheden van de eerste commissie en de voorstellen te doen waartoe het door die commissie gehouden onderzoek haar aanleiding mocht geven. In het op 8 Januari 1894 door de commissie-Rochussen uitgebrachte eindverslag werd onder meer in overweging gegeven "de wettelijke regeling van verplichte verzekering van werklieden tegen invaliditeit tengevolge van ouderdom, met geldelijke bijdragen van de werkgevers, de werklieden en den Staat, teneinde in dien geest en naar gelang der ondervinding ten aanzien der verzekering tegen ongevallen een wetsontwerp bij de volksvertegenwoordiging aanhangig te maken".
     Inmiddels was in het op 29 Juli 1893 uitgebrachte voorlopig verslag der Tweede Kamer betreffende een wijziging van de Wet op de Rijkspostspaarbank de wens te kennen gegeven dat door de Regering een wetsontwerp zou worden ingediend om een Staatsverzekeringsbank als een afdeling van de Rijkspostspaarbank in het leven te roepen.
     In de Troonrede van 1894 werd daarop medegedeeld dat de Regering onder meer het voornemen had een wetsvoordracht in te dienen tot het openen der gelegenheid om door het Rijk gewaarborgde lijfrenten te verkrijgen. Het lag in de bedoeling deze gelegenheid niet alleen te openen voor arbeiders, doch voor de gehele bevolking, voor zover zij geacht kon worden daaraan behoefte te hebben. Bij de openbare behandeling van de Rijksbegroting voor het jaar 1895 werd uitvoerig gesproken over de vraag of met een vrijwillige, algemene regeling, als door de Regering bedoeld, kon worden volstaan, dan wel of tot een verplichte verzekering voor arbeiders diende te worden overgegaan. Het debat eindigde met de aanvaarding van een motie-Heldt, luidende: "De Kamer, van oordeel: dat verzekering van het lot van oude werklieden door een pensioenstelsel wenschelijk is, verzoekt de Regeering te onderzoeken, op welke grondslagen en op welke wijze die verzekering zal kunnen en behooren te worden geregeld".
     Gevolg gevend aan deze motie stelde de Regering bij Koninklijk besluit van 31 Juli 1895 opnieuw een staatscommissie in, ditmaal onder voorzitterschap van mr. C. Pijnacker Hordijk. Deze commissie kreeg de opdracht te onderzoeken
"of naast de instelling van eene Rijkslijfrentebank en naast de regeling der verzekering tegen ongelukken, maatregelen bij de wet behooren te worden genomen, om te bevorderen dat werklieden en met dezen gelijk te stellen personen, die door ouderdom of door invaliditeit blijvend ongeschikt zijn om in hun onderhoud te voorzien, recht erlangen op geldelijke uitkeeringen; en bij bevestigende beantwoording dier vraag één of meerdere daartoe strekkende wetsvoorstellen met memorie van toelichting en raming der geldelijke gevolgen te ontwerpen en aan Ons in te dienen".
     In haar op 2 Juli 1898 uitgebracht rapport kwam de commissie tot de conclusie dat zij in beginsel de verplichte verzekering zowel tegen invaliditeit als tegen ouderdom raadzaam achtte, doch dat zij zich wegens het grote verschil van mening hetwelk zich in haar midden had geopenbaard, moest onthouden
rblz.|11 l.k.| van het aanbieden van een wetsvoorstel met memorie van toelichting. Vermeldenswaard is nog dat de commissie ook de vraag verzekering of staatspensioen in haar beschouwingen betrok: zij verklaarde zich eenstemmig tegen staatspensionnering. Aan de rechtsgrond voor een verplichte verzekering werden uitvoerige beschouwingen gewijd. Opmerking verdient dat volgens sommige leden van de commissie er geen rechtsgrond aanwezig was om aan één categorie van burgers, namelijk de werklieden, een verplichting tot verzekering op te leggen. Men kon niet inzien met welk recht de Staat deze verplichting niet zou uitstrekken tot anderen in wier belang dit eveneens werd geacht.
     Door anderen werd deze rechtsgrond geacht gelegen te zijn in het recht van de Staat om van zijn burgers een waarborg te eisen dat zij niet armlastig worden, dat wil zeggen ten laste van het algemeen komen.

     Het duurde tot 13 April 1905 alvorens door Minister Kuyper een ontwerp "Invaliditeitswet" werd ingediend. Hierin werd voorgesteld alle personen die in Nederland werkzaam waren in een onderneming, in een inrichting of in een dienstbetrekking, tegen een loon van niet meer dan ƒ1000,- per jaar, zodra zij hun 16de jaar vervuld hadden, te verplichten zich en hun weduwen het recht op een rente bij invaliditeit en ouderdom te verzekeren. De rechtsgrond werd aldus omschreven: "Zij, die behooren tot het groote deel der bevolking, dat voor eigen en gezinsonderhoud geheel afhankelijk is van de opbrengst van zijn in dienst van anderen verrichten arbeid, moeten in die opbrengst hun bestaansmiddelen vinden, niet alleen voor de jaren, waarin zij arbeiden kunnen, maar ook voor die andere jaren, waarin zij tengevolge van duurzame invaliditeit of ouderdom niet meer tot arbeiden in staat zijn".
     Zeer merkwaardig in dit verband is dat dr. Kuyper van oordeel was dat er in beginsel wel een grond bestond om de arbeider te verplichten zich voor het geval van invaliditeit een rente te verzekeren, maar hij zag deze grond niet voor het verzekeren van een rente bij het bereiken van een bepaalde leeftijd. Echter was bij de werklieden sedert jaren het verlangen levendig naar een verzekering tegen de oude dag. Om aan dit verlangen tegemoet te komen, werd de verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit gecombineerd met de ouderdomsverzekering. Een verzekering verplicht voor zoveel betreft invaliditeit, facultatief voor zoveel betreft ouderdom, zou in de practijk onoverkomelijke moeilijkheden opleveren. Hoewel
dr. Kuyper in het ontwerp uitging van een verzekering uitsluitend voor loonarbeiders, lag aan deze beperking blijkbaar geen principiële overweging ten grondslag. Immers in zijn "Proeve van pensioenregeling voor werklieden en huns gelijken" zegt hij, sprekende over de met werklieden gelijkgestelden: "en de overige ouden, wel verre van hierover (namelijk de voorlopige beperking tot werklieden) te klagen, zullen later wel zien, hoe juist deze beweging voor het werkliedenpensioen tenslotte ook hun ten goede komt. Wie alles opeens wil, bereikt niets, en alleen door zulk een beweging in haar natuurlijk verloop aan te moedigen en te leiden, komt men slechts van deze eerste beweging op een tweede, en zo van lieverlee tot het eind van zijn weg".
     Ook uit de memorie van toelichting bij het op 15 November 1904 ingediende ontwerp Ziekteverzekeringswet blijkt dat de beperking van de verzekering tot loonarbeiders bij Kuyper geen kwestie van principe was. Hij zag slechts geen kans om een oplossing te vinden voor de inning van de premie voor de niet-loonarbeiders.
     Het ontwerp Invaliditeitswet bracht het niet tot mondelinge behandeling, omdat het Ministerie-Kuyper als gevolg van de uitslag der verkiezingen in 1905 plaats moest maken voor het Kabinet-De Meester, waarin mr. J.D. Veegens het Departement onder beheer kreeg waaronder de sociale verzekering ressorteerde.

     Nadat het ontwerp-Kuyper was ingetrokken, diende Minister Veegens op 16 October 1907 een ontwerp-Ouderdomswet in, waarin het stelsel van het ontwerp-Kuyper in hoofdzaak werd rblz.|11 r.k.| overgenomen, echter alleen voor zoveel het de ouderdomsverzekering betrof. Het ontwerp beperkte zich uitsluitend tot deze verzekering, omdat de Minister, wat de invaliditeitsverzekering betrof, een onderzoek wilde instellen naar de uitkomsten daarvan in Duitsland, welke financieel ongunstig waren.
     Uit de memorie van toelichting blijkt dat de Regering van oordeel was dat het algemeen belang vorderde dat niet een talrijke klasse van personen op gevorderde leeftijd ten laste kwam van de bijzondere of openbare armenzorg. Tussenkomst van de Staat achtte zij onmisbaar, omdat de arbeiders, zelfs met steun van hun werkgevers, onmachtig waren een voor allen geldende organisatie tot stand te brengen. Het veranderen van de zedelijke verplichting van werkgevers en arbeiders om voor de oude dag van laatstgenoemden te zorgen, in een wettelijke plicht, was naar haar mening ten volle gerechtvaardigd door het algemeen belang. Er werd evenwel geen grond gezien om personen die niet uitsluitend hun middel van bestaan vonden in het loon van hun arbeid in dienst van anderen, in de verplichte ouderdomsverzekering op te nemen. Ook dit ontwerp kwam niet tot openbare behandeling: het Kabinet-De Meester trad af en maakte plaats voor het Ministerie-Heemskerk.

 

1.2. De totstandkoming van de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet 1919


     Met Minister Talma, die in 1908 in het Kabinet-Heemskerk de portefeuille van Landbouw, Nijverheid en Handel kreeg, begon een nieuw tijdperk in de geschiedenis der sociale verzekering. Deze Minister motiveerde de noodzakelijkheid van een wettelijke arbeidersverzekering aldus dat de behoefte aan verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen en de behoefte aan verzekering tegen de geldelijke gevolgen die tijdelijke of blijvende ongeschiktheid tot werken wegens andere oorzaken voor de arbeider had, samenhing met de wijziging die de voortbrenging ondergaan had. "Het is de taak en het recht der Overheid zorg te dragen", aldus de Minister, "dat niet de verhoudingen, die door haar beschermd en in stand gehouden worden, voor de burgerij of een deel daarvan gevolgen hebben, die het rechtsbesef bij de bevolking ondermijnen en daardoor het rechtsleven en daarmede haar eigen bestaan bedreigen". Dat de bestaansonzekerheid van de arbeider tot de genoemde gevolgen van onze maatschappelijke verhoudingen behoort, behoefde naar zijn mening geen betoog. "Het is in strijd met het rechtsbesef, wanneer een arbeider, die gearbeid heeft zoolang hij kan, op het oogenblik, dat hij niet meer kan werken, aangewezen is op onderstand van derden. De zedelijke eisch, dat het loon den arbeider in staat stelle om te leven met zijn gezin, moge niet omgezet kunnen worden in een rechtsbepaling; waar het mogelijk is recht te vormen, dat de verwezenlijking van den zedelijken eisch bevordert, behoort dit niet nagelaten te worden, wil men de juiste verhouding tussen zedelijkheid en recht handhaven. En het behoeft geen betoog, dat, wil het loon strekken voor den tijd van ziekte, ook voor den tijd, dat hij, hetzij door ouderdom, hetzij door algemeene ongeschiktheid wegens andere oorzaak, niet werken kan, een opzettelijke regeling noodig is om dit te verzekeren."
     Nadat het ontwerp-Veegens was ingetrokken, diende Minister Talma op 5 Mei 1911 een nieuw ontwerp in, regelende de verzekering tegen invaliditeit en ouderdom. Wat zijn materiële inhoud betreft, stemde dit ontwerp in grote lijnen overeen met het ontwerp-Kuyper.
     Minister Talma zag de rechtsgrond voor een verplichte ouderdomsverzekering in de loondienstverhouding: de krachlens de verzekering te verstrekken uitkeringen dienden te worden gezien als uitgesteld loon. De gehele arbeidersverzekering was volgens hem eigenlijk niet anders dan
"een poging den loonvorm zoodanig te maken, dat, wanneer iemand gearbeid heeft, het loon, dat hij ontvangt, bestaat uit twee deelen, in de eerste plaats het geld, dat hij mede naar huis krijgt en waarmede hij zijn huishouden kan onderhouden, en in de tweede plaats het geld, dat, omgezet in een premie, in staat stelt om, wanneer hij invalide wordt, wanneer hij, hetzij bij ziekte, hetzij rblz.|12 l.k.| bij invaliditeit, hetzij bij ouderdom, niet meer in staat is te werken, hem te geven een inkomen uit zijn loon".
     Evenmin als dr. Kuyper bleek echter ds. Talma de zelfstandigen om principiële redenen van de verzekering te willen uitsluiten. Tijdens de debatten in de Tweede Kamer merkte hij namelijk op dat hij nooit van oordeel was geweest dat een verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ziekte, invaliditeit en ouderdom alleen nodig was voor arbeiders, maar wel dat alleen voor hen vaststond dat een wettelijke regeling van hun inkomen, waarbij ook voor ziekte, invaliditeit en ouderdom hen een uitkering toekwam, nodig en wenselijk was.
     Ook tegen dit ontwerp rezen bij de Tweede Kamer vele bedenkingen. In het verslag van de Commissie van Voorbereiding werd medegedeeld dat de Commissie overleg had gepleegd met de Minister en dat als gevolg daarvan vele veranderingen in het ontwerp waren aangebracht. De voornaamste punten waarover gedachtenwisseling met de Minister had plaatsgehad, waren:


Verzekering of staatspensioen

     Tegenover de verzekering voor de oude dag verdedigden velen het stelsel van staatspensionnering. Onder "verzekering" werd verstaan een stelsel waarbij werd voldaan aan de in artikel 246 van het Wetboek van Koophandel aan een verzekeringsovereenkomst gestelde eis: door of voor de verzekerde wordt een premie betaald om, wanneer enige calamiteit hem treft, een uitkering te ontvangen waarvan de hoogte afhankelijk is van de door of voor hem individueel betaalde premie.
     Onder staatspensioen wordt verstaan een stelsel waarbij aan bejaarden van staatswege een uitkering wordt gegeven welke uit de algemene middelen wordt bekostigd, zonder dat daar enige individuele prestatie in de vorm van premiebetaling tegenoverstaat.
     Dit laatste stelsel werd door de S.D.A.P. [Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, red.] op principiële gronden verdedigd, doch door de Regering bestreden op grond dat staatspensioen alleen voorzag in de verzorging van de oude dag, maar niet in geval van invaliditeit. Voorts zouden de kosten van staatspensioen een bezwaar zijn. Ten slotte stond de Regering principieel op het standpunt dat eventuele rente verkregen moest worden uit gereserveerd loon en niet uit belastingen.


Verzekering uitsluitend voor arbeiders of ook voor niet-arbeiders

     De Regering achtte verplichte verzekering ook voor niet-arbeiders vooralsnog practisch bezwaarlijk. Zou het later gewenst blijken deze in te voeren, dan achtte zij de voorgestelde regeling geen belemmering om daartoe over te gaan.


Verplichte of vrijwillige verzekering

     Tegen de verplichte verzekering werden bezwaren aangeroerd, ook omdat deze in het ontwerp beperkt werd tot de arbeiders. De heren De Savornin Lohman en Van Idsinga dienden op dit punt een afzonderlijke nota in. Zij bestreden het stelsel der verplichte arbeidersverzekering op principiële gronden: naar hun mening beoogde de voorgedragen regeling klaarblijkelijk het bijzondere belang van een bepaalde klasse in de maatschappij te bevorderen, aangezien andere burgers die in dezelfde omstandigheden verkeerden, uitgesloten werden.
     De Regering antwoordde hierop dat het niet slechts voor de individuele arbeiders wenselijk, maar ook uit een maatschappelijk oogpunt van overwegend belang was dat in het algemeen de arbeidsvoorwaarden van personen in loondienst zodanig werden geregeld dat mede rekening werd gehouden met hun behoeften in geval van invaliditeit en ouderdom. Wilde een zodanige regeling zijn gewaarborgd, dan moest op regelmatige en stelselmatige wijze een deel van het loon, met het oog op die behoeften, worden gereserveerd. Voorts achtte de Regering verplichte verzekering nodig omdat zij van een vrijwillige ouderdomsverzekering geen resultaat verwachtte.
     Bij de mondelinge beraadslagingen deelden de heren Schaper, Hugenholz, Vliegen en Troelstra mede dat hun fractie afwijzend stond tegenover het wetsontwerp. In plaats van
rblz.|12 r.k.| ouderdomsverzekering wensten zij staatspensionnering, een voorziening geheel en al op kosten van de Staat, niet als staatsarmenzorg, maar als correctief op de nadelen van het kapitalistische voortbrengingssysteem.
     De heer Aalberse plaatste zich op het standpunt van de Regering. Staatspensioen verwierp hij principieel, omdat de verplichte verzekering naar zijn opvatting in wezen niets anders was dan een wettelijke, gedeeltelijke regeling van het arbeidsloon. Een rechtvaardig loon moest zijn het volle equivalent van de arbeid; alleen dan voldeed het loon aan de eis van het recht. En aangezien de waarde van de menselijke arbeid minstens gelijk moest zijn aan datgene wat nodig is voor de noodzakelijke bevrediging van de levensbehoeften, mocht het loon niet dalen beneden dit absolute minimum. Dit was een eis van het recht, dat door de Staat beschermd moest worden. Tot de noodzakelijke levensbehoeften behoorde naar zijn mening niet alleen het levensonderhoud in de dagen dat men werken kan, doch ook in die dagen waarop men door ziekte, invaliditeit of ouderdom niet meer werken kan. Het rechtvaardig minimumloon moest dus ten minste zo hoog zijn "dat de arbeider, die zijn leven lang arbeidt, daarvoor voldoende ontvangt om te leven als hij niet meer arbeiden kan". Daarop had hij een natuurlijk recht. Wanneer de Staat dus optrad om door wetgeving dat recht te verwezenlijken, vervulde hij zijn plicht van rechtsbescherming. De verplichte arbeidersverzekering bedoelde niet anders dan het recht van de arbeider op een rechtvaardig minimumloon te verwezenlijken.
     Voor het opleggen van een wettelijke verplichting tot verzekering van niet-loonarbeiders liet deze rechtsgrond geen ruimte.
     De heer Van Idsinga beschouwde het wetsontwerp als een voorstel tot invoering van staatspensionnering met het hatelijke karakter bovendien dat de pensioenen alleen zouden worden gegeven aan personen die slechts tot één der maatschappelijke klassen behoorden, namelijk de loonarbeiders. Hij kon zich daarmede niet verenigen.
     De heer Patijn deelde mede voorstander te zijn van staatspensioen, vooral op deze grond dat, blijkens ervaringen in het buitenland, de mogelijkheid bestond een stelsel in te voeren waarvan de voordelen niet werden beperkt tot een enkele klasse der maatschappij, de loonarbeiders, maar ten goede kwamen aan allen die daaraan behoefte hadden.
     De heer Bos was voorstander van verplichte verzekering. Hij was echter tegenstander van het regeringssysteem. Het juiste systeem zou zijns inziens zijn: het in het leven roepen van organisaties van belanghebbenden met zelfbestuur en zelfcontrôle.
     De heer Nolens stond op het standpunt dat een mens als individu zijn vrijheid heeft, maar zich als maatschappelijk wezen beperkingen van die vrijheid moet laten welgevallen. Door zijn deelnemen aan het georganiseerd maatschappelijk leven, door zijn leven in de Staat, wordt zijn vrijheid aan banden gelegd. Hoever dat aan banden leggen moest gaan, daarover kon men van mening verschillen, maar het kwam hem voor dat de vrijheid in elk geval de voorrang moet hebben en dat beperking daarvan alleen geoorloofd is wanneer het vaststaat dat dit geschiedt in het belang van het algemeen. Hoewel hij dus de voorkeur zou geven aan een vrijwillige verzekering indien daarmede hetzelfde bereikt zou kunnen worden, sprak hij zich niettemin uit voor een verplichte verzekering en wel op grond van de volgende vier motieven:
1º. uit een oogpunt van algemeen belang moest de verzekering op alle arbeiders toepasselijk zijn, omdat anders, zoals de ervaring in het buitenland had bewezen, een groot deel erbuiten zou blijven;
2º. de bijdragen die voor het verkrijgen van de fondsen nodig zouden zijn en die ook voor een deel door de arbeiders opgebracht zouden moeten worden, zouden een blijvend bestanddeel van het loon dienen te worden;
3º. de billijkheid tegenover de werkgevers bracht mede dat voorkomen moest worden dat sommige werkgevers niet aan hun zedelijke verplichting zouden voldoen, waardoor deze in
rblz.|13 l.k.| een gunstiger concurrentiepositie zouden komen dan de goedwillende werkgevers;
4º. de ervaring die in het buitenland met vrijwillige verzekering was opgedaan, had uitgewezen dat men juist niet die groepen bereikte waarvoor de verzekering in de allereerste plaats was bedoeld.
     Voorts stond de heer Nolens met de heer Aalberse op het standpunt dat de verplichte verzekering beperkt diende te worden tot de loonarbeiders. Niet alleen zag hij voor de overige leden van de bevolking de noodzakelijkheid van een dergelijke inbreuk op de vrijheid van het individu niet in, maar hij kon ook bij de zelfstandigen geen causaal verband ontdekken tussen ziekte, invaliditeit en ouderdom en het gemis van inkomen, zoals bij de arbeidersklasse. Indien een zelfstandige door één of andere calamiteit niet meer kon werken, dan volgde daaruit nog niet dat ook zijn bron van inkomen zou ophouden te vloeien. En bovendien: door het optreden als zelfstandige had hij zelf dit risico op zich genomen.
     De heer De Visser zou de voorkeur gegeven hebben aan vrijwillige verzekering, doch aanvaardde de verplichte verzekering omdat men er met het stelsel van vrijwillige verzekering niet kwam. Hij werd in zijn betoog gesteund door de heer De Savornin Lohman.
     De heer Goeman Borgesius had geen bezwaar tegen een stelsel van verplichte verzekering tegen de gevolgen van invaliditeit, maar tot leniging van de nood van ouden van dagen wenste hij staatspensioen.

     Op het ontwerp werd een aantal amendementen ingediend, welke echter vrijwel alle werden verworpen; zo verging het onder andere een amendement van de heer Treub om het stelsel van eenheidsrenten in te voeren en één van de heer Duys om de pensioengerechtigde leeftijd terug te brengen van 70 op 65 jaar.
     Eén van de belangrijkste amendementen, eveneens afkomstig van de heer Duys, werd evenwel overgenomen. In het ontwerp was geen datum van inwerkingtreding van de wet genoemd. Wel was bepaald dat de wet van rechtswege in werking zou treden uiterlijk binnen drie jaar nadat artikel 357 (het huidige artikel 369) in werking zou zijn getreden. Wanneer dat artikel zelf in werking zou treden, was evenwel niet geregeld. De heer Duys stelde nu voor om artikel 357, waarin recht op kosteloze ouderdomsrente werd toegekend aan personen die bij het in werking treden van dat artikel 70 jaar of ouder waren, uiterlijk zes maanden na de afkondiging van de wet in werking te doen treden. Minister Talma verklaarde dat hij ook zelf voornemens was geweest een dergelijke bespoediging van de inwerkingtreding te bevorderen en dat hij daarom het amendement overnam. Van verschillende kanten werd daarop de Minister verweten dat hij daarmede feitelijk het staatspensioen had aanvaard. Dit werd door de Minister ontkend. In de Eerste Kamer zei hij daaromtrent onder meer: "Nu kan men dit toch eigenlijk geen staatspensioen noemen, het is een uitkeering van staatswege, ja, maar het is de noodzakelijke begeleiding van een uitgave, die geen ander karakter heeft dan de inkoopsom van het tegenwoordig geslacht. Een inkoopsom, niets anders".
     Het ontwerp werd daarna zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer aanvaard en verscheen op 5 Juni 1913 in het Staatsblad. De inwerkingtreding van het artikel omtrent de kosteloze renten werd bij Koninklijk besluit van 3 December 1913 bepaald.

     In 1913 werd het rechtse Ministerie-Heemskerk opgevolgd door het linkse Ministerie-Cort van der Linden, waarin de heer Treub de heer Talma opvolgde als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel.
     Het behoeft, gezien de gang van zaken bij de behandeling van het ontwerp-Talma, geen verwondering te wekken dat nu een poging werd aangewend om ook de niet-loonarbeiders bij de ouderdomsverzekering te betrekken.
     In haar eerste Troonrede kondigde de Regering de indiening van een wetsontwerp aan tot het kosteloos verlenen van ouderdomsrente aan behoeftige 70-jarigen die gedurende een te bepalen termijn geen ondersteuning genoten van een instelling
rblz.|13 r.k.| van weldadigheid. De Regering was namelijk van oordeel de Invaliditeitswet niet ongewijzigd tot uitvoering te mogen brengen. De ouderdomsvoorziening door middel van kosteloze renten was tijdens de verkiezingen zodanig op de voorgrond geplaatst dat de kiezers geacht konden worden daarover een uitspraak te hebben gedaan. Naar de mening van de Regering was thans in de Tweede Kamer een meerderheid gekozen die voorstander was van staatspensioen.
     Minister Treub diende vervolgens op 6 Februari 1914 een ontwerp van wet in waarin werd voorgesteld aan ieder die de leeftijd van 70 jaar had bereikt of overschreden en behoeftig was, recht te geven op een kosteloze ouderdomsrente waarvan het bedrag gelijk was aan dat van de overgangsbepaling van de Invaliditeitswet. Voordat dit ontwerp bij de Tweede Kamer in behandeling kwam, trad Minister Treub evenwel af, waarna de verdediging werd overgenomen door de Minister van Waterstaat, de heer Lely, naar wiens Departement de afdeling Arbeidersverzekering intussen was overgegaan.
     De voor- en tegenstanders van staatspensioen zetten nog eens uitvoerig hun standpunten uiteen. De S.D.A.P. bleek nog principieel op het standpunt van staatspensioen te staan. De heer Sannes verdedigde dit op grond van de zogenaamde "meerwaardetheorie": de waarde van de door de arbeider gepresteerde arbeid was groter dan de daarvoor door hem ontvangen beloning, welke meerwaarde aan het kapitaal ten goede kwam. Het was geen gunst, doch een recht, wanneer de arbeider op zijn oude dag, wanneer hij niet meer werken kon, een gedeelte van deze meerwaarde terugontving.
     Het wetsontwerp werd op 18 Mei 1916 door de Tweede Kamer aangenomen, doch kwam in de Eerste Kamer niet in openbare behandeling, omdat voordien de Tweede Kamer werd ontbonden en het ontwerp daarmede, naar de mening van de Eerste Kamer, op staatsrechtelijke gronden vervallen was.
     Daarop dienden verschillende leden van de linkerzijde een volkomen gelijkluidend ontwerp van wet bij de nieuw gekozen Tweede Kamer in, hetwelk op 14 Mei 1918 werd aangenomen, doch op 19 Juli 1918 door de Eerste Kamer werd verworpen. In laatstgenoemde Kamer betoogde de heer Polak dat de arbeider door zijn arbeid niet alleen de werkgever, doch de gehele maatschappij diende. De arbeider verrichtte derhalve een sociale taak en het was daarom de plicht van de gehele gemeenschap en niet alleen van de werkgevers om hem het leven mogelijk te maken in de tijd dat hij niet meer werken kon. Dit kon naar zijn mening alleen door een stelsel van premievrij staatspensioen.

     Na de verkiezingen van 1918 trad het eerste Ministerie-Ruijs de Beerenbrouck op. De drie in coalitie verenigde rechtse partijen hadden de verkiezingsstrijd onder meer gevoerd om de Talma-wetten, die in 1913 in het Staatsblad waren verschenen, doch door het linkse Ministerie-Cort van der Linden niet waren uitgevoerd, ten spoedigste tot uitvoering te brengen. Minister Aalberse, die de portefeuille van het Ministerie van Arbeid beheerde, diende op 20 Juni 1919 een wetsontwerp in tot wijziging van de Invaliditeitswet, alsmede een ontwerp-Ouderdomswet.
     In het eerste ontwerp werd onder meer voorgesteld de pensioengerechtigde leeftijd te verlagen van 70 op 65 jaar en het bedrag van de overgangsrente te verhogen van ƒ2,- tot ƒ3,- per week.
     Het ontwerp Ouderdomswet beoogde de mogelijkheid tot vrijwillige ouderdomsverzekering te openen voor niet-loonarbeiders wier economische positie met die van arbeiders gelijkstond. Personen die bij de inwerkingtreding van de wet 65 jaar of ouder waren en die geen rente ontvingen ingevolge de overgangsbepalingen van de Invaliditeitswet, zouden in het genot van een kosteloze ouderdomsrente van ƒ3,- per week worden gesteld, indien zij niet in de vermogensbelasting waren aangeslagen en hun inkomen beneden een bepaald bedrag bleef. Personen die bij de inwerkingtreding van de wet tussen 35 en 65 jaar oud waren en niet onder de bepalingen van de Invaliditeitswet vielen, konden zich tegen een verlaagde premie een uitkering van ƒ3,- per week op hun 65ste jaar verzekeren,
rblz.|14 l.k.| mits zij niet in de vermogensbelasting waren aangeslagen en hun inkomen beneden een bepaald bedrag bleef. De administratiekosten, het tekort dat de verzekerden van 35 jaar of ouder zouden opleveren, alsmede de gratis uitkeringen voor degenen die bij de inwerkingtreding van de wet al 65 jaar zouden zijn, zouden voor rekening van de Staat komen. Beide ontwerpen werden zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer zonder hoofdelijke stemming aangenomen. De Invaliditeitswet trad daarna op 3 December 1919 volledig in werking, tegelijk met de Ouderdomswet 1919.

 

1.3. Pogingen tot verbetering van de wettelijke regeling


     Hoewel dus sedert 3 December 1919 zowel voor de loonarbeiders als voor de economisch met hen gelijkgestelden een wettelijke ouderdomsregeling was getroffen, kan men moeilijk zeggen dat het vraagstuk van de ouderdomsvoorziening sindsdien was opgelost. Het grootste bezwaar was wel dat de uitkeringen van de reeds in 1913 tot stand gekomen Invaliditeitswet te laag waren, welk bezwaar steeds klemmender werd enerzijds door voortschrijdende geldsontwaarding, anderzijds door het door de arbeiders bereikte hogere levenspeil als gevolg van de door hen verkregen loonstijgingen. Waren de uitkeringen reeds in de verhoudingen van 1919 te laag, in latere jaren stonden zij in geen enkele verhouding meer tot het loon dat bij pensionnering werd gederfd.
     Reeds in 1920 werden door de heren Duys en De Muralt moties bij de Tweede Kamer ingediend om de uitkeringen te verhogen. Zij werden evenwel door Minister Aalberse afgewezen wegens de daaraan verbonden kosten en daarna door de Kamer verworpen.
     Een ander bezwaar was dat de kring van personen die krachtens de Invaliditeitswet dan wel krachtens de Ouderdomswet 1919 een ouderdomsrente konden krijgen te beperkt was. Langzamerhand kwam men vrij algemeen tot de overtuiging dat ook de (kleine) zelfstandigen bij de ouderdomsverzekering dienden te worden betrokken. De voorstanders van de "orthodoxe" verzekering zagen evenwel geen mogelijkheid om dit te effectueren, omdat men geen kans zag de individuele premiebetaling, conditio sine qua non voor een verzekering, op een bevredigende wijze te regelen.
     Er waren echter meer bezwaren. Zo ontvangt de arbeider in het stelsel van de Invaliditeitswet eerst de maximumouderdomsuitkering wanneer hij van zijn 16de tot zijn 65ste jaar doorlopend verzekerd is geweest. Voorts stond enerzijds als gevolg van de verhoogde levensstandaard van de arbeiders, anderzijds door de voortschrijdende muntontwaarding, het bedrag van de ouderdomsrente, die reeds van de aanvang af te laag was afgestemd, langzamerhand in geen enkele verhouding meer tot het peil dat men voor een enigszins behoorlijke ouderdomsvoorziening zou mogen eisen. Het gevolg van één en ander was dat het aantal ouden van dagen dat in behoeftige omstandigheden verkeerde steeds toenam, waarvoor in het stelsel van de orthodoxe verzekering geen remedie was te vinden. Het behoeft dan ook geen verwondering te baren dat dit onderwerp in de vooroorlogse jaren bij vrijwel elke begroting aan de orde werd gesteld. Niettegenstaande de aanhangers van de verzekeringsgedachte de aan het stelsel van verzekering verbonden bezwaren niet konden ontzenuwen, achtten zij toch het staatspensioen, hetwelk als enig alternatief werd gezien, niet aanvaardbaar. Zij zagen dit staatspensioen als een vorm van bedeling waartegen zij principiële bezwaren hadden, omdat e!k stelsel van gratis uitkeringen de volkskracht zou ondermijnen. Het was in wezen staatsarmenzorg en daarom vernederend. Zij wilden juist de volkskracht verhogen door het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid, ook voor de verzorging van de oude dag, door de betrokkenen te verplichten in de actieve periode een bedrag opzij te leggen, teneinde daaraan het recht op uitkering op hogere leeftijd te kunnen ontlenen. Bovendien waren zij van mening dat staatspensioen een ondraaglijke last op de gemeenschap zou leggen.
     Hoewel zij zich dus tegen uitkeringen uit de staatskas verzetten, bleek het toch in de practijk niet mogelijk om hieraan geheel te ontkomen. Zo werden in de Invaliditeitswet niet alleen
rblz.|14 r.k.| bepalingen opgenomen op grond waarvan uit de algemene middelen kosteloze uitkeringen werden verstrekt aan behoeftige personen die bij de inwerkingtreding van genoemde bepalingen de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt, doch ook werd een staatsbijdrage verstrekt in de premie van degenen die bij de intreding in de verzekering de leeftijd van 16 jaar hadden overschreden.
     De voorstanders van staatspensioen, die van mening waren dat alleen door staatspensionnering een werkelijke oplossing kon worden gevonden, gaven hun strijd niet op. Zo werd op 29 November 1927 door de heer Sannes een motie bij de Tweede Kamer ingediend welke hij tijdens de behandeling van 22 tot 25 Mei 1928 verving door de volgende twee moties.

I. "De Kamer,
van oordeel, dat een betere voorziening in den nood van de ouden van dagen dringend noodzakelijk is; dat daartoe in de bestaande voorziening de kostelooze ouderdomsrente (Staatspersioen) behoort te worden ingeschakeld, en gaat over tot de orde van den dag."

II. "De Kamer,
van oordeel, dat de inschakeling der kostelooze ouderdomsrente (Staatspensioen) in het stelsel van ouderdomsvoorziening in dier voege behoort te geschieden, dat deze voorziening kome te bestaan uit eene vereeniging van Staatspensioen, invaliditeitsrente en door vrijwillige verzekering, met toeslag van den Staat, verworven ouderdomsrente, verzoekt de Regeering de indiening van desbetreffende wetsontwerpen te bevorderen, en gaat over tot de orde van den dag."

     In de toelichting op deze moties werd onder meer gezegd dat noch verzekering, noch - wegens de kosten - staatspensioen alleen, een behoorlijke oudedagsvoorziening kon geven, doch dat dit slechts door een combinatie van stelsels zou kunnen worden bereikt.

     Beide moties werden bestreden door de heren Smeenk, Kortenhorst. Kuiper, Snoeck Henkemans, omdat zij - hoewel erkennende dat verbeteringen in de Invaliditeitswet en in de Ouderdomswet noodzakelijk waren - om principiële en financiële redenen staatspensioen onaannemelijk achtten. De heer Boon verklaarde namens zijn partijgenoten dat zij, hoewel voorstanders van staatspensioen, aan de motie-Sannes hun stem niet konden geven, omdat in het systeem van de heer Sannes staatspensioen en verzekering samengekoppeld werden en omdat de kosten van dit stelsel niet te dragen zouden zijn. De heer Oud verklaarde dat het standpunt van de Vrijzinnig-Democratische Partij was dat, om een doelmatige verzorging van de ouden van dagen te krijgen, de regeling algemeen moest zijn, zodat met name geen scheidingslijn getrokken mocht worden tussen loonarbeiders en niet-loonarbeiders. Wanneer men de oplossing wilde zoeken langs de weg van verzekering, dan moest zij dus omvatten zowel de loonarbeiders als de niet-loonarbeiders, maar dan moest tevens de Staat bereid zijn de premies voor zijn rekening te nemen voor diegenen die niet in staat zouden zijn uit eigen inkomsten die premies te betalen.
     Aldus moest men gaan in de richting van staatspensioen. Hij wees er daarbij op dat ook de leden der rechterzijde in hun verzekeringswetten telkens bepalingen hadden moeten aanvaarden die uitsluitend op grond van het staatspensioen waren te verdedigen.
     Minister Slotemaker de Bruine verklaarde dat de Regering niet bereid was tot het verlenen van kosteloze ouderdomsrenten. De juiste weg om de ouden van dagen te helpen, lag naar zijn mening in een verruiming van de bepalingen van de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet.
     De eerste motie werd daarop verworpen, waarna de tweede werd ingetrokken.
     Van belang is evenwel dat hier twee dingen duidelijk naar voren waren gekomen: ten eerste dat de S.D.A.P. zich niet meer principieel op het standpunt van staatspensioen stelde, doch om practische redenen een combinatie van verzekering en staatspensioen gewenst achtte en ten tweede dat thans de gehele linkerzijde voorstander van staatspensioen was.

     rblz.|15 l.k.| De Regering kwam daarop eind 1928 met een voorstel tot wijziging van de Invaliditeitswet, waarbij onder meer de loongrens werd verhoogd, personen die in aangenomen werk arbeid verrichtten, doch feitelijk loonarbeiders waren, alsmede personen die bij wijze van werkverschaffing waren tewerkgesteld, onder de werking van de wet werden gebracht, terwijl voorts voor het verkrijgen van ouderdomsrente een gunstiger bepaling werd getroffen voor personen die op 65-jarige leeftijd niet voldoende zegels hadden. Dit voorstel werd door de beide Kamers aanvaard.
     Hoewel hierdoor wel enigszins aan de bezwaren was tegemoetgekomen, kon toch moeilijk van een oplossing van het ouderdomsvraagstuk worden gesproken.
     De strijd ging dan ook onverminderd voort, zonder echter enig resultaat op te leveren. Niet alleen werd alle aandrang tot verhoging van de uitkeringen om financiële redenen afgewezen, doch ook het vraagstuk van het brengen der (kleine) zelfstandigen onder de verplichte ouderdomsverzekering, dat door de linkerzijde herhaalde malen aan de orde werd gesteld, kwam geen stap verder. Men zag hiervoor namelijk slechts één oplossing, staatspensioen, waartegen de rechterzijde zich om principiële redenen bleef verzetten.
     Toch waren er symptomen waardoor aan het licht kwam dat de partijen niet meer zo scherp tegenover elkaar stonden.
     Bleek hierboven reeds dat de S.D.A.P. zich niet langer op principiële gronden tegen verzekering verzette, ook uit het "verzekeringskamp" werd een geluid gehoord waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook van die kant de zaak niet meer zo principieel gesteld werd.
     Minister Verschuur zeide namelijk bij de behandeling van de begroting van zijn Departement in December 1929 onder meer het volgende:
     "En nu wil ik over het beginsel van het Staatspensioen niet te veel zeggen en zeker niet te veel slechts. Ik wil niet de tegenstelling tusschen Staatspensioen en andere vormen van verzekering onnoodig verscherpen. Daarvoor is geen reden. Er is gelegenheid naar elkander toe te komen. Aan de eene zijde kan worden toegegeven dat men op den weg van onverplichte bijdrage van den Staat reeds een beduidend stuk heeft afgelegd. Tweemaal heeft men ook een daad gesteld, maar als men die zaak interpreteert, zou dat kunnen worden opgevat als een
"soort" Staatspensioen. Tweemaal is een maatregel genomen, waartegenover geen praestatie van de betrokkenen stond, maar die maatregelen zijn genomen als brug, als overgangsmaatregel, als afronding bij iets anders, en de meerderheid van de Kamer heeft altijd gemeend dat het een noodzakelijke afronding was om een stelsel, dat in beginsel hooger stond, te doen slagen.
     Wanneer dus een dergelijke bijdrage beschouwd is als een afronding, een noodzakelijke hulp, dan geloof ik, dat, als men anderzijds zou willen erkennen, gelijk hier is geschied, dat het Staatspensioen hoogstens als aanvulling van de sociale verzekering kan gelden, de afstand, die beide partijen scheidt, niet overdreven groot kan worden genoemd."

     Even verder zegt hij dan nog: "Men beschouwt de staatspensionneering op den dag van heden niet anders dan als een aanvulling, een onderdeel van de sociale verzekering".

     Ook in de kringen van de belanghebbenden zelf werd aan het vraagstuk van de oudedagsvoorziening de nodige belangstelling gegeven.
     Op een in 1931 gehouden congres van de Nederlandse R.K. Middenstandsbond werd een prae-advies uitgebracht waarin werd geconcludeerd dat een afdoende ouderdomsverzorging voor de kleine zelfstandigen een zaak van algemeen belang was. Aangezien men evenwel van mening was dat invoering van een verplichte ouderdomsverzekering zowel op theoretische als op practische bezwaren stuitte en voorts dat staatspensioen niet aanvaard kon worden zolang niet gebleken was dat het beoogde doel niet langs de weg van verzekering bereikt kon worden, werd gepleit voor een vrijwillige verzekering met subsidie van staatswege.

     rblz.|15 r.k.| Ook een door de Vereniging van de Christelijke Handels- en Industriële Middenstand ingestelde commissie gaf in 1932 als haar oordeel dat het verzorgen van eigen oude dag, door alle zelfstandigen, een groot maatschappelijk belang was. De commissie had geen bezwaar legen een verplichte verzekering, doch deed op grond van practische bezwaren geen aanbeveling in deze richting. Als de meest aanbevelenswaardige oplossing werd gezien een regeling welke geheel zou aansluiten op de bestaande Ouderdomswet 1919, waarbij dan door het Rijk een bijslag op de premie zou dienen te worden gegeven.
     Een geheel ander geluid deed de Koninklijke Nederlandse Middenstandsbond horen. In 1935 werd een door een commissie uitgebracht rapport aanvaard waarin onder meer werd gesteld dat een afdoende verzorging van de oude dag van de kleine zelfstandigen alleen te bereiken zou zijn door invoering van een wettelijke verplichte verzekering. Als rechtsgrond werd aangevoerd dat het algemeen belang vorderde dat in de verzorging van de oude dag van deze groep van economisch zwakkeren werd voorzien.

     Niet alleen de politieke partijen en de organisaties van belanghebbenden schonken aandacht aan het onderhavige vraagstuk, doch ook de vakbeweging. In het in 1938 door een commissie uit N.V.V. [Nederlands Verbond van Vakverenigingen, red.] en S.D.A.P. uitgebracht rapport over sociale verzekering werd een apart hoofdstuk gewijd aan de sociale verzekering van de middenstand. Ook in dit rapport werd het standpunt dat de socialisten ten aanzien van het probleem verzekering-staatspensioen waren gaan innemen nog eens duidelijk geformuleerd in de volgende passage: "Er blijven echter zeer grote groepen personen over, die voorlopig nog op geen wijze in een systeem van sociale verzekering kunnen opgenomen worden, of voor wie langs de weg der verzekering geen noemenswaardige resultaten te bereiken zijn. Deze zijn alleen door een premievrij staatspensioen te helpen en dat staatspensioen moet ook algemeen zijn, omdat het onredelijk zou zijn van het genot uit te sluiten die groepen, aan wier inkomen tenslotte de middelen ontleend worden, waaruit het staatspensioen bekostigd wordt, ook al laat zich niet aantonen dat, op welke wijze en in welke mate, bepaalde personen er bij betrokken zijn. Het staatspensioen is noodzakelijk en daarom aanvaardbaar, maar het is dat alleen als algemene basis, waarop werkelijke pensioenverzekeringen voor alle door zulke schema's bereikbare personen kunnen worden opgetrokken. Het staatspensioen zal niet gemakkelijk een bevredigende hoogte bereiken, de pensioenverzekeringen, die het zonder Rijksbijdragen stellen kunnen, blijven daarom hoofdzaak". Er werd slechts uitkomst uit de moeilijkheden verwacht van een algemene verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van ouderdom, invaliditeit, ziekte en ongevallen, ook voor de kleine zelfstandigen. Voor die zelfstandigen die niet in staat zouden zijn de verschuldigde premiën op te brengen, zou dit bij wijze van maatschappelijk hulpbetoon moeten geschieden.

     Bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken voor het dienstjaar 1939 in de Tweede Kamer bepleitte de heer Van den Tempel nog eens weer het opnemen van de kleine zelfstandigen in de verplichte sociale verzekering en hij diende, teneinde een uitspraak van de Kamer te verkrijgen, de volgende motie in:

"De Kamer,
van oordeel, dat het wenschelijk is de uitbreiding van de verplichte sociale verzekering - ongevallen-, ziekte- en invaliditeits- en ouderdomsverzekering - tot de kleine zelfstandigen in overweging te nemen, noodigt de Regeering uit een Staatscommissie in te stellen om ter zake van voorlichting te dienen, en gaat over tot de orde van den dag."

     Nadat de aanneming van deze motie door Minister Romme ontraden was, werd zij door de Kamer met 41 tegen 25 stemmen verworpen.
     Uit het betoog van de Minister blijkt dat hij er in beginsel geen bezwaar tegen had om ook de kleine zelfstandigen in de verplichte verzekering op te nemen. Hij zag evenwel bij de
rblz.|16 l.k.| practische uitwerking veel voetangels en klemmen liggen, welke moeilijkheden er nu echter naar zijn mening eenmaal waren om een poging uit te lokken ze op te lossen.
     Minister Romme vroeg zich evenwel af of een zaak van zo grote allure door de Kamer genoegzaam van alle kanten bekeken was om daarover op dat moment een uitspraak te doen. Hij achtte dit onderwerp voorts nog niet in die mate rijp dat verwacht kon worden dat zij met een staatscommissie binnen een bekwame termijn de eindstreep zou kunnen halen. Hij meende daarom dat het door de heer Van den Tempel beoogde doel niet gediend zou worden met het begraven van de zaak in een staatscommissie die zo'n brede taak zou krijgen dat het jaren en jaren zou duren voor zij met haar taak klaar zou zijn.

     De kwestie van de verzekering van zelfstandigen kwam kort daarop weer uitvoerig aan de orde in verband met het op 9 Juli 1938 door de Hoge Raad van Arbeid uitgebrachte advies naar aanleiding van het aan die Raad door Minister Romme voorgelegde voorontwerp van een kinderbijslagverzekering. Minister Romme had zich blijkens de toelichting om redenen van practische aard voorshands beperkt tot de loontrekkenden. De Hoge Raad was na een uitvoerige gedachtenwisseling met twintig tegen veertien stemmen van oordeel dat de kleine zelfstandigen niet onder de kinderbijslagverzekering dienden te worden gebracht. De tegenstemmers betoogden dat bij vele kleine zelfstandigen een dergelijke noodtoestand heerste dat ingrijpen van de Overheid niet achterwege kon blijven; hun inkomen is dikwijls niet hoger, vaak zelfs lager dan dat van menig arbeider. Zij behoren dus evenzeer tot de categorie der maatschappelijk zwakken.
     Deze leden bestreden het argument van degenen die de rechtsgrond voor de arbeiders gelegen achtten in de dienstverhouding en dus van oordeel waren dat een rechtsgrond voor de kleine zelfstandigen zou ontbreken. Hunnerzijds wezen deze leden erop dat bij de verdere ontwikkeling der socialeverzekeringswetgeving dit engere standpunt meer en meer verlaten was en een ontwikkeling plaatsgevonden had die van het strengere arbeidscontractuele standpunt evolueerde naar een standpunt dat gekarakteriseerd kon worden als dat waarbij het in economische positie met arbeiders gelijkstaan beslissend wordt geacht ten aanzien van het onder de sociale verzekering betrokken zijn.
     In het op 30 Maart 1939 verschenen voorlopig verslag van de Tweede Kamer naar aanleiding van het op 13 December 1938 ingediende wetsontwerp bepleitten verscheidene leden uitbreiding van de voorgestelde regeling tot de zelfstandigen. Zij wezen erop dat in verschillende landen, ook in Nederland, een al krachtiger wordende stroming zich baan had gebroken voor opneming van deze groep in de kring der verplicht verzekerden. Zij zouden daarmede voor ons land gaarne bij deze gelegenheid een begin zien gemaakt. Te eerder meenden zij de wens daartoe te mogen uiten, wijl zij uit de memorie van toelichting hadden afgeleid dat de Minister in dit opzicht geen principiële bezwaren had, doch dat uitsluitend overwegingen van practische aard hem deden besluiten de kinderbijslagregeling tot de loontrekkenden te beperken.
     In de memorie van antwoord schreef Minister Romme dat, ondanks enige verbetering in de situatie, de moeilijkheden welke aan opneming van de zelfstandigen in de verplichte verzekering in de weg stonden nog geenszins waren opgelost.
     Het ligt voor de hand dat dit onderwerp bij de algemene beraadslagingen niet onbesproken bleef.
     De heer Kuiper verklaarde dat de Katholieke Kamerfractie zich gaarne aansloot bij het warme pleidooi voor opname van de zelfstandigen in de verzekering. Hij aanvaardde echter de bezwaren van de Minister, doch drong erop aan "dat aanstonds en in het vlotte tempo, dat den Minister eigen is, het noodige zal worden verricht om ook de zelfstandigen, zoo spoedig als doenlijk is, de sociaal-weldadige beteekenis van den kinderbijslag deelachtig te doen worden".
     De heer Bakker was er diep van overtuigd dat ook voor de kleine zelfstandigen een regeling moest worden getroffen.
    
rblz.|16 r.k.| De heer Drees herinnerde in zijn betoog aan de motie-Van den Tempel, die tot zijn leedwezen was afgewezen. "De Minister heeft gezegd", aldus de heer Drees, "dat hij geen motie wilde hebben die een kapstok zou zijn. Wij moeten er nu des te sterker op aandringen dat de Minister zonder motie zoo spoedig mogelijk deze sociale voorziening zal doen gelden voor allen, die daaraan sociaal behoefte hebben."
     De heer Smeenk was van oordeel dat een verplichte regeling voor zelfstandigen principieel niet zo gemakkelijk te verdedigen zou zijn.
     Een ander geluid liet de heer Krol horen. Hij betreurde het zeer dat de kleine zelfstandigen weer "op de mat" bleven staan. Hij herinnerde eraan dat bij de behandeling van de Ouderdomswet 1919 in de Kamer de vrees was uitgesproken dat de vrijwillige verzekering van de kleine zelfstandigen wel eens op een teleurstelling kon uitlopen.
     "Wij leven nu in 1939 en wat zijn wij gevorderd op het punt, waarover toen het debat in deze Kamer ging, namelijk de ouderdomsverzekering van de kleine zelfstandigen?"
     Uit de beantwoording van de verschillende sprekers door Minister Romme bleek dat hij de rechtsgrond niet zag in de leer van het rechtvaardige loon, zoals Talma en Aalberse, waarmede slechts een verplichte verzekering uitsluitend voor loonarbeiders te verdedigen viel, doch in de leer van de rechtvaardige prijs. In zijn gedachtengang was een prijs eerst rechtvaardig indien allen die uit deze prijs de vergoeding voor hun arbeid moeten ontvangen, dit zijn dus zowel de loonarbeiders als de overige bij de productie betrokken personen, een zodanige beloning voor hun arbeid verkrijgen dat deze niet alleen voldoende is voor de tijd dat gewerkt wordt, doch ook voor de tijd dat door ziekte, invaliditeit, ouderdom en dergelijke omstandigheden niet kan worden gewerkt.
     Ook in de Eerste Kamer werd van verschillende kanten gepleit voor opneming van de kleine zelfstandigen in de sociale verzekering.

     Het is in het licht van het bovenstaande niet verwonderlijk dat de heer Van den Tempel, die de heer Romme op 10 Augustus 1939 als Minister van Sociale Zaken was opgevolgd, reeds spoedig uitvoering gaf aan de gedachte neergelegd in de door hem bij de behandeling van de begroting voor 1939 ingediende, doch door de Tweede Kamer verworpen motie. Bij Koninklijk besluit van 1 April 1940 werd namelijk een staatscommissie ingesteld onder voorzitterschap van mr. dr. J. van Bruggen, welke de opdracht kreeg advies uit te brengen over de inschakeling van de kleine zelfstandigen in de verplichte sociale verzekering.

     In het op 30 September 1942 uitgebrachte eerste deel van haar rapport gaf de commissie een uitvoerige beschouwing over de vraag of er een, en zo ja, welke rechtsgrond aanwezig is voor de opname van de kleine zelfstandigen in de sociale verzekering. Met de grootst mogelijke meerderheid kwam zij tot de conclusie dat er inderdaad een rechtsgrond aanwezig is. Deze rechtsgrond werd als volgt geformuleerd:
     "De kleine zelfstandigen behooren tot de groep der economisch zwakkeren; afdoende verzorging hunner financieele behoeften bij eigen kinderzegen, ziekte, ongeval, invaliditeit en ouderdom is derhalve in het algemeen belang geboden; deze is, daar het particulier initiatief en de overheidssteun te kort schoten, op goede en gewenschte wijze slechts bereikbaar door verplichte sociale verzekering tegen die behoeften van dit deel dier groep."
     Het ligt voor de hand dat de commissie zich, gezien haar opdracht, bij het formuleren van een rechtsgrond tot de kleine zelfstandigen heeft beperkt.
     Het rapport ging vergezeld van wetsontwerpen waarin de opneming van zelfstandigen in de ongevallenverzekering, de ziekengeldverzekering en de kinderbijslagverzekering was uitgewerkt. De commissie meende evenwel voorshands van het doen van een voorstel tot wijziging van de Invaliditeitswet te moeten afzien, enerzijds wegens gebrek aan voldoende statistisch materiaal, anderzijds omdat zij het niet uitgesloten achtte
rblz.|17 l.k.| dat de lnvaliditeitswet toch binnen afzienbare tijd gewijzigd zou worden.

     Een belangrijke stoot tot het opnieuw bestuderen van het gehele vraagstuk der sociale verzekering werd gegeven door het in 1945 verschenen rapport van de in 1943 door de Regering in Londen ingestelde commissie-Van Rhijn. De commissie achtte een zo spoedig mogelijke herziening onzer socialeverzekeringswetgeving noodzakelijk, in die zin dat zij diende te worden geünificeerd en uitgebreid tot een sluitend stelsel van sociale voorzieningen, hetwelk als organisch onderdeel ener op hetzelfde doel gerichte algemene economische en financiële politiek, tot strekking heeft de gehele bevolking sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen.

     De rechtsgrond werd als volgt geformuleerd: "De gemeenschap, georganiseerd in de Staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde dat deze leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen".
     In het licht van de hierboven geschetste ontwikkeling in de gedachten rond de kwestie verzekering-staatspensioen kon in het rapport worden verklaard dat de begrippen sociale verzekering en sociale verzorging, waaronder dan staatspensioen wordt gerekend, in de loop der tijden de neiging vertonen om naar elkaar toe te groeien. De enige maatstaf die ten slotte bij de beoordeling of een bepaalde regeling tot de ene dan wel tot de andere categorie behoort, is volgens de commissie die van het Internationaal Arbeidsbureau, namelijk: "...the presence or absence of the requirement, as a condition for the grant of benefit, that contribution should have been paid, by the prospective beneficiary, or in his name, into the fund which supplies the benefit".

     Op het derde congres van de Vereniging van Raden van Arbeid, gehouden op 26 en 27 Juni 1946 te Amsterdam, is de rechtsgrond voor de sociale verzekering uitvoerig aan de orde geweest. Hoewel de verschillende sprekers vrijwel alle richtingen vertegenwoordigden, werd algemeen een uitbreiding van de kring der verzekerden met de kleine zelfstandigen, althans voor zover het de ouderdomsverzekering betreft, bepleit.

     Het ligt voor de hand dat de Regering welke na de bevrijding van ons land optrad er behoefte aan gevoelde met de organisaties van werkgevers en werknemers in overleg te treden omtrent de voorstellen van de commissie-Van Rhijn. De toenmalige Minister van Sociale Zaken, de heer Drees, vroeg daartoe het advies van de Stichting van den Arbeid.
     Tegelijkertijd gaf hij aan een kleine technische ambtelijke commissie, onder voorzitterschap van mr. dr. A.A. van Rhijn, opdracht om uitgewerkte voorstellen voor herziening en uitbreiding der sociale verzekering te ontwerpen. Inmiddels was uit een aantal nota's van het bestuur van de Stichting van den Arbeid gebleken dat de vertegenwoordigers van werkgevers- en arbeiderszijde in een door de Stichting speciaal hiervoor in het leven geroepen commissie onder voorzitterschap van haar gedelegeerde, prof. mr. B.C. Slotemaker, in belangrijke mate overeenstemming hadden verkregen over de hoofdlijnen ener toekomstige herziening en unificatie van de sociale verzekering.
     Minister Drees achtte het toen voor een goede en vlotte gang van zaken gewenst de werkzaamheden van de technische regeringscommissie te coördineren met die van de commissie uit de Stichting van den Arbeid. In overleg met het bestuur der Stichting werden beide commissies daarop tezamen gevoegd tot een zogenaamde Gemengde Commissie, weer onder voorzitterschap van de heer Van Rhijn, welke commissie aanvankelijk alleen het vraagstuk van de oudedagsverzekering zou bezien, doch later het gehele vraagstuk van de herziening der sociale verzekering in studie heeft genomen. Dit was in September 1947.

rblz.|17 r.k.| 

1.4. De totstandkoming van een voorlopige regeling in de vorm van de Noodwet Ouderdomsvoorziening


     Het vraagstuk van de oudedagsverzekering kwam weer in de parlementaire sfeer bij de behandeling van de Noodwet Ouderdomsvoorziening. De bestudering van het aan de Gemengde Commissie voorgelegde ingewikkelde probleem vorderde namelijk meer tijd dan de Regering verantwoord achtte te laten voorbijgaan, voor en aleer maatregelen zouden worden getroffen om in de algemeen erkende nood van vele ouden van dagen te voorzien. Het was daarom dat bij koninklijke boodschap van 27 November 1946 bij de Tweede Kamer een wetsontwerp werd ingediend waarin een op de verzorgingsgedachte gebaseerde noodvoorziening ten behoeve van de ouden van dagen werd voorgesteld, in afwachting van een definitieve voorziening door middel van verplichte verzekering.
     "Uitgangspunt voor de ontworpen regeling", aldus de memorie van toelichting, "is geweest de gedachte dat de voorziening niet beperkt dient te blijven tot de ouden van dagen, die in loondienst zijn geweest, doch dat allen, ongeacht de plaats, die zij in het maatschappelijk leven hebben ingenomen, daarvoor in aanmerking moeten kunnen komen, als hun financieele omstandigheden het noodig maken. Deze gedachte strookt met het voornemen van den eersten ondergeteekende om de toekomstige, in voorbereiding zijnde ouderdomsverzekering niet te beperken tot de loonarbeiders, doch ook de niet-loontrekkenden daarin op te nemen."
     Het voornemen van Minister Drees om in de toekomstige definitieve ouderdomsvoorziening ook de niet-loontrekkenden op te nemen, vond in de Kamers, zoals trouwens na het voorgaande ook wel verwacht mocht worden, geen bestrijding. Bij de mondelinge beraadslagingen in de Tweede Kamer betuigden enkele leden uitdrukkelijk hun instemming. Zo verklaarde de heer Krol dat hij met de door de commissie-Van Bruggen in haar rapport vermelde conclusie akkoord ging,
"namelijk dat er inderdaad voor de Overheid een eigen rechtsgrond aanwezig is om in ons vaderland langs den weg van plicht de sociale verzekering in een algeheel uit te bouwen". En om daartoe te geraken, zou er naar zijn mening in principe zelfs geen bezwaar bestaan dat voor de laagste inkomens de premie op één of andere wijze door de Overheid wordt voldaan, terwijl evenmin in beginsel een differentiatie der premie in verband met het inkomen bezwaar behoefde te ontmoeten.
     De heer Hooij zag in het ontwerp het resultaat van een evolutie in de sociale verzekeringen.
"Stond men vroeger vrijwel practisch op het standpunt dat de ratio van de verplichte sociale verzekering lag in het arbeidscontract, in het loonarbeider zijn dus, dit ontwerp ademt den geest en is de eerste stap in het erkennen van den arbeid zelf - of deze wordt verricht door een werknemer of door een zelfstandige - als grondslag voor sociale rechten."
     De heer Smeenk constateerde dat het terecht veler begeren was om de kleine zelfstandigen op te nemen in de kring der verplicht verzekerden, althans voor wat betreft de ouderdomsverzekering. Hij zag echter nog wel technische moeilijkheden.

     Het bovenstaande wil niet zeggen dat er geen bezwaren tegen het wetsontwerp bestonden. Integendeel, van verschillende zijden werden deze aangevoerd, zowel tegen het loslaten van het verzekeringsprincipe als tegen het stelsel van aftrek van eigen inkomsten. Alle partijen waren het er evenwel over eens dat de ouden van dagen op de in het vooruitzicht gestelde definitieve regeling op verzekeringsbasis niet langer konden wachten.
     Het ontwerp werd in beide Kamers zonder hoofdelijke stemming aangenomen, waarna de wet op 1 October 1947 in werking trad.

     Bij de behandeling van dit wetsontwerp kwam nog eens weer duidelijk naar voren de ontwikkeling in de kringen die oorspronkelijk de gedachte van staatspensioen voorstonden. Bleek uit de considerans van het door de Ministers Drees en Lieftinck ingediende ontwerp reeds dat de noodvoorziening rblz.|18 l.k.| werd voorgesteld "in afwachting van de totstandkoming eener definitieve voorziening door middel van verplichte verzekering", ook in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer werd nog eens uitdrukkelijk verklaard dat de Regering streefde naar een uitbreiding van de bestaande oudedagsvoorziening door middel van verplichte verzekering. De eerste ondergetekende stelt er voorts prijs op in herinnering te brengen dat hij bij de openbare behandeling van bedoeld wetsontwerp in de Tweede Kamer onder meer het volgende heeft gezegd: "Dat een definitieve regeling zal uitgaan van het verzekeringsbeginsel, al zullen ook daarbij overgangsmaatregelen niet kunnen worden gemist, achten mijn politieke vrienden en ik juist. Wij zijn van oordeel dat een in vrijheid levend volk het niet zal kunnen stellen zonder een sterk besef van persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid bij de groote meerderheid van zijn burgers. En daar de persoonlijke vrijheid voor ons, democratische socialisten, het hoogste goed is, erkennen wij gaarne, dat voorzieningen in materiële nood, als het kan, zoodanig getroffen moeten worden, dat daardoor de persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid niet in het gedrang komt".

 

1.5. Activiteiten met het oog op de totstandkoming van een definitieve voorziening


     Men zou misschien geneigd zijn te veronderstellen dat, aangezien door de aanneming van het wetsontwerp noodregeling ouderdomsvoorziening in feite reeds een beslissing werd genomen voor wat betreft de kring der verzekerden voor de definitieve regeling, daarna dus een stilte rondom deze strijdvraag zou zijn ingetreden. Het tegendeel is echter het geval geweest.

     In 1947 gaf het bestuur van het Centrum voor Staatkundige Vorming aan een commissie onder voorzitterschap van mr. A.M. Engels de opdracht rapport uit te brengen over het vraagstuk van de verplichte ouderdomsverzekering in verband met de wenselijkheid de bestaande noodregeling door een definitieve te vervangen. In haar op 24 Juli 1951 gepubliceerd rapport "Verplichte ouderdomsverzekering. Grondslagen van een wettelijke regeling" stelt de commissie de vraag op welke rechtsgrond een verplichte ouderdomsverzekering dient te steunen. Naar het oordeel van de commissie is het een op het natuurrecht gefundeerde verplichting van ieder mens om door arbeid te zorgen voor het levensonderhoud van zichzelf en de zijnen. Ook voor de tijd dat hij tengevolge van ouderdom niet meer in staat zal zijn door werken in zijn levensonderhoud te voorzien, behoort de mens zich alle redelijke inspanning te getroosten. Nu leert de practijk dat men er niet gemakkelijk toe komt om geld te reserveren voor zijn oude dag; zeer velen schieten in dit opzicht tekort en zulks niet enkel uit financiële onmacht. Tengevolge daarvan worden zij, als zij niet meer kunnen werken en verdienen, armlastig en komen zij dus ten laste van de gemeenschap. Deze omstandigheid nu is het die de Overheid het recht geeft om aan haar onderdanen de verplichting op te leggen te sparen, teneinde daarvan in de jaren dat zij voor werken te oud zijn te kunnen leven. Hier wordt gesproken van een verplichting welke wordt opgelegd door de Overheid, waarmede de commissie onder de huidige structuur der maatschappij de centrale Overheid bedoelt.

     Interessant is dat inmiddels enkele theoretici het begrip sociale verzekering verder hebben verdiept. De ondergetekenden doelen hier op prof. M.G. Levenbach en dr. G.M.J. Veldkamp.
     Eerstgenoemde omschrijft het begrip sociale verzekering in "Sociaal Maandblad", 2de jaargang, nr. 11, aldus: "Onder sociale verzekering in de ruimste zin is te verstaan het geheel van die instellingen of maatregelen, welke beogen aan personen, die tot een bepaalde groepering van economisch zwakkeren behoren, recht op een zekere prestatie te verschaffen in geval van intreden van omstandigheden, welke voor hen allen als mogelijkheid dreigen en welke tot gevolg hebben, hetzij dat hun inkomen (met name in verband met hun
rblz.|18 r.k.| arbeid) ophoudt of vermindert, hetzij dat voor hen zeer moeilijk te dragen uitgaven noodzakelijk worden, hetzij beide".
     Niet essentieel wordt door deze deskundige geacht dat er verband bestaat tussen individuele premiebetaling en individueel uitkeringsbedrag, noch dat er verband bestaat tussen individueel premiebedrag en individuele schade- of uitkeringskans.
     In zijn proefschrift "Individualistische karaktertrekken in de Nederlandse Sociale Verzekering" sluit
dr. Veldkamp nauw aan bij de door Levenbach gegeven definitie. Hij wijkt echter in één opzicht af, namelijk in zoverre hij ook aangeeft uit welke bron de middelen geput moeten worden welke nodig zijn om de prestaties te verschaffen. Hij acht deze aanvulling nodig om de sociale verzekering wél te onderscheiden van de sociale verzorging. Zijn definitie luidt dan aldus: "Onder sociale verzekering of sociaal-economische verzekering zullen wij verstaan: het geheel van die instellingen of maatregelen, welke beogen, door middel van heffingen op het inkomen of vermogen van de personen, die tot een bepaalde sociaal-economische groepering behoren, aan die personen recht op een zekere prestatie te verschaffen, in geval van intreden van omstandigheden, welke voor hen allen als mogelijkheid dreigen en welke tot gevolg hebben, hetzij dat hun inkomen ophoudt of vermindert, hetzij dat hun vermogen geheel of gedeeltelijk tenietgaat, hetzij dat voor hen zeer moeilijk te dragen uitgaven noodzakelijk worden, hetzij een combinatie van deze mogelijkheden".

     Dr. Veldkamp acht premiebetaling niet een conditio sine qua non voor het recht op uitkering, maar slechts een middel tot dekking der uitgaven. De aanspraak op prestaties is primair gebaseerd op het behoren tot een bepaalde sociaal-economische groepering en het optreden der eventualiteit, waaraan allen gemeenschappelijk onderworpen zijn.
     Zo vraagt men zich bijvoorbeeld bij de beoordeling van het recht op uitkering ingevolge de Ziektewet niet af of de werkgever de premie heeft betaald, doch of de arbeider verzekerd is in de zin der wet en of hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
     In een inleiding op 23 April 1950 gehouden voor de subgroep "sociale verzekering" van de Algemene R.K. Ambtenarenvereniging over de vraag
"staatspensionnering of ouderdomsverzekering" betrok prof. Romme bovenvermelde definities van prof. Levenbach en dr. Veldkamp in zijn beschouwingen. Hij was het met Veldkamp eens dat als de middelen maar komen uit het arbeidsinkomen van de verzekerden, men terecht van "verzekering" mag spreken - onverschillig hoe men uit die bron put. Het karakter van de sociale verzekering wordt ook naar zijn mening door dit "hoe" niet aangetast.
     De heer C.J. van Mastrigt verwijst naar deze inleiding in zijn tijdens de C.H. Zomerconferentie 1953 gehouden referaat over
"De ouderdomsverzekering in Nederland". Hij verklaarde met de conclusies van prof. Romme in te stemmen, zonder alles te onderschrijven wat deze in zijn inleiding heeft gezegd.

     Het rapport van de aan het slot van paragraaf 1.3 besproken gemengde commissie-Van Rhijn verscheen in Maart 1948.
     Wat de kring der verzekerden betreft, was de commissie van oordeel dat in beginsel de sociale verzekering behoorde te worden uitgebreid tot buiten de kring der loontrekkenden en dat die uitbreiding met name de groep der zelfstandigen diende te omvatten. Op deze wijze zouden allen die inkomen uit arbeid genieten bij de verzekering betrokken zijn. In het algemeen bestond bij de commissie geen bezwaar dat de ouderdomsverzekering ook nog het overige deel der bevolking zou omvatten. Men was evenwel van oordeel dat de omvang van de bevolkingsgroep welke valt buiten de kring der loontrekkenden en die der zelfstandigen, in verhouding tot de gehele bevolking betrekkelijk gering is, zodat een verplichte verzekering welke én de loontrekkenden én de zelfstandigen zou omvatten, geacht kon worden zich practisch tot het overgrote deel der bevolking uit te strekken. In overweging werd evenwel gegeven om in de wet de mogelijkheid open te laten om de
rblz.|19 l.k.| verzekering bij algemene maatregel van bestuur eventueel tot de groep buiten de kring der loontrekkenden en zelfstandigen uit te breiden.
     Ten aanzien van de prestaties was de commissie van mening dat de verzekering zou moeten voorzien in een op een noodzakelijk levensminimum gebaseerd bodempensioen, hetwelk zou kunnen worden aangevuld met uitkeringen uit de bedrijfs- en ondernemingspensioenfondsen, particuliere verzekeringen, e.d. Gaarne zou zij een ruimere voorziening in overweging gegeven hebben, ware het niet dat de economische omstandigheden dit beletten. De commissie zag niet voorbij dat velen die onder de toekomstige wettelijke regeling zouden vallen uitsluitend op de bodemvoorziening zouden zijn aangewezen. In verband hiermede diende het bodempensioen in beginsel niet lager te worden gesteld dan het bedrag waarmede, voor zover toen kon worden beoordeeld, in de primaire levensbehoeften kon worden voorzien. Ter vaststelling van het concrete bedrag der ouderdomsuitkering zou de commissie daarom in beginsel willen uitgaan van de uitkeringen krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening. In verband evenwel met de omstandigheid dat de inkomensaftrek en de gemeenteklasse-indeling naar het oordeel van de commissie in de toekomstige regeling geheel dienden te vervallen, zou niet dienen te worden uitgegaan van de absolute bedragen, genoemd in de Noodwet, doch zou de feitelijke gemiddelde uitkering krachtens die wet een richtsnoer moeten vormen voor het maximumbedrag der definitieve ouderdomsuitkering.
     Het was in het bijzonder de overgangsregeling waarbij de commissie zich voor grote moeilijkheden gesteld zag. Zou voor de zeer velen waarvoor nog in het geheel geen ouderdomsvoorziening werd getroffen en voor de zeer vele anderen waarvoor de volkomen onvoldoende regeling van de Invaliditeitswet gold, geen overgangsbepaling in het leven worden geroepen, dan zou eerst na tientallen van jaren een bevredigende toestand zijn verkregen, omdat dan eerst voldoende premie zou zijn opgebracht om daaraan aanspraak op een volledige uitkering te kunnen ontlenen. De commissie gaf in overweging om het bedrag van het pensioen in de overgangstijd te stellen op een percentage van het bodempensioen krachtens de definitieve regeling. Het scheen redelijk en gewenst dit percentage te stellen op 70 ingeval de uitkering in het geheel niet of nagenoeg in het geheel niet uit voor de betrokkene betaalde premiën kon worden gefinancierd en op een evenredig hoger percentage in de gevallen waarin de uitkering gedeeltelijk zou worden bekostigd door ten behoeve van de verzekerde betaalde premiën. Hierbij werd ervan uitgegaan dat ook bij de overgangsregeling geheel zou worden afgezien van het toepassen van inkomensaftrek. Hoelang de overgangsperiode zou moeten duren, werd niet concreet aangegeven.

     Toen een wetsontwerp gebaseerd op het rapport van de Gemengde Commissie vrijwel gereed was, ontving de ambtsvoorganger van de eerste ondergetekende een brief d.d. 8 Juni 1951 van de Raad van Vakcentralen waarin mededeling werd gedaan van de bij die Raad levende opvatting met betrekking tot een aantal hoofdzaken van een definitieve ouderdomsregeling. De aandacht werd voornamelijk gevestigd op een tweetal punten en wel in de eerste plaats op het probleem van de handhaving van de koopkracht van de pensioenen en in de tweede plaats op de wijze van inning van de premiën.
     Vooropgesteld werd dat een oplossing met betrekking tot het probleem van de handhaving van de koopkracht van de pensioenen niet onafhankelijk van de historische ontwikkeling in ons land kon worden gevonden. Er zou naar gestreefd moeten worden om de bedrijfspensioenfondsen, die vooral na de bevrijding hun plaats veroverd hebben, niet alleen een plaats te geven in de definitieve regeling, maar er zou bovendien naar gestreefd moeten worden om voor hen aan wie nog geen bedrijfspensioen wordt gewaarborgd een soortgelijke voorziening op korte termijn tot stand te brengen. De bedrijfspensioenfondsen zouden op het kapitaaldekkingsstelsel moeten worden gebaseerd. Gezocht zou moeten worden naar een zeker evenwicht tussen beide stelsels, op zodanige wijze dat aanpassing
rblz.|19 r.k.| van het pensioen aan de kosten van levensonderhoud, althans voor een belangrijk deel, mogelijk zou zijn.
     De besturen der vakcentralen zagen de oplossing aldus: voor die bedrijfstakken welke nog geen bedrijfspensioenfondsen kennen, zou moeten worden overgegaan tot het verplicht instellen van bedrijfspensioenfondsen of tot de verplichte instelling van één algemeen bedrijfspensioenfonds. In dit laatste geval zou, natuurlijk onder zekere voorwaarden, vrijstelling van de algemene bedrijfspensioenverzekering mogelijk moeten zijn zodra men in een bedrijfstak een eigen pensioenverzekering sticht.
     Voor de zelfstandigen zou de mogelijkheid moeten worden geopend om zich vrijwillig bij het betrokken bedrijfspensioenfonds c.q. het algemeen bedrijfspensioenfonds te verzekeren. Deze verzekering zou moeten worden gebaseerd op het aansprakenstelsel en zou dus een bepaalde nominale uitkering moeten garanderen.
     De uitkering van de bedrijfspensioenfondsen of het algemeen bedrijfspensioenfonds zou moeten worden aangevuld door de verplichte volksverzekering, en wel tot een bepaald percentage van het gemiddelde arbeidsloon in een bepaald jaar.
     Bij deze aanvulling zou moeten worden uitgegaan van een bepaalde wettelijk vastgestelde minimumuitkering door het bedrijfspensioenfonds, met andere woorden, indien enig bedrijfspensioenfonds een hogere uitkering dan de wettelijke zou wensen te verstrekken, dan zou deze hogere uitkering niet in mindering mogen komen op de aanvulling krachtens de volksverzekering. Hierdoor zou in de eerste plaats bereikt worden dat men eerder zou willen overgaan tot verhoging der bedrijfspensioenfondsen en in de tweede plaats dat op de duur de uitkeringen krachtens de bedrijfspensioenfondsen en de volksverzekering samen een hoger pensioen zouden kunnen garanderen.
     Wat het tweede punt, de wijze van inning der premiën, betreft, was de Raad van Vakcentralen tot de conclusie gekomen dat de premieheffing voor de volksverzekering zou moeten geschieden door middel van een bijdrage welke een percentage van het inkomen bedraagt. De aanslag en de inning van de premie voor de ouderdomsverzekering zou door het apparaat van de inkomstenbelasting tegelijk met de aanslag en de inning van de inkomstenbelasting dienen plaats te hebben.
     Deze brief van de Raad van Vakcentralen is mede voor de ambtsvoorganger van de eerste ondergetekende en de Staatssecretaris van Sociale Zaken aanleiding geweest om op 27 Maart 1952 aan de
Sociaal-Economische Raad advies te vragen omtrent beginselen, vorm en omvang van de toekomstige ouderdomsverzekering.
     Bij het verzoek om advies werden overgelegd een uitvoerige nota welke - in hoofdzaak - een nadere uitwerking bevatte van de grondgedachten van het advies van de Gemengde Commissie, alsmede de brief van de Raad van Vakcentralen.

     Intussen stelde het Centrum voor Staatkundige Vorming in 1952 opnieuw een commissie in, ditmaal staande onder voorzitterschap van prof. mr. W.C.L. van der Grinten, welke de opdracht kreeg het vraagstuk van de sociale voorzieningen voor zelfstandigen, voor zover mogelijk in zijn geheel, in studie te nemen.
     In het rapport van deze commissie, dat op 19 Mei 1953 het licht zag, onder de titel "Sociale voorzieningen voor zelfstandigen", werd als oplossing voor de oudedagsvoorziening voor zelfstandigen gezien een regeling in de trant van de Noodwet Ouderdomsvoorziening, gefinancierd uit de algemene middelen van de Staat. Deze regeling zou beperkt moeten worden tot die zelfstandigen die nooddruftig zijn en die voorts regelmatig als zelfstandige maatschappelijke arbeid hebben verricht.
     Het rapport van de commissie werd bestreden door prof. Romme in het "Katholiek Staatkundig Maandschrift" van Juli 1953. Uit het slot van zijn betoog blijkt, zoals ook reeds
rblz.|20 l.k.| naar voren kwam bij de behandeling van zijn ontwerp-Kinderbijslagwet, dat prof. Romme de rechtsgrond voor een verzekering van zelfstandigen ziet in de leer van de rechtvaardige prijs: "Zo goed als de loontrekkende uit zijn loon, moet de zelfstandige uit zijn prijs het onderhoud voor zich en zijn gezin en het onderhoud voor zijn oude dag kunnen verdienen. Niet bij wijze van staatsbedeling, maar uit de opbrengst van zijn werk".
     In een artikel "Middenstand en sociale wetgeving", opgenomen in het in 1952 door de Katholieke Middenstandsbond in het Bisdom 's-Hertogenbosch uitgegeven gedenkboek "Een halve eeuw zelfstandige middenstand in het Bisdom 's-Hertogenbosch", baseert
dr. W.L.P.M. de Kort de rechtsgrond voor verplichte sociale verzekering op de rechtvaardige verdeling van het arbeidsinkomen. De premie voor de sociale voorzieningen vormt een deel van het arbeidsinkomen en vloeit direct voort uit de prijs van product of dienst. Waar nu de prijs voor product en dienst niet hoog genoeg kan zijn om alle werknemers individueel een inkomen te bezorgen, hoog genoeg om op basis van vrije voorzieningen hun zekerheden te verwerven, daar is volgens dr. De Kort het systeem der collectieve verplichte sociale zekerheid voor een bepaalde maatschappelijke groep geschapen. Het probleem ligt evenwel voor de zelfstandigen niet anders: "Dat de prijs hoog genoeg zou kunnen zijn om de middenstander op basis van zelfstandigheid voor zijn zekerheden te doen zorgen, meent niemand".

     Ook in de kringen der protestant-christelijke politieke partijen bleef het vraagstuk de gedachten bezighouden. Zo constateerde de heer F.H. van de Wetering in zijn artikel "Sociale voorzieningen voor zelfstandigen, in het bijzonder de oudedagsvoorziening" in "Koningin en Vaderland" van 5, 12 en 19 Juni 1953, dat prof. F. de Roos over de functie die de middenstand in ons volk verricht voortreffelijke dingen had gezegd, die naar zijn gevoelen dan ook als rechtsgrond konden dienen voor het feit dat de Overheid mede verantwoordelijkheid voor de verplichte sociale verzekering voor zelfstandigen moet dragen. Gedoeld werd op de rede die prof. de Roos op 6 September 1950 heeft gehouden voor de Christelijke Middenstandsbond, waarin onder meer werd betoogd dat het dragen van risico en het uitoefenen van de ondernemersfunctie twee geheel verschillende functies zijn, die in principe in het bedrijfsleven door verschillende groepen van personen kunnen worden uitgeoefend. Volgens de heer Van de Wetering voegt de handel precies zoals de industriële en de agrarische producent waarde aan de goederen toe en voor deze toevoeging van waarde ontvangt hij een beloning, die dus ten volle het karakter van oorspronkelijk inkomen draagt. In dit inkomen ligt het element verzorging van de oude dag besloten. Het interessante van de zienswijze van prof. De Roos is, aldus de heer Van de Wetering, dat hij ook de loontrekkende en anderen risicodragers noemt en daarmede een oud stokpaardje ineens op stal heeft gezet.
     In deze gedachtengang achtte de heer Van de Wetering het verstaanbaar dat tegen het opnemen van zelfstandigen in een geheel de bevolking omvattend stelsel van sociale zekerheid geen principieel bezwaar behoefde te worden gemaakt. "Immers, het gaat bij de sociale zekerheid slechts om het vinden van gemeenschappelijke dekking tegen bepaalde ongunstige levenskansen die met de eigenlijke maatschappelijke functie van de betrokkenen geen verband houden, doch in het wezen van mens en maatschappij besloten liggen. Bovendien gaat de sociale zekerheid niet verder dan het waarborgen van een minimum aan bestaanszekerheid, zodat gevaar voor het wegnemen van de prikkel der individuele inspanning, bij een verstandig beleid, niet behoeft te worden geducht".
     De heer C.J. van Mastrigt kwam in zijn referaat gehouden tijdens de C.H. Zomerconferentie 1953, na onder meer te hebben opgemerkt dat het uitgesloten zou zijn de definitieve voorziening te beperken tot de loontrekkenden, nu alle Nederlanders, mits zij behoeftig zijn, van de noodwet kunnen profiteren en voorts
rblz.|20 r.k.| dat niemand, hoe goed gesitueerd ook, van te voren weet of hij op 65-jarige leeftijd toch niet een beroep op de gemeenschap zal moeten doen, tot de conclusie dat de verplichte ouderdomsverzekering voor allen zal moeten gelden die inkomen uit arbeid en/of vermogen genieten.

     Als voorbeeld van hetgeen op dit gebied aan werkgeverszijde leeft, mogen de ondergetekenden voorts nog de aandacht vestigen op het in September 1952 gepubliceerde "Rapport ouderdomsvoorzieningen" van het Centraal Sociaal Werkgeversverbond [C.S.W.V., red.]. In dit rapport wordt gesteld dat de Overheid niet alleen als taak heeft erop toe te zien dat voor een ieder de mogelijkheden worden opengehouden de zorg voor zichzelf en zijn gezin te effectueren en de behulpzame hand te bieden aan degenen die zichzelf niet kunnen helpen, doch de plicht heeft te bevorderen dat de leden van de gemeenschap maatregelen treffen ter voorziening, althans in de eerste levensbehoeften, op de oude dag en van de nagelaten betrekkingen.
     Maar ook al zou men hierin geen voldoende rechtsgrond kunnen zien voor een wettelijke verzekering, dan nog nopen de omstandigheden ertoe, aldus het rapport, deze toch tot stand te brengen. Juist de behoefte om zich zoveel mogelijk tegen muntontwaarding te wapenen, maakt onvermijdelijk dat de Overheid een wettelijke ouderdomsverzekering organiseert waarin de deelneming verplicht wordt gesteld. Alleen reeds redenen van techniek nopen naar de mening van het C.S.W.V. tot de aanvaarding van een wettelijk verplichte ouderdomsverzekering, ongeacht welke overwegingen van wijsgerig-maatschappelijke aard men daaraan overigens ten grondslag zou willen leggen.
     Omtrent de kring der verzekerden wordt dan verder nog gezegd dat wanneer men ervan uitgaat dat de Overheid de taak heeft de zelfverantwoordelijkheid der burgers te bevorderen, maar daarnaast geroepen is collectief de bevolking ertoe te brengen gemeenschappelijk de verzekering te organiseren om te voorkomen dat naderhand wellicht een beroep op armenzorg moet worden gedaan, daaruit dan principieel volgt dat allen tot deze nationale verzekering moeten worden toegelaten. Een voorziening als de onderhavige werkt immers op zulke lange termijnen dat niemand of nagenoeg niemand kan zeggen nooit in de situatie te zullen verkeren dat geen beroep op armenzorg behoeft te worden gedaan.

 

1.6. Het advies van de Sociaal-Economische Raad


     Het advies van de Sociaal-Economische Raad [S.E.R., red.] werd op 26 Februari 1954 vastgesteld en kort daarop, vergezeld van een minderheidsnota, aan de Regering aangeboden. Aangezien de leden van de Staten-Generaal ook in het bezit van dat advies zijn gesteld, mogen de ondergetekenden er mede volstaan hier slechts enkele hoofdzaken van het advies aan te stippen. Zij bepalen zich daarbij eerst tot het standpunt van de meerderheid om daarna de opvatting te bezien, neergelegd in de door enkele leden van de Raad uitgebrachte minderheidsnota.
     Na te hebben aangetoond dat relatief veel bejaarden wegens onvermogen, voortvloeiend uit hun maatschappelijke positie, onderschatting van toekomstige behoeften, waardedaling van het geld, nalatigheid of welke andere oorzaak dan ook, niet in staat zijn in hun onderhoud te voorzien indien zij zich wegens gevorderde leeftijd geen inkomen meer kunnen verwerven, spreekt de Raad uit dat het algemene morele besef met betrekking tot de naaste reeds vereist dat in de hierdoor ontstane nood wordt voorzien. Indien echter het ontbreken van een inkomen op de oude dag een algemeen maatschappelijk verschijnsel wordt, heeft de centrale overheid - zo de Raad - de plicht tot ingrijpen, niet alleen tot het wegnemen van de nood. Zij heeft evenzeer tot taak de maatregelen te treffen welke voorkomen dat een dergelijke situatie kan ontstaan.
     In aansluiting aan de historisch gegroeide ontwikkeling in ons land kan naar het oordeel van de Raad ook de wettelijke ouderdomsvoorziening het best in de vorm van een verplichte verzekering geschieden.
     De Raad geeft aan deze vorm de voorkeur, omdat daarin zowel het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid als dat
rblz.|21 l.k.| van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van allen die aan een gelijksoortig risico zijn onderworpen tot uitdrukking komt, zij het dat de plicht tot het bijdragen in de kosten en het verband tussen de rechten en het al of niet nakomen van de door de verzekering opgelegde plichten op verschillende manieren tot uitdrukking kunnen worden gebracht.
     Uit het bovenstaande volgt dat de Raad van mening is dat de overheid mag ingrijpen door het opleggen van een verzekeringsplicht welke de individuele vrijheid beperkt. Voor de meerderheid van de Raad is dit een rechtstreeks uitvloeisel van haar standpunt dat de zorg voor de oude dag primair berust op de belanghebbenden zelf, die de plicht hebben in het onderhoud van zichzelf en hun gezin te voorzien, ook voor de periode dat zij zich geen inkomen meer kunnen verwerven. Nu blijkens de ervaring deze verplichting door velen niet wordt nagekomen of niet kan worden nagekomen, heeft de overheid als behartigster van het algemeen belang naar het oordeel van de meerderheid het recht en de plicht de nodige maatregelen ter effectuering van deze plicht door belanghebbenden te treffen. De verplichte sociale verzekering, die immers mede berust op de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbenden, acht zij in de huidige omstandigheden de meest aangewezen vorm voor dit ingrijpen.
     Een aantal andere leden acht in een onbevredigende sociale situatie van een bevolkingsgroep reeds een voldoende grond gelegen voor overheidsmaatregelen tot het wegnemen daarvan. Dit op de verantwoordelijkheid van de gemeenschap voor het welzijn van zijn leden berustende ingrijpen kan, naar het oordeel van deze leden, verschillende vormen aannemen. Gegeven de historisch gegroeide verhoudingen geven ook deze leden de voorkeur aan een ouderdomsverzekering boven een andere vorm van ouderdomsvoorziening.
     Naar de mening van de Raad dient een verplichte ouderdomsverzekering voor alle ingezetenen, ongeacht hun nationaliteit en ongeacht de bron en de hoogte van hun inkomen, tot stand te komen.
     De verzekering zal aan ieder die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt een in beginsel gelijk bodempensioen moeten geven dat enige procenten boven het niveau van de uitkering krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening zal moeten liggen. Toepassing van een gemeenteclassificatie wordt niet op haar plaats geacht. Voor die loontrekkenden die niet krachtens de voor hen geldende arbeidsvoorwaarden rechten op een andere ouderdomsvoorziening naast het wettelijk bodempensioen kunnen doen gelden, zal het ouderdomsgedeelte van de Invaliditeitswet gehandhaafd dienen te blijven.
     De pensioenaanspraken zullen, naar de mening van de Raad, op een dergelijke wijze in de wet dienen te worden vastgelegd dat de reële waarde van de pensioenen geen andere wijzigingen ondergaat dan die welke overeenkomen met de wijzigingen in de algemene welvaart.
     De premie zal moeten bestaan uit een percentage van het inkomen en voor rekening van de verzekerde komen. Geen premie zal verschuldigd zijn over het inkomen boven ƒ6000.- dan wel boven het bedrag hetwelk bij een unificatie van de inkomensgrenzen voor de verschillende sociale verzekeringen zal worden vastgesteld. Voor de zelfstandigen wordt geadviseerd om, in verband met te verwachten moeilijkheden bij de inning der premie, bij een inkomen tot een zekere grens (bijvoorbeeld ƒ2000,- bij gehuwden) van premie-invordering af te zien en bij daarbij aansluitende inkomens tot aan een tweede grens (bijvoorbeeld ƒ3000,- bij gehuwden) een toenemend percentage der premie in te vorderen. Het niet-ingevorderde deel der premie zal voor rekening van de overheid dienen te worden genomen. In verband met de wijze van premievaststelling zullen degenen die zelf niet over inkomen beschikken van premiebetaling zijn vrijgesteld.
     Wat het financieringsstelsel betreft, spreekt de Raad zich uit voor het omslagstelsel, zowel op grond van algemene economische redenen als op grond van de overweging dat bij wisselende nominale pensioenaanspraken het kapitaaldekkingsstelsel geen doelmatige financieringsmethode is.
     De uitvoering van de verzekering zal centraal dienen te
rblz.|21 r.k.| geschieden door een onder toezicht van de Sociale Verzekeringsraad staand zelfstandig rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, met dien verstande dat de vaststelling en de inning van de premie niet door dit lichaam, doch door de belastingdienst zal dienen te geschieden. De apparatuur van de Rijksverzekeringsbank zou in het door de Raad gewenste uitvoeringsorgaan kunnen worden geïncorporeerd.

     Uit de bij het S.E.R.-advies overgelegde minderheidsnota, ondertekend door de professoren W.C.L. van der Grinten, M.J.H. Smeets en F.J.H.M. van der Ven, blijkt dat het belangrijkste verschil tussen meerderheid en minderheid in de S.E.R. is dat de laatste slechts een rechtsgrond aanwezig acht voor een verplichte verzekering van loonarbeiders en derhalve niet voor de niet-loontrekkenden. Ten aanzien van hun opvatting over de inhoud van het begrip "rechtsgrond" wordt in de nota verwezen naar de desbetreffende beschouwingen in het rapport "Sociale voorzieningen voor zelfstandigen", uitgegeven door het Centrum voor Staatkundige Vorming, hetwelk in de vorige paragraaf met de daarop geleverde critiek ter sprake is gekomen.
     Voor een optreden van de overheid ten aanzien van zelfstandigen bestaat naar het oordeel van de ondertekenaars van de minderheidsnota in beginsel slechts aanleiding voor zover het zelfstandigen betreft die niet in staat zijn zelf voor een ouderdomsvoorziening zorg te dragen. Evenals in vermeld rapport van het Centrum voor Staatkundige Vorming wordt ook hier voorgesteld bedoelde zelfstandigen te helpen door een regeling in de trant van de Noodwet Ouderdomsvoorziening.

 

1.7. Reacties op het advies van de Sociaal-Economische Raad


     Het ligt voor de hand dat een zo uitermate belangrijk rapport als dat van de S.E.R. over de toekomstige ouderdomsvoorziening allerwege in den lande de aandacht heeft gekregen die het verdient. Afgaande op de reacties die het heeft opgeroepen, kan geconstateerd worden dat het standpunt van de meerderheid van de Raad bij een zeer grote meerderheid van de politieke en maatschappelijke groeperingen van onze bevolking instemming heeft gevonden. De oude strijdvraag verzekering of staatspensioen is hierbij uiteraard niet onbesproken gebleven. Het standpunt van de minderheid van de Raad heeft vooral van rooms-katholieke zijde zowel instemming als bestrijding gevonden. De ondergetekenden mogen hier enkele reacties de revue laten passeren.
     De schrijver van de rubriek "Ten geleide" in "De Volkskrant" van 12 Maart 1954 zegt, na te hebben opgemerkt dat een sociale verzekering daar op haar plaats is waar men in verbondenheid leeft en zijn risico's in verbondenheid wil dragen, niet veel, of beter helemaal geen verschil te zien tussen loontrekkenden en zelfstandigen wat betreft het risico voor de oude dag. Ook wat de verplichting tot het opleggen van de verzekering aangaat, ziet de schrijver geen verschil tussen loontrekkenden en zelfstandigen. Inderdaad neemt de zelfstandige in het productieproces een wezenlijk andere positie in dan de loontrekkende. Dit zegt echter niets omtrent de sector der inkomensbesteding waar het hier om gaat. Hierin zijn de zelfstandigen even vrij als de arbeiders en hebben zij dezelfde verplichtingen. Hier is principieel geen verschil.
     De bezwaren van de Tilburgse hoogleraren lijken de schrijver dan ook niet van die aard dat de regeling die de S.E.R. aan de Minister adviseert ook maar ergens in tegenstelling zou zijn met de katholieke maatschappijbeginselen. In tegendeel, het betekent een belangrijke winst dat de verzekeringsgedachte en de solidariteitsgedachte, persoonlijke verantwoordelijkheid en onderlinge verbondenheid de basis uitmaken van wat hij hoopt dat zal zijn: de toekomstige zekerheid voor de ouden van dagen.

     Volgens "De Maasbode" van 11 Maart 1954 lijkt het standpunt van de meerderheid van de S.E.R. het enig mogelijke uitgangspunt voor een onmiddellijke en afdoende wettelijke regeling rblz.|22 l.k.| welke aanvaardbaar zal zijn - zij het hier en daar wel wat erg onder voorbehoud - voor de meerderheid van ons volk.
     In het nummer van 23 Maart 1954 van hetzelfde blad wordt evenwel gezegd dat het minderheidsvoorstel een nadere uitwerking zou verdienen, opdat zou kunnen blijken of de daartegen aangevoerde practische bezwaren wel steek houden. Mochten de bezwaren gering uitvallen, dan zou het blad er de voorkeur aan geven de zelfstandigheid van de zelfstandigen te respecteren en niet tal van mensen te dwingen tot iets waaraan zij geen behoefte hebben. Dit zou ook de consequentie zijn van het betoog van
"De Katholieke Werkgever", welk blad zich echter op grond van andere argumenten in beginsel aansluit bij het standpunt van de meerderheid van de S.E.R.

     Het door "De Maasbode" aangehaalde blad "De Katholieke Werkgever" schrijft in zijn nummer van 20 Maart 1954 dat het zich in zekere zin de in de minderheidsnota ontwikkelde argumentatie zeer wel kan indenken, doch op twee punten een andere mening huldigt. Enerzijds gelooft het blad dat het beroep op solidariteit dat aan de geprojecteerde sociale verzekering ten grondslag ligt zijn steunpunt vindt in het gemeenschapsbesef in de groep van allen die op volwaardige wijze aan het productieproces deelnemen en niet in een dergelijk besef in de groepen van loontrekkenden en zelfstandigen afzonderlijk. Anderzijds meent het dat de realiteit der onvoldoende eigen zorg, welke het verplichtingskarakter van een bodempensioen schraagt, eveneens bij de zelfstandigen wordt aangetroffen.
     Het blad sluit zich van harte aan bij de enkele leden van de S.E.R. die het standpunt dat geen vrijstelling van enige groep van de verzekeringsplicht moet worden gegeven, baseren op de overweging dat door het vrijstellen van individuen of groepen deze zich zonder meer zouden onttrekken aan het solidariteitselement, hetwelk in een stelsel van sociale verzekering aanwezig is, terwijl bovendien het vrijstellen van deze individuen of groepen op grote administratief-technische bezwaren kan sluiten.

     In A.R.-kring heeft het advies van de S.E.R.-meerderheid bestrijding gevonden door mr. W. Aantjes in "Anti-RevoIutionnaire Staatkunde" van October 1954. Deze schrijver baseert zijn standpunt grotendeels op uitlatingen die 40 tot 50 jaar geleden door Talma en Kuyper zijn gedaan. Hij ziet de sociale verzekering nog steeds in de volgens hem "klassieke" zin dat er een verband moet bestaan tussen de hoogte der uitkering en de te betalen premie, "hetgeen een wezenlijk kenmerk van elke verzekering is". Uit de totale premieopbrengst - aldus mr. Aantjes - wordt een bedrag uitgekeerd dat, behalve van andere factoren, ook afhankelijk is van de betaalde premie. De individuele uitkering staat in een bepaalde verhouding tot de individuele premie. Het is goed daarop te letten, nu in onze tijd een begrip verzekering wordt geïntroduceerd dat met het gebruikelijke begrip nauwelijks iets meer dan de naam gemeen heeft, doch (wat de ouderdomsverzekering betreft) materieel meer overeenkomst vertoont met wat wij gewoon zijn met de naam staatspensioen aan te duiden.
     In hetzelfde nummer van hetzelfde tijdschrift schrijft prof. dr. J.P. van Rooyen evenwel dat indien men als criterium stelt dat van een verzekering in de eigenlijke zin alleen dan sprake is indien de betrokkene de actuarieel te becijferen premie zelf betaalt, het door de S.E.R. geprojecteerde schema in genen dele als een ouderdomsverzekering kan worden beschouwd. Verlegt men daarentegen het zwaartepunt van de premiën naar de uitkeringen en stelt men dat het verlenen van pensioenaanspraken beslissend moet worden geacht, dan valt niet te ontkennen dat het plan van de S.E.R. een ouderdomsverzekering omvat.
     In het referaat getiteld
"De komende ouderdomsvoorziening", hetwelk de heer A.W. Biewenga Wzn. hield op de partijconferentie van de Anti-Revolutionnaire Partij op 13 en 14 October 1954, werd uiteraard ook aan dit vraagstuk aandacht geschonken. In zijn inleiding stelde de referent onder meer dat de Anti-Revolutionnaire Partij wil zijn een partij die staat midden in het leven van het volk, waarmee zij het contact rblz.|22 r.k.| niet wil en mag verliezen; een partij die ten volle wil rekening houden met de veranderingen die zich voltrokken in de periode die achter ons ligt en die thans bezig zijn zich te voltrekken. Uit de rest van het betoog blijkt dat de heer Biewenga de door de S.E.R. aanbevolen regeling als een "verzekering" kan aanvaarden, onder voorbehoud dat de kring der verzekerden dezelfde is als de kring der premieplichtigen. Hij heeft daarom in het algemeen bezwaar tegen het voorstel van de S.E.R. om degenen die geen inkomen genieten en dus geen premie kunnen betalen, in de verzekering op Ie nemen. Hij wil hierbij een zo ruim mogelijk standpunt innemen, maar de eenvoud van de voorgestelde voorziening, welke ook hij als één van de aantrekkelijke dingen ziet, wordt zijns inziens te ver doorgedreven.
     Het dagblad "Trouw" gaat nog een stapje verder en aanvaardt de door de S.E.R. aanbevolen regeling zonder enig voorbehoud als een verzekeringsstelsel. Het blad schrijft namelijk op 13 Maart 1954 in een beschouwing over het S.E.R.-advies
onder meer het volgende: "Het is dus een verzekering en het is geen staatspensioen, maar het is een verzekering waarbij het totaal der premiën betrekking heeft op het totaal der thans bestaande pensioenverplichtingen. De premie van een individu heeft niet meer betrekking op het pensioen van dat individu. De voordelen van het stelsel zijn duidelijk: er komt een bodempensioen voor iedereen. De Noodwet gaat verdwijnen. Het verzekeringsstelsel wordt gehandhaafd. Het volk als geheel verzekert het volk als geheel".

     In "De Volkskrant" van 12 Maart 1954 zegt voorts de schrijver van de rubriek "Ten geleide" onder meer dat de bezwaren, alsof de voorgestelde gang van zaken toch een verkapt systeem van collectivistische verzorging zou zijn, hem niet erg veel zeggen. "Er is daarvoor te bewust en te duidelijk naar het verzekeringssysteem gestreefd. Voor loontrekkenden wordt bijvoorbeeld de premie niet eens gedeeltelijk door de werkgever en de werknemer betaald, maar geheel door de werknemer; een formaliteit als men wil, maar toch wel een die iets zegt. Voor de jaren dat geen premie geïnd wordt, wordt het toekomstig ouderdomspensioen met twee percent verminderd. Voor hen, die geacht worden de premie niet te kunnen opbrengen, bij voorbeeld voor de zelfstandigen, die niet tot een jaarinkomen van ƒ2000,- komen, zal de slaat de premie moeten betalen. Deze factoren wijzen er wel op dat wij hier niet met een bestemmingsbelasting te maken hebben."

     In "De Verzekeringsbode" van 26 Maart 1954 schrijft prof. dr. M. van Haaften dat de manier waarop de begrippen verzekering en premie in het advies van de S.E.R. worden gehanteerd volkomen in overeenstemming is met de Wet op het Levensverzekeringsbedrijf 1922. Om in de trant van deze wet van verzekering te kunnen spreken, is het niet nodig, aldus prof. Van Haaften, "dat er verband bestaat tussen de hoogte van de uitkering, die een verzekerde ontvangt, en de premie, welke hij heeft betaald, zelfs niet dat hij zelf überhaupt enige premie heeft betaald".

     Volstrekt tegengesteld aan deze opvatting is wat prof. mr. P.J. Oud in "Elsevier" van 10 April 1954 schrijft, namelijk dat het "verzekeringsstelsel" van de S.E.R. uit verzekeringsoogpunt maar een wonderlijk geval is. Er wordt wel gestreefd naar evenwicht tussen het totaal der premiën en het totaal der uitkeringen, maar allerminst naar evenwicht tussen de individuele premie en de individuele uitkering. Draagt het stelsel van de S.E.R. in wezen veel meer het karakter van staatspensioen dan van verzekering, op één punt schijnt het anders, aldus prof. Oud. Wie een verschuldigde jaarpremie niet betaalt, zal daardoor zijn pensioen met 2% voor iedere niet-betaalde premie zien verminderd. Ook dit acht hij echter meer schijn dan wezen: bij een premie die zozeer het karakter van een belastingheffing draagt, is de vermindering van het pensioen in feite een straf op wanbetaling van verschuldigde belasting. Slechts voor hen die wegens verblijf in het buitenland tijdelijk geen premie hebben betaald en uit dien hoofde een verminderd rblz.|23 l.k.| pensioen zullen ontvangen, is het anders. De schrijver ziet dit inderdaad als een concessie in de richting van verzekering, doch hij meent dat dit, gezien het geringe aantal personen dat het hier betreft in verhouding tot de gehele bevolking, meer de uitzondering is die de regel bevestigt.

     In "Vrijheid en Democratie" van 20 Maart 1954 constateert de R. met voldoening dat het S.E.R.-advies in zijn hoofdlijnen beantwoord aan de opvattingen die in liberale kringen ten deze gelden. De wetgever die een regeling in deze geest tot stand brengt, verricht een weldaad jegens ons volk, aldus de schrijver.

     Uit de redevoering die hij op 20 Maart 1954 hield in een studieconferentie voor het C.N.V. [Christelijk Nationaal Vakverbond, red.] blijkt dat de heer C.J. van Mastrigt, hoewel hij het geheel overziende niet ontevreden is, een aantal bedenkingen tegen het S.E.R.-advies heeft.

     In een resolutie die op 8 April 1954 werd aangenomen door de Raad van Overleg voor sociaal-economische aangelegenheden van het Katholiek bureau voor maatschappelijk en cultureel overleg, bestaande uit de besturen van de Algemene Katholieke Werkgevers-Vereniging, de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, de Nederlandse Katholieke Middenstandsbond, de Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging, de St. Adalbertvereniging en de Katholieke Standsorganisatie voor de Werkende Middenstand, wordt grote voldoening uitgesproken over het tot stand komen en de strekking van het advies van de S.E.R. Daarbij werd, na onder meer te hebben overwogen dat de argumenten welke pleiten voor deze oudedagsvoorziening op basis van een systeem van sociale verzekering, in het algemeen gelijkelijk van kracht zijn ten aanzien van de groepen der Ioon- en salaristrekkenden en de zelfstandigen, als oordeel uitgesproken dat het advies de verzekeringsgedachte als grondslag heeft.

     Het N.V.V. wijdde op 10 April 1954 een buitengewoon congres aan de ouderdomsvoorziening. In de met algemene stemmen door dit congres aangenomen resolutie wordt onder meer warme instemming met het advies van de S.E.R. betuigd.
     In een artikel "Over de ouderdomsvoorziening" in "Socialisme en Democratie" van Mei 1954 schrijft ir. H. Vos, die als voorzitter van de door de S.E.R. ingestelde subcommissie een zeer werkzaam aandeel in de totstandkoming van het advies heeft gehad, dat zich als het ware vanzelf opdringt het maken van een vergelijking tussen de voornemens van de Regering zoals zij waren neergelegd in de aan de S.E.R. overgelegde "Nota inzake de toekomstige ouderdomsvoorziening" en het advies van de S.E.R., waarbij dan tevens betrokken kan worden het zogenaamde plan van de Raad van Vakcentralen. Zowel aan de opstelling van de regeringsnota als aan de opstelling van het "plan" en van het advies van de S.E.R. hebben leden van de Partij van de Arbeid die op politiek belangrijke plaatsen staan, medegewerkt. Dit betekent dat de verschillen tussen de onderscheiden voorstellen over het algemeen zullen liggen in het practische en niet in het principiële vlak. "Misschien doe ik beter met te zeggen", aldus ir. Vos, "dat de noodzaak om te komen tot een definitieve ouderdomsvoorziening telkens zo sterk is gevoeld dat men er steeds van is uitgegaan dat elke oplossing beter is dan geen oplossing. Aan de verschillende voorgestelde projecten hebben telkens ook anderen dan leden van de Partij van de Arbeid in belangrijke mate medegewerkt. Dat ten slotte het advies van de S.E.R. met zulk een grote meerderheid op de hoofdpunten is aanvaard, geeft meen ik ook aan dat voor vrijwel allen in den lande, die zich met het vraagstuk van de ouderdomsvoorziening bezighouden, dit zelfde heeft gegolden. Elke oplossing is beter dan geen oplossing."
     Als één van de redenen waardoor in de S.E.R. deze grote mate van eenstemmigheid is bereikt, voert de schrijver aan dat telkens de gegevens en de cijfers de grondslag vormden van de discussie en niet in de eerste plaats de theoretische opvattingen.

     rblz.|23 r.k.| In "Het Vrije Volk" van 15 Maart 1954 schrijft de heer J.J.A. Berger dat het de verdienste is geweest van het plan van de Raad van Vakcentralen, waarvan het advies van de S.E.R. naar zijn mening niet zo heel veel afwijkt, dat het heeft gepoogd aan de tegenstelling tussen verzekering en staatspensioen definitief een eind te maken.
     In "Socialisme en Democratie" van Juli 1954 laat mr. H.B.J. Waslander evenwel een geheel ander geluid horen. Hij beschouwt het als een verdienste dat de S.E.R. zich door grote zakelijkheid heeft laten leiden en daarbij vele knopen heeft doorgehakt. Toch meent hij dat juist op dit punt critiek gerechtvaardigd is: zakelijkheid op het technische vlak juicht hij toe, doch hij wil niet als "zakelijk" prijzen dat ook meer principiële knopen zijn doorgehakt.
     Zou de S.E.R. hebben toegegeven dat het aanbevolen stelsel geen verzekering is en ook geen staatspensioen, maar dat de terminologie van de verzekering was gekozen, dan zou schrijver eerder bereid en in staat zijn geweest te volgen dan nu de S.E.R. doet, alsof het duidelijk een verzekering is en alsof het plan vanuit sociaal-psychologisch standpunt de merites zou hebben van een sociale verzekering en niet veeleer de voor- en nadelen die tot dusver aan een premievrij staatspensioen verbonden worden geacht. Erkend wordt dat sommige beoefenaars van het arbeidsrecht, die het begrip sociale verzekering steeds meer zijn gaan uitbreiden, het de S.E.R. wel gemakkelijk hebben gemaakt.

     Ten slotte willen de ondergetekenden nog vermelden dat in het op 8 April 1954 door de Bond voor Staatspensionnering gehouden buitengewone congres na een inleiding van de heer C.J. van I.ienden met algemene stemmen een resolutie werd aangenomen waarin voldoening werd uitgesproken over de in het advies van de S.E.R. ontwikkelde voorstellen die naar verbetering van het lot der ouden van dagen zullen leiden en werd vastgesteld dat een eventuele wettelijke regeling op basis van dit advies op een aantal punten tegemoetkomt aan datgene wat gedurende tientallen jaren door deze Bond is gepropageerd, al is het ook geen staatspensioen.

 

2. De les der geschiedenis: een synthese


     Het in het vorige hoofdstuk vervatte historische overzicht hebben de ondergetekenden opzettelijk niet beperkt gehouden tot een opsomming van feitelijke gebeurtenissen. Veeleer is getracht ook de ontwikkeling in de denkbeelden ter zake van de ouderdomsvoorziening te schetsen. In ons geestelijk en politiek zo rijk geschakeerde land is het tot stand brengen van een voor een meerderheid aanvaardbaar compromis vaak noodzakelijk en in zich ook in het geheel niet verwerpelijk. Toch kleeft aan compromisoplossingen het nadeel dat zij vrijwel niemand geheel bevredigen, omdat zekere halfslachtigheid daarbij niet te vermijden is.
     Bij de definitieve oplossing van het probleem der oudedagsvoorziening behoeft nu eens niet met een compromis genoegen genomen te worden. De door de S.E.R. voorgestelde oplossing is, gelijk de eerste ondergetekende al eens in de Tweede Kamer mocht opmerken, instede van een niemand bevredigend compromis, een synthese die uit een jarenlange worsteling met de problematiek thans tevoorschijn komt.
     De ondergetekenden willen trachten in dit hoofdstuk hun opvatting ten aanzien van enkele grondslagen der ontworpen regeling nader te adstrueren. Deze grondslagen betreffen: de rechtsgrond, het stelsel (verzekering of verzorging, welke soort van verzekering), de kring der verzekerden (alleen arbeiders, ook zelfstandigen of allen) en de waardevastheid der uitkeringen. Het bleek niet goed mogelijk deze vraagstukken, die onderling zeer nauw verbonden zijn, hier geïsoleerd te behandelen.

     Aanvankelijk speelden, voor wat de rechtsgrond voor een verplichte wettelijke ouderdomsverzekering betreft, vooral twee overwegingen een rol. Gesteld werd dat uit het arbeidsloon ook de middelen verkregen moeten kunnen worden om te voorzien rblz.|24 l.k.| in de behoeften van de oude dag. Door invoering van een wettelijke verzekeringsplicht waarvoor de werkgever de premie heeft op te brengen, schept de overheid de gewenste situatie waarin de arbeider zijn "rechtvaardig loon" verkrijgt.
     De tweede overweging, welke met betrekking tot de rechtsgrond van den beginne af een rol gespeeld heeft, was dat de gemeenschap het recht en de plicht heeft om zich tegen armlastigheid van een groot deel der bejaarden te beschermen door verzekeringsplicht op te leggen. In het eerste hoofdstuk van deze memorie bleek dat men deze opvatting in latere jaren nog meer dan eens ontmoet.
     In Talma's opvattingen, die in de ouderdomsrente "uitgesteld loon" ziet, vindt men de gedachte aan bescherming van de gemeenschap terug, zij het in een andere vorm. Hij stelt dat de wijzigingen in de voortbrengingswijze (waarmee hij kennelijk de proletarisering bedoelt) de Staat noodzaken ervoor te zorgen dat deze door de Staat beschermde maatschappelijke verhoudingen niet tot gevolgen leiden die het rechtsbesef ondermijnen.
     Zeer merkwaardig is dat dr. Kuyper in beginsel eigenlijk geen rechtsgrond voor het opleggen van een verzekeringsplicht van staatswege ziet. Hij constateert eenvoudig dat bij de werklieden sedert jaren het verlangen naar zulk een regeling levendig was. Blijkbaar achtte hij dit een voldoende grond om een wetsontwerp ter zake in te dienen.
     De socialisten baseren in die dagen hun eis tot het treffen van wettelijke maatregelen ter voorziening in de nood der ouden van dagen (door middel van staatspensioen) op de meerwaardetheorie. De arbeider zou in zijn loon niet de volle waarde van zijn arbeid vergoed krijgen en derhalve aanspraak hebben op een ouderdomsuitkering, zonder dat daarvoor nog eens afzonderlijk premie betaald behoefde te worden.
     Het is duidelijk dat zowel de theorie omtrent het "rechtvaardig loon" als de meerwaardetheorie uitgaan van de gedachte dat de arbeider tekortgedaan is en dat in zijn oudedagsverzorging (of deze nu door een verplichte verzekering of door staatspensioen wordt tot stand gebracht) een compensatie daarvoor gegeven dient te worden.
     Nolens stak in 1911 zijn voorkeur voor een systeem van vrijwillige verzekering niet onder stoelen of banken en motiveerde zijn aanvaarding van een door de overheid opgelegde verplichting uitsluitend op practische overwegingen.
     De commissie-Engels (van het Centrum voor Staatkundige Vorming) poneert in 1951 de stelling dat er een op het natuurrecht gefundeerde verplichting is voor de mens om door arbeid te zorgen voor de oude dag van zich en de zijnen. De practijk leert dat velen dat niet kunnen of niet doen. Zij worden dan op hun oude dag armlastig en dit levert voor de Staat de rechtsgrond op om hen te dwingen tijdens hun actieve periode te sparen voor later. Hier verdiept men zich, om het zo uit te drukken, niet meer in de schuldvraag of de arbeider tekortgedaan is of niet. Men stelt slechts vast dat er een maatschappelijke nood bestaat en vindt daarin voldoende aanleiding voor dwingend ingrijpen van staatswege.
     Het Centraal Sociaal Werkgeversverbond komt tot een soortgelijke constructie als het in 1952 uitspreekt dat de Overheid de plicht heeft te bevorderen dat de leden der gemeenschap maatregelen treffen ter voorziening althans in de eerste levensbehoeften op de oude dag en van de nagelaten betrekkingen.
     Een nieuw element brengt de S.E.R. in de opvattingen over de rechtsgrond voor overheidsingrijpen ter zake van de oudedagsvoorziening door in zijn advies te betogen dat de centrale overheid de plicht heeft tot ingrijpen indien het ontbreken van inkomen op de oude dag een algemeen maatschappelijk verschijnsel wordt. In de hierdoor ontstane nood vereist het algemeen moreel besef ten opzichte van de naaste dat wordt ingegrepen. Niet alleen om de nood te lenigen, maar ook om deze in de toekomst te voorkomen.
     In R.K.-kringen is de opvatting omtrent het "rechtvaardig loon", dat voldoende zou moeten zijn om daaruit ook de zorg voor de oude dag te kunnen bekostigen, vervangen door de gedachte van de "rechtvaardige prijs", uit welke prijs allen, dus
rblz.|24 r.k.| ook de zelfstandigen die aan de totstandkoming van het product hebben meegewerkt, niet alleen hun dagelijks levensonderhoud, maar ook de zorg voor hun oude dag moeten kunnen bekostigen. De gedachtengang op zichzelf lijkt aanvaardbaar. In de concrete werkelijkheid valt echter nimmer uit te maken of een bepaald inkomen uit arbeid nu inderdaad voldoende is om daaruit de zorg voor de oude dag ook werkelijk te kunnen bekostigen. Zou men uitsluitend oordelen naar de stijging van de inkomens zoals deze in de laatste tientallen van jaren is tot stand gekomen, dan is men geneigd de vraag voor vrijwel alle inkomens bevestigend te beantwoorden. Houdt men er echter rekening mee dat techniek en wetenschap in dezelfde periode de behoeftebevredigingsmiddelen en daarmee de behoeften zelf verveelvoudigd hebben, dan aarzelt men. Of een bepaalde persoon in staat is iets of veel voor zijn oude dag uit zijn inkomen te reserveren, hangt niet in de eerste plaats af van de objectieve hoogte van zijn inkomen, maar van het gevoelde welvaartstekort en dat is een zeer subjectief gegeven, te subjectiever omdat de omstandigheden in de onderscheidene gezinshuishoudingen zo sterk uiteenlopen. Vaststellen of in een concreet geval sparen voor de oude dag achterwege gebleven is omdat "de rechtvaardige prijs" niet verkregen werd, dan wel uit zorgeloosheid of door andere omstandigheden, is derhalve niet mogelijk. Nog veel onmogelijker is het dit te constateren voor bepaalde maatschappelijke groeperingen in haar geheel.
     Het is dan ook niet verwonderlijk dat velen er de voorkeur aan geven zich niet langer te verdiepen in de vraag of de arbeider dan wel de zelfstandige, dan wel beiden, in hun loon respectievelijk inkomen tekortgedaan werden wanneer zij niet voor de oude dag hebben gezorgd. Men stelt eenvoudig het feit van de bestaande nood vast en leidt daaruit, gezien ook de solidariteit ten opzichte van de niet meer tot werken in staat zijnde naaste, de noodzaak voor de Staat af om in het algemeen belang in te grijpen en een wettelijke regeling te treffen.
     Deze rechtsgrond leidt niet automatisch - gelijk de rechtsgrond van het
"rechtvaardig loon" wel doet - tot de conclusie dat er een wettelijk geregelde verzekeringsplicht moet worden opgelegd. Ook de wel gebezigde rechtsgrond dat de samenleving zich tegen armlastigheid van een groot deel zijner bejaarde leden moet beschermen, kan evengoed tot een verzorgings- als tot een verzekeringsstelsel leiden.
     Wanneer de ondergetekenden dus concluderen dat, op welke motieven dan ook, de overgrote meerderheid van ons volk aanvaardt dat de overheid het recht en de plicht heeft om enigerlei vorm van oudedagsvoorziening tot stand te brengen (en de volksvertegenwoordiging maakte zich tot tolk van deze communis opinio door met algemene stemmen de Noodwet Ouderdomsvoorziening in 1947 te aanvaarden, ondanks bezwaren tegen sommige onderdelen van de regeling), dan is daarmee de vraag nog niet beantwoord volgens welk systeem deze oudedagsvoorziening moet worden tot stand gebracht.
     De voorvechters van staatspensioen, voor zover deze uit socialistische kring stamden, waren van mening dat de arbeiders die ten bate van de gehele gemeenschap gewerkt hadden slechts een deel van het hun toekomende loon ontvangen hadden, zodat zij niet op de werkgevers, maar op de gemeenschap in haar geheel een claim hadden om op hun oude dag zonder premiebetaling een uitkering voor levensonderhoud te ontvangen.
     De voorstanders van de verzekeringsgedachte hebben hun voorkeur voor de
"verzekering" aanvankelijk vooral sterk met negatieve argumenten verdedigd. Staatspensioen zou "bedeling" zijn. Staatspensioen zou geen "recht" op een uitkering geven en dus neerkomen op staatsarmenzorg. Voorts werden de hoge kosten verbonden aan staatspensioen als een bezwaar aangevoerd, alsook het feit dat men via staatspensioen wel in de zorg voor de oude dag kon voorzien, maar niet in de gevolgen van invaliditeit.
     Zoals hierboven werd weergegeven, impliceerde de rechtsgrond welke Talma, Aalberse en anderen zagen voor staatsingrijpen ten bate van de oude arbeider, een oplossing via wettelijk verplichte verzekering. De werkgever diende te worden verplicht een
"rechtvaardig loon" te betalen, dat in twee rblz.|25 l.k.| delen uiteenviel, een deel voor onmiddellijke consumptie en een deel dat via verzekering gereserveerd werd voor de oude dag. Hierop sluit logisch aan dat de premie voor de Invaliditeitswet geheel door de werkgever wordt betaald. Hieruit blijkt wel dat destijds het later zo vaak gehoorde argument ten gunste van verzekering, namelijk dat deze ertoe bijdraagt dat de verzekerde zich persoonlijk mededrager voelt van de verzekering waaraan hij zelf meebetaalt, slechts op de achtergrond meespeelde.
     Met het in onbruik raken van de meerwaardetheorie kreeg de voorkeur van de socialisten voor staatspensioen een meer practisch accent.
     De niet-socialistische voorstanders van staatspensioen, die men niet uitsluitend, maar wel in hoofdzaak in liberale en vrijzinnig-democratische kring vond, voerden het pleit voor staatspensioen óók vooral aan de hand van practische argumenten. Samenvattend kwamen deze argumenten ongeveer op het volgende neer. De onmogelijkheid om van deze groep regelmatig premie te innen en deze premie vast te stellen, sluit bij een verzekeringsstelsel de (kleine) zelfstandigen van de regeling uit. Ten onrechte naar veler mening.
     Aanvankelijk betoogden sommige voorstanders van een ouderdomsverzekering dat er voor het opnemen van zelfstandigen daarin geen rechtsgrond was. Andere voorstanders van de
"verzekering" zagen geen principieel bezwaar tegen opneming van de (kleine) zelfstandigen, doch zagen geen kans de practische moeilijkheden die zich daarbij voordeden op te lossen. Weer anderen verklaarden (nog) geen aanleiding te zien om in de vrijheid van de zelfstandigen in te grijpen, zo bijvoorbeeld Nolens. Maar de voorstanders van staatspensioen hebben hun voorkeur voor dat stelsel bijna altijd ook op de noodzaak om de kleine zelfstandigen daarin te betrekken, gebaseerd.
     In de latere jaren, en met name na 1945, wint de opvatting dat ook de kleine zelfstandigen onder een wettelijk geregelde verplichte ouderdomsvoorziening zouden moeten vallen steeds meer veld.
     Reeds vóór de Tweede Wereldoorlog had de Koninklijke Nederlandse Middenstandsbond zich in tegenstelling tot de beide confessionele middenstandsorganisaties voor een algemene ouderdomsregeling uitgesproken.
     Een commissie uit N.V.V. en S.D.A.P. verlangde in 1938 een algemene regeling van staatspensioen (dus niet alleen voor loontrekkenden), doch kwam tot de conclusie dat als aanvulling op dit staatspensioen verzekeringsregelingen nodig zouden zijn. Een nieuw element dus in de gedachtenwereld van de voorstanders van staatspensioen.
     Bij de behandeling in 1939 van de door prof. Romme verdedigde Kinderbijslagwet in de Tweede Kamer stelden én de Minister én een groot deel der Kamerleden zich op het standpunt dat de kleine zelfstandigen onder de kinderbijslag- en onder een aantal andere socialeverzekeringswetten behoren te vallen. Prof. Romme week slechts voor technisch-administratieve moeilijkheden.
     De commissie-Van Bruggen stelde zich (in 1942) op het standpunt dat de kleine zelfstandigen ook tot de economisch zwakke groepen behoren en dat zij derhalve onder een aantal socialeverzekeringswetten dienen te vallen. De commissie-Van Rhijn ging onder de invloed van in de oorlog ontstane denkbeelden inzake sociale zekerheid, nog een stap verder en betoogde dat de Staat aansprakelijk is voor de sociale zekerheid van een ieder die het redelijke doet om zich die sociale zekerheid zelf te verschaffen.
     Op het congres van de Vereniging van Raden van Arbeid in 1946 sprak een politiek gesproken zeer gemengd gezelschap zich uit voor een uitbreiding van de kring van sociaalverzekerden tot de kleine zelfstandigen.
     De wenselijkheid om de (kleine) zelfstandigen in een wettelijk geregelde ouderdomsverzekering op te nemen, werd in de jaren na de oorlog steeds minder in twijfel getrokken. In het parlement bestond daarover een communis opinio, hetgeen bleek toen in 1947 de Noodwet Ouderdomsvoorziening,
rblz.|25 r.k.| die ook de kleine zelfstandigen in de regeling opnam, met algemene stemmen werd aanvaard.
     Behalve de onmogelijkheid om kleine zelfstandigen te
"verzekeren", hadden de voorstanders van staatspensioen nog andere pijlen op hun boog tegen het verzekeringsstelsel. Zij voerden aan dat bij zuivere toepassing het nog enkele tientallen jaren zou moeten duren aleer een verzekeringsstelsel tot redelijke uitkeringen zou kunnen leiden. Weliswaar kan men daarin voorzien door een overgangsregeling, maar daarvoor moet uit de algemene middelen geput worden en aldus introduceert men elementen van staatspensioen in de verzekering. Het waren deze opmerkingen die in 1929 Minister Verschuur reeds deden zeggen dat de afstand tussen de voorstanders van verzekering en van staatspensioen niet zo groot was als hij wel leek.
     Een bezwaar dat ook aan een orthodox systeem van ouderdomsverzekering, dat een kapitaaldekkingsstelsel impliceert, inhaerent is, is de weerloosheid tegen geldsontwaarding. Dat dit vooral in de oorlogs- en naoorlogsjaren sterk ging spreken, ligt voor de hand. Het is in een orthodox verzekeringsstelsel niet mogelijk gebleken de renten aan stijgende welvaart aan te passen, zonder omvangrijke financiële offers van de overheid. Voorts levert ook de belegging van de enorme reserves die in een orthodox verzekeringsstelsel ter dekking van de aanspraken moeten worden gevormd de nodige bezwaren en moeilijkheden op.
     Ten slotte was gebleken dat de met speciale faciliteiten gesteunde mogelijkheid om zich vrijwillig te verzekeren voor een ouderdomsrente (V.O.V. [Vrijwillige Ouderdomsverzekering, red.]) maar matige resultaten had opgeleverd. Evenmin als de loontrekkende lukt het blijkbaar de kleine zelfstandige om duurzaam een deel van zijn inkomen voor de oude dag te bestemmen wanneer daartoe geen wettelijke verplichting bestaat.
     Het lijkt verwonderlijk dat onder invloed van al deze overwegingen na de bevrijding de beweging voor staatspensioen maar weinig aan invloed bleek te hebben gewonnen. Dit stelsel immers was, althans onder de vooroorlogse verhoudingen en bij de vooroorlogse opvattingen, het middel bij uitstek om alle genoemde desiderata en bezwaren tot een oplossing te brengen, ook al hadden vele voorstanders van staatspensioen vóór de oorlog al ingezien dat men er met staatspensioen alleen ook niet kwam.
     Dat nochtans een krachtige opbloei van de beweging voor staatspensioen is uitgebleven, kan wellicht verklaard worden uit de grotere nadruk welke kwam te liggen op de persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid. Een reactie misschien op de volstrekte negatie van dit besef in de autoritaire staten? Hoe dit zij, veler voorkeur ging en gaat uit naar een systeem van oudedagsvoorziening dat aan alle verzekerden het verband tussen de offers (de premiën) en de lusten (de renten) duidelijk voor ogen stelt. Bij staatspensioen is dit verband er voor de collectiviteit ook wel, maar het bestaat niet voor de zorgeloze en het is voor alle gewone stervelingen in elk geval tamelijk
"onzichtbaar".
     Hoe echter in een verzekeringssysteem de hiervoor gereleveerde zeer ernstige bezwaren te ondervangen? Hier kwam de wetenschap te hulp. Gelijk uit hoofdstuk 1 blijkt, lieten wetenschappelijke beoefenaren der sociale wetenschappen het standpunt los dat slechts dan van
"verzekering" gesproken zou mogen worden wanneer er een evenredigheid bestaat tussen de voor en/of door een verzekerde betaalde premiën en de aan deze verzekerde uit te keren rente. Een veel ruimere opvatting kwam in de plaats van het orthodoxe verzekeringsbegrip. Van sociale verzekering is volgens deze opvatting sprake indien een groep van personen uit inkomen of vermogen bijdraagt aan een fonds waaruit uitkeringen gedaan worden aan personen tot dezelfde groep behorende, ingeval bepaalde calamiteiten die de hele groep bedreigen werkelijkheid worden. In een dusdanig systeem wordt financiering door middel van een omslagstelsel mogelijk, hetgeen een aanpassing van de renten aan eventuele geldsontwaarding of stijgende dan wel dalende welvaart binnen het bereik der mogelijkheden brengt. Zulk een systeem maakt voorts rblz.|26 l.k.| de opstapeling van enorme kapitalen overbodig. Ook de wijze van premievaststelling en -inning werd niet langer als één van de criteria voor het bestaan van een verzekeringsstelsel gezien. Dientengevolge kon in deze conceptie ook bij een verzekeringssysteem het vraagstuk van de premievaststelling en -inning van kleine zelfstandigen tot een doeltreffende oplossing worden gebracht door het aan de belastingdienst op te dragen.
     Dat de nieuwe conceptie van het begrip sociale verzekering niet pour besoin de la cause in Nederland is uitgedacht, blijkt behalve uit de internationale litteratuur, ook uit de in hoofdstuk 1 geciteerde uitspraak van een commissie van het Internationaal Arbeidsbureau.
     En zie daar dan de synthese. Een verzekeringsstelsel dat zo is opgezet dat het vrijwel alle door de voorstanders van staatspensioen geopperde bezwaren tegen
"verzekering" kan ondervangen, zonder nochtans wezenlijk tekort te doen aan een duidelijk zichtbaar verband tussen offer en uitkering, sterker nog, dat allen volgens een beperkt draagkrachtbeginsel dwingt een offer te brengen.
     Tot dusver was bij de bespreking van de vraag of de ouderdomsverzekering buiten de kring van de loontrekkenden uitgebreid diende te worden steeds sprake van
"kleine" zelfstandigen. Heeft het inderdaad zin de opneming van zelfstandigen in een wettelijke verplichte ouderdomsverzekering te beperken tot "kleine" zelfstandigen? Zijn er zelfstandigen of andere niet-loontrekkenden van wie met voldoende zekerheid vaststaat dat zij te zijner tijd zelf voor hun levensonderhoud kunnen zorgen wanneer zij de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben? De grote calamiteiten welke de wereld getroffen hebben en wederom kunnen treffen - oorlogen, revoluties, natuurrampen, economische crises -, hebben ons te dien aanzien in ons oordeel heel wat voorzichtiger gemaakt dan men vroeger was. Maar ook de wisselvalligheden in het persoonlijk lot zijn zo groot dat vrijwel niemand zeker weet of hij niet te eniger tijd zoveel op zijn bezit moet interen of tot afkoop van eenmaal gesloten verzekeringen moet overgaan dat tegen alle verwachtingen in op 65-jarige leeftijd de ouderdomsrente een zeer welkome mogelijkheid is. Het bestaan van de "vergeten groepen" is een baken in zee. De ondergetekenden zijn dienovereenkomstig met de S.E.R. van mening - zij komen hierop in hoofdstuk 3 nog uitvoeriger terug - dat het niet juist zou zijn personen met hogere inkomens van de komende verplichte ouderdomsverzekering uit te sluiten.
     Uit het voorgaande blijkt dat uit de eertijds zo sterk divergerende meningen ten aanzien van rechtsgrond, vorm en inhoud der voorziening en kring van verzekerden een zodanige mate van overeenstemming is ontstaan dat het thans mogelijk geacht moet worden met instemming van de overgrote meerderheid der beide Kamers van de Staten-Generaal een systeem van wettelijke verplichte ouderdomsverzekering voor alle Nederlanders in te voeren.
     In stede van een bedreiging voor het besef van persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid zien de ondergetekenden in het thans voorgestelde verzekeringsstelsel veeleer juist een aan de huidige maatschappelijke verhoudingen aangepaste mogelijkheid om met deze persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid op het stuk van de oudedagsvoorziening ernst te maken.
     De rechtsgrond voor zulk een voorziening zouden de ondergetekenden aldus willen formuleren:
     In de huidige maatschappelijke verhoudingen kan de gedachte van de persoonlijke verantwoordelijkheid ook voor het materieel bestaan tijdens de oude dag slechts op vruchtbare wijze gerealiseerd worden door middel van een stelsel van verplichte algemene ouderdomsverzekering. Derhalve heeft de staat in het algemeen belang de plicht en het recht om zulk een verzekering tot stand te brengen.

 

3. Kring der verzekerden


     Uit de beschouwingen welke in het vorige hoofdstuk aan het vraagstuk van de rechtsgrond zijn gewijd, blijkt dat naar rblz.|26 r.k.| de mening van de ondergetekenden de nieuwe ouderdomsverzekering algemeen verplicht dient te worden gesteld. Volgt uit de rechtsgrond reeds dat de gehele bevolking, omvattende loonarbeiders, zelfstandigen en de overige niet-loontrekkenden, bij deze verzekering dient te worden betrokken, evenzeer leiden overwegingen van practische aard, zoals uit dit hoofdstuk nader zal blijken, tot het aanvaarden van een volksverzekering.
     Zoals in het vervolg van deze memorie nog nader zal worden toegelicht, zijn de ondergetekenden van oordeel dat er een verplichte ouderdomsverzekering dient tot stand te komen welke een bodempensioen waarborgt dat voor iedere pensioengerechtigde gelijk is. Het ligt daarom voor de hand dat één zelfde regeling wordt getroffen voor alle groepen van de bevolking. Dit laatste is ook om administratieve redenen gewenst. Zou immers voor verschillende groepen van de bevolking een afzonderlijke regeling worden getroffen, dan zouden voortdurend de overgangen van de ene naar de andere regeling moeten worden nagegaan. Velen zijn nu eens als loontrekkende, dan weer als zelfstandige werkzaam. Dat zulks uitgebreide administratieve beslommeringen met zich zou brengen, behoeft wel geen betoog.
     Zijn de ondergetekenden dan van oordeel dat er één regeling moet komen waarbij alle groepen van de bevolking zijn betrokken, nochtans zou men kunnen stellen dat de verplichte algemene verzekering zich niet behoeft uit te strekken tot personen die in goede doen verkeren, zoals zij wier inkomen boven een zekere grens uitkomt of die over een aanzienlijk vermogen beschikken. Hetzelfde zou men kunnen zeggen van personen voor wie reeds een behoorlijke oudedagsvoorziening geldt.
     Niettemin zijn de ondergetekenden, zoals in het vervolg van dit hoofdstuk nader zal worden uiteengezet, van oordeel dat de algemene ouderdomsverzekering zich ook tot deze categorieën van de bevolking dient uit te strekken.
     Voorts zullen in dit hoofdstuk de redenen worden aangegeven die het wenselijk maken ook de gehuwde vrouw in de verzekering te betrekken. Ten slotte zal ook nog aandacht worden geschonken aan de positie van de niet-ingezetenen die hier te lande werkzaam zijn.


a. Personen wier inkomen of vermogen boven een bepaalde grens uitgaat

     Het is in de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving - zulks in tegenstelling tot de meeste buitenlandse wetgevingen - een niet ongebruikelijke figuur dat personen wier inkomen of loon een bepaalde grens overschrijdt buiten de verzekering worden gehouden. Zo kennen onze invaliditeits- en ouderdomsverzekering, onze ziekengeld- en ziektekostenverzekering en onze werkloosheidsverzekering een loongrens van ƒ6000,-. Aan de uitsluiting van de hoger gesalarieerden ligt de gedachte ten grondslag dat de verplichte sociale verzekering beperkt dient te blijven tot de economisch zwakkeren, tot hen wier inkomen van dien aard is dat zij niet zelf de zich voordoende sociale risico's kunnen dragen, terwijl zij zonder wettelijke dwang er niet toe komen zich door verzekering tegen deze risico's te dekken. De hoger gesalarieerden, aldus is de gedachtengang, moet men niet tot verzekering verplichten, wijl deze hetzij over voldoende middelen beschikken om zelf tot het sluiten van een verzekering over te gaan, hetzij een zodanig inkomen genieten dat zij daaruit ook in kwade dagen in hun levensonderhoud kunnen voorzien.
     Naast verplichte sociale verzekeringen welke aan een loongrens gebonden zijn, kent onze wetgeving ook takken van verzekering welke een zodanige grens niet kennen. Gewezen moge worden op de ongevallenverzekering en de kinderbijslagverzekering. Het bij deze wetten toegepaste stelsel dient naar de mening van de ondergetekenden ook bij de nieuwe ouderdomsverzekering te worden gevolgd. Voor het niet binden van de nieuwe ouderdomsverzekering aan een loon- of inkomensgrens pleiten naar hun mening verschillende redenen.
     Het genieten van een hoog inkomen in de actieve periode is op zichzelf geen waarborg dat men ook voldoende bestaansmiddelen zal hebben wanneer men te zijner tijd de arbeid zal
rblz.|27 l.k.| hebben neergelegd. Van tevoren kan nimmer met zekerheid worden gezegd dat men bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd geen behoefte aan ouderdomspensioen zal hebben. Het is dan ook redelijk dat personen die tijdens hun actieve periode in goede doen verkeren verplicht worden deel te nemen in een ouderdomsverzekering, opdat ook zij gedekt zijn wanneer in latere jaren blijkt dat de vroegere voorspoed van voorbijgaande aard is geweest. Terecht zou er aanstoot aan kunnen worden genomen dat degenen die op grond van hun inkomen van de verzekering zouden zijn vrijgesteld en die op 65-jarige leeftijd niettemin in behoeftige omstandigheden komen te verkeren, van kerkelijke of van particuliere zijde dan wel van overheidswege zouden moeten worden onderhouden; en zulks alleen omdat van hen niet de offers voor de ouderdomsverzekering zijn gevraagd, welke wel door hun minder goed gesitueerde medeburgers moesten worden gebracht.
     Naast dit argument pleiten nog verschillende andere redenen ervoor om ook personen met een hoger inkomen niet van de verplichte ouderdomsverzekering uit te sluiten.
     Zo brengt het beginsel der solidariteit mede dat men niet op grond van zijn groter inkomen wordt vrijgesteld van verplichtingen welke de wettelijke ouderdomsverzekering voor het overige deel der bevolking met zich brengt.
     Verzekerden voor wie de verhouding premie-uitkering ongunstig ligt, worden van de beoogde verzekering niet uitgesloten. Doch door anderzijds de gunstige risico's,
namelijk de personen uit de hogere inkomensgroepen, niet buiten de verzekering te houden, wordt de te betalen premie binnen redelijke grenzen gehouden. De inschakeling van deze gunstige risico's is noodzakelijk om een afdoende verzekering voor de economisch zwakkeren feitelijk mogelijk te maken.
     Men zou voorts kunnen stellen dat degenen wier inkomen een bepaalde maximumgrens overschrijdt voldoende gelegenheid hebben om eigen voorzieningen voor de oude dag te treffen. Op dit punt sluiten de ondergetekenden zich gaarne aan bij de S.E.R. wanneer deze zegt dat geenszins vaststaat dat degenen die op grond van de hoogte van hun inkomen zelf voor hun oude dag kunnen zorgen, dit in feite ook doen, terwijl controle daarop bezwaarlijk is uit te oefenen en een omvangrijke apparatuur zou vergen. Blijkt achteraf dat de betrokkenen nalatig zijn geweest, dan zullen zij toch aangewezen zijn op ondersteuning door de gemeenschap.
     Nog afgezien hiervan zullen eventuele eigen voorzieningen, zoals de S.E.R. terecht opmerkt, slechts aanspraken kunnen geven op nominale geldsbedragen waarvan de toekomstige reële waarde onzeker is. Met de S.E.R. achten de ondergetekenden het daarom gewenst dat ook de hogere inkomenstrekkers in het genot van een gewaarborgde reële aanspraak worden gesteld. Daartoe is het echter nodig dat zij in de wettelijke verzekering worden opgenomen, aangezien slechts deze een dusdanige waarborg kan bieden.
     Voorts dient men te bedenken dat het niet vaak zal voorkomen dat iemands inkomen gedurende de gehele actieve periode van zijn leven boven de gestelde grens zal uitgaan. De S.E.R. wijst erop dat in het bijzonder onder de hogere inkomenstrekkers zich een relatief groot aantal zelfstandigen bevindt wier inkomen sterk kan fluctueren. Deze personen zouden, wanneer een inkomensgrens zou worden gesteld, nu eens wel en dan weer niet onder de verzekering vallen. Het is zeer twijfelachtig of juist deze personen in de
"zeven vette jaren" wel eigen pensioenvoorzieningen zullen treffen.
     Gesteld echter dat een inkomensgrens zou worden gesteld, dan zou er alle aanleiding bestaan deze zeker niet lager te stellen dan
ƒ6000,- per jaar, welk bedrag thans reeds geldt als loongrens voor de Werkloosheidswet, de Invaliditeitswet, de Ziektewet en het Ziekenfondsenbesluit. Indien een maximumgrens van ƒ6000,- per jaar zou worden gesteld, dan zou dit betekenen dat een betrekkelijk kleine categorie van de verzekering zou zijn vrijgesteld. Dit zou tevens betekenen dat de administratie der verzekering terwille van deze kleine rblz.|27 r.k.| categorie bijzonder zou worden bemoeilijkt. Immers, er zou niet slechts een eenmalig onderscheid moeten worden gemaakt tussen verzekeringsplichtigen en niet-verzekeringsplichtigen, doch in verband met de vele mogelijke wisselingen van het inkomen zou voortdurend individueel per verzekerde moeten worden nagegaan of hij nog - c.q. wederom - aan de voorwaarden voor verzekeringsplicht voldoet. Dit zou zeer veel administratieve rompslomp met zich brengen, waarvan de kosten niet mogen worden onderschat.
     Ten slotte zij erop gewezen dat het stelsel van de zogenaamde beperkte registratie, hetwelk de grondslag vormt voor de administratieve opzet van de voorgenomen voorziening -
zie hoofdstuk 9 -, slechts geëffectueerd kan worden wanneer de gehele bevolking onder de voorziening valt.
     Op al de vorenuiteengezette gronden zijn de ondergetekenden tot de overtuiging gekomen dat in de nieuwe ouderdomsverzekering geen inkomensgrens dient te worden gesteld. Het spreekt van zelf dat zij er zich over verheugen dat hun opvatting ten deze aansluit bij de zienswijze van de S.E.R.
     Hetgeen hierboven is opgemerkt ten aanzien van personen wier inkomen boven een te stellen maximumgrens uitgaat, geldt mutatis mutandis evenzeer ten aanzien van degenen die over een aanzienlijk vermogen beschikken en daaruit inkomsten genieten. Hun vermogen toch is bij voortduring onderworpen aan verschillende economische risico's welke ertoe kunnen leiden dat het niet meer toereikend is om in het levensonderhoud van de gerechtigde te voorzien. Doet deze eventualiteit zich voor, zo betoogt de S.E.R., dan zal het veelal niet meer mogelijk zijn door deelneming aan het arbeidsproces zulk een inkomen te verwerven dat men hieruit in zijn levensonderhoud kan voorzien en tevens een voldoende oudedagsvoorziening kan opbouwen.
     Ten slotte mogen ook hier niet worden voorbijgezien de administratieve bezwaren verbonden aan het eventueel uitsluiten van een betrekkelijk kleine groep van personen. Met de S.E.R. zijn de ondergetekenden dan ook van oordeel dat de nieuwe ouderdomsverzekering zich ook tot deze groep van inkomenstrekkers dient uit te strekken.


h. Personen voor wie reeds een voorziening voor de oude dag is getroffen

     Indien er geen aanleiding bestaat personen boven een bepaalde inkomensgrens van de verzekering vrij te stellen, dan kan niettemin de vraag worden gesteld of aan personen voor wie reeds een behoorlijke ouderdomsvoorziening geldt, deze faciliteit moet worden verleend. Ook voor diegenen voor wie, in welke vorm dan ook, reeds een behoorlijke ouderdomsvoorziening geldt, dient naar de mening van de ondergetekenden geen vrijstelling van de algemene ouderdomsvoorziening te worden verleend. Immers - en hierbij sluiten de ondergetekenden zich weer geheel aan bij de S.E.R. - zijn de zeer vele overgangen van de ene onderneming naar de andere enerzijds en het afwisselend bekleden van functies in particuliere dienst en in overheidsdienst anderzijds, er de oorzaak van dat zeer velen slechts aanspraak kunnen doen gelden op een pensioen dat door het geringe aantal dienstjaren laag blijft. Daarenboven is het een bezwaar - hierop werd reeds eerder gewezen - dat de bijzondere voorzieningen slechts aanspraken kunnen geven op nominale geldsbedragen.
     Een ander zwaarwegend argument om degenen die onder een bijzondere regeling vallen niet buiten de algemene ouderdomsverzekering te houden, bestaat voorts hierin dat het verlenen van deze vrijstelling de administratie van de te treffen algemene voorziening enorm zou verzwaren. De gevallen waarin uitzonderingen zouden moeten worden toegestaan, zouden zeer talrijk zijn. Een ingewikkelde administratie zou nodig zijn in verband met de vele mutaties. Uit administratief oogpunt moet het dan ook onvermijdelijk worden geacht dat bijvoorbeeld voor de ambtenaren geen uitzondering op de algemene regel wordt gemaakt. Hoewel het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds hun in het algemeen een behoorlijk ouderdomspensioen garandeert,
rblz.|28 l.k.| dienen ook voor de ambtenaren de in het onderhavige ontwerp neergelegde voorzieningen te gelden. Hetzelfde geldt voor de militairen, het spoorwegpersoneel, de mijnwerkers en eventuele andere soortgelijke groepen.
     Het is duidelijk dat de administratieve bezwaren, welke ertoe nopen om bijvoorbeeld de ambtenaren onder de algemene regeling te doen vallen, in versterkte mate gelden voor individuele voorzieningen welke eventueel door zelfstandigen zijn getroffen. Er zou een leger van ambtenaren in het leven moeten worden geroepen om controle op deze individuele voorzieningen uit te oefenen en om na te gaan of deze voorzieningen inderdaad nog actief worden onderhouden.
     Ten slotte zij wellicht ten overvloede nog opgemerkt dat het stelsel der beperkte registratie hetwelk aan de administratieve opzet van de algemene regeling ten grondslag ligt - zie hoofdstuk 9 -, staat of valt met het al dan niet achterwege laten van uitzonderingen op de verzekering.


c. Positie gehuwde vrouw

     Zoals boven uiteengezet, strekt de voorgestelde regeling zich uit tot de gehele bevolking. De bevolking werd hierboven onderverdeeld in drie categorieën: de loontrekkenden, de zelfstandigen en de overige niet-loontrekkenden.
     Een gehuwde vrouw die als loontrekkende of zelfstandige aan het arbeidsproces deelneemt, valt uiteraard als zodanig onder de verzekering. Dient dit echter ook, zo zou men zich kunnen afvragen, te gelden voor de gehuwde vrouw die niet aan het productieproces deelneemt, doch in haar eigen huishouding werkzaam is?
     De ondergetekenden hebben zich afgevraagd of er redenen zouden kunnen zijn om de in haar eigen huishouding werkzame gehuwde vrouw van de verzekering uit te sluiten. Zij zien deze evenwel niet. Integendeel, er zijn verschillende overwegingen op grond waarvan de gehuwde, in haar eigen huishouding werkzame vrouw wél onder de verzekering dient te vallen. Het is van belang dat ook de gehuwde vrouw zelfstandig een pensioen opbouwt voor de oude dag. Is zij bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd nog gehuwd, dan heeft zij bijgedragen - hierop wordt in hoofdstuk 4 nader teruggekomen - aan de opbouw van het pensioen van haar echtgenoot, hetwelk voor hen beiden bestemd is. Is een gehuwde vrouw op haar oude dag weduwe of gescheiden vrouw geworden, dan kan zij, doordat zij zelf een pensioen heeft opgebouwd, zelfstandig op een ouderdomspensioen aanspraak maken.
     In het kader van een algemene voor de gehele bevolking geldende ouderdomsverzekering zou het weinig passen een gehuwde, in haar eigen huishouding werkzame vrouw van de verzekering uit te sluiten. Zeer vele gehuwde vrouwen zijn vóór haar huwelijk als loontrekkende in de verzekering opgenomen geweest. Sommigen blijven ook tijdens haar huwelijk korter of langer tijd in het bedrijfsleven of elders werkzaam en dus verzekeringsplichtig. Daarnaast zoeken vele gehuwde vrouwen wanneer zij eventueel vroegtijdig weduwe worden, opnieuw een werkkring. Voorts zijn tal van gescheiden vrouwen genoopt opnieuw in het arbeidsproces te treden om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Hieruit volgt dat vele der in haar eigen huishouding werkzame gehuwde vrouwen hetzij vóór, hetzij tijdens, hetzij na haar huwelijk onder de verzekering vallen. In het belang van de continuïteit der verzekering is het noodzakelijk deze ook gedurende de tijd dat de gehuwde vrouw in haar eigen huishouding werkzaam is, te doen doorlopen. Zou dit niet geschieden, dan zou zulk een vrouw slechts op een gereduceerd pensioen aanspraak kunnen maken.
     Voorts geldt ook ten aanzien van de gehuwde vrouwen dat, wanneer deze niet in de verzekering zouden worden betrokken, het stelsel der beperkte registratie bezwaarlijk uitvoerbaar zou zijn.
     Concluderende kan dus worden gesteld dat de gehuwde vrouw, ongeacht of zij al of niet aan het productieproces deelneemt, in de verzekering dient te worden en te blijven opgenomen.
    
rblz.|28 r.k.| Dat de positie van de gehuwde vrouw bijzondere voorzieningen eist ten aanzien van het recht op ouderdomspensioen alsmede ten aanzien van de premiebetaling zal in hoofdstuk 4, onderscheidenlijk in hoofdstuk 5, van deze memorie nader worden uiteengezet.


d. Niet-ingezetenen

     De opzet van de regeling brengt mede dat in beginsel ieder die hier te lande woont verzekerd zal dienen te zijn. Voorts zullen ook degenen die niet hier te lande hun woonplaats hebben, doch die hier te lande als werknemer werkzaam zijn, onder de verzekering dienen te vallen. Met name wordt hier gedacht aan de grensarbeiders. Internationaal wordt immers algemeen als gedragslijn aanvaard dat een werknemer zijn pensioen opbouwt in het land waar hij werkt. Het opnemen in de verzekering van alle hier te lande werkzame werknemers is bovendien wenselijk ter vermijding van ongelijke concurrentieverhoudingen welke zouden ontstaan indien niet-ingezetenen van de verzekering en derhalve van de daaraan verbonden premiebetaling zouden worden vrijgesteld.
     Uiteraard doen zich hier een aantal speciale kwesties voor in verband met cumulatie met buitenlandse regelingen welke eventueel van toepassing kunnen zijn bij tijdelijk verblijf hier te lande, grensarbeid, enz. Verschillende punten zullen bij de onderscheidene verdragen moeten worden geregeld. Bij de toelichting op de afzonderlijke artikelen zal hierop nader worden teruggekomen.
     Het komt de ondergetekenden vooralsnog niet gewenst voor buiten Nederland wonende personen die hier te lande als zelfstandige werkzaam zijn, in de verzekering te betrekken. Anders dan ten aanzien van de werknemers is er aangaande de zelfstandigen geen internationaal aanvaarde regel die hiertoe zou nopen. Voorts is het aantal als zelfstandige hier te lande werkzame niet-ingezetenen gering.

 

4. Het ouderdomspensioen


4.1. Pensioengerechtigde leeftijd


Algemene regel: 65 jaar

     De vraag op welke leeftijd de pensioengerechtigdheid een aanvang dient te nemen, is de laatste jaren druk besproken. Hierbij is in het bijzonder in geding de vraag of het gewenst is tot verhoging van de tot dusver in het algemeen geldende pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar over te gaan. Er wordt daarbij dan gewezen op de stijging van de gemiddelde levensduur van de 65-jarigen. Aan deze omstandigheid kan echter alleen dan een argument tot verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd worden ontleend indien mét de verhoging van de gemiddelde levensduur ook een verhoging van het prestatievermogen van 65-jarigen en ouderen gepaard zou gaan. Dit is echter nog niet gebleken. In publicatie nr. 2 van de Staatscommissie voor de Pensioenwetgeving, welke handelt over de pensioengerechtigde leeftijd, is er daarentegen op gewezen dat noch in het feit dat de medische wetenschap vooruitgang heeft geboekt, noch in de verbeterde hygiënische omstandigheden een aanleiding kan worden gevonden tot de verwachting dat de prestatiecurve zich in opwaartse richting heeft verschoven.
     Voorts heeft men wel gesteld dat de toeneming van het aantal bejaarden om financiële redenen een argument zou kunnen leveren voor de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Daartegenover moet echter weer worden overwogen of de wenselijkheid om de werkgelegenheid voor de jongeren op peil te houden de handhaving van de thans algemeen gangbare leeftijdsgrens niet meer aanbeveling doet verdienen.
     De Invaliditeitswet, de Noodwet Ouderdomsvoorziening en het overgrote deel van de pensioenvoorzieningen in de private sfeer verlenen het recht op pensioen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Zou nu het bodempensioen ingevolge de algemene ouderdomsverzekering op latere leeftijd ingaan, dan zou
rblz.|29 l.k.| de aansluiting van vorengenoemde pensioenvoorzieningen op de algemene ouderdomsverzekering verloren gaan. Dat dit tot allerlei moeilijkheden en verwikkelingen zou leiden, is duidelijk.
     De ondergetekenden menen dan ook dat het aangewezen is met betrekking tot de pensioengerechtigde leeftijd het advies van de S.E.R. te volgen, die de 65-jarige leeftijd als de pensioengerechtigde leeftijd heeft voorgesteld. In overeenstemming met dit advies wordt in het ontwerp de pensioengerechtigde leeftijd dan ook gesteld op de tot nog toe algemeen aanvaarde leeftijd van 65 jaar. Zou in de toekomst van een stijging van de prestatiecurve blijken of om andere redenen een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd mogelijk, wenselijk of onvermijdelijk worden, dan zal dit vraagstuk voor deze ouderdomsverzekering, voor de publieke en voor de particuliere pensioenvoorzieningen gesynchroniseerd moeten worden. Wetswijziging zal dan nodig zijn.


Verhoogd uitgesteld pensioen

     De vraag kan worden gesteld of het wenselijk zou zijn in het kader van de voorgestelde ouderdomsverzekering de mogelijkheid te openen om, geheel op basis van vrijwilligheid, voor degenen die zulks wensen het ouderdomspensioen op een later tijdstip dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd te doen ingaan en daarbij de verschuiving van de datum van pensionnering te compenseren door een verhoging van het ouderdomspensioen. Zulk een stelsel van verhoogd uitgesteld pensioen heeft ongetwijfeld aantrekkelijke aspecten. Het stellen van de pensioengerechtigde leeftijd op 65 jaar, zonder enige mogelijkheid om daarvan af te wijken, zal het psychologische effect hebben dat algemeen het werk wordt gestaakt bij het bereiken van deze leeftijd. Toch zou het in de huidige omstandigheden zijn voordelen hebben als na het bereiken van de 65-jarige leeftijd door hen die daartoe in staat zijn, werd doorgewerkt.
     Hoewel, zoals reeds eerder is opgemerkt, uit de toename van de gemiddelde levensduur boven de 65 jaar niet kan worden afgeleid dat ook het prestatievermogen van 65-jarigen en ouderen is toegenomen, kan toch niet worden ontkend dat verscheidene 65-jarigen zich nog dermate vitaal gevoelen dat zij gaarne hun arbeid nog enige tijd zouden blijven voortzetten. Zinvolle arbeid is voor hen van groot belang te achten. Verwacht mag worden dat van het openen van de mogelijkheid tot verkrijging van een verhoogd uitgesteld pensioen enige stimulerende werking zal uitgaan om niet automatisch bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd de arbeid neer te leggen. Voorts zullen degenen die van deze mogelijkheid gebruikmaken minder gevaar opleveren dat zij na hun 65ste jaar "goedkope arbeidskrachten" worden dan degenen die, terwijl zij al pensioen genieten, blijven doorwerken.
     Zoals in het vervolg van deze memorie nader zal worden toegelicht, zal de wettelijke voorziening een beperkt karakter dragen. Voor degenen die naast hun wettelijk pensioen geen andere pensioenvoorziening hebben, kan er veel aan gelegen zijn om, door deelname aan het stelsel van verhoogd uitgesteld pensioen, het wettelijk pensioenbedrag enigermate te verhogen. Ditzelfde geldt voor hen die niet gedurende hun gehele actieve periode verzekerd zijn geweest of die gedurende hun actieve periode nalatig zijn gebleven verschuldigde premie te betalen. Zoals verderop blijkt, zullen deze personen niet voor het maximumbodempensioen in aanmerking kunnen komen en zal hun in verband daarmede een verhoging van het pensioen veelal niet onwelkom zijn.

     Ook de S.E.R. heeft in zijn advies aan de Regering (zie blz. 48-49) het stelsel van verhoogd uitgesteld pensioen bezien.
     De S.E.R. ontraadt voorshands de invoering van het stelsel van verhoogd uitgesteld pensioen en wel op de volgende gronden.
     In de eerste plaats acht de Raad het een bezwaar dat dit stelsel elementen van het kapitaaldekkingsstelsel invoert, omdat de niet-opgenomen pensioenbedragen zouden dienen te worden gereserveerd en belegd om inderdaad later een hogere rente mogelijk te maken. Het wil de ondergetekenden voorkomen
rblz.|29 r.k.| dat het niet noodzakelijk is de niet-opgenomen pensioenbedragen te reserveren en te beleggen om later een hogere rente mogelijk te maken. Men kan zich voorstellen dat de op hogere leeftijd ingaande pensioenen volgens een bepaalde schaal worden vastgesteld, maar, evenals de normale pensioenen, volgens het omslagstelsel worden gefinancierd. De introductie van het kapitaaldekkingsstelsel is hiervoor niet noodzakelijk. Maar ook al zou het kapitaaldekkingsstelsel moeten worden geïntroduceerd, dan zouden de ondergetekenden dit toch niet als een onoverkomelijk bezwaar zien tegen het instituut van verhoogd uitgesteld pensioen.
     Vervolgens is de S.E.R. van oordeel dat aan het zelf kunnen kiezen van de ene of de andere wijze van pensionnering te grote financiële risico's zijn verbonden. De Raad heeft hierbij naar alle waarschijnlijkheid gedacht aan de mogelijkheid dat bejaarden die zich nog vitaal voelen wél en bejaarden die zich minder vitaal voelen niet uitstel van pensionnering zullen vragen. De ondergetekenden geloven niet dat de hieruit voortvloeiende risico's van betekenende omvang zouden zijn.
     Vervolgens betoogt de S.E.R. dat er voor degenen die door het niet opnemen van een ouderdomspensioen hun inkomenspositie in latere jaren wensen te verbeteren, andere wegen openstaan om dit te bereiken, met name ook de weg van de particuliere verzekering. Deze stelling is op zichzelf juist. De vraag is maar of velen ertoe komen van de bestaande wegen gebruik te maken. De ondergetekenden menen dit voorshands - althans in het algemeen - in twijfel te moeten trekken.
     De argumenten op grond waarvan de S.E.R. de invoering van een stelsel van verhoogd uitgesteld pensioen voorshands meent te moeten ontraden, achten de ondergetekenden niet van doorslaggevende betekenis. Ware het uitgesloten te achten dat te eniger tijd in ons land weer werkloosheid van betekenende omvang zou ontstaan, dan zouden zij in dit wetsvoorstel ongetwijfeld de mogelijkheid om op basis van vrijwilligheid een (verhoogd) uitgesteld pensioen aan te vragen, hebben vastgelegd. Nu die zekerheid niet bestaat, menen zij niet verder te moeten gaan dan bij algemene maatregel van bestuur de mogelijkheid te openen dat aan pensioengerechtigde personen die op eigen verzoek gedurende enige tijd hun pensioen niet opnemen, op een later tijdstip een hoger pensioen kan worden toegekend. De betreffende algemene maatregel van bestuur zal - zo nodig en gewenst - in tijden waarin de vraag naar arbeidskrachten aanmerkelijk ten achter blijft bij het aanbod, weer kunnen worden ingetrokken. Indien tot een zodanige intrekking wordt overgegaan, zullen uiteraard verkregen rechten moeten worden geëerbiedigd.


Voorstel S.E.R. inzake pensioengerechtigde leeftijd van weduwen

     De S.E.R. acht het nog gewenst (blz. 45), in afwachting van de herziening der wettelijke regeling van de weduwenverzekering, in navolging van het bepaalde in artikel 81a juncto artikel 81c van de Invaliditeitswet, in geval van overlijden van een gehuwde boven-65-jarige man die in het genot was van ouderdomspensioen, zijn weduwe het recht op ouderdomspensioen naar de maatstaf voor een ongehuwde te doen behouden indien zij op het tijdstip van overlijden 60 jaar of ouder is, dan wel dit recht te doen verkrijgen zodra zij de 60-jarige leeftijd heeft bereikt.
     De ondergetekenden hebben het voorstel van de S.E.R. op dit punt niet overgenomen. In bedoeld voorstel ligt namelijk een grote onbillijkheid opgesloten. Het valt immers niet in te zien waarom de weduwe van 60 jaar wier man op 65-jarige of oudere leeftijd overlijdt wél en die wier man op 64-jarige leeftijd overlijdt niet in het genot zou moeten worden gesteld van een ouderdomspensioen. In het bijzonder evenwel, nu aan de S.E.R. advies is gevraagd over de wijze waarop in de toekomst in de verzekering van een weduwenpensioen dient te worden voorzien, terwijl voorts de Regering zich beraadt over het treffen van een noodvoorziening in afwachting van de definitieve regeling der weduwenverzekering, menen de ondergetekenden op één en ander niet vooruit te
rblz.|30 l.k.| moeten lopen door in het wetsontwerp op de ouderdomsverzekering een incidentele regeling liggende op het terrein van de weduwenverzekering op te nemen.

 

4.2. Hoogte ouderdomspensioen


Uniform bodempensioen

     De S.E.R. is eenstemmig van oordeel dat de ouderdomsverzekering een beperkt karakter zal moeten dragen.
     Een aantal leden acht deze beperking een noodzakelijk uitvloeisel van de historische ontwikkeling van de ouderdomsvoorziening, in het bijzonder ook in de privaatrechtelijke sfeer (particuliere voorzieningen, ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen) en van de sociaal-economische situatie in ons land. Zij stellen zich niet op het standpunt dat de ouderdomsverzekering niet verder mag strekken dan het voorkomen van behoeftigheid op de oude dag. In beginsel mag de wettelijke regeling naar hun oordeel verder gaan en mag daarin, naast dit behoefteelement, ook het prestatie-element tot uiting worden gebracht, waardoor het pensioen mede verband houdt met de in de actieve periode geleverde bijdrage tot het nationale inkomen. Zijn echter collectief of individueel oudedagsvoorzieningen getroffen welke in deze richting tenderen, dan dient naar het oordeel van deze leden van de Raad deze eigen zorg zoveel mogelijk te worden ontzien.
     Naar het oordeel van deze leden kan de eigen zorg, gelet op de omvang welke zij reeds heeft bereikt en de te verwachten ontwikkeling daarvan, bij de bepaling van de hoogte van de prestaties der ouderdomsverzekering niet worden verwaarloosd. Hoewel zij een algemene wettelijke ouderdomsverzekering niet overbodig maakt, heeft zij een dergelijke omvang bereikt dat op grond hiervan voor een beperking van de uitkeringen dezer verzekering aanleiding is.
     De omvang welke deze beperking dient aan te nemen, wordt volgens deze leden mede bepaald door de financiële en andere economische gevolgen van de ouderdomsverzekering, gelet op de economische situatie waarin ons land verkeert.
     Voor een aantal andere leden van de Raad vloeit de algemeen aanvaarde beperkte strekking van de ouderdomsverzekering voort uit hun standpunt dat met het opleggen van een verplichte verzekering niet verder dient te worden gegaan dan wordt vereist door het daarmede te bereiken doel, namelijk dat de bejaarden door verkregen rechten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Dit doel is naar hun mening bereikt indien een pensioen in uitzicht wordt gesteld dat voorziet in een levensonderhoud dat bij de huidige verhoudingen in ons land minimaal sociaal wenselijk moet worden geacht. Ook deze leden achten het wenselijk dat het inkomen op de oude dag verband houdt met het in de actieve periode verdiende inkomen. Zij zijn echter van oordeel dat in het hierin tot uiting komende prestatie-element door individuele of collectieve eigen zorg moet worden voorzien en dat de wettelijke regeling zich dient te beperken tot het voorkomen van behoeftigheid op de oude dag. Zij kan naar hun oordeel ook niet verder reiken, omdat de middelen daarvoor moeilijk kunnen worden opgebracht.
     De S.E.R. is op grond van het vorenstaande tot de eenstemmige conclusie gekomen dat voorshands een algemene uniforme uitkering als bodempensioen dient te worden verstrekt.
     Omtrent de wijze waarop in de toekomst de door de Raad noodzakelijk geachte, met het arbeidsverleden samenhangende differentiëring in het inkomen op de oude dag moet worden verwezenlijkt, bestond in de Raad geen eenstemmigheid. De Raad heeft zich hierover dan ook niet uitgesproken.

     De door de ondergetekenden in hoofdstuk 2 aangegeven rechtsgrond voor de invoering van de voorgestelde voorziening brengt mede dat de wet de mogelijkheid moet scheppen dat een ieder op zijn oude dag is gevrijwaard tegen gebrek. Dit behoeft niet in te houden dat de wettelijke voorziening pensioenen toekent welke op zichzelf reeds een minimumlevensonderhoud waarborgen. De ondergetekenden zijn ervan uitgegaan dat de nieuwe regeling enerzijds rekening dient te houden met rblz.|30 r.k.| het bestaan van pensioenvoorzieningen in de privaatrechtelijke sfeer, terwijl zij anderzijds niet remmend, doch zo mogelijk eer stimulerend dient te werken op het tot stand komen en in stand blijven van zodanige voorzieningen. Zij menen dat slechts bij een regeling welke aan deze voorwaarden voldoet de mogelijkheid wordt geschapen dat men ook op het punt van de oudedagsvoorziening zich zijn persoonlijke verantwoordelijkheid bewust blijft of zal worden.
     Op grond van deze overweging menen ook de ondergetekenden dat de nieuwe wettelijke regeling slechts een bodemvoorziening dient te geven. Gezien het vorengaande zal deze voorziening slechts uniforme uitkeringen moeten verstrekken. Wanneer men er immers van uitgaat dat de wettelijke regeling het treffen van voorzieningen in de privaatrechtelijke sfeer mogelijk moet maken en zelfs stimuleren, ligt het niet voor de hand bij deze regeling zelf reeds verband te leggen tussen het inkomen tijdens de actieve periode en dat op de oude dag.
     Het naast elkaar functionneren van de onderhavige voorziening enerzijds en van privaatrechtelijke voorzieningen anderzijds heeft ook nog een financieel-economisch aspect, doordat de voorgestelde regeling uitgaat van een financiering van de verzekering volgens het omslagstelsel, terwijl de privaatrechtelijke voorzieningen voor het merendeel op het kapitaaldekkingsstelsel zijn gebaseerd (zie hoofdstuk 6).


Gemeenteclassificatie; inkomensaftrek

     Volgt uit het vorenstaande dat met een uniform pensioenbedrag moet worden volstaan, thans rijst de vraag op welk bedrag het pensioen dan dient te worden gesteld. Alvorens echter tot de beantwoording van deze vraag over te gaan, dient eerst te worden gesteld dat het naar de mening van de ondergetekenden niet in een verzekeringsstelsel zou passen om het bedrag van het bodempensioen afhankelijk te stellen van de gemeente waarin de pensioengerechtigde woont en dat om dezelfde reden eventueel eigen inkomen uit anderen hoofde niet tot vermindering mag leiden van het bodempensioen.
     Omtrent de aftrek van eigen inkomsten heeft bovendien het Parlement zich verschillende malen duidelijk uitgesproken bij de totstandkoming en de verschillende wijzigingen van de Noodwet Ouderdomsvoorziening. De nadelige invloed daarvan op de spaarzin en op het tot stand komen van bedrijfs- en andere pensioenfondsen is daarbij herhaaldelijk ter sprake gekomen. Moest deze aftrek ondanks de daaraan verbonden bezwaren bij de Noodwet echter wel worden aanvaard, in de voorgestelde regeling kan hij achterwege blijven en dit is één van de in het oog vallende verbeteringen welke de nieuwe ouderdomsverzekering mede zal brengen.


Nadere precisering van het bedrag van het ouderdomspensioen

     De S.E.R. is unaniem van oordeel dat de beperking van het ouderdomspensioen, als in het begin van deze paragraaf geschetst, niet zover mag gaan dat de uitkeringen krachtens de nieuwe wettelijke ouderdomsverzekering voor grote groepen bejaarden lager zouden worden dan de huidige krachtens wettelijke voorzieningen verkregen uitkeringen. Dit geldt met name voor die Ioontrekkenden die niet alleen een uitkering ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening genieten, maar tevens een ouderdomsrente krachtens de Invaliditeitswet.
     Verwezenlijking van het zojuist gestelde desideratum vereiste echter op het ogenblik dat de S.E.R. zijn advies uitbracht een totaal inkomen van de gewezen Ioontrekkenden in de orde van grootte van ƒ1500,- à ƒ1600,- per jaar voor gehuwden (thans, in verband met de verhoging van de uitkeringen ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening, ƒ1575,- à ƒ1675,-).
     De S.E.R. meende dat op dat ogenblik het pensioen niet op deze hoogte kon worden gesteld. De Raad wees hierbij allereerst op de onaanvaardbare economische repercussies. Pensioenbedragen in de orde van de zojuist vermelde grootte zouden een te grote verhoging medebrengen van de nominale lonen in verband met de gewenst geachte compensatie van de premiën en daarmede van de arbeidskosten van de ondernemingen.
rblz.|31 l.k.| Slechts een gedeelte van deze kosten zou kunnen worden gecompenseerd door lastenverlaging, te weten door afschaffing van de vereveningsheffing.
     Vervolgens wees de S.E.R. op de inkomensherverdeling van structurele aard welke als gevolg van de verouderende bevolking geleidelijk grotere consequenties zal hebben.
     Ten slotte vestigde de S.E.R. er nog de aandacht op dat de verwezenlijking van andere sociale doelstellingen, alsmede van doelstellingen van economische en culturele aard, niet bij voorbaat twijfelachtig mag worden gemaakt.
     Op grond van bovenstaande overwegingen is de S.E.R. van mening dat voorlopig moet worden uitgegaan van een bodempensioen dat enige procenten - gedacht wordt aan 5% - ligt boven het niveau van de op het tijdstip van invoering der verzekering van kracht zijnde norm van de Noodwet Ouderdomsvoorziening geldende voor een eerste gemeenteklasse. Het hogere niveau acht de Raad wenselijk om al degenen
- en dus niet alleen degenen die woonachtig zijn in een tweede-, derde-, vierde- of vijfdeklasgemeente - die vóór de invoering van de onderhavige voorziening uitsluitend of bijna uitsluitend op een uitkering ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening waren aangewezen, een verbetering in hun financiële positie te geven.

     Ook de ondergetekenden zijn van mening dat de nieuwe wettelijke regeling niet tot gevolg mag hebben dat belangrijke groepen van personen ingevolge wettelijke voorzieningen aanspraak hebben op een lager bedrag dan vóór de invoering van deze regeling. Zij zijn het echter eveneens met de S.E.R. eens dat op de door hem aangevoerde gronden het gehuwdenpensioen niet kan worden gesteld op ƒ1575,- à ƒ1675,- (dit zijn de door de S.E.R. genoemde bedragen van ƒ1500,- à ƒ1600,-, aangepast aan de verhoging van de uitkeringen ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening). Zij kunnen het voorstel van de S.E.R. om het bedrag van het ouderdomspensioen te stellen op het met 5% verhoogde bedrag ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening geldende voor een eersteklasgemeente geheel delen. Na de laatste verhoging ingaande 1 October 1954 bedraagt de maximumuitkering ingevolge de Noodwet in een eersteklasgemeente ƒ1272,-. Door verhoging van dit bedrag met 5% wordt - na afronding - het voor de definitieve ouderdomsverzekering voorgestelde pensioenbedrag van ƒ1338,- voor gehuwden verkregen.


Basispensioen; gehuwdenpensioen

     Bijgaand ontwerp gaat niet - zoals het advies van de S.E.R. - uit van het gehuwdenpensioen, maar van een algemeen basispensioen. Voor dit basispensioen komen hoofdzakelijk in aanmerking de ongehuwden.
     De onderhavige voorziening beoogt, zoals in het begin van deze paragraaf nader is aangegeven, slechts een bodem te leggen voor de oudedagsvoorziening. Aan een dergelijke voorziening zal in het algemeen bij een echtpaar behoefte bestaan wanneer de man 65 jaar is. Daarom kent het ontwerp enerzijds geen ouderdomspensioen toe wanneer alleen de vrouw de 65-jarige leeftijd heeft bereikt en wordt anderzijds wel ouderdomspensioen toegekend, ook al is de vrouw nog geen 65 jaar. Voorts zijn de ondergetekenden met de S.E.R. van oordeel dat de kosten van levensonderhoud van een echtpaar geringer zijn dan die van twee ongehuwden. In verband daarmede dient het aan een gezin toekomend ouderdomspensioen lager te worden gesteld dan het dubbele van het basispensioen.
     Daarom kent het ontwerp naast een basispensioen (voor ongehuwden) een pensioen voor gehuwde mannen. Dit pensioen, dat bestemd is voor het onderhoud van een echtpaar, bestaat uit twee, in beginsel gelijke, delen, te weten een deel afkomstig van de verzekering van de gehuwde man en een deel afkomstig van de verzekering van de gehuwde vrouw.
     Het vorenstaande houdt dus in dat de gehuwde vrouw geen zelfstandig recht heeft op ouderdomspensioen. Het ontwerp machtigt echter het uitvoeringsorgaan de helft van het ouderdomspensioen waarop de man recht heeft aan de gehuwde vrouw uit te keren.
    
rblz.|31 r.k.| De beantwoording van de vraag in welke verhouding het pensioen van de gehuwden en dat van de ongehuwden tot elkaar dienen te staan, is nogal moeilijk, wegens gebrek aan beschikbare gegevens omtrent de verhouding van de kosten van levensonderhoud van gehuwde en die van ongehuwde bejaarden. Dit weegt des te zwaarder omdat het vraagstuk van de kosten van levensonderhoud van de bejaarden toch reeds in het algemeen zo ingewikkeld is in verband met de geheel verschillende omstandigheden waarin zij verkeren, doordat een deel van hen een eigen huishouding voortzet, anderen inwonend zijn bij familie en nog weer anderen in een bejaardentehuis of in een inrichting worden verpleegd.
     Intussen staat echter wel vast dat de kosten van levensonderhoud voor een bejaard echtpaar aanzienlijk blijven beneden het tweevoud der kosten van een ongehuwde bejaarde. De ondergetekenden menen daarom in navolging van de S.E.R. de verhouding van het bedrag van het pensioen voor gehuwde mannen tot dat voor ongehuwden te moeten stellen op 100:60. Uitgaande van het boven besproken gehuwdenpensioen van ƒ1338,- bedraagt derhalve het basispensioen 60% daarvan, te weten ƒ804,-.
     Het gehuwdenpensioen staat, zoals uit het voorgaande blijkt, gelijk met 10/6 van het basispensioen. Dit heeft tot gevolg dat het aandeel dat ieder van de beide echtgenoten in het gehuwdenpensioen heeft in beginsel 5/6 bedraagt van het basispensioen.


Voorlopige handhaving van de ouderdomsverzekering in de Invaliditeitswet

     De ondergetekenden ontveinzen zich intussen niet dat met een pensioen als voorgesteld zonder meer nog niet is voldaan aan de zowel door de S.E.R. als door de ondergetekenden noodzakelijk geachte voorwaarde dat de nieuwe wettelijke voorziening niet tot gevolg mag hebben dat een grote groep van personen in wettelijke aanspraken achteruitgaat. De S.E.R. wijst er dan ook in zijn advies reeds op dat niet met het voren besproken bodempensioen kan worden volstaan. Immers zou dan voor een grote groep loontrekkenden geleidelijk een verslechtering van de wettelijke oudedagsvoorziening intreden indien de thans door velen van hen naast de ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening genoten uitkering de ouderdomsrente krachtens de Invaliditeitswet geleidelijk zou verminderen en ten slotte geheel zou wegvallen. Dit zou het geval zijn indien na de invoering van de nieuwe ouderdomsverzekering de Invaliditeitswet, voor wat betreft het ouderdomsgedeelte, werd ingetrokken, waardoor daaraan geen nieuwe rechten zouden kunnen worden ontleend. De onmogelijkheid het algemene bodempensioen op een zodanig bedrag te stellen dat voor deze groep geen verslechtering van de wettelijke oudedagsvoorziening ontstaat, noodzaakt er naar het oordeel van de Raad toe ten behoeve van deze groep een aanvullende voorziening te treffen. Niet alleen op grond van historisch gegroeide verhoudingen acht de Raad dit billijk. De rechtvaardiging voor deze differentiatie is gelegen in de omstandigheid dat de loontrekkenden wier inkomen beneden een bepaalde grens ligt geen andere voorzieningen kunnen opbouwen, zodat zij tijdens hun oude dag uitsluitend op de wettelijke ouderdomsvoorziening zijn aangewezen. De overige groepen van de bevolking daarentegen zullen als regel tijdens hun oude dag over enig inkomen uit anderen hoofde kunnen beschikken. Hieruit vloeit voort dat de aanvullende voorziening voor de loontrekkenden beneden een bepaalde inkomensgrens een subsidiair karakter dient te dragen. Zij is slechts op haar plaats voor de loontrekkenden die niet krachtens de voor hen geldende arbeidsvoorwaarden op andere wijze rechten op een aanvullende ouderdomsvoorziening kunnen doen gelden.
     Het aanvullend karakter der te treffen voorziening kan, naar de mening van de S.E.R., tot uiting worden gebracht door van de werkingssfeer van de Invaliditeitswet voor wat het ouderdomsgedeelte betreft desgewenst uit te zonderen de loontrekkenden die deelnemen in een ondernemings- of bedrijfspensioenfonds waarvan de prestaties ten minste gelijkwaardig zijn aan de ouderdomsrenten ingevolge de Invaliditeitswet.

     rblz.|32 l.k.| Een opbouw van het inkomen van de bejaarden die als loontrekkende werkzaam zijn geweest uit bodempensioen en uit pensioen volgens de herziene Invaliditeitswet of uit bodempensioen en uit bedrijfspensioen, eventueel ondernemingspensioen, zal naar het oordeel van de Raad een verplicht stellen van het deelnemen aan bedrijfspensioenfondsen voor alle bedrijfstakken - zoals door de Raad van Vakcentralen in zijn bekende plan was voorgesteld -, althans voorlopig, overbodig maken. De verdere ontwikkeling van het instituut der bedrijfspensioenfondsen kan dan volgens de Raad in het op vrijwillige basis te voeren overleg tussen de organisaties van ondernemers en van werknemers geschieden. Voor elk der bedrijfstakken afzonderlijk kan dan mede worden beslist of het gewenst is de zelfstandigen aan het bedrijfspensioenfonds deel te doen nemen. In een aantal gevallen kan dit wenselijk zijn in verband met het hierboven aangegeven verschil in de uit de wettelijke ouderdomsverzekering voortvloeiende rechten van loontrekkenden en zelfstandigen.

     De ondergetekenden willen gaarne de suggestie van de S.E.R. overnemen en, althans voorshands, het ouderdomsgedeelte van de Invaliditeitswet handhaven. Zij zijn echter van oordeel dat het vrijwel onmogelijk zou zijn om de gedachte van de S.E.R. over te nemen een zodanige verruiming aan de in de artikelen 39 en 40 van die wet geopende ontheffingsmogelijkheid te geven dat voor alle werknemers die vallen onder een ondernemingspensioenfonds of een bedrijfspensioenfonds dat aan bepaalde voorwaarden voldoet, van deze ontheffingsmogelijkheid gebruik zou kunnen worden gemaakt.
     Van de bezwaren welke aan het volgen van het S.E.R.-advies tot verruiming van de in de artikelen 39 en 40 der Invaliditeitswet neergelegde ontheffingsmogelijkheid verbonden zijn, moge hier een korte uiteenzetting worden gegeven.
     De verzekering ingevolge de Invaliditeitswet omvat niet alleen een ouderdomsverzekering, doch tevens een invaliditeits-, weduwen- en wezenverzekering. Het is kennelijk de bedoeling van de S.E.R., en het ligt ook voor de hand, om de wegens deelname aan een bedrijfs- of ondernemingspensioenfonds te verlenen ontheffing alleen de in de Invaliditeitswet geregelde ouderdomsverzekering te doen betreffen. Voor de betreffende verzekerden zou dus de invaliditeits-, weduwen- en wezenverzekering gehandhaafd moeten blijven. Dit wil zeggen dat voor de onderhavige verzekerden ook de rentekaart gehandhaafd blijft, doch dat het te plakken zegel, dat dan slechts dient tot financiering van de gehandhaafde invaliditeits-, weduwen- en wezenverzekering, in waarde kan worden verlaagd.
     Dit brengt mede dat de toch reeds omvangrijke administratie van de verzekering ingevolge de Invaliditeitswet nog aanmerkelijk omvangrijker wordt. Er zal afzonderlijke boeking moeten plaatsvinden van volwaardige en van in waarde gereduceerde zegels, terwijl in de thans reeds ingewikkelde renteberekeningen nog nieuwe factoren zullen moeten worden verwerkt. De uitvoeringsorganen zullen voorts moeten controleren of er terecht zegels van lagere waarde zijn geplakt, hetgeen vooral ten aanzien van werknemers die vaak van werkgever veranderen een omvangrijk onderzoek zal vergen. Dit onderzoek zal niet alleen de administratie van de uitvoeringsorganen belasten, doch eveneens die van de werkgevers. Wanneer een werknemer aan wie ontheffing is verleend de dienst van zijn werkgever verlaat, zonder dat hij recht op uitgesteld bedrijfs- of ondernemingspensioen heeft verworven, zal voor deze werknemer over het tijdvak van de verleende ontheffing, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 41 der Invaliditeitswet, wiskundige reserve moeten worden gevorderd. Aangezien artikel 8, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet het recht op uitgesteld pensioen pas na vijf jaren van deelname aan een pensioenfonds verzekert, zal veelvuldig wiskundige reserve gevorderd moeten worden. In het bijzonder ten aanzien van werknemers die veelvuldig van werkgever veranderen, rijzen hier grote moeilijkheden, wederom niet alleen voor de uitvoeringsorganen, maar ook voor de werkgevers. Wordt hierbij in aanmerking genomen dat uit financieel oogpunt de
rblz.|32 r.k.| verlaging van lasten welke voor de werkgever uit een aan een werknemer verleende vrijstelling voortvloeit slechts gering zou kunnen zijn - aan te nemen is dat de waarde van het rentezegel bij vrijstelling maximaal tot op de helft van de huidige waarde kan worden gereduceerd, zodat de verlaging ten hoogste 30 cent per week bedraagt -, dan achten de ondergetekenden het niet verantwoord, in het zicht van een algehele herziening der Invaliditeitswet, thans tot een administratief zeer moeilijk uitvoerbare incidentele wijziging van genoemde wet over te gaan.
     Zoals bekend is, heeft de S.E.R. thans in onderzoek op welke wijze in de in de Invaliditeitswet geregelde invaliditeitsverzekering, alsook in de in die wet geregelde weduwen- en wezenverzekering in de toekomst definitief zal dienen te worden voorzien. Pas wanneer het advies van de S.E.R. omtrent de definitieve regeling van genoemde verzekeringen bekend is, zal een verantwoorde beslissing mogelijk zijn omtrent de vraag wat er met de Invaliditeitswet dient te gebeuren. De ondergetekenden zijn van mening dat pas dan ook het tijdstip is aangebroken waarop omtrent het al dan niet, geheel of gedeeltelijk, handhaven van het ouderdomsgedeelte van de Invaliditeitswet kan worden beslist. Tot bedoeld tijdstip menen zij, vooral ook teneinde een grote administratieve warwinkel te voorkomen, de Invaliditeitswet ongewijzigd te moeten handhaven.

     De vraag rijst intussen of bij voorlopige onverkorte handhaving van de Invaliditeitswet nu niet de verdere ontwikkeling van ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen zal worden geremd.
     De ondergetekenden verwachten dit niet.
     In de eerste plaats betreft het hier slechts een geringe last voor de werkgevers. Immers slechts de helft van de ingevolge de Invaliditeitswet verschuldigde premie kan geacht worden bestemd te zijn om de kosten van de in die wet geregelde ouderdomsverzekering te dekken.
     Maar daarnaast bestaat voor de bijzondere pensioenregelingen steeds de mogelijkheid - een mogelijkheid waarvan ook in het verleden veelvuldig gebruik is gemaakt - om op de verstrekkingen ingevolge de bijzondere pensioenregelingen ouderdomsrenten ingevolge de Invaliditeitswet geheel of ten dele in mindering te brengen.
     Ten slotte mag niet uit het oog worden verloren dat de voorgestelde voorziening in het geheel geen aftrek van eigen inkomsten kent. Dit zal uiteraard niet zonder invloed blijven op de ontwikkeling van de bijzondere pensioenregelingen. Intussen verdient het nog wel de aandacht dat zelfs onder de vigeur van de Noodwet Ouderdomsvoorziening, welke wel een regeling van inkomensaftrek bevat, het instituut van de bijzondere pensioenvoorzieningen aanzienlijke ontwikkeling heeft gevonden.


Aanvullende voorzieningen voor zelfstandigen

     Degenen die geen rechten aan de Invaliditeitswet kunnen ontlenen, gaan door de voorgestelde wettelijke voorziening op de oude dag niet in inkomsten achteruit. Voor zover het wettelijke voorzieningen betreft, kunnen zij thans alleen maar aanspraak maken op uitkeringen ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening. Evenwel zal uiteraard ook voor hen het voorgestelde pensioen geen voldoende bestaanszekerheid waarborgen en zullen dus aanvullende voorzieningen nodig zijn. De ondergetekenden zijn van mening dat hier ruimte is voor het treffen van voorzieningen in de particuliere sfeer. De positie van de zelfstandigen, ook op de oude dag, is veelal een geheel andere dan die der (gewezen) loontrekkenden. Vaak blijft er nog een band bestaan met de zaak of met het bedrijf waaraan zij waren verbonden of beschikken zij over een vermogentje ontstaan door verkoop van de zaak of van het bedrijf. Voorts zullen vele zelfstandigen eerder in staat zijn tot het treffen van eigen voorzieningen dan de loontrekkenden. Weliswaar is gebleken dat zij in het verleden daartoe niet in voldoende mate zijn gekomen, maar het is niet onwaarschijnlijk dat de invoering van de wettelijke ouderdomsverzekering een stimulans zal rblz.|33 l.k.| betekenen voor het treffen van aanvullende particuliere voorzieningen. Dit laatste geldt niet slechts de zelfstandigen, maar evenzeer de loontrekkenden.
     De verwachting dat een wettelijke bodemvoorziening het treffen van aanvullende particuliere voorzieningen zal stimuleren, wordt door leidinggevende personen van de levensverzekeringsmaatschappijen gedeeld en berust mede op de in Amerika opgedane ervaringen.


Cumulatie algemene ouderdomsverzekering en andere oudedagsvoorzieningen

     In het vorenstaande zijn de maatregelen besproken welke dienen te worden getroffen om te voorkomen dat grote groepen van verzekerden - met name loontrekkenden - door de invoering van de onderhavige voorziening niet in inkomen achteruit zullen gaan.
     De vraag dient echter ook onder het oog gezien te worden of invoering van deze voorziening geen ongewenste cumulatie van uitkeringen ingevolge de voorgestelde regeling en pensioenen uit anderen hoofde tot gevolg heeft. Voor vele werknemers zijn al bijzondere pensioenregelingen van toepassing welke bij volledige diensttijd pensioenen tot 70 of 80% van het loon garanderen. Wanneer daar nu nog het bodempensioen bovenop zou komen, kunnen ongewenste situaties ontstaan, doordat bijvoorbeeld het totale inkomen op de oude dag het inkomen tijdens de actieve periode overtreft.
     In hoofdstuk 3 van deze memorie is reeds uiteengezet dat ook personen voor wie een bijzondere voorziening geldt onder de voorgestelde bodemvoorziening dienen te vallen. De oplossing zal daarom moeten worden gezocht in het kader van de bijzondere pensioenregelingen. Deze materie wordt in hoofdstuk 10, dat handelt over de door de S.E.R. voorgestelde vijfjarige overgangsperiode en over de aanpassing van de bijzondere pensioenvoorzieningen aan de in bijgaand ontwerp voorgestelde algemene voorziening, nader aan de orde gesteld.


Kortingen op het bodempensioen

     In navolging van de S.E.R. behelst bijgaand ontwerp een stelsel van proportionele premie (zie toelichting paragraaf 5.2) bij een uniforme uitkering. Samenhang tussen het recht op uitkering en de premiebetaling wordt verkregen door de hoogte van de uitkeringen afhankelijk te stellen van het aantal jaren dat de belanghebbende verzekerd is geweest en van het aantal verschuldigde premiën dat is betaald. Nu zal uiteraard slechts bij verzekerden van premieplichtigheid sprake kunnen zijn. Aangezien slechts 15-tot-65-jarigen verzekerd zijn, bedraagt de maximumduur van de premieplichtigheid 50 jaar. In verband daarmede wordt in het ontwerp voorgesteld op het pensioen van degenen die voor het basispensioen in aanmerking komen een korting toe te passen van 2% voor elk jaar waarover zij niet verzekerd zijn geweest of waarover geen premie is betaald.
     De S.E.R. kent eveneens een korting van 2% toe ten aanzien van het gehuwdenpensioen. Een korting wordt dan toegepast voor elk jaar dat de gehuwde man vóór of tijdens het huwelijk niet verzekerd is geweest of in verzuim is gebleven premie te betalen. De stand van de verzekering van de gehuwde vrouw, ook van vóór het huwelijk, heeft derhalve geen invloed op het bedrag van het pensioen.
     Zo zal in de gedachtengang van de S.E.R. op het pensioen van een gehuwde man die van zijn 15de tot 25ste jaar in het buitenland verbleef een korting van 20% worden toegepast, ook al is zijn echtgenote steeds verzekerd geweest en niet in verzuim geweest in het betalen van de verschuldigde premie. In het stelsel van de S.E.R. kan het zelfs voorkomen dat een gehuwde man helemaal geen pensioen ontvangt, omdat hij nooit verzekerd is geweest, hoewel zijn vrouw steeds verzekerd was en steeds premie heeft betaald. Omgekeerd heeft in het stelsel van de S.E.R. de gehuwde man die steeds verzekerd is geweest en niet nalatig is geweest in het betalen van de premie, recht op het volledige gehuwdenpensioen, ook al
rblz.|33 r.k.| is zijn vrouw gedurende vele jaren niet verzekerd of in de premiebetaling wel nalatig geweest.
     De ondergetekenden zijn van oordeel dat het stelsel van de S.E.R. op dit punt niet geheel kan worden gevolgd. Naar hun mening dient ervan te worden uitgegaan dat van een echtpaar elk der beide echtgenoten zelfstandig zijn eigen pensioen opbouwt. Aan de gehuwde vrouw wordt echter in het algemeen geen recht toegekend op het door haar opgebouwde pensioen. Het ontwerp kent, zoals reeds eerder bleek, aan de gehuwde man een recht toe op een gehuwdenpensioen. De hoogte van dit pensioen is dan afhankelijk van de stand van de afzonderlijke verzekeringen van beide echtgenoten.
     Zoals in het vorengaande reeds werd toegelicht, zal het maximumpensioenaandeel in het gehuwdenpensioen van ieder der echtgenoten 5/6 maal het basispensioen bedragen, oftewel ƒ669,- per jaar. Op dit aandeel zou nu - geheel overeenkomstig de gang van zaken bij degene die voor het basispensioen in aanmerking komt - een korting moeten worden toegepast van 2% voor elk jaar waarover de betrokken echtgenoot niet verzekerd is geweest of waarover ten onrechte geen premie is betaald. Het pensioen van de gehuwde man zou dan bedragen de som van de aldus door elk der echtgenoten afzonderlijk opgebouwde pensioenen.
     Aangezien het maximale gehuwdenpensioen het dubbele bedraagt van het maximale pensioenaandeel van elk der echtgenoten afzonderlijk, is het gevolg hiervan dat de korting wegens het niet verzekerd zijn of wegens nagelaten premiebetaling, toegepast op het maximale gehuwdenpensioen, niet 2%, doch 1% dient te bedragen voor elk jaar waarover de man niet verzekerd is geweest of nalatig is gebleven premie te betalen en voor elk jaar waarover de vrouw niet verzekerd is geweest of nalatig is gebleven premie te betalen. Doordat tegenover de samenvoeging van de pensioenaandelen een halvering van het kortingspercentage staat, blijft het effect van de korting in omvang gelijk.
     Het verschil tussen het voorstel van de S.E.R. en de in het wetsontwerp neergelegde voorziening ligt voornamelijk in de verschillende wijze waarop met de voorhuwelijkse jaren van de beide echtgenoten wordt rekening gehouden. Het zal zich namelijk tijdens het huwelijk slechts zelden voordoen dat de ene echtgenoot wél en de andere niét verzekerd is, omdat de woonplaats van man en vrouw in de regel dezelfde zal zijn. Voorts is het in het stelsel van het wetsontwerp niet denkbaar dat tijdens het huwelijk slechts één der echtgenoten in gebreke is premie te betalen. Het ontwerp gaat ervan uit dat premie moet worden betaald van het belastbaar inkomen. Voor zover de gehuwde vrouw al een eigen bron van inkomen zal hebben, wordt dit voor de premiebetaling gerekend een onderdeel te zijn van het inkomen van haar man. De gehuwde vrouw kan in deze gedachtengang dus niet in verzuim zijn premie te betalen. Het is echter bij deze situatie billijk dat verzuim in de premiebetaling door de gehuwde man ook zijn echtgenote wordt aangerekend. Vandaar dat het wetsontwerp in artikel 10 [13], derde lid, bepaalt dat de gehuwde vrouw geacht wordt geen premie te hebben betaald over de jaren waarover haar man tijdens het huwelijk geen premie heeft betaald.
     Het vorenstaande brengt mee dat de opbouw van de verzekering van de man en die van de verzekering van de vrouw tijdens het huwelijk parallel lopen, zodat er op dit punt geen verschil bestaat tussen het systeem van de S.E.R. en dat van de voorgestelde voorziening.
     Het aandeel dat de echtelieden elk voor zich vóór het huwelijk in het pensioen opbouwen, staat evenwel geheel los van elkaar. Anders dan bij de S.E.R. is, voor zover het de voorhuwelijkse jaren betreft, niet alléén de stand van de verzekering van de man beslissend voor de vraag of een korting moet worden toegepast.


Aanpassing van de pensioenen aan wijzigingen in de algemene welvaart

     De Invaliditeitswet en in de regel ook de bestaande pensioenfondsen geven slechts recht op pensioenen uitgedrukt in rblz.|34 l.k.| een nominaal geldsbedrag of in een percentage van het (laatst) genoten loon of inkomen. Deze pensioenregelingen houden dus geen rekening met koopkrachtveranderingen van het geld en dit is wel de belangrijkste oorzaak dat met name de Invaliditeitswet in de huidige situatie zo weinig betekenis meer heelt en dat velen op hun oude dag, ook al hebben zij in hun actieve periode een voorziening getroffen welke destijds zeer behoorlijk kon worden geacht, thans toch over een gering of zelfs onvoldoend inkomen de beschikking hebben.
     De ondergetekenden zijn evenals de S.E.R. van oordeel dat de pensioenaanspraken op zodanige wijze in de wet dienen te worden vastgelegd dat de koopkracht van het ouderdomspensioen wordt aangepast aan wijzigingen in de economische situatie.
     In de bij het S.E.R.-rapport gevoegde bijlage VIII is een duidelijke uiteenzetting gegeven omtrent de verschillende maatstaven welke voor dit doel bruikbaar kunnen worden geacht. Voor de keuze van een systeem gesteld, zijn de ondergetekenden met de S.E.R. van oordeel dat het meest aanbeveling verdient een stelsel inhoudende een binding van het bodempensioen aan de regelingslonen.
     Indexcijfers van regelingslonen worden periodiek door het Centraal Bureau voor de Statistiek bekendgemaakt, namelijk voor nijverheid, transport, landbouw, administratief personeel en rijkspersoneel. Aangezien echter slechts de weging voor de drie eerstgenoemde sectoren bekend is en derhalve slechts voor het totaal daarvan regelmatig een gemiddeld indexcijfer wordt gepubliceerd, lijkt momenteel de meest verantwoorde methode om laatstbedoeld indexcijfer als maatstaf voor de aanpassing van het ouderdomspensioen te kiezen. Indien in de toekomst een nog representatiever indexcijfer der regelingslonen zou worden berekend, kan daarop te zijner tijd worden overgeschakeld.
     De voorgestelde maatstaf heeft het voordeel dat hij in het algemeen zowel een stijging van de kosten van levensonderhoud als de ontwikkeling van de nationale welvaart pleegt te volgen. Weliswaar reageert het loonniveau gewoonlijk slechts met een zekere vertraging, doch dit is op zichzelf een argument ten gunste van een binding aan de lonen, aangezien daardoor de situatie wordt voorkomen dat de gepensionneerde in tijden van stijgende welvaart een door de wet gegarandeerde automatische verhoging van zijn pensioen zou genieten vóórdat het nog werkzame deel der bevolking een positieverbetering heeft bereikt. Laatst bedoelden kunnen immers op een dergelijke automatische aanpassing geen aanspraak maken en moeten integendeel elke verhoging van hun loon door middel van onderhandelingen trachten te realiseren.
     Een verder voordeel van deze maatstaf is dat de gegevens betreffende de ontwikkeling van de regelingslonen maandelijks ter beschikking komen, terwijl zij bovendien een voor iedereen begrijpelijke en controleerbare indicator zijn. Daarnaast kan worden opgemerkt dat de index van de regelingsIonen niet het nadeel heeft ener zeer grote conjunctuurgevoeligheid.
     Als bezwaar tegen opneming van de zogenaamde indexclausule wordt wel aangevoerd dat het onjuist zou zijn toekomstige generaties te binden. Men weet, aldus deze redenering, op het moment van de invoering van de wet niet hoe in de toekomst zich de economische situatie van ons land zal ontwikkelen.
     De ondergetekenden kunnen dit bezwaar niet delen. Ten aanzien van élke wettelijke voorziening, dus ook bij een wetlelijke ouderdomsverzekering met in nominale bedragen vastgestelde pensioenen, geldt dat deze toekomstige generaties bindt. In dit opzicht is er dus geen principieel verschil ten opzichte van een verzekering met indexclausule. Evenwel moet worden toegegeven dat een ouderdomsverzekering in zoverre een eigen plaats inneemt ten opzichte van vele andere sociale voorzieningen dat door de nog steeds stijgende gemiddelde levensduur de ouden van dagen een toenemend aandeel in de samenstelling van de totale bevolking zullen gaan vormen en dus een lastenverzwaring voor de toekomstige
rblz.|34 r.k.| actieve generaties zullen veroorzaken. Deze thans reeds te voorziene omstandigheid doet nadere overweging van de vraag of het verantwoord is tot opneming van de indexclausule over te gaan niet overbodig zijn. Dienaangaande moge daarom het volgende worden opgemerkt.
     Zolang de index van de regelingslonen constant blijft, maakt het voor het actieve deel der bevolking in het geheel geen verschil of tot toepassing van de indexclausule is besloten dan wel tot gefixeerde nominale bedragen. In beide gevallen zal de lastenverzwaring uitsluitend worden bepaald door de mate van uitbreiding van de groep ouden van dagen.
     Indien de regelingslonen een dalende beweging mochten ondergaan, zal een nominaal pensioen een extra lastenverzwaring voor de nog werkzamen opleveren, aangezien het gelijkblijvende pensioenbedrag een groter percentage van het dalende loonbedrag zal gaan uitmaken. Deze factor zou dan naast de toeneming van het aantal ouden van dagen tot gelding komen. De indexclausule heeft daarentegen het voordeel dat het pensioen in dit geval evenredig met het loon zal verminderen. Bij dalende lonen zou de indexclausule stellig in het voordeel van de toekomstige actieve beroepsbevolking blijken te zijn. Daarentegen zal bij stijging van de regelingslonen de indexclausule voor de actieve categorieën minder gunstig zijn. De toeneming van het aantal ouden van dagen zal dan immers volledig leiden tot een dienovereenkomstige lastenverzwaring, terwijl deze bij gefixeerde pensioenen geheel of gedeeltelijk zou worden gecompenseerd door de relatieve achteruitgang van het pensioenbedrag in verhouding tot het gestegen loon. Op zich zelf is deze mogelijkheid om ook in de toekomst bij voortschrijdende vergrijzing de premie voor de ouderdomsverzekering binnen bepaalde perken te houden, misschien zelfs wel te stabiliseren, zeer aantrekkelijk. De ondergetekenden hebben dan ook zeer ernstig overwogen of daartoe niet zou moeten worden overgegaan, waarbij uiteraard de toekomstige wetgever altijd nog bij aanmerkelijke welvaartsstijging tot verhoging van de uitkeringen zou kunnen besluiten.
     De overweging echter dat het sociaal gezien toch wel moeilijk verdedigbaar is om de ouden van dagen, vooral diegenen onder hen die hoofdzakelijk van deze verzekeringsuitkering zullen moeten leven, bij een aanzienlijke stijging van de weivaart in de toekomst niet meer dan de thans vastgestelde uitkeringen (eventueel aangepast aan gestegen kosten van levensonderhoud) te verstrekken, teneinde het actieve deel van de bevolking dat van de welvaartsstijging ten volle profiteert 1 of 2% premie te besparen, heeft hen doen besluiten de aanpassing aan de regelingslonen en niet aan de kosten van levensonderhoud in de wet op te nemen. Daarbij heeft ook de overweging een rol gespeeld dat alle werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers in de S.E.R. zich daarmede accoord hebben verklaard, hetgeen impliceert dat de vertegenwoordigers van de groepen die in de toekomst deze last zullen moeten dragen, daartoe ook bereid gebleken zijn. De ondergetekenden vertrouwen dat men in de toekomst ook bereid zal blijken bij de beoordeling en vaststelling van het deel van het nationale inkomen dat aan de actieven toevalt de consequenties van de thans te nemen beslissing te dragen.

 

5. De middelen tot dekking der kosten


5.1. Kring der premieplichtigen


Verzekering met premiebetaling

     De middelen tot dekking van de aan een ouderdomsverzekering verbonden kosten kunnen op verschillende manieren worden gevonden, bijvoorbeeld door het heffen van een bestemmingsbelasting of door premieheffing. Nu brengt het wezen van de sociale verzekering niet per se een bepaalde wijze van opbrengen der middelen mede. De ondergetekenden hebben gekozen voor een verzekering met premiebetaling. Zij menen dat hieraan de rblz.|35 l.k.| voorkeur dient te worden gegeven, gezien de historische ontwikkeling in ons land en omdat daardoor de persoonlijke verantwoordelijkheid om zelf voor de oude dag te zorgen het meest tot uitdrukking komt.


Premiebetaling door alle verzekerden die inkomen genieten

     Uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag wie tot premiebetaling moeten worden verplicht, dient te zijn dat de premiën moeten worden opgebracht door degenen die door of in verband met arbeid of vermogen inkomen genieten. In zijn rapport merkt de S.E.R. dan ook terecht op (blz. 57/58) dat de premie in beginsel ten laste behoort te komen van de verzekerden zelf. Voor een onderscheid in die zin dat de premie der loontrekkenden gedeeltelijk of geheel door de werkgevers en die voor de niet-loontrekkenden door deze geheel zelf zou worden betaald, is in een volksverzekering, welke ervan uitgaat dat de werkenden in staat moeten zijn uit hun inkomsten een oudedagsvoorziening te bekostigen, geen plaats. Dit houdt uiteraard niet in dat er geen verschil zou mogen worden gemaakt in de wijze waarop van de verschillende groepen van verzekerden premie wordt geïnd. Met name laat dit onverlet de mogelijkheid om de premie van werknemers te innen door inhouding op het loon van het verschuldigde bedrag (zie hoofdstuk 9).


Aanvang en einde premieplicht

     In de regel zal de inkomstenverwerving een aanvang nemen met het intreden in het arbeidsproces. Dit kan reeds het geval zijn voordat de 15-jarige leeftijd is bereikt. Aangezien echter de kring der verzekerden is beperkt tot de 15-tot 65-jarigen en uiteraard slechts verzekerden premieplichtig kunnen zijn, heeft dit tot gevolg dat eerst vanaf de 15-jarige leeftijd premieplicht kan bestaan en dat die plicht bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd een einde neemt.


Premieheffing van jeugdige verzekerden

     Er zijn grote groepen van personen die in verband met hun studie eerst op oudere dan de 15-jarige leeftijd aan het productieproces gaan deelnemen. Deze beschikken in het algemeen uiteraard nog niet over een inkomen waarover premie kan worden geheven en zullen derhalve pas op latere leeftijd in feite premieplichtig zijn.
     Men zou zich kunnen afvragen of het wel billijk is om degenen die reeds op hun 15de jaar aan het arbeidsproces deelnemen dan reeds premie te laten betalen. Deze personen zullen daardoor over een langer - en soms een veel langer - tijdvak premie moeten betalen dan degenen die op oudere leeftijd voor het eerst productieve arbeid gaan verrichten, terwijl het bedrag van het pensioen voor allen gelijk is. De ondergetekenden mogen erop wijzen dat deze tegenwerping inderdaad juist zou zijn indien zou worden voorgesteld van iedere premieplichtige een uniform premiebedrag te vragen. Dan zou zelfs de premie extra zwaar op de jeugdige werkenden drukken. Maar de voorgestelde regeling gaat uit, zoals verder nog nader zal worden uiteengezet, van een naar het inkomen proportionele premieheffing. Aangezien de jeugdlonen betrekkelijk laag zijn, heeft dit tot gevolg dat door de jeugdige werkenden maar kleine bedragen aan premie behoeven te worden opgebracht. Daartegenover zullen in de regel degenen die wegens verdere scholing eerst op latere leeftijd aan het productieproces gaan deelnemen weliswaar over een enigszins kortere periode premie betalen, maar wegens de door hen gemiddeld genoten hogere inkomsten over het betalingstijdvak als geheel genomen een behoorlijke premiebijdrage leveren.
     De ondergetekenden sluiten zich hierbij geheel aan bij de opvatting van de S.E.R. (blz. 37 van het rapport), welke het betalen van premie op jeugdige leeftijd als een voordeel ziet, omdat hierdoor onmiddellijk bij de aanvang van de inkomstenverwerving het besef wordt bijgebracht dat het inkomen niet uitsluitend bestemd is om in de dagelijkse behoefte te voorzien. De Raad merkt voorts nog terecht op dat door het betrekken van de jeugdige werkenden in de premiebetaling een betere
rblz.|35 r.k.| verdeling van de premielast over de duur van de gehele verzekeringsperiode wordt verkregen, waardoor voor de volwassenen, voor wie de premiebetaling als regel een zwaardere last betekent, de premie enigszins kan worden verlaagd.
     Zou men de jongeren niet in de premiebetaling betrekken, dan zou voorts het gevolg zijn dat zij hierdoor in verhouding tot de ouderen goedkopere arbeidskrachten zouden worden.


Premieheffing over inkomen uit vermogen

     In het bovenstaande werd ervan uitgegaan dat in de regel de inkomstenverwerving eerst ontstaat bij het intreden in het arbeidsproces. Een uitzondering hierop vormt de groep van personen die uit vermogen of uit periodieke uitkeringen een inkomen genieten. De S.E.R. besteedt speciale aandacht aan deze groep (blz. 37/38 van het advies). Hij wijst er daarbij op dat tot deze categorie nagenoeg uitsluitend wezen behoren wier levensonderhoud en opleiding niet door hun ouders kunnen worden bekostigd. Zij zijn daarvoor op periodieke uitkeringen dan wel op de opbrengst van hun vermogen aangewezen en zullen veelal zelfs op hun vermogen moeten interen. De Raad stelt daarom voor om met de bijzondere situatie van de tot deze groep behorende personen rekening te houden door voor hen de plicht tot premiebetaling op een later tijdstip te doen aanvangen en wel als regel bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd.
     Zou de gedachtengang van de S.E.R. op dit punt worden gevolgd, dan valt niet in te zien waarom de leeftijdsgrens van 21 jaar ook zou moeten worden aangehouden indien de betrokkenen dan nog studeren. Het zou dan redelijk zijn als algemene regel voor deze groep van verzekerden aan te houden dat bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd de betalingsplicht een aanvang neemt, maar daarnaast een uitzondering te maken voor degenen die nog niet de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt en wier tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het volgen van onderwijs. Voor wat betreft deze leeftijdsgrens zou dan aansluiting worden verkregen aan de Kinderbijslagwet en aan de in de belastingwetgeving geldende bepalingen voor kinderaftrek.
     Na ampele overweging zijn de ondergetekenden echter van oordeel dat het advies van de S.E.R. op dit punt niet kan worden gevolgd. Allereerst valt het op dat de S.E.R. deze vrijstelling alleen bepleit voor degenen beneden de leeftijd van 21 jaar wier inkomen uitsluitend bestaat uit inkomsten uit vermogen of uit periodieke uitkeringen. Genieten deze personen nog enige, zij het geringe, andere inkomsten, dan zijn zij in de gedachtengang van de S.E.R. wel premieplichtig en tellen de inkomsten uit vermogen of uit periodieke uitkeringen weer wel mee bij de premieberekening. Zo zou het dus kunnen voorkomen dat personen met een behoorlijk inkomen uit vermogen of uit periodieke uitkeringen niet premieplichtig zijn, terwijl andere personen die aan inkomen uit arbeid en uit vermogen samen een lager inkomen genieten wel premieplichtig zouden zijn. Voorts brengt het voorstel van de S.E.R. mede dat personen die dank zij het feit dat zij over een vermogentje beschikken of inkomsten uit periodieke uitkeringen genieten, zich zonder meer aan de studie kunnen wijden, geen premie behoeven te betalen en derhalve extra bevoorrecht zijn boven degenen die hun studiekosten zelf moeten verdienen of misschien zelfs hun studie moeten afbreken om aan het productieproces te kunnen deelnemen en wel premie moeten betalen. Hiervoor lijkt geen voldoende motivering aanwezig.
     Voorts mag niet worden vergeten dat verschillende personen beneden de leeftijd van 21 jaar met een inkomen uit vermogen of uit periodieke uitkeringen helemaal niet daadwerkelijk studeren. Er bestaat geen reden om dezulken van premiebetaling vrij te stellen.
     Ten slotte kan uit een oogpunt van ouderdomsvoorziening moeilijk als een bezwaar worden gezien dat de onderhavige groep veelal op het vermogen moet interen. Tegenover de vermogensintering slaat een recht op een waardevast pensioen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Met het oog op de
rblz.|36 l.k.| oude dag behoeft derhalve deze vermogensintering niet te worden tegengegaan.
     In het wetsontwerp wordt er dan ook van uitgegaan dat alle verzekerden van 15 tot 65 jaar, ongeacht de bron van hun inkomen, premieplichtig zijn.


Premieheffing over het inkomen van de gehuwde vrouw

     In het vorengaande is als uitgangspunt gekozen dat de premiën moeten worden opgebracht door de verzekerden, voor zover deze inkomen genieten. Ten aanzien van een aantal groepen van verzekerden dient de premiebetaling nader te worden bezien. Als eerste voornaamste groep dient zich daarbij aan die der gehuwde vrouwen.
     Uit paragraaf 4.2 is reeds gebleken dat aan de gehuwde vrouw geen zelfstandig recht op pensioen wordt gegeven. In het pensioenbedrag waarop de gehuwde man aanspraak kan maken, is evenwel het pensioenaandeel dat de vrouw tijdens haar verzekering heeft opgebouwd, begrepen. Het ligt dan ook voor de hand de gehuwde vrouw ook niet zelfstandig premie te doen betalen, doch de premiebetaling geheel via de man te leiden. In de gevallen waarin de gehuwde vrouw eigen inkomsten heeft, kan dan van de man premie worden geheven over het inkomen van man en vrouw tezamen. In vele gevallen zal de gehuwde vrouw evenwel in het geheel geen of slechts zeer geringe eigen inkomsten hebben. De vraag rijst derhalve of de van de gehuwde man voor zijn eigen verzekering en voor de verzekering van zijn echtgenote geheven premie hoger dient te worden gesteld dan de premie die een ongehuwde betaalt. De ondergetekenden menen deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden.
     In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen dat het pensioen van de gehuwde man, hoewel opgebouwd uit twee verzekeringen, geenszins het dubbele bedraagt van het ongehuwdenpensioen, doch dit pensioen slechts met twee derde gedeelte overtreft. Voorts betaalt de vrouw in haar voorhuwelijkse jaren steeds zelfstandig premie. Deze voorhuwelijkse jaren kunnen een vrij korte, maar ook een lange verzekeringsperiode betreffen. Rekent men nog daarbij de premie welke tijdens het huwelijk door de man over eigen inkomsten van de vrouw wordt betaald, dan blijkt dat in vele gevallen tegenover het twee derde gedeelte waarmede het gehuwdenpensioen het ouderdomspensioen van de ongehuwde overtreft een redelijke premieprestatie staat. Achten de ondergetekenden om deze reden reeds een verhoogde premie voor de gehuwde man niet gewenst, tevens dient in aanmerking te worden genomen dat een verhoogde premie voor het doorsnee gezin een te zware last zou betekenen.

     De regeling van de premiebetaling waarin het wetsontwerp ten aanzien van de gehuwde vrouw voorziet, welke regeling geheel in overeenstemming is met het advies van de S.E.R., ligt grotendeels besloten in de aanvaarding - althans in beginsel - van het fiscale inkomensbegrip voor de bepaling van het inkomen waarnaar de voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premie wordt geheven. Zo vloeit uit het voor de ouderdomsverzekering van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 2 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 voort dat het inkomen van de gehuwde vrouw tot dat van haar man wordt gerekend. Hoewel de gehuwde vrouw, gelijk iedere verzekerde, in beginsel premieplichtig is, kan van haar in feite geen premie worden gevorderd, daar zij voor de toepassing van de voorgestelde verzekering geen eigen inkomen heeft.
     Voor de verzekering van een echtpaar wordt dus alleen van de man premie gevorderd. Door zijn betaling wordt echter de vrouw geacht mede te betalen. Dit brengt uiteraard mede dat in de gevallen dat de man de verschuldigde premie niet betaalt, ook zijn vrouw geacht wordt geen premie te hebben betaald. Van de gevolgen hiervan op de hoogte van het ouderdomspensioen is in hoofdstuk 4 reeds een uiteenzetting gegeven.
     Zoals uit de volgende paragraaf blijkt, wordt in de gevallen waarin het inkomen meer bedraagt dan ƒ6000,-, over dat meerdere geen premie geheven. Dit geldt evenzeer voor het
rblz.|36 r.k.| inkomen van de gehuwde man, ook al is dit samengesteld uit inkomsten zowel van de man als van de vrouw.


Van verzekerden zonder inkomen kan geen premie worden geheven

     Een volgende bijzondere groep van verzekerden vormen de ongehuwde vrouwen die zonder een inkomen te verwerven in het arbeidsproces zijn ingeschakeld. Dit zijn grotendeels vrouwen die in zogenaamde onvolkomen gezinnen, waar de moeder ontbreekt, de huishouding verzorgen of die een taak vervullen in de vrij talrijke gevallen van samenwoning van familieleden. Hoewel deze ongehuwde vrouwen in beginsel premieplichtig zijn, volgt uit het ontbreken van inkomen dat er in feite geen premie van haar kan worden gevorderd. De onderhavige ongehuwde vrouwen bekleden een positie welke veel gemeen heeft met die welke de gehuwde vrouw in het gezin vervult. Uitgaande van deze overeenkomst is het redelijk aan te nemen dat mede voor haar premie wordt betaald door de in het productieproces ingeschakelde leden van de gezinnen waarin zij werkzaam zijn.
     Voorts dient hier ook te worden vermeld de groep dergenen die uit het arbeidsproces zijn uitgeschakeld tengevolge van lichamelijke of geestelijke gebreken. Voor zover de hier bedoelde personen geen uitkering ontvangen ingevolge een wettelijke of particuliere verzekering, noch uit anderen hoofde eigen inkomen hebben, zullen zij zijn aangewezen op onderstand van een instelling van maatschappelijke zorg of door familie of kennissen worden onderhouden. De ondergetekenden onderschrijven de mening van de S.E.R., weergegeven op bladzijde 45 van het advies, dat het voor de gemeenschap gewenst is ook deze personen, door deelname aan de verzekering, op 65-jarige leeftijd een eigen inkomen toe te kennen, enerzijds omdat velen van hen toch reeds ten laste van de overheid komen, anderzijds omdat dan degenen die jarenlang in het onderhoud dezer getroffenen hebben voorzien, van de na het 65ste jaar dikwijls nog stijgende kosten een deel vergoed krijgen, terwijl bovendien de kans van het wegvallen van een oorspronkelijke verzorger bij het ouder worden sterk toeneemt. Behorende tot de kring der verzekerden zijn ook deze personen in beginsel premieplichtig. Hebben zij evenwel geen eigen inkomen, dan zullen zij niet in de premiebetaling bijdragen.

     De premieheffing naar het inkomen brengt, zoals uit het vorengaande blijkt, mee dat van een aantal verzekerden geen premie wordt gevorderd wegens het ontbreken van inkomen. De S.E.R., die deze kwestie ook in zijn beschouwingen heeft betrokken (blz. 39 van het rapport), acht dit in een sociale verzekering aanvaardbaar, mits het aantal verzekerden dat wegens gemis aan inkomen geen premie betaalt, in verhouding tot het totale aantal verzekerden niet onevenredig groot wordt.
     De ondergetekenden onderschrijven in deze het standpunt van de S.E.R.
     Het aantal verzekerden dat op generlei wijze inkomen geniet, valt niet nauwkeurig te bepalen. Wel is een aanknopingspunt gelegen in het aantal personen dat geen inkomen uit beroepsarbeid geniet. De S.E.R. leidt uit de gegevens van de beroeps- en volkstelling van 31 Mei 1947 af dat van de leeftijdsgroep van 21- tot 64-jarigen [lees: 21- tot 65-jarigen, red.] 122 000 mannen en 321 000 vrouwen, dus totaal 443 000 personen, geen beroep uitoefenden. De groep der 15- tot 20-jarigen kan hier buiten beschouwing blijven, daar de tot deze leeftijdsgroep behorende verzekerden die geen beroep uitoefenen vrijwel allen nog studerende zijn en na beëindiging van de studie in het productieproces zullen worden opgenomen en hun bijdrage in de premiebetaling zullen gaan leveren. Dit laatste geldt e