St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ALGEMENE  KINDERBIJSLAGWET

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 
Kamerstukken II 1957-1958, 4953

Algemene kinderbijslagverzekering ¹

1. Redactie: de wet is gepubliceerd in Stb. 1962, 160, en is in werking getreden met ingang van 1 augustus 1962 (Stb. 1962, 256).

 

 

Nr.r1 KONINKLIJKE  BOODSCHAP

 

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

    

Wij bieden IJ hiernevens ter overweging aan drie ontwerpen van Wet tot:
a. vaststelling van een algemene kinderbijslagverzekering;
b. wijziging van de Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet voor invaliditeits-, ouderdoms- en wezenrentetrekkers en van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, alsmede intrekking van de Kindertoelagevvet voor gepensionneerden (aanpassing Algemene Kinderbijslagwet);
c. wijziging van de Wet op de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid en van de Organisatiewet Sociale Verzekering
     De toelichtende memoriën (en bijlagen), die de Wetontwerpen vergezellen, bevatten de gronden waarop zij rusten.
     En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

 

Soestdijk, 26 oktober 1957

 

JULIANA

 

 

 

Nr.r2 ONTWERP  VAN  WET

 

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
    

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte kinderbijslagverzekering;
    
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1 [1].  [MvT]
-1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
-2. Waar in deze wet of in de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gesproken van gehuwde man of echtgenoot wordt daaronder niet verslaan de gehuwde man die duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leeft.
-3. Waar in deze wet of in de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gesproken van gehuwde vrouw of echtgenote wordt daaronder niet verstaan de gehuwde vrouw die duurzaam gescheiden van haar echtgenoot leeft.

 

Art. 2 [2].  [MvT]
Ingezetene in de zin van deze wet is degene die binnen het Rijk woont.

 

Art. 3 [3].  [MvT]
-1. Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld, voor zover in het volgende lid niet anders is bepaald.
-2. Ligt tussen het metterwoon verlaten van het Rijk en het metterwoon terugkeren binnen het Rijk een tijdvak van minder dan één jaar, dan wordt het metterwoon verlaten van het Rijk geacht niet te hebben plaatsgevonden. Dit geldt niet indien de betrokkene tijdens zijn afwezigheid op het grondgebied van een andere Mogendheid of in één der andere delen van het Koninkrijk heeft gewoond.
-3. Schepen en luchtvaartuigen welke binnen het Rijk hun thuishaven hebben, worden ten opzichte van de bemanning beschouwd als deel van het Rijk.

 

Art. 4 [4].  [MvT]
In de uitvoering van de in deze wet geregelde verzekering wordt voorzien door de Sociale Verzekeringsbank, met dien verstande dat de heffing en de invordering van de premies geschieden door de Rijksbelastingdienst.

 

Art. 5 [5].  [MvT]
-1. Onze Minister wijst, gehoord de Sociale Verzekeringsbank, de werkzaamheden, onderscheidenlijk de bevoegdheden, aan betrekking hebbende op de uitvoering dezer wet, welke in plaats van door de Sociale Verzekeringsbank door de Raden van Arbeid zullen worden verricht, onderscheidenlijk uitgeoefend.
-2. In de gevallen waarin Onze Minister ingevolge het bepaalde in het vorige lid werkzaamheden en bevoegdheden aan de Raden van Arbeid heeft toegewezen, zijn de bepalingen van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten van toepassing, met inachtneming van de wijzigingen welke de aard van het onderwerp vordert.
-3. De Sociale Verzekeringsbank kan aan de Raden van Arbeid ter uitvoering van deze wet aanwijzingen en voorschriften geven.
-4. Hetgeen ter uitvoering van het bepaalde in de vorige leden verder nodig is, wordt door Onze Minister geregeld.

 

 

HOOFDSTUK  II

Kring der verzekerden

 

Art. 6 [6].  [MvT]
-1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene die de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt, indien hij:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is. doch ter zake van binnen het Rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen;
c. geen ingezetene is en evenmin geacht kan worden blijvend buiten het Rijk te wonen, doch ter zake van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van het Rijk, mits hij Nederlander is.
-2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet geacht kan worden blijvend binnen het Rijk te wonen en die ter zake van binnen het Rijk verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van een andere Mogendheid.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen die niet ingevolge het eerste lid verzekerd zijn, als verzekerden in de zin van deze wet worden aangemerkt.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken:
a. ten aanzien van vreemdelingen;
b. ter voorkoming van samenloop van de verzekering ingevolge deze wet met een overeenkomstige regeling buiten het Rijk:
c. in gevallen van tijdelijk verblijf of tijdelijke werkzaamheid hier te lande;
d. ten aanzien van echtgenoten en overige gezinsleden van de in het tweede lid en van de in dit lid, onderdeel b en c, bedoelde personen.

 

 

HOOFDSTUK  III

De kinderbijslag

 

§ 1.  Het recht op kinderbijslag

 

Art. 7 [7].  [MvT]
-1. De verzekerde heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet - te rekenen van het derde dier kinderen
- recht op kinderbijslag voor zijn eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen die:
a. jonger dan 16 jaar zijn en tot zijn huishouden behoren;
b. jonger dan 16 jaar zijn, tot het huishouden behoren van degene met wie hij gehuwd is geweest of van degene met wie hij gehuwd is doch van wie hij duurzaam gescheiden leeft en die grotendeels op zijn kosten worden onderhouden;
c. jonger dan 16 jaar zijn, niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoren en die in belangrijke mate op zijn kosten worden onderhouden;
d. 16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn, wier voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding en die in belangrijke mate op zijn kosten worden onderhouden;
e. 16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn, tengevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in het eerstkomende jaar buiten staat zullen zijn om een derde te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen en die in belangrijke mate op zijn kosten worden onderhouden.
-2. Een kind wordt als pleegkind beschouwd indien het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
-3.
Onze Minister kan regelen stellen naar welke wordt beoordeeld of:
a. een kind in belangrijke mate op kosten van de verzekerde wordt onderhouden;
b. een kind buiten staat zal zijn om een derde te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen.

 

Art. 8 [8].  [MvT]
Onze Minister kan bepalen in welke gevallen:
a. een kind dat niet hier te lande woont, niet wordt gerekend tot de kinderen waarvoor de verzekerde - te rekenen van het derde kind - recht op kinderbijslag heeft;
b. een kind te wiens aanzien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 7 [7], tweede lid, nochtans met een pleegkind wordt gelijkgesteld;
c. een verzekerde geacht wordt met een kind, bedoeld onder b, een huishouden te vormen.

 

Art. 9 [9].  [MvT]
Voor het vaststellen van het aantal kinderen waarvoor - te rekenen van het derde kind - recht op kinderbijslag beslaat, wordt een kind vallende onder artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel d of e, voor twee kinderen geteld indien dat kind grotendeels op kosten van de verzekerde wordt onderhouden.

 

Art. 10 [11].  [MvT]
Voor het vaststellen van het aantal kinderen waarvoor over een kalenderkwartaal recht op kinderbijslag bestaat, worden slechts in aanmerking genomen de kinderen te wier aanzien aan de voorwaarden, genoemd in artikel 7 [7] juncto de artikelen 8 [8] en 9 [9], is voldaan op de eerste dag van dat kwartaal.

 

Art. 11 [12].  [MvT]
-1. Ten aanzien van degene die gedurende een geheel kalenderkwartaal ingevolge deze wet verzekerd is, bedraagt de kinderbijslag over dat kwartaal:
a. voor het eerste kind van het in artikel 10 [11] bedoelde aantal kinderen ƒ50,70;
b. voor het tweede en het derde kind van het in artikel 10 [11] bedoelde aantal kinderen ƒ70,98 per kind;
c. voor het vierde kind en de volgende kinderen van het in artikel 10 [11] bedoelde aantal kinderen ƒ79,56 per kind.
-2. Ten aanzien van degene die niet gedurende een geheel kalenderkwartaal ingevolge deze wet verzekerd is, bedraagt de kinderbijslag over elke dag - uitgezonderd de zondagen
- waarop hij in dat kwartaal verzekerd is 1/78 deel van de in het eerste lid genoemde bedragen.
-3. Ten aanzien van degenen die verzekerd zijn ingevolge artikel 6 [6], eerste lid, onderdeel b, en derde lid, kan
Onze Minister bepalen in welke gevallen wel over zondagen kinderbijslag wordt uitgekeerd.

 

 

§ 2.  Uitbetaling van de kinderbijslag

 

Art. 12 [14].  [MvT]
-1. De kinderbijslag wordt driemaandelijks op aanvraag uitbetaald.
-2. De aanvraag om kinderbijslag wordt ingediend ter plaatse door Onze Minister aangegeven en geschiedt op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de Sociale Verzekeringsbank.
-3. De Sociale Verzekeringsbank is bevoegd uitkeringen welke ten laste komen van derden en welke naar aard en strekking overeenkomen of verband houden met de in deze wet geregelde uitkering, op verzoek van die derden en te hunnen laste aan de belanghebbende persoon uit te betalen.
-4. Onze Minisier kan ter uitvoering van het bepaalde in het eerste en tweede lid nadere regelen stellen. Onze Minister kan tevens regelen stellen welke afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid, met dien verstande evenwel dat de uitbetaling van de kinderbijslag ten minste eenmaal in de drie maanden geschiedt.

 

Art. 13 [-].  [MvT]
-1. Indien over eenzelfde tijdvak ingevolge deze wet voor beide echtgenoten recht op kinderbijslag bestaat voor een tot hun huishouden behorend kind dat jonger is dan 16 jaar, wordt de kinderbijslag waarop de echtgenote recht heeft slechts uitbetaald voor zover deze het bedrag van de kinderbijslag waarop de echtgenoot recht heeft te boven gaat; de met inachtneming van het bepaalde in de vorige volzin aan de echtgenote toekomende kinderbijslag kan aan de echtgenoot worden uitbetaald.
-2. Indien over eenzelfde tijdvak voor hetzelfde kind dat jonger is dan 16 jaar ingevolge deze wet recht op kinderbijslag bestaat, enerzijds voor een verzekerde tot wiens huishouden dit kind behoort en anderzijds voor een verzekerde die dit kind grotendeels op zijn kosten onderhoudt, wordt de kinderbijslag aan de eerstbedoelde verzekerde slechts uitbetaald voor zover deze het bedrag van de kinderbijslag van de laatstbedoelde verzekerde te boven gaat.

 

Art. 14 [-].  [MvT]
-1. Indien over eenzelfde tijdvak voor hetzelfde kind dat jonger is dan 16 jaar recht op kinderbijslag bestaat ingevolge deze wet voor een verzekerde en ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden voor een arbeider tot wier beider huishouden dit kind behoort, wordt de kinderbijslag ingevolge deze wet slechts uitbetaald voor zover deze het bedrag van de kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden te boven gaat. De met inachtneming van het bepaalde in de vorige volzin ingevolge deze wet verschuldigde kinderbijslag kan worden uitbetaald aan degene aan wie de kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden wordt uitbetaald.
-2. Indien over eenzelfde tijdvak ingevolge deze wet voor een verzekerde recht op kinderbijslag voor een tot zijn huishouden behorend kind dat jonger is dan 16 jaar bestaat, alsmede ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden voor een arbeider die dit kind grotendeels op zijn kosten onderhoudt, wordt de kinderbijslag ingevolge deze wet slechts uitbetaald voor zover deze het bedrag van de kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden te boven gaat.
-3. Onze Minister kan ter voorkoming van dubbele kinderbijslag, alsmede ter voorkoming van uitkering van kinderbijslag over meer dan 78 dagen in eenzelfde kalenderkwartaal, nadere en zo nodig van het bepaalde in dit en het vorige artikel [-] afwijkende regelen vaststellen.

 

Art. 15 [20].  [MvT]
Indien ten aanzien van hetzelfde kind kinderbijslag kan worden ontvangen ingevolge deze wet en ingevolge een rechtens geldende regeling bestaande in een ander land, kan Onze Minister nadere en eventueel afwijkende regelen stellen ter voorkoming van dubbele kinderbijslag.

 

Art. 16 [21].  [MvT]
-1. Indien de Sociale Verzekeringsbank van oordeel is dat redelijkerwijs niet is te verwachten dat de kinderbijslag ten goede zal komen aan het kind waarvoor deze wordt verstrekt, is zij bevoegd op verzoek of met gunstig advies van een raad voor de kinderbescherming de kinderbijslag betaalbaar te stellen aan een ander dan de rechthebbende.
-2. Indien de verzekerde nalaat een aanvraag om kinderbijslag in te dienen, kan deze aanvraag geschieden door een raad voor de kinderbescherming, die tevens de Sociale Verzekeringsbank adviseert aan wie de kinderbijslag betaalbaar kan worden gesteld.

 

Art. 17 [-].  [MvT]
Indien de verzekerde geen redelijke medewerking verleent tot het verkrijgen van inlichtingen welke voor een juiste beoordeling van het recht op kinderbijslag nodig zijn, kan de Sociale Verzekeringsbank beslissen dat hem geen dan wel slechts een gedeelte van de kinderbijslag wordt uitbetaald.

 

Art. 18 [23].  [MvT]
-1. De kinderbijslag is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zoveel dit dient tot verhaal van een uitkering tot onderhoud van het kind, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag.
-2. Volmacht tot ontvangst van kinderbijslag, onder welke vorm of welke benaming ook door de verzekerde verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met enige bepaling van dit artikel is nietig.

 

Art. 19 [22+24].  [MvT]
-1. Kinderbijslag welke niet is ingevorderd binnen twee jaren na de dag der betaalbaarstelling, wordt niet meer uitbetaald.
-2. Ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag kan, behoudens het bepaalde in het volgende lid, niet worden teruggevorderd of op later betaalbaar te stellen kinderbijslag in mindering worden gebracht.
-3. Ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag kan gedurende twee jaren na de dag der betaalbaarstelling worden teruggevorderd of op later betaalbaar te stellen kinderbijslag ingevolge deze wet, de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden. de Kinderbijslagwet voor wezenrentetrekkers of ingevolge de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, in mindering worden gebracht, indien degene ten name van wie de kinderbijslag betaalbaar werd gesteld redelijkerwijs kon weten dat ten onrechte kinderbijslag of een te hoog bedrag aan kinderbijslag werd uitbetaald.
-4. De rechtsvordering wegens uitkering verjaart door verloop van twee jaren na afloop van het kalenderkwartaal waarover recht op kinderbijslag bestaat.

 

 

HOOFDSTUK  IV

De op te brengen middelen

 

Art. 20 [-].  [MvT]
-1. De middelen tot dekking van de ingevolge deze wet uit te keren kinderbijslagen en van de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten worden gevonden door het heffen van premies van de verzekerden.
-2. Aan de heffing van premie is niet onderworpen:
a. de verzekerde die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
b. de gehuwde man wiens echtgenote in verband met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onderdeel c, of artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen heeft.

 

Art. 21 [-].  [MvT]
-1. De premies worden gestort in een door de Sociale Verzekeringsbank te beheren Algemeen Kinderbijslagfonds.
-2. De ingevolge deze wet uit te keren kinderbijslagen en de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen ten laste van het Algemeen Kinderbijslagfonds.

 

Art. 22 [-].  [MvT]
Onze Minister stelt, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, voorschriften vast met betrekking tot de belegging van de gelden van het Algemeen Kinderbijslagfonds.

 

Art. 23 [-].  [MvT]
-1. De premie wordt, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, geheven naar de maatstaf van het door de verzekerde in een kalenderjaar genoten inkomen en vastgesteld in een percentage van dat inkomen. Ten aanzien van degene die slechts een gedeelte van een kalenderjaar aan de heffing van premie is onderworpen, treedt dit gedeelte voor het kalenderjaar in de plaats.
-2. Onder inkomen wordt verstaan:
a. indien de verzekerde ingezetene is: het zuiver inkomen in de zin van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, vermeerderd met de ingevolge deze wet en de ingevolge de Algemene Ouderdomswet verschuldigde premies en verminderd met:
1º. de op de voet van dat besluit aftrekbare buitengewone lasten en giften;
2º. het bedrag dat op de voet van artikel 45, eerste lid, tweede volzin, van dat besluit in mindering wordt gebracht indien de verzekerde als invalide aanspraak heeft op de in die bepaling bedoelde aftrek;
3º. de ingevolge deze wet uitgekeerde kinderbijslagen;
4º. de ingevolge de Algemene Ouderdomswet uitgekeerde pensioenen;
b. indien de verzekerde geen ingezetene is: het binnenlands zuiver inkomen in de zin van het Besluit op de Inkomstenbekisting 1941, vermeerderd met de ingevolge deze wet en de ingevolge de Algemene Ouderdomswet verschuldigde premies en verminderd met:
1º. het bedrag dat op de voet van artikel 45, eerste lid, tweede volzin, van dat besluit in mindering wordt gebracht indien de verzekerde als invalide aanspraak heeft op de in die bepaling bedoelde aftrek;
2º. de ingevolge deze wet uitgekeerde kinderbijslagen;
3º. de ingevolge de Algemene Ouderdomswet uitgekeerde pensioenen.
-3. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid zijn de artikelen 2, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 51, vijfde lid, en 51a, vijfde lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 van overeenkomstige toepassing. Het bepaalde in de vorige volzin geldt niet ten aanzien van de gehuwde vrouw die zelf of wier echtgenoot niet ingevolge deze wet verzekerd is noch de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid is voorts artikel 43 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 van overeenkomstige toepassing.
-4. Voor zoveel de premie ingevolge het tweede lid van artikel 27 [-] bij wijze van inhouding wordt geheven, geldt, in afwijking van het tweede lid, als inkomen het loon dan wel de inkomsten welke voor de heffing van de loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing in aanmerking worden genomen, één en ander verminderd met:
a. het bedrag dat wegens kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen in de loonbelastingtabel is verwerkt;
b. het bedrag dat krachtens beslissing van de inspecteur der belastingen in mindering moet worden gebracht wegens hogere kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen, voor zover dat bedrag geen betrekking heeft op ingevolge deze wet en ingevolge de Algemene Ouderdomswet verschuldigde premies;
c. het bedrag dat krachtens beslissing van de inspecteur der belastingen in mindering moet worden gebracht wegens buitengewone lasten en giften;
d. het bedrag dat op de voet van artikel 7b. eerste lid, van het Besluit op de Loonbelasting 1940 in mindering wordt gebracht indien de verzekerde als invalide aanspraak heeft op de in die bepaling bedoelde aftrek;
e. de aanspraak op kinderbijslag ingevolge deze wet;
f. de ingevolge de Algemene Ouderdomswet uitgekeerde pensioenen.
-5. Het inkomen van de verzekerde van wie de premie ingevolge het tweede lid van artikel 27 [-] geheel of gedeeltelijk bij wijze van inhouding wordt geheven, wordt verminderd met de kinderbijslag waarop hij over de periode waarop de inhouding betrekking heeft, ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden aanspraak heeft of aanspraak zou hebben gehad indien de bepalingen van hoofdstuk II van die wet op hem van toepassing zouden zijn geweest.
-6. Indien het inkomen, eventueel verminderd ingevolge het voorgaande lid, per jaar meer bedraagt dan het in artikel 26, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedrag, wordt over dat meerdere geen premie geheven. Het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt naar tijdsruimte evenredig verlaagd ten aanzien van:
a. degene die niet het gehele jaar aan de heffing van premie is onderworpen;
b. de vrouw te wier aanzien in de loop van een jaar de toepassing van het bepaalde in de eerste volzin van het derde lid van dit artikel een aanvang neemt dan wel eindigt.
-7. Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen met betrekking tot hetgeen in dit artikel is bepaald nadere regelen stellen.

 

Art. 24 [-].  [MvT]
Indien het in artikel 26, zesde lid. van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedrag wordt herzien, treedt dat herziene bedrag in de plaats van het bedrag, bedoeld in het zesde lid van het vorige artikel [-].

 

Art. 25 [-].  [MvT]
Het in het eerste lid van artikel 23 [-] bedoelde premiepercentage wordt door de Sociale Verzekeringsbank onder goedkeuring van Onze Minister, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, vastgesteld. Indien Onze Minister aan het door de Sociale Verzekeringsbank vastgestelde premiepercentage zijn goedkeuring onthoudt, stelt hij het premiepercentage vast.

 

Art. 26 [-].  [MvT]
-1. Onze Minister van Financiën is bevoegd om, met inachtneming van het vastgestelde premiepercentage, de ingevolge deze wet verschuldigde premies te doen berekenen volgens tabellen welke, wat de grootte van de tariefklassen betreft, in overeenstemming zijn met de tariefklassen - voor zover aanwezig - van de inkomstenbelastingtabel of, voor zoveel de premies ingevolge het tweede lid van artikel 27 [-] bij wijze van inhouding worden geheven, met de tariefklassen - voor zover aanwezig - van de loonbelastingtabellen.
-2. Bij het opstellen van de tabellen welke betrekking hebben op de bij wijze van inhouding te heffen premies wordt het bedrag, bedoeld in artikel 23 [-], vierde lid, onderdeel a, in het premiebedrag verwerkt en blijft dit bedrag bij het bepalen van het inkomen buiten aanmerking. Voorts kunnen deze tabellen in dier voege worden vastgesteld dat:
a. de in het vierde lid, onderdeel e, en het vijfde lid van artikel 23 [-] bedoelde verminderingen daarin op zodanige wijze zijn verwerkt dat nevens het bedrag aan inkomen waarop die verminderingen niet zijn toegepast terstond het premiebedrag is vermeld;
b. één of meer positieve of negatieve bestanddelen van het inkomen daarin op zodanige wijze zijn verwerkt - al dan niet tot een gemiddeld bedrag - dat nevens het bedrag aan inkomen waarin die bestanddelen niet zijn opgenomen terstond het premiebedrag is vermeld.
-3. Bij het opstellen van de in de voorgaande leden bedoelde tabellen brengt Onze Minister van Financiën de door hem nodig geachte afrondingen en interpolaties aan.

 

Art. 27 [-].  [MvT]
-1. Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, geschiedt de heffing van de ingevolge deze wet verschuldigde premies, onder verrekening van eventueel krachtens het tweede lid geheven premies, bij wege van aanslag en met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regelen.
-2. Voor zoveel de verzekerde aan de loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing is onderworpen, worden de ingevolge deze wet verschuldigde premies bij wijze van inhouding geheven en zijn dienaangaande de voor de heffing van de loonbelasting geldende regelen van overeenkomstige toepassing. Het bepaalde in het vorige lid blijft alsdan buiten toepassing in de gevallen waarin voor de heffing van de inkomstenbelasting uit hoofde van de inhouding van de loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing geen aanslag wordt vastgesteld.
-3. Ten aanzien van de invordering van de ingevolge deze wet verschuldigde premies zijn de regelen geldende voor de invordering van 's Rijks directe belastingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat krachtens het tweede lid opgelegde aanslagen binnen één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet moeten worden voldaan.
-4. Voor zover de ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de ingevolge deze wet verschuldigde premies van de verzekerden in één bedrag worden geheven, wordt elke premie-inhouding, elke afdracht van ingehouden premie en elke betaling, vermindering of afschrijving op een premieaanslag van rechtswege geacht naar evenredigheid van de premiepercentages ingevolge de Algemene Ouderdomswet en ingevolge deze wet betrekking te hebben op de ingevolge elk dezer wetten verschuldigde premie.
-5. Onze Minister en Onze Minister van Financiën geven voorschriften inzake de afdracht van de door de
Rijksbelastingdienst ten behoeve van het Algemeen Kinderbijslagfonds geïnde premies.
-6. Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen ten aanzien van personen die krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 6 [6], derde lid, of krachtens een overeenkomst met een andere Mogendheid ingevolge deze wet verzekerd zijn, regelen stellen welke afwijken van artikel 23 [-] en van dit artikel.

 

Art. 28 [-].  [MvT]
-1. Van verzekerden van wie premie bij wege van aanslag wordt geheven en die voor de heffing van de inkomstenbelasting in tariefgroep 1 zijn gerangschikt, wordt de premie, voor zover deze niet bij wijze van inhouding is geheven, niet ingevorderd indien het inkomen, eventueel na de vermindering, bedoeld in artikel 23 [-], vijfde lid, minder bedraagt dan 1500 gulden per jaar.
-2. Van verzekerden van wie premie bij wege van aanslag wordt geheven en die voor de heffing van de inkomstenbelasting in tariefgroep II of III zijn gerangschikt, wordt de premie, voor zover deze niet bij wijze van inhouding is geheven, niet ingevorderd indien het inkomen, eventueel na de vermindering, bedoeld in artikel 23 [-], vijfde lid, minder bedraagt dan 2100 gulden per jaar.
-3. Van verzekerden van wie premie bij wege van aanslag wordt geheven en wier inkomen, eventueel na de vermindering, bedoeld in artikel 23 [-], vijfde lid, het in de voorgaande leden voor hen aangegeven bedrag met niet meer dan 1000 gulden overtreft, wordt de premie, voor zover deze niet bij wijze van inhouding is geheven, overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, gedeeltelijk ingevorderd.
-4. Ten aanzien van verzekerden die pensioen of daarmede gelijk te stellen inkomsten genieten, vindt in de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen het bepaalde in de voorgaande leden, met inachtneming van de bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven wijzigingen welke de aard van het onderwerp vordert, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de premie die naar de maatstaf van die inkomsten bij wijze van inhouding wordt geheven.
-5. Het bepaalde in de vorige leden geldt niet indien de verzekerde over het jaar waarover de premie is verschuldigd in aanmerking komt voor een aanslag in de vermogensbelasting.
-6. Ten aanzien van:
a. degene die niet het gehele jaar aan de heffing van premie is onderworpen; en
b. de vrouw te wier aanzien in de loop van een jaar de toepassing van het bepaalde in de eerste volzin van het derde lid van artikel 23 [-] een aanvang neemt dan wel eindigt;
wordt, ter bepaling of ingevolge het bij of krachtens het eerste, tweede en derde lid bepaalde de premies niet of gedeeltelijk worden ingevorderd, het inkomen over een gedeelte van een jaar volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen herleid tot inkomen over één jaar.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de in het eerste, tweede en derde lid genoemde bedragen worden gewijzigd.

 

Art. 29 [-].  [MvT]
-1. De premies of de gedeelten van de premies welke op grond van het bepaalde in artikel 28 [-] niet van de verzekerden worden ingevorderd, komen ten laste van het Rijk.
-2. Onze Minister en Onze Minister van Financiën stellen, gehoord de Sociale Verzekeringsbank, ter zake van het bepaalde in het vorige lid nadere regelen. Bij deze regelen wordt tevens bepaald op welke wijze het ingevolge het bepaalde in het vorige lid ten laste van het Rijk komende bedrag wordt vastgesteld.
-3. Voor zover de premie, anders dan op grond van het bepaalde in artikel 28 [-], niet van de verzekerde wordt ingevorderd, komt deze ten laste van het Rijk, indien en voor zover de Sociale Verzekeringsbank niet ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft beslist dat met betrekking tot het nalaten van de betaling van ingevolge die wet over eenzelfde tijdvak verschuldigde premie sprake is van een schuldig nalaten.

 

 

HOOFDSTUK  V

Vrijstelling wegens gemoedsbezwaren

 

Art. 30 [-].  [MvT]
-1. Degene die gemoedsbezwaren heeft tegen de in deze wet geregelde verzekering kan met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen en voorwaarden door de Sociale Verzekeringsbank worden vrijgesteld van de bij die maatregel aan te wijzen verplichtingen welke hem bij of krachtens deze wet zijn opgelegd.
-2. De Sociale Verzekeringsbank doet aan de inspecteurs der belastingen mededeling van degenen binnen hun ambtsgebied aan wie een vrijstelling als in het eerste lid bedoeld is verleend.
-3. Indien krachtens het bepaalde in het eerste lid aan een verzekerde vrijstelling van premiebetaling is verleend, verhoogt de inspecteur der belastingen de aan hem over het desbetreffende kalenderjaar op te leggen aanslag in de inkomstenbelasting met het bedrag dat van hem, ware de vrijstelling niet verleend, als premie had moeten worden geheven.
-4. Indien de in het voorgaande lid bedoelde aanslag in de inkomstenbelasting reeds ten kohiere is gebracht, wordt de verhoging van de verzekerde nagevorderd. Hetzelfde vindt plaats indien besloten was geen aanslag op te leggen of de opgelegde aanslag was vernietigd. Navordering heeft plaats door het ten kohiere brengen van een nadere aanslag wegens de verhoging.
-5. Voor zoveel de in het derde lid bedoelde verzekerde aan de loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing is onderworpen, verhoogt degene die de inhouding verricht de van de desbetreffende verzekerde in te houden belasting met het bedrag dat van hem, ware de vrijstelling niet verleend, als premie had moeten worden ingehouden.
-6. Artikel 27 [-], eerste, tweede, derde en vierde lid, vindt ten aanzien van de in de drie voorgaande leden bedoelde verhogingen overeenkomstige toepassing. Voorts vindt ten aanzien van de in het derde en vierde lid bedoelde verhoging artikel 28 [-] overeenkomstige toepassing.
-7. Indien krachtens het bepaalde in het eerste lid aan degene die ingevolge deze wet gehouden is premie van verzekerden in te houden vrijstelling van deze verplichting is verleend, verhoogt deze de van de verzekerden in te houden belasting met het bedrag dat hij van hen, ware de vrijstelling niet verleend, als premie had moeten inhouden. Het bepaalde in artikel 27 [-], tweede, derde en vierde lid, is ten aanzien van deze verhoging van overeenkomstige toepassing.
-8. Een bedrag ter grootte van hetgeen ingevolge het bepaalde in het voorgaande lid als hogere belasting van een verzekerde is ingehouden, wordt verrekend met de door die verzekerde eventueel bij wege van aanslag verschuldigde premie.
-9. Hetgeen krachtens het bepaalde in het derde en vierde lid door verhoging van de aanslag in de inkomstenbelasting is geheven, wordt als inkomstenbelasting verantwoord. Voor de toepassing van de bepalingen van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 wordt de verhoging evenwel niet als een aanslag of een deel van een aanslag beschouwd.
-10. Hetgeen krachtens het bepaalde in het vijfde en zevende lid als hogere belasting is ingehouden, wordt als loonbelasting verantwoord, doch overigens voor de toepassing van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en van het Besluit op de Loonbelasting 1940 niet als loonbelasting beschouwd.
-11. Het bedrag aan premie dat een verzekerde verschuldigd zou zijn geweest indien hem niet krachtens het eerste lid vrijstelling van premiebetaling zou zijn verleend, alsmede het bedrag aan premie dat degene aan wie vrijstelling van de verplichting om van verzekerden premie in te houden, is verleend, had moeten inhouden indien hem daarvan geen vrijstelling zou zijn verleend, komt voor rekening van het Rijk.
-12. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden tevens geregeld de verdere gevolgen welke aan het verlenen van vrijstelling wegens gemoedsbezwaren zijn verbonden, alsmede de gevallen waarin de vrijstelling wordt of kan worden ingetrokken en de aan die intrekking verbonden gevolgen.

 

 

HOOFDSTUK  VI

Het verstrekken van inlichtingen

 

Art. 31 [15].  [MvT]
-1. Ieder is verplicht aan de Sociale Verzekeringsbank, de Raad van Arbeid, de Rijksbelastingdienst, de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters, het gemeentebestuur of aan een daartoe door of vanwege één van deze instanties aangewezen persoon de ten behoeve van de uilvoering van deze wet van hem verlangde inlichtingen te geven.
-2. De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk worden verstrekt binnen een door een in het eerste lid bedoelde instantie of persoon schriftelijk te stellen termijn.
-3. Ieder is verplicht aan een in het eerste lid bedoelde instantie of aan een door of vanwege deze daartoe aangewezen persoon desgevraagd inzage te verlenen van boeken, bescheiden en andere stukken, voor zover dit nodig is ten behoeve van de uitvoering van deze wet.

 

Art. 32 [-].  [MvT]
-1. De bedrijfsverenigingen en het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, bedoeld in de Organisatiewet Sociale Verzekering, zijn gehouden aan een in het eerste lid van het vorige artikel [15] bedoelde instantie of aan een door of vanwege deze daartoe aangewezen persoon kosteloos de inlichtingen welke ten behoeve van de uitvoering van deze wet worden verlangd, te verstrekken en toe te zenden.
-2. Publiekrechtelijke lichamen zijn verplicht op de door Onze Minister en Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie aan te geven wijze kosteloos hun medewerking te verlenen tot het verkrijgen van de inlichtingen benodigd voor de uitvoering van deze wet.
-3. Alle ambtenaren tot afgifte van uittreksels uit registers van de burgerlijke stand bevoegd zijn verplicht aan een in het eerste lid van het vorige artikel bedoelde instantie de door deze gevraagde uittreksels uit die registers kosteloos toe te zenden.

 

 

HOOFDSTUK  VII

Bezwaar en beroep

 

Art. 33 [30].  [MvT]
-1. Aan de belanghebbende wordt, desverlangd, schriftelijk kennis gegeven van een beslissing ingevolge deze wet welke verband houdt met het recht op en de uitbetaling van kinderbijslag. In de gevallen, bedoeld in artikel 16 [21], wordt de raad voor de kinderbescherming mede als belanghebbende beschouwd.
-2. Een kennisgeving als in het vorige lid bedoeld, vermeldt de dagtekening van de beslissing, de gronden waarop deze berust, alsmede naam en adres van het college waarbij ingevolge het bepaalde in het volgende artikel [31] beroep kan worden ingesteld en de termijn van beroep.

 

Art. 34 [31].  [MvT]
-1. Tegen een beslissing waarvan ingevolge het bepaalde in het vorige artikel [30] schriftelijk kennis wordt gegeven, staat voor de belanghebbende beroep open.
-2. Over het in het vorige lid bedoelde beroep wordt geoordeeld door de raden van beroep en door de Centrale Raad van Beroep, bedoeld in de Beroepswet.
-3. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens één der artikelen 1 [1], tweede en derde lid, 2 [2], 3 [3], 6 [6], 7 [7] en 9 [9].
-4. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

 

Art. 35 [32].  [MvT]
-1. Voor zover in de volgende leden niet anders is bepaald, zijn, naargelang de ingevolge deze wet verschuldigde premies bij wege van aanslag dan wel bij wijze van inhouding worden geheven, de voor de heffing van de inkomstenbelasting, onderscheidenlijk de loonbelasting, geldende regelen inzake de rechtsmiddelen van overeenkomstige toepassing.
-2. De inspecteur der belastingen doet op een bezwaarschrift eerst uitspraak nadat is komen vast te staan dat geen feiten en omstandigheden in geding zijn welke tevens van belang zijn voor de heffing van inkomstenbelasting, loonbelasting of een met de loonbelasting overeenkomende voorheffing ten laste van belanghebbende, dan wel, voor zover zulks wel het geval is, de beslissing daaromtrent voor de heffing van die belastingen onherroepelijk is geworden.
-3. Met betrekking tot een navorderingsaanslag welke geheel of gedeeltelijk berust op feiten die mede tot het opleggen van een navorderingsaanslag in één van de in het vorige lid bedoelde belastingen ten laste van belanghebbende aanleiding hebben gegeven, neemt de termijn voor het instellen van beroep eerst een aanvang op de datum waarop laatstbedoelde navorderingsaanslag onherroepelijk is komen vast te staan.
-4. Tegen hetgeen omtrent de toepassing van de artikelen 1 [1], tweede en derde lid, 2 [2] en 3 [3], alsmede omtrent het zuiver inkomen in de zin van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, dan wel het loon of de inkomsten welke voor de heffing van de loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing in aanmerking worden genomen, voor de heffing van die belastingen onherroepelijk is komen vast te staan, is beroep niet toegelaten.

 

 

HOOFDSTUK  VIII

Strafbepalingen

 

Art. 36 [33].  [MvT]
Hij die niet voldoet aan één der verplichtingen, bedoeld in artikel 31 [15], wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste 600 gulden.

 

Art. 37 [34].  [MvT]
Hij die op grond van bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

 

Art. 38 [35].  [MvT]
Hij die op andere wijze dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk een opgave in strijd met de waarheid doet, zulks met het oogmerk om aldus een uitkering of een hogere uitkering ingevolge deze wet te verkrijgen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

 

Art. 39 [36].  [MvT]
Overtreding van bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste 100 gulden.

 

Art. 40 [-].  [MvT]
-1. Indien een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit wordt gepleegd door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, enige andere vereniging van personen of een doelvermogen, wordt de strafvervolging ingesteld en worden de straffen en maatregelen uitgesproken hetzij tegen die rechtspersoon, die vennootschap, die vereniging of dat doelvermogen, hetzij tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen beiden.
-2. Een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit wordt onder meer gepleegd door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen indien het gepleegd wordt door personen die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon, de vennootschap, de vereniging of het doelvermogen, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het strafbaar feit hebben gepleegd dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.
-3. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en, indien er meer bestuurders zijn, door één dezer. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. Het gerecht kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen; het kan alsdan zijn medebrenging gelasten.
-4. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, vindt artikel 538, onder 2º, van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing.

 

Art. 41 [37].  [MvT]
Met het opsporen van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast:
a. de overige ambtenaren van Rijks- en Gemeentepolitie;
b. de personen daartoe door Onze Minister aangewezen.

 

Art. 42 [38].  [MvT]
-1. De in artikel 41 [37] bedoelde personen hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen waarvan naar hun redelijk oordeel de betreding voor de vervulling van hun taak nodig is.
-2. Wordt aan de in artikel 41 [37] bedoelde personen de toegang geweigerd of belemmerd of wordt hun op aanmelding tot toelating niet geantwoord, dan verschaffen zij zich de toegang desnoods met inroeping van de sterke arm.
-3. De artikelen 120 tot en met 123 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 43 [39].  [MvT]
-1. De in artikel 41 [37] bedoelde personen zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun bij het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen is bekend geworden, voor zover die geheimhouding niet in strijd is met de bepalingen van deze of een andere wet.
-2. Hij die de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste 600 gulden.
-3. Hij aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste 300 gulden.
-4. Geen vervolging heeft plaats dan op klachte.

 

Art. 44 [40].  [MvT]
De in de artikelen 37 [34], 38 [35] en 43 [39] bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven, de in de artikelen 36 [33] en 39 [36] bedoelde strafbare feiten als overtredingen beschouwd.

 

 

HOOFDSTUK  IX

Slotbepalingen

 

Art. 45 [41].  [MvT]
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt door Onze Minister geregeld. Het bepaalde in de vorige volzin is niet van toepassing op de heffing en de invordering van de ingevolge deze wet verschuldigde premies.

 

Art. 46 [-].  [MvT]
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, kan, in afwijking van het bepaalde in het vierde en vijfde lid van dat artikel, met ingang van de dag van het in werking treden van artikel 23 [-] het in artikel 26, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedrag worden verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage als waarmede het te verwachten indexcijfer der lonen op de laatste dag van de maand waarin artikel 23 [-] in werking is getreden, afwijkt van het indexcijfer der lonen op 31 maart 1955.

 

Art. 47 [-].  [MvT]
De Algemene Ouderdomswet ondergaat de volgende wijzigingen:
A.
[MvT]
In artikel 3, tweede lid, worden de woorden "Overzeese Rijksdelen" vervangen door de woorden: andere delen van het Koninkrijk.
B.
[MvT]
Voor het bepaalde in artikel 23 [26] wordt de aanduiding "-1" geplaatst, terwijl voorts aan dit artikel een lid wordt toegevoegd, luidende:
-2. Aan de heffing van premie is niet onderworpen de gehuwde man wiens echtgenote in verband met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onderdeel c, of artikel 46 [58], tweede lid, onderdeel e, recht op ouderdomspensioen heeft.
C.
[MvT]
Artikel 26 [-] wordt gewijzigd als volgt:
1. In de tweede volzin van het eerste lid en in de tweede volzin, onderdeel a, van het zesde lid worden de woorden "verzekerd is geweest" vervangen door de woorden: aan de heffing van premie is onderworpen.
2. In het tweede lid, onderdeel a, worden na de woorden "ingevolge deze wet" ingevoegd de woorden: en de ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet.
3. In het tweede lid, onderdeel a, wordt na subonderdeel 3º ingevoegd:
4º. de ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet uitgekeerde kinderbijslagen;.
4. In het tweede lid, onderdeel b, worden na de woorden "ingevolge deze wet" ingevoegd de woorden: en de ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet.
5. In het tweede lid, onderdeel b, wordt de punt aan het slot van het bepaalde onder 2º vervangen door een puntkomma, waarna wordt ingevoegd:
3°. de ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet uitgekeerde kinderbijslagen.
6. In het vierde lid, onderdeel b, worden na de woorden "ingevolge deze wet" ingevoegd de woorden: en ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet.
7. In het vierde lid wordt de punt aan het slot van het bepaalde onder e vervangen door een puntkomma, waarna wordt ingevoegd;
f. de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet.
8. In het vijfde lid worden de woorden "waarin de inhouding plaatsvindt, ingevolge de Kinderbijslagwet" vervangen door de woorden: "waarop de inhouding betrekking heeft, ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden" en worden na het woord: "bepalingen" ingevoegd de woorden: van hoofdstuk II.
9. In het zesde lid vervallen de woorden "en ingevolge artikel 69 [-]".
10. Het zevende lid vervalt.
11. Het achtste lid wordt vernummerd tot zevende lid.
D.
[MvT]
Artikel 29 [-], tweede lid, onderdeel a en b, wordt gelezen als volgt:
a. de in het vierde lid, onderdeel f, en het vijfde lid van artikel 26 [-] bedoelde verminderingen daarin op zodanige wijze zijn verwerkt dat nevens het bedrag aan inkomen waarop die verminderingen niet zijn toegepast terstond het premiebedrag is vermeld;
b. één of meer positieve of negatieve bestanddelen van het inkomen daarin op zodanige wijze zijn verwerkt - al dan niet tot een gemiddeld bedrag - dat nevens het bedrag aan inkomen waarin die bestanddelen niet zijn opgenomen terstond het premiebedrag is vermeld.
E.
[MvT]
Artikel 30 [-] wordt gewijzigd als volgt:
1. Na het derde lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:
-4. Voor zover de ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet en de ingevolge deze wet verschuldigde premies van de verzekerden in één bedrag worden geheven, wordt elke premie-inhouding, elke afdracht van ingehouden premie en elke betaling, vermindering of afschrijving op een premieaanslag van rechtswege geacht naar evenredigheid van de premiepercentages ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet en ingevolge deze wet betrekking te hebben op de ingevolge elk dezer wetten verschuldigde premie.
2. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot vijfde en zesde lid.
3. Het zesde lid wordt gelezen als volgt:
-6.
Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen ten aanzien van personen die krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 6, derde lid, of krachtens een overeenkomst met een andere Mogendheid ingevolge deze wet verzekerd zijn, regelen stellen welke afwijken van artikel 26 [-] en van dit artikel.
F.
[MvT]
Artikel 31 [-] wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste, tweede en derde lid worden de woorden "verminderingen, bedoeld in artikel 26 [-], vijfde lid. en artikel 69 [-]" vervangen door de woorden: vermindering, bedoeld in artikel 26 [-], vijfde lid.
2. in het zesde lid, onderdeel a, worden de woorden: "verzekerd is geweest" vervangen door de woorden: "aan de heffing van premie is onderworpen".
G.
[MvT]
Artikel 33 [-], eerste, tweede en derde lid, wordt gelezen als volgt:
Art. 33.
-1. Indien een verzekerde nalatig is gebleven de over een bepaald jaar verschuldigde premie geheel of gedeeltelijk te betalen, houdt de
Sociale Verzekeringsbank, indien zij beslist dat van een schuldig nalaten sprake is, daarvan aantekening. Alsdan wordt elke betaling door de verzekerde op een krachtens artikel 30 [-], eerste lid, opgelegde premieaanslag waarbij tevens een premieaanslag ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet is opgelegd, geacht in de eerste plaats te strekken tot voldoening van de ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet verschuldigde premie. De kennisgeving welke van de in de eerste volzin bedoelde beslissing ingevolge het bepaalde in artikel 40 [52], eerste en tweede lid, plaatsvindt, vermeldt tevens in hoeverre een verschuldigde jaarpremie niet is betaald.
-2. Indien de Sociale Verzekeringsbank niet heeft beslist dat van een schuldig nalaten sprake is, komt de ingevolge deze wet verschuldigde premie, voor zover deze niet is betaald, ten laste van het Rijk.
-3. Indien in het geval waarin een aantekening is gesteld als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, de verzekerde binnen vijf jaren na de kennisgeving van de aantekening de ingevolge het bepaalde in de tweede volzin van dat lid op de aldaar bedoelde aanslag verschuldigd gebleven premie, verhoogd, voor zover het de ingevolge deze wet verschuldigde premie betreft, met een door
Onze Minister te bepalen opslag, geheel of gedeeltelijk aan de Sociale Verzekeringsbank betaalt, wordt deze betaling achtereenvolgens toegerekend aan de verschuldigde premie ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, de opslag en de ingevolge deze wet verschuldigde premie. Alsdan wordt, voor zover de ingevolge deze wet verschuldigde premie alsnog is betaald, de aantekening, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, doorgehaald en de verzekerde over het betreffende tijdvak niet geacht schuldig nalatig te zijn geweest. Van deze doorhaling wordt aan de verzekerde op de in artikel 40 [52], eerste en tweede lid, voorgeschreven wijze kennis gegeven. De kennisgeving vermeldt tevens in hoeverre, na de doorhaling, een verschuldigde jaarpremie nog onbetaald is gebleven.
H.
[MvT]
Artikel 36 [47] wordt gewijzigd als volgt:
1. In het zesde lid worden de woorden "Artikel 30 [-], eerste, tweede en derde lid," vervangen door de woorden: Artikel 30 [-], eerste, tweede, derde en vierde lid,.
2. In de tweede volzin van het zevende lid worden de woorden "artikel 30 [-], tweede en derde lid," vervangen door de woorden: artikel 30 [-], tweede, derde en vierde lid,.
I.
[MvT]
Artikel 41 [53], vierde lid, wordt gelezen als volgt:
-4. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
J.
[MvT]
Artikel 57 [68] wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid vervallen de woorden "omtrent een bedrijf of beroep dat wordt uitgeoefend,".
2. Het vierde lid wordt gelezen als volgt:
-4. Geen vervolging heeft plaats dan op klachte.
K.
[MvT]
Artikel 69 [-] vervalt.

 

Art. 48 [-].  [MvT]
-1. Met ingang van de dag waarop artikel 7 [7] in werking treedt, wordt de Wet van 14 juni 1951, Stb. 1951, 212 (Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen), ingetrokken.
-2. Degenen die op de dag voorafgaande aan die waarop de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen wordt ingetrokken, op grond dier wet aanspraak kunnen maken op kinderbijslag over enig aan het in werking treden van artikel 7 [7] van deze wet voorafgaand kalenderkwartaal, behouden deze aanspraak gedurende één jaar na het in werking treden van artikel 7 [7] van deze wet.
-3. Degenen die op de dag voorafgaande aan die waarop de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen wordt ingetrokken, op grond van artikel 16, eerste lid, dier wet aanspraak kunnen maken op uitbetaling van kinderbijslag, behouden deze aanspraak zolang de in artikel 16, eerste lid, dier wet genoemde termijn niet is verstreken.
-4. Voor het overige blijven ten aanzien van de in het tweede en derde lid bedoelde uitkeringen de bepalingen van de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen en haar uitvoeringsvoorschriften van toepassing.
-5. De vóór de inwerkingtreding van artikel 7 [7] van deze wet ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag ingevolge de Noodwet kinderbijslag Kleine Zelfstandigen, alsmede de ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag ingevolge het bepaalde in het tweede lid, kan gedurende twee jaren na de dag der betaalbaarstelling worden teruggevorderd of op later betaalbaar te stellen kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, de Kinderbijslagwet voor wezenrentetrekkers of ingevolge de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, in mindering worden gebracht indien degene ten name van wie de kinderbijslag betaalbaar werd gesteld redelijkerwijs kon weten dat ten onrechte kinderbijslag werd uitbetaald.
-6. Onze Minister kan ter uitvoering van het bepaalde in de vorige leden nadere regelen stellen.

 

Art. 49 [42].  [MvT]
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: "Algemene Kinderbijslagwet".

 

Art. 50 [43].  [MvT]
De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

 

 

     Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauw keurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken,

De Minister van Financiën,

De Minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AKW | MvT | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x