St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ALGEMENE  OUDERDOMSWET

 

 

ONTWERP VAN WET

rblz.|10 l.k.| 

Kamerstukken II 1954-1955, 4009

Algemene ouderdomsverzekering

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Historisch overzicht
1.1 Eerste pogingen om tot een ouderdomsvoorziening te geraken
1.2 De totstandkoming van de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet 1919
1.3 Pogingen tot verbetering van de wettelijke regeling
1.4 De totstandkoming van een voorlopige regeling in de vorm van de Noodwet Ouderdomsvoorziening
1.5 Activiteiten met het oog op de totstandkoming van een definitieve voorziening
1.6 Het advies van de Sociaal-Economische Raad
1.7 Reacties op het advies van de Sociaal-Economische Raad
2 De les der geschiedenis: een synthese
3 Kring der verzekerden
4 Het ouderdomspensioen
4.1 Pensioengerechtigde leeftijd
4.2 Hoogte ouderdomspensioen
5 De middelen tot dekking der kosten
5.1 Kring der premieplichtigen
5.2 Eenheidspremie of naar het inkomen proportionele premie
5.3 Het inkomen waarnaar premie wordt geheven
5.4 Premieheffing van kleine zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden met geringe inkomsten
6 Stelsel van financiering
7 Kosten der verzekering
8 De economische gevolgen van de invoering der ouderdomsverzekering
9 Uitvoering der verzekering
10 Overgangsregeling en aanpassing bijzondere pensioenregelingen aan de algemene verplichte ouderdomsverzekering
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 1 t/m 64
 

 

 

Algemeen

 

     Het vraagstuk van de ouderdomsverzekering speelt reeds tientallen jaren een rol in de sociaal-politieke geschiedenis van ons land. De ontoereikendheid van de in 1913 getroffen en op 3 December 1919 in werking getreden regeling in de Invaliditeitswet deed zich in versterkte mate gevoelen door de muntontwaarding in en na de laatste wereldoorlog. Dat algemeen de noodzakelijkheid van een ruimere, aan het rechtsbewustzijn aangepaste, regeling werd gevoeld, werd wel het meest sprekend bewezen door het feit dat in 1947 de Noodwet Ouderdomsvoorziening, welke blijkens de considerans in afwachting van de totstandkoming ener definitieve voorziening door middel van verplichte verzekering werd getroffen, zonder hoofdelijke stemming in de beide Kamers der Staten-Generaal werd aanvaard, ondanks de principiële bezwaren welke tegen de opzet werden aangevoerd. Hoe zegenrijk de werking van deze Noodwet op zichzelf ook is geweest, zij vertoont de typische kenmerken van een noodregeling, waarbij de ondergetekenden met name willen wijzen op het veel becritiseerde systeem van de inkomensaftrek.
     Hoewel de Noodwet Ouderdomsvoorziening van de aanvang af als een tijdelijke regeling bedoeld is geweest, heeft deze tijdelijkheid toch veel langer geduurd dan oorspronkelijk blijkbaar door de ambtsvoorgangers van de ondergetekenden werd verwacht. Het verheugt de ondergetekenden dat thans een ontwerp van wet met betrekking tot een algemene verplichte ouderdomsverzekering aan de Staten-Generaal kan worden aangeboden.
     De ondergetekenden achten het nuttig om, alvorens in een bespreking van de grondslagen van het ontwerp te treden, een overzicht te geven van de geschiedenis van de ouderdomsverzekering hier te lande.

 

1. Historisch overzicht


1.1. Eerste pogingen om tot een ouderdomsvoorziening te geraken


     De parlementaire geschiedenis van de ouderdomsverzekering in ons land kan geacht worden te zijn aangevangen in 1889. Op 20 April van dat jaar werd namelijk een wetsontwerp ingediend waarin werd voorgesteld een staatscommissie te benoemen welke onder meer de opdracht zou krijgen gegevens te verzamelen voor de kennis van de maatschappelijke toestanden der arbeiders en van de verhoudingen tussen werkgevers en arbeiders in de verschillende bedrijven. Nadat deze wet op 19 Januari 1890 in het Staatsblad was verschenen, werd de staatscommissie bij Koninklijk besluit van 18 April 1890 ingesteld. Voorzitter was jhr. mr. W.F. Rochussen. Deze commissie had dus uitsluitend tot opdracht om een enquête in te stellen.
     In de Troonrede van 1891 werd onder meer verklaard dat maatregelen tot verzekering van het lot van oude of verminkte werklieden werden ontworpen. Bij Koninklijk besluit van 29 September 1892 werd een nieuwe staatscommissie ingesteld,
rblz.|10 r.k.| welker samenstelling gelijk was aan die van de hierboven bedoelde, met de opdracht verslagen uit te brengen aangaande de werkzaamheden van de eerste commissie en de voorstellen te doen waartoe het door die commissie gehouden onderzoek haar aanleiding mocht geven. In het op 8 Januari 1894 door de commissie-Rochussen uitgebrachte eindverslag werd onder meer in overweging gegeven "de wettelijke regeling van verplichte verzekering van werklieden tegen invaliditeit tengevolge van ouderdom, met geldelijke bijdragen van de werkgevers, de werklieden en den Staat, teneinde in dien geest en naar gelang der ondervinding ten aanzien der verzekering tegen ongevallen een wetsontwerp bij de volksvertegenwoordiging aanhangig te maken".
     Inmiddels was in het op 29 Juli 1893 uitgebrachte voorlopig verslag der Tweede Kamer betreffende een wijziging van de Wet op de Rijkspostspaarbank de wens te kennen gegeven dat door de Regering een wetsontwerp zou worden ingediend om een Staatsverzekeringsbank als een afdeling van de Rijkspostspaarbank in het leven te roepen.
     In de Troonrede van 1894 werd daarop medegedeeld dat de Regering onder meer het voornemen had een wetsvoordracht in te dienen tot het openen der gelegenheid om door het Rijk gewaarborgde lijfrenten te verkrijgen. Het lag in de bedoeling deze gelegenheid niet alleen te openen voor arbeiders, doch voor de gehele bevolking, voor zover zij geacht kon worden daaraan behoefte te hebben. Bij de openbare behandeling van de Rijksbegroting voor het jaar 1895 werd uitvoerig gesproken over de vraag of met een vrijwillige, algemene regeling, als door de Regering bedoeld, kon worden volstaan, dan wel of tot een verplichte verzekering voor arbeiders diende te worden overgegaan. Het debat eindigde met de aanvaarding van een motie-Heldt, luidende: "De Kamer, van oordeel: dat verzekering van het lot van oude werklieden door een pensioenstelsel wenschelijk is, verzoekt de Regeering te onderzoeken, op welke grondslagen en op welke wijze die verzekering zal kunnen en behooren te worden geregeld".
     Gevolg gevend aan deze motie stelde de Regering bij Koninklijk besluit van 31 Juli 1895 opnieuw een staatscommissie in, ditmaal onder voorzitterschap van mr. C. Pijnacker Hordijk. Deze commissie kreeg de opdracht te onderzoeken
"of naast de instelling van eene Rijkslijfrentebank en naast de regeling der verzekering tegen ongelukken, maatregelen bij de wet behooren te worden genomen, om te bevorderen dat werklieden en met dezen gelijk te stellen personen, die door ouderdom of door invaliditeit blijvend ongeschikt zijn om in hun onderhoud te voorzien, recht erlangen op geldelijke uitkeeringen; en bij bevestigende beantwoording dier vraag één of meerdere daartoe strekkende wetsvoorstellen met memorie van toelichting en raming der geldelijke gevolgen te ontwerpen en aan Ons in te dienen".
     In haar op 2 Juli 1898 uitgebracht rapport kwam de commissie tot de conclusie dat zij in beginsel de verplichte verzekering zowel tegen invaliditeit als tegen ouderdom raadzaam achtte, doch dat zij zich wegens het grote verschil van mening hetwelk zich in haar midden had geopenbaard, moest onthouden
rblz.|11 l.k.| van het aanbieden van een wetsvoorstel met memorie van toelichting. Vermeldenswaard is nog dat de commissie ook de vraag verzekering of staatspensioen in haar beschouwingen betrok: zij verklaarde zich eenstemmig tegen staatspensionnering. Aan de rechtsgrond voor een verplichte verzekering werden uitvoerige beschouwingen gewijd. Opmerking verdient dat volgens sommige leden van de commissie er geen rechtsgrond aanwezig was om aan één categorie van burgers, namelijk de werklieden, een verplichting tot verzekering op te leggen. Men kon niet inzien met welk recht de Staat deze verplichting niet zou uitstrekken tot anderen in wier belang dit eveneens werd geacht.
     Door anderen werd deze rechtsgrond geacht gelegen te zijn in het recht van de Staat om van zijn burgers een waarborg te eisen dat zij niet armlastig worden, dat wil zeggen ten laste van het algemeen komen.

     Het duurde tot 13 April 1905 alvorens door Minister Kuyper een ontwerp "Invaliditeitswet" werd ingediend. Hierin werd voorgesteld alle personen die in Nederland werkzaam waren in een onderneming, in een inrichting of in een dienstbetrekking, tegen een loon van niet meer dan ƒ1000,- per jaar, zodra zij hun 16de jaar vervuld hadden, te verplichten zich en hun weduwen het recht op een rente bij invaliditeit en ouderdom te verzekeren. De rechtsgrond werd aldus omschreven: "Zij, die behooren tot het groote deel der bevolking, dat voor eigen en gezinsonderhoud geheel afhankelijk is van de opbrengst van zijn in dienst van anderen verrichten arbeid, moeten in die opbrengst hun bestaansmiddelen vinden, niet alleen voor de jaren, waarin zij arbeiden kunnen, maar ook voor die andere jaren, waarin zij tengevolge van duurzame invaliditeit of ouderdom niet meer tot arbeiden in staat zijn".
     Zeer merkwaardig in dit verband is dat dr. Kuyper van oordeel was dat er in beginsel wel een grond bestond om de arbeider te verplichten zich voor het geval van invaliditeit een rente te verzekeren, maar hij zag deze grond niet voor het verzekeren van een rente bij het bereiken van een bepaalde leeftijd. Echter was bij de werklieden sedert jaren het verlangen levendig naar een verzekering tegen de oude dag. Om aan dit verlangen tegemoet te komen, werd de verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit gecombineerd met de ouderdomsverzekering. Een verzekering verplicht voor zoveel betreft invaliditeit, facultatief voor zoveel betreft ouderdom, zou in de practijk onoverkomelijke moeilijkheden opleveren. Hoewel
dr. Kuyper in het ontwerp uitging van een verzekering uitsluitend voor loonarbeiders, lag aan deze beperking blijkbaar geen principiële overweging ten grondslag. Immers in zijn "Proeve van pensioenregeling voor werklieden en huns gelijken" zegt hij, sprekende over de met werklieden gelijkgestelden: "en de overige ouden, wel verre van hierover (namelijk de voorlopige beperking tot werklieden) te klagen, zullen later wel zien, hoe juist deze beweging voor het werkliedenpensioen tenslotte ook hun ten goede komt. Wie alles opeens wil, bereikt niets, en alleen door zulk een beweging in haar natuurlijk verloop aan te moedigen en te leiden, komt men slechts van deze eerste beweging op een tweede, en zo van lieverlee tot het eind van zijn weg".
     Ook uit de memorie van toelichting bij het op 15 November 1904 ingediende ontwerp Ziekteverzekeringswet blijkt dat de beperking van de verzekering tot loonarbeiders bij Kuyper geen kwestie van principe was. Hij zag slechts geen kans om een oplossing te vinden voor de inning van de premie voor de niet-loonarbeiders.
     Het ontwerp Invaliditeitswet bracht het niet tot mondelinge behandeling, omdat het Ministerie-Kuyper als gevolg van de uitslag der verkiezingen in 1905 plaats moest maken voor het Kabinet-De Meester, waarin mr. J.D. Veegens het Departement onder beheer kreeg waaronder de sociale verzekering ressorteerde.

     Nadat het ontwerp-Kuyper was ingetrokken, diende Minister Veegens op 16 October 1907 een ontwerp-Ouderdomswet in, waarin het stelsel van het ontwerp-Kuyper in hoofdzaak werd rblz.|11 r.k.| overgenomen, echter alleen voor zoveel het de ouderdomsverzekering betrof. Het ontwerp beperkte zich uitsluitend tot deze verzekering, omdat de Minister, wat de invaliditeitsverzekering betrof, een onderzoek wilde instellen naar de uitkomsten daarvan in Duitsland, welke financieel ongunstig waren.
     Uit de memorie van toelichting blijkt dat de Regering van oordeel was dat het algemeen belang vorderde dat niet een talrijke klasse van personen op gevorderde leeftijd ten laste kwam van de bijzondere of openbare armenzorg. Tussenkomst van de Staat achtte zij onmisbaar, omdat de arbeiders, zelfs met steun van hun werkgevers, onmachtig waren een voor allen geldende organisatie tot stand te brengen. Het veranderen van de zedelijke verplichting van werkgevers en arbeiders om voor de oude dag van laatstgenoemden te zorgen, in een wettelijke plicht, was naar haar mening ten volle gerechtvaardigd door het algemeen belang. Er werd evenwel geen grond gezien om personen die niet uitsluitend hun middel van bestaan vonden in het loon van hun arbeid in dienst van anderen, in de verplichte ouderdomsverzekering op te nemen. Ook dit ontwerp kwam niet tot openbare behandeling: het Kabinet-De Meester trad af en maakte plaats voor het Ministerie-Heemskerk.

 

1.2. De totstandkoming van de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet 1919


     Met Minister Talma, die in 1908 in het Kabinet-Heemskerk de portefeuille van Landbouw, Nijverheid en Handel kreeg, begon een nieuw tijdperk in de geschiedenis der sociale verzekering. Deze Minister motiveerde de noodzakelijkheid van een wettelijke arbeidersverzekering aldus dat de behoefte aan verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen en de behoefte aan verzekering tegen de geldelijke gevolgen die tijdelijke of blijvende ongeschiktheid tot werken wegens andere oorzaken voor de arbeider had, samenhing met de wijziging die de voortbrenging ondergaan had. "Het is de taak en het recht der Overheid zorg te dragen", aldus de Minister, "dat niet de verhoudingen, die door haar beschermd en in stand gehouden worden, voor de burgerij of een deel daarvan gevolgen hebben, die het rechtsbesef bij de bevolking ondermijnen en daardoor het rechtsleven en daarmede haar eigen bestaan bedreigen". Dat de bestaansonzekerheid van de arbeider tot de genoemde gevolgen van onze maatschappelijke verhoudingen behoort, behoefde naar zijn mening geen betoog. "Het is in strijd met het rechtsbesef, wanneer een arbeider, die gearbeid heeft zoolang hij kan, op het oogenblik, dat hij niet meer kan werken, aangewezen is op onderstand van derden. De zedelijke eisch, dat het loon den arbeider in staat stelle om te leven met zijn gezin, moge niet omgezet kunnen worden in een rechtsbepaling; waar het mogelijk is recht te vormen, dat de verwezenlijking van den zedelijken eisch bevordert, behoort dit niet nagelaten te worden, wil men de juiste verhouding tussen zedelijkheid en recht handhaven. En het behoeft geen betoog, dat, wil het loon strekken voor den tijd van ziekte, ook voor den tijd, dat hij, hetzij door ouderdom, hetzij door algemeene ongeschiktheid wegens andere oorzaak, niet werken kan, een opzettelijke regeling noodig is om dit te verzekeren."
     Nadat het ontwerp-Veegens was ingetrokken, diende Minister Talma op 5 Mei 1911 een nieuw ontwerp in, regelende de verzekering tegen invaliditeit en ouderdom. Wat zijn materiële inhoud betreft, stemde dit ontwerp in grote lijnen overeen met het ontwerp-Kuyper.
     Minister Talma zag de rechtsgrond voor een verplichte ouderdomsverzekering in de loondienstverhouding: de krachlens de verzekering te verstrekken uitkeringen dienden te worden gezien als uitgesteld loon. De gehele arbeidersverzekering was volgens hem eigenlijk niet anders dan
"een poging den loonvorm zoodanig te maken, dat, wanneer iemand gearbeid heeft, het loon, dat hij ontvangt, bestaat uit twee deelen, in de eerste plaats het geld, dat hij mede naar huis krijgt en waarmede hij zijn huishouden kan onderhouden, en in de tweede plaats het geld, dat, omgezet in een premie, in staat stelt om, wanneer hij invalide wordt, wanneer hij, hetzij bij ziekte, hetzij rblz.|12 l.k.| bij invaliditeit, hetzij bij ouderdom, niet meer in staat is te werken, hem te geven een inkomen uit zijn loon".
     Evenmin als dr. Kuyper bleek echter ds. Talma de zelfstandigen om principiële redenen van de verzekering te willen uitsluiten. Tijdens de debatten in de Tweede Kamer merkte hij namelijk op dat hij nooit van oordeel was geweest dat een verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ziekte, invaliditeit en ouderdom alleen nodig was voor arbeiders, maar wel dat alleen voor hen vaststond dat een wettelijke regeling van hun inkomen, waarbij ook voor ziekte, invaliditeit en ouderdom hen een uitkering toekwam, nodig en wenselijk was.
     Ook tegen dit ontwerp rezen bij de Tweede Kamer vele bedenkingen. In het verslag van de Commissie van Voorbereiding werd medegedeeld dat de Commissie overleg had gepleegd met de Minister en dat als gevolg daarvan vele veranderingen in het ontwerp waren aangebracht. De voornaamste punten waarover gedachtenwisseling met de Minister had plaatsgehad, waren:


Verzekering of staatspensioen

     Tegenover de verzekering voor de oude dag verdedigden velen het stelsel van staatspensionnering. Onder "verzekering" werd verstaan een stelsel waarbij werd voldaan aan de in artikel 246 van het Wetboek van Koophandel aan een verzekeringsovereenkomst gestelde eis: door of voor de verzekerde wordt een premie betaald om, wanneer enige calamiteit hem treft, een uitkering te ontvangen waarvan de hoogte afhankelijk is van de door of voor hem individueel betaalde premie.
     Onder staatspensioen wordt verstaan een stelsel waarbij aan bejaarden van staatswege een uitkering wordt gegeven welke uit de algemene middelen wordt bekostigd, zonder dat daar enige individuele prestatie in de vorm van premiebetaling tegenoverstaat.
     Dit laatste stelsel werd door de S.D.A.P. [Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, red.] op principiële gronden verdedigd, doch door de Regering bestreden op grond dat staatspensioen alleen voorzag in de verzorging van de oude dag, maar niet in geval van invaliditeit. Voorts zouden de kosten van staatspensioen een bezwaar zijn. Ten slotte stond de Regering principieel op het standpunt dat eventuele rente verkregen moest worden uit gereserveerd loon en niet uit belastingen.


Verzekering uitsluitend voor arbeiders of ook voor niet-arbeiders

     De Regering achtte verplichte verzekering ook voor niet-arbeiders vooralsnog practisch bezwaarlijk. Zou het later gewenst blijken deze in te voeren, dan achtte zij de voorgestelde regeling geen belemmering om daartoe over te gaan.


Verplichte of vrijwillige verzekering

     Tegen de verplichte verzekering werden bezwaren aangeroerd, ook omdat deze in het ontwerp beperkt werd tot de arbeiders. De heren De Savornin Lohman en Van Idsinga dienden op dit punt een afzonderlijke nota in. Zij bestreden het stelsel der verplichte arbeidersverzekering op principiële gronden: naar hun mening beoogde de voorgedragen regeling klaarblijkelijk het bijzondere belang van een bepaalde klasse in de maatschappij te bevorderen, aangezien andere burgers die in dezelfde omstandigheden verkeerden, uitgesloten werden.
     De Regering antwoordde hierop dat het niet slechts voor de individuele arbeiders wenselijk, maar ook uit een maatschappelijk oogpunt van overwegend belang was dat in het algemeen de arbeidsvoorwaarden van personen in loondienst zodanig werden geregeld dat mede rekening werd gehouden met hun behoeften in geval van invaliditeit en ouderdom. Wilde een zodanige regeling zijn gewaarborgd, dan moest op regelmatige en stelselmatige wijze een deel van het loon, met het oog op die behoeften, worden gereserveerd. Voorts achtte de Regering verplichte verzekering nodig omdat zij van een vrijwillige ouderdomsverzekering geen resultaat verwachtte.
     Bij de mondelinge beraadslagingen deelden de heren Schaper, Hugenholz, Vliegen en Troelstra mede dat hun fractie afwijzend stond tegenover het wetsontwerp. In plaats van
rblz.|12 r.k.| ouderdomsverzekering wensten zij staatspensionnering, een voorziening geheel en al op kosten van de Staat, niet als staatsarmenzorg, maar als correctief op de nadelen van het kapitalistische voortbrengingssysteem.
     De heer Aalberse plaatste zich op het standpunt van de Regering. Staatspensioen verwierp hij principieel, omdat de verplichte verzekering naar zijn opvatting in wezen niets anders was dan een wettelijke, gedeeltelijke regeling van het arbeidsloon. Een rechtvaardig loon moest zijn het volle equivalent van de arbeid; alleen dan voldeed het loon aan de eis van het recht. En aangezien de waarde van de menselijke arbeid minstens gelijk moest zijn aan datgene wat nodig is voor de noodzakelijke bevrediging van de levensbehoeften, mocht het loon niet dalen beneden dit absolute minimum. Dit was een eis van het recht, dat door de Staat beschermd moest worden. Tot de noodzakelijke levensbehoeften behoorde naar zijn mening niet alleen het levensonderhoud in de dagen dat men werken kan, doch ook in die dagen waarop men door ziekte, invaliditeit of ouderdom niet meer werken kan. Het rechtvaardig minimumloon moest dus ten minste zo hoog zijn "dat de arbeider, die zijn leven lang arbeidt, daarvoor voldoende ontvangt om te leven als hij niet meer arbeiden kan". Daarop had hij een natuurlijk recht. Wanneer de Staat dus optrad om door wetgeving dat recht te verwezenlijken, vervulde hij zijn plicht van rechtsbescherming. De verplichte arbeidersverzekering bedoelde niet anders dan het recht van de arbeider op een rechtvaardig minimumloon te verwezenlijken.
     Voor het opleggen van een wettelijke verplichting tot verzekering van niet-loonarbeiders liet deze rechtsgrond geen ruimte.
     De heer Van Idsinga beschouwde het wetsontwerp als een voorstel tot invoering van staatspensionnering met het hatelijke karakter bovendien dat de pensioenen alleen zouden worden gegeven aan personen die slechts tot één der maatschappelijke klassen behoorden, namelijk de loonarbeiders. Hij kon zich daarmede niet verenigen.
     De heer Patijn deelde mede voorstander te zijn van staatspensioen, vooral op deze grond dat, blijkens ervaringen in het buitenland, de mogelijkheid bestond een stelsel in te voeren waarvan de voordelen niet werden beperkt tot een enkele klasse der maatschappij, de loonarbeiders, maar ten goede kwamen aan allen die daaraan behoefte hadden.
     De heer Bos was voorstander van verplichte verzekering. Hij was echter tegenstander van het regeringssysteem. Het juiste systeem zou zijns inziens zijn: het in het leven roepen van organisaties van belanghebbenden met zelfbestuur en zelfcontrôle.
     De heer Nolens stond op het standpunt dat een mens als individu zijn vrijheid heeft, maar zich als maatschappelijk wezen beperkingen van die vrijheid moet laten welgevallen. Door zijn deelnemen aan het georganiseerd maatschappelijk leven, door zijn leven in de Staat, wordt zijn vrijheid aan banden gelegd. Hoever dat aan banden leggen moest gaan, daarover kon men van mening verschillen, maar het kwam hem voor dat de vrijheid in elk geval de voorrang moet hebben en dat beperking daarvan alleen geoorloofd is wanneer het vaststaat dat dit geschiedt in het belang van het algemeen. Hoewel hij dus de voorkeur zou geven aan een vrijwillige verzekering indien daarmede hetzelfde bereikt zou kunnen worden, sprak hij zich niettemin uit voor een verplichte verzekering en wel op grond van de volgende vier motieven:
1º. uit een oogpunt van algemeen belang moest de verzekering op alle arbeiders toepasselijk zijn, omdat anders, zoals de ervaring in het buitenland had bewezen, een groot deel erbuiten zou blijven;
2º. de bijdragen die voor het verkrijgen van de fondsen nodig zouden zijn en die ook voor een deel door de arbeiders opgebracht zouden moeten worden, zouden een blijvend bestanddeel van het loon dienen te worden;
3º. de billijkheid tegenover de werkgevers bracht mede dat voorkomen moest worden dat sommige werkgevers niet aan hun zedelijke verplichting zouden voldoen, waardoor deze in
rblz.|13 l.k.| een gunstiger concurrentiepositie zouden komen dan de goedwillende werkgevers;
4º. de ervaring die in het buitenland met vrijwillige verzekering was opgedaan, had uitgewezen dat men juist niet die groepen bereikte waarvoor de verzekering in de allereerste plaats was bedoeld.
     Voorts stond de heer Nolens met de heer Aalberse op het standpunt dat de verplichte verzekering beperkt diende te worden tot de loonarbeiders. Niet alleen zag hij voor de overige leden van de bevolking de noodzakelijkheid van een dergelijke inbreuk op de vrijheid van het individu niet in, maar hij kon ook bij de zelfstandigen geen causaal verband ontdekken tussen ziekte, invaliditeit en ouderdom en het gemis van inkomen, zoals bij de arbeidersklasse. Indien een zelfstandige door één of andere calamiteit niet meer kon werken, dan volgde daaruit nog niet dat ook zijn bron van inkomen zou ophouden te vloeien. En bovendien: door het optreden als zelfstandige had hij zelf dit risico op zich genomen.
     De heer De Visser zou de voorkeur gegeven hebben aan vrijwillige verzekering, doch aanvaardde de verplichte verzekering omdat men er met het stelsel van vrijwillige verzekering niet kwam. Hij werd in zijn betoog gesteund door de heer De Savornin Lohman.
     De heer Goeman Borgesius had geen bezwaar tegen een stelsel van verplichte verzekering tegen de gevolgen van invaliditeit, maar tot leniging van de nood van ouden van dagen wenste hij staatspensioen.

     Op het ontwerp werd een aantal amendementen ingediend, welke echter vrijwel alle werden verworpen; zo verging het onder andere een amendement van de heer Treub om het stelsel van eenheidsrenten in te voeren en één van de heer Duys om de pensioengerechtigde leeftijd terug te brengen van 70 op 65 jaar.
     Eén van de belangrijkste amendementen, eveneens afkomstig van de heer Duys, werd evenwel overgenomen. In het ontwerp was geen datum van inwerkingtreding van de wet genoemd. Wel was bepaald dat de wet van rechtswege in werking zou treden uiterlijk binnen drie jaar nadat artikel 357 (het huidige artikel 369) in werking zou zijn getreden. Wanneer dat artikel zelf in werking zou treden, was evenwel niet geregeld. De heer Duys stelde nu voor om artikel 357, waarin recht op kosteloze ouderdomsrente werd toegekend aan personen die bij het in werking treden van dat artikel 70 jaar of ouder waren, uiterlijk zes maanden na de afkondiging van de wet in werking te doen treden. Minister Talma verklaarde dat hij ook zelf voornemens was geweest een dergelijke bespoediging van de inwerkingtreding te bevorderen en dat hij daarom het amendement overnam. Van verschillende kanten werd daarop de Minister verweten dat hij daarmede feitelijk het staatspensioen had aanvaard. Dit werd door de Minister ontkend. In de Eerste Kamer zei hij daaromtrent onder meer: "Nu kan men dit toch eigenlijk geen staatspensioen noemen, het is een uitkeering van staatswege, ja, maar het is de noodzakelijke begeleiding van een uitgave, die geen ander karakter heeft dan de inkoopsom van het tegenwoordig geslacht. Een inkoopsom, niets anders".
     Het ontwerp werd daarna zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer aanvaard en verscheen op 5 Juni 1913 in het Staatsblad. De inwerkingtreding van het artikel omtrent de kosteloze renten werd bij Koninklijk besluit van 3 December 1913 bepaald.

     In 1913 werd het rechtse Ministerie-Heemskerk opgevolgd door het linkse Ministerie-Cort van der Linden, waarin de heer Treub de heer Talma opvolgde als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel.
     Het behoeft, gezien de gang van zaken bij de behandeling van het ontwerp-Talma, geen verwondering te wekken dat nu een poging werd aangewend om ook de niet-loonarbeiders bij de ouderdomsverzekering te betrekken.
     In haar eerste Troonrede kondigde de Regering de indiening van een wetsontwerp aan tot het kosteloos verlenen van ouderdomsrente aan behoeftige 70-jarigen die gedurende een te bepalen termijn geen ondersteuning genoten van een instelling
rblz.|13 r.k.| van weldadigheid. De Regering was namelijk van oordeel de Invaliditeitswet niet ongewijzigd tot uitvoering te mogen brengen. De ouderdomsvoorziening door middel van kosteloze renten was tijdens de verkiezingen zodanig op de voorgrond geplaatst dat de kiezers geacht konden worden daarover een uitspraak te hebben gedaan. Naar de mening van de Regering was thans in de Tweede Kamer een meerderheid gekozen die voorstander was van staatspensioen.
     Minister Treub diende vervolgens op 6 Februari 1914 een ontwerp van wet in waarin werd voorgesteld aan ieder die de leeftijd van 70 jaar had bereikt of overschreden en behoeftig was, recht te geven op een kosteloze ouderdomsrente waarvan het bedrag gelijk was aan dat van de overgangsbepaling van de Invaliditeitswet. Voordat dit ontwerp bij de Tweede Kamer in behandeling kwam, trad Minister Treub evenwel af, waarna de verdediging werd overgenomen door de Minister van Waterstaat, de heer Lely, naar wiens Departement de afdeling Arbeidersverzekering intussen was overgegaan.
     De voor- en tegenstanders van staatspensioen zetten nog eens uitvoerig hun standpunten uiteen. De S.D.A.P. bleek nog principieel op het standpunt van staatspensioen te staan. De heer Sannes verdedigde dit op grond van de zogenaamde "meerwaardetheorie": de waarde van de door de arbeider gepresteerde arbeid was groter dan de daarvoor door hem ontvangen beloning, welke meerwaarde aan het kapitaal ten goede kwam. Het was geen gunst, doch een recht, wanneer de arbeider op zijn oude dag, wanneer hij niet meer werken kon, een gedeelte van deze meerwaarde terugontving.
     Het wetsontwerp werd op 18 Mei 1916 door de Tweede Kamer aangenomen, doch kwam in de Eerste Kamer niet in openbare behandeling, omdat voordien de Tweede Kamer werd ontbonden en het ontwerp daarmede, naar de mening van de Eerste Kamer, op staatsrechtelijke gronden vervallen was.
     Daarop dienden verschillende leden van de linkerzijde een volkomen gelijkluidend ontwerp van wet bij de nieuw gekozen Tweede Kamer in, hetwelk op 14 Mei 1918 werd aangenomen, doch op 19 Juli 1918 door de Eerste Kamer werd verworpen. In laatstgenoemde Kamer betoogde de heer Polak dat de arbeider door zijn arbeid niet alleen de werkgever, doch de gehele maatschappij diende. De arbeider verrichtte derhalve een sociale taak en het was daarom de plicht van de gehele gemeenschap en niet alleen van de werkgevers om hem het leven mogelijk te maken in de tijd dat hij niet meer werken kon. Dit kon naar zijn mening alleen door een stelsel van premievrij staatspensioen.

     Na de verkiezingen van 1918 trad het eerste Ministerie-Ruijs de Beerenbrouck op. De drie in coalitie verenigde rechtse partijen hadden de verkiezingsstrijd onder meer gevoerd om de Talma-wetten, die in 1913 in het Staatsblad waren verschenen, doch door het linkse Ministerie-Cort van der Linden niet waren uitgevoerd, ten spoedigste tot uitvoering te brengen. Minister Aalberse, die de portefeuille van het Ministerie van Arbeid beheerde, diende op 20 Juni 1919 een wetsontwerp in tot wijziging van de Invaliditeitswet, alsmede een ontwerp-Ouderdomswet.
     In het eerste ontwerp werd onder meer voorgesteld de pensioengerechtigde leeftijd te verlagen van 70 op 65 jaar en het bedrag van de overgangsrente te verhogen van ƒ2,- tot ƒ3,- per week.
     Het ontwerp Ouderdomswet beoogde de mogelijkheid tot vrijwillige ouderdomsverzekering te openen voor niet-loonarbeiders wier economische positie met die van arbeiders gelijkstond. Personen die bij de inwerkingtreding van de wet 65 jaar of ouder waren en die geen rente ontvingen ingevolge de overgangsbepalingen van de Invaliditeitswet, zouden in het genot van een kosteloze ouderdomsrente van ƒ3,- per week worden gesteld, indien zij niet in de vermogensbelasting waren aangeslagen en hun inkomen beneden een bepaald bedrag bleef. Personen die bij de inwerkingtreding van de wet tussen 35 en 65 jaar oud waren en niet onder de bepalingen van de Invaliditeitswet vielen, konden zich tegen een verlaagde premie een uitkering van ƒ3,- per week op hun 65ste jaar verzekeren,
rblz.|14 l.k.| mits zij niet in de vermogensbelasting waren aangeslagen en hun inkomen beneden een bepaald bedrag bleef. De administratiekosten, het tekort dat de verzekerden van 35 jaar of ouder zouden opleveren, alsmede de gratis uitkeringen voor degenen die bij de inwerkingtreding van de wet al 65 jaar zouden zijn, zouden voor rekening van de Staat komen. Beide ontwerpen werden zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer zonder hoofdelijke stemming aangenomen. De Invaliditeitswet trad daarna op 3 December 1919 volledig in werking, tegelijk met de Ouderdomswet 1919.

 

1.3. Pogingen tot verbetering van de wettelijke regeling


     Hoewel dus sedert 3 December 1919 zowel voor de loonarbeiders als voor de economisch met hen gelijkgestelden een wettelijke ouderdomsregeling was getroffen, kan men moeilijk zeggen dat het vraagstuk van de ouderdomsvoorziening sindsdien was opgelost. Het grootste bezwaar was wel dat de uitkeringen van de reeds in 1913 tot stand gekomen Invaliditeitswet te laag waren, welk bezwaar steeds klemmender werd enerzijds door voortschrijdende geldsontwaarding, anderzijds door het door de arbeiders bereikte hogere levenspeil als gevolg van de door hen verkregen loonstijgingen. Waren de uitkeringen reeds in de verhoudingen van 1919 te laag, in latere jaren stonden zij in geen enkele verhouding meer tot het loon dat bij pensionnering werd gederfd.
     Reeds in 1920 werden door de heren Duys en De Muralt moties bij de Tweede Kamer ingediend om de uitkeringen te verhogen. Zij werden evenwel door Minister Aalberse afgewezen wegens de daaraan verbonden kosten en daarna door de Kamer verworpen.
     Een ander bezwaar was dat de kring van personen die krachtens de Invaliditeitswet dan wel krachtens de Ouderdomswet 1919 een ouderdomsrente konden krijgen te beperkt was. Langzamerhand kwam men vrij algemeen tot de overtuiging dat ook de (kleine) zelfstandigen bij de ouderdomsverzekering dienden te worden betrokken. De voorstanders van de "orthodoxe" verzekering zagen evenwel geen mogelijkheid om dit te effectueren, omdat men geen kans zag de individuele premiebetaling, conditio sine qua non voor een verzekering, op een bevredigende wijze te regelen.
     Er waren echter meer bezwaren. Zo ontvangt de arbeider in het stelsel van de Invaliditeitswet eerst de maximumouderdomsuitkering wanneer hij van zijn 16de tot zijn 65ste jaar doorlopend verzekerd is geweest. Voorts stond enerzijds als gevolg van de verhoogde levensstandaard van de arbeiders, anderzijds door de voortschrijdende muntontwaarding, het bedrag van de ouderdomsrente, die reeds van de aanvang af te laag was afgestemd, langzamerhand in geen enkele verhouding meer tot het peil dat men voor een enigszins behoorlijke ouderdomsvoorziening zou mogen eisen. Het gevolg van één en ander was dat het aantal ouden van dagen dat in behoeftige omstandigheden verkeerde steeds toenam, waarvoor in het stelsel van de orthodoxe verzekering geen remedie was te vinden. Het behoeft dan ook geen verwondering te baren dat dit onderwerp in de vooroorlogse jaren bij vrijwel elke begroting aan de orde werd gesteld. Niettegenstaande de aanhangers van de verzekeringsgedachte de aan het stelsel van verzekering verbonden bezwaren niet konden ontzenuwen, achtten zij toch het staatspensioen, hetwelk als enig alternatief werd gezien, niet aanvaardbaar. Zij zagen dit staatspensioen als een vorm van bedeling waartegen zij principiële bezwaren hadden, omdat e!k stelsel van gratis uitkeringen de volkskracht zou ondermijnen. Het was in wezen staatsarmenzorg en daarom vernederend. Zij wilden juist de volkskracht verhogen door het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid, ook voor de verzorging van de oude dag, door de betrokkenen te verplichten in de actieve periode een bedrag opzij te leggen, teneinde daaraan het recht op uitkering op hogere leeftijd te kunnen ontlenen. Bovendien waren zij van mening dat staatspensioen een ondraaglijke last op de gemeenschap zou leggen.
     Hoewel zij zich dus tegen uitkeringen uit de staatskas verzetten, bleek het toch in de practijk niet mogelijk om hieraan geheel te ontkomen. Zo werden in de Invaliditeitswet niet alleen
rblz.|14 r.k.| bepalingen opgenomen op grond waarvan uit de algemene middelen kosteloze uitkeringen werden verstrekt aan behoeftige personen die bij de inwerkingtreding van genoemde bepalingen de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt, doch ook werd een staatsbijdrage verstrekt in de premie van degenen die bij de intreding in de verzekering de leeftijd van 16 jaar hadden overschreden.
     De voorstanders van staatspensioen, die van mening waren dat alleen door staatspensionnering een werkelijke oplossing kon worden gevonden, gaven hun strijd niet op. Zo werd op 29 November 1927 door de heer Sannes een motie bij de Tweede Kamer ingediend welke hij tijdens de behandeling van 22 tot 25 Mei 1928 verving door de volgende twee moties.

I. "De Kamer,
van oordeel, dat een betere voorziening in den nood van de ouden van dagen dringend noodzakelijk is; dat daartoe in de bestaande voorziening de kostelooze ouderdomsrente (Staatspersioen) behoort te worden ingeschakeld, en gaat over tot de orde van den dag."

II. "De Kamer,
van oordeel, dat de inschakeling der kostelooze ouderdomsrente (Staatspensioen) in het stelsel van ouderdomsvoorziening in dier voege behoort te geschieden, dat deze voorziening kome te bestaan uit eene vereeniging van Staatspensioen, invaliditeitsrente en door vrijwillige verzekering, met toeslag van den Staat, verworven ouderdomsrente, verzoekt de Regeering de indiening van desbetreffende wetsontwerpen te bevorderen, en gaat over tot de orde van den dag."

     In de toelichting op deze moties werd onder meer gezegd dat noch verzekering, noch - wegens de kosten - staatspensioen alleen, een behoorlijke oudedagsvoorziening kon geven, doch dat dit slechts door een combinatie van stelsels zou kunnen worden bereikt.

     Beide moties werden bestreden door de heren Smeenk, Kortenhorst. Kuiper, Snoeck Henkemans, omdat zij - hoewel erkennende dat verbeteringen in de Invaliditeitswet en in de Ouderdomswet noodzakelijk waren - om principiële en financiële redenen staatspensioen onaannemelijk achtten. De heer Boon verklaarde namens zijn partijgenoten dat zij, hoewel voorstanders van staatspensioen, aan de motie-Sannes hun stem niet konden geven, omdat in het systeem van de heer Sannes staatspensioen en verzekering samengekoppeld werden en omdat de kosten van dit stelsel niet te dragen zouden zijn. De heer Oud verklaarde dat het standpunt van de Vrijzinnig-Democratische Partij was dat, om een doelmatige verzorging van de ouden van dagen te krijgen, de regeling algemeen moest zijn, zodat met name geen scheidingslijn getrokken mocht worden tussen loonarbeiders en niet-loonarbeiders. Wanneer men de oplossing wilde zoeken langs de weg van verzekering, dan moest zij dus omvatten zowel de loonarbeiders als de niet-loonarbeiders, maar dan moest tevens de Staat bereid zijn de premies voor zijn rekening te nemen voor diegenen die niet in staat zouden zijn uit eigen inkomsten die premies te betalen.
     Aldus moest men gaan in de richting van staatspensioen. Hij wees er daarbij op dat ook de leden der rechterzijde in hun verzekeringswetten telkens bepalingen hadden moeten aanvaarden die uitsluitend op grond van het staatspensioen waren te verdedigen.
     Minister Slotemaker de Bruine verklaarde dat de Regering niet bereid was tot het verlenen van kosteloze ouderdomsrenten. De juiste weg om de ouden van dagen te helpen, lag naar zijn mening in een verruiming van de bepalingen van de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet.
     De eerste motie werd daarop verworpen, waarna de tweede werd ingetrokken.
     Van belang is evenwel dat hier twee dingen duidelijk naar voren waren gekomen: ten eerste dat de S.D.A.P. zich niet meer principieel op het standpunt van staatspensioen stelde, doch om practische redenen een combinatie van verzekering en staatspensioen gewenst achtte en ten tweede dat thans de gehele linkerzijde voorstander van staatspensioen was.

     rblz.|15 l.k.| De Regering kwam daarop eind 1928 met een voorstel tot wijziging van de Invaliditeitswet, waarbij onder meer de loongrens werd verhoogd, personen die in aangenomen werk arbeid verrichtten, doch feitelijk loonarbeiders waren, alsmede personen die bij wijze van werkverschaffing waren tewerkgesteld, onder de werking van de wet werden gebracht, terwijl voorts voor het verkrijgen van ouderdomsrente een gunstiger bepaling werd getroffen voor personen die op 65-jarige leeftijd niet voldoende zegels hadden. Dit voorstel werd door de beide Kamers aanvaard.
     Hoewel hierdoor wel enigszins aan de bezwaren was tegemoetgekomen, kon toch moeilijk van een oplossing van het ouderdomsvraagstuk worden gesproken.
     De strijd ging dan ook onverminderd voort, zonder echter enig resultaat op te leveren. Niet alleen werd alle aandrang tot verhoging van de uitkeringen om financiële redenen afgewezen, doch ook het vraagstuk van het brengen der (kleine) zelfstandigen onder de verplichte ouderdomsverzekering, dat door de linkerzijde herhaalde malen aan de orde werd gesteld, kwam geen stap verder. Men zag hiervoor namelijk slechts één oplossing, staatspensioen, waartegen de rechterzijde zich om principiële redenen bleef verzetten.
     Toch waren er symptomen waardoor aan het licht kwam dat de partijen niet meer zo scherp tegenover elkaar stonden.
     Bleek hierboven reeds dat de S.D.A.P. zich niet langer op principiële gronden tegen verzekering verzette, ook uit het "verzekeringskamp" werd een geluid gehoord waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook van die kant de zaak niet meer zo principieel gesteld werd.
     Minister Verschuur zeide namelijk bij de behandeling van de begroting van zijn Departement in December 1929 onder meer het volgende:
     "En nu wil ik over het beginsel van het Staatspensioen niet te veel zeggen en zeker niet te veel slechts. Ik wil niet de tegenstelling tusschen Staatspensioen en andere vormen van verzekering onnoodig verscherpen. Daarvoor is geen reden. Er is gelegenheid naar elkander toe te komen. Aan de eene zijde kan worden toegegeven dat men op den weg van onverplichte bijdrage van den Staat reeds een beduidend stuk heeft afgelegd. Tweemaal heeft men ook een daad gesteld, maar als men die zaak interpreteert, zou dat kunnen worden opgevat als een
"soort" Staatspensioen. Tweemaal is een maatregel genomen, waartegenover geen praestatie van de betrokkenen stond, maar die maatregelen zijn genomen als brug, als overgangsmaatregel, als afronding bij iets anders, en de meerderheid van de Kamer heeft altijd gemeend dat het een noodzakelijke afronding was om een stelsel, dat in beginsel hooger stond, te doen slagen.
     Wanneer dus een dergelijke bijdrage beschouwd is als een afronding, een noodzakelijke hulp, dan geloof ik, dat, als men anderzijds zou willen erkennen, gelijk hier is geschied, dat het Staatspensioen hoogstens als aanvulling van de sociale verzekering kan gelden, de afstand, die beide partijen scheidt, niet overdreven groot kan worden genoemd."

     Even verder zegt hij dan nog: "Men beschouwt de staatspensionneering op den dag van heden niet anders dan als een aanvulling, een onderdeel van de sociale verzekering".

     Ook in de kringen van de belanghebbenden zelf werd aan het vraagstuk van de oudedagsvoorziening de nodige belangstelling gegeven.
     Op een in 1931 gehouden congres van de Nederlandse R.K. Middenstandsbond werd een prae-advies uitgebracht waarin werd geconcludeerd dat een afdoende ouderdomsverzorging voor de kleine zelfstandigen een zaak van algemeen belang was. Aangezien men evenwel van mening was dat invoering van een verplichte ouderdomsverzekering zowel op theoretische als op practische bezwaren stuitte en voorts dat staatspensioen niet aanvaard kon worden zolang niet gebleken was dat het beoogde doel niet langs de weg van verzekering bereikt kon worden, werd gepleit voor een vrijwillige verzekering met subsidie van staatswege.

     rblz.|15 r.k.| Ook een door de Vereniging van de Christelijke Handels- en Industriële Middenstand ingestelde commissie gaf in 1932 als haar oordeel dat het verzorgen van eigen oude dag, door alle zelfstandigen, een groot maatschappelijk belang was. De commissie had geen bezwaar legen een verplichte verzekering, doch deed op grond van practische bezwaren geen aanbeveling in deze richting. Als de meest aanbevelenswaardige oplossing werd gezien een regeling welke geheel zou aansluiten op de bestaande Ouderdomswet 1919, waarbij dan door het Rijk een bijslag op de premie zou dienen te worden gegeven.
     Een geheel ander geluid deed de Koninklijke Nederlandse Middenstandsbond horen. In 1935 werd een door een commissie uitgebracht rapport aanvaard waarin onder meer werd gesteld dat een afdoende verzorging van de oude dag van de kleine zelfstandigen alleen te bereiken zou zijn door invoering van een wettelijke verplichte verzekering. Als rechtsgrond werd aangevoerd dat het algemeen belang vorderde dat in de verzorging van de oude dag van deze groep van economisch zwakkeren werd voorzien.

     Niet alleen de politieke partijen en de organisaties van belanghebbenden schonken aandacht aan het onderhavige vraagstuk, doch ook de vakbeweging. In het in 1938 door een commissie uit N.V.V. [Nederlands Verbond van Vakverenigingen, red.] en S.D.A.P. uitgebracht rapport over sociale verzekering werd een apart hoofdstuk gewijd aan de sociale verzekering van de middenstand. Ook in dit rapport werd het standpunt dat de socialisten ten aanzien van het probleem verzekering-staatspensioen waren gaan innemen nog eens duidelijk geformuleerd in de volgende passage: "Er blijven echter zeer grote groepen personen over, die voorlopig nog op geen wijze in een systeem van sociale verzekering kunnen opgenomen worden, of voor wie langs de weg der verzekering geen noemenswaardige resultaten te bereiken zijn. Deze zijn alleen door een premievrij staatspensioen te helpen en dat staatspensioen moet ook algemeen zijn, omdat het onredelijk zou zijn van het genot uit te sluiten die groepen, aan wier inkomen tenslotte de middelen ontleend worden, waaruit het staatspensioen bekostigd wordt, ook al laat zich niet aantonen dat, op welke wijze en in welke mate, bepaalde personen er bij betrokken zijn. Het staatspensioen is noodzakelijk en daarom aanvaardbaar, maar het is dat alleen als algemene basis, waarop werkelijke pensioenverzekeringen voor alle door zulke schema's bereikbare personen kunnen worden opgetrokken. Het staatspensioen zal niet gemakkelijk een bevredigende hoogte bereiken, de pensioenverzekeringen, die het zonder Rijksbijdragen stellen kunnen, blijven daarom hoofdzaak". Er werd slechts uitkomst uit de moeilijkheden verwacht van een algemene verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van ouderdom, invaliditeit, ziekte en ongevallen, ook voor de kleine zelfstandigen. Voor die zelfstandigen die niet in staat zouden zijn de verschuldigde premiën op te brengen, zou dit bij wijze van maatschappelijk hulpbetoon moeten geschieden.

     Bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken voor het dienstjaar 1939 in de Tweede Kamer bepleitte de heer Van den Tempel nog eens weer het opnemen van de kleine zelfstandigen in de verplichte sociale verzekering en hij diende, teneinde een uitspraak van de Kamer te verkrijgen, de volgende motie in:

"De Kamer,
van oordeel, dat het wenschelijk is de uitbreiding van de verplichte sociale verzekering - ongevallen-, ziekte- en invaliditeits- en ouderdomsverzekering - tot de kleine zelfstandigen in overweging te nemen, noodigt de Regeering uit een Staatscommissie in te stellen om ter zake van voorlichting te dienen, en gaat over tot de orde van den dag."

     Nadat de aanneming van deze motie door Minister Romme ontraden was, werd zij door de Kamer met 41 tegen 25 stemmen verworpen.
     Uit het betoog van de Minister blijkt dat hij er in beginsel geen bezwaar tegen had om ook de kleine zelfstandigen in de verplichte verzekering op te nemen. Hij zag evenwel bij de
rblz.|16 l.k.| practische uitwerking veel voetangels en klemmen liggen, welke moeilijkheden er nu echter naar zijn mening eenmaal waren om een poging uit te lokken ze op te lossen.
     Minister Romme vroeg zich evenwel af of een zaak van zo grote allure door de Kamer genoegzaam van alle kanten bekeken was om daarover op dat moment een uitspraak te doen. Hij achtte dit onderwerp voorts nog niet in die mate rijp dat verwacht kon worden dat zij met een staatscommissie binnen een bekwame termijn de eindstreep zou kunnen halen. Hij meende daarom dat het door de heer Van den Tempel beoogde doel niet gediend zou worden met het begraven van de zaak in een staatscommissie die zo'n brede taak zou krijgen dat het jaren en jaren zou duren voor zij met haar taak klaar zou zijn.

     De kwestie van de verzekering van zelfstandigen kwam kort daarop weer uitvoerig aan de orde in verband met het op 9 Juli 1938 door de Hoge Raad van Arbeid uitgebrachte advies naar aanleiding van het aan die Raad door Minister Romme voorgelegde voorontwerp van een kinderbijslagverzekering. Minister Romme had zich blijkens de toelichting om redenen van practische aard voorshands beperkt tot de loontrekkenden. De Hoge Raad was na een uitvoerige gedachtenwisseling met twintig tegen veertien stemmen van oordeel dat de kleine zelfstandigen niet onder de kinderbijslagverzekering dienden te worden gebracht. De tegenstemmers betoogden dat bij vele kleine zelfstandigen een dergelijke noodtoestand heerste dat ingrijpen van de Overheid niet achterwege kon blijven; hun inkomen is dikwijls niet hoger, vaak zelfs lager dan dat van menig arbeider. Zij behoren dus evenzeer tot de categorie der maatschappelijk zwakken.
     Deze leden bestreden het argument van degenen die de rechtsgrond voor de arbeiders gelegen achtten in de dienstverhouding en dus van oordeel waren dat een rechtsgrond voor de kleine zelfstandigen zou ontbreken. Hunnerzijds wezen deze leden erop dat bij de verdere ontwikkeling der socialeverzekeringswetgeving dit engere standpunt meer en meer verlaten was en een ontwikkeling plaatsgevonden had die van het strengere arbeidscontractuele standpunt evolueerde naar een standpunt dat gekarakteriseerd kon worden als dat waarbij het in economische positie met arbeiders gelijkstaan beslissend wordt geacht ten aanzien van het onder de sociale verzekering betrokken zijn.
     In het op 30 Maart 1939 verschenen voorlopig verslag van de Tweede Kamer naar aanleiding van het op 13 December 1938 ingediende wetsontwerp bepleitten verscheidene leden uitbreiding van de voorgestelde regeling tot de zelfstandigen. Zij wezen erop dat in verschillende landen, ook in Nederland, een al krachtiger wordende stroming zich baan had gebroken voor opneming van deze groep in de kring der verplicht verzekerden. Zij zouden daarmede voor ons land gaarne bij deze gelegenheid een begin zien gemaakt. Te eerder meenden zij de wens daartoe te mogen uiten, wijl zij uit de memorie van toelichting hadden afgeleid dat de Minister in dit opzicht geen principiële bezwaren had, doch dat uitsluitend overwegingen van practische aard hem deden besluiten de kinderbijslagregeling tot de loontrekkenden te beperken.
     In de memorie van antwoord schreef Minister Romme dat, ondanks enige verbetering in de situatie, de moeilijkheden welke aan opneming van de zelfstandigen in de verplichte verzekering in de weg stonden nog geenszins waren opgelost.
     Het ligt voor de hand dat dit onderwerp bij de algemene beraadslagingen niet onbesproken bleef.
     De heer Kuiper verklaarde dat de Katholieke Kamerfractie zich gaarne aansloot bij het warme pleidooi voor opname van de zelfstandigen in de verzekering. Hij aanvaardde echter de bezwaren van de Minister, doch drong erop aan "dat aanstonds en in het vlotte tempo, dat den Minister eigen is, het noodige zal worden verricht om ook de zelfstandigen, zoo spoedig als doenlijk is, de sociaal-weldadige beteekenis van den kinderbijslag deelachtig te doen worden".
     De heer Bakker was er diep van overtuigd dat ook voor de kleine zelfstandigen een regeling moest worden getroffen.
    
rblz.|16 r.k.| De heer Drees herinnerde in zijn betoog aan de motie-Van den Tempel, die tot zijn leedwezen was afgewezen. "De Minister heeft gezegd", aldus de heer Drees, "dat hij geen motie wilde hebben die een kapstok zou zijn. Wij moeten er nu des te sterker op aandringen dat de Minister zonder motie zoo spoedig mogelijk deze sociale voorziening zal doen gelden voor allen, die daaraan sociaal behoefte hebben."
     De heer Smeenk was van oordeel dat een verplichte regeling voor zelfstandigen principieel niet zo gemakkelijk te verdedigen zou zijn.
     Een ander geluid liet de heer Krol horen. Hij betreurde het zeer dat de kleine zelfstandigen weer "op de mat" bleven staan. Hij herinnerde eraan dat bij de behandeling van de Ouderdomswet 1919 in de Kamer de vrees was uitgesproken dat de vrijwillige verzekering van de kleine zelfstandigen wel eens op een teleurstelling kon uitlopen.
     "Wij leven nu in 1939 en wat zijn wij gevorderd op het punt, waarover toen het debat in deze Kamer ging, namelijk de ouderdomsverzekering van de kleine zelfstandigen?"
     Uit de beantwoording van de verschillende sprekers door Minister Romme bleek dat hij de rechtsgrond niet zag in de leer van het rechtvaardige loon, zoals Talma en Aalberse, waarmede slechts een verplichte verzekering uitsluitend voor loonarbeiders te verdedigen viel, doch in de leer van de rechtvaardige prijs. In zijn gedachtengang was een prijs eerst rechtvaardig indien allen die uit deze prijs de vergoeding voor hun arbeid moeten ontvangen, dit zijn dus zowel de loonarbeiders als de overige bij de productie betrokken personen, een zodanige beloning voor hun arbeid verkrijgen dat deze niet alleen voldoende is voor de tijd dat gewerkt wordt, doch ook voor de tijd dat door ziekte, invaliditeit, ouderdom en dergelijke omstandigheden niet kan worden gewerkt.
     Ook in de Eerste Kamer werd van verschillende kanten gepleit voor opneming van de kleine zelfstandigen in de sociale verzekering.

     Het is in het licht van het bovenstaande niet verwonderlijk dat de heer Van den Tempel, die de heer Romme op 10 Augustus 1939 als Minister van Sociale Zaken was opgevolgd, reeds spoedig uitvoering gaf aan de gedachte neergelegd in de door hem bij de behandeling van de begroting voor 1939 ingediende, doch door de Tweede Kamer verworpen motie. Bij Koninklijk besluit van 1 April 1940 werd namelijk een staatscommissie ingesteld onder voorzitterschap van mr. dr. J. van Bruggen, welke de opdracht kreeg advies uit te brengen over de inschakeling van de kleine zelfstandigen in de verplichte sociale verzekering.

     In het op 30 September 1942 uitgebrachte eerste deel van haar rapport gaf de commissie een uitvoerige beschouwing over de vraag of er een, en zo ja, welke rechtsgrond aanwezig is voor de opname van de kleine zelfstandigen in de sociale verzekering. Met de grootst mogelijke meerderheid kwam zij tot de conclusie dat er inderdaad een rechtsgrond aanwezig is. Deze rechtsgrond werd als volgt geformuleerd:
     "De kleine zelfstandigen behooren tot de groep der economisch zwakkeren; afdoende verzorging hunner financieele behoeften bij eigen kinderzegen, ziekte, ongeval, invaliditeit en ouderdom is derhalve in het algemeen belang geboden; deze is, daar het particulier initiatief en de overheidssteun te kort schoten, op goede en gewenschte wijze slechts bereikbaar door verplichte sociale verzekering tegen die behoeften van dit deel dier groep."
     Het ligt voor de hand dat de commissie zich, gezien haar opdracht, bij het formuleren van een rechtsgrond tot de kleine zelfstandigen heeft beperkt.
     Het rapport ging vergezeld van wetsontwerpen waarin de opneming van zelfstandigen in de ongevallenverzekering, de ziekengeldverzekering en de kinderbijslagverzekering was uitgewerkt. De commissie meende evenwel voorshands van het doen van een voorstel tot wijziging van de Invaliditeitswet te moeten afzien, enerzijds wegens gebrek aan voldoende statistisch materiaal, anderzijds omdat zij het niet uitgesloten achtte
rblz.|17 l.k.| dat de lnvaliditeitswet toch binnen afzienbare tijd gewijzigd zou worden.

     Een belangrijke stoot tot het opnieuw bestuderen van het gehele vraagstuk der sociale verzekering werd gegeven door het in 1945 verschenen rapport van de in 1943 door de Regering in Londen ingestelde commissie-Van Rhijn. De commissie achtte een zo spoedig mogelijke herziening onzer socialeverzekeringswetgeving noodzakelijk, in die zin dat zij diende te worden geünificeerd en uitgebreid tot een sluitend stelsel van sociale voorzieningen, hetwelk als organisch onderdeel ener op hetzelfde doel gerichte algemene economische en financiële politiek, tot strekking heeft de gehele bevolking sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen.

     De rechtsgrond werd als volgt geformuleerd: "De gemeenschap, georganiseerd in de Staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde dat deze leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen".
     In het licht van de hierboven geschetste ontwikkeling in de gedachten rond de kwestie verzekering-staatspensioen kon in het rapport worden verklaard dat de begrippen sociale verzekering en sociale verzorging, waaronder dan staatspensioen wordt gerekend, in de loop der tijden de neiging vertonen om naar elkaar toe te groeien. De enige maatstaf die ten slotte bij de beoordeling of een bepaalde regeling tot de ene dan wel tot de andere categorie behoort, is volgens de commissie die van het Internationaal Arbeidsbureau, namelijk: "...the presence or absence of the requirement, as a condition for the grant of benefit, that contribution should have been paid, by the prospective beneficiary, or in his name, into the fund which supplies the benefit".

     Op het derde congres van de Vereniging van Raden van Arbeid, gehouden op 26 en 27 Juni 1946 te Amsterdam, is de rechtsgrond voor de sociale verzekering uitvoerig aan de orde geweest. Hoewel de verschillende sprekers vrijwel alle richtingen vertegenwoordigden, werd algemeen een uitbreiding van de kring der verzekerden met de kleine zelfstandigen, althans voor zover het de ouderdomsverzekering betreft, bepleit.

     Het ligt voor de hand dat de Regering welke na de bevrijding van ons land optrad er behoefte aan gevoelde met de organisaties van werkgevers en werknemers in overleg te treden omtrent de voorstellen van de commissie-Van Rhijn. De toenmalige Minister van Sociale Zaken, de heer Drees, vroeg daartoe het advies van de Stichting van den Arbeid.
     Tegelijkertijd gaf hij aan een kleine technische ambtelijke commissie, onder voorzitterschap van mr. dr. A.A. van Rhijn, opdracht om uitgewerkte voorstellen voor herziening en uitbreiding der sociale verzekering te ontwerpen. Inmiddels was uit een aantal nota's van het bestuur van de Stichting van den Arbeid gebleken dat de vertegenwoordigers van werkgevers- en arbeiderszijde in een door de Stichting speciaal hiervoor in het leven geroepen commissie onder voorzitterschap van haar gedelegeerde, prof. mr. B.C. Slotemaker, in belangrijke mate overeenstemming hadden verkregen over de hoofdlijnen ener toekomstige herziening en unificatie van de sociale verzekering.
     Minister Drees achtte het toen voor een goede en vlotte gang van zaken gewenst de werkzaamheden van de technische regeringscommissie te coördineren met die van de commissie uit de Stichting van den Arbeid. In overleg met het bestuur der Stichting werden beide commissies daarop tezamen gevoegd tot een zogenaamde Gemengde Commissie, weer onder voorzitterschap van de heer Van Rhijn, welke commissie aanvankelijk alleen het vraagstuk van de oudedagsverzekering zou bezien, doch later het gehele vraagstuk van de herziening der sociale verzekering in studie heeft genomen. Dit was in September 1947.

rblz.|17 r.k.| 

1.4. De totstandkoming van een voorlopige regeling in de vorm van de Noodwet Ouderdomsvoorziening


     Het vraagstuk van de oudedagsverzekering kwam weer in de parlementaire sfeer bij de behandeling van de Noodwet Ouderdomsvoorziening. De bestudering van het aan de Gemengde Commissie voorgelegde ingewikkelde probleem vorderde namelijk meer tijd dan de Regering verantwoord achtte te laten voorbijgaan, voor en aleer maatregelen zouden worden getroffen om in de algemeen erkende nood van vele ouden van dagen te voorzien. Het was daarom dat bij koninklijke boodschap van 27 November 1946 bij de Tweede Kamer een wetsontwerp werd ingediend waarin een op de verzorgingsgedachte gebaseerde noodvoorziening ten behoeve van de ouden van dagen werd voorgesteld, in afwachting van een definitieve voorziening door middel van verplichte verzekering.
     "Uitgangspunt voor de ontworpen regeling", aldus de memorie van toelichting, "is geweest de gedachte dat de voorziening niet beperkt dient te blijven tot de ouden van dagen, die in loondienst zijn geweest, doch dat allen, ongeacht de plaats, die zij in het maatschappelijk leven hebben ingenomen, daarvoor in aanmerking moeten kunnen komen, als hun financieele omstandigheden het noodig maken. Deze gedachte strookt met het voornemen van den eersten ondergeteekende om de toekomstige, in voorbereiding zijnde ouderdomsverzekering niet te beperken tot de loonarbeiders, doch ook de niet-loontrekkenden daarin op te nemen."
     Het voornemen van Minister Drees om in de toekomstige definitieve ouderdomsvoorziening ook de niet-loontrekkenden op te nemen, vond in de Kamers, zoals trouwens na het voorgaande ook wel verwacht mocht worden, geen bestrijding. Bij de mondelinge beraadslagingen in de Tweede Kamer betuigden enkele leden uitdrukkelijk hun instemming. Zo verklaarde de heer Krol dat hij met de door de commissie-Van Bruggen in haar rapport vermelde conclusie akkoord ging,
"namelijk dat er inderdaad voor de Overheid een eigen rechtsgrond aanwezig is om in ons vaderland langs den weg van plicht de sociale verzekering in een algeheel uit te bouwen". En om daartoe te geraken, zou er naar zijn mening in principe zelfs geen bezwaar bestaan dat voor de laagste inkomens de premie op één of andere wijze door de Overheid wordt voldaan, terwijl evenmin in beginsel een differentiatie der premie in verband met het inkomen bezwaar behoefde te ontmoeten.
     De heer Hooij zag in het ontwerp het resultaat van een evolutie in de sociale verzekeringen.
"Stond men vroeger vrijwel practisch op het standpunt dat de ratio van de verplichte sociale verzekering lag in het arbeidscontract, in het loonarbeider zijn dus, dit ontwerp ademt den geest en is de eerste stap in het erkennen van den arbeid zelf - of deze wordt verricht door een werknemer of door een zelfstandige - als grondslag voor sociale rechten."
     De heer Smeenk constateerde dat het terecht veler begeren was om de kleine zelfstandigen op te nemen in de kring der verplicht verzekerden, althans voor wat betreft de ouderdomsverzekering. Hij zag echter nog wel technische moeilijkheden.

     Het bovenstaande wil niet zeggen dat er geen bezwaren tegen het wetsontwerp bestonden. Integendeel, van verschillende zijden werden deze aangevoerd, zowel tegen het loslaten van het verzekeringsprincipe als tegen het stelsel van aftrek van eigen inkomsten. Alle partijen waren het er evenwel over eens dat de ouden van dagen op de in het vooruitzicht gestelde definitieve regeling op verzekeringsbasis niet langer konden wachten.
     Het ontwerp werd in beide Kamers zonder hoofdelijke stemming aangenomen, waarna de wet op 1 October 1947 in werking trad.

     Bij de behandeling van dit wetsontwerp kwam nog eens weer duidelijk naar voren de ontwikkeling in de kringen die oorspronkelijk de gedachte van staatspensioen voorstonden. Bleek uit de considerans van het door de Ministers Drees en Lieftinck ingediende ontwerp reeds dat de noodvoorziening rblz.|18 l.k.| werd voorgesteld "in afwachting van de totstandkoming eener definitieve voorziening door middel van verplichte verzekering", ook in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer werd nog eens uitdrukkelijk verklaard dat de Regering streefde naar een uitbreiding van de bestaande oudedagsvoorziening door middel van verplichte verzekering. De eerste ondergetekende stelt er voorts prijs op in herinnering te brengen dat hij bij de openbare behandeling van bedoeld wetsontwerp in de Tweede Kamer onder meer het volgende heeft gezegd: "Dat een definitieve regeling zal uitgaan van het verzekeringsbeginsel, al zullen ook daarbij overgangsmaatregelen niet kunnen worden gemist, achten mijn politieke vrienden en ik juist. Wij zijn van oordeel dat een in vrijheid levend volk het niet zal kunnen stellen zonder een sterk besef van persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid bij de groote meerderheid van zijn burgers. En daar de persoonlijke vrijheid voor ons, democratische socialisten, het hoogste goed is, erkennen wij gaarne, dat voorzieningen in materiële nood, als het kan, zoodanig getroffen moeten worden, dat daardoor de persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid niet in het gedrang komt".

 

1.5. Activiteiten met het oog op de totstandkoming van een definitieve voorziening


     Men zou misschien geneigd zijn te veronderstellen dat, aangezien door de aanneming van het wetsontwerp noodregeling ouderdomsvoorziening in feite reeds een beslissing werd genomen voor wat betreft de kring der verzekerden voor de definitieve regeling, daarna dus een stilte rondom deze strijdvraag zou zijn ingetreden. Het tegendeel is echter het geval geweest.

     In 1947 gaf het bestuur van het Centrum voor Staatkundige Vorming aan een commissie onder voorzitterschap van mr. A.M. Engels de opdracht rapport uit te brengen over het vraagstuk van de verplichte ouderdomsverzekering in verband met de wenselijkheid de bestaande noodregeling door een definitieve te vervangen. In haar op 24 Juli 1951 gepubliceerd rapport "Verplichte ouderdomsverzekering. Grondslagen van een wettelijke regeling" stelt de commissie de vraag op welke rechtsgrond een verplichte ouderdomsverzekering dient te steunen. Naar het oordeel van de commissie is het een op het natuurrecht gefundeerde verplichting van ieder mens om door arbeid te zorgen voor het levensonderhoud van zichzelf en de zijnen. Ook voor de tijd dat hij tengevolge van ouderdom niet meer in staat zal zijn door werken in zijn levensonderhoud te voorzien, behoort de mens zich alle redelijke inspanning te getroosten. Nu leert de practijk dat men er niet gemakkelijk toe komt om geld te reserveren voor zijn oude dag; zeer velen schieten in dit opzicht tekort en zulks niet enkel uit financiële onmacht. Tengevolge daarvan worden zij, als zij niet meer kunnen werken en verdienen, armlastig en komen zij dus ten laste van de gemeenschap. Deze omstandigheid nu is het die de Overheid het recht geeft om aan haar onderdanen de verplichting op te leggen te sparen, teneinde daarvan in de jaren dat zij voor werken te oud zijn te kunnen leven. Hier wordt gesproken van een verplichting welke wordt opgelegd door de Overheid, waarmede de commissie onder de huidige structuur der maatschappij de centrale Overheid bedoelt.

     Interessant is dat inmiddels enkele theoretici het begrip sociale verzekering verder hebben verdiept. De ondergetekenden doelen hier op prof. M.G. Levenbach en dr. G.M.J. Veldkamp.
     Eerstgenoemde omschrijft het begrip sociale verzekering in "Sociaal Maandblad", 2de jaargang, nr. 11, aldus: "Onder sociale verzekering in de ruimste zin is te verstaan het geheel van die instellingen of maatregelen, welke beogen aan personen, die tot een bepaalde groepering van economisch zwakkeren behoren, recht op een zekere prestatie te verschaffen in geval van intreden van omstandigheden, welke voor hen allen als mogelijkheid dreigen en welke tot gevolg hebben, hetzij dat hun inkomen (met name in verband met hun
rblz.|18 r.k.| arbeid) ophoudt of vermindert, hetzij dat voor hen zeer moeilijk te dragen uitgaven noodzakelijk worden, hetzij beide".
     Niet essentieel wordt door deze deskundige geacht dat er verband bestaat tussen individuele premiebetaling en individueel uitkeringsbedrag, noch dat er verband bestaat tussen individueel premiebedrag en individuele schade- of uitkeringskans.
     In zijn proefschrift "Individualistische karaktertrekken in de Nederlandse Sociale Verzekering" sluit
dr. Veldkamp nauw aan bij de door Levenbach gegeven definitie. Hij wijkt echter in één opzicht af, namelijk in zoverre hij ook aangeeft uit welke bron de middelen geput moeten worden welke nodig zijn om de prestaties te verschaffen. Hij acht deze aanvulling nodig om de sociale verzekering wél te onderscheiden van de sociale verzorging. Zijn definitie luidt dan aldus: "Onder sociale verzekering of sociaal-economische verzekering zullen wij verstaan: het geheel van die instellingen of maatregelen, welke beogen, door middel van heffingen op het inkomen of vermogen van de personen, die tot een bepaalde sociaal-economische groepering behoren, aan die personen recht op een zekere prestatie te verschaffen, in geval van intreden van omstandigheden, welke voor hen allen als mogelijkheid dreigen en welke tot gevolg hebben, hetzij dat hun inkomen ophoudt of vermindert, hetzij dat hun vermogen geheel of gedeeltelijk tenietgaat, hetzij dat voor hen zeer moeilijk te dragen uitgaven noodzakelijk worden, hetzij een combinatie van deze mogelijkheden".

     Dr. Veldkamp acht premiebetaling niet een conditio sine qua non voor het recht op uitkering, maar slechts een middel tot dekking der uitgaven. De aanspraak op prestaties is primair gebaseerd op het behoren tot een bepaalde sociaal-economische groepering en het optreden der eventualiteit, waaraan allen gemeenschappelijk onderworpen zijn.
     Zo vraagt men zich bijvoorbeeld bij de beoordeling van het recht op uitkering ingevolge de Ziektewet niet af of de werkgever de premie heeft betaald, doch of de arbeider verzekerd is in de zin der wet en of hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
     In een inleiding op 23 April 1950 gehouden voor de subgroep "sociale verzekering" van de Algemene R.K. Ambtenarenvereniging over de vraag
"staatspensionnering of ouderdomsverzekering" betrok prof. Romme bovenvermelde definities van prof. Levenbach en dr. Veldkamp in zijn beschouwingen. Hij was het met Veldkamp eens dat als de middelen maar komen uit het arbeidsinkomen van de verzekerden, men terecht van "verzekering" mag spreken - onverschillig hoe men uit die bron put. Het karakter van de sociale verzekering wordt ook naar zijn mening door dit "hoe" niet aangetast.
     De heer C.J. van Mastrigt verwijst naar deze inleiding in zijn tijdens de C.H. Zomerconferentie 1953 gehouden referaat over
"De ouderdomsverzekering in Nederland". Hij verklaarde met de conclusies van prof. Romme in te stemmen, zonder alles te onderschrijven wat deze in zijn inleiding heeft gezegd.

     Het rapport van de aan het slot van paragraaf 1.3 besproken gemengde commissie-Van Rhijn verscheen in Maart 1948.
     Wat de kring der verzekerden betreft, was de commissie van oordeel dat in beginsel de sociale verzekering behoorde te worden uitgebreid tot buiten de kring der loontrekkenden en dat die uitbreiding met name de groep der zelfstandigen diende te omvatten. Op deze wijze zouden allen die inkomen uit arbeid genieten bij de verzekering betrokken zijn. In het algemeen bestond bij de commissie geen bezwaar dat de ouderdomsverzekering ook nog het overige deel der bevolking zou omvatten. Men was evenwel van oordeel dat de omvang van de bevolkingsgroep welke valt buiten de kring der loontrekkenden en die der zelfstandigen, in verhouding tot de gehele bevolking betrekkelijk gering is, zodat een verplichte verzekering welke én de loontrekkenden én de zelfstandigen zou omvatten, geacht kon worden zich practisch tot het overgrote deel der bevolking uit te strekken. In overweging werd evenwel gegeven om in de wet de mogelijkheid open te laten om de
rblz.|19 l.k.| verzekering bij algemene maatregel van bestuur eventueel tot de groep buiten de kring der loontrekkenden en zelfstandigen uit te breiden.
     Ten aanzien van de prestaties was de commissie van mening dat de verzekering zou moeten voorzien in een op een noodzakelijk levensminimum gebaseerd bodempensioen, hetwelk zou kunnen worden aangevuld met uitkeringen uit de bedrijfs- en ondernemingspensioenfondsen, particuliere verzekeringen, e.d. Gaarne zou zij een ruimere voorziening in overweging gegeven hebben, ware het niet dat de economische omstandigheden dit beletten. De commissie zag niet voorbij dat velen die onder de toekomstige wettelijke regeling zouden vallen uitsluitend op de bodemvoorziening zouden zijn aangewezen. In verband hiermede diende het bodempensioen in beginsel niet lager te worden gesteld dan het bedrag waarmede, voor zover toen kon worden beoordeeld, in de primaire levensbehoeften kon worden voorzien. Ter vaststelling van het concrete bedrag der ouderdomsuitkering zou de commissie daarom in beginsel willen uitgaan van de uitkeringen krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening. In verband evenwel met de omstandigheid dat de inkomensaftrek en de gemeenteklasse-indeling naar het oordeel van de commissie in de toekomstige regeling geheel dienden te vervallen, zou niet dienen te worden uitgegaan van de absolute bedragen, genoemd in de Noodwet, doch zou de feitelijke gemiddelde uitkering krachtens die wet een richtsnoer moeten vormen voor het maximumbedrag der definitieve ouderdomsuitkering.
     Het was in het bijzonder de overgangsregeling waarbij de commissie zich voor grote moeilijkheden gesteld zag. Zou voor de zeer velen waarvoor nog in het geheel geen ouderdomsvoorziening werd getroffen en voor de zeer vele anderen waarvoor de volkomen onvoldoende regeling van de Invaliditeitswet gold, geen overgangsbepaling in het leven worden geroepen, dan zou eerst na tientallen van jaren een bevredigende toestand zijn verkregen, omdat dan eerst voldoende premie zou zijn opgebracht om daaraan aanspraak op een volledige uitkering te kunnen ontlenen. De commissie gaf in overweging om het bedrag van het pensioen in de overgangstijd te stellen op een percentage van het bodempensioen krachtens de definitieve regeling. Het scheen redelijk en gewenst dit percentage te stellen op 70 ingeval de uitkering in het geheel niet of nagenoeg in het geheel niet uit voor de betrokkene betaalde premiën kon worden gefinancierd en op een evenredig hoger percentage in de gevallen waarin de uitkering gedeeltelijk zou worden bekostigd door ten behoeve van de verzekerde betaalde premiën. Hierbij werd ervan uitgegaan dat ook bij de overgangsregeling geheel zou worden afgezien van het toepassen van inkomensaftrek. Hoelang de overgangsperiode zou moeten duren, werd niet concreet aangegeven.

     Toen een wetsontwerp gebaseerd op het rapport van de Gemengde Commissie vrijwel gereed was, ontving de ambtsvoorganger van de eerste ondergetekende een brief d.d. 8 Juni 1951 van de Raad van Vakcentralen waarin mededeling werd gedaan van de bij die Raad levende opvatting met betrekking tot een aantal hoofdzaken van een definitieve ouderdomsregeling. De aandacht werd voornamelijk gevestigd op een tweetal punten en wel in de eerste plaats op het probleem van de handhaving van de koopkracht van de pensioenen en in de tweede plaats op de wijze van inning van de premiën.
     Vooropgesteld werd dat een oplossing met betrekking tot het probleem van de handhaving van de koopkracht van de pensioenen niet onafhankelijk van de historische ontwikkeling in ons land kon worden gevonden. Er zou naar gestreefd moeten worden om de bedrijfspensioenfondsen, die vooral na de bevrijding hun plaats veroverd hebben, niet alleen een plaats te geven in de definitieve regeling, maar er zou bovendien naar gestreefd moeten worden om voor hen aan wie nog geen bedrijfspensioen wordt gewaarborgd een soortgelijke voorziening op korte termijn tot stand te brengen. De bedrijfspensioenfondsen zouden op het kapitaaldekkingsstelsel moeten worden gebaseerd. Gezocht zou moeten worden naar een zeker evenwicht tussen beide stelsels, op zodanige wijze dat aanpassing
rblz.|19 r.k.| van het pensioen aan de kosten van levensonderhoud, althans voor een belangrijk deel, mogelijk zou zijn.
     De besturen der vakcentralen zagen de oplossing aldus: voor die bedrijfstakken welke nog geen bedrijfspensioenfondsen kennen, zou moeten worden overgegaan tot het verplicht instellen van bedrijfspensioenfondsen of tot de verplichte instelling van één algemeen bedrijfspensioenfonds. In dit laatste geval zou, natuurlijk onder zekere voorwaarden, vrijstelling van de algemene bedrijfspensioenverzekering mogelijk moeten zijn zodra men in een bedrijfstak een eigen pensioenverzekering sticht.
     Voor de zelfstandigen zou de mogelijkheid moeten worden geopend om zich vrijwillig bij het betrokken bedrijfspensioenfonds c.q. het algemeen bedrijfspensioenfonds te verzekeren. Deze verzekering zou moeten worden gebaseerd op het aansprakenstelsel en zou dus een bepaalde nominale uitkering moeten garanderen.
     De uitkering van de bedrijfspensioenfondsen of het algemeen bedrijfspensioenfonds zou moeten worden aangevuld door de verplichte volksverzekering, en wel tot een bepaald percentage van het gemiddelde arbeidsloon in een bepaald jaar.
     Bij deze aanvulling zou moeten worden uitgegaan van een bepaalde wettelijk vastgestelde minimumuitkering door het bedrijfspensioenfonds, met andere woorden, indien enig bedrijfspensioenfonds een hogere uitkering dan de wettelijke zou wensen te verstrekken, dan zou deze hogere uitkering niet in mindering mogen komen op de aanvulling krachtens de volksverzekering. Hierdoor zou in de eerste plaats bereikt worden dat men eerder zou willen overgaan tot verhoging der bedrijfspensioenfondsen en in de tweede plaats dat op de duur de uitkeringen krachtens de bedrijfspensioenfondsen en de volksverzekering samen een hoger pensioen zouden kunnen garanderen.
     Wat het tweede punt, de wijze van inning der premiën, betreft, was de Raad van Vakcentralen tot de conclusie gekomen dat de premieheffing voor de volksverzekering zou moeten geschieden door middel van een bijdrage welke een percentage van het inkomen bedraagt. De aanslag en de inning van de premie voor de ouderdomsverzekering zou door het apparaat van de inkomstenbelasting tegelijk met de aanslag en de inning van de inkomstenbelasting dienen plaats te hebben.
     Deze brief van de Raad van Vakcentralen is mede voor de ambtsvoorganger van de eerste ondergetekende en de Staatssecretaris van Sociale Zaken aanleiding geweest om op 27 Maart 1952 aan de
Sociaal-Economische Raad advies te vragen omtrent beginselen, vorm en omvang van de toekomstige ouderdomsverzekering.
     Bij het verzoek om advies werden overgelegd een uitvoerige nota welke - in hoofdzaak - een nadere uitwerking bevatte van de grondgedachten van het advies van de Gemengde Commissie, alsmede de brief van de Raad van Vakcentralen.

     Intussen stelde het Centrum voor Staatkundige Vorming in 1952 opnieuw een commissie in, ditmaal staande onder voorzitterschap van prof. mr. W.C.L. van der Grinten, welke de opdracht kreeg het vraagstuk van de sociale voorzieningen voor zelfstandigen, voor zover mogelijk in zijn geheel, in studie te nemen.
     In het rapport van deze commissie, dat op 19 Mei 1953 het licht zag, onder de titel "Sociale voorzieningen voor zelfstandigen", werd als oplossing voor de oudedagsvoorziening voor zelfstandigen gezien een regeling in de trant van de Noodwet Ouderdomsvoorziening, gefinancierd uit de algemene middelen van de Staat. Deze regeling zou beperkt moeten worden tot die zelfstandigen die nooddruftig zijn en die voorts regelmatig als zelfstandige maatschappelijke arbeid hebben verricht.
     Het rapport van de commissie werd bestreden door prof. Romme in het "Katholiek Staatkundig Maandschrift" van Juli 1953. Uit het slot van zijn betoog blijkt, zoals ook reeds
rblz.|20 l.k.| naar voren kwam bij de behandeling van zijn ontwerp-Kinderbijslagwet, dat prof. Romme de rechtsgrond voor een verzekering van zelfstandigen ziet in de leer van de rechtvaardige prijs: "Zo goed als de loontrekkende uit zijn loon, moet de zelfstandige uit zijn prijs het onderhoud voor zich en zijn gezin en het onderhoud voor zijn oude dag kunnen verdienen. Niet bij wijze van staatsbedeling, maar uit de opbrengst van zijn werk".
     In een artikel "Middenstand en sociale wetgeving", opgenomen in het in 1952 door de Katholieke Middenstandsbond in het Bisdom 's-Hertogenbosch uitgegeven gedenkboek "Een halve eeuw zelfstandige middenstand in het Bisdom 's-Hertogenbosch", baseert
dr. W.L.P.M. de Kort de rechtsgrond voor verplichte sociale verzekering op de rechtvaardige verdeling van het arbeidsinkomen. De premie voor de sociale voorzieningen vormt een deel van het arbeidsinkomen en vloeit direct voort uit de prijs van product of dienst. Waar nu de prijs voor product en dienst niet hoog genoeg kan zijn om alle werknemers individueel een inkomen te bezorgen, hoog genoeg om op basis van vrije voorzieningen hun zekerheden te verwerven, daar is volgens dr. De Kort het systeem der collectieve verplichte sociale zekerheid voor een bepaalde maatschappelijke groep geschapen. Het probleem ligt evenwel voor de zelfstandigen niet anders: "Dat de prijs hoog genoeg zou kunnen zijn om de middenstander op basis van zelfstandigheid voor zijn zekerheden te doen zorgen, meent niemand".

     Ook in de kringen der protestant-christelijke politieke partijen bleef het vraagstuk de gedachten bezighouden. Zo constateerde de heer F.H. van de Wetering in zijn artikel "Sociale voorzieningen voor zelfstandigen, in het bijzonder de oudedagsvoorziening" in "Koningin en Vaderland" van 5, 12 en 19 Juni 1953, dat prof. F. de Roos over de functie die de middenstand in ons volk verricht voortreffelijke dingen had gezegd, die naar zijn gevoelen dan ook als rechtsgrond konden dienen voor het feit dat de Overheid mede verantwoordelijkheid voor de verplichte sociale verzekering voor zelfstandigen moet dragen. Gedoeld werd op de rede die prof. de Roos op 6 September 1950 heeft gehouden voor de Christelijke Middenstandsbond, waarin onder meer werd betoogd dat het dragen van risico en het uitoefenen van de ondernemersfunctie twee geheel verschillende functies zijn, die in principe in het bedrijfsleven door verschillende groepen van personen kunnen worden uitgeoefend. Volgens de heer Van de Wetering voegt de handel precies zoals de industriële en de agrarische producent waarde aan de goederen toe en voor deze toevoeging van waarde ontvangt hij een beloning, die dus ten volle het karakter van oorspronkelijk inkomen draagt. In dit inkomen ligt het element verzorging van de oude dag besloten. Het interessante van de zienswijze van prof. De Roos is, aldus de heer Van de Wetering, dat hij ook de loontrekkende en anderen risicodragers noemt en daarmede een oud stokpaardje ineens op stal heeft gezet.
     In deze gedachtengang achtte de heer Van de Wetering het verstaanbaar dat tegen het opnemen van zelfstandigen in een geheel de bevolking omvattend stelsel van sociale zekerheid geen principieel bezwaar behoefde te worden gemaakt. "Immers, het gaat bij de sociale zekerheid slechts om het vinden van gemeenschappelijke dekking tegen bepaalde ongunstige levenskansen die met de eigenlijke maatschappelijke functie van de betrokkenen geen verband houden, doch in het wezen van mens en maatschappij besloten liggen. Bovendien gaat de sociale zekerheid niet verder dan het waarborgen van een minimum aan bestaanszekerheid, zodat gevaar voor het wegnemen van de prikkel der individuele inspanning, bij een verstandig beleid, niet behoeft te worden geducht".
     De heer C.J. van Mastrigt kwam in zijn referaat gehouden tijdens de C.H. Zomerconferentie 1953, na onder meer te hebben opgemerkt dat het uitgesloten zou zijn de definitieve voorziening te beperken tot de loontrekkenden, nu alle Nederlanders, mits zij behoeftig zijn, van de noodwet kunnen profiteren en voorts
rblz.|20 r.k.| dat niemand, hoe goed gesitueerd ook, van te voren weet of hij op 65-jarige leeftijd toch niet een beroep op de gemeenschap zal moeten doen, tot de conclusie dat de verplichte ouderdomsverzekering voor allen zal moeten gelden die inkomen uit arbeid en/of vermogen genieten.

     Als voorbeeld van hetgeen op dit gebied aan werkgeverszijde leeft, mogen de ondergetekenden voorts nog de aandacht vestigen op het in September 1952 gepubliceerde "Rapport ouderdomsvoorzieningen" van het Centraal Sociaal Werkgeversverbond [C.S.W.V., red.]. In dit rapport wordt gesteld dat de Overheid niet alleen als taak heeft erop toe te zien dat voor een ieder de mogelijkheden worden opengehouden de zorg voor zichzelf en zijn gezin te effectueren en de behulpzame hand te bieden aan degenen die zichzelf niet kunnen helpen, doch de plicht heeft te bevorderen dat de leden van de gemeenschap maatregelen treffen ter voorziening, althans in de eerste levensbehoeften, op de oude dag en van de nagelaten betrekkingen.
     Maar ook al zou men hierin geen voldoende rechtsgrond kunnen zien voor een wettelijke verzekering, dan nog nopen de omstandigheden ertoe, aldus het rapport, deze toch tot stand te brengen. Juist de behoefte om zich zoveel mogelijk tegen muntontwaarding te wapenen, maakt onvermijdelijk dat de Overheid een wettelijke ouderdomsverzekering organiseert waarin de deelneming verplicht wordt gesteld. Alleen reeds redenen van techniek nopen naar de mening van het C.S.W.V. tot de aanvaarding van een wettelijk verplichte ouderdomsverzekering, ongeacht welke overwegingen van wijsgerig-maatschappelijke aard men daaraan overigens ten grondslag zou willen leggen.
     Omtrent de kring der verzekerden wordt dan verder nog gezegd dat wanneer men ervan uitgaat dat de Overheid de taak heeft de zelfverantwoordelijkheid der burgers te bevorderen, maar daarnaast geroepen is collectief de bevolking ertoe te brengen gemeenschappelijk de verzekering te organiseren om te voorkomen dat naderhand wellicht een beroep op armenzorg moet worden gedaan, daaruit dan principieel volgt dat allen tot deze nationale verzekering moeten worden toegelaten. Een voorziening als de onderhavige werkt immers op zulke lange termijnen dat niemand of nagenoeg niemand kan zeggen nooit in de situatie te zullen verkeren dat geen beroep op armenzorg behoeft te worden gedaan.

 

1.6. Het advies van de Sociaal-Economische Raad


     Het advies van de Sociaal-Economische Raad [S.E.R., red.] werd op 26 Februari 1954 vastgesteld en kort daarop, vergezeld van een minderheidsnota, aan de Regering aangeboden. Aangezien de leden van de Staten-Generaal ook in het bezit van dat advies zijn gesteld, mogen de ondergetekenden er mede volstaan hier slechts enkele hoofdzaken van het advies aan te stippen. Zij bepalen zich daarbij eerst tot het standpunt van de meerderheid om daarna de opvatting te bezien, neergelegd in de door enkele leden van de Raad uitgebrachte minderheidsnota.
     Na te hebben aangetoond dat relatief veel bejaarden wegens onvermogen, voortvloeiend uit hun maatschappelijke positie, onderschatting van toekomstige behoeften, waardedaling van het geld, nalatigheid of welke andere oorzaak dan ook, niet in staat zijn in hun onderhoud te voorzien indien zij zich wegens gevorderde leeftijd geen inkomen meer kunnen verwerven, spreekt de Raad uit dat het algemene morele besef met betrekking tot de naaste reeds vereist dat in de hierdoor ontstane nood wordt voorzien. Indien echter het ontbreken van een inkomen op de oude dag een algemeen maatschappelijk verschijnsel wordt, heeft de centrale overheid - zo de Raad - de plicht tot ingrijpen, niet alleen tot het wegnemen van de nood. Zij heeft evenzeer tot taak de maatregelen te treffen welke voorkomen dat een dergelijke situatie kan ontstaan.
     In aansluiting aan de historisch gegroeide ontwikkeling in ons land kan naar het oordeel van de Raad ook de wettelijke ouderdomsvoorziening het best in de vorm van een verplichte verzekering geschieden.
     De Raad geeft aan deze vorm de voorkeur, omdat daarin zowel het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid als dat
rblz.|21 l.k.| van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van allen die aan een gelijksoortig risico zijn onderworpen tot uitdrukking komt, zij het dat de plicht tot het bijdragen in de kosten en het verband tussen de rechten en het al of niet nakomen van de door de verzekering opgelegde plichten op verschillende manieren tot uitdrukking kunnen worden gebracht.
     Uit het bovenstaande volgt dat de Raad van mening is dat de overheid mag ingrijpen door het opleggen van een verzekeringsplicht welke de individuele vrijheid beperkt. Voor de meerderheid van de Raad is dit een rechtstreeks uitvloeisel van haar standpunt dat de zorg voor de oude dag primair berust op de belanghebbenden zelf, die de plicht hebben in het onderhoud van zichzelf en hun gezin te voorzien, ook voor de periode dat zij zich geen inkomen meer kunnen verwerven. Nu blijkens de ervaring deze verplichting door velen niet wordt nagekomen of niet kan worden nagekomen, heeft de overheid als behartigster van het algemeen belang naar het oordeel van de meerderheid het recht en de plicht de nodige maatregelen ter effectuering van deze plicht door belanghebbenden te treffen. De verplichte sociale verzekering, die immers mede berust op de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbenden, acht zij in de huidige omstandigheden de meest aangewezen vorm voor dit ingrijpen.
     Een aantal andere leden acht in een onbevredigende sociale situatie van een bevolkingsgroep reeds een voldoende grond gelegen voor overheidsmaatregelen tot het wegnemen daarvan. Dit op de verantwoordelijkheid van de gemeenschap voor het welzijn van zijn leden berustende ingrijpen kan, naar het oordeel van deze leden, verschillende vormen aannemen. Gegeven de historisch gegroeide verhoudingen geven ook deze leden de voorkeur aan een ouderdomsverzekering boven een andere vorm van ouderdomsvoorziening.
     Naar de mening van de Raad dient een verplichte ouderdomsverzekering voor alle ingezetenen, ongeacht hun nationaliteit en ongeacht de bron en de hoogte van hun inkomen, tot stand te komen.
     De verzekering zal aan ieder die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt een in beginsel gelijk bodempensioen moeten geven dat enige procenten boven het niveau van de uitkering krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening zal moeten liggen. Toepassing van een gemeenteclassificatie wordt niet op haar plaats geacht. Voor die loontrekkenden die niet krachtens de voor hen geldende arbeidsvoorwaarden rechten op een andere ouderdomsvoorziening naast het wettelijk bodempensioen kunnen doen gelden, zal het ouderdomsgedeelte van de Invaliditeitswet gehandhaafd dienen te blijven.
     De pensioenaanspraken zullen, naar de mening van de Raad, op een dergelijke wijze in de wet dienen te worden vastgelegd dat de reële waarde van de pensioenen geen andere wijzigingen ondergaat dan die welke overeenkomen met de wijzigingen in de algemene welvaart.
     De premie zal moeten bestaan uit een percentage van het inkomen en voor rekening van de verzekerde komen. Geen premie zal verschuldigd zijn over het inkomen boven ƒ6000.- dan wel boven het bedrag hetwelk bij een unificatie van de inkomensgrenzen voor de verschillende sociale verzekeringen zal worden vastgesteld. Voor de zelfstandigen wordt geadviseerd om, in verband met te verwachten moeilijkheden bij de inning der premie, bij een inkomen tot een zekere grens (bijvoorbeeld ƒ2000,- bij gehuwden) van premie-invordering af te zien en bij daarbij aansluitende inkomens tot aan een tweede grens (bijvoorbeeld ƒ3000,- bij gehuwden) een toenemend percentage der premie in te vorderen. Het niet-ingevorderde deel der premie zal voor rekening van de overheid dienen te worden genomen. In verband met de wijze van premievaststelling zullen degenen die zelf niet over inkomen beschikken van premiebetaling zijn vrijgesteld.
     Wat het financieringsstelsel betreft, spreekt de Raad zich uit voor het omslagstelsel, zowel op grond van algemene economische redenen als op grond van de overweging dat bij wisselende nominale pensioenaanspraken het kapitaaldekkingsstelsel geen doelmatige financieringsmethode is.
     De uitvoering van de verzekering zal centraal dienen te
rblz.|21 r.k.| geschieden door een onder toezicht van de Sociale Verzekeringsraad staand zelfstandig rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, met dien verstande dat de vaststelling en de inning van de premie niet door dit lichaam, doch door de belastingdienst zal dienen te geschieden. De apparatuur van de Rijksverzekeringsbank zou in het door de Raad gewenste uitvoeringsorgaan kunnen worden geïncorporeerd.

     Uit de bij het S.E.R.-advies overgelegde minderheidsnota, ondertekend door de professoren W.C.L. van der Grinten, M.J.H. Smeets en F.J.H.M. van der Ven, blijkt dat het belangrijkste verschil tussen meerderheid en minderheid in de S.E.R. is dat de laatste slechts een rechtsgrond aanwezig acht voor een verplichte verzekering van loonarbeiders en derhalve niet voor de niet-loontrekkenden. Ten aanzien van hun opvatting over de inhoud van het begrip "rechtsgrond" wordt in de nota verwezen naar de desbetreffende beschouwingen in het rapport "Sociale voorzieningen voor zelfstandigen", uitgegeven door het Centrum voor Staatkundige Vorming, hetwelk in de vorige paragraaf met de daarop geleverde critiek ter sprake is gekomen.
     Voor een optreden van de overheid ten aanzien van zelfstandigen bestaat naar het oordeel van de ondertekenaars van de minderheidsnota in beginsel slechts aanleiding voor zover het zelfstandigen betreft die niet in staat zijn zelf voor een ouderdomsvoorziening zorg te dragen. Evenals in vermeld rapport van het Centrum voor Staatkundige Vorming wordt ook hier voorgesteld bedoelde zelfstandigen te helpen door een regeling in de trant van de Noodwet Ouderdomsvoorziening.

 

1.7. Reacties op het advies van de Sociaal-Economische Raad


     Het ligt voor de hand dat een zo uitermate belangrijk rapport als dat van de S.E.R. over de toekomstige ouderdomsvoorziening allerwege in den lande de aandacht heeft gekregen die het verdient. Afgaande op de reacties die het heeft opgeroepen, kan geconstateerd worden dat het standpunt van de meerderheid van de Raad bij een zeer grote meerderheid van de politieke en maatschappelijke groeperingen van onze bevolking instemming heeft gevonden. De oude strijdvraag verzekering of staatspensioen is hierbij uiteraard niet onbesproken gebleven. Het standpunt van de minderheid van de Raad heeft vooral van rooms-katholieke zijde zowel instemming als bestrijding gevonden. De ondergetekenden mogen hier enkele reacties de revue laten passeren.
     De schrijver van de rubriek "Ten geleide" in "De Volkskrant" van 12 Maart 1954 zegt, na te hebben opgemerkt dat een sociale verzekering daar op haar plaats is waar men in verbondenheid leeft en zijn risico's in verbondenheid wil dragen, niet veel, of beter helemaal geen verschil te zien tussen loontrekkenden en zelfstandigen wat betreft het risico voor de oude dag. Ook wat de verplichting tot het opleggen van de verzekering aangaat, ziet de schrijver geen verschil tussen loontrekkenden en zelfstandigen. Inderdaad neemt de zelfstandige in het productieproces een wezenlijk andere positie in dan de loontrekkende. Dit zegt echter niets omtrent de sector der inkomensbesteding waar het hier om gaat. Hierin zijn de zelfstandigen even vrij als de arbeiders en hebben zij dezelfde verplichtingen. Hier is principieel geen verschil.
     De bezwaren van de Tilburgse hoogleraren lijken de schrijver dan ook niet van die aard dat de regeling die de S.E.R. aan de Minister adviseert ook maar ergens in tegenstelling zou zijn met de katholieke maatschappijbeginselen. In tegendeel, het betekent een belangrijke winst dat de verzekeringsgedachte en de solidariteitsgedachte, persoonlijke verantwoordelijkheid en onderlinge verbondenheid de basis uitmaken van wat hij hoopt dat zal zijn: de toekomstige zekerheid voor de ouden van dagen.

     Volgens "De Maasbode" van 11 Maart 1954 lijkt het standpunt van de meerderheid van de S.E.R. het enig mogelijke uitgangspunt voor een onmiddellijke en afdoende wettelijke regeling rblz.|22 l.k.| welke aanvaardbaar zal zijn - zij het hier en daar wel wat erg onder voorbehoud - voor de meerderheid van ons volk.
     In het nummer van 23 Maart 1954 van hetzelfde blad wordt evenwel gezegd dat het minderheidsvoorstel een nadere uitwerking zou verdienen, opdat zou kunnen blijken of de daartegen aangevoerde practische bezwaren wel steek houden. Mochten de bezwaren gering uitvallen, dan zou het blad er de voorkeur aan geven de zelfstandigheid van de zelfstandigen te respecteren en niet tal van mensen te dwingen tot iets waaraan zij geen behoefte hebben. Dit zou ook de consequentie zijn van het betoog van
"De Katholieke Werkgever", welk blad zich echter op grond van andere argumenten in beginsel aansluit bij het standpunt van de meerderheid van de S.E.R.

     Het door "De Maasbode" aangehaalde blad "De Katholieke Werkgever" schrijft in zijn nummer van 20 Maart 1954 dat het zich in zekere zin de in de minderheidsnota ontwikkelde argumentatie zeer wel kan indenken, doch op twee punten een andere mening huldigt. Enerzijds gelooft het blad dat het beroep op solidariteit dat aan de geprojecteerde sociale verzekering ten grondslag ligt zijn steunpunt vindt in het gemeenschapsbesef in de groep van allen die op volwaardige wijze aan het productieproces deelnemen en niet in een dergelijk besef in de groepen van loontrekkenden en zelfstandigen afzonderlijk. Anderzijds meent het dat de realiteit der onvoldoende eigen zorg, welke het verplichtingskarakter van een bodempensioen schraagt, eveneens bij de zelfstandigen wordt aangetroffen.
     Het blad sluit zich van harte aan bij de enkele leden van de S.E.R. die het standpunt dat geen vrijstelling van enige groep van de verzekeringsplicht moet worden gegeven, baseren op de overweging dat door het vrijstellen van individuen of groepen deze zich zonder meer zouden onttrekken aan het solidariteitselement, hetwelk in een stelsel van sociale verzekering aanwezig is, terwijl bovendien het vrijstellen van deze individuen of groepen op grote administratief-technische bezwaren kan sluiten.

     In A.R.-kring heeft het advies van de S.E.R.-meerderheid bestrijding gevonden door mr. W. Aantjes in "Anti-RevoIutionnaire Staatkunde" van October 1954. Deze schrijver baseert zijn standpunt grotendeels op uitlatingen die 40 tot 50 jaar geleden door Talma en Kuyper zijn gedaan. Hij ziet de sociale verzekering nog steeds in de volgens hem "klassieke" zin dat er een verband moet bestaan tussen de hoogte der uitkering en de te betalen premie, "hetgeen een wezenlijk kenmerk van elke verzekering is". Uit de totale premieopbrengst - aldus mr. Aantjes - wordt een bedrag uitgekeerd dat, behalve van andere factoren, ook afhankelijk is van de betaalde premie. De individuele uitkering staat in een bepaalde verhouding tot de individuele premie. Het is goed daarop te letten, nu in onze tijd een begrip verzekering wordt geïntroduceerd dat met het gebruikelijke begrip nauwelijks iets meer dan de naam gemeen heeft, doch (wat de ouderdomsverzekering betreft) materieel meer overeenkomst vertoont met wat wij gewoon zijn met de naam staatspensioen aan te duiden.
     In hetzelfde nummer van hetzelfde tijdschrift schrijft prof. dr. J.P. van Rooyen evenwel dat indien men als criterium stelt dat van een verzekering in de eigenlijke zin alleen dan sprake is indien de betrokkene de actuarieel te becijferen premie zelf betaalt, het door de S.E.R. geprojecteerde schema in genen dele als een ouderdomsverzekering kan worden beschouwd. Verlegt men daarentegen het zwaartepunt van de premiën naar de uitkeringen en stelt men dat het verlenen van pensioenaanspraken beslissend moet worden geacht, dan valt niet te ontkennen dat het plan van de S.E.R. een ouderdomsverzekering omvat.
     In het referaat getiteld
"De komende ouderdomsvoorziening", hetwelk de heer A.W. Biewenga Wzn. hield op de partijconferentie van de Anti-Revolutionnaire Partij op 13 en 14 October 1954, werd uiteraard ook aan dit vraagstuk aandacht geschonken. In zijn inleiding stelde de referent onder meer dat de Anti-Revolutionnaire Partij wil zijn een partij die staat midden in het leven van het volk, waarmee zij het contact rblz.|22 r.k.| niet wil en mag verliezen; een partij die ten volle wil rekening houden met de veranderingen die zich voltrokken in de periode die achter ons ligt en die thans bezig zijn zich te voltrekken. Uit de rest van het betoog blijkt dat de heer Biewenga de door de S.E.R. aanbevolen regeling als een "verzekering" kan aanvaarden, onder voorbehoud dat de kring der verzekerden dezelfde is als de kring der premieplichtigen. Hij heeft daarom in het algemeen bezwaar tegen het voorstel van de S.E.R. om degenen die geen inkomen genieten en dus geen premie kunnen betalen, in de verzekering op Ie nemen. Hij wil hierbij een zo ruim mogelijk standpunt innemen, maar de eenvoud van de voorgestelde voorziening, welke ook hij als één van de aantrekkelijke dingen ziet, wordt zijns inziens te ver doorgedreven.
     Het dagblad "Trouw" gaat nog een stapje verder en aanvaardt de door de S.E.R. aanbevolen regeling zonder enig voorbehoud als een verzekeringsstelsel. Het blad schrijft namelijk op 13 Maart 1954 in een beschouwing over het S.E.R.-advies
onder meer het volgende: "Het is dus een verzekering en het is geen staatspensioen, maar het is een verzekering waarbij het totaal der premiën betrekking heeft op het totaal der thans bestaande pensioenverplichtingen. De premie van een individu heeft niet meer betrekking op het pensioen van dat individu. De voordelen van het stelsel zijn duidelijk: er komt een bodempensioen voor iedereen. De Noodwet gaat verdwijnen. Het verzekeringsstelsel wordt gehandhaafd. Het volk als geheel verzekert het volk als geheel".

     In "De Volkskrant" van 12 Maart 1954 zegt voorts de schrijver van de rubriek "Ten geleide" onder meer dat de bezwaren, alsof de voorgestelde gang van zaken toch een verkapt systeem van collectivistische verzorging zou zijn, hem niet erg veel zeggen. "Er is daarvoor te bewust en te duidelijk naar het verzekeringssysteem gestreefd. Voor loontrekkenden wordt bijvoorbeeld de premie niet eens gedeeltelijk door de werkgever en de werknemer betaald, maar geheel door de werknemer; een formaliteit als men wil, maar toch wel een die iets zegt. Voor de jaren dat geen premie geïnd wordt, wordt het toekomstig ouderdomspensioen met twee percent verminderd. Voor hen, die geacht worden de premie niet te kunnen opbrengen, bij voorbeeld voor de zelfstandigen, die niet tot een jaarinkomen van ƒ2000,- komen, zal de slaat de premie moeten betalen. Deze factoren wijzen er wel op dat wij hier niet met een bestemmingsbelasting te maken hebben."

     In "De Verzekeringsbode" van 26 Maart 1954 schrijft prof. dr. M. van Haaften dat de manier waarop de begrippen verzekering en premie in het advies van de S.E.R. worden gehanteerd volkomen in overeenstemming is met de Wet op het Levensverzekeringsbedrijf 1922. Om in de trant van deze wet van verzekering te kunnen spreken, is het niet nodig, aldus prof. Van Haaften, "dat er verband bestaat tussen de hoogte van de uitkering, die een verzekerde ontvangt, en de premie, welke hij heeft betaald, zelfs niet dat hij zelf überhaupt enige premie heeft betaald".

     Volstrekt tegengesteld aan deze opvatting is wat prof. mr. P.J. Oud in "Elsevier" van 10 April 1954 schrijft, namelijk dat het "verzekeringsstelsel" van de S.E.R. uit verzekeringsoogpunt maar een wonderlijk geval is. Er wordt wel gestreefd naar evenwicht tussen het totaal der premiën en het totaal der uitkeringen, maar allerminst naar evenwicht tussen de individuele premie en de individuele uitkering. Draagt het stelsel van de S.E.R. in wezen veel meer het karakter van staatspensioen dan van verzekering, op één punt schijnt het anders, aldus prof. Oud. Wie een verschuldigde jaarpremie niet betaalt, zal daardoor zijn pensioen met 2% voor iedere niet-betaalde premie zien verminderd. Ook dit acht hij echter meer schijn dan wezen: bij een premie die zozeer het karakter van een belastingheffing draagt, is de vermindering van het pensioen in feite een straf op wanbetaling van verschuldigde belasting. Slechts voor hen die wegens verblijf in het buitenland tijdelijk geen premie hebben betaald en uit dien hoofde een verminderd rblz.|23 l.k.| pensioen zullen ontvangen, is het anders. De schrijver ziet dit inderdaad als een concessie in de richting van verzekering, doch hij meent dat dit, gezien het geringe aantal personen dat het hier betreft in verhouding tot de gehele bevolking, meer de uitzondering is die de regel bevestigt.

     In "Vrijheid en Democratie" van 20 Maart 1954 constateert de R. met voldoening dat het S.E.R.-advies in zijn hoofdlijnen beantwoord aan de opvattingen die in liberale kringen ten deze gelden. De wetgever die een regeling in deze geest tot stand brengt, verricht een weldaad jegens ons volk, aldus de schrijver.

     Uit de redevoering die hij op 20 Maart 1954 hield in een studieconferentie voor het C.N.V. [Christelijk Nationaal Vakverbond, red.] blijkt dat de heer C.J. van Mastrigt, hoewel hij het geheel overziende niet ontevreden is, een aantal bedenkingen tegen het S.E.R.-advies heeft.

     In een resolutie die op 8 April 1954 werd aangenomen door de Raad van Overleg voor sociaal-economische aangelegenheden van het Katholiek bureau voor maatschappelijk en cultureel overleg, bestaande uit de besturen van de Algemene Katholieke Werkgevers-Vereniging, de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, de Nederlandse Katholieke Middenstandsbond, de Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging, de St. Adalbertvereniging en de Katholieke Standsorganisatie voor de Werkende Middenstand, wordt grote voldoening uitgesproken over het tot stand komen en de strekking van het advies van de S.E.R. Daarbij werd, na onder meer te hebben overwogen dat de argumenten welke pleiten voor deze oudedagsvoorziening op basis van een systeem van sociale verzekering, in het algemeen gelijkelijk van kracht zijn ten aanzien van de groepen der Ioon- en salaristrekkenden en de zelfstandigen, als oordeel uitgesproken dat het advies de verzekeringsgedachte als grondslag heeft.

     Het N.V.V. wijdde op 10 April 1954 een buitengewoon congres aan de ouderdomsvoorziening. In de met algemene stemmen door dit congres aangenomen resolutie wordt onder meer warme instemming met het advies van de S.E.R. betuigd.
     In een artikel "Over de ouderdomsvoorziening" in "Socialisme en Democratie" van Mei 1954 schrijft ir. H. Vos, die als voorzitter van de door de S.E.R. ingestelde subcommissie een zeer werkzaam aandeel in de totstandkoming van het advies heeft gehad, dat zich als het ware vanzelf opdringt het maken van een vergelijking tussen de voornemens van de Regering zoals zij waren neergelegd in de aan de S.E.R. overgelegde "Nota inzake de toekomstige ouderdomsvoorziening" en het advies van de S.E.R., waarbij dan tevens betrokken kan worden het zogenaamde plan van de Raad van Vakcentralen. Zowel aan de opstelling van de regeringsnota als aan de opstelling van het "plan" en van het advies van de S.E.R. hebben leden van de Partij van de Arbeid die op politiek belangrijke plaatsen staan, medegewerkt. Dit betekent dat de verschillen tussen de onderscheiden voorstellen over het algemeen zullen liggen in het practische en niet in het principiële vlak. "Misschien doe ik beter met te zeggen", aldus ir. Vos, "dat de noodzaak om te komen tot een definitieve ouderdomsvoorziening telkens zo sterk is gevoeld dat men er steeds van is uitgegaan dat elke oplossing beter is dan geen oplossing. Aan de verschillende voorgestelde projecten hebben telkens ook anderen dan leden van de Partij van de Arbeid in belangrijke mate medegewerkt. Dat ten slotte het advies van de S.E.R. met zulk een grote meerderheid op de hoofdpunten is aanvaard, geeft meen ik ook aan dat voor vrijwel allen in den lande, die zich met het vraagstuk van de ouderdomsvoorziening bezighouden, dit zelfde heeft gegolden. Elke oplossing is beter dan geen oplossing."
     Als één van de redenen waardoor in de S.E.R. deze grote mate van eenstemmigheid is bereikt, voert de schrijver aan dat telkens de gegevens en de cijfers de grondslag vormden van de discussie en niet in de eerste plaats de theoretische opvattingen.

     rblz.|23 r.k.| In "Het Vrije Volk" van 15 Maart 1954 schrijft de heer J.J.A. Berger dat het de verdienste is geweest van het plan van de Raad van Vakcentralen, waarvan het advies van de S.E.R. naar zijn mening niet zo heel veel afwijkt, dat het heeft gepoogd aan de tegenstelling tussen verzekering en staatspensioen definitief een eind te maken.
     In "Socialisme en Democratie" van Juli 1954 laat mr. H.B.J. Waslander evenwel een geheel ander geluid horen. Hij beschouwt het als een verdienste dat de S.E.R. zich door grote zakelijkheid heeft laten leiden en daarbij vele knopen heeft doorgehakt. Toch meent hij dat juist op dit punt critiek gerechtvaardigd is: zakelijkheid op het technische vlak juicht hij toe, doch hij wil niet als "zakelijk" prijzen dat ook meer principiële knopen zijn doorgehakt.
     Zou de S.E.R. hebben toegegeven dat het aanbevolen stelsel geen verzekering is en ook geen staatspensioen, maar dat de terminologie van de verzekering was gekozen, dan zou schrijver eerder bereid en in staat zijn geweest te volgen dan nu de S.E.R. doet, alsof het duidelijk een verzekering is en alsof het plan vanuit sociaal-psychologisch standpunt de merites zou hebben van een sociale verzekering en niet veeleer de voor- en nadelen die tot dusver aan een premievrij staatspensioen verbonden worden geacht. Erkend wordt dat sommige beoefenaars van het arbeidsrecht, die het begrip sociale verzekering steeds meer zijn gaan uitbreiden, het de S.E.R. wel gemakkelijk hebben gemaakt.

     Ten slotte willen de ondergetekenden nog vermelden dat in het op 8 April 1954 door de Bond voor Staatspensionnering gehouden buitengewone congres na een inleiding van de heer C.J. van I.ienden met algemene stemmen een resolutie werd aangenomen waarin voldoening werd uitgesproken over de in het advies van de S.E.R. ontwikkelde voorstellen die naar verbetering van het lot der ouden van dagen zullen leiden en werd vastgesteld dat een eventuele wettelijke regeling op basis van dit advies op een aantal punten tegemoetkomt aan datgene wat gedurende tientallen jaren door deze Bond is gepropageerd, al is het ook geen staatspensioen.

 

2. De les der geschiedenis: een synthese


     Het in het vorige hoofdstuk vervatte historische overzicht hebben de ondergetekenden opzettelijk niet beperkt gehouden tot een opsomming van feitelijke gebeurtenissen. Veeleer is getracht ook de ontwikkeling in de denkbeelden ter zake van de ouderdomsvoorziening te schetsen. In ons geestelijk en politiek zo rijk geschakeerde land is het tot stand brengen van een voor een meerderheid aanvaardbaar compromis vaak noodzakelijk en in zich ook in het geheel niet verwerpelijk. Toch kleeft aan compromisoplossingen het nadeel dat zij vrijwel niemand geheel bevredigen, omdat zekere halfslachtigheid daarbij niet te vermijden is.
     Bij de definitieve oplossing van het probleem der oudedagsvoorziening behoeft nu eens niet met een compromis genoegen genomen te worden. De door de S.E.R. voorgestelde oplossing is, gelijk de eerste ondergetekende al eens in de Tweede Kamer mocht opmerken, instede van een niemand bevredigend compromis, een synthese die uit een jarenlange worsteling met de problematiek thans tevoorschijn komt.
     De ondergetekenden willen trachten in dit hoofdstuk hun opvatting ten aanzien van enkele grondslagen der ontworpen regeling nader te adstrueren. Deze grondslagen betreffen: de rechtsgrond, het stelsel (verzekering of verzorging, welke soort van verzekering), de kring der verzekerden (alleen arbeiders, ook zelfstandigen of allen) en de waardevastheid der uitkeringen. Het bleek niet goed mogelijk deze vraagstukken, die onderling zeer nauw verbonden zijn, hier geïsoleerd te behandelen.

     Aanvankelijk speelden, voor wat de rechtsgrond voor een verplichte wettelijke ouderdomsverzekering betreft, vooral twee overwegingen een rol. Gesteld werd dat uit het arbeidsloon ook de middelen verkregen moeten kunnen worden om te voorzien rblz.|24 l.k.| in de behoeften van de oude dag. Door invoering van een wettelijke verzekeringsplicht waarvoor de werkgever de premie heeft op te brengen, schept de overheid de gewenste situatie waarin de arbeider zijn "rechtvaardig loon" verkrijgt.
     De tweede overweging, welke met betrekking tot de rechtsgrond van den beginne af een rol gespeeld heeft, was dat de gemeenschap het recht en de plicht heeft om zich tegen armlastigheid van een groot deel der bejaarden te beschermen door verzekeringsplicht op te leggen. In het eerste hoofdstuk van deze memorie bleek dat men deze opvatting in latere jaren nog meer dan eens ontmoet.
     In Talma's opvattingen, die in de ouderdomsrente "uitgesteld loon" ziet, vindt men de gedachte aan bescherming van de gemeenschap terug, zij het in een andere vorm. Hij stelt dat de wijzigingen in de voortbrengingswijze (waarmee hij kennelijk de proletarisering bedoelt) de Staat noodzaken ervoor te zorgen dat deze door de Staat beschermde maatschappelijke verhoudingen niet tot gevolgen leiden die het rechtsbesef ondermijnen.
     Zeer merkwaardig is dat dr. Kuyper in beginsel eigenlijk geen rechtsgrond voor het opleggen van een verzekeringsplicht van staatswege ziet. Hij constateert eenvoudig dat bij de werklieden sedert jaren het verlangen naar zulk een regeling levendig was. Blijkbaar achtte hij dit een voldoende grond om een wetsontwerp ter zake in te dienen.
     De socialisten baseren in die dagen hun eis tot het treffen van wettelijke maatregelen ter voorziening in de nood der ouden van dagen (door middel van staatspensioen) op de meerwaardetheorie. De arbeider zou in zijn loon niet de volle waarde van zijn arbeid vergoed krijgen en derhalve aanspraak hebben op een ouderdomsuitkering, zonder dat daarvoor nog eens afzonderlijk premie betaald behoefde te worden.
     Het is duidelijk dat zowel de theorie omtrent het "rechtvaardig loon" als de meerwaardetheorie uitgaan van de gedachte dat de arbeider tekortgedaan is en dat in zijn oudedagsverzorging (of deze nu door een verplichte verzekering of door staatspensioen wordt tot stand gebracht) een compensatie daarvoor gegeven dient te worden.
     Nolens stak in 1911 zijn voorkeur voor een systeem van vrijwillige verzekering niet onder stoelen of banken en motiveerde zijn aanvaarding van een door de overheid opgelegde verplichting uitsluitend op practische overwegingen.
     De commissie-Engels (van het Centrum voor Staatkundige Vorming) poneert in 1951 de stelling dat er een op het natuurrecht gefundeerde verplichting is voor de mens om door arbeid te zorgen voor de oude dag van zich en de zijnen. De practijk leert dat velen dat niet kunnen of niet doen. Zij worden dan op hun oude dag armlastig en dit levert voor de Staat de rechtsgrond op om hen te dwingen tijdens hun actieve periode te sparen voor later. Hier verdiept men zich, om het zo uit te drukken, niet meer in de schuldvraag of de arbeider tekortgedaan is of niet. Men stelt slechts vast dat er een maatschappelijke nood bestaat en vindt daarin voldoende aanleiding voor dwingend ingrijpen van staatswege.
     Het Centraal Sociaal Werkgeversverbond komt tot een soortgelijke constructie als het in 1952 uitspreekt dat de Overheid de plicht heeft te bevorderen dat de leden der gemeenschap maatregelen treffen ter voorziening althans in de eerste levensbehoeften op de oude dag en van de nagelaten betrekkingen.
     Een nieuw element brengt de S.E.R. in de opvattingen over de rechtsgrond voor overheidsingrijpen ter zake van de oudedagsvoorziening door in zijn advies te betogen dat de centrale overheid de plicht heeft tot ingrijpen indien het ontbreken van inkomen op de oude dag een algemeen maatschappelijk verschijnsel wordt. In de hierdoor ontstane nood vereist het algemeen moreel besef ten opzichte van de naaste dat wordt ingegrepen. Niet alleen om de nood te lenigen, maar ook om deze in de toekomst te voorkomen.
     In R.K.-kringen is de opvatting omtrent het "rechtvaardig loon", dat voldoende zou moeten zijn om daaruit ook de zorg voor de oude dag te kunnen bekostigen, vervangen door de gedachte van de "rechtvaardige prijs", uit welke prijs allen, dus
rblz.|24 r.k.| ook de zelfstandigen die aan de totstandkoming van het product hebben meegewerkt, niet alleen hun dagelijks levensonderhoud, maar ook de zorg voor hun oude dag moeten kunnen bekostigen. De gedachtengang op zichzelf lijkt aanvaardbaar. In de concrete werkelijkheid valt echter nimmer uit te maken of een bepaald inkomen uit arbeid nu inderdaad voldoende is om daaruit de zorg voor de oude dag ook werkelijk te kunnen bekostigen. Zou men uitsluitend oordelen naar de stijging van de inkomens zoals deze in de laatste tientallen van jaren is tot stand gekomen, dan is men geneigd de vraag voor vrijwel alle inkomens bevestigend te beantwoorden. Houdt men er echter rekening mee dat techniek en wetenschap in dezelfde periode de behoeftebevredigingsmiddelen en daarmee de behoeften zelf verveelvoudigd hebben, dan aarzelt men. Of een bepaalde persoon in staat is iets of veel voor zijn oude dag uit zijn inkomen te reserveren, hangt niet in de eerste plaats af van de objectieve hoogte van zijn inkomen, maar van het gevoelde welvaartstekort en dat is een zeer subjectief gegeven, te subjectiever omdat de omstandigheden in de onderscheidene gezinshuishoudingen zo sterk uiteenlopen. Vaststellen of in een concreet geval sparen voor de oude dag achterwege gebleven is omdat "de rechtvaardige prijs" niet verkregen werd, dan wel uit zorgeloosheid of door andere omstandigheden, is derhalve niet mogelijk. Nog veel onmogelijker is het dit te constateren voor bepaalde maatschappelijke groeperingen in haar geheel.
     Het is dan ook niet verwonderlijk dat velen er de voorkeur aan geven zich niet langer te verdiepen in de vraag of de arbeider dan wel de zelfstandige, dan wel beiden, in hun loon respectievelijk inkomen tekortgedaan werden wanneer zij niet voor de oude dag hebben gezorgd. Men stelt eenvoudig het feit van de bestaande nood vast en leidt daaruit, gezien ook de solidariteit ten opzichte van de niet meer tot werken in staat zijnde naaste, de noodzaak voor de Staat af om in het algemeen belang in te grijpen en een wettelijke regeling te treffen.
     Deze rechtsgrond leidt niet automatisch - gelijk de rechtsgrond van het
"rechtvaardig loon" wel doet - tot de conclusie dat er een wettelijk geregelde verzekeringsplicht moet worden opgelegd. Ook de wel gebezigde rechtsgrond dat de samenleving zich tegen armlastigheid van een groot deel zijner bejaarde leden moet beschermen, kan evengoed tot een verzorgings- als tot een verzekeringsstelsel leiden.
     Wanneer de ondergetekenden dus concluderen dat, op welke motieven dan ook, de overgrote meerderheid van ons volk aanvaardt dat de overheid het recht en de plicht heeft om enigerlei vorm van oudedagsvoorziening tot stand te brengen (en de volksvertegenwoordiging maakte zich tot tolk van deze communis opinio door met algemene stemmen de Noodwet Ouderdomsvoorziening in 1947 te aanvaarden, ondanks bezwaren tegen sommige onderdelen van de regeling), dan is daarmee de vraag nog niet beantwoord volgens welk systeem deze oudedagsvoorziening moet worden tot stand gebracht.
     De voorvechters van staatspensioen, voor zover deze uit socialistische kring stamden, waren van mening dat de arbeiders die ten bate van de gehele gemeenschap gewerkt hadden slechts een deel van het hun toekomende loon ontvangen hadden, zodat zij niet op de werkgevers, maar op de gemeenschap in haar geheel een claim hadden om op hun oude dag zonder premiebetaling een uitkering voor levensonderhoud te ontvangen.
     De voorstanders van de verzekeringsgedachte hebben hun voorkeur voor de
"verzekering" aanvankelijk vooral sterk met negatieve argumenten verdedigd. Staatspensioen zou "bedeling" zijn. Staatspensioen zou geen "recht" op een uitkering geven en dus neerkomen op staatsarmenzorg. Voorts werden de hoge kosten verbonden aan staatspensioen als een bezwaar aangevoerd, alsook het feit dat men via staatspensioen wel in de zorg voor de oude dag kon voorzien, maar niet in de gevolgen van invaliditeit.
     Zoals hierboven werd weergegeven, impliceerde de rechtsgrond welke Talma, Aalberse en anderen zagen voor staatsingrijpen ten bate van de oude arbeider, een oplossing via wettelijk verplichte verzekering. De werkgever diende te worden verplicht een
"rechtvaardig loon" te betalen, dat in twee rblz.|25 l.k.| delen uiteenviel, een deel voor onmiddellijke consumptie en een deel dat via verzekering gereserveerd werd voor de oude dag. Hierop sluit logisch aan dat de premie voor de Invaliditeitswet geheel door de werkgever wordt betaald. Hieruit blijkt wel dat destijds het later zo vaak gehoorde argument ten gunste van verzekering, namelijk dat deze ertoe bijdraagt dat de verzekerde zich persoonlijk mededrager voelt van de verzekering waaraan hij zelf meebetaalt, slechts op de achtergrond meespeelde.
     Met het in onbruik raken van de meerwaardetheorie kreeg de voorkeur van de socialisten voor staatspensioen een meer practisch accent.
     De niet-socialistische voorstanders van staatspensioen, die men niet uitsluitend, maar wel in hoofdzaak in liberale en vrijzinnig-democratische kring vond, voerden het pleit voor staatspensioen óók vooral aan de hand van practische argumenten. Samenvattend kwamen deze argumenten ongeveer op het volgende neer. De onmogelijkheid om van deze groep regelmatig premie te innen en deze premie vast te stellen, sluit bij een verzekeringsstelsel de (kleine) zelfstandigen van de regeling uit. Ten onrechte naar veler mening.
     Aanvankelijk betoogden sommige voorstanders van een ouderdomsverzekering dat er voor het opnemen van zelfstandigen daarin geen rechtsgrond was. Andere voorstanders van de
"verzekering" zagen geen principieel bezwaar tegen opneming van de (kleine) zelfstandigen, doch zagen geen kans de practische moeilijkheden die zich daarbij voordeden op te lossen. Weer anderen verklaarden (nog) geen aanleiding te zien om in de vrijheid van de zelfstandigen in te grijpen, zo bijvoorbeeld Nolens. Maar de voorstanders van staatspensioen hebben hun voorkeur voor dat stelsel bijna altijd ook op de noodzaak om de kleine zelfstandigen daarin te betrekken, gebaseerd.
     In de latere jaren, en met name na 1945, wint de opvatting dat ook de kleine zelfstandigen onder een wettelijk geregelde verplichte ouderdomsvoorziening zouden moeten vallen steeds meer veld.
     Reeds vóór de Tweede Wereldoorlog had de Koninklijke Nederlandse Middenstandsbond zich in tegenstelling tot de beide confessionele middenstandsorganisaties voor een algemene ouderdomsregeling uitgesproken.
     Een commissie uit N.V.V. en S.D.A.P. verlangde in 1938 een algemene regeling van staatspensioen (dus niet alleen voor loontrekkenden), doch kwam tot de conclusie dat als aanvulling op dit staatspensioen verzekeringsregelingen nodig zouden zijn. Een nieuw element dus in de gedachtenwereld van de voorstanders van staatspensioen.
     Bij de behandeling in 1939 van de door prof. Romme verdedigde Kinderbijslagwet in de Tweede Kamer stelden én de Minister én een groot deel der Kamerleden zich op het standpunt dat de kleine zelfstandigen onder de kinderbijslag- en onder een aantal andere socialeverzekeringswetten behoren te vallen. Prof. Romme week slechts voor technisch-administratieve moeilijkheden.
     De commissie-Van Bruggen stelde zich (in 1942) op het standpunt dat de kleine zelfstandigen ook tot de economisch zwakke groepen behoren en dat zij derhalve onder een aantal socialeverzekeringswetten dienen te vallen. De commissie-Van Rhijn ging onder de invloed van in de oorlog ontstane denkbeelden inzake sociale zekerheid, nog een stap verder en betoogde dat de Staat aansprakelijk is voor de sociale zekerheid van een ieder die het redelijke doet om zich die sociale zekerheid zelf te verschaffen.
     Op het congres van de Vereniging van Raden van Arbeid in 1946 sprak een politiek gesproken zeer gemengd gezelschap zich uit voor een uitbreiding van de kring van sociaalverzekerden tot de kleine zelfstandigen.
     De wenselijkheid om de (kleine) zelfstandigen in een wettelijk geregelde ouderdomsverzekering op te nemen, werd in de jaren na de oorlog steeds minder in twijfel getrokken. In het parlement bestond daarover een communis opinio, hetgeen bleek toen in 1947 de Noodwet Ouderdomsvoorziening,
rblz.|25 r.k.| die ook de kleine zelfstandigen in de regeling opnam, met algemene stemmen werd aanvaard.
     Behalve de onmogelijkheid om kleine zelfstandigen te
"verzekeren", hadden de voorstanders van staatspensioen nog andere pijlen op hun boog tegen het verzekeringsstelsel. Zij voerden aan dat bij zuivere toepassing het nog enkele tientallen jaren zou moeten duren aleer een verzekeringsstelsel tot redelijke uitkeringen zou kunnen leiden. Weliswaar kan men daarin voorzien door een overgangsregeling, maar daarvoor moet uit de algemene middelen geput worden en aldus introduceert men elementen van staatspensioen in de verzekering. Het waren deze opmerkingen die in 1929 Minister Verschuur reeds deden zeggen dat de afstand tussen de voorstanders van verzekering en van staatspensioen niet zo groot was als hij wel leek.
     Een bezwaar dat ook aan een orthodox systeem van ouderdomsverzekering, dat een kapitaaldekkingsstelsel impliceert, inhaerent is, is de weerloosheid tegen geldsontwaarding. Dat dit vooral in de oorlogs- en naoorlogsjaren sterk ging spreken, ligt voor de hand. Het is in een orthodox verzekeringsstelsel niet mogelijk gebleken de renten aan stijgende welvaart aan te passen, zonder omvangrijke financiële offers van de overheid. Voorts levert ook de belegging van de enorme reserves die in een orthodox verzekeringsstelsel ter dekking van de aanspraken moeten worden gevormd de nodige bezwaren en moeilijkheden op.
     Ten slotte was gebleken dat de met speciale faciliteiten gesteunde mogelijkheid om zich vrijwillig te verzekeren voor een ouderdomsrente (V.O.V. [Vrijwillige Ouderdomsverzekering, red.]) maar matige resultaten had opgeleverd. Evenmin als de loontrekkende lukt het blijkbaar de kleine zelfstandige om duurzaam een deel van zijn inkomen voor de oude dag te bestemmen wanneer daartoe geen wettelijke verplichting bestaat.
     Het lijkt verwonderlijk dat onder invloed van al deze overwegingen na de bevrijding de beweging voor staatspensioen maar weinig aan invloed bleek te hebben gewonnen. Dit stelsel immers was, althans onder de vooroorlogse verhoudingen en bij de vooroorlogse opvattingen, het middel bij uitstek om alle genoemde desiderata en bezwaren tot een oplossing te brengen, ook al hadden vele voorstanders van staatspensioen vóór de oorlog al ingezien dat men er met staatspensioen alleen ook niet kwam.
     Dat nochtans een krachtige opbloei van de beweging voor staatspensioen is uitgebleven, kan wellicht verklaard worden uit de grotere nadruk welke kwam te liggen op de persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid. Een reactie misschien op de volstrekte negatie van dit besef in de autoritaire staten? Hoe dit zij, veler voorkeur ging en gaat uit naar een systeem van oudedagsvoorziening dat aan alle verzekerden het verband tussen de offers (de premiën) en de lusten (de renten) duidelijk voor ogen stelt. Bij staatspensioen is dit verband er voor de collectiviteit ook wel, maar het bestaat niet voor de zorgeloze en het is voor alle gewone stervelingen in elk geval tamelijk
"onzichtbaar".
     Hoe echter in een verzekeringssysteem de hiervoor gereleveerde zeer ernstige bezwaren te ondervangen? Hier kwam de wetenschap te hulp. Gelijk uit hoofdstuk 1 blijkt, lieten wetenschappelijke beoefenaren der sociale wetenschappen het standpunt los dat slechts dan van
"verzekering" gesproken zou mogen worden wanneer er een evenredigheid bestaat tussen de voor en/of door een verzekerde betaalde premiën en de aan deze verzekerde uit te keren rente. Een veel ruimere opvatting kwam in de plaats van het orthodoxe verzekeringsbegrip. Van sociale verzekering is volgens deze opvatting sprake indien een groep van personen uit inkomen of vermogen bijdraagt aan een fonds waaruit uitkeringen gedaan worden aan personen tot dezelfde groep behorende, ingeval bepaalde calamiteiten die de hele groep bedreigen werkelijkheid worden. In een dusdanig systeem wordt financiering door middel van een omslagstelsel mogelijk, hetgeen een aanpassing van de renten aan eventuele geldsontwaarding of stijgende dan wel dalende welvaart binnen het bereik der mogelijkheden brengt. Zulk een systeem maakt voorts rblz.|26 l.k.| de opstapeling van enorme kapitalen overbodig. Ook de wijze van premievaststelling en -inning werd niet langer als één van de criteria voor het bestaan van een verzekeringsstelsel gezien. Dientengevolge kon in deze conceptie ook bij een verzekeringssysteem het vraagstuk van de premievaststelling en -inning van kleine zelfstandigen tot een doeltreffende oplossing worden gebracht door het aan de belastingdienst op te dragen.
     Dat de nieuwe conceptie van het begrip sociale verzekering niet pour besoin de la cause in Nederland is uitgedacht, blijkt behalve uit de internationale litteratuur, ook uit de in hoofdstuk 1 geciteerde uitspraak van een commissie van het Internationaal Arbeidsbureau.
     En zie daar dan de synthese. Een verzekeringsstelsel dat zo is opgezet dat het vrijwel alle door de voorstanders van staatspensioen geopperde bezwaren tegen
"verzekering" kan ondervangen, zonder nochtans wezenlijk tekort te doen aan een duidelijk zichtbaar verband tussen offer en uitkering, sterker nog, dat allen volgens een beperkt draagkrachtbeginsel dwingt een offer te brengen.
     Tot dusver was bij de bespreking van de vraag of de ouderdomsverzekering buiten de kring van de loontrekkenden uitgebreid diende te worden steeds sprake van
"kleine" zelfstandigen. Heeft het inderdaad zin de opneming van zelfstandigen in een wettelijke verplichte ouderdomsverzekering te beperken tot "kleine" zelfstandigen? Zijn er zelfstandigen of andere niet-loontrekkenden van wie met voldoende zekerheid vaststaat dat zij te zijner tijd zelf voor hun levensonderhoud kunnen zorgen wanneer zij de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben? De grote calamiteiten welke de wereld getroffen hebben en wederom kunnen treffen - oorlogen, revoluties, natuurrampen, economische crises -, hebben ons te dien aanzien in ons oordeel heel wat voorzichtiger gemaakt dan men vroeger was. Maar ook de wisselvalligheden in het persoonlijk lot zijn zo groot dat vrijwel niemand zeker weet of hij niet te eniger tijd zoveel op zijn bezit moet interen of tot afkoop van eenmaal gesloten verzekeringen moet overgaan dat tegen alle verwachtingen in op 65-jarige leeftijd de ouderdomsrente een zeer welkome mogelijkheid is. Het bestaan van de "vergeten groepen" is een baken in zee. De ondergetekenden zijn dienovereenkomstig met de S.E.R. van mening - zij komen hierop in hoofdstuk 3 nog uitvoeriger terug - dat het niet juist zou zijn personen met hogere inkomens van de komende verplichte ouderdomsverzekering uit te sluiten.
     Uit het voorgaande blijkt dat uit de eertijds zo sterk divergerende meningen ten aanzien van rechtsgrond, vorm en inhoud der voorziening en kring van verzekerden een zodanige mate van overeenstemming is ontstaan dat het thans mogelijk geacht moet worden met instemming van de overgrote meerderheid der beide Kamers van de Staten-Generaal een systeem van wettelijke verplichte ouderdomsverzekering voor alle Nederlanders in te voeren.
     In stede van een bedreiging voor het besef van persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid zien de ondergetekenden in het thans voorgestelde verzekeringsstelsel veeleer juist een aan de huidige maatschappelijke verhoudingen aangepaste mogelijkheid om met deze persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid op het stuk van de oudedagsvoorziening ernst te maken.
     De rechtsgrond voor zulk een voorziening zouden de ondergetekenden aldus willen formuleren:
     In de huidige maatschappelijke verhoudingen kan de gedachte van de persoonlijke verantwoordelijkheid ook voor het materieel bestaan tijdens de oude dag slechts op vruchtbare wijze gerealiseerd worden door middel van een stelsel van verplichte algemene ouderdomsverzekering. Derhalve heeft de staat in het algemeen belang de plicht en het recht om zulk een verzekering tot stand te brengen.

 

3. Kring der verzekerden


     Uit de beschouwingen welke in het vorige hoofdstuk aan het vraagstuk van de rechtsgrond zijn gewijd, blijkt dat naar rblz.|26 r.k.| de mening van de ondergetekenden de nieuwe ouderdomsverzekering algemeen verplicht dient te worden gesteld. Volgt uit de rechtsgrond reeds dat de gehele bevolking, omvattende loonarbeiders, zelfstandigen en de overige niet-loontrekkenden, bij deze verzekering dient te worden betrokken, evenzeer leiden overwegingen van practische aard, zoals uit dit hoofdstuk nader zal blijken, tot het aanvaarden van een volksverzekering.
     Zoals in het vervolg van deze memorie nog nader zal worden toegelicht, zijn de ondergetekenden van oordeel dat er een verplichte ouderdomsverzekering dient tot stand te komen welke een bodempensioen waarborgt dat voor iedere pensioengerechtigde gelijk is. Het ligt daarom voor de hand dat één zelfde regeling wordt getroffen voor alle groepen van de bevolking. Dit laatste is ook om administratieve redenen gewenst. Zou immers voor verschillende groepen van de bevolking een afzonderlijke regeling worden getroffen, dan zouden voortdurend de overgangen van de ene naar de andere regeling moeten worden nagegaan. Velen zijn nu eens als loontrekkende, dan weer als zelfstandige werkzaam. Dat zulks uitgebreide administratieve beslommeringen met zich zou brengen, behoeft wel geen betoog.
     Zijn de ondergetekenden dan van oordeel dat er één regeling moet komen waarbij alle groepen van de bevolking zijn betrokken, nochtans zou men kunnen stellen dat de verplichte algemene verzekering zich niet behoeft uit te strekken tot personen die in goede doen verkeren, zoals zij wier inkomen boven een zekere grens uitkomt of die over een aanzienlijk vermogen beschikken. Hetzelfde zou men kunnen zeggen van personen voor wie reeds een behoorlijke oudedagsvoorziening geldt.
     Niettemin zijn de ondergetekenden, zoals in het vervolg van dit hoofdstuk nader zal worden uiteengezet, van oordeel dat de algemene ouderdomsverzekering zich ook tot deze categorieën van de bevolking dient uit te strekken.
     Voorts zullen in dit hoofdstuk de redenen worden aangegeven die het wenselijk maken ook de gehuwde vrouw in de verzekering te betrekken. Ten slotte zal ook nog aandacht worden geschonken aan de positie van de niet-ingezetenen die hier te lande werkzaam zijn.


a. Personen wier inkomen of vermogen boven een bepaalde grens uitgaat

     Het is in de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving - zulks in tegenstelling tot de meeste buitenlandse wetgevingen - een niet ongebruikelijke figuur dat personen wier inkomen of loon een bepaalde grens overschrijdt buiten de verzekering worden gehouden. Zo kennen onze invaliditeits- en ouderdomsverzekering, onze ziekengeld- en ziektekostenverzekering en onze werkloosheidsverzekering een loongrens van ƒ6000,-. Aan de uitsluiting van de hoger gesalarieerden ligt de gedachte ten grondslag dat de verplichte sociale verzekering beperkt dient te blijven tot de economisch zwakkeren, tot hen wier inkomen van dien aard is dat zij niet zelf de zich voordoende sociale risico's kunnen dragen, terwijl zij zonder wettelijke dwang er niet toe komen zich door verzekering tegen deze risico's te dekken. De hoger gesalarieerden, aldus is de gedachtengang, moet men niet tot verzekering verplichten, wijl deze hetzij over voldoende middelen beschikken om zelf tot het sluiten van een verzekering over te gaan, hetzij een zodanig inkomen genieten dat zij daaruit ook in kwade dagen in hun levensonderhoud kunnen voorzien.
     Naast verplichte sociale verzekeringen welke aan een loongrens gebonden zijn, kent onze wetgeving ook takken van verzekering welke een zodanige grens niet kennen. Gewezen moge worden op de ongevallenverzekering en de kinderbijslagverzekering. Het bij deze wetten toegepaste stelsel dient naar de mening van de ondergetekenden ook bij de nieuwe ouderdomsverzekering te worden gevolgd. Voor het niet binden van de nieuwe ouderdomsverzekering aan een loon- of inkomensgrens pleiten naar hun mening verschillende redenen.
     Het genieten van een hoog inkomen in de actieve periode is op zichzelf geen waarborg dat men ook voldoende bestaansmiddelen zal hebben wanneer men te zijner tijd de arbeid zal
rblz.|27 l.k.| hebben neergelegd. Van tevoren kan nimmer met zekerheid worden gezegd dat men bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd geen behoefte aan ouderdomspensioen zal hebben. Het is dan ook redelijk dat personen die tijdens hun actieve periode in goede doen verkeren verplicht worden deel te nemen in een ouderdomsverzekering, opdat ook zij gedekt zijn wanneer in latere jaren blijkt dat de vroegere voorspoed van voorbijgaande aard is geweest. Terecht zou er aanstoot aan kunnen worden genomen dat degenen die op grond van hun inkomen van de verzekering zouden zijn vrijgesteld en die op 65-jarige leeftijd niettemin in behoeftige omstandigheden komen te verkeren, van kerkelijke of van particuliere zijde dan wel van overheidswege zouden moeten worden onderhouden; en zulks alleen omdat van hen niet de offers voor de ouderdomsverzekering zijn gevraagd, welke wel door hun minder goed gesitueerde medeburgers moesten worden gebracht.
     Naast dit argument pleiten nog verschillende andere redenen ervoor om ook personen met een hoger inkomen niet van de verplichte ouderdomsverzekering uit te sluiten.
     Zo brengt het beginsel der solidariteit mede dat men niet op grond van zijn groter inkomen wordt vrijgesteld van verplichtingen welke de wettelijke ouderdomsverzekering voor het overige deel der bevolking met zich brengt.
     Verzekerden voor wie de verhouding premie-uitkering ongunstig ligt, worden van de beoogde verzekering niet uitgesloten. Doch door anderzijds de gunstige risico's,
namelijk de personen uit de hogere inkomensgroepen, niet buiten de verzekering te houden, wordt de te betalen premie binnen redelijke grenzen gehouden. De inschakeling van deze gunstige risico's is noodzakelijk om een afdoende verzekering voor de economisch zwakkeren feitelijk mogelijk te maken.
     Men zou voorts kunnen stellen dat degenen wier inkomen een bepaalde maximumgrens overschrijdt voldoende gelegenheid hebben om eigen voorzieningen voor de oude dag te treffen. Op dit punt sluiten de ondergetekenden zich gaarne aan bij de S.E.R. wanneer deze zegt dat geenszins vaststaat dat degenen die op grond van de hoogte van hun inkomen zelf voor hun oude dag kunnen zorgen, dit in feite ook doen, terwijl controle daarop bezwaarlijk is uit te oefenen en een omvangrijke apparatuur zou vergen. Blijkt achteraf dat de betrokkenen nalatig zijn geweest, dan zullen zij toch aangewezen zijn op ondersteuning door de gemeenschap.
     Nog afgezien hiervan zullen eventuele eigen voorzieningen, zoals de S.E.R. terecht opmerkt, slechts aanspraken kunnen geven op nominale geldsbedragen waarvan de toekomstige reële waarde onzeker is. Met de S.E.R. achten de ondergetekenden het daarom gewenst dat ook de hogere inkomenstrekkers in het genot van een gewaarborgde reële aanspraak worden gesteld. Daartoe is het echter nodig dat zij in de wettelijke verzekering worden opgenomen, aangezien slechts deze een dusdanige waarborg kan bieden.
     Voorts dient men te bedenken dat het niet vaak zal voorkomen dat iemands inkomen gedurende de gehele actieve periode van zijn leven boven de gestelde grens zal uitgaan. De S.E.R. wijst erop dat in het bijzonder onder de hogere inkomenstrekkers zich een relatief groot aantal zelfstandigen bevindt wier inkomen sterk kan fluctueren. Deze personen zouden, wanneer een inkomensgrens zou worden gesteld, nu eens wel en dan weer niet onder de verzekering vallen. Het is zeer twijfelachtig of juist deze personen in de
"zeven vette jaren" wel eigen pensioenvoorzieningen zullen treffen.
     Gesteld echter dat een inkomensgrens zou worden gesteld, dan zou er alle aanleiding bestaan deze zeker niet lager te stellen dan
ƒ6000,- per jaar, welk bedrag thans reeds geldt als loongrens voor de Werkloosheidswet, de Invaliditeitswet, de Ziektewet en het Ziekenfondsenbesluit. Indien een maximumgrens van ƒ6000,- per jaar zou worden gesteld, dan zou dit betekenen dat een betrekkelijk kleine categorie van de verzekering zou zijn vrijgesteld. Dit zou tevens betekenen dat de administratie der verzekering terwille van deze kleine rblz.|27 r.k.| categorie bijzonder zou worden bemoeilijkt. Immers, er zou niet slechts een eenmalig onderscheid moeten worden gemaakt tussen verzekeringsplichtigen en niet-verzekeringsplichtigen, doch in verband met de vele mogelijke wisselingen van het inkomen zou voortdurend individueel per verzekerde moeten worden nagegaan of hij nog - c.q. wederom - aan de voorwaarden voor verzekeringsplicht voldoet. Dit zou zeer veel administratieve rompslomp met zich brengen, waarvan de kosten niet mogen worden onderschat.
     Ten slotte zij erop gewezen dat het stelsel van de zogenaamde beperkte registratie, hetwelk de grondslag vormt voor de administratieve opzet van de voorgenomen voorziening -
zie hoofdstuk 9 -, slechts geëffectueerd kan worden wanneer de gehele bevolking onder de voorziening valt.
     Op al de vorenuiteengezette gronden zijn de ondergetekenden tot de overtuiging gekomen dat in de nieuwe ouderdomsverzekering geen inkomensgrens dient te worden gesteld. Het spreekt van zelf dat zij er zich over verheugen dat hun opvatting ten deze aansluit bij de zienswijze van de S.E.R.
     Hetgeen hierboven is opgemerkt ten aanzien van personen wier inkomen boven een te stellen maximumgrens uitgaat, geldt mutatis mutandis evenzeer ten aanzien van degenen die over een aanzienlijk vermogen beschikken en daaruit inkomsten genieten. Hun vermogen toch is bij voortduring onderworpen aan verschillende economische risico's welke ertoe kunnen leiden dat het niet meer toereikend is om in het levensonderhoud van de gerechtigde te voorzien. Doet deze eventualiteit zich voor, zo betoogt de S.E.R., dan zal het veelal niet meer mogelijk zijn door deelneming aan het arbeidsproces zulk een inkomen te verwerven dat men hieruit in zijn levensonderhoud kan voorzien en tevens een voldoende oudedagsvoorziening kan opbouwen.
     Ten slotte mogen ook hier niet worden voorbijgezien de administratieve bezwaren verbonden aan het eventueel uitsluiten van een betrekkelijk kleine groep van personen. Met de S.E.R. zijn de ondergetekenden dan ook van oordeel dat de nieuwe ouderdomsverzekering zich ook tot deze groep van inkomenstrekkers dient uit te strekken.


h. Personen voor wie reeds een voorziening voor de oude dag is getroffen

     Indien er geen aanleiding bestaat personen boven een bepaalde inkomensgrens van de verzekering vrij te stellen, dan kan niettemin de vraag worden gesteld of aan personen voor wie reeds een behoorlijke ouderdomsvoorziening geldt, deze faciliteit moet worden verleend. Ook voor diegenen voor wie, in welke vorm dan ook, reeds een behoorlijke ouderdomsvoorziening geldt, dient naar de mening van de ondergetekenden geen vrijstelling van de algemene ouderdomsvoorziening te worden verleend. Immers - en hierbij sluiten de ondergetekenden zich weer geheel aan bij de S.E.R. - zijn de zeer vele overgangen van de ene onderneming naar de andere enerzijds en het afwisselend bekleden van functies in particuliere dienst en in overheidsdienst anderzijds, er de oorzaak van dat zeer velen slechts aanspraak kunnen doen gelden op een pensioen dat door het geringe aantal dienstjaren laag blijft. Daarenboven is het een bezwaar - hierop werd reeds eerder gewezen - dat de bijzondere voorzieningen slechts aanspraken kunnen geven op nominale geldsbedragen.
     Een ander zwaarwegend argument om degenen die onder een bijzondere regeling vallen niet buiten de algemene ouderdomsverzekering te houden, bestaat voorts hierin dat het verlenen van deze vrijstelling de administratie van de te treffen algemene voorziening enorm zou verzwaren. De gevallen waarin uitzonderingen zouden moeten worden toegestaan, zouden zeer talrijk zijn. Een ingewikkelde administratie zou nodig zijn in verband met de vele mutaties. Uit administratief oogpunt moet het dan ook onvermijdelijk worden geacht dat bijvoorbeeld voor de ambtenaren geen uitzondering op de algemene regel wordt gemaakt. Hoewel het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds hun in het algemeen een behoorlijk ouderdomspensioen garandeert,
rblz.|28 l.k.| dienen ook voor de ambtenaren de in het onderhavige ontwerp neergelegde voorzieningen te gelden. Hetzelfde geldt voor de militairen, het spoorwegpersoneel, de mijnwerkers en eventuele andere soortgelijke groepen.
     Het is duidelijk dat de administratieve bezwaren, welke ertoe nopen om bijvoorbeeld de ambtenaren onder de algemene regeling te doen vallen, in versterkte mate gelden voor individuele voorzieningen welke eventueel door zelfstandigen zijn getroffen. Er zou een leger van ambtenaren in het leven moeten worden geroepen om controle op deze individuele voorzieningen uit te oefenen en om na te gaan of deze voorzieningen inderdaad nog actief worden onderhouden.
     Ten slotte zij wellicht ten overvloede nog opgemerkt dat het stelsel der beperkte registratie hetwelk aan de administratieve opzet van de algemene regeling ten grondslag ligt - zie hoofdstuk 9 -, staat of valt met het al dan niet achterwege laten van uitzonderingen op de verzekering.


c. Positie gehuwde vrouw

     Zoals boven uiteengezet, strekt de voorgestelde regeling zich uit tot de gehele bevolking. De bevolking werd hierboven onderverdeeld in drie categorieën: de loontrekkenden, de zelfstandigen en de overige niet-loontrekkenden.
     Een gehuwde vrouw die als loontrekkende of zelfstandige aan het arbeidsproces deelneemt, valt uiteraard als zodanig onder de verzekering. Dient dit echter ook, zo zou men zich kunnen afvragen, te gelden voor de gehuwde vrouw die niet aan het productieproces deelneemt, doch in haar eigen huishouding werkzaam is?
     De ondergetekenden hebben zich afgevraagd of er redenen zouden kunnen zijn om de in haar eigen huishouding werkzame gehuwde vrouw van de verzekering uit te sluiten. Zij zien deze evenwel niet. Integendeel, er zijn verschillende overwegingen op grond waarvan de gehuwde, in haar eigen huishouding werkzame vrouw wél onder de verzekering dient te vallen. Het is van belang dat ook de gehuwde vrouw zelfstandig een pensioen opbouwt voor de oude dag. Is zij bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd nog gehuwd, dan heeft zij bijgedragen - hierop wordt in hoofdstuk 4 nader teruggekomen - aan de opbouw van het pensioen van haar echtgenoot, hetwelk voor hen beiden bestemd is. Is een gehuwde vrouw op haar oude dag weduwe of gescheiden vrouw geworden, dan kan zij, doordat zij zelf een pensioen heeft opgebouwd, zelfstandig op een ouderdomspensioen aanspraak maken.
     In het kader van een algemene voor de gehele bevolking geldende ouderdomsverzekering zou het weinig passen een gehuwde, in haar eigen huishouding werkzame vrouw van de verzekering uit te sluiten. Zeer vele gehuwde vrouwen zijn vóór haar huwelijk als loontrekkende in de verzekering opgenomen geweest. Sommigen blijven ook tijdens haar huwelijk korter of langer tijd in het bedrijfsleven of elders werkzaam en dus verzekeringsplichtig. Daarnaast zoeken vele gehuwde vrouwen wanneer zij eventueel vroegtijdig weduwe worden, opnieuw een werkkring. Voorts zijn tal van gescheiden vrouwen genoopt opnieuw in het arbeidsproces te treden om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Hieruit volgt dat vele der in haar eigen huishouding werkzame gehuwde vrouwen hetzij vóór, hetzij tijdens, hetzij na haar huwelijk onder de verzekering vallen. In het belang van de continuïteit der verzekering is het noodzakelijk deze ook gedurende de tijd dat de gehuwde vrouw in haar eigen huishouding werkzaam is, te doen doorlopen. Zou dit niet geschieden, dan zou zulk een vrouw slechts op een gereduceerd pensioen aanspraak kunnen maken.
     Voorts geldt ook ten aanzien van de gehuwde vrouwen dat, wanneer deze niet in de verzekering zouden worden betrokken, het stelsel der beperkte registratie bezwaarlijk uitvoerbaar zou zijn.
     Concluderende kan dus worden gesteld dat de gehuwde vrouw, ongeacht of zij al of niet aan het productieproces deelneemt, in de verzekering dient te worden en te blijven opgenomen.
    
rblz.|28 r.k.| Dat de positie van de gehuwde vrouw bijzondere voorzieningen eist ten aanzien van het recht op ouderdomspensioen alsmede ten aanzien van de premiebetaling zal in hoofdstuk 4, onderscheidenlijk in hoofdstuk 5, van deze memorie nader worden uiteengezet.


d. Niet-ingezetenen

     De opzet van de regeling brengt mede dat in beginsel ieder die hier te lande woont verzekerd zal dienen te zijn. Voorts zullen ook degenen die niet hier te lande hun woonplaats hebben, doch die hier te lande als werknemer werkzaam zijn, onder de verzekering dienen te vallen. Met name wordt hier gedacht aan de grensarbeiders. Internationaal wordt immers algemeen als gedragslijn aanvaard dat een werknemer zijn pensioen opbouwt in het land waar hij werkt. Het opnemen in de verzekering van alle hier te lande werkzame werknemers is bovendien wenselijk ter vermijding van ongelijke concurrentieverhoudingen welke zouden ontstaan indien niet-ingezetenen van de verzekering en derhalve van de daaraan verbonden premiebetaling zouden worden vrijgesteld.
     Uiteraard doen zich hier een aantal speciale kwesties voor in verband met cumulatie met buitenlandse regelingen welke eventueel van toepassing kunnen zijn bij tijdelijk verblijf hier te lande, grensarbeid, enz. Verschillende punten zullen bij de onderscheidene verdragen moeten worden geregeld. Bij de toelichting op de afzonderlijke artikelen zal hierop nader worden teruggekomen.
     Het komt de ondergetekenden vooralsnog niet gewenst voor buiten Nederland wonende personen die hier te lande als zelfstandige werkzaam zijn, in de verzekering te betrekken. Anders dan ten aanzien van de werknemers is er aangaande de zelfstandigen geen internationaal aanvaarde regel die hiertoe zou nopen. Voorts is het aantal als zelfstandige hier te lande werkzame niet-ingezetenen gering.

 

4. Het ouderdomspensioen


4.1. Pensioengerechtigde leeftijd


Algemene regel: 65 jaar

     De vraag op welke leeftijd de pensioengerechtigdheid een aanvang dient te nemen, is de laatste jaren druk besproken. Hierbij is in het bijzonder in geding de vraag of het gewenst is tot verhoging van de tot dusver in het algemeen geldende pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar over te gaan. Er wordt daarbij dan gewezen op de stijging van de gemiddelde levensduur van de 65-jarigen. Aan deze omstandigheid kan echter alleen dan een argument tot verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd worden ontleend indien mét de verhoging van de gemiddelde levensduur ook een verhoging van het prestatievermogen van 65-jarigen en ouderen gepaard zou gaan. Dit is echter nog niet gebleken. In publicatie nr. 2 van de Staatscommissie voor de Pensioenwetgeving, welke handelt over de pensioengerechtigde leeftijd, is er daarentegen op gewezen dat noch in het feit dat de medische wetenschap vooruitgang heeft geboekt, noch in de verbeterde hygiënische omstandigheden een aanleiding kan worden gevonden tot de verwachting dat de prestatiecurve zich in opwaartse richting heeft verschoven.
     Voorts heeft men wel gesteld dat de toeneming van het aantal bejaarden om financiële redenen een argument zou kunnen leveren voor de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Daartegenover moet echter weer worden overwogen of de wenselijkheid om de werkgelegenheid voor de jongeren op peil te houden de handhaving van de thans algemeen gangbare leeftijdsgrens niet meer aanbeveling doet verdienen.
     De Invaliditeitswet, de Noodwet Ouderdomsvoorziening en het overgrote deel van de pensioenvoorzieningen in de private sfeer verlenen het recht op pensioen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Zou nu het bodempensioen ingevolge de algemene ouderdomsverzekering op latere leeftijd ingaan, dan zou
rblz.|29 l.k.| de aansluiting van vorengenoemde pensioenvoorzieningen op de algemene ouderdomsverzekering verloren gaan. Dat dit tot allerlei moeilijkheden en verwikkelingen zou leiden, is duidelijk.
     De ondergetekenden menen dan ook dat het aangewezen is met betrekking tot de pensioengerechtigde leeftijd het advies van de S.E.R. te volgen, die de 65-jarige leeftijd als de pensioengerechtigde leeftijd heeft voorgesteld. In overeenstemming met dit advies wordt in het ontwerp de pensioengerechtigde leeftijd dan ook gesteld op de tot nog toe algemeen aanvaarde leeftijd van 65 jaar. Zou in de toekomst van een stijging van de prestatiecurve blijken of om andere redenen een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd mogelijk, wenselijk of onvermijdelijk worden, dan zal dit vraagstuk voor deze ouderdomsverzekering, voor de publieke en voor de particuliere pensioenvoorzieningen gesynchroniseerd moeten worden. Wetswijziging zal dan nodig zijn.


Verhoogd uitgesteld pensioen

     De vraag kan worden gesteld of het wenselijk zou zijn in het kader van de voorgestelde ouderdomsverzekering de mogelijkheid te openen om, geheel op basis van vrijwilligheid, voor degenen die zulks wensen het ouderdomspensioen op een later tijdstip dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd te doen ingaan en daarbij de verschuiving van de datum van pensionnering te compenseren door een verhoging van het ouderdomspensioen. Zulk een stelsel van verhoogd uitgesteld pensioen heeft ongetwijfeld aantrekkelijke aspecten. Het stellen van de pensioengerechtigde leeftijd op 65 jaar, zonder enige mogelijkheid om daarvan af te wijken, zal het psychologische effect hebben dat algemeen het werk wordt gestaakt bij het bereiken van deze leeftijd. Toch zou het in de huidige omstandigheden zijn voordelen hebben als na het bereiken van de 65-jarige leeftijd door hen die daartoe in staat zijn, werd doorgewerkt.
     Hoewel, zoals reeds eerder is opgemerkt, uit de toename van de gemiddelde levensduur boven de 65 jaar niet kan worden afgeleid dat ook het prestatievermogen van 65-jarigen en ouderen is toegenomen, kan toch niet worden ontkend dat verscheidene 65-jarigen zich nog dermate vitaal gevoelen dat zij gaarne hun arbeid nog enige tijd zouden blijven voortzetten. Zinvolle arbeid is voor hen van groot belang te achten. Verwacht mag worden dat van het openen van de mogelijkheid tot verkrijging van een verhoogd uitgesteld pensioen enige stimulerende werking zal uitgaan om niet automatisch bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd de arbeid neer te leggen. Voorts zullen degenen die van deze mogelijkheid gebruikmaken minder gevaar opleveren dat zij na hun 65ste jaar "goedkope arbeidskrachten" worden dan degenen die, terwijl zij al pensioen genieten, blijven doorwerken.
     Zoals in het vervolg van deze memorie nader zal worden toegelicht, zal de wettelijke voorziening een beperkt karakter dragen. Voor degenen die naast hun wettelijk pensioen geen andere pensioenvoorziening hebben, kan er veel aan gelegen zijn om, door deelname aan het stelsel van verhoogd uitgesteld pensioen, het wettelijk pensioenbedrag enigermate te verhogen. Ditzelfde geldt voor hen die niet gedurende hun gehele actieve periode verzekerd zijn geweest of die gedurende hun actieve periode nalatig zijn gebleven verschuldigde premie te betalen. Zoals verderop blijkt, zullen deze personen niet voor het maximumbodempensioen in aanmerking kunnen komen en zal hun in verband daarmede een verhoging van het pensioen veelal niet onwelkom zijn.

     Ook de S.E.R. heeft in zijn advies aan de Regering (zie blz. 48-49) het stelsel van verhoogd uitgesteld pensioen bezien.
     De S.E.R. ontraadt voorshands de invoering van het stelsel van verhoogd uitgesteld pensioen en wel op de volgende gronden.
     In de eerste plaats acht de Raad het een bezwaar dat dit stelsel elementen van het kapitaaldekkingsstelsel invoert, omdat de niet-opgenomen pensioenbedragen zouden dienen te worden gereserveerd en belegd om inderdaad later een hogere rente mogelijk te maken. Het wil de ondergetekenden voorkomen
rblz.|29 r.k.| dat het niet noodzakelijk is de niet-opgenomen pensioenbedragen te reserveren en te beleggen om later een hogere rente mogelijk te maken. Men kan zich voorstellen dat de op hogere leeftijd ingaande pensioenen volgens een bepaalde schaal worden vastgesteld, maar, evenals de normale pensioenen, volgens het omslagstelsel worden gefinancierd. De introductie van het kapitaaldekkingsstelsel is hiervoor niet noodzakelijk. Maar ook al zou het kapitaaldekkingsstelsel moeten worden geïntroduceerd, dan zouden de ondergetekenden dit toch niet als een onoverkomelijk bezwaar zien tegen het instituut van verhoogd uitgesteld pensioen.
     Vervolgens is de S.E.R. van oordeel dat aan het zelf kunnen kiezen van de ene of de andere wijze van pensionnering te grote financiële risico's zijn verbonden. De Raad heeft hierbij naar alle waarschijnlijkheid gedacht aan de mogelijkheid dat bejaarden die zich nog vitaal voelen wél en bejaarden die zich minder vitaal voelen niet uitstel van pensionnering zullen vragen. De ondergetekenden geloven niet dat de hieruit voortvloeiende risico's van betekenende omvang zouden zijn.
     Vervolgens betoogt de S.E.R. dat er voor degenen die door het niet opnemen van een ouderdomspensioen hun inkomenspositie in latere jaren wensen te verbeteren, andere wegen openstaan om dit te bereiken, met name ook de weg van de particuliere verzekering. Deze stelling is op zichzelf juist. De vraag is maar of velen ertoe komen van de bestaande wegen gebruik te maken. De ondergetekenden menen dit voorshands - althans in het algemeen - in twijfel te moeten trekken.
     De argumenten op grond waarvan de S.E.R. de invoering van een stelsel van verhoogd uitgesteld pensioen voorshands meent te moeten ontraden, achten de ondergetekenden niet van doorslaggevende betekenis. Ware het uitgesloten te achten dat te eniger tijd in ons land weer werkloosheid van betekenende omvang zou ontstaan, dan zouden zij in dit wetsvoorstel ongetwijfeld de mogelijkheid om op basis van vrijwilligheid een (verhoogd) uitgesteld pensioen aan te vragen, hebben vastgelegd. Nu die zekerheid niet bestaat, menen zij niet verder te moeten gaan dan bij algemene maatregel van bestuur de mogelijkheid te openen dat aan pensioengerechtigde personen die op eigen verzoek gedurende enige tijd hun pensioen niet opnemen, op een later tijdstip een hoger pensioen kan worden toegekend. De betreffende algemene maatregel van bestuur zal - zo nodig en gewenst - in tijden waarin de vraag naar arbeidskrachten aanmerkelijk ten achter blijft bij het aanbod, weer kunnen worden ingetrokken. Indien tot een zodanige intrekking wordt overgegaan, zullen uiteraard verkregen rechten moeten worden geëerbiedigd.


Voorstel S.E.R. inzake pensioengerechtigde leeftijd van weduwen

     De S.E.R. acht het nog gewenst (blz. 45), in afwachting van de herziening der wettelijke regeling van de weduwenverzekering, in navolging van het bepaalde in artikel 81a juncto artikel 81c van de Invaliditeitswet, in geval van overlijden van een gehuwde boven-65-jarige man die in het genot was van ouderdomspensioen, zijn weduwe het recht op ouderdomspensioen naar de maatstaf voor een ongehuwde te doen behouden indien zij op het tijdstip van overlijden 60 jaar of ouder is, dan wel dit recht te doen verkrijgen zodra zij de 60-jarige leeftijd heeft bereikt.
     De ondergetekenden hebben het voorstel van de S.E.R. op dit punt niet overgenomen. In bedoeld voorstel ligt namelijk een grote onbillijkheid opgesloten. Het valt immers niet in te zien waarom de weduwe van 60 jaar wier man op 65-jarige of oudere leeftijd overlijdt wél en die wier man op 64-jarige leeftijd overlijdt niet in het genot zou moeten worden gesteld van een ouderdomspensioen. In het bijzonder evenwel, nu aan de S.E.R. advies is gevraagd over de wijze waarop in de toekomst in de verzekering van een weduwenpensioen dient te worden voorzien, terwijl voorts de Regering zich beraadt over het treffen van een noodvoorziening in afwachting van de definitieve regeling der weduwenverzekering, menen de ondergetekenden op één en ander niet vooruit te
rblz.|30 l.k.| moeten lopen door in het wetsontwerp op de ouderdomsverzekering een incidentele regeling liggende op het terrein van de weduwenverzekering op te nemen.

 

4.2. Hoogte ouderdomspensioen


Uniform bodempensioen

     De S.E.R. is eenstemmig van oordeel dat de ouderdomsverzekering een beperkt karakter zal moeten dragen.
     Een aantal leden acht deze beperking een noodzakelijk uitvloeisel van de historische ontwikkeling van de ouderdomsvoorziening, in het bijzonder ook in de privaatrechtelijke sfeer (particuliere voorzieningen, ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen) en van de sociaal-economische situatie in ons land. Zij stellen zich niet op het standpunt dat de ouderdomsverzekering niet verder mag strekken dan het voorkomen van behoeftigheid op de oude dag. In beginsel mag de wettelijke regeling naar hun oordeel verder gaan en mag daarin, naast dit behoefteelement, ook het prestatie-element tot uiting worden gebracht, waardoor het pensioen mede verband houdt met de in de actieve periode geleverde bijdrage tot het nationale inkomen. Zijn echter collectief of individueel oudedagsvoorzieningen getroffen welke in deze richting tenderen, dan dient naar het oordeel van deze leden van de Raad deze eigen zorg zoveel mogelijk te worden ontzien.
     Naar het oordeel van deze leden kan de eigen zorg, gelet op de omvang welke zij reeds heeft bereikt en de te verwachten ontwikkeling daarvan, bij de bepaling van de hoogte van de prestaties der ouderdomsverzekering niet worden verwaarloosd. Hoewel zij een algemene wettelijke ouderdomsverzekering niet overbodig maakt, heeft zij een dergelijke omvang bereikt dat op grond hiervan voor een beperking van de uitkeringen dezer verzekering aanleiding is.
     De omvang welke deze beperking dient aan te nemen, wordt volgens deze leden mede bepaald door de financiële en andere economische gevolgen van de ouderdomsverzekering, gelet op de economische situatie waarin ons land verkeert.
     Voor een aantal andere leden van de Raad vloeit de algemeen aanvaarde beperkte strekking van de ouderdomsverzekering voort uit hun standpunt dat met het opleggen van een verplichte verzekering niet verder dient te worden gegaan dan wordt vereist door het daarmede te bereiken doel, namelijk dat de bejaarden door verkregen rechten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Dit doel is naar hun mening bereikt indien een pensioen in uitzicht wordt gesteld dat voorziet in een levensonderhoud dat bij de huidige verhoudingen in ons land minimaal sociaal wenselijk moet worden geacht. Ook deze leden achten het wenselijk dat het inkomen op de oude dag verband houdt met het in de actieve periode verdiende inkomen. Zij zijn echter van oordeel dat in het hierin tot uiting komende prestatie-element door individuele of collectieve eigen zorg moet worden voorzien en dat de wettelijke regeling zich dient te beperken tot het voorkomen van behoeftigheid op de oude dag. Zij kan naar hun oordeel ook niet verder reiken, omdat de middelen daarvoor moeilijk kunnen worden opgebracht.
     De S.E.R. is op grond van het vorenstaande tot de eenstemmige conclusie gekomen dat voorshands een algemene uniforme uitkering als bodempensioen dient te worden verstrekt.
     Omtrent de wijze waarop in de toekomst de door de Raad noodzakelijk geachte, met het arbeidsverleden samenhangende differentiëring in het inkomen op de oude dag moet worden verwezenlijkt, bestond in de Raad geen eenstemmigheid. De Raad heeft zich hierover dan ook niet uitgesproken.

     De door de ondergetekenden in hoofdstuk 2 aangegeven rechtsgrond voor de invoering van de voorgestelde voorziening brengt mede dat de wet de mogelijkheid moet scheppen dat een ieder op zijn oude dag is gevrijwaard tegen gebrek. Dit behoeft niet in te houden dat de wettelijke voorziening pensioenen toekent welke op zichzelf reeds een minimumlevensonderhoud waarborgen. De ondergetekenden zijn ervan uitgegaan dat de nieuwe regeling enerzijds rekening dient te houden met rblz.|30 r.k.| het bestaan van pensioenvoorzieningen in de privaatrechtelijke sfeer, terwijl zij anderzijds niet remmend, doch zo mogelijk eer stimulerend dient te werken op het tot stand komen en in stand blijven van zodanige voorzieningen. Zij menen dat slechts bij een regeling welke aan deze voorwaarden voldoet de mogelijkheid wordt geschapen dat men ook op het punt van de oudedagsvoorziening zich zijn persoonlijke verantwoordelijkheid bewust blijft of zal worden.
     Op grond van deze overweging menen ook de ondergetekenden dat de nieuwe wettelijke regeling slechts een bodemvoorziening dient te geven. Gezien het vorengaande zal deze voorziening slechts uniforme uitkeringen moeten verstrekken. Wanneer men er immers van uitgaat dat de wettelijke regeling het treffen van voorzieningen in de privaatrechtelijke sfeer mogelijk moet maken en zelfs stimuleren, ligt het niet voor de hand bij deze regeling zelf reeds verband te leggen tussen het inkomen tijdens de actieve periode en dat op de oude dag.
     Het naast elkaar functionneren van de onderhavige voorziening enerzijds en van privaatrechtelijke voorzieningen anderzijds heeft ook nog een financieel-economisch aspect, doordat de voorgestelde regeling uitgaat van een financiering van de verzekering volgens het omslagstelsel, terwijl de privaatrechtelijke voorzieningen voor het merendeel op het kapitaaldekkingsstelsel zijn gebaseerd (zie hoofdstuk 6).


Gemeenteclassificatie; inkomensaftrek

     Volgt uit het vorenstaande dat met een uniform pensioenbedrag moet worden volstaan, thans rijst de vraag op welk bedrag het pensioen dan dient te worden gesteld. Alvorens echter tot de beantwoording van deze vraag over te gaan, dient eerst te worden gesteld dat het naar de mening van de ondergetekenden niet in een verzekeringsstelsel zou passen om het bedrag van het bodempensioen afhankelijk te stellen van de gemeente waarin de pensioengerechtigde woont en dat om dezelfde reden eventueel eigen inkomen uit anderen hoofde niet tot vermindering mag leiden van het bodempensioen.
     Omtrent de aftrek van eigen inkomsten heeft bovendien het Parlement zich verschillende malen duidelijk uitgesproken bij de totstandkoming en de verschillende wijzigingen van de Noodwet Ouderdomsvoorziening. De nadelige invloed daarvan op de spaarzin en op het tot stand komen van bedrijfs- en andere pensioenfondsen is daarbij herhaaldelijk ter sprake gekomen. Moest deze aftrek ondanks de daaraan verbonden bezwaren bij de Noodwet echter wel worden aanvaard, in de voorgestelde regeling kan hij achterwege blijven en dit is één van de in het oog vallende verbeteringen welke de nieuwe ouderdomsverzekering mede zal brengen.


Nadere precisering van het bedrag van het ouderdomspensioen

     De S.E.R. is unaniem van oordeel dat de beperking van het ouderdomspensioen, als in het begin van deze paragraaf geschetst, niet zover mag gaan dat de uitkeringen krachtens de nieuwe wettelijke ouderdomsverzekering voor grote groepen bejaarden lager zouden worden dan de huidige krachtens wettelijke voorzieningen verkregen uitkeringen. Dit geldt met name voor die Ioontrekkenden die niet alleen een uitkering ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening genieten, maar tevens een ouderdomsrente krachtens de Invaliditeitswet.
     Verwezenlijking van het zojuist gestelde desideratum vereiste echter op het ogenblik dat de S.E.R. zijn advies uitbracht een totaal inkomen van de gewezen Ioontrekkenden in de orde van grootte van ƒ1500,- à ƒ1600,- per jaar voor gehuwden (thans, in verband met de verhoging van de uitkeringen ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening, ƒ1575,- à ƒ1675,-).
     De S.E.R. meende dat op dat ogenblik het pensioen niet op deze hoogte kon worden gesteld. De Raad wees hierbij allereerst op de onaanvaardbare economische repercussies. Pensioenbedragen in de orde van de zojuist vermelde grootte zouden een te grote verhoging medebrengen van de nominale lonen in verband met de gewenst geachte compensatie van de premiën en daarmede van de arbeidskosten van de ondernemingen.
rblz.|31 l.k.| Slechts een gedeelte van deze kosten zou kunnen worden gecompenseerd door lastenverlaging, te weten door afschaffing van de vereveningsheffing.
     Vervolgens wees de S.E.R. op de inkomensherverdeling van structurele aard welke als gevolg van de verouderende bevolking geleidelijk grotere consequenties zal hebben.
     Ten slotte vestigde de S.E.R. er nog de aandacht op dat de verwezenlijking van andere sociale doelstellingen, alsmede van doelstellingen van economische en culturele aard, niet bij voorbaat twijfelachtig mag worden gemaakt.
     Op grond van bovenstaande overwegingen is de S.E.R. van mening dat voorlopig moet worden uitgegaan van een bodempensioen dat enige procenten - gedacht wordt aan 5% - ligt boven het niveau van de op het tijdstip van invoering der verzekering van kracht zijnde norm van de Noodwet Ouderdomsvoorziening geldende voor een eerste gemeenteklasse. Het hogere niveau acht de Raad wenselijk om al degenen
- en dus niet alleen degenen die woonachtig zijn in een tweede-, derde-, vierde- of vijfdeklasgemeente - die vóór de invoering van de onderhavige voorziening uitsluitend of bijna uitsluitend op een uitkering ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening waren aangewezen, een verbetering in hun financiële positie te geven.

     Ook de ondergetekenden zijn van mening dat de nieuwe wettelijke regeling niet tot gevolg mag hebben dat belangrijke groepen van personen ingevolge wettelijke voorzieningen aanspraak hebben op een lager bedrag dan vóór de invoering van deze regeling. Zij zijn het echter eveneens met de S.E.R. eens dat op de door hem aangevoerde gronden het gehuwdenpensioen niet kan worden gesteld op ƒ1575,- à ƒ1675,- (dit zijn de door de S.E.R. genoemde bedragen van ƒ1500,- à ƒ1600,-, aangepast aan de verhoging van de uitkeringen ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening). Zij kunnen het voorstel van de S.E.R. om het bedrag van het ouderdomspensioen te stellen op het met 5% verhoogde bedrag ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening geldende voor een eersteklasgemeente geheel delen. Na de laatste verhoging ingaande 1 October 1954 bedraagt de maximumuitkering ingevolge de Noodwet in een eersteklasgemeente ƒ1272,-. Door verhoging van dit bedrag met 5% wordt - na afronding - het voor de definitieve ouderdomsverzekering voorgestelde pensioenbedrag van ƒ1338,- voor gehuwden verkregen.


Basispensioen; gehuwdenpensioen

     Bijgaand ontwerp gaat niet - zoals het advies van de S.E.R. - uit van het gehuwdenpensioen, maar van een algemeen basispensioen. Voor dit basispensioen komen hoofdzakelijk in aanmerking de ongehuwden.
     De onderhavige voorziening beoogt, zoals in het begin van deze paragraaf nader is aangegeven, slechts een bodem te leggen voor de oudedagsvoorziening. Aan een dergelijke voorziening zal in het algemeen bij een echtpaar behoefte bestaan wanneer de man 65 jaar is. Daarom kent het ontwerp enerzijds geen ouderdomspensioen toe wanneer alleen de vrouw de 65-jarige leeftijd heeft bereikt en wordt anderzijds wel ouderdomspensioen toegekend, ook al is de vrouw nog geen 65 jaar. Voorts zijn de ondergetekenden met de S.E.R. van oordeel dat de kosten van levensonderhoud van een echtpaar geringer zijn dan die van twee ongehuwden. In verband daarmede dient het aan een gezin toekomend ouderdomspensioen lager te worden gesteld dan het dubbele van het basispensioen.
     Daarom kent het ontwerp naast een basispensioen (voor ongehuwden) een pensioen voor gehuwde mannen. Dit pensioen, dat bestemd is voor het onderhoud van een echtpaar, bestaat uit twee, in beginsel gelijke, delen, te weten een deel afkomstig van de verzekering van de gehuwde man en een deel afkomstig van de verzekering van de gehuwde vrouw.
     Het vorenstaande houdt dus in dat de gehuwde vrouw geen zelfstandig recht heeft op ouderdomspensioen. Het ontwerp machtigt echter het uitvoeringsorgaan de helft van het ouderdomspensioen waarop de man recht heeft aan de gehuwde vrouw uit te keren.
    
rblz.|31 r.k.| De beantwoording van de vraag in welke verhouding het pensioen van de gehuwden en dat van de ongehuwden tot elkaar dienen te staan, is nogal moeilijk, wegens gebrek aan beschikbare gegevens omtrent de verhouding van de kosten van levensonderhoud van gehuwde en die van ongehuwde bejaarden. Dit weegt des te zwaarder omdat het vraagstuk van de kosten van levensonderhoud van de bejaarden toch reeds in het algemeen zo ingewikkeld is in verband met de geheel verschillende omstandigheden waarin zij verkeren, doordat een deel van hen een eigen huishouding voortzet, anderen inwonend zijn bij familie en nog weer anderen in een bejaardentehuis of in een inrichting worden verpleegd.
     Intussen staat echter wel vast dat de kosten van levensonderhoud voor een bejaard echtpaar aanzienlijk blijven beneden het tweevoud der kosten van een ongehuwde bejaarde. De ondergetekenden menen daarom in navolging van de S.E.R. de verhouding van het bedrag van het pensioen voor gehuwde mannen tot dat voor ongehuwden te moeten stellen op 100:60. Uitgaande van het boven besproken gehuwdenpensioen van ƒ1338,- bedraagt derhalve het basispensioen 60% daarvan, te weten ƒ804,-.
     Het gehuwdenpensioen staat, zoals uit het voorgaande blijkt, gelijk met 10/6 van het basispensioen. Dit heeft tot gevolg dat het aandeel dat ieder van de beide echtgenoten in het gehuwdenpensioen heeft in beginsel 5/6 bedraagt van het basispensioen.


Voorlopige handhaving van de ouderdomsverzekering in de Invaliditeitswet

     De ondergetekenden ontveinzen zich intussen niet dat met een pensioen als voorgesteld zonder meer nog niet is voldaan aan de zowel door de S.E.R. als door de ondergetekenden noodzakelijk geachte voorwaarde dat de nieuwe wettelijke voorziening niet tot gevolg mag hebben dat een grote groep van personen in wettelijke aanspraken achteruitgaat. De S.E.R. wijst er dan ook in zijn advies reeds op dat niet met het voren besproken bodempensioen kan worden volstaan. Immers zou dan voor een grote groep loontrekkenden geleidelijk een verslechtering van de wettelijke oudedagsvoorziening intreden indien de thans door velen van hen naast de ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening genoten uitkering de ouderdomsrente krachtens de Invaliditeitswet geleidelijk zou verminderen en ten slotte geheel zou wegvallen. Dit zou het geval zijn indien na de invoering van de nieuwe ouderdomsverzekering de Invaliditeitswet, voor wat betreft het ouderdomsgedeelte, werd ingetrokken, waardoor daaraan geen nieuwe rechten zouden kunnen worden ontleend. De onmogelijkheid het algemene bodempensioen op een zodanig bedrag te stellen dat voor deze groep geen verslechtering van de wettelijke oudedagsvoorziening ontstaat, noodzaakt er naar het oordeel van de Raad toe ten behoeve van deze groep een aanvullende voorziening te treffen. Niet alleen op grond van historisch gegroeide verhoudingen acht de Raad dit billijk. De rechtvaardiging voor deze differentiatie is gelegen in de omstandigheid dat de loontrekkenden wier inkomen beneden een bepaalde grens ligt geen andere voorzieningen kunnen opbouwen, zodat zij tijdens hun oude dag uitsluitend op de wettelijke ouderdomsvoorziening zijn aangewezen. De overige groepen van de bevolking daarentegen zullen als regel tijdens hun oude dag over enig inkomen uit anderen hoofde kunnen beschikken. Hieruit vloeit voort dat de aanvullende voorziening voor de loontrekkenden beneden een bepaalde inkomensgrens een subsidiair karakter dient te dragen. Zij is slechts op haar plaats voor de loontrekkenden die niet krachtens de voor hen geldende arbeidsvoorwaarden op andere wijze rechten op een aanvullende ouderdomsvoorziening kunnen doen gelden.
     Het aanvullend karakter der te treffen voorziening kan, naar de mening van de S.E.R., tot uiting worden gebracht door van de werkingssfeer van de Invaliditeitswet voor wat het ouderdomsgedeelte betreft desgewenst uit te zonderen de loontrekkenden die deelnemen in een ondernemings- of bedrijfspensioenfonds waarvan de prestaties ten minste gelijkwaardig zijn aan de ouderdomsrenten ingevolge de Invaliditeitswet.

     rblz.|32 l.k.| Een opbouw van het inkomen van de bejaarden die als loontrekkende werkzaam zijn geweest uit bodempensioen en uit pensioen volgens de herziene Invaliditeitswet of uit bodempensioen en uit bedrijfspensioen, eventueel ondernemingspensioen, zal naar het oordeel van de Raad een verplicht stellen van het deelnemen aan bedrijfspensioenfondsen voor alle bedrijfstakken - zoals door de Raad van Vakcentralen in zijn bekende plan was voorgesteld -, althans voorlopig, overbodig maken. De verdere ontwikkeling van het instituut der bedrijfspensioenfondsen kan dan volgens de Raad in het op vrijwillige basis te voeren overleg tussen de organisaties van ondernemers en van werknemers geschieden. Voor elk der bedrijfstakken afzonderlijk kan dan mede worden beslist of het gewenst is de zelfstandigen aan het bedrijfspensioenfonds deel te doen nemen. In een aantal gevallen kan dit wenselijk zijn in verband met het hierboven aangegeven verschil in de uit de wettelijke ouderdomsverzekering voortvloeiende rechten van loontrekkenden en zelfstandigen.

     De ondergetekenden willen gaarne de suggestie van de S.E.R. overnemen en, althans voorshands, het ouderdomsgedeelte van de Invaliditeitswet handhaven. Zij zijn echter van oordeel dat het vrijwel onmogelijk zou zijn om de gedachte van de S.E.R. over te nemen een zodanige verruiming aan de in de artikelen 39 en 40 van die wet geopende ontheffingsmogelijkheid te geven dat voor alle werknemers die vallen onder een ondernemingspensioenfonds of een bedrijfspensioenfonds dat aan bepaalde voorwaarden voldoet, van deze ontheffingsmogelijkheid gebruik zou kunnen worden gemaakt.
     Van de bezwaren welke aan het volgen van het S.E.R.-advies tot verruiming van de in de artikelen 39 en 40 der Invaliditeitswet neergelegde ontheffingsmogelijkheid verbonden zijn, moge hier een korte uiteenzetting worden gegeven.
     De verzekering ingevolge de Invaliditeitswet omvat niet alleen een ouderdomsverzekering, doch tevens een invaliditeits-, weduwen- en wezenverzekering. Het is kennelijk de bedoeling van de S.E.R., en het ligt ook voor de hand, om de wegens deelname aan een bedrijfs- of ondernemingspensioenfonds te verlenen ontheffing alleen de in de Invaliditeitswet geregelde ouderdomsverzekering te doen betreffen. Voor de betreffende verzekerden zou dus de invaliditeits-, weduwen- en wezenverzekering gehandhaafd moeten blijven. Dit wil zeggen dat voor de onderhavige verzekerden ook de rentekaart gehandhaafd blijft, doch dat het te plakken zegel, dat dan slechts dient tot financiering van de gehandhaafde invaliditeits-, weduwen- en wezenverzekering, in waarde kan worden verlaagd.
     Dit brengt mede dat de toch reeds omvangrijke administratie van de verzekering ingevolge de Invaliditeitswet nog aanmerkelijk omvangrijker wordt. Er zal afzonderlijke boeking moeten plaatsvinden van volwaardige en van in waarde gereduceerde zegels, terwijl in de thans reeds ingewikkelde renteberekeningen nog nieuwe factoren zullen moeten worden verwerkt. De uitvoeringsorganen zullen voorts moeten controleren of er terecht zegels van lagere waarde zijn geplakt, hetgeen vooral ten aanzien van werknemers die vaak van werkgever veranderen een omvangrijk onderzoek zal vergen. Dit onderzoek zal niet alleen de administratie van de uitvoeringsorganen belasten, doch eveneens die van de werkgevers. Wanneer een werknemer aan wie ontheffing is verleend de dienst van zijn werkgever verlaat, zonder dat hij recht op uitgesteld bedrijfs- of ondernemingspensioen heeft verworven, zal voor deze werknemer over het tijdvak van de verleende ontheffing, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 41 der Invaliditeitswet, wiskundige reserve moeten worden gevorderd. Aangezien artikel 8, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet het recht op uitgesteld pensioen pas na vijf jaren van deelname aan een pensioenfonds verzekert, zal veelvuldig wiskundige reserve gevorderd moeten worden. In het bijzonder ten aanzien van werknemers die veelvuldig van werkgever veranderen, rijzen hier grote moeilijkheden, wederom niet alleen voor de uitvoeringsorganen, maar ook voor de werkgevers. Wordt hierbij in aanmerking genomen dat uit financieel oogpunt de
rblz.|32 r.k.| verlaging van lasten welke voor de werkgever uit een aan een werknemer verleende vrijstelling voortvloeit slechts gering zou kunnen zijn - aan te nemen is dat de waarde van het rentezegel bij vrijstelling maximaal tot op de helft van de huidige waarde kan worden gereduceerd, zodat de verlaging ten hoogste 30 cent per week bedraagt -, dan achten de ondergetekenden het niet verantwoord, in het zicht van een algehele herziening der Invaliditeitswet, thans tot een administratief zeer moeilijk uitvoerbare incidentele wijziging van genoemde wet over te gaan.
     Zoals bekend is, heeft de S.E.R. thans in onderzoek op welke wijze in de in de Invaliditeitswet geregelde invaliditeitsverzekering, alsook in de in die wet geregelde weduwen- en wezenverzekering in de toekomst definitief zal dienen te worden voorzien. Pas wanneer het advies van de S.E.R. omtrent de definitieve regeling van genoemde verzekeringen bekend is, zal een verantwoorde beslissing mogelijk zijn omtrent de vraag wat er met de Invaliditeitswet dient te gebeuren. De ondergetekenden zijn van mening dat pas dan ook het tijdstip is aangebroken waarop omtrent het al dan niet, geheel of gedeeltelijk, handhaven van het ouderdomsgedeelte van de Invaliditeitswet kan worden beslist. Tot bedoeld tijdstip menen zij, vooral ook teneinde een grote administratieve warwinkel te voorkomen, de Invaliditeitswet ongewijzigd te moeten handhaven.

     De vraag rijst intussen of bij voorlopige onverkorte handhaving van de Invaliditeitswet nu niet de verdere ontwikkeling van ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen zal worden geremd.
     De ondergetekenden verwachten dit niet.
     In de eerste plaats betreft het hier slechts een geringe last voor de werkgevers. Immers slechts de helft van de ingevolge de Invaliditeitswet verschuldigde premie kan geacht worden bestemd te zijn om de kosten van de in die wet geregelde ouderdomsverzekering te dekken.
     Maar daarnaast bestaat voor de bijzondere pensioenregelingen steeds de mogelijkheid - een mogelijkheid waarvan ook in het verleden veelvuldig gebruik is gemaakt - om op de verstrekkingen ingevolge de bijzondere pensioenregelingen ouderdomsrenten ingevolge de Invaliditeitswet geheel of ten dele in mindering te brengen.
     Ten slotte mag niet uit het oog worden verloren dat de voorgestelde voorziening in het geheel geen aftrek van eigen inkomsten kent. Dit zal uiteraard niet zonder invloed blijven op de ontwikkeling van de bijzondere pensioenregelingen. Intussen verdient het nog wel de aandacht dat zelfs onder de vigeur van de Noodwet Ouderdomsvoorziening, welke wel een regeling van inkomensaftrek bevat, het instituut van de bijzondere pensioenvoorzieningen aanzienlijke ontwikkeling heeft gevonden.


Aanvullende voorzieningen voor zelfstandigen

     Degenen die geen rechten aan de Invaliditeitswet kunnen ontlenen, gaan door de voorgestelde wettelijke voorziening op de oude dag niet in inkomsten achteruit. Voor zover het wettelijke voorzieningen betreft, kunnen zij thans alleen maar aanspraak maken op uitkeringen ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening. Evenwel zal uiteraard ook voor hen het voorgestelde pensioen geen voldoende bestaanszekerheid waarborgen en zullen dus aanvullende voorzieningen nodig zijn. De ondergetekenden zijn van mening dat hier ruimte is voor het treffen van voorzieningen in de particuliere sfeer. De positie van de zelfstandigen, ook op de oude dag, is veelal een geheel andere dan die der (gewezen) loontrekkenden. Vaak blijft er nog een band bestaan met de zaak of met het bedrijf waaraan zij waren verbonden of beschikken zij over een vermogentje ontstaan door verkoop van de zaak of van het bedrijf. Voorts zullen vele zelfstandigen eerder in staat zijn tot het treffen van eigen voorzieningen dan de loontrekkenden. Weliswaar is gebleken dat zij in het verleden daartoe niet in voldoende mate zijn gekomen, maar het is niet onwaarschijnlijk dat de invoering van de wettelijke ouderdomsverzekering een stimulans zal rblz.|33 l.k.| betekenen voor het treffen van aanvullende particuliere voorzieningen. Dit laatste geldt niet slechts de zelfstandigen, maar evenzeer de loontrekkenden.
     De verwachting dat een wettelijke bodemvoorziening het treffen van aanvullende particuliere voorzieningen zal stimuleren, wordt door leidinggevende personen van de levensverzekeringsmaatschappijen gedeeld en berust mede op de in Amerika opgedane ervaringen.


Cumulatie algemene ouderdomsverzekering en andere oudedagsvoorzieningen

     In het vorenstaande zijn de maatregelen besproken welke dienen te worden getroffen om te voorkomen dat grote groepen van verzekerden - met name loontrekkenden - door de invoering van de onderhavige voorziening niet in inkomen achteruit zullen gaan.
     De vraag dient echter ook onder het oog gezien te worden of invoering van deze voorziening geen ongewenste cumulatie van uitkeringen ingevolge de voorgestelde regeling en pensioenen uit anderen hoofde tot gevolg heeft. Voor vele werknemers zijn al bijzondere pensioenregelingen van toepassing welke bij volledige diensttijd pensioenen tot 70 of 80% van het loon garanderen. Wanneer daar nu nog het bodempensioen bovenop zou komen, kunnen ongewenste situaties ontstaan, doordat bijvoorbeeld het totale inkomen op de oude dag het inkomen tijdens de actieve periode overtreft.
     In hoofdstuk 3 van deze memorie is reeds uiteengezet dat ook personen voor wie een bijzondere voorziening geldt onder de voorgestelde bodemvoorziening dienen te vallen. De oplossing zal daarom moeten worden gezocht in het kader van de bijzondere pensioenregelingen. Deze materie wordt in hoofdstuk 10, dat handelt over de door de S.E.R. voorgestelde vijfjarige overgangsperiode en over de aanpassing van de bijzondere pensioenvoorzieningen aan de in bijgaand ontwerp voorgestelde algemene voorziening, nader aan de orde gesteld.


Kortingen op het bodempensioen

     In navolging van de S.E.R. behelst bijgaand ontwerp een stelsel van proportionele premie (zie toelichting paragraaf 5.2) bij een uniforme uitkering. Samenhang tussen het recht op uitkering en de premiebetaling wordt verkregen door de hoogte van de uitkeringen afhankelijk te stellen van het aantal jaren dat de belanghebbende verzekerd is geweest en van het aantal verschuldigde premiën dat is betaald. Nu zal uiteraard slechts bij verzekerden van premieplichtigheid sprake kunnen zijn. Aangezien slechts 15-tot-65-jarigen verzekerd zijn, bedraagt de maximumduur van de premieplichtigheid 50 jaar. In verband daarmede wordt in het ontwerp voorgesteld op het pensioen van degenen die voor het basispensioen in aanmerking komen een korting toe te passen van 2% voor elk jaar waarover zij niet verzekerd zijn geweest of waarover geen premie is betaald.
     De S.E.R. kent eveneens een korting van 2% toe ten aanzien van het gehuwdenpensioen. Een korting wordt dan toegepast voor elk jaar dat de gehuwde man vóór of tijdens het huwelijk niet verzekerd is geweest of in verzuim is gebleven premie te betalen. De stand van de verzekering van de gehuwde vrouw, ook van vóór het huwelijk, heeft derhalve geen invloed op het bedrag van het pensioen.
     Zo zal in de gedachtengang van de S.E.R. op het pensioen van een gehuwde man die van zijn 15de tot 25ste jaar in het buitenland verbleef een korting van 20% worden toegepast, ook al is zijn echtgenote steeds verzekerd geweest en niet in verzuim geweest in het betalen van de verschuldigde premie. In het stelsel van de S.E.R. kan het zelfs voorkomen dat een gehuwde man helemaal geen pensioen ontvangt, omdat hij nooit verzekerd is geweest, hoewel zijn vrouw steeds verzekerd was en steeds premie heeft betaald. Omgekeerd heeft in het stelsel van de S.E.R. de gehuwde man die steeds verzekerd is geweest en niet nalatig is geweest in het betalen van de premie, recht op het volledige gehuwdenpensioen, ook al
rblz.|33 r.k.| is zijn vrouw gedurende vele jaren niet verzekerd of in de premiebetaling wel nalatig geweest.
     De ondergetekenden zijn van oordeel dat het stelsel van de S.E.R. op dit punt niet geheel kan worden gevolgd. Naar hun mening dient ervan te worden uitgegaan dat van een echtpaar elk der beide echtgenoten zelfstandig zijn eigen pensioen opbouwt. Aan de gehuwde vrouw wordt echter in het algemeen geen recht toegekend op het door haar opgebouwde pensioen. Het ontwerp kent, zoals reeds eerder bleek, aan de gehuwde man een recht toe op een gehuwdenpensioen. De hoogte van dit pensioen is dan afhankelijk van de stand van de afzonderlijke verzekeringen van beide echtgenoten.
     Zoals in het vorengaande reeds werd toegelicht, zal het maximumpensioenaandeel in het gehuwdenpensioen van ieder der echtgenoten 5/6 maal het basispensioen bedragen, oftewel ƒ669,- per jaar. Op dit aandeel zou nu - geheel overeenkomstig de gang van zaken bij degene die voor het basispensioen in aanmerking komt - een korting moeten worden toegepast van 2% voor elk jaar waarover de betrokken echtgenoot niet verzekerd is geweest of waarover ten onrechte geen premie is betaald. Het pensioen van de gehuwde man zou dan bedragen de som van de aldus door elk der echtgenoten afzonderlijk opgebouwde pensioenen.
     Aangezien het maximale gehuwdenpensioen het dubbele bedraagt van het maximale pensioenaandeel van elk der echtgenoten afzonderlijk, is het gevolg hiervan dat de korting wegens het niet verzekerd zijn of wegens nagelaten premiebetaling, toegepast op het maximale gehuwdenpensioen, niet 2%, doch 1% dient te bedragen voor elk jaar waarover de man niet verzekerd is geweest of nalatig is gebleven premie te betalen en voor elk jaar waarover de vrouw niet verzekerd is geweest of nalatig is gebleven premie te betalen. Doordat tegenover de samenvoeging van de pensioenaandelen een halvering van het kortingspercentage staat, blijft het effect van de korting in omvang gelijk.
     Het verschil tussen het voorstel van de S.E.R. en de in het wetsontwerp neergelegde voorziening ligt voornamelijk in de verschillende wijze waarop met de voorhuwelijkse jaren van de beide echtgenoten wordt rekening gehouden. Het zal zich namelijk tijdens het huwelijk slechts zelden voordoen dat de ene echtgenoot wél en de andere niét verzekerd is, omdat de woonplaats van man en vrouw in de regel dezelfde zal zijn. Voorts is het in het stelsel van het wetsontwerp niet denkbaar dat tijdens het huwelijk slechts één der echtgenoten in gebreke is premie te betalen. Het ontwerp gaat ervan uit dat premie moet worden betaald van het belastbaar inkomen. Voor zover de gehuwde vrouw al een eigen bron van inkomen zal hebben, wordt dit voor de premiebetaling gerekend een onderdeel te zijn van het inkomen van haar man. De gehuwde vrouw kan in deze gedachtengang dus niet in verzuim zijn premie te betalen. Het is echter bij deze situatie billijk dat verzuim in de premiebetaling door de gehuwde man ook zijn echtgenote wordt aangerekend. Vandaar dat het wetsontwerp in artikel 10 [13], derde lid, bepaalt dat de gehuwde vrouw geacht wordt geen premie te hebben betaald over de jaren waarover haar man tijdens het huwelijk geen premie heeft betaald.
     Het vorenstaande brengt mee dat de opbouw van de verzekering van de man en die van de verzekering van de vrouw tijdens het huwelijk parallel lopen, zodat er op dit punt geen verschil bestaat tussen het systeem van de S.E.R. en dat van de voorgestelde voorziening.
     Het aandeel dat de echtelieden elk voor zich vóór het huwelijk in het pensioen opbouwen, staat evenwel geheel los van elkaar. Anders dan bij de S.E.R. is, voor zover het de voorhuwelijkse jaren betreft, niet alléén de stand van de verzekering van de man beslissend voor de vraag of een korting moet worden toegepast.


Aanpassing van de pensioenen aan wijzigingen in de algemene welvaart

     De Invaliditeitswet en in de regel ook de bestaande pensioenfondsen geven slechts recht op pensioenen uitgedrukt in rblz.|34 l.k.| een nominaal geldsbedrag of in een percentage van het (laatst) genoten loon of inkomen. Deze pensioenregelingen houden dus geen rekening met koopkrachtveranderingen van het geld en dit is wel de belangrijkste oorzaak dat met name de Invaliditeitswet in de huidige situatie zo weinig betekenis meer heelt en dat velen op hun oude dag, ook al hebben zij in hun actieve periode een voorziening getroffen welke destijds zeer behoorlijk kon worden geacht, thans toch over een gering of zelfs onvoldoend inkomen de beschikking hebben.
     De ondergetekenden zijn evenals de S.E.R. van oordeel dat de pensioenaanspraken op zodanige wijze in de wet dienen te worden vastgelegd dat de koopkracht van het ouderdomspensioen wordt aangepast aan wijzigingen in de economische situatie.
     In de bij het S.E.R.-rapport gevoegde bijlage VIII is een duidelijke uiteenzetting gegeven omtrent de verschillende maatstaven welke voor dit doel bruikbaar kunnen worden geacht. Voor de keuze van een systeem gesteld, zijn de ondergetekenden met de S.E.R. van oordeel dat het meest aanbeveling verdient een stelsel inhoudende een binding van het bodempensioen aan de regelingslonen.
     Indexcijfers van regelingslonen worden periodiek door het Centraal Bureau voor de Statistiek bekendgemaakt, namelijk voor nijverheid, transport, landbouw, administratief personeel en rijkspersoneel. Aangezien echter slechts de weging voor de drie eerstgenoemde sectoren bekend is en derhalve slechts voor het totaal daarvan regelmatig een gemiddeld indexcijfer wordt gepubliceerd, lijkt momenteel de meest verantwoorde methode om laatstbedoeld indexcijfer als maatstaf voor de aanpassing van het ouderdomspensioen te kiezen. Indien in de toekomst een nog representatiever indexcijfer der regelingslonen zou worden berekend, kan daarop te zijner tijd worden overgeschakeld.
     De voorgestelde maatstaf heeft het voordeel dat hij in het algemeen zowel een stijging van de kosten van levensonderhoud als de ontwikkeling van de nationale welvaart pleegt te volgen. Weliswaar reageert het loonniveau gewoonlijk slechts met een zekere vertraging, doch dit is op zichzelf een argument ten gunste van een binding aan de lonen, aangezien daardoor de situatie wordt voorkomen dat de gepensionneerde in tijden van stijgende welvaart een door de wet gegarandeerde automatische verhoging van zijn pensioen zou genieten vóórdat het nog werkzame deel der bevolking een positieverbetering heeft bereikt. Laatst bedoelden kunnen immers op een dergelijke automatische aanpassing geen aanspraak maken en moeten integendeel elke verhoging van hun loon door middel van onderhandelingen trachten te realiseren.
     Een verder voordeel van deze maatstaf is dat de gegevens betreffende de ontwikkeling van de regelingslonen maandelijks ter beschikking komen, terwijl zij bovendien een voor iedereen begrijpelijke en controleerbare indicator zijn. Daarnaast kan worden opgemerkt dat de index van de regelingsIonen niet het nadeel heeft ener zeer grote conjunctuurgevoeligheid.
     Als bezwaar tegen opneming van de zogenaamde indexclausule wordt wel aangevoerd dat het onjuist zou zijn toekomstige generaties te binden. Men weet, aldus deze redenering, op het moment van de invoering van de wet niet hoe in de toekomst zich de economische situatie van ons land zal ontwikkelen.
     De ondergetekenden kunnen dit bezwaar niet delen. Ten aanzien van élke wettelijke voorziening, dus ook bij een wetlelijke ouderdomsverzekering met in nominale bedragen vastgestelde pensioenen, geldt dat deze toekomstige generaties bindt. In dit opzicht is er dus geen principieel verschil ten opzichte van een verzekering met indexclausule. Evenwel moet worden toegegeven dat een ouderdomsverzekering in zoverre een eigen plaats inneemt ten opzichte van vele andere sociale voorzieningen dat door de nog steeds stijgende gemiddelde levensduur de ouden van dagen een toenemend aandeel in de samenstelling van de totale bevolking zullen gaan vormen en dus een lastenverzwaring voor de toekomstige
rblz.|34 r.k.| actieve generaties zullen veroorzaken. Deze thans reeds te voorziene omstandigheid doet nadere overweging van de vraag of het verantwoord is tot opneming van de indexclausule over te gaan niet overbodig zijn. Dienaangaande moge daarom het volgende worden opgemerkt.
     Zolang de index van de regelingslonen constant blijft, maakt het voor het actieve deel der bevolking in het geheel geen verschil of tot toepassing van de indexclausule is besloten dan wel tot gefixeerde nominale bedragen. In beide gevallen zal de lastenverzwaring uitsluitend worden bepaald door de mate van uitbreiding van de groep ouden van dagen.
     Indien de regelingslonen een dalende beweging mochten ondergaan, zal een nominaal pensioen een extra lastenverzwaring voor de nog werkzamen opleveren, aangezien het gelijkblijvende pensioenbedrag een groter percentage van het dalende loonbedrag zal gaan uitmaken. Deze factor zou dan naast de toeneming van het aantal ouden van dagen tot gelding komen. De indexclausule heeft daarentegen het voordeel dat het pensioen in dit geval evenredig met het loon zal verminderen. Bij dalende lonen zou de indexclausule stellig in het voordeel van de toekomstige actieve beroepsbevolking blijken te zijn. Daarentegen zal bij stijging van de regelingslonen de indexclausule voor de actieve categorieën minder gunstig zijn. De toeneming van het aantal ouden van dagen zal dan immers volledig leiden tot een dienovereenkomstige lastenverzwaring, terwijl deze bij gefixeerde pensioenen geheel of gedeeltelijk zou worden gecompenseerd door de relatieve achteruitgang van het pensioenbedrag in verhouding tot het gestegen loon. Op zich zelf is deze mogelijkheid om ook in de toekomst bij voortschrijdende vergrijzing de premie voor de ouderdomsverzekering binnen bepaalde perken te houden, misschien zelfs wel te stabiliseren, zeer aantrekkelijk. De ondergetekenden hebben dan ook zeer ernstig overwogen of daartoe niet zou moeten worden overgegaan, waarbij uiteraard de toekomstige wetgever altijd nog bij aanmerkelijke welvaartsstijging tot verhoging van de uitkeringen zou kunnen besluiten.
     De overweging echter dat het sociaal gezien toch wel moeilijk verdedigbaar is om de ouden van dagen, vooral diegenen onder hen die hoofdzakelijk van deze verzekeringsuitkering zullen moeten leven, bij een aanzienlijke stijging van de weivaart in de toekomst niet meer dan de thans vastgestelde uitkeringen (eventueel aangepast aan gestegen kosten van levensonderhoud) te verstrekken, teneinde het actieve deel van de bevolking dat van de welvaartsstijging ten volle profiteert 1 of 2% premie te besparen, heeft hen doen besluiten de aanpassing aan de regelingslonen en niet aan de kosten van levensonderhoud in de wet op te nemen. Daarbij heeft ook de overweging een rol gespeeld dat alle werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers in de S.E.R. zich daarmede accoord hebben verklaard, hetgeen impliceert dat de vertegenwoordigers van de groepen die in de toekomst deze last zullen moeten dragen, daartoe ook bereid gebleken zijn. De ondergetekenden vertrouwen dat men in de toekomst ook bereid zal blijken bij de beoordeling en vaststelling van het deel van het nationale inkomen dat aan de actieven toevalt de consequenties van de thans te nemen beslissing te dragen.

 

5. De middelen tot dekking der kosten


5.1. Kring der premieplichtigen


Verzekering met premiebetaling

     De middelen tot dekking van de aan een ouderdomsverzekering verbonden kosten kunnen op verschillende manieren worden gevonden, bijvoorbeeld door het heffen van een bestemmingsbelasting of door premieheffing. Nu brengt het wezen van de sociale verzekering niet per se een bepaalde wijze van opbrengen der middelen mede. De ondergetekenden hebben gekozen voor een verzekering met premiebetaling. Zij menen dat hieraan de rblz.|35 l.k.| voorkeur dient te worden gegeven, gezien de historische ontwikkeling in ons land en omdat daardoor de persoonlijke verantwoordelijkheid om zelf voor de oude dag te zorgen het meest tot uitdrukking komt.


Premiebetaling door alle verzekerden die inkomen genieten

     Uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag wie tot premiebetaling moeten worden verplicht, dient te zijn dat de premiën moeten worden opgebracht door degenen die door of in verband met arbeid of vermogen inkomen genieten. In zijn rapport merkt de S.E.R. dan ook terecht op (blz. 57/58) dat de premie in beginsel ten laste behoort te komen van de verzekerden zelf. Voor een onderscheid in die zin dat de premie der loontrekkenden gedeeltelijk of geheel door de werkgevers en die voor de niet-loontrekkenden door deze geheel zelf zou worden betaald, is in een volksverzekering, welke ervan uitgaat dat de werkenden in staat moeten zijn uit hun inkomsten een oudedagsvoorziening te bekostigen, geen plaats. Dit houdt uiteraard niet in dat er geen verschil zou mogen worden gemaakt in de wijze waarop van de verschillende groepen van verzekerden premie wordt geïnd. Met name laat dit onverlet de mogelijkheid om de premie van werknemers te innen door inhouding op het loon van het verschuldigde bedrag (zie hoofdstuk 9).


Aanvang en einde premieplicht

     In de regel zal de inkomstenverwerving een aanvang nemen met het intreden in het arbeidsproces. Dit kan reeds het geval zijn voordat de 15-jarige leeftijd is bereikt. Aangezien echter de kring der verzekerden is beperkt tot de 15-tot 65-jarigen en uiteraard slechts verzekerden premieplichtig kunnen zijn, heeft dit tot gevolg dat eerst vanaf de 15-jarige leeftijd premieplicht kan bestaan en dat die plicht bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd een einde neemt.


Premieheffing van jeugdige verzekerden

     Er zijn grote groepen van personen die in verband met hun studie eerst op oudere dan de 15-jarige leeftijd aan het productieproces gaan deelnemen. Deze beschikken in het algemeen uiteraard nog niet over een inkomen waarover premie kan worden geheven en zullen derhalve pas op latere leeftijd in feite premieplichtig zijn.
     Men zou zich kunnen afvragen of het wel billijk is om degenen die reeds op hun 15de jaar aan het arbeidsproces deelnemen dan reeds premie te laten betalen. Deze personen zullen daardoor over een langer - en soms een veel langer - tijdvak premie moeten betalen dan degenen die op oudere leeftijd voor het eerst productieve arbeid gaan verrichten, terwijl het bedrag van het pensioen voor allen gelijk is. De ondergetekenden mogen erop wijzen dat deze tegenwerping inderdaad juist zou zijn indien zou worden voorgesteld van iedere premieplichtige een uniform premiebedrag te vragen. Dan zou zelfs de premie extra zwaar op de jeugdige werkenden drukken. Maar de voorgestelde regeling gaat uit, zoals verder nog nader zal worden uiteengezet, van een naar het inkomen proportionele premieheffing. Aangezien de jeugdlonen betrekkelijk laag zijn, heeft dit tot gevolg dat door de jeugdige werkenden maar kleine bedragen aan premie behoeven te worden opgebracht. Daartegenover zullen in de regel degenen die wegens verdere scholing eerst op latere leeftijd aan het productieproces gaan deelnemen weliswaar over een enigszins kortere periode premie betalen, maar wegens de door hen gemiddeld genoten hogere inkomsten over het betalingstijdvak als geheel genomen een behoorlijke premiebijdrage leveren.
     De ondergetekenden sluiten zich hierbij geheel aan bij de opvatting van de S.E.R. (blz. 37 van het rapport), welke het betalen van premie op jeugdige leeftijd als een voordeel ziet, omdat hierdoor onmiddellijk bij de aanvang van de inkomstenverwerving het besef wordt bijgebracht dat het inkomen niet uitsluitend bestemd is om in de dagelijkse behoefte te voorzien. De Raad merkt voorts nog terecht op dat door het betrekken van de jeugdige werkenden in de premiebetaling een betere
rblz.|35 r.k.| verdeling van de premielast over de duur van de gehele verzekeringsperiode wordt verkregen, waardoor voor de volwassenen, voor wie de premiebetaling als regel een zwaardere last betekent, de premie enigszins kan worden verlaagd.
     Zou men de jongeren niet in de premiebetaling betrekken, dan zou voorts het gevolg zijn dat zij hierdoor in verhouding tot de ouderen goedkopere arbeidskrachten zouden worden.


Premieheffing over inkomen uit vermogen

     In het bovenstaande werd ervan uitgegaan dat in de regel de inkomstenverwerving eerst ontstaat bij het intreden in het arbeidsproces. Een uitzondering hierop vormt de groep van personen die uit vermogen of uit periodieke uitkeringen een inkomen genieten. De S.E.R. besteedt speciale aandacht aan deze groep (blz. 37/38 van het advies). Hij wijst er daarbij op dat tot deze categorie nagenoeg uitsluitend wezen behoren wier levensonderhoud en opleiding niet door hun ouders kunnen worden bekostigd. Zij zijn daarvoor op periodieke uitkeringen dan wel op de opbrengst van hun vermogen aangewezen en zullen veelal zelfs op hun vermogen moeten interen. De Raad stelt daarom voor om met de bijzondere situatie van de tot deze groep behorende personen rekening te houden door voor hen de plicht tot premiebetaling op een later tijdstip te doen aanvangen en wel als regel bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd.
     Zou de gedachtengang van de S.E.R. op dit punt worden gevolgd, dan valt niet in te zien waarom de leeftijdsgrens van 21 jaar ook zou moeten worden aangehouden indien de betrokkenen dan nog studeren. Het zou dan redelijk zijn als algemene regel voor deze groep van verzekerden aan te houden dat bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd de betalingsplicht een aanvang neemt, maar daarnaast een uitzondering te maken voor degenen die nog niet de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt en wier tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het volgen van onderwijs. Voor wat betreft deze leeftijdsgrens zou dan aansluiting worden verkregen aan de Kinderbijslagwet en aan de in de belastingwetgeving geldende bepalingen voor kinderaftrek.
     Na ampele overweging zijn de ondergetekenden echter van oordeel dat het advies van de S.E.R. op dit punt niet kan worden gevolgd. Allereerst valt het op dat de S.E.R. deze vrijstelling alleen bepleit voor degenen beneden de leeftijd van 21 jaar wier inkomen uitsluitend bestaat uit inkomsten uit vermogen of uit periodieke uitkeringen. Genieten deze personen nog enige, zij het geringe, andere inkomsten, dan zijn zij in de gedachtengang van de S.E.R. wel premieplichtig en tellen de inkomsten uit vermogen of uit periodieke uitkeringen weer wel mee bij de premieberekening. Zo zou het dus kunnen voorkomen dat personen met een behoorlijk inkomen uit vermogen of uit periodieke uitkeringen niet premieplichtig zijn, terwijl andere personen die aan inkomen uit arbeid en uit vermogen samen een lager inkomen genieten wel premieplichtig zouden zijn. Voorts brengt het voorstel van de S.E.R. mede dat personen die dank zij het feit dat zij over een vermogentje beschikken of inkomsten uit periodieke uitkeringen genieten, zich zonder meer aan de studie kunnen wijden, geen premie behoeven te betalen en derhalve extra bevoorrecht zijn boven degenen die hun studiekosten zelf moeten verdienen of misschien zelfs hun studie moeten afbreken om aan het productieproces te kunnen deelnemen en wel premie moeten betalen. Hiervoor lijkt geen voldoende motivering aanwezig.
     Voorts mag niet worden vergeten dat verschillende personen beneden de leeftijd van 21 jaar met een inkomen uit vermogen of uit periodieke uitkeringen helemaal niet daadwerkelijk studeren. Er bestaat geen reden om dezulken van premiebetaling vrij te stellen.
     Ten slotte kan uit een oogpunt van ouderdomsvoorziening moeilijk als een bezwaar worden gezien dat de onderhavige groep veelal op het vermogen moet interen. Tegenover de vermogensintering slaat een recht op een waardevast pensioen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Met het oog op de
rblz.|36 l.k.| oude dag behoeft derhalve deze vermogensintering niet te worden tegengegaan.
     In het wetsontwerp wordt er dan ook van uitgegaan dat alle verzekerden van 15 tot 65 jaar, ongeacht de bron van hun inkomen, premieplichtig zijn.


Premieheffing over het inkomen van de gehuwde vrouw

     In het vorengaande is als uitgangspunt gekozen dat de premiën moeten worden opgebracht door de verzekerden, voor zover deze inkomen genieten. Ten aanzien van een aantal groepen van verzekerden dient de premiebetaling nader te worden bezien. Als eerste voornaamste groep dient zich daarbij aan die der gehuwde vrouwen.
     Uit paragraaf 4.2 is reeds gebleken dat aan de gehuwde vrouw geen zelfstandig recht op pensioen wordt gegeven. In het pensioenbedrag waarop de gehuwde man aanspraak kan maken, is evenwel het pensioenaandeel dat de vrouw tijdens haar verzekering heeft opgebouwd, begrepen. Het ligt dan ook voor de hand de gehuwde vrouw ook niet zelfstandig premie te doen betalen, doch de premiebetaling geheel via de man te leiden. In de gevallen waarin de gehuwde vrouw eigen inkomsten heeft, kan dan van de man premie worden geheven over het inkomen van man en vrouw tezamen. In vele gevallen zal de gehuwde vrouw evenwel in het geheel geen of slechts zeer geringe eigen inkomsten hebben. De vraag rijst derhalve of de van de gehuwde man voor zijn eigen verzekering en voor de verzekering van zijn echtgenote geheven premie hoger dient te worden gesteld dan de premie die een ongehuwde betaalt. De ondergetekenden menen deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden.
     In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen dat het pensioen van de gehuwde man, hoewel opgebouwd uit twee verzekeringen, geenszins het dubbele bedraagt van het ongehuwdenpensioen, doch dit pensioen slechts met twee derde gedeelte overtreft. Voorts betaalt de vrouw in haar voorhuwelijkse jaren steeds zelfstandig premie. Deze voorhuwelijkse jaren kunnen een vrij korte, maar ook een lange verzekeringsperiode betreffen. Rekent men nog daarbij de premie welke tijdens het huwelijk door de man over eigen inkomsten van de vrouw wordt betaald, dan blijkt dat in vele gevallen tegenover het twee derde gedeelte waarmede het gehuwdenpensioen het ouderdomspensioen van de ongehuwde overtreft een redelijke premieprestatie staat. Achten de ondergetekenden om deze reden reeds een verhoogde premie voor de gehuwde man niet gewenst, tevens dient in aanmerking te worden genomen dat een verhoogde premie voor het doorsnee gezin een te zware last zou betekenen.

     De regeling van de premiebetaling waarin het wetsontwerp ten aanzien van de gehuwde vrouw voorziet, welke regeling geheel in overeenstemming is met het advies van de S.E.R., ligt grotendeels besloten in de aanvaarding - althans in beginsel - van het fiscale inkomensbegrip voor de bepaling van het inkomen waarnaar de voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premie wordt geheven. Zo vloeit uit het voor de ouderdomsverzekering van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 2 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 voort dat het inkomen van de gehuwde vrouw tot dat van haar man wordt gerekend. Hoewel de gehuwde vrouw, gelijk iedere verzekerde, in beginsel premieplichtig is, kan van haar in feite geen premie worden gevorderd, daar zij voor de toepassing van de voorgestelde verzekering geen eigen inkomen heeft.
     Voor de verzekering van een echtpaar wordt dus alleen van de man premie gevorderd. Door zijn betaling wordt echter de vrouw geacht mede te betalen. Dit brengt uiteraard mede dat in de gevallen dat de man de verschuldigde premie niet betaalt, ook zijn vrouw geacht wordt geen premie te hebben betaald. Van de gevolgen hiervan op de hoogte van het ouderdomspensioen is in hoofdstuk 4 reeds een uiteenzetting gegeven.
     Zoals uit de volgende paragraaf blijkt, wordt in de gevallen waarin het inkomen meer bedraagt dan ƒ6000,-, over dat meerdere geen premie geheven. Dit geldt evenzeer voor het
rblz.|36 r.k.| inkomen van de gehuwde man, ook al is dit samengesteld uit inkomsten zowel van de man als van de vrouw.


Van verzekerden zonder inkomen kan geen premie worden geheven

     Een volgende bijzondere groep van verzekerden vormen de ongehuwde vrouwen die zonder een inkomen te verwerven in het arbeidsproces zijn ingeschakeld. Dit zijn grotendeels vrouwen die in zogenaamde onvolkomen gezinnen, waar de moeder ontbreekt, de huishouding verzorgen of die een taak vervullen in de vrij talrijke gevallen van samenwoning van familieleden. Hoewel deze ongehuwde vrouwen in beginsel premieplichtig zijn, volgt uit het ontbreken van inkomen dat er in feite geen premie van haar kan worden gevorderd. De onderhavige ongehuwde vrouwen bekleden een positie welke veel gemeen heeft met die welke de gehuwde vrouw in het gezin vervult. Uitgaande van deze overeenkomst is het redelijk aan te nemen dat mede voor haar premie wordt betaald door de in het productieproces ingeschakelde leden van de gezinnen waarin zij werkzaam zijn.
     Voorts dient hier ook te worden vermeld de groep dergenen die uit het arbeidsproces zijn uitgeschakeld tengevolge van lichamelijke of geestelijke gebreken. Voor zover de hier bedoelde personen geen uitkering ontvangen ingevolge een wettelijke of particuliere verzekering, noch uit anderen hoofde eigen inkomen hebben, zullen zij zijn aangewezen op onderstand van een instelling van maatschappelijke zorg of door familie of kennissen worden onderhouden. De ondergetekenden onderschrijven de mening van de S.E.R., weergegeven op bladzijde 45 van het advies, dat het voor de gemeenschap gewenst is ook deze personen, door deelname aan de verzekering, op 65-jarige leeftijd een eigen inkomen toe te kennen, enerzijds omdat velen van hen toch reeds ten laste van de overheid komen, anderzijds omdat dan degenen die jarenlang in het onderhoud dezer getroffenen hebben voorzien, van de na het 65ste jaar dikwijls nog stijgende kosten een deel vergoed krijgen, terwijl bovendien de kans van het wegvallen van een oorspronkelijke verzorger bij het ouder worden sterk toeneemt. Behorende tot de kring der verzekerden zijn ook deze personen in beginsel premieplichtig. Hebben zij evenwel geen eigen inkomen, dan zullen zij niet in de premiebetaling bijdragen.

     De premieheffing naar het inkomen brengt, zoals uit het vorengaande blijkt, mee dat van een aantal verzekerden geen premie wordt gevorderd wegens het ontbreken van inkomen. De S.E.R., die deze kwestie ook in zijn beschouwingen heeft betrokken (blz. 39 van het rapport), acht dit in een sociale verzekering aanvaardbaar, mits het aantal verzekerden dat wegens gemis aan inkomen geen premie betaalt, in verhouding tot het totale aantal verzekerden niet onevenredig groot wordt.
     De ondergetekenden onderschrijven in deze het standpunt van de S.E.R.
     Het aantal verzekerden dat op generlei wijze inkomen geniet, valt niet nauwkeurig te bepalen. Wel is een aanknopingspunt gelegen in het aantal personen dat geen inkomen uit beroepsarbeid geniet. De S.E.R. leidt uit de gegevens van de beroeps- en volkstelling van 31 Mei 1947 af dat van de leeftijdsgroep van 21- tot 64-jarigen [lees: 21- tot 65-jarigen, red.] 122 000 mannen en 321 000 vrouwen, dus totaal 443 000 personen, geen beroep uitoefenden. De groep der 15- tot 20-jarigen kan hier buiten beschouwing blijven, daar de tot deze leeftijdsgroep behorende verzekerden die geen beroep uitoefenen vrijwel allen nog studerende zijn en na beëindiging van de studie in het productieproces zullen worden opgenomen en hun bijdrage in de premiebetaling zullen gaan leveren. Dit laatste geldt echter evenzeer voor de 21-jarigen en ouderen die nog studerende zijn. Dezen zijn evenwel, zoals ook de S.E.R. opmerkt, allen begrepen in bovengenoemd aantal van 443 000 personen dat derhalve, ter bepaling van het aantal dergenen die geen premie zullen betalen, een aanmerkelijke verlaging dient te ondergaan. Voorts zijn in het aantal van 443 000 begrepen al diegenen die uit anderen hoofde dan door het verrichten van
rblz.|37 l.k.| beroepswerkzaamheden een inkomen genieten - bijvoorbeeld uit weduwenpensioen, uit ongevallen- en/of invaliditeitsrente, uit vermogen - en die daarover premie verschuldigd zijn. Ook met het zeker niet geringe aantal van laatstbedoelde personen dient het cijfer van 443 000 nog te worden verlaagd.
     De ondergetekenden zijn derhalve met de S.E.R. van oordeel dat, buiten de categorie der gehuwde vrouwen - die ten aanzien van de premiebetaling een geheel eigen positie inneemt - het totale aantal der verzekerden die geen eigen inkomen verwerven betrekkelijk gering is.

     Een gevolg van het feit dat een aantal verzekerden dat geen inkomen geniet niet in de premiebetaling bijdraagt, terwijl dit geen vermindering van pensioenrechten tot gevolg heeft - immers, er is bij deze verzekerden geen sprake van nalatigheid in de premiebetaling -, is dat het door de overige verzekerden verschuldigde premiepercentage enigermate zal stijgen. Aangezien het aantal verzekerden zonder inkomen, zoals hierboven is opgemerkt, betrekkelijk gering is, zal bedoelde stijging van het premiepercentage eveneens gering zijn.

 

5.2. Eenheidspremie of naar het inkomen proportionele premie


Het voor en tegen van uniforme en van procentuele premie

     In hoofdstuk 4 is gesteld dat het doel der verzekering is gericht op het verkrijgen van een in beginsel voor ieder gelijk bodempensioen. Men zou nu kunnen stellen dat deze doelstelling ertoe zou moeten leiden dat dan ook de te betalen premie in beginsel voor alle verzekerden gelijk dient te zijn.
     Ondergetekenden willen er om te beginnen op wijzen dat het leggen van zulk een strikt verband tussen individuele premie en individuele uitkering volgens hedendaagse opvattingen niet noodzakelijkerwijze uit de verzekeringsgedachte voortvloeit.
     Maar ook al zou men zich op het bestreden individuele standpunt stellen, dan nog wordt, zoals de S.E.R. op blz. 54 van zijn advies terecht aantoont, het beoogde doel niet bereikt bij het aanvaarden van een uniforme premie. Het ontwerp gaat er immers van uit - zulks in overeenstemming met het voorstel van de S.E.R. - dat premie wordt betaald vanaf het ogenblik dat men aan het arbeidsproces deelneemt. Dat zal bij de één op jongere leeftijd het geval zijn dan bij de ander. Daardoor ontstaat dus een verschil in aantal jaren waarover premie moet worden betaald. Maar dan valt het reeds aanstonds in het oog dat bij het stelsel van een uniforme premie door degene die op jeugdige leeftijd aan de arbeid gaat veel meer premie zou worden betaald dan door degene die op latere leeftijd inkomen gaat verwerven. En zo zou dus het beoogde evenwicht tussen premiebetaling enerzijds en uitkeringsrecht anderzijds niet zijn bereikt. Dit zou integendeel eerder worden bereikt bij het stelsel van een naar het inkomen gedifferentieerde premie. Immers wordt bij dat stelsel het kortere tijdvak waarover degenen die op latere leeftijd in het arbeidsproces treden premie betalen, gecompenseerd door de hogere premie welke in de regel door dezen wordt opgebracht in verband met hun gemiddeld hoger inkomen dan dat van degenen die reeds op jongere leeftijd arbeid zijn gaan verrichten.
     Aan het heffen van een vaste premie zijn echter nog andere belangrijke bezwaren verbonden. Men heeft wel gesteld dat deze wijze van heffing eenvoudig zou zijn. Inderdaad moet worden toegegeven dat dit systeem het voordeel heeft dat niet, zoals bij het stelsel waarbij de premie wordt uitgedrukt in een percentage van het inkomen, voor iedere verzekerde nauwkeurig het inkomen behoeft te worden vastgesteld. Maar daartegenover staat dat een stelsel van uniforme premieheffing voor velen een veel zwaardere belasting betekent dan een stelsel van premieheffing waarbij rekening wordt gehouden met de hoogte van het inkomen. Een uniforme premie zou immers bij de in het ontwerp voorgestelde pensioenbedragen
rblz.|37 r.k.| moeten worden gebaseerd op het gemiddelde inkomen. Dit betekent voor degenen die geringe inkomsten genieten en voor wie geen compensatiemogelijkheid bestaat, een relatief zwaardere belasting. Hierdoor zal het kunnen voorkomen dat personen die bij een procentuele premie nog juist tot betaling in staat zijn, daartoe niet meer in staat zijn bij een zwaarder drukkende uniforme premie.
     De S.E.R. wijst er voorts nog terecht op dat bij het onderhavige vraagstuk de invloed van de wijze van premievaststelling op de volkshuishouding en op de onderlinge verhoudingen in het bedrijfsleven niet mag worden verwaarloosd. De Raad vestigt er in dit verband de aandacht op dat een uniforme premie een relatief zwaardere belasting zal betekenen van die takken van bedrijf welke arbeidsintensief zijn en waarin relatief veel ongeschoolde arbeiders met lage lonen werkzaam zijn. In het bijzonder in de takken van bedrijf met grote aantallen jeugdige werknemers zal - aldus nog steeds de Raad - een uniforme premie de arbeidskosten steeds verhogen, waardoor de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland zou kunnen worden aangetast. Een uniforme premie zou de werkgelegenheid ongunstiger beïnvloeden en tot grotere verschuivingen in de onderlinge verhoudingen aanleiding geven dan een procentuele premie.
     Bovenvermelde overwegingen maken de ondergetekenden geheel tot de hunne. Behalve door deze overwegingen is de keuze ten gunste van het heffen van een procentueel gelijke premie naar het inkomen mede beïnvloed door de in deze wijze van premieheffing tot uitdrukking komende solidariteitsgedachte, inhoudende dat de economisch sterkeren mede dienen bij te dragen voor de economisch zwakkeren. Het bezwaar dat aan een premieheffing naar het inkomen een kostbaar inkomensonderzoek moet zijn verbonden, kan goeddeels worden ondervangen door, zoals in het ontwerp wordt voorgesteld, het premieplichtig inkomen te koppelen aan het belastbaar inkomen voor de loonbelasting, respectievelijk inkomstenbelasting (zie paragraaf 5.3).


Over ten hoogste ƒ6000,- inkomen is premie verschuldigd

     Uit het vorenstaande behoeft naar de mening van de ondergetekenden niet noodzakelijkerwijs te volgen dat nu het inkomen van de verzekerden tot een onbeperkt bedrag bij de premiebetaling in aanmerking moet worden gebracht. Voorkomen moet worden dat er een te sterke wanverhouding tussen betaalde premie enerzijds en uitkering anderzijds ontstaat. Voorts dient het treffen van voldoende aanvullende voorzieningen voor degenen die over een relatief hoog inkomen beschikken niet te zeer door het heffen van een in verhouding tot de uitkering onevenredig hoge premie voor de verplichte verzekering te worden bemoeilijkt. De ondergetekenden zijn dan ook van oordeel dat het premiebedrag vanaf een bepaald inkomen uniform dient te zijn. In het ontwerp wordt voorgesteld bij de berekening van de premie geen rekening te houden met het inkomen voor zover dit een bedrag van ƒ6000,- per jaar overtreft.
     De S.E.R., welke eveneens de vorenbedoelde beperking bepleit, wijst erop dat uit gemaakte berekeningen is gebleken dat het premiepercentage slechts weinig afneemt per ƒ1000,- verhoging van dit bedrag, terwijl daartegenover voor degenen wier inkomen ligt om en bij de ƒ6000,- elke verhoging van het gedeelte van het inkomen dat bij de berekening van de premie in aanmerking komt een verzwaring van lasten zal betekenen.
     Het ligt voor de hand dat de grens van ƒ6000,- evenals de bedragen van het ouderdomspensioen dient te worden aangepast bij wijzigingen in de loonindex. Ook de S.E.R. is deze mening toegedaan. Deze aanpassing zal evenwel moeilijk kunnen worden geregeld op de, vrijwel automatische, wijze waarop in het wetsontwerp in de aanpassing der pensioenen is voorzien. De heffing der premiën op basis van het inkomen over een kalenderjaar maakt het gewenst eventuele wijzigingen van de grens van ƒ6000,-, indien enigszins mogelijk, steeds op
rblz.|38 l.k.| 1 Januari te doen ingaan. Voor wijziging van de inkomensgrens van ƒ6000,- zal, evenals dit het geval is ten aanzien van de in andere socialeverzekeringswetten vermelde loongrenzen, steeds wetswijziging nodig zijn.

 

5.3. Het inkomen waarnaar premie wordt geheven


Aansluiting bij het fiscale inkomen

     De vraag rijst aan de hand van welke normen het premieplichtig inkomen dient te worden bepaald.
     De ondergetekenden onderschrijven de mening van de S.E.R. dat het, gegeven de inschakeling van het fiscale apparaat voor de heffing en de inning van de premie - waarover in hoofdstuk 9 van deze memorie nader wordt gehandeld -, in de rede ligt aan te sluiten bij het voor de inkomsten- en loonbelasting gehanteerde inkomensbegrip. In het wetsontwerp is deze aansluiting dan ook als uitgangspunt genomen.
     Zo zullen, in aansluiting aan de ter zake in de belastingwetgeving gegeven regelen, op het inkomen, alvorens dit aan premieheffing wordt onderworpen, in mindering worden gebracht de kosten van verwerving, de "persoonlijke verplichtingen", de op de verzekerde drukkende buitengewone lasten alsook, onder zekere beperkingen, giften aan bepaalde instellingen.
     Zoals reeds in paragraaf 5.1 werd uiteengezet, wordt het inkomen van de gehuwde vrouw tot dat van de man gerekend, zulks in overeenstemming met artikel 2 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941. Ten aanzien van de bepalingen omtrent het inkomen is voorts artikel 43 van laatstgenoemd besluit van toepassing, waaruit volgt dat bij het inkomen van de ouder wordt gevoegd het, anders dan uit dienstbetrekking verworven, inkomen van de kinderen voor wie hij kinderaftrek voor de Inkomstenbelasting geniet.


Afwijkingen van het fiscale inkomen. Premie ouderdomsverzekering aftrekbaar voor loon- en inkomstenbelasting

     Niet in alle opzichten evenwel dient naar hef oordeel van de ondergetekenden de als uitgangspunt gestelde aansluiting bij het fiscale inkomensbegrip te worden gevolgd. Met name dient naar hun oordeel van de fiscale bepalingen ten aanzien van het inkomen te worden afgeweken voor wat betreft de ingevolge de algemene ouderdomsverzekering betaalde premie, het ingevolge die verzekering uitgekeerde pensioen en de kinderbijslag.
     Eerstbedoelde afwijking van het fiscale inkomen is een gevolg van het feit dat de ingevolge deze wet verschuldigde premiën voor de heffing van de loon- en inkomstenbelasting in aftrek kunnen worden gebracht als "persoonlijke verplichtingen" (lijfrentepremiën). Het ligt echter voor de hand dat de premie ingevolge ouderdomsverzekering niet in mindering wordt gebracht op het inkomen waarvan die premie wordt geheven.


Geen premie verschuldigd over het ouderdomspensioen

     Het tweede verschilpunt vormt het ouderdomspensioen waarop de voorgestelde verzekering recht geeft. Dit pensioen behoort tot het fiscale inkomen. Het is evenwel onlogisch uitkeringen ingevolge een sociale verzekering tevens te belasten met premie voor diezelfde verzekering. Ter vermijding hiervan is bepaald dat het ouderdomspensioen ingevolge de voorgestelde verzekering niet tot het premieplichtig inkomen behoort. Deze uitzondering heeft overigens slechts zeer beperkte betekenis. Immers, ouderdomspensioen ontvangt als regel slechts degene wiens verzekering beëindigd is wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd, zodat uit dien hoofde reeds geen premie meer verschuldigd is. In een enkel geval evenwel kan een verzekerde ouderdomspensioen ontvangen. Zo bijvoorbeeld de weduwe die nog niet de 65-jarige leeftijd heeft bereikt en die na het overlijden van haar echtgenoot nog enige maanden het aan deze toegekende pensioen ontvangt, teneinde haar rblz.|38 r.k.| gelegenheid te geven zich aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen.


Geen premie verschuldigd over kinderbijslag

     Voorts zijn de ondergetekenden van oordeel dat het gewenst is ook de kinderbijslag, hoewel daarover wel loon- en inkomstenbelasting verschuldigd is, van het premieplichtig inkomen ingevolge de ouderdomsverzekering uit te zonderen. In het kader van de Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt - zulks in tegenstelling met de regeling voor de loonbelasting - de kinderbijslag niet tot het premieloon gerekend met het oog op het bezwaar dat de werkgever voor werknemers met een groot aantal kinderen een belangrijk hogere premie verschuldigd zou zijn dan voor werknemers met weinig kinderen, hetgeen ertoe zou kunnen leiden dat bij het aannemen van personeel voorkeur zou worden betoond voor werknemers zonder kinderen dan wel voor ongehuwden. De S.E.R. spreekt op blz. 93 van zijn rapport terecht uit dat dit bezwaar zich als gevolg van de premieheffing voor de ouderdomsverzekering niet kan voordoen, aangezien de premie voor deze verzekering, anders dan de premie voor de andere socialeverzekeringswetten, geheel door de werknemer zal worden betaald. Hieraan verbindt de S.E.R. vervolgens de conclusie dat afwijking van het fiscale inkomensbegrip op het punt van de kinderbijslag dan ook niet geboden is.
     Hoewel de ondergetekenden de mening van de S.E.R. dat het geschetste bezwaar zich bij de premieheffing voor de ouderdomsverzekering niet kan voordoen, onderschrijven, hebben zij niettemin noch in het ontbreken van vorenbedoeld bezwaar, noch in de door hen erkende wenselijkheid bij de premieheffing voor de ouderdomsverzekering, om redenen van administratieve eenvoud, zo nauw mogelijk aan te sluiten bij het fiscale inkomensbegrip, voldoende aanleiding kunnen vinden de kinderbijslag tot het premieplichtige inkomen te rekenen, nu - zoals zij nader zullen uiteenzetten - gegronde motieven daartegen pleiten. Vooropgesteld zij hierbij dat het onbelast laten van de kinderbijslag de administratieve uitvoering van de premieheffing zo weinig mogelijk dient te verzwaren. Het wetsontwerp bevat daartoe enige voorzieningen, waarop hieronder nader wordt teruggekomen.
     Zou de kinderbijslag tot het premieplichtige inkomen worden gerekend, dan zou een zeer onbillijke werking van de maatregelen waarin het wetsontwerp voorziet ter tegemoetkoming aan de betalingsonmacht van de kleine zelfstandigen, hiervan het gevolg zijn. Bedoelde maatregelen, waarvan in de volgende paragraaf een uitvoerige uiteenzetting wordt gegeven, voorzien in het buiten invordering laten van de premie verschuldigd door zelfstandigen en overige niet-loontrekkenden wier inkomen een bepaald bedrag niet overschrijdt. Dit bedrag is voor gehuwden en daarmede gelijkgestelden bepaald op ƒ2100,-. Bedraagt het inkomen meer dan ƒ2100,-, doch minder dan ƒ3100,-, dan wordt een met het inkomen oplopend gedeelte van de premie ingevorderd.
     Wordt nu tot het inkomen ook de kinderbijslag gerekend, dan doet zich het volgende voor.
     Van een gehuwde zelfstandige zonder kinderen die een inkomen heeft van ƒ2050,- wordt wegens betalingsonmacht geen premie ingevorderd.
     Van een gehuwde zelfstandige met kinderen die uit zijn bedrijf eveneens een inkomen van ƒ2050,- heeft, doch daarnaast kinderbijslag geniet, waardoor zijn totaal inkomen boven ƒ2100,- stijgt, wordt wel premie ingevorderd. Toch is bij deze zelfstandige met kinderen eerder betalingsonmacht aanwezig te achten dan bij eerstgenoemde zelfstandige zonder kinderen, daar het inkomen zonder kinderbijslag van beiden even groot is. De kinderbijslag kan immers geenszins geacht worden geheel te voorzien in de kosten verbonden aan het onderhouden der kinderen.
     Naarmate het inkomen van bovenbedoelde zelfstandige met kinderen, als gevolg van het ontvangen van kinderbijslag meer stijgt boven ƒ2100,- zal, door het oplopen van het voor rekening van de verzekerde komende deel van de premie, de verschuldigde
rblz.|39 l.k.| premie relatief sterk stijgen. In feite betekent dit dat naarmate het kindertal toeneemt een steeds groter deel van de ontvangen kinderbijslag weer als premie voor de ouderdomsverzekering moet worden afgestaan. De geschetste onbillijkheden worden voorkomen door de kinderbijslag niet tot het inkomen te rekenen.
     In het door de S.E.R. uitgebrachte advies inzake een kinderbijslagregeling voor zelfstandigen wordt voorgesteld de premie-inning voor zodanige kinderbijslagregeling, op dezelfde wijze als voor de ouderdomsverzekering, door de belastingdienst te doen geschieden. Het ligt voor de hand dat, terwille van de administratieve eenvoud, bij de verwerkelijking van een kinderbijslagregeling voor zelfstandigen met premieheffing op de door de S.E.R. geadviseerde wijze, ten aanzien van het premieplichtig inkomen aansluiting dient te worden gezocht bij het inkomen waarover premie voor de ouderdomsverzekering wordt geheven. De beslissing welke voor de ouderdomsverzekering wordt genomen ten aanzien van het al dan niet belasten van de kinderbijslag met premie ingevolge deze verzekering, zal dus tevens van belang zijn voor de definitieve wettelijke regeling van de kinderbijslag voor zelfstandigen. Zou nu de kinderbijslag tot het inkomen worden gerekend, dan zou zich bij de kinderbijslagverzekering voor zelfstandigen de vreemde situatie voordoen dat premie ingevolge die verzekering verschuldigd zou zijn over de uitkering waarin diezelfde verzekering voorziet, met andere woorden, er zal kinderbijslagpremie worden geheven over de kinderbijslag.
     Neemt men bij het bovenstaande nog in aanmerking dat voor de bestaande socialeverzekeringswetten algemeen is aanvaard dat over de kinderbijslag geen socialeverzekeringspremiën verschuldigd zijn, dan ligt het voor de hand dat de ondergetekenden hebben gemeend zich ook voor wat betreft de algemene ouderdomsverzekering in dit opzicht bij de bestaande sociale verzekeringen te moeten aansluiten en de kinderbijslag voor de premieheffing onbelast te moeten laten.

     Zoals hierboven reeds werd vermeld, dient ervoor te worden gewaakt dat de onderhavige afwijking van het fiscale inkomensbegrip de, zowel voor de belastingdienst als voor de werkgevers, aan de premieheffing voor de ouderdomsverzekering verbonden administratieve last zou verzwaren. Hiertoe, en met name om voor de werkgevers de mogelijkheid van het gebruik van premietabellen te behouden - op welke tabellen in hoofdstuk 9 van deze memorie en bij de artikelsgewijze toelichting nader wordt teruggekomen -, is in het wetsontwerp bepaald dat ter bepaling van het premieplichtig inkomen het inkomen van elke verzekerde van wie de premie geheel of gedeeltelijk bij wijze van inhouding wordt geheven, wordt verminderd met de kinderbijslag waarop hij over de periode waarin de inhouding plaatsvindt, ingevolge de Kinderbijslagwet aanspraak heeft of aanspraak zou hebben gehad indien de bepalingen van die wet op hem van toepassing zouden zijn geweest. Hierdoor wordt bereikt dat voor alle loontrekkenden met kinderen een gefixeerd bedrag aan kinderbijslag van premieheffing wordt vrijgesteld, namelijk de kinderbijslag ter hoogte van de bedragen, genoemd in de Kinderbijslagwet. De loontrekkenden die op grond van een bijzondere kinderbijslagregeling een hogere kinderbijslag ontvangen dan waarop de Kinderbijslagwet recht geeft, zullen dus over het bedrag waarmee de wettelijke kinderbijslag wordt overtroffen wel premie verschuldigd zijn. De ondergetekenden kunnen dit evenwel niet als een bezwaar zien. Integendeel kan worden gezegd dat voor alle loontrekkenden gelijkheid in behandeling ontstaat ten aanzien van de premieheffing voor de ouderdomsverzekering, door voor ieder buiten aanmerking te laten een gelijk bedrag aan kinderbijslag. Voorts brengt de onderhavige bepaling mee dat een zeer kleine groep van loonbelastingplichtige verzekerden die, hoewel ze wel kinderen hebben, geen kinderbijslag ontvangen doordat geen kinderbijslagregeling op hen van toepassing is, toch voor de premieheffing ingevolge de ouderdomsverzekering de aftrek van het gefixeerde bedrag aan kinderbijslag op hun inkomen zien toegepast. De hier bedoelde verzekerden zijn bijvoorbeeld te vinden onder het huispersoneel en rblz.|39 r.k.| onder de personen die in loondienst van niet-rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen werkzaam zijn. Waar deze personen toch reeds de kinderbijslag missen, achten de ondergetekenden het niet bezwaarlijk dat hun bij de premieheffing voor de ouderdomsverzekering een gering voordeel toevalt.
     Ten slotte dient nog te worden opgemerkt dat voor de zelfstandigen het werkelijk genoten bedrag aan kinderbijslag ingevolge de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen van het premieplichtige inkomen is uitgezonderd. Wordt deze Noodwet vervangen door een definitieve regeling, dan zal ten aanzien van de kinderbijslagen ingevolge de definitieve voorziening eenzelfde gedragslijn moeten worden gevolgd.

 

5.4. Premieheffing van kleine zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden met geringe inkomsten


Tegemoetkoming aan kleine zelfstandigen en aan andere niet-loontrekkenden met een klein inkomen

     Zoals in paragraaf 5.1 is uiteengezet, wordt bij de premieheffing als uitgangspunt gesteld dat iedere verzekerde die door of in verband met arbeid of vermogen inkomen geniet, verplicht is tot premiebetaling.
     De vraag rijst echter of er aanleiding bestaat om bij elk inkomen een bepaald bedrag niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de premie of om alle verzekerden met een inkomen beneden een bepaald bedrag van premiebetaling vrij te stellen.
     Ook de S.E.R. heeft deze vragen uitvoerig bezien. Uit zijn rapport (blz. 58) blijkt dat vrijstelling van premiebetaling over een deel van het inkomen voor alle premieplichtigen, zelfs indien dit deel van het inkomen betrekkelijk laag wordt gesteld, het percentage van de premie dat moet worden geheven van het resterende deel, zeer aanmerkelijk doet toenemen en wel zodanig dat degenen die het maximumpremiebedrag moeten betalen, dit bedrag zeer sterk zien stijgen. De hieruit voortvloeiende verdeling van de druk over de verschillende inkomensgroepen wordt door de S.E.R. niet redelijk geacht. De ondergetekenden kunnen op dit punt geheel de zienswijze van de S.E.R. delen.
     De S.E.R. acht het voorts niet noodzakelijk, wegens te verwachten inningsmogelijkheden bij een aantal verzekerden, een algemene vrijstelling te verlenen voor iedere verzekerde wiens inkomen een bepaald niveau niet overschrijdt. De Raad verheelt zich daarbij niet dat voor bepaalde categorieën van trekkers van lage inkomens het betalen van premie zeer bezwaarlijk kan zijn, gelet op de omstandigheid dat dikwijls zelfs de primaire levensbehoeften nauwelijks kunnen worden bevredigd. De wijze van invordering der premie zal dan ook de premiebetaling in belangrijke mate beïnvloeden. Bij de loontrekkenden zullen zich te dezen aanzien geen moeilijkheden voordoen, aangezien van deze groep de premie door de werkgever zal worden ingehouden, zodat aanwending door de premieplichtige van het voor premiebetaling bestemde deel van het inkomen voor andere doeleinden niet mogelijk is. Voor de zelfstandigen kan deze wijze van premie-invordering niet worden toegepast. Zij zullen derhalve een deel van het inkomen waarover zij reeds de beschikking hebben verkregen als premie moeten afdragen. Hierbij dient in het oog te worden gehouden - aldus de S.E.R. - dat het inkomen van de zelfstandigen veelal in relatief grote mate schommelt en dat het inkomen in vele gevallen niet voor vrije besteding beschikbaar is, maar wegens gebrek aan andere financieringsmiddelen gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden moet worden aangewend. De Raad concludeert, op grond van door het Ministerie van Financiën bij de belastinginning opgedane ervaringen, dat bij zelfstandigen met een inkomen beneden ƒ3000,- de premie in veel gevallen oninbaar zal blijken te zijn.
     De ondergetekenden onderschrijven de mening van de S.E.R. dat het, ter tegemoetkoming aan de betalingsmoeilijkheden van de kleine zelfstandigen, niet gerechtvaardigd voorkomt maatregelen te nemen welke werken ten aanzien van alle verzekerden - bijvoorbeeld door bij elk inkomen een bepaald
rblz.|40 l.k.| bedrag niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de premie of door alle verzekerden met een inkomen beneden een bepaald bedrag van premiebetaling vrij te stellen - en daardoor een redelijke verdeling van lasten welhaast onmogelijk zouden maken.

     Daarentegen zullen bepaalde andere maatregelen welke tegemoetkomen aan de betalingsonmacht van de kleine zelfstandigen niet kunnen worden gemist. Als vaststaande kan immers worden aangenomen dat een aantal kleine zelfstandigen niet in staat zal zijn de premie op te brengen. Worden hiervoor geen voorzieningen getroffen, dan zal het gevolg zijn dat een aantal minder draagkrachtige verzekerden, die juist grote behoefte hebben aan een behoorlijke ouderdomsvoorziening, te zijner tijd van een ouderdomspensioen verstoken blijven of althans slechts aanspraak kunnen maken op een te laag pensioen. Bijzondere maatregelen zijn hier derhalve nodig. De ondergetekenden wensen evenwel uitdrukkelijk vast te stellen dat volgens de bepalingen van het wetsontwerp ook iedere kleine zelfstandige premieplichtig is. De bijzondere maatregelen waarin het wetsontwerp voor de kleine zelfstandigen voorziet, bestaan hierin dat van hen de in beginsel verschuldigde premie niet wordt ingevorderd indien hun inkomen minder bedraagt dan een bepaald bedrag. Dit bedrag zal naar de mening van de ondergetekenden in de huidige omstandigheden niet hoger dienen te worden gesteld dan op ƒ2100,- per jaar voor gehuwden en op ƒ1500,- per jaar voor ongehuwden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in het betreffende artikel van het wetsontwerp (artikel 31 [-]) niet de begrippen "gehuwden" en "ongehuwden" worden genoemd, doch aansluiting is gezocht bij de rangschikking in tariefgroepen voor de heffing van de inkomstenbelasting.
     Het ontwerp gaat er namelijk van uit dat het bedrag van ƒ2100,- inkomen per jaar zal gelden voor alle verzekerden die voor de heffing van de inkomstenbelasting in tariefgroep II of III zijn gerangschikt. Hierdoor zijn ongehuwde verzekerden die gedurende vijf jaren een echtelijk huishouden hebben gevoerd, zoals bijvoorbeeld weduwen en weduwnaars, met gehuwden gelijkgesteld. Voorts wordt hiermede bereikt dat voor alle verzekerden die recht op kinderaftrek voor de belastingheffing hebben, ongeacht of zij gehuwd zijn, het bedrag van maximaal ƒ2100,- zal gelden.
     Ter voorkoming van een te snelle overgang achten de ondergetekenden het in navolging van het advies van de S.E.R. gewenst bij een inkomen boven genoemde bedragen niet onmiddellijk tot invordering van de gehele verschuldigde premie over te gaan, maar een geleidelijk toenemend deel van de premie in te vorderen. Door het inkomen waarbij de gehele premie zal worden ingevorderd ƒ1000,- hoger te stellen dan de vorengenoemde inkomensbedragen van ƒ2100,- per jaar voor gehuwden en daarmede gelijkgestelden en ƒ1500,- per jaar voor ongehuwden, zal naar hun oordeel voldoende ruimte worden gelaten om een geleidelijk oplopende schaal, volgens welke de premie zal worden ingevorderd, te ontwerpen.
     Ter toelichting van de gekozen inkomensgrenzen van ƒ1500,-, onderscheidenlijk ƒ2100,-, waar beneden geen premie zal worden ingevorderd, wordt opgemerkt dat deze grenzen samenvallen met de inkomensgrenzen waarbij voor de tariefgroep I, onderscheidenlijk II, de heffing van de inkomstenbelasting zal aanvangen indien het thans aanhangige wetsontwerp nr. 3885 (zitting 1954-1955) tot wet zal zijn verheven.
     Dat evenwel degenen wier inkomen zodanig is dat bovenomschreven bepalingen op hen van toepassing zouden kunnen zijn, toch in beginsel premieplichtig blijven, blijkt wel hieruit dat tot invordering der verschuldigde premie wél zal worden overgegaan indien de betrokkenen in aanmerking komen voor een aanslag in de vermogensbelasting. In deze gevallen immers zal de betalingsonmacht, met het oog waarop de tegemoetkomingen zijn getroffen, niet aanwezig zijn. Voorts dient te worden opgemerkt dat bijvoorbeeld van een verzekerde die deels als zelfstandige en deels als loontrekkende werkzaam is, de premie over zijn inkomen uit dienstbetrekking steeds, door middel van inhouding, ten volle zal worden ingevorderd. Voor zover het totale inkomen van zodanige verzekerde beneden bovengenoemde
rblz.|40 r.k.| grenzen blijft, kunnen dan nog, uitsluitend met betrekking tot dat deel van het inkomen dat als zelfstandige is verworven, de voor de kleine zelfstandigen getroffen tegemoetkomende bepalingen toepassing vinden.
     De ondergetekenden zijn van mening dat door bovenomschreven voorziening die maatregelen ter tegemoetkoming van de kleine zelfstandigen zijn getroffen welke - in grote lijnen - ook de S.E.R. voor ogen hebben gestaan.
     Zij menen voorts nog op het volgende aspect, verbonden aan de voor de kleine zelfstandigen getroffen regeling inzake de premie-invordering, te moeten wijzen. Aangezien de juiste hoogte van het inkomen van zelfstandigen die geen inkomstenbelasting betalen, bij de belastingdienst niet bekend is, zal deze dienst, indien van hen premie voor de ouderdomsverzekering zou moeten worden gevorderd, de nauwkeurige inkomensgegevens hiervoor speciaal dienen te verzamelen. Met name bij de zeer kleine zelfstandigen levert dit vaak grote moeilijkheden op. Het achterwege laten van de invordering der premie bij een groot deel van die kleine zelfstandigen wier inkomen beneden de belastinggrenzen ligt, levert derhalve ook een niet te onderschatten besparing aan administratiekosten op.
     Deze besparing zou niet worden bereikt indien gevolg zou worden gegeven aan de op blz. 63 van het S.E.R.-rapport vermelde mening van enkele leden van de S.E.R. dat alle verzekerden - dus ook de kleine zelfstandigen met een inkomen beneden ƒ2100,-, respectievelijk ƒ1500,- - door het aanbieden van een premieaanslag in de gelegenheid moeten worden gesteld de door hen verschuldigde premie te betalen. Aan het opleggen der premieaanslag dient immers steeds het verzamelen van nauwkeurige inkomensgegevens vooraf te gaan. De ondergetekenden verwachten van het aanbieden van een premienota aan meergenoemde kleine zelfstandigen met een inkomen beneden ƒ2100,- of ƒ1500,- weinig of geen resultaat ten aanzien van de premiebetaling. Mede gezien de verhoging der administratiekosten welke zou optreden, kunnen zij de mening van bedoelde enkele leden van de S.E.R. niet delen.
     Aangezien de motieven welke hebben geleid tot het treffen van de hierboven weergegeven regeling voor kleine zelfstandigen grotendeels ook gelden voor die overige niet-loontrekkenden die slechts over een gering inkomen beschikken hetwelk niet is onderworpen aan een voorheffing krachtens het Besluit op de Loonbelasting 1940 of een daarmede overeenkomende voorheffing, zijn de ondergetekenden van oordeel dat meerbedoelde regeling zich ook tot deze categorie van niet-loontrekkenden dient uit te strekken.
     Men zou zich kunnen afvragen of het tegenover de loontrekkenden met een even laag inkomen als de niet-loontrekkenden ten aanzien van wie van invordering der premie wordt afgezien, wel billijk is dat zij de volle premielast dragen.
     Hierbij dient evenwel te worden bedacht dat de loontrekkenden, zoals in hoofdstuk 8 van deze memorie nader wordt uiteengezet, in verband met de voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premie een Iooncompensatie zullen ontvangen. Voorts zullen zodanig lage inkomens als ten aanzien waarvan bij de kleine zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden van premie-invordering wordt afgezien, bij de loontrekkenden vrijwel alleen bij de jeugdige ongehuwden worden aangetroffen, voor wie de premiebetaling niet bezwaarlijk kan worden geacht. Integendeel heeft het betrekken van de jeugdigen in de premiebetaling belangrijke voordelen, welke in paragraaf 5.1 reeds zijn uiteengezet.


Andere gevallen van onmacht tot premiebetaling bij niet-loontrekkenden

     Het is mogelijk dat bij de pogingen tot invordering van door een niet-loontrekkende verschuldigde premie blijkt dat invordering niet mogelijk is als gevolg van bijzondere, de verzekerde persoonlijk betreffende, doch hem niet toe te rekenen omstandigheden, zoals bijvoorbeeld grote uitgaven door ziekte. Zoals in hoofdstuk 9 van deze memorie nader zal worden uiteengezet, zal in deze gevallen het nalaten der premiebetaling geen aantekening, welke tot een korting op het pensioen leidt, tot gevolg behoeven te hebben.

rblz.|41 l.k.| 
Overname van de premiebetaling door het Rijk

     Zowel indien op grond van de in deze paragraaf aangegeven regeling van invordering van premie van kleine zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden met een klein inkomen geheel of gedeeltelijk wordt afgezien als wanneer in de naderhand aangeduide andere gevallen van onmacht tot premiebetaling bij niet-loontrekkenden de pogingen tot invordering van premie niet of niet volledig tot resultaat hebben geleid, terwijl geen aantekening leidende tot korting op het pensioen wordt gesteld, achten de ondergetekenden het met de S.E.R. redelijk de premie welke niet is ingevorderd ten laste van het Rijk te brengen. De voor de ouderdomsverzekering op te brengen premie moet in zekere zin worden gerekend tot de kosten van het noodzakelijk levensonderhoud. Deze gedachtengang leidt ertoe dat ten aanzien van personen die de premie werkelijk niet kunnen opbrengen de Staat zal moeten bijspringen. Dat in deze gevallen de premiebetaling geheel of gedeeltelijk door de overheid dient te worden overgenomen, vormt naar het oordeel van de S.E.R. een onmisbaar element in het door hem voorgestelde stelsel, dat niet daaruit kan worden gelicht.
     Ook met het oog op de positie van de loontrekkenden is het noodzakelijk dat de wegens betalingsonmacht van niet-loontrekkenden niet-ingevorderde premie ten laste van de overheid en niet - via een verhoogde premie - te hunnen laste wordt gebracht.

 

6. Stelsel van financiering


     Het vraagstuk van de financiering der sociale verzekering, in het bijzonder van de ouderdomsverzekering, is in het verleden herhaalde malen onderwerp geweest van diepgaande studie. Tot voor korte tijd kon echter geen oplossing worden gevonden die algemene instemming vond. Des te verheugender is het dat thans in de S.E.R. wel eenheid van inzicht blijkt te bestaan.
     De meest voorkomende financieringsvormen zijn:
a. het fondsvormingsstelsel, waarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen het kapitaaldekkings- en het rentedekkingstelsel;
b. het omslagstelsel.

     Aan het advies van de S.E.R. kon de volgende analyse van de genoemde stelsels worden ontleend.
     Bij het kapitaaldekkingsstelsel wordt voor elke verzekerde berekend de wiskundige reserve welke aanwezig dient te zijn om - uitgaande van bepaalde veronderstellingen ten aanzien van de gemiddelde sterfte naar leeftijd en geslacht, van de gemiddeld te kweken rente en van de administratiekosten - alle toekomstige verplichtingen uit hoofde van reeds ingegane en nog niet ingegane renten te dekken, rekening houdende met de te verwachten opbrengsten van nog te betalen premiën.
     Het vermogen van het fonds dat door de premiebetalingen ontstaat, dient dan van het begin af aan voortdurend - ten minste - zo groot te zijn als de som van de wiskundige reserves voor alle verzekerden tezamen.
     In dit systeem worden dus gedurende de duur van de premieheffing - bijvoorbeeld van 15 tot 65 jaar - de vermogens gevormd, mede door rentebijschrijving, waaruit na het 65ste levensjaar de ouderdomsrente kan worden betaald.
     Bij het rentedekkingsstelsel wordt een reserve gevormd alleen voor de reeds ingegane renten. Voor degenen die op een bepaald tijdstip 65 jaar of ouder zijn en rente genieten, is dus op dat ogenblik een gezamenlijk vermogen aanwezig waaruit alle toekomstige renten voor deze groep kunnen worden voldaan. Voor degenen die 65 jaar worden en dan in het genot der rente treden, moet dan in het desbetreffende jaar het vermogen worden opgebracht waaruit zij in de volgende jaren hun ouderdomsrente kunnen verkrijgen. Het totaal aanwezige vermogen is dus bij het rentedekkingsstelsel aanzienlijk kleiner dan bij het kapitaaldekkingsstelsel.

     rblz.|41 r.k.| De jaarlijkse lasten zullen, indien de vereiste vermogens eenmaal zijn gevormd, bij een constante bevolkingsstructuur in beide stelsels even hoog zijn. Bij een zich uitbreidende bevolking, waarbij echter na enige tientallen jaren een evenwicht wordt verwacht en daarna een, relatieve, veroudering - de toestand dus welke in Nederland wordt verwacht -, zal de jaarlijkse last van een rentedekkingssysteem (zelfs afgezien van het kleinere noodzakelijke vermogen, dat eerst langzaam zou kunnen worden opgebouwd) aanvankelijk geringer en later groter zijn dan die van een kapitaaldekkingssysteem.
     Beide stelsels van fondsvorming eisen zeer grote vermogensaccumulaties.
     Bij het omslagstelsel wordt, afgezien van een schommelfonds, geen vermogen gevormd. De in een bepaald jaar te betalen renten dienen in datzelfde jaar te worden opgebracht. Vorming van een schommelfonds is ook in het omslagstelsel gewenst, zowel ter overbrugging van de verschillen doordat de jaarlijkse inkomsten en uitgaven niet nauwkeurig aan elkaar gelijk zullen zijn, als ter vermijding van jaarlijkse wijzigingen in het premiepercentage. Het fonds kan echter beperkt van omvang blijven.

     Binnen het kader van de in hoofdstuk 1 vermelde technische commissie-Van Rhijn heeft enige jaren geleden een bijzondere commissie onder leiding van mr. dr. Van Rhijn zich beziggehouden met het vraagstuk van de financiering van de ouderdomsverzekering. Aan de beschouwingen van het nog altijd lezenswaardige rapport van deze commissie wordt het volgende ontleend.
     Bij een vergelijkende beschouwing over het kapitaaldekkings- en het omslagstelsel wijst de commissie op de moeilijkheden welke bij het kapitaaldekkingsstelsel bestaan gedurende de overgangsperiode. Bij de invoering der verzekering zal een deel der bevolking zo oud zijn dat de voorwaarde met betrekking tot de duur der periode waarover premie moet worden betaald niet meer kan worden vervuld. Het vermogen dat voor de uitkering van het oudere gedeelte der bevolking wordt bijeengebracht, is zodoende niet toereikend om de normale uitkering voor hen te financieren, zodat, indien men de oudere bevolkingsklasse deswege niet van de verzekering wil uitsluiten, aanvullende middelen zullen moeten worden gevonden.
     Bij het omslagstelsel wordt, aldus de commissie, omdat fondsvorming wordt afgewezen, aanstonds de toestand bereikt welke bij het kapitaaldekkingsstelsel eerst na tientallen jaren optreedt, namelijk dat ontvangsten en uitkeringen met elkaar in evenwicht zijn. Een speciale voorziening voor hen die bij de invoering der verzekering reeds op gevorderde leeftijd zijn, is bij het omslagstelsel strikt genomen niet noodzakelijk. De commissie merkt evenwel op dat de rente welke bij het kapitaalsdekkingsstelsel met het gevormde vermogen wordt gekweekt en waardoor een premie kan worden geheven welke lager is dan de jaarlijks te dekken uitkeringen in het omslagstelsel, als bijdrage van de Staat in een andere vorm moet worden ontvangen indien men de premie op gelijke hoogte wil laten als voor het kapitaaldekkingsstelsel is berekend.
     Een essentieel verschil tussen de beide stelsels bestaat naar het oordeel der commissie hierin dat bij het kapitaaldekkingsstelsel gedurende de overgangsperiode van de zijde van het werkende deel der bevolking een tweeledige besparing in de zin van consumptiebeperking plaatsvindt; in de eerste plaats wordt hun consumptie beperkt om het niet werkende oudere deel, voor zover dit deel niet of niet voldoende premie heeft betaald, de vereiste uitkering te doen, doch bovendien moet de werkende generatie andermaal haar consumptie beperken om het vermogen bijeen te brengen dat te zijner tijd haar eigen uitkeringen moet mogelijk maken. Bij het omslagstelsel daarentegen wordt het laatste achterwege gelaten in het vertrouwen dat de toekomstige werkende generatie op haar beurt door de wet verplicht zal worden om zodanige premiën te betalen (en dus haar consumptie dienovereenkomstig te beperken) als nodig is om de thans werkenden te zijner tijd in het genot van de hun toekomende uitkeringen te kunnen stellen.
     Wanneer de periode welke in het kapitaaldekkingsstelsel als overgangstoestand wordt aangeduid eenmaal voorbij is, ziet de
rblz.|42 l.k.| commissie tot het ogenblik waarop een structuurwijziging hetzij in de bevolkingsopbouw, hetzij in de sociale voorzieningen intreedt, volkshuishoudkundig gezien geen verschil meer lussen beide stelsels. In juridisch opzicht blijven ook in die periode de verschillen bestaan.
     Naar aanleiding van het tegen het omslagstelsel aangevoerde bezwaar dat dit stelsel de kosten van invoering van een ouderdomsverzekering op toekomstige generaties afwentelt, merkt de commissie op dat deze afwenteling eerst practisch aan de dag zal kunnen treden - afgezien van het ondenkbare geval dat de sociale voorzieningen zouden worden afgeschaft - bij relatieve vermindering van het actieve deel van de bevolking, doordat de middelen niet of niet voldoende aanwezig zijn om de verwachtingen van hen die tot dusverre door premiebetaling hun consumptie beperkten in het uitzicht van te zijner tijd te ontvangen uitkeringen, te verwezenlijken.
     Bij toepassing van het kapitaaldekkingsstelsel is in geval van een relatieve vermindering van het actieve deel der bevolking, aldus de commissie, weliswaar een fonds aanwezig uit welks gedeeltelijke liquidatie de middelen vrijkomen om de verzekerden een uitkering te verschaffen, doch de omstandigheden waaronder deze liquidatie zou moeten plaatsvinden, zullen dan zodanig zijn dat de zekerheid die de aanwezigheid van het fonds moest verschaffen slechts in onvolledige mate bestaat. Immers, de geleidelijke liquidatie van fondsen zal reeds door het vergrote aanbod de koersen en dus ook de opbrengsten der beleggingen ongunstig beïnvloeden. Daarbij komt nog dat door het relatief kleiner worden van de actieve bevolking de omvang der maatschappelijke productie - en daarmede het consumptiemiddelenfonds - terugloopt; de vraag naar consumptiegoederen vermindert, maar in geringere mate dan het aanbod; derhalve zal een prijsstijging optreden en de productiecapaciteit der bedrijven zal niet volledig worden benut uit gebrek aan arbeid; kortom een slepende structurele depressie zal zich voordoen, welke ook van de zijde van de vraag oorzaak is van daling der koersen van beleggingsfondsen.

     Naar het oordeel van de grootst mogelijke meerderheid der commissie pleit het in de aanhef van de vorige alinea bedoelde argument slechts ten gunste van het fondsvormingsselsel indien vaststaat dat bij aanvaarding van het fondsvormingsstelsel het geaccumuleerde fonds zou hebben bijgedragen tot vergroting van het productiepotentieel en daarmede niet slechts een geldrente, doch ook een natuurlijke rente (dit is een reële vermeerdering van het volksinkomen met consumptiegoederen, welke de koopkrachtige vraag tot rente- en kostendekkende prijzen kan opnemen) zou hebben gekweekt. Dit nu acht zij uitgesloten. De belegging van de enorme kapitalen die het fonds in de overgangsperiode zal opbouwen, zal op onoverkomenlijke moeilijkheden stuiten, tenzij de Staat de in de gedachtengang van de commissie te zijnen laste komende kosten van de toekenning van verstreken verzekeringsjaren door middel van langlopende leningen financiert en deze leningen bij de fondsen onderbrengt. De commissie merkt dan voorts op dat buitenlandse beleggingen van sociale fondsen, dat wil zeggen kapitaalexport, afgezien van de principiële bedenkingen daartegen en afgezien van elke beleggingsverruiming tenietdoende reciprociteitseisen, voor ons van voldoende deviezen en productiemiddelen verstoken land tot de practische onmogelijkheden behoren. Hierbij willen de ondergetekenden terloops aantekenen dat de algemene deviezenpositie van ons land thans op zichzelf genomen ruimere beleggingen in het buitenland zou toestaan. De principiële bezwaren tegen beleggingen van sociale fondsen in het buitenland en de beleggingsverruiming tenietdoende reciprociteitseisen blijven onverminderd van kracht.
     In het rapport van de commissie-Verrijn Stuart, ingesteld bij Koninklijk besluit van 9 Februari 1939, nr. 44, wordt ten aanzien van de huidige in de Invaliditeitswet geregelde ouderdomsverzekering de wiskundige reserve aan het eind van de overgangsperiode op ongeveer ƒ3,8 milliard gesteld. uitgaande van een uitkering van ƒ6,- per week en een rentestand van 4%. De gedaalde rentestand en de hogere uitkeringen in aanmerking nemend, kan naar de mening der commissie als
rblz.|42 r.k.| vaststaand worden aangenomen dat in een periode van 40 jaar een bedrag van vele milliarden zal moeten worden belegd, waarbij niet uit het oog moet worden verloren dat ook andere institutionele beleggers het aanbod zullen vergroten, terwijl de toenemende zelffinanciering doet vrezen dat de kapitaalvraag in de toekomst zal afnemen. Het gevolg zal zijn dat voor een groot deel der te beleggen gelden geen of slechts improductieve bestemmingen zullen kunnen worden gevonden, ook al neemt men het begrip productief in de meest ruime zin van het woord.
     Voor zover belegging in niet-productieve richting plaatsvindt, zullen, zo merkt de commissie op, de besparingen geen verhogingen van het productiepotentieel teweegbrengen; het toekomstige nationale inkomen waaruit de toekomstige uitkeringen moeten worden afgeleid, heeft geen vergroting tengevolge van besparingen in het heden ondergaan, zodat, bezien vanuit het oogpunt der economische collectiviteit, alsdan geen wezenlijk verschil aanwezig is tussen omslagstelsel en fondsvormingsstelsel.
     De commissie vestigt er voorts de aandacht op dat de voorstanders van het kapitaaldekkingsstelsel van mening zijn dat zelfs indien het premiekapitaal voor een kleiner of groter deel in improductieve staatsfondsen zou worden belegd, dit stelsel hiermede nog niet veroordeeld is. Zij leggen de nadruk - en één lid der commissie onderschreef deze opvatting - op het belang van de formele onafhankelijkheid van het verzekeringsfonds, welke een waarborg vormt tegen vermenging van de door de verzekerden bijeengebrachte gelden en de staatskas en tegen een daaruit voortvloeiende subordinatie van de belangen van de verzekerden aan de belangen der schatkist. Zij menen dat slechts een onafhankelijk fonds aan de wettelijke bepalingen een zekere onaantastbaarheid schenkt. Met name zal volgens deze opvatting in tijden van conjuncturele neergang het afgezonderd vermogen der fondsen de verzekerden eerder vrijwaren tegen aantasting van het uitkeringspeil dan uitsluitend de wettelijke bepalingen bij toepassing van het omslagstelsel vermogen.
     Anderzijds wordt van de zijde van de voorstanders van het omslagstelsel aangevoerd dat dit stelsel bij stijging van het prijsniveau eerder tot verhoging van de uitkeringsnormen zal leiden dan het fondsvormingsstelsel.
     Dit argument is daarom vooral van belang wijl de economische geschiedenis een tendentiële waardevermindering van het geld heeft te zien gegeven. Bovendien versterken plotselinge evenwichtsverstoringen in het prijsniveau in opwaartse zin tengevolge van internationale conflicten c.q. oorlogen deze tendentie.
     Men ziet dan ook van de zijde van de voorstanders van het omslagstelsel in het kapitaaldekkingsstelsel een in de sfeer van de sociale verzekering niet-passende reminiscens aan het commercieel geschoeide privaatrechtelijk verzekeringsbedrijf. Daar is een fonds nodig ter handhaving van de solvabiliteit van de verzekeraar. Wanneer de Staat echter insolvent wordt, sleept hij, aannemend dat het verzekeringskapitaal grotendeels in staatsfondsen is belegd, de verzekerden door de ontwaarding van het in staatsfondsen belegde verzekeringskapitaal evenzeer in zijn faillissement mee.
     Ten slotte gelden naar het oordeel van de grootst mogelijke meerderheid der commissie als bezwaar tegen het fondsvormingsstelsel nog de moeilijkheden die voor het fonds zullen ontstaan bij daling van de rentestand tot een peil gelegen beneden de rentegrondslag. Deze natuurlijker wijze reeds uit het overmatig kapitaalsaanbod van de zijde der fondsen voortvloeiende daling van het rentepeil zal de fondsen op de duur voor grote tekorten plaatsen en hen tot onmiddellijke verhoging van de verzekeringsbijdrage nopen, hetgeen weer een nog groter kapitaalsaanbod tengevolge zou hebben. Hiertegenover kan echter worden gewezen op de mogelijkheid om de uit een gestegen rentestand voortvloeiende overschotten aan te wenden tot compensatie der bovengenoemde tekorten.

     Ook de S.E.R. heeft zich, zoals reeds in het begin van dit hoofdstuk bleek, met de wijze van financiering der verzekering beziggehouden. De Raad stelt allereerst dat de uitkeringen, rblz.|43 l.k.| ongeacht de gevolgde financieringswijze, uit de lopende productie zullen moeten geschieden. Vanuit dit aspect is het derhalve van belang - zo de Raad - een stelsel van financiering te kiezen dat de omvang van de toekomstige productie zo mogelijk gunstig beïnvloedt. Een dergelijke invloed zal van een wijze van financiering waarbij fondsvorming op grote schaal plaatsvindt niet uitgaan, omdat de fondsvorming de omvang der besparingen zeer sterk zou doen stijgen, terwijl het niet waarschijnlijk is dat de factoren welke de omvang van de investeringen bepalen zich hierdoor zodanig zullen wijzigen dat de toeneming van de spaarneiging tot additionele investeringen aanleiding zal geven. Een financieringsstelsel waarvan, althans gedurende de periode van de opbouw van het vermogen, een permanente deflatoire werking uitgaat, acht de Raad ongewenst. Hiermede wordt niet ontkend dat er zich situaties kunnen voordoen waarin de deflatoire invloeden gewenst kunnen zijn. In dergelijke situaties kan ook van een omslagstelsel met een schommelfonds op soepele wijze - en in een aantal gevallen zelfs nagenoeg automatisch - de in de gegeven conjuncturele situatie gewenste invloed uitgaan.
     Na vervolgens te hebben nagegaan welke vermogens volgens het rentedekkingsstelsel en het kapitaaldekkingsstelsel nodig zijn, concludeert de Raad dat het streven naar vermogensaccumulatie van de geschetste omvang voor het onderhavige doel reeds daarom verwerpelijk is, wijl die vermogensaccumulatie niet nodig en zelfs doelloos is. De Raad vervolgt dan met erop te wijzen dat het stelsel ontleend aan de techniek der individuele verzekeringen, waar de fondsvorming onvermijdelijk is, behoudens de vorming van een beperkt schommelfonds, nutteloos wordt in een algemene ouderdomsverzekering. Is eenmaal - zo de Raad - de fondsvorming volgens één der beide stelsels (kapitaal- of rentedekkingsstelsel) voltooid, dan blijft het fonds, behoudens eventuele voorzieningen uit hoofde van toeneming der bevolking e.d., ongewijzigd voortbestaan en heeft het ten behoeve van de ouderdomsverzekering geen economische functie meer te vervullen; het effect van premiebetaling en uitkering wordt dan in wezen identiek aan dat van premiebetaling en uitkering bij het omslagstelsel. De vermogensaccumulatie is in werkelijkheid slechts een dekking voor een vermeende achterstand in de premiebetaling, een overbodige backservice, die in waarheid strijdig is met één der grondgedachten van een allen omvattende sociale verzekering. De ondergetekenden willen er de aandacht op vestigen dat de S.E.R. verwaarloost dat het fonds in een kapitaal- of rentedekkingsstelsel in ieder geval zijn betekenis ten aanzien van de daaruit te kweken interest behoudt.
     De S.E.R. wijst dan op de bezwaren van deze overbodige vermogensaccumulatie. Ze houdt geen verband met de behoefte aan investering en de omvang staat derhalve in geen rationele verhouding tot de vraag naar vermogen. Deze irrationele verhouding schept niet alleen door de incongruentie tussen vraag en aanbod van vermogen moeilijkheden bij de belegging. maar moet herhaaldelijk storend werken op geld- en kapitaalmarkt. Het beheer van een vermogen van de geschetste omvang vereist een groot apparaat, naast dat hetwelk, onafhankelijk van de vorm der financiering, nodig is voor premieheffing en uitkeringen. Indien het vermogen belegd wordt in de private productie, schept dat beheer, aldus de S.E.R., ook grote risico's, welke slechts vermeden kunnen worden door uitlening aan de gemeenschapsorganen. Op zichzelf acht de Raad deze laatste wijze van belegging niet verwerpelijk, maar ze doet door de omvang van het aanbod en het gemis van een verband met de reële behoefte aan vermogen van de Staat en de lagere organen der gemeenschap, toch weer storende invloed voor de geld- en kapitaalmarkt en daardoor ook met betrekking tot de rentevoet ontstaan, die de in het kader van de sociale verzekeringen reeds op zichzelf gevaarlijke neiging tot belegging in aandelen belangrijk zullen versterken. Een streven in de richting van de belegging in aandelen in de sector der private productie doet bijzondere moeilijkheden en bezwaren ontstaan door de accumulatie van het door de fondsvorming ontstane vermogen in de handen van een orgaan dat voor deze taak niet geschikt is of waarvoor althans het doelmatige apparaat nog zal moeten
rblz.|43 r.k.| worden in het leven geroepen. Bovendien zou de hiermede gepaard gaande machtsconcentratie ten aanzien van de investeringen problemen in het leven roepen waarvan de omvang nog niet is te overzien.
     Al deze bezwaren worden vermeden, aldus de S.E.R., bij de toepassing van het omslagstelsel.
     Doordat geen vermogen voor reeds ingegane renten behoeft te worden gevormd en geen vermogen voor straks te verstrekken renten behoeft te worden opgebouwd, zal de premie in de eerste tientallen jaren aanmerkelijk lager kunnen zijn dan bij een rentedekkings- of kapitaaldekkingssysteem het geval is. Nadat in deze systemen het vermogen is opgebouwd, zou, bij gelijkblijvende bevolkingsstructuur en bij een gelijk nationaal inkomen, de jaarlijkse last voor alle drie de stelsels even groot zijn, behoudens dan de omstandigheid, waarop de ondergetekenden reeds eerder doelden, dat men bij het omslagstelsel de interest over de reserve mist, zodat hier een grotere premie noodzakelijk is. Bij een ontwikkeling waarbij het aantal bejaarden ten opzichte van het aantal actieven toeneemt, zal de jaarlijkse last van het omslagstelsel in de toekomst (dat wil zeggen na het vormen der vermogens voor andere stelsels) groter zijn. Deze voor een verdere toekomst waarschijnlijk grotere last heeft de Raad, gezien de overige voordelen van het omslagstelsel, menen te moeten aanvaarden.
     Biedt het omslagstelsel dus de mogelijkheid om de aan de fondsvorming verbonden bezwaren te vermijden, dat stelsel brengt, zo gaat de Raad verder, bovendien voordeel - waarop ook door de vorenbedoelde financieringscommissie werd gewezen - door de mogelijkheid welke het opent om zonder grote bezwaren een aanpassing te verzekeren aan een veranderde koopkracht van de gulden. Die aanpassing kan in het omslagstelsel in beginsel op natuurlijke wijze en zonder schokken worden verkregen, omdat de mogelijkheid hier openstaat een rechtstreeks verband te leggen tussen de hoogte van de uitkeringen en die der premiebedragen, terwijl de laatste kunnen worden gekoppeld aan het welvaartsniveau der actieve deelnemers aan de voortbrenging. Aldus wordt een harmonisch geheel verkregen dat niet verstoord wordt door de schokken welke bij de systemen der fondsvorming onvermijdelijk zijn en waarbij met name de backservice vaak onoverkomelijke moeilijkheden kan doen ontstaan.
     De betekenis van de in de voorgaande alinea geschetste aan het omslagstelsel verbonden mogelijkheid van aanpassing aan de koopkracht heeft voor velen in den lande de laatste jaren de ogen geopend voor de voordelen van dat stelsel. Men heeft ervaren dat bij een sterke daling van de koopkracht van de gulden de op fondsvorming gebaseerde ouderdomsvoorziening in zodanige mate in gebreke blijft dat zij haar doelstelling mist. De Raad acht het niet zonder nut de aandacht erop te vestigen dat ook bij stijging van de koopkracht van het geld het omslagstelsel op eenvoudige wijze een onderlinge aanpassing van het niveau van uitkering en premiebetaling mogelijk maakt.

     Na ampele overweging van de argumenten vóór en tegen beide stelsels in de hiervoor weergegeven beschouwingen van de financieringscommissie onder leiding van mr. dr. van Rhijn en van de S.E.R. hebben de ondergetekenden de voorkeur gegeven aan een wijze van financiering op de grondslag van een omslagstelsel, waarbij vooral de doorslag heeft gegeven dat bij dit stelsel zonder grote bezwaren aanpassing van de pensioenen aan een verandering in de koopkracht van de gulden kan worden verkregen.
     Voorts zijn de ondergetekenden van oordeel dat bij het omslagstelsel de moeilijkheden waarvoor men bij de opzet van een ouderdomsverzekering gedurende de overgangsperiode komt te staan gemakkelijker zijn op te lossen dan bij het stelsel van fondsvorming.
     Verder heeft nog tot de voorkeur van de Regering voor het omslagstelsel geleid dat de grotere zekerheid welke het fondsvormingsstelsel ten aanzien van een algemene verplichte ouderdomsverzekering biedt, naar haar mening meer van theoretische dan van practische betekenis is. De grondgedachte van het
rblz.|44 l.k.| omslagstelsel, namelijk dat de actief werkende generatie de middelen moet opbrengen om de oudere generatie in het genot van uitkering te stellen, geldt evenzeer ten aanzien van het stelsel van fondsvorming. De actief werkende generatie toch zal moeten zorg dragen dat de geaccumuleerde fondsen de opbrengst afwerpen welke daarvan verwacht wordt. Op zich zelf bevat het stelsel van fondsvorming die waarborgen niet in zich. In deze gedachtengang dient ernaar te worden gestreefd die waarborgen rechtstreeks door de activiteit van de toekomstig werkende generatie te verkrijgen.
     Ten slotte hebben de ondergetekenden overwogen dat de toepassing van het kapitaaldekkingsstelsel bij de ouderdomsverzekering naar alle waarschijnlijkheid een ongunstige invloed zou uitoefenen op de particuliere investeringsbereidheid. Er zou immers een fonds ontstaan van vele milliarden guldens dat in verband met zijn aard slechts in zeer beperkte mate in de risicodragende sfeer belegd zou kunnen worden. Te verwachten valt dat ten gevolge daarvan niet alleen een overschot zou ontstaan aan risicomijdende besparingen, maar tevens een zodanige vermindering van risicoaanvaardende besparingen in de particuliere sector dat de beperkte mogelijkheden om een gedeelte van het fondsvermogen risicodragend te beleggen daar zeker niet tegen op zouden wegen.
     De ondergetekenden zijn er zich van bewust dat het totaal achterwege blijven van elke kapitaalvorming bij de oudedagsvoorziening in het algemeen evenmin aanbeveling verdient. In de economische situatie waarin ons land verkeert en naar alle waarschijnlijkheid voorshands zal blijven verkeren, moet ook kapitaalvorming door middel van verzekeringsfondsen van waarde worden geacht. Onder voorbehoud derhalve dat de kapitaalvorming langs deze weg niet leidt tot een te groot aanbod van in hoofdzaak risicomijdend kapitaal, kan die kapitaalvorming nuttig worden geoordeeld. De benodigde kapitaalvorming zal evenwel tot stand kunnen komen door de particuliere fondsen, waaronder begrepen de bedrijfs- en ondernemingspensioenfondsen. Aldus kan een zekere mate van kapitaalvorming worden bevorderd; vermeden dient echter te worden dat naar beleggingsmogelijkheden moet worden gezocht voor de enorme kapitalen die van een kapitaaldekkingsstelsel bij de thans voorgestelde wettelijke ouderdomsvoorziening het gevolg zouden zijn.

     Vorming van een beperkte reserve bij wijze van schommelfonds, waarover nader in hoofdstuk 7, achten de ondergetekenden evenwel noodzakelijk.

 

7. Kosten der verzekering


Inleiding

     Zoals in het vorige hoofdstuk bleek, hebben de ondergetekenden gekozen voor een financiering der ouderdomsverzekering door middel van het omslagstelsel. Thans dient de uit deze wijze van financiering voortkomende ontwikkeling van lasten en baten te worden bezien. De volgende beschouwingen zijn gebaseerd op de als bijlage aan deze memorie toegevoegde actuariële nota van de wiskundige adviseur van de Rijksverzekeringsbank. Hierbij dient te worden bedacht dat met de in deze nota gegeven schattingen omtrent het in de toekomst te heffen premiepercentage slechts is bedoeld de grootteorde van de percentages aan te geven. Niet alleen moesten ten behoeve van deze schattingen uiteraard bepaalde prognoses omtrent de toekomstige loop van de bevolking en de verdeling der inkomens worden opgesteld, maar bovendien vereisten de gemaakte schattingen reeds voor de eerstkomende jaren de kennis van grootheden die niet alle nauwkeurig bekend zijn en derhalve moesten worden geraamd.


Nettopremiepercentage

     Ervan uitgaande dat de ontworpen voorziening per 1 Januari 1957 in werking zal treden en daarna geen wijzigingen van de pensioenbedragen tengevolge van veranderingen in het indexcijfer der lonen zullen optreden, wordt in de actuariële nota de rblz.|44 r.k.| volgende raming van de nettolasten (in millioenen guldens) gegeven:

Jaar Nettolasten
1957 x722
1958 x736
1959 x754
1960 x772
1961 x791
1962 x810
1963 x829
1964 x848
1965 x865
1966 x884
1971 x993
1976 1095
1981 1182

     De bovengenoemde cijfers zijn met die welke bij het advies van de S.E.R. werden gepubliceerd vergelijkbaar. De verschillen tussen beide cijferreeksen kunnen, zoals in de nota is opgemerkt, nagenoeg volledig uit de verhoging (ad 6%) van de in het advies voorgestelde uitkeringen en de afwijking van de aldaar gebezigde bevolkingsprognose ten opzichte van de thans beschikbare herziene prognose worden verklaard.
     De nettolasten stijgen tot omstreeks 1971 met rond 12% per vijf jaren. Daarna wordt de stijging geringer: over de periode 1971-1976 bedraagt deze rond 10%; over de periode 1976-1981 rond 8%. In deze stijging komt zowel de absolute toename van de bevolking als de relatieve toename van het aantal bejaarden tot uitdrukking.
     Tegenover deze prognose van de nettolasten stelt de wiskundige adviseur van de Rijksverzekeringsbank in zijn nota de volgende prognose omtrent het premieplichtig inkomen (in millioenen guldens):

Jaar Premieplichtig inkomen
1957 11 721
1958 11 824
1959 11 932
1960 12 044
1961 12 157
1962 12 297
1963 12 434
1964 12 559
1965 12 694
1966 12 831
1971 13 544
1976 14 247
1981 14 933

     Zoals kon worden verwacht, vertonen ook deze cijfers een voortdurende stijging; deze bedraagt door elkaar genomen 5% per vijf jaren. Waar de nettolasten dus aanmerkelijk sterker dan het premieplichtig inkomen stijgen, moet er rekening mede worden gehouden dat het premiepercentage geleidelijk zal toenemen.
     De actuariële nota vermeldt onderstaand overzicht van het nettopremiepercentage (dit is het bedrag der nettolasten, uitgedrukt in procenten van het premieplichtig inkomen) voor dezelfde kalenderjaren:

Jaar Nettopremiepercentage
1957 6,16
1958 6,22
1959 6,32
1960 6,41
1961 6,51
1962 6,59
1963 6,67
1964 6,75
1965 6,81
1966 6,89
1971 7,33
1976 7,69
1981 7,92

     Uit de voortdurende stijging van het nettopremiepercentage blijkt duidelijk welk een toenemende financiële druk de toekomstige ouderdomsvoorziening op de groep der actieven ten bate van die der bejaarden zal leggen. Zij is een onvermijdelijk gevolg van de vergrijzing der bevolking, welke in de gebezigde bevolkingsprognose ligt opgesloten.
     Tegenover de toenemende financiële druk welke de zorg voor de bejaarden op de groep der actieven zal leggen, mag gesteld worden de relatieve vermindering van het aantal jeugdigen welke eveneens uit de prestaties der actieve groep moeten worden onderhouden. Hierin ligt dus een zekere compensatie, al is het niet wel doenlijk deze in cijfers die enig houvast geven uit te drukken.
     Het verdient intussen de aandacht dat in het advies van de S.E.R. de "natuurlijke" stijging van het premiepercentage gedurende de periode 1955-1970 lager wordt geraamd dan in het bovenstaande het geval is. Ongetwijfeld is de omstandigheid dat een andere bevolkingsprognose werd gebezigd mede van invloed geweest. Bovendien houdt de S.E.R. (blz. 81 van het rapport) rekening met een trendmatige stijging van het
rblz.|45 l.k.| nationale inkomen per hoofd van de bevolking. Dit geschiedt in de actuariële nota niet. Naar de mening van de ondergetekenden terecht. Zonder twijfel mag gerekend worden met een stijging van de productiviteit en derhalve met die van het inkomen per hoofd der bevolking. Het is evenwel zeer bezwaarlijk de grootte van deze stijging op enigszins langere termijn met enige nauwkeurigheid te ramen. Belangrijker is nog dat de raming der uitgaven noodgedwongen uitgaat van gelijkblijvende uitkeringsbedragen. Stijgt het nationale inkomen per hoofd van de bevolking, dan zullen ook de lonen wel stijgen. In het gekozen systeem gaan dan ook de uitkeringen omhoog. Ook dit is een reden om bij het ramen van de inkomsten de stijging van het inkomen per hoofd van de bevolking maar buiten beschouwing te laten. Te meer omdat de stijging van inkomens boven ƒ6000,- per jaar niet in de toekomstige premieopbrengst tot uiting zal komen.
     Ook het aanvangsniveau van het premiepercentage in het S.E.R.-advies ligt aanmerkelijk lager dan het boven weergegeven percentage. Uit de actuariële nota blijkt dat bij de huidige ramingen de nettolasten hoger en het premieplichtig inkomen lager dan bij de schattingen van de S.E.R. zijn verondersteld. De afwijkende raming met betrekking tot de nettolasten kan nagenoeg geheel worden verklaard uit de wijzigingen in het loonniveau die een verhoging van de uitkeringsbedragen met 6% nodig maakten. Bovendien heeft het aanvangspercentage van de S.E.R. betrekking op 1955, terwijl in dit hoofdstuk wordt uitgegaan van 1957, waarin het aantal bejaarden relatief groter is.
     Uit de actuariële nota blijkt voorts dat de afwijkende raming met betrekking tot het premieplichtig inkomen, naast andere factoren (loonsverhogingen; handhaving grens van premieplichtig inkomen op ƒ6000,-, ondanks loonsverhogingen; kinderbijslag geen inkomen in de zin van het ontwerp) vrijwel geheel moet worden verklaard uit de omstandigheid dat de S.E.R. zich bij zijn berekeningen op een ruimer inkomensbegrip heeft gebaseerd dan dat waarvan hij overigens in zijn advies uitgaat en dat in het wetsvoorstel is overgenomen.


Brutopremiepercentage

     De bovenstaande cijfers geven omtrent de grootte van het te heffen brutopremiepercentage nog geen beeld, daar met de vorming en instandhouding van een reserve bij wijze van schommelfonds en de aan de uitvoering van de voorziening verbonden kosten nog geen rekening is gehouden.
     Indien men het omslagstelsel aldus toepast dat het premiepercentage noodzakelijk ter dekking van de geraamde lasten over een kalenderjaar, voor ieder jaar afzonderlijk wordt geschat, zal dit percentage van jaar tot jaar blijken te veranderen. Een dergelijke voortdurende wijziging van het premiepercentage moet echter ongewenst worden geacht. In verband daarmede bepaalt artikel 28 [-], tweede lid, van het ontwerp dat het premiepercentage als regel telkens voor een periode van vijf jaren moet worden vastgesteld. In dit systeem kan een reserve bij wijze van schommelfonds niet worden gemist. Deze reserve heeft ten doel het premiepercentage zoveel mogelijk constant te doen zijn. Daar de bedoelde noodzakelijke wijzigingen van het premiepercentage in beginsel uit drieërlei oorzaken voortkomen, kan, zoals nader in de actuariële nota is uiteengezet, aan het schommelfonds een drievoudig stabiliserende functie worden toegekend.
     In de nota is opgemerkt dat het gewenst is tekorten welke het gevolg zijn van wezenlijke divergenties tussen verwachting en werkelijkheid, althans voorlopig, met behulp van een veiligheidsopslag in de premie te kunnen voorkomen.
     Waar de ervaring omtrent de wenselijke grootte van die veiligheidsmarge ontbreekt, moest dienaangaande een voorlopige keuze worden gedaan. De wiskundige adviseur van de Rijksverzekeringsbank stelt voor de eerste vijfjarige periode de veiligheidsmarge in de premie op 2% van de nettopremie. De gewenste grootte van de veiligheidsmarge voor een volgende vijfjarige periode zal (behalve van de verkregen ervaring!) afhangen van de desbetreffende periode. Wanneer bij het begin van een nieuwe periode in het ouderdomsfonds nog een
rblz.|45 r.k.| overschot van premieontvangsten uit het vorige tijdvak aanwezig is ter grootte van minstens 10% van de gemiddeld over de nieuwe periode te verwachten jaarlijkse nettopremieontvangst, zal de veiligheidsmarge voor die periode wellicht achterwege kunnen blijven.
     Behalve met de bovengenoemde veiligheidsopslag moet het premiepercentage met een opslag voor administratiekosten worden verhoogd. De grootte van deze opslag kan nog niet nauwkeurig worden aangegeven, aangezien thans omtrent de omvang der administratiekosten geen volledige gegevens beschikbaar zijn. Bij de raming van de administratiekosten is enerzijds van belang te bedenken dat de voorgestelde regeling de gehele bevolking zal omvatten. Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat de regeling uit administratief oogpunt zeer eenvoudig is van opzet. Door het beoogde systeem van beperkte registratie der verzekerden wijkt de voorziening in haar administratieve opzet af van de bestaande socialeverzekeringswetten. Het zal overigens raadzaam zijn bij de eerste vaststelling van het premiepercentage de opslag voor administratiekosten niet te laag Ie stellen. De uitvoering van een nieuwe wet brengt juist in de eerste jaren van haar gelding extra - veelal onvoorziene - kosten mede. Wanneer de opslag later te hoog zou blijken te zijn, komen er extra baten ter beschikking welke in de tweede periode ter compensatie van de te verwachten natuurlijke stijging van de premie zouden kunnen worden aangewend.
     Indien te zijner tijd de opslag voor onkosten wordt uitgedrukt in een percentage van de nettopremie, zal worden bereikt dat een stijging van de onkosten, voor zover voortkomend uit een stijging van het indexcijfer der lonen, geen bijzondere voorzieningen vereist.


Gevolgen invoering der verzekering

     De gevolgen welke de invoering van de verzekering direct of indirect voor de grootte van het premieplichtig inkomen en dus van het brutopremiepercentage zal hebben, zijn thans niet exact aan te geven.
     In hoofdstuk 8, inzake de economische gevolgen van de invoering der voorziening, zijn echter wel een aantal algemene veronderstellingen gemaakt. Zo kan verwacht worden dat de werknemers voor de door hen te betalen premie een compenserende loonsverhoging zullen ontvangen.
     Voorts moet er rekening mede worden gehouden dat de werkgevers de looncompensatie geheel of gedeeltelijk zullen trachten door te berekenen in de prijzen, terwijl de zelfstandigen zulks ook zullen pogen te doen voor de premie welke zij voor zichzelf ingevolge de voorgestelde voorziening zullen moeten betalen.
     De genoemde factoren zullen de omvang van het premieplichtig inkomen doen toenemen, terwijl zij de totale lasten van de verzekering niet zullen doen stijgen. De te verwachten looncompensatie zal geen invloed mogen hebben op de hoogte van de pensioenen, omdat anders een wijziging in de reële netto-inkomenspositie van de bejaarden zou ontstaan welke niet in dezelfde mate voor de werknemers geldt (zie artikel 9 [12], vijfde lid, van het ontwerp). Zoals bij lezing van hoofdstuk 8 zal blijken, is het niet waarschijnlijk dat er factoren zullen optreden welke de omvang van het premieplichtig inkomen noemenswaard nadelig zullen beïnvloeden. Aangezien dus bij de gemaakte veronderstellingen het premieplichtig inkomen zal toenemen, terwijl de lasten gelijk zullen blijven, zal het premiepercentage iets lager kunnen zijn dan men op grond van het in het begin van dit hoofdstuk gestelde zou verwachten.
     De over de eerste vijf jaren gemiddeld benodigde nettopremie bedraagt 6,33%. Na verhoging met 2% voor het schommelfonds wordt 6,46% verkregen. Houdt men rekening met de administratiekosten en de overige opgesomde factoren, die zich beter laten overzien kort vóór de inwerkingtreding van de verzekering, dan zal de totale premie dus voor de eerste vijf jaar liggen in de orde van grootte van 6,5 à 7%. Het juiste cijfer zal eerst met vrucht kunnen worden vastgesteld bij de invoering van de verzekering.

rblz.|46 l.k.| 
Omvang rijksbijdrage wegens niet-ingevorderde en niet-betaalde premiën

     Zoals in paragraaf 5.4 nader werd toegelicht, worden de niet bij wijze van inhouding geheven premiën verschuldigd door verzekerden wier inkomen beneden een zekere grens blijft en die niet aangeslagen zijn in de vermogensbelasting, niet of slechts gedeeltelijk ingevorderd (artikel 31 [-] van het ontwerp).
     De niet-ingevorderde premiën komen, zoals eveneens in paragraaf 5.4 werd uiteengezet, ten laste van het Rijk (artikel 32 [-]). Dit geldt ook ten aanzien van de premiën welke door de verzekerden niet zijn betaald, zonder dat van een schuldig nalaten sprake is (artikel 33 [-], tweede lid).
     De grootte van het bedrag dat ten laste van 's Rijks schatkist zal komen in verband met niet-ingevorderde premiën valt op dit moment niet vast te stellen wegens gebrek aan feitelijke gegevens.
     Teneinde evenwel enig inzicht te verkrijgen in de orde van grootte van bedoeld bedrag, is, na overleg met het Centraal Planbureau en op grond van de ervaringen in de loop der jaren bij de invordering van de belastingen opgedaan, een zeer ruwe schatting gemaakt. Deze schatting leidde tot een rijksbijdrage in de orde van grootte van ƒ30 millioen per jaar. In dit bedrag van ƒ30 millioen zijn dan begrepen zowel de premiën welke van kleine zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden met een inkomen van minder dan ƒ3100,-, onderscheidenlijk ƒ2500,- per jaar, voor gehuwden en daarmede gelijkgestelden, onderscheidenlijk voor ongehuwden, geheel of gedeeltelijk niet worden ingevorderd, als de door zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden verschuldigde premiën waarvan de invordering wel is beproefd, doch niet tot resultaat heeft geleid, terwijl toch ook geen schuldig nagelaten premiebetaling aanwezig wordt geacht.
     Er zij evenwel nogmaals op gewezen dat de voor de vaststelling van de rijksbijdrage in de premie benodigde feitelijke gegevens thans niet aanwezig zijn, zodat ten aanzien van genoemd bedrag van ƒ30 millioen het nodige voorbehoud in acht dient te worden genomen.

     Opmerking verdient nog dat door de S.E.R. een aanmerkelijk hogere bijdrage van het Rijk is voorzien, namelijk van ƒ50 millioen per jaar. Hierbij dient evenwel in aanmerking te worden genomen dat de S.E.R. zich bij de bepaling van dit bedrag heeft gebaseerd op de inkomenspositie van de zelfstandigen in 1949. Sedertdien moet evenwel rekening worden gehouden met een aanzienlijke inkomensstijging en met een aanmerkelijke daling van de bedragen welke niet ingevorderd kunnen worden.

 

8. De economische gevolgen van de invoering der ouderdomsverzekering


     Bij een bespreking van de vraag of de lasten welke zullen voortvloeien uit de invoering ener ouderdomsverzekering, gelijk in dit wetsontwerp wordt geregeld, door de Nederlandse volksgemeenschap gedragen kunnen worden, dient onderscheid gemaakt te worden tussen de economische gevolgen welke deze verzekering zal hebben op korte en op lange termijn.
     Op korte termijn gezien, valt in de eerste plaats te rekenen met enige stijging in het peil der arbeidskosten. De arbeiders, die de gehele premie zullen moeten gaan betalen, zullen daarvoor een compenserende loonsverhoging verlangen, gelijk trouwens in het advies van de S.E.R. in uitzicht wordt gesteld. Omdat in geen geval vooruitgelopen kan worden op het resultaat van de onderhandelingen ter zake tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, dient hier in het midden te blijven of deze compensatie geheel gelijk zal zijn aan het bedrag der op te brengen premie, te meer omdat de aanvankelijk door de S.E.R. geraamde premiepercentages, zoals in hoofdstuk 7 is gebleken, hoger zullen liggen. Het is echter geen gewaagde veronderstelling ervan uit te gaan dat de compenserende loonsverhoging zal uitgaan boven de 4% welke aan de werkgevers door de voorgenomen afschaffing van de vereveningsheffing zal toevallen. Het ligt voor de hand dat in een aantal
rblz.|46 r.k.| gevallen de ondernemers zullen trachten en er ook in zullen slagen dit verschil in de prijzen hunner producten of diensten door te berekenen. Bovendien zullen de zelfstandigen ook voor zichzelve de premie hebben op te brengen, waartegenover geen compensatie door het vervallen van de vereveningsheffing zal slaan. Ook hier moet dus rekening gehouden worden met een minstens gedeeltelijke doorberekening van deze premie in de prijzen.
     De stijging van het peil der arbeidskosten zal het prijspeil en de exportpositie enigszins ten ongunste beïnvloeden. Het Centraal Planbureau berekende dat deze repercussies zeer waarschijnlijk binnen enge grenzen (1 à 1,5%) zullen blijven. Voor zover daardoor de werkgelegenheid ongunstig zou worden beïnvloed, mag worden aangenomen dat een dergelijke teruggang zal worden gecompenseerd door de invloed van een vermoedelijk te verwachten (eveneens bescheiden) stijging van het consumptievolume. Ook de investeringen zullen door één en ander niet noemenswaard worden beïnvloed.
     Een ander gevolg dat onmiddellijk optreedt, is een verschuiving in het voor besteding beschikbare inkomen ten gunste van de bejaarden. De uitkeringen krachtens de nieuwe ouderdomsverzekering liggen iets hoger dan de bedragen van de Noodwet Ouderdomsvoorziening. Maar dit is niet het voornaamste. Veel belangrijker is dat veel meer ouden van dagen van de nieuwe regeling zullen profiteren dan van de Noodwet, die alleen uitkeringen toekent aan hen wier eigen inkomen beneden zekere maximumgrenzen blijft. Voorts zal geen inkomensaftrek meer worden toegepast. En ten slotte kent de nieuwe ouderdomsverzekering uit haar aard geen gemeenteklasse-indeling. Het inkomen van de groep der bejaarden zal dientengevolge niet onaanzienlijk toenemen. De hieruit voortvloeiende inkomensverschuiving wordt door twee factoren gemitigeerd. In de eerste plaats zal ten minste een deel van de toeslagen welke vanwege de gemeentelijke diensten voor sociale zorg aan sommige Noodwettrekkers worden gegeven, kunnen vervallen of verminderd kunnen worden. En in de tweede plaats zullen kinderen en andere familieleden kunnen afzien van verplichte of vrijwillige alimentatiebijdragen voor bejaarden of deze verlagen.
     Sociaal gesproken ligt de inkomensverschuiving ten gunste van de bejaarden in de bedoeling van de regeling. Economisch gesproken zou van deze verschuiving misschien een tendens tot bestedingsinflatie kunnen uitgaan, in zoverre tengevolge van ontsparing bij de actieve groepen een vergroting van het totale verbruik ontstaat. Van veel betekenis zal dit echter vermoedelijk niet zijn, omdat verwacht kan worden dat, voor zover een verschuiving in de inkomens optreedt ten gunste van de bejaarden, de actieve groepen hun inkomensvermindering grotendeels zullen opvangen door een beperking van hun consumptieve uitgaven. Voor het overige merken de ondergetekenden op dat in een periode van hoogconjunctuur, als wij thans beleven, veelal zekere tendenties tot een inflatoire ontwikkeling aanwezig zullen zijn. Daardoor kan men zich van het treffen van sociale maatregelen, als er hier één wordt voorgesteld, niet laten weerhouden. Immers in perioden van minder gunstige conjunctuur bestaat algemeen het gevoelen dat voor het treffen van belangrijke sociale voorzieningen gunstiger tijden moeten worden afgewacht. Op deze wijze zou men nimmer aan het nemen van maatregelen als de onderhavige toekomen. Mocht tegen de verwachtingen in een zekere versterking van inflatoire tendenties door de invoering van de hier voorgestelde verzekering voelbaar worden, dan zal het te voeren financiële, monetaire en economische beleid op het tegengaan van deze tendenties gericht moeten worden.
     De invloed van de invoering der nieuwe ouderdomsverzekering op de overheidsfinanciën zal niet van grote betekenis zijn. Tegenover het wegvallen van de uitkeringen krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening, voor 1955 te ramen op ƒ297 millioen, staat het opheffen van de vereveningsheffing, welker opbrengst geraamd wordt voor 1955 op ƒ300 millioen. De Overheid zal echter, overeenkomstig het onderhavige wetsvoorstel, de niet-geïnde premies voor een deel der zelfstandigen voor haar rekening moeten nemen, te ramen op een ƒ30 millioen
rblz.|47 l.k.| 's jaars. Bovendien draagt de Overheid de kosten van de rentederving op de aan het Ouderdomsfonds te verlenen voorschotten, opdat dit fonds nog voordat premies geïnd zijn, onmiddellijk met de uitkeringen een aanvang zal kunnen maken.
     Er is daarnaast een vijftal andere sociale voorzieningen - te weten de toeslagen op renten ingevolge de Invaliditeitswel, de kinderbijslagen voor invaliditeits-, ouderdoms- en wezenrentetrekkers ingevolge de Invaliditeitswet, de kinderbijslagen voor kleine zelfstandigen, de kraamgelden en de toeslagen op renten ingevolge de Ongevallenwetten - welke tot dusver evenals de Noodwet Ouderdomsvoorziening geacht werden uit de vereveningsheffing te worden betaald. Gelijk blijkt uit de cijfers hierboven genoemd, was dit in feite in 1955 niet meer het geval. In dit opzicht verandert er dus door de opheffing van de vereveningsheffing niets. Met andere woorden: de nieuwe last voortvloeiende uit de invoering van de nieuwe ouderdomsverzekering kan voor de schatkist gesteld worden op rond ƒ30 millioen zonder de rentederving wegens de te verstrekken renteloze voorschotten. De Regering acht deze uitgave voor het onderhavige doel, gezien de stand der rijksfinanciën, aanvaardbaar.

     Wat de gevolgen op lange termijn betreft, merken de ondergetekenden in de eerste plaats op dat deze met een veel geringer mate van waarschijnlijkheid kunnen worden voorzien. Tal van factoren welke hierop van invloed zijn, vallen wat hun toekomstige ontwikkeling betreft noch te berekenen, noch te voorspellen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het nationale inkomen, de internationale conjunctuur en de emigratie. Zou men, met een beroep op de onzekerheid der ontwikkeling, de onderhavige voorziening achterwege laten, dan doemt men zichzelf tot duurzame dadenloosheid.
     Naar het inzicht van het Centraal Planbureau kan gesteld worden dat de hierboven geschetste invloeden op het binnenlandse prijspeil en op de export na enkele jaren ten hoogste ongeveer in betekenis zullen verdubbelen wat de prijzen betreft en verdrievoudigen wat de export betreft. Ook in dat geval zijn deze gevolgen dan nog niet van een dusdanige omvang dat naar het inzicht van de ondergetekenden daaraan motieven zouden kunnen worden ontleend om de onderhavige voorziening thans niet te treffen. Bij de totstandkoming van belangrijke sociale voorzieningen in het verleden was de situatie geen andere dan de huidige. Verwezen worde onder andere naar de invoering van de Wachtgeld- en Werkloosheidswet. Ook toen stonden slechts gegevens omtrent de gevolgen op korte termijn ter beschikking. De sedertdien plaatsgehad hebbende ontwikkeling van zaken geeft allerminst aanleiding de toen genomen beslissing thans te betreuren. In het algemeen kan worden gesteld dat gevolgen van maatregelen als de onderhavige op de duur in de totale economische en sociale structuur worden opgenomen, daarin als het ware worden "verwerkt" en dat zich het in de toekomst te voeren beleid inzake lonen, overheidsfinanciën, enz. daaraan aanpast. Een mogelijkheid om die aanpassing min of meer "pijnloos" te laten verlopen, ligt in de stijging van de productiviteit waarop, juist als het om de ontwikkeling op wat langere termijn gaat, gerekend mag worden. Ook als de ontwikkeling op deze wijze "pijnloos" verloopt, betekent zij niettemin - en het is goed dat ons volk zich dit duidelijk bewust maakt - dat de loon- en andere inkomens der actieve groepen in geringer mate toenemen dan de stijging der productiviteit zou mogelijk maken indien er geen ouderdomsverzekering ware. Bij de beoordeling en vaststelling van inkomens, onder andere ook van Ionen en salarissen, dient men hiermede ter dege rekening te houden. Wordt dit uit het oog verloren, dan zou het arbeidskostenpeil te hoog kunnen worden ten detrimente van de werkgelegenheid. Het welvaartsoffer dat ter wille van de ouden van dagen door de gehele actieve bevolking moet worden gebracht, zou aldus op een deel der bevolking - de werklozen - worden afgewenteld, een situatie welke uit sociaal-ethisch oogpunt volstrekt verwerpelijk zou zijn en waartegen met alle kracht gewaakt dient te worden. Nog kan worden opgemerkt dat mede in verband met het vorenstaande in dit wetsontwerp een verband werd gelegd niet
rblz.|47 r.k.| tussen kosten van levensonderhoud en uitkeringen, doch tussen lonen en uitkeringen, zodat indien het loonpeil tengevolge van de invoering der ouderdomsverzekering iets minder zou kunnen stijgen dan zonder deze voorziening mogelijk geweest ware, ook de uitkeringen met niet meer dan het percentage van de loonstijging omhoog zullen gaan.
     Wanneer het om de gevolgen op lange termijn gaat, dient aan twee aspecten nog aandacht geschonken te worden. En wel aan de mogelijke invloed van de in dit wetsontwerp belichaamde toeneming van de sociale zekerheid op de productiviteit en aan de gevolgen van de zeker optredende "vergrijzing" van onze bevolking. Wat het eerste betreft, wordt wel gesteld dat een toeneming van de sociale zekerheid, hier dus het bieden van de zekerheid van een minimuminkomen op de oude dag, de prikkel tot persoonlijke inspanning zou verslappen. In hoeverre moet zulks in dit geval worden gevreesd? De voorgestelde verzekering geeft elke verzekerde slechts een uitkering waaruit een minimaal levensonderhoud kan worden bekostigd. De ondergetekenden zijn van mening dat hierin juist een prikkel gelegen kan zijn voor velen om door eigen offers zich een zodanig inkomen op de oude dag te verzekeren dat dit tezamen met de uitkering krachtens dit wetsontwerp een redelijke oudedagsvoorziening waarborgt. Zij staan in die verwachting niet alleen. In de kringen van het particuliere verzekeringswezen wordt deze mening gedeeld. Velen die thans geen kans zien geheel zelfstandig een eigen voorziening op te bouwen, zien van elke eigen zorg voor de oude dag maar af. Dat zal straks veranderen. Bovendien mag niet vergeten worden dat de hier voorgestelde verzekering, als zij eenmaal tot stand gekomen is, bij zeer velen een gevoel van grote bevrediging zal scheppen. Ook dat kan een stimulans tot inspanning zijn.
     De voortgaande vergrijzing van ons volk is een niet te ontkennen feit. Zij maakt het treffen van voorzieningen voor de oude dag urgenter, maar ook moeilijker, want kostbaarder. Zou de last te zwaar worden in de toekomst, dan is verlichting mogelijk door de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen, een mogelijkheid welke goed aansluit aan een toeneming van de gemiddelde leeftijd en een verbeterende lichamelijke conditie der bejaarden. Ook is er in vele landen een tendenz waarneembaar tot toenemende vrouwenarbeid. Men kan dit betreuren of toejuichen, te stuiten valt zulk een ontwikkeling, als zij zich ook in ons land zou gaan voordoen, niet. Maar zij zou in elk geval een toeneming van het aantal actieven beneden de 65 jaar betekenen, dat wil zeggen een relatieve toeneming van het aantal premie betalenden, vergeleken met het aantal pensioengerechtigden. Hoever het proces der vergrijzing zal en kan doorgaan, is niet te zeggen. Maar dat het niet ongelimiteerd kan voortgaan, staat menselijkerwijs gesproken wel vast. Hoe dit alles ook zij, ook zonder ouderdomsverzekering zal ons volk op één of andere wijze de consequenties van de vergrijzing hebben te dragen en het is sociaal beslist niet verantwoord deze consequenties af te wentelen op de economisch zwakke groep der bejaarden zelf door hen verstoken te doen blijven van een ouderdomsverzekering.
     Samenvattend komen de ondergetekenden tot de conclusie dat de economische gevolgen van de invoering ener ouderdomsverzekering als hier voorgesteld op korte termijn zeker niet van een aard en omvang zullen zijn dat op grond daarvan de voorgestelde verzekering achterwege zou dienen te blijven en dat de gevolgen op lange termijn, voor zover voorzienbaar bij de grote onzekerheden welke hier bestaan, die grond evenmin opleveren.

 

9. Uitvoering der verzekering


Gecentraliseerde uitvoering

     Bij de bepaling van de wijze waarop en van het orgaan waardoor de ouderdomsverzekering zal worden uitgevoerd, dient men zich vooral te realiseren dat de voorgestelde regeling rblz.|48 l.k.| een volksverzekering is: zij omvat alle groepen van de bevolking, geen enkele uitgezonderd, en onderscheidt zich in dit opzicht derhalve van de andere sociale verzekeringen. Door dit onderscheid mist zij, zoals ook de S.E.R. in zijn advies opmerkt, het bedrijfseigen karakter dat verschillende van de andere sociale verzekeringen kenmerkt. Voor een bedrijfstaksgewijze uitvoering, waarin de Organisatiewet Sociale Verzekering voor de onderscheidene sociale verzekeringen voorziet, bestaat bij de voorgestelde ouderdomsverzekering dan ook geen aanleiding. Een doelmatige organisatie van deze verzekering vereist naar de mening van de ondergetekenden een in beginsel gecentraliseerde uitvoering welke naar behoefte territoriaal kan worden gedecentraliseerd.


Uitvoering door de Sociale Verzekeringsbank, bijgestaan door de Raden van Arbeid

     De S.E.R. adviseert de uitvoering der ouderdomsverzekering op te dragen aan een onder toezicht van de Sociale Verzekeringsraad staand zelfstandig rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam. Het komt de Raad voor dat, mede ter uitvoering van de onderhavige verzekering, de Rijksverzekeringsbank tot een zelfstandig rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam zou kunnen worden omgevormd. Hierdoor zou de nieuwe verzekering onmiddellijk de beschikking krijgen over een administratieve apparatuur welke met de onderhavige materie vertrouwd is.
     De ondergetekenden onderschrijven geheel de hierboven weergegeven gedachte van de S.E.R. Zij achten het daarbij tevens van belang dat wanneer van de apparatuur van de Rijksverzekeringsbank gebruik wordt gemaakt, als van zelf de mogelijkheid wordt geschapen gezamenlijke uitbetaling van ouderdomspensioenen ingevolge de nieuwe voorziening en van ouderdomsrenten ingevolge de Invaliditeitswet op eenvoudige wijze te bewerkstelligen.
     Op grond van het vorenstaande zijn de ondergetekenden van mening dat de uitvoering van de ouderdomsverzekering dient te worden opgedragen aan een centraal uitvoeringsorgaan, de Sociale Verzekeringsbank, een zelfstandig rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, waarin de apparatuur van de Rijksverzekeringsbank zal worden geïncorporeerd. Deze Sociale Verzekeringsbank kan, teneinde een naar behoefte territoriaal gedecentraliseerde uitvoering te verkrijgen, bij de uitvoering van haar taak worden bijgestaan door de Raden van Arbeid. De vaststelling en de invordering der voor deze verzekering verschuldigde premiën - waarover hieronder nader wordt gehandeld - zal geschieden door de Rijksbelastingdienst.


Bestuursvorm Sociale Verzekeringsbank

     Ter voorziening in de omvorming van de Rijksverzekeringsbank tot het hierboven genoemde rechtspersoonlijkheid bezittende lichaam de Sociale Verzekeringsbank kan eerlang een ontwerp van wet tot wijziging van de Wet op de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid worden tegemoetgezien.
     Hieronder moge volgen een kort overzicht van de beoogde wijzigingen.
     Bedoeld ontwerp van wet zal dus, zoals gezegd, voorzien in de omvorming van de Rijksverzekeringsbank tot een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, de Sociale Verzekeringsbank.
     Voorts zal het huidige bestuur der Rijksverzekeringsbank bij de Sociale Verzekeringsbank de functie bekleden van directie en belast zijn met de leiding der dagelijkse werkzaamheden. Het algemeen uitvoerings- en financieel beleid van de Sociale Verzekeringsbank zal worden gevoerd door een bestuur samengesteld uit vertegenwoordigers van organisaties van werkgevers en werknemers en uit leden aangewezen door de Overheid. Bij deze laatsten is niet uitsluitend gedacht aan overheidsvertegenwoordigers in strikte zin, doch mede aan van overheidswege aangewezen personen die geacht kunnen worden andere maatschappelijke groeperingen dan werkgevers en werknemers te vertegenwoordigen. De voorgestelde ouderdomsverzekering omvat immers het gehele volk. Het is daarom gewenst dat ook
rblz.|48 r.k.| andere maatschappelijke groeperingen dan werkgevers en werknemers in het bestuur der Bank vertegenwoordigd zijn. Hierbij is onder andere gedacht aan organisaties van huisvrouwen en van beoefenaren van de vrije beroepen.


Heffing en invordering van de premie door de Rijksbelastingdienst

     Naar de mening van de ondergetekenden is het uit een oogpunt van doelmatigheid gewenst één onderdeel van de uitvoeringstaak ten aanzien van de voorgestelde ouderdomsverzekering, namelijk de heffing en invordering der verschuldigde premiën, niet op te dragen aan de Sociale Verzekeringsbank. In overeenstemming met het advies van de S.E.R. is in het ontwerp van wet met dit onderdeel der uitvoeringstaak belast de Rijksbelastingdienst. Deze dienst toch beschikt reeds ten aanzien van het overgrote deel der bevolking over de gegevens omtrent het inkomen en daarmede over de gegevens waarvan de kennis vereist is voor de bepaling van het bedrag der voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premie en beschikt voorts over een omvangrijk en geschoold invorderingsapparaat.
     Het ware denkbaar de gegevens omtrent het inkomen door de belastingdienst aan de Sociale Verzekeringsbank te doen verstrekken, opdat ook de premieheffing en -invordering geheel door de Sociale Verzekeringsbank zouden kunnen geschieden. Hierdoor zou echter een aanzienlijke vermeerdering van administratieve werkzaamheden optreden, terwijl deze gang van zaken ook in het oog vallende moeilijkheden zou opleveren in de gevallen waarin een verzekerde tegen de hoogte van de hem opgelegde premieaanslag - en daarmede tegen de hoogte van zijn aan de premieaanslag ten grondslag liggend inkomen - bezwaar maakt. In al deze gevallen zou de Sociale Verzekeringsbank zich weer met de belastingdienst dienen te verstaan en het zou dus - althans materieel gezien - toch uiteindelijk deze dienst zijn die over de hoogte van de premieaanslag beslist. Naar het oordeel van de ondergetekenden weegt het voordeel dat men zou kunnen zien in het opdragen ook van dit deel der uitvoeringstaak - de heffing en invordering der premiën - aan de Sociale Verzekeringsbank en in het - althans formeel - buiten de uitvoeringsorganisatie laten van de belastingdienst niet op tegen de nadelen verbonden aan genoemde vermeerdering van administratieve werkzaamheden en aan de geschetste te verwachten moeilijkheden.
     Het opdragen, om redenen van doelmatigheid, van de heffing en invordering van de premiën aan de Rijksbelastingadministratie brengt uiteraard voor die administratie een aanmerkelijke uitbreiding van werkzaamheden mede. De invordering van de premiën zal door deze dienst moeten worden ingepast in het geheel van het invorderingsbeleid, waarbij de aard van de verschuldigde bedragen kan nopen tot een zekere differentiatie in dat beleid, zoals ook bij de invordering van de naar karakter uiteenlopende belastingen nodig kan zijn. De zeer grote ervaring van de Rijksbelastingdienst op dit terrein geeft grond voor de verwachting dat op deze wijze de zware taak van heffing en invordering van de honderden millioenen aan premie waarom het hier gaat, plaatsvindt op de meest verantwoorde wijze die binnen het bereik ligt.
     Wordt aldus een deel van de werkzaamheden verbonden aan de uitvoering van de wettelijke ouderdomsverzekering als zelfstandige taak toevertrouwd, onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën, aan een overheidsorgaan dat buiten de kring van de uitvoeringsorganen der sociale verzekering staat, voor het karakter van de voorgestelde verzekering als zodanig heeft deze doelmatigheidsmaatregel uiteraard generlei betekenis.
     De heffing en de invordering door de belastingdienst van de verschuldigde premie zal in het systeem van de voorgestelde regeling geschieden overeenkomstig de bepalingen welke gelden voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting en de loonbelasting. Dit betekent niet dat de verschuldigde premie zal worden vermeld op hetzelfde aanslagbiljet waarop de aanslag in de inkomstenbelasting voorkomt; de
rblz.|49 l.k.| premie wordt per afzonderlijke aanslag aan de verzekerden medegedeeld.
     Van degenen wier inkomen is onderworpen aan een voorheffing krachtens het Besluit op de Loonbelasting 1940 of aan een daarmede overeenkomende voorheffing ingevolge de Tweede Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 - in hoofdzaak de groep der loontrekkenden - wordt de premie op gelijke wijze als de loonbelasting door de werkgever op het loon ingehouden. Teneinde de werkzaamheden welke voor de werkgevers aan deze inhouding verbonden zijn beperkt te houden, zullen premietabellen worden ingevoerd. De premietabellen zullen zodanig met de loonbelastingtabellen kunnen worden gecombineerd dat de werkgevers uit de tabel rechtstreeks de premie en de loonbelasting zullen kunnen aflezen.
     De vraag kan gesteld worden in hoeverre bij de premieheffing de inschakeling van de bedrijfsverenigingen, bedoeld in de Organisatiewet Sociale Verzekering, mogelijk en gewenst is. Het is duidelijk dat de bedrijfsverenigingen niet kunnen worden ingeschakeld voor de premieheffing van zelfstandigen, daar zij noch over de voor de premieheffing benodigde gegevens omtrent het inkomen van zelfstandigen beschikken, noch over een registratie van de premieplichtige zelfstandigen. Het zou mogelijk zijn de bedrijfsverenigingen de premiën voor de loontrekkenden te doen innen indien de premie alleen van het loon zou worden geheven. Ware dit het geval, dan zou naar het oordeel van de ondergetekenden het desideratum van een uniforme wetstoepassing zich toch nog tegen het opdragen van de premie-inning aan twee instanties verzetten. Premie is echter verschuldigd over het gehele inkomen, dus ook over inkomsten welke niet uit arbeid in dienstbetrekking zijn verworven. Hierdoor kan, ook indien de bedrijfsverenigingen zouden worden ingeschakeld bij de premieheffing van de loontrekkenden, de belastingdienst toch niet gemist worden als orgaan dat uiteindelijk de verschuldigde premie vaststelt. Inschakeling van de bedrijfsverenigingen bij de premieheffing zou dus niet betekenen dat de belastingdienst geen bemoeienis meer zou hebben met de premieheffing van de loontrekkenden. [De volgende zin bevat onjuiste tekst, red.] Integendeel, de belasting- dient in aanmerking te worden genomen dat de huidige door zekerde, opgave moeten ontvangen van de door de werkgevers bij wijze van voorheffing ingehouden premiën. Hierbij dienst [lees: dient, red.] in aanmerking te worden genomen dat de huidige door de bedrijfsverenigingen gevolgde wijze van premieheffing ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet voorziet - en in het systeem van genoemde Coördinatiewet en van de verzekeringen welke door de ingevolge die wet geheven premiën worden gefinancieerd, ook geenszins behoeft te voorzien - in een registratie van de voor iedere verzekerde individueel geheven premiën. Slechts per werkgever worden de premiën welke voor een collectiviteit van verzekerden zijn betaald, door de bedrijfsverenigingen geregistreerd.
     De ondergetekenden zijn derhalve van oordeel dat het niet mogelijk is de bedrijfsverenigingen in te schakelen bij de premieheffing voor de ouderdomsverzekering. Opmerking verdient dat ook de S.E.R. in zijn advies inschakeling van de bedrijfsverenigingen bij de premieheffing afwijst.
     Ook voor de premieheffing van degenen wier inkomen niet aan een voorheffing krachtens het Besluit op de Loonbelasting 1940 of een daarmede overeenkomende voorheffing is onderworpen, beschikt de belastingdienst reeds over de gegevens omtrent het inkomen in de gevallen waarin een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd of waarin na vaststelling van het inkomen gebleken is dat geen inkomstenbelasting verschuldigd is. Ten aanzien van het overgrote deel der tot deze groep behorende personen zal het vaststellen van het bedrag der voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premie voor de belastingdienst derhalve geen moeilijkheden opleveren. Slechts in die gevallen waarin vaststelling van het inkomen ten behoeve van de inkomstenbelasting niet heeft plaatsgevonden omdat dit inkomen beneden de belastbare grens ligt, zal de belastingdienst ten behoeve van de heffing van de premie voor de ouderdomsverzekering alsnog tot vaststelling van het inkomen moeten overgaan. De moeilijkheden welke zich hierbij kunnen voordoen, worden naar het oordeel van de ondergetekenden zeer
rblz.|49 r.k.| in omvang beperkt door de in paragraaf 5.4 van deze memorie uiteengezette regeling, welke inhoudt dat van een kleine zelfstandige of van een andere niet-loontrekkende van wie de premie niet bij wijze van inhouding wordt geheven, geen premie wordt ingevorderd, mits de betreffende verzekerde niet is aangeslagen in de vermogensbelasting en zijn inkomen minder bedraagt dan ƒ2100,- indien hij gehuwd is - of voor de toepassing van de onderhavige bepaling met een gehuwde is gelijkgesteld - of minder dan ƒ1500,- indien hij ongehuwd is.
     De ondergetekenden zijn van mening dat door de inschakeling van de belastingdienst op de wijze als hierboven is aangegeven, een doelmatige en efficiënte wijze van heffing en invordering der voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premiën wordt verkregen.


De uitvoeringstaak van de Sociale Verzekeringsbank

     Zoals hierboven is uiteengezet, zijn de ondergetekenden van oordeel dat de uitvoeringstaak, voor zover deze niet betreft de heffing en invordering der verschuldigde premiën, geheel dient te berusten bij de Sociale Verzekeringsbank, bijgestaan door de Raden van Arbeid.
     Deze uitvoeringstaak zal omvatten het onder goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, vaststellen van het percentage van het inkomen dat door de verzekerden aan premie verschuldigd is, het beheren van het Ouderdomsfonds, het beleggen van de gelden van dit fonds overeenkomstig door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, te stellen regelen, de beperkte registratie ter bepaling van de omvang van de pensioenrechten en de vaststelling en uitbetaling der pensioenen.


De beperkte registratie

     De administratie ter bepaling van de omvang van de pensioenrechten der verzekerden zou op zodanige wijze kunnen worden gevoerd dat de Sociale Verzekeringsbank zou overgaan tot registratie van alle verzekerden en tot het aanleggen van een administratie waarin ten aanzien van elke verzekerde alle gegevens voorkomen welke voor het bepalen van de omvang en van het tijdstip van ingang der pensioenrechten benodigd zijn, zoals burgerlijke staat, verblijf buitenslands en betaling der premie. Ook de gegevens omtrent de mutaties in de groep der verzekerden door huwelijk, overlijden, emigratie en immigratie zouden in een dergelijke administratie dienen te worden verwerkt. De gegevens omtrent de premiebetaling zouden door de belastingdienst nominatief aan de Sociale Verzekeringsbank dienen te worden doorgegeven ter verwerking in de administratie van de verzekerden. Als men echter in ogenschouw neemt dat de verzekering het gehele volk omvat, is het duidelijk dat zodanige registratie een enorme administratieve arbeid zou vergen, waarbij vergeleken de huidige vrij omvangrijke administratie van de Invaliditeitswet bij de Rijksverzekeringsbank slechts kinderspel zou zijn. Naar de mening van de ondergetekenden is het, wanneer zulks niet volstrekt noodzakelijk is, niet verantwoord de opbouw van een dergelijke omvangrijke administratie bij de wet voor te schrijven. Naar de overtuiging van de ondergetekenden bestaat deze noodzaak in het kader van een de gehele bevolking omvattende ouderdomsverzekering stellig niet.
     In de eerste plaats wordt een volledige registratie van de gehele bevolking reeds gevonden in de bevolkingsboekhouding. Het moet dan ook overbodig worden geacht een soortgelijke, zeer omvangrijke registratie nogmaals door de Sociale Verzekeringsbank te doen aanleggen. Voorts is ook voor de premie-inning een afzonderlijke nominatieve registratie van de verzekerden niet noodzakelijk, daar de belastingdienst het overgrote deel der premieplichtigen in verband met de invordering van de inkomsten- en loonbelasting reeds registreert. Deze dienst zal tot een aanvullende registratie moeten overgaan van die verzekerden die in de administratie voor de inkomsten- en loonbelasting niet voorkomen en toch premieplichtig zijn voor de ouderdomsverzekering, waarbij met name wordt gedacht
rblz.|50 l.k.| aan de verzekerden wier inkomen beneden de voor de inkomsten- en loonbelasting belastbare grens blijft. Hierbij zal, indien zulks nodig mocht blijken, ook van de in de vorm van de bevolkingsboekhouding aanwezig zijnde registratie der verzekerden gebruik kunnen worden gemaakt.
     Bleek uit het vorenstaande dat aan een registratie bij de Sociale Verzekeringsbank, waarin ten aanzien van elke verzekerde alle gegevens voorkomen welke voor het bepalen van de pensioenrechten nodig zijn, geen behoefte bestaat, dit neemt niet weg dat een beperkte registratie bij die instelling niet zal kunnen worden gemist.
     In deze registratie dienen, met vermelding van alle gegevens welke voor de bepaling van de omvang der pensioenrechten van belang zijn, te worden opgenomen de - weinig talrijke - gevallen waarin de belastingdienst op grond van artikel 3 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 concludeert dat iemand binnen het Rijk woont - en dus verzekerd is -, terwijl volgens het bevolkingsregister, dat wordt bijgehouden overeenkomstig de Wet Bevolkings- en Verblijfsregisters, de betrokken persoon niet binnen het Rijk woont - en dus niet verzekerd is -, of omgekeerd. Daar voor de ouderdomsverzekering het woonplaatsbegrip, neergelegd in artikel 3 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, is overgenomen, dienen de gegevens van de belastingdienst voor deze gevallen in de plaats te treden van de in het bevolkingsregister voorkomende gegevens. Hierin dient voornoemde registratie bij de Sociale Verzekeringsbank te voorzien.
     Een volledige registratie zal de Sociale Verzekeringsbank voorts moeten voeren van alle personen die, hoewel geen ingezetenen zijnde - en dus in het bevolkingsregister niet voorkomende -, toch verzekerd zijn ingevolge deze wet, zoals bijvoorbeeld hier te lande in dienstbetrekking werkzaam zijnde arbeiders die hun woonplaats in het buitenland hebben (zogenaamde grensarbeiders) en personeel van de Nederlandse buitenlandse dienst.
     Worden anderzijds bepaalde ingezetenen van de ouderdomsverzekering uitgezonderd - te denken valt bijvoorbeeld aan hier te lande wonende personen die in het buitenland in dienstbetrekking werkzaam zijn -, dan is voor hen tevens registratie bij de Sociale Verzekeringsbank vereist.
     Veelal zullen de bij de belastingdienst bekend zijnde gegevens van de loon- of inkomstenbelasting kunnen dienen om de Sociale Verzekeringsbank in staat te stellen voor de ouderdomsverzekering, waar nodig, een eigen registratie te gaan voeren.
     Behalve de in de bovengenoemde gevallen voor de ouderdomsverzekering benodigde aanvullingen op de gegevens van het bevolkingsregister, dient de Sociale Verzekeringsbank in de loop der verzekeringsperiode nog te registreren de gevallen waarin een verzekerde schuldig heeft nagelaten premie te betalen. Hierop wordt hieronder nader teruggekomen.
     Het aantal verzekerden waarvan de Sociale Verzekeringsbank een eigen registratie dient te voeren, zal evenwel beperkt blijven, vergeleken bij het totale aantal verzekerden. Het normaaltype verzekerde is de ingezetene die hier te lande blijft wonen en werken en die regelmatig zijn premie betaalt. Bij het beoordelen van de pensioenaanvrage van zodanige verzekerde kan de Sociale Verzekeringsbank geheel afgaan op de gegevens van het bevolkingsregister.
     De ondergetekenden achten het een belangrijk voordeel verbonden aan het systeem der voorgestelde verzekering dat het uitvoeringsorgaan niet tot het administreren van vorenbedoeld normaaltype verzekerde behoeft over te gaan. Een aanzienlijke besparing op de administratiekosten wordt hierdoor verkregen.
     De S.E.R. heeft in zijn rapport slechts een registratie van de gegevens omtrent de gevallen waarin nagelaten premiebetaling tot korting op het pensioen leidt, voorzien en daaraan de benaming "negatieve registratie" verleend. Nu, zoals uit het bovenstaande is gebleken, de registratie mede de op het bevolkingsregister benodigde aanvullingen dient te omvatten, komt het de ondergetekenden juister voor te spreken van "beperkte registratie".

rblz.|50 r.k.| 
De Sociale Verzekeringsbank beslist in welke gevallen er sprake is van schuldig nagelaten premiebetaling

     De Rijksbelastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank hebben bij de uitvoering van de ouderdomsverzekering ieder een taak, welke zij vrijwel geheel onafhankelijk van elkaar zullen kunnen verrichten. Toch is er een gebied waar de uitvoeringstaken van beide organen elkaar raken, namelijk wanneer het gaat om een beslissing omtrent het stellen van een aantekening wegens schuldig nagelaten premiebetaling, welke aantekening een korting op het pensioen ten gevolge heeft. De beslissing omtrent het stellen van genoemde aantekening is van rechtstreeks belang ten aanzien van de hoogte van het aan de betrokken verzekerde bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd toe te kennen pensioen. Naar de mening van de ondergetekenden dient deze beslissing derhalve te worden genomen door de Sociale Verzekeringsbank, aangezien in het bestuur van dit orgaan de verzekerden vertegenwoordigd zijn.
     Theoretisch gesproken zou dit betekenen dat de belastingdienst van alle gevallen waarin een verzekerde over een bepaald jaar nalatig is gebleven een verschuldigde premie geheel of gedeeltelijk te betalen, mededeling zou dienen te doen aan de Sociale Verzekeringsbank, onder overlegging van de rapporten met de van belang zijnde gegevens. Het is duidelijk dat een dergelijke handelwijze vele practische en administratieve bezwaren zou medebrengen. De ondergetekenden menen evenwel dat aan deze bezwaren voor een groot deel tegemoetgekomen kan worden. Zij zijn namelijk van oordeel dat het geen zin heeft mededeling te doen van die gevallen waarin het duidelijk is dat het niet betalen van de premie niet aan de schuld van de verzekerde is toe te schrijven. De belastingdienst zal dan ook van het doen van mededeling kunnen afzien in die gevallen waarin naar zijn oordeel redelijkerwijze moet worden aangenomen dat het achterwege blijven van het betalen van de premie niet aan de schuld van de verzekerde te wijten is.
     Op grond van door de belastingdienst bij de betreffende mededeling over te leggen rapporten dient de Sociale Verzekeringsbank te beslissen of er al dan niet van een schuldig nalaten sprake is. Slechts in bevestigend geval volgt het stellen van een aantekening wegens nagelaten premiebetaling, van welke aantekening de verzekerde bij schriftelijke beslissing mededeling wordt gedaan. Tegen deze beslissing kan de verzekerde beroep instellen bij de raad van beroep voor de sociale verzekering, met recht van hoger beroep op de Centrale Raad van Beroep.
     Indien de Sociale Verzekeringsbank niet heeft beslist dat van een schuldig nalaten kan worden gesproken - dit zal het geval zijn indien aan de verzekerde niet te verwijten betalingsonmacht aanwezig wordt geacht -, dan komt, zoals ook reeds in paragraaf 5.4 van deze memorie is opgemerkt, de premie welke geheel of gedeeltelijk niet is betaald ten laste van het Rijk. Daar in dit geval de premie, zij het niet door de verzekerde, toch is betaald, blijft het stellen van een aantekening achterwege.
     Bij het vorenstaande dient te worden opgemerkt dat het aantal gevallen waarin een door de belastingdienst opgelegde premieaanslag onbetaald is gebleven minder veelvuldig zal zijn dan de S.E.R. bij het uitbrengen van zijn advies voor ogen zal hebben gestaan. In de thans voorgestelde wettelijke regeling is namelijk niet overgenomen de suggestie van de S.E.R. dat het uitvoeringsorgaan de keuze zal hebben tussen dwangmatige invordering van een niet tijdig betaalde premie en afzien van de invordering van zodanige premie met als consequentie het stellen van een aantekening wegens nagelaten premiebetaling. De voorgestelde regeling gaat ervan uit dat steeds getracht dient te worden een opgelegde premieaanslag in te vorderen, zo nodig met daartoe strekkende rechtsmiddelen. Zou deze regeling niet als uitgangspunt worden genomen, dan zou het gevaar bestaan dat de als verplicht bedoelde verzekering in feite een vrijwillige zou worden. Het zou namelijk kunnen voorkomen dat betaling van een opgelegde premieaanslag achterwege blijft, niet doordat de betrokken verzekerde onmachtig is te betalen, doch doordat hij aan een korting op zijn pensioen de voorkeur geeft boven het betalen der premie.
rblz.|51 l.k.| Zodanige toepassing van het stelsel der kortingen op het pensioen brengt echter de opzet van de ouderdomsvoorziening in gevaar. Immers, de voorgestelde voorziening beoogt een bodempensioen te garanderen voor de oude dag, omdat velen daarvoor zelf niet kunnen of willen zorgen. Zou nu in enige betekenende mate tot kortingen op de toekomstige uitkeringen worden overgegaan, dan zou het gestelde doel niet worden bereikt.
     Opmerking verdient nog dat het stellen van een aantekening leidende tot korting op het pensioen niet plaatsvindt in de gevallen dat de door een werkgever van een verzekerde ingehouden premie bij deze werkgever, bijvoorbeeld wegens faillissement, niet invorderbaar blijkt te zijn. De verzekerde heeft in dit geval de verschuldigde premie betaald, zodat hem geen verwijt treft. Het Ouderdomsfonds draagt in deze gevallen de nadelige gevolgen van het niet afdragen van de reeds betaalde premie.


De uitbetaling van de ouderdomspensioenen

     Ten slotte behoort tot de uitvoeringstaak van de Sociale Verzekeringsbank, zoals hierboven reeds is vermeld, de uitbetaling der ouderdomspensioenen.
     Het ligt voor de hand dat deze pensioenen tezamen met de renten ingevolge de Invaliditeitswet, waarop vele pensioengerechtigden tevens aanspraak zullen kunnen maken, worden uitbetaald.
     Velen der pensioengerechtigden zullen voorts aanspraken kunnen doen gelden op een bedrijfs-, ondernemings- of ambtelijk pensioen. De ondergetekenden zijn met de S.E.R. van oordeel dat ook gezamenlijke uitbetaling van deze pensioenen en van de ouderdomspensioenen waarop ingevolge de algemene ouderdomsverzekering aanspraak kan worden gemaakt, mogelijk dient te zijn. In het wetsontwerp is in de mogelijkheid tot gezamenlijke uitbetaling voorzien.

 

10. Overgangsregeling en aanpassing bijzondere pensioenregelingen aan de algemene verplichte ouderdomsverzekering


Het standpunt van de S.E.R.

     De onderhavige voorziening gaat uit van een verzekeringsperiode van 50 jaar. Slechts degenen die van hun 15de tot hun 65ste jaar verzekerd zijn geweest - en niet schuldig nalatig zijn geweest in het betalen van premie -, komen in aanmerking voor het volle bodempensioen.
     Op het moment van de inwerkingtreding van de voorgestelde voorziening zijn er echter velen die de leeftijd van 65 jaar reeds hebben bereikt en derhalve niet meer verzekerd kunnen zijn ingevolge deze regeling; vele anderen zullen nog wel gedurende een zekere tijd verzekerd kunnen zijn, aangezien zij nog geen 65 jaar zijn, maar kunnen, omdat zij ouder zijn dan 15 jaar, geen volledige verzekeringsperiode meer doormaken.
     De vraag rijst nu of ten aanzien van de hier bedoelde personen de voorgestelde voorziening zonder meer terstond volledig in werking kan treden, met dien verstande dan dat zij over de jaren vóór het in werking treden van deze regeling waarover zij niet verzekerd zijn geweest als verzekerd worden beschouwd.
     De beantwoording van deze vraag levert nog speciale moeilijkheden op in verband met de omstandigheid dat velen van de bedoelde personen reeds belangrijke aanspraken hebben op pensioen ingevolge bijzondere pensioenvoorzieningen (bijvoorbeeld ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen; ambtelijke pensioenvoorzieningen).
     Aan het hier gereleveerde probleem heeft ook de S.E.R. aandacht besteed. Met name zijn de economische en sociale aspecten van een onmiddellijk volledig invoeren van de regeling in bovenbedoelde zin onderzocht.
     Wat betreft het economisch aspect spreekt de S.E.R. uitdrukkelijk uit dat een definitief oordeel over de gevolgen van de invoering der ouderdomsverzekering slechts kan worden gegeven tegen de achtergrond van de op het voorgenomen tijdstip van invoering aanwezige economische situatie. Mocht deze, aldus de S.E.R., onverhoopt voor invoering [lees: vóór invoering, red.] ongunstig zijn, dan
rblz.|51 r.k.| zal uiteraard met grotere omzichtigheid tewerk dienen te worden gegaan dan in een gunstige situatie. In verband daarmede kan het oordeel van de S.E.R. omtrent het tempo van invoering der nieuwe voorziening dan ook slechts een voorlopig karakter dragen. Dit is mede het geval omdat bij het onderzoek van de S.E.R. noodzakelijkerwijs van enkele veronderstellingen moest worden uitgegaan, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de hoogte van de pensioenen en de compensatie der premielasten.
     Met inachtneming van de genoemde beperkingen is de S.E.R. van oordeel dat op grond van de economische gevolgen volledige invoering op korte termijn geen overwegende bezwaren ontmoet. Bij een economische situatie als gemiddeld in 1952/1953 is noch de invloed op het prijsniveau, noch die op de werkgelegenheid zo groot dat uit dien hoofde geleidelijkheid zou moeten worden betracht. De S.E.R. erkent dat de stijging van de binnenlandse bestedingen welke als gevolg van onmiddellijke invoering of invoering op korte termijn optreedt, gedurende enige jaren wellicht tot enige terughoudendheid bij de realisering van andere sociale en culturele doeleinden zal noodzaken. Indien de bij een normale ontwikkeling te verwachten stijging van het nationale inkomen wordt verwezenlijkt, zal deze terughoudendheid naar het oordeel van de S.E.R. echter slechts gedurende een beperkte periode in acht genomen behoeven te worden.
     De economische situatie op het moment van invoering is naar het oordeel van de S.E.R. van bijzondere betekenis. Zou een reeds scherpe inflatoire situatie bestaan, dan is op grond van de inflatoire tendentie die van de volledige directe invoering moet worden verwacht, uit dien hoofde voorzichtigheid bij de invoering geboden. Aan de geleidelijke invoering, zij het slechts voor de duur waarin de economische omstandigheden zulks noodzakelijk zouden maken, zou de S.E.R. dan echter de voorkeur geven boven een uitstel van het tijdstip van invoering.
     Ook de sociale gevolgen van de invoering van de ouderdomsverzekering zijn door de S.E.R. nauwkeurig onderzocht.
     Hij komt daarbij tot de conclusie dat op sociale gronden op zichzelf een onmiddellijke volledige invoering van de verzekering niet behoeft af te stuiten. De S.E.R. constateert dat als gevolg van een directe volledige invoering der ouderdomsverzekering een inkomensverschuiving binnen de groep der bejaarden zal optreden. Immers, zij die naast het ouderdomspensioen geen andere bron van inkomen hebben, zullen hun inkomsten ten hoogste zien stijgen met het eventuele verschil tussen het ouderdomspensioen en de uitkeringen van de Noodwet Ouderdomsvoorziening. Van degenen echter die op grond van zelf getroffen voorzieningen of van bijzondere pensioenregelingen reeds in het genot zijn van een redelijk te achten ouderdomspensioen zal - aldus nog steeds de S.E.R. -, tenzij bijzondere wettelijke voorzieningen worden getroffen, het totale inkomen met het gehele bedrag van het ouderdomspensioen toenemen. De S.E.R. acht echter deze inkomensverschuiving binnen de kring der bejaarden geen voldoende reden om van invoering op korte termijn af te zien. De S.E.R. is van oordeel dat dergelijke verschuivingen onafscheidenlijk aan een stelsel van algemene ouderdomsverzekering zijn verbonden. Hij is er voorts van overtuigd dat in de sfeer van het bedrijfsleven zich deze verschuivingen slechts in geringe mate zullen voordoen, omdat zeer veel pensioenvoorzieningen die geacht kunnen worden zodanige aanspraken te geven dat geen verhoging nodig is (bijvoorbeeld 70% van het laatstverdiende inkomen), de bepaling bevatten dat uitkeringen uit hoofde van wettelijke voorzieningen in mindering worden gebracht. Slechts voor personeel in publiekrechtelijke dienst en voor enige andere categorieën loontrekkenden (bijvoorbeeld spoorwegpersoneel) zullen aanpassingen van de bijzondere pensioenvoorzieningen nodig zijn.
     De S.E.R. erkent dat voor het bewerkstelligen van de aanpassing der bijzondere pensioenvoorzieningen en ter wille van het vermijden van al te grote schokken aan de door invoering van de wettelijke ouderdomsverzekering geschapen situatie, een overgangstermijn gewenst kan zijn. Slechts op grond van deze overweging kan naar zijn mening een - overigens korte -
rblz.|52 l.k.| overgangsperiode worden gerechtvaardigd. Aangezien met de voorbereidingen van deze aanpassing reeds een begin kan worden gemaakt zodra de voornemens van de Regering met betrekking tot de ouderdomsverzekering bekend zijn, zal naar de mening van de S.E.R. de overgangsperiode ten hoogste vijf jaar dienen te duren.
     Wat het systeem van de overgangsregeling zelf betreft, de S.E.R. verwerpt een overgangsregeling volgens welke slechts degenen die na de datum van inwerkingtreding de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, krachtens de nieuwe wettelijke regeling een ouderdomspensioen ontvangen, terwijl de op het moment van invoering der regeling aanwezige bejaarden aan de nieuwe regeling geen aanspraken zouden kunnen ontlenen. Deze laatsten zouden dan - zo de S.E.R. -, voor zover zij daarvoor in aanmerking komen, op de uitkeringen van de Noodwet Ouderdomsvoorziening aangewezen blijven. Een dergelijke regeling, welke leidt tot een zeer sterk onderscheid in de behandeling van de bejaarden al naargelang zij vóór of na de datum van invoering der nieuwe wettelijke regeling de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, acht de S.E.R. in ieder geval ongewenst.
     In de gedachtengang van de S.E.R. wordt uitgegaan van een overgangsregeling welke iedere bejaarde in beginsel recht geeft op het bodempensioen, maar welke gedurende de overgangsperiode een gedeeltelijke aftrek op dit pensioen kent voor de bejaarden die andere inkomsten genieten. In dit stelsel vervallen derhalve de aanspraken ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening en geschiedt de uitkering aan de op het tijdstip van invoering aanwezige bejaarden en aan degenen die tijdens de overgangsperiode 65 jaar worden, op basis van de nieuwe verzekering ten laste waarvan zij worden gebracht.
     Overigens acht de S.E.R., juist met het oog op de inkomensaftrek. welke steeds een achterstelling inhoudt voor degenen die gedeeltelijk voor hun eigen oude dag hebben gezorgd, een enigszins langdurige overgangsperiode ongewenst, mede ook omdat hierdoor de ontwikkeling van de particuliere voorzieningen en van de ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen dreigt te worden belemmerd.


Het stelsel van het wetsontwerp

     Het wetsontwerp gaat, in aansluiting aan het advies van de S.E.R., ervan uit dat vanaf het moment van invoering der voorgestelde regeling in beginsel ieder die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt of overschreden, recht heeft op het volledige bodempensioen (artikelen 46 tot en met 49 [58-61]). De Noodwet Ouderdomsvoorziening en de ingevolge deze Noodwet toegekende ouderdomsuitkeringen kunnen met ingang van dat moment derhalve vervallen (artikel 61 [72], eerste lid. van het wetsontwerp).
     Voorts wordt in beginsel degenen die bij het in werking treden der verzekering nog niet de leeftijd van 65, doch wel die van 15 jaar hebben bereikt, zodat van hen niet meer vanaf het moment van hun intrede in het productieproces premie zal worden geheven, niets op het pensioen gekort wegens de jaren verstreken na het bereiken van de 15-jarige leeftijd, doch vóór het in werking treden der voorgestelde voorziening. Ook laatstbedoelde personen zullen dus, indien zij vanaf het in werking treden der verzekering tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd steeds verzekerd blijven en de verschuldigde premie betalen, in beginsel recht hebben op het volle pensioen (artikel 43 [55]).
     Uit het voorgaande volgt dat vanaf het moment van invoering der voorgestelde regeling alle bejaarden hun pensioenrechten zullen kunnen ontlenen aan deze regeling.

     Zoals hierboven is uiteengezet, zullen, in overeenstemming met het advies van de S.E.R., de op het tijdstip van invoering der verzekering 65-jarigen en ouderen in beginsel recht hebben op het volle bodempensioen. Aan degenen die ouder dan 15, doch jonger dan 65 jaar zijn, wordt voorts in beginsel de mogelijkheid verleend bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd eveneens het volle pensioen te verwerven.
     De ondergetekenden zijn van mening dat dit niet in strijd komt met het aanvaarden van de socialeverzekeringsgedachte voor de ouderdomsverzekering.
    
rblz.|52 r.k.| Wel wordt in de voorgestelde ouderdomsverzekering verband tussen premiebetaling en uitkering gelegd, in die zin dat een korting op het pensioen plaatsvindt voor elk jaar waarover nagelaten is de verschuldigde premie te betalen. Nalatigheid in dit opzicht kan evenwel degenen die geen premie meer kunnen betalen omdat zij reeds bij het in werking treden der nieuwe regeling de 65-jarige leeftijd hebben bereikt, zowel als degenen die niet over een volledige 50-jarige verzekeringsperiode premie kunnen betalen doordat zij bij de invoering van de nieuwe wet reeds aan het productieproces deelnemen, niet worden verweten. Immers, in de jaren gedurende welke zij reeds in het productieproces waren ingeschakeld, ontbrak een verzekeringsregeling als de thans voorgestelde.
     Intussen ontveinzen de ondergetekenden zich niet dat de voor de 65-jarigen en ouderen, alsook de voor de 15-tot-65-jarigen, in bijgaand ontwerp getroffen regelingen een grote tegemoetkoming tegenover deze groepen van personen inhouden, waarvan de kosten dienen te worden opgebracht door de verzekerden tijdens hun actieve levensperiode. Het komt de ondergetekenden derhalve ongewenst voor de onderhavige overgangsbepalingen zonder onderscheid op iedereen van toepassing te doen zijn. Zij zouden deze bepalingen slechts willen doen gelden voor Nederlanders die reeds geruime tijd hier te lande of in de overzeese Rijksdelen woonachtig zijn geweest.
     Hiertoe is, in iets soepeler vorm, aansluiting gezocht bij de Noodwet Ouderdomsvoorziening, door de eis te stellen dat men, om op de onderhavige overgangsregeling een beroep te kunnen doen, al dan niet onafgebroken gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar zijn woonplaats binnen het Rijk, Nederlands Nieuw-Guinea, Suriname of de Nederlandse Antillen heeft gehad. Met deze regeling wordt bereikt dat door genoemde Noodwet gewekte verwachtingen niet worden beschaamd. Immers, zij die op het moment van invoering van de nieuwe ouderdomsvoorziening in het genot zijn van een uitkering ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening, zien deze uitkering vervangen door een pensioen op grond van de nieuwe regeling, terwijl zij die bij het in werking treden van de nieuwe wet nog slechts enkele jaren van de 65-jarige leeftijd verwijderd zijn en derhalve het uitzicht hadden om binnen enkele jaren uitkering krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening te verkrijgen, door de onderhavige overgangsregeling ook in beginsel op het volle ouderdomspensioen krachtens deze wet aanspraak zullen kunnen maken, indien zij slechts in Nederland blijven wonen en over de enkele jaren die hen nog van de 65-jarige leeftijd scheiden de ingevolge de voorgestelde wet verschuldigde premie voldoen.
     Intussen is het duidelijk dat degenen die in verband met de hoogte van hun inkomen geen aanspraak op uitkering ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening kunnen maken, wel recht zullen hebben op ouderdomspensioen ingevolge de overgangsbepalingen van de nieuwe voorziening. In dit opzicht is dus de werkingssfeer van de nieuwe voorziening geenszins beperkt tot die van de Noodwet Ouderdomsvoorziening.
     De ondergetekenden willen er ten slotte nog de aandacht op vestigen dat de voor 15-tot-65-jarigen voorgestelde overgangsregeling steeds minder betekenis krijgt naargelang de voorgestelde ouderdomsverzekering langer van kracht is. Het aantal voorverzekeringsjaren wordt immers geleidelijk aan kleiner. Degenen die bij het in werking treden van de voorziening reeds dicht de 65-jarige leeftijd zijn genaderd, hebben uiteraard zeer veel van die voorverzekeringsjaren, degenen die nog in het begin van hun actieve leven staan, hebben uiteraard maar een zeer gering aantal van die jaren.
     De gedachte van de S.E.R. om gedurende een overgangsperiode van vijf jaren aftrek van eigen inkomsten toe te passen, hebben de ondergetekenden echter niet overgenomen.
     Evenmin als de S.E.R. achten de ondergetekenden uit economisch oogpunt een overgangsperiode met inkomensaftrek noodzakelijk.
     Weliswaar zijn de kosten verbonden aan de onmiddellijke volledige invoering belangrijk hoger dan bij een overgangsregeling, maar de ondergetekenden kunnen daaraan geen doorslaggevende betekenis toekennen. Zij hebben daarbij mede
rblz.|53 l.k.| overwogen dat onmiddellijke volledige invoering slechts indirect een geringe verhoging van overheidsuitgaven zal veroorzaken en dat het monetaire effect onbeduidend zal zijn, aangezien het hogere bedrag aan uitkeringen wordt gecompenseerd door een dienovereenkomstig hogere premie.
     De S.E.R. heeft een overgangsperiode met gedeeltelijke aftrek van eigen inkomsten dan ook hoofdzakelijk bepleit om de gelegenheid te geven de bijzondere pensioenvoorzieningen aan de nieuwe situatie welke ontstaat door invoering van de onderhavige regeling aan te passen.
     Het wil de ondergetekenden echter voorkomen dat voor dit doel geen overgangsregeling nodig is, ja, dat zulk een overgangsregeling de "aanpassing" administratief sterk zou bemoeilijken.
     Wat de ambtelijke pensioenvoorzieningen betreft, kan een wetsontwerp worden tegemoetgezien waarbij de aanpassing van de ambtelijke pensioenvoorzieningen wordt geregeld.
     Met betrekking tot de particuliere pensioenvoorzieningen is in artikel 60 [71] van het ontwerp een regeling getroffen krachtens welke de betrokken pensioentoezeggingen zullen kunnen worden gewijzigd, voor zover de mogelijkheid daartoe tot dusverre nog niet bestond.
     In verband met het bovenstaande lijkt derhalve ook voor deze gevallen een overgangsperiode met inkomensaftrek niet noodzakelijk.
     De ondergetekenden menen integendeel dat een overgangsregeling als door de S.E.R. voorgesteld allerlei moeilijkheden zou oproepen.
     Reeds nu kennen de statuten of reglementen van verscheidene pensioenfondsen een bepaling ingevolge welke uitkeringen krachtens een wettelijke voorziening in mindering worden of kunnen worden gebracht. Bij andere pensioenvoorzieningen zal een dergelijke bepaling overeenkomstig artikel 60 [71] van het ontwerp alsnog kunnen worden opgenomen.
     Voor dergelijke regelingen nu rijst de moeilijkheid dat enerzijds bij de bepaling van de grootte van het pensioen rekening moet worden gehouden met de wettelijke uitkeringen, terwijl anderzijds, juist omgekeerd, tijdens een overgangsperiode de hoogte van de wettelijke voorziening mede zou worden bepaald door het (pensioen)inkomen van de gerechtigde.
     Is een dergelijke berekening reeds niet eenvoudig wanneer een pensioen de enige bron van inkomsten vormt, wel zeer gecompliceerd wordt de situatie indien de betrokkene, bijvoorbeeld op grond van verschillende achtereenvolgende dienstbetrekkingen, meer dan één pensioen ontvangt of indien hij, naast pensioen, nog andere inkomsten heeft.
     In al deze gevallen zou men allereerst de nodige gegevens moeten trachten te achterhalen en vervolgens dienen te berekenen welk bedrag aan uitkering op grond van de wettelijke regeling op het pensioen in mindering moet worden gebracht. Hierbij speelt dan een rol dat deze uitkering op haar beurt weer afhankelijk is van de inkomsten van de betrokkene, onder meer dus het - verminderde - pensioen. In de niet zeldzame gevallen waarin er sprake is van meer dan één pensioen waarop aftrek wordt toegepast, worden de problemen wel bijzonder moeilijk op te lossen.
     Ten slotte moet dan nog worden bedacht dat gedurende de overgangstermijn de berekeningen van jaar tot jaar opnieuw zouden moeten worden uitgevoerd indien het door de S.E.R. aanbevolen stelsel doorgang zou vinden.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1 [1]


Tweede en derde lid

     Het tweede lid bepaalt dat onder gehuwde man of echtgenoot slechts wordt verstaan de niet duurzaam van zijn echtgenote gescheiden levende man. Het derde lid bepaalt dat onder gehuwde vrouw of echtgenote slechts wordt verstaan de niet duurzaam van haar echtgenoot gescheiden levende vrouw. Derhalve worden gehuwden die van tafel en bed gescheiden zijn of die, zonder van tafel en bed gescheiden te zijn, in feite duurzaam gescheiden van elkaar leven, in navolging van artikel 2, tweede lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, als ongehuwde personen aangemerkt.
    
rblz.|53 r.k.| De onderscheiding tussen "gehuwd" en "ongehuwd" is van belang voor het recht op ouderdomspensioen (zie artikelen 7 [7], 8 [9], 10 [13], 43 [55] en 46 [58]) en voor de premiebetaling (zie artikel 27 [-]).

 

Artikel 2 [2]

     In hoofdstuk 3 van het algemeen deel dezer memorie is uiteengezet dat de ouderdomsverzekering zich tot de gehele bevolking dient uit te strekken. Daartoe wordt in artikel 6 [6] bepaald dat ieder "ingezetene" - van 15 tot 65 jaar - verzekerd is. In artikel 2 [2] wordt de inhoud van het begrip "ingezetene" aangegeven. Ingezetene in de zin van het ontwerp is iedereen die in Nederland woont. Bij de beoordeling van de vraag of iemand binnen het Rijk woont, zullen de regelen, gegeven in artikel 3 [3], in acht dienen te worden genomen.

 

Artikel 3 [3]

     Ter bepaling of iemand al dan niet binnen het Rijk woont, geeft dit artikel nadere regelen. Het artikel is ontleend aan artikel 3 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, zulks in verband met de premie-inning door de belastingdienst.
     Dit artikel is niet alleen van belang voor de bepaling of iemand al dan niet ingezetene (artikel 2 [2]) en daardoor al dan niet verzekerde (artikel 6 [6]) is, doch geldt overal waar in het wetsontwerp iemands woonplaats aan de orde komt, hetgeen bijvoorbeeld ook het geval is in de overgangsbepalingen van de artikelen 43 en volgende [55 e.v.].
     De hoofdregel voor de woonplaatsbepaling is neergelegd in het eerste lid en houdt in dat naar de omstandigheden wordt beoordeeld waar iemand woont. De afhankelijke woonplaatsen van gehuwde vrouwen en van handelingsonbekwamen welke het Burgerlijk Wetboek kent, zijn hier derhalve niet bepalend.
     Door de aansluiting bij artikel 3 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 is de jurisprudentie welke zich omtrent dat artikel heeft gevormd tevens van belang voor de toepassing van artikel 3 [3] van het onderhavige ontwerp.
     De woonplaats vastgesteld op grond van artikel 3 [3] van het wetsontwerp stemt vrijwel steeds overeen met de woonplaats welke het bevolkingsregister aangeeft. In een gering aantal gevallen kan artikel 3 [3] tot afwijking van de gegevens van het bevolkingsregister leiden, bijvoorbeeld bij zeevarenden en in gevallen van tijdelijk verblijf in het buitenland.

 

Artikel 4 [4]


Eerste lid

     Dit lid bepaalt dat in de uitvoering van de verzekering wordt voorzien door de Sociale Verzekeringsbank. In hoofdstuk 9 van het algemeen deel dezer memorie werd omtrent de uitvoering reeds een uiteenzetting gegeven. Daarbij werd tevens aangegeven dat de Rijksbelastingdienst zal worden belast met de heffing en de invordering der door de verzekerden verschuldigde premiën.


Tweede lid

     Ingevolge het tweede lid kan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid nadere regelen stellen met betrekking tot de door de Sociale Verzekeringsbank voor de uitvoering der verzekering te voeren administratie en met betrekking tot de registratie van de verzekerden.
     Zoals in hoofdstuk 9 van het algemeen deel dezer memorie reeds werd uiteengezet, is slechts ten aanzien van een beperkt aantal verzekerden afzonderlijke registratie bij de Sociale Verzekeringsbank nodig.

 

Artikel 5 [5]

     De Sociale Verzekeringsbank wordt bij de uitvoering van haar taak bijgestaan door de Raden van Arbeid. De taakverdeling tussen deze organen wordt door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, gehoord de Sociale Verzekeringsbank, nader geregeld.

 

Artikel 6 [6]


Eerste lid, onderdeel a

     In het eerste lid, aanhef en onder a, wordt vrijwel de gehele actieve bevolking onder de verzekering gebracht. Volstaan moge worden met een verwijzing naar hoofdstuk 3 van het algemeen deel dezer memorie en naar de toelichting op artikel 2 [2].
     Het wetsontwerp gaat uit van een 50-jarige verzekeringsduur. Waar de verzekering eindigt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, welke op 65 jaar is gesteld, dient zij aan te vangen op 15-jarige leeftijd.

rblz.|54 l.k.| 
Eerste lid, onderdeel b

     Het eerste lid, onderdeel b, strekt ertoe werknemers die buiten Nederland wonen, doch hier te lande in dienstbetrekking werkzaam zijn, in de verzekering op te nemen. In het bijzonder geldt het hier de in ons land werkzame grensarbeiders. Zoals aan het slot van hoofdstuk 3 van het algemeen deel dezer memorie reeds is vermeld, noopt de internationaal algemeen aanvaarde regel dat een loontrekkende verzekerd is ingevolge de wetgeving van het land waar hij werkzaam is ertoe deze groep loontrekkenden in de verzekering te betrekken. Ook ter vermijding van ongelijke concurrentieverhoudingen is dit gewenst.
     Aangezien de premie-inning voor de loontrekkenden zal geschieden op analoge wijze als is voorgeschreven voor de inning van de loonbelasting, is in het eerste lid, onderdeel b, enerzijds door het vereiste van het onderworpen zijn aan de loonbelasting, anderzijds door het woord "dienstbetrekking", aansluiting gezocht bij de terminologie van de artikelen 2 en 3 van het Besluit op de Loonbelasting 1940. Van onderworpen zijn aan de loonbelasting is ook sprake wanneer ten aanzien van een loonbelastingplichtige op grond van een verdrag, ter voorkoming van dubbele belastingheffing, de feitelijke heffing van loonbelasting ingevolge de Nederlandse wet achterwege blijft.
     Ten aanzien van het begrip "dienstbetrekking" dient te worden opgemerkt dat het onderhavige wetsontwerp alleen het grondbegrip "dienstbetrekking" met het Besluit op de Loonbelasting 1940 gemeen heeft. De in dat besluit genoemde gevallen waarin men steeds geacht wordt zijn arbeid in dienstbetrekking te verrichten, zijn in dit wetsontwerp niet overgenomen.
     Zo bepaalt artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit op de Loonbelasting 1940 dat aan de loonbelasting onderworpen zijn de niet binnen het Rijk wonende bestuurders en commissarissen van vennootschappen, verenigingen en maatschappijen welke binnen het Rijk zijn gevestigd. Artikel 3, tweede lid, van meergenoemd besluit bepaalt dat commissarissen van vennootschappen, verenigingen en andere rechtspersonen steeds geacht worden hun arbeid als zodanig in dienstbetrekking te verrichten. Ten aanzien van genoemde personen is voor de loonbelastingheffing derhalve niet vereist dat zij in feite in dienstbetrekking werken. Zij zijn, ook als ze niet in dienstbetrekking werkzaam zouden zijn, toch onderworpen aan de loonbelasting. Artikel 6 [6], eerste lid, onderdeel b, van het onderhavige wetsontwerp is evenwel slechts dan op hen van toepassing indien een werkelijke dienstbetrekking aanwijsbaar is.
     Voorts dient nog te worden opgemerkt dat de in de artikelen 2 en 3 van het Besluit op de Loonbelasting voorkomende term "vroeger verrichte arbeid" niet is overgenomen, zodat het in artikel 6 [6], eerste lid, onderdeel b, van het wetsontwerp bepaalde zich niet uitstrekt tot degenen die ter zake van vroeger binnen het Rijk verrichte arbeid pensioen genieten.
     Door de aangegeven afwijkingen van het Besluit op de Loonbelasting 1940 wordt bereikt dat van de niet-ingezetenen slechts zij die werkelijk tot de categorie der loontrekkenden behoren door de onderhavige bepaling in de verzekering worden opgenomen.


Eerste lid, onderdeel c

     Ingevolge het eerste lid, onderdeel c, worden in de verzekering opgenomen de Nederlanders, niet-ingezetenen, die ter zake van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde of loon genieten ten laste van het Rijk.
     Deze bepaling betreft inzonderheid het in den vreemde wonende personeel van de Nederlandse buitenlandse diplomatieke en consulaire dienst, alsmede de Gouverneurs van de Overzeese Rijksdelen en de hun toegevoegde ambtenaren, allen evenwel slechts voor zover zij Nederlander zijn. Voorts zijn van genoemde categorie van personen slechts diegenen verzekerd die niet blijvend buiten Nederland zijn gevestigd. Zij die blijvend buiten Nederland woonplaats hebben, behoren in principe onder de voorzieningen van het land hunner vestiging te vallen, aangezien zij veelal geacht kunnen worden zich geheel op dat land te hebben georiënteerd.
     Een aanwijzing dat de hier bedoelde personen die wedde of loon ten laste van de Nederlandse staatsbegroting genieten
rblz.|54 r.k.| zich blijvend buiten Nederland hebben gevestigd, is veelal hierin gelegen dat dan de hier te lande geldende ambtelijke pensioenregelingen op hen niet van toepassing zijn.


Tweede lid

     Dit lid houdt, teneinde van de verzekering uit te zonderen de vreemdelingen die ter zake van binnen het Rijk verrichte arbeid wedde of loon genieten ten laste van een andere Mogendheid en die niet geacht kunnen worden blijvend binnen het Rijk hun woonplaats te hebben, de contrabepaling in van het eerste lid, onderdeel c.


Derde lid

     Het derde lid opent de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur personen die niet ingevolge het eerste lid verzekerd zijn, als verzekerden in de zin van deze wet aan te merken. Gedacht wordt bijvoorbeeld aan in het buitenland wonende werknemers die ter zake van hier te lande verrichte arbeid uitkering ontvangen ingevolge de Nederlandse Ongevallenwet of Ziektewet. Tijdens hun werkzaamheid hier te lande zijn deze werknemers, zoals hierboven reeds werd uiteengezet, ingevolge het eerste lid, onderdeel b, verzekerd. Het ligt voor de hand hun verzekering tijdens het genot van uitkering ingevolge bovengenoemde socialeverzekeringswetten, ook wanneer de dienstbetrekking reeds is beëindigd, te continueren.
     Voorts moet het wenselijk worden geacht de mogelijkheid te openen echtgenoten van hier te lande werkzame werknemers die in het buitenland wonen, tijdens de verzekering van hun man hier te lande verzekerd te doen zijn. Vooral voor echtgenoten van grensarbeiders zal een dergelijke regeling nodig kunnen zijn.
     Verder zal het gewenst zijn van de niet blijvend buiten Nederland gevestigde, in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde personen die ter zake van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde of loon genieten ten laste van het Rijk, ook de echtgenoten en zo nodig eveneens de overige gezinsleden in de verzekering te betrekken. Zijn de hier bedoelde personen die hun wedde uit 's Rijks schatkist ontvangen wel blijvend buiten Nederland gevestigd, dan zal het wellicht aanbeveling verdienen hen verzekerd te doen zijn indien in het land waar zij wonen geen ouderdomsvoorziening op hen van toepassing is.
     Wellicht zal het wenselijk zijn ook nog voor andere groepen van personen van de hier geschapen mogelijkheid om hen in de verzekering te betrekken gebruik te maken. Het maatschappelijk leven is zo gevarieerd dat niet van te voren alle gevallen waarin verzekering ingevolge de onderhavige regeling al dan niet gewenst is, zijn te overzien.


Vierde lid

     Het kan ook gewenst zijn bepaalde groepen van personen van de verzekering uit te sluiten. Dit zal bijvoorbeeld, ter voorkoming van samenloop van de verzekering ingevolge de voorgestelde voorziening met een overeenkomstige regeling buiten het Rijk, nodig kunnen zijn ten aanzien van personen die zich reeds buiten Nederland pensioenrechten verwerven. Voorts valt te denken aan in het buitenland wonende vreemdelingen die hier te lande gedurende korte tijd in een onderneming van publieke vermakelijkheden als loontrekkende werkzaam zijn en aan vreemdelingen zonder vaste woonplaats. Ook andere dergelijke gevallen kunnen zich in de practijk voordoen. Teneinde in de gevallen waarin de betrokken personen eigenlijk onder onze verzekering niet thuishoren, hen buiten de verzekering te kunnen houden, is in het vierde lid van artikel 6 [6], onderdeel a, b en c, een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen.
     In het vierde lid, onderdeel d, is voorts nog uitdrukkelijk bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur echtgenoten en overige gezinsleden van de in het tweede lid en in het vierde lid, onderdeel b en c, bedoelde personen van de verzekering kunnen worden uitgezonderd.
     Incidenteel en van land tot land zal moeten worden bezien of aan het begrip verzekerde, zoals dit in het eerste lid van artikel 6 [6] is omschreven, uitbreiding of beperking moet worden gegeven. Het derde, onderscheidenlijk het vierde lid van artikel 6 [6] openen de mogelijkheid een regeling te treffen bij algemene maatregel van bestuur. Bij een algemene maatregel
rblz.|55 l.k.| van bestuur kan echter slechts eenzijdig een regeling worden getroffen. Het is daarbij alleen mogelijk bepaalde niet-ingezetenen onder de Nederlandse verzekering te brengen of omgekeerd bepaalde groepen van ingezetenen buiten de verzekering te plaatsen, zonder dat daarbij een andere Mogendheid verplicht kan worden eenzelfde gedragslijn te volgen. Een zogenaamde wederkerigheidsregeling kan echter worden getroffen bij een overeenkomst met een andere Mogendheid. Aangezien ingevolge artikel 65 [oud, red.] van de Grondwet een dergelijke overeenkomst praevaleert boven de nationale wet, behoeven hiervoor geen bijzondere voorzieningen te worden getroffen.

 

Artikel 7 [7]

     Het eerste lid van artikel 7 [7] stelt als algemene regel voorop dat iedereen die verzekerd is geweest en die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, recht heeft op pensioen.
     In het tweede lid wordt dan evenwel een uitzondering gemaakt voor de gehuwde vrouw. Het ontwerp gaat er weliswaar van uit dat de gehuwde vrouw zelfstandig verzekerd is en dat zij haar eigen pensioen opbouwt, doch in hoofdstuk 4 van het algemeen deel dezer memorie werd reeds uiteengezet om welke redenen in het wetsontwerp aan de gehuwde vrouw in het algemeen geen afzonderlijk recht op het door haar opgebouwde pensioen kan worden toegekend en waarom dit dient te worden geïncorporeerd in het aan de man toe te kennen gehuwdenpensioen. De hoogte van dit pensioen is dan afhankelijk van de stand van de afzonderlijke verzekeringen van beide echtgenoten.
     In dit verband dient nog te worden gewezen op het tweede lid van artikel 16 [19], dat de mogelijkheid opent het pensioen van een gehuwde man, ook zonder diens bewilliging, voor de helft betaalbaar te stellen aan diens vrouw.
     Wordt aan de gehuwde vrouw van 65 jaar geen recht op pensioen toegekend, dan zal ook de gehuwde vrouw die in Nederland werkzaam is geweest, doch wier man nooit in Nederland verzekerd is geweest, geen pensioen kunnen worden toegekend. Het gevolg is dan dat bijvoorbeeld de in België wonende gehuwde vrouw die, al dan niet vóór haar huwelijk, in Nederland verzekerd is geweest, geen recht heeft op pensioen. Daardoor gaan dan de jaren waarin de vrouw in Nederland werkte en welke dus zowel vóór als tijdens haar huwelijk kunnen liggen, voor haar volledig verloren, niettegenstaande er door haar premie is betaald. Teneinde deze ongewenste consequentie te voorkomen, wordt in het tweede lid, onderdeel a, voorgesteld aan de echtgenote van een man die nooit in de Nederlandse verzekering is opgenomen geweest een eigen recht op pensioen toe te kennen. Dat daarbij als voorwaarde wordt gesteld dat haar man de 65-jarige leeftijd moet hebben bereikt, spreekt voor zichzelf. Ook de 65-jarige vrouw van een wel verzekerde, doch nog geen 65-jarige echtgenoot heeft immers geen recht op ouderdomspensioen, evenmin als haar echtgenoot zelf.
     De andere voorwaarde, in het tweede lid, onderdeel a, gesteld voor een zelfstandig recht op pensioen van de verzekerd geweest zijnde gehuwde vrouw wier echtgenoot nimmer verzekerd is geweest, inhoudende dat haar echtgenoot geen recht op ouderdomspensioen ingevolge de overgangsbepaling van artikel 46 [58] heeft, is evenzeer duidelijk. Er wordt hier immers slechts beoogd aan de gehuwde vrouw een zelfstandig recht op pensioen te verlenen in de gevallen waarin haar man dit recht ontbeert.
     Het is voorts nog gewenst om de gehuwde vrouw een zelfstandig recht te geven op pensioen in de gevallen waarin het huwelijk plaatsvond nadat zowel de man als de vrouw reeds de 65-jarige leeftijd hebben bereikt. Vóór het huwelijk had namelijk elk der echtgenoten ingevolge het bepaalde in artikel 8 [9], eerste lid, recht op het basispensioenbedrag. Zonder nadere regeling zouden de echtgenoten echter na het huwelijk slechts het gehuwdenpensioen van artikel 8 [9], tweede lid, kunnen ontvangen, dat lager is dan het dubbele van het basispensioen. Deze terugval komt niet gewenst voor. Beter lijkt het de vóór het huwelijk bestaande pensioenrechten onverkort te handhaven. Dit wordt bereikt door het bepaalde in artikel 7 [7], tweede lid, onderdeel b, juncto artikel 8 [9], vierde lid.
    
rblz.|55 r.k.| Het toekennen van een afzonderlijk recht op pensioen aan de gehuwde vrouw van 65 jaar of ouder wordt in het tweede lid, onderdeel b, uitdrukkelijk beperkt tot de vrouw die trouwt met een man die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. De regeling beoogt immers te voorkomen dat twee pensioengerechtigden door samen in het huwelijk te treden een terugval in inkomsten ondergaan. Indien een 65-jarige vrouw in het huwelijk treedt met een man die nog geen 65 jaar is, dan verliest de vrouw dus haar pensioen. Haar man zal evenwel in het merendeel van de gevallen nog in het arbeidsproces zijn opgenomen en daardoor of uit anderen hoofde over inkomsten beschikken en zo in staat zijn in het onderhoud van zichzelf en van zijn echtgenote te voorzien. Het verlies van pensioenrechten door de vrouw in dit geval is in overeenstemming met de uit artikel 7 [7] algemeen voortvloeiende consequentie dat een echtpaar slechts dan een - aan de man toegekend - pensioen kan genieten indien de man de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.
     Slechts duurzaam samenwonende echtgenoten worden ingevolge artikel 1 [1] als gehuwd beschouwd. Dit brengt mede dat bij duurzame niet-samenwoning zowel de man als de vrouw - daar zij als ongehuwd worden beschouwd - recht hebben op pensioen.

 

Artikel 8 [9]

     De bedragen van het ouderdomspensioen vonden reeds toelichting in hoofdstuk 4 van het algemeen deel dezer memorie.


Eerste lid

     Dit lid stelt als grondslag dat het pensioen ƒ804,- per jaar bedraagt. Dit geldt voor alle groepen van personen die niet in het tweede en derde lid worden genoemd. Uiteraard wordt het merendeel daarvan gevormd door de ongehuwden, onder wie ingevolge het bepaalde in artikel 1 [1], tweede en derde lid, ook vallen de duurzaam van elkander gescheiden levende echtgenoten.


Tweede lid

     Dit lid maakt een uitzondering op het eerste lid voor de gehuwde man in wiens pensioen het aan diens echtgenote toekomende pensioen is verwerkt.


Derde lid

     Uit het bepaalde in artikel 1 [1], tweede en derde lid, volgt dat echtgenoten die duurzaam gescheiden van elkaar leven als ongehuwd worden beschouwd. Zonder nadere voorziening zou elk der beide echtgenoten recht hebben op het basispensioen. Teneinde te voorkomen dat daardoor van elkaar gescheiden levende echtgenoten, die niet wettelijk van tafel en bed zijn gescheiden, in een gunstiger positie komen dan het samenwonende echtpaar, wordt in het derde lid ten aanzien van hen bepaald dat zij, zodra zij beiden 65 jaar zijn - en dus zonder nadere voorziening beiden op het basispensioen aanspraak zouden kunnen maken -, ieder slechts recht hebben op de helft van het gehuwdenpensioen. Diegene der hier bedoelde echtgenoten die vóór de andere de leeftijd van 65 jaar bereikt, ontvangt tot dat beiden 65 jaar zijn het basispensioen. In de regel zal dit de man zijn, daar hij veelal ouder is dan de vrouw. Leefden de echtgenoten niet duurzaam gescheiden, dan zou de man terstond vanaf zijn 65ste jaar het gehuwdenpensioen ontvangen. Door het gescheiden leven verkeert hij, wat zijn pensioenrechten betreft, over de laatstbedoelde periode waarin wel hij, doch niet zijn vrouw de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, derhalve toch reeds in een ongunstige positie, ook al ontvangt hij het basispensioen. Er is geen aanleiding over deze periode de pensioenrechten nog meer te verminderen door slechts op de helft van het gehuwdenpensioen recht te verlenen.


Vierde lid

     Het in het wetsontwerp voorgestelde pensioen van de gehuwde man bedraagt minder dan het dubbele van het pensioen van twee ongehuwden, wijl, zoals de ondergetekenden in het algemeen deel dezer memorie hebben uiteengezet, naar hun oordeel de kosten van levensonderhoud voor een echtpaar geringer zijn dan die voor twee alleenstaanden. Dat de kosten van levensonderhoud voor een echtpaar geringer zijn dan die voor twee ongehuwden geldt uiteraard ook ten aanzien van het echtpaar waarbij het huwelijk pas is rblz.|56 l.k.| voltrokken nadat beide echtgenoten de 65-jarige leeftijd hebben bereikt. Zoals reeds bij de toelichting op artikel 7 [7], tweede lid, onderdeel b, werd aangegeven, menen de ondergetekenden evenwel dat het sociaal ongewenst moet worden geacht indien in het onderhavige geval, waarin beide echtelieden reeds in het genot waren van pensioen, door het huwelijk de totale inkomsten van man en vrouw zouden dalen.
     Ook indien de echtgenoten, in het onderhavige geval bedoeld, naderhand duurzaam gescheiden gaan leven, zonder wettelijk van tafel en bed te scheiden, zullen zij hun verkregen pensioenrechten behouden. Het derde lid van artikel 8 [9] vindt dan geen toepassing.

 

Artikel 9 [12]

     Dit artikel, waarin de aanpassing van de koopkracht van het ouderdomspensioen aan de wijzigingen in de algemene economische situatie geregeld wordt, bevat een uitwerking van de in hoofdstuk 4 van het algemeen deel dezer memorie omtrent deze aanpassing ontwikkelde gedachten.


Eerste lid

     Het eerste lid houdt het beginsel in van de binding van de hoogte der pensioenbedragen aan het verloop van het indexcijfer der lonen.


Tweede lid

     Het tweede lid houdt in dat een herziening van de pensioenbedragen moet plaatshebben wanneer zes maanden achtereen het indexcijfer der lonen een gemiddelde wijziging van 3% of meer heeft ondergaan. Het is dus niet nodig dat in elk der zes bedoelde maanden afzonderlijk de afwijking van 3% of meer bestaat.
     De termijn van zes maanden is gekozen om enerzijds het ouderdomspensioen niet gedurende te lange tijd bij de ontwikkeling van de lonen te laten achterlopen en anderzijds om het aantal aanpassingen binnen redelijke perken te houden.


Derde lid

     Het derde lid maakt een herziening der bedragen mogelijk voor het geval dat een bijzondere wijziging van het indexcijfer der lonen is opgetreden vóórdat zes maanden verstreken zijn sinds de vorige herziening. Gedacht is hier dus aan de eventualiteit van een schoksgewijze stijging van het gehele loonniveau.


Vierde lid

     Indien herziening moet plaatshebben, worden de pensioenbedragen met hetzelfde percentage verhoogd of verlaagd als dat van de wijziging van het indexcijfer der lonen. De aanpassing geschiedt volledig, dat wil zeggen aan het laatst bekende indexcijfer.


Vijfde lid

     De ondergetekenden zijn van oordeel dat aan het automatisme - zoals dit in het vierde lid van dit artikel is neergelegd - in bepaalde omstandigheden een beperking dient te worden opgelegd, namelijk indien de aanpassing ertoe zou leiden dat voor de ouden van dagen een wijziging hunner reële netto-inkomsten optreedt welke niet in dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene mate geldt voor de groep der loontrekkenden. Onder reële netto-inkomsten wordt in dit verband verstaan de koopkracht van het vrij besteedbare deel van het totale inkomen.
     Als een sprekend voorbeeld zou kunnen worden genoemd het geval dat de premie te laag is gebleken om daaruit de bestaande pensioenuitkeringen te bestrijden en om die reden wordt verhoogd, terwijl de hoogte van het ouderdomspensioen gelijk blijft. Indien nu een looncompensatie wordt gegeven voor de verhoging van de premie, zal het indexcijfer der regelingslonen stijgen, zonder dat deze maatregel enige reële betekenis voor de loontrekkenden heeft.
     Derhalve dient dus het ouderdomspensioen niet op het gestegen loonindexcijfer te reageren. Zou dit wel geschieden, dan zou aan het principe van de wettelijke regeling, namelijk het aanpassen van het ouderdomspensioen aan fluctuaties in de algemene welvaart, afbreuk worden gedaan. Het onderhavige lid opent de mogelijkheid om in de hier bedoelde gevallen het automatisme te doorbreken.
     Zoals reeds werd vermeld in hoofdstuk 7 van het algemeen deel dezer memorie kan het onderhavige lid ook dienstig
rblz.|56 r.k.| zijn ter vermijding van verhoging van de pensioenbedragen in geval van stijging van het indexcijfer der lonen als gevolg van de bij de invoering van de voorgestelde voorziening te verwachten looncompensatie.


Zesde lid

     In het algemeen deel van de toelichting hebben de ondergetekenden reeds uiteengezet dat en waarom zij kiezen voor een stelsel inhoudende binding van het bodempensioen aan de regelingslonen. Door de in het ontwerp gegeven omschrijving van het begrip indexcijfer der lonen als het gewogen gemiddelde indexcijfer der uurlonen van volwassen arbeiders, wordt aan deze gedachte zo goed mogelijk uitdrukking gegeven. De ondergetekenden zijn zich intussen ervan bewust dat het begrip nader precisering behoeft. Deze nadere precisering hangt nauw samen met de beschikbare statistische gegevens.


Zevende lid

     De in het vijfde lid gegeven bevoegdheid om een herziening van de bedragen van het ouderdomspensioen in bepaalde gevallen geheel of ten dele achterwege te laten, alsmede de in het zesde lid gegeven bevoegdheid om het indexcijfer der lonen nader aan te geven, kunnen van verstrekkende betekenis zijn. In verband daarmede schrijft het onderhavige lid voor dat ter zake het advies van de S.E.R. moet worden ingewonnen.

 

Artikel 10 [13]

     In paragraaf 4.2 van het algemeen deel dezer memorie is reeds uiteengezet dat de in artikel 8 [9] genoemde pensioenbedragen maxima zijn en dat daarop, wanneer aan bepaalde verzekeringsvoorwaarden niet is voldaan, kortingen worden toegepast. Het stelsel der toe te passen kortingen vond te dier plaatse eveneens toelichting.
     Artikel 10 [13] geeft nader aan in welke gevallen een korting wordt toegepast.


Eerste lid

     Dit lid behandelt de korting welke plaatsvindt op de pensioenbedragen, bedoeld in het eerste en in het derde lid van artikel 8 [9]. In de eerste plaats wordt een korting op het pensioen toegepast voor elk jaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd is geweest. De omschrijving van het begrip verzekerde in artikel 6 [6] is zo ruim dat practisch de gehele hier te lande woonachtige, actieve bevolking verzekerd is. Het bepaalde onder a heeft dan ook in hoofdzaak betrekking op tijdvakken gedurende welke de belanghebbende in het buitenland woonachtig is geweest, zonder dat hij tezelfdertijd hier te lande in loondienst werkzaam was.
     Uiteraard vindt geen korting plaats over tijdvakken gelegen vóór het bereiken van de 15-jarige en na het bereiken van de 65-jarige leeftijd, waarover geen verzekeringsplicht bestaat. Eveneens heeft geen verzekeringsplicht bestaan over tijdvakken gelegen vóór de inwerkingtreding van artikel 6 [6]. Voor deze tijdvakken is in artikel 43 e.v. [55 e.v.] een overgangsregeling opgenomen.
     Vervolgens vindt een korting op het pensioenbedrag plaats voor elke jaarpremie welke de pensioengerechtigde schuldig nalatig is geweest te betalen. Het gaat hier over premiën in de betaling waarvan men nalatig is geweest. Voor tijdvakken waarover een verzekerde geen premie verschuldigd is geweest, vindt geen korting plaats, aangezien er voor wat betreft die tijdvakken van nalatigheid geen sprake is. In dit verband moge worden gewezen op de positie van degene die geen inkomen geniet. De premie wordt vastgesteld in een percentage van het inkomen. Geniet men geen inkomen, dan kan men ook geen premie verschuldigd zijn. Op het pensioen van een verzekerde die over bepaalde tijdvakken geen premie heeft betaald wijl hij geen inkomen genoot, vindt derhalve te dier zake geen korting plaats.
     Voorts moge worden gewezen op de personen te wier aanzien op grond van artikel 31 [-] in verband met betalingsonmacht geheel of gedeeltelijk van premie-invordering wordt afgezien. Voor deze wordt, zoals in paragraaf 5.4 van het algemeen deel is uiteengezet, de premie geheel of gedeeltelijk door het Rijk betaald. Ingevolge het bepaalde in artikel 34 [-] ondergaat het pensioen van deze personen ter zake van het feit
rblz.|57 l.k.| dat door hen geheel of gedeeltelijk geen premie is betaald evenmin een korting. Hetzelfde geldt ten aanzien van degenen die geheel of gedeeltelijk nalatig zijn gebleven een verschuldigde premie te betalen, maar ten aanzien van wie de Sociale Verzekeringsbank geen aantekening houdt, omdat naar haar oordeel niet van een schuldig nalaten sprake is.
     Bij het bepalen van de mate waarin kortingen moeten worden toegepast, is - in overeenstemming met de maximale verzekeringsduur - in beginsel uitgegaan van een verzekeringsperiode van 50 jaar. In verband daarmede wordt voor elk jaar dat iemand niet verzekerd is geweest of schuldig nalatig is gebleven in het betalen van premie, een korting op het pensioen toegepast van 2%.


Tweede lid

     Dit lid behandelt de korting welke plaatsvindt op het in artikel 8 [9], tweede lid, genoemde pensioen van de gehuwde man. Zoals reeds in paragraaf 4.2 van het algemeen deel van deze memorie werd uiteengezet, bestaat het pensioen van de gehuwde man uit twee delen, te weten één deel dat vóór en tijdens het huwelijk is opgebouwd door hemzelf en één deel dat vóór en tijdens het huwelijk is opgebouwd door zijn echtgenote. Het bedrag van het gehuwdenpensioen staat tot dat van het ongehuwdenpensioen in een verhouding van 100:60. Het gehuwdenpensioen bedraagt dus 10/6 van het basispensioen, oftewel, afgerond op een veelvoud van ƒ6,-, ƒ1338,-. Het maximumaandeel dat elk van de beide echtgenoten in het gehuwdenpensioen kan leveren, bedraagt derhalve 5/6 deel van het basispensioen (afgerond ƒ669,-). Op dit aandeel zou nu - geheel overeenkomstig de in de toelichting op het eerste lid uiteengezette gang van zaken ten aanzien van degene die voor het basispensioen in aanmerking komt - een korting moeten worden toegepast van 2% voor elk jaar waarover de betrokken echtgenoot niet verzekerd is geweest of waarover schuldig is nagelaten premie te betalen. Het pensioen van de gehuwde man zal dan bedragen de som van de aldus door elk der echtgenoten afzonderlijk opgebouwde pensioenen.
     Aangezien het maximale gehuwdenpensioen het dubbele bedraagt van het maximale pensioenaandeel van elk der echtgenoten afzonderlijk, zal de korting wegens het niet verzekerd zijn of wegens schuldig nagelaten premiebetaling, toegepast op het maximale gehuwdenpensioen, niet 2%, doch 1% dienen te bedragen voor elk jaar waarover de man niet verzekerd is geweest of schuldig nalatig is gebleven premie te betalen en voor elk jaar waarover de vrouw niet verzekerd is geweest of schuldig nalatig is gebleven premie te betalen. Doordat tegenover de samenvoeging van de pensioenaandelen een halvering van het kortingspercentage staat, blijft het effect van de korting in omvang gelijk.

     Wat betreft het verzekerd zijn neemt de gehuwde vrouw in het systeem van het wetsontwerp een volkomen zelfstandige positie in. Zou tijdens het huwelijk de man wel en de vrouw niet verzekerd zijn - hetgeen zich bijvoorbeeld kan voordoen bij hier te lande werkzame, doch buiten het Rijk wonende arbeiders -, dan komt dit automatisch tot uitdrukking in het aandeel dat de gehuwde vrouw voor het pensioen van haar man levert.
     Het komt veelvuldig voor dat de gehuwde man eerder de 65-jarige leeftijd bereikt dan zijn vrouw. Indien geen nadere voorziening zou worden getroffen, zou in deze gevallen de vrouw steeds één of meer negatieve jaren inbrengen, omdat zij nog niet tot haar 65ste jaar verzekerd is geweest. In verband daarmede wordt in het tweede lid, onderdeel b, bepaald dat in de gevallen waarin de vrouw jonger is dan de man de korting van 1% voor elk ontbrekend verzekeringsjaar, voor wat betreft de verzekering van de vrouw slechts wordt toegepast voor elk jaar dat zij na het bereiken van haar 15-jarige leeftijd, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd door haar man niet verzekerd is geweest.
     Door deze bepaling wordt het inbrengen van de bovenbedoelde negatieve jaren door de vrouw voorkomen, zodat ook de man die met een jongere vrouw is gehuwd terstond
rblz.|57 r.k.| bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd het volle gehuwdenpensioen kan ontvangen. Er wordt namelijk van tevoren aangenomen dat de vrouw gedurende de jaren welke haar nog van de 65-jarige leeftijd scheiden op het moment waarop haar man die leeftijd bereikt, verzekerd zal zijn. Het is evenwel duidelijk dat in gevallen waarin redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de vrouw gedurende bedoelde jaren niet verzekerd zal zijn, de onderhavige tegemoetkomende regeling niet zal dienen te gelden. Daarom is in het tweede lid, onderdeel b, de mogelijkheid geopend dat de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid gevallen aanwijst waarin de onderhavige verzekeringsjaren aan de vrouw niet van tevoren worden geschonken. Gedacht wordt hierbij bijvoorbeeld aan vrouwen van geëmigreerden. De feitelijk doorgemaakte verzekeringsjaren zullen ook ten aanzien van geëmigreerden en hun echtgenoten dienen te worden gehonoreerd. Het zou echter te ver gaan hun pensioenen gunstig te beïnvloeden door aan de vrouw verzekeringsjaren toe te kennen welke nimmer vervuld zullen worden.


Derde lid

     De vraag rijst wanneer gezegd kan worden dat de gehuwde vrouw in verzuim is om premie te betalen. Zoals uit paragraaf 5.1 van het algemeen deel dezer memorie blijkt, wordt voor de premiebetaling het inkomen van de vrouw tot dat van de man gerekend. De gehuwde vrouw heeft dus zelfstandig geen inkomen waarover premie verschuldigd is. Dientengevolge zou bij gehuwde vrouwen eigenlijk nooit sprake kunnen zijn van een verzuim ten aanzien van de premiebetaling, zelfs niet indien de man schuldig nalatig blijft premie te betalen over het door zijn vrouw verworven inkomen. Deze situatie lijkt onjuist. Ervan uitgaande dat van een echtpaar alleen de gehuwde man premie moet betalen, ligt het voor de hand nalatigheid zijnerzijds tevens als nalatigheid van zijn echtgenote aan te merken. In verband daarmede bepaalt artikel 10 [13], derde lid. zowel voor de bepaling van het gehuwdenpensioen als voor de bepaling van het basispensioen dat een gehuwde vrouw geacht wordt nalatig te zijn met premie betalen indien haar man nalatig is premie te betalen. Dit geldt evenwel slechts over de tijd van haar huwelijk gedurende welke zij nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Deze beperking is aangebracht omdat het onbillijk zou zijn nog kortingen toe te passen op het pensioen over jaren waarin de gehuwde vrouw reeds de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.
     Opmerking verdient nog dat het woord "echtgenoot" in het derde lid is gebruikt in de beperkte betekenis welke dit woord ingevolge het bepaalde in artikel 1 [1]. tweede lid, heeft. Dit heeft tot gevolg dat over eventuele jaren waarin de man en de vrouw duurzaam gescheiden hebben geleefd nalatigheid in de premiebetaling van de man niet geacht wordt mede de vrouw te betreffen. In geval van duurzaam gescheiden leven worden de echtgenoten immers ingevolge artikel 1 [1], tweede en derde lid, als ongehuwd beschouwd, zodat in dat geval de vrouw geheel zelfstandig premie betaalt.


Vierde lid

     Zoals bij de toelichting op het tweede lid reeds werd uiteengezet, bedraagt het maximumpensioenaandeel dat elk der echtgenoten voor het gehuwdenpensioen levert minder dan het basispensioen, namelijk 5/6 deel daarvan. Dit zou tot gevolg hebben dat wanneer het pensioenaandeel van één der echtgenoten nihil of nagenoeg nihil bedraagt, het gehuwdenpensioen lager is dan het basispensioen waarop de andere echtgenoot recht zou hebben indien hij ongehuwd zou zijn.
     Een voorbeeld moge dit toelichten. Een Nederlander die vanaf zijn 15de jaar steeds verzekerd is geweest, trouwt op 64-jarige leeftijd met een Belgische vrouw van 64 jaar die vóór haar huwelijk nimmer verzekerd is geweest. Het echtpaar gaat in Nederland wonen. Bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd heeft de man 50 verzekeringsjaren, de vrouw echter slechts één verzekeringsjaar. Zij is van haar 15de tot haar 64ste jaar, dus gedurende 49 jaren, niet verzekerd geweest, zodat op het gehuwdenpensioen ingevolge artikel 10 [13], tweede lid, onderdeel b, een korting van 49% zou moeten worden toegepast. Aannemende dat de verschuldigde premie steeds is betaald, zou het gehuwdenpensioen dus 51% van ƒ1338,- =
rblz.|58 l.k.| ƒ684,- bedragen (afgerond op een veelvoud van ƒ6,-). Was de man evenwel ongehuwd gebleven, dan zou hij het volle basispensioen van ƒ804,- hebben ontvangen. Overlijdt zijn vrouw, dan zou zijn ouderdomspensioen alsnog tot laatstgenoemd bedrag worden verhoogd.
     Teneinde de bovenaangegeven ongewenste situatie te voorkomen, bepaalt het vierde lid dat in zodanig geval het gehuwdenpensioen wordt vastgesteld op het hogere basispensioen.


Vijfde lid

     Voor elke verschuldigde onbetaald gebleven jaarpremie wordt een korting toegepast op het maximumpensioenbedrag. Niet steeds zal echter de betaling van een gehele jaarpremie achterwege zijn gebleven. Integendeel, meer veelvuldig zal het voorkomen dat een deel van de jaarpremie onbetaald is gebleven. De onbetaald gebleven gedeelten van jaarpremiën dienen dan tot jaarpremiën te worden herleid. Hieromtrent moeten door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, na ingewonnen advies van de Sociale Verzekeringsbank, nadere regelen worden gesteld.
     Hetzelfde geldt omtrent de herleiding van gedeelten van verzekeringsjaren tot gehele verzekeringsjaren.

 

Artikel 11 [-]

     Voor de toelichting van dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van het algemeen deel dezer memorie.

 

Artikel 12 [14]


Eerste lid

     Uit het eerste lid van dit artikel blijkt dat het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van pensioen in beginsel slechts op aanvraag wordt toegekend.
     Verhoging van pensioen zal kunnen worden aangevraagd door de gepensionneerde ongehuwde man die in het huwelijk treedt met een vrouw beneden de leeftijd van 65 jaar. Eveneens kan de gehuwde man die - al dan niet tevens wettelijk van tafel en bed gescheiden zijnde - duurzaam van zijn vrouw gescheiden leeft, verhoging van pensioen verkrijgen wanneer hij weer met zijn vrouw gaat samenleven.
     Voorts is verhoging van pensioen mogelijk voor de gehuwde man en de gehuwde vrouw die beiden de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en duurzaam gescheiden leven, zonder van tafel en bed gescheiden te zijn, wanneer zij zich alsnog van tafel en bed laten scheiden.
     Ten slotte kan verhoging van pensioen verkrijgen degene die niet terstond bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, doch pas naderhand gaat voldoen aan het in artikel 43 [55] gestelde vereiste omtrent het zes jaren woonachtig zijn in Nederland of de Overzeese Rijksdelen. Op dit geval wordt bij de toelichting van het derde lid teruggekomen.


Tweede lid

     Dit lid bepaalt dat de aanvraag om ouderdomspensioen of verhoging van ouderdomspensioen bij de Sociale Verzekeringsbank moet worden ingediend. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid op grond van het tweede lid van artikel 5 [5] kan bepalen dat de aanvraag bij de Raad van Arbeid moet worden ingediend.


Derde lid

     Geschiedt de toekenning van een ouderdomspensioen of van een verhoging van een pensioen in beginsel nadat een aanvraag is ontvangen, er kunnen zich nochtans gevallen voordoen waarin het gewenst is dat de Sociale Verzekeringsbank ambtshalve, zonder dat daartoe een aanvraag is ontvangen, tot toekenning van ouderdomspensioen of van een verhoging van een pensioen overgaat. Het derde lid opent daartoe de mogelijkheid.
     Indien een gepensionneerde gehuwde man overlijdt, terwijl zijn echtgenote de leeftijd van 65 jaar reeds heeft bereikt, zal de Sociale Verzekeringsbank in staat zijn het aan de weduwe toekomende pensioen ambtshalve toe te kennen. De hiervoor benodigde gegevens heeft de Sociale Verzekeringsbank namelijk reeds moeten verzamelen voordat indertijd tot toekenning van het aan de man toekomende gehuwdenpensioen kon worden overgegaan. In hoeverre het overigens nog mogelijk zal zijn tot ambtshalve eerste toekenning van ouderdomspensioen over te gaan, valt thans nog niet te overzien.
    
rblz.|58 r.k.| Zoals uit de toelichting op artikel 43 [55] blijkt, kan het voorkomen dat iemand die aanvankelijk slechts op een gering pensioen aanspraak kon maken, naderhand gaat voldoen aan het in dat artikel gestelde vereiste omtrent het zes jaren woonachtig zijn in Nederland of de Overzeese Rijksdelen, waardoor de gunstige overgangsregeling van artikel 43 [55] op hem van toepassing wordt. Aangezien reeds bij de eerste toekenning van ouderdomspensioen uit de bij de aanvraag verstrekte of uit het bevolkingsregister verkregen gegevens het tijdstip kan worden vastgesteld waarop voor de betrokkene de zes jaren ingezetenschap vervuld zullen zijn, zal de Sociale Verzekeringsbank in haar administratie van dit tijdstip aantekening kunnen houden en tot ambtshalve toekenning van de uit artikel 43 [55] voortvloeiende verhoging van het ouderdomspensioen kunnen overgaan zodra bedoeld tijdstip is aangebroken.
     Opgemerkt wordt nog dat een beslissing inzake toekenning of weigering van ouderdomspensioen de belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 40 [52], eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, in voor beroep vatbare vorm wordt toegezonden.

 

Artikel 13 [16]


Eerste lid

     In beginsel voldoet men aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, welk beginsel is neergelegd in het eerste lid van artikel 7 [7]. Om administratieve redenen is de datum van ingang van het pensioen bepaald op de eerste dag der maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
     In sommige gevallen ontstaat het recht op ouderdomspensioen eerst na het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Dit geval doet zich voor ten aanzien van een gehuwde vrouw wier recht op pensioen als regel eerst kan ontstaan wanneer zij niet meer gehuwd is of wanneer zij van haar man duurzaam gescheiden gaat leven.


Tweede lid

     Ingevolge het bepaalde in artikel 15 [18], eerste lid, wordt na het overlijden van een gehuwde man het aan hem toegekende ouderdomspensioen nog aan zijn echtgenote uitbetaald tot en met de laatste dag van de vijfde maand na zijn overlijden. Het ligt voor de hand dat in dit geval het eigen pensioen van de weduwe niet eerder kan ingaan dan na de beëindiging van de uitbetaling van het gehuwdenpensioen.


Derde lid

     Aan de toekenning van pensioenen met terugwerkende kracht dient een grens te worden gesteld. Daartoe is in het derde lid bepaald dat een ouderdomspensioen niet vroeger kan ingaan dan één jaar vóór de indiening der aanvraag of vóór de ambtshalve toekenning. Er zouden zich nochtans zeer bijzondere gevallen kunnen voordoen dat het niet doen ingaan van een pensioen op een vroeger tijdstip een bijzondere hardheid zou betekenen. Voor deze bijzondere gevallen is een uitzonderingsmogelijkheid opengelaten.

 

Artikel 14 [17]


Eerste lid

     Dit artikel handelt over intrekking en herziening van een ouderdomspensioen.
     Het ouderdomspensioen moet kunnen worden ingetrokken wanneer een gepensionneerde daarvoor niet meer in aanmerking komt. Dit geval doet zich voor wanneer een gepensionneerde vrouw in het huwelijk treedt met een man die de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt. Eveneens dient intrekking plaats te vinden van het pensioen toegekend aan een gehuwde vrouw die, zonder van tafel en bed gescheiden te zijn, duurzaam van haar echtgenoot gescheiden leeft, wanneer zij weer met haar echtgenoot gaat samenleven. Voorts dient intrekking te geschieden van het pensioen toegekend aan een gehuwde vrouw die van tafel en bed gescheiden is, wanneer zij zich weer met haar echtgenoot verzoent.
     Indien degene die op grond van de overgangsbepaling van artikel 46 [58] in het genot van pensioen is naar het buitenland verhuist, vervalt zijn recht op pensioen, zodat intrekking dient plaats te vinden. Is een gehuwde vrouw op grond van artikel 46 [58], tweede lid, onderdeel a, in het genot van pensioen, dan dient intrekking plaats te vinden zodra haar man recht op ouderdomspensioen kan doen gelden.

     rblz.|59 l.k.| Herziening van een pensioen vindt plaats wanneer een gepensionneerde voor een hoger of lager pensioen in aanmerking komt.
     Gevallen waarin verhoging van een toegekend pensioen dient plaats te vinden, zijn reeds genoemd in de toelichting op artikel 12 [14].

     Een toegekend pensioen zal in de regel moeten worden omgezet in een lager pensioen wanneer een gehuwde man weduwnaar wordt. Eveneens zal verlaging van het aan een gehuwde man toegekende pensioen plaatsvinden indien hij duurzaam van zijn vrouw gescheiden gaat leven of wanneer echtscheiding of scheiding van tafel en bed plaatsvindt.
     Verhuizing naar het buitenland zal, zoals uit de toelichting op artikel 44 [56] blijkt, verlaging van pensioen tot gevolg hebben voor degene wiens pensioen met inachtneming van de overgangsbepaling van artikel 43 [55] werd vastgesteld.


Tweede lid

     Dit lid bepaalt dat de herziening van het ouderdomspensioen welke een verhoging van dit pensioen tot gevolg heeft door wijziging der omstandigheden, ingaat op de eerste dag der maand waarin de wijziging der omstandigheden welke tot de herziening van het ouderdomspensioen heeft geleid, heeft plaatsgevonden. De grens welke artikel 13 [16], derde lid, stelt aan het toekennen van pensioenen met terugwerkende kracht is eveneens nodig met betrekking tot het als gevolg van een wijziging der omstandigheden verhogen van pensioenen met terugwerkende kracht. Zodanige verhoging zal derhalve niet vroeger kunnen ingaan dan één jaar vóór de indiening der aanvraag tot verhoging of voor de ambtshalve toekenning van de verhoging. Ook hier is de uitzonderingsmogelijkheid welke voor bijzondere gevallen gewenst kan zijn aanwezig.
     Alle in de toelichting op artikel 12 [14] reeds genoemde gevallen waarin verhoging van een toegekend pensioen dient plaats te vinden, hebben betrekking op een wijziging der omstandigheden. Het zal zich evenwel ook kunnen voordoen dat verhoging van een toegekend pensioen dient plaats te vinden zonder dat er van een wijziging der omstandigheden sprake is, bijvoorbeeld wanneer de gegevens ontleend aan het bevolkingsregister aanvankelijk onjuist zijn toegepast. De datum van ingang van de uit het herstellen van een zodanige administratieve fout voortvloeiende - op het eerste lid van dit artikel te baseren - verhoging van een pensioen is in het tweede lid niet geregeld. De fout zal derhalve met ongelimiteerd terugwerkende kracht kunnen worden hersteld. Opgemerkt wordt nog dat een uit het herstellen van een dergelijke administratieve fout voortvloeiende verlaging van een pensioen niet met terugwerkende kracht zal kunnen ingaan. De redactie van het hierna te bespreken derde lid omvat namelijk mede de verlaging van een pensioen welke niet voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden.


Derde lid

     In het algemeen gaat een intrekking van het ouderdomspensioen of een herziening daarvan welke een verlaging van het pensioen tot gevolg heeft in op de eerste dag van de maand volgende op die waarop daarvan aan de betrokkene mededeling is gedaan. De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid kan evenwel gevallen aanwijzen waarin de intrekking of verlaging op een vroeger tijdstip kan ingaan. Tot het openen van de mogelijkheid tot intrekking of verlaging van een toegekend pensioen met terugwerkende kracht zal bijvoorbeeld aanleiding bestaan voor de gevallen waarin de intrekking of verlaging het gevolg is van het verstrekken van onjuiste inlichtingen of van een onjuiste opgave door de betrokkene, alsmede van het niet nakomen van de verplichting aan de Sociale Verzekeringsbank binnen veertien dagen schriftelijk mededeling te doen van elke verandering van feiten en omstandigheden welke tot intrekking of vermindering van het pensioen aanleiding kan geven.
     Verwezen wordt nog naar de opmerking gemaakt bij de toelichting op het tweede lid, inhoudende dat de redactie van het derde lid mede omvat de verlaging van een pensioen welke niet voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden.


Vierde lid

     Deze bepaling strekt ertoe de weduwnaar na het overlijden van de andere echtgenoot nog een korte rblz.|59 r.k.| tijd in het genot van het gehuwdenpensioen te laten, teneinde hem gelegenheid te geven zich aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen. De uit het overlijden van de vrouw voortvloeiende herziening van het gehuwdenpensioen vindt niet eerder plaats dan met ingang van de eerste dag der zesde maand volgende op die waarin het overlijden plaatsvond. Dit uitstel van de herziening van het gehuwdenpensioen laat onverlet de mogelijkheid tot herziening van het pensioen in verband met wijzigingen in de loonindex.


Vijfde lid

     De herziening van het ouderdomspensioen welke verband houdt met een als gevolg van wijzigingen in het indexcijfer der lonen plaatsgevonden hebbende herziening der in artikel 8 [9] genoemde pensioenbedragen gaat in op de dag met ingang waarvan op grond van artikel 9 [12] de pensioenbedragen, genoemd in artikel 8 [9], door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn herzien.

     De beslissing inzake intrekking of herziening van het ouderdomspensioen wordt de belanghebbende op grond van artikel 40 [52], eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, in voor beroep vatbare vorm toegezonden. Dit geldt ingevolge artikel 40 [52], derde lid, niet indien de herziening van het ouderdomspensioen het gevolg is van wijzigingen in de loonindex. In dat geval wordt slechts op verzoek van de belanghebbende een voor beroep vatbare beslissing verstrekt. Beroep zal namelijk bij zodanige herziening vrijwel nimmer worden ingesteld, daar hier niet de grondslagen van het individuele pensioenrecht - welke bij de eerste toekenning van het pensioen reeds appellabel waren - in het geding zijn. Uiteraard behoudt de Sociale Verzekeringsbank de bevoegdheid eigener beweging de gepensionneerden van de hier bedoelde wijziging van de pensioenbedragen bij schriftelijke mededeling - anders dan in voor beroep vatbare vorm - kennis te geven.

 

Artikel 15 [18]


Eerste lid

     Evenals dit bij de Noodwet Ouderdomsvoorziening het geval is, wordt het wenselijk geacht dat na het overlijden van een gehuwde man het volle bedrag van het pensioen van de overledene nog gedurende enige maanden aan de weduwe toekomt, zulks om een geleidelijke aanpassing aan de veranderde omstandigheden voor haar gemakkelijker te maken.
     Voor de weinig talrijke gevallen waarin aan de gehuwde vrouw een zelfstandig recht op pensioen is toegekend (artikel 7 [7], tweede lid, en artikel 46 [58], tweede lid), voorziet dit lid in de uitbetaling van dit pensioen, gedurende enige maanden na het overlijden van de gepensionneerde gehuwde vrouw, aan de weduwnaar. Ook hier is het motief de aanpassing aan de veranderde omstandigheden voor de weduwnaar te vergemakkelijken.
     Indien na het overlijden van de gepensionneerde de ouderdomspensioenen in verband met het bepaalde in artikel 9 [12] worden aangepast aan een wijziging in de loonindex, zal deze aanpassing ook dienen plaats te vinden ten aanzien van het aan de langstlevende der echtgenoten ingevolge dit lid uit te betalen pensioen.


Tweede lid

     Het ten tijde van het overlijden van andere personen dan die, bedoeld in de aanhef van het eerste lid van artikel 15 [18], nog verschuldigde pensioen wordt uitbetaald aan degene die daarvoor naar het oordeel van de Sociale Verzekeringsbank op billijkheidsgronden in aanmerking komt, bijvoorbeeld degene die voor de begrafenis heeft gezorgd of de naaste familieleden van de overledene. Het verzoek daartoe moet binnen zes maanden na het overlijden worden ingediend.
     Tot genoemde andere personen dan die, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, behoren in de eerste plaats de ongehuwden, doch, ingevolge artikel 1 [1], tweede en derde lid, eveneens duurzaam gescheiden levende echtgenoten.

 

Artikel 16 [19]


Eerste lid

     Het ouderdomspensioen dient als regel maandelijks te worden uitbetaald. De redactie van het eerste lid is evenwel zodanig gesteld dat afwijking van deze rblz.|60 l.k.| regel mogelijk is. Afwijking kan namelijk in bepaalde gevallen gewenst zijn, teneinde gelijktijdige uitbetaling van het ouderdomspensioen en van uit anderen hoofde genoten pensioen niet te belemmeren. Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds bijvoorbeeld stelt het pensioen per drie maanden betaalbaar. In daartoe geëigende gevallen zal het mogelijk zijn ook de ingevolge de voorgestelde voorziening uit te betalen ouderdomspensioenen over een kortere of langere periode dan één maand betaalbaar te stellen.


Tweede lid

     Dit lid opent de mogelijkheid dat het pensioen van een gehuwde man, ook zonder diens bewilliging, voor de helft betaalbaar wordt gesteld aan diens vrouw.


Vierde lid

     Vele arbeiders zullen, naast het bodempensioen ingevolge deze wet, ook nog in het genot zijn van een pensioen uit anderen hoofde. Teneinde het mogelijk te maken dat deze pensioenen in één bedrag aan de gepensionneerde betaalbaar kunnen worden gesteld, is aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid de bevoegdheid gegeven regelen te stellen inzake betaalbaarstelling van het ouderdomspensioen ingevolge deze wet door organen welke belast zijn met de uitbetaling van ouderdomspensioen uit anderen hoofde. Het artikel is zeer ruim gesteld en kan derhalve zowel ten aanzien van de organen belast met de uitbetaling van bedrijfs- en ondernemingspensioenen als ten aanzien van organen welke ambtelijke pensioenen uitbetalen toepassing vinden.


Vijfde lid

     Betaalbaarstelling in één bedrag van verschillende pensioenen waarop de gepensionneerde aanspraak kan maken, kan ook worden bereikt door de bijzondere pensioenen tezamen met het bodempensioen door de Sociale Verzekeringsbank te doen betaalbaar stellen. In het vijfde lid is aan de Sociale Verzekeringsbank de bevoegdheid verleend aan een daartoe strekkend verzoek van de organen belast met de uitbetaling van de bijzondere pensioenen gevolg te geven.

 

Artikel 17 [20]

     Artikel 17 [20] is ontleend aan artikel 15 der Noodwet Ouderdomsvoorziening en strekt ertoe de mogelijkheid te openen om, wanneer een gepensionneerde of diens echtgenote geheel of ten dele voor rekening van een openbaar lichaam of van een door het openbaar gezag erkende instelling van weldadigheid in een gesticht of op andere wijze wordt verzorgd of verpleegd, het ouderdomspensioen, in plaats van aan de belanghebbende, geheel of gedeeltelijk te doen uitbetalen aan het lichaam of de instelling voor wiens of voor wier rekening de verzorging of verpleging geschiedt. Aan het desbetreffende orgaan mag in geen geval meer worden uitgekeerd dan de te zijnen laste komende kosten van verzorging of verpleging bedragen. Indien de gepensionneerde gehuwd is, mag aan het orgaan slechts een derde gedeelte van het pensioen worden betaald. Van dit pensioen blijft dan dus twee derde deel behouden voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot. Dit geldt niet indien ook de andere echtgenoot de verzorging geniet. Ontvangen beide echtgenoten een pensioen doordat zij ten tijde van de huwelijkssluiting beiden reeds de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt, dan eist de consequentie dat van het pensioen van elk der echtgenoten een derde deel aan het orgaan mag worden uitbetaald. Van het door beide echtgenoten gezamenlijk genoten bedrag aan pensioen blijft dan namelijk eveneens twee derde deel behouden voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot. Ook hier geldt de beperking tot twee derde deel niet indien beide echtgenoten de verzorging genieten.
     Aan het onderhavige artikel ligt de gedachte ten grondslag dat, wijl het ouderdomspensioen strekt tot voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud, het redelijk is dat wanneer men dat onderhoud geheel of gedeeltelijk ontvangt op kosten van een openbaar lichaam of een instelling van weldadigheid, het pensioen aan dat lichaam of die instelling ten goede komt. Dit geschiedt evenwel niet van rechtswege; het belanghebbend orgaan moet daartoe een verzoek indienen bij de Sociale Verzekeringsbank. Ingevolge het bepaalde in artikel 40 [52], eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, dient de Sociale Verzekeringsbank van een ter zake genomen beslissing zowel aan het belanghebbende
rblz.|60 r.k.| orgaan als aan de gepensionneerde schriftelijk kennis te geven, met vermelding van de beroepsmogelijkheden.

 

Artikel 18 [-]

     Deze bepaling spreekt voor zichzelf. Wanneer een gepensionneerde bezwaar heeft tegen toepassing van dit artikel, kan hij zich tot de raad van beroep (S.V.) [raden van beroep voor de sociale verzekering, red.] wenden.

 

Artikel 19 [-]

     Dit artikel houdt een beperkte afwijking in van artikel 15 [18].
     Voor zover het ouderdomspensioen niet aan de gepensionneerde, doch aan een in artikel 17 [20] bedoeld orgaan of aan een in artikel 18 [-] bedoelde persoon of instelling werd uitbetaald, geschiedt dit na het overlijden van de gepensionneerde nog tot en met de laatste dag der maand waarin het overlijden plaatsvond.
     Voor het overige blijft artikel 15 [18] van kracht. Wordt bijvoorbeeld het aan een gehuwde man toegekende pensioen ingevolge artikel 17 [20] voor een derde deel uitbetaald aan een in dat artikel bedoeld orgaan, dan zal dit orgaan ook nog over de maand waarin de betreffende gehuwde man overlijdt een derde deel van het ouderdomspensioen ontvangen. Over deze maand zal de weduwe van de gepensionneerde twee derde deel van het pensioen ontvangen. Vervolgens ontvangt zij nog vijf maanden het volle aan de overledene toegekende pensioen.

 

Artikel 20 [8b]

     Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat degene die een vrijheidsstraf ondergaat en dientengevolge van staatswege zijn noodzakelijk levensonderhoud ontvangt, in het algemeen geen behoefte heeft aan ouderdomspensioen. De Sociale Verzekeringsbank is bevoegd over het ouderdomspensioen te beschikken ten behoeve van de echtgenote of de kinderen van de gepensionneerde of ten behoeve van andere personen wier kostwinner hij is. Voor zover van deze bevoegdheid geen gebruik is gemaakt, kan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid de gepensionneerde bij ontslag uit de gevangenis of werkinrichting alsnog in het genot stellen van ouderdomspensioen tot een bedrag dat het pensioen over één jaar niet te boven gaat of het pensioen tot dat bedrag te zijnen behoeve doen aanwenden.

 

Artikel 21 [23]

     Dit artikel vereist geen nadere toelichting.

 

Artikel 22 [24]

     In beginsel zijn de eenmaal uitbetaalde termijnen van het ouderdomspensioen niet vatbaar voor terugvordering.
     In de gevallen evenwel waarin krachtens het derde lid van artikel 14 [17] de mogelijkheid tot intrekking of herziening van pensioenen met terugwerkende kracht zal worden geopend, kan reeds uitbetaald pensioen ingevolge artikel 22 [24] worden teruggevorderd. In de toelichting op het derde lid van artikel 14 [17] zijn aan de gepensionneerde te verwijten gevallen genoemd waarin tot het openen van bedoelde mogelijkheid aanleiding zal bestaan.
     Voorts kan ingevolge artikel 22 [24] tot terugvordering worden overgegaan indien te veel pensioen is uitbetaald nadat tengevolge van wijziging in de loonindex de pensioenbedragen zijn verlaagd. Het is denkbaar dat alle wijzigingen in de pensioenbedragen niet vóór de eerstvolgende betaalbaarstelling zouden kunnen worden verwerkt. Het komt de ondergetekenden beter voor in dat geval verrekening van het te veel uitgekeerde met het later toekomende pensioen mogelijk te maken dan de uitbetaling van de pensioenen op te schorten.

 

Artikel 23 [26]

     Het ouderdomspensioen strekt ter voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud. Teneinde dit zoveel mogelijk aan dat doel te doen beantwoorden, komen in dit artikel enige bepalingen voor welke een waarborg geven dat het toegekende pensioen ook werkelijk aan de belanghebbenden ten goede zal komen, althans dat dit hun niet kan worden ontnomen. Zo is het pensioen onvervreemdbaar en het kan niet dienen als voorwerp van verpanding of belening. Ook kan daarop geen enkel gerechtelijk beslag worden gelegd, behoudens voor zover dit dient tot verhaal van onderhoud waartoe de pensioengerechtigde volgens de wet is gehouden.

rblz.|61 l.k.| 

Artikel 24 [27]

     De Staat, welke in het algemeen belang de gehele bevolking bij de wet tot verzekering verplicht, dient ervoor garant te zijn dat de wettelijk vastgestelde uitkeringen ook werkelijk worden genoten. Vandaar dat in het onderhavige artikel wordt uitgesproken dat het Rijk zonder enig voorbehoud de betaling door de Sociale Verzekeringsbank van het ouderdomspensioen waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, waarborgt.

 

Artikelen 25 [-] en 26 [-]

     In hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze memorie is reeds uiteengezet dat de middelen tot dekking van de uitgaven welke de voorgestelde voorziening met zich meebrengt, zullen worden gevonden door het heffen van premiën van de verzekerden. Deze uitgaven betreffen in de eerste plaats de pensioenen zelf. Daarnaast denke men echter aan de aan het vaststellen en betaalbaar stellen van de pensioenen verbonden kosten, alsmede aan de kosten welke de heffing en de invordering van de premiën meebrengen.
     Voorts is in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze memorie reeds uiteengezet dat de voorgestelde voorziening zal worden gefinancierd door middel van het omslagstelsel. In hoofdstuk 7 hebben de ondergetekenden reeds de redenen aangegeven waarom het echter toch wel gewenst is een zekere reserve te vormen. Zij willen op deze plaats volstaan met een verwijzing naar de bedoelde passage.
     Gezien de functie van deze reserve (schommelfonds) zullen uiteraard ook de middelen om deze te vormen en in stand te houden door heffing van premiën van de verzekerden dienen te worden gevonden.
     Zoals ten slotte in hoofdstuk 9 van het algemeen deel dezer memorie werd uiteengezet, zal de Sociale Verzekeringsbank met het beheer van het Ouderdomsfonds dienen te worden belast. In overeenstemming met hetgeen ter zake in andere socialeverzekeringswetten is bepaald, zullen door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, regelen worden gesteld omtrent de belegging van de gelden van dit fonds.

 

Artikel 27 [-]

     De algemene strekking van dit artikel is reeds toegelicht in hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze memorie.


Tweede lid

     In hoofdstuk 5 is er reeds op gewezen dat het in de rede ligt voor de bepaling van het premieplichtig inkomen aansluiting te zoeken bij het inkomen waarover daadwerkelijk inkomsten- of loonbelasting wordt geheven. De omschrijving van het begrip inkomen in het onderhavige lid sluit dan ook nauw aan bij het inkomen waarover inkomstenbelasting wordt geheven. Ten aanzien van de ingevolge de voorgestelde voorziening verschuldigde premiën, de ingevolge die voorziening uit te keren pensioenen en de kinderbijslag wordt echter in het ontwerp van het belastbaar inkomen afgeweken. In hoofdstuk 5 zijn de redenen hiervoor reeds uitvoerig vermeld, weshalve de ondergetekenden op deze plaats volstaan met een verwijzing naar de desbetreffende passages. Voor wat de kinderbijslag betreft, wordt ook nog verwezen naar de toelichting op het vijfde lid van het onderhavige artikel.


Derde lid

     Zoals eveneens reeds in hoofdstuk 5 ter sprake kwam, is het gewenst dat bij de ouderdomsverzekering voor de premieheffing het inkomen en de aftrekposten (buitengewone lasten en giften) van de gehuwde vrouw tot die van haar man worden gerekend, omdat zulks ook bij het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 het geval is ingevolge de artikelen 2, eerste lid, tweede zin, en tweede lid, 51, vijfde lid, en 51a, vijfde lid. Het gevolg hiervan is dat de gehuwde vrouw, alhoewel in beginsel premieplichtig, in feite geen premie behoeft te betalen, omdat zij voor de ouderdomsverzekering niet geacht wordt een eigen inkomen te hebben. De gehuwde man betaalt nu premie over het gemeenschappelijk inkomen van beide echtelieden. Dit alles is geheel in overeenstemming met de gang van zaken bij de inkomstenbelasting, waarbij ook alleen de gehuwde man in feite belastingplichtig is.
    
rblz.|61 r.k.| Het is echter niet gewenst deze gedragslijn ook aan te houden in de gevallen waarin de man, alhoewel nog geen 65 jaar zijnde, niet verzekerd is. Dit zou immers meebrengen dat in deze gevallen een wel verzekerde gehuwde vrouw wier man niet verzekerd is en evenmin 65 jaar of ouder, wel een pensioen opbouwt zonder dat zij premie behoeft te betalen. Dit is noch uit een verzekeringsoogpunt, noch uit een oogpunt van economische concurrentie gewenst. In verband daarmede dienen vorenbedoelde bepalingen van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 ten aanzien van de hier bedoelde gevallen buiten toepassing te blijven. In deze gevallen worden dus het inkomen en de aftrekposten van de gehuwde vrouw niet tot die van haar man gerekend. Hierdoor worden de desbetreffende gehuwde vrouwen dus ook zelf in feite premieplichtig.
     Ten slotte is het gewenst, in aansluiting aan artikel 43 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, het anders dan uit dienstbetrekking verworven inkomen van de kinderen waarvoor kinderaftrek voor de inkomstenbelasting wordt genoten, bij dat van de ouders te voegen.


Vierde lid

     In artikel 30 [-], tweede lid, van het ontwerp wordt voorgesteld ten aanzien van degenen bij wie belasting wordt geheven bij wijze van inhouding, ook de premiën aldus te heffen. Het ligt voor de hand in deze gevallen voor de bepaling van het premieplichtig inkomen aansluiting te zoeken aan het loon respectievelijk de inkomsten waarover belasting wordt ingehouden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met een vaste aftrek van ƒ100,- voor verwervingskosten en persoonlijke verplichtingen, waarmede ook voor de loonbelasting rekening wordt gehouden.
     Evenals bij de bepaling van het premieplichtig inkomen in de gevallen waarin de premiën bij wijze van aanslag worden geheven (tweede lid), zal ook bij de bepaling van het premieplichtig inkomen in de gevallen waarin de premie bij wijze van inhouding wordt geheven, van het belastbare loon respectievelijk de belastbare inkomsten moeten worden afgeweken ten aanzien van de ingevolge de voorgestelde voorziening verschuldigde premiën, de ingevolge die voorziening uit te keren pensioenen en de kinderbijslag. De materie van de kinderbijslag wordt echter niet in het onderhavige, maar in het vijfde lid geregeld. Voor nadere toelichting hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze memorie en naar de toelichting op het vijfde lid.


Vijfde lid

     Zoals in paragraaf 5.3 van het algemeen deel dezer memorie reeds werd uiteengezet, is het wenselijk te bepalen dat verzekerden met kinderen die loon of daarmede overeenkomende inkomsten genieten steeds geacht worden overeenkomstig de bepalingen van de Kinderbijslagwet kinderbijslag te hebben genoten. Niet alleen brengt dit met zich mede dat gelijkheid in behandeling ontstaat, ongeacht volgens welke kinderbijslagregeling men kinderbijslag geniet, maar bovenal is deze regeling noodzakelijk om het mogelijk te maken dat ook de gewone tabel voor de loonbelasting - zie ook de toelichting op artikel 29 [-] - zodanig met de premietabel wordt gecombineerd dat in beginsel uit het loon respectievelijk de inkomsten waarop de tabel moet worden toegepast rechtstreeks de premie en de loonbelasting kunnen worden afgelezen.
     De ondergetekenden willen er nog op wijzen dat ingevolge de voorgestelde redactie van dit lid ook personen met kinderen van wie de premiën slechts gedeeltelijk bij wijze van inhouding worden geheven, over de periode waarin de inhouding plaatsvindt steeds geacht worden kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet te genieten. Dit brengt mede dat bij het bepalen ingevolge het tweede lid van het premieplichtig inkomen voor de heffing bij wege van aanslag, een bedrag gelijk aan de wettelijke kinderbijslag op het inkomen in mindering moet worden gebracht. De bij de premieheffing bij wijze van inhouding eenmaal verleende aftrek op het inkomen wegens aanspraak op kinderbijslag blijft dus gehandhaafd indien naderhand eventueel aanvullende premieheffing bij wege van aanslag plaatsvindt.

rblz.|62 l.k.| 
Zesde lid

     De inkomenslimiet van ƒ6000,- voor de premieheffing vond ook reeds bespreking in hoofdstuk 5 van het algemeen deel dezer memorie. In enkele gevallen achten de ondergetekenden evenwel een verlaging van de grens van ƒ6000,- een eis van billijkheid. Wanneer bijvoorbeeld van een echtpaar de man op 1 Juli overlijdt, zou zonder bijzondere voorziening op dit punt de man over het eerste halfjaar het maximale premiebedrag verschuldigd kunnen zijn en de weduwe daarenboven nog eens over het tweede halfjaar, terwijl zonder overlijden van de man het maximale premiebedrag slechts eenmaal verschuldigd zou zijn. Daarom is voor deze en dergelijke gevallen een bijzondere regeling opgenomen die dit ongewenste gevolg wegneemt.


Zevende lid

     In de gevallen waarin de premiën worden geheven bij wijze van inhouding geschiedt deze inhouding meestal niet per jaar, maar per week of per maand. Hierdoor kan het voorkomen dat aanvankelijk relatief te veel premiën worden ingehouden.
     Het lijkt gewenst dat bij de ministeriële beschikking welke ingevolge het zevende lid van dit artikel zal kunnen worden genomen ook regelen worden getroffen om in gevallen waarin het inkomen groter is dan ƒ6000,- te grote inhoudingen te voorkomen.

 

Artikel 28 [-]


Eerste lid

     Het premiepercentage zal door de Sociale Verzekeringsbank worden vastgesteld. Waar de algemene ouderdomsverzekering voor de gehele bevolking een aangelegenheid betreft van algemeen belang waarvoor de Regering verantwoordelijk is, is het noodzakelijk de vaststelling van de hoogte van het premiepercentage aan de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid te onderwerpen. Alvorens zijn goedkeuring te verlenen, zal de Minister evenwel de Sociale Verzekeringsraad dienen te horen.


Tweede lid

     De voorgeschreven vijfjaarlijkse herziening van het premiepercentage houdt verband met de wijze van financiering der ouderdomsverzekering, namelijk door middel van het omslagstelsel. Zie hiervoor de hoofdstukken 6 en 7 van het algemeen deel dezer memorie.
     De redactie is - door invoeging van de woorden "als regel" - zo gesteld dat de herziening van het percentage ook kan geschieden vóórdat sinds de laatste vaststelling vijf jaren zijn verstreken, voor het geval bijzondere omstandigheden zulks wenselijk zouden maken.

 

Artikel 29 [-]


Eerste lid

     Het onderhavige artikel is er voornamelijk op gericht de techniek van de premie-inhouding door de werkgevers op grond van artikel 30 [-], tweede lid, zoveel mogelijk te doen aansluiten bij de techniek van de inhouding van de loonbelasting. Uniformiteit in de tariefklassen is een eerste vereiste wanneer men de premietabellen wil kunnen combineren met de belastingtabellen.


Tweede lid

     Voor de loonbelasting is een aftrek van ƒ100,- wegens kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen in het belastingbedrag verwerkt. Dit bedrag is ingevolge het bepaalde in artikel 27 [-], vierde lid, onderdeel a, geen inkomen in de zin van deze wet. Het is echter in aansluiting aan het vorenstaande gewenst ook voor de premieheffing deze aftrek niet in het inkomen, maar in het premiebedrag te verwerken. Bij de vaststelling van het inkomen heeft de werkgever dan alleen te maken met het bedrag dat de inspecteur der belastingen voor aftrek wegens hogere kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen heeft toegestaan.
     Zoals bekend, worden bij de loonbelasting twee verschillende tabellen gebruikt, te weten de gewone tabel en de zogenaamde coördinatietabel.
     Wanneer de voor de loonbelasting geldende gewone tabel moet worden toegepast, moet het fiscale loon exact worden bepaald. De aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet of de kinderbijslag ingevolge een andere regeling is daarin mitsdien begrepen. De bepaling van onderdeel a van dit lid opent nu de mogelijkheid de premietabel in dat geval zodanig vast te stellen dat het voor de loonbelasting geldende
rblz.|62 r.k.| loon ook voor de premieheffing tot grondslag dient en dat de vermindering wegens kinderbijslag (artikel 27 [-], vijfde lid), evenals het eerder besproken vaste bedrag voor verwervingskosten en persoonlijke verplichtingen, in het premiebedrag wordt verwerkt.
     Wanneer met gebruikmaking van artikel 1a van het Besluit op de Loonbelasting 1940 de voor de loonbelasting geldende coördinatietabel moet worden toegepast, behoeft het fiscale loon niet exact te worden bepaald. De coördinatietabel gaat in beginsel uit van het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (dat is in het algemeen het brutoloon). In dit loonbegrip zijn niet begrepen de kinderbijslag en de premiebijdrage van de werkgever ingevolge het Ziekenfondsenbesluit, daarentegen wel de premiebijdragen van de werknemer ingevolge de Ziektewet en de Werkloosheidswet. De eerstgenoemde elementen zijn echter wel loon voor de loonbelasting; de laatstgenoemde daarentegen niet. De coördinatietabel is nu zo opgesteld dat achter het brutoloon het verschuldigde belastingbedrag staat vermeld. In dat bedrag zijn dan de vorengenoemde factoren verwerkt, terwijl tevens rekening is gehouden met het eerdergenoemde vaste bedrag voor kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen.
     Onderdeel b van het onderhavige lid komt nu, behoudens de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet - welke voor de premieheffing via het vijfde lid van artikel 27 [-] niet is belast -, overeen met artikel 1a van het Besluit op de Loonbelasting 1940. De vereenvoudiging welke dit artikel door de invoering van de coördinatietabel voor de heffing van de loonbelasting heeft doen ontstaan, zal mitsdien ook voor de premieheffing gelden.
     Uit het vorenstaande vloeit voort dat, ongeacht of de gewone tabel dan wel de coördinatietabel wordt toegepast, de verschuldigde loonbelasting en het ingevolge de ouderdomsverzekering verschuldigde premiebedrag in beginsel bij hetzelfde loonbedrag kunnen worden afgelezen. Een verschil vormt evenwel de ouderdomspremie zelf, welke niet voor de premieheffing, maar wel voor de belastingheffing aftrekbaar is. Ook dit verschil kan evenwel worden weggewerkt door voor de loonbelasting de bij een bepaald loon verschuldigde premie in het belastingbedrag te verwerken. De Regering is voornemens te bevorderen dat de daartoe nodige wetsvoorstellen tot wijziging van het Besluit op de Loonbelasting 1940 worden ingediend. Slechts op het punt van de kinderaftrek via vermindering van het loon blijft verschil bestaan tussen het loon waarop de premietabel en het loon waarop de loonbelastingtabel moet worden toegepast. Met het in het voorgaande neergelegde systeem is evenwel bereikt dat voor de werkgevers bij de premie-inhouding een zo gering mogelijke uitbreiding van de werkzaamheden ontstaat.

 

Artikel 30 [-]


Eerste lid

     Deze bepaling stelt voorop dat de premieheffing als regel geschiedt door het opleggen van aanslagen. De omstandigheid dat de heffing en de inning van de premiën door de belastingdienst geschieden, doet het wenselijk zijn om in het systeem van de heffing aan te sluiten bij de heffing van de inkomstenbelasting. Zo is het onder meer wenselijk dat aan de premieplichtige zo vroeg mogelijk in een jaar een voorlopige aanslag wordt opgelegd voor de over dat jaar vermoedelijk verschuldigde premie, voor zover deze niet in de loop van het jaar overeenkomstig het tweede lid bij wijze van inhouding wordt geheven. Getracht zal worden de voorlopige aanslagen over een kalenderjaar reeds in de maanden Januari en Februari van datzelfde jaar te verzenden.
     Voor zoveel ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dit artikel de heffing van de premiën gedeeltelijk bij wijze van inhouding geschiedt, moet deze heffing - evenals bij de belastingwetgeving - als een voorheffing worden beschouwd. De krachtens deze voorheffing geheven premiën zullen dus verrekend moeten worden met de bij wijze van aanslag te heffen premiën. Zo zullen bijvoorbeeld bij een echtpaar waarvan man en vrouw beiden in loondienst werkzaam zijn, ingevolge het bepaalde in het tweede lid ook van beider loon premiën worden ingehouden. Daardoor is het mogelijk dat over meer dan ƒ6000,-
rblz.|63 l.k.| per jaar premie wordt ingehouden. Ingevolge het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 27 [-] worden voor de bepaling van het premieplichtig inkomen de inkomsten van echtelieden samengeteld, terwijl ingevolge het zesde lid van dat artikel per jaar over niet meer dan ƒ6000,- van dit inkomen premie mag worden geheven. In het onderhavige geval zal de verrekening van de bij wijze van inhouding geheven premiën met de bij wijze van aanslag te heffen premiën derhalve ten gevolge hebben dat een negatieve aanslag wordt opgelegd en de over meer dan ƒ6000,- betaalde premiën worden terugbetaald.
     Door de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regelen van overeenkomstige toepassing te verklaren, zullen ook de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels inzake navordering voor de premieheffing overeenkomstige toepassing kunnen vinden.


Tweede lid

     De voordelen welke de gehele of gedeeltelijke voldoening van de inkomstenbelasting door middel van loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing met zich brengt, zijn van zodanig belang dat het wenselijk is ook de premieheffing van loontrekkenden en met deze gelijk behandelden door middel van inhouding te doen geschieden. De deswege voor de heffing van de loonbelasting geldende bepalingen - welke ook op de daarmede overeenkomende voorheffing ingevolge de Tweede Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 van toepassing zijn - kunnen daartoe op overeenkomstige wijze worden toegepast. Hiermede wordt tevens bereikt dat ook de voor de heffing van de loonbelasting geldende regelen in zake navordering voor de premieheffing overeenkomstige toepassing vinden.
     Verzekerden aan wie op grond van artikel 54 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 geen aanslag in de inkomstenbelasting wordt opgelegd, ontvangen ook geen aanslag in de ouderdomspremie. Ten aanzien van hen wordt alleen met inhouding van premie volstaan.
     Opmerking verdient nog dat de premie ook bij wijze van inhouding zal worden geheven van degenen die wel in beginsel aan de loonbelasting of de daarmede overeenkomende voorheffing ingevolge de Tweede Uitvoeringsbeschikking onderworpen zijn, doch wier loon of inkomen zo gering is dat het beneden de belastbare grens blijft, zodat in feite geen belasting wordt ingehouden. Dit geldt ook indien op grond van bepalingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing daadwerkelijke inhouding van belasting achterwege blijft.
     Zoals reeds in de toelichting op artikel 29 [-] is opgemerkt, is het mogelijk de premietabellen en de loonbelastingtabellen zodanig aan elkaar aan te passen dat de inhouding van de ouderdomspremie voor de werkgevers slechts een zeer geringe uitbreiding van de door hen reeds voor de inhouding van de loonbelasting verrichte werkzaamheden betekent.


Derde lid

     De onderhavige bepaling beoogt voornamelijk de invordering van aanslagen ouderdomspremie te doen geschieden overeenkomstig de Invorderingswet 1845. De toepassing van deze wet [lees: die wet, red.] brengt met zich mede dat aanslagen ouderdomspremie kunnen worden voldaan in zoveel maandelijkse termijnen als er van de dagtekening van het aanslagbiljet af nog volle maanden zijn in het jaar waarop de ouderdomspremie betrekking heeft, één en ander met een minimum van vijf maandelijkse termijnen. Zoals reeds bij het eerste lid is opgemerkt, zal getracht worden de voorlopige aanslagen over een kalenderjaar reeds in de maanden Januari en Februari van datzelfde jaar te verzenden. Evenals in artikel 23 van het Besluit op de Loonbelasting 1940 is evenwel een uitzondering gemaakt voor aanslagen welke met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels zijn opgelegd. Het betreft hier voornamelijk aanslagen welke worden opgelegd aan werkgevers die de ingehouden premie niet hebben afgedragen of die te weinig premie hebben ingehouden en/of afgedragen.
     Opgemerkt zij voorts nog dat de toepassing van de Invorderingswet 1845 ten gevolge heeft dat aan vorderingen wegens premie ingevolge de ouderdomsvoorziening dezelfde voorrang
rblz.|63 r.k.| is toegekend als aan vorderingen ter zake van aanslagen in de inkomstenbelasting of de loonbelasting en aan de premievorderingen ingevolge de meeste socialeverzekeringswetten.

 

Artikel 31 [-]

     De materie welke in dit artikel wordt geregeld, is reeds uitvoerig toegelicht in paragraaf 5.4 van het algemeen deel van deze memorie.

 

Artikel 32 [-]


Eerste lid

     In paragraaf 5.4 van het algemeen deel dezer memorie is reeds uiteengezet dat premiën of gedeelten van premiën welke wegens betalingsonmacht niet worden ingevorderd ten laste komen van het Rijk.


Tweede lid

     Het is moeilijk precies na te gaan van hoeveel verzekerden geen premie of slechts een gedeelte van de premie kan worden ingevorderd en hoe groot het bedrag is dat op grond van het bepaalde in artikel 31 [-] niet wordt ingevorderd. Het ligt voor de hand, zeker ten aanzien van degenen die in het geheel geen premie betalen en wier inkomen in de regel niet nauwkeurig behoeft te worden vastgesteld, met een schatting van het bedrag aan niet ontvangen premiën te volstaan. Artikel 32 [-], tweede lid, opent daartoe de mogelijkheid door aan de Ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Financiën op te dragen nader te regelen op welke wijze het bedrag aan niet ingevorderde premiën kan worden vastgesteld.

 

Artikel 33 [-]

     De Rijksbelastingdienst is belast met de heffing en de invordering der premiën. In verreweg het merendeel der gevallen zullen de premiën van de verzekerden binnenkomen. De belastingdienst zal daartoe alle mogelijke en gewenste middelen aanwenden. In een aantal gevallen zal echter ondanks alles geen premie binnenkomen. Hieronder zullen gevallen zijn waarin de schuld ligt bij de verzekerden; in andere gevallen zullen de verzekerden ondanks alle goede wil niet bij machte zijn de premiën te betalen. Zoals in hoofdstuk 9 van het algemeen deel dezer memorie reeds is uiteengezet, geeft de belastingdienst de gevallen waarin de premiën niet of niet volledig zijn betaald door aan de Sociale Verzekeringsbank, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het achterwege blijven van het betalen van de premie niet aan de schuld van de verzekerde is te wijten. De Bank beoordeelt dan of het niet of niet volledig betalen van de premiën veroorzaakt is door eigen schuld van de betrokkene of niet. In het bevestigende geval houdt zij daarvan aantekening, met als gevolg dat te zijner tijd een korting op het pensioen zal worden toegepast, tenzij op een later tijdstip alsnog betaling van de verschuldigde premiën overeenkomstig het bepaalde in artikel 33 [-], derde lid, heeft plaatsgehad. In het ontkennende geval niet; de premiën komen dan ten laste van het Rijk, terwijl voor de toepassing van artikel 10 [13] de belanghebbende niet geacht wordt schuldig nalatig te zijn geweest premie te betalen.
     Het is uiteraard voor een goede gang van zaken gewenst dat de Sociale Verzekeringsbank en de Rijksbelastingdienst nauw contact met elkaar onderhouden. Zo zal het bijvoorbeeld gewenst zijn dat de Rijksbelastingdienst aan de Sociale Verzekeringsbank bij het doorgeven van de betreffende verzekerden die nalatig zijn gebleven een verschuldigde premie geheel of gedeeltelijk te betalen, gegevens omtrent de financiële positie van de betrokkenen overlegt. Uit de door de belastingdienst opgemaakte rapporten zal de Sociale Verzekeringsbank kunnen concluderen of al dan niet van een schuldig nalaten sprake is.
     Met betrekking tot de in het derde lid van artikel 33 [-] geregelde mogelijkheid om alsnog gedurende vijf jaren na de kennisgeving van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde aantekening de verschuldigde premiën te betalen, wordt opgemerkt dat deze mogelijkheid alleen openstaat voor de verzekerde. Hieruit volgt dat nabetaling niet meer kan geschieden indien de premieschuldige de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt - aangezien hij dan niet meer tot de kring der verzekerden behoort -, ook al is de periode van vijf jaren na de kennisgeving nog niet verstreken.

 

Artikel 34 [-]

     Ingevolge artikel 10 [13] wordt een korting op het pensioen toegepast voor elk jaar dat de verzekerde schuldig rblz.|64 l.k.| nalatig is geweest premie te betalen. Het ligt in de rede dat in de gevallen waarin het Rijk de premiën geheel of voor een gedeelte voor zijn rekening neemt, de verzekerde geacht wordt voor de toepassing van artikel 10 [13] de premiën geheel of voor dat gedeelte te hebben betaald.

 

Artikel 35 [-]

     Dit artikel maakt het mogelijk dat personen die niet gedurende hun gehele actieve periode (15 tot 65 jaar) verzekerd zijn geweest zich voor de betrokken periode in de verzekering inkopen.
     Speciaal is hierbij gedacht aan personen die slechts gedurende korte tijd buitenslands wonen zonder de bedoeling zich in het buitenland duurzaam te vestigen. Men denke bijvoorbeeld aan personen die in verband met studie of algemene vorming of om gezondheidsredenen tijdelijk in het buitenland woonachtig zijn.
     Ook biedt dit artikel uitkomst voor degenen die uit de Overzeese Rijksdelen repatriëren en veelal zowel vóór hun vertrek uit Nederland als na hun terugkomst in Nederland verzekerd zijn en zodoende met een gebroken verzekering zitten.
     Voorts blijkt in de practijk nogal eens de behoefte te bestaan dat personen bij vertrek naar het buitenland nog enige tijd het opbouwen van hun pensioenrechten krachtens de ouderdomsverzekering van het land dat zij verlieten, blijven voortzetten, ook al voldoen zij niet meer aan de verzekeringsvoorwaarden. Ook voor deze gevallen biedt het onderhavige artikel uitkomst.
     Bij uitvoeringsvoorschrift zal nader moeten worden bepaald welke premie moet worden betaald, op welke wijze deze zal worden geïnd en tot welke leeftijd inkoop mogelijk zal zijn.

 

Artikel 36 [47]

     Evenals de overige socialeverzekeringswetten dient ook de nieuwe Ouderdomswet een regeling inzake gemoedsbezwaren te bevatten.
     Gezien de eigen structuur van de voorgestelde regeling (volksverzekering; premieplichtigheid van de verzekerden zelf; premieheffing en -invordering volgens de regels geldende voor de heffing en invordering van de inkomstenbelasting en loonbelasting) kan er niet mede worden volstaan de regeling geldende voor de socialeverzekeringswetten, zoals deze is neergelegd in artikel 17 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, zonder meer van overeenkomstige toepassing te verklaren. De in het wetsontwerp neergelegde regeling gaat echter wel van dezelfde grondgedachte uit. Het bedrag dat wegens gemoedsbezwaren, hetzij van de verzekerde zelf, hetzij van degene die ingevolge artikel 30 [-], tweede lid, van het ontwerp met premie-inhouding is belast, hetzij van beiden, niet als premie kan worden geheven, wordt als belasting geheven. Het Rijk vergoedt aan het Ouderdomsfonds een bedrag ter grootte van het totaalbedrag aan wegens gemoedsbezwaren niet geheven premiën. Dit betreft dus enerzijds het bedrag dat niet als premie, doch als belasting wordt ingevorderd, anderzijds het bedrag dat niet wordt ingevorderd wegens overeenkomstige toepassing van artikel 31 [-].
     Wanneer een persoon aan wie een vrijstelling wegens gemoedsbezwaren is verleend deze bezwaren naderhand niet meer zou gevoelen, kan hij om intrekking van de verleende vrijstelling verzoeken. Voor de jaren waarover een persoon wegens gemoedsbezwaren vrijgesteld was van het betalen van premie zal hem, wegens op grond van deze vrijstelling achterwege gebleven premiebetaling, op zijn pensioen niet worden gekort, omdat voor de jaren waarop de vrijstelling van premiebetaling betrekking had, op hem, zij het op andere wijze, een even grote financiële last drukte als op degene aan wie geen vrijstelling van premiebetaling werd verleend. Slechts indien hij schuldig nalaat de ingevolge artikel 36 [47] verschuldigde belasting te betalen, zal de kortingsregeling van artikel 10 [13] overeenkomstige toepassing vinden.

 

Artikelen 37 [49], 38 [50] en 39 [51]

     Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.

 

Artikel 40 [52]

     Verschillende artikelen van het ontwerp dragen aan de Sociale Verzekeringsbank het nemen van beslissingen rblz.|64 r.k.| op welke van invloed zijn op het recht op en de uitbetaling van het ouderdomspensioen.
     Zo is de Sociale Verzekeringsbank ingevolge artikel 12 [14] belast met de toekenning van ouderdomspensioen.
     Artikel 14 [17] geeft de Sociale Verzekeringsbank de bevoegdheid in bepaalde gevallen een toegekend ouderdomspensioen in te trekken of te herzien.
     Ook de artikelen 15 [18], 16 [19], 17 [20] en 18 [-] brengen beslissingen van de Sociale Verzekeringsbank mee welke van invloed zijn op het genot van het ouderdomspensioen.
     Bij artikel 33 [-] wordt de Sociale Verzekeringsbank opgedragen aantekening te houden van door verzekerden schuldig nagelaten betaling van premiën; tevens wordt haar opgedragen een zodanige aantekening weer door te halen in de gevallen waarin alsnog premie wordt betaald.
     Het betreft hier steeds beslissingen waartegen ingevolge artikel 41 [53] voor de belanghebbende beroep openstaat.
     Het onderhavige artikel schrijft nu voor dat, en de wijze waarop, de Sociale Verzekeringsbank aan de belanghebbende schriftelijk moet kennis geven van beslissingen welke verband houden met het recht op en de uitbetaling van ouderdomspensioen, alsmede van beslissingen betreffende het stellen of het doorhalen van een aantekening wegens nalatigheid om premie te betalen. Alhoewel van deze laatste beslissingen ook met goed recht kan worden gezegd dat zij verband houden met het recht op ouderdomspensioen, worden zij in verband met haar bijzondere aard toch afzonderlijk in het eerste lid vermeld.
     In het derde lid wordt op de algemene regel betreffende de plicht tot en de wijze van kennisgeving van beslissingen ten aanzien van één categorie van beslissingen een uitzondering gemaakt. Ingevolge artikel 9 [12] van het wetsontwerp zullen de in het ontwerp neergelegde bedragen van de pensioenen op-en-neer gaan met de schommelingen in de loonindex. Wanneer nu een wijziging in het wettelijk pensioenbedrag plaatsvindt, zullen alle toegekende pensioenen moeten worden herzien. Het is, zoals reeds in de toelichting op het vijfde lid van artikel 14 [17] werd uiteengezet, niet nodig van deze herzieningen aan alle belanghebbenden bij een voor beroep vatbare beslissing mededeling te doen. Het lijkt voldoende te bepalen dat zulks slechts behoeft te geschieden in de gevallen waarin een belanghebbende zulks verzoekt. Het derde lid van dit artikel voorziet hierin.

 

Artikel 41 [53]


Eerste en tweede lid

     Tegen de in het vorige artikel genoemde beslissingen van de Sociale Verzekeringsbank kan door de belanghebbende beroep worden ingesteld bij de raden van beroep voor de sociale verzekering [raden van beroep (S.V.), red.]. Ten aanzien van beslissingen waarbij het ouderdomspensioen wordt herzien in verband met een wijziging van de wettelijke pensioenbedragen ingevolge artikel 9 [12], is zulks slechts mogelijk indien de belanghebbende een voor beroep vatbare beslissing heeft gevraagd.
     Ieder der partijen is bevoegd tegen een door een raad van beroep gewezen uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep.
     Hetgeen verder het beroep en het hoger beroep tegen de in het eerste lid bedoelde beslissingen betreft, is geregeld bij de Beroepswet.


Derde en vierde lid

     Zoals in de toelichting bij het volgende artikel [54] wordt aangegeven, wordt over beroep ingesteld tegen een beslissing inzake verschuldigde premie, in hoogste ressort geoordeeld door de Hoge Raad. De in dit beroep te beslissen vraag omtrent het al dan niet verschuldigd zijn van premie kan resulteren in de vraag of degene van wie de premie wordt gevorderd al dan niet hier te lande woont en dientengevolge al dan niet verzekerd is, ofwel al dan niet gehuwd is in de zin van artikel 1 [1], tweede en derde lid, van het wetsontwerp. De vragen betreffende woonplaats en betreffende al dan niet gehuwd zijn kunnen, zoals uit de toelichting op het volgende artikel [54] blijkt, ook beslist zijn doordat bij de belastingheffing de beantwoording ervan onherroepelijk is komen vast te staan. Ook dan is de Hoge Raad de hoogste rechterlijke instantie.
    
rblz.|65 l.k.| In de in het eerste lid van het vorige artikel [52], onderdeel a, bedoelde beslissingen wordt ook beslist omtrent de vraag of de aanvrager al dan niet verzekerd is geweest. Laatstbedoelde beslissingen worden echter genomen door de Sociale Verzekeringsbank. Voorts impliceren deze beslissingen uitspraken over de vraag of iemand gehuwd dan wel ongehuwd is in de zin van de voorgestelde voorziening alsmede - al dan niet mede in verband met de overgangsbepalingen van de artikelen 43 en volgende [55 e.v.] - over de vraag waar iemand woont of heeft gewoond. Over beroep ingesteld tegen deze beslissingen zou, indien geen nadere voorziening ware getroffen, in hoogste ressort worden geoordeeld door de Centrale Raad van Beroep. Aldus zou een uiteenlopende jurisprudentie kunnen ontstaan omtrent dezelfde materie - namelijk de plaats waar iemand woont, het al dan niet verzekerd zijn en het al dan niet gehuwd zijn - enerzijds van de Hoge Raad, anderzijds van de Centrale Raad van Beroep.
     Ter voorkoming hiervan dient voor beroep tegen de beslissingen waarbij zich dit gevaar van uiteenlopende jurisprudentie kan voordoen een gemeenschappelijke hoogste rechter te worden aangewezen, ongeacht of de onderhavige beslissingen zijn genomen door de Sociale Verzekeringsbank of door de Rijksbelastingdienst.
     Geheel aansluitend bij het bij koninklijke boodschap van 8 Februari 1955 ingediende wetsontwerp tot aanvulling van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (zitting 1954-1955, nr. 3859) met een artikel betreffende cassatie, bij welk ontwerp een regeling ter voorziening in soortgelijke moeilijkheden wordt voorgesteld, is de oplossing gezocht in deze zin dat tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in bepaalde gevallen beroep in cassatie bij de Hoge Raad kan worden ingesteld. De gevallen waarin de mogelijkheid tot cassatie is geopend, beperken zich tot die uitspraken van de Centrale Raad van Beroep waarbij van schending of verkeerde toepassing van één der artikelen 1 [1], tweede en derde lid, 2 [2], 3 [3] en 6 [6] sprake kan zijn. Artikel 1 [1], tweede en derde lid, betreft de begrippen gehuwde man of echtgenoot en gehuwde vrouw of echtgenote. De artikelen 2 [2] en 6 [6] bepalen de inhoud van het begrip verzekerde ingevolge de onderhavige voorziening. Artikel 3 [3] regelt waar iemand woont.
     Door in de cassatieprocedure aan te sluiten bij de procedure geldende voor het fiscaal-administratieve procesrecht, zijn aan de justitiabelen de kosten van verplichte rechtskundige bijstand bespaard.

 

Artikel 42 [54]

     De in hoofdstuk 9 van het algemeen deel dezer memorie en bij de toelichting op artikel 4 [4] aangegeven verdeling van de uitvoeringstaak over de Sociale Verzekeringsbank en de Rijksbelastingdienst heeft haar consequenties ten aanzien van de regeling van het beroepsrecht.
     Het is ongewenst bij geschillen tussen de inspecteur der belastingen en een premieplichtige of een inhoudingsplichtige de beroepsprocedure te volgen welke in de sociale verzekering gebruikelijk is, te weten beroep op de raden van beroep (S.V.) en hoger beroep op de Centrale Raad van Beroep. Een geschil omtrent de premieheffing zal immers nagenoeg steeds samengaan met een geschil op het terrein van de inkomstenbelasting of de loonbelasting, nu blijkens artikel 27 [-] zowel de premieheffing als de belastingheffing in beginsel uitgaan van hetzelfde inkomensbegrip. De raden van beroep (S.V.) en de Centrale Raad van Beroep hebben geen bemoeienis met het in het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en in het Besluit op de Loonbelasting 1940 geregelde fiscale recht en waar een andere administratieve rechter deskundig ten aanzien van deze materie reeds aanwezig is, ligt het voor de hand deze laatste rechter ook in te schakelen bij het beroepsrecht met betrekking tot de ingevolge deze wet verschuldigde premie.
     Het onderhavige artikel bepaalt dan ook dat van de voor de heffing van de inkomstenbelasting en de loonbelasting openstaande rechtsmiddelen - waaronder de mogelijkheid van bezwaar bij de inspecteur, hetwelk evenwel niet tot de beroepsprocedure kan worden gerekend - in dezelfde gevallen en bij
rblz.|65 r.k.| dezelfde instanties op overeenkomstige wijze voor de premieheffing gebruik kan worden gemaakt.
     De ondergetekenden zijn evenwel van oordeel dat het niet gewenst is dat twee procedures worden gevoerd omtrent geschilpunten die zowel de belastingheffing als de premieheffing aangaan. Zulks zou voor alle belrokken partijen, met inbegrip van de rechterlijke macht, tot overbodige arbeid leiden. In het vierde lid van het onderhavige artikel is daarom de bepaling opgenomen dat geschilpunten die voor de belastingheffing onherroepelijk zijn komen vast te staan niet nogmaals tot voorwerp ener procedure kunnen worden gemaakt via de premieheffing. De geschilpunten waarom het hier gaat, betreffen de woonplaats, het zuiver inkomen, het loon en het al dan niet gehuwd zijn.
     Teneinde het beoogde resultaat te bereiken, is in het tweede lid de bepaling opgenomen dat op een bezwaarschrift tegen de premieheffing eerst uitspraak mag worden gedaan nadat gebleken is dat het geschil alleen de premieheffing aangaat of, zo het geschil ook de belastingheffing aangaat, dat het geschil voor de belastingheffing onherroepelijk tot een beslissing is gebracht.
     In enigszins andere vorm is in het derde lid van dit artikel een maatregel voor het geval van navordering getroffen. In dit geval moet de inspecteur der belastingen de belanghebbende, voordat tot navordering wordt overgegaan, in de gelegenheid stellen opheldering te geven omtrent de feiten die naar des inspecteurs mening de navordering rechtvaardigen. Indien de verschafte opheldering het standpunt van de inspecteur niet wijzigt en hij derhalve tot navordering overgaat, kan tegen de deswege opgelegde navorderingsaanslag rechtstreeks beroep worden ingesteld. Teneinde ook in dit geval een dubbele procedure te voorkomen, is bepaald dat de beroepstermijn voor de premieheffing eerst aanvangt nadat een eventueel op dezelfde gronden opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting of de loonbelasting in kracht van gewijsde is gegaan. Het beroep tegen de navordering in de premieheffing kan dan eveneens beperkt blijven tot de punten die niet voor de belastingheffing van belang zijn geweest.
     Aangezien de verschilpunten tussen het inkomensbegrip voor de premieheffing en dat voor de belastingheffing in de regel exact van aard zijn, valt niet te verwachten dat deze veelvuldig het voorwerp van een procedure zullen vormen.
     Het zal echter wellicht meer voorkomen dat over het inkomen van de premieplichtige geen belasting, maar wel premie verschuldigd is. In dat geval kan het inkomen van de premieplichtige voor de belastingheffing nimmer tot een procedure aanleiding geven. Mitsdien komen de woonplaats, het al dan niet gehuwd zijn en het zuiver inkomen voor de belastingheffing niet onherroepelijk vast te staan en kan een geschil daaromtrent alsdan via de premieaanslag aan het oordeel van de rechter worden onderworpen.

 

Artikel 43 [55]


Eerste lid

     Dit artikel bevat een overgangsregeling voor degenen die vóór de invoering van de voorgestelde verzekering de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die van 65 jaar hebben bereikt. Dat het treffen van een overgangsregeling voor deze groep van verzekerden - hoewel het rapport van de S.E.R. hiervan geen meiding maakt - noodzakelijk is, moge blijken uit het volgende.
     Het stelsel van het wetsontwerp (de artikelen 8 [9] en 10 [13]) brengt mede dat een ongehuwde bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd recht heeft op een ouderdomspensioen van ƒ804,- per jaar, waarbij een korting wordt toegepast van 2% voor elke onbetaald gebleven verschuldigde jaarpremie en voor elk jaar dat hij niet verzekerd is geweest. Voor de gehuwde man die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, bedraagt het ouderdomspensioen ƒ1338,-, verminderd met een korting van 1% voor elk jaar waarover hij een verschuldigde premie onbetaald heeft gelaten of niet verzekerd is geweest en van 1% voor elk jaar waarover zijn echtgenote een verschuldigde premie niet betaalde of niet verzekerd is geweest. Samentelling van beide laatstgenoemde percentages geeft voor de gehuwde man dus ook een korting van
rblz.|66 l.k.| 2% voor elk jaar waarover zowel hij als zijn echtgenote een verschuldigde premie niet betaalden of niet verzekerd waren. Waar in de verdere toelichting op dit artikel wordt gesproken over een korting van 2%, dient er rekening mee te worden gehouden dat, voor wat betreft de gehuwde man, dit percentage is samengesteld uit 1% voor de verzekering van zijn echtgenote en 1% voor zijn eigen verzekering. De regeling gaat uit van de gedachte dat de verzekering 50 jaren kan duren en dat derhalve het ouderdomspensioen in 50 jaren wordt opgebouwd. Elke betaalde jaarpremie geeft in deze gedachtengang recht op 2% van het ouderdomspensioen. In het wetsontwerp is dit evenwel niet op deze positieve wijze uitgedrukt, doch is dit langs negatieve weg benaderd, door de bepaling dat voor elke schuldig niet-betaalde jaarpremie en voor elk jaar dat men, bijvoorbeeld wegens verblijf in het buitenland, niet verzekerd is geweest, op het ouderdomspensioen een korting wordt toegepast van 2%. Het is duidelijk dat aan dit stelsel inhaerent is een 50-jarige verzekeringsduur.
     Zolang de verzekering nog geen 50 jaren heeft gefunctionneerd, zal toepassing van de gestelde regel ertoe leiden dat voor degenen die bij de aanvang van de verzekering de aanvangsleeftijd voor de verzekering hebben overschreden, voor elk jaar verstreken vóór het in werking treden van artikel 6 [6] een korting van 2% op het pensioen zou moeten worden toegepast. Voor degenen die bij de aanvang van de verzekering reeds een gevorderde leeftijd hebben bereikt, betekent dit dat zij slechts voor een zeer laag pensioen in aanmerking zouden kunnen komen. Dit is onaanvaardbaar.
     Nu zou men zich op het standpunt kunnen stellen dat men alle jaren verstreken vóór het in werking treden van de verzekering voor de onderhavige personen maar als "verzekerde" jaren moet laten gelden, ook in geval van verblijf buitenslands tijdens die periode. Echter, ook deze methode leidt - zij het in andere richting - tot consequenties welke niet kunnen worden aanvaard. Dit moge aan de hand van enkele voorbeelden worden verduidelijkt.

     Eerste voorbeeld: Een in Zwitserland wonende arbeider en zijn echtgenote die na hun 15de jaar niet in Nederland hebben gewoond, komen hier te lande wonen, juist ten tijde van de invoering der verzekering. Beiden zijn dan 64 jaar. Het echtpaar kan dan nog één jaar verzekerd zijn. Voor dit ene jaar verzekering zou deze arbeider, die na zijn 15de jaar slechts één jaar in Nederland heeft gewoond en daar dus ook slechts één jaar heeft bijgedragen tot de nationale productie, recht hebben op een pensioen van ƒ1338,-. Immers, hij en zijn echtgenote hebben geen enkel "negatief" jaar.

     Tweede voorbeeld: Een arbeider die bij de invoering der verzekering 45 jaar is en voordien met zijn echtgenote in het buitenland vertoefde, is sedert de 45-jarige leeftijd gedurende één jaar met zijn gezin hier te lande woonachtig geweest. De overige tijd vertoefde het gehele gezin weer in het buitenland. Dit echtpaar heeft derhalve negentien negatieve jaren, waarvoor 38% op het ouderdomspensioen zou worden gekort. Die arbeider zou recht hebben op een pensioen van ƒ834,- (zijnde 62% van ƒ1338,-, afgerond tot een veelvoud van ƒ6,-), in ruil voor één jaar bijdragen tot onze nationale welvaart.

     Derde voorbeeld: Wanneer de in het tweede voorbeeld bedoelde arbeider bij de invoering der verzekering 35 jaar is, zou hij voor één jaar verzekering hier te lande - hij heeft dan 29 negatieve jaren - recht hebben op een pensioen van ƒ564,-, zijnde 42% (100% - 58%) van 1338,-.

     Dat in de gestelde voorbeelden voor één jaar verzekering hier te lande, naargelang van de leeftijd van de verzekerde ten tijde van de invoering der verzekering, recht zou bestaan op een pensioen van ƒ1338,-, ƒ834,- of ƒ564,- per jaar, lijkt de ondergetekenden een onverantwoorde consequentie van een overigens onmisbare overgangsregeling. Dusdanige liberaliteiten zouden de verzekering in discrediet brengen en velen, die dat overigens niet begeren, ertoe verleiden zich op hun oude dag in Nederland te vestigen. Deze vérgaande consequenties zijn een gevolg van het feit dat in de gestelde voorbeelden jaren verstreken vóór de invoering der verzekering, bij de bepaling rblz.|66 r.k.| van de hoogte van het ouderdomspensioen, zonder enige beperkende bepaling, buiten beschouwing werden gelaten.
     In artikel 43 [55] van het wetsontwerp wordt een regeling voorgesteld welke naar de mening van de ondergetekenden de overgangsmoeilijkheden op billijke wijze oplost. Dit artikel - met name het eerste lid van dit artikel - gaat ervan uit dat personen die vóór het in werking treden van artikel 6 [6] de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die van 65 jaar hebben bereikt en die, al dan niet onafgebroken, gedurende zes jaren na het bereiken van de 59-jarige leeftijd binnen het Rijk of de Overzeese Rijksdelen hebben gewoond, geacht worden vóór het in werking treden der wet verzekerd te zijn geweest. Artikel 44 [56] verbindt daaraan nog als voorwaarde dat zij Nederlander moeten zijn en binnen het Rijk moeten wonen.
     In het kader van de in artikel 43 [55] voorgestelde overgangsregeling levert de kortingsregeling van artikel 10 [13] ten aanzien van de onderhavige personen, ook voor wat betreft de tijd gelegen vóór de aanvang der verzekering, geen moeilijkheden op. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, en in het tweede lid, onderdeel c en d, van artikel 10 [13] sorteert te hunnen aanzien geen effect, wijl vóór het in werking treden van artikel 6 [6] geen premiën verschuldigd waren. De mogelijkheid welke het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, onderdeel a en b, van artikel 10 [13] geven om tot korting op het pensioen over te gaan, werpt evenmin resultaat af, nu de onderhavige categorie van personen juist voor de toepassing van laatstgenoemde wettelijke bepalingen geacht wordt verzekerd te zijn geweest.
     Het gevolg van de voorgestelde regeling is dus nu dat de hier bedoelde personen het volledige ouderdomspensioen verwerven, ook al zijn zij slechts gedurende een gedeelte van hun actieve leven werkelijk verzekerd geweest. Zo zal iemand die bij het in werking treden van de wet 40 jaar is, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd slechts over 25 jaren werkelijk verzekerd zijn geweest. Gedurende de periode van zijn 15de tot zijn 40ste jaar wordt hij nu eveneens geacht verzekerd te zijn geweest. Met andere woorden er zijn 25 "werkelijke" en 25 "fictieve" verzekeringsjaren.
     Uit het vorenstaande bleek reeds dat het de ondergetekenden ongewenst voorkomt de vergaande overgangsbepaling van artikel 43 [55] zonder onderscheid op iedereen van toepassing te doen zijn.
     Gelijk dit ook voor het recht op het kosteloze ouderdomspensioen, geregeld in de artikelen 46 tot en met 49 [58-61] van het ontwerp, het geval is, dient naar de mening van de ondergetekenden ook de onderhavige overgangsbepaling slechts te gelden voor personen die reeds geruime tijd hier te lande of in de Overzeese Rijksdelen woonachtig zijn geweest.
     Hiertoe is, in iets soepeler vorm, aansluiting gezocht bij de Noodwet Ouderdomsvoorziening, door de eis te stellen dat men om op de onderhavige overgangsregeling een beroep te kunnen doen - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar binnen het Rijk, Nederlands Nieuw-Guinea, Suriname of de Nederlandse Antillen moet hebben gewoond. Met deze regeling is bereikt dat door genoemde Noodwet gewekte verwachtingen niet worden beschaamd. Immers, zij die bij het in werking treden van de wet nog slechts enkele jaren van de 65-jarige leeftijd verwijderd zijn en derhalve het uitzicht hadden om binnen enkele jaren uitkering krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening te verkrijgen, zullen door de onderhavige overgangsregeling ook op het volle ouderdomspensioen krachtens deze wet aanspraak kunnen maken indien zij slechts in Nederland blijven wonen (artikel 44 [56]) en over de enkele jaren die hen nog van de 65-jarige leeftijd scheiden, de ingevolge deze wet verschuldigde premie voldoen.
     Zij die niet terstond bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd voldoen aan de eis dat zij vanaf hun 59ste jaar al dan niet onafgebroken gedurende zes jaren binnen het Rijk, Nederlands Nieuw-Guinea, Suriname of de Nederlandse Antillen moeten hebben gewoond, kunnen alsnog een beroep op de overgangsbepaling van artikel 43 [55] doen zodra te hunnen aanzien de termijn van zes jaren is vervuld.
     Zijn zij nog ingevolge deze wet verzekerd geweest, dan kunnen zij vanaf hun 65ste jaar tot aan het tijdstip waarop
rblz.|67 l.k.| bedoelde termijn van zes jaren vervuld is, aanspraak maken op een ouderdomspensioen berekend zonder toepassing van de overgangsbepaling van artikel 43 [55]. Het aldus berekende pensioen zal echter de eerste jaren na het in werking treden der wet zeer laag zijn wegens het ontbreken van vele werkelijke verzekeringsjaren. Een voorbeeld moge dit toelichten.
     Een Nederlander die met zijn Nederlandse echtgenote steeds in het buitenland heeft gewoond, komt met zijn gezin in Nederland wonen op de dag waarop hijzelf en zijn echtgenote 63 jaar worden. De onderhavige wet is juist één jaar geleden in werking getreden. Tot zijn 65ste jaar betaalt deze Nederlander de ingevolge deze wet verschuldigde premie. De overgangsregeling van artikel 43 [55] is pas na het bereiken van de 69-jarige leeftijd op hem van toepassing.
     Van zijn 65ste tot zijn 69ste jaar heeft hij wel recht op ouderdomspensioen, doch met terzijdelating van de overgangsbepaling van artikel 43 [55]. Hij, noch zijn echtgenote, waren van hun 15de tot hun 63ste jaar (48 jaar) verzekerd. Ingevolge artikel 10 [13], tweede lid, onderdeel a en b, dient op het aan de gehuwde man toekomende pensioen een korting te worden toegepast van 48% + 48% = 96%. Hij ontvangt van zijn 65ste jaar tot zijn 69ste jaar dus een pensioen van ƒ1338,- – 96% van dit bedrag = ƒ54,-. Vanaf zijn 69ste jaar dus kan artikel 43 [55] toepassing vinden. De jaren gelegen tussen zijn 15de jaar en het in werking treden der wet wordt hij, evenals zijn echtgenote, nu geacht verzekerd te zijn geweest. Korting op het pensioen vindt vanaf zijn 69ste jaar derhalve nog slechts plaats voor het éne jaar dat hij en zijn echtgenote na het in werking treden der wet niet verzekerd zijn geweest. Het pensioen bedraagt voortaan dus ƒ1338,- – 2% van dit bedrag = ƒ1314,- (afgerond op een veelvoud van ƒ6,-).
     Zoals reeds bij de toelichting op het derde lid van artikel 12 [14] is opgemerkt, kan in gevallen als in het laatste voorbeeld bedoeld de verhoging van het ouderdomspensioen ambtshalve door de Sociale Verzekeringsbank worden toegekend.
     Zoals in hoofdstuk 4 van het algemeen deel van deze memorie nader werd toegelicht, bestaat het pensioen van de gehuwde man uit een deel dat door hemzelf en een deel dat door zijn echtgenote is opgebouwd. Zou nu aan de gehuwde vrouw steeds als voorwaarde worden gesteld dat zij na het bereiken van haar 59ste jaar zes jaren in Nederland moet zijn geweest om voor fictieve verzekeringsjaren in aanmerking te komen, dan zou dit tot ongewenste gevolgen aanleiding geven in de gevallen waarin de vrouw jonger is dan haar man. Zo zal bijvoorbeeld bij een echtpaar waarvan bij het in werking treden van de voorgestelde voorziening de man 64 jaar en de vrouw 55 jaar oud is, de man recht op ouderdomspensioen hebben zodra hij 65 jaar is. Ook al hebben nu beide echtgenoten hun gehele leven in Nederland gewoond, ontvangt de man zonder nadere voorziening toch nog niet het volledige gehuwdenpensioen, omdat de vrouw nog niet na haar 59ste levensjaar zes jaren in Nederland heeft gewoond en in verband daarmede voor de jaren liggende vóór de inwerkingtreding van de voorziening nog geen fictieve verzekeringsjaren krijgt toegerekend.
     De tweede volzin van het eerste lid van het onderhavige artikel bepaalt nu dat de gehuwde vrouw geacht wordt op hetzelfde moment als haar man de 59-jarige leeftijd te hebben bereikt. Door deze bepaling wordt bereikt dat de gehuwde vrouw die jonger is dan haar man steeds fictieve verzekeringsjaren worden toegerekend indien zij maar ten minste zes jaren - al dan niet onafgebroken - in Nederland heeft gewoond nadat haar man de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt.


Tweede lid

     Het eerste lid van artikel 43 [55] heeft betrekking op personen die bij het in werking treden der wet de leeftijd van 15, doch nog niet die van 65 jaar hebben bereikt. Voor degenen die bij de invoering der wet reeds 65 jaar zijn, houdt artikel 46 [58] een afzonderlijke overgangsregeling in. Toch dient voor een bepaalde categorie van degenen die op het tijdstip van het in werking treden der wet reeds de 65-jarige leeftijd hebben bereikt een overgangsregeling in de geest van artikel 43 [55], eerste lid, te worden getroffen, namelijk voor de gehuwde vrouw wier echtgenoot bij de invoering der wet de leeftijd van 65 jaar rblz.|67 r.k.| nog niet heeft bereikt en wiens pensioen dus met toepassing van artikel 43 [55], eerste lid, wordt berekend. Dit hangt samen met het feit dat aan de gehuwde vrouw in het algemeen geen zelfstandig recht op pensioen is toegekend en met de daaruit voortvloeiende tweeledige opbouw van het pensioen van de gehuwde man. Vorenbedoelde gehuwde vrouw dient haar aandeel te leveren in de pensioenopbouw van haar man.
     Zonder nadere voorziening zou evenwel op het pensioen van de gehuwde man op wie het eerste lid van artikel 43 [55] van toepassing is, doch wiens echtgenote reeds 65 jaar was bij het in werking treden der wet en dus nimmer verzekerd is geweest, gezien het bepaalde in artikel 10 [13], tweede lid, onderdeel b, 50% moeten worden gekort. Het tweede lid van artikel 43 [55] voorkomt evenwel deze korting door te bepalen dat de gehuwde vrouw die bij het in werking treden van de wet reeds 65 jaar is, doch overigens voldoet aan de voorwaarden, in het eerste lid van artikel 43 [55] gesteld, voor de toepassing van het bepaalde in artikel 10 [13], tweede lid, onderdeel b, geacht wordt verzekerd te zijn geweest van haar 15de tot haar 65ste jaar.


Derde lid

     Het eerste lid heeft slechts betrekking op het verzekerd zijn voor de toepassing van artikel 10 [13], welk artikel de kortingen op het ouderdomspensioen regelt. Het recht op ouderdomspensioen is evenwel geregeld in artikel 7 [7] en wordt in het eerste lid van dat artikel verleend aan degene die verzekerd is geweest en de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
     Nu zullen niet alle personen op wie artikel 43 [55] betrekking heeft verzekerd zijn geweest ingevolge deze wet. immers, in het buitenland wonende personen die nog geen 65 jaar zijn bij het in werking treden van de voorgestelde voorziening en die na hun 65ste jaar in Nederland komen wonen, zullen nimmer verzekerd zijn geweest. Toch dient de overgangsregeling van artikel 43 [55], eerste lid, naar de mening van de ondergetekenden ook op deze personen, voor zover zij Nederlanders zijn (artikel 44 [56], onderdeel a), van toepassing te zijn, opdat zij, in navolging van de Noodwet Ouderdomsvoorziening, zodra zij hier zes jaar gewoond hebben, een ouderdomspensioen kunnen ontvangen.
     Ingevolge het bepaalde in het derde lid van artikel 43 [55] worden deze personen voor de toepassing van artikel 7 [7] geacht verzekerd te zijn geweest, waardoor de aanspraak op pensioen vaststaat.
     Ter toelichting van de berekening van het ouderdomspensioen in zodanig geval diene het volgende voorbeeld.
     De in het laatste voorbeeld van de toelichting op het eerste lid bedoelde Nederlandse man en vrouw komen niet op 63-jarige, doch op 66-jarige leeftijd naar Nederland, terwijl de onderhavige wet dan reeds vier jaren heeft gewerkt.
     Deze Nederlander is nu in het geheel niet verzekerd geweest en kan aan de normale in deze wet geregelde verzekering dus geen recht op ouderdomspensioen ontlenen.
     Op de overgangsregeling van artikel 43 [55] zal hij pas na zes jaar ingezetenschap een beroep kunnen doen. Heeft hij de zes jaren ingezetenschap vervuld - hij is dan 72 jaar -, dan wordt hij zowel als zijn echtgenote geacht vanaf het bereiken van de 15-jarige leeftijd tot het in werking treden der wet - zij waren toen 62 jaar - verzekerd te zijn geweest.
     Na het in werking treden der wet waren beide echtgenoten tot hun 65ste jaar nog drie jaren niet verzekerd.
     Het ouderdomspensioen bedraagt dan vanaf de 72-jarige leeftijd ƒ1338,- – 6% van dit bedrag = ƒ1260,-.

 

Artikel 44 [56]

     Zoals reeds in de toelichting op artikel 43 [55] werd opgemerkt, komt het de ondergetekenden gewenst voor de overgangsregeling van dat artikel te beperken tot Nederlanders die hier te lande wonen. Vestigt iemand die in het genot is van een pensioen waarvan het bedrag is vastgesteld met toepassing van artikel 43 [55] zich buiten Nederland of verliest iemand de Nederlandse nationaliteit, dan zal hij slechts aanspraak behouden op een pensioenbedrag berekend met terzijdestelling van artikel 43 [55]. Voor elk jaar waarover de betrokkene van zijn 15de tot zijn 65ste jaar - dus ook over de tijd gelegen vóór de invoering rblz.|68 l.k.| van de verzekering - niet verzekerd is geweest, zal hem dan op grond van artikel 10 [13] op zijn pensioen worden gekort.

 

Artikel 45 [57]

     Artikel 45 [57], onderdeel a, opent de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur voor de toepassing van artikel 44 [56] niet-Nederlanders met Nederlanders gelijk te stellen. Deze mogelijkheid is in het bijzonder van belang ten aanzien van statenlozen.
     Voor wat betreft de onderdanen van een andere Mogendheid, deze zullen eveneens bij algemene maatregel van bestuur met Nederlanders kunnen worden gelijkgesteld. Veelal zal deze gelijkstelling echter reeds plaatshebben op grond van een met een andere Mogendheid gesloten overeenkomst. Ingevolge artikel 65 [oud, red.] der Grondwet praevaleert een zodanige overeenkomst boven de nationale wet, zodat uitdrukkelijke verwijzing in het onderhavige wetsvoorstel naar een overeenkomst met een andere Mogendheid, waarbij van deze voorziening kan worden afgeweken, overbodig is. In deze gevallen speelt artikel 45 [57] dus niet.
     Voorts wordt in artikel 45 [57], onderdeel b, de mogelijkheid geopend om bij algemene maatregel van bestuur voor de toepassing van de artikelen 43 [55] en 44 [56] het wonen buiten het Rijk met het wonen binnen het Rijk gelijk te stellen.
     Ingevolge artikel 6 [6], eerste lid, onderdeel c, van het ontwerp zal ook verzekerd zijn overeenkomstig de bepalingen van de voorgestelde regeling de Nederlander die geen ingezetene is en die evenmin geacht kan worden blijvend buiten het Rijk te wonen, doch ter zake van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van het Rijk. Deze bepaling beoogt onder meer diplomaten, consuls, hieraan toegevoegde ambtenaren en in het buitenland verblijvende Nederlandse militairen onder de ouderdomsverzekering te brengen. De overgangsbepaling van artikel 43 [55] is echter slechts van toepassing op personen die na hun 59ste levensjaar zes jaren in Nederland hebben gewoond. Het gevolg daarvan zou zijn dat vorenbedoelde personen, wanneer zij op hun 65ste jaar repatriëren, eerst een wachttijd van zes jaar zouden moeten doormaken alvorens zij van de overgangsregeling zouden kunnen profiteren. Dit zou naar de mening van de ondergetekenden zeer onbevredigend zijn. Bij algemene maatregel van bestuur zal nu in deze gevallen het wonen buiten Nederland kunnen worden gelijkgesteld met het wonen binnen het Rijk.
     Zoals in de toelichting op artikel 44 [56] reeds is opgemerkt, zal degene die in het genot is van een pensioen waarvan het bedrag is vastgesteld met toepassing van artikel 43 [55], in geval van vestiging van zijn woonplaats buiten Nederland slechts aanspraak behouden op een pensioenbedrag berekend met terzijdestelling van artikel 43 [55]. Hij zal dus zijn pensioen zien dalen. Dit zal evenzeer gelden voor een gepensionneerde die voor betrekkelijk korte tijd, maar toch zolang en onder zodanige omstandigheden dat hij niet meer geacht kan worden hier te lande te wonen, naar het buitenland gaat bijvoorbeeld om zijn geëmigreerde kinderen te bezoeken. Bij een op grond van artikel 45 [57] uit te vaardigen algemene maatregel van bestuur zal eventueel kunnen worden bepaald dat te zijnen aanzien het wonen buiten het Rijk wordt gelijkgesteld met het wonen binnen het Rijk.
     Overigens zal het gelijkstellen van het wonen buiten het Rijk met het wonen binnen het Rijk ook op grond van een overeenkomst met een andere Mogendheid kunnen plaatshebben. In verband met de voorrang van een dergelijke overeenkomst boven de wet zal in deze gevallen artikel 45 [57], onderdeel b, geen toepassing behoeven te vinden.

 

Artikel 46 [58]


Eerste lid

     In hoofdstuk 10 van het algemeen deel dezer memorie is uiteengezet dat de nieuwe ouderdomsvoorziening zich ook uitstrekt tot degenen die vóór het in werking treden dier voorziening de leeftijd van 65 jaar reeds hebben bereikt en dat dientengevolge de regeling vervat in de Noodwet Ouderdomsvoorziening komt te vervallen. Dit maakt het nodig in het wetsontwerp een bijzondere overgangsregeling op te nemen voor degenen die reeds vóór of op de dag van het in werking treden der wet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Aan de verzekering zelf kan deze groep uiteraard niet rblz.|68 r.k.| meer deelnemen. Niettemin is het de bedoeling aan deze bejaarden dezelfde rechten te geven alsof zij verzekerd geweest waren.
     Het recht op ouderdomspensioen wordt in dit artikel slechts gegeven aan degenen die reeds geruime tijd hier te lande of in de Overzeese Rijksdelen woonachtig zijn geweest.
     Er is geen reden om aan bejaarde personen die slechts korte tijd in ons land wonen zonder meer een ouderdomspensioen van ƒ1338,-, onderscheidenlijk ƒ804,- per jaar, te verlenen. Het gaat hier om personen die op grond van hun te hoge leeftijd bij de invoering der verzekering niet meer aan de verzekering kunnen deelnemen. Waar het verzekerd zijn in het algemeen gebonden is aan het hier te lande wonen, is het voor de hand liggend om ook het recht op het kosteloze ouderdomspensioen te binden aan het enige tijd hier te lande woonachtig zijn geweest. Daartoe is in het eerste lid van artikel 46 [58] - zij het in een soepeler vorm - aansluiting gezocht bij de desbetreffende regeling van de Noodwet Ouderdomsvoorziening. Met het hier te lande gewoond hebben wordt gelijkgesteld het gewoond hebben in Nederlands Nieuw-Guinea, Suriname of de Nederlandse Antillen.


Tweede lid

     Dit lid bevat ten aanzien van de gehuwde vrouwen die bij het in werking treden van de wet reeds 65 jaar of ouder zijn een overeenkomstige regeling als artikel 7 [7], tweede lid, voor de gehuwde vrouwen die ingevolge deze wet verzekerd zijn geweest.
     Ook in de onderhavige overgangsregeling wordt aan de gehuwde vrouw geen zelfstandig recht op pensioen toegekend. Haar echtgenoot ontvangt het gehuwdenpensioen van ƒ1338,- (artikel 8 [9], tweede lid).
     Er kunnen zich evenwel gevallen voordoen dat een gehuwde man, hoewel de 65-jarige leeftijd bereikt hebbende, geen recht op ouderdomspensioen kan doen gelden, bijvoorbeeld doordat hij niet voldoet aan het woonplaatsvereiste gesteld in het eerste lid. In deze gevallen verleent het tweede lid, onderdeel a, aan de gehuwde vrouw, indien zij overigens aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet, een zelfstandig recht op pensioen dat zij overigens ontbeert. Ingevolge artikel 8 [9], eerste lid, ontvangt zij ƒ804,-.
     Het tweede lid, onderdeel b, van artikel 46 [58] heeft dezelfde strekking als het tweede lid, onderdeel b, van artikel 7 [7]. Het beoogt terugval in pensioen te voorkomen indien twee gepensionneerden in het huwelijk treden. Voor een nadere toelichting moge worden verwezen naar de toelichting op artikel 7 [7], tweede lid, onderdeel b.
     In het tweede lid, onderdeel b, van artikel 46 [58] wordt nog als bijzondere eis gesteld dat het huwelijk plaatevond na het in werking treden van artikel 7 [7], dat wil zeggen na het in werking treden van de overgangsregeling, neergelegd in het eerste lid van artikel 46 [58]. Het tweede lid, onderdeel b, bedoelt immers slechts terugval in pensioen te voorkomen. Vond het huwelijk plaats vóór het in werking treden van de onderhavige overgangsregeling, dan waren de echtelieden nog niet in het genot van ouderdomspensioen ingevolge de voorgestelde voorziening en is er dus van terugval in pensioenrechten geen sprake.

 

Artikel 47 [59]

     In aansluiting aan de regeling van de Noodwet Ouderdomsvoorziening wordt het recht op een kosteloos ouderdomspensioen door het bepaalde onder a beperkt tot Nederlanders. Er bestaat geen voldoende reden dit kosteloze pensioen zonder meer ook toe te kennen aan vreemdelingen.
     Eveneens in aansluiting aan de regeling van de Noodwet Ouderdomsvoorziening bestaat ingevolge het bepaalde onder b op het kosteloze ouderdomspensioen alleen recht wanneer men hier te lande woont. Het is alleszins redelijk alleen personen die hier te lande wonen aanspraak op het kosteloze pensioen toe te kennen. Vestigt iemand die in het genot is van een kosteloos pensioen zich buiten Nederland, dan komt zijn pensioen automatisch te vervallen. Keert hij later weer hier te lande terug, dan kan hij in het genot van zijn pensioen worden hersteld.

rblz.|69 l.k.| 

Artikel 48 [60]

     Het bepaalde in dit artikel heeft voor de toepassing van de artikelen 46 [58] en 47 [59] dezelfde strekking als het bepaalde in artikel 45 [57] voor de toepassing van de artikelen 43 [55] en 44 [56]. Voor de toelichting op dit artikel moge derhalve worden verwezen naar hetgeen in de toelichting op artikel 45 [57] is gezegd omtrent het gelijkstellen van niet-Nederlanders met Nederlanders en van het wonen buiten het Rijk met het wonen binnen het Rijk.

 

Artikel 49 [61]

     Ingevolge dit artikel blijft ten aanzien van het bedrag van het ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 46 [58], het bepaalde in artikel 8 [9], vierde lid, buiten toepassing, voor zover de huwelijkssluiting plaatsvond vóór het in werking treden van artikel 7 [7]. Deze bepaling is nodig in verband met artikel 46 [58], tweede lid, onderdeel b.
     Het vierde lid van artikel 8 [9] sluit de toepassing van het tweede en derde lid van dat artikel uit ten aanzien van de man en de vrouw die ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt. Op hen is dus het eerste lid van artikel 8 [9] van toepassing, waardoor zij aanspraak kunnen maken op het basispensioen. Voor zover de huwelijkssluiting heeft plaatsgevonden vóór het in werking treden van de overgangsregeling van artikel 46 [58], is, zoals in de toelichting op artikel 46 [58], tweede lid, onderdeel b, is uiteengezet, toekenning van het basispensioen niet op haar plaats. In dat geval dient derhalve artikel 8 [9], tweede lid, weer toepassing te kunnen vinden, opdat het gehuwdenpensioen kan worden toegekend. Ook het derde lid van artikel 8 [9] dient weer toepassing te kunnen vinden. In het vorenstaande voorziet het onderhavige artikel.
     Dit artikel bepaalt voorts dat ten aanzien van het ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 46 [58], artikel 10 [13] buiten toepassing blijft. Artikel 10 [13] regelt de kortingen op het ouderdomspensioen wegens nagelaten premiebetaling en wegens het niet verzekerd zijn. Het is duidelijk dat ten aanzien van het in artikel 46 [58] bedoelde ouderdomspensioen dat wordt verleend aan degenen die bij het in werking treden der wet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en die dus nimmer verzekerd hebben kunnen zijn en daardoor evenmin nalatig in de premiebetaling kunnen zijn geweest, de kortingsregeling van artikel 10 [13] geen toepassing dient te vinden.
     Behoudens artikel 8 [9], vierde lid, en artikel 10 [13] zijn evenwel de overige bepalingen welke het wetsontwerp met betrekking tot het ouderdomspensioen inhoudt ook op het in artikel 46 [58] bedoelde pensioen van toepassing.
     Zo zal ook dit pensioen voor de gehuwde man ƒ1338,- bedragen en het basispensioen ƒ804,-. Ook geldt de in artikel 9 [12] geregelde aanpassing van de pensioenen aan wijzigingen in de loonindex voor de pensioenen, bedoeld in artikel 46 [58].

 

Artikelen 50 t/m 59 [62-70]

     Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.

 

Artikel 60 [71]

     Bij de inwerkingtreding van de voorgestelde voorziening zal veelal de behoefte gevoeld worden bestaande pensioenregelingen te herzien. Dit vloeit voort uit de aard der voorgestelde voorziening als bodemvoorziening; de particuliere pensioenregelingen kunnen voortaan worden opgezet rekening houdende met deze algemene voorziening.
     Vele pensioentoezeggingen zijn gedaan onder voorbehoud van korting van de uitkeringen, krachtens bestaande of toekomstige wettelijke regelingen, geheel of gedeeltelijk op de pensioenen. Ook de statuten of reglementen van vele pensioenfondsen bevatten bepalingen in die geest. Ook echter waar dusdanig voorbehoud niet werd gemaakt of zulke bepalingen ontbreken, is het gewenst daartoe alsnog de mogelijkheid te openen. Geschiedt dit niet, dan wordt de onderneming die tot dusver in het geheel geen of zeer onvoldoende pensioenvoorzieningen trof, bevoordeeld boven de onderneming die reeds een redelijke eigen pensioenvoorziening tot stand heeft gebracht. Door een samenloop van bodempensioen en particulier pensioen zou in sommige gevallen het totale inkomen van een gepensionneerde boven 100% van zijn laatstverdiende inkomen kunnen stijgen. Eventuele wettelijke belemmeringen die het
rblz.|69 r.k.| onmogelijk zouden maken deze ongewenste situaties te voorkomen, dienen naar de mening van de ondergetekenden uit de weg te worden geruimd.
     Daarom opent artikel 60 [71] de mogelijkheid tot het verminderen van het in uitzicht gestelde of reeds toegekende pensioen. Deze aanpassing moet echter binnen twee jaar na invoering van de wet tot stand worden gebracht. Het eerste lid heeft betrekking op de toezeggingen door de werkgever, het tweede op de regelingen welke door een pensioenfonds worden uitgevoerd. In het laatste geval is de voor wijziging van statuten of reglementen voorgeschreven procedure (bijvoorbeeld een meerderheidsbeslissing van de vergadering der verzekerden) niet buiten werking gesteld.
     Het spreekt wel vanzelf dat bij het onderhavige artikel als uitgangspunt is genomen dat het totale pensioenbedrag, met inbegrip derhalve van de wettelijke voorziening, niet mag dalen beneden het vóór de inwerkingtreding van de voorgestelde voorziening geldende pensioenen. Daarnaast zijn echter in het derde, vierde en vijfde lid enkele richtlijnen neergelegd welke bij de herziening in acht dienen te worden genomen, te weten:
1º. Het karakter van "waardevastheid" van het bodempensioen (artikel 9 [12]) dient gehandhaafd te blijven. Hiertoe wordt voor de reeds ingegane pensioenen in het derde lid en voor de toegezegde pensioenen in het vierde lid een regeling gegeven.
2º. Indien tot aanpassing wordt besloten, behoort er rekening mede gehouden te worden dat op de pensioenen welke door een te korte diensttijd onvolledig zijn niet het gehele bedrag van de bodemvoorziening, doch slechts een proportioneel gedeelte daarvan in mindering zal worden gebracht.
     Een wettelijke regeling welke verdergaat en verlangt dat bij aanpassing de totale voorziening niet daalt beneden een bepaald percentage van het loon, achten de ondergetekenden niet gewenst. Een dergelijke regeling zou niet alleen practisch zeer moeilijk zijn te verwezenlijken, gezien het zeer uiteenlopend karakter der verschillende pensioenvoorzieningen, doch bovendien tot onbillijkheden leiden, daar deze regeling wel degenen zou treffen die reeds een, wellicht zeer redelijke, pensioenvoorziening hebben toegezegd, doch niet de werkgevers die de totstandkoming van deze wet hebben afgewacht alvorens zelf enig pensioen in uitzicht te stellen.
     Het lijkt dan ook meer in overeenstemming met de sfeer waarin tot nu toe de pensioenvoorzieningen tot stand zijn gekomen dat de wetgever zich beperkt tot het openen van de juridische mogelijkheid tot aanpassing, terwijl aan het bedrijfsleven zelf wordt overgelaten te bepalen in hoeverre van de wettelijke bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt. Zoals bekend heeft de Stichting van den Arbeid hieromtrent reeds een advies doen uitgaan.

 

Artikel 61 [72]


Eerste lid

     Indien dit ontwerp tot wet verheven wordt, zal de Noodwet Ouderdomsvoorziening vervallen. Met betrekking tot aanspraken op uitkering over tijdvakken gelegen vóór de datum waarop de Noodwet vervalt, blijven de bepalingen dier wet en haar uitvoeringsvoorschriften evenwel van toepassing.


Tweede, derde en vierde lid

     Ingevolge artikel 11, vierde lid, tweede volzin, van de Noodwet Ouderdomsvoorziening blijft de gehuwde man die in het genot is van een gehuwdenuitkering, na het overlijden van zijn echtgenote nog enige tijd in het genot van die uitkering.
     Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Noodwet Ouderdomsvoorziening blijft de weduwe van degene die in het genot was van een uitkering nog enige tijd in het genot dier uitkering.
     De strekking van de onderhavige leden is te voorkomen dat degenen die geen of een lager ouderdomspensioen ingevolge de voorgestelde voorziening ontvangen dan waarop zij recht zouden hebben wanneer de Noodwet Ouderdomsvoorziening niet werd ingetrokken, in inkomsten achteruitgaan.


Vijfde lid

     Voor zover in het buitenland wonende personen die in het genot zijn van een uitkering krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening niet op grond van het bepaalde in rblz.|70 l.k.| paragraaf 2 van hoofdstuk VIII van dit ontwerp aanspraak op een kosteloos ouderdomspensioen kunnen maken, komt het gewenst voor hen in het genot van hun huidige uitkering te laten.


Zevende lid

     Op de uitkeringen, in het tweede, derde en vijfde lid bedoeld, blijven overigens de bepalingen van de Noodwet Ouderdomsvoorziening en van de uitvoeringsvoorschriften daarvan van toepassing. In het bijzonder wordt hierbij gedacht aan de in de Noodwet voorkomende bepalingen betreffende herziening en intrekking der uitkeringen.

 

Artikel 62 [73]

     Het Ouderdomsfonds zal niet terstond bij het in werking treden der wet over de benodigde gelden beschikken om de ouderdomspensioenen te kunnen uitbetalen. De premieafdracht van de door de werkgevers van de loontrekkenden ingehouden premie zal in het algemeen pas na het verstrijken van een kalenderkwartaal plaatsvinden. Ook met het opleggen van premieaanslagen aan de niet-loontrekkenden zal enige tijd gemoeid zijn. Artikel 62 [73] bepaalt nu dat het Rijk aan het Ouderdomsfonds renteloos de gelden voorschiet nodig voor de uitgaven van het fonds, zolang dat fonds geen voldoende middelen heeft.

 

Artikel 63 [74]

     Na het in werking treden der voorgestelde verzekering zullen de pensioenen op grond van artikel 9 [12] van het ontwerp worden aangepast aan het verloop van het indexcijfer der regelingslonen. Ook gedurende de periode gelegen vóór de datum van in werking treden van de onderhavige rblz.|70 r.k.| voorziening kan het indexcijfer der lonen evenwel wijziging ondergaan. Artikel 63 [74] voorziet in het aanpassen van de pensioenbedragen aan deze wijziging in het indexcijfer. Daarbij vinden de regelen, gesteld in artikel 9 [12], voor zover nodig overeenkomstige toepassing.
     Opgemerkt wordt nog dat het in artikel 63 [74] genoemde indexcijfer per 31 Maart 1955 betreft het laatst bekende indexcijfer ten tijde van de vaststelling van de in het wetsontwerp genoemde pensioenbedragen.

 

Artikel 64 [75]

     Dit artikel behoeft niet nader te worden toegelicht.

 

 

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
J.G. Suurhoff

De Minister van Financiën,
Van de Kieft

De Staatssecretaris van Financiën,
Van den Berge

De Minister van Binnenlandse Zaken,
Beel

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AOW | ontwerp van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x