|
Kamerstukken II 1957-1958,
4953
Algemene
kinderbijslagverzekering ¹
1. Redactie:
de wet is gepubliceerd in Stb. 1962, 160, en is in werking
getreden met ingang van 1 augustus 1962 (Stb. 1962, 256).
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP |
Aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Wij
bieden IJ hiernevens ter overweging aan drie ontwerpen van Wet tot:
a. vaststelling van een algemene kinderbijslagverzekering;
b. wijziging van de Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet voor
invaliditeits-, ouderdoms- en wezenrentetrekkers en van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, alsmede intrekking van de Kindertoelagevvet
voor gepensionneerden (aanpassing Algemene Kinderbijslagwet);
c. wijziging van de Wet op de Sociale Verzekeringsbank en de
Raden van Arbeid en van de Organisatiewet Sociale Verzekering
De toelichtende
memoriën (en bijlagen), die de Wetontwerpen vergezellen, bevatten de
gronden waarop zij rusten.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige
bescherming.
Soestdijk, 26 oktober 1957
JULIANA
WIJ
JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te
stellen inzake een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte
kinderbijslagverzekering;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art.
1 [1]. [MvT]
-1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder Onze Minister:
Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
-2.
Waar in deze wet of in de tot haar
uitvoering genomen besluiten wordt
gesproken van gehuwde man of echtgenoot
wordt daaronder niet verslaan de gehuwde
man die duurzaam gescheiden van zijn
echtgenote leeft.
-3.
Waar in deze wet of in de tot haar
uitvoering genomen besluiten wordt
gesproken van gehuwde vrouw of
echtgenote wordt daaronder niet verstaan
de gehuwde vrouw die duurzaam
gescheiden van haar echtgenoot leeft.
Art.
2 [2].
[MvT]
Ingezetene in de zin van deze wet is degene die binnen het Rijk woont.
Art.
3 [3]. [MvT]
-1. Waar iemand woont, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld, voor zover
in het volgende lid niet anders is
bepaald.
-2.
Ligt tussen het metterwoon verlaten van
het Rijk en het metterwoon terugkeren
binnen het Rijk een tijdvak van minder
dan één jaar, dan wordt het metterwoon
verlaten van het Rijk geacht niet te
hebben plaatsgevonden. Dit geldt niet
indien de betrokkene tijdens zijn
afwezigheid op het grondgebied van een
andere Mogendheid of in één der andere
delen van het Koninkrijk heeft gewoond.
-3.
Schepen en luchtvaartuigen welke binnen
het Rijk hun thuishaven hebben, worden
ten opzichte van de bemanning beschouwd
als deel van het Rijk.
Art.
4 [4]. [MvT]
In de uitvoering van de in deze wet
geregelde verzekering wordt voorzien
door de Sociale
Verzekeringsbank, met
dien verstande dat de heffing en de
invordering van de premies geschieden
door de Rijksbelastingdienst.
Art.
5 [5]. [MvT]
-1. Onze Minister wijst, gehoord de
Sociale Verzekeringsbank, de
werkzaamheden, onderscheidenlijk de
bevoegdheden, aan betrekking hebbende
op de uitvoering dezer wet, welke in
plaats van door de Sociale
Verzekeringsbank door de Raden van
Arbeid zullen worden verricht,
onderscheidenlijk uitgeoefend.
-2.
In de gevallen waarin Onze Minister
ingevolge het bepaalde in het vorige
lid werkzaamheden en bevoegdheden aan de
Raden van Arbeid heeft toegewezen, zijn
de bepalingen van deze wet en van de tot
haar uitvoering genomen besluiten van
toepassing, met inachtneming van de
wijzigingen welke de aard van het
onderwerp vordert.
-3.
De Sociale Verzekeringsbank kan aan de
Raden van Arbeid ter uitvoering van deze
wet aanwijzingen en voorschriften
geven.
-4.
Hetgeen ter uitvoering van het bepaalde
in de vorige leden verder nodig is, wordt
door Onze Minister geregeld.
HOOFDSTUK
II
Kring der
verzekerden
Art.
6 [6]. [MvT]
-1. Verzekerd overeenkomstig de
bepalingen van deze wet is degene die
de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt,
indien hij:
a.
ingezetene is;
b.
geen ingezetene is. doch ter zake van
binnen het Rijk in dienstbetrekking
verrichte arbeid aan de loonbelasting is
onderworpen;
c.
geen ingezetene is en evenmin geacht kan
worden blijvend buiten het Rijk te
wonen, doch ter zake van buiten het Rijk
verrichte arbeid wedde of loon geniet
ten laste van het Rijk, mits hij
Nederlander is.
-2.
Niet verzekerd is de vreemdeling die
niet geacht kan worden blijvend binnen
het Rijk te wonen en die ter zake van
binnen het Rijk verrichte arbeid wedde
of loon geniet ten laste van een andere
Mogendheid.
-3.
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen personen die niet ingevolge het
eerste lid verzekerd zijn, als
verzekerden in de zin van deze wet
worden aangemerkt.
-4.
Bij algemene maatregel van bestuur kan
van het bepaalde in het eerste lid
worden afgeweken:
a.
ten aanzien van vreemdelingen;
b.
ter voorkoming van samenloop van de
verzekering ingevolge deze wet met een
overeenkomstige regeling buiten het Rijk:
c.
in gevallen van tijdelijk verblijf of
tijdelijke werkzaamheid hier te lande;
d.
ten aanzien van echtgenoten en overige
gezinsleden van de in het tweede lid en
van de in dit lid, onderdeel b en c,
bedoelde personen.
HOOFDSTUK
III
De kinderbijslag
§
1. Het recht op kinderbijslag
Art.
7 [7]. [MvT]
-1. De verzekerde heeft overeenkomstig
de bepalingen van deze wet - te
rekenen van het derde dier kinderen -
recht op kinderbijslag voor zijn eigen
en aangehuwde kinderen en pleegkinderen
die:
a.
jonger dan 16 jaar zijn en tot zijn
huishouden behoren;
b.
jonger dan 16 jaar zijn, tot het
huishouden behoren van degene met wie
hij gehuwd is geweest of van degene met
wie hij gehuwd is doch van wie hij
duurzaam gescheiden leeft en die
grotendeels op zijn kosten worden
onderhouden;
c.
jonger dan 16 jaar zijn, niet als eigen
kind, aangehuwd kind of pleegkind tot
het huishouden van een ander behoren en
die in belangrijke mate op zijn kosten
worden onderhouden;
d.
16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar
zijn, wier voor werkzaamheden
beschikbare tijd grotendeels in beslag
wordt genomen door of in verband met het
volgen van onderwijs of van een
beroepsopleiding en die in belangrijke
mate op zijn kosten worden onderhouden;
e.
16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar
zijn, tengevolge van ziekte of gebreken
vermoedelijk in het eerstkomende jaar
buiten staat zullen zijn om een derde te
verdienen van hetgeen lichamelijk en
geestelijk gezonde kinderen die
overigens in
gelijke omstandigheden verkeren, kunnen
verdienen en die in belangrijke mate op
zijn kosten worden onderhouden.
-2.
Een kind wordt als pleegkind beschouwd
indien het als een eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
-3. Onze Minister
kan regelen stellen naar
welke wordt beoordeeld of:
a.
een kind in belangrijke mate op kosten
van de verzekerde wordt onderhouden;
b.
een kind buiten staat zal zijn om een
derde te verdienen van hetgeen
lichamelijk en geestelijk gezonde
kinderen die overigens in gelijke
omstandigheden verkeren, kunnen
verdienen.
Art.
8 [8]. [MvT]
Onze Minister kan bepalen in welke
gevallen:
a. een kind dat niet hier te
lande woont, niet wordt gerekend tot de
kinderen waarvoor de verzekerde - te
rekenen van het derde kind - recht op kinderbijslag
heeft;
b.
een kind te wiens aanzien niet wordt
voldaan aan het bepaalde in artikel
7 [7],
tweede lid, nochtans met een pleegkind
wordt gelijkgesteld;
c. een verzekerde
geacht wordt met een kind, bedoeld onder
b, een huishouden te vormen.
Art.
9 [9]. [MvT]
Voor het vaststellen van het aantal kinderen waarvoor - te rekenen van
het derde kind - recht op kinderbijslag
beslaat, wordt een kind
vallende onder artikel 7
[7], eerste lid, onderdeel d of e, voor twee kinderen
geteld
indien dat kind grotendeels op kosten
van de verzekerde wordt onderhouden.
Art.
10 [11]. [MvT]
Voor het vaststellen van het
aantal kinderen waarvoor over een
kalenderkwartaal recht op kinderbijslag
bestaat, worden slechts in aanmerking
genomen de kinderen te wier aanzien aan
de voorwaarden, genoemd in artikel
7 [7]
juncto de artikelen 8
[8] en 9 [9], is voldaan
op de eerste dag van dat kwartaal.
Art.
11 [12]. [MvT]
-1. Ten aanzien van degene
die gedurende een geheel
kalenderkwartaal ingevolge deze wet
verzekerd is, bedraagt de kinderbijslag
over dat kwartaal:
a. voor het eerste
kind van het in artikel 10
[11] bedoelde
aantal kinderen ƒ50,70;
b. voor het
tweede en het derde kind van het in
artikel 10 [11]
bedoelde aantal kinderen ƒ70,98 per kind;
c. voor het vierde kind
en de volgende kinderen van het in
artikel 10 [11]
bedoelde aantal kinderen ƒ79,56 per kind.
-2. Ten aanzien van degene die niet gedurende een geheel
kalenderkwartaal ingevolge deze wet
verzekerd is, bedraagt de kinderbijslag
over elke dag - uitgezonderd de
zondagen - waarop hij in dat
kwartaal verzekerd is 1/78 deel van de
in het eerste lid genoemde bedragen.
-3.
Ten aanzien van degenen die verzekerd
zijn ingevolge artikel 6
[6], eerste lid, onderdeel b, en derde lid, kan
Onze Minister
bepalen in welke gevallen wel over
zondagen kinderbijslag wordt uitgekeerd.
§ 2.
Uitbetaling van de kinderbijslag
Art.
12 [14]. [MvT]
-1. De kinderbijslag
wordt
driemaandelijks op aanvraag uitbetaald.
-2. De aanvraag om kinderbijslag wordt
ingediend ter plaatse door Onze Minister
aangegeven en geschiedt op een formulier waarvan het model wordt
vastgesteld door de Sociale
Verzekeringsbank.
-3. De Sociale
Verzekeringsbank is bevoegd uitkeringen
welke ten laste komen van derden en
welke naar aard en strekking
overeenkomen of verband houden met de in
deze wet geregelde uitkering, op verzoek
van die derden en te hunnen laste aan de
belanghebbende persoon uit te betalen.
-4.
Onze Minisier kan ter uitvoering van het
bepaalde in het eerste en tweede lid
nadere regelen stellen. Onze Minister
kan tevens regelen stellen welke
afwijken van het bepaalde in het eerste
en tweede lid, met dien verstande
evenwel dat de uitbetaling van de
kinderbijslag ten minste eenmaal in de
drie maanden geschiedt.
Art.
13 [-]. [MvT]
-1. Indien over eenzelfde tijdvak
ingevolge deze wet voor beide
echtgenoten recht op kinderbijslag
bestaat voor een tot hun huishouden
behorend kind dat jonger is dan 16 jaar, wordt de
kinderbijslag waarop de
echtgenote recht heeft slechts
uitbetaald voor zover deze het bedrag
van de kinderbijslag waarop de
echtgenoot recht heeft te boven gaat;
de met inachtneming van het bepaalde in
de vorige volzin aan de echtgenote
toekomende kinderbijslag kan aan de
echtgenoot worden uitbetaald.
-2.
Indien over eenzelfde tijdvak voor
hetzelfde kind dat jonger is dan 16 jaar ingevolge deze wet recht op
kinderbijslag bestaat, enerzijds voor
een verzekerde tot wiens huishouden dit
kind behoort en anderzijds voor een
verzekerde die dit kind grotendeels op
zijn kosten onderhoudt, wordt de
kinderbijslag aan de eerstbedoelde
verzekerde slechts uitbetaald voor
zover deze het bedrag van de
kinderbijslag van de laatstbedoelde
verzekerde te boven gaat.
Art.
14 [-]. [MvT]
-1. Indien over eenzelfde tijdvak
voor hetzelfde kind dat jonger is dan
16 jaar recht op kinderbijslag
bestaat
ingevolge deze wet voor een verzekerde
en ingevolge de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden voor een arbeider tot
wier beider huishouden dit kind behoort,
wordt de kinderbijslag ingevolge deze
wet slechts uitbetaald voor zover deze
het bedrag van de kinderbijslag
ingevolge de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden te boven gaat. De met
inachtneming van het bepaalde in de
vorige volzin ingevolge deze wet
verschuldigde kinderbijslag kan worden
uitbetaald aan degene aan wie de
kinderbijslag ingevolge de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
wordt uitbetaald.
-2.
Indien over eenzelfde tijdvak ingevolge
deze wet voor een verzekerde recht op
kinderbijslag voor een tot zijn
huishouden behorend kind dat jonger is
dan 16 jaar bestaat, alsmede ingevolge
de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
voor een arbeider die dit kind
grotendeels op zijn kosten onderhoudt,
wordt de kinderbijslag ingevolge deze
wet slechts uitbetaald voor zover deze
het bedrag van de kinderbijslag
ingevolge de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden te boven gaat.
-3. Onze Minister
kan ter voorkoming van
dubbele kinderbijslag, alsmede ter
voorkoming van uitkering van
kinderbijslag over meer dan 78 dagen in
eenzelfde kalenderkwartaal, nadere en zo
nodig van het bepaalde in dit en het
vorige artikel [-] afwijkende regelen
vaststellen.
Art.
15 [20]. [MvT]
Indien ten aanzien van hetzelfde
kind kinderbijslag
kan worden ontvangen
ingevolge deze wet en ingevolge een
rechtens geldende regeling bestaande in
een ander land, kan Onze Minister
nadere
en eventueel afwijkende regelen stellen
ter voorkoming van dubbele
kinderbijslag.
Art.
16 [21]. [MvT]
-1. Indien de Sociale
Verzekeringsbank van oordeel is dat
redelijkerwijs niet is te verwachten
dat de kinderbijslag
ten goede zal
komen aan het kind waarvoor deze wordt
verstrekt, is zij bevoegd op verzoek of
met gunstig advies van een raad voor de
kinderbescherming de kinderbijslag betaalbaar te stellen aan een ander
dan de rechthebbende.
-2.
Indien de verzekerde nalaat een aanvraag
om kinderbijslag in te dienen, kan deze
aanvraag geschieden door een raad voor
de kinderbescherming, die tevens de
Sociale Verzekeringsbank adviseert aan
wie de kinderbijslag betaalbaar kan
worden gesteld.
Art.
17 [-]. [MvT]
Indien de verzekerde geen redelijke medewerking verleent tot het verkrijgen
van inlichtingen welke voor een juiste
beoordeling van het recht op kinderbijslag
nodig zijn, kan de Sociale Verzekeringsbank
beslissen dat hem geen
dan wel slechts een gedeelte van de
kinderbijslag wordt uitbetaald.
Art.
18 [23]. [MvT]
-1. De kinderbijslag
is:
a.
onvervreemdbaar;
b.
niet vatbaar voor verpanding of
belening;
c.
behoudens voor zoveel dit dient tot
verhaal van een uitkering tot onderhoud
van het kind, niet vatbaar voor
executoriaal of conservatoir beslag,
noch voor faillissementsbeslag.
-2.
Volmacht tot ontvangst van
kinderbijslag, onder welke vorm of welke
benaming ook door de verzekerde
verleend, is steeds herroepelijk.
-3.
Elk beding strijdig met enige bepaling
van dit artikel is nietig.
Art.
19 [22+24].
[MvT]
-1. Kinderbijslag welke niet is
ingevorderd binnen twee jaren na de dag
der betaalbaarstelling, wordt niet meer
uitbetaald.
-2.
Ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag
kan, behoudens het bepaalde in het
volgende lid, niet worden teruggevorderd
of op later betaalbaar te stellen
kinderbijslag in mindering worden
gebracht.
-3.
Ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag
kan gedurende twee jaren na de dag der
betaalbaarstelling worden teruggevorderd of op later betaalbaar
te stellen kinderbijslag ingevolge deze
wet, de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden. de Kinderbijslagwet
voor wezenrentetrekkers of ingevolge de algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in artikel 5 van de Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden, in mindering worden
gebracht, indien degene ten name van
wie de kinderbijslag betaalbaar werd
gesteld redelijkerwijs kon weten dat
ten onrechte kinderbijslag of een te
hoog bedrag aan kinderbijslag werd
uitbetaald.
-4.
De rechtsvordering wegens uitkering
verjaart door verloop van twee jaren na
afloop van het kalenderkwartaal
waarover recht op kinderbijslag
bestaat.
HOOFDSTUK
IV
De op te brengen middelen
Art.
20 [-]. [MvT]
-1. De middelen tot dekking van de
ingevolge deze wet uit te keren kinderbijslagen en van de aan de
uitvoering van deze wet verbonden
kosten worden gevonden door het heffen
van premies van de verzekerden.
-2.
Aan de heffing van premie is niet
onderworpen:
a.
de verzekerde die de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt;
b.
de gehuwde man wiens echtgenote in
verband met het bepaalde
in artikel 7, tweede lid, onderdeel c, of
artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet
recht op ouderdomspensioen
heeft.
Art.
21 [-]. [MvT]
-1. De premies worden gestort in een
door de Sociale
Verzekeringsbank te
beheren Algemeen Kinderbijslagfonds.
-2.
De ingevolge deze wet uit te keren kinderbijslagen en de aan de uitvoering
van deze wet verbonden kosten komen ten
laste van het Algemeen
Kinderbijslagfonds.
Art.
22 [-]. [MvT]
Onze Minister stelt, gehoord de
Sociale Verzekeringsraad, voorschriften
vast met betrekking tot de belegging van
de gelden van het Algemeen Kinderbijslagfonds.
Art.
23 [-]. [MvT]
-1. De premie wordt,
met inachtneming van het bepaalde in de
volgende leden, geheven naar de maatstaf
van het door de verzekerde in een
kalenderjaar genoten inkomen en
vastgesteld in een percentage van dat
inkomen. Ten aanzien van degene die
slechts een gedeelte van een
kalenderjaar aan de heffing van premie
is onderworpen, treedt dit gedeelte voor
het kalenderjaar in de plaats.
-2. Onder
inkomen wordt verstaan:
a. indien de
verzekerde ingezetene is: het zuiver
inkomen in de zin van het Besluit op de
Inkomstenbelasting 1941, vermeerderd
met de ingevolge deze wet en de
ingevolge de Algemene Ouderdomswet
verschuldigde premies en verminderd met:
1º.
de op de voet van dat besluit aftrekbare
buitengewone lasten en giften;
2º.
het bedrag dat op de voet van artikel
45, eerste lid, tweede volzin, van dat besluit in mindering wordt
gebracht
indien de verzekerde als invalide
aanspraak heeft op de in die bepaling
bedoelde aftrek;
3º.
de ingevolge deze wet uitgekeerde kinderbijslagen;
4º.
de ingevolge de Algemene Ouderdomswet
uitgekeerde pensioenen;
b.
indien de verzekerde geen ingezetene is:
het binnenlands zuiver inkomen in de zin
van het Besluit op de Inkomstenbekisting 1941, vermeerderd
met de ingevolge deze wet en de
ingevolge de Algemene Ouderdomswet
verschuldigde premies en verminderd met:
1º.
het bedrag dat op de voet van artikel
45, eerste lid, tweede volzin, van dat besluit in mindering wordt
gebracht
indien de verzekerde als invalide
aanspraak heeft op de in die bepaling
bedoelde aftrek;
2º.
de ingevolge deze wet uitgekeerde
kinderbijslagen;
3º.
de ingevolge de Algemene Ouderdomswet
uitgekeerde pensioenen.
-3.
Voor de toepassing van het bepaalde in
het vorige lid zijn de artikelen 2,
eerste lid, tweede volzin, en tweede
lid, 51, vijfde lid, en 51a, vijfde lid,
van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 van
overeenkomstige toepassing. Het bepaalde
in de vorige volzin geldt niet ten
aanzien van de gehuwde vrouw die zelf
of wier echtgenoot niet ingevolge deze
wet verzekerd is noch de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt. Voor de toepassing
van het bepaalde in het vorige lid is
voorts artikel 43 van het Besluit op de
Inkomstenbelasting 1941 van
overeenkomstige toepassing.
-4.
Voor zoveel de premie ingevolge het
tweede lid van artikel 27
[-] bij wijze van
inhouding wordt geheven, geldt, in
afwijking van het tweede lid, als
inkomen het loon dan wel de inkomsten
welke voor de heffing van de
loonbelasting of een daarmede
overeenkomende voorheffing in aanmerking
worden genomen, één en ander verminderd
met:
a.
het bedrag dat wegens kosten van
verwerving en persoonlijke
verplichtingen in de loonbelastingtabel
is verwerkt;
b.
het bedrag dat krachtens beslissing van
de inspecteur der belastingen in
mindering moet worden gebracht wegens
hogere kosten van verwerving en
persoonlijke verplichtingen, voor zover
dat bedrag geen betrekking heeft op
ingevolge deze wet en ingevolge de
Algemene Ouderdomswet verschuldigde
premies;
c.
het bedrag dat krachtens beslissing van
de inspecteur der belastingen in
mindering moet worden gebracht wegens
buitengewone lasten en giften;
d.
het bedrag dat op de voet van artikel 7b. eerste lid, van het Besluit op de
Loonbelasting 1940 in mindering wordt
gebracht indien de verzekerde als
invalide aanspraak heeft op de in die
bepaling bedoelde aftrek;
e.
de aanspraak op kinderbijslag ingevolge
deze wet;
f. de ingevolge de Algemene
Ouderdomswet uitgekeerde pensioenen.
-5.
Het inkomen van de verzekerde van wie
de premie ingevolge het tweede lid van
artikel 27 [-] geheel of gedeeltelijk bij
wijze van inhouding wordt geheven, wordt
verminderd met de kinderbijslag waarop
hij over de periode waarop de inhouding
betrekking heeft, ingevolge de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
aanspraak heeft of aanspraak zou hebben
gehad indien de bepalingen van hoofdstuk II van die wet op hem van
toepassing zouden zijn geweest.
-6.
Indien het inkomen, eventueel verminderd
ingevolge het voorgaande lid, per jaar
meer bedraagt dan het in artikel
26,
zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet
genoemde bedrag, wordt over dat
meerdere geen premie geheven. Het in de
vorige volzin bedoelde bedrag wordt naar
tijdsruimte evenredig verlaagd ten
aanzien van:
a.
degene die niet het gehele jaar aan de
heffing van premie is onderworpen;
b.
de vrouw te wier aanzien in de loop van
een jaar de toepassing van het bepaalde
in de eerste volzin van het derde lid
van dit artikel een aanvang neemt dan
wel eindigt.
-7. Onze Minister
en Onze Minister van
Financiën kunnen met betrekking tot
hetgeen in dit artikel is bepaald nadere
regelen stellen.
Art.
24 [-]. [MvT]
Indien het in artikel 26, zesde lid.
van de Algemene Ouderdomswet genoemde
bedrag wordt herzien, treedt dat
herziene bedrag in de plaats van het
bedrag, bedoeld in het zesde lid van het
vorige artikel [-].
Art.
25 [-]. [MvT]
Het in het eerste lid van artikel 23 [-] bedoelde premiepercentage wordt door de
Sociale Verzekeringsbank onder
goedkeuring van Onze Minister, gehoord
de Sociale Verzekeringsraad,
vastgesteld. Indien Onze Minister aan
het door de Sociale Verzekeringsbank
vastgestelde premiepercentage zijn
goedkeuring onthoudt, stelt hij het
premiepercentage vast.
Art.
26 [-]. [MvT]
-1. Onze Minister van Financiën is
bevoegd om, met inachtneming van het
vastgestelde premiepercentage, de
ingevolge deze wet verschuldigde premies
te doen berekenen volgens tabellen
welke, wat de grootte van de
tariefklassen betreft, in
overeenstemming zijn met de
tariefklassen - voor zover aanwezig - van de
inkomstenbelastingtabel of,
voor zoveel de premies ingevolge het
tweede lid van artikel 27
[-] bij wijze van
inhouding worden geheven, met de
tariefklassen - voor zover aanwezig - van de loonbelastingtabellen.
-2.
Bij het opstellen van de tabellen welke
betrekking hebben op de bij wijze van
inhouding te heffen premies wordt het
bedrag, bedoeld in artikel
23 [-], vierde
lid, onderdeel a, in het premiebedrag
verwerkt en blijft dit bedrag bij het
bepalen van het inkomen buiten
aanmerking. Voorts kunnen deze tabellen
in dier voege worden vastgesteld dat:
a.
de in het vierde lid, onderdeel e, en het
vijfde lid van artikel 23
[-] bedoelde
verminderingen daarin op zodanige wijze
zijn verwerkt dat nevens het bedrag
aan inkomen waarop die verminderingen
niet zijn toegepast terstond het
premiebedrag is vermeld;
b.
één of meer positieve of negatieve
bestanddelen van het inkomen daarin op
zodanige wijze zijn verwerkt - al dan
niet tot een gemiddeld bedrag - dat
nevens het bedrag aan inkomen waarin
die bestanddelen niet zijn opgenomen
terstond het premiebedrag is vermeld.
-3.
Bij het opstellen van de in de
voorgaande leden bedoelde tabellen
brengt Onze Minister van Financiën de
door hem nodig geachte afrondingen en
interpolaties aan.
Art.
27 [-]. [MvT]
-1. Tenzij bij of krachtens deze wet
anders is bepaald, geschiedt de heffing
van de ingevolge deze wet verschuldigde
premies, onder verrekening van eventueel
krachtens het tweede lid geheven
premies, bij wege van aanslag en met
overeenkomstige toepassing van de voor
de heffing van de inkomstenbelasting
geldende regelen.
-2.
Voor zoveel de verzekerde aan de
loonbelasting of een daarmede
overeenkomende voorheffing is
onderworpen, worden de ingevolge deze
wet verschuldigde premies bij wijze van
inhouding geheven en zijn dienaangaande
de voor de heffing van de loonbelasting
geldende regelen van overeenkomstige
toepassing. Het bepaalde in het vorige
lid blijft alsdan buiten toepassing in
de gevallen waarin voor de heffing van
de inkomstenbelasting uit hoofde van de
inhouding van de loonbelasting of een
daarmede overeenkomende voorheffing geen
aanslag wordt vastgesteld.
-3.
Ten aanzien van de invordering van de
ingevolge deze wet verschuldigde premies
zijn de regelen geldende voor de
invordering van 's Rijks directe
belastingen van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat
krachtens het tweede lid
opgelegde aanslagen binnen één maand
na de dagtekening van het aanslagbiljet
moeten worden voldaan.
-4.
Voor zover de ingevolge de Algemene
Ouderdomswet en de ingevolge deze wet
verschuldigde premies van de verzekerden in één bedrag worden
geheven, wordt elke premie-inhouding,
elke afdracht van ingehouden premie en
elke betaling, vermindering of
afschrijving op een premieaanslag van
rechtswege geacht naar evenredigheid
van de premiepercentages ingevolge de
Algemene Ouderdomswet en ingevolge deze
wet betrekking te hebben op de ingevolge
elk dezer wetten verschuldigde premie.
-5. Onze Minister
en Onze Minister van
Financiën geven voorschriften inzake de
afdracht van de door de Rijksbelastingdienst
ten behoeve van
het Algemeen Kinderbijslagfonds geïnde
premies.
-6.
Onze Minister en Onze Minister van
Financiën kunnen ten aanzien van
personen die krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 6 [6], derde lid, of krachtens een
overeenkomst met een andere Mogendheid
ingevolge deze wet verzekerd zijn,
regelen stellen welke afwijken van
artikel 23 [-] en van dit artikel.
Art.
28 [-]. [MvT]
-1. Van verzekerden van wie premie
bij wege van aanslag wordt geheven en
die voor de heffing van de
inkomstenbelasting in tariefgroep 1
zijn gerangschikt, wordt de premie, voor
zover deze niet bij wijze van inhouding
is geheven, niet ingevorderd indien het
inkomen, eventueel na de vermindering,
bedoeld in artikel 23
[-], vijfde lid,
minder bedraagt dan 1500 gulden per
jaar.
-2.
Van verzekerden van wie premie bij wege
van aanslag wordt geheven en die voor de
heffing van de inkomstenbelasting in
tariefgroep II of III zijn gerangschikt,
wordt de premie, voor zover deze niet
bij wijze van inhouding is geheven, niet
ingevorderd indien het inkomen,
eventueel na de vermindering, bedoeld in
artikel 23 [-], vijfde lid, minder bedraagt
dan 2100 gulden per jaar.
-3.
Van verzekerden van wie premie bij wege
van aanslag wordt geheven en wier
inkomen, eventueel na de vermindering,
bedoeld in artikel 23
[-], vijfde lid, het
in de voorgaande leden voor hen
aangegeven bedrag met niet meer dan 1000
gulden overtreft, wordt de premie, voor
zover deze niet bij wijze van inhouding
is geheven, overeenkomstig bij of
krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regelen, gedeeltelijk
ingevorderd.
-4.
Ten aanzien van verzekerden die
pensioen of daarmede gelijk te stellen
inkomsten genieten, vindt in de bij
algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen gevallen het bepaalde in de
voorgaande leden, met inachtneming van
de bij die algemene maatregel van
bestuur aan te geven wijzigingen welke
de aard van het onderwerp vordert,
overeenkomstige toepassing met
betrekking tot de premie die naar de
maatstaf van die inkomsten bij wijze
van inhouding wordt geheven.
-5.
Het bepaalde in de vorige leden geldt
niet indien de verzekerde over het jaar waarover de premie is
verschuldigd in aanmerking komt voor
een aanslag in de vermogensbelasting.
-6.
Ten aanzien van:
a.
degene die niet het gehele jaar aan de
heffing van premie is onderworpen; en
b.
de vrouw te wier aanzien in de loop van
een jaar de toepassing van het bepaalde
in de eerste volzin van het derde lid
van artikel 23 [-] een aanvang neemt dan wel
eindigt;
wordt,
ter bepaling of ingevolge het bij of
krachtens het eerste, tweede en derde
lid bepaalde de premies niet of
gedeeltelijk worden ingevorderd, het
inkomen over een gedeelte van een jaar
volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regelen
herleid tot inkomen over één jaar.
-7.
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen de in het eerste, tweede en derde
lid genoemde bedragen worden gewijzigd.
Art.
29 [-]. [MvT]
-1. De premies of de gedeelten van de
premies welke op grond van het bepaalde
in artikel 28 [-] niet van de
verzekerden
worden ingevorderd, komen ten laste van
het Rijk.
-2. Onze Minister
en Onze Minister van
Financiën stellen, gehoord de Sociale
Verzekeringsbank, ter zake van het bepaalde in het vorige lid nadere
regelen. Bij deze regelen wordt tevens
bepaald op welke wijze het ingevolge het
bepaalde in het vorige lid ten laste van
het Rijk komende bedrag wordt
vastgesteld.
-3.
Voor zover de premie, anders dan op
grond van het bepaalde in artikel
28 [-],
niet van de verzekerde wordt
ingevorderd, komt deze ten laste van
het Rijk, indien en voor zover de
Sociale Verzekeringsbank niet ingevolge
artikel 33, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet heeft beslist dat met
betrekking tot het nalaten van de
betaling van ingevolge die wet over
eenzelfde tijdvak verschuldigde premie
sprake is van een schuldig nalaten.
HOOFDSTUK
V
Vrijstelling
wegens gemoedsbezwaren
Art.
30 [-]. [MvT]
-1. Degene die gemoedsbezwaren heeft
tegen de in deze wet geregelde
verzekering kan met inachtneming van
bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regelen en voorwaarden door de
Sociale Verzekeringsbank worden
vrijgesteld van de bij die maatregel
aan te wijzen verplichtingen welke hem
bij of krachtens deze wet zijn opgelegd.
-2.
De Sociale Verzekeringsbank doet aan de
inspecteurs der belastingen mededeling
van degenen binnen hun ambtsgebied aan
wie een vrijstelling als in het eerste
lid bedoeld is verleend.
-3.
Indien krachtens het bepaalde in het
eerste lid aan een verzekerde
vrijstelling van premiebetaling is
verleend, verhoogt de inspecteur der
belastingen de aan hem over het
desbetreffende kalenderjaar op te
leggen aanslag in de inkomstenbelasting
met het bedrag dat van hem, ware de
vrijstelling niet verleend, als premie
had moeten worden geheven.
-4.
Indien de in het voorgaande lid bedoelde
aanslag in de inkomstenbelasting reeds
ten kohiere is gebracht, wordt de
verhoging van de verzekerde nagevorderd.
Hetzelfde vindt plaats indien besloten
was geen aanslag op te leggen of de
opgelegde aanslag was vernietigd.
Navordering heeft plaats door het ten
kohiere brengen van een nadere aanslag
wegens de verhoging.
-5.
Voor zoveel de in het derde lid bedoelde
verzekerde aan de loonbelasting of een
daarmede overeenkomende voorheffing is
onderworpen, verhoogt degene die de
inhouding verricht de van de
desbetreffende verzekerde in te houden
belasting met het bedrag dat van hem,
ware de vrijstelling niet verleend, als
premie had moeten worden ingehouden.
-6.
Artikel 27 [-], eerste, tweede, derde en
vierde lid, vindt ten aanzien van de in
de drie voorgaande leden bedoelde
verhogingen overeenkomstige toepassing.
Voorts vindt ten aanzien van de in het
derde en vierde lid bedoelde verhoging
artikel 28 [-] overeenkomstige toepassing.
-7.
Indien krachtens het bepaalde in het
eerste lid aan degene die ingevolge
deze wet gehouden is premie van
verzekerden in te houden vrijstelling
van deze verplichting is verleend,
verhoogt deze de van de verzekerden in
te houden belasting met het bedrag dat
hij van hen, ware de vrijstelling niet
verleend, als premie had moeten
inhouden. Het bepaalde in artikel
27 [-],
tweede, derde en vierde lid, is ten
aanzien van deze verhoging van
overeenkomstige toepassing.
-8.
Een bedrag ter grootte van hetgeen
ingevolge het bepaalde in het
voorgaande lid als hogere belasting van
een verzekerde is ingehouden, wordt
verrekend met de door die verzekerde
eventueel bij wege van aanslag
verschuldigde premie.
-9.
Hetgeen krachtens het bepaalde in het
derde en vierde lid door verhoging van de
aanslag in de inkomstenbelasting is
geheven, wordt als inkomstenbelasting
verantwoord. Voor de toepassing van de
bepalingen van het Besluit op de
Inkomstenbelasting 1941
wordt de verhoging evenwel niet als een
aanslag of een deel van een aanslag
beschouwd.
-10.
Hetgeen krachtens het bepaalde in het
vijfde en zevende lid als hogere belasting is
ingehouden, wordt als loonbelasting
verantwoord, doch overigens voor de
toepassing van het Besluit op de
Inkomstenbelasting 1941 en van het
Besluit op de Loonbelasting 1940 niet
als loonbelasting beschouwd.
-11.
Het bedrag aan premie dat een
verzekerde verschuldigd zou zijn geweest indien hem niet krachtens het
eerste lid vrijstelling van
premiebetaling zou zijn verleend,
alsmede het bedrag aan premie dat degene aan wie vrijstelling van de
verplichting om van verzekerden premie
in te houden, is verleend, had moeten
inhouden indien hem daarvan geen
vrijstelling zou zijn verleend, komt
voor rekening van het Rijk.
-12.
Bij de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, worden tevens
geregeld de verdere gevolgen welke aan
het verlenen van vrijstelling wegens
gemoedsbezwaren zijn verbonden, alsmede
de gevallen waarin de vrijstelling
wordt of kan worden ingetrokken en de
aan die intrekking verbonden gevolgen.
HOOFDSTUK
VI
Het
verstrekken van inlichtingen
Art.
31 [15]. [MvT]
-1. Ieder is verplicht aan de Sociale
Verzekeringsbank, de Raad van Arbeid,
de Rijksbelastingdienst, de
Rijksinspectie van de
Bevolkingsregisters, het gemeentebestuur
of aan een daartoe door of vanwege één
van deze instanties aangewezen persoon
de ten behoeve van de uilvoering van
deze wet van hem verlangde inlichtingen
te geven.
-2.
De inlichtingen moeten, indien dit wordt
verzocht, schriftelijk worden verstrekt
binnen een door een in het eerste lid
bedoelde instantie of persoon
schriftelijk te stellen termijn.
-3.
Ieder is verplicht aan een in het eerste
lid bedoelde instantie of aan een door
of vanwege deze daartoe aangewezen
persoon desgevraagd inzage te verlenen
van boeken, bescheiden en andere
stukken, voor zover dit nodig is ten
behoeve van de uitvoering van deze wet.
Art.
32 [-]. [MvT]
-1. De bedrijfsverenigingen en het
Gemeenschappelijk Administratiekantoor,
bedoeld in de Organisatiewet Sociale
Verzekering, zijn gehouden aan een in
het eerste lid van het vorige artikel
[15] bedoelde instantie of aan een door of
vanwege deze daartoe aangewezen persoon
kosteloos de inlichtingen welke ten
behoeve van de uitvoering van deze wet
worden verlangd, te verstrekken en toe
te zenden.
-2.
Publiekrechtelijke lichamen zijn
verplicht op de door Onze Minister
en
Onze Minister van Binnenlandse Zaken,
Bezitsvorming en Publiekrechtelijke
Bedrijfsorganisatie aan te geven wijze
kosteloos hun medewerking te verlenen
tot het verkrijgen van de inlichtingen
benodigd voor de uitvoering van deze
wet.
-3.
Alle ambtenaren tot afgifte van
uittreksels uit registers van de
burgerlijke stand bevoegd zijn
verplicht aan een in het eerste lid van
het vorige artikel bedoelde instantie de
door deze gevraagde uittreksels uit die
registers kosteloos toe te zenden.
HOOFDSTUK
VII
Bezwaar
en beroep
Art.
33 [30]. [MvT]
-1. Aan de belanghebbende wordt,
desverlangd, schriftelijk kennis gegeven
van een beslissing ingevolge deze wet
welke verband houdt met het recht op en
de uitbetaling van kinderbijslag. In de
gevallen, bedoeld in artikel
16 [21], wordt
de raad voor de kinderbescherming mede
als belanghebbende beschouwd.
-2.
Een kennisgeving als in het vorige lid
bedoeld, vermeldt de dagtekening van de
beslissing, de gronden waarop deze
berust, alsmede naam en adres van het
college waarbij ingevolge het bepaalde
in het volgende artikel
[31] beroep kan
worden ingesteld en de termijn van
beroep.
Art.
34 [31]. [MvT]
-1. Tegen een beslissing waarvan
ingevolge het bepaalde in het vorige
artikel [30]
schriftelijk kennis wordt
gegeven, staat voor de belanghebbende
beroep open.
-2.
Over het in het vorige lid bedoelde
beroep wordt geoordeeld door de raden
van beroep en door de Centrale
Raad van Beroep, bedoeld in de Beroepswet.
-3.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad
van Beroep kan ieder der partijen beroep
in cassatie instellen ter zake van
schending of verkeerde toepassing van
het bepaalde bij of krachtens één der
artikelen 1 [1], tweede en derde lid,
2 [2], 3 [3],
6 [6], 7 [7]
en 9 [9].
-4.
Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie
tegen uitspraken van de gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van
overeenkomstige toepassing, waarbij de
Centrale Raad van Beroep de plaats
inneemt van een gerechtshof.
Art.
35 [32]. [MvT]
-1. Voor zover in de volgende leden
niet anders is bepaald, zijn, naargelang de ingevolge deze wet
verschuldigde premies bij wege van
aanslag dan wel bij wijze van inhouding
worden geheven, de voor de heffing van
de inkomstenbelasting,
onderscheidenlijk de loonbelasting,
geldende regelen inzake de
rechtsmiddelen van overeenkomstige
toepassing.
-2.
De inspecteur der belastingen doet op
een bezwaarschrift eerst uitspraak nadat
is komen vast te staan dat geen feiten
en omstandigheden in geding zijn welke
tevens van belang zijn voor de heffing
van inkomstenbelasting, loonbelasting of
een met de loonbelasting overeenkomende
voorheffing ten laste van
belanghebbende, dan wel, voor zover
zulks wel het geval is, de beslissing
daaromtrent voor de heffing van die
belastingen onherroepelijk is geworden.
-3.
Met betrekking tot een
navorderingsaanslag welke geheel of
gedeeltelijk berust op feiten die mede
tot het opleggen van een
navorderingsaanslag in één van de in het
vorige lid bedoelde belastingen ten
laste van belanghebbende aanleiding
hebben gegeven, neemt de termijn voor
het instellen van beroep eerst een
aanvang op de datum waarop
laatstbedoelde navorderingsaanslag
onherroepelijk is komen vast te staan.
-4.
Tegen hetgeen omtrent de toepassing van
de artikelen 1 [1], tweede en derde lid,
2 [2] en 3
[3], alsmede omtrent het zuiver inkomen in de zin van het Besluit op de
Inkomstenbelasting 1941, dan wel het
loon of de inkomsten welke voor de
heffing van de loonbelasting of een
daarmede overeenkomende voorheffing in
aanmerking worden genomen, voor de
heffing van die belastingen
onherroepelijk is komen vast te staan,
is beroep niet toegelaten.
HOOFDSTUK
VIII
Strafbepalingen
Art.
36 [33]. [MvT]
Hij die niet voldoet aan één der
verplichtingen, bedoeld in artikel
31 [15],
wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste zes maanden of geldboete van ten
hoogste 600 gulden.
Art.
37 [34]. [MvT]
Hij die op grond van bij of
krachtens deze wet vastgestelde
bepalingen gehouden is inlichtingen of
gegevens te verstrekken, een aangifte of
mededeling te doen of een verklaring af
te leggen en daarbij opzettelijk een
valse opgave doet dan wel opzettelijk in
strijd met bedoelde gehoudenheid iets
verzwijgt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee
jaren.
Art.
38 [35]. [MvT]
Hij die op andere wijze dan door het
valselijk opmaken of vervalsen van een
geschrift dat bestemd is om tot bewijs
van enig feit te dienen opzettelijk een
opgave in strijd met de waarheid doet,
zulks met het oogmerk om aldus een
uitkering of een hogere uitkering
ingevolge deze wet te verkrijgen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren.
Art.
39 [36]. [MvT]
Overtreding van bepalingen van een
krachtens deze wet uitgevaardigde
algemene maatregel van bestuur, voor
zover uitdrukkelijk als strafbaar feit
in de zin van dit artikel aangeduid,
wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste één maand of geldboete van ten
hoogste 100 gulden.
Art.
40 [-]. [MvT]
-1. Indien een bij of krachtens deze
wet strafbaar gesteld feit wordt
gepleegd door of vanwege een
rechtspersoon, een vennootschap, enige
andere vereniging van personen of een
doelvermogen, wordt de strafvervolging
ingesteld en worden de straffen en
maatregelen uitgesproken hetzij tegen
die rechtspersoon, die vennootschap, die
vereniging of dat doelvermogen, hetzij
tegen hen die tot het feit opdracht
hebben gegeven of die feitelijk leiding
hebben gehad bij het verboden handelen
of nalaten, hetzij tegen beiden.
-2.
Een bij of krachtens deze wet strafbaar
gesteld feit wordt onder meer gepleegd
door of vanwege een rechtspersoon, een
vennootschap, een vereniging van
personen of een doelvermogen indien het
gepleegd wordt door personen die hetzij
uit hoofde van een dienstbetrekking,
hetzij uit anderen hoofde handelen in de
sfeer van de rechtspersoon, de
vennootschap, de vereniging of het
doelvermogen, ongeacht of deze personen
ieder afzonderlijk het strafbaar feit
hebben gepleegd dan wel bij hen
gezamenlijk de elementen van dat feit
aanwezig zijn.
-3.
Indien een strafvervolging wordt
ingesteld tegen een rechtspersoon, een
vennootschap, een vereniging van
personen of een doelvermogen, wordt deze
tijdens de vervolging vertegenwoordigd
door de bestuurder en, indien er meer
bestuurders zijn, door één dezer. De
vertegenwoordiger kan bij gemachtigde
verschijnen. Het gerecht kan de
persoonlijke verschijning van een
bepaalde bestuurder bevelen; het kan
alsdan zijn medebrenging gelasten.
-4.
Indien een strafvervolging wordt
ingesteld tegen een rechtspersoon, een
vennootschap, een vereniging van
personen of een doelvermogen, vindt
artikel 538, onder 2º, van het Wetboek
van Strafvordering overeenkomstige
toepassing.
Art.
41 [37]. [MvT]
Met het opsporen van de bij of
krachtens deze wet strafbaar gestelde
feiten zijn, behalve de ambtenaren,
bedoeld in artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering, belast:
a.
de overige ambtenaren van Rijks- en
Gemeentepolitie;
b.
de personen daartoe door Onze Minister
aangewezen.
Art.
42 [38]. [MvT]
-1. De in artikel 41 [37]
bedoelde
personen hebben te allen tijde toegang
tot alle plaatsen waarvan naar hun
redelijk oordeel de betreding voor de
vervulling van hun taak nodig is.
-2.
Wordt aan de in artikel 41
[37] bedoelde
personen de toegang geweigerd of
belemmerd of wordt hun op aanmelding tot
toelating niet geantwoord, dan
verschaffen zij zich de toegang desnoods
met inroeping van de sterke arm.
-3.
De artikelen 120 tot en met 123 van het Wetboek
van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art.
43 [39]. [MvT]
-1. De in artikel 41 [37]
bedoelde
personen zijn verplicht tot
geheimhouding van hetgeen hun bij het
toezicht op de naleving van de bij of
krachtens deze wet vastgestelde
bepalingen is bekend geworden, voor
zover die geheimhouding niet in
strijd is met de bepalingen van deze of
een andere wet.
-2.
Hij die de bij het vorige lid opgelegde
geheimhouding opzettelijk schendt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van ten
hoogste 600 gulden.
-3.
Hij aan wiens schuld schending van die
geheimhouding te wijten is, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste
drie maanden of geldboete van ten
hoogste 300 gulden.
-4.
Geen vervolging heeft plaats dan op
klachte.
Art.
44 [40]. [MvT]
De in de artikelen 37 [34],
38 [35] en 43
[39] bedoelde strafbare feiten worden als
misdrijven, de in de artikelen 36
[33] en 39 [36]
bedoelde strafbare feiten als
overtredingen beschouwd.
HOOFDSTUK
IX
Slotbepalingen
Art.
45 [41]. [MvT]
Hetgeen nog ter uitvoering van deze
wet nodig is, wordt door Onze Minister
geregeld. Het bepaalde in de vorige
volzin is niet van toepassing op de
heffing en de invordering van de
ingevolge deze wet verschuldigde
premies.
Art.
46 [-]. [MvT]
Bij de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel
27, eerste
lid, van de Algemene
Ouderdomswet, kan,
in afwijking van het bepaalde in het
vierde en vijfde lid van dat artikel,
met ingang van de dag van het in werking
treden van artikel 23
[-] het in artikel 26, zesde lid, van de
Algemene
Ouderdomswet genoemde bedrag worden
verhoogd of verlaagd met hetzelfde
percentage als waarmede het te
verwachten indexcijfer der lonen op de
laatste dag van de maand waarin artikel
23 [-] in werking is getreden, afwijkt van
het indexcijfer der lonen op 31 maart
1955.
Art.
47 [-]. [MvT]
De Algemene
Ouderdomswet ondergaat
de volgende wijzigingen:
A.
[MvT]
In artikel 3, tweede lid, worden de
woorden "Overzeese Rijksdelen"
vervangen door de woorden: andere
delen van het Koninkrijk.
B.
[MvT]
Voor het bepaalde in artikel 23 [26] wordt
de aanduiding "-1" geplaatst,
terwijl voorts aan dit artikel een lid
wordt toegevoegd, luidende:
-2.
Aan de heffing van premie is niet
onderworpen de gehuwde man wiens
echtgenote in verband met het bepaalde
in artikel 7, tweede lid, onderdeel
c, of
artikel 46 [58], tweede lid, onderdeel
e, recht
op ouderdomspensioen heeft.
C.
[MvT]
Artikel 26 [-] wordt gewijzigd als volgt:
1.
In de tweede volzin van het eerste lid
en in de tweede volzin, onderdeel a, van het
zesde lid worden de woorden "verzekerd
is geweest" vervangen door de
woorden: aan de heffing van premie is
onderworpen.
2.
In het tweede lid, onderdeel a, worden na de
woorden "ingevolge deze wet"
ingevoegd de woorden: en de ingevolge
de Algemene Kinderbijslagwet.
3.
In het tweede lid, onderdeel a, wordt na
subonderdeel 3º
ingevoegd:
4º. de ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet uitgekeerde kinderbijslagen;.
4. In het tweede
lid, onderdeel b, worden na de
woorden
"ingevolge
deze wet" ingevoegd de woorden: en
de ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet.
5.
In het tweede lid, onderdeel b, wordt de
punt aan het slot van het bepaalde onder
2º vervangen door een puntkomma, waarna
wordt ingevoegd:
3°. de ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet uitgekeerde
kinderbijslagen.
6. In het vierde
lid, onderdeel b, worden na de
woorden
"ingevolge
deze wet" ingevoegd de woorden: en
ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet.
7. In het vierde
lid wordt de punt aan het slot van het
bepaalde onder e vervangen door een puntkomma, waarna wordt ingevoegd;
f.
de aanspraak op kinderbijslag ingevolge
de Algemene Kinderbijslagwet.
8.
In het vijfde lid worden de woorden
"waarin
de inhouding plaatsvindt, ingevolge
de Kinderbijslagwet" vervangen door
de woorden: "waarop de inhouding
betrekking heeft, ingevolge de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden"
en worden na het woord: "bepalingen"
ingevoegd de woorden: van hoofdstuk
II.
9. In het zesde lid vervallen
de woorden "en ingevolge artikel
69 [-]".
10.
Het zevende lid vervalt.
11.
Het achtste lid wordt vernummerd tot
zevende lid.
D.
[MvT]
Artikel 29 [-], tweede lid, onderdeel a en b,
wordt gelezen als volgt:
a.
de in het vierde lid, onderdeel
f, en het
vijfde lid van artikel 26 [-] bedoelde
verminderingen daarin op zodanige wijze
zijn verwerkt dat nevens het bedrag aan
inkomen waarop die verminderingen niet
zijn toegepast terstond het
premiebedrag is vermeld;
b. één of meer positieve of negatieve
bestanddelen van het inkomen daarin op
zodanige wijze zijn verwerkt - al dan
niet tot een gemiddeld bedrag - dat
nevens het bedrag aan inkomen waarin
die bestanddelen niet zijn opgenomen
terstond het premiebedrag is
vermeld.
E. [MvT]
Artikel 30 [-] wordt gewijzigd als volgt:
1.
Na het derde lid wordt een nieuw lid
ingevoegd, luidende:
-4.
Voor zover de ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet en de ingevolge deze
wet verschuldigde premies van de
verzekerden in één bedrag worden
geheven, wordt elke premie-inhouding,
elke afdracht van ingehouden premie en
elke betaling, vermindering of
afschrijving op een premieaanslag van
rechtswege geacht naar evenredigheid van
de premiepercentages ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet en ingevolge
deze wet betrekking te hebben op de
ingevolge elk dezer wetten verschuldigde
premie.
2.
Het vierde en vijfde lid worden
vernummerd tot vijfde en zesde lid.
3.
Het zesde lid wordt gelezen als volgt:
-6. Onze Minister
en Onze Minister van
Financiën
kunnen ten aanzien van personen die krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 6, derde lid, of krachtens een
overeenkomst met een andere Mogendheid
ingevolge deze wet verzekerd zijn,
regelen stellen welke afwijken van
artikel 26 [-] en van dit artikel.
F.
[MvT]
Artikel 31 [-] wordt gewijzigd als volgt:
1.
In het eerste, tweede en derde lid
worden de woorden "verminderingen,
bedoeld in artikel 26 [-], vijfde lid. en
artikel 69 [-]" vervangen door de
woorden: vermindering, bedoeld in
artikel 26 [-], vijfde lid.
2.
in het zesde lid, onderdeel a, worden de
woorden: "verzekerd is geweest"
vervangen door de woorden: "aan de
heffing van premie is
onderworpen".
G.
[MvT]
Artikel 33 [-], eerste, tweede en derde lid,
wordt gelezen als volgt:
Art.
33.
-1. Indien een verzekerde nalatig is
gebleven de over een bepaald jaar
verschuldigde premie geheel of gedeeltelijk te betalen, houdt de
Sociale
Verzekeringsbank, indien zij
beslist dat van een schuldig nalaten
sprake is, daarvan aantekening. Alsdan
wordt elke betaling door de verzekerde
op een krachtens artikel 30 [-], eerste lid,
opgelegde premieaanslag waarbij tevens
een premieaanslag ingevolge artikel
27,
eerste lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet is opgelegd, geacht in
de eerste plaats te strekken tot
voldoening van de ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet verschuldigde premie.
De kennisgeving welke van de in de
eerste volzin bedoelde beslissing
ingevolge het bepaalde in artikel 40 [52],
eerste en tweede lid, plaatsvindt,
vermeldt tevens in hoeverre een
verschuldigde jaarpremie niet is
betaald.
-2.
Indien de Sociale Verzekeringsbank niet
heeft beslist dat van een schuldig
nalaten sprake is, komt de ingevolge
deze wet verschuldigde premie, voor
zover deze niet is betaald, ten laste
van het Rijk.
-3.
Indien in het geval waarin een
aantekening is gesteld als bedoeld in de
eerste volzin van het eerste lid, de
verzekerde binnen
vijf jaren na de kennisgeving van de
aantekening de ingevolge het bepaalde
in de tweede volzin van dat lid op de
aldaar bedoelde aanslag verschuldigd
gebleven premie, verhoogd, voor zover
het de ingevolge deze wet verschuldigde
premie betreft, met een door Onze Minister
te bepalen opslag, geheel of
gedeeltelijk aan de Sociale
Verzekeringsbank betaalt, wordt deze
betaling achtereenvolgens toegerekend
aan de verschuldigde premie ingevolge
de Algemene Kinderbijslagwet, de opslag
en de ingevolge deze wet verschuldigde
premie. Alsdan wordt, voor zover de
ingevolge deze wet verschuldigde premie
alsnog is betaald, de aantekening,
bedoeld in de eerste volzin van het
eerste lid, doorgehaald en de verzekerde
over het betreffende tijdvak niet
geacht schuldig nalatig te zijn geweest.
Van deze doorhaling wordt aan de
verzekerde op de in artikel 40 [52], eerste
en tweede lid, voorgeschreven wijze
kennis gegeven. De kennisgeving vermeldt
tevens in hoeverre, na de doorhaling,
een verschuldigde jaarpremie nog
onbetaald is gebleven.
H. [MvT]
Artikel 36 [47] wordt gewijzigd als volgt:
1.
In het zesde lid worden de woorden "Artikel 30 [-], eerste, tweede en derde lid,"
vervangen door de woorden: Artikel
30 [-], eerste, tweede, derde en vierde
lid,.
2.
In de tweede volzin van het zevende lid
worden de woorden "artikel 30 [-], tweede
en derde lid," vervangen door de
woorden: artikel 30 [-], tweede, derde en
vierde lid,.
I. [MvT]
Artikel 41 [53], vierde lid, wordt gelezen
als volgt:
-4. Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie
tegen uitspraken van de gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van
overeenkomstige toepassing, waarbij de
Centrale Raad van Beroep de plaats
inneemt van een gerechtshof.
J. [MvT]
Artikel 57 [68] wordt gewijzigd als volgt:
1.
In het eerste lid vervallen de woorden
"omtrent een bedrijf of beroep dat
wordt uitgeoefend,".
2.
Het vierde lid wordt gelezen als volgt:
-4.
Geen vervolging heeft plaats dan op
klachte.
K. [MvT]
Artikel 69 [-] vervalt.
Art.
48 [-]. [MvT]
-1. Met ingang van de dag waarop
artikel 7 [7]
in werking treedt, wordt de Wet van 14 juni 1951, Stb. 1951, 212 (Noodwet
Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen),
ingetrokken.
-2. Degenen die op de dag
voorafgaande aan die waarop de Noodwet
Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen wordt
ingetrokken, op grond dier wet
aanspraak kunnen maken op kinderbijslag
over enig aan het in werking treden van
artikel 7 [7]
van deze wet voorafgaand
kalenderkwartaal, behouden deze
aanspraak gedurende één jaar na het in
werking treden van artikel 7
[7] van deze
wet.
-3.
Degenen die op de dag voorafgaande aan die waarop de Noodwet Kinderbijslag
Kleine Zelfstandigen wordt ingetrokken,
op grond van artikel 16, eerste lid,
dier wet aanspraak kunnen maken op
uitbetaling van kinderbijslag, behouden
deze aanspraak zolang de in artikel 16,
eerste lid, dier wet genoemde termijn
niet is verstreken.
-4. Voor het overige
blijven ten aanzien van de in het tweede
en derde lid bedoelde uitkeringen de
bepalingen van de Noodwet Kinderbijslag
Kleine Zelfstandigen en haar
uitvoeringsvoorschriften van toepassing.
-5. De vóór de inwerkingtreding van
artikel 7 [7]
van deze wet ten onrechte
uitbetaalde kinderbijslag ingevolge de
Noodwet kinderbijslag Kleine
Zelfstandigen, alsmede de ten onrechte
uitbetaalde kinderbijslag ingevolge het
bepaalde in het tweede lid, kan
gedurende twee jaren na de dag der
betaalbaarstelling worden teruggevorderd
of op later betaalbaar te stellen kinderbijslag
ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden, de Kinderbijslagwet
voor wezenrentetrekkers
of ingevolge de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 5 van de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden,
in mindering worden gebracht indien
degene ten name van wie de
kinderbijslag betaalbaar werd gesteld
redelijkerwijs kon weten dat ten
onrechte kinderbijslag werd uitbetaald.
-6. Onze Minister
kan ter uitvoering van het
bepaalde in de vorige leden nadere
regelen stellen.
Art.
49 [42]. [MvT]
Deze wet kan worden aangehaald onder
de titel: "Algemene
Kinderbijslagwet".
Art.
50 [43]. [MvT]
De artikelen van deze wet treden in
werking met ingang van een door Ons te
bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld.
Lasten
en bevelen, dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst, en dat alle
Ministeriële Departementen,
Autoriteiten, Colleges
en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de
nauw keurige uitvoering de hand zullen
houden.
Gegeven
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken,
De
Minister van Financiën,
De
Minister van Binnenlandse Zaken,
Bezitsvorming en Publiekrechtelijke
Bedrijfsorganisatie,
|
|