|
rblz.|10
l.k.|
Kamerstukken II
1957-1958, 4953
Algemene
kinderbijslagverzekering
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Historisch overzicht |
| 2 |
De
rechtsgrond |
| 3 |
De organisatie van de voorziening |
| 3.1 |
Een algemene kinderbijslagregeling |
| 3.2 |
De Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden |
| 4 |
De
uitvoeringsorganen |
| 4.1 |
Uitvoering van de algemene
kinderbijslagverzekering door de Sociale
Verzekeringsbank |
| 4.2 |
Premieheffing en -inning door de
Rijksbelastingdienst |
| 4.3 |
Uitvoering van de Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden door de Sociale Verzekeringsbank |
| 4.4 |
Premie-inning ingevolge de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
door de Sociale Verzekeringsbank |
| 4.5 |
Bijzondere regelingen |
| 5 |
Kring der
verzekerden |
| 6 |
Het recht op
kinderbijslag |
| 6.1 |
Kinderbijslag voor derde
en volgende kinderen |
| 6.2 |
Bedrag van de
kinderbijslag |
| 6.3 |
Omschrijving van het
recht op kinderbijslag |
| 7 |
De middelen tot
dekking der kosten |
| 8 |
Kosten
en economische
repercussies |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 50 |
Algemeen
Op 1 juli 1951 trad in werking
de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen (Wet van 14 juni 1951, Stb.
1951, 212, houdende een noodregeling kinderbijslag voor kleine
zelfstandigen). Zoals de Regering bij de indiening van het wetsontwerp
hetwelk tot deze wet [lees: die wet, red.] heeft geleid destijds heeft opgemerkt, heeft de
in deze Noodwet neergelegde regeling een beperkte strekking en het
karakter van een overgangsregeling. De Regering achtte het in verband
met de nood onder de kleine zelfstandigen gewenst voor deze groep een
tijdelijke regeling in het leven te roepen in afwachting van de
totstandkoming van een definitieve kinderbijslagregeling.
Het stemt de ondergetekenden tot voldoening
dat thans een ontwerp van wet kan worden aangeboden waarin mede ten
aanzien van het vraagstuk van de kinderbijslag voor zelfstandigen een
definitieve regeling wordt voorgesteld.
Alvorens nader op de inhoud en de grondslagen
van het onderhavige wetsontwerp in te
gaan, mogen de ondergetekenden
een overzicht geven van de ontwikkeling van de kinderbijslaggedachte
hier te lande, vooral voor zover dit betreft de kinderbijslag ten
behoeve van niet-loontrekkenden.
1.
Historisch overzicht
Het vraagstuk van de wenselijkheid ener
wettelijk geregelde
kinderbijslagvoorziening, met name voor
de loonarbeiders, begon zich voor het
eerst omstreeks het begin van de Eerste
Wereldoorlog af te tekenen. Weliswaar
bestond er reeds sinds 1912 een door de
Overheid getroffen kindertoelageregeling
voor de postambtenaren, welke spoedig
daarna werd uitgebreid tot het
onderwijzend personeel, doch pas enige
jaren later kwam het vraagstuk van de
kinderbijslag in zijn algemeenheid aan
de orde.
In
het Katholiek Sociaal Weekblad van 2
oktober 1915 publiceerde mr. P.J.M. Aalherse een
artikel waarin hij pleitte
voor de instelling van een
Rijkskinderfonds. Hij drong erop aan
dat het stelsel van kindertoeslagen bij
de bezoldiging van ambtenaren van Rijk,
provincies en gemeenten
steeds verder
zou worden doorgevoerd. Het door het
Rijk gegeven voorbeeld ten aanzien van
de postambtenaren en de onderwijzers
verdiende naar zijn mening algemene
navolging. Echter zou, voor wat de
particuliere werkgevers betreft, dit
stelsel niet zonder meer kunnen worden
doorgevoerd. De werkgever zou er belang
bij krijgen ongehuwden en kinderlozen
aan te stellen en vaders van grote
gezinnen te ontslaan. De schrijver deed
dan ook de aanbeveling de vrije
individuele loonbepaling intact te
laten, doch van het uitbetaalde loon een
percentage af te houden voor een
Rijkskinderfonds. Uit dit fonds zouden
dan de kindertoelagen voor de arbeiders
moeten worden betaald.
Deze
door mr. P.J.M. Aalberse naar voren
gebrachte opvatting won nadien nog aan
praktische betekenis doordat er ook in
het particuliere bedrijfsleven
langzamerhand meer sympathie voor de
gedachte van een kindertoelage viel waar
te nemen. Het is dan ook niet
verwonderlijk dat de wenselijkheid rblz.|10
r.k.|
van
een verplichte kinderbijslagregeling ten
behoeve van de loonarbeiders in de
Staten-Generaal aan de orde werd
gesteld. Bij de openbare behandeling van
hoofdstuk Xa van de Rijksbegroting in
de Tweede Kamer voor het jaar 1921 werd
door de Kamerleden Haazevoet en Kuiper
op 25 november 1920 een motie ingediend,
luidende: "De Kamer, van oordeel dat
de instelling van een wettelijk geregeld
Rijkskinderfonds tot steun van groote
gezinnen gewenscht is, noodigt de
Regeering uit een onderzoek te doen
instellen naar de mogelijkheid van een
zoodanige wettelijke regeling op den
grondslag van verplichte verzekering
en, indien de mogelijkheid is gebleken,
een desbetreffend wetsvoorstel bij de
Staten-Generaal aanhangig te maken en
gaat over tot de orde van den dag". Als gevolg van het
verschil
van mening dat bij de behandeling van
deze motie in de Tweede Kamer tot
uitdrukking kwam, werd de motie in twee
delen gesplitst. Het eerste gedeelte,
luidende: "De Kamer, van
oordeel dat
de instelling van een wettelijk geregeld
Rijkskindertoeslagfonds tot steun aan
groote gezinnen gewenscht is, gaat over
tot de orde van den dag", werd op 2
december 1920 aangenomen met 58 tegen 21
stemmen; het tweede gedeelte, waarin als
grondslag van een zodanige wettelijke
regeling genoemd werd de verplichte
verzekering, werd met 45 tegen 33
stemmen verworpen.
Ondanks
het feit dat Minister Aalberse
sympathiek stond tegenover het denkbeeld
een Rijkskinderfonds in het leven te
roepen - hetgeen voor de hand lag,
omdat hij zelf enige jaren tevoren op de
instelling van een dergelijk fonds had
aangedrongen -, duurde het geruime tijd voordat aan de in de motie
neergelegde wens van de Tweede Kamer
uitvoering werd gegeven.
Bij
de behandeling van de begroting voor het
jaar 1923 deelde Minister Aalberse in
zijn memorie van antwoord aan de Eerste
Kamer mede dat in verband met de
malaise in het bedrijfsleven, welke het
opleggen van nieuwe lasten onraadzaam
deed voorkomen, vooralsnog geen
wetsvoorstel betreffende de instelling
van een Rijkskinderfonds te verwachten
was. Ook in de volgende jaren bleef dit
het argument, op grond waarvan de
Regering meende niet tot de gevraagde
maatregelen te kunnen overgaan. Zowel
Minister Verschuur in de jaren 1929 en
1930 als Minister Slotemaker de Bruine
in de jaren 1933 en 1934 waren steeds
van mening dat de economische
omstandigheden zodanig waren dat de
noodzakelijke middelen niet konden
worden gevonden. Wel heeft
laatstgenoemde Minister nog gepoogd
langs andere weg de
kinderbijslaggedachte steun te verlenen.
Hij legde namelijk aan de "Hooge Raad
van Arbeid" een voorontwerp van wet
voor betreffende een wettelijke
regeling inzake verplichte
bedrijfskinderbijslag. Dit voorontwerp
van wet beoogde de mogelijkheid te
openen om in bedrijven waarin
vrijwillige kinderbijslagregelingen
bestonden, voor de daartoe niet
toegetreden werkgevers verplichte
kinderbijslag in te voeren. De positie
der bestaande regelingen zou daarvoor
worden verstevigd, terwijl daardoor
tevens meer arbeiders in het genot van
kinderbijslag zouden worden gesteld. Het
advies dat de
"Hooge Raad van
Arbeid" omtrent dit voorontwerp van
wet uitbracht, was echter dermate
ongunstig dat het tot indiening van een
zodanig wetsontwerp bij de
Staten-Generaal niet is gekomen.
rblz.|11
l.k.|
Ten slotte
wordt dan in het jaar 1937 de poging
gewaagd die tot het gestelde doel zou
leiden. In de Troonrede, door Hare
Majesteit de Koningin uitgesproken op 21
september 1937, werd aangekondigd dat
een wettelijke regeling "tot het
rekening houden met gezinslasten bij het
arbeidersinkomen" in voorbereiding was. Op 21 december 1937
deelde Minister Romme aan de Tweede
Kamer mede dat hij bij de
"Hooge Raad
van Arbeid" een voorontwerp van wet
ter fine van advies aanhangig had
gemaakt, houdende regelen inzake
kinderbijslagverzekering.
In
de toelichting op dit voorontwerp zeide
de Minister dat het stelsel van
kinderbijslagen reeds voor een niet
onbelangrijk aantal werknemers
toepassing vond, maar dat de
concurrentie tussen de verschillende
ondernemingen vele werkgevers, die
overigens voorstanders van
kinderbijslagen waren, er van bleef
weerhouden deze in te voeren, zolang
daartoe niet algemeen werd overgegaan.
Hun bezwaren zouden vervallen bij
totstandkoming van een wettelijke, voor
allen geldende regeling. Weliswaar was
door de totstandkoming van de wet op het
algemeen verbindend en onverbindend
verklaren van bepalingen van collectieve
arbeidsovereenkomsten de
verbindendverklaring van
kinderbijslagregelingen mogelijk
geworden, maar die verbindendverklaring
kon alleen dan toepassing vinden indien
de betreffende bepalingen reeds voor
een meerderheid der bedrijfsgenoten
golden. In verband hiermede kon slechts
in een beperkt aantal bedrijven langs de
weg der verbindendverklaring een
kinderbijslagregeling worden
doorgevoerd. De Minister was echter van
oordeel dat het algemeen belang de
doorvoering van het beginsel van de
kinderbijslag over de gehele linie van
het bedrijfsleven vorderde, weshalve hij
een algemeen wettelijke regeling
voorstelde. Om redenen van praktische
aard beperkte de Minister zich
voorshands tot de groep der
loontrekkenden. Uitgegaan werd van de
omstandigheid dat de feitelijke
loonbepaling voor het grootste deel der
loontrekkenden geen rekening houdt met
verschillen in de omvang van het gezin,
hetwelk voor het levensonderhoud op het
loon van de kostwinner is aangewezen.
Zoals dit loon wordt bepaald, moet het
derhalve geacht worden berekend te zijn
op de basis van de bestaansmogelijkheid
van een gezin van feitelijk gemiddelde
grootte. Bij dit gegeven van het
economisch sociale leven aansluitend,
beoogde het wetsontwerp een grondslag te
leggen voor een meer rechtvaardige
verdeling van het totale bedrag dat
wordt verloond, door met name
verplichtend te stellen dat bij de
loonbepaling van hen wier gezin de
feitelijk gemiddelde omvang overtreft,
met de daarmede samenhangende grotere
lasten rekening zou worden gehouden.
Naar het oordeel van de Minister werd de
algemene doorvoering van dit beginsel
door het gemene welzijn gevorderd. Dat
welzijn toch bracht mede dat de
redelijk en zedelijk handelende
mens, die voor het levensonderhoud van
zich en de zijnen is aangewezen op zijn
arbeidskracht, in de algemene
organisatie der loonvorming niet een
belemmering ontmoet bij het voldoen aan
zijn recht op vorming van een gezin naar
de wetten der natuur en aan zijn plicht
tot onderhoud van het aldus door hem
gevormde gezin. Maar niet alleen uit het
oogpunt van de levensrechten en de
levensplichten van het individu vordert
het gemene welzijn dat bij de
loonbepaling met de kinderzegen wordt
rekening gehouden, evenzeer stelt het
algemeen belang hier zijn eisen uit de
gezichtshoek der gemeenschap. Immers de
gemeenschap is voor haar krachtig
voortbestaan in het algemeen afhankelijk
van de natuurlijke ordelijke ontplooiing
van het gezinsleven, terwijl in het
bijzonder de kinderrijke goedgeregelde
gezinnen voor haar vooruitgang van de
grootste waarde zijn. Ook om deze reden
heeft de gemeenschap er belang hij dat
de loonvorming niet zo geregeld is dat
daardoor degenen die meer kinderen
hebben dan het feitelijk gemiddelde
getal, materieel zeer ten achter moeten
staan bij hun met minder kinderen
gezegende standgenoten.
Tot
zover de toelichting op het door
Minister Romme bij de
"Hooge Raad van
Arbeid" aanhangig gemaakte
voorontwerp van wet houdende regelen
inzake kinderbijslagverzekering.
Bij
de behandeling van dit voorontwerp in de
"Hooge Raad van Arbeid" kwam
echter de vraag aan de orde of ook de zogenaamde
rblz.|11
r.k.|
kleine
zelfstandigen in de
kinderbijslagverzekering dienden te
worden betrokken. Een belangrijke
minderheid van de leden van de
"Hooge
Raad" verklaarde zich daarbij tegen
de beperking van de kinderbijslag tot
loonarbeiders. De tot deze minderheid
behorende leden betoogden dat bij vele
kleine zelfstandigen een dergelijke
noodtoestand heerste dat ingrijpen van
de overheid niet achterwege kon blijven.
Ook de kleine zelfstandigen behoorden
naar hun mening tot de groep der
maatschappelijk zwakken. Zij waren van
oordeel dat het onjuist is de
rechtsgrond voor een verplichte sociale
verzekering en ook voor een
kinderbijslagverzekering te zoeken in de
loondienstverhouding. Zij meenden
dat bij de verdere ontwikkeling der
sociale verzekering dit engere
standpunt meer en meer was verlaten en
een ontwikkeling had plaatsgevonden
welke van het strenge
arbeidscontractuele standpunt evolueerde
naar een standpunt dat gekarakteriseerd
kan worden als dat waarbij het in
economische positie met een arbeider
gelijkstaan beslissend wordt geacht
voor het onder de sociale verzekering
betrokken zijn. De rechtsgrond voor het
treffen van sociale regelingen voor
arbeiders zowel als voor kleine
zelfstandigen zagen zij in het geringe
maatschappelijke weerstandsvermogen van
de hier bedoelde groepen. Deze
redenering moest volgens hen consequent
leiden bijvoorbeeld tot een uitbreiding van de
kinderbijslagverzekering tot kleine
zelfstandigen, alhoewel men oog had voor
de praktische moeilijkheden welke aan
de invoering van een zodanige
verzekering, met name aan de invordering
der premie, verbonden zouden zijn.
De
meerderheid van de "Hooge Raad van
Arbeid" was evenwel na zorgvuldige
overweging van het voor en tegen van
oordeel dat de groep der kleine
zelfstandigen niet onder de verplichte
kinderbijslagverzekering diende te
worden gebracht. De tot deze meerderheid
behorende leden grondden hun oordeel op
de overweging dat de rechtsgrond in het
voorontwerp was een rechtvaardiger
verdeling van het loon, een rechtsgrond
welke nu eenmaal niet aanwezig was ten
aanzien van de kleine zelfstandigen.
Voorts overwogen zij dat, aangezien het
voorontwerp voorzag in kinderbijslag van
het derde kind af, slechts een beperkt
aantal kleine zelfstandigen, namelijk
alleen zij met drie of meer kinderen,
profijt van een zodanige verzekering
zou trekken. De grote meerderheid der
kleine zelfstandigen zou echter wel
premie moeten betalen, doch in wezen zou
zij niet tegen een mogelijke
eventualiteit verzekerd zijn. Men zag
hierin niet anders dan een overhevelen
van een deel van het inkomen van
zelfstandigen met geen of minder dan
drie kinderen naar de overige
zelfstandigen.
Naast
deze bezwaren werden nog bedenkingen van
praktische aard tegen het opnemen in
deze verzekering van zelfstandigen
aangevoerd. In de eerste plaats vreesde
de meerderheid een vertraging in de
totstandkoming als wet van het
onderhavige voorontwerp en mogelijk
zelfs een stranden daarvan. Voorts
voorzag men grote moeilijkheden bij de
begrenzing en de definiëring van het
begrip
"kleine zelfstandige".
Over
de vraag of de werkgevers onder de
kinderbijslagverzekering dienden te
worden gebracht, staakten de stemmen.
Overeenkomstig
het advies van de "Hooge Raad van
Arbeid" had het ontwerp Kinderbijslagwet, hetwelk op 13
december 1938 bij de Tweede Kamer der
Staten-Generaal werd ingediend,
uitsluitend betrekking op de
loontrekkenden. De toenmalige
bewindsman van Sociale
Zaken, Minister
Romme, merkte in de memorie van antwoord
aan de Tweede Kamer op dat bij hem in
beginsel geen bezwaar bestond ook de
kleine zelfstandigen in de verplichte
sociale verzekering op te nemen, doch
dat hij grote moeilijkheden verwachtte
bij de praktische uitvoering, speciaal
met betrekking tot registratie en
premie-inning. Hij wees daarbij op de
ongunstige ervaring die in het
buitenland was opgedaan. Bij de openbare
behandeling heeft de Minister dit
standpunt nog eens onderstreept.
Het
wetsontwerp, dat ten slotte door de
Tweede Kamer met 66 tegen 22 stemmen
werd aanvaard, voorzag dan ook alleen in
een kinderbijslagverzekering voor
loonarbeiders. Kinderbijslag zou worden
verstrekt aan de verzekerde arbeider
wiens rblz.|12
l.k.|
gezin
meer dan twee kinderen beneden de
leeftijd van 15 jaar telde en te
rekenen van het derde kind.
De
behandeling in de Eerste Kamer leverde
geen nieuwe gezichtspunten op. Wel
verklaarde Minister Van den Tempel, die
de heer Romme inmiddels was opgevolgd,
in de Eerste Kamer dat het inderdaad
een bezwaar was dat belangrijke groepen
grote gezinnen door de voorgestelde
kinderbijslagverzekering niet werden
geholpen. Het probleem van de sociale
zorg voor de kleine zelfstandigen,
ambachtsmensen, kleine boeren en
tuinders, een heel brede groep der
bevolking, hield de Regering sterk
bezig, zo betoogde deze bewindsman.
Hij
wees in dit verband op het voornemen der
Regering om een staatscommissie in te
stellen die de inschakeling van de
middenstand in de sociale verzekering
zou bestuderen en dienaangaande
voorstellen aan de Regering zou doen.
De
instelling van deze commissie - de "Staatscommissie
inzake uitbreiding der verplichte
sociale verzekering tot kleine
zelfstandigen", naar haar
voorzitter mr. dr. J. van Bruggen
kortweg genoemd de
"staatscommissie-Van Bruggen" -
vond plaats bij
Koninklijk besluit van 1 april 1940.
Deze
staatscommissie, welke rapport uitbracht
op 30 september 1942, sprak zich met de
grootst mogelijke meerderheid uit voor
de wenselijkheid van een regeling inzake
sociale verzekering voor zelfstandigen.
Zij kwam tot de conclusie dat er
inderdaad voor de overheid een eigen
rechtsgrond aanwezig is om tot opneming
van de kleine zelfstandigen in de
verplichte sociale verzekering over te
gaan. Deze rechtsgrond was naar het
oordeel van de commissie hierin gelegen
dat de kleine zelfstandigen behoren tot
de groep der economisch zwakkeren.
Afdoende verzorging hunner financiële
behoeften, onder andere bij eigen kinderzegen,
is derhalve in het algemeen belang
geboden; deze verzorging is, aangezien
het particulier initiatief en de overheidssteun
tekortschoten, op
goede en gewenste wijze slechts
bereikbaar door een verplichte sociale
verzekering tegen die behoeften van dit
deel dier groep.
De
commissie gaf in haar rapport de
voorkeur aan de methode der
rechtstreekse premiebetaling door de
zelfstandigen. De aangewezen weg om
afwenteling van de lasten verbonden aan
de sociale verzekering der zelfstandigen te verkrijgen, moet bij
het stelsel van rechtstreekse
premiebetaling worden gezocht in het
doorberekenen van de meerkosten in de
prijzen van goederen en diensten. Onder
deze omstandigheden zou naar de mening
van de commissie een rechtstreekse
premieheffing bij de zelfstandigen uit
sociaal oogpunt geen overwegend bezwaar
behoeven op te leveren.
Vervolgens
heeft de "Londense commissie-Van Rhijn",
ingesteld bij beschikking van de
Minister van Sociale Zaken van 26 maart
1943, met de opdracht algemene
richtlijnen vast te stellen voor de
toekomstige ontwikkeling der sociale
verzekering in Nederland, zich met het
vraagstuk van de kinderbijslag voor
zelfstandigen beziggehouden. Haar
opvatting was dat het hedendaagse
rechtsbewustzijn verlangt dat in het
vervolg de gehele bevolking in het
socialeverzekeringsstelsel wordt
betrokken, welke opvatting ook voor de
kinderbijslag diende te gelden.
Ook
de "Gemengde Commissie inzake de
Herziening van de Sociale
Verzekering", waarin enerzijds
zitting hadden vertegenwoordigers van
de Stichting van den Arbeid en
anderzijds vertegenwoordigers van het
Ministerie van Sociale Zaken en
Volksgezondheid, heeft in haar rapport
van 14 maart 1948 de onderhavige materie
behandeld. Zij kwam tot de conclusie - overigens daargelaten de
vraag of het
verstrekken van kinderbijslag wel door
middel van een verzekering diende te geschieden
- dat ook de zelfstandigen
in het genot van de uitkeringen
krachtens de kinderbijslagverzekering
moeten worden gesteld. Alhoewel de "Gemengde Commissie" in
meerderheid van oordeel was dat er bij de
sociale verzekering in het algemeen een
loon- of inkomensgrens gesteld zou
moeten worden boven welke men buiten de
verzekering valt, was de kleinst
mogelijke meerderheid van de commissie onder
meer ten rblz.|12
r.k.|
aanzien
van de kinderbijslagverzekering van
mening dat de aard dezer voorziening
zich tegen een loon- of inkomensgrens
verzet. Hiermede sprak de commissie
zich - evenals trouwens de "Londense
commissis-Van Rhijn" - uit voor
een kinderbijslagregeling voor
zelfstandigen in het algemeen en niet - zoals de
"commissie-Van
Bruggen" deed -
voor een
kinderbijslagverzekering voor kleine
zelfstandigen.
De
"Gemengde Commissie" heeft zich
ook beziggehouden met het vraagstuk van
de premiebetaling door de zelfstandigen.
De commissie merkte op dat het
vraagstuk van de premiebetaling voor de
sociale verzekering ten aanzien van de
zelfstandigen moeilijker ligt dan ten
aanzien van de loonarbeiders. Hier is
geen werkgever die de premie betaalt of
het door de verzekerde verschuldigde
deel der premie van diens loon of
inkomen afhoudt. Ten aanzien van deze
groepen van verzekerden zal de
premiebetaling vooral met betrekking tot
verzekerden met zeer lage inkomens
ernstige moeilijkheden kunnen geven, met
als gevolg dat de premie niet of zeer
onregelmatig binnenkomt en de inning
daarvan hoge kosten van administratie
en controle met zich brengt. De
commissie meende dat een stimulans tot
premiebetaling gevonden zou moeten
worden in het afhankelijk stellen van de
prestaties der verzekering van de
gedane betalingen. Ook achtte de
commissie het de overweging waard
eventuele premieachterstand op de
uitkeringen te verhalen. Voorts zou naar
de mening der commissie de mogelijkheid
moeten worden geschapen van ontheffing
of vermindering van premiebetaling voor
die zelfstandigen wier inkomen zo laag
is dat zij niet in staat zijn de premie
op te brengen. Daarbij zou nader moeten
worden bezien of in dergelijke gevallen
de aanspraak op uitkering al dan niet
kon blijven gehandhaafd. Overigens
stelde de commissie zich op het
standpunt dat de lasten der verzekering
voor zelfstandigen in beginsel geheel
voor rekening van de betrokkenen dienen
te komen. Voor de vaststelling der
premie zouden de zelfstandigen in
verband met de wisselende en moeilijk te
bepalen inkomsten welke zij genieten,
ingedeeld kunnen worden in
inkomensklassen, welke indeling de
laatst bekende gegevens van de
inkomstenbelasting zou kunnen volgen.
Ook
zou ten aanzien van de zelfstandigen de
methode gevolgd kunnen worden om aan
hen een fictief inkomen toe te kennen.
Dit fictieve inkomen zou volgens de
commissie gesteld kunnen worden op bijvoorbeeld
het loon van een volslagen arbeider in
het bedrijf of beroep van de betrokkene
en bij het ontbreken van zulk een
arbeider op het loon van een volslagen
arbeider in een verwant bedrijf of
beroep. Aan de betrokkene zou dan dienen
te worden toegestaan tegen zulk een
indeling of toekenning bezwaar te maken
door hem in de gelegenheid te stellen
aan te tonen dat zijn werkelijke
inkomen anders is. In zulke gevallen zou
de indeling kunnen geschieden aan de
hand van het werkelijke inkomen.
Werden
de hiervoor weergegeven beschouwingen
geleverd met het oog op de herziening
van de sociale verzekering in het
algemeen, bij de algemene
beraadslagingen over de Rijksbegroting
voor het dienstjaar 1948 in de Tweede
Kamer der Staten-Generaal werd van
gedachten gewisseld over de
wenselijkheid om op korte termijn tot
een kinderbijslagverzekering voor
zelfstandigen te geraken. Uit deze
gedachtenwisseling bleek dat een nadere
studie van het vraagstuk vereist was.
Intussen
was ook van andere zijde studie van het
onderwerpelijke vraagstuk gemaakt. De
ondergetekenden denken hierbij aan het
rapport van de "commissie-Michielsen"
van het Centrum voor Staatkundige
Vorming der Katholieke Volkspartij,
uitgebracht op 5 april 1948, hetwelk
bestond uit een
"Proeve van een
ontwerp van wet tot het verlenen van
kinderbijslag aan zelfstandigen",
welke proeve de ondergetekenden een
constructieve bijdrage achten voor de
oplossing van het vraagstuk van de
kinderbijslagverzekering voor
zelfstandigen.
De
hiervoor gememoreerde gedachtenwisseling
bij de algemene beraadslagingen over de
Rijksbegroting voor het dienstjaar 1948
in de Tweede Kamer leidde tot de
instelling van een rblz.|13
l.k.|
commissie
bestaande uit vertegenwoordigers van de
Stichting van den Arbeid, van
middenstands- en landbouworganisaties en
van het Ministerie van Sociale Zaken en
Volksgezondheid, onder voorzitterschap
van de eerste ondergetekende. Aan deze
commissie werd verzocht het vraagstuk
van de kinderbijslag voor zelfstandigen
te bestuderen en hieromtrent op korte
termijn rapport uit te brengen. Deze
commissie werd op 15 april 1948 geïnstalleerd en bracht op 19 november
daaraanvolgend een interim-rapport uit.
Blijkens
dit interim-rapport beschouwden vele
leden van deze commissie een
kinderbijslagregeling voor zelfstandigen
niet als de eerst nodige voorziening
voor deze groepering. Zij waren van
oordeel dat de inkomsten van de
zelfstandigen uit het bedrijf of
beroep dusdanig dienen te zijn dat zij
daaruit hun gezinnen op behoorlijke
wijze kunnen onderhouden. Zij
beschouwden een kinderbijslagregeling
voor zelfstandigen als strijdig met de
maatschappelijke functie van de
ondernemer.
Andere
leden waren daarentegen van oordeel dat
zeer zeker van een grote nood in de
gezinnen van kleine zelfstandigen kon
worden gesproken. Zij achtten het
sociaal gezien niet rechtvaardig dat
de zelfstandigen met kinderen, uit een
oogpunt van concurrentie met
zelfstandigen die niet gehuwd zijn of
wier gezinnen geen of weinig kinderen
tellen, in deze ongunstige positie
zouden worden gelaten.
Weer
andere leden waren van mening dat van
nood in de gezinnen van zelfstandigen in
het algemeen genomen niet kon worden
gesproken.
Ook
over de financiering liepen de meningen
in deze commissie zeer uiteen. Een
aantal leden gaf de voorkeur aan een
regeling op verzekeringsbasis. Andere
leden stonden een uitkering van staatswege voor. Nog weer andere leden
wensten de benodigde gelden te zien
opgebracht door middel van een
bestemmingsheffing.
Het
bleek voor deze commissie uiteindelijk
niet mogelijk een keuze te doen uit de
zo zeer en op vrijwel alle voorname
punten uiteenlopende meningen. Zij
vroeg in verband hiermede aan de
Regering nadere richtlijnen te
verstrekken over de richting waarin een
oplossing zou moeten worden gezocht.
Bij
het beraad over deze vraag kwam de
Regering tot de aanvankelijke conclusie
dat de oplossing van het vraagstuk van
de kinderbijslag voor zelfstandigen
gevonden zou moeten worden langs de weg
van vrijwillige bedrijfsgewijze
regelingen welke krachtens een
wettelijke voorziening voor alle
bedrijfsgenoten verbindend zouden
kunnen worden verklaard.
Uit
het overleg hetwelk over deze gedachte
werd gevoerd met verschillende
middenstands-, landbouw- en
tuinbouworganisaties bleek dat de
bedoelde organisaties niet met de
voorlopige plannen van de Regering
konden instemmen, ook al niet in verband
met de mogelijke ongelijke verdeling van
de uit een kinderbijslagverzekering voor
zelfstandigen voortspruitende lasten
voor de verschillende bedrijfstakken.
Aangezien
de Regering van mening was dat de nood
onder de kleine zelfstandigen met
kinderrijke gezinnen niet gedoogde dat
nog langer met de totstandkoming van een
kinderbijslagvoorziening voor hen werd
gewacht, heeft zij op 9 mei 1950 de
indiening bevorderd van een noodregeling
kinderbijslag kleine zelfstandigen,
vooruitlopende op een definitieve
regeling ter zake. Krachtens de Noodwet
Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen (Wet
van 14 juni 1951, Stb. 1951, 212) wordt aan
de kleine zelfstandigen wier inkomen
ligt beneden de bij de wet aangegeven
grenzen, welke met het kindertal
oplopen, kinderbijslag verstrekt ten
laste van het Rijk. De hier bedoelde
kinderbijslag is beperkt wat betreft de
hoogte der bedragen en het aantal
kinderen waarvoor de kinderbijslag
wordt verstrekt.
Van
verschillende zijden is zowel vóór als
na de totstandkoming van deze wet [lees:
die wet, red.] gewezen op haar beperkte strekking en
het weinig bevredigende van de regeling
welke zij inhoudt. De ondergetekenden
mogen er evenwel op wijzen dat de
beperkte strekking van de Noodwet
Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen
verband houdt met haar karakter van een
uit de schatkist gefinancierde
noodregeling, waarbij in de eerste
plaats rekening moet worden gehouden
met het behoefte-element.
rblz.|13
r.k.|
Reeds
bij de indiening van de noodregeling
heeft de Regering zich bereid verklaard
de indiening van een meer bevredigende
regeling te bevorderen, welke regeling
evenwel gebaseerd zou moeten worden op
premiebetaling door de zelfstandigen.
Gevolg
gevend aan de toezegging een definitieve
kinderbijslagvoorziening voor
zelfstandigen te zullen bevorderen, werd
een desbetreffend voorontwerp van wet
"Kinderbijslagverzekering voor
zelfstandigen" met een
bijbehorende ontwerp-memorie van toelichting op 9 april 1952 aan de
Sociaal-Economische Raad ter fine van
advies aangeboden.
In
dit voorontwerp van wet werd ervan
uitgegaan - zulks in overeenstemming
overigens met de uitspraak van de
Regering ter gelegenheid van de
indiening en behandeling van het
wetsontwerp "Noodwet Kinderbijslag
Kleine Zelfstandigen" - dat de
rechtsgrond voor een definitieve
kinderbijslagverzekering voor
zelfstandigen dezelfde was als die
welke gold met betrekking tot de
kinderbijslagverzekering voor
loontrekkenden. Zoals het loon van de
arbeider voldoende dient te zijn voor
het onderhoud van een gezin van
feitelijk gemiddelde grootte, dat wil
zeggen man, vrouw en twee kinderen, zo
dient het inkomen van de zelfstandige
minstens zodanig te zijn dat hij
daaruit het onderhoud van een gezin van
de gemiddelde omvang kan bekostigen.
Voor zover de gezinsgrootte de feitelijk
gemiddelde omvang overtreft,
is er aanleiding voor een
kinderbijslagvoorziening welke in
beginsel dient te worden gedragen door
de gezamenlijke zelfstandigen, aldus de
memorie van toelichting. Het gaat om
het tot stand brengen van een billijker
verdeling van het gezamenlijke inkomen
van alle zelfstandigen langs de weg ener
verplichte verzekering.
Het
voorontwerp betrof natuurlijke personen
die in Nederland hun woonplaats hebben
en die anders dan krachtens
arbeidsovereenkomst hier te lande een
bedrijf of beroep uitoefenen. Het
voorontwerp voorzag in een uitvoering
door bedrijfsverenigingen, zodat de
zelfstandigen zich bij een bedrijfsvereniging dienden aan te
sluiten.
Voordat de Sociaal-Economische Raad
zijn advies met betrekking tot het
onderhavige probleem aan de Regering
aanbood, was in april 1953 verschenen
het rapport van de naar haar voorzitter,
prof. mr. W.C.L. van der Grinten,
genoemde "commissie-Van der
Grinten", welke was ingesteld door
het Centrum voor Staatkundige Vorming.
Dit rapport droeg als opschrift "Sociale
Voorzieningen voor Zelfstandigen".
Deze
commissie kwam bij haar onderzoekingen tot de
conclusie dat van een
economische noodzaak ener verplichte
kinderbijslagverzekering voor
zelfstandigen in het algemeen of van een
grote belangstelling voor deze gedachte
onder hen waaruit een zich vormend
rechtsbewustzijn in dit opzicht zou
kunnen blijken, niet veel te constateren
viel. Wel kon voor de lagere
inkomensgroep althans de economische
redelijkheid van een kinderbijslagverzekering worden aanvaard. Wat
dit laatste betreft, ging de commissie
ervan uit dat de voor eigen welzijn en
eventueel voor het welzijn van zijn
gezin verantwoordelijke mens in
omstandigheden kan komen te verkeren
waardoor het hem geheel of gedeeltelijk
onmogelijk is door inspanning van zijn
persoonlijke krachten aan de eisen dezer
zelfverantwoordelijkheid te voldoen. In
dat geval, aldus de commissie in haar
verdere conclusie, is het redelijk dat
de gemeenschap hem te hulp komt.
Het
antwoord van deze commissie op de vraag
of het wenselijk is voor zelfstandigen
een kinderbijslagregeling te treffen,
luidt dan ook bevestigend. De commissie
zou echter niet iedere zelfstandige in
aanmerking willen doen komen voor
kinderbijslag, doch slechts diegenen
onder hen die qua inkomenspositie
gelijk kunnen worden gesteld met de
groep van handarbeiders. Met een beroep
op het beginsel der
zelfverantwoordelijkheid en het afwijzen
van dat der
gemeenschapsverantwoordelijkheid voor
deze zelfstandigen zou men hen ten
onrechte van kinderbijslag verstoken
laten. Ten aanzien van de niet
onbelangrijk in aantal zijnde
zelfstandigen die niet meer verdienen
dan de arbeider gemiddeld verdient, zou
de commissie het beginsel der
gemeenschapsverantwoordelijkheid tot
gelding willen rblz.|14
l.k.|
brengen.
Gezien het vorenstaande was het
begrijpelijk dat deze commissie
inkomensgrenzen voorstond. Deze
inkomensgrenzen zouden moeten worden
afgestemd op de gezinsgrootte en het
gemiddeld handarbeidersinkomen.
Naar
de mening van deze commissie is
kinderbijslag slechts op zijn plaats
indien het feitelijk gemiddelde van de
gezinsgrootte wordt overschreden. Zij
meende dan ook dat kinderbijslag zou
moeten worden verleend van het derde
kind af. Overigens vloeide uit één en
ander voort dat de kinderbijslag (van
het derde kind af) gelijk diende te zijn
aan de kinderbijslag voor derde en
volgende kinderen van de loontrekkenden.
Op
14 mei 1954 verscheen het op 9 april
1952 aan de Sociaal-Economische Raad
gevraagde advies inzake het voorontwerp
van wet "Kinderbijslagverzekering voor
Zelfstandigen".
De Sociaal-Economische Raad
stond om
verschillende redenen afwijzend
tegenover het voorontwerp, hetwelk
uitsluitend zelfstandigen met inkomens
uit bedrijf of beroep omvatte. De Raad
heeft zich, zij het dan ook met een
geringe meerderheid, op het standpunt
gesteld dat er een wettelijke
kinderbijslagverzekering diende te komen welke niet alleen alle zelfstandigen zou moeten omvatten, doch
mede alle overige niet-loontrekkenden,
met andere woorden iedereen die niet
reeds op grond van een
loondienstverhouding kinderbijslag
ontvangt. Een zeer aanzienlijke
minderheid echter kon zich met de
gedachte van een
kinderbijslagverzekering voor alle
niet-loontrekkenden niet verenigen.
Eensdeels wenste deze minderheid een
verplichte verzekering alleen voor de
lagere inkomensklassen, anderdeels stond
men afwijzend tegenover elke vorm van
kinderbijslagverzekering ten behoeve
van alle niet-loontrekkenden, enkele
groeperingen mogelijk uitgezonderd.
De
Sociaal-Economische Raad heeft zich ook
beziggehouden met de vraag of de door
de meerderheid wenselijk geachte
voorziening ten behoeve van alle
niet-loontrekkenden zou moeten worden
getroffen in de vorm van een
afzonderlijke, dus naast de huidige
Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden)
staande, regeling, dan wel of de
gedachte om alle niet-loontrekkenden
voor kinderbijslag in aanmerking te doen
komen, zou moeten worden verwezenlijkt
in één algemene, het gehele
Nederlandse volk omvattende,
kinderbijslagverzekering. Ook op dit
punt bestonden belangrijke
meningsverschillen. Een kleine
meerderheid sprak zich uit voor een
afzonderlijke regeling, terwijl een
aanzienlijke minderheid een algemene
voorziening wenste.
De
Sociaal-Economische Raad was eenstemmig
in zijn conclusie omtrent de wijze
waarop de middelen om kinderbijslag aan
alle niet-loontrekkenden uit te keren,
zullen moeten worden verkregen. Naar het
oordeel van de Raad zullen in het
algemeen de rechthebbenden als
collectiviteit de benodigde middelen
dienen op te brengen. De premieheffing
en -inning dienden te worden
gecombineerd met die ingevolge de
toekomstige wettelijke
ouderdomsverzekering.
Unaniem
was de Raad van oordeel dat de
uitkering van kinderbijslag diende
plaats te vinden van het derde kind af
en dat deze uitkeringen gelijk zouden
moeten zijn aan de kinderbijslagen voor
derde en volgende kinderen van de
loontrekkenden.
Op
grond van praktische en psychologische
overwegingen sprak de Raad als zijn
mening uit dat de
kinderbijslagverzekering voor de
niet-loontrekkenden tegelijk met de
toekomstige wettelijke
ouderdomsverzekering diende te worden
ingevoerd. Onder de bij het uitbrengen
van het advies geldende omstandigheden
achtte de Sociaal-Economische Raad de
sociaal- en privaat-economische
repercussies van invoering ener
kinderbijslagverzekering voor alle
niet-loontrekkenden tegelijk met de
invoering der wettelijke
ouderdomsvoorziening aanvaardbaar.
Voor
wat betreft de wijze van uitkering stond
de Raad op het standpunt dat ook op dit
punt aansluiting diende te worden
gezocht bij het systeem zoals dit in
het advies inzake de wettelijke
ouderdomsvoorziening is aanvaard. In het
stelsel van de uitvoering dezer
verzekering zag de Raad geen ruimte voor
bedrijfstaksgewijze uitvoering, maar
achtte hij een rblz.|14
r.k.|
centraal
uitvoeringsorgaan met, waar mogelijk,
territoriale vertakkingen noodzakelijk.
2. De
rechtsgrond
Bij
de totstandkoming van de
Kinderbijslagwet werd door de toenmalige
Minister van Sociale Zaken, Minister
Romme, als rechtsgrond aangegeven dat
het wenselijk is een grondslag te leggen
voor een meer rechtvaardige verdeling
van het totale bedrag dat wordt verloond, door met name verplicht te
stellen - en dat langs de weg ener
verzekering - dat hij de
loonbetaling van hen wier gezin de
feitelijk gemiddelde omvang overtreft,
met de daarmede samenhangende grotere
lasten zou rekening worden gehouden. Hij
ging daarbij uit van de omstandigheid
dat de feitelijke loonbepaling voor het
grootste deel der loontrekkenden geen
rekening hield met de verschillen in de
omvang van het gezin, hetwelk voor het
levensonderhoud op het loon van de
kostwinner is aangewezen. Zoals het loon
dus werd bepaald, moest het geacht
worden berekend te zijn op de
bestaansmogelijkheid van een gezin van
gemiddelde grootte.
Met
betrekking tot de vraag in hoeverre er
een rechtsgrond viel aan te geven voor
een kinderbijslagvoorziening voor
zelfstandigen, merkte vorenbedoelde
Minister bij de openbare behandeling
van het ontwerp van wet op dat hij ten
aanzien van de kinderbijslag geen
wezenlijk onderscheid zag tussen de
zelfstandigen en de loontrekkenden.
Uiteraard onderkende hij het verschil
tussen het vraagstuk van de
rechtvaardige prijs en het vraagstuk van
het rechtvaardige loon, maar ten
aanzien van het verlenen van
kinderbijslag, waarbij het gaat om het
algemene vraagstuk van de beloning van
de menselijke arbeidskracht, zag de
Minister in dit opzicht tussen de
zelfstandigen en de loontrekkenden geen
wezenlijk verschil. De bedoelde
bewindsman achtte dus wel een
rechtsgrond aanwezig voor de
kinderbijslag ten behoeve van
zelfstandigen, doch liet de bevordering
van een wetsvoorstel tot het verlenen
van zodanige kinderbijslag achterwege
omdat hij praktische moeilijkheden
vreesde.
Van
deze opvatting omtrent de rechtsgrond
voor een kinderbijslagverzekering
gelijkelijk geldend zowel voor
loontrekkenden als voor zelfstandigen,
getuigen in het advies van de Sociaal-Economische Raad
van 14 mei 1954
inzake de kinderbijslagverzekering voor
zelfstandigen ook die leden van deze
Raad die stellen dat naar hun
overtuiging de grond voor het verkrijgen
van kinderbijslag gelegen is in het
verrichten van maatschappelijke arbeid.
Zij stellen daarbij voorop het beginsel
dat het natuurlijk recht tot vorming van
een gezin door de wijze van beloning
voor het verrichten van maatschappelijke
arbeid niet mag worden belemmerd.
Aangezien bij de inkomensvorming - aldus deze leden
- met de omvang van
het gezin niet voldoende rekening
gehouden kan worden, dient, voor zover
hierdoor aan dit beginsel tekort zou
worden gedaan, een correctie op de
inkomensverdeling te worden toegepast.
Zij achten het derhalve een zaak van
sociale rechtvaardigheid dat behalve
ten behoeve van de loontrekkenden, ook
een wettelijke kinderbijslagvoorziening
voor zelfstandigen en alle overige
personen die maatschappelijke arbeid
verrichten tot stand wordt gebracht.
In
voornoemd advies van de
Sociaal-Economische Raad wordt door
andere leden het vraagstuk van de
kinderbijslagvoorziening van een andere
zijde benaderd. Deze leden brengen het
gezichtspunt naar voren dat, hoewel de
gezinsvorming een aangelegenheid is
waarvoor de ouders onmiddellijk
verantwoordelijkheid dragen, hieraan
niettemin aspecten verbonden zijn welke
ook de gemeenschap raken, met name voor
wat betreft het waarborgen van de
minimum materiële voorwaarden voor de
opvoeding der kinderen. Deze leden
wijzen hierbij op de situatie zoals
deze ligt op het terrein van het
onderwijs. Hier is een leerplicht
voorgeschreven waarbij de gemeenschap
te hulp komt indien het gezinshoofd
niet over voldoende middelen beschikt om
het kind onderwijs te doen verstrekken.
Uit deze zienswijze - aldus deze leden -
vloeit rblz.|15
l.k.|
voort
een indirecte verantwoordelijkheid van
de gemeenschap ten aanzien van de
gezinskosten. De gemeenschap dient een
deel van de kosten verbonden aan de
opvoeding der kinderen op zich te
nemen.
Een
volledige vergoeding van de kosten door
de gemeenschap vindt bij de hier aan
het woord zijnde leden geen verdediging,
omdat hierdoor naar het algemeen
gevoelen tekort zou worden gedaan aan de
persoonlijke verantwoordelijkheid der
ouders.
Zoals
uit het vorenstaande blijkt, voeren de
beide hier aan het woord zijnde groepen
leden van de Sociaal-Economische Raad
een verschillende rechtsgrond voor een
kinderbijslagvoorziening aan. Niettemin
komen beide groepen - tezamen de
meerderheid uitmakende van de
Sociaal-Economische Raad - tot de
conclusie dat naar hun oordeel de te
treffen kinderbijslagvoorziening
algemeen dient te zijn en derhalve ook
alle niet-loontrekkenden dient te
omvatten.
Ten
aanzien van dit onderwerp veroorloven de
ondergetekenden zich nog het volgende
op te merken.
Meer
dan bij verschillende andere regelingen
op het terrein der sociale verzekering
heeft bij de kinderbijslagregeling de
vraag naar de rechtsgrond van ouds een
grote rol gespeeld.
Vastgesteld
kan worden - en althans daarover lijkt
verschil van mening uitgesloten - dat
bij de bepaling van de loonhoogte thans
vrijwel nergens meer rekening gehouden
wordt, noch kan worden gehouden, met de
gezinsgrootte van de loontrekkende. In
de periode waarin de loonbepaling niet
collectief doch individueel geschiedde,
moge dan al in min of meer patriarchale
verhoudingen het individuele
behoefte-element een zekere rol bij de
loonbepaling gespeeld hebben, daarvan
is sinds lang geen sprake meer. Bij de
collectieve loonvorming zouden
bepalingen welke dwingend voorschrijven
rekening te houden met de gezinsgrootte
het gevaar oproepen van een voorkeur
voor tewerkstelling van ongehuwden en
kinderlozen. Zelfs wanneer de
loonvaststelling voor een gehele
bedrijfstak collectief geschiedt, is dit
gevaar nimmer geheel uit te sluiten. Dit
zal dan ook wel de reden zijn dat bedrijfstaksgewijze
kinderbijslagregelingen vóór de
totstandkoming van de wettelijke
kinderbijslagregeling betrekkelijk
weinig voorkwamen.
Wat
voor het looninkomen der arbeiders
geldt, geldt a fortiori voor het
inkomen van de zelfstandigen. Veelal
wordt dit inkomen uitsluitend bepaald
door marktfactoren. Dikwijls leiden deze
(marktfactoren), met name voor de kleine
zelfstandige, tot een te laag inkomen.
Als oorzaken daarvan moeten onder andere
worden
genoemd: het gebrek aan
bedrijfskapitaal, waardoor onder andere een
onvoldoende technische outillage en een
geringere sortering ontstaat;
onvoldoende hulp, waardoor de
administratie gebrekkig is; een felle
onderlinge concurrentie om nog het hoofd
boven water te kunnen houden; te vele
vestigingen in bepaalde bedrijven met
name in perioden van grote werkloosheid
wanneer werkloze arbeiders, hoewel
onvoldoende deskundig, een zaakje
beginnen. Intussen zijn niet altijd
uitsluitend marktfactoren beslissend
voor het inkomen der zelfstandigen. Men
denke in dit verband aan maatregelen tot
huur- en pachtbeheersing, tot het laag
houden der rente, tot het garanderen van
bepaalde prijzen als in de landbouw e.d.
Maar daarbij speelt in elk geval de
gezinsgrootte bij de bepaling van het
inkomen der verschillende categorieën
van zelfstandigen in het geheel geen
rol. In het algemeen kan men dus wel
zeggen dat de hoogte van het inkomen,
uit welke bron dit ook vloeit, geen
verband houdt met de grootte van het
gezin, dat is met één van de
belangrijkste determinanten van de
behoeften. Onder deze omstandigheden kan
aldus de inkomensvorming een ernstige
belemmering en soms zelfs een wezenlijk
beletsel voor de gezinsvorming gaan
betekenen. Een situatie die zowel uit
een oogpunt van een gezonde samenleving
als uit een oogpunt van de
zelfontplooiing van het individu hoogst
bedenkelijk wezen zou.
Nu
is het wel nodig hier scherp te
onderscheiden. Er wordt wel gesteld dat
inkomensvorming, onafhankelijk van de
gezinsgrootte, altijd een belemmering
voor de gezinsvorming zijn zou en daarom
correctie zou behoeven. Dit kunnen de rblz.|15
r.k.|
ondergetekenden
niet zonder meer aanvaarden. Wel zal ook
iemand met een ruim inkomen bij een meer
dan gemiddelde kinderzegen zich
financieel iets minder gemakkelijk
kunnen bewegen dan iemand met een even
ruim inkomen zonder of met slechts één
of twee kinderen, doch hier kan in
redelijkheid niet van een wezenlijk
beletsel, en zelfs niet van een ernstige
belemmering, van de gezinsvorming
worden gesproken. Het hebben van een
gezin, ook van een groot gezin, is een
voorrecht dat met de opoffering van een
stuk materiële welstand zeker niet te
duur is gekocht. Het zou wel van een
zeer materialistische opvatting van het
leven getuigen wanneer men zou willen
stellen dat er nimmer van zulke offers
sprake zou mogen zijn terwille van het
hebben van (veel) kinderen. Pas wanneer
de niet met de gezinsgrootte rekening
houdende inkomensvorming een ernstige
belemmering en soms zelfs een werkelijk
beletsel voor de gezinsvorming gaat
betekenen, is het nodig dat de overheid
een voorziening treft.
Van
zulk een situatie is sprake wanneer het
inkomen niet meer toereikend is om in
het redelijk minimale levensonderhoud
van een gezin met kinderen te voorzien.
Waar deze grens ligt, is niet voor alle
tijden en alle omstandigheden in een
geldsbedrag uit te drukken. Dit bedrag
zal stijgen met de groei van de
mogelijkheden tot behoeftebevrediging,
dat is met de algemene welstand. In deze
gedachtengang is ook plaats voor een
extra maatregel ingeval één of meer
van de kinderen studeren.
Een
kinderbijslagregeling welke op de
hierboven ontwikkelde gedachten is
gebaseerd, is in het belang van het kind
en in het belang van de maatschappij.
Het is in het belang van het kind
wanneer een financiële voorziening
wordt bevorderd die een betere
opvoeding en een betere opleiding
mogelijk maakt. Daarmede is de
ontplooiing van de persoonlijkheid van
de jeugdige mens gediend. Er wordt mede
meer gelijkheid van kansen door bereikt,
daar financiële barrières die aan
levenskansen in de weg staan lager
worden. Aangevuld met maatregelen op
belastinggebied, schoolgeldheffing en
dergelijke, kan zo een toestand worden
verkregen waarin geen mensenkind door
materiële nood belet zou worden zijn
gaven tot ontplooiing te brengen. Dat
hierdoor geen
"gelijkheid" wordt
bereikt en evenmin nagestreefd, is zo
vanzelfsprekend dat het geen nader
betoog behoeft.
Een
kinderbijslagregeling als boven
aangegeven, is niet alleen in het belang
van het kind, maar ook in het belang van
de maatschappij.
Een
grotere gelijkheid van
ontplooiingskansen is immers in de
huidige wereldverhoudingen een zaak van
maatschappelijke noodzakelijkheid.
Nederland kan zich in de huidige
verhoudingen het niet tot volle
ontplooiing komen van potentieel
intellect en van potentiële
bekwaamheid niet meer veroorloven. De
harde strijd om het bestaan welke ons
groeiend volk, samengeperst op een zeer
klein grondgebied, in de toekomst zal
hebben te voeren, noopt ons tot het
mobiliseren van alle kennis, kundigheid
en vaardigheid welke wij bij
mogelijkheid tot ontwikkeling kunnen
brengen.
Pleiten
dus zowel het verlangen om de
inkomensvorming geen werkelijk ernstige
belemmering voor de gezinsvorming te
doen zijn als het streven naar meer
gelijkheid van levenskansen als de
noodzaak om geen potentieel intellect
verloren te laten gaan voor een
kinderbijslagregeling welke een
redelijk minimaal levensonderhoud ook
voor het grote gezin mogelijk maakt, de
gedachte dat de ouders in eerste
instantie voor de vorming van een gezin
de verantwoordelijkheid behoren te
dragen, leidt eveneens tot beperking
van de kinderbijslag tot een peil waarmede een redelijk minimaal
levensonderhoud is gedekt. Er is wel
voor gepleit - en de huidige
kinderbijslagregeling voor
loontrekkenden verwezenlijkt deze
gedachte in sterke mate - om het
basisinkomen vermeerderd met de
kinderbijslag steeds minstens een zeker
percentage (75%) te doen zijn van het
basisinkomen vermeerderd met de "additionele
kosten per kind". Nu is het
ongetwijfeld juist dat bij stijging
van het basisinkomen ook de "additionele
kosten" per kind een zekere
toeneming zullen vertonen. Bij een
inkomen rblz.|16
l.k.|
boven
een zekere grens is echter dan ook in
deze "additionele kosten" een
bedrag voor niet-essentiële uitgaven
aanwezig, terwijl anderzijds de ouders
door zich in de niet-essentiële
uitgaven voor zich zelf en voor het
gezin in zijn geheel wat te beperken, de
stijgende
"additionele kosten"
van het kind kunnen en behoren op te
vangen. Aldus wordt, naarmate het
basisinkomen zulks mogelijk maakt, de
mogelijkheid groter om de
verantwoordelijkheid voor de
gezinsvorming zelfstandig te dragen.
Aangezien
bevolkingspolitieke overwegingen niet
tot een systeem nopen dat een zekere
aanmoediging van de bevolkingsgroei
tracht te creëren, zou men op grond van
bovenstaande overwegingen de vraag
kunnen stellen of de kinderbijslagregeling niet moet worden
beperkt tot gezinnen waarvan het
gezinshoofd of de verzorger van de
kinderen met zijn basisinkomen beneden
een bepaalde grens blijft.
Er
zijn tal van overwegingen die de
ondergetekenden hebben doen besluiten
niet een kinderbijslagvoorziening voor
te stellen welke slechts een uitkering
zou toekennen aan gezinshoofden of
verzorgers van gezinnen wier inkomen
een bepaalde inkomensgrens niet te
boven gaat.
De
kinderbijslagregeling welke reeds
vóór de Tweede Wereldoorlog in
Nederland tot stand kwam, was gegoten in
de vorm van een verzekering. Er zijn
goede redenen om de kinderbijslagregeling in de vorm van
een verzekering te verwezenlijken. Het
duidelijke verband tussen lusten en
lasten, het besef van
verantwoordelijkheid dat daardoor bij
de betrokkenen wordt aangekweekt, het
vermijden van een verzwaring van de
staatstaak en de staatsuitgaven, het
zijn alle voordelen van de verzekering
boven een voorziening uit de
rijksmiddelen.
Het
verzekeringssysteem, eenmaal gekozen
zijnde, heeft echter zijn
consequenties. Zou men personen met een
inkomen boven een zekere grens van de
uitkering willen uitsluiten, dan kan men
hen ook niet laten bijdragen in de
premie. En zo brengt dus in de eerste
plaats het feit dat reeds jarenlang een
deel van onze bevolking een
kinderbijslagregeling kent waarin geen
inkomensgrens is opgenomen, alsook de
voorkeur welke ondergetekenden hebben
voor een kinderbijslagregeling bij wijze
van verzekering, hen ertoe een regeling
van de kinderbijslag bij wijze van
volksverzekering voor te stellen waarin
voor een inkomensgrens geen plaats is.
Een
tweede overweging welke de
ondergetekenden tot dit voorstel heeft
gebracht, is de volgende. Zou - met
handhaving uiteraard van de bestaande
regelingen voor de loontrekkenden - een kinderbijslagregeling getroffen
worden waarvan de zelfstandigen wier
inkomen een zekere grens overschrijdt,
uitgesloten zouden zijn, dan zou
uitsluitend, wat men wel genoemd heeft,
een horizontale herverdeling van het
inkomen van de verzekerde groep tot
stand worden gebracht. Een stukje
maatschappelijke solidariteit zou aldus
uit de regeling vervallen. Voor degenen
die beneden de inkomensgrens blijven,
zou de te betalen premie wegens het
onverzekerd blijven van de meer
welgestelden hoger moeten zijn. De
niet-verzekerden met een inkomen boven
de inkomensgrens daarentegen zouden
geen premie betalen. Inzonderheid in het
bedrijfsleven zou dit tot ongewenste
consequenties leiden. Immers de
kinderbijslagpremie maakt deel uit van
de bedrijfskosten. Zou de premiebetaling beperkt blijven tot
zelfstandigen met een inkomen beneden
een bepaalde grens, dan zouden de
concurrentieverhoudingen voor deze
groep van merendeels kleine
zelfstandigen nadelig worden beïnvloed.
Ook om die reden dient er dus de
voorkeur aan te worden gegeven alle
zelfstandigen in de
kinderbijslagregeling te betrekken en
daarvoor premie te laten betalen.
De
vaststelling en de inning van de premie
is jarenlang het grote struikelblok
geweest voor de invoering van een
kinderbijslagregeling voor
zelfstandigen. Bij de indiening van de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
werd reeds erkend dat er geen andere
dan technisch-administratieve redenen
waren om de zelfstandigen buiten de
regeling te houden. Vaststelling en
inning van premies van zelfstandigen is
- de beraadslagingen en studies rond
de Algemene Ouderdomswet hebben het
aangetoond - slechts mogelijk door de belastingdienst. Deze
rblz.|16
r.k.|
vaststelling
en inning zijn voor de belastingdienst
zelfs een tamelijk eenvoudige zaak
wanneer de bepalingen ter zake in de
nieuwe kinderbijslagregeling geheel
parallel lopen met die in de Algemene
Ouderdomswet. Zou de belastingdienst
echter met verschillende criteria voor
Ouderdomswet en kinderbijslagregeling
moeten gaan werken, dan komt deze dienst
voor ernstige complicaties te staan.
Met name geldt dit wanneer in de ene wet
geen en in de andere wet wel een
inkomensgrens zou zijn opgenomen
waarboven de verzekeringsplicht niet
geldt.
Daar
komt nog bij dat de belastingdienst, zo
deze er al in zou slagen een regeling
met een inkomensgrens, naast de Algemene
Ouderdomswet, voor wat de
premievaststelling en -inning betreft,
tot uitvoering te brengen, ter
vaststelling van de verzekeringsplicht
van zelfstandigen slechts werken kan met
de laatst beschikbare gegevens. Deze
gegevens hebben altijd betrekking op de
toestand van ten minste één jaar geleden.
Bij de somtijds sterk wisselende
inkomens van de (kleine) zelfstandigen
zou dit betekenen dat
verzekeringsplicht en dus recht op
uitkering van kinderbijslag bestaat in
een jaar waarin het inkomen (zelfs vrij
aanzienlijk) boven de inkomensgrens kan
zijn gestegen, maar ook omgekeerd, dat
op grond van vroegere gegevens in een
bepaald jaar tot het wegvallen van de
verzekeringsplicht moet worden
geconcludeerd juist dan wanneer de
inkomsten uitzonderlijk laag en
kinderbijslaguitkering dus alleszins
gewenst zou zijn.
Een
verdere moeilijkheid is nog het
vaststellen van een inkomensgrens
waarboven geen verzekeringsplicht meer
geldt. Een zekere willekeur valt
namelijk daarbij niet te vermijden.
Geldt dit reeds in het algemeen, het
geldt nog veel sterker voor een regeling
als de kinderbijslag. Op zijn allerminst
zou men de inkomensgrens moeten laten
variëren naargelang van het aantal
kinderen dat een gezinshoofd heeft te
verzorgen. In de huidige Noodregeling
Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen komt
deze gevarieerde inkomensgrens dan ook
voor. De administratieve rompslomp en
de mogelijkheden tot ontduiking en
vergissingen door dit systeem
veroorzaakt, zijn omvangrijk.
In
het bovenstaande zijn ook nog argumenten
te vinden om de door ondergetekenden in
de aanvang van dit hoofdstuk
principieel verworpen progressie in de
kinderbijslaguitkeringen naarmate het
basisinkomen van gezinshoofd of
verzorger groter is, praktisch
onuitvoerbaar te noemen. Te dezer
plaatse moge hieraan nog worden
toegevoegd dat het toepassen van twee
progressies (één naar het kindertal en
één naar basisinkomen) ook een
aanzienlijke verzwaring van de taak der
uitvoerende organen en een niet
onaanzienlijke stijging van de
administratiekosten zou betekenen. Dit
zal mede de reden zijn dat met
uitzondering, voor zover bekend, van
Frankrijk nergens ter wereld in de van
overheidswege getroffen
kinderbijslagregelingen progressie naar
het basisinkomen wordt aangetroffen.
Concluderende
zien de ondergetekenden de rechtsgrond
voor de door hen voorgestelde algemene
kinderbijslagverzekering in de
omstandigheid dat de inkomensvorming
voor loontrekkenden en zelfstandigen
met de gezinsgrootte geen rekening houdt
en niet kan houden; dat dientengevolge
de gezinsvorming voor de
bevolkingsgroepen met lagere inkomens
soms verhinderd of in elk geval ernstig
belemmerd wordt; dat ook het streven
naar een grotere gelijkheid van
ontplooiingskansen een correctie op de
inkomensverdeling noodzakelijk maakt en
dat deze desiderata slechts op praktisch
uitvoerbare wijze
verwezenlijkt kunnen worden in een
volkskinderbijslagverzekering.
3. De organisatie van de voorziening
3.1. Een algemene kinderbijslagregeling
Uit de beschouwingen welke in het
vorige hoofdstuk zijn gewijd aan het
vraagstuk van de rechtsgrond blijkt
dat er geen aanleiding is op
principiële gronden een onderscheid te
maken tussen loonarbeiders en
niet-loontrekkenden. De ondergetekenden
menen hierop de aandacht te moeten vestigen, rblz.|17
l.k.|
omdat
dit punt van belang is met betrekking
tot het antwoord op de vraag op welke
wijze een kinderbijslagvoorziening voor
niet-loontrekkenden georganiseerd moet
worden. De vraag is namelijk of er, nu
reeds sinds 1941 de Kinderbijslagwet
(voor loontrekkenden) bestaat, een
afzonderlijke kinderbijslagvoorziening
in het leven moet worden geroepen voor
de niet-loontrekkenden, dan wel of voor
beide categorieën één algemene, de
gehele bevolking omvattende, regeling
tot stand moet komen.
De
ondergetekenden zijn van oordeel dat
wanneer geen principiële redenen zijn
aan te geven op grond waarvan twee
afzonderlijke kinderbijslagregelingen
naast elkaar zouden moeten bestaan, dit
ten opzichte van het antwoord op de
vraag welke organisatie voor de te
treffen voorzieningen gekozen moet
worden, in belangrijke mate bepalend is.
Het ligt dan immers voor de hand, zulks
met het oog op de eenvoud in de
administratie en ter besparing van extra
kosten, niet twee regelingen naast
elkaar te doen bestaan, maar beide
regelingen te doen opgaan in één, de
gehele bevolking omvattende,
kinderbijslagverzekering.
In
dit verband mogen de ondergetekenden
melding maken van het advies van de Sociaal-Economische Raad, dat eveneens
het vraagstuk van de organisatie naar
voren heeft gebracht. Aan het advies van
de Sociaal-Economische Raad moge op dit
punt het volgende worden ontleend:
"De
regeling van een
kinderbijslagvoorziening ten behoeve
van niet-loontrekkenden kan men zich
denken als een afzonderlijke regeling
naast die ten behoeve van de
loontrekkenden of als een regeling in
het kader van een algemene, uniforme,
voor alle burgers geldende voorziening.
In het laatste geval zou uiteraard de
kinderbijslagregeling voor
loontrekkenden in deze algemene
voorziening moeten worden ingebouwd.
De
Raad is van oordeel dat een
afzonderlijke regeling ten behoeve van
alle niet-loontrekkenden aanbeveling
verdient. Hij acht deze ook
technisch-administratief uitvoerbaar.
De
uitspraak van de Raad wordt gedragen
door leden, die overigens ten aanzien
van de vraag welke in het voorgaande
hoofdstuk is behandeld (te weten de
vraag of de te treffen voorziening alle
niet-loontrekkenden dient te omvatten),
een onderling afwijkend standpunt
innemen. Uiteraard behoren daartoe de
leden die een afwijzend standpunt
innemen tegenover een voorziening voor
alle niet-loontrekkenden, doch een
beperkte voorziening voor zelfstandigen
aanvaarden. Zij wensen deze dan in een
afzonderlijke regeling te zien
opgenomen. Maar ook onder degenen
die voorstander zijn van een voorziening
voor alle niet-loontrekkenden zijn er
die de voorkeur geven aan een
afzonderlijke regeling. Zij nemen
daarbij in aanmerking dat in het kader
van de loonpolitiek, zoals deze thans
wordt gevoerd, het noodzakelijk, althans
gewenst kan zijn om de grotere gezinnen
der loontrekkenden tegemoet te komen
door een verhoging van de
kinderbijslagtarieven, zonder dat de
daartoe strekkende motieven ook voor de
niet-loontrekkenden gelden. Zulk een
verschil in beleid met betrekking tot de
loontrekkenden enerzijds en de
niet-loontrekkenden anderzijds zou
uiteraard kwalijk passen in een algemene
regeling. Bovendien verdient naar de
mening van sommigen een afzonderlijke
regeling de voorkeur uit hoofde van de
overweging dat zij de gelegenheid
biedt om de uitvoering in handen te
leggen van de belanghebbenden zelve.
Een
belangrijke minderheid is echter van
oordeel dat een afzonderlijke regeling
op technisch-administratieve gronden - onder
andere de inning der premie - niet
aanvaardbaar is, terwijl vele van deze
leden dit standpunt innemen als
consequentie van de gronden hierboven op
blz. 3 (de door deze leden aangegeven
rechtsgrond) uiteengezet."
Uit
de hierboven weergegeven passage blijkt
dat de Sociaal-Economische Raad
in
meerderheid de voorkeur gaf aan het
treffen van een afzonderlijke regeling
voor de niet-loontrekkenden naast de
bestaande Kinderbijslagwet, doch dat een
belangrijke rblz.|17
r.k.|
minderheid een algemene, voor alle
burgers geldende, voorziening voorstond.
Tevens blijkt dat de Sociaal-Economische Raad
- naar de mening van de
ondergetekenden volkomen terecht - zich bij de bepaling van zijn standpunt
- behalve door overwegingen van andere
aard - voor een belangrijk deel heeft
laten leiden door het antwoord op de
vraag of de voorgestane organisatie ook
technisch-administratief uitvoerbaar is.
De meerderheid spreekt immers uit dat
een afzonderlijke regeling aanbeveling
verdient, doch laat terstond hierop
volgen dat deze ook
technisch-administratief uitvoerbaar
wordt geacht, terwijl de minderheid
daarentegen van oordeel is dat een
afzonderlijke regeling alleen al op
technisch-administratieve gronden niet
aanvaardbaar is.
Het
spreekt vanzelf dat ook de
ondergetekenden zich van de technische
moeilijkheden en mogelijkheden
rekenschap hebben moeten geven en dat
zij daarbij aandacht geschonken hebben
aan hetgeen in de Sociaal-Economische
Raad naar voren is gebracht.
De
ondergetekenden zijn daarbij tot de
overtuiging gekomen dat de invoering
van een kinderbijslagregeling ten
behoeve van alle niet-loontrekkenden - wil deze regeling praktisch zijn en met
zo min mogelijk kosten gepaard gaan - zeer bezwaarlijk is te verwezenlijken in
een voor deze categorie afzonderlijk te
treffen voorziening. De moeilijkheden
verbonden aan een zodanige
afzonderlijke regeling zouden zich op
alle belangrijke technische onderdelen
doen gevoelen. Op de voornaamste van
deze moeilijkheden mogen de
ondergetekenden hieronder nader ingaan.
De
premie-inning
De Sociaal-Economische Raad
geeft als zijn advies dat de
premieheffing en -inning ten behoeve van
een wettelijke kinderbijslagvoorziening
voor niet-loontrekkenden gecombineerd
dient te worden met die ten behoeve van
de wettelijke ouderdomsvoorziening. Dit
advies heeft de instemming van de
ondergetekenden. Niet alleen wordt
hiermede een grote vereenvoudiging
bereikt, doch bovendien zal - zoals de
Sociaal-Economische Raad terecht
opmerkt - een gecombineerde
premieheffing minder psychologische
bezwaren ontmoeten dan het heffen van
een premie welke alleen ten behoeve van
een kinderbijslagverzekering wordt
opgelegd.
Eén
en ander betekent dus in concreto dat
de premieheffing en -inning zal dienen
te geschieden door de Rijksbelastingdienst.
Hiervan uitgaande
is het evenwel niet mogelijk vast te
houden aan een premieheffing door de belastingdienst die alleen betrekking
heeft op de niet-loontrekkenden. De
kring van premieplichtigen ingevolge de Algemene Ouderdomswet
is afgestemd op de
kring dergenen die aan de
inkomstenbelasting zijn onderworpen.
Uiteraard was dit noodzakelijk om het de
Rijksbelastingdienst technisch mogelijk
te maken om op eenvoudige wijze de
verschuldigde premie te heffen en in te
vorderen. Zou de Rijksbelastingdienst
echter worden belast met de
premieheffing en -inning ingevolge een
uitsluitend voor niet-loontrekkenden
geldende kinderbijslagverzekering, dan
zou deze dienst voor wel zeer
aanzienlijke moeilijkheden worden
geplaatst. De kring van premieplichtigen
in de te treffen
kinderbijslagvoorziening zou dan
hoegenaamd niet samenvallen met de kring
van premieplichtigen in de wettelijke
ouderdomsverzekering en de kring van
belastingplichtigen. De
Rijksbelastingdienst zou in dat geval
genoodzaakt worden alleen ten behoeve
van de premieheffing en -inning
ingevolge de kinderbijslagvoorziening,
van alle loon- en
inkomstenbelastingplichtigen de
categorie die buiten de
Kinderbijslagwet voor
niet-loontrekkenden valt af te
zonderen.
Daarbij komt
nog dat de
belastingdienst de categorie van
"niet-loontrekkenden"
zou moeten afzonderen aan de hand van
een niet-belastingtechnisch criterium, namelijk de vraag of iemand al dan niet
"arbeider" in de zin van de
Kinderbijslagwet is. Hiermede zou dan de
situatie zijn geschapen dat de
belastingdienst -
welks
administratieve apparaat daarop
overigens allerminst is ingesteld -
zich zou moeten gaan bezighouden met rblz.|18
l.k.|
de
beoordeling van de verzekeringsplicht
ingevolge de Kinderbijslagwet.
Ten slotte
zou zich nog de administratieve
verzwaring voordoen dat de
belastingdienst genoodzaakt zou zijn in
alle gevallen waarin het inkomen van
de betrokkene bestaat uit loon en
inkomsten uit anderen hoofde - te
denken valt aan loonarbeiders die
tevens als zelfstandigen optreden, aan
zelfstandigen wier echtgenoten in
loondienst werkzaam zijn, etc. - voor
de heffing van de verschuldigde premie
van het totale inkomen af te zonderen
het loon waarover reeds premie
ingevolge de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden is geheven.
Op
grond van het bovenstaande kunnen de
ondergetekenden dan ook tot geen andere
conclusie komen dan dat het enerzijds
inderdaad alle aanbeveling verdient de
premieheffing en -inning te combineren
met die van de wettelijke
ouderdomsverzekering - een
zodanige combinatie schept de
mogelijkheid dat met een minimum aan
uitvoeringskosten ook van
niet-loontrekkenden premie kan worden
geheven en ingevorderd -, doch dat
dit anderzijds slechts mogelijk is
indien wordt voldaan aan de voorwaarde
dat de kring van verzekerden (en
daardoor van premieplichtigen) gelijk is
of althans nagenoeg gelijk aan die van
de algemene ouderdomsverzekering.
Kring
der verzekerden
Het
gescheiden houden van twee afzonderlijke
kinderbijslagverzekeringen, één voor
de loonarbeiders - reeds belichaamd
in de Kinderbijslagwet - en één voor
de niet-loontrekkenden, zou - afgezien van de hierboven aangegeven
moeilijkheden ten aanzien van de
premieheffing en -inning - nog andere
bezwaren opleveren. Er zouden namelijk
moeilijkheden ontstaan welke
rechtstreeks door die scheiding zouden
worden veroorzaakt en wel omdat er een
terrein zou ontstaan waarop beide
voorzieningen elkaar zouden raken. Men
zou hierbij kunnen spreken van "afbakeningsmoeilijkheden".
Om een voorbeeld te noemen. Valt een
arbeider onder de Kinderbijslagwet, dan
zal de betrokken werkgever
kinderbijslagpremie moeten betalen over
het loon van deze arbeider, zoals dit
gebruikelijk is. Geniet deze arbeider
echter ook nog inkomen uit anderen
hoofde - bijvoorbeeld uit vermogen -, dan zou
hij over laatstbedoeld inkomen geen
premie behoeven te betalen. De
zelfstandige daarentegen die onder de
regeling voor de niet-loontrekkenden zou
vallen, zal premie dienen te betalen van
zijn totale inkomen, niet alleen dus van
zijn inkomen uit bedrijf of beroep,
maar ook van zijn eventueel inkomen uit
vermogen, niet zijnde zijn bedrijfs- of
beroepsvermogen.
Er
zouden alzo in gevallen als deze
verschillen in behandeling tussen
arbeiders en zelfstandigen ontstaan die
naar het oordeel van de ondergetekenden
niet gemotiveerd zouden zijn. Ook in
ander opzicht zouden deze
afbakeningsmoeilijkheden zich doen
gevoelen en wel in de gevallen dat men
deels arbeider is in de zin der
Kinderbijslagwet en deels tot de groep
der niet-loontrekkenden behoort.
Wanneer
iemand op gedeelten van dagen in
loondienst werkzaam is en daarnaast - voor het overige gedeelte van deze dagen
- als zelfstandige optreedt, zou hij
onder beide kinderbijslagregelingen
komen te vallen. Om te voorkomen dat in
die gevallen dubbele kinderbijslag zou
worden ontvangen, zou bepaald kunnen
worden dat de betrokkenen slechts onder
één der beide regelingen vallen. In de
rede zou dan liggen in deze gevallen de
Kinderbijslagwet te laten voorgaan,
omdat de betrokkenen als "arbeider"
ook thans reeds -
al werken zij
slechts gedeelten van dagen -
over
deze dagen toch het volle bedrag aan
kinderbijslag kunnen ontvangen, ervan
uitgaande dat minstens het in de
Kinderbijslagwet genoemde bedrag van ƒ5,60 per dag wordt verdiend. Intussen
rijst dan de vraag of het wel juist is
dat de betrokkenen uitsluitend onder de
Kinderbijslagwet komen te vallen met het
gevolg dat zij - hoewel zij slechts
gedeeltelijk arbeid in loondienst
verrichten - in hun kwaliteit van
"arbeider"
reeds de volle kinderbijslag ontvangen
en voorts geen premie behoeven te
betalen van hun inkomsten als zelfstandige.
rblz.|18
r.k.|
Om deze moeilijkheden weer te ondervangen,
zou bepaald kunnen worden dat de
betrokkenen onderworpen blijven aan
beide regelingen - waardoor zij
ingevolge beide regelingen premie moeten
betalen -, doch dat zij slechts
krachtens één van beide regelingen
voor hetzelfde kind kinderbijslag kunnen
ontvangen. Naast het bezwaar dat de belastingdienst
in die gevallen uit het
inkomen het daarin begrepen loon moet
lichten, omdat dit niet dubbel met
kinderbijslagpremie zou kunnen worden
belast, zou evenwel nog weer een andere
moeilijkheid naar voren treden en wel
deze dat van de betrokkenen krachtens
de beide kinderbijslagwetten premie zou
worden ontvangen, doch dat de uit te
keren kinderbijslagen ten laste zouden
kunnen worden gebracht van slechts één
dezer beide wetten. Dit zou er weer toe
noodzaken de op grond van de ene
regeling uitgekeerde kinderbijslagen
ten laste van de beide
kinderbijslagwetten te brengen naar rato
van de duur waarover de betrokkene
feitelijk krachtens elke regeling
afzonderlijk verzekerd diende te zijn.
Bij deze moeilijkheden komt nog dat de
ene regeling (de Kinderbijslagwet)
kinderbijslag uitkeert van het eerste
kind af en de andere regeling (die voor
de niet-loontrekkenden) uitkering zal
verlenen van het derde kind af, hetgeen
op zichzelf ook weer complicaties
geeft.
Al
met al zijn de ondergetekenden tot de
conclusie gekomen dat het bestaan van
twee naast elkaar werkende regelingen
tal van complicaties oplevert, welke
slechts voorkomen kunnen worden door het
treffen van één algemene, voor
iedereen gelijkelijk geldende,
kinderbijslagverzekering.
Andere kinderbijslagregelingen
In
het voorgaande zijn de ondergetekenden
er gemakshalve van uitgegaan dat het tot
stand komen van een afzonderlijke
kinderbijslagverzekering voor
niet-loontrekkenden zou betekenen dat
dan naast elkaar tweeërlei regeling zou
komen te gelden, de Kinderbijslagwet
voor de loonarbeiders en de
afzonderlijke kinderbijslagvoorziening
voor de niet-loontrekkenden. Niet uit
het oog mag echter worden verloren - en zeker niet wanneer het gaat om
vraagstukken van
technisch-administratieve aard - dat
er naast de kinderbijslagregeling,
vervat in de Kinderbijslagwet, thans
nog een aantal andere
kinderbijslagregelingen bestaat.
In
de eerste plaats mogen de
ondergetekenden wijzen op de bij de wet
getroffen regelingen, te weten de
Kindertoelagewet voor gepensionneerden
en de Kinderbijslagwet voor
invaliditeits-, ouderdoms- en
wezenrentetrekkers.
De
Kindertoelagewet voor gepensionneerden
beoogt aan personen en hun nagelaten
betrekkingen die pensioen ontvangen van
het Burgerlijk Pensioenfonds of het
Spoorwegpensioenfonds, dan wel als
gewezen militair van de Landmacht of
Zeemacht een pensioen genieten, boven
het pensioen een kindertoelage te
verlenen. De Kinderbijslagwet voor
rentetrekkers kent een kinderbijslag toe
aan degenen die in het genot zijn van
een rente krachtens de Invaliditeitswet
of één der Ongevallenwetten.
De
Noodwet Kinderbijslag Kleine
Zelfstandigen kan hier buiten
beschouwing gelaten worden, omdat deze
wet [lees: die wet, red.] bij het treffen van een
afzonderlijke regeling voor de
niet-loontrekkenden zou dienen te
worden ingetrokken.
In de tweede plaats
moet gewezen worden op het bestaan van
naar schatting 1200 bijzondere
kinderbijslagregelingen, waardoor het
onder deze regelingen vallende personeel
aan de werking van de Kinderbijslagwet
is onttrokken. Het geldt hier het
personeel in dienst van het Rijk, de
provincies, de gemeenten, de Mijnen,
de Spoorwegen, het onderwijzend en
militair personeel, e.d., voor welke
groepen eigen kinderbijslagregelingen
bestaan welke in meer of minder
belangrijke mate afwijken van de
regeling neergelegd in de
Kinderbijslagwet.
De
ondergetekenden mogen er voorts de
aandacht op vestigen dat al deze
bijzondere kinderbijslagregelingen door
de instellingen waarbij de betrokkenen
in dienst zijn zelfstandig worden
uitgevoerd. Zou nu aan deze
kinderbijslagregelingen weer een nieuwe,
afzonderlijke kinderbijslagregeling voor
niet-loontrekkenden worden toegevoegd,
welke regeling ook op haar beurt weer
uitgevoerd zou moeten worden door een
eigen uitvoeringsorgaan, rblz.|19
l.k.|
dan zou het geheel nog weer
onoverzichtelijker en gecompliceerder
worden dan het nu al is.
Dit
geheel van kinderbijslagregelingen
overziende, zijn de ondergetekenden van
mening dat de organisatie der kinderbijslagvoorziening op de
verkeerde weg is geraakt en dat in stede
op het rechte pad terug te keren nog
verder zou worden afgedwaald indien
nog weer een nieuwe, afzonderlijke
kinderbijslagregeling aan de reeds
bestaande zou worden toegevoegd. Reeds
thans schept het bestaan van
verschillende kinderbijslagregelingen
in grote mate administratief-technische
moeilijkheden voor de
uitvoeringsorganen. Elk orgaan voor zich
moet rekening houden met de mogelijkheid dat voor hetzelfde kind
door meer dan één persoon en uit
verschillende hoofde aanspraak op kinderbijslag
kan worden gemaakt.
In
dit verband mogen de ondergetekenden ter
illustratie van deze moeilijkheden het
aan de praktijk ontleende geval aanhalen van een weduwe van een in de
laatste oorlog gesneuvelde militair.
Deze weduwe had drie kinderen. Zij was in
het genot van een klein militair
weduwenpensioen en had uit dien hoofde
recht op kinderbijslag voor haar drie kinderen op grond van de
Kindertoelagewet voor gepensionneerden.
Aangezien dit pensioen ontoereikend was
om daaruit het levensonderhoud voor zich
en haar kinderen te bekostigen, dreef
zij een sigarenwinkeltje van bescheiden
omvang. Zij trad dus tevens op als
zelfstandige. Aangezien haar totale
inkomen bleef onder de daarvoor gestelde
limiet had zij voor haar derde kind
tevens recht op kinderbijslag ingevolge
de Noodwet Kinderbijslag Kleine
Zelfstandigen. Bovendien werkte zij in
de vroege ochtenduren als werkster op
één van de rijkskantoren. Zij was
arbeidscontractante in de zin van het
Arbeidsovereenkomstenbesluit en had
daardoor op grond van artikel 12a van
dit besluit nog eens recht op
kinderbijslag voor haar drie kinderen
krachtens genoemde bijzondere regeling.
En ten slotte werkte zij nu en dan - ook als werkster
- in de avonduren in
dienst van een particulier kantoor,
waardoor zij ook nog recht op
kinderbijslag kon ontlenen aan de
Kinderbijslagwet. Het behoeft geen
betoog dat in gevallen als deze een
tijdrovend en vertragend onderzoek
nodig is voordat - in verband met
de diverse anticumulatiebepalingen -
vaststaat welk orgaan nu eigenlijk moet
betalen, welke organen eventueel
aanvullend moeten betalen en welke
bedragen ten slotte precies moeten worden
uitgekeerd.
Nu
is de omstandigheid dat het naast
elkaar bestaan van diverse
kinderbijslagregelingen moeilijkheden
van administratief-technische aard en
daardoor vertraging oplevert, niet het
enige bezwaar. Hoe meer regelingen er
zijn of komen, hoe minder een
behoorlijke controle op de uitkering van
de kinderbijslagen mogelijk is. Het
laat zich immers verstaan dat naarmate
het aantal kinderbijslagregelingen,
uitgevoerd door even zoveel
verschillende organen, zich uitbreidt,
de mogelijkheid voor een
uitkeringsgerechtigde die onder meer
dan één regeling valt om voor
hetzelfde kind meer dan eenmaal
kinderbijslag te ontvangen, zonder dat
deze samenloop van kinderbijslag wordt
geconstateerd en achterhaald, groter
wordt. Een eenvoudige en afdoende
controle op dit punt is bij een zo grote
verscheidenheid van regelingen en van
uitvoeringsorganen praktisch niet meer
mogelijk. De ondergetekenden zien dit
bezwaar vooral optreden wanneer naast
elkaar afzonderlijke
kinderbijslagvoorzieningen voor
loontrekkenden en niet-loontrekkenden
zouden gelden. Deze beide voorzieningen
zouden immers elkaar veel meer raken dan
de thans bestaande
kinderbijslagregelingen. Te denken valt
aan het zeer grote aantal gevallen
waarin de man zelfstandig is en de vrouw
uit loondienst inkomen heeft of
omgekeerd, alsmede aan de omstandigheid
dat velen nu eens loontrekker zijn, dan
weer zelfstandige.
Al
de hierboven geschetste bezwaren zouden
voor een belangrijk deel opgeheven of
voorkomen kunnen worden indien, zoals
in de onderhavige wetsontwerpen wordt
voorgesteld, alle bestaande en nog te
treffen kinderbijslagvoorzieningen
opgenomen zouden kunnen worden in één
algemene, voor iedereen gelijkelijk
geldende regeling, uit te voeren door
één orgaan, met regionale
vertakkingen.
rblz.|19
r.k.|
3.2. De Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden
In
het vorenstaande menen de
ondergetekenden voldoende te hebben
uiteengezet welke overwegingen van technisch-adminitratieve aard hen tot
de overtuiging hebben gebracht dat het
in het leven roepen van een
afzonderlijke regeling voor
niet-loontrekkenden niet wel mogelijk is
en in elk geval zeer onpraktisch zou
zijn.
Dit
neemt niet weg dat ook aan het tot
stand brengen van een algemene
kinderbijslagvoorziening uit een oogpunt
van organisatie der kinderbijslagverzekering bepaalde
bezwaren kleven. Deze hangen samen met
het verschil in de omvang der
verstrekkingen ingevolge een algemene
kinderbijslagverzekering en de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden.
Het
ligt namelijk in de bedoeling - in hoofdstuk
6 komen de ondergetekenden
hierop terug - dat krachtens de
algemene kinderbijslagverzekering aan de
onder deze regeling vallende verzekerden
kinderbijslag
zal worden verleend van
het derde kind af. De tegenwoordige
Kinderbijslagwet daarentegen verleent
de verzekerde arbeider kinderbijslag van
het eerste kind af. Dit betekent dat de
samensmelting van de Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden met de Algemene
Kinderbijslagwet niet volkomen zal
kunnen zijn. Ook het in één wet
regelen van de kinderbijslag voor
loontrekkenden (voor de eerste twee
kinderen) en van de algemene
kinderbijslag (voor derde en volgende
kinderen) biedt in deze geen
verbetering, omdat dan toch in een
zodanige wet voortdurend een scherp
onderscheid tussen beide voorzieningen
zou moeten worden gemaakt. In de
omschrijving van de kring der
verzekerden, in de wijze van
vaststelling der premie, bij de heffing
en inning van de premie en bij de
omschrijving van het recht op
kinderbijslag zou er namelijk toch steeds
rekening mee gehouden moeten worden dat
voor de arbeiders nog een afzonderlijke
voorziening voor de eerste twee kinderen
bestaat. Het zou er praktisch op
neerkomen dat de Kinderbijslagwet werd
opgeheven, doch als een aanvullende
regeling zelfstandig in de éne algemene
wet werd overgenomen.
Het ligt dan ook
voor de hand dat beter naast een
algemene, voor het gehele volk geldende,
kinderbijslagvoorziening voor derde en
volgende kinderen de Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden kan blijven bestaan
als een kinderbijslagvoorziening voor
eerste en tweede kinderen.
De
vraag rijst nu of het bezwaar van het
moeten blijven bestaan van een
afzonderlijke regeling voor de
loontrekkenden de voordelen uit
organisatorisch oogpunt verbonden aan
een algemene regeling niet verloren
doet gaan.
De
ondergetekenden menen deze vraag
ontkennend te kunnen beantwoorden.
Bij
de overweging van deze vraag moet men in
de eerste plaats in aanmerking nemen
dat indertijd - bij de Wet van 21
december 1946, Stb. G 373 - de
Kinderbijslagwet is gewijzigd in die zin dat het recht op kinderbijslag ook
werd verleend ten behoeve van eerste en
tweede kinderen. Deze maatregel werd
voorgesteld in verband met de toenmalige
economische situatie waarin ons land
verkeerde en welke een algemene
loonsverhoging minder wenselijk maakte.
Bij de aanvaarding van deze maatregel is
destijds gesteld dat deze voorziening
beschouwd moest worden als een
tijdelijke maatregel, welke ongedaan
gemaakt diende te worden zodra de
omstandigheden zulks zouden veroorloven.
Het
vorenstaande in aanmerking genomen, moet
er dus rekening mede gehouden worden
dat te eniger tijd deze tijdelijke
maatregel ongedaan kan worden gemaakt.
Hierin ligt op zichzelf dus reeds een
aanwijzing besloten dat het geen
aanbeveling verdient de definitieve
kinderbijslagvoorziening te organiseren
met als uitgangspunt dat de
tegenwoordige Kinderbijslagwet
afzonderlijk dient te blijven bestaan,
uitsluitend omdat in deze wet nu eenmaal
een kinderbijslagregeling is getroffen
van het eerste kind af.
Vervolgens
dient te worden bedacht dat het naast
elkaar doen bestaan van twee
kinderbijslagregelingen welke ieder
afzonderlijk een andere
kinderbijslagverzekering inhouden (te
weten een algemene kinderbijslagverzekering voor derde en
volgende kinderen en de Kinderbijslagwet
voor eerste en tweede rblz.|20
l.k.|
kinderen
van loontrekkenden), veel minder
bezwaar oplevert dan het naast elkaar
doen bestaan van twee
kinderbijslagregelingen welke in
materieel opzicht voor een groot deel
hetzelfde regelen. Dit laatste zou het
geval zijn indien naast een algemene
kinderbijslagverzekering voor derde en
volgende kinderen de Kinderbijslagwet
in haar huidige vorm zou blijven beslaan
en behalve voor eerste en tweede
kinderen eveneens voor derde en volgende
kinderen kinderbijslag zou verlenen.
In
het laatste geval toch treden alle
moeilijkheden op welke in de vorige
paragraaf uitvoerig werden besproken.
In het eerste geval zijn de te
overwinnen administratief-technische
moeilijkheden veel geringer. Het
bestaan van een kinderbijslagvoorziening voor het
eerste en tweede kind van loontrekkenden
is dan immers in wezen niets anders dan
een aparte verzekering voor
loonarbeiders met een eigen inhoud,
welke op elk gewenst tijdstip kan worden
opgeheven, zonder dat dit consequenties
heeft ten opzichte van een algemene kinderbijslagverzekering voor derde en
volgende kinderen. Het enige raakvlak
met de algemene kinderbijslagverzekering
ligt dan in het omschrijven van de
voorwaarden waaronder het recht op
kinderbijslag bestaat. Het is duidelijk
dat deze voorwaarden - om beide wetten
op elkaar te doen aansluiten - gelijkluidend dienen te zijn.
Wordt
een algemene, het gehele volk
omvattende, kinderbijslagregeling in
het leven geroepen, inhoudende de
verstrekking van kinderbijslag ten
behoeve van derde en volgende kinderen,
dan kan dus - zolang dit nog nodig is - de kinderbijslagregeling voor de
loonarbeiders ten behoeve van het eerste
en het tweede kind als het ware
geschoven worden vóór de algemene
regeling, zonder dat dit een
verstrengeling geeft met de algemene
regeling.
Dit
hoofdstuk afsluitende geven de
ondergetekenden dan ook als hun stellige
mening te kennen dat het vraagstuk van
de definitieve kinderbijslagverzekering
alleen dan tot een verantwoorde
oplossing kan worden gebracht indien
wordt overgegaan tot de invoering van
een algemene, het gehele volk
omvattende, kinderbijslagverzekering.
Deze regeling zal - zoals in hoofdstuk
6 zal worden uiteengezet - recht
geven op een kinderbijslag
van het derde
kind af. Daarnaast kan dan - zolang
dit nodig is - de kinderbijslagverzekering voor
loontrekkenden gehandhaafd blijven,
welke recht geeft op kinderbijslag voor
het eerste en het tweede kind.
4. De
uitvoeringsorganen
4.1 Uitvoering van de algemene
kinderbijslagverzekering door de Sociale
Verzekeringsbank
De
voorgestelde algemene
kinderbijslagverzekering omvat het
gehele volk. Ook andere maatschappelijke
groeperingen dan wekgevers en werknemers
zullen derhalve bij deze verzekering
betrokken zijn. Naar de mening van de
ondergetekenden ligt hierin reeds
besloten dat de uitvoering van de
algemene kinderbijslagverzekering
ongedragen dient te worden aan de
Sociale Verzekeringsbank. Het bestuur
der Sociale Verzekeringsbank is zodanig
samengesteld dat daarin - behalve de
organisaties van werkgevers en
werknemers - ook andere
maatschappelijke groeperingen
vertegenwoordigd zijn.
Bovendien
ligt het uit een oogpunt van doelmatige
organisatie voor de hand dat, nu de
uitvoering van de algemene
ouderdomsverzekering - een
volksverzekering zijnde - is
opgedragen aan de Sociale
Verzekeringsbank, de uitvoering van de
algemene kinderbijslagverzekering - eveneens een volksverzekering zijnde
- aan ditzelfde orgaan wordt
opgedragen. In aanmerking moet evenwel
worden genomen dat bij de algemene
kinderbijslagverzekering - meer dan
bij de algemene ouderdomsverzekering - in de praktijk de behoefte zal bestaan
de aan de uitvoering verbonden
werkzaamheden territoriaal te
decentraliseren. Naar de mening van de
ondergetekenden zullen de territoriale
organen een belangrijke rol bij de
uitvoering moeten spelen. Immers alleen
door de werkzaamheden regionaal te
spreiden, zal kunnen worden bereikt dat
de rblz.|20
r.k.|
uitbetaling
van de kinderbijslagen snel en zonder
vertraging zal kunnen geschieden. De
medewerking van de Raden van Arbeid - de territoriale
organen welke bij de
algemene ouderdomsverzekering zijn
ingeschakeld - zal dan ook niet kunnen
worden gemist. In artikel 5
[5] van het
wetsontwerp is daartoe dan ook - overigens op gelijke wijze als dit in de
Algemene Ouderdomswet is geschied - de mogelijkheid geopend. De taak van de
Raden van Arbeid zal naar de mening van
de ondergetekenden hierin moeten bestaan dat zij belast worden met het
in ontvangst nemen en het behandelen
van de aanvragen om kinderbijslag,
alsmede met de uitbetaling daarvan. De
Sociale Verzekeringsbank zal het beheer
moeten voeren over het Algemeen
Kinderbijslagfonds en zal de
aanwijzingen en richtlijnen dienen te
geven welke de Raden van Arbeid bij hun
werkzaamheden in acht hebben te nemen.
In
de gedachtengang van de ondergetekenden
zullen dus de regionale organen een
belangrijk aandeel hebben in de
praktische werkzaamheden ter uitvoering
van de wet. Zij zullen voor het gebied
waarvoor zij bevoegd zijn het orgaan
zijn dat steeds ervoor zorg draagt dat
ieder ingezetene woonachtig in dat
gebied de kinderbijslag ontvangt
waarop hij recht heeft. Alle werknemers,
zelfstandigen, weduwen, invaliden,
gepensioneerden, ouden van dagen, etc.,
behoeven zich, voor wat de kinderbijslag
betreft, steeds maar tot één en
hetzelfde orgaan te wenden. Met deze
territoriale decentralisatie van de aan
de Algemene Kinderbijslagwet verbonden
uitvoeringswerkzaamheden is dan een
eerste stap gezet op de weg welke uit
een veelheid van over elkaar heen
werkende organen en regelingen op het
gebied van de kinderbijslagregelingen,
leidt naar een overzichtelijke,
eenvoudige en daardoor goedkopere
administratie, welke tevens het voordeel
heeft dat iedere verzekerde op
eenvoudige wijze kan verkrijgen waarop
hij recht heeft en dat de kans op fraude
tot een minimum wordt beperkt.
Overigens
zij opgemerkt dat het niet de bedoeling
van de ondergetekenden is vooruit te
lopen op de definitieve beslissing ten
aanzien van de positie van de Raden van
Arbeid. Slechts hebben de
ondergetekenden in het bovenstaande tot
uitdrukking willen brengen dat het
noodzakelijk is de uitvoering van de
algemene kinderbijslagverzekering te
leggen in handen van dezelfde organen
die ook met de uitvoering van de
Algemene Ouderdomswet zijn belast en
hebben zij er voorts op willen wijzen
dat voor wat de uitvoering van de
algemene kinderbijslagverzekering
betreft, een belangrijke taak zal
toevallen aan territoriale organen.
4.2. Premieheffing en -inning door de
Rijksbelastingdienst
In
het onderhavige wetsontwerp wordt
voorgesteld de heffing en de invordering
van de verschuldigde premies te doen
geschieden door de Rijksbelastingdienst.
Het is naar de mening van de
ondergetekenden uit een oogpunt van
doelmatigheid aangewezen bij het in het
leven roepen van een
kinderbijslagverzekering voor het gehele
volk deze taak op te dragen aan de
Rijksbelastingdienst.
In de eerste
plaats toch wordt het op deze wijze
mogelijk aansluiting te zoeken bij de
premieheffing en -inning ingevolge de
Algemene Ouderdomswet. De voordelen van
deze aansluiting springen duidelijk in
het oog. Bereikt kan nu immers worden
dat met een minimum aan kosten de
verschuldigde premie ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet geheven wordt
tegelijk met en op dezelfde wijze als de
premie verschuldigd ingevolge de
Algemene Ouderdomswet. Deze
gecombineerde premieheffing werkt voor
elk der beide verzekeringen in
belangrijke mate kostenbesparend, omdat
de Rijksbelastingdienst slechts eenmaal
- doch voor beide
verzekeringen tegelijk - de
noodzakelijke werkzaamheden verricht.
Dit betekent dat noch de algemene
ouderdomsverzekering, noch de algemene
kinderbijslagverzekering zullen worden
belast met de totale
premie-inningskosten waarmede de
uitvoering dezer beide verzekeringen elk
afzonderlijk zou worden belast indien
de premieheffing en -inning van deze
verzekeringen niet zou kunnen worden
gecombineerd.
rblz.|21
l.k.|
De tweede overweging welke er naar de
mening van de ondergetekenden duidelijk
toe leidt de premieheffing en -inning
door de Rijksbelastingdienst te doen
geschieden, is hierin gelegen dat het
van de groep der zelfstandigen en
overige niet-loontrekkenden praktisch
alleen mogelijk is de premie te heffen
indien gebruik gemaakt wordt van de
apparatuur en de gegevens waarover de
Rijksbelastingdienst beschikt. Ook in
het advies van de Sociaal-Economische Raad
omtrent deze materie wordt ten
aanzien van de zelfstandigen en overige
niet-loontrekkenden voorgesteld de
premieheffing en -inning - in
combinatie met die ingevolge de algemene
ouderdomsverzekering - op te dragen
aan de Rijksbelastingdienst.
De
ondergetekenden zijn met de
Sociaal-Economische Raad van oordeel
dat het struikelblok hetwelk al sedert
jaren aan de praktische uitvoerbaarheid
van een kinderbijslagverzekering, (ook)
geldende voor zelfstandigen en overige
niet-loontrekkenden, in de weg heeft
gestaan - namelijk de vraag op welke wijze
ten aanzien van deze groep een
praktische en efficiënte premieheffing
en -invordering mogelijk was -,
alleen weggeruimd kan worden indien de
premieheffing en -inning aan de
Rijksbelastingdienst worden opgedragen.
De ondergetekenden zien in dit verband
niet voorbij dat de Sociaal-Economische
Raad met zijn advies het oog had op een
afzonderlijke regeling voor
zelfstandigen en andere
niet-loontrekkenden.
De
in het ontwerp van de Algemene
Kinderbijslagwet aan de
Rijksbelastingdienst opgedragen taak
houdt in dat op gelijke wijze als dit
ten aanzien van de Algemene Ouderdomswet
het geval is, de heffing en inning van
de verschuldigde premie zullen
geschieden overeenkomstig de bepalingen
welke gelden voor de heffing en de
invordering van de inkomstenbelasting en
de loonbelasting. Evenmin als bij de
premieheffing ingevolge de wettelijke
ouderdomsverzekering wordt eraan
gedacht de verschuldigde premie te
vermelden op hetzelfde aanslagbiljet
als waarop de aanslag in de
inkomstenbelasting voorkomt. Wel kunnen
zonder bezwaar de verschuldigde
premiebedragen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet en ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet in één aanslag aan de
verzekerden ter kennis worden gebracht.
Van degenen wier inkomen is onderworpen aan
een voorheffing krachtens het Besluit
op de Loonbelasting 1940 of aan een
daarmede overeenkomende voorheffing
ingevolge de Tweede
Uitvoeringsbeschikking
Inkomstenbelasting 1941 - in hoofdzaak
de groep der loontrekkenden - kan de
premie op gelijke wijze als de
loonbelasting en in één bedrag met de
premie ingevolge de Algemene
Ouderdomswet door de werkgever op het
loon worden ingehouden.
Het
ligt namelijk in de bedoeling de
ouderdomspremietabel en de
kinderbijslagpremietabel tot één tabel
samen te voegen, welke de beide premies
in één bedrag aangeeft. Aangezien de
ouderdomspremietabel reeds met de
verschillende Ioonbelastingtabellen is
gecombineerd, zal de tabel welke de tot
één bedrag samengevoegde
ouderdomspremie en kinderbijslagpremie
aangeeft, op zijn beurt eveneens met de
loonbelastingtabellen kunnen worden
gecombineerd. Uit deze gecombineerde
tabel zullen de werkgevers zonder enige
moeite in elke tariefklasse direct de
verschuldigde loonbelasting alsmede de
tot één bedrag samengevoegde ouderdoms-
en kinderbijslagpremie kunnen aflezen.
Het inhouden van de premie ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet door de
werkgevers zal voor hen derhalve niet
met een vermeerdering van werkzaamheden
gepaard gaan.
De
ondergetekenden zijn van oordeel dat
door de inschakeling van de
Rijksbelastingdienst, op de wijze als
hierboven is aangegeven, een doelmatige
en efficiënte wijze van heffing en
invordering van de voor de algemene
kinderbijslagverzekering verschuldigde
premies kan worden verkregen.
4.3. Uitvoering van de Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden door de Sociale Verzekeringsbank
In paragraaf 1 van dit
hoofdstuk hebben de
ondergetekenden niet zonder reden
gesproken over de eerste stap op de weg
naar een eenvoudige en overzichtelijke
administratie van de rblz.|21
r.k.|
kinderbijslagverzekering.
Wordt er in het kader van een algemene
kinderbijslagverzekering een grote
vereenvoudiging bereikt wanneer de
gehele bevolking wordt opgenomen in
één kinderbijslagregeling, recht
gevende op kinderbijslag
van het derde
kind af - waarmede alle andere
bestaande kinderbijslagregelingen
dezelfde materie regelend, kunnen
vervallen -, dan zou toch, indien op
de ingeslagen weg niet zou worden
voortgegaan, inderdaad nog niet meer dan
een eerste stap zijn gezet.
Er
moet immers rekening mede gehouden
worden dat naast de algemene
kinderbijslagverzekering de
Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden)
zal blijven bestaan.
Zou
in de wijze van uitvoering der
Kinderbijslagwet geen wijziging worden
gebracht, dan zou er op het terrein van
de uitvoeringsorganisatie een situatie
ontstaan waarvan ongetwijfeld gezegd
zou kunnen worden dat de voorgenomen
vereenvoudiging nog allerminst is
bereikt. De situatie zou dan ontstaan
dat de bedrijfsverenigingen de
kinderbijslag aan de loontrekkenden
voor de eerste twee kinderen zouden
moeten uitbetalen en dat de
Sociale Verzekeringsbank
en de Raden van Arbeid
daarnaast - voor de loontrekkenden - de uitbetaling van de kinderbijslag voor
derde en volgende kinderen zouden moeten
verzorgen. Dat daarmede bepaald niet een
verdergaande vereenvoudiging zou zijn
bereikt, springt wel duidelijk in het
oog.
Wanneer
de Sociale Verzekeringsbank, terzijde
gestaan door de Raden van Arbeid, de
algemene kinderbijslagverzekering zou
uitvoeren en de bedrijfsverenigingen
daarnaast de Kinderbijslagwet (voor de
eerste twee kinderen), zou dit
allereerst dit grote bezwaar opleveren
dat de arbeiders wier gezinnen meer dan
twee kinderen tellen steeds met twee
organen te maken zouden krijgen. Zij
zouden dan bijvoorbeeld steeds zowel aan het met
de uitvoering van de Algemene
Kinderbijslagwet belaste orgaan als aan
de betrokken bedrijfsvereniging een
aanvraag om kinderbijslag moeten
inzenden. Zij zouden ook van beide
organen afzonderlijk een kinderbijslag
uitgekeerd krijgen.
Een volgend
bezwaar
dat zou optreden, zou zijn dat ook de
uitvoeringsorganen zelf voor grote
moeilijkheden geplaatst zouden worden,
omdat zij over en weer niet van elkaar
zouden weten of een aanvraag om
kinderbijslag bij beide organen
ingediend wel gelijkluidend zou zijn.
Toch zouden beide organen dit moeten
weten, omdat anders het gevaar bestaat
dat zij elk een verschillend aantal
kinderen en een verschillende rangorde
aanhouden. In het midden wordt daarbij
dan nog maar gelaten de belangrijke
vraag of de beide organen - zo zij
zich in deze gevallen met elkaar in
verbinding zouden stellen - in
dubieuze gevallen tot hetzelfde inzicht
zouden komen en een gelijkluidend
standpunt zouden innemen.
Ten slotte
zou zich het wel zeer grote bezwaar
voordoen dat ten aanzien van de
arbeiders met drie of meer kinderen alle
onderzoeken en handelingen welke nodig
zijn voor een juiste beoordeling van de
aanvraag om kinderbijslag tweemaal, namelijk
door ieder der beide organen, zouden
dienen te geschieden. Elk orgaan
afzonderlijk zou immers eerst moeten
weten welk totaal aantal kinderen voor
kinderbijslag in aanmerking komt om
daaruit te kunnen afleiden welke
kinderen eerste en tweede en welke
kinderen derde en volgende kinderen
zijn. Het zou moeilijk zijn te ontgaan
dat in vele gevallen de onderzoeken bij
de betrokkenen, de verificaties bij de
bevolkingsregisters, etc., tweemaal
zouden moeten geschieden.
Het
behoeft naar de mening van de
ondergetekenden wel geen verder betoog
dat het niet verantwoord zou zijn om het
bij de uitvoering van de
kinderbijslagverzekering op een dergelijke situatie te laten aankomen.
Om deze bezwaren op het terrein van de
uitvoeringsorganisatie te ontgaan,
bestaat er naar de mening van de
ondergetekenden maar één afdoende
mogelijkheid, welke hierin gelegen is
dat ook de uitvoering van de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden in
handen wordt gelegd van de Sociale
Verzekeringsbank en de Raden van
Arbeid. Er bestaat te dien opzichte naar
de mening van de ondergetekenden geen
keus. Al de hiervoren vermelde bezwaren
zijn dan ondervangen. Eén orgaan
ontvangt en behandelt dan alle aanvragen
om kinderbijslag; dat orgaan verricht eenmaal
- voor beide wetten - de
nodige rblz.|22
l.k.|
onderzoeken;
verricht eenmaal - voor beide
wetten - eventuele geneeskundige
onderzoeken als het aanvragen om
kinderbijslag voor invalide kinderen
betreft; er is slechts eenmaal een
verklaring van een schoolhoofd nodig;
men behoeft zich slechts eenmaal tot
het bevolkingsregister te wenden, etc.
Het
verheugt de ondergetekenden in dit
verband dat in het advies van de Sociaal-Economische Raad
van 14 mei 1954
tot uitdrukking komt dat ook de leden
van deze Raad zich rekenschap hebben
gegeven van de moeilijkheden welke op
het terrein van de
uitvoeringsorganisatie liggen. In de
nota welke als bijlage I bij dit advies
is opgenomen, geven respectievelijk de
voorstanders van een algemene
kinderbijslagverzekering en de
voorstanders van een afzonderlijke
kinderbijslagverzekering voor
niet-loontrekkenden hun mening over tal
van administratief-technische
vraagstukken welke aan de uitvoering
zijn verbonden.
Voor
de ondergetekenden is in dit verband van
belang hetgeen diegenen naar voren
brengen die voorstanders zijn van het
treffen van een afzonderlijke
kinderbijslagvoorziening voor
niet-loontrekkenden naast de bestaande
Kinderbijslagwet, omdat zij in wezen
voor dezelfde moeilijkheid stonden als
hierboven is uiteengezet, namelijk de vraag
op welke wijze de administratieve
bezwaren welke verbonden zijn aan het
naast elkaar bestaan van twee (of meer)
kinderbijslagregelingen tot zo klein
mogelijke proporties kunnen worden
teruggebracht. Deze leden nu bevelen in
deze nota onder andere aan te streven naar het
doen uitvoeren van alle regelingen door
één centraal uitvoeringsorgaan. Met
het inzicht van deze leden zijn de
ondergetekenden het - zoals trouwens
blijkt uit hetgeen hierboven reeds
uitvoerig is uiteengezet - volkomen
eens.
De
ondergetekenden kunnen dan ook tot geen
andere slotsom komen dan dat het
aangewezen is de uitvoering van de
algemene kinderbijslagverzekering zowel
als die van de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden in handen te leggen van
de Sociale Verzekeringsbank. Alleen op
deze wijze wordt ook een verdere stap
gezet op de weg naar een eenvoudige en
goedkope administratie.
4.4. Premie-inning ingevolge de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
door de Sociale Verzekeringsbank
Wanneer
er mede zou worden volstaan de
uitvoering van de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden, voor zover de vaststelling en uitbetaling der
uitkeringen betreft, over te dragen aan
de
Sociale Verzekeringsbank, dan zou dit
betekenen dat de premie-inning
ingevolge deze
wet in handen zou blijven
van de bedrijfsverenigingen. Daarmede
zou dan een situatie ontstaan welke de
ondergetekenden niet bevredigend achten.
Hoewel
op zichzelf genomen de uitvoering van
één en dezelfde wet door
verschillende van elkaar onafhankelijke
organen wel mogelijk is, zou het bij de
uitvoering van de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden - alsdan beperkt tot kinderbijslag voor de eerste twee
kinderen - toch wel aanmerkelijke
praktische bezwaren opleveren wanneer
zowel de Sociale Verzekeringsbank
enerzijds als de bedrijfsverenigingen
anderzijds daarbij een taak zouden
krijgen.
In
een dergelijke situatie zou allereerst
de vraag rijzen in handen van welk
orgaan de beoordeling van de
verzekeringsplicht gesteld zou moeten
worden. Het is immers duidelijk dat
wanneer elk orgaan alleen met betrekking
tot de eigen taak zijn standpunt omtrent
het verzekerd zijn zou moeten bepalen,
het gevaar rijst dat bij onderling
verschillend oordeel bijvoorbeeld het ene orgaan
in bepaalde gevallen tot premieheffing
overgaat, zonder dat anderzijds het
andere orgaan deze premieheffing doet
volgen door uitkering van kinderbijslag
aan de betrokken arbeider. Ook het
omgekeerde kan zich voordoen.
Nu
is het niet eenvoudig uit te maken welke
van deze organen ten aanzien van de
beoordeling van het verzekerd zijn het
beslissend oordeel zou moeten hebben.
Eigenlijk zou dit moeten zijn het orgaan dat over het verlenen der
uitkeringen beslist. Aan de andere kant
zouden echter overwegingen van
praktische aard ervoor pleiten de
beoordeling van het verzekerd zijn
geheel in handen te leggen van de
bedrijfsverenigingen. Het streven naar
coördinatie op het stuk van de rblz.|22
r.k.|
verzekeringsplicht
zou het namelijk zeer gewenst doen zijn dat
de bedrijfsverenigingen, behalve voor
wat de Werkloosheidswet en de Ziektewet
betreft, ook de beoordeling behielden
van de verzekeringsplicht ingevolge de
Kinderbijslagwet.
Doch
er een ogenblik van uitgaande dat
inderdaad de bedrijfsverenigingen
belast zouden worden met de beoordeling
van de verzekeringsplicht, rijst
terstond een nieuwe vraag, namelijk of dit
dan zou moeten betekenen dat iedere
aanvraag om kinderbijslag ingediend bij
de Raad van Arbeid eerst naar de
betrokken bedrijfsvereniging moet worden
doorgezonden teneinde onderzocht te
worden op het punt van het verzekerd
zijn van de aanvrager. Dit zou
wel een zeer tijdrovend werk worden.
Overigens zou dit in verreweg de meeste
gevallen ook niet nodig zijn, omdat
veelal wel op eenvoudige wijze uit te
maken valt of de aanvrager inderdaad
verzekerd is. Er zou dus een regeling
getroffen moeten worden welke aangeeft
in welke gevallen de Raad van Arbeid
gehouden zou zijn omtrent de verzekeringsplicht van een aanvrager om
kinderbijslag het oordeel van de
betrokken bedrijfsvereniging in te
winnen. Het aangeven van die gevallen
zou niet zo eenvoudig zijn. Bovendien is
niet te verwachten dat deze regeling in
alle opzichten sluitend zou kunnen
worden gemaakt, omdat elk orgaan
afzonderlijk weer verschillend kan
oordelen over de vraag of een bepaald
geval wel of niet onder de getroffen
regeling valt..
Daar
komt nog een moeilijkheid bij. De vraag
zou zich namelijk voordoen door welk orgaan
de bedrijfsverenigingen gecontroleerd
moeten worden voor wat betreft de juiste
premie-inning en -afdracht van de
ontvangen gelden. Ook hierbij ligt het
voor de hand deze controle in handen te
leggen van de Sociale Verzekeringsbank
als het orgaan dat het
Kinderbijslagfonds beheert en dat
derhalve bij een juiste premie-inning en
-afdracht het grootste belang heeft.
Doch de figuur dat de Sociale
Verzekeringsbank de
bedrijfsverenigingen zou moeten
controleren, is weinig aantrekkelijk.
Het zou meer aanbeveling verdienen deze
controle te doen geschieden door de
Sociale Verzekeringsraad. Evenwel
verzet zich daartegen min of meer het
karakter van de Sociale
Verzekeringsraad. Deze Raad heeft een
toezichthoudende taak. Tot diens taak
kan echter bezwaarlijk gerekend worden
het uitoefenen van controle op het ene
orgaan ten behoeve van het andere.
De
hierboven geschetste moeilijkheden
welke zouden voortvloeien uit een
gesplitste uitvoering van de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
zouden ondervangen zijn indien de
Sociale Verzekeringsbank in
samenwerking met de Raden van Arbeid
niet alleen belast werd met de
vaststelling en de betaalbaarstelling
van de kinderbijslagen, maar ook met de
heffing en inning der premies. Op zichzelf is dit ook zeer goed mogelijk,
vooral zolang de Raden van Arbeid belast
blijven met de premie-inning ingevolge
de Ongevallenwet 1921. Zolang de Raden
van Arbeid ter uitvoering van de
Ongevallenwet 1921 beschikken over een
administratie en een apparatuur welke
geheel ingesteld is op het heffen en
innen van premie, is het zonder veel
extra kosten mogelijk deze organen ook
de premie ingevolge de Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden te doen heffen en
innen. Overigens betekent dit niet dat
wanneer in bepaalde gevallen de behoefte
zich zou doen gevoelen om de medewerking
van één of meer bedrijfsverenigingen in
te roepen, deze mogelijkheid zou moeten
zijn uitgesloten. In het wetsontwerp
tot aanpassing van de Kinderbijslagwet
wordt dienaangaande dan ook een
voorziening voorgesteld.
De
ondergetekenden zijn derhalve van
oordeel dat in elk geval zolang de
Raden van Arbeid belast blijven met de
premie-inning ingevolge de Ongevallenwet
1921, het aanbeveling verdient deze
organen ook in te schakelen voor wat
betreft de premieheffing en -inning
ingevolge de
"overblijvende"
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden.
Wanneer te zijner tijd de premie-inning
ingevolge de Ongevallenwet 1921 van de
Raden van Arbeid overgaat naar de
bedrijfsverenigingen, kan bij die
gelegenheid worden bezien - en dan in
breder verband - of het niet beter is
alsdan tegelijkertijd ook de
premieheffing en -inning ingevolge de
Kinderbijslagwet bij de
bedrijfsverenigingen onder te brengen.
rblz.|23
l.k.|
Samenvattend
zijn de ondergetekenden derhalve van
oordeel dat, ervan uitgaande dat het
verstrekken van kinderbijslag
voor de
eerste twee kinderen van loontrekkenden
een tijdelijk en een aflopend karakter
draagt, het ter wille van de eenvoud van
uitvoering van de "overblijvende"
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
aanbeveling verdient ook de
premieheffing en -inning ingevolge deze
wet op te dragen aan de
Sociale Verzekeringsbank, welke daarbij
terzijde zal worden gestaan door de
Raden van Arbeid.
4.5. Bijzondere regelingen
Na
de beschouwingen in de vorige paragrafen
omtrent de uitvoeringsorganisatie van de
algemene kinderbijslagverzekering en de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
dient thans aandacht te worden
geschonken aan de als bijzondere regelingen erkende
kinderbijslagvoorzieningen en daarnaast
aan de Kinderbijslagwet voor
invaliditeits-, ouderdoms- en
wezenrentetrekkers en de
Kindertoelagewet voor gepensionneerden.
Bij
het benaderen van dit vraagstuk dient in
de eerste plaats in het oog gehouden te
worden dat wanneer te zijner tijd
naast elkaar twee volksverzekeringen in
werking zullen zijn, te weten de
algemene ouderdomsverzekering en de
algemene kinderbijslagverzekering, het
daarbij van groot belang is dat van de
aanvang af de kring der verzekerden voor
beide regelingen zoveel mogelijk gelijk
is.
Vanuit
dit oogpunt bezien zou het uiterst
moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk
zijn om bepaalde groepen van personen
buiten de algemene
kinderbijslagverzekering te laten en in
afzonderlijke kinderbijslagregelingen
onder te brengen of, voor zover zij
onder andere kinderbijslagvoorzieningen
vallen, deze zonder meer te laten
voortbestaan. Dit zou immers betekenen
dat deze personen wel ingevolge de
algemene ouderdomsverzekering, doch
niet ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering premie zouden
behoeven te betalen. De Rijksbelastingdienst
zou daardoor
genoodzaakt worden de personen
vallende onder de verschillende andere
kinderbijslagregelingen, van de
premieplichtigen ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet af te zonderen. Deze
zou dus verplicht zijn na te gaan welke
personen onder de bijzondere
kinderbijslagregelingen vallen. Steeds
zou bij de betrokken werkgevers (de rijksdiensten, de
gemeenten, de
provincies, de
waterschappen, de
Spoorwegen, de Mijnen, bijzondere
onderwijsinstellingen, etc.) moeten
worden onderzocht niet alleen welke
leden van het personeel onder de door
die werkgevers getroffen regeling
vallen, maar ook over welke tijdvakken
die leden onder de betrokken regeling
zijn gevallen. De Rijksbelastingdienst
moet namelijk ook de juiste tijdvakken
weten, omdat uiteraard het loon van de
betrokkenen voor wat de premie ingevolge
de algemene kinderbijslagverzekering
aangaat, slechts onbelast kan blijven
voor zover het loon betreft dat
verdiend is in het tijdvak dat gewerkt
werd onder werking van de bijzondere
kinderbijslagregeling. Het loon
verdiend in een tijdvak waarover de
bijzondere kinderbijslagregeling niet
van toepassing was, dient voor de
premieheffing van de algemene wet wel in
aanmerking genomen te worden, omdat de
betrokkene in dat tijdvak onder de
algemene wet viel. Kortom, in alle
gevallen waarin voor iemand voor
kortere of langere tijd een bijzondere
regeling van toepassing zou zijn
geweest, zou de Rijksbelastingdienst een
onderzoek moeten instellen en een
tijdrovende administratie moeten voeren,
om tot een zuivere vaststelling van de
premie te geraken. Wat betreft
rentetrekkers en gepensioneerden zou de
Rijksbelastingdienst er niet alleen
steeds mede bekend moeten zijn wie een
rente of een pensioen geniet krachtens
de Invaliditeitswet of de Pensioenwet,
doch ook over welk tijdvak die rente of
dat pensioen wordt genoten, tot welk
bedrag en aan de hand daarvan moeten
nagaan of zij wegens het genieten van de
rente of het pensioen aanspraak op
kinderbijslag of kindertoelage ingevolge
één van de beide hiervoor
genoemde andere wettelijke
kinderbijslagvoorzieningen kunnen maken.
Bij
dit alles komt nog de vraag welk
standpunt ingenomen zou moeten worden
ten aanzien van het inkomen dat de
betrokkene heeft buiten het loon dat
hij geniet uit zijn rblz.|23
r.k.|
dienstbetrekking
waarvoor de bijzondere regeling geldt, bijvoorbeeld het
loon dat zijn echtgenote
verdient of het inkomen uit vermogen.
Gedurende de tijd dat bijvoorbeeld een
spoorwegbeambte onder een bijzondere
regeling valt, zou hij niet verzekerd
zijn ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering en zou hij over
zijn loon geen premie verschuldigd zijn.
Wanneer evenwel de echtgenote van deze
spoorwegbeambte daarnaast nog een zeker
loon zou verdienen, zou op grond van de
bepaling dat de gehuwde vrouw niet zelf
premieplichtig is - een bepaling welke
ook voor de algemene
ouderdomsverzekering geldt - de
betrokkene behalve van zijn eigen loon
ook van het loon van zijn vrouw geen
premie behoeven te betalen. Naar de
mening van de ondergetekenden zou dit
een onbevredigende consequentie zijn en
zouden er dus op dit punt nadere - en
dus weer afwijkende - voorzieningen
moeten worden getroffen. Bij een
inkomen uit vermogen zou zich - zij
het in andere zin - iets dergelijks
voordoen. Om een voorbeeld te noemen.
Iemand treedt ingaande 1 juli van enig
jaar in dienst van een werkgever voor
wiens personeel een bijzondere regeling
geldt. Aan het einde van dat jaar staat
de belastingdienst voor de taak van
deze persoon premie ingevolge de
algemene kinderbijslagverzekering te
heffen over het tijdvak van 1 januari
tot 1 juli. Wanneer nu deze persoon
inkomsten geniet uit vermogen, moet het
er dan, als het om de vraag gaat of hij
van deze inkomsten premie moet betalen,
van afhangen of hij die inkomsten de
facto verkreeg vóór of na 1 juli? Zou
het, om nog een stap verder te gaan,
billijk zijn indien deze persoon geen
premie zou behoeven te betalen van zijn
inkomen uit vermogen, alleen omdat hij
onder een bijzondere regeling valt? En
dat terwijl voor het gehele volk overigens
geldt dat ook inkomen uit vermogen
onder de premieheffing valt? De
ondergetekenden menen deze vragen
ontkennend te moeten beantwoorden.
Soortgelijke vragen en moeilijkheden
zouden zich uiteraard voordoen met
betrekking tot rentetrekkers en
gepensioneerden wat betreft de renten of
de pensioenen welke zij krachtens de
Invaliditeitswet of de Pensioenwet
genieten.
Wat
uit de bovenstaande voorbeelden blijkt
is dat eigenlijk elke uitzondering van
bepaalde groepen personen het gevaar
inhoudt dat tekort wordt gedaan aan het
aan de algemene kinderbijslagverzekering
ten grondslag liggend beginsel, namelijk
dat
zij beoogt een herverdeling te
bewerkstelligen van het maatschappelijk
inkomen, ongeacht uit welke bronnen de
individuele staatsburgers dit inkomen
verkrijgen.
Samenvattend
menen de ondergetekenden te kunnen
zeggen dat het op grond van de
hierboven ontwikkelde bezwaren niet
mogelijk is in de algemene kinderbijslagverzekering uitzonderingen
in de vorm van bijzondere regelingen toe
te laten.
Voorts
rijst de vraag of het ook in een
gewijzigde Kinderbijslagwet ten behoeve
van eerste en tweede kinderen van
loontrekkenden nog mogelijk zal zijn
het treffen van bijzondere
kinderbijslagregelingen toe te laten.
Al
dadelijk treedt hierbij naar voren dat
het bestaan van een algemene
kinderbijslagverzekering in ieder geval
verhindert dat nog bijzondere
kinderbijslagregelingen zouden kunnen
blijven gelden welke niet met de
wettelijke voorziening rekening houden.
Gelijk dit geschied is in het
wetsontwerp tot aanpassing van de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden,
zouden ook de bijzondere regelingen
voor wat betreft de omschrijving van het
recht op kinderbijslag
voor het eerste
en tweede kind, moeten aansluiten op het
recht op kinderbijslag in de algemene
kinderbijslagverzekering. Zouden zich namelijk op dit punt afwijkingen vertonen,
dan zou het gevaar ontstaan dat de
bijzondere regelingen andere kinderen in
aanmerking zouden nemen dan de algemene
kinderbijslagverzekering. Het gevolg
zou dan kunnen zijn dat in het ene
geval bepaalde kinderen van
kinderbijslag verstoken bleven en dat in
een ander geval voor bepaalde kinderen
tweemaal kinderbijslag werd verstrekt.
Vaststaat dus wel dat het voortbestaan
of het in het leven roepen van
afzonderlijke kinderbijslagregelingen,
in de vorm zoals zij thans voorkomen, namelijk als zelfstandige
regelingen die
wat inhoud en formulering betreft
geheel losstaan van de wettelijke
regeling, niet meer toegelaten kan worden.
rblz.|24
l.k.|
Dit
is echter niet het enige beletsel dat
aan geheel afzonderlijke
kinderbijslagregelingen in de weg staat.
Er doet zich ook een praktisch bezwaar
voor. Wanneer immers voor eerste en
tweede kinderen bijzondere regelingen
zouden blijven bestaan in die zin dat
deze regelingen geheel onafhankelijk van
de uitvoeringsorganen van de algemene
kinderbijslagverzekering zouden worden
uitgevoerd, dan zouden - omdat naast
de bijzondere regelingen de Raden van
Arbeid uitkeringen voor de derde en
volgende kinderen zouden verlenen - zowel voor het
personeel dat onder die
bijzondere regelingen valt als voor de
organen onderling dezelfde moeilijkheden
optreden als welke in paragraaf
4.3 zijn
geschetst in het geval dat de
bedrijfsverenigingen de
Kinderbijslagwet voor de eerste en
tweede kinderen zouden uitvoeren naast
de uitvoering van de Algemene
Kinderbijslagwet door de
Sociale Verzekeringsbank
en de Raden van Arbeid.
De personen die onder de bijzondere
regeling vallen (ambtenaren,
militairen, onderwijzers, mijnarbeiders,
spoorwegbeambten, etc.), zouden dan met
twee organen te maken krijgen die
onafhankelijk van elkaar beslissingen
zouden nemen. Zij zouden zowel van hun
eigen dienst of werkgever als van de
betrokken Raad van Arbeid kinderbijslag
ontvangen. De benodigde inlichtingen
zouden zij steeds aan twee instanties
moeten verstrekken. Bepaalde
onderzoeken (verificaties bij het
bevolkingsregister, verklaringen van
schoolhoofden, geneeskundige
onderzoeken) zouden tweemaal moeten
worden ingesteld. Hierbij wordt dan nog
in het midden gelaten de moeilijkheid
welke zou ontstaan in de gevallen dat
beide instanties niet tot een
eensluidend oordeel zouden komen. Ten
aanzien bijvoorbeeld van een ambtenaar die drie
kinderen heeft, waarvan het oudste kind
een 18-jarig invalide kind is, kan de
instelling bij welke deze ambtenaar
werkzaam is tot de conclusie komen dat
voor het oudste kind geen recht op
kinderbijslag bestaat, omdat het niet in
de daarvoor gestelde mate invalide is te
achten. De instelling keert dan
kinderbijslag voor de beide andere
kinderen uit. Omdat de ambtenaar evenwel
van mening is dat de instelling hem
kinderbijslag had moeten verlenen voor
het oudste (invalide) kind en het
daaropvolgende kind, wendt hij zich tot
de Raad van Arbeid met een aanvraag om
kinderbijslag voor het derde (jongste)
kind. Wanneer dan de Raad van Arbeid tot
de conclusie zou komen dat het invalide kind wel moet meetellen in het
aantal kinderen, dan is een conflict
geschapen dat, wanneer de betrokken
instelling noch de Raad van Arbeid het
ingenomen standpunt wil herzien, niet
tot oplossing kan worden gebracht.
De
ondergetekenden wijzen er bovendien nog
op dat er zich reeds in het huidige
bestel van bijzondere
kinderbijslagregelingen moeilijkheden
voordoen in die gevallen dat twee
verschillende personen krachtens twee
verschillende bijzondere
kinderbijslagregelingen aanspraak op
kinderbijslag maken voor hetzelfde
kind. De moeilijkheid is namelijk welke
aanspraak bij een zodanige samenloop
prevaleert en volledig dient te worden
gerealiseerd en welke aanspraak slechts
gedeeltelijk. Het is praktisch
onmogelijk dat in de vele honderden
bijzondere kinderbijslagregelingen op
elkaar afgestemde bepalingen ter
voorkoming van samenloop van
kinderbijslag zouden kunnen worden
opgenomen. Bovendien, aan de hand
waarvan zou kunnen worden uitgemaakt
welke kinderbijslagregeling prevaleert bijvoorbeeld in het
geval dat aanspraak kan
worden gemaakt door twee personen die
in dienst zijn bij verschillende gemeenten welke een bijzondere regeling
uitvoeren? Deze beide gemeentelijke
regelingen bestaan immers geheel
gelijkwaardig naast elkaar. Nu er zich
tussen de bijzondere regelingen al
moeilijkheden voordoen en natuurlijk ook
zouden blijven voordoen, indien de
mogelijkheid tot het treffen van
bijzondere kinderbijslagregelingen zou
blijven bestaan, rijst de vraag hoe de
Sociale Verzekeringsbank en de Raden van
Arbeid hiermede zouden hebben te
handelen bij de uitvoering van de
Algemene Kinderbijslagwet. Immers de
toekenning van kinderbijslag krachtens deze
wet moet direct aansluiten op de
toekenning van kinderbijslag voor
eerste en tweede kinderen en deze
aansluiting zou gevaar lopen indien er
zich moeilijkheden zouden voordoen
omtrent de vraag wie bij samenloop van
aanspraken krachtens rblz.|24
r.k.|
bijzondere
regelingen nu eigenlijk zou moeten
betalen en tot welk bedrag.
Het
is op grond van deze bezwaren dat de
ondergetekenden tot de conclusie zijn
gekomen dat er bij de uitvoering van de
algemene kinderbijslagverzekering, met
een daaraan aangepaste Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden, geen plaats meer
ingeruimd kan worden voor bijzondere
regelingen, waarmede dan worden bedoeld
opzichzelfstaande, volledig uitgewerkte en afgeronde
regelingen
welke - ter vervanging van het
wettelijk recht - een geheel eigen
recht op kinderbijslag
verlenen. Wat
uiteraard wel mogelijk is, en waartegen
de ondergetekenden, voor zover het de
uitvoeringsorganisatie betreft, geen
bezwaren zien, is dat de instellingen
en bedrijven welke altijd prijs gesteld
hebben op een bijzondere regeling,
buiten het wettelijk stelsel der
kinderbijslagverzekering om, de
wettelijke kinderbijslagbedragen met een
bepaalde toeslag verhogen. In de
gevallen dat deze organen tot het
verlenen van zodanige aanvullingen
zouden willen overgaan, zou onderling
een regeling getroffen kunnen worden teneinde deze uitbetaling vlot te doen
verlopen. De ondergetekenden denken
hierbij bijvoorbeeld aan de mogelijkheid dat de
werkgever zelf aan het in zijn dienst
zijnde personeel de wettelijke
kinderbijslag (bij wijze van voorschot)
uitkeert, vermeerderd met de zijnerzijds te verstrekken aanvulling
en de wettelijke kinderbijslag
declareert bij het uitvoeringsorgaan.
Ook het omgekeerde zou mogelijk kunnen
zijn, namelijk dat het uitvoeringsorgaan op
verzoek van de werkgever en te diens
last de aanvulling op de wettelijke
kinderbijslag verzorgt.
Intussen
ligt hier ten aanzien van het overheidspersoneel
een moeilijkheid welke de bijzondere
aandacht verdient. Waar bij de rijksambtenaren de kinderbijslag een
element der bezoldiging is, behoort het
als zodanig tot de materiële
rechtspositie, welke zijn basis vindt in
artikel 72 [oud, red.] der Grondwet.
Zolang
het karakter van bezoldiging hieraan
niet ontnomen wordt - zoals de
Algemene Kinderbijslagwet dit doet ten
aanzien van derde en volgende kinderen -,
zou het wettelijk regelen hiervan
strijdig zijn met het hierboven genoemde
grondwetsartikel, dat voorschrijft dat
de Koning de bezoldiging der ambtenaren
regelt.
Waar
tevens de staatscommissie voor advies
inzake de status der ambtenaren nog geen
rapport heeft uitgebracht, dient naar de
mening van de ondergetekenden, zolang
dit deel van de overheidskinderbijslagregeling nog een
deel uitmaakt van de ambtelijke
bezoldiging en als zodanig van de
rechtspositie van het overheidspersoneel, de
uitzonderingspositie van dit personeel
gehandhaafd te blijven.
De
moeilijkheid daarbij is echter dat bij
handhaving van deze uitzonderingspositie
getracht moet worden de bezwaren te
vermijden welke hierboven tegen het
doen voortbestaan van afzonderlijke
kinderbijslagvoorzieningen zijn
aangegeven.
De
oplossing van deze moeilijkheid menen de
ondergetekenden als volgt te hebben
gevonden.
In
de Kinderbijslagwet voor loontrekkers
wordt - zie artikel VII - ter
vervanging van het bestaande artikel 5
een nieuw artikel opgenomen, waarin
wordt bepaald dat ten aanzien van het overheidspersoneel (personeel in dienst
van het Rijk, provincies,
gemeenten,
waterschappen, etc., alsmede het
onderwijzend personeel) bij algemene
maatregel van bestuur een
kinderbijslagvoorziening wordt getroffen welke uiteraard kan afwijken
van de wet, doch welke voor wat betreft
de bedragen aan kinderbijslag
en de voorwaarden waarop het recht op
kinderbijslag wordt verleend, niet
minder gunstig mag zijn dan de bij de
wet getroffen regeling. Op grond van
deze bepaling dient dan in plaats van de
vele thans bestaande bijzondere
kinderbijslagregelingen één
kinderbijslagregeling te worden
getroffen welke alle groepen van het overheidspersoneel welke daarvoor in
aanmerking komen, omvat.
Het
verdwijnen van de ± 1200 verschillende,
onderling vaak sterk afwijkende overheidskinderbijslagregelingen zal
tot een aanzienlijke vereenvoudiging
kunnen leiden. Het vervangen van al
deze regelingen door één
kinderbijslagregeling voor het gehele overheidspersoneel zal grote
organisatorische rblz.|25
l.k.|
en
administratieve voordelen met zich
meebrengen. Het zal dan mogelijk zijn
voor het overheidspersoneel een
kinderbijslagregeling in het leven te
roepen welke enerzijds aansluit op de
algemene kinderbijslagverzekering en
rekening houdt met de Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden, doch welke
anderzijds voor het overheidspersoneel
de bestaande uitzonderingspositie
handhaaft en overigens de
vereenvoudiging aanbrengt dat niet
vele, doch slechts één bijzondere
regeling voor het overheidspersoneel
komt te gelden. Waar zulks mogelijk en
verantwoord is, zal, naar de mening van
de ondergetekenden, de mogelijkheid
geschapen dienen te worden om voor
bepaalde groepen van overheidspersoneel
reeds bij de inwerkingtreding van de
wet de uitvoering van deze kinderbijslagregeling op te dragen aan
de Raden van Arbeid.
De
praktische bezwaren welke hiervoor zijn
opgesomd ten aanzien van het laten
voortbestaan van bijzondere
kinderbijslagregelingen gaan voor een
belangrijk deel ook op voor de
Kinderbijslagwet voor invaliditeits-,
ouderdoms- en wezenrentetrekkers en de
Kindertoelagewet voor gepensionneerden.
De omstandigheid dat de Algemene
Kinderbijslagwet op iedereen gelijkelijk
van toepassing zal zijn, maakt het in de
eerste plaats al noodzakelijk dat de
Kinderbijslagwet voor rentetrekkers en
de Kindertoelagewet voor
gepensionneerden, evenals de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden,
aan de Algemene Kinderbijslagwet moeten
worden aangepast en tot eerste en tweede
kinderen worden beperkt. Als het hierbij
echter zou blijven. zouden veelal
dezelfde bezwaren naar voren treden
welke hiervoor zijn aangevoerd tegen
het laten voortbestaan van de bijzondere kinderbijslagregelingen voor
eerste en tweede kinderen in het kader
van de Kinderbijslagwet. Zo wordt de
Kindertoelagewet voor gepensionneerden
uitgevoerd door de Pensioenraad, waarbij
overigens, namelijk voor wat betreft de
militaire pensioenen, is betrokken het Ministerie
van
Defensie. Ook hier zou
zich dan de situatie voordoen - met
alle daaraan verbonden bezwaren - dat de gepensioneerden voor hun eerste en
tweede kinderen van de Pensioenraad en
het Ministerie voor Defensie
kinderbijslag zouden ontvangen en voor
hun derde en volgende kinderen van de
Raden van Arbeid, die de kinderbijslag
krachtens de Algemene Kinderbijslagwet
zouden uitbetalen. De ondergetekenden
hebben dan ook gemeend te moeten
voorstellen zowel de
kinderbijslagregeling voor genoemde
rentetrekkers als de Kindertoelagewet
voor gepensionneerden in te trekken en
het recht op kinderbijslag voor eerste
en tweede kinderen van deze
rentetrekkers en gepensioneerden te
regelen in de Kinderbijslagwet voor de
eerste en tweede kinderen van
loontrekkenden. Indien derhalve de
kinderbijslagregelingen voor de
rentetrekkers en die voor de
gepensioneerden in de Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden zullen opgenomen
worden, hetgeen mogelijk is door de
gepensioneerde en de rentetrekker als
"arbeider" in de zin van de
Kinderbijslagwet aan te merken, zullen
de uitvoeringsmoeilijkheden welke zich
zouden voordoen indien de
kinderbijslagvoorzieningen voor eerste
en tweede kinderen van loontrekkers,
rentetrekkers en gepensioneerden als
drie afzonderlijke voorzieningen zouden
blijven bestaan, goeddeels uit de weg
geruimd kunnen worden. Dat een zodanige
concentratie van alle
kinderbijslagvoorzieningen tot
belangrijke besparingen aan
arbeidskracht en uitvoeringskosten zal
leiden, behoeft naar de mening van de
ondergetekenden nog nauwelijks verder
betoog.
Voorts
mogen de ondergetekenden in dit verband
nog opmerken dat krachtens de
bestaande Kinderbijslagwet voor
rentetrekkers ook nog kinderbijslag
wordt uitgekeerd voor wezen die in het
genot zijn van een wezenrente ingevolge
een der Ongevallenwetten of ingevolge de
Invaliditeitswet. Het is noodzakelijk
dat voor wezen die in het genot zijn
van een wezenrente als bovenbedoeld en
voor wie noch een verzekerde ingevolge
de Algemene Kinderbijslagwet, noch een
"arbeider" ingevolge de
(aangepaste) Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden aanspraak op
kinderbijslag kan maken, de bestaande
afzonderlijke regeling in stand wordt
gehouden. De ondergetekenden zijn niet
voornemens door de voorgestelde
samenvoeging van de verschillende
wettelijke kinderbijslagvoorzieningen rblz.|25
r.k.|
de belangen van deze overigens kleine
groep kinderen die naast hun wezenrente
thans in het genot zijn van
kinderbijslag, te schaden. Voor deze
kleine groep zal vooralsnog -
nadat de
kinderbijslagregeling voor de
rentetrekkers daaruit verwijderd zal
zijn -
de huidige wettelijke regeling
moeten blijven bestaan, zulks in
afwachting van de totstandkoming van een
weduwen- en wezenverzekering, waarbij
ook deze kwestie kan worden betrokken.
5. Kring der
verzekerden
Uit de beschouwingen welke in
hoofdstuk 2 zijn gewijd aan het vraagstuk van de
rechtsgrond
blijkt dat
de ondergetekenden voorstanders zijn van een verplichte, algemene
kinderbijslagverzekering. Uit de hoofdstukken 3 en 4
blijkt voorts
dat, naast principiële overwegingen, ook belangrijke overwegingen van
praktische aard hen gesterkt hebben in de overtuiging dat de
kinderbijslagvoorziening in Nederland alleen dan tot een bevredigend
geheel kan worden opgebouwd indien haar verwezenlijking wordt nagestreefd
op de grondslag van een volksverzekering.
Eén van de grote praktische voordelen welke daaruit voortvloeien,
is dat de
kinderbijslagverzekering nauw kan aansluiten bij de Algemene
Ouderdomswet. Met name geldt dit voor de kring van de verzekerden. Met
verwijzing naar de hierboven aangegeven hoofdstukken van deze memorie
mogen de ondergetekenden er zich van ontslagen achten hier nogmaals te
wijzen op het grote belang van eenzelfde kring van verzekerden in de
algemene kinderbijslagverzekering en in de algemene ouderdomsverzekering.
In het onderhavige wetsontwerp
is dan ook in artikel 6 [6]
de omschrijving van degenen die tot de
verzekerden behoren gelijk aan de overeenkomstige omschrijving in artikel
6 van de Algemene Ouderdomswet. Slechts op één punt bestaat tussen de
gebezigde omschrijving van de kring der verzekerden een afwijking. Deze
afwijking betreft de duur van de verzekeringsperiode. In de Algemene
Ouderdomswet is bepaald dat men verzekerd is van de 15-jarige tot de
65-jarige leeftijd; in het ontwerp Algemene Kinderbijslagwet
[A.K.W., red.] loopt de
verzekeringsduur van de 15-jarige leeftijd af onbeperkt door.
Naar de mening van de
ondergetekenden is in de algemene kinderbijslagverzekering een beperking
van de verzekeringsduur tot de 65-jarige leeftijd niet op haar plaats.
Het spreekt immers vanzelf dat in een kinderbijslagverzekering de boven-65-jarigen die nog daarvoor in aanmerking komende kinderen
hebben niet
van de verstrekking van kinderbijslag kunnen worden uitgesloten.
Deze afwijking ten aanzien van
de algemene ouderdomsverzekering behoeft in de praktijk voor wat de
verstrekking der uitkeringen betreft geen bezwaren op te leveren. De
uitkering van de ouderdomspensioenen en de uitkering van de
kinderbijslagen zijn twee geheel verschillende zaken, die niet
gecombineerd behoeven te worden. Wel treedt echter een ander praktisch
bezwaar op, een bezwaar dat niet gelegen is aan de kant van het
verstrekken der uitkeringen, doch aan de zijde van de premieheffing en
-inning.
Zoals reeds eerder in deze
memorie is medegedeeld, ligt het in de bedoeling dat de premie ingevolge
de Algemene Ouderdomswet en de premie ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet in één bedrag van de verzekerden zullen worden
geheven. Loopt nu het verzekerd zijn voor wat de algemene
kinderbijslagverzekering betreft ook na het bereiken van de 65-jarige
leeftijd door, dan ontstaat voor de belastingdienst
een belangrijke
afwijking in de overigens gelijke groep van premieplichtigen ingevolge de
beide volksverzekeringen, waarvan een verzwaring van de administratie het
gevolg zal zijn. Deze moeilijkheid zal kunnen worden ontgaan indien de
boven-65-jarigen van de plicht tot het betalen van premie voor de Algemene
Kinderbijslagwet worden vrijgesteld. Hiertoe zal te minder bezwaar rblz.|26
l.k.|
bestaan wanneer in acht wordt genomen dat in de regel van de boven-65-jarigen - althans in de
toekomst - kan worden aangenomen dat zij toch 50 jaren lang de
verschuldigde premie hebben voldaan en zij in het algemeen de premiebetaling eerst beëindigen op een
leeftijd waarop de
kans dat zij
nog voor kinderbijslag in aanmerking komen niet groot meer is. Daarbij
komt nog dat voor het overgrote deel der boven-65-jarigen het niet
vrijstellen van de premieplicht ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering zou neerkomen op een reële verlaging van het
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
De ondergetekenden menen dan ook dat de beste oplossing voor het onderhavige vraagstuk is
degenen die
de 65-jarige leeftijd bereikt hebben wel verzekerd te doen zijn ingevolge
de algemene kinderbijslagverzekering, waardoor zij dus eventueel recht op
kinderbijslag kunnen doen gelden, doch hen vrij te stellen van de
verplichting tot het betalen van premie.
In het onderhavige wetsontwerp
wordt voorts voorgesteld de verzekering te doen aanvangen bij het bereiken
van de 15-jarige leeftijd. Ook hierbij hebben de ondergetekenden om
redenen van praktische aard aansluiting gezocht bij de algemene
ouderdomsverzekering. Zou de verzekering een aanvang nemen bij het
bereiken van de 16-jarige leeftijd - gesteld zou kunnen worden dat dit
tijdstip in een kinderbijslagverzekering recht gevende op een
kinderbijslag voor kinderen beneden de leeftijd van 16 jaar beter
past -, dan treden extra bezwaren op voor de werkgevers, die op het
loon de premie moeten inhouden. In hun loonadministratie zou onderscheid
moeten worden gemaakt tussen 15- en 16-jarigen. De premie voor de
algemene ouderdomsverzekering zou bij het bereiken van de 15-jarige
leeftijd en de premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering
eerst bij het bereiken van de 16-jarige leeftijd op het loon ingehouden
moeten worden. Het verdient naar de mening van de ondergetekenden dan ook
om praktische redenen de voorkeur de aanvang van de verzekering ingevolge
de algemene kinderbijslagverzekering te doen samenvallen met die van de
algemene ouderdomsverzekering.
6. Het recht op
kinderbijslag
6.1. Kinderbijslag voor derde
en volgende kinderen
In het advies van de Sociaal-Economische Raad
van 14 mei 1954 komt tot uitdrukking dat deze
Raad van oordeel is dat ten aanzien van de zelfstandigen de kinderbijslag
van het derde kind af dient te worden verstrekt. De vraag of ten aanzien
van de loontrekkenden ditzelfde standpunt dient te worden ingenomen, had
deze Raad al eerder - namelijk in zijn advies van 22 februari 1952 - aan de orde gesteld. Blijkens laatstgenoemd advies liepen de principiële
opvattingen van de leden uiteen. De Raad was echter van oordeel dat het
overbodig was in zijn advies van 14 mei 1954 op de bovenbedoelde
principiële verschillen in het advies van 22 februari 1952 in te gaan,
omdat de huidige kinderbijslagvoorziening voor de loontrekkenden mede
wordt bepaald door de gevoerde loonpolitiek. Zolang hierin geen wijziging
wordt gebracht, meende de Raad dat de kinderbijslag van het eerste kind
af voor de loontrekkenden moest worden gehandhaafd.
De ondergetekenden zijn van oordeel dat in een algemene, het gehele volk omvattende,
kinderbijslagverzekering de kinderbijslag dient te worden verleend van
het derde kind af. Naar hun mening dient eraan vastgehouden te worden
dat de wettelijke kinderbijslagverzekering beoogt een correctie aan te
brengen op de inkomensverdeling ten behoeve van gezinnen van meer dan de
feitelijk gemiddelde omvang.
Er bestaat overigens geen
aanleiding op dit punt verschil te maken tussen loontrekkenden en
zelfstandigen. Dat thans nog ten aanzien van de loontrekkenden de
kinderbijslag van het eerste kind af wordt verstrekt, vermag hieraan
weinig af te doen. Zoals de ondergetekenden reeds in hoofdstuk
3 van het
algemeen rblz.|26
r.k.|
deel dezer memorie hebben
opgemerkt, is de verstrekking van kinderbijslag voor de eerste twee
kinderen te beschouwen als een tijdelijke maatregel, waarvan zij hopen
dat de omstandigheden het te zijner tijd mogelijk zullen maken deze te
doen vervallen.
Doch afgezien van deze
overwegingen zou het naar de mening van de ondergetekenden bovendien
onbillijk zijn indien in een definitieve kinderbijslagverzekering - ongeacht of deze in één algemene kinderbijslagverzekering dan wel in
twee of meer kinderbijslagregelingen voor verschillende
bevolkingscategorieën tot stand werd gebracht - de onderscheidene
groepen der bevolking een in omvang verschillende kinderbijslag zou
worden uitgekeerd. Een zodanige discriminatie tussen deze groepen zou aan
het uitgangspunt dat de kinderbijslag in wezen als een herverdeling van
het totale gemeenschappelijk inkomen dient te worden gezien, bepaald
onvoldoende recht doen wedervaren.
6.2. Bedrag van de
kinderbijslag
Wat de hoogte van de kinderbijslag
betreft, zijn de ondergetekenden van oordeel dat er geen
aanleiding is verschil te maken tussen de uitkeringen aan de
loontrekkenden en aan de niet-loontrekkenden. Ook de Sociaal-Economische Raad
staat in zijn advies van 14 mei 1954 op dit standpunt.
In het onderhavige wetsontwerp
wordt voorgesteld de kinderbijslagbedragen te bepalen op de bedragen
welke thans gelden - uiteraard te rekenen van het derde kind - voor de
loontrekkenden. Dit betekent dat - de dagbedragen omgerekend tot
kwartaalbedragen - de kinderbijslag wordt gesteld op ƒ50,70 per
kwartaal voor het derde kind, ƒ70,98 per kwartaal voor het vierde en het
vijfde kind, ƒ79.56 per kwartaal voor het zesde en elk volgend kind.
De invoering van een algemene
kinderbijslagverzekering met de bovengenoemde kinderbijslagbedragen
betekent in de eerste plaats een aanmerkelijke financiële verbetering
voor die kleine zelfstandigen die thans kinderbijslag ingevolge de
Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen [N.K.K.Z., red.]
ontvangen en ten aanzien van
wie wordt voorgesteld - zie hoofdstuk 7 van deze memorie
- de premie
ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering niet in te vorderen.
Immers, de bovengenoemde kinderbijslagbedragen belopen ongeveer het
dubbele van hetgeen zij thans aan kinderbijslag ontvangen. Ook de kleine
zelfstandigen die thans onder de vorenbedoelde noodwet vallen en van
wie de algemene kinderbijslagpremie slechts ten dele zal worden
ingevorderd - zie wederom hoofdstuk 7 -, zullen er financieel op
vooruitgaan, zij het in mindere mate dan de eerstgenoemde categorie van
kleine zelfstandigen. Ten slotte zullen ook de kleine zelfstandigen die
thans van de noodwet profiteren, doch van wie in de voorgestelde algemene
kinderbijslagverzekering de premie ten volle zal worden ingevorderd, een
financiële verbetering ondergaan, welke groter wordt al naargelang de
gezinsgrootte. Dit laatste moge blijken uit het onderstaande overzicht.
Dit overzicht heeft dus betrekking op verzekerden met inkomens van ƒ3100,-
tot ƒ6900,-. Voor inkomens beneden ƒ3100,- wordt het financiële voordeel
groter al naargelang een geringer gedeelte van de algemene
kinderbijslagpremie zal worden ingevorderd.
Zoals uit hoofdstuk 8 van
deze memorie blijkt, zal voor uitkering van kinderbijslagen ingevolge de
algemene kinderbijslagverzekering benodigd zijn ƒ330 miljoen. Dit
bedrag zal kunnen worden verkregen door het heffen van een premie van
ongeveer 2,1%. Bij de berekening van dit premiepercentage zijn echter de
uitvoeringskosten buiten beschouwing gelaten. Alhoewel het de
ondergetekenden niet mogelijk is een nauwkeurige raming te maken van de
kosten verbonden aan het treffen en innen van de premie en aan het
verstrekken van kinderbijslagen, zullen naar hun mening voldoende
geldmiddelen ter dekking van de bovenbedoelde kosten ter beschikking komen indien het percentage van 2,1 wordt verhoogd tot 2,2. In verband
hiermede is in onderstaand overzicht uitgegaan van een premie van 2,2%
[bedragen in guldens, red.].
rblz.|27
l.k.|
| Inkomen |
Gezin
met drie kinderen |
Kinderbijslag
N.K.K.Z. |
Premie
A.K.W. |
Kinderbijslag
A.K.W. |
Voordeel |
| 3100,00 |
112,32 |
x68,20 |
202,80 |
x22,28 |
| 3300,00 |
112,32 |
x72,60 |
202,80 |
x17,88 |
| 3500,00 |
112,32 |
x77,00 |
202,80 |
x13,48 |
| 3700,00 |
– |
x81,40 |
202,80 |
121,40 |
| 3900,00 |
– |
x85,80 |
202,80 |
117,00 |
| 4100,00 |
– |
x90,20 |
202,80 |
112,60 |
| 4300,00 |
– |
x94,60 |
202,80 |
108,20 |
| 4500,00 |
– |
x99,00 |
202,80 |
103,80 |
| 4700,00 |
– |
103,40 |
202,80 |
x99,40 |
| 4900,00 |
– |
107,80 |
202,80 |
x95,00 |
| 5100,00 |
– |
112,20 |
202,80 |
x90,60 |
| 5300,00 |
– |
116,60 |
202,80 |
x86,20 |
| 5500,00 |
– |
121,00 |
202,80 |
x81,80 |
| 5700,00 |
– |
125,40 |
202,80 |
x77,40 |
| 5900,00 |
– |
129,80 |
202,80 |
x73,00 |
| 6100,00 |
– |
134,20 |
202,80 |
x68,60 |
| 6300,00 |
– |
138,60 |
202,80 |
x64,20 |
| 6500,00 |
– |
143,00 |
202,80 |
x59,80 |
| 6700,00 |
– |
147,40 |
202,80 |
x55,40 |
| 6900,00 |
– |
151,80 |
202,80 |
x51,00 |
| Inkomen |
Gezin
met vier kinderen |
Kinderbijslag
N.K.K.Z. |
Premie
A.K.W. |
Kinderbijslag
A.K.W. |
Voordeel |
| 3100,00 |
277,68 |
x68,20 |
486,72 |
140,84 |
| 3300,00 |
277,68 |
x72,60 |
486,72 |
136,44 |
| 3500,00 |
277,68 |
x77,00 |
486,72 |
132,04 |
| 3700,00 |
165,36 |
x81,40 |
486,72 |
239,96 |
| 3900,00 |
– |
x85,80 |
486,72 |
400,92 |
| 4100,00 |
– |
x90,20 |
486,72 |
396,52 |
| 4300,00 |
– |
x94,60 |
486,72 |
392,12 |
| 4500,00 |
– |
x99,00 |
486,72 |
387,72 |
| 4700,00 |
– |
103,40 |
486,72 |
383,32 |
| 4900,00 |
– |
107,80 |
486,72 |
378,92 |
| 5100,00 |
– |
112,20 |
486,72 |
374,52 |
| 5300,00 |
– |
116,60 |
486,72 |
370,12 |
| 5500,00 |
– |
121,00 |
486,72 |
365,72 |
| 5700,00 |
– |
125,40 |
486,72 |
361,32 |
| 5900,00 |
– |
129,80 |
486,72 |
356,92 |
| 6100,00 |
– |
134,20 |
486,72 |
352,52 |
| 6300,00 |
– |
138,60 |
486,72 |
348,12 |
| 6500,00 |
– |
143,00 |
486,72 |
343,72 |
| 6700,00 |
– |
147,40 |
486,72 |
339,32 |
| 6900,00 |
– |
151,80 |
486,72 |
334,92 |
| Inkomen |
Gezin
met vijf kinderen |
Kinderbijslag
N.K.K.Z. |
Premie
A.K.W. |
Kinderbijslag
A.K.W. |
Voordeel |
| 3100,00 |
443,04 |
x68,20 |
770,64 |
259,40 |
| 3300,00 |
443,04 |
x72,60 |
770,64 |
255,00 |
| 3500,00 |
443,04 |
x77,00 |
770,64 |
250,60 |
| 3700,00 |
330,72 |
x81,40 |
770,64 |
358,52 |
| 3900,00 |
165,36 |
x85,80 |
770,64 |
519,48 |
| 4100,00 |
– |
x90,20 |
770,64 |
680,44 |
| 4300,00 |
– |
x94,60 |
770,64 |
676,04 |
| 4500,00 |
– |
x99,00 |
770,64 |
671,64 |
| 4700,00 |
– |
103,40 |
770,64 |
667,24 |
| 4900,00 |
– |
107,80 |
770,64 |
662,84 |
| 5100,00 |
– |
112,20 |
770,64 |
658,44 |
| 5300,00 |
– |
116,60 |
770,64 |
654,04 |
| 5500,00 |
– |
121,00 |
770,64 |
649,64 |
| 5700,00 |
– |
125,40 |
770,64 |
645,24 |
| 5900,00 |
– |
129,80 |
770,64 |
640,84 |
| 6100,00 |
– |
134,20 |
770,64 |
636,44 |
| 6300,00 |
– |
138,60 |
770,64 |
632,04 |
| 6500,00 |
– |
143,00 |
770,64 |
627,64 |
| 6700,00 |
– |
147,40 |
770,64 |
623,24 |
| 6900,00 |
– |
151,80 |
770,64 |
618,84 |
6.3.
Omschrijving van het
recht op kinderbijslag
De voorgestelde algemene kinderbijslagverzekering,
zowel als de bestaande Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, gaan uit van
dezelfde grondgedachte, namelijk dat het loon of het inkomen toereikend
moet zijn voor de vorming van een gezin van feitelijk gemiddelde grootte
en het onderhouden daarvan. Naar de mening van de ondergetekenden zal dan
ook bij de omschrijving van het recht op kinderbijslag
een zodanig
criterium moeten worden gekozen dat daaruit duidelijk blijkt dat alleen
diegene die een kind in feite geheel of grotendeels onderhoudt aanspraak
op kinderbijslag kan maken. Dit stemt overeen met de opvattingen van de
Stichting van den Arbeid, die zich reeds in 1953 in verband met de
praktische bezwaren welke zich bij de uitvoering van de bestaande
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden doen gevoelen - de ondergetekenden
komen daarop nog terug -, over de formulering van het recht op
kinderbijslag heeft beraden.
De moeilijkheid rijst hierbij dat het met
zoveel woorden opnemen in de wet van het criterium dat de verzekerde zijn
kinderen moet onderhouden, wil hij aanspraak maken op kinderbijslag, op
een ernstig praktisch bezwaar stuit. Wanneer het recht op kinderbijslag
aldus zou worden geformuleerd dat beslissend zou zijn het antwoord op de
vraag of iemand daadwerkelijk zijn kinderen onderhoudt, dan zou dit
betekenen dat eigenlijk ten aanzien van alle kinderen waarvoor aanspraak
op kinderbijslag wordt gemaakt, door het uitvoeringsorgaan een onderzoek
zou moeten worden ingesteld teneinde de door de wet geëiste zekerheid te
verkrijgen dat deze kinderen inderdaad door de aanvrager worden
onderhouden. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat in de
algemene kinderbijslagverzekering het aanvragen van kinderbijslag voor
één kind noopt tot een onderzoek naar het onderhoud van drie kinderen.
Nu lijdt het evenwel geen twijfel dat in verreweg de meeste gevallen een
dergelijk onderzoek niet nodig is. Het is immers volkomen gerechtvaardigd
ervan uit te gaan dat in de normale gevallen - namelijk die waarin de
kinderbijslag wordt aangevraagd door de vader of de moeder voor tot hun
huishouden behorende kinderen - de aanvrager of de aanvraagster deze
kinderen ook werkelijk geheel of grotendeels op zijn of haar kosten
onderhoudt. Indien echter gezegd kan worden dat het behoren van kinderen
tot een huishouden het onderhouden worden van die kinderen impliceert, dan
ligt het voor de hand dat bij de omschrijving van het recht op
kinderbijslag van het veel gemakkelijker te hanteren criterium "tot het
huishouden behoren" gebruik wordt gemaakt. Als eerste en algemene
regel wordt derhalve voorgesteld aanspraak op kinderbijslag te rblz.|27
r.k.|
verlenen
voor eigen, aangehuwde en pleegkinderen beneden de leeftijd van 16 jaar
die tot het huishouden behoren van de verzekerde.
Een andere niet minder
belangrijke overweging welke de ondergetekenden hebben laten gelden bij
de formulering van het recht op kinderbijslag betreft de coördinatie met
het recht op kinderaftrek in het Besluit op de Loonbelasting 1940.
Met
ingang van 1 januari 1954 werd als uitvloeisel van de op die datum in
werking getreden Coördinatiewetten Sociale Verzekering en Belastingen
naar het loon [lees: Coördinatiewet Sociale Verzekering
en Coördinatiewet Belastingen naar het loon, red.] (Wetten van 24 december 1953, Stb. 1953, 577 en 579) ingevoerd de
zogenaamde coördinatietabel voor de loonbelasting. De betekenis van deze tabel
is dat vele berekeningen welke voorheen door de werkgevers moesten
worden gemaakt om te komen tot het bedrag waarover loonbelasting is
verschuldigd, achterwege kunnen blijven. Naast het brutoloonbedrag kan uit
deze tabel, zonder dat daarvoor een berekening behoeft te worden gemaakt,
de verschuldigde loonbelasting direct worden afgelezen. Bij de
vaststelling van de in deze tabel voorkomende loonbelastingbedragen is
voor werknemers die recht hebben op kinderaftrek onder meer rekening
gehouden met de aanspraken op kinderbijslag, waardoor de werkgevers deze
kinderbijslag buiten de loonadministratie kunnen houden. Het is duidelijk dat een dergelijke opzet alleen verantwoord
is wanneer het
recht op kinderbijslag nagenoeg steeds parallel loopt met het recht op
kinderaftrek. Daarom is bij het onderhavige wetsontwerp gestreefd naar een
zodanige formulering van het recht op kinderbijslag dat de redactie met
betrekking tot het recht op kinderaftrek in de loon- en inkomstenbelasting daarop kan aansluiten, en wel in dier
voege dat voor
dezelfde kinderen waarvoor recht op kinderbijslag bestaat ook aanspraak
op kinderaftrek zal kunnen worden gemaakt.
Een zodanige coördinatie is
van even groot belang met het oog op de premieheffing ingevolge de algemene
ouderdomsverzekering en de algemene kinderbijslagverzekering. Het is
namelijk zo dat, naar is voorgesteld, de kinderbijslag voor de heffing
van de ouderdomspremie en de kinderbijslagpremie niet in aanmerking zal
worden genomen. Voor de heffing van deze premies ten aanzien van degenen
die onder de coördinatietabel vallen, heeft het vrijstellen van de
kinderbijslag geen administratief-technische consequenties, omdat deze
tabel wordt toegepast op een loonbedrag waarin de kinderbijslag niet is
begrepen. Anders is het evenwel met betrekking tot de
loonbelastingplichtigen op wie de gewone loonbelastingtabel wordt
toegepast. Voor de heffing van de loonbelasting volgens deze tabel dient
het loon waarover deze belasting is verschuldigd, door de werkgever exact
te worden berekend. Ook de kinderbijslag dient rblz.|28
l.k.|
dus in de loonadministratie te
worden verantwoord. Voor de heffing van de ouderdomspremie en de
kinderbijslagpremie dient dit fiscale loon echter te worden verminderd met
de daarin begrepen kinderbijslag. Teneinde de heffing van deze premies in
één bedrag voor de werkgevers zo eenvoudig mogelijk te maken, is het de
bedoeling dat de vrijstelling van de kinderbijslag in het gecombineerde
premiebedrag wordt verwerkt, waardoor de werkgevers de desbetreffende
tabel - zonder correctie - kunnen toepassen op het fiscale loon. Een
zodanige tabel zal echter alleen dan tot een juiste premieheffing leiden
indien voor dezelfde kinderen als waarvoor kinderaftrek bestaat ook
aanspraak op kinderbijslag kan worden gemaakt.
De voor het recht op
kinderbijslag gekozen formulering gaat ervan uit dat het recht op
kinderbijslag steunt op het onderhoudsbeginsel. In dit verband vestigen de
ondergetekenden er de aandacht op dat er naar hun mening - van dit
standpunt uitgaande - geen reden meer is de ongehuwde moeders ten
opzichte van het recht op kinderbijslag voor haar kinderen in een
uitzonderingspositie te plaatsen. Wanneer de ongehuwde moeders op dezelfde
wijze als alle overige ingezetenen in de kring der verzekerden worden
opgenomen en zij uit dien hoofde ook de verschuldigde premie in de
algemene verzekering bijdragen, zou het moeilijk te rechtvaardigen zijn
indien in de gevallen dat de betrokkenen inderdaad haar kinderen
onderhouden - het criterium dat aan de wet ten grondslag ligt -, te
haren aanzien op dit punt een uitzondering zou worden gemaakt.
De inachtneming van het
onderhoudsbeginsel bij het recht op kinderbijslag opent tevens de
mogelijkheid om de praktische moeilijkheden,welke zich bij de uitvoering
van de bestaande Kinderbijslagwet voordoen goeddeels uit de weg te
ruimen. Deze moeilijkheden bestaan voor een belangrijk deel hierin dat
het recht op kinderbijslag van de wettige vader - ook al onderhoudt deze
zijn kinderen niet of slechts in bescheiden mate - altijd voorgaat bij
het recht op kinderbijslag van de pleeg- of stiefvader die deze kinderen
in zijn gezin heeft en hen - omdat de wettige vader hen niet of slechts
in bescheiden mate onderhoudt - geheel of grotendeels op zijn kosten
onderhoudt. Wanneer de pleeg- of stiefvader voor deze tot zijn gezin
behorende kinderen kinderbijslag aanvraagt, brengt dit in de praktijk de
moeilijkheid mede dat eerst moet worden nagegaan wie de wettige vader van
deze kinderen is en of hij, zo hij recht op kinderbijslag heeft, reeds een
aanvraag daartoe heeft ingediend. Zo dit niet het geval is, moet de
wettige vader bewogen worden deze bijslag alsnog aan te vragen en zo hij
weigert - en dit komt in de praktijk nog al eens voor - moet de
betrokken raad voor de kinderbescherming worden ingeschakeld om namens
hem de kinderbijslag aan te vragen. Wanneer dan ten slotte een aanvraag
door het betrokken uitvoeringsorgaan is ontvangen, wordt de kinderbijslag
aan de wettige vader toegekend, doch betaalbaar gesteld hetzij aan de
pleeg- of stiefvader, hetzij aan de betrokken raad voor de
kinderbescherming. Deze omslachtige en zeer tijdrovende procedure heeft
bovendien veelal onaangename gevolgen voor vroegere echtgenoten vanwege de
omstandigheid dat zij min of meer worden gedwongen met elkaar in contact
te treden.
Een ander bezwaar is dat
veelal de pleeg- of stiefvader minder aan kinderbijslag voor pleeg- en
stiefkinderen ontvangt indien de wettige vader dier kinderen recht op
kinderbijslag voor hen heeft, dan wanneer hij - de pleeg- of stiefvader - zelf op grond van zijn eigen verzekering aanspraak op kinderbijslag
voor deze kinderen zou kunnen maken. Het is namelijk zo dat de pleeg- of
stiefvader de kinderbijslag voor zijn pleeg- en stiefkinderen ontvangt op
grond van de verzekering van de wettige vader. Indien de pleeg- of
stiefvader zelf nog kinderen heeft, ontvangt hij voor deze kinderen
kinderbijslag op grond van zijn eigen verzekering. Er is in die gevallen
dus sprake van twee afzonderlijke verzekeringen, welke elk een bepaald
aantal kinderen omvatten. Het bedrag van de progressieve kinderbijslag
wordt voor elke verzekering afzonderlijk vastgesteld aan de hand van de
rangorde naar leeftijd van de kinderen. Indien de pleeg- of stiefvader
echter zelf recht op kinderbijslag voor de pleeg- of rblz.|28
r.k.|
stiefkinderen zou hebben, zou
er slechts sprake zijn van één verzekering op grond waarvan
kinderbijslag wordt toegekend. De eigen kinderen en de pleeg- of
stiefkinderen zouden dan voor de vaststelling van de progressieve
kinderbijslag aan de hand van de rangorde naar leeftijd tezamen worden
genomen, hetgeen voor de p!eeg- of stiefvader een groter bedrag aan
kinderbijslag zou opleveren.
Indien ten aanzien van het
recht op kinderbijslag derhalve wordt uitgegaan van het standpunt dat dit
recht toekomt aan degene tot wiens huishouden de desbetreffende kinderen
behoren, zullen de bovenbedoelde moeilijkheden zijn ondervangen.
Uit het voorgaande
blijkt dat
het een belangrijke verbetering zal zijn voor degene tot wiens huishouden
aangehuwde kinderen behoren dat hijzelf recht heeft op kinderbijslag
voor die kinderen en op dit punt niet meer afhankelijk is van de wettige
vader dier kinderen. Het zou evenwel naar de mening van de ondergetekenden
niet billijk zijn om met deze regeling te volstaan. Aandacht verdienen namelijk
nog de gevallen van degenen die hun kinderen - al behoren deze tot het
huishouden van een ander - toch onderhouden. Het behoeft wel geen betoog dat de ondergetekenden hier niet het oog hebben op
degenen die
slechts in zeer bescheiden mate in het onderhoud van hun kinderen
voorzien. Het gaat hier om degenen wier kinderen weliswaar behoren tot de
huishouding van een ander, doch die desondanks die kinderen grotendeels
onderhouden. Te denken valt aan de gevallen waarin de wettige vader zijn
kinderen onderhoudt die behoren tot het huishouden van zijn gewezen
echtgenote. In verband hiermede is in artikel 7
[7] een aanvullende regel voor
het recht op kinderbijslag opgenomen, welke inhoudt dat de verzekerde
ook recht op kinderbijslag heeft voor eigen, aangehuwde en pleegkinderen
die behoren tot het huishouden van de ex-echtgenoot of van de echtgenoot
van wie hij duurzaam gescheiden leeft, mits hij die kinderen grotendeels
op zijn kosten onderhoudt.
In het vorenstaande is
ervan uitgegaan dat het recht op kinderbijslag
in de eerste plaats toekomt aan degene tot wiens huishouden de desbetreffende kinderen behoren en in de
tweede plaats - als aanvullende regel - aan degene die zijn - tot
het huishouden van een ander behorende - kinderen grotendeels
onderhoudt. Er zijn evenwel kinderen te wier aanzien aan de hiervoren
genoemde voorwaarden niet wordt voldaan, doch die naar de mening van de
ondergetekenden bezwaarlijk van kinderbijslag verstoken kunnen blijven.
De ondergetekenden hebben hierbij op het oog die kinderen die niet tot
een huishouden behoren. Te denken valt hierbij aan kinderen die als
gevolg van bepaalde omstandigheden niet met hun ouders samenwonen, doch in
inrichtingen verblijven. Indien ter zake geen nadere voorziening zou
worden getroffen, zouden ouders voor kinderen die in inrichtingen
opgenomen zijn geen recht op kinderbijslag hebben. Dit zou naar de mening
van de ondergetekenden onbevredigend zijn. Onbevredigend, omdat deze
ouders meestal zoveel als hun mogelijk is in de onderhoudskosten van die
kinderen bijdragen. Voor de hand zou liggen aan deze ouders recht op
kinderbijslag voor hier bedoelde kinderen te verlenen, voor zover zij hen
grotendeels op hun kosten onderhouden, daarmee aansluitende op de
hiervoor toegelichte aanvullende regel voor het recht op kinderbijslag.
Doch daarmede zou geen bevredigende oplossing worden verkregen. De
onderhoudskosten van kinderen in inrichtingen zijn immers vrijwel altijd
belangrijk hoger dan die van kinderen die tot een particuliere
huishouding behoren. Zou ten aanzien van deze ouders de eis van het
grotendeels onderhouden worden gesteld, dan zou zich de situatie kunnen
voordoen dat deze ouders naar vermogen in het onderhoud van deze kinderen
bijdragen zonder dat zij hen nochtans, gezien de werkelijke
onderhoudskosten, grotendeels op hun kosten onderhouden. Wanneer men
echter de onderhoudsbijdrage van deze ouders zou stellen tegenover de
onderhoudskosten van een kind in een particuliere huishouding, dan zou
wel van grotendeels onderhouden kunnen worden gesproken. De
ondergetekenden zijn dan ook van mening dat rblz.|29
l.k.|
ten aanzien van deze gevallen
de eis van het grotendeels onderhouden te stringent is en dient te worden
teruggebracht tot de eis van het onderhouden in belangrijke mate.
Voorshands wordt eraan gedacht in deze gevallen als norm voor het
onderhoud in belangrijke mate te stellen een bedrag in de orde van grootte
van ƒ3,50 per week, zijnde ongeveer de kinderbijslag voor een eerste
kind.
Studerende en invalide
kinderen van 16 tot 27 jaar.
In het kader van de onderhavige
kinderbijslagregeling is het zeer wel te verdedigen wanneer ten aanzien
van studerende en invalide kinderen een extra maatregel zou worden
getroffen. De ondergetekenden zijn namelijk van oordeel dat er alleszins
aanleiding bestaat om het bedrag van de kinderbijslag
te verhogen wanneer het gaat om studerende en invalide kinderen van 16 tot 27
jaar
wier onderhoudskosten als direct gevolg van hun studie of invaliditeit
aanwijsbaar hoger zijn dan de onderhoudskosten van kinderen in het
algemeen.
In het onderhavige wetsontwerp
wordt dan ook voorgesteld deze verhoging van kinderbijslag voor studerende
en invalide kinderen te bewerkstelligen door de bepaling op te nemen dat
voor de vaststelling van het aantal kinderen waarvoor de verzekerde
recht op kinderbijslag heeft elk studerend of invalide kind in de
leeftijd van 16 tot 27 jaar voor twee kinderen wordt geteld indien dit kind
door de verzekerde grotendeels op diens kosten wordt onderhouden. Door het
opnemen van deze bepaling wordt op technisch eenvoudige wijze bereikt
dat het gezinsinkomen van een verzekerde die een studerend of invalide
kind grotendeels onderhoudt, vermeerderd wordt met het bedrag van de
kinderbijslag voor een extra kind.
Een bijkomend, doch niet te
onderschatten voordeel van deze maatregel is tevens dat ten aanzien van
studerende en invalide kinderen een verdergaande coördinatie met het
recht op kinderaftrek bij de loonbelasting kan worden bereikt, omdat ook
reeds de belastingwetgeving met betrekking tot studerende en invalide
kinderen het systeem van dubbel tellen kent.
Behalve het recht op verhoogde
kinderbijslag voor studerende en invalide kinderen van 16 tot 27 jaar
die door de verzekerde grotendeels op zijn kosten worden onderhouden,
wordt in het onderhavige ontwerp voorts voorgesteld om - zoals reeds
thans het geval is in de bestaande Kinderbijslagwet - het recht op het
normale bedrag van de kinderbijslag te handhaven voor studerende en
invalide kinderen die weliswaar niet grotendeels, maar toch nog wel in
belangrijke mate op kosten van de verzekerde worden onderhouden. De
ondergetekenden merken echter op dat de voorwaarde van het in belangrijke
mate onderhouden voor het recht op kinderbijslag voor studerende en
invalide kinderen van 16 tot 27 jaar, in geld uitgedrukt, hoger zal dienen
te worden gesteld dan thans het geval is in de Kinderbijslagwet, waar deze
eis in de praktijk gewaardeerd wordt op de kinderbijslag voor een eerste
kind. Deze bepaling beantwoordt op die wijze niet aan haar bedoeling. Aan
deze bepaling lag de gedachte ten grondslag dat wanneer de ouders zich
ten behoeve van een studerend of invalide kind een financiële inspanning
getroosten ten bedrage van minstens de kinderbijslag per week voor een
eerste kind, zijnde ƒ3,48 per week, de kinderbijslagverzekering de ouders
in staat zou stellen daarboven nog het bedrag van de kinderbijslag voor
dit kind te besteden. Een tegemoetkoming dus in de voor deze kinderen
meestal hoge onderhoudskosten. In bepaalde gevallen echter heeft deze
bepaling een effect dat tegenovergesteld is aan de bedoeling. In de
gevallen namelijk dat de ouders voor deze kinderen inderdaad niet of slechts
weinig meer dan ƒ3,48 betalen of behoeven te betalen, ontvangen zij
ditzelfde bedrag of een groter bedrag aan kinderbijslag terug. Deze ouders
worden dus daarmede eigenlijk van elk financieel offer, zelfs van de
aanvankelijk gestelde eis van ƒ3,48 per week, ontheven. Deze bepaling
zou echter veel beter aan haar doel beantwoorden als de eis voor het in
belangrijke mate onderhouden gesteld werd op een bedrag van ongeveer
tweemaal het bedrag van de kinderbijslag. Daarmede zou worden bereikt dat
kinderbijslag wordt toegekend aan die ouders die in ieder geval aan het
studerende en invalide kind ongeveer het kinderbijslagbedrag ten koste
leggen.
rblz.|29
r.k.|
7. De middelen tot
dekking der kosten
Bij de beantwoording van de
vraag wie tot premiebetaling moeten worden verplicht, dient - evenals
dit het geval is bij de algemene ouderdomsverzekering - het uitgangspunt
te zijn dat de premies moeten worden betaald door verzekerden die
inkomen genieten. Voor een onderscheid in deze zin dat de premie voor de
loontrekkenden geheel of gedeeltelijk door de werkgever en die voor de
niet-loontrekkenden door deze zelf zou worden betaald, is in een algemene
kinderbijslagverzekering, welke een herverdeling van het maatschappelijke
inkomen van het gehele volk beoogt, geen reden. (Uiteraard betekent dit
niet dat er geen onderscheid zou mogen worden gemaakt in de wijze, waarop
de verschuldigde premie van de verschillende groepen van verzekerden zal
worden geheven en geïnd). Gaat men, hetgeen de ondergetekenden doen, van
dit standpunt uit, dan is het ook mogelijk de premieheffing en -inning
ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering op geheel dezelfde wijze en
met inachtneming van dezelfde grondslagen te doen geschieden als zulks
ingevolge de algemene ouderdomsverzekering het geval is.
De voorgestelde regeling houdt in dat - in tegenstelling met de regeling in de huidige
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden - de werknemer zelf de
kinderbijslagpremie moet betalen. In de bestaande Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden betaalt de werkgever de kinderbijslagpremie naar rato van
het totale door hem verloonde bedrag. De werkgever mag deze premie zelfs
niet op het loon van de werknemer verhalen. Ogenschijnlijk lijkt het alsof
de voorgestelde nieuwe regeling diametraal afwijkt van de bestaande
regeling. Bij nadere beschouwing echter blijkt dat zulks niet het geval
is. Formeel betaalt de werkgever weliswaar de premie, doch maatschappelijk
gezien is het zo dat de premie welke de werkgever betaalt een deel
vormt van het loon van de werknemer. Dit deel wordt hem echter niet
uitbetaald, doch in het gemeenschappelijk fonds gestort ter herverdeling
onder de werknemers met kinderen. In wezen betaalt de werknemer zelf de
premie. Wanneer, zoals in het nevenstaand wetsontwerp wordt voorgesteld,
de werknemer zelf ook formeel tot premiebetaling zal worden verplicht,
betekent zulks te zijnen opzichte in feite eigenlijk niets anders dan een
legalisatie van de bestaande toestand. Deze legalisatie voert als vanzelf
tot de gevolgtrekking dat de premiebetaling door de werknemer dient te
worden gecompenseerd door een loonsverhoging, waartegenover voor de
werkgever zal staan een verlaging van de premie voor de
kinderbijslagverzekering voor loontrekkenden.
Hoofdstuk IV van
het onderhavige wetsontwerp vertoont zeer veel overeenkomst met hoofdstuk IV
van de Algemene Ouderdomswet. De ondergetekenden mogen zich er daarom van
ontslagen achten - afgezien van enkele punten welke hierna nog aan de
orde worden gesteld - nogmaals in beschouwing te treden van onderdelen
welke reeds uitvoerig toelichting vonden in de memorie van
toelichting bij het ontwerp Algemene Ouderdomswet.
De ondergetekenden zijn van oordeel dat de middelen tot dekking van de
kosten aan de algemene
kinderbijslagverzekering verbonden, gevonden moeten worden door het
heffen van een procentuele premie naar rato van het inkomen. In een premie vastgesteld op een percentage van het
inkomen komt het beginsel
van heffing naar draagkracht - anders dan bij het invoeren van een
uniforme premie - tot zijn recht. Een procentuele premie brengt
voorts de solidariteitsgedachte, welke inhoudt dat de economisch
sterkeren mede bijdragen voor de economisch zwakkeren, beter tot
uitdrukking.
De Sociaal-Economische Raad
heeft in zijn advies van 14 mei 1954 voorts nog uitgesproken dat naar
zijn mening de premie ten behoeve van de minst draagkrachtige
niet-loontrekkenden - analoog aan de algemene ouderdomsverzekering - door de overheid betaald dient te worden. De ondergetekenden nemen dit
advies over, omdat ook zij van oordeel zijn dat er aanleiding is om voor
de minstdraagkrachtigen onder de rblz.|30
l.k.|
niet-loontrekkenden dezelfde regeling toe te
passen als op dit punt voor de algemene
ouderdomsverzekering geldt.
In het voorliggende
wetsontwerp wordt dan ook voorgesteld de door de niet-loontrekkenden
verschuldigde premie niet in te vorderen indien het inkomen blijft
beneden een bepaald bedrag. Dit bedrag is, analoog aan de algemene
ouderdomsvoorziening, voor gehuwden gesteld op ƒ2100,- per jaar en voor
ongehuwden op ƒ1500,- per jaar.
Ook in de algemene
kinderbijslagverzekering achten de ondergetekenden het van belang dat,
ter voorkoming van een te snelle overgang, bij een inkomen boven genoemde
bedragen niet onmiddellijk tot invordering van de gehele verschuldigde
premie wordt overgegaan, maar dat een geleidelijk toenemend deel van de
premie wordt ingevorderd. Wanneer, evenals bij de Algemene Ouderdomswet,
het inkomen waarbij de gehele premie wordt ingevorderd ƒ1000,- hoger wordt
gesteld dan de hierboven genoemde bedragen van ƒ2100,- en ƒ1500,-, zal er
voldoende ruimte zijn voor een geleidelijk oplopende premieschaal.
In het wetsontwerp is - gelijk ook in de Algemene Ouderdomswet het geval is
- voorzien in de
mogelijkheid tot wijziging van genoemde bedragen bij algemene maatregel
van bestuur. De omstandigheid dat in het wetsontwerp dezelfde bedragen
zijn aangehouden als momenteel voor de premie-invordering ingevolge de
Algemene Ouderdomswet gelden, houdt derhalve niet in dat bij invoering
van de Algemene Kinderbijslagwet ook inderdaad van de bedragen van
ƒ1500,-/ƒ2100,- zou dienen te worden uitgegaan. De ondergetekenden zijn bereid
verhoging van deze inkomensgrenzen te overwegen op het tijdstip waarop
van de Algemene Kinderbijslagwet ten naaste bij vaststaat wanneer zij in
werking kan treden.
De overname van de
premiebetaling door het Rijk zal naar het oordeel van de ondergetekenden,
op het voetspoor van de Algemene Ouderdomswet, ook dienen te gelden voor
de gevallen waarin na het opleggen van een premieaanslag blijkt dat de
invordering der premie niet of niet ten volle mogelijk is wegens
bijzondere, de verzekerde persoonlijk betreffende, doch hem niet toe te
rekenen omstandigheden welke tot gevolg hebben dat de
Sociale Verzekeringsbank
voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet het
nalaten der betaling niet als een schuldige nalatigheid aanmerkt.
Het verdient naar de mening
van de ondergetekenden ten slotte aanbeveling ook nog op een ander punt de
algemene ouderdomsverzekering te volgen, namelijk op het punt van het
stellen van een inkomensgrens waarboven de premie niet procentueel
blijft, maar uniform wordt. In het onderhavige ontwerp van wet wordt dan
ook voorgesteld bij de berekening van de premie buiten beschouwing te
laten het inkomen voor zover dit boven de voor de Algemene Ouderdomswet
geldende inkomensgrens - thans ƒ6900 per jaar - uitgaat.
8. Kosten
en economische
repercussies
A. Kosten
De onderstaande berekeningen
zijn uitgevoerd op basis van de te verwachten toestand over 1959.
1. Aantal kinderen
Aangezien nagenoeg alle derde
en volgende kinderen van de kinderen beneden de leeftijd van 16 jaar,
waarmede gelijkgesteld worden studerende en invalide kinderen van 16 tot
27 jaar, onder de Algemene Kinderbijslagwet zullen vallen, dient
allereerst een raming van dit aantal te worden gemaakt.
Aan de hand van exacte
gegevens per 1 januari 1957 en de door het Centraal Bureau voor de
Statistiek gepubliceerde prognoses omtrent de bevolkingsaanwas voor de
jaren na 1957 kan het gemiddeld aantal kinderen over 1959 geraamd worden
op ongeveer 3 587 000.
rblz.|30
r.k.|
Het aantal studerende en invalide kinderen van 16
tot 27 jaar laat zich ramen op rond 225 000.
Betreffende de verdeling van
het aldus verkregen totale aantal ad 3 812 000 kinderen naar hun rangorde
in het gezin staan geen cijfers ter beschikking. Een benadering hiervan is
dientengevolge slechts mogelijk indien wordt verondersteld dat deze
verdeling niet afwijkt van desbetreffende gegevens over het jaar 1955 van
het Kinderbijslagvereveningsfonds voor loontrekkenden. In dat geval zou
het totaal als volgt zijn opgebouwd:
69% eerste en tweede kinderen = 2 630 000;
15% derde kinderen = 572 000;
12% vierde en vijfde kinderen = 457 000;
4% zesde en volgende kinderen = 153 000;
Totaal = 3 812 000.
In het licht van de
gemaakte veronderstellingen dient hierbij dus te worden bedacht dat een
enigszins andere verdeling van het genoemde totaal geenszins denkbeeldig
is. In dat geval zal ook een geringe herziening van de hierna berekende
premie nodig kunnen blijken.
2. Uitkeringen
Op basis van de bovengenoemde
aantallen derde kinderen, vierde en vijfde kinderen en zesde en volgende
kinderen kunnen de uitkeringskosten ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet
aan de hand van de in artikel 11 [12]
van het wetsontwerp genoemde bedragen
worden becijferd op circa ƒ294 mln per jaar. Rekening houdende met de
omstandigheid dat het grootste deel van de studerende en invalide
kinderen van 16 tot 27 jaar voor twee kinderen geteld wordt, dient dit bedrag
naar schatting nog met ƒ36 mln te worden verhoogd. In totaal zullen de
uitkeringskosten derhalve circa ƒ330 mln per jaar bedragen.
Voor de
loontrekkenden wordt daarnaast, althans voor zover zij niet op grond van
artikel 5 van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden worden uitgezonderd,
de kinderbijslag voor eerste en tweede kinderen gehandhaafd. Het totaal
aantal kinderen van loontrekkenden kan geraamd worden op ongeveer 2 200
000, waarvan 917 000 eerste kinderen en 603 000 tweede kinderen zijn. De
totale uitkeringskosten voor eerste en tweede kinderen van loontrekkenden
kunnen - ook hier weer rekening houdende met de extra kinderbijslag voor
studerende en invalide kinderen, welke circa ƒ9 mln zal kosten - worden
geraamd op ƒ297 mln per jaar.
3. Premies
Het premieplichtig inkomen is
voor de Algemene Kinderbijslagwet geheel gelijk aan dat voor de
ouderdomsvoorziening. Dit premieplichtig inkomen wordt voor het jaar 1959
geschat op ƒ15,7 miljard. Aangezien de uitkeringskosten in het
voorgaande op ƒ330 mln werden geraamd, zal dus een premie van 2,1% (exclusief
administratiekosten) noodzakelijk zijn.
Voor uitkering van kinderbijslag
aan eerste en tweede kinderen van loontrekkenden zal daarnaast nog een
premie moeten worden geheven. De premieplichtige loonsom kan voor het
jaar 1959 globaal geraamd worden op ƒ9.3 miljard. Aangezien het totale
uitkeringsbedrag geraamd wordt op ongeveer ƒ297 mln per jaar, zal een
premie van circa 3,2% (exclusief administratiekosten) nodig zijn.
De beide
genoemde premiepercentages behoeven slechts een geringe verhoging te
ondergaan om de middelen te verkrijgen ter dekking van de
administratiekosten. Afgerond zal de premie ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet op 2,2% kunnen worden gebracht en de premie ingevolge de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden op 3,3%.
B. Economische repercussies
Ten aanzien van de economische repercussies dient
onderscheid te worden gemaakt tussen zelfstandigen en loontrekkenden.
rblz.|31
l.k.|
Door de zelfstandigen zal
ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet een premie moeten woeden
opgebracht van circa 2,2% van het inkomen. Het meest in het oog springende
gevolg hiervan zal zijn een verschuiving in de inkomenspositie binnen de
groep der zelfstandigen. Door personen met drie of meer kinderen zal immers
voortaan een uitkering worden ontvangen waartoe de middelen behalve door
de loontrekkenden mede zijn bijeengebracht door de premiebetaling van
zelfstandigen zonder, dan wel met slechts één of twee kinderen. Er is geen
aanleiding om van deze inkomensverschuiving als zodanig economische
repercussies van enige omvang te verwachten. Wel mag uiteraard de sociale
betekenis groot worden geacht; in dit laatste komt dan ook de eigenlijke
strekking van de wet tot uiting.
In bepaalde gevallen zou het
kunnen voorkomen dat de premie bezwaarlijk uit het inkomen kan worden
voldaan en dus voor de betrokkenen tot moeilijkheden aanleiding geeft.
Deze gevallen zullen echter in de praktijk beperkt in aantal blijken,
aangezien in het wetsontwerp, geheel analoog aan de betreffende bepalingen
van de algemene ouderdomsvoorziening, wordt voorgesteld de verschuldigde
premie van de daarvoor in aanmerking komende niet-loontrekkenden niet of
slechts ten dele in te vorderen. Naar zeer globale raming zal deze
regeling een offer van de schatkist van circa ƒ10 mln vergen.
Ten slotte moet rekening worden
gehouden met een eventueel streven van de zijde der zelfstandigen een
vermindering van het netto-inkomen te ontgaan door de premie in de prijzen
door te berekenen. Dienaangaande moet allereerst worden opgemerkt dat
het dringend gewenst is dat de zelfstandigen zich ter zake beperken tot
die gevallen waarin zulks beslist onvermijdelijk is.
Overigens menen de
ondergetekenden zich te moeten onthouden van een definitief oordeel over
het vraagstuk van doorberekening van de door de zelfstandigen op te
brengen premie in de prijzen van goederen en diensten. De mogelijkheden
hiertoe zullen eerst kunnen worden beoordeeld in het licht van de
omstandigheden waarin de zelfstandigen verkeren op het tijdstip van
invoering der Algemene Kinderbijslagwet. Voorts merken zij op dat indien
tot doorberekening zou worden overgegaan, het gemiddelde prijsniveau zelfs
bij algehele doorberekening van de bescheiden premie slechts in zeer
beperkte mate zou worden beïnvloed. Bovendien zal voor de doorberekening
in het geheel geen motief aanwezig blijken te zijn in al die gevallen
waarin de premie niet zal worden ingevorderd ofwel aanspraak op kinderbijslag
bestaat; reeds bij uitkering van kinderbijslag voor één
kind immers wordt het maximale premiebedrag ruimschoots door deze
uitkering overtroffen.
Voor de loontrekkenden geldt
thans een premie van 4,6% (exclusief administratiekosten), welke wordt
betaald door de werkgevers. In de toekomst zullen zij zelf tot
premiebetaling moeten overgaan. Het premiepercentage voor beide wetten
tezamen zal - onder andere in verband met de meerkosten van extra
kinderbijslag
voor studerende en invalide kinderen - enigszins hoger liggen dan het
huidige premiepercentage ingevolge de Kinderbijslagwet, dat nog moet
worden verhoogd met de opslag voor administratiekosten. Een
looncompensatie om het de werknemers mogelijk te maken de premie voor de
algemene kinderbijslagverzekering te voldoen, zal voor het grootste deel
gevonden kunnen worden in de vermindering welke de huidige
kinderbijslagpremie zal ondergaan.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1 [1]
In dit artikel
wordt bepaald dat slechts als gehuwde man, gehuwde vrouw, echtgenoot of
echtgenote worden beschouwd echtelieden die niet duurzaam gescheiden van
elkaar leven. De gehuwden die van tafel en bed zijn gescheiden of in
feite duurzaam gescheiden van elkaar leven, worden als ongehuwden
aangemerkt. Deze onderscheiding is in het bijzonder van belang voor de
premiebetaling.
De in dit artikel gegeven
onderscheiding tussen "gehuwd" en "ongehuwd" is overigens
gelijk aan die welke in artikel 1 van de Algemene
Ouderdomswet en in
artikel 2, tweede lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 is
aangegeven.
rblz.|31
r.k.|
Artikel
2 [2]
Aangezien, zoals in
het algemene deel dezer memorie is uiteengezet, de met dit wetsontwerp
beoogde kinderbijslagverzekering de gehele bevolking dient te omvatten,
wordt in artikel 6 [6]
bepaald dat iedere
"ingezetene" - van de
leeftijd van 15 jaar af - verzekerd is.
In artikel 2
[2] wordt een
definitie van het begrip ingezetene gegeven. Ingezetene is ieder die in
Nederland woont.
Artikel
3 [3]
De bewoordingen van
dit artikel stemmen overeen met die van artikel 3 van de
Algemene Ouderdomswet en zijn - dit met het oog op de premie-inning door de
belastingdienst - ontleend aan artikel 3 van het Besluit op de
Inkomstenbelasting 1941.
Niet alleen zijn de bepalingen, in dit artikel
vervat, van betekenis voor de vaststelling of
iemand al dan niet ingezetene en daardoor verzekerde is, maar ook voor
elke andere bepaling in de wet waarin van iemands woonplaats sprake is.
Dit is bijvoorbeeld het geval in artikel 8 [8], waarbij de woonplaats van een kind ten
aanzien van het recht op kinderbijslag van betekenis kan zijn.
De hoofdregel is vervat in het
eerste lid van het voorgestelde artikel. Waar iemand woont wordt naar de
omstandigheden beoordeeld. Niet bepalend zijn derhalve de afhankelijke
woonplaatsen van minderjarigen en van handelingsonbekwamen welke het Burgerlijk
Wetboek kent.
Door de aansluiting bij
artikel 3 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 is de
jurisprudentie welke zich omtrent dit artikel heeft gevormd tevens van
belang voor de toepassing van artikel 3
[3] van het onderhavige
ontwerp.
De woonplaats vastgesteld op grond van artikel
3 [3] stemt vrijwel steeds
overeen met de woonplaats welke het bevolkingsregister aangeeft. In een
gering aantal gevallen kan artikel
3 [3] tot afwijking van de gegevens van
het bevolkingsregister leiden, bijvoorbeeld bij zeevarenden en in gevallen van
tijdelijk verblijf in het buitenland.
Artikel
4 [4]
Dit artikel
bepaalt dat in de uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering
wordt voorzien door de
Sociale Verzekeringsbank. In het
algemeen deel
dezer memorie werd hieromtrent reeds een uitvoerige uiteenzetting gegeven.
Daarbij werd tevens aangegeven dat de Rijksbelastingdienst
zal worden
belast met de heffing en de invordering van de door de verzekerden
verschuldigde premies.
Artikel
5 [5]
Op dezelfde wijze als dit in de
Algemene Ouderdomswet het geval is, is in dit artikel de mogelijkheid
geopend dat
ook de Raden van Arbeid een werkzaam aandeel in de uitvoering van de
algemene kinderbijslagverzekering kunnen krijgen.
Artikel
6 [6]
Zoals reeds
in het algemeen deel dezer memorie werd uiteengezet, is het de
bedoeling
dat de kring der verzekerden ingevolge dit wetsontwerp zoveel mogelijk
gelijk zal zijn aan die van de Algemene
Ouderdomswet. Het onderhavige
artikel is dan ook nagenoeg gelijkluidend aan artikel 6 van
laatstbedoelde wet. Slechts op één punt - hetwelk in
hoofdstuk 5 van het algemeen
deel dezer memorie is toegelicht - bestaat er verschil. Ingevolge de
Algemene Ouderdomswet eindigt de verzekering bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd; in het onderhavige wetsontwerp loopt de verzekering
ook nadien door.
Artikel
7 [7]
In het eerste lid van dit artikel wordt een
opsomming gegeven van de kinderen waarvoor de verzekerde - te rekenen
van het derde kind - aanspraak op kinderbijslag
kan maken. Ingevolge het
bepaalde onder a behoren daartoe in de eerste plaats de tot het huishouden
van de verzekerde behorende eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen
beneden de leeftijd van 16 jaar. In het algemeen deel
dezer toelichting
is in paragraaf 6.3 de achtergrond van deze bepaling reeds
uiteengezet, namelijk dat wordt aangenomen dat men in het algemeen de tot
zijn huishouden behorende eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen op
zijn kosten onderhoudt.
rblz.|32
l.k.|
Krachtens het bepaalde onder
b mag de verzekerde tot de bovenbedoelde kinderen tevens meetellen de
eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen die niet behoren tot zijn
eigen huishouden, doch tot het huishouden van zijn gewezen echtgenoot of
van de echtgenoot van wie hij duurzaam gescheiden leeft, mits hij deze
kinderen grotendeels op zijn kosten onderhoudt. De aandacht wordt erop
gevestigd dat in de onderwerpelijke bepaling niet kon worden gesproken
van "gewezen echtgenoot" of van de "echtgenoot van wie de
verzekerde duurzaam gescheiden leeft", zulks in verband met de
omstandigheid dat de Algemene Kinderbijslagwet
- evenals trouwens de Algemene
Ouderdomswet - in artikel 1
[1] een definitie van het begrip "echtgenoot"
en "echtgenote" geeft welke hier niet gehanteerd kan worden.
In de derde plaats behoren tot
de kinderen waarvoor de verzekerde - te rekenen van het derde kind - recht op kinderbijslag
heeft eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen die niet als zodanig behoren tot het huishouden van een
ander en waarvoor derhalve noch op grond van de bepaling onder a, noch op
grond van de bepaling onder b aanspraak op kinderbijslag kan worden
gemaakt, mits de betrokkene deze kinderen in belangrijke mate op zijn
kosten onderhoudt. In het algemeen deel dezer memorie - paragraaf
6.3 - hebben de ondergetekenden reeds de overwegingen vermeld op grond
waarvan met betrekking tot het recht op kinderbijslag voor deze kinderen
niet de voorwaarde van het grotendeels onderhouden is gesteld, doch van
het onderhouden in belangrijke mate.
De bepalingen onder d en e
betreffen de studerende en invalide kinderen van 16 tot 27 jaar.
Behoudens dat een enigszins eenvoudiger redactie is gekozen, zijn de
bepalingen onder d en e overigens gelijk aan die van artikel 19, derde en
vierde lid, van de bestaande Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden).
Het bepaalde in het tweede lid
bedoelt aan te geven welke kinderen als pleegkinderen zijn te beschouwen.
De ondergetekenden hebben het nodig geoordeeld een desbetreffende
definitie op te nemen om op dit punt begripsverwarringen te voorkomen.
Het derde lid geeft de
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bevoegdheid om te
bepalen
wat onder het onderhouden in belangrijke mate van de kinderen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel c, d en e, dient te worden verstaan, zoals ook aan
het onderhouden van kinderen in belangrijke mate, bedoeld in artikel 19,
tweede lid, van de bestaande Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden) een
inhoud is gegeven bij de Beschikking van 22 januari 1951, Stcrt.
1951, 17. In het algemeen deel dezer memorie werd reeds aangegeven
welke onderhoudsnorm de ondergetekenden voor ogen staat betreffende de
kinderen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, enerzijds en welke
betreffende de kinderen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d en e,
anderzijds. In de tweede plaats kan de bovengenoemde Minister regelen
stellen omtrent vergelijking van de verdiensten van invalide kinderen
die nog gedeeltelijk tot werken in staat zijn, met de verdiensten van
lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen die in gelijke omstandigheden
verkeren, teneinde te kunnen vaststellen of voor deze invalide kinderen
aanspraak op kinderbijslag zal kunnen worden gemaakt.
Zoals het eerste lid van
artikel 7 [7] thans is geredigeerd, is het
mogelijk dat in een aantal
gevallen samenloop van kinderbijslagrechten optreedt. Een zodanige
samenloop is mogelijk tussen echtgenoten wat betreft de tot hun huishouden
behorende kinderen, tussen een verzekerde tot wiens huishouden het
desbetreffende kind behoort en de verzekerde die dit kind grotendeels op
zijn kosten onderhoudt, tussen verzekerden die hetzelfde kind dat niet
tot een huishouden behoort in belangrijke mate onderhouden en ten slotte
tussen verzekerden die hetzelfde studerende of invalide kind dat ouder
is dan 16 jaar in belangrijke mate op hun kosten onderhouden. Uiteraard
zal dit niet tot gevolg mogen hebben dat voor hetzelfde kind meer dan eenmaal kinderbijslag wordt uitbetaald. In de artikelen
13 [-], 14
[-] en
15
[20] van
het wetsontwerp worden ter voorkoming van dubbele uitbetaling van
kinderbijslag voor hetzelfde kind dan ook nadere voorzieningen getroffen.
Doch dat niettemin de formulering zodanig is dat in beginsel samenloop rblz.|32
r.k.|
van recht op kinderbijslag
voor hetzelfde kind mogelijk is, vindt in de eerste plaats zijn grond in
de mogelijkheid tot coördinatie van dit recht met het recht op
kinderaftrek in het Besluit op de Loonbelasting 1940, zulks in verband met
de toepassing van de op dit Besluit steunende coördinatietabel voor de
loonbelasting. Daarbij diende in het bijzonder rekening te worden
gehouden met het recht op kinderaftrek in het Besluit op de Loonbelasting
1940 en de toepassing van de coördinatietabel voor de loonbelasting. Om
het de werkgevers zo eenvoudig mogelijk te maken, dient ernaar te worden
gestreefd dat ten aanzien van zoveel mogelijk loonbelastingplichtigen de
coördinatietabel zal kunnen worden gebruikt. Voorwaarde voor het gebruik
van deze tabel is echter dat de loonbelastingplichtige met kinderen
waarvoor hij kinderaftrek geniet tevens aanspraak op kinderbijslag voor
die kinderen kan maken. Zouden nu bepaalde groepen van verzekerden - in
de eerste plaats valt hierbij te denken aan gehuwde vrouwen die in
loondienst werkzaam zijn - van het recht op kinderbijslag zijn
uitgesloten om op die wijze cumulatie van kinderbijslagrechten te
voorkomen, dan zou het niet meer mogelijk zijn ten aanzien van deze
verzekerden de coördinatietabel toe te passen. De werkgevers zouden in
deze gevallen gedwongen zijn de gewone loonbelastingtabel toe te passen,
met alle daaraan verbonden moeilijkheden van herleiding van het brutoloon tot fiscaal loon.
Nog een andere overweging
heeft hierbij gegolden. Het is namelijk zo dat wanneer twee verzekerden
aanspraak op kinderbijslag voor hetzelfde kind kunnen maken, het bedrag
van de kinderbijslag verschillend kan zijn. Dit hangt namelijk af van de
plaats van het desbetreffende kind in de rangorde naar leeftijd van de
kinderen, waarvoor elke verzekerde afzonderlijk - te rekenen van het
derde kind - aanspraak heeft. Zou het recht op kinderbijslag aan een
bepaalde verzekerde niet worden verleend, omdat een ander reeds voor
hetzelfde kind recht heeft, dan zou het tevens niet meer mogelijk zijn om
aan de eerstbedoelde verzekerde eventueel de meerdere kinderbijslag in
verband met de progressie uit te keren. Dit achten de ondergetekenden
bepaald onbillijk en het zou ook niet in overeenstemming zijn met de
grondgedachte van de progressie naar kindertal welke in de
kinderbijslagbedragen is verdisconteerd.
Artikel
8 [8]
In artikel 7
[7] is ten
aanzien van de aldaar genoemde kinderen niet de voorwaarde van het hier
te lande wonen gesteld.
Deze voorwaarde lijkt niet op
zijn plaats nu het recht op kinderbijslag in het algemeen slechts toevalt
aan degene die binnen het Rijk woont. Niettemin zou het ten aanzien van
de verzekerden die niet binnen het Rijk wonen wenselijk kunnen zijn in
bepaalde gevallen deze voorwaarde wel te stellen. Hierin voorziet het
bepaalde onder a van dit artikel.
In artikel 7
[7] is voorts alleen
sprake van eigen kinderen, aangehuwde kinderen en pleegkinderen. Het zal
evenwel kunnen voorkomen dat een verzekerde kinderen op zijn kosten
onderhoudt die geen eigen of aangehuwde kinderen van hem zijn en evenmin
als zijn pleegkinderen kunnen worden beschouwd. Te denken valt bijvoorbeeld aan
een verzekerde die zijn jongere broers of zusters op zijn kosten
onderhoudt. Het zou in bepaalde gevallen onbillijk kunnen zijn aan deze
verzekerde het recht op kinderbijslag voor de desbetreffende kinderen te
onthouden, alleen omdat deze kinderen geen eigen of aangehuwde kinderen
zijn en ook niet als pleegkinderen kunnen worden beschouwd. In verband
hiermede is in artikel 8 [8], onderdeel
b en
c, aan de Minister bevoegdheid
verleend om in bepaalde gevallen kinderen met pleegkinderen gelijk te
stellen en daarbij zo nodig te bepalen dat de verzekerde met deze
kinderen een huishouding vormt.
Artikel
9 [9]
Ingevolge dit
artikel wordt het studerende of invalide kind van 16 tot 27 jaar dat
grotendeels door de verzekerde wordt onderhouden, voor de vaststelling
van het aantal kinderen waarvoor recht op kinderbijslag
bestaat, voor twee kinderen geteld. De praktische toepassing van deze bepaling komt hierop
neer dat het aantal kinderen van de verzekerde met rblz.|33
l.k.|
een fictief kind wordt
uitgebreid. Dit fictieve kind levert dan de extra kinderbijslag op, die
ook bedoeld is als een extra tegemoetkoming in de onderhoudskosten van het
studerende of invalide kind.
Artikel
10 [11]
Dit artikel komt
overeen met artikel 20 van de tegenwoordige Kinderbijslagwet.
Artikel
11 [12]
In dit artikel
worden de bedragen van de kinderbijslag vastgesteld. Het is, nu ingevolge
het onderhavige wetsontwerp alle ingezetenen verzekerd zijn, aan te
nemen
dat verreweg het grootste deel der verzekerden steeds over een volledig
kalenderkwartaal recht op kinderbijslag heeft. Met het oog hierop verdient
het aanbeveling in de wet kwartaalbedragen aan kinderbijslag op te nemen.
Niettemin moet er rekening
mede gehouden worden dat in een aantal gevallen niet tot uitkering van
het volledige kwartaalbedrag zal kunnen worden overgegaan. Voornamelijk
valt hierbij te denken aan gevallen van overlijden en migratie van de
verzekerde.
Voor deze en soortgelijke
gevallen is het noodzakelijk dat de kinderbijslag kan worden uitgekeerd
over even zoveel dagen als de betrokkene in het desbetreffende kwartaal
verzekerd is geweest. In verband hiermede is in het tweede lid bepaald
dat degene die niet over het volle kwartaal verzekerd is, voor elke dag
waarop hij dat wel is 1/78 deel van de in het eerste lid genoemde
bedragen ontvangt. De genoemde bedragen zijn gelijk aan 78 maal de
desbetreffende dagbedragen van de kinderbijslag voor derde en volgende
kinderen in de tegenwoordige Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden).
Voor zover de verzekerde recht
op kinderbijslag heeft op grond van de omstandigheid dat hij ingezetene
is, ligt het voor de hand dit recht niet te verlenen over zondagen.
Niettemin zou het kunnen voorkomen dat het in bepaalde gevallen onbillijk
zou werken wanneer een verzekerde geen recht op kinderbijslag zou hebben
over zondagen. Te denken valt aan grensarbeiders die niet verzekerd zijn
omdat zij ingezetene zijn, doch omdat zij hier te lande arbeid in
dienstbetrekking verrichten. In die gevallen zou het kunnen blijken
aanbeveling te verdienen ook over zondagen - althans voor zover op
zondagen arbeid verricht wordt - kinderbijslag te verlenen. De
mogelijkheid daartoe wordt in het derde lid geopend.
Artikel
12 [14]
De procedure tot
het verkrijgen van kinderbijslag zal over het geheel genomen gelijk
kunnen zijn aan die voor het verkrijgen van de kinderbijslag krachtens de
bestaande Kinderbijslagwet. Dit is van grote betekenis, omdat het
merendeel van de werknemers die straks verzekerd zullen zijn in de zin
van de Algemene Kinderbijslagwet aan de in de Kinderbijslagwet gevolgde
uitkeringswijze gewend is. Ook de kleine zelfstandigen, die thans
kinderbijslag krachtens de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen
genieten, zijn hiermede vertrouwd.
In het eerste lid van dit
artikel wordt voorgesteld de kinderbijslag driemaandelijks te doen
uitkeren, hetgeen in overeenstemming is met de betalingstermijnen voor de
kinderbijslag krachtens de tegenwoordige Kinderbijslagwet (voor
loontrekkenden).
Het derde lid beoogt het
mogelijk te maken dat het betrokken uitvoeringsorgaan naast de betaling
van kinderbijslagen ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering ook nog
hiermede verband houdende andere betalingen kan doen. De ondergetekenden
hebben hierbij het oog op eventuele aanvullende kinderbijslagregelingen.
Het vierde lid beoogt de
mogelijkheid te openen om in bepaalde gevallen de procedure tot het
verkrijgen van kinderbijslag bij ministeriële beschikking te regelen. Op
grond van deze bepaling kunnen dan, zoals dit ook in de thans bestaande
Kinderbijslagwet is geregeld, bepaalde werkgevers in de gelegenheid
worden gesteld de Algemene Kinderbijslagwet zelf gedeeltelijk - waaronder de betaling van de kinderbijslag
- uit te voeren indien zij
daar prijs op stellen, in aansluiting op de Kinderbijslagwet voor eerste
en tweede kinderen van loontrekkenden, welke zij ook zelf ten dele zullen
kunnen uitvoeren.
rblz.|33
r.k.|
Artikel
13 [-]
Zoals reeds in de
toelichting op artikel 7 [7] werd gezegd, treedt in bepaalde gevallen
samenloop van kinderbijslagrechten op. Artikel
13 [-] strekt ertoe de door
een zodanige samenloop mogelijk geworden dubbele uitbetaling van kinderbijslag
voor hetzelfde kind te voorkomen.
Het bepaalde in het eerste lid
van artikel 13 [-] betreft de samenloop van recht op kinderbijslag tussen
echtgenoten voor de tot hun huishouding behorende kinderen.
Ingevolge de voorgestelde
bepaling zal bij een zodanige samenloop alleen de kinderbijslag waarop de
echtgenoot recht heeft voor uitbetaling in aanmerking komen. Het zal
evenwel kunnen voorkomen dat de echtgenote op een hoger bedrag aan
kinderbijslag aanspraak kan maken dan haar echtgenoot. In verband hiermede
wordt voorgesteld aan de echtgenote alleen te doen uitbetalen de
kinderbijslag voor zover die hoger is dan de kinderbijslag van haar
echtgenoot. Naar de mening van de ondergetekenden dient echter zoveel
mogelijk te worden voorkomen dat de kinderbijslag voor tot hetzelfde
huishouden behorende kinderen gesplitst betaalbaar zou moeten worden
gesteld, namelijk aan de echtgenoot en aanvullend aan de echtgenote. In
verband hiermede is in dit lid de bepaling opgenomen dat de aan de
echtgenote toekomende aanvullende kinderbijslag ook aan de echtgenoot
betaalbaar kan worden gesteld, uiteraard tegelijk met de aan hem
toekomende kinderbijslag.
Het bepaalde in het tweede lid
betreft de samenloop van kinderbijslagrechten tussen de verzekerde tot
wiens huishouden het kind behoort enerzijds en de verzekerde die dit - niet tot zijn huishouden behorend
- kind grotendeels op zijn kosten
onderhoudt anderzijds. De grondgedachte van de formulering van het recht
op kinderbijslag, zoals deze in paragraaf 6.3 van het algemeen deel
dezer memorie is toegelicht, brengt naar de mening van de ondergetekende
mede dat bij een zodanige samenloop de kinderbijslag wordt uitbetaald aan
degene die het desbetreffende kind grotendeels op zijn kosten onderhoudt.
Aan degene tot wiens huishouden dit kind behoort, zal alleen worden
uitbetaald de kinderbijslag voor zover die hoger is dan het bedrag van de
aanspraak van eerstbedoelde verzekerde. Degene tot wiens huishouden het
kind behoort, behoudt het voordeel dat hij dit kind mag meetellen tot de
kinderen waarvoor hij - van het derde kind - aanspraak op
kinderbijslag kan maken. Hierdoor zal hij voor dit kind eventueel de
meerdere kinderbijslag in verband met de progressie naar kindertal kunnen
ontvangen.
Artikel
14 [-]
Dit artikel
betreft het samenlopen van kinderbijslagrechten ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering met die ingevolge de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden, welke voorshands zal blijven bestaan voor wat betreft de
eerste twee kinderen van de loontrekkenden.
Het eerste lid betreft het
samenlopen van de bovenbedoelde rechten tussen een arbeider in de zin der
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en een verzekerde ingevolge de
onderhavige wet voor de tot hun - hetzelfde - huishouden behorende
kinderen. Voorgesteld wordt in zodanige samenloopgevallen de aanspraak op kinderbijslag
ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden te laten
voorgaan en de aanspraak ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering
daarop te laten aansluiten voor zover deze het bedrag van de
loontrekkerskinderbijslag overtreft. Ook met betrekking tot deze gevallen
doet zich het bezwaar voor dat de kinderbijslag voor tot één huishouden
behorende kinderen, zij het ook op grond van twee verschillende wetten,
gesplitst betaalbaar zou moeten worden gesteld, namelijk aan de één de
kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en aan de
ander de aanvullende kinderbijslag ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering. Om dit bezwaar zoveel mogelijk te
ondervangen, wordt voorgesteld een bepaling op te nemen waardoor de
aanvullende kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet kan
worden uitbetaald aan degene aan wie ook de prevalerende kinderbijslag
ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden wordt uitbetaald.
Het tweede lid betreft het
samenlopen van de rechten rblz.|34
l.k.|
ingevolge de beide wetten met
betrekking tot een arbeider in de zin van de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden tot wiens huishouden een kind behoort en een verzekerde
in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet die dit kind in feite
grotendeels onderhoudt. Vasthoudende aan het aan de formulering van het
recht op kinderbijslag in beide wetten ten grondslag liggende onderhoudsbeginsel, dient naar de mening van de ondergetekenden de
kinderbijslag te worden uitbetaald aan degene die daarop aanspraak maakt
vanwege het feitelijk grotendeels onderhouden. De aanspraak welke wordt
gemaakt vanwege het tot het huishouden behoren, sluit daarop aan voor
zover die de eerstbedoelde aanspraak overtreft. In verband hiermede is in
dit lid bepaald dat indien het desbetreffende kind behoort tot het
huishouden van een verzekerde, terwijl een arbeider in bovenbedoelde zin
dit kind feitelijk grotendeels onderhoudt, de kinderbijslag ingevolge de
onderhavige wet slechts wordt uitbetaald voor zover deze het bedrag van
de loontrekkerskinderbijslag voor hetzelfde kind overtreft.
Door de in dit en het
vorige
artikel [-] voorgestelde bepalingen wordt in het merendeel der
gevallen
waarin samenloop van kinderbijslagrechten, hetzij afzonderlijk in de
Algemene Kinderbijslagwet, hetzij tussen deze
wet en de Kinderbijslagwet
voor loontrekkenden, optreedt, dubbele betaling van kinderbijslag
voor
hetzelfde kind voorkomen. Met deze bepalingen wordt echter niet in alle
gevallen waarin samenloop van kinderbijslagrechten kan voorkomen een
daardoor mogelijk geworden dubbele betaling tegengegaan. Men denke bijvoorbeeld
aan het geval waarin twee verzekerden zonder gehuwd te zijn een
huishouden vormen waartoe kinderen behoren. Verder zal nog moeten worden
geregeld de samenloop van kinderbijslagrechten met betrekking tot kinderen die door meer dan één verzekerde in belangrijke mate worden
onderhouden, namelijk de kinderen, bedoeld in artikel
7 [7], eerste lid, onderdeel c, d en e. De anticumulatiebepalingen voor de bovenbedoelde en eventuele
andere nog niet voorziene samenloopgevallen zullen in een nadere door de
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid te treffen beschikking
worden geregeld. In deze beschikking zal uiteraard zoveel mogelijk worden
vastgehouden aan de uitgangspunten welke ook bij de in de
wet geregelde
gevallen in acht zijn genomen. Bij deze beschikking kunnen dan tevens zo
nodig bepalingen worden opgenomen om te voorkomen dat over meer dan 78
dagen in hetzelfde kwartaal voor hetzelfde kind kinderbijslag wordt
uitgekeerd.
Artikel
15 [20]
Dit artikel is
ontleend aan de Kinderbijslagwet. Het bedoelt aan de Minister van Sociale
Zaken en Volksgezondheid bevoegdheid te verlenen tot het treffen van
maatregelen ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag
krachtens de
onderhavige wet en een in het buitenland geldende
kinderbijslagvoorziening.
Artikel
16 [21]
Ook dit artikel is
ontleend aan de bestaande Kinderbijslagwet.
Indien een verzekerde slechts
in belangrijke mate in het onderhoud van zijn eigen of aangehuwde kinderen
of pleegkinderen die niet tot het huishouden van een andere verzekerde
behoren, bijdraagt, waardoor hij op grond van artikel
7 [7], eerste lid, onderdeel c, recht op
kinderbijslag voor hen heeft, zal de kinderbijslag niet aan
hem moeten worden uitgekeerd indien te verwachten is dat deze bijslag
niet ten behoeve van het kind zal worden besteed. Bepaalde verzekerden,
wetende dat de kinderbijslag toch niet aan hen zal worden uitgekeerd,
zullen niet de moeite nemen deze bijslag aan te vragen. In die gevallen
kan de aanvrage door de betrokken raad voor de
kinderbescherming
geschieden.
Artikel
17 [-]
De inhoud van dit
artikel spreekt voor zichzelf en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel
18 [23]
Ingevolge artikel
1177 van het Burgerlijk
Wetboek zijn alle roerende en onroerende goederen
van de schuldenaar, zowel tegenwoordige als toekomstige, voor deszelfs
persoonlijke verbindingen aansprakelijk.
rblz.|34
r.k.|
Hiertoe behoort ook de aan
deze toekomende kinderbijslag; in verband hiermede zou in voorkomende
gevallen ook de kinderbijslag vatbaar zijn voor beslag. De kinderbijslag
wordt echter gegeven voor de verzorging van het desbetreffende kind. Het
zou daarom niet juist zijn wanneer deze voor een ander doel zou worden
aangewend. Dit zou echter wel het geval kunnen zijn wanneer deze bijslag
onbeperkt voor beslag vatbaar zou zijn. Daarom wordt in het onderhavige
artikel de mogelijkheid van beslag uitdrukkelijk beperkt tot de gevallen
waarin dit beslag dient tot verhaal van een uitkering tot onderhoud van
het kind.
Met deze bepaling wordt elk
beslag op kinderbijslag uitgesloten voor verhaal van uitkering voor
onderhoud voor anderen dan het betrokken kind. In dit opzicht betekent de
onderhavige voorziening dus een uitzondering op de algemene beginselen
welke aan de artikelen 479c van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en 67, vierde lid, van de Armenwet ten grondslag liggen.
Deze uitzondering sluit echter geheel aan bij de gedachte dat de
kinderbijslag wordt gegeven ten behoeve van het kind.
Artikel
19 [22+24]
De bepalingen
omtrent verjaring van betaalbaar gestelde kinderbijslag welke niet is
ingevorderd, alsmede van de rechtsvordering wegens kinderbijslag, zijn
ontleend aan de huidige Kinderbijslagwet. De verjaringstermijnen welke
in de Kinderbijslagwet op vier respectievelijk zes maanden zijn gesteld,
zijn in het ontwerp Algemene Kinderbijslagwet echter ruimer genomen en op
twee jaren gebracht.
Het is de ondergetekenden
wenselijk voorgekomen de terugvordering van ten onrechte genoten
kinderbijslag door inhouding op later betaalbaar te stellen kinderbijslag
niet te beperken tot uitsluitend kinderbijslag ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering. Deze terugvordering zal naar hun mening ook
mogelijk dienen te zijn met betrekking tot betaalbaar te stellen
kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, de
Kinderbijslagwet voor wezenrentetrekkers en ingevolge de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 van de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden. Tegengegaan dient te worden dat kinderbijslag krachtens
de ene voorziening zou moeten worden uitgekeerd, niettegenstaande de
betrokkene krachtens de andere voorziening ten onrechte kinderbijslag
voor hetzelfde kind heeft genoten en weigert deze terug te betalen.
Artikelen 20
[-] en 21
[-]
De
middelen tot dekking van de uit te keren kinderbijslag
en de aan de
uitvoering van deze verzekering verbonden kosten zullen gevonden worden
door het heffen van premies van de verzekerden.
Zoals in het algemeen deel
dezer memorie reeds is aangegeven, wordt geen premie meer geheven van
degene die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.
Eveneens is niet meer aan de
premieheffing onderworpen de verzekerde die zelf nog niet, doch wiens
echtgenote wel reeds de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die, doordat
zijn echtgenote als kostwinster is aan te merken, recht heeft op
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet. Voor wat de
premieheffing ingevolge de Algemene Ouderdomswet betreft, is deze bepaling
reeds opgenomen in artikel 26, zevende lid, van
die wet. Vanwege de
uniformiteit in opbouw van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene
Kinderbijslagwet wordt in artikel 47
[-] van dit wetsontwerp voorgesteld de
betreffende bepaling over te brengen van artikel
26, zevende lid, naar
artikel 23 van de Algemene Ouderdomswet.
De premies worden gestort in het
Algemeen Kinderbijslagfonds, dat beheerd wordt door de
Sociale Verzekeringsbank.
Artikel
22 [-]
Dit artikel
bepaalt dat de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid nadere
voorschriften vaststelt omtrent belegging van de middelen van het
Algemeen Kinderbijslagfonds, nadat hierover de Sociale Verzekeringsraad
zal zijn gehoord.
rblz.|35
l.k.|
Artikel
23 [-]
Zoals in het
algemeen deel dezer memorie reeds is toegelicht, is het de bedoeling dat
de wijze van premieheffing en -inning geheel aansluit bij die welke bij
de Algemene Ouderdomswet in acht wordt genomen. De redactie van dit
artikel is dan ook overgenomen van artikel 26 van de
Algemene Ouderdomswet. De toelichting op dit artikel
- en ook op de volgende
artikelen - stemt dan ook vrijwel overeen met de toelichting op de
dienovereenkomstige bepalingen van de Algemene Ouderdomswet en wijkt
hiervan alleen af waar de aard van het onderwerp dit vordert.
Tweede lid
Voor de bepaling
van het premieplichtig inkomen is aansluiting gezocht bij het inkomen
waarover daadwerkelijk inkomsten- of loonbelasting wordt geheven. De
omschrijving van het begrip "inkomen" in het onderhavige lid sluit
dan ook nauw aan bij het inkomen waarover inkomstenbelasting wordt
geheven. Ten aanzien van de krachtens de voorgestelde voorziening
verschuldigde premie, de ingevolge die voorziening uit te keren kinderbijslagen, de premie ingevolge de Algemene
Ouderdomswet en de
ingevolge die wet uit te keren pensioenen wordt echter in het ontwerp van
het belastbaar inkomen afgeweken.
Derde lid
Evenals bij de
algemene ouderdomsverzekering is het gewenst dat ook bij de algemene
kinderbijslagverzekering voor de premieheffing het inkomen en de
aftrekposten (buitengewone lasten en giften) van de gehuwde vrouw tot die
van haar man worden gerekend, omdat zulks ook bij het Besluit op de
Inkomstenbelasting 1941 het geval is ingevolge de artikelen
2, eerste lid,
tweede volzin, en tweede lid, 51, vijfde lid, en 51a, vijfde lid. Het
gevolg hiervan is dat de gehuwde vrouw, alhoewel in beginsel
premieplichtig, in feite geen premie behoeft te betalen, omdat zij voor de
algemene kinderbijslagverzekering niet geacht wordt een eigen inkomen te
hebben. De gehuwde man betaalt nu premie over het gemeenschappelijk
inkomen van de beide echtelieden. Dit alles is geheel in overeenstemming
met de gang van zaken bij de inkomstenbelasting, waarbij ten aanzien van
een echtpaar in feite alleen de man in de heffing wordt betrokken. Het is
echter niet gewenst deze gedragslijn ook aan te houden in de gevallen
waarin de man of de vrouw, nog geen 65 jaar zijnde, niet verzekerd is. Dit
zou immers meebrengen dat een verzekerde gehuwde vrouw wier man niet
verzekerd en nog geen 65 jaar is, kinderbijslag
zou kunnen claimen zonder
dat premie wordt betaald. Omgekeerd zou, indien de vrouw niet verzekerd
zou zijn maar de man wel, de man premie moeten betalen over het
gemeenschappelijk inkomen van hemzelf en zijn echtgenote, zonder dat zijn
echtgenote verzekerd is en recht op kinderbijslag heeft.
In verband daarmede dienen
vorenbedoelde bepalingen van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 ten
aanzien van de hier bedoelde gevallen buiten toepassing te blijven. In deze
gevallen worden dus het inkomen en de aftrekposten van de gehuwde vrouw
niet tot die van haar man gerekend.
Ten slotte is het gewenst, in
aansluiting aan artikel 43 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941,
het anders dan uit dienstbetrekking verworven inkomen van de kinderen
waarvoor kinderaftrek voor de inkomstenbelasting wordt genoten, bij dat
van de ouders te voegen.
Vierde lid
In artikel
27 [-],
tweede lid, van het ontwerp wordt voorgesteld ten aanzien van
degenen van
wie belasting wordt geheven bij wijze van inhouding, ook de premies aldus
te heffen. Het ligt voor de hand in deze gevallen voor de bepaling van
het premieplichtig inkomen aansluiting te zoeken bij het loon respectievelijk de
inkomsten waarover belasting wordt ingehouden. Daarbij dient rekening te
worden gehouden met een vaste aftrek van ƒ100,- voor
verwervingskosten en persoonlijke verplichtingen, waarmede ook voor de
loonbelasting rekening wordt gehouden.
Evenals bij de bepaling van
het premieplichtig inkomen in de gevallen waarin de premies bij wege van
aanslag worden geheven, zal ook bij de bepaling van het premieplichtig
inkomen in de gevallen waarin de premie bij wijze van rblz.|35
r.k.|
inhouding wordt
geheven, van het belastbare loon respectievelijk de belastbare inkomsten moeten
worden afgeweken ten aanzien van de ingevolge de voorgestelde voorziening
verschuldigde premies, de ingevolge die voorziening uit te keren kinderbijslagen, de premies ingevolge de Algemene
Ouderdomswet en de
ingevolge die wet uit te keren pensioenen.
Vijfde lid
Het
is in navolging van de algemene ouderdomsverzekering voorts wenselijk te
bepalen dat verzekerden die loon of daarmede overeenkomende inkomsten
genieten steeds, indien zij kinderen hebben, geacht worden overeenkomstig de bepalingen van de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden kinderbijslag te hebben genoten, ongeacht of zij al dan niet voor hun
eerste en tweede kinderen in feite kinderbijslag hebben genoten, dan wel
ingevolge welke regeling zij die hebben genoten. Niet alleen brengt dit
met zich mede dat gelijkheid in behandeling ontstaat, maar bovenal is
deze regeling noodzakelijk om het mogelijk te maken dat ook de gewone
tabel voor de loonbelasting zodanig met de premietabel wordt gecombineerd
dat naast het loon, respectievelijk de inkomsten, waarop de tabel moet worden
toegepast, rechtstreeks de premie en de loonbelasting staan aangegeven.
De ondergetekenden willen er nog op wijzen dat
door de voorgestelde redactie van dit lid wordt bereikt dat ook personen
met kinderen van wie de premies slechts gedeeltelijk bij wijze van
inhouding worden geheven, over de periode waarop de inhouding betrekking
heeft steeds geacht worden kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet
(voor loontrekkenden) te genieten. Dit brengt mede dat bij het bepalen
ingevolge het tweede lid van het premieplichtig inkomen, voor de heffing
bij wege van aanslag een bedrag gelijk aan de wettelijke kinderbijslag
op het inkomen in mindering moet worden gebracht. De bij de premieheffing
bij wijze van inhouding eenmaal verleende aftrek op het inkomen wegens
aanspraak op kinderbijslag blijft dus gehandhaafd indien naderhand
eventueel aanvullende premieheffing bij wege van aanslag plaatsvindt.
Zesde lid
De
inkomenslimiet voor de premieheffing vond reeds bespreking in hoofdstuk
7 van het algemeen deel dezer memorie. In enkele gevallen achten de
ondergetekenden evenwel een verlaging van deze grens een eis van
billijkheid.
Wanneer bijvoorbeeld van een echtpaar de man op 1 juli
overlijdt, zou zonder nadere voorziening op dit punt de man over het
eerste halfjaar het maximale premiebedrag verschuldigd kunnen zijn en de
weduwe daarenboven nog eens over het tweede halfjaar, terwijl zonder
overlijden van de man het maximale premiebedrag slechts eenmaal
verschuldigd zou zijn. Daarom is voor deze en dergelijke gevallen een
bijzondere regeling opgenomen die dit ongewenste gevolg wegneemt.
Zevende lid
In de
gevallen waarin de premie wordt geheven bij wijze van inhouding
geschiedt deze inhouding meestal niet per jaar, maar per week of per
maand. Hierdoor kan het voorkomen dat aanvankelijk relatief te veel
premie wordt ingehouden.
Het is gewenst dat bij ministeriële
beschikking, welke ingevolge het zevende lid van dit artikel zal kunnen
worden genomen, ook regelen worden getroffen om in de gevallen waarin
het inkomen boven de gestelde limiet komt te grote inhoudingen te
voorkomen.
Artikel
24 [-]
Naar
de mening van de ondergetekenden is het alleen al uit oogpunt van
coördinatie der premieheffing en -inning ingevolge de algemene
ouderdomsverzekering en de algemene kinderbijslagverzekering aangewezen
dat het inkomen waarboven geen premie wordt geheven, in beide
voorzieningen steeds gelijk is. In het onderhavige artikel wordt dit
bereikt door de bepaling dat wanneer in de algemene ouderdomsverzekering
de inkomensgrens - thans ƒ6900,- per jaar - wordt herzien, deze
herziening ook zal gelden voor de inkomensgrens in de algemene
kinderbijslagverzekering.
rblz.|36
l.k.|
Artikel
25 [-]
Het
premiepercentage zal door de
Sociale Verzekeringsbank worden vastgesteld.
Waar de algemene kinderbijslagverzekering een het gehele volk omvattende
aangelegenheid betreft waarvoor de Regering verantwoordelijk is, is het
noodzakelijk de vaststelling van de hoogte van het premiepercentage aan
de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid te
onderwerpen. Alvorens zijn goedkeuring te verlenen, zal de Minister
evenwel de Sociale Verzekeringsraad horen.
Artikel
26 [-]
Eerste lid
Het
onderhavige artikel is er voornamelijk op gericht de techniek van de
premie-inhouding door de werkgevers op grond van artikel
27 [-], tweede lid,
zoveel mogelijk te doen aansluiten bij de techniek van de inhouding van de
loonbelasting. Uniformiteit in de tariefklassen is een eerste vereiste
wanneer men de premietabellen wil combineren met de belastingtabellen.
Tweede lid
Voor de
loonbelasting is een aftrek van ƒ200,- wegens kosten van
verwerving en persoonlijke verplichtingen in het belastingbedrag
verwerkt. Dit bedrag is ingevolge het bepaalde in artikel
23 [-], vierde lid, onderdeel a, geen inkomen in de zin van deze
wet. Het is echter in
aansluiting aan het vorenstaande gewenst ook voor de premieheffing deze
aftrek niet in het inkomen, maar in het premiebedrag te verwerken. Bij
de vaststelling van het inkomen heeft de werkgever dan alleen te maken met
het bedrag dat de inspecteur der belastingen voor aftrek wegens hogere
kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen heeft toegestaan.
Zoals bekend, worden bij de
loonbelasting twee verschillende tabellen gebruikt, te weten de gewone
tabel en de zogenaamde coördinatietabel.
De voor de loonbelasting
geldende gewone tabel moet worden toegepast op het fiscale loon - waarin de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden reeds is begrepen -, vermeerderd met de kinderbijslag
ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet. De aanspraak op kinderbijslag
ingevolge laatstgenoemde wet behoort echter niet tot het inkomen dat
krachtens deze wet de basis vormt voor de premieberekening. De bepaling in
onderdeel a van dit lid opent nu de mogelijkheid de premie zodanig vast te
stellen dat achter het voor de loonbelasting in aanmerking te nemen
bedrag een premiebedrag wordt vermeld waarin de vermindering van de
kinderbijslag, evenals het reeds eerder besproken bedrag voor
verwervingskosten en persoonlijke verplichtingen, is verwerkt.
Wanneer met gebruikmaking van
artikel la van het Besluit op de Loonbelasting 1940 de voor de
loonbelasting geldende coördinatietabel moet worden toegepast, behoeft
het fiscale loon niet exact te worden bepaald. De coördinatietabel gaat
in beginsel uit van het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (dat is in het algemeen het brutoloon). Hierin zijn niet
begrepen de aanspraak op kinderbijslag en de premiebijdrage van de
werkgever ingevolge het Ziekenfondsenbesluit, daarentegen wel de
premiebijdragen van de werknemer ingevolge de Ziektewet en de
Werkloosheidswet. De eerstgenoemde elementen zijn echter wel loon voor de
loonbelasting; de laatstgenoemde daarentegen niet. De coördinatietabel is
nu zo opgesteld dat achter het brutoloon het verschuldigde belastingbedrag staat vermeld. In dat bedrag zijn dan de
vorengenoemde
factoren verwerkt, terwijl tevens rekening is gehouden met het
eerdergenoemde vaste bedrag voor kosten van verwerving en persoonlijke
verplichtingen.
Onderdeel b van het
onderhavige lid komt overeen met artikel 7a van het Besluit op de
Loonbelasting 1940. De vereenvoudiging welke dit artikel door de
invoering van de coördinatietabel voor de heffing van de loonbelasting
heeft doen ontstaan, zal mitsdien ook voor de premieheffing gelden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat ongeacht of de gewone tabel dan wel de coördinatietabel wordt
toegepast, de verschuldigde loonbelasting en het ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering verschuldigde premiebedrag in beginsel bij
hetzelfde loonbedrag kunnen worden afgelezen.
rblz.|36
r.k.|
Artikel
27 [-]
Eerste lid
Deze
bepaling stelt voorop dat de premieheffing als regel geschiedt door het
opleggen van aanslagen. Het systeem van de heffing zal - evenals het
geval is met de heffing van de premie ingevolge de Algemene
Ouderdomswet - kunnen aansluiten bij het systeem van de heffing van de
inkomstenbelasting.
Overigens mogen de
ondergetekenden hieromtrent verwijzen naar de toelichting in paragraaf
4.2 van het algemeen deel dezer memorie.
Voor zoveel ingevolge het
bepaalde in het tweede lid van dit artikel de heffing van de premies
gedeeltelijk bij wijze van inhouding geschiedt, moet deze heffing --
evenals bij de belastingwetgeving - als een voorheffing worden
beschouwd. De krachtens deze voorheffing geheven premies zullen dus
verrekend moeten worden met de bij wijze van aanslag te heffen premies.
Zo zullen bijvoorbeeld bij een echtpaar waarvan man en vrouw beiden in
loondienst werkzaam zijn, ingevolge het bepaalde in het tweede lid ook
van beider loon premies worden ingehouden. Daardoor is het mogelijk dat
over meer dan ƒ6900,- per jaar premie wordt ingehouden. Ingevolge het
bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 23
[-] worden voor de bepaling
van het premieplichtig inkomen de inkomsten van echtelieden samengeteld,
terwijl ingevolge artikel 23 [-], zesde lid, juncto
artikel 24 [-] per jaar over
niet meer dan ƒ6900,- van dit inkomen premie mag worden geheven. In het
onderhavige geval zal de verrekening van de bij wijze van inhouding
geheven premies met de bij wijze van aanslag te heffen premies derhalve
ten gevolge hebben dat een negatieve aanslag wordt opgelegd en de over
meer dan ƒ6900,- betaalde premies worden terugbetaald.
Door - evenals zulks in de
Algemene Ouderdomswet is geschied - de voor de heffing van de
inkomstenbelasting geldende regelen van overeenkomstige toepassing te
verklaren, zullen ook de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende
regelen inzake navordering voor de premieheffing overeenkomstige
toepassing kunnen vinden.
Tweede lid
De
voordelen
welke de gehele of gedeeltelijke voldoening van de inkomstenbelasting door
middel van loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing met
zich brengt, zijn van zodanig belang dat het wenselijk is ook de
premieheffing van loontrekkenden en met deze gelijk behandelden door
middel van inhouding te doen geschieden. De deswege voor de heffing van de
loonbelasting geldende bepalingen - welke ook op de daarmede
overeenkomende voorheffing ingevolge de Tweede Uitvoeringsbeschikking
Inkomstenbelasting 1941 van toepassing zijn - kunnen daartoe op
overeenkomstige wijze worden toegepast. Hiermede wordt tevens bereikt
dat ook de voor de heffing van de loonbelasting geldende regelen inzake
navordering voor de premieheffing overeenkomstige toepassing vinden.
Verzekerden aan wie op grond
van artikel 54 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 geen aanslag
in de inkomstenbelasting wordt opgelegd, ontvangen ook geen aanslag in de
kinderbijslagpremie. Ten aanzien van hen wordt alleen met inhouding van
premie volstaan.
Opmerking verdient nog dat de premie ook bij wijze van
inhouding zal worden geheven van degenen die wel in beginsel aan de
loonbelasting of de daarmede overeenkomende voorheffing ingevolge de
Tweede Uitvoeringsbeschikking onderworpen zijn, doch wier loon of inkomen
zo gering is dat het beneden de belastbare grens blijft, zodat in feite
geen belasting wordt ingehouden. Dit geldt ook indien op grond van
bepalingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing daadwerkelijke
inhouding van belasting achterwege blijft.
Zoals reeds in paragraaf 4.2 van het algemeen deel dezer memorie is opgemerkt, is het mogelijk de
premietabellen en de loonbelastingtabellen zodanig te combineren dat de
inhouding van de premie voor de werkgevers geen uitbreiding van de door
hen reeds voor de inhouding van de loonbelasting verrichte werkzaamheden
betekent.
Derde lid
De onderhavige bepaling beoogt voornamelijk de
invordering van aanslagen kinderbijslagpremie te doen rblz.|37
l.k.|
geschieden overeenkomstig de Invorderingswet 1845. De toepassing van deze wet
[lees: die wet, red.] brengt met zich mede
dat aanslagen kinderbijslagpremie kunnen worden voldaan in zoveel maandelijkse termijnen als er van de dagtekening van
het aanslagbiljet af nog
volle maanden zijn in het jaar waarop de premie betrekking heeft, één en
ander met een minimum van vijf maandelijkse termijnen. Evenals in artikel
23 van het Besluit op de Loonbelasting 1940 is evenwel een uitzondering
gemaakt voor aanslagen welke met overeenkomstige toepassing van de voor
de heffing van de loonbelasting geldende regels zijn opgelegd. Het
betreft hier voornamelijk aanslagen welke worden opgelegd aan werkgevers
die de ingehouden premie niet hebben afgedragen of die te weinig premie
hebben ingehouden en/of afgedragen.
Opgemerkt zij voorts nog dat
de toepassing van de Invorderingswet 1845 ten gevolge heeft dat aan
vorderingen wegens premie ingevolge de kinderbijslagverzekering dezelfde
voorrang is toegekend als aan vorderingen ter zake van aanslagen in de
inkomstenbelasting of de loonbelasting en aan de premievorderingen
ingevolge de meeste socialeverzekeringswetten.
Vierde lid
Bij gelijktijdige
heffing en inning van de premie ingevolge de Algemene
Ouderdomswet en de
Algemene Kinderbijslagwet in één bedrag is het, om eventuele
moeilijkheden te voorkomen, gewenst dat ten aanzien van elke termijn- of
andere gedeeltelijke betaling van het in totaal verschuldigde
premiebedrag, vaststaat welk gedeelte van deze betaling bestemd is voor
elk der beide verschuldigde premies afzonderlijk.
Het vierde lid bepaalt dienaangaande dat elke inhouding, betaling, vermindering, afdracht, etc.,
geacht wordt naar evenredigheid van de percentages voor elk der beide
premies te zijn bestemd.
Vijfde en zesde lid
Deze
leden komen overeen met het vierde en vijfde lid van artikel 30 van de
Algemene Ouderdomswet. Zij behoeven geen nadere toelichting.
Artikel
28 [-]
De
materie welke
in dit artikel wordt geregeld, kwam reeds ter sprake in hoofdstuk
7 van
het algemeen deel dezer memorie.
Artikel
29 [-]
Eerste lid
In hoofdstuk
7 van het algemeen deel dezer memorie is reeds uiteengezet
dat premies of gedeelten van premies welke van de minderdraagkrachtigen
niet worden ingevorderd ten laste komen van het Rijk.
Tweede lid
Het is moeilijk
precies na te gaan van hoeveel verzekerden geen premie of slechts een
gedeelte van de premie kan worden ingevorderd en hoe groot het bedrag is
dat op grond van het bepaalde in artikel 28
[-] niet wordt ingevorderd. Het
ligt voor de hand, zeker ten aanzien van degenen die in het geheel geen
premie betalen en wier inkomen in de regel niet nauwkeurig behoeft te
worden vastgesteld, met een schatting van het bedrag aan niet-ontvangen
premies te volstaan. Artikel 29 [-], tweede lid, opent daartoe de
mogelijkheid door aan de Ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid
en van Financiën, die de
Sociale Verzekeringsbank
dienen te horen, op te
dragen nader te regelen op welke wijze het bedrag aan niet-ingevorderde
premies kan worden vastgesteld.
Het derde lid heeft betrekking
op die gevallen waarin na het opleggen van een premieaanslag blijkt dat
invordering der premie niet of niet ten volle mogelijk is wegens
bijzondere, de verzekerde persoonlijk betreffende, doch hem niet toe te
rekenen omstandigheden welke tot gevolg hebben dat de Sociale
Verzekeringsbank voor de toepassing van de Algemene
Ouderdomswet het
nalaten der betaling niet als een schuldige nalatigheid aanmerkt. Het
onderhavige wetsontwerp bevat, anders dan de Algemene Ouderdomswet, in
verband met het verschil in karakter tussen een kinderbijslag- en een
ouderdomsverzekering geen bepalingen betreffende schuldig nalaten van
premiebetaling en als gevolg daarvan plaatsvindende inkorting van uitkeringsrechten. Voor de afbakening van de
gevallen waarin invordering van
op een aanslag verschuldigde premie achterwege rblz.|37
r.k.|
blijft wegens betalingsonmacht waarvoor de verzekerde geen verwijt treft, is daarom
aansluiting gezocht bij de beslissing welke ten aanzien van het al of
niet schuldig nalatig zijn aangaande de premiebetaling valt bij de uitvoering van de Algemene Ouderdomswet.
Op het voetspoor van het
tweede lid van artikel 33 van die wet wordt voorgesteld de op een aanslag
onbetaald blijvende premie ten laste van het Rijk te brengen indien de
Sociale Verzekeringsbank niet ingevolge genoemd artikel van de Algemene
Ouderdomswet heeft beslist dat van een schuldig nalaten sprake is.
Uiteraard is een regeling als
hier bedoeld slechts mogelijk indien nalatigheid in de betaling van
ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering verschuldigde premie steeds
gepaard gaat met nalatigheid in de betaling van de premie ingevolge de
Algemene Ouderdomswet. Dit zal evenwel inderdaad het geval zijn, aangezien
de premies voor beide verzekeringen in één bedrag zullen worden geheven en
artikel 27 [-], vierde lid, van het onderhavige wetsontwerp voorziet in het
naar evenredigheid van de premiepercentages betrekken van elke betaling op
de ingevolge elk der verzekeringen verschuldigde premie.
Artikel
30 [-]
Evenals de overige
socialeverzekeringswetten dient ook de Algemene Kinderbijslagwet een
regeling inzake gemoedsbezwaren te bevatten.
De in artikel 30
[-] neergelegde
regeling sluit geheel aan bij de ten aanzien van gemoedsbezwaarden in de Algemene
Ouderdomswet neergelegde regeling. Zij spreekt voor zichzelf en
behoeft geen toelichting.
Artikelen 31
[15] en 32
[-]
De inhoud van deze artikelen
spreekt voor zichzelf en behoeft geen toelichting.
Artikelen 33
[30] en 34
[31]
Ingevolge
artikel 33 [30] moet elke beslissing welke verband houdt met het recht op
uitbetaling van kinderbijslag desverlangd schriftelijk ter kennis van de
belanghebbende worden gebracht. Een zodanige beslissing is tevens een
beslissing waartegen beroep openstaat.
In het eerste lid van artikel 34
[31] wordt bepaald dat van de beslissingen waarvan ingevolge het bepaalde in
artikel 33 [30] schriftelijk kennis wordt
gegeven beroep openstaat voor de
belanghebbende. In het tweede en derde lid van artikel 34
[31] wordt aangegeven welke instantie over het ingestelde beroep oordeelt.
Wat
betreft de toelichting op het derde en vierde lid van het onderhavige
artikel diene het volgende. Zoals uit de toelichting op artikel 35
[32] blijkt,
wordt over beroep ingesteld tegen een beslissing omtrent verschuldigde
premie, in hoogste ressort geoordeeld door de Hoge
Raad. Evenzeer als dit
bij de toepassing van de bepalingen van de Algemene
Ouderdomswet het geval
kan zijn, kan het ook bij de toepassing van deze
wet voorkomen dat de in
dit beroep te beslissen vraag omtrent het al dan niet verschuldigd zijn
van premie afhankelijk is van de vraag of de betrokkene al dan niet hier
te lande woont en dientengevolge al dan niet verzekerd is ofwel al dan
niet gehuwd is in de zin van artikel 1
[1] van het onderhavige
wetsontwerp. De
vragen betreffende woonplaats en betreffende al dan niet gehuwd zijn
kunnen, zoals uit de toelichting op het volgende artikel blijkt, ook
beslist zijn doordat bij de belastingheffing de beantwoording ervan
onherroepelijk is komen vast te staan. Ook dan is de Hoge Raad de hoogste
rechterlijke instantie.
De in het eerste lid van artikel 33
[30] bedoelde
beslissingen kunnen ook betrekking hebben op de vraag of de aanvrager al
dan niet verzekerd is geweest. Over beroep ingesteld tegen deze
beslissingen zou, indien geen nadere voorzieningen waren getroffen, in
hoogste ressort worden geoordeeld door de Centrale Raad van
Beroep.
Aldus
zou een uiteenlopende jurisprudentie kunnen ontstaan omtrent dezelfde
materie - namelijk het al dan niet verzekerd zijn en het al dan niet gehuwd
zijn - enerzijds van de Hoge Raad, anderzijds van de Centrale Raad van
Beroep.
rblz.|38
l.k.|
Ter voorkoming hiervan dient
voor beroep tegen de beslissingen waarbij zich dit gevaar van
uiteenlopende jurisprudentie kan voordoen een gemeenschappelijke
hoogste rechter te worden aangewezen, ongeacht of de onderhavige
beslissingen zijn genomen door de
Sociale Verzekeringsbank
of door de Rijksbelastingdienst.
Eenzelfde gevaar voor
uiteenlopende jurisprudentie kan zich voordoen ten opzichte van de vraag
voor welke kinderen recht op kinderbijslag bestaat. Nu de bepaling in
artikel 7 [7] zodanig opgesteld is dat zoveel mogelijk coördinatie wordt
bereikt met de kinderaftrekbepalingen in de belastingwetgeving, zou het
niet wenselijk zijn indien door een eventuele afwijkende jurisprudentie
tussen de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep aan deze coördinatie
afbreuk werd gedaan. Ook ter voorkoming hiervan dient voor beroep tegen
de hier bedoelde beslissingen een gemeenschappelijke hoogste rechter te
worden aangewezen.
Aansluitend bij de regeling,
vervat in artikel 41 van de Algemene
Ouderdomswet, is de oplossing
gezocht in deze zin dat tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep
in bepaalde gevallen beroep in cassatie bij de Hoge Raad kan worden
ingesteld. De gevallen waarin de mogelijkheid tot cassatie is geopend,
beperken zich tot die uitspraken van de Centrale Raad waarbij van
schending of verkeerde toepassing van één der artikelen
1 [1], 2
[2], 3 [3],
6 [6], 7
[7] en
9 [9] sprake kan zijn. Artikel 1
[1] betreft de begrippen gehuwde man of
echtgenoot en gehuwde vrouw of echtgenote. De artikelen
2 [2], 3
[3] en 6
[6] bepalen
de inhoud van het begrip verzekerde ingevolge de onderhavige voorziening.
Artikel 7 [7] geeft aan voor welke kinderen recht op kinderbijslag bestaat.
Artikel 9 [9] betreft de dubbeltelling van studerende kinderen.
Door, evenals het geval is in
de Algemene Ouderdomswet, in de cassatieprocedure aan te sluiten bij de
procedure geldende voor het fiscaal-administratieve procesrecht, zijn
aan de justitiabelen de kosten van verplichte rechtskundige bijstand
bespaard.
Artikel
35 [32]
De verdeling van
de uitvoeringstaak over de
Sociale Verzekeringsbank enerzijds en de
Rijksbelastingdienst anderzijds heeft haar consequenties ten aanzien van
de regeling van het beroepsrecht.
Het is ongewenst bij
geschillen tussen de inspecteur der belastingen en een premieplichtige of
een inhoudingsplichtige de beroepsprocedure te volgen welke in de sociale
verzekering gebruikelijk is, te weten beroep op de raden van beroep (S.V.)
[raden van beroep voor de sociale verzekering, red.]
en hoger beroep op de Centrale Raad van Beroep. Een geschil omtrent de
premieheffing zal immers nagenoeg steeds samengaan met een geschil op het
terrein van de inkomstenbelasting of de loonbelasting, nu blijkens artikel
23 [-] zowel de premieheffing als de belastingheffing in beginsel uitgaan van
hetzelfde inkomensbegrip. De raden van beroep (S.V.) en de Centrale Raad
van Beroep hebben geen bemoeienis met het in het Besluit op de
Inkomstenbelasting 1941 en in het Besluit op de Loonbelasting 1940
geregelde fiscale recht en waar een andere administratieve rechter,
deskundig ten aanzien van deze materie, reeds aanwezig is, ligt het voor
de hand deze laatste rechter ook in te schakelen bij het beroepsrecht met
betrekking tot de ingevolge deze wet verschuldigde premie.
Het onderhavige artikel
bepaalt dan ook dat van de voor de heffing van de inkomstenbelasting en
de loonbelasting openstaande rechtsmiddelen - waaronder de mogelijkheid
van bezwaar bij de inspecteur, hetwelk evenwel niet tot de beroepsprocedure kan worden gerekend
- in dezelfde gevallen en bij
dezelfde instanties op overeenkomstige wijze voor de premieheffing
gebruik kan worden gemaakt.
De ondergetekenden zijn
evenwel van oordeel dat het niet gewenst is dat twee procedures worden
gevoerd omtrent geschilpunten die zowel de belastingheffing als de
premieheffing aangaan.
Zulks zou voor alle betrokken
partijen, met inbegrip van de rechterlijke macht, tot overbodige arbeid
leiden. In het vierde lid van het onderhavige artikel is daarom de
bepaling rblz.|38
r.k.|
opgenomen dat geschilpunten die
voor de belastingheffing onherroepelijk zijn komen vast te staan niet
nogmaals tot voorwerp ener procedure kunnen worden gemaakt via de
premieheffing. De geschilpunten waarom het hier gaat, betreffen de
woonplaats, het zuiver inkomen, het loon en het al dan niet gehuwd zijn.
Teneinde het beoogde resultaat
te bereiken, is in het tweede lid de bepaling opgenomen dat op een
bezwaarschrift tegen de premieheffing eerst uitspraak mag worden gedaan
nadat gebleken is dat het geschil alleen de premieheffing aangaat of, zo
het geschil ook de belastingheffing aangaat, dat het geschil voor de
belastingheffing onherroepelijk tot een beslissing is gebracht.
In enigszins andere vorm is in
het derde lid van dit artikel een maatregel voor het geval van navordering
getroffen. In dit geval moet de inspecteur der belastingen de
belanghebbende, voordat tot navordering wordt overgegaan, in de gelegenheid stellen opheldering te geven omtrent de
feiten die naar des
inspecteurs mening de navordering rechtvaardigen. Indien de verschafte
opheldering het standpunt van de inspecteur niet wijzigt en hij derhalve
tot navordering overgaat, kan tegen de deswege opgelegde
navorderingsaanslag rechtstreeks beroep worden ingesteld. Teneinde ook in
dit geval een dubbele procedure te voorkomen, is bepaald dat de
beroepstermijn voor de premieheffing eerst aanvangt nadat een eventueel op
dezelfde gronden opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting
of de loonbelasting in kracht van gewijsde is gegaan. Het beroep tegen de
navordering in de premieheffing kan dan eveneens beperkt blijven tot de
punten die niet voor de belastingheffing van belang zijn geweest.
Aangezien de verschilpunten
tussen het inkomensbegrip voor de premieheffing en dat voor de
belastingheffing in de regel exact van aard zijn, valt niet te verwachten
dat deze veelvuldig het voorwerp van een procedure zullen vormen.
Het zal echter wellicht meer voorkomen dat over het inkomen van de premieplichtige geen belasting,
maar wel premie verschuldigd is. In dat geval kan het inkomen van de
premieplichtige voor de belastingheffing nimmer tot een procedure
aanleiding geven. Mitsdien komen de woonplaats, het al dan niet gehuwd
zijn en het zuiver inkomen voor de belastingheffing niet onherroepelijk
vast te staan en kan een geschil daaromtrent alsdan via de premieaanslag
aan het oordeel van de rechter worden onderworpen.
Artikelen 36
tot en met 45 [33 t/m 41]
Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.
Artikel
46 [-]
Ingevolge
artikel
24 [-] wordt het maximale premieplichtige inkomen per jaar gesteld op het
bedrag dat voor de toepassing van de Algemene
Ouderdomswet als zodanig
geldt. Artikel 27 van de Algemene
Ouderdomswet regelt de binding van het
bedrag van het maximale premieplichtige inkomen aan het indexcijfer der
regelingslonen. Het vijfde lid van laatstgenoemd artikel geeft slechts de
mogelijkheid het op het tijdstip van het in werking treden van de
algemene kinderbijslagverzekering geldende maximale premieplichtige
inkomen te baseren op het alsdan "laatst bekende indexcijfer".
Zoals in het algemeen deel dezer memorie reeds werd opgemerkt, ligt het in
het voornemen bij invoering van de algemene kinderbijslagverzekering aan
de loontrekkenden een loonsverhoging ter compensatie van de verschuldigde
premie te verlenen. Genoemd vijfde lid van artikel 27 van de
Algemene Ouderdomswet biedt evenwel niet de mogelijkheid deze loonsverhoging
terstond in het bedrag van het maximale premieplichtige inkomen te
verwerken. Het eerste indexcijfer waarin deze loonsverhoging zal
doorwerken, zal immers pas in de loop van de maand volgende op die van
invoering van de algemene kinderbijslagverzekering bekend worden en zal
dus ten tijde van die invoering niet het "laatst bekende indexcijfer"
zijn. Met het bepalen van het bij de invoering van de nieuwe verzekering
geldende bedrag van het maximale premieplichtige inkomen zal ook niet tot
het tijdstip waarop het eerste indexcijfer waarin bedoelde rblz.|39
l.k.|
loonsverhoging zal zijn doorgewerkt bekend is geworden - dus tot de maand volgende op die van
de invoering der verzekering -, kunnen worden gewacht. Immers, reeds
terstond bij de invoering moet het wekelijks of maandelijks op het loon
in te houden premiebedrag bekend zijn, terwijl de belastingdienst
reeds
enige maanden tevoren vóór het opstellen van de premietabellen met de
maximale inhouding bekend dient te zijn. Er zal derhalve een bijzonder
voorziening nodig zijn, wil de mogelijkheid voorhanden zijn om bedoelde
loonsverhoging in het bij het in werking treden der verzekering geldende
maximale premieplichtige inkomen te verwerken.
Het onderhavige artikel geeft
deze voorziening door te bepalen dat het bij de invoering der
verzekering geldende maximale premieplichtige inkomen kan worden
gebaseerd op het te verwachten indexcijfer van de laatste dag van de maand waarin de verzekering in werking is getreden. Bij toepassing van
deze bepaling zal dus voor eenmaal van een geschat indexcijfer dienen
te worden uitgegaan.
Een soortgelijke regeling,
welke bij de invoering van de algemene ouderdomsverzekering eenmalig heeft
gegolden, is vervat in artikel 67 van de Algemene
Ouderdomswet.
Artikel
47 [-]
Dit artikel strekt
ertoe de artikelen 3, 23,
26, 29, 30,
31, 33, 36,
41 en 57 van de
Algemene Ouderdomswet aan te passen.
Met belrekking tot de wijziging aan te brengen in artikel 33 van de
Algemene Ouderdomswet
merken de ondergetekenden het volgende op.
Anders dan de Algemene
Ouderdomswet [A.O.W., red.] houdt het onderhavige wetsontwerp geen bepaling in
betreffende een procentuele inkorting van uitkeringsrechten in geval van
schuldig nagelaten premiebetaling. Dit zou ertoe kunnen leiden dat de
verzekerden met de betaling van de premie voor de algemene
kinderbijslagverzekering minder ernst zouden maken dan met de betaling van
de A.O.W.-premie. Het schuldig nalaten van de betaling van laatstgenoemde
premie brengt immers steeds korting op het ouderdomspensioen mee, terwijl
op het schuldig niet betalen van de premie ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering zonder nadere voorziening geen sanctie zou
staan. De ondergetekenden achten dit ongewenst.
Het wetsontwerp voorziet
daarom in het opnemen in artikel 33 van de Algemene
Ouderdomswet van een voorziening in
die zin dat in geval van schuldige nalatigheid in de premiebetaling
gedeeltelijke betaling op bij eenzelfde aanslag geheven premies ingevolge
de algemene ouderdomsverzekering en ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering geacht wordt in de eerste plaats te strekken tot
voldoening van de ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering
verschuldigde premie. Aan verschuldigde A.O.W.-premie wordt gedeeltelijke
betaling in geval van schuldige nalatigheid dus pas toegerekend indien
en voor zover het betaalde bedrag de premie ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering overtreft. Met andere woorden, het gedeelte der
gezamenlijke premie waarvan de betaling schuldig achterwege bleef,
betreft steeds A.O.W.-premie en de verzekerde zal de sanctie op de
schuldige nalatigheid steeds voelen in de vorm van een korting op zijn
ouderdomspensioen.
De voorgestelde redactie van
het eerste lid van artikel 33 der Algemene
Ouderdomswet beperkt de daarin gegeven
regeling voor de toerekening van betalingen in de eerste plaats tot die
betalingen welke door de verzekerde zijn verricht. Op de betalingen door
het Rijk van de te zijnen laste komende premie heeft de regeling dus geen
betrekking. De toerekening van deze betalingen blijft derhalve gebaseerd
op de artikelen 32 en 33, tweede lid, van de
Algemene Ouderdomswet en op
artikel 29 [-] van het ontwerp Algemene
Kinderbijslagwet.
Voorts houdt de voorgestelde redactie van het eerste lid van artikel 33 der Algemene
Ouderdomswet de beperking in dat
slechts een nadere bepaling wordt gegeven omtrent betalingen op aanslagen.
Betalingen welke reeds door middel van inhouding hebben plaatsgevonden,
vallen derhalve eveneens buiten deze regeling. De volgens tabel ingehouden
premie heeft naar evenredigheid van de premiepercentages betrekking op de
algemene
rblz.|39
r.k.|
ouderdomsverzekering en op de
algemene kinderbijslagverzekering. Het komt niet juist voor indien op
deze verdeling naderhand zou worden teruggekomen door de ingehouden premie
in de eerste plaats te beschouwen als premie voor de algemene
kinderbijslagverzekering. Dit zou er namelijk toe leiden dat naderhand zou
worden uitgegaan van een hogere premie-inhouding voor de algemene kinderbijslagverzekering dan bij die inhouding volgens
de wet geoorloofd was.
Voor de toerekening van door middel van inhouding plaatsgevonden
betalingen blijft derhalve gelden de algemene regel van artikel
27 [-], vierde
lid, van het ontwerp Algemene Kinderbijslagwet
- welke regel ingevolge
het bepaalde in onderdeel E van het onderhavige artikel eveneens zal worden
opgenomen in artikel 30 van de Algemene
Ouderdomswet -, inhoudende dat betalingen naar
evenredigheid van de premiepercentages ingevolge de algemene
ouderdomsverzekering en ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering
geacht worden betrekking te hebben op de ingevolge elk dezer verzekeringen
verschuldigde premies.
Het derde lid van artikel 33
der
Algemene Ouderdomswet
heeft betrekking op de mogelijkheid dat na het stellen van een
aantekening wegens schuldig nagelaten betaling van A.O.W.-premie, alsnog
binnen vijf jaren betaling van premie en in verband daarmede doorhaling
van de tot korting op het pensioen leidende aantekening plaatsvindt.
Deze doorhaling zal slechts plaatsvinden indien behalve de
A.O.W.-premie, tevens de premie ingevolge
de algemene kinderbijslagverzekering, voor zover deze op de betreffende
aanslag nog onbetaald bleef, is voldaan. Zonder deze bepaling zou het
voor de verzekerde voordeliger kunnen zijn eerst een beslissing inzake
schuldige nalatigheid af te wachten en pas daarna te betalen. Zou hij dan
immers de mogelijkheid hebben om zijn A.O.W.-premie te voldoen zonder
tevens de premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering te hebben
betaald, dan zou hij langs deze weg er nog in slagen om aan zijn
eventuele voorkeur voor betaling van de A.O.W.-premie gevolg te geven,
zulks ten koste van het Algemeen Kinderbijslagfonds. Door bij deze
nabetaling evenwel behalve van de A.O.W.-premie ook voldoening van de
ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering verschuldigde premie te
eisen en voorts betalingen eerst aan laatstbedoelde premie toe te rekenen, wordt voor de verzekerde de nabetaling na
schuldignalatigverklaring niet voordeliger dan de betaling der premie langs de normale
weg. Het leggen van een opslag op de A.O.W.-premie in geval van schuldige
nalatigheid leidt er voorts toe dat de betaling langs de normale weg het
voordeligst blijft. Overigens wordt in dit artikel voorgesteld artikel 69
van de Algemene
Ouderdomswet te doen vervallen. De in laatstgenoemd
artikel bedoelde vermindering is immers in afwachting van de
totstandkoming van de Algemene Kinderbijslagwet in de Algemene
Ouderdomswet opgenomen.
Artikel
48 [-]
In het eerste lid
van dit artikel wordt bepaald dat de Noodwet Kinderbijslag Kleine
Zelfstandigen wordt ingetrokken met ingang van de dag waarop artikel 7
[7] van het onderhavige wetsontwerp in werking treedt. Op het tijdstip
derhalve dat de rechten op kinderbijslag ingevolge de nieuwe
kinderbijslagvoorziening ontstaan, nemen de rechten ingevolge de oude
voorziening voor kleine zelfstandigen een einde.
Met deze bepaling kan evenwel
niet worden volstaan, omdat op het tijdstip van intrekking van de Noodwet
Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen tal van gerechtigden óf nog geen
kinderbijslaglijst over het laatste kwartaal (of de laatste kwartalen) óf zelfs nog geen
aanvraag om kinderbijslaglijsten zullen hebben
ingediend. Zonder een nadere voorziening zou het recht op kinderbijslag
over de kwartalen gelegen vóór de inwerkingtreding van de
wet
verloren gaan. In het tweede lid is daarom een bepaling opgenomen
krachtens welke een belanghebbende na het inwerking treden van artikel 7
[7] van de onderhavige wet nog
één jaar lang de gelegenheid krijgt een
aanvraag om kinderbijslag in te dienen.
Het vijfde lid maakt het mogelijk
kinderbijslag welke vóór rblz.|40
l.k.|
de intrekking van de Noodwet
Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen of daarna - met toepassing van het
tweede lid - ten onrechte werd of zal worden genoten terug te vorderen
of op later te betalen kinderbijslag ingevolge de nieuwe
kinderbijslagvoorzieningen in mindering te brengen.
Op grond van het zesde lid kan
de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid nadere
uitvoeringsvoorschriften geven indien dat wenselijk zou blijken.
rblz.|40
r.k.|
Artikelen 49
[42] en 50
[43]
Deze
artikelen behoeven geen toelichting.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken,
A.A. van Rhijn
De Minister van Financiën,
Hofstra
De Minister van
Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke,
Bedrijfsorganisatie a.i.,
Samkalden
|
|