St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ALGEMENE  KINDERBIJSLAGWET

 

 

ONTWERP VAN WET

rblz.|10 l.k.| 

Kamerstukken II 1957-1958, 4953

Algemene kinderbijslagverzekering

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Historisch overzicht
2 De rechtsgrond
3 De organisatie van de voorziening
3.1 Een algemene kinderbijslagregeling
3.2 De Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
4 De uitvoeringsorganen
4.1 Uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering door de Sociale Verzekeringsbank
4.2 Premieheffing en -inning door de Rijksbelastingdienst
4.3 Uitvoering van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden door de Sociale Verzekeringsbank
4.4 Premie-inning ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden door de Sociale Verzekeringsbank
4.5 Bijzondere regelingen
5 Kring der verzekerden
6 Het recht op kinderbijslag
6.1 Kinderbijslag voor derde en volgende kinderen
6.2 Bedrag van de kinderbijslag
6.3 Omschrijving van het recht op kinderbijslag
7 De middelen tot dekking der kosten
8 Kosten en economische repercussies
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 1 t/m 50
 

 

 

Algemeen

 

     Op 1 juli 1951 trad in werking de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen (Wet van 14 juni 1951, Stb. 1951, 212, houdende een noodregeling kinderbijslag voor kleine zelfstandigen). Zoals de Regering bij de indiening van het wetsontwerp hetwelk tot deze wet [lees: die wet, red.] heeft geleid destijds heeft opgemerkt, heeft de in deze Noodwet neergelegde regeling een beperkte strekking en het karakter van een overgangsregeling. De Regering achtte het in verband met de nood onder de kleine zelfstandigen gewenst voor deze groep een tijdelijke regeling in het leven te roepen in afwachting van de totstandkoming van een definitieve kinderbijslagregeling.
     Het stemt de ondergetekenden tot voldoening dat thans een ontwerp van wet kan worden aangeboden waarin mede ten aanzien van het vraagstuk van de kinderbijslag voor zelfstandigen een definitieve regeling wordt voorgesteld.
     Alvorens nader op de inhoud en de grondslagen van het onderhavige wetsontwerp in te gaan, mogen de ondergetekenden een overzicht geven van de ontwikkeling van de kinderbijslaggedachte hier te lande, vooral voor zover dit betreft de kinderbijslag ten behoeve van niet-loontrekkenden.

 

1. Historisch overzicht


     Het vraagstuk van de wenselijkheid ener wettelijk geregelde kinderbijslagvoorziening, met name voor de loonarbeiders, begon zich voor het eerst omstreeks het begin van de Eerste Wereldoorlog af te tekenen. Weliswaar bestond er reeds sinds 1912 een door de Overheid getroffen kindertoelageregeling voor de postambtenaren, welke spoedig daarna werd uitgebreid tot het onderwijzend personeel, doch pas enige jaren later kwam het vraagstuk van de kinderbijslag in zijn algemeenheid aan de orde.
     In het Katholiek Sociaal Weekblad van 2 oktober 1915 publiceerde mr. P.J.M. Aalherse een artikel waarin hij pleitte voor de instelling van een Rijkskinderfonds. Hij drong erop aan dat het stelsel van kindertoeslagen bij de bezoldiging van ambtenaren van Rijk, provincies en gemeenten steeds verder zou worden doorgevoerd. Het door het Rijk gegeven voorbeeld ten aanzien van de postambtenaren en de onderwijzers verdiende naar zijn mening algemene navolging. Echter zou, voor wat de particuliere werkgevers betreft, dit stelsel niet zonder meer kunnen worden doorgevoerd. De werkgever zou er belang bij krijgen ongehuwden en kinderlozen aan te stellen en vaders van grote gezinnen te ontslaan. De schrijver deed dan ook de aanbeveling de vrije individuele loonbepaling intact te laten, doch van het uitbetaalde loon een percentage af te houden voor een Rijkskinderfonds. Uit dit fonds zouden dan de kindertoelagen voor de arbeiders moeten worden betaald.
     Deze door mr. P.J.M. Aalberse naar voren gebrachte opvatting won nadien nog aan praktische betekenis doordat er ook in het particuliere bedrijfsleven langzamerhand meer sympathie voor de gedachte van een kindertoelage viel waar te nemen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de wenselijkheid
rblz.|10 r.k.| van een verplichte kinderbijslagregeling ten behoeve van de loonarbeiders in de Staten-Generaal aan de orde werd gesteld. Bij de openbare behandeling van hoofdstuk Xa van de Rijksbegroting in de Tweede Kamer voor het jaar 1921 werd door de Kamerleden Haazevoet en Kuiper op 25 november 1920 een motie ingediend, luidende: "De Kamer, van oordeel dat de instelling van een wettelijk geregeld Rijkskinderfonds tot steun van groote gezinnen gewenscht is, noodigt de Regeering uit een onderzoek te doen instellen naar de mogelijkheid van een zoodanige wettelijke regeling op den grondslag van verplichte verzekering en, indien de mogelijkheid is gebleken, een desbetreffend wetsvoorstel bij de Staten-Generaal aanhangig te maken en gaat over tot de orde van den dag". Als gevolg van het verschil van mening dat bij de behandeling van deze motie in de Tweede Kamer tot uitdrukking kwam, werd de motie in twee delen gesplitst. Het eerste gedeelte, luidende: "De Kamer, van oordeel dat de instelling van een wettelijk geregeld Rijkskindertoeslagfonds tot steun aan groote gezinnen gewenscht is, gaat over tot de orde van den dag", werd op 2 december 1920 aangenomen met 58 tegen 21 stemmen; het tweede gedeelte, waarin als grondslag van een zodanige wettelijke regeling genoemd werd de verplichte verzekering, werd met 45 tegen 33 stemmen verworpen.
     Ondanks het feit dat Minister Aalberse sympathiek stond tegenover het denkbeeld een Rijkskinderfonds in het leven te roepen - hetgeen voor de hand lag, omdat hij zelf enige jaren tevoren op de instelling van een dergelijk fonds had aangedrongen -, duurde het geruime tijd voordat aan de in de motie neergelegde wens van de Tweede Kamer uitvoering werd gegeven.
     Bij de behandeling van de begroting voor het jaar 1923 deelde Minister Aalberse in zijn memorie van antwoord aan de Eerste Kamer mede dat in verband met de malaise in het bedrijfsleven, welke het opleggen van nieuwe lasten onraadzaam deed voorkomen, vooralsnog geen wetsvoorstel betreffende de instelling van een Rijkskinderfonds te verwachten was. Ook in de volgende jaren bleef dit het argument, op grond waarvan de Regering meende niet tot de gevraagde maatregelen te kunnen overgaan. Zowel Minister Verschuur in de jaren 1929 en 1930 als Minister Slotemaker de Bruine in de jaren 1933 en 1934 waren steeds van mening dat de economische omstandigheden zodanig waren dat de noodzakelijke middelen niet konden worden gevonden. Wel heeft laatstgenoemde Minister nog gepoogd langs andere weg de kinderbijslaggedachte steun te verlenen. Hij legde namelijk aan de
"Hooge Raad van Arbeid" een voorontwerp van wet voor betreffende een wettelijke regeling inzake verplichte bedrijfskinderbijslag. Dit voorontwerp van wet beoogde de mogelijkheid te openen om in bedrijven waarin vrijwillige kinderbijslagregelingen bestonden, voor de daartoe niet toegetreden werkgevers verplichte kinderbijslag in te voeren. De positie der bestaande regelingen zou daarvoor worden verstevigd, terwijl daardoor tevens meer arbeiders in het genot van kinderbijslag zouden worden gesteld. Het advies dat de "Hooge Raad van Arbeid" omtrent dit voorontwerp van wet uitbracht, was echter dermate ongunstig dat het tot indiening van een zodanig wetsontwerp bij de Staten-Generaal niet is gekomen.
    
rblz.|11 l.k.| Ten slotte wordt dan in het jaar 1937 de poging gewaagd die tot het gestelde doel zou leiden. In de Troonrede, door Hare Majesteit de Koningin uitgesproken op 21 september 1937, werd aangekondigd dat een wettelijke regeling "tot het rekening houden met gezinslasten bij het arbeidersinkomen" in voorbereiding was. Op 21 december 1937 deelde Minister Romme aan de Tweede Kamer mede dat hij bij de "Hooge Raad van Arbeid" een voorontwerp van wet ter fine van advies aanhangig had gemaakt, houdende regelen inzake kinderbijslagverzekering.
     In de toelichting op dit voorontwerp zeide de Minister dat het stelsel van kinderbijslagen reeds voor een niet onbelangrijk aantal werknemers toepassing vond, maar dat de concurrentie tussen de verschillende ondernemingen vele werkgevers, die overigens voorstanders van kinderbijslagen waren, er van bleef weerhouden deze in te voeren, zolang daartoe niet algemeen werd overgegaan. Hun bezwaren zouden vervallen bij totstandkoming van een wettelijke, voor allen geldende regeling. Weliswaar was door de totstandkoming van de wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten de verbindendverklaring van kinderbijslagregelingen mogelijk geworden, maar die verbindendverklaring kon alleen dan toepassing vinden indien de betreffende bepalingen reeds voor een meerderheid der bedrijfsgenoten golden. In verband hiermede kon slechts in een beperkt aantal bedrijven langs de weg der verbindendverklaring een kinderbijslagregeling worden doorgevoerd. De Minister was echter van oordeel dat het algemeen belang de doorvoering van het beginsel van de kinderbijslag over de gehele linie van het bedrijfsleven vorderde, weshalve hij een algemeen wettelijke regeling voorstelde. Om redenen van praktische aard beperkte de Minister zich voorshands tot de groep der loontrekkenden. Uitgegaan werd van de omstandigheid dat de feitelijke loonbepaling voor het grootste deel der loontrekkenden geen rekening houdt met verschillen in de omvang van het gezin, hetwelk voor het levensonderhoud op het loon van de kostwinner is aangewezen. Zoals dit loon wordt bepaald, moet het derhalve geacht worden berekend te zijn op de basis van de bestaansmogelijkheid van een gezin van feitelijk gemiddelde grootte. Bij dit gegeven van het economisch sociale leven aansluitend, beoogde het wetsontwerp een grondslag te leggen voor een meer rechtvaardige verdeling van het totale bedrag dat wordt verloond, door met name verplichtend te stellen dat bij de loonbepaling van hen wier gezin de feitelijk gemiddelde omvang overtreft, met de daarmede samenhangende grotere lasten rekening zou worden gehouden. Naar het oordeel van de Minister werd de algemene doorvoering van dit beginsel door het gemene welzijn gevorderd. Dat welzijn toch bracht mede dat de redelijk en zedelijk handelende mens, die voor het levensonderhoud van zich en de zijnen is aangewezen op zijn arbeidskracht, in de algemene organisatie der loonvorming niet een belemmering ontmoet bij het voldoen aan zijn recht op vorming van een gezin naar de wetten der natuur en aan zijn plicht tot onderhoud van het aldus door hem gevormde gezin. Maar niet alleen uit het oogpunt van de levensrechten en de levensplichten van het individu vordert het gemene welzijn dat bij de loonbepaling met de kinderzegen wordt rekening gehouden, evenzeer stelt het algemeen belang hier zijn eisen uit de gezichtshoek der gemeenschap. Immers de gemeenschap is voor haar krachtig voortbestaan in het algemeen afhankelijk van de natuurlijke ordelijke ontplooiing van het gezinsleven, terwijl in het bijzonder de kinderrijke goedgeregelde gezinnen voor haar vooruitgang van de grootste waarde zijn. Ook om deze reden heeft de gemeenschap er belang hij dat de loonvorming niet zo geregeld is dat daardoor degenen die meer kinderen hebben dan het feitelijk gemiddelde getal, materieel zeer ten achter moeten staan bij hun met minder kinderen gezegende standgenoten.
     Tot zover de toelichting op het door Minister Romme bij de
"Hooge Raad van Arbeid" aanhangig gemaakte voorontwerp van wet houdende regelen inzake kinderbijslagverzekering.
     Bij de behandeling van dit voorontwerp in de
"Hooge Raad van Arbeid" kwam echter de vraag aan de orde of ook de zogenaamde rblz.|11 r.k.| kleine zelfstandigen in de kinderbijslagverzekering dienden te worden betrokken. Een belangrijke minderheid van de leden van de "Hooge Raad" verklaarde zich daarbij tegen de beperking van de kinderbijslag tot loonarbeiders. De tot deze minderheid behorende leden betoogden dat bij vele kleine zelfstandigen een dergelijke noodtoestand heerste dat ingrijpen van de overheid niet achterwege kon blijven. Ook de kleine zelfstandigen behoorden naar hun mening tot de groep der maatschappelijk zwakken. Zij waren van oordeel dat het onjuist is de rechtsgrond voor een verplichte sociale verzekering en ook voor een kinderbijslagverzekering te zoeken in de loondienstverhouding. Zij meenden dat bij de verdere ontwikkeling der sociale verzekering dit engere standpunt meer en meer was verlaten en een ontwikkeling had plaatsgevonden welke van het strenge arbeidscontractuele standpunt evolueerde naar een standpunt dat gekarakteriseerd kan worden als dat waarbij het in economische positie met een arbeider gelijkstaan beslissend wordt geacht voor het onder de sociale verzekering betrokken zijn. De rechtsgrond voor het treffen van sociale regelingen voor arbeiders zowel als voor kleine zelfstandigen zagen zij in het geringe maatschappelijke weerstandsvermogen van de hier bedoelde groepen. Deze redenering moest volgens hen consequent leiden bijvoorbeeld tot een uitbreiding van de kinderbijslagverzekering tot kleine zelfstandigen, alhoewel men oog had voor de praktische moeilijkheden welke aan de invoering van een zodanige verzekering, met name aan de invordering der premie, verbonden zouden zijn.
     De meerderheid van de
"Hooge Raad van Arbeid" was evenwel na zorgvuldige overweging van het voor en tegen van oordeel dat de groep der kleine zelfstandigen niet onder de verplichte kinderbijslagverzekering diende te worden gebracht. De tot deze meerderheid behorende leden grondden hun oordeel op de overweging dat de rechtsgrond in het voorontwerp was een rechtvaardiger verdeling van het loon, een rechtsgrond welke nu eenmaal niet aanwezig was ten aanzien van de kleine zelfstandigen. Voorts overwogen zij dat, aangezien het voorontwerp voorzag in kinderbijslag van het derde kind af, slechts een beperkt aantal kleine zelfstandigen, namelijk alleen zij met drie of meer kinderen, profijt van een zodanige verzekering zou trekken. De grote meerderheid der kleine zelfstandigen zou echter wel premie moeten betalen, doch in wezen zou zij niet tegen een mogelijke eventualiteit verzekerd zijn. Men zag hierin niet anders dan een overhevelen van een deel van het inkomen van zelfstandigen met geen of minder dan drie kinderen naar de overige zelfstandigen.
     Naast deze bezwaren werden nog bedenkingen van praktische aard tegen het opnemen in deze verzekering van zelfstandigen aangevoerd. In de eerste plaats vreesde de meerderheid een vertraging in de totstandkoming als wet van het onderhavige voorontwerp en mogelijk zelfs een stranden daarvan. Voorts voorzag men grote moeilijkheden bij de begrenzing en de definiëring van het begrip
"kleine zelfstandige".
     Over de vraag of de werkgevers onder de kinderbijslagverzekering dienden te worden gebracht, staakten de stemmen.

     Overeenkomstig het advies van de "Hooge Raad van Arbeid" had het ontwerp Kinderbijslagwet, hetwelk op 13 december 1938 bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal werd ingediend, uitsluitend betrekking op de loontrekkenden. De toenmalige bewindsman van Sociale Zaken, Minister Romme, merkte in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer op dat bij hem in beginsel geen bezwaar bestond ook de kleine zelfstandigen in de verplichte sociale verzekering op te nemen, doch dat hij grote moeilijkheden verwachtte bij de praktische uitvoering, speciaal met betrekking tot registratie en premie-inning. Hij wees daarbij op de ongunstige ervaring die in het buitenland was opgedaan. Bij de openbare behandeling heeft de Minister dit standpunt nog eens onderstreept.
     Het wetsontwerp, dat ten slotte door de Tweede Kamer met 66 tegen 22 stemmen werd aanvaard, voorzag dan ook alleen in een kinderbijslagverzekering voor loonarbeiders. Kinderbijslag zou worden verstrekt aan de verzekerde arbeider wiens
rblz.|12 l.k.| gezin meer dan twee kinderen beneden de leeftijd van 15 jaar telde en te rekenen van het derde kind.
     De behandeling in de Eerste Kamer leverde geen nieuwe gezichtspunten op. Wel verklaarde Minister Van den Tempel, die de heer Romme inmiddels was opgevolgd, in de Eerste Kamer dat het inderdaad een bezwaar was dat belangrijke groepen grote gezinnen door de voorgestelde kinderbijslagverzekering niet werden geholpen. Het probleem van de sociale zorg voor de kleine zelfstandigen, ambachtsmensen, kleine boeren en tuinders, een heel brede groep der bevolking, hield de Regering sterk bezig, zo betoogde deze bewindsman.
     Hij wees in dit verband op het voornemen der Regering om een staatscommissie in te stellen die de inschakeling van de middenstand in de sociale verzekering zou bestuderen en dienaangaande voorstellen aan de Regering zou doen.
     De instelling van deze commissie - de
"Staatscommissie inzake uitbreiding der verplichte sociale verzekering tot kleine zelfstandigen", naar haar voorzitter mr. dr. J. van Bruggen kortweg genoemd de "staatscommissie-Van Bruggen" - vond plaats bij Koninklijk besluit van 1 april 1940.
     Deze staatscommissie, welke rapport uitbracht op 30 september 1942, sprak zich met de grootst mogelijke meerderheid uit voor de wenselijkheid van een regeling inzake sociale verzekering voor zelfstandigen. Zij kwam tot de conclusie dat er inderdaad voor de overheid een eigen rechtsgrond aanwezig is om tot opneming van de kleine zelfstandigen in de verplichte sociale verzekering over te gaan. Deze rechtsgrond was naar het oordeel van de commissie hierin gelegen dat de kleine zelfstandigen behoren tot de groep der economisch zwakkeren. Afdoende verzorging hunner financiële behoeften, onder andere bij eigen kinderzegen, is derhalve in het algemeen belang geboden; deze verzorging is, aangezien het particulier initiatief en de overheidssteun tekortschoten, op goede en gewenste wijze slechts bereikbaar door een verplichte sociale verzekering tegen die behoeften van dit deel dier groep.
     De commissie gaf in haar rapport de voorkeur aan de methode der rechtstreekse premiebetaling door de zelfstandigen. De aangewezen weg om afwenteling van de lasten verbonden aan de sociale verzekering der zelfstandigen te verkrijgen, moet bij het stelsel van rechtstreekse premiebetaling worden gezocht in het doorberekenen van de meerkosten in de prijzen van goederen en diensten. Onder deze omstandigheden zou naar de mening van de commissie een rechtstreekse premieheffing bij de zelfstandigen uit sociaal oogpunt geen overwegend bezwaar behoeven op te leveren.

     Vervolgens heeft de "Londense commissie-Van Rhijn", ingesteld bij beschikking van de Minister van Sociale Zaken van 26 maart 1943, met de opdracht algemene richtlijnen vast te stellen voor de toekomstige ontwikkeling der sociale verzekering in Nederland, zich met het vraagstuk van de kinderbijslag voor zelfstandigen beziggehouden. Haar opvatting was dat het hedendaagse rechtsbewustzijn verlangt dat in het vervolg de gehele bevolking in het socialeverzekeringsstelsel wordt betrokken, welke opvatting ook voor de kinderbijslag diende te gelden.

     Ook de "Gemengde Commissie inzake de Herziening van de Sociale Verzekering", waarin enerzijds zitting hadden vertegenwoordigers van de Stichting van den Arbeid en anderzijds vertegenwoordigers van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid, heeft in haar rapport van 14 maart 1948 de onderhavige materie behandeld. Zij kwam tot de conclusie - overigens daargelaten de vraag of het verstrekken van kinderbijslag wel door middel van een verzekering diende te geschieden - dat ook de zelfstandigen in het genot van de uitkeringen krachtens de kinderbijslagverzekering moeten worden gesteld. Alhoewel de "Gemengde Commissie" in meerderheid van oordeel was dat er bij de sociale verzekering in het algemeen een loon- of inkomensgrens gesteld zou moeten worden boven welke men buiten de verzekering valt, was de kleinst mogelijke meerderheid van de commissie onder meer ten rblz.|12 r.k.| aanzien van de kinderbijslagverzekering van mening dat de aard dezer voorziening zich tegen een loon- of inkomensgrens verzet. Hiermede sprak de commissie zich - evenals trouwens de "Londense commissis-Van Rhijn" - uit voor een kinderbijslagregeling voor zelfstandigen in het algemeen en niet - zoals de "commissie-Van Bruggen" deed - voor een kinderbijslagverzekering voor kleine zelfstandigen.
     De
"Gemengde Commissie" heeft zich ook beziggehouden met het vraagstuk van de premiebetaling door de zelfstandigen. De commissie merkte op dat het vraagstuk van de premiebetaling voor de sociale verzekering ten aanzien van de zelfstandigen moeilijker ligt dan ten aanzien van de loonarbeiders. Hier is geen werkgever die de premie betaalt of het door de verzekerde verschuldigde deel der premie van diens loon of inkomen afhoudt. Ten aanzien van deze groepen van verzekerden zal de premiebetaling vooral met betrekking tot verzekerden met zeer lage inkomens ernstige moeilijkheden kunnen geven, met als gevolg dat de premie niet of zeer onregelmatig binnenkomt en de inning daarvan hoge kosten van administratie en controle met zich brengt. De commissie meende dat een stimulans tot premiebetaling gevonden zou moeten worden in het afhankelijk stellen van de prestaties der verzekering van de gedane betalingen. Ook achtte de commissie het de overweging waard eventuele premieachterstand op de uitkeringen te verhalen. Voorts zou naar de mening der commissie de mogelijkheid moeten worden geschapen van ontheffing of vermindering van premiebetaling voor die zelfstandigen wier inkomen zo laag is dat zij niet in staat zijn de premie op te brengen. Daarbij zou nader moeten worden bezien of in dergelijke gevallen de aanspraak op uitkering al dan niet kon blijven gehandhaafd. Overigens stelde de commissie zich op het standpunt dat de lasten der verzekering voor zelfstandigen in beginsel geheel voor rekening van de betrokkenen dienen te komen. Voor de vaststelling der premie zouden de zelfstandigen in verband met de wisselende en moeilijk te bepalen inkomsten welke zij genieten, ingedeeld kunnen worden in inkomensklassen, welke indeling de laatst bekende gegevens van de inkomstenbelasting zou kunnen volgen.
     Ook zou ten aanzien van de zelfstandigen de methode gevolgd kunnen worden om aan hen een fictief inkomen toe te kennen. Dit fictieve inkomen zou volgens de commissie gesteld kunnen worden op bijvoorbeeld het loon van een volslagen arbeider in het bedrijf of beroep van de betrokkene en bij het ontbreken van zulk een arbeider op het loon van een volslagen arbeider in een verwant bedrijf of beroep. Aan de betrokkene zou dan dienen te worden toegestaan tegen zulk een indeling of toekenning bezwaar te maken door hem in de gelegenheid te stellen aan te tonen dat zijn werkelijke inkomen anders is. In zulke gevallen zou de indeling kunnen geschieden aan de hand van het werkelijke inkomen.

     Werden de hiervoor weergegeven beschouwingen geleverd met het oog op de herziening van de sociale verzekering in het algemeen, bij de algemene beraadslagingen over de Rijksbegroting voor het dienstjaar 1948 in de Tweede Kamer der Staten-Generaal werd van gedachten gewisseld over de wenselijkheid om op korte termijn tot een kinderbijslagverzekering voor zelfstandigen te geraken. Uit deze gedachtenwisseling bleek dat een nadere studie van het vraagstuk vereist was.

     Intussen was ook van andere zijde studie van het onderwerpelijke vraagstuk gemaakt. De ondergetekenden denken hierbij aan het rapport van de "commissie-Michielsen" van het Centrum voor Staatkundige Vorming der Katholieke Volkspartij, uitgebracht op 5 april 1948, hetwelk bestond uit een "Proeve van een ontwerp van wet tot het verlenen van kinderbijslag aan zelfstandigen", welke proeve de ondergetekenden een constructieve bijdrage achten voor de oplossing van het vraagstuk van de kinderbijslagverzekering voor zelfstandigen.

     De hiervoor gememoreerde gedachtenwisseling bij de algemene beraadslagingen over de Rijksbegroting voor het dienstjaar 1948 in de Tweede Kamer leidde tot de instelling van een rblz.|13 l.k.| commissie bestaande uit vertegenwoordigers van de Stichting van den Arbeid, van middenstands- en landbouworganisaties en van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid, onder voorzitterschap van de eerste ondergetekende. Aan deze commissie werd verzocht het vraagstuk van de kinderbijslag voor zelfstandigen te bestuderen en hieromtrent op korte termijn rapport uit te brengen. Deze commissie werd op 15 april 1948 geïnstalleerd en bracht op 19 november daaraanvolgend een interim-rapport uit.
     Blijkens dit interim-rapport beschouwden vele leden van deze commissie een kinderbijslagregeling voor zelfstandigen niet als de eerst nodige voorziening voor deze groepering. Zij waren van oordeel dat de inkomsten van de zelfstandigen uit het bedrijf of beroep dusdanig dienen te zijn dat zij daaruit hun gezinnen op behoorlijke wijze kunnen onderhouden. Zij beschouwden een kinderbijslagregeling voor zelfstandigen als strijdig met de maatschappelijke functie van de ondernemer.
     Andere leden waren daarentegen van oordeel dat zeer zeker van een grote nood in de gezinnen van kleine zelfstandigen kon worden gesproken. Zij achtten het sociaal gezien niet rechtvaardig dat de zelfstandigen met kinderen, uit een oogpunt van concurrentie met zelfstandigen die niet gehuwd zijn of wier gezinnen geen of weinig kinderen tellen, in deze ongunstige positie zouden worden gelaten.
     Weer andere leden waren van mening dat van nood in de gezinnen van zelfstandigen in het algemeen genomen niet kon worden gesproken.
     Ook over de financiering liepen de meningen in deze commissie zeer uiteen. Een aantal leden gaf de voorkeur aan een regeling op verzekeringsbasis. Andere leden stonden een uitkering van staatswege voor. Nog weer andere leden wensten de benodigde gelden te zien opgebracht door middel van een bestemmingsheffing.
     Het bleek voor deze commissie uiteindelijk niet mogelijk een keuze te doen uit de zo zeer en op vrijwel alle voorname punten uiteenlopende meningen. Zij vroeg in verband hiermede aan de Regering nadere richtlijnen te verstrekken over de richting waarin een oplossing zou moeten worden gezocht.
     Bij het beraad over deze vraag kwam de Regering tot de aanvankelijke conclusie dat de oplossing van het vraagstuk van de kinderbijslag voor zelfstandigen gevonden zou moeten worden langs de weg van vrijwillige bedrijfsgewijze regelingen welke krachtens een wettelijke voorziening voor alle bedrijfsgenoten verbindend zouden kunnen worden verklaard.
     Uit het overleg hetwelk over deze gedachte werd gevoerd met verschillende middenstands-, landbouw- en tuinbouworganisaties bleek dat de bedoelde organisaties niet met de voorlopige plannen van de Regering konden instemmen, ook al niet in verband met de mogelijke ongelijke verdeling van de uit een kinderbijslagverzekering voor zelfstandigen voortspruitende lasten voor de verschillende bedrijfstakken.

     Aangezien de Regering van mening was dat de nood onder de kleine zelfstandigen met kinderrijke gezinnen niet gedoogde dat nog langer met de totstandkoming van een kinderbijslagvoorziening voor hen werd gewacht, heeft zij op 9 mei 1950 de indiening bevorderd van een noodregeling kinderbijslag kleine zelfstandigen, vooruitlopende op een definitieve regeling ter zake. Krachtens de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen (Wet van 14 juni 1951, Stb. 1951, 212) wordt aan de kleine zelfstandigen wier inkomen ligt beneden de bij de wet aangegeven grenzen, welke met het kindertal oplopen, kinderbijslag verstrekt ten laste van het Rijk. De hier bedoelde kinderbijslag is beperkt wat betreft de hoogte der bedragen en het aantal kinderen waarvoor de kinderbijslag wordt verstrekt.
     Van verschillende zijden is zowel vóór als na de totstandkoming van deze wet [lees: die wet, red.] gewezen op haar beperkte strekking en het weinig bevredigende van de regeling welke zij inhoudt. De ondergetekenden mogen er evenwel op wijzen dat de beperkte strekking van de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen verband houdt met haar karakter van een uit de schatkist gefinancierde noodregeling, waarbij in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met het behoefte-element.
    
rblz.|13 r.k.| Reeds bij de indiening van de noodregeling heeft de Regering zich bereid verklaard de indiening van een meer bevredigende regeling te bevorderen, welke regeling evenwel gebaseerd zou moeten worden op premiebetaling door de zelfstandigen.
     Gevolg gevend aan de toezegging een definitieve kinderbijslagvoorziening voor zelfstandigen te zullen bevorderen, werd een desbetreffend voorontwerp van wet "Kinderbijslagverzekering voor zelfstandigen" met een bijbehorende ontwerp-memorie van toelichting op 9 april 1952 aan de Sociaal-Economische Raad ter fine van advies aangeboden.
     In dit voorontwerp van wet werd ervan uitgegaan - zulks in overeenstemming overigens met de uitspraak van de Regering ter gelegenheid van de indiening en behandeling van het wetsontwerp
"Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen" - dat de rechtsgrond voor een definitieve kinderbijslagverzekering voor zelfstandigen dezelfde was als die welke gold met betrekking tot de kinderbijslagverzekering voor loontrekkenden. Zoals het loon van de arbeider voldoende dient te zijn voor het onderhoud van een gezin van feitelijk gemiddelde grootte, dat wil zeggen man, vrouw en twee kinderen, zo dient het inkomen van de zelfstandige minstens zodanig te zijn dat hij daaruit het onderhoud van een gezin van de gemiddelde omvang kan bekostigen. Voor zover de gezinsgrootte de feitelijk gemiddelde omvang overtreft, is er aanleiding voor een kinderbijslagvoorziening welke in beginsel dient te worden gedragen door de gezamenlijke zelfstandigen, aldus de memorie van toelichting. Het gaat om het tot stand brengen van een billijker verdeling van het gezamenlijke inkomen van alle zelfstandigen langs de weg ener verplichte verzekering.
     Het voorontwerp betrof natuurlijke personen die in Nederland hun woonplaats hebben en die anders dan krachtens arbeidsovereenkomst hier te lande een bedrijf of beroep uitoefenen. Het voorontwerp voorzag in een uitvoering door bedrijfsverenigingen, zodat de zelfstandigen zich bij een bedrijfsvereniging dienden aan te sluiten.

     Voordat de Sociaal-Economische Raad zijn advies met betrekking tot het onderhavige probleem aan de Regering aanbood, was in april 1953 verschenen het rapport van de naar haar voorzitter, prof. mr. W.C.L. van der Grinten, genoemde "commissie-Van der Grinten", welke was ingesteld door het Centrum voor Staatkundige Vorming. Dit rapport droeg als opschrift "Sociale Voorzieningen voor Zelfstandigen".
     Deze commissie kwam bij haar onderzoekingen tot de conclusie dat van een economische noodzaak ener verplichte kinderbijslagverzekering voor zelfstandigen in het algemeen of van een grote belangstelling voor deze gedachte onder hen waaruit een zich vormend rechtsbewustzijn in dit opzicht zou kunnen blijken, niet veel te constateren viel. Wel kon voor de lagere inkomensgroep althans de economische redelijkheid van een kinderbijslagverzekering worden aanvaard. Wat dit laatste betreft, ging de commissie ervan uit dat de voor eigen welzijn en eventueel voor het welzijn van zijn gezin verantwoordelijke mens in omstandigheden kan komen te verkeren waardoor het hem geheel of gedeeltelijk onmogelijk is door inspanning van zijn persoonlijke krachten aan de eisen dezer zelfverantwoordelijkheid te voldoen. In dat geval, aldus de commissie in haar verdere conclusie, is het redelijk dat de gemeenschap hem te hulp komt.
     Het antwoord van deze commissie op de vraag of het wenselijk is voor zelfstandigen een kinderbijslagregeling te treffen, luidt dan ook bevestigend. De commissie zou echter niet iedere zelfstandige in aanmerking willen doen komen voor kinderbijslag, doch slechts diegenen onder hen die qua inkomenspositie gelijk kunnen worden gesteld met de groep van handarbeiders. Met een beroep op het beginsel der zelfverantwoordelijkheid en het afwijzen van dat der gemeenschapsverantwoordelijkheid voor deze zelfstandigen zou men hen ten onrechte van kinderbijslag verstoken laten. Ten aanzien van de niet onbelangrijk in aantal zijnde zelfstandigen die niet meer verdienen dan de arbeider gemiddeld verdient, zou de commissie het beginsel der gemeenschapsverantwoordelijkheid tot gelding willen
rblz.|14 l.k.| brengen. Gezien het vorenstaande was het begrijpelijk dat deze commissie inkomensgrenzen voorstond. Deze inkomensgrenzen zouden moeten worden afgestemd op de gezinsgrootte en het gemiddeld handarbeidersinkomen.
     Naar de mening van deze commissie is kinderbijslag slechts op zijn plaats indien het feitelijk gemiddelde van de gezinsgrootte wordt overschreden. Zij meende dan ook dat kinderbijslag zou moeten worden verleend van het derde kind af. Overigens vloeide uit één en ander voort dat de kinderbijslag (van het derde kind af) gelijk diende te zijn aan de kinderbijslag voor derde en volgende kinderen van de loontrekkenden.

     Op 14 mei 1954 verscheen het op 9 april 1952 aan de Sociaal-Economische Raad gevraagde advies inzake het voorontwerp van wet "Kinderbijslagverzekering voor Zelfstandigen".
     De Sociaal-Economische Raad stond om verschillende redenen afwijzend tegenover het voorontwerp, hetwelk uitsluitend zelfstandigen met inkomens uit bedrijf of beroep omvatte. De Raad heeft zich, zij het dan ook met een geringe meerderheid, op het standpunt gesteld dat er een wettelijke kinderbijslagverzekering diende te komen welke niet alleen alle zelfstandigen zou moeten omvatten, doch mede alle overige niet-loontrekkenden, met andere woorden iedereen die niet reeds op grond van een loondienstverhouding kinderbijslag ontvangt. Een zeer aanzienlijke minderheid echter kon zich met de gedachte van een kinderbijslagverzekering voor alle niet-loontrekkenden niet verenigen. Eensdeels wenste deze minderheid een verplichte verzekering alleen voor de lagere inkomensklassen, anderdeels stond men afwijzend tegenover elke vorm van kinderbijslagverzekering ten behoeve van alle niet-loontrekkenden, enkele groeperingen mogelijk uitgezonderd.
     De Sociaal-Economische Raad heeft zich ook beziggehouden met de vraag of de door de meerderheid wenselijk geachte voorziening ten behoeve van alle niet-loontrekkenden zou moeten worden getroffen in de vorm van een afzonderlijke, dus naast de huidige Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden) staande, regeling, dan wel of de gedachte om alle niet-loontrekkenden voor kinderbijslag in aanmerking te doen komen, zou moeten worden verwezenlijkt in één algemene, het gehele Nederlandse volk omvattende, kinderbijslagverzekering. Ook op dit punt bestonden belangrijke meningsverschillen. Een kleine meerderheid sprak zich uit voor een afzonderlijke regeling, terwijl een aanzienlijke minderheid een algemene voorziening wenste.
     De Sociaal-Economische Raad was eenstemmig in zijn conclusie omtrent de wijze waarop de middelen om kinderbijslag aan alle niet-loontrekkenden uit te keren, zullen moeten worden verkregen. Naar het oordeel van de Raad zullen in het algemeen de rechthebbenden als collectiviteit de benodigde middelen dienen op te brengen. De premieheffing en -inning dienden te worden gecombineerd met die ingevolge de toekomstige wettelijke ouderdomsverzekering.
     Unaniem was de Raad van oordeel dat de uitkering van kinderbijslag diende plaats te vinden van het derde kind af en dat deze uitkeringen gelijk zouden moeten zijn aan de kinderbijslagen voor derde en volgende kinderen van de loontrekkenden.
     Op grond van praktische en psychologische overwegingen sprak de Raad als zijn mening uit dat de kinderbijslagverzekering voor de niet-loontrekkenden tegelijk met de toekomstige wettelijke ouderdomsverzekering diende te worden ingevoerd. Onder de bij het uitbrengen van het advies geldende omstandigheden achtte de Sociaal-Economische Raad de sociaal- en privaat-economische repercussies van invoering ener kinderbijslagverzekering voor alle niet-loontrekkenden tegelijk met de invoering der wettelijke ouderdomsvoorziening aanvaardbaar.
     Voor wat betreft de wijze van uitkering stond de Raad op het standpunt dat ook op dit punt aansluiting diende te worden gezocht bij het systeem zoals dit in het advies inzake de wettelijke ouderdomsvoorziening is aanvaard. In het stelsel van de uitvoering dezer verzekering zag de Raad geen ruimte voor bedrijfstaksgewijze uitvoering, maar achtte hij een
rblz.|14 r.k.| centraal uitvoeringsorgaan met, waar mogelijk, territoriale vertakkingen noodzakelijk.

 

2. De rechtsgrond


     Bij de totstandkoming van de Kinderbijslagwet werd door de toenmalige Minister van Sociale Zaken, Minister Romme, als rechtsgrond aangegeven dat het wenselijk is een grondslag te leggen voor een meer rechtvaardige verdeling van het totale bedrag dat wordt verloond, door met name verplicht te stellen - en dat langs de weg ener verzekering - dat hij de loonbetaling van hen wier gezin de feitelijk gemiddelde omvang overtreft, met de daarmede samenhangende grotere lasten zou rekening worden gehouden. Hij ging daarbij uit van de omstandigheid dat de feitelijke loonbepaling voor het grootste deel der loontrekkenden geen rekening hield met de verschillen in de omvang van het gezin, hetwelk voor het levensonderhoud op het loon van de kostwinner is aangewezen. Zoals het loon dus werd bepaald, moest het geacht worden berekend te zijn op de bestaansmogelijkheid van een gezin van gemiddelde grootte.
     Met betrekking tot de vraag in hoeverre er een rechtsgrond viel aan te geven voor een kinderbijslagvoorziening voor zelfstandigen, merkte vorenbedoelde Minister bij de openbare behandeling van het ontwerp van wet op dat hij ten aanzien van de kinderbijslag geen wezenlijk onderscheid zag tussen de zelfstandigen en de loontrekkenden.
     Uiteraard onderkende hij het verschil tussen het vraagstuk van de rechtvaardige prijs en het vraagstuk van het rechtvaardige loon, maar ten aanzien van het verlenen van kinderbijslag, waarbij het gaat om het algemene vraagstuk van de beloning van de menselijke arbeidskracht, zag de Minister in dit opzicht tussen de zelfstandigen en de loontrekkenden geen wezenlijk verschil. De bedoelde bewindsman achtte dus wel een rechtsgrond aanwezig voor de kinderbijslag ten behoeve van zelfstandigen, doch liet de bevordering van een wetsvoorstel tot het verlenen van zodanige kinderbijslag achterwege omdat hij praktische moeilijkheden vreesde.
     Van deze opvatting omtrent de rechtsgrond voor een kinderbijslagverzekering gelijkelijk geldend zowel voor loontrekkenden als voor zelfstandigen, getuigen in het advies van de Sociaal-Economische Raad van 14 mei 1954 inzake de kinderbijslagverzekering voor zelfstandigen ook die leden van deze Raad die stellen dat naar hun overtuiging de grond voor het verkrijgen van kinderbijslag gelegen is in het verrichten van maatschappelijke arbeid. Zij stellen daarbij voorop het beginsel dat het natuurlijk recht tot vorming van een gezin door de wijze van beloning voor het verrichten van maatschappelijke arbeid niet mag worden belemmerd. Aangezien bij de inkomensvorming - aldus deze leden - met de omvang van het gezin niet voldoende rekening gehouden kan worden, dient, voor zover hierdoor aan dit beginsel tekort zou worden gedaan, een correctie op de inkomensverdeling te worden toegepast. Zij achten het derhalve een zaak van sociale rechtvaardigheid dat behalve ten behoeve van de loontrekkenden, ook een wettelijke kinderbijslagvoorziening voor zelfstandigen en alle overige personen die maatschappelijke arbeid verrichten tot stand wordt gebracht.
     In voornoemd advies van de Sociaal-Economische Raad wordt door andere leden het vraagstuk van de kinderbijslagvoorziening van een andere zijde benaderd. Deze leden brengen het gezichtspunt naar voren dat, hoewel de gezinsvorming een aangelegenheid is waarvoor de ouders onmiddellijk verantwoordelijkheid dragen, hieraan niettemin aspecten verbonden zijn welke ook de gemeenschap raken, met name voor wat betreft het waarborgen van de minimum materiële voorwaarden voor de opvoeding der kinderen. Deze leden wijzen hierbij op de situatie zoals deze ligt op het terrein van het onderwijs. Hier is een leerplicht voorgeschreven waarbij de gemeenschap te hulp komt indien het gezinshoofd niet over voldoende middelen beschikt om het kind onderwijs te doen verstrekken. Uit deze zienswijze - aldus deze leden - vloeit
rblz.|15 l.k.| voort een indirecte verantwoordelijkheid van de gemeenschap ten aanzien van de gezinskosten. De gemeenschap dient een deel van de kosten verbonden aan de opvoeding der kinderen op zich te nemen.
     Een volledige vergoeding van de kosten door de gemeenschap vindt bij de hier aan het woord zijnde leden geen verdediging, omdat hierdoor naar het algemeen gevoelen tekort zou worden gedaan aan de persoonlijke verantwoordelijkheid der ouders.
     Zoals uit het vorenstaande blijkt, voeren de beide hier aan het woord zijnde groepen leden van de Sociaal-Economische Raad een verschillende rechtsgrond voor een kinderbijslagvoorziening aan. Niettemin komen beide groepen - tezamen de meerderheid uitmakende van de Sociaal-Economische Raad - tot de conclusie dat naar hun oordeel de te treffen kinderbijslagvoorziening algemeen dient te zijn en derhalve ook alle niet-loontrekkenden dient te omvatten.

     Ten aanzien van dit onderwerp veroorloven de ondergetekenden zich nog het volgende op te merken.
     Meer dan bij verschillende andere regelingen op het terrein der sociale verzekering heeft bij de kinderbijslagregeling de vraag naar de rechtsgrond van ouds een grote rol gespeeld.
     Vastgesteld kan worden - en althans daarover lijkt verschil van mening uitgesloten - dat bij de bepaling van de loonhoogte thans vrijwel nergens meer rekening gehouden wordt, noch kan worden gehouden, met de gezinsgrootte van de loontrekkende. In de periode waarin de loonbepaling niet collectief doch individueel geschiedde, moge dan al in min of meer patriarchale verhoudingen het individuele behoefte-element een zekere rol bij de loonbepaling gespeeld hebben, daarvan is sinds lang geen sprake meer. Bij de collectieve loonvorming zouden bepalingen welke dwingend voorschrijven rekening te houden met de gezinsgrootte het gevaar oproepen van een voorkeur voor tewerkstelling van ongehuwden en kinderlozen. Zelfs wanneer de loonvaststelling voor een gehele bedrijfstak collectief geschiedt, is dit gevaar nimmer geheel uit te sluiten. Dit zal dan ook wel de reden zijn dat bedrijfstaksgewijze kinderbijslagregelingen vóór de totstandkoming van de wettelijke kinderbijslagregeling betrekkelijk weinig voorkwamen.
     Wat voor het looninkomen der arbeiders geldt, geldt a fortiori voor het inkomen van de zelfstandigen. Veelal wordt dit inkomen uitsluitend bepaald door marktfactoren. Dikwijls leiden deze (marktfactoren), met name voor de kleine zelfstandige, tot een te laag inkomen. Als oorzaken daarvan moeten onder andere worden genoemd: het gebrek aan bedrijfskapitaal, waardoor onder andere een onvoldoende technische outillage en een geringere sortering ontstaat; onvoldoende hulp, waardoor de administratie gebrekkig is; een felle onderlinge concurrentie om nog het hoofd boven water te kunnen houden; te vele vestigingen in bepaalde bedrijven met name in perioden van grote werkloosheid wanneer werkloze arbeiders, hoewel onvoldoende deskundig, een zaakje beginnen. Intussen zijn niet altijd uitsluitend marktfactoren beslissend voor het inkomen der zelfstandigen. Men denke in dit verband aan maatregelen tot huur- en pachtbeheersing, tot het laag houden der rente, tot het garanderen van bepaalde prijzen als in de landbouw e.d. Maar daarbij speelt in elk geval de gezinsgrootte bij de bepaling van het inkomen der verschillende categorieën van zelfstandigen in het geheel geen rol. In het algemeen kan men dus wel zeggen dat de hoogte van het inkomen, uit welke bron dit ook vloeit, geen verband houdt met de grootte van het gezin, dat is met één van de belangrijkste determinanten van de behoeften. Onder deze omstandigheden kan aldus de inkomensvorming een ernstige belemmering en soms zelfs een wezenlijk beletsel voor de gezinsvorming gaan betekenen. Een situatie die zowel uit een oogpunt van een gezonde samenleving als uit een oogpunt van de zelfontplooiing van het individu hoogst bedenkelijk wezen zou.
     Nu is het wel nodig hier scherp te onderscheiden. Er wordt wel gesteld dat inkomensvorming, onafhankelijk van de gezinsgrootte, altijd een belemmering voor de gezinsvorming zijn zou en daarom correctie zou behoeven. Dit kunnen de
rblz.|15 r.k.| ondergetekenden niet zonder meer aanvaarden. Wel zal ook iemand met een ruim inkomen bij een meer dan gemiddelde kinderzegen zich financieel iets minder gemakkelijk kunnen bewegen dan iemand met een even ruim inkomen zonder of met slechts één of twee kinderen, doch hier kan in redelijkheid niet van een wezenlijk beletsel, en zelfs niet van een ernstige belemmering, van de gezinsvorming worden gesproken. Het hebben van een gezin, ook van een groot gezin, is een voorrecht dat met de opoffering van een stuk materiële welstand zeker niet te duur is gekocht. Het zou wel van een zeer materialistische opvatting van het leven getuigen wanneer men zou willen stellen dat er nimmer van zulke offers sprake zou mogen zijn terwille van het hebben van (veel) kinderen. Pas wanneer de niet met de gezinsgrootte rekening houdende inkomensvorming een ernstige belemmering en soms zelfs een werkelijk beletsel voor de gezinsvorming gaat betekenen, is het nodig dat de overheid een voorziening treft.
     Van zulk een situatie is sprake wanneer het inkomen niet meer toereikend is om in het redelijk minimale levensonderhoud van een gezin met kinderen te voorzien. Waar deze grens ligt, is niet voor alle tijden en alle omstandigheden in een geldsbedrag uit te drukken. Dit bedrag zal stijgen met de groei van de mogelijkheden tot behoeftebevrediging, dat is met de algemene welstand. In deze gedachtengang is ook plaats voor een extra maatregel ingeval één of meer van de kinderen studeren.
     Een kinderbijslagregeling welke op de hierboven ontwikkelde gedachten is gebaseerd, is in het belang van het kind en in het belang van de maatschappij. Het is in het belang van het kind wanneer een financiële voorziening wordt bevorderd die een betere opvoeding en een betere opleiding mogelijk maakt. Daarmede is de ontplooiing van de persoonlijkheid van de jeugdige mens gediend. Er wordt mede meer gelijkheid van kansen door bereikt, daar financiële barrières die aan levenskansen in de weg staan lager worden. Aangevuld met maatregelen op belastinggebied, schoolgeldheffing en dergelijke, kan zo een toestand worden verkregen waarin geen mensenkind door materiële nood belet zou worden zijn gaven tot ontplooiing te brengen. Dat hierdoor geen
"gelijkheid" wordt bereikt en evenmin nagestreefd, is zo vanzelfsprekend dat het geen nader betoog behoeft.
     Een kinderbijslagregeling als boven aangegeven, is niet alleen in het belang van het kind, maar ook in het belang van de maatschappij.
     Een grotere gelijkheid van ontplooiingskansen is immers in de huidige wereldverhoudingen een zaak van maatschappelijke noodzakelijkheid. Nederland kan zich in de huidige verhoudingen het niet tot volle ontplooiing komen van potentieel intellect en van potentiële bekwaamheid niet meer veroorloven. De harde strijd om het bestaan welke ons groeiend volk, samengeperst op een zeer klein grondgebied, in de toekomst zal hebben te voeren, noopt ons tot het mobiliseren van alle kennis, kundigheid en vaardigheid welke wij bij mogelijkheid tot ontwikkeling kunnen brengen.

     Pleiten dus zowel het verlangen om de inkomensvorming geen werkelijk ernstige belemmering voor de gezinsvorming te doen zijn als het streven naar meer gelijkheid van levenskansen als de noodzaak om geen potentieel intellect verloren te laten gaan voor een kinderbijslagregeling welke een redelijk minimaal levensonderhoud ook voor het grote gezin mogelijk maakt, de gedachte dat de ouders in eerste instantie voor de vorming van een gezin de verantwoordelijkheid behoren te dragen, leidt eveneens tot beperking van de kinderbijslag tot een peil waarmede een redelijk minimaal levensonderhoud is gedekt. Er is wel voor gepleit - en de huidige kinderbijslagregeling voor loontrekkenden verwezenlijkt deze gedachte in sterke mate - om het basisinkomen vermeerderd met de kinderbijslag steeds minstens een zeker percentage (75%) te doen zijn van het basisinkomen vermeerderd met de "additionele kosten per kind". Nu is het ongetwijfeld juist dat bij stijging van het basisinkomen ook de "additionele kosten" per kind een zekere toeneming zullen vertonen. Bij een inkomen rblz.|16 l.k.| boven een zekere grens is echter dan ook in deze "additionele kosten" een bedrag voor niet-essentiële uitgaven aanwezig, terwijl anderzijds de ouders door zich in de niet-essentiële uitgaven voor zich zelf en voor het gezin in zijn geheel wat te beperken, de stijgende "additionele kosten" van het kind kunnen en behoren op te vangen. Aldus wordt, naarmate het basisinkomen zulks mogelijk maakt, de mogelijkheid groter om de verantwoordelijkheid voor de gezinsvorming zelfstandig te dragen.
     Aangezien bevolkingspolitieke overwegingen niet tot een systeem nopen dat een zekere aanmoediging van de bevolkingsgroei tracht te creëren, zou men op grond van bovenstaande overwegingen de vraag kunnen stellen of de kinderbijslagregeling niet moet worden beperkt tot gezinnen waarvan het gezinshoofd of de verzorger van de kinderen met zijn basisinkomen beneden een bepaalde grens blijft.
     Er zijn tal van overwegingen die de ondergetekenden hebben doen besluiten niet een kinderbijslagvoorziening voor te stellen welke slechts een uitkering zou toekennen aan gezinshoofden of verzorgers van gezinnen wier inkomen een bepaalde inkomensgrens niet te boven gaat.
     De kinderbijslagregeling welke reeds vóór de Tweede Wereldoorlog in Nederland tot stand kwam, was gegoten in de vorm van een verzekering. Er zijn goede redenen om de kinderbijslagregeling in de vorm van een verzekering te verwezenlijken. Het duidelijke verband tussen lusten en lasten, het besef van verantwoordelijkheid dat daardoor bij de betrokkenen wordt aangekweekt, het vermijden van een verzwaring van de staatstaak en de staatsuitgaven, het zijn alle voordelen van de verzekering boven een voorziening uit de rijksmiddelen.
     Het verzekeringssysteem, eenmaal gekozen zijnde, heeft echter zijn consequenties. Zou men personen met een inkomen boven een zekere grens van de uitkering willen uitsluiten, dan kan men hen ook niet laten bijdragen in de premie. En zo brengt dus in de eerste plaats het feit dat reeds jarenlang een deel van onze bevolking een kinderbijslagregeling kent waarin geen inkomensgrens is opgenomen, alsook de voorkeur welke ondergetekenden hebben voor een kinderbijslagregeling bij wijze van verzekering, hen ertoe een regeling van de kinderbijslag bij wijze van volksverzekering voor te stellen waarin voor een inkomensgrens geen plaats is.
     Een tweede overweging welke de ondergetekenden tot dit voorstel heeft gebracht, is de volgende. Zou - met handhaving uiteraard van de bestaande regelingen voor de loontrekkenden - een kinderbijslagregeling getroffen worden waarvan de zelfstandigen wier inkomen een zekere grens overschrijdt, uitgesloten zouden zijn, dan zou uitsluitend, wat men wel genoemd heeft, een horizontale herverdeling van het inkomen van de verzekerde groep tot stand worden gebracht. Een stukje maatschappelijke solidariteit zou aldus uit de regeling vervallen. Voor degenen die beneden de inkomensgrens blijven, zou de te betalen premie wegens het onverzekerd blijven van de meer welgestelden hoger moeten zijn. De niet-verzekerden met een inkomen boven de inkomensgrens daarentegen zouden geen premie betalen. Inzonderheid in het bedrijfsleven zou dit tot ongewenste consequenties leiden. Immers de kinderbijslagpremie maakt deel uit van de bedrijfskosten. Zou de premiebetaling beperkt blijven tot zelfstandigen met een inkomen beneden een bepaalde grens, dan zouden de concurrentieverhoudingen voor deze groep van merendeels kleine zelfstandigen nadelig worden beïnvloed. Ook om die reden dient er dus de voorkeur aan te worden gegeven alle zelfstandigen in de kinderbijslagregeling te betrekken en daarvoor premie te laten betalen.
     De vaststelling en de inning van de premie is jarenlang het grote struikelblok geweest voor de invoering van een kinderbijslagregeling voor zelfstandigen. Bij de indiening van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden werd reeds erkend dat er geen andere dan technisch-administratieve redenen waren om de zelfstandigen buiten de regeling te houden. Vaststelling en inning van premies van zelfstandigen is - de beraadslagingen en studies rond de Algemene Ouderdomswet hebben het aangetoond - slechts mogelijk door de belastingdienst. Deze
rblz.|16 r.k.| vaststelling en inning zijn voor de belastingdienst zelfs een tamelijk eenvoudige zaak wanneer de bepalingen ter zake in de nieuwe kinderbijslagregeling geheel parallel lopen met die in de Algemene Ouderdomswet. Zou de belastingdienst echter met verschillende criteria voor Ouderdomswet en kinderbijslagregeling moeten gaan werken, dan komt deze dienst voor ernstige complicaties te staan. Met name geldt dit wanneer in de ene wet geen en in de andere wet wel een inkomensgrens zou zijn opgenomen waarboven de verzekeringsplicht niet geldt.
     Daar komt nog bij dat de belastingdienst, zo deze er al in zou slagen een regeling met een inkomensgrens, naast de Algemene Ouderdomswet, voor wat de premievaststelling en -inning betreft, tot uitvoering te brengen, ter vaststelling van de verzekeringsplicht van zelfstandigen slechts werken kan met de laatst beschikbare gegevens. Deze gegevens hebben altijd betrekking op de toestand van ten minste één jaar geleden. Bij de somtijds sterk wisselende inkomens van de (kleine) zelfstandigen zou dit betekenen dat verzekeringsplicht en dus recht op uitkering van kinderbijslag bestaat in een jaar waarin het inkomen (zelfs vrij aanzienlijk) boven de inkomensgrens kan zijn gestegen, maar ook omgekeerd, dat op grond van vroegere gegevens in een bepaald jaar tot het wegvallen van de verzekeringsplicht moet worden geconcludeerd juist dan wanneer de inkomsten uitzonderlijk laag en kinderbijslaguitkering dus alleszins gewenst zou zijn.
     Een verdere moeilijkheid is nog het vaststellen van een inkomensgrens waarboven geen verzekeringsplicht meer geldt. Een zekere willekeur valt namelijk daarbij niet te vermijden. Geldt dit reeds in het algemeen, het geldt nog veel sterker voor een regeling als de kinderbijslag. Op zijn allerminst zou men de inkomensgrens moeten laten variëren naargelang van het aantal kinderen dat een gezinshoofd heeft te verzorgen. In de huidige Noodregeling Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen komt deze gevarieerde inkomensgrens dan ook voor. De administratieve rompslomp en de mogelijkheden tot ontduiking en vergissingen door dit systeem veroorzaakt, zijn omvangrijk.
     In het bovenstaande zijn ook nog argumenten te vinden om de door ondergetekenden in de aanvang van dit hoofdstuk principieel verworpen progressie in de kinderbijslaguitkeringen naarmate het basisinkomen van gezinshoofd of verzorger groter is, praktisch onuitvoerbaar te noemen. Te dezer plaatse moge hieraan nog worden toegevoegd dat het toepassen van twee progressies (één naar het kindertal en één naar basisinkomen) ook een aanzienlijke verzwaring van de taak der uitvoerende organen en een niet onaanzienlijke stijging van de administratiekosten zou betekenen. Dit zal mede de reden zijn dat met uitzondering, voor zover bekend, van Frankrijk nergens ter wereld in de van overheidswege getroffen kinderbijslagregelingen progressie naar het basisinkomen wordt aangetroffen.
     Concluderende zien de ondergetekenden de rechtsgrond voor de door hen voorgestelde algemene kinderbijslagverzekering in de omstandigheid dat de inkomensvorming voor loontrekkenden en zelfstandigen met de gezinsgrootte geen rekening houdt en niet kan houden; dat dientengevolge de gezinsvorming voor de bevolkingsgroepen met lagere inkomens soms verhinderd of in elk geval ernstig belemmerd wordt; dat ook het streven naar een grotere gelijkheid van ontplooiingskansen een correctie op de inkomensverdeling noodzakelijk maakt en dat deze desiderata slechts op praktisch uitvoerbare wijze verwezenlijkt kunnen worden in een volkskinderbijslagverzekering.

 

3. De organisatie van de voorziening


3.1. Een algemene kinderbijslagregeling


     Uit de beschouwingen welke in het vorige hoofdstuk zijn gewijd aan het vraagstuk van de rechtsgrond blijkt dat er geen aanleiding is op principiële gronden een onderscheid te maken tussen loonarbeiders en niet-loontrekkenden. De ondergetekenden menen hierop de aandacht te moeten vestigen, rblz.|17 l.k.| omdat dit punt van belang is met betrekking tot het antwoord op de vraag op welke wijze een kinderbijslagvoorziening voor niet-loontrekkenden georganiseerd moet worden. De vraag is namelijk of er, nu reeds sinds 1941 de Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden) bestaat, een afzonderlijke kinderbijslagvoorziening in het leven moet worden geroepen voor de niet-loontrekkenden, dan wel of voor beide categorieën één algemene, de gehele bevolking omvattende, regeling tot stand moet komen.
     De ondergetekenden zijn van oordeel dat wanneer geen principiële redenen zijn aan te geven op grond waarvan twee afzonderlijke kinderbijslagregelingen naast elkaar zouden moeten bestaan, dit ten opzichte van het antwoord op de vraag welke organisatie voor de te treffen voorzieningen gekozen moet worden, in belangrijke mate bepalend is. Het ligt dan immers voor de hand, zulks met het oog op de eenvoud in de administratie en ter besparing van extra kosten, niet twee regelingen naast elkaar te doen bestaan, maar beide regelingen te doen opgaan in één, de gehele bevolking omvattende, kinderbijslagverzekering.
     In dit verband mogen de ondergetekenden melding maken van het advies van de Sociaal-Economische Raad, dat eveneens het vraagstuk van de organisatie naar voren heeft gebracht. Aan het advies van de Sociaal-Economische Raad moge op dit punt het volgende worden ontleend:
     "De regeling van een kinderbijslagvoorziening ten behoeve van niet-loontrekkenden kan men zich denken als een afzonderlijke regeling naast die ten behoeve van de loontrekkenden of als een regeling in het kader van een algemene, uniforme, voor alle burgers geldende voorziening. In het laatste geval zou uiteraard de kinderbijslagregeling voor loontrekkenden in deze algemene voorziening moeten worden ingebouwd.
     De Raad is van oordeel dat een afzonderlijke regeling ten behoeve van alle niet-loontrekkenden aanbeveling verdient. Hij acht deze ook technisch-administratief uitvoerbaar.
     De uitspraak van de Raad wordt gedragen door leden, die overigens ten aanzien van de vraag welke in het voorgaande hoofdstuk is behandeld (te weten de vraag of de te treffen voorziening alle niet-loontrekkenden dient te omvatten), een onderling afwijkend standpunt innemen. Uiteraard behoren daartoe de leden die een afwijzend standpunt innemen tegenover een voorziening voor alle niet-loontrekkenden, doch een beperkte voorziening voor zelfstandigen aanvaarden. Zij wensen deze dan in een afzonderlijke regeling te zien opgenomen. Maar ook onder degenen die voorstander zijn van een voorziening voor alle niet-loontrekkenden zijn er die de voorkeur geven aan een afzonderlijke regeling. Zij nemen daarbij in aanmerking dat in het kader van de loonpolitiek, zoals deze thans wordt gevoerd, het noodzakelijk, althans gewenst kan zijn om de grotere gezinnen der loontrekkenden tegemoet te komen door een verhoging van de kinderbijslagtarieven, zonder dat de daartoe strekkende motieven ook voor de niet-loontrekkenden gelden. Zulk een verschil in beleid met betrekking tot de loontrekkenden enerzijds en de niet-loontrekkenden anderzijds zou uiteraard kwalijk passen in een algemene regeling. Bovendien verdient naar de mening van sommigen een afzonderlijke regeling de voorkeur uit hoofde van de overweging dat zij de gelegenheid biedt om de uitvoering in handen te leggen van de belanghebbenden zelve.
     Een belangrijke minderheid is echter van oordeel dat een afzonderlijke regeling op technisch-administratieve gronden - onder andere de inning der premie - niet aanvaardbaar is, terwijl vele van deze leden dit standpunt innemen als consequentie van de gronden hierboven op blz. 3 (de door deze leden aangegeven rechtsgrond) uiteengezet."

     Uit de hierboven weergegeven passage blijkt dat de Sociaal-Economische Raad in meerderheid de voorkeur gaf aan het treffen van een afzonderlijke regeling voor de niet-loontrekkenden naast de bestaande Kinderbijslagwet, doch dat een belangrijke rblz.|17 r.k.| minderheid een algemene, voor alle burgers geldende, voorziening voorstond.
     Tevens blijkt dat de Sociaal-Economische Raad - naar de mening van de ondergetekenden volkomen terecht - zich bij de bepaling van zijn standpunt - behalve door overwegingen van andere aard - voor een belangrijk deel heeft laten leiden door het antwoord op de vraag of de voorgestane organisatie ook technisch-administratief uitvoerbaar is. De meerderheid spreekt immers uit dat een afzonderlijke regeling aanbeveling verdient, doch laat terstond hierop volgen dat deze ook technisch-administratief uitvoerbaar wordt geacht, terwijl de minderheid daarentegen van oordeel is dat een afzonderlijke regeling alleen al op technisch-administratieve gronden niet aanvaardbaar is.
     Het spreekt vanzelf dat ook de ondergetekenden zich van de technische moeilijkheden en mogelijkheden rekenschap hebben moeten geven en dat zij daarbij aandacht geschonken hebben aan hetgeen in de Sociaal-Economische Raad naar voren is gebracht.
     De ondergetekenden zijn daarbij tot de overtuiging gekomen dat de invoering van een kinderbijslagregeling ten behoeve van alle niet-loontrekkenden - wil deze regeling praktisch zijn en met zo min mogelijk kosten gepaard gaan - zeer bezwaarlijk is te verwezenlijken in een voor deze categorie afzonderlijk te treffen voorziening. De moeilijkheden verbonden aan een zodanige afzonderlijke regeling zouden zich op alle belangrijke technische onderdelen doen gevoelen. Op de voornaamste van deze moeilijkheden mogen de ondergetekenden hieronder nader ingaan.


De premie-inning

     De Sociaal-Economische Raad geeft als zijn advies dat de premieheffing en -inning ten behoeve van een wettelijke kinderbijslagvoorziening voor niet-loontrekkenden gecombineerd dient te worden met die ten behoeve van de wettelijke ouderdomsvoorziening. Dit advies heeft de instemming van de ondergetekenden. Niet alleen wordt hiermede een grote vereenvoudiging bereikt, doch bovendien zal - zoals de Sociaal-Economische Raad terecht opmerkt - een gecombineerde premieheffing minder psychologische bezwaren ontmoeten dan het heffen van een premie welke alleen ten behoeve van een kinderbijslagverzekering wordt opgelegd.
     Eén en ander betekent dus in concreto dat de premieheffing en -inning zal dienen te geschieden door de Rijksbelastingdienst.
     Hiervan uitgaande is het evenwel niet mogelijk vast te houden aan een premieheffing door de belastingdienst die alleen betrekking heeft op de niet-loontrekkenden. De kring van premieplichtigen ingevolge de Algemene Ouderdomswet is afgestemd op de kring dergenen die aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen. Uiteraard was dit noodzakelijk om het de Rijksbelastingdienst technisch mogelijk te maken om op eenvoudige wijze de verschuldigde premie te heffen en in te vorderen. Zou de Rijksbelastingdienst echter worden belast met de premieheffing en -inning ingevolge een uitsluitend voor niet-loontrekkenden geldende kinderbijslagverzekering, dan zou deze dienst voor wel zeer aanzienlijke moeilijkheden worden geplaatst. De kring van premieplichtigen in de te treffen kinderbijslagvoorziening zou dan hoegenaamd niet samenvallen met de kring van premieplichtigen in de wettelijke ouderdomsverzekering en de kring van belastingplichtigen. De Rijksbelastingdienst zou in dat geval genoodzaakt worden alleen ten behoeve van de premieheffing en -inning ingevolge de kinderbijslagvoorziening, van alle loon- en inkomstenbelastingplichtigen de categorie die buiten de Kinderbijslagwet voor niet-loontrekkenden valt af te zonderen.
     Daarbij komt nog dat de belastingdienst de categorie van
"niet-loontrekkenden" zou moeten afzonderen aan de hand van een niet-belastingtechnisch criterium, namelijk de vraag of iemand al dan niet "arbeider" in de zin van de Kinderbijslagwet is. Hiermede zou dan de situatie zijn geschapen dat de belastingdienst - welks administratieve apparaat daarop overigens allerminst is ingesteld - zich zou moeten gaan bezighouden met rblz.|18 l.k.| de beoordeling van de verzekeringsplicht ingevolge de Kinderbijslagwet.
     Ten slotte zou zich nog de administratieve verzwaring voordoen dat de belastingdienst genoodzaakt zou zijn in alle gevallen waarin het inkomen van de betrokkene bestaat uit loon en inkomsten uit anderen hoofde - te denken valt aan loonarbeiders die tevens als zelfstandigen optreden, aan zelfstandigen wier echtgenoten in loondienst werkzaam zijn, etc. - voor de heffing van de verschuldigde premie van het totale inkomen af te zonderen het loon waarover reeds premie ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden is geheven.
     Op grond van het bovenstaande kunnen de ondergetekenden dan ook tot geen andere conclusie komen dan dat het enerzijds inderdaad alle aanbeveling verdient de premieheffing en -inning te combineren met die van de wettelijke ouderdomsverzekering - een zodanige combinatie schept de mogelijkheid dat met een minimum aan uitvoeringskosten ook van niet-loontrekkenden premie kan worden geheven en ingevorderd -, doch dat dit anderzijds slechts mogelijk is indien wordt voldaan aan de voorwaarde dat de kring van verzekerden (en daardoor van premieplichtigen) gelijk is of althans nagenoeg gelijk aan die van de algemene ouderdomsverzekering.


Kring der verzekerden

     Het gescheiden houden van twee afzonderlijke kinderbijslagverzekeringen, één voor de loonarbeiders - reeds belichaamd in de Kinderbijslagwet - en één voor de niet-loontrekkenden, zou - afgezien van de hierboven aangegeven moeilijkheden ten aanzien van de premieheffing en -inning - nog andere bezwaren opleveren. Er zouden namelijk moeilijkheden ontstaan welke rechtstreeks door die scheiding zouden worden veroorzaakt en wel omdat er een terrein zou ontstaan waarop beide voorzieningen elkaar zouden raken. Men zou hierbij kunnen spreken van "afbakeningsmoeilijkheden". Om een voorbeeld te noemen. Valt een arbeider onder de Kinderbijslagwet, dan zal de betrokken werkgever kinderbijslagpremie moeten betalen over het loon van deze arbeider, zoals dit gebruikelijk is. Geniet deze arbeider echter ook nog inkomen uit anderen hoofde - bijvoorbeeld uit vermogen -, dan zou hij over laatstbedoeld inkomen geen premie behoeven te betalen. De zelfstandige daarentegen die onder de regeling voor de niet-loontrekkenden zou vallen, zal premie dienen te betalen van zijn totale inkomen, niet alleen dus van zijn inkomen uit bedrijf of beroep, maar ook van zijn eventueel inkomen uit vermogen, niet zijnde zijn bedrijfs- of beroepsvermogen.
     Er zouden alzo in gevallen als deze verschillen in behandeling tussen arbeiders en zelfstandigen ontstaan die naar het oordeel van de ondergetekenden niet gemotiveerd zouden zijn. Ook in ander opzicht zouden deze afbakeningsmoeilijkheden zich doen gevoelen en wel in de gevallen dat men deels arbeider is in de zin der Kinderbijslagwet en deels tot de groep der niet-loontrekkenden behoort.
     Wanneer iemand op gedeelten van dagen in loondienst werkzaam is en daarnaast - voor het overige gedeelte van deze dagen - als zelfstandige optreedt, zou hij onder beide kinderbijslagregelingen komen te vallen. Om te voorkomen dat in die gevallen dubbele kinderbijslag zou worden ontvangen, zou bepaald kunnen worden dat de betrokkenen slechts onder één der beide regelingen vallen. In de rede zou dan liggen in deze gevallen de Kinderbijslagwet te laten voorgaan, omdat de betrokkenen als
"arbeider" ook thans reeds - al werken zij slechts gedeelten van dagen - over deze dagen toch het volle bedrag aan kinderbijslag kunnen ontvangen, ervan uitgaande dat minstens het in de Kinderbijslagwet genoemde bedrag van ƒ5,60 per dag wordt verdiend. Intussen rijst dan de vraag of het wel juist is dat de betrokkenen uitsluitend onder de Kinderbijslagwet komen te vallen met het gevolg dat zij - hoewel zij slechts gedeeltelijk arbeid in loondienst verrichten - in hun kwaliteit van "arbeider" reeds de volle kinderbijslag ontvangen en voorts geen premie behoeven te betalen van hun inkomsten als zelfstandige.
    
rblz.|18 r.k.| Om deze moeilijkheden weer te ondervangen, zou bepaald kunnen worden dat de betrokkenen onderworpen blijven aan beide regelingen - waardoor zij ingevolge beide regelingen premie moeten betalen -, doch dat zij slechts krachtens één van beide regelingen voor hetzelfde kind kinderbijslag kunnen ontvangen. Naast het bezwaar dat de belastingdienst in die gevallen uit het inkomen het daarin begrepen loon moet lichten, omdat dit niet dubbel met kinderbijslagpremie zou kunnen worden belast, zou evenwel nog weer een andere moeilijkheid naar voren treden en wel deze dat van de betrokkenen krachtens de beide kinderbijslagwetten premie zou worden ontvangen, doch dat de uit te keren kinderbijslagen ten laste zouden kunnen worden gebracht van slechts één dezer beide wetten. Dit zou er weer toe noodzaken de op grond van de ene regeling uitgekeerde kinderbijslagen ten laste van de beide kinderbijslagwetten te brengen naar rato van de duur waarover de betrokkene feitelijk krachtens elke regeling afzonderlijk verzekerd diende te zijn. Bij deze moeilijkheden komt nog dat de ene regeling (de Kinderbijslagwet) kinderbijslag uitkeert van het eerste kind af en de andere regeling (die voor de niet-loontrekkenden) uitkering zal verlenen van het derde kind af, hetgeen op zichzelf ook weer complicaties geeft.
     Al met al zijn de ondergetekenden tot de conclusie gekomen dat het bestaan van twee naast elkaar werkende regelingen tal van complicaties oplevert, welke slechts voorkomen kunnen worden door het treffen van één algemene, voor iedereen gelijkelijk geldende, kinderbijslagverzekering.


Andere kinderbijslagregelingen

     In het voorgaande zijn de ondergetekenden er gemakshalve van uitgegaan dat het tot stand komen van een afzonderlijke kinderbijslagverzekering voor niet-loontrekkenden zou betekenen dat dan naast elkaar tweeërlei regeling zou komen te gelden, de Kinderbijslagwet voor de loonarbeiders en de afzonderlijke kinderbijslagvoorziening voor de niet-loontrekkenden. Niet uit het oog mag echter worden verloren - en zeker niet wanneer het gaat om vraagstukken van technisch-administratieve aard - dat er naast de kinderbijslagregeling, vervat in de Kinderbijslagwet, thans nog een aantal andere kinderbijslagregelingen bestaat.
     In de eerste plaats mogen de ondergetekenden wijzen op de bij de wet getroffen regelingen, te weten de Kindertoelagewet voor gepensionneerden en de Kinderbijslagwet voor invaliditeits-, ouderdoms- en wezenrentetrekkers.
     De Kindertoelagewet voor gepensionneerden beoogt aan personen en hun nagelaten betrekkingen die pensioen ontvangen van het Burgerlijk Pensioenfonds of het Spoorwegpensioenfonds, dan wel als gewezen militair van de Landmacht of Zeemacht een pensioen genieten, boven het pensioen een kindertoelage te verlenen. De Kinderbijslagwet voor rentetrekkers kent een kinderbijslag toe aan degenen die in het genot zijn van een rente krachtens de Invaliditeitswet of één der Ongevallenwetten.
     De Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen kan hier buiten beschouwing gelaten worden, omdat deze wet [lees: die wet, red.] bij het treffen van een afzonderlijke regeling voor de niet-loontrekkenden zou dienen te worden ingetrokken.
     In de tweede plaats moet gewezen worden op het bestaan van naar schatting 1200 bijzondere kinderbijslagregelingen, waardoor het onder deze regelingen vallende personeel aan de werking van de Kinderbijslagwet is onttrokken. Het geldt hier het personeel in dienst van het Rijk, de provincies, de gemeenten, de Mijnen, de Spoorwegen, het onderwijzend en militair personeel, e.d., voor welke groepen eigen kinderbijslagregelingen bestaan welke in meer of minder belangrijke mate afwijken van de regeling neergelegd in de Kinderbijslagwet.
     De ondergetekenden mogen er voorts de aandacht op vestigen dat al deze bijzondere kinderbijslagregelingen door de instellingen waarbij de betrokkenen in dienst zijn zelfstandig worden uitgevoerd. Zou nu aan deze kinderbijslagregelingen weer een nieuwe, afzonderlijke kinderbijslagregeling voor niet-loontrekkenden worden toegevoegd, welke regeling ook op haar beurt weer uitgevoerd zou moeten worden door een eigen uitvoeringsorgaan,
rblz.|19 l.k.| dan zou het geheel nog weer onoverzichtelijker en gecompliceerder worden dan het nu al is.
     Dit geheel van kinderbijslagregelingen overziende, zijn de ondergetekenden van mening dat de organisatie der kinderbijslagvoorziening op de verkeerde weg is geraakt en dat in stede op het rechte pad terug te keren nog verder zou worden afgedwaald indien nog weer een nieuwe, afzonderlijke kinderbijslagregeling aan de reeds bestaande zou worden toegevoegd. Reeds thans schept het bestaan van verschillende kinderbijslagregelingen in grote mate administratief-technische moeilijkheden voor de uitvoeringsorganen. Elk orgaan voor zich moet rekening houden met de mogelijkheid dat voor hetzelfde kind door meer dan één persoon en uit verschillende hoofde aanspraak op kinderbijslag kan worden gemaakt.
     In dit verband mogen de ondergetekenden ter illustratie van deze moeilijkheden het aan de praktijk ontleende geval aanhalen van een weduwe van een in de laatste oorlog gesneuvelde militair. Deze weduwe had drie kinderen. Zij was in het genot van een klein militair weduwenpensioen en had uit dien hoofde recht op kinderbijslag voor haar drie kinderen op grond van de Kindertoelagewet voor gepensionneerden. Aangezien dit pensioen ontoereikend was om daaruit het levensonderhoud voor zich en haar kinderen te bekostigen, dreef zij een sigarenwinkeltje van bescheiden omvang. Zij trad dus tevens op als zelfstandige. Aangezien haar totale inkomen bleef onder de daarvoor gestelde limiet had zij voor haar derde kind tevens recht op kinderbijslag ingevolge de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen. Bovendien werkte zij in de vroege ochtenduren als werkster op één van de rijkskantoren. Zij was arbeidscontractante in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit en had daardoor op grond van artikel 12a van dit besluit nog eens recht op kinderbijslag voor haar drie kinderen krachtens genoemde bijzondere regeling. En ten slotte werkte zij nu en dan - ook als werkster - in de avonduren in dienst van een particulier kantoor, waardoor zij ook nog recht op kinderbijslag kon ontlenen aan de Kinderbijslagwet. Het behoeft geen betoog dat in gevallen als deze een tijdrovend en vertragend onderzoek nodig is voordat - in verband met de diverse anticumulatiebepalingen - vaststaat welk orgaan nu eigenlijk moet betalen, welke organen eventueel aanvullend moeten betalen en welke bedragen ten slotte precies moeten worden uitgekeerd.
     Nu is de omstandigheid dat het naast elkaar bestaan van diverse kinderbijslagregelingen moeilijkheden van administratief-technische aard en daardoor vertraging oplevert, niet het enige bezwaar. Hoe meer regelingen er zijn of komen, hoe minder een behoorlijke controle op de uitkering van de kinderbijslagen mogelijk is. Het laat zich immers verstaan dat naarmate het aantal kinderbijslagregelingen, uitgevoerd door even zoveel verschillende organen, zich uitbreidt, de mogelijkheid voor een uitkeringsgerechtigde die onder meer dan één regeling valt om voor hetzelfde kind meer dan eenmaal kinderbijslag te ontvangen, zonder dat deze samenloop van kinderbijslag wordt geconstateerd en achterhaald, groter wordt. Een eenvoudige en afdoende controle op dit punt is bij een zo grote verscheidenheid van regelingen en van uitvoeringsorganen praktisch niet meer mogelijk. De ondergetekenden zien dit bezwaar vooral optreden wanneer naast elkaar afzonderlijke kinderbijslagvoorzieningen voor loontrekkenden en niet-loontrekkenden zouden gelden. Deze beide voorzieningen zouden immers elkaar veel meer raken dan de thans bestaande kinderbijslagregelingen. Te denken valt aan het zeer grote aantal gevallen waarin de man zelfstandig is en de vrouw uit loondienst inkomen heeft of omgekeerd, alsmede aan de omstandigheid dat velen nu eens loontrekker zijn, dan weer zelfstandige.
     Al de hierboven geschetste bezwaren zouden voor een belangrijk deel opgeheven of voorkomen kunnen worden indien, zoals in de onderhavige wetsontwerpen wordt voorgesteld, alle bestaande en nog te treffen kinderbijslagvoorzieningen opgenomen zouden kunnen worden in één algemene, voor iedereen gelijkelijk geldende regeling, uit te voeren door één orgaan, met regionale vertakkingen.

rblz.|19 r.k.| 

3.2. De Kinderbijslagwet voor loontrekkenden


     In het vorenstaande menen de ondergetekenden voldoende te hebben uiteengezet welke overwegingen van technisch-adminitratieve aard hen tot de overtuiging hebben gebracht dat het in het leven roepen van een afzonderlijke regeling voor niet-loontrekkenden niet wel mogelijk is en in elk geval zeer onpraktisch zou zijn.
     Dit neemt niet weg dat ook aan het tot stand brengen van een algemene kinderbijslagvoorziening uit een oogpunt van organisatie der kinderbijslagverzekering bepaalde bezwaren kleven. Deze hangen samen met het verschil in de omvang der verstrekkingen ingevolge een algemene kinderbijslagverzekering en de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden.
     Het ligt namelijk in de bedoeling - in hoofdstuk 6 komen de ondergetekenden hierop terug - dat krachtens de algemene kinderbijslagverzekering aan de onder deze regeling vallende verzekerden kinderbijslag zal worden verleend van het derde kind af. De tegenwoordige Kinderbijslagwet daarentegen verleent de verzekerde arbeider kinderbijslag van het eerste kind af. Dit betekent dat de samensmelting van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden met de Algemene Kinderbijslagwet niet volkomen zal kunnen zijn. Ook het in één wet regelen van de kinderbijslag voor loontrekkenden (voor de eerste twee kinderen) en van de algemene kinderbijslag (voor derde en volgende kinderen) biedt in deze geen verbetering, omdat dan toch in een zodanige wet voortdurend een scherp onderscheid tussen beide voorzieningen zou moeten worden gemaakt. In de omschrijving van de kring der verzekerden, in de wijze van vaststelling der premie, bij de heffing en inning van de premie en bij de omschrijving van het recht op kinderbijslag zou er namelijk toch steeds rekening mee gehouden moeten worden dat voor de arbeiders nog een afzonderlijke voorziening voor de eerste twee kinderen bestaat. Het zou er praktisch op neerkomen dat de Kinderbijslagwet werd opgeheven, doch als een aanvullende regeling zelfstandig in de éne algemene wet werd overgenomen.
     Het ligt dan ook voor de hand dat beter naast een algemene, voor het gehele volk geldende, kinderbijslagvoorziening voor derde en volgende kinderen de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden kan blijven bestaan als een kinderbijslagvoorziening voor eerste en tweede kinderen.
     De vraag rijst nu of het bezwaar van het moeten blijven bestaan van een afzonderlijke regeling voor de loontrekkenden de voordelen uit organisatorisch oogpunt verbonden aan een algemene regeling niet verloren doet gaan.
     De ondergetekenden menen deze vraag ontkennend te kunnen beantwoorden.
     Bij de overweging van deze vraag moet men in de eerste plaats in aanmerking nemen dat indertijd - bij de Wet van 21 december 1946, Stb. G 373 - de Kinderbijslagwet is gewijzigd in die zin dat het recht op kinderbijslag ook werd verleend ten behoeve van eerste en tweede kinderen. Deze maatregel werd voorgesteld in verband met de toenmalige economische situatie waarin ons land verkeerde en welke een algemene loonsverhoging minder wenselijk maakte. Bij de aanvaarding van deze maatregel is destijds gesteld dat deze voorziening beschouwd moest worden als een tijdelijke maatregel, welke ongedaan gemaakt diende te worden zodra de omstandigheden zulks zouden veroorloven.
     Het vorenstaande in aanmerking genomen, moet er dus rekening mede gehouden worden dat te eniger tijd deze tijdelijke maatregel ongedaan kan worden gemaakt. Hierin ligt op zichzelf dus reeds een aanwijzing besloten dat het geen aanbeveling verdient de definitieve kinderbijslagvoorziening te organiseren met als uitgangspunt dat de tegenwoordige Kinderbijslagwet afzonderlijk dient te blijven bestaan, uitsluitend omdat in deze wet nu eenmaal een kinderbijslagregeling is getroffen van het eerste kind af.
     Vervolgens dient te worden bedacht dat het naast elkaar doen bestaan van twee kinderbijslagregelingen welke ieder afzonderlijk een andere kinderbijslagverzekering inhouden (te weten een algemene kinderbijslagverzekering voor derde en volgende kinderen en de Kinderbijslagwet voor eerste en tweede
rblz.|20 l.k.| kinderen van loontrekkenden), veel minder bezwaar oplevert dan het naast elkaar doen bestaan van twee kinderbijslagregelingen welke in materieel opzicht voor een groot deel hetzelfde regelen. Dit laatste zou het geval zijn indien naast een algemene kinderbijslagverzekering voor derde en volgende kinderen de Kinderbijslagwet in haar huidige vorm zou blijven beslaan en behalve voor eerste en tweede kinderen eveneens voor derde en volgende kinderen kinderbijslag zou verlenen.
     In het laatste geval toch treden alle moeilijkheden op welke in de vorige paragraaf uitvoerig werden besproken. In het eerste geval zijn de te overwinnen administratief-technische moeilijkheden veel geringer. Het bestaan van een kinderbijslagvoorziening voor het eerste en tweede kind van loontrekkenden is dan immers in wezen niets anders dan een aparte verzekering voor loonarbeiders met een eigen inhoud, welke op elk gewenst tijdstip kan worden opgeheven, zonder dat dit consequenties heeft ten opzichte van een algemene kinderbijslagverzekering voor derde en volgende kinderen. Het enige raakvlak met de algemene kinderbijslagverzekering ligt dan in het omschrijven van de voorwaarden waaronder het recht op kinderbijslag bestaat. Het is duidelijk dat deze voorwaarden - om beide wetten op elkaar te doen aansluiten - gelijkluidend dienen te zijn.
     Wordt een algemene, het gehele volk omvattende, kinderbijslagregeling in het leven geroepen, inhoudende de verstrekking van kinderbijslag ten behoeve van derde en volgende kinderen, dan kan dus - zolang dit nog nodig is - de kinderbijslagregeling voor de loonarbeiders ten behoeve van het eerste en het tweede kind als het ware geschoven worden vóór de algemene regeling, zonder dat dit een verstrengeling geeft met de algemene regeling.

     Dit hoofdstuk afsluitende geven de ondergetekenden dan ook als hun stellige mening te kennen dat het vraagstuk van de definitieve kinderbijslagverzekering alleen dan tot een verantwoorde oplossing kan worden gebracht indien wordt overgegaan tot de invoering van een algemene, het gehele volk omvattende, kinderbijslagverzekering. Deze regeling zal - zoals in hoofdstuk 6 zal worden uiteengezet - recht geven op een kinderbijslag van het derde kind af. Daarnaast kan dan - zolang dit nodig is - de kinderbijslagverzekering voor loontrekkenden gehandhaafd blijven, welke recht geeft op kinderbijslag voor het eerste en het tweede kind.

 

4. De uitvoeringsorganen


4.1 Uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering door de Sociale Verzekeringsbank


     De voorgestelde algemene kinderbijslagverzekering omvat het gehele volk. Ook andere maatschappelijke groeperingen dan wekgevers en werknemers zullen derhalve bij deze verzekering betrokken zijn. Naar de mening van de ondergetekenden ligt hierin reeds besloten dat de uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering ongedragen dient te worden aan de Sociale Verzekeringsbank. Het bestuur der Sociale Verzekeringsbank is zodanig samengesteld dat daarin - behalve de organisaties van werkgevers en werknemers - ook andere maatschappelijke groeperingen vertegenwoordigd zijn.
     Bovendien ligt het uit een oogpunt van doelmatige organisatie voor de hand dat, nu de uitvoering van de algemene ouderdomsverzekering - een volksverzekering zijnde - is opgedragen aan de Sociale Verzekeringsbank, de uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering - eveneens een volksverzekering zijnde - aan ditzelfde orgaan wordt opgedragen. In aanmerking moet evenwel worden genomen dat bij de algemene kinderbijslagverzekering - meer dan bij de algemene ouderdomsverzekering - in de praktijk de behoefte zal bestaan de aan de uitvoering verbonden werkzaamheden territoriaal te decentraliseren. Naar de mening van de ondergetekenden zullen de territoriale organen een belangrijke rol bij de uitvoering moeten spelen. Immers alleen door de werkzaamheden regionaal te spreiden, zal kunnen worden bereikt dat de
rblz.|20 r.k.| uitbetaling van de kinderbijslagen snel en zonder vertraging zal kunnen geschieden. De medewerking van de Raden van Arbeid - de territoriale organen welke bij de algemene ouderdomsverzekering zijn ingeschakeld - zal dan ook niet kunnen worden gemist. In artikel 5 [5] van het wetsontwerp is daartoe dan ook - overigens op gelijke wijze als dit in de Algemene Ouderdomswet is geschied - de mogelijkheid geopend. De taak van de Raden van Arbeid zal naar de mening van de ondergetekenden hierin moeten bestaan dat zij belast worden met het in ontvangst nemen en het behandelen van de aanvragen om kinderbijslag, alsmede met de uitbetaling daarvan. De Sociale Verzekeringsbank zal het beheer moeten voeren over het Algemeen Kinderbijslagfonds en zal de aanwijzingen en richtlijnen dienen te geven welke de Raden van Arbeid bij hun werkzaamheden in acht hebben te nemen.
     In de gedachtengang van de ondergetekenden zullen dus de regionale organen een belangrijk aandeel hebben in de praktische werkzaamheden ter uitvoering van de wet. Zij zullen voor het gebied waarvoor zij bevoegd zijn het orgaan zijn dat steeds ervoor zorg draagt dat ieder ingezetene woonachtig in dat gebied de kinderbijslag ontvangt waarop hij recht heeft. Alle werknemers, zelfstandigen, weduwen, invaliden, gepensioneerden, ouden van dagen, etc., behoeven zich, voor wat de kinderbijslag betreft, steeds maar tot één en hetzelfde orgaan te wenden. Met deze territoriale decentralisatie van de aan de Algemene Kinderbijslagwet verbonden uitvoeringswerkzaamheden is dan een eerste stap gezet op de weg welke uit een veelheid van over elkaar heen werkende organen en regelingen op het gebied van de kinderbijslagregelingen, leidt naar een overzichtelijke, eenvoudige en daardoor goedkopere administratie, welke tevens het voordeel heeft dat iedere verzekerde op eenvoudige wijze kan verkrijgen waarop hij recht heeft en dat de kans op fraude tot een minimum wordt beperkt.
     Overigens zij opgemerkt dat het niet de bedoeling van de ondergetekenden is vooruit te lopen op de definitieve beslissing ten aanzien van de positie van de Raden van Arbeid. Slechts hebben de ondergetekenden in het bovenstaande tot uitdrukking willen brengen dat het noodzakelijk is de uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering te leggen in handen van dezelfde organen die ook met de uitvoering van de Algemene Ouderdomswet zijn belast en hebben zij er voorts op willen wijzen dat voor wat de uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering betreft, een belangrijke taak zal toevallen aan territoriale organen.

 

4.2. Premieheffing en -inning door de Rijksbelastingdienst


     In het onderhavige wetsontwerp wordt voorgesteld de heffing en de invordering van de verschuldigde premies te doen geschieden door de Rijksbelastingdienst. Het is naar de mening van de ondergetekenden uit een oogpunt van doelmatigheid aangewezen bij het in het leven roepen van een kinderbijslagverzekering voor het gehele volk deze taak op te dragen aan de Rijksbelastingdienst.
     In de eerste plaats toch wordt het op deze wijze mogelijk aansluiting te zoeken bij de premieheffing en -inning ingevolge de Algemene Ouderdomswet. De voordelen van deze aansluiting springen duidelijk in het oog. Bereikt kan nu immers worden dat met een minimum aan kosten de verschuldigde premie ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet geheven wordt tegelijk met en op dezelfde wijze als de premie verschuldigd ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Deze gecombineerde premieheffing werkt voor elk der beide verzekeringen in belangrijke mate kostenbesparend, omdat de Rijksbelastingdienst slechts eenmaal - doch voor beide verzekeringen tegelijk - de noodzakelijke werkzaamheden verricht. Dit betekent dat noch de algemene ouderdomsverzekering, noch de algemene kinderbijslagverzekering zullen worden belast met de totale premie-inningskosten waarmede de uitvoering dezer beide verzekeringen elk afzonderlijk zou worden belast indien de premieheffing en -inning van deze verzekeringen niet zou kunnen worden gecombineerd.
    
rblz.|21 l.k.| De tweede overweging welke er naar de mening van de ondergetekenden duidelijk toe leidt de premieheffing en -inning door de Rijksbelastingdienst te doen geschieden, is hierin gelegen dat het van de groep der zelfstandigen en overige niet-loontrekkenden praktisch alleen mogelijk is de premie te heffen indien gebruik gemaakt wordt van de apparatuur en de gegevens waarover de Rijksbelastingdienst beschikt. Ook in het advies van de Sociaal-Economische Raad omtrent deze materie wordt ten aanzien van de zelfstandigen en overige niet-loontrekkenden voorgesteld de premieheffing en -inning - in combinatie met die ingevolge de algemene ouderdomsverzekering - op te dragen aan de Rijksbelastingdienst.
     De ondergetekenden zijn met de Sociaal-Economische Raad van oordeel dat het struikelblok hetwelk al sedert jaren aan de praktische uitvoerbaarheid van een kinderbijslagverzekering, (ook) geldende voor zelfstandigen en overige niet-loontrekkenden, in de weg heeft gestaan - namelijk de vraag op welke wijze ten aanzien van deze groep een praktische en efficiënte premieheffing en -invordering mogelijk was -, alleen weggeruimd kan worden indien de premieheffing en -inning aan de Rijksbelastingdienst worden opgedragen. De ondergetekenden zien in dit verband niet voorbij dat de Sociaal-Economische Raad met zijn advies het oog had op een afzonderlijke regeling voor zelfstandigen en andere niet-loontrekkenden.
     De in het ontwerp van de Algemene Kinderbijslagwet aan de Rijksbelastingdienst opgedragen taak houdt in dat op gelijke wijze als dit ten aanzien van de Algemene Ouderdomswet het geval is, de heffing en inning van de verschuldigde premie zullen geschieden overeenkomstig de bepalingen welke gelden voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting en de loonbelasting. Evenmin als bij de premieheffing ingevolge de wettelijke ouderdomsverzekering wordt eraan gedacht de verschuldigde premie te vermelden op hetzelfde aanslagbiljet als waarop de aanslag in de inkomstenbelasting voorkomt. Wel kunnen zonder bezwaar de verschuldigde premiebedragen ingevolge de Algemene Ouderdomswet en ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet in één aanslag aan de verzekerden ter kennis worden gebracht.
     Van degenen wier inkomen is onderworpen aan een voorheffing krachtens het Besluit op de Loonbelasting 1940 of aan een daarmede overeenkomende voorheffing ingevolge de Tweede Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 - in hoofdzaak de groep der loontrekkenden - kan de premie op gelijke wijze als de loonbelasting en in één bedrag met de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet door de werkgever op het loon worden ingehouden.
     Het ligt namelijk in de bedoeling de ouderdomspremietabel en de kinderbijslagpremietabel tot één tabel samen te voegen, welke de beide premies in één bedrag aangeeft. Aangezien de ouderdomspremietabel reeds met de verschillende Ioonbelastingtabellen is gecombineerd, zal de tabel welke de tot één bedrag samengevoegde ouderdomspremie en kinderbijslagpremie aangeeft, op zijn beurt eveneens met de loonbelastingtabellen kunnen worden gecombineerd. Uit deze gecombineerde tabel zullen de werkgevers zonder enige moeite in elke tariefklasse direct de verschuldigde loonbelasting alsmede de tot één bedrag samengevoegde ouderdoms- en kinderbijslagpremie kunnen aflezen. Het inhouden van de premie ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet door de werkgevers zal voor hen derhalve niet met een vermeerdering van werkzaamheden gepaard gaan.
     De ondergetekenden zijn van oordeel dat door de inschakeling van de Rijksbelastingdienst, op de wijze als hierboven is aangegeven, een doelmatige en efficiënte wijze van heffing en invordering van de voor de algemene kinderbijslagverzekering verschuldigde premies kan worden verkregen.

 

4.3. Uitvoering van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden door de Sociale Verzekeringsbank


     In paragraaf 1 van dit hoofdstuk hebben de ondergetekenden niet zonder reden gesproken over de eerste stap op de weg naar een eenvoudige en overzichtelijke administratie van de rblz.|21 r.k.| kinderbijslagverzekering. Wordt er in het kader van een algemene kinderbijslagverzekering een grote vereenvoudiging bereikt wanneer de gehele bevolking wordt opgenomen in één kinderbijslagregeling, recht gevende op kinderbijslag van het derde kind af - waarmede alle andere bestaande kinderbijslagregelingen dezelfde materie regelend, kunnen vervallen -, dan zou toch, indien op de ingeslagen weg niet zou worden voortgegaan, inderdaad nog niet meer dan een eerste stap zijn gezet.
     Er moet immers rekening mede gehouden worden dat naast de algemene kinderbijslagverzekering de Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden) zal blijven bestaan.
     Zou in de wijze van uitvoering der Kinderbijslagwet geen wijziging worden gebracht, dan zou er op het terrein van de uitvoeringsorganisatie een situatie ontstaan waarvan ongetwijfeld gezegd zou kunnen worden dat de voorgenomen vereenvoudiging nog allerminst is bereikt. De situatie zou dan ontstaan dat de bedrijfsverenigingen de kinderbijslag aan de loontrekkenden voor de eerste twee kinderen zouden moeten uitbetalen en dat de
Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid daarnaast - voor de loontrekkenden - de uitbetaling van de kinderbijslag voor derde en volgende kinderen zouden moeten verzorgen. Dat daarmede bepaald niet een verdergaande vereenvoudiging zou zijn bereikt, springt wel duidelijk in het oog.
     Wanneer de Sociale Verzekeringsbank, terzijde gestaan door de Raden van Arbeid, de algemene kinderbijslagverzekering zou uitvoeren en de bedrijfsverenigingen daarnaast de Kinderbijslagwet (voor de eerste twee kinderen), zou dit allereerst dit grote bezwaar opleveren dat de arbeiders wier gezinnen meer dan twee kinderen tellen steeds met twee organen te maken zouden krijgen. Zij zouden dan bijvoorbeeld steeds zowel aan het met de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet belaste orgaan als aan de betrokken bedrijfsvereniging een aanvraag om kinderbijslag moeten inzenden. Zij zouden ook van beide organen afzonderlijk een kinderbijslag uitgekeerd krijgen.
     Een volgend bezwaar dat zou optreden, zou zijn dat ook de uitvoeringsorganen zelf voor grote moeilijkheden geplaatst zouden worden, omdat zij over en weer niet van elkaar zouden weten of een aanvraag om kinderbijslag bij beide organen ingediend wel gelijkluidend zou zijn. Toch zouden beide organen dit moeten weten, omdat anders het gevaar bestaat dat zij elk een verschillend aantal kinderen en een verschillende rangorde aanhouden. In het midden wordt daarbij dan nog maar gelaten de belangrijke vraag of de beide organen - zo zij zich in deze gevallen met elkaar in verbinding zouden stellen - in dubieuze gevallen tot hetzelfde inzicht zouden komen en een gelijkluidend standpunt zouden innemen.
     Ten slotte zou zich het wel zeer grote bezwaar voordoen dat ten aanzien van de arbeiders met drie of meer kinderen alle onderzoeken en handelingen welke nodig zijn voor een juiste beoordeling van de aanvraag om kinderbijslag tweemaal, namelijk door ieder der beide organen, zouden dienen te geschieden. Elk orgaan afzonderlijk zou immers eerst moeten weten welk totaal aantal kinderen voor kinderbijslag in aanmerking komt om daaruit te kunnen afleiden welke kinderen eerste en tweede en welke kinderen derde en volgende kinderen zijn. Het zou moeilijk zijn te ontgaan dat in vele gevallen de onderzoeken bij de betrokkenen, de verificaties bij de bevolkingsregisters, etc., tweemaal zouden moeten geschieden.
     Het behoeft naar de mening van de ondergetekenden wel geen verder betoog dat het niet verantwoord zou zijn om het bij de uitvoering van de kinderbijslagverzekering op een dergelijke situatie te laten aankomen.
     Om deze bezwaren op het terrein van de uitvoeringsorganisatie te ontgaan, bestaat er naar de mening van de ondergetekenden maar één afdoende mogelijkheid, welke hierin gelegen is dat ook de uitvoering van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden in handen wordt gelegd van de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid. Er bestaat te dien opzichte naar de mening van de ondergetekenden geen keus. Al de hiervoren vermelde bezwaren zijn dan ondervangen. Eén orgaan ontvangt en behandelt dan alle aanvragen om kinderbijslag; dat orgaan verricht eenmaal - voor beide wetten - de nodige
rblz.|22 l.k.| onderzoeken; verricht eenmaal - voor beide wetten - eventuele geneeskundige onderzoeken als het aanvragen om kinderbijslag voor invalide kinderen betreft; er is slechts eenmaal een verklaring van een schoolhoofd nodig; men behoeft zich slechts eenmaal tot het bevolkingsregister te wenden, etc.
     Het verheugt de ondergetekenden in dit verband dat in het advies van de Sociaal-Economische Raad van 14 mei 1954 tot uitdrukking komt dat ook de leden van deze Raad zich rekenschap hebben gegeven van de moeilijkheden welke op het terrein van de uitvoeringsorganisatie liggen. In de nota welke als bijlage I bij dit advies is opgenomen, geven respectievelijk de voorstanders van een algemene kinderbijslagverzekering en de voorstanders van een afzonderlijke kinderbijslagverzekering voor niet-loontrekkenden hun mening over tal van administratief-technische vraagstukken welke aan de uitvoering zijn verbonden.
     Voor de ondergetekenden is in dit verband van belang hetgeen diegenen naar voren brengen die voorstanders zijn van het treffen van een afzonderlijke kinderbijslagvoorziening voor niet-loontrekkenden naast de bestaande Kinderbijslagwet, omdat zij in wezen voor dezelfde moeilijkheid stonden als hierboven is uiteengezet, namelijk de vraag op welke wijze de administratieve bezwaren welke verbonden zijn aan het naast elkaar bestaan van twee (of meer) kinderbijslagregelingen tot zo klein mogelijke proporties kunnen worden teruggebracht. Deze leden nu bevelen in deze nota onder andere aan te streven naar het doen uitvoeren van alle regelingen door één centraal uitvoeringsorgaan. Met het inzicht van deze leden zijn de ondergetekenden het - zoals trouwens blijkt uit hetgeen hierboven reeds uitvoerig is uiteengezet - volkomen eens.
     De ondergetekenden kunnen dan ook tot geen andere slotsom komen dan dat het aangewezen is de uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering zowel als die van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden in handen te leggen van de Sociale Verzekeringsbank. Alleen op deze wijze wordt ook een verdere stap gezet op de weg naar een eenvoudige en goedkope administratie.

 

4.4. Premie-inning ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden door de Sociale Verzekeringsbank


     Wanneer er mede zou worden volstaan de uitvoering van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, voor zover de vaststelling en uitbetaling der uitkeringen betreft, over te dragen aan de Sociale Verzekeringsbank, dan zou dit betekenen dat de premie-inning ingevolge deze wet in handen zou blijven van de bedrijfsverenigingen. Daarmede zou dan een situatie ontstaan welke de ondergetekenden niet bevredigend achten.
     Hoewel op zichzelf genomen de uitvoering van één en dezelfde wet door verschillende van elkaar onafhankelijke organen wel mogelijk is, zou het bij de uitvoering van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden - alsdan beperkt tot kinderbijslag voor de eerste twee kinderen - toch wel aanmerkelijke praktische bezwaren opleveren wanneer zowel de Sociale Verzekeringsbank enerzijds als de bedrijfsverenigingen anderzijds daarbij een taak zouden krijgen.
     In een dergelijke situatie zou allereerst de vraag rijzen in handen van welk orgaan de beoordeling van de verzekeringsplicht gesteld zou moeten worden. Het is immers duidelijk dat wanneer elk orgaan alleen met betrekking tot de eigen taak zijn standpunt omtrent het verzekerd zijn zou moeten bepalen, het gevaar rijst dat bij onderling verschillend oordeel bijvoorbeeld het ene orgaan in bepaalde gevallen tot premieheffing overgaat, zonder dat anderzijds het andere orgaan deze premieheffing doet volgen door uitkering van kinderbijslag aan de betrokken arbeider. Ook het omgekeerde kan zich voordoen.
     Nu is het niet eenvoudig uit te maken welke van deze organen ten aanzien van de beoordeling van het verzekerd zijn het beslissend oordeel zou moeten hebben. Eigenlijk zou dit moeten zijn het orgaan dat over het verlenen der uitkeringen beslist. Aan de andere kant zouden echter overwegingen van praktische aard ervoor pleiten de beoordeling van het verzekerd zijn geheel in handen te leggen van de bedrijfsverenigingen. Het streven naar coördinatie op het stuk van de
rblz.|22 r.k.| verzekeringsplicht zou het namelijk zeer gewenst doen zijn dat de bedrijfsverenigingen, behalve voor wat de Werkloosheidswet en de Ziektewet betreft, ook de beoordeling behielden van de verzekeringsplicht ingevolge de Kinderbijslagwet.
     Doch er een ogenblik van uitgaande dat inderdaad de bedrijfsverenigingen belast zouden worden met de beoordeling van de verzekeringsplicht, rijst terstond een nieuwe vraag, namelijk of dit dan zou moeten betekenen dat iedere aanvraag om kinderbijslag ingediend bij de Raad van Arbeid eerst naar de betrokken bedrijfsvereniging moet worden doorgezonden teneinde onderzocht te worden op het punt van het verzekerd zijn van de aanvrager. Dit zou wel een zeer tijdrovend werk worden. Overigens zou dit in verreweg de meeste gevallen ook niet nodig zijn, omdat veelal wel op eenvoudige wijze uit te maken valt of de aanvrager inderdaad verzekerd is. Er zou dus een regeling getroffen moeten worden welke aangeeft in welke gevallen de Raad van Arbeid gehouden zou zijn omtrent de verzekeringsplicht van een aanvrager om kinderbijslag het oordeel van de betrokken bedrijfsvereniging in te winnen. Het aangeven van die gevallen zou niet zo eenvoudig zijn. Bovendien is niet te verwachten dat deze regeling in alle opzichten sluitend zou kunnen worden gemaakt, omdat elk orgaan afzonderlijk weer verschillend kan oordelen over de vraag of een bepaald geval wel of niet onder de getroffen regeling valt..
     Daar komt nog een moeilijkheid bij. De vraag zou zich namelijk voordoen door welk orgaan de bedrijfsverenigingen gecontroleerd moeten worden voor wat betreft de juiste premie-inning en -afdracht van de ontvangen gelden. Ook hierbij ligt het voor de hand deze controle in handen te leggen van de Sociale Verzekeringsbank als het orgaan dat het Kinderbijslagfonds beheert en dat derhalve bij een juiste premie-inning en -afdracht het grootste belang heeft. Doch de figuur dat de Sociale Verzekeringsbank de bedrijfsverenigingen zou moeten controleren, is weinig aantrekkelijk. Het zou meer aanbeveling verdienen deze controle te doen geschieden door de Sociale Verzekeringsraad. Evenwel verzet zich daartegen min of meer het karakter van de Sociale Verzekeringsraad. Deze Raad heeft een toezichthoudende taak. Tot diens taak kan echter bezwaarlijk gerekend worden het uitoefenen van controle op het ene orgaan ten behoeve van het andere.
     De hierboven geschetste moeilijkheden welke zouden voortvloeien uit een gesplitste uitvoering van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden zouden ondervangen zijn indien de Sociale Verzekeringsbank in samenwerking met de Raden van Arbeid niet alleen belast werd met de vaststelling en de betaalbaarstelling van de kinderbijslagen, maar ook met de heffing en inning der premies. Op zichzelf is dit ook zeer goed mogelijk, vooral zolang de Raden van Arbeid belast blijven met de premie-inning ingevolge de Ongevallenwet 1921. Zolang de Raden van Arbeid ter uitvoering van de Ongevallenwet 1921 beschikken over een administratie en een apparatuur welke geheel ingesteld is op het heffen en innen van premie, is het zonder veel extra kosten mogelijk deze organen ook de premie ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden te doen heffen en innen. Overigens betekent dit niet dat wanneer in bepaalde gevallen de behoefte zich zou doen gevoelen om de medewerking van één of meer bedrijfsverenigingen in te roepen, deze mogelijkheid zou moeten zijn uitgesloten. In het wetsontwerp tot aanpassing van de Kinderbijslagwet wordt dienaangaande dan ook een voorziening voorgesteld.
     De ondergetekenden zijn derhalve van oordeel dat in elk geval zolang de Raden van Arbeid belast blijven met de premie-inning ingevolge de Ongevallenwet 1921, het aanbeveling verdient deze organen ook in te schakelen voor wat betreft de premieheffing en -inning ingevolge de
"overblijvende" Kinderbijslagwet voor loontrekkenden. Wanneer te zijner tijd de premie-inning ingevolge de Ongevallenwet 1921 van de Raden van Arbeid overgaat naar de bedrijfsverenigingen, kan bij die gelegenheid worden bezien - en dan in breder verband - of het niet beter is alsdan tegelijkertijd ook de premieheffing en -inning ingevolge de Kinderbijslagwet bij de bedrijfsverenigingen onder te brengen.

     rblz.|23 l.k.| Samenvattend zijn de ondergetekenden derhalve van oordeel dat, ervan uitgaande dat het verstrekken van kinderbijslag voor de eerste twee kinderen van loontrekkenden een tijdelijk en een aflopend karakter draagt, het ter wille van de eenvoud van uitvoering van de "overblijvende" Kinderbijslagwet voor loontrekkenden aanbeveling verdient ook de premieheffing en -inning ingevolge deze wet op te dragen aan de Sociale Verzekeringsbank, welke daarbij terzijde zal worden gestaan door de Raden van Arbeid.

 

4.5. Bijzondere regelingen


     Na de beschouwingen in de vorige paragrafen omtrent de uitvoeringsorganisatie van de algemene kinderbijslagverzekering en de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden dient thans aandacht te worden geschonken aan de als bijzondere regelingen erkende kinderbijslagvoorzieningen en daarnaast aan de Kinderbijslagwet voor invaliditeits-, ouderdoms- en wezenrentetrekkers en de Kindertoelagewet voor gepensionneerden.
     Bij het benaderen van dit vraagstuk dient in de eerste plaats in het oog gehouden te worden dat wanneer te zijner tijd naast elkaar twee volksverzekeringen in werking zullen zijn, te weten de algemene ouderdomsverzekering en de algemene kinderbijslagverzekering, het daarbij van groot belang is dat van de aanvang af de kring der verzekerden voor beide regelingen zoveel mogelijk gelijk is.
     Vanuit dit oogpunt bezien zou het uiterst moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk zijn om bepaalde groepen van personen buiten de algemene kinderbijslagverzekering te laten en in afzonderlijke kinderbijslagregelingen onder te brengen of, voor zover zij onder andere kinderbijslagvoorzieningen vallen, deze zonder meer te laten voortbestaan. Dit zou immers betekenen dat deze personen wel ingevolge de algemene ouderdomsverzekering, doch niet ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering premie zouden behoeven te betalen. De Rijksbelastingdienst zou daardoor genoodzaakt worden de personen vallende onder de verschillende andere kinderbijslagregelingen, van de premieplichtigen ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet af te zonderen. Deze zou dus verplicht zijn na te gaan welke personen onder de bijzondere kinderbijslagregelingen vallen. Steeds zou bij de betrokken werkgevers (de rijksdiensten, de gemeenten, de provincies, de waterschappen, de Spoorwegen, de Mijnen, bijzondere onderwijsinstellingen, etc.) moeten worden onderzocht niet alleen welke leden van het personeel onder de door die werkgevers getroffen regeling vallen, maar ook over welke tijdvakken die leden onder de betrokken regeling zijn gevallen. De Rijksbelastingdienst moet namelijk ook de juiste tijdvakken weten, omdat uiteraard het loon van de betrokkenen voor wat de premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering aangaat, slechts onbelast kan blijven voor zover het loon betreft dat verdiend is in het tijdvak dat gewerkt werd onder werking van de bijzondere kinderbijslagregeling. Het loon verdiend in een tijdvak waarover de bijzondere kinderbijslagregeling niet van toepassing was, dient voor de premieheffing van de algemene wet wel in aanmerking genomen te worden, omdat de betrokkene in dat tijdvak onder de algemene wet viel. Kortom, in alle gevallen waarin voor iemand voor kortere of langere tijd een bijzondere regeling van toepassing zou zijn geweest, zou de Rijksbelastingdienst een onderzoek moeten instellen en een tijdrovende administratie moeten voeren, om tot een zuivere vaststelling van de premie te geraken. Wat betreft rentetrekkers en gepensioneerden zou de Rijksbelastingdienst er niet alleen steeds mede bekend moeten zijn wie een rente of een pensioen geniet krachtens de Invaliditeitswet of de Pensioenwet, doch ook over welk tijdvak die rente of dat pensioen wordt genoten, tot welk bedrag en aan de hand daarvan moeten nagaan of zij wegens het genieten van de rente of het pensioen aanspraak op kinderbijslag of kindertoelage ingevolge één van de beide hiervoor genoemde andere wettelijke kinderbijslagvoorzieningen kunnen maken.
     Bij dit alles komt nog de vraag welk standpunt ingenomen zou moeten worden ten aanzien van het inkomen dat de betrokkene heeft buiten het loon dat hij geniet uit zijn
rblz.|23 r.k.| dienstbetrekking waarvoor de bijzondere regeling geldt, bijvoorbeeld het loon dat zijn echtgenote verdient of het inkomen uit vermogen. Gedurende de tijd dat bijvoorbeeld een spoorwegbeambte onder een bijzondere regeling valt, zou hij niet verzekerd zijn ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering en zou hij over zijn loon geen premie verschuldigd zijn. Wanneer evenwel de echtgenote van deze spoorwegbeambte daarnaast nog een zeker loon zou verdienen, zou op grond van de bepaling dat de gehuwde vrouw niet zelf premieplichtig is - een bepaling welke ook voor de algemene ouderdomsverzekering geldt - de betrokkene behalve van zijn eigen loon ook van het loon van zijn vrouw geen premie behoeven te betalen. Naar de mening van de ondergetekenden zou dit een onbevredigende consequentie zijn en zouden er dus op dit punt nadere - en dus weer afwijkende - voorzieningen moeten worden getroffen. Bij een inkomen uit vermogen zou zich - zij het in andere zin - iets dergelijks voordoen. Om een voorbeeld te noemen. Iemand treedt ingaande 1 juli van enig jaar in dienst van een werkgever voor wiens personeel een bijzondere regeling geldt. Aan het einde van dat jaar staat de belastingdienst voor de taak van deze persoon premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering te heffen over het tijdvak van 1 januari tot 1 juli. Wanneer nu deze persoon inkomsten geniet uit vermogen, moet het er dan, als het om de vraag gaat of hij van deze inkomsten premie moet betalen, van afhangen of hij die inkomsten de facto verkreeg vóór of na 1 juli? Zou het, om nog een stap verder te gaan, billijk zijn indien deze persoon geen premie zou behoeven te betalen van zijn inkomen uit vermogen, alleen omdat hij onder een bijzondere regeling valt? En dat terwijl voor het gehele volk overigens geldt dat ook inkomen uit vermogen onder de premieheffing valt? De ondergetekenden menen deze vragen ontkennend te moeten beantwoorden. Soortgelijke vragen en moeilijkheden zouden zich uiteraard voordoen met betrekking tot rentetrekkers en gepensioneerden wat betreft de renten of de pensioenen welke zij krachtens de Invaliditeitswet of de Pensioenwet genieten.
     Wat uit de bovenstaande voorbeelden blijkt is dat eigenlijk elke uitzondering van bepaalde groepen personen het gevaar inhoudt dat tekort wordt gedaan aan het aan de algemene kinderbijslagverzekering ten grondslag liggend beginsel, namelijk dat zij beoogt een herverdeling te bewerkstelligen van het maatschappelijk inkomen, ongeacht uit welke bronnen de individuele staatsburgers dit inkomen verkrijgen.
     Samenvattend menen de ondergetekenden te kunnen zeggen dat het op grond van de hierboven ontwikkelde bezwaren niet mogelijk is in de algemene kinderbijslagverzekering uitzonderingen in de vorm van bijzondere regelingen toe te laten.
     Voorts rijst de vraag of het ook in een gewijzigde Kinderbijslagwet ten behoeve van eerste en tweede kinderen van loontrekkenden nog mogelijk zal zijn het treffen van bijzondere kinderbijslagregelingen toe te laten.
     Al dadelijk treedt hierbij naar voren dat het bestaan van een algemene kinderbijslagverzekering in ieder geval verhindert dat nog bijzondere kinderbijslagregelingen zouden kunnen blijven gelden welke niet met de wettelijke voorziening rekening houden. Gelijk dit geschied is in het wetsontwerp tot aanpassing van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, zouden ook de bijzondere regelingen voor wat betreft de omschrijving van het recht op kinderbijslag voor het eerste en tweede kind, moeten aansluiten op het recht op kinderbijslag in de algemene kinderbijslagverzekering. Zouden zich namelijk op dit punt afwijkingen vertonen, dan zou het gevaar ontstaan dat de bijzondere regelingen andere kinderen in aanmerking zouden nemen dan de algemene kinderbijslagverzekering. Het gevolg zou dan kunnen zijn dat in het ene geval bepaalde kinderen van kinderbijslag verstoken bleven en dat in een ander geval voor bepaalde kinderen tweemaal kinderbijslag werd verstrekt. Vaststaat dus wel dat het voortbestaan of het in het leven roepen van afzonderlijke kinderbijslagregelingen, in de vorm zoals zij thans voorkomen, namelijk als zelfstandige regelingen die wat inhoud en formulering betreft geheel losstaan van de wettelijke regeling, niet meer toegelaten kan worden.
    
rblz.|24 l.k.| Dit is echter niet het enige beletsel dat aan geheel afzonderlijke kinderbijslagregelingen in de weg staat. Er doet zich ook een praktisch bezwaar voor. Wanneer immers voor eerste en tweede kinderen bijzondere regelingen zouden blijven bestaan in die zin dat deze regelingen geheel onafhankelijk van de uitvoeringsorganen van de algemene kinderbijslagverzekering zouden worden uitgevoerd, dan zouden - omdat naast de bijzondere regelingen de Raden van Arbeid uitkeringen voor de derde en volgende kinderen zouden verlenen - zowel voor het personeel dat onder die bijzondere regelingen valt als voor de organen onderling dezelfde moeilijkheden optreden als welke in paragraaf 4.3 zijn geschetst in het geval dat de bedrijfsverenigingen de Kinderbijslagwet voor de eerste en tweede kinderen zouden uitvoeren naast de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet door de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid.
     De personen die onder de bijzondere regeling vallen (ambtenaren, militairen, onderwijzers, mijnarbeiders, spoorwegbeambten, etc.), zouden dan met twee organen te maken krijgen die onafhankelijk van elkaar beslissingen zouden nemen. Zij zouden zowel van hun eigen dienst of werkgever als van de betrokken Raad van Arbeid kinderbijslag ontvangen. De benodigde inlichtingen zouden zij steeds aan twee instanties moeten verstrekken. Bepaalde onderzoeken (verificaties bij het bevolkingsregister, verklaringen van schoolhoofden, geneeskundige onderzoeken) zouden tweemaal moeten worden ingesteld. Hierbij wordt dan nog in het midden gelaten de moeilijkheid welke zou ontstaan in de gevallen dat beide instanties niet tot een eensluidend oordeel zouden komen. Ten aanzien bijvoorbeeld van een ambtenaar die drie kinderen heeft, waarvan het oudste kind een 18-jarig invalide kind is, kan de instelling bij welke deze ambtenaar werkzaam is tot de conclusie komen dat voor het oudste kind geen recht op kinderbijslag bestaat, omdat het niet in de daarvoor gestelde mate invalide is te achten. De instelling keert dan kinderbijslag voor de beide andere kinderen uit. Omdat de ambtenaar evenwel van mening is dat de instelling hem kinderbijslag had moeten verlenen voor het oudste (invalide) kind en het daaropvolgende kind, wendt hij zich tot de Raad van Arbeid met een aanvraag om kinderbijslag voor het derde (jongste) kind. Wanneer dan de Raad van Arbeid tot de conclusie zou komen dat het invalide kind wel moet meetellen in het aantal kinderen, dan is een conflict geschapen dat, wanneer de betrokken instelling noch de Raad van Arbeid het ingenomen standpunt wil herzien, niet tot oplossing kan worden gebracht.
     De ondergetekenden wijzen er bovendien nog op dat er zich reeds in het huidige bestel van bijzondere kinderbijslagregelingen moeilijkheden voordoen in die gevallen dat twee verschillende personen krachtens twee verschillende bijzondere kinderbijslagregelingen aanspraak op kinderbijslag maken voor hetzelfde kind. De moeilijkheid is namelijk welke aanspraak bij een zodanige samenloop prevaleert en volledig dient te worden gerealiseerd en welke aanspraak slechts gedeeltelijk. Het is praktisch onmogelijk dat in de vele honderden bijzondere kinderbijslagregelingen op elkaar afgestemde bepalingen ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag zouden kunnen worden opgenomen. Bovendien, aan de hand waarvan zou kunnen worden uitgemaakt welke kinderbijslagregeling prevaleert bijvoorbeeld in het geval dat aanspraak kan worden gemaakt door twee personen die in dienst zijn bij verschillende gemeenten welke een bijzondere regeling uitvoeren? Deze beide gemeentelijke regelingen bestaan immers geheel gelijkwaardig naast elkaar. Nu er zich tussen de bijzondere regelingen al moeilijkheden voordoen en natuurlijk ook zouden blijven voordoen, indien de mogelijkheid tot het treffen van bijzondere kinderbijslagregelingen zou blijven bestaan, rijst de vraag hoe de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid hiermede zouden hebben te handelen bij de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet. Immers de toekenning van kinderbijslag krachtens deze wet moet direct aansluiten op de toekenning van kinderbijslag voor eerste en tweede kinderen en deze aansluiting zou gevaar lopen indien er zich moeilijkheden zouden voordoen omtrent de vraag wie bij samenloop van aanspraken krachtens
rblz.|24 r.k.| bijzondere regelingen nu eigenlijk zou moeten betalen en tot welk bedrag.

     Het is op grond van deze bezwaren dat de ondergetekenden tot de conclusie zijn gekomen dat er bij de uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering, met een daaraan aangepaste Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, geen plaats meer ingeruimd kan worden voor bijzondere regelingen, waarmede dan worden bedoeld opzichzelfstaande, volledig uitgewerkte en afgeronde regelingen welke - ter vervanging van het wettelijk recht - een geheel eigen recht op kinderbijslag verlenen. Wat uiteraard wel mogelijk is, en waartegen de ondergetekenden, voor zover het de uitvoeringsorganisatie betreft, geen bezwaren zien, is dat de instellingen en bedrijven welke altijd prijs gesteld hebben op een bijzondere regeling, buiten het wettelijk stelsel der kinderbijslagverzekering om, de wettelijke kinderbijslagbedragen met een bepaalde toeslag verhogen. In de gevallen dat deze organen tot het verlenen van zodanige aanvullingen zouden willen overgaan, zou onderling een regeling getroffen kunnen worden teneinde deze uitbetaling vlot te doen verlopen. De ondergetekenden denken hierbij bijvoorbeeld aan de mogelijkheid dat de werkgever zelf aan het in zijn dienst zijnde personeel de wettelijke kinderbijslag (bij wijze van voorschot) uitkeert, vermeerderd met de zijnerzijds te verstrekken aanvulling en de wettelijke kinderbijslag declareert bij het uitvoeringsorgaan. Ook het omgekeerde zou mogelijk kunnen zijn, namelijk dat het uitvoeringsorgaan op verzoek van de werkgever en te diens last de aanvulling op de wettelijke kinderbijslag verzorgt.

     Intussen ligt hier ten aanzien van het overheidspersoneel een moeilijkheid welke de bijzondere aandacht verdient. Waar bij de rijksambtenaren de kinderbijslag een element der bezoldiging is, behoort het als zodanig tot de materiële rechtspositie, welke zijn basis vindt in artikel 72 [oud, red.] der Grondwet.
     Zolang het karakter van bezoldiging hieraan niet ontnomen wordt - zoals de Algemene Kinderbijslagwet dit doet ten aanzien van derde en volgende kinderen -, zou het wettelijk regelen hiervan strijdig zijn met het hierboven genoemde grondwetsartikel, dat voorschrijft dat de Koning de bezoldiging der ambtenaren regelt.

     Waar tevens de staatscommissie voor advies inzake de status der ambtenaren nog geen rapport heeft uitgebracht, dient naar de mening van de ondergetekenden, zolang dit deel van de overheidskinderbijslagregeling nog een deel uitmaakt van de ambtelijke bezoldiging en als zodanig van de rechtspositie van het overheidspersoneel, de uitzonderingspositie van dit personeel gehandhaafd te blijven.
     De moeilijkheid daarbij is echter dat bij handhaving van deze uitzonderingspositie getracht moet worden de bezwaren te vermijden welke hierboven tegen het doen voortbestaan van afzonderlijke kinderbijslagvoorzieningen zijn aangegeven.
     De oplossing van deze moeilijkheid menen de ondergetekenden als volgt te hebben gevonden.
     In de Kinderbijslagwet voor loontrekkers wordt - zie artikel VII - ter vervanging van het bestaande artikel 5 een nieuw artikel opgenomen, waarin wordt bepaald dat ten aanzien van het overheidspersoneel (personeel in dienst van het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, etc., alsmede het onderwijzend personeel) bij algemene maatregel van bestuur een kinderbijslagvoorziening wordt getroffen welke uiteraard kan afwijken van de wet, doch welke voor wat betreft de bedragen aan kinderbijslag en de voorwaarden waarop het recht op kinderbijslag wordt verleend, niet minder gunstig mag zijn dan de bij de wet getroffen regeling. Op grond van deze bepaling dient dan in plaats van de vele thans bestaande bijzondere kinderbijslagregelingen één kinderbijslagregeling te worden getroffen welke alle groepen van het overheidspersoneel welke daarvoor in aanmerking komen, omvat.
     Het verdwijnen van de ± 1200 verschillende, onderling vaak sterk afwijkende overheidskinderbijslagregelingen zal tot een aanzienlijke vereenvoudiging kunnen leiden. Het vervangen van al deze regelingen door één kinderbijslagregeling voor het gehele overheidspersoneel zal grote organisatorische
rblz.|25 l.k.| en administratieve voordelen met zich meebrengen. Het zal dan mogelijk zijn voor het overheidspersoneel een kinderbijslagregeling in het leven te roepen welke enerzijds aansluit op de algemene kinderbijslagverzekering en rekening houdt met de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, doch welke anderzijds voor het overheidspersoneel de bestaande uitzonderingspositie handhaaft en overigens de vereenvoudiging aanbrengt dat niet vele, doch slechts één bijzondere regeling voor het overheidspersoneel komt te gelden. Waar zulks mogelijk en verantwoord is, zal, naar de mening van de ondergetekenden, de mogelijkheid geschapen dienen te worden om voor bepaalde groepen van overheidspersoneel reeds bij de inwerkingtreding van de wet de uitvoering van deze kinderbijslagregeling op te dragen aan de Raden van Arbeid.

     De praktische bezwaren welke hiervoor zijn opgesomd ten aanzien van het laten voortbestaan van bijzondere kinderbijslagregelingen gaan voor een belangrijk deel ook op voor de Kinderbijslagwet voor invaliditeits-, ouderdoms- en wezenrentetrekkers en de Kindertoelagewet voor gepensionneerden. De omstandigheid dat de Algemene Kinderbijslagwet op iedereen gelijkelijk van toepassing zal zijn, maakt het in de eerste plaats al noodzakelijk dat de Kinderbijslagwet voor rentetrekkers en de Kindertoelagewet voor gepensionneerden, evenals de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, aan de Algemene Kinderbijslagwet moeten worden aangepast en tot eerste en tweede kinderen worden beperkt. Als het hierbij echter zou blijven. zouden veelal dezelfde bezwaren naar voren treden welke hiervoor zijn aangevoerd tegen het laten voortbestaan van de bijzondere kinderbijslagregelingen voor eerste en tweede kinderen in het kader van de Kinderbijslagwet. Zo wordt de Kindertoelagewet voor gepensionneerden uitgevoerd door de Pensioenraad, waarbij overigens, namelijk voor wat betreft de militaire pensioenen, is betrokken het Ministerie van Defensie. Ook hier zou zich dan de situatie voordoen - met alle daaraan verbonden bezwaren - dat de gepensioneerden voor hun eerste en tweede kinderen van de Pensioenraad en het Ministerie voor Defensie kinderbijslag zouden ontvangen en voor hun derde en volgende kinderen van de Raden van Arbeid, die de kinderbijslag krachtens de Algemene Kinderbijslagwet zouden uitbetalen. De ondergetekenden hebben dan ook gemeend te moeten voorstellen zowel de kinderbijslagregeling voor genoemde rentetrekkers als de Kindertoelagewet voor gepensionneerden in te trekken en het recht op kinderbijslag voor eerste en tweede kinderen van deze rentetrekkers en gepensioneerden te regelen in de Kinderbijslagwet voor de eerste en tweede kinderen van loontrekkenden. Indien derhalve de kinderbijslagregelingen voor de rentetrekkers en die voor de gepensioneerden in de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden zullen opgenomen worden, hetgeen mogelijk is door de gepensioneerde en de rentetrekker als "arbeider" in de zin van de Kinderbijslagwet aan te merken, zullen de uitvoeringsmoeilijkheden welke zich zouden voordoen indien de kinderbijslagvoorzieningen voor eerste en tweede kinderen van loontrekkers, rentetrekkers en gepensioneerden als drie afzonderlijke voorzieningen zouden blijven bestaan, goeddeels uit de weg geruimd kunnen worden. Dat een zodanige concentratie van alle kinderbijslagvoorzieningen tot belangrijke besparingen aan arbeidskracht en uitvoeringskosten zal leiden, behoeft naar de mening van de ondergetekenden nog nauwelijks verder betoog.
     Voorts mogen de ondergetekenden in dit verband nog opmerken dat krachtens de bestaande Kinderbijslagwet voor rentetrekkers ook nog kinderbijslag wordt uitgekeerd voor wezen die in het genot zijn van een wezenrente ingevolge een der Ongevallenwetten of ingevolge de Invaliditeitswet. Het is noodzakelijk dat voor wezen die in het genot zijn van een wezenrente als bovenbedoeld en voor wie noch een verzekerde ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, noch een
"arbeider" ingevolge de (aangepaste) Kinderbijslagwet voor loontrekkenden aanspraak op kinderbijslag kan maken, de bestaande afzonderlijke regeling in stand wordt gehouden. De ondergetekenden zijn niet voornemens door de voorgestelde samenvoeging van de verschillende wettelijke kinderbijslagvoorzieningen rblz.|25 r.k.| de belangen van deze overigens kleine groep kinderen die naast hun wezenrente thans in het genot zijn van kinderbijslag, te schaden. Voor deze kleine groep zal vooralsnog - nadat de kinderbijslagregeling voor de rentetrekkers daaruit verwijderd zal zijn - de huidige wettelijke regeling moeten blijven bestaan, zulks in afwachting van de totstandkoming van een weduwen- en wezenverzekering, waarbij ook deze kwestie kan worden betrokken.

 

5. Kring der verzekerden


     Uit de beschouwingen welke in hoofdstuk 2 zijn gewijd aan het vraagstuk van de rechtsgrond blijkt dat de ondergetekenden voorstanders zijn van een verplichte, algemene kinderbijslagverzekering. Uit de hoofdstukken 3 en 4 blijkt voorts dat, naast principiële overwegingen, ook belangrijke overwegingen van praktische aard hen gesterkt hebben in de overtuiging dat de kinderbijslagvoorziening in Nederland alleen dan tot een bevredigend geheel kan worden opgebouwd indien haar verwezenlijking wordt nagestreefd op de grondslag van een volksverzekering.
     Eén van de grote praktische voordelen welke daaruit voortvloeien, is dat de kinderbijslagverzekering nauw kan aansluiten bij de Algemene Ouderdomswet. Met name geldt dit voor de kring van de verzekerden. Met verwijzing naar de hierboven aangegeven hoofdstukken van deze memorie mogen de ondergetekenden er zich van ontslagen achten hier nogmaals te wijzen op het grote belang van eenzelfde kring van verzekerden in de algemene kinderbijslagverzekering en in de algemene ouderdomsverzekering.
     In het onderhavige wetsontwerp is dan ook in artikel 6 [6] de omschrijving van degenen die tot de verzekerden behoren gelijk aan de overeenkomstige omschrijving in artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet. Slechts op één punt bestaat tussen de gebezigde omschrijving van de kring der verzekerden een afwijking. Deze afwijking betreft de duur van de verzekeringsperiode. In de Algemene Ouderdomswet is bepaald dat men verzekerd is van de 15-jarige tot de 65-jarige leeftijd; in het ontwerp Algemene Kinderbijslagwet [A.K.W., red.] loopt de verzekeringsduur van de 15-jarige leeftijd af onbeperkt door.
     Naar de mening van de ondergetekenden is in de algemene kinderbijslagverzekering een beperking van de verzekeringsduur tot de 65-jarige leeftijd niet op haar plaats. Het spreekt immers vanzelf dat in een kinderbijslagverzekering de boven-65-jarigen die nog daarvoor in aanmerking komende kinderen hebben niet van de verstrekking van kinderbijslag kunnen worden uitgesloten.
     Deze afwijking ten aanzien van de algemene ouderdomsverzekering behoeft in de praktijk voor wat de verstrekking der uitkeringen betreft geen bezwaren op te leveren. De uitkering van de ouderdomspensioenen en de uitkering van de kinderbijslagen zijn twee geheel verschillende zaken, die niet gecombineerd behoeven te worden. Wel treedt echter een ander praktisch bezwaar op, een bezwaar dat niet gelegen is aan de kant van het verstrekken der uitkeringen, doch aan de zijde van de premieheffing en -inning.
     Zoals reeds eerder in deze memorie is medegedeeld, ligt het in de bedoeling dat de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de premie ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet in één bedrag van de verzekerden zullen worden geheven. Loopt nu het verzekerd zijn voor wat de algemene kinderbijslagverzekering betreft ook na het bereiken van de 65-jarige leeftijd door, dan ontstaat voor de belastingdienst een belangrijke afwijking in de overigens gelijke groep van premieplichtigen ingevolge de beide volksverzekeringen, waarvan een verzwaring van de administratie het gevolg zal zijn. Deze moeilijkheid zal kunnen worden ontgaan indien de boven-65-jarigen van de plicht tot het betalen van premie voor de Algemene Kinderbijslagwet worden vrijgesteld. Hiertoe zal te minder bezwaar
rblz.|26 l.k.| bestaan wanneer in acht wordt genomen dat in de regel van de boven-65-jarigen - althans in de toekomst - kan worden aangenomen dat zij toch 50 jaren lang de verschuldigde premie hebben voldaan en zij in het algemeen de premiebetaling eerst beëindigen op een leeftijd waarop de kans dat zij nog voor kinderbijslag in aanmerking komen niet groot meer is. Daarbij komt nog dat voor het overgrote deel der boven-65-jarigen het niet vrijstellen van de premieplicht ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering zou neerkomen op een reële verlaging van het ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
     De ondergetekenden menen dan ook dat de beste oplossing voor het onderhavige vraagstuk is degenen die de 65-jarige leeftijd bereikt hebben wel verzekerd te doen zijn ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering, waardoor zij dus eventueel recht op kinderbijslag kunnen doen gelden, doch hen vrij te stellen van de verplichting tot het betalen van premie.
     In het onderhavige wetsontwerp wordt voorts voorgesteld de verzekering te doen aanvangen bij het bereiken van de 15-jarige leeftijd. Ook hierbij hebben de ondergetekenden om redenen van praktische aard aansluiting gezocht bij de algemene ouderdomsverzekering. Zou de verzekering een aanvang nemen bij het bereiken van de 16-jarige leeftijd - gesteld zou kunnen worden dat dit tijdstip in een kinderbijslagverzekering recht gevende op een kinderbijslag voor kinderen beneden de leeftijd van 16 jaar beter past -, dan treden extra bezwaren op voor de werkgevers, die op het loon de premie moeten inhouden. In hun loonadministratie zou onderscheid moeten worden gemaakt tussen 15- en 16-jarigen. De premie voor de algemene ouderdomsverzekering zou bij het bereiken van de 15-jarige leeftijd en de premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering eerst bij het bereiken van de 16-jarige leeftijd op het loon ingehouden moeten worden. Het verdient naar de mening van de ondergetekenden dan ook om praktische redenen de voorkeur de aanvang van de verzekering ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering te doen samenvallen met die van de algemene ouderdomsverzekering.

 

6. Het recht op kinderbijslag


6.1. Kinderbijslag voor derde en volgende kinderen


     In het advies van de Sociaal-Economische Raad van 14 mei 1954 komt tot uitdrukking dat deze Raad van oordeel is dat ten aanzien van de zelfstandigen de kinderbijslag van het derde kind af dient te worden verstrekt. De vraag of ten aanzien van de loontrekkenden ditzelfde standpunt dient te worden ingenomen, had deze Raad al eerder - namelijk in zijn advies van 22 februari 1952 - aan de orde gesteld. Blijkens laatstgenoemd advies liepen de principiële opvattingen van de leden uiteen. De Raad was echter van oordeel dat het overbodig was in zijn advies van 14 mei 1954 op de bovenbedoelde principiële verschillen in het advies van 22 februari 1952 in te gaan, omdat de huidige kinderbijslagvoorziening voor de loontrekkenden mede wordt bepaald door de gevoerde loonpolitiek. Zolang hierin geen wijziging wordt gebracht, meende de Raad dat de kinderbijslag van het eerste kind af voor de loontrekkenden moest worden gehandhaafd.
     De ondergetekenden zijn van oordeel dat in een algemene, het gehele volk omvattende, kinderbijslagverzekering de kinderbijslag dient te worden verleend van het derde kind af. Naar hun mening dient eraan vastgehouden te worden dat de wettelijke kinderbijslagverzekering beoogt een correctie aan te brengen op de inkomensverdeling ten behoeve van gezinnen van meer dan de feitelijk gemiddelde omvang.
     Er bestaat overigens geen aanleiding op dit punt verschil te maken tussen loontrekkenden en zelfstandigen. Dat thans nog ten aanzien van de loontrekkenden de kinderbijslag van het eerste kind af wordt verstrekt, vermag hieraan weinig af te doen. Zoals de ondergetekenden reeds in hoofdstuk 3 van het algemeen
rblz.|26 r.k.| deel dezer memorie hebben opgemerkt, is de verstrekking van kinderbijslag voor de eerste twee kinderen te beschouwen als een tijdelijke maatregel, waarvan zij hopen dat de omstandigheden het te zijner tijd mogelijk zullen maken deze te doen vervallen.
     Doch afgezien van deze overwegingen zou het naar de mening van de ondergetekenden bovendien onbillijk zijn indien in een definitieve kinderbijslagverzekering - ongeacht of deze in één algemene kinderbijslagverzekering dan wel in twee of meer kinderbijslagregelingen voor verschillende bevolkingscategorieën tot stand werd gebracht - de onderscheidene groepen der bevolking een in omvang verschillende kinderbijslag zou worden uitgekeerd. Een zodanige discriminatie tussen deze groepen zou aan het uitgangspunt dat de kinderbijslag in wezen als een herverdeling van het totale gemeenschappelijk inkomen dient te worden gezien, bepaald onvoldoende recht doen wedervaren.

 

6.2. Bedrag van de kinderbijslag


     Wat de hoogte van de kinderbijslag betreft, zijn de ondergetekenden van oordeel dat er geen aanleiding is verschil te maken tussen de uitkeringen aan de loontrekkenden en aan de niet-loontrekkenden. Ook de Sociaal-Economische Raad staat in zijn advies van 14 mei 1954 op dit standpunt.
     In het onderhavige wetsontwerp wordt voorgesteld de kinderbijslagbedragen te bepalen op de bedragen welke thans gelden - uiteraard te rekenen van het derde kind - voor de loontrekkenden. Dit betekent dat - de dagbedragen omgerekend tot kwartaalbedragen - de kinderbijslag wordt gesteld op ƒ50,70 per kwartaal voor het derde kind, ƒ70,98 per kwartaal voor het vierde en het vijfde kind, ƒ79.56 per kwartaal voor het zesde en elk volgend kind.
     De invoering van een algemene kinderbijslagverzekering met de bovengenoemde kinderbijslagbedragen betekent in de eerste plaats een aanmerkelijke financiële verbetering voor die kleine zelfstandigen die thans kinderbijslag ingevolge de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen [N.K.K.Z., red.] ontvangen en ten aanzien van wie wordt voorgesteld - zie hoofdstuk 7 van deze memorie - de premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering niet in te vorderen. Immers, de bovengenoemde kinderbijslagbedragen belopen ongeveer het dubbele van hetgeen zij thans aan kinderbijslag ontvangen. Ook de kleine zelfstandigen die thans onder de vorenbedoelde noodwet vallen en van wie de algemene kinderbijslagpremie slechts ten dele zal worden ingevorderd - zie wederom hoofdstuk 7 -, zullen er financieel op vooruitgaan, zij het in mindere mate dan de eerstgenoemde categorie van kleine zelfstandigen. Ten slotte zullen ook de kleine zelfstandigen die thans van de noodwet profiteren, doch van wie in de voorgestelde algemene kinderbijslagverzekering de premie ten volle zal worden ingevorderd, een financiële verbetering ondergaan, welke groter wordt al naargelang de gezinsgrootte. Dit laatste moge blijken uit het onderstaande overzicht. Dit overzicht heeft dus betrekking op verzekerden met inkomens van ƒ3100,- tot ƒ6900,-. Voor inkomens beneden ƒ3100,- wordt het financiële voordeel groter al naargelang een geringer gedeelte van de algemene kinderbijslagpremie zal worden ingevorderd.
     Zoals uit hoofdstuk 8 van deze memorie blijkt, zal voor uitkering van kinderbijslagen ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering benodigd zijn ƒ330 miljoen. Dit bedrag zal kunnen worden verkregen door het heffen van een premie van ongeveer 2,1%. Bij de berekening van dit premiepercentage zijn echter de uitvoeringskosten buiten beschouwing gelaten. Alhoewel het de ondergetekenden niet mogelijk is een nauwkeurige raming te maken van de kosten verbonden aan het treffen en innen van de premie en aan het verstrekken van kinderbijslagen, zullen naar hun mening voldoende geldmiddelen ter dekking van de bovenbedoelde kosten ter beschikking komen indien het percentage van 2,1 wordt verhoogd tot 2,2. In verband hiermede is in onderstaand overzicht uitgegaan van een premie van 2,2% [bedragen in guldens, red.].
rblz.|27 l.k.|  

Inkomen Gezin met drie kinderen
Kinderbijslag
N.K.K.Z.
Premie
A.K.W.
Kinderbijslag
A.K.W.
Voordeel
3100,00 112,32 x68,20 202,80 x22,28
3300,00 112,32 x72,60 202,80 x17,88
3500,00 112,32 x77,00 202,80 x13,48
3700,00 x81,40 202,80 121,40
3900,00 x85,80 202,80 117,00
4100,00 x90,20 202,80 112,60
4300,00 x94,60 202,80 108,20
4500,00 x99,00 202,80 103,80
4700,00 103,40 202,80 x99,40
4900,00 107,80 202,80 x95,00
5100,00 112,20 202,80 x90,60
5300,00 116,60 202,80 x86,20
5500,00 121,00 202,80 x81,80
5700,00 125,40 202,80 x77,40
5900,00 129,80 202,80 x73,00
6100,00 134,20 202,80 x68,60
6300,00 138,60 202,80 x64,20
6500,00 143,00 202,80 x59,80
6700,00 147,40 202,80 x55,40
6900,00 151,80 202,80 x51,00

 

Inkomen Gezin met vier kinderen
Kinderbijslag
N.K.K.Z.
Premie
A.K.W.
Kinderbijslag
A.K.W.
Voordeel
3100,00 277,68 x68,20 486,72 140,84
3300,00 277,68 x72,60 486,72 136,44
3500,00 277,68 x77,00 486,72 132,04
3700,00 165,36 x81,40 486,72 239,96
3900,00 x85,80 486,72 400,92
4100,00 x90,20 486,72 396,52
4300,00 x94,60 486,72 392,12
4500,00 x99,00 486,72 387,72
4700,00 103,40 486,72 383,32
4900,00 107,80 486,72 378,92
5100,00 112,20 486,72 374,52
5300,00 116,60 486,72 370,12
5500,00 121,00 486,72 365,72
5700,00 125,40 486,72 361,32
5900,00 129,80 486,72 356,92
6100,00 134,20 486,72 352,52
6300,00 138,60 486,72 348,12
6500,00 143,00 486,72 343,72
6700,00 147,40 486,72 339,32
6900,00 151,80 486,72 334,92

 

Inkomen Gezin met vijf kinderen
Kinderbijslag
N.K.K.Z.
Premie
A.K.W.
Kinderbijslag
A.K.W.
Voordeel
3100,00 443,04 x68,20 770,64 259,40
3300,00 443,04 x72,60 770,64 255,00
3500,00 443,04 x77,00 770,64 250,60
3700,00 330,72 x81,40 770,64 358,52
3900,00 165,36 x85,80 770,64 519,48
4100,00 x90,20 770,64 680,44
4300,00 x94,60 770,64 676,04
4500,00 x99,00 770,64 671,64
4700,00 103,40 770,64 667,24
4900,00 107,80 770,64 662,84
5100,00 112,20 770,64 658,44
5300,00 116,60 770,64 654,04
5500,00 121,00 770,64 649,64
5700,00 125,40 770,64 645,24
5900,00 129,80 770,64 640,84
6100,00 134,20 770,64 636,44
6300,00 138,60 770,64 632,04
6500,00 143,00 770,64 627,64
6700,00 147,40 770,64 623,24
6900,00 151,80 770,64 618,84

 

6.3. Omschrijving van het recht op kinderbijslag


     De voorgestelde algemene kinderbijslagverzekering, zowel als de bestaande Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, gaan uit van dezelfde grondgedachte, namelijk dat het loon of het inkomen toereikend moet zijn voor de vorming van een gezin van feitelijk gemiddelde grootte en het onderhouden daarvan. Naar de mening van de ondergetekenden zal dan ook bij de omschrijving van het recht op kinderbijslag een zodanig criterium moeten worden gekozen dat daaruit duidelijk blijkt dat alleen diegene die een kind in feite geheel of grotendeels onderhoudt aanspraak op kinderbijslag kan maken. Dit stemt overeen met de opvattingen van de Stichting van den Arbeid, die zich reeds in 1953 in verband met de praktische bezwaren welke zich bij de uitvoering van de bestaande Kinderbijslagwet voor loontrekkenden doen gevoelen - de ondergetekenden komen daarop nog terug -, over de formulering van het recht op kinderbijslag heeft beraden.
     De moeilijkheid rijst hierbij dat het met zoveel woorden opnemen in de wet van het criterium dat de verzekerde zijn kinderen moet onderhouden, wil hij aanspraak maken op kinderbijslag, op een ernstig praktisch bezwaar stuit. Wanneer het recht op kinderbijslag aldus zou worden geformuleerd dat beslissend zou zijn het antwoord op de vraag of iemand daadwerkelijk zijn kinderen onderhoudt, dan zou dit betekenen dat eigenlijk ten aanzien van alle kinderen waarvoor aanspraak op kinderbijslag wordt gemaakt, door het uitvoeringsorgaan een onderzoek zou moeten worden ingesteld teneinde de door de wet geëiste zekerheid te verkrijgen dat deze kinderen inderdaad door de aanvrager worden onderhouden. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat in de algemene kinderbijslagverzekering het aanvragen van kinderbijslag voor één kind noopt tot een onderzoek naar het onderhoud van drie kinderen. Nu lijdt het evenwel geen twijfel dat in verreweg de meeste gevallen een dergelijk onderzoek niet nodig is. Het is immers volkomen gerechtvaardigd ervan uit te gaan dat in de normale gevallen - namelijk die waarin de kinderbijslag wordt aangevraagd door de vader of de moeder voor tot hun huishouden behorende kinderen - de aanvrager of de aanvraagster deze kinderen ook werkelijk geheel of grotendeels op zijn of haar kosten onderhoudt. Indien echter gezegd kan worden dat het behoren van kinderen tot een huishouden het onderhouden worden van die kinderen impliceert, dan ligt het voor de hand dat bij de omschrijving van het recht op kinderbijslag van het veel gemakkelijker te hanteren criterium "tot het huishouden behoren" gebruik wordt gemaakt. Als eerste en algemene regel wordt derhalve voorgesteld aanspraak op kinderbijslag te
rblz.|27 r.k.| verlenen voor eigen, aangehuwde en pleegkinderen beneden de leeftijd van 16 jaar die tot het huishouden behoren van de verzekerde.
     Een andere niet minder belangrijke overweging welke de ondergetekenden hebben laten gelden bij de formulering van het recht op kinderbijslag betreft de coördinatie met het recht op kinderaftrek in het Besluit op de Loonbelasting 1940.
     Met ingang van 1 januari 1954 werd als uitvloeisel van de op die datum in werking getreden Coördinatiewetten Sociale Verzekering en Belastingen naar het loon [lees: Coördinatiewet Sociale Verzekering en Coördinatiewet Belastingen naar het loon, red.] (Wetten van 24 december 1953, Stb. 1953, 577 en 579) ingevoerd de zogenaamde coördinatietabel voor de loonbelasting. De betekenis van deze tabel is dat vele berekeningen welke voorheen door de werkgevers moesten worden gemaakt om te komen tot het bedrag waarover loonbelasting is verschuldigd, achterwege kunnen blijven. Naast het brutoloonbedrag kan uit deze tabel, zonder dat daarvoor een berekening behoeft te worden gemaakt, de verschuldigde loonbelasting direct worden afgelezen. Bij de vaststelling van de in deze tabel voorkomende loonbelastingbedragen is voor werknemers die recht hebben op kinderaftrek onder meer rekening gehouden met de aanspraken op kinderbijslag, waardoor de werkgevers deze kinderbijslag buiten de loonadministratie kunnen houden. Het is duidelijk dat een dergelijke opzet alleen verantwoord is wanneer het recht op kinderbijslag nagenoeg steeds parallel loopt met het recht op kinderaftrek. Daarom is bij het onderhavige wetsontwerp gestreefd naar een zodanige formulering van het recht op kinderbijslag dat de redactie met betrekking tot het recht op kinderaftrek in de loon- en inkomstenbelasting daarop kan aansluiten, en wel in dier voege dat voor dezelfde kinderen waarvoor recht op kinderbijslag bestaat ook aanspraak op kinderaftrek zal kunnen worden gemaakt.
     Een zodanige coördinatie is van even groot belang met het oog op de premieheffing ingevolge de algemene ouderdomsverzekering en de algemene kinderbijslagverzekering. Het is namelijk zo dat, naar is voorgesteld, de kinderbijslag voor de heffing van de ouderdomspremie en de kinderbijslagpremie niet in aanmerking zal worden genomen. Voor de heffing van deze premies ten aanzien van degenen die onder de coördinatietabel vallen, heeft het vrijstellen van de kinderbijslag geen administratief-technische consequenties, omdat deze tabel wordt toegepast op een loonbedrag waarin de kinderbijslag niet is begrepen. Anders is het evenwel met betrekking tot de loonbelastingplichtigen op wie de gewone loonbelastingtabel wordt toegepast. Voor de heffing van de loonbelasting volgens deze tabel dient het loon waarover deze belasting is verschuldigd, door de werkgever exact te worden berekend. Ook de kinderbijslag dient
rblz.|28 l.k.| dus in de loonadministratie te worden verantwoord. Voor de heffing van de ouderdomspremie en de kinderbijslagpremie dient dit fiscale loon echter te worden verminderd met de daarin begrepen kinderbijslag. Teneinde de heffing van deze premies in één bedrag voor de werkgevers zo eenvoudig mogelijk te maken, is het de bedoeling dat de vrijstelling van de kinderbijslag in het gecombineerde premiebedrag wordt verwerkt, waardoor de werkgevers de desbetreffende tabel - zonder correctie - kunnen toepassen op het fiscale loon. Een zodanige tabel zal echter alleen dan tot een juiste premieheffing leiden indien voor dezelfde kinderen als waarvoor kinderaftrek bestaat ook aanspraak op kinderbijslag kan worden gemaakt.
     De voor het recht op kinderbijslag gekozen formulering gaat ervan uit dat het recht op kinderbijslag steunt op het onderhoudsbeginsel. In dit verband vestigen de ondergetekenden er de aandacht op dat er naar hun mening - van dit standpunt uitgaande - geen reden meer is de ongehuwde moeders ten opzichte van het recht op kinderbijslag voor haar kinderen in een uitzonderingspositie te plaatsen. Wanneer de ongehuwde moeders op dezelfde wijze als alle overige ingezetenen in de kring der verzekerden worden opgenomen en zij uit dien hoofde ook de verschuldigde premie in de algemene verzekering bijdragen, zou het moeilijk te rechtvaardigen zijn indien in de gevallen dat de betrokkenen inderdaad haar kinderen onderhouden - het criterium dat aan de wet ten grondslag ligt -, te haren aanzien op dit punt een uitzondering zou worden gemaakt.
     De inachtneming van het onderhoudsbeginsel bij het recht op kinderbijslag opent tevens de mogelijkheid om de praktische moeilijkheden,welke zich bij de uitvoering van de bestaande Kinderbijslagwet voordoen goeddeels uit de weg te ruimen. Deze moeilijkheden bestaan voor een belangrijk deel hierin dat het recht op kinderbijslag van de wettige vader - ook al onderhoudt deze zijn kinderen niet of slechts in bescheiden mate - altijd voorgaat bij het recht op kinderbijslag van de pleeg- of stiefvader die deze kinderen in zijn gezin heeft en hen - omdat de wettige vader hen niet of slechts in bescheiden mate onderhoudt - geheel of grotendeels op zijn kosten onderhoudt. Wanneer de pleeg- of stiefvader voor deze tot zijn gezin behorende kinderen kinderbijslag aanvraagt, brengt dit in de praktijk de moeilijkheid mede dat eerst moet worden nagegaan wie de wettige vader van deze kinderen is en of hij, zo hij recht op kinderbijslag heeft, reeds een aanvraag daartoe heeft ingediend. Zo dit niet het geval is, moet de wettige vader bewogen worden deze bijslag alsnog aan te vragen en zo hij weigert - en dit komt in de praktijk nog al eens voor - moet de betrokken raad voor de kinderbescherming worden ingeschakeld om namens hem de kinderbijslag aan te vragen. Wanneer dan ten slotte een aanvraag door het betrokken uitvoeringsorgaan is ontvangen, wordt de kinderbijslag aan de wettige vader toegekend, doch betaalbaar gesteld hetzij aan de pleeg- of stiefvader, hetzij aan de betrokken raad voor de kinderbescherming. Deze omslachtige en zeer tijdrovende procedure heeft bovendien veelal onaangename gevolgen voor vroegere echtgenoten vanwege de omstandigheid dat zij min of meer worden gedwongen met elkaar in contact te treden.
     Een ander bezwaar is dat veelal de pleeg- of stiefvader minder aan kinderbijslag voor pleeg- en stiefkinderen ontvangt indien de wettige vader dier kinderen recht op kinderbijslag voor hen heeft, dan wanneer hij - de pleeg- of stiefvader - zelf op grond van zijn eigen verzekering aanspraak op kinderbijslag voor deze kinderen zou kunnen maken. Het is namelijk zo dat de pleeg- of stiefvader de kinderbijslag voor zijn pleeg- en stiefkinderen ontvangt op grond van de verzekering van de wettige vader. Indien de pleeg- of stiefvader zelf nog kinderen heeft, ontvangt hij voor deze kinderen kinderbijslag op grond van zijn eigen verzekering. Er is in die gevallen dus sprake van twee afzonderlijke verzekeringen, welke elk een bepaald aantal kinderen omvatten. Het bedrag van de progressieve kinderbijslag wordt voor elke verzekering afzonderlijk vastgesteld aan de hand van de rangorde naar leeftijd van de kinderen. Indien de pleeg- of stiefvader echter zelf recht op kinderbijslag voor de pleeg- of
rblz.|28 r.k.| stiefkinderen zou hebben, zou er slechts sprake zijn van één verzekering op grond waarvan kinderbijslag wordt toegekend. De eigen kinderen en de pleeg- of stiefkinderen zouden dan voor de vaststelling van de progressieve kinderbijslag aan de hand van de rangorde naar leeftijd tezamen worden genomen, hetgeen voor de p!eeg- of stiefvader een groter bedrag aan kinderbijslag zou opleveren.
     Indien ten aanzien van het recht op kinderbijslag derhalve wordt uitgegaan van het standpunt dat dit recht toekomt aan degene tot wiens huishouden de desbetreffende kinderen behoren, zullen de bovenbedoelde moeilijkheden zijn ondervangen.

     Uit het voorgaande blijkt dat het een belangrijke verbetering zal zijn voor degene tot wiens huishouden aangehuwde kinderen behoren dat hijzelf recht heeft op kinderbijslag voor die kinderen en op dit punt niet meer afhankelijk is van de wettige vader dier kinderen. Het zou evenwel naar de mening van de ondergetekenden niet billijk zijn om met deze regeling te volstaan. Aandacht verdienen namelijk nog de gevallen van degenen die hun kinderen - al behoren deze tot het huishouden van een ander - toch onderhouden. Het behoeft wel geen betoog dat de ondergetekenden hier niet het oog hebben op degenen die slechts in zeer bescheiden mate in het onderhoud van hun kinderen voorzien. Het gaat hier om degenen wier kinderen weliswaar behoren tot de huishouding van een ander, doch die desondanks die kinderen grotendeels onderhouden. Te denken valt aan de gevallen waarin de wettige vader zijn kinderen onderhoudt die behoren tot het huishouden van zijn gewezen echtgenote. In verband hiermede is in artikel 7 [7] een aanvullende regel voor het recht op kinderbijslag opgenomen, welke inhoudt dat de verzekerde ook recht op kinderbijslag heeft voor eigen, aangehuwde en pleegkinderen die behoren tot het huishouden van de ex-echtgenoot of van de echtgenoot van wie hij duurzaam gescheiden leeft, mits hij die kinderen grotendeels op zijn kosten onderhoudt.

     In het vorenstaande is ervan uitgegaan dat het recht op kinderbijslag in de eerste plaats toekomt aan degene tot wiens huishouden de desbetreffende kinderen behoren en in de tweede plaats - als aanvullende regel - aan degene die zijn - tot het huishouden van een ander behorende - kinderen grotendeels onderhoudt. Er zijn evenwel kinderen te wier aanzien aan de hiervoren genoemde voorwaarden niet wordt voldaan, doch die naar de mening van de ondergetekenden bezwaarlijk van kinderbijslag verstoken kunnen blijven. De ondergetekenden hebben hierbij op het oog die kinderen die niet tot een huishouden behoren. Te denken valt hierbij aan kinderen die als gevolg van bepaalde omstandigheden niet met hun ouders samenwonen, doch in inrichtingen verblijven. Indien ter zake geen nadere voorziening zou worden getroffen, zouden ouders voor kinderen die in inrichtingen opgenomen zijn geen recht op kinderbijslag hebben. Dit zou naar de mening van de ondergetekenden onbevredigend zijn. Onbevredigend, omdat deze ouders meestal zoveel als hun mogelijk is in de onderhoudskosten van die kinderen bijdragen. Voor de hand zou liggen aan deze ouders recht op kinderbijslag voor hier bedoelde kinderen te verlenen, voor zover zij hen grotendeels op hun kosten onderhouden, daarmee aansluitende op de hiervoor toegelichte aanvullende regel voor het recht op kinderbijslag. Doch daarmede zou geen bevredigende oplossing worden verkregen. De onderhoudskosten van kinderen in inrichtingen zijn immers vrijwel altijd belangrijk hoger dan die van kinderen die tot een particuliere huishouding behoren. Zou ten aanzien van deze ouders de eis van het grotendeels onderhouden worden gesteld, dan zou zich de situatie kunnen voordoen dat deze ouders naar vermogen in het onderhoud van deze kinderen bijdragen zonder dat zij hen nochtans, gezien de werkelijke onderhoudskosten, grotendeels op hun kosten onderhouden. Wanneer men echter de onderhoudsbijdrage van deze ouders zou stellen tegenover de onderhoudskosten van een kind in een particuliere huishouding, dan zou wel van grotendeels onderhouden kunnen worden gesproken. De ondergetekenden zijn dan ook van mening dat rblz.|29 l.k.| ten aanzien van deze gevallen de eis van het grotendeels onderhouden te stringent is en dient te worden teruggebracht tot de eis van het onderhouden in belangrijke mate. Voorshands wordt eraan gedacht in deze gevallen als norm voor het onderhoud in belangrijke mate te stellen een bedrag in de orde van grootte van ƒ3,50 per week, zijnde ongeveer de kinderbijslag voor een eerste kind.


Studerende en invalide kinderen van 16 tot 27 jaar.

     In het kader van de onderhavige kinderbijslagregeling is het zeer wel te verdedigen wanneer ten aanzien van studerende en invalide kinderen een extra maatregel zou worden getroffen. De ondergetekenden zijn namelijk van oordeel dat er alleszins aanleiding bestaat om het bedrag van de kinderbijslag te verhogen wanneer het gaat om studerende en invalide kinderen van 16 tot 27 jaar wier onderhoudskosten als direct gevolg van hun studie of invaliditeit aanwijsbaar hoger zijn dan de onderhoudskosten van kinderen in het algemeen.
     In het onderhavige wetsontwerp wordt dan ook voorgesteld deze verhoging van kinderbijslag voor studerende en invalide kinderen te bewerkstelligen door de bepaling op te nemen dat voor de vaststelling van het aantal kinderen waarvoor de verzekerde recht op kinderbijslag heeft elk studerend of invalide kind in de leeftijd van 16 tot 27 jaar voor twee kinderen wordt geteld indien dit kind door de verzekerde grotendeels op diens kosten wordt onderhouden. Door het opnemen van deze bepaling wordt op technisch eenvoudige wijze bereikt dat het gezinsinkomen van een verzekerde die een studerend of invalide kind grotendeels onderhoudt, vermeerderd wordt met het bedrag van de kinderbijslag voor een extra kind.
     Een bijkomend, doch niet te onderschatten voordeel van deze maatregel is tevens dat ten aanzien van studerende en invalide kinderen een verdergaande coördinatie met het recht op kinderaftrek bij de loonbelasting kan worden bereikt, omdat ook reeds de belastingwetgeving met betrekking tot studerende en invalide kinderen het systeem van dubbel tellen kent.
     Behalve het recht op verhoogde kinderbijslag voor studerende en invalide kinderen van 16 tot 27 jaar die door de verzekerde grotendeels op zijn kosten worden onderhouden, wordt in het onderhavige ontwerp voorts voorgesteld om - zoals reeds thans het geval is in de bestaande Kinderbijslagwet - het recht op het normale bedrag van de kinderbijslag te handhaven voor studerende en invalide kinderen die weliswaar niet grotendeels, maar toch nog wel in belangrijke mate op kosten van de verzekerde worden onderhouden. De ondergetekenden merken echter op dat de voorwaarde van het in belangrijke mate onderhouden voor het recht op kinderbijslag voor studerende en invalide kinderen van 16 tot 27 jaar, in geld uitgedrukt, hoger zal dienen te worden gesteld dan thans het geval is in de Kinderbijslagwet, waar deze eis in de praktijk gewaardeerd wordt op de kinderbijslag voor een eerste kind. Deze bepaling beantwoordt op die wijze niet aan haar bedoeling. Aan deze bepaling lag de gedachte ten grondslag dat wanneer de ouders zich ten behoeve van een studerend of invalide kind een financiële inspanning getroosten ten bedrage van minstens de kinderbijslag per week voor een eerste kind, zijnde ƒ3,48 per week, de kinderbijslagverzekering de ouders in staat zou stellen daarboven nog het bedrag van de kinderbijslag voor dit kind te besteden. Een tegemoetkoming dus in de voor deze kinderen meestal hoge onderhoudskosten. In bepaalde gevallen echter heeft deze bepaling een effect dat tegenovergesteld is aan de bedoeling. In de gevallen namelijk dat de ouders voor deze kinderen inderdaad niet of slechts weinig meer dan ƒ3,48 betalen of behoeven te betalen, ontvangen zij ditzelfde bedrag of een groter bedrag aan kinderbijslag terug. Deze ouders worden dus daarmede eigenlijk van elk financieel offer, zelfs van de aanvankelijk gestelde eis van ƒ3,48 per week, ontheven. Deze bepaling zou echter veel beter aan haar doel beantwoorden als de eis voor het in belangrijke mate onderhouden gesteld werd op een bedrag van ongeveer tweemaal het bedrag van de kinderbijslag. Daarmede zou worden bereikt dat kinderbijslag wordt toegekend aan die ouders die in ieder geval aan het studerende en invalide kind ongeveer het kinderbijslagbedrag ten koste leggen.

rblz.|29 r.k.| 

7. De middelen tot dekking der kosten


     Bij de beantwoording van de vraag wie tot premiebetaling moeten worden verplicht, dient - evenals dit het geval is bij de algemene ouderdomsverzekering - het uitgangspunt te zijn dat de premies moeten worden betaald door verzekerden die inkomen genieten. Voor een onderscheid in deze zin dat de premie voor de loontrekkenden geheel of gedeeltelijk door de werkgever en die voor de niet-loontrekkenden door deze zelf zou worden betaald, is in een algemene kinderbijslagverzekering, welke een herverdeling van het maatschappelijke inkomen van het gehele volk beoogt, geen reden. (Uiteraard betekent dit niet dat er geen onderscheid zou mogen worden gemaakt in de wijze, waarop de verschuldigde premie van de verschillende groepen van verzekerden zal worden geheven en geïnd). Gaat men, hetgeen de ondergetekenden doen, van dit standpunt uit, dan is het ook mogelijk de premieheffing en -inning ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering op geheel dezelfde wijze en met inachtneming van dezelfde grondslagen te doen geschieden als zulks ingevolge de algemene ouderdomsverzekering het geval is.
     De voorgestelde regeling houdt in dat - in tegenstelling met de regeling in de huidige Kinderbijslagwet voor loontrekkenden - de werknemer zelf de kinderbijslagpremie moet betalen. In de bestaande Kinderbijslagwet voor loontrekkenden betaalt de werkgever de kinderbijslagpremie naar rato van het totale door hem verloonde bedrag. De werkgever mag deze premie zelfs niet op het loon van de werknemer verhalen. Ogenschijnlijk lijkt het alsof de voorgestelde nieuwe regeling diametraal afwijkt van de bestaande regeling. Bij nadere beschouwing echter blijkt dat zulks niet het geval is. Formeel betaalt de werkgever weliswaar de premie, doch maatschappelijk gezien is het zo dat de premie welke de werkgever betaalt een deel vormt van het loon van de werknemer. Dit deel wordt hem echter niet uitbetaald, doch in het gemeenschappelijk fonds gestort ter herverdeling onder de werknemers met kinderen. In wezen betaalt de werknemer zelf de premie. Wanneer, zoals in het nevenstaand wetsontwerp wordt voorgesteld, de werknemer zelf ook formeel tot premiebetaling zal worden verplicht, betekent zulks te zijnen opzichte in feite eigenlijk niets anders dan een legalisatie van de bestaande toestand. Deze legalisatie voert als vanzelf tot de gevolgtrekking dat de premiebetaling door de werknemer dient te worden gecompenseerd door een loonsverhoging, waartegenover voor de werkgever zal staan een verlaging van de premie voor de kinderbijslagverzekering voor loontrekkenden.
     Hoofdstuk IV van het onderhavige wetsontwerp vertoont zeer veel overeenkomst met hoofdstuk IV van de Algemene Ouderdomswet. De ondergetekenden mogen zich er daarom van ontslagen achten - afgezien van enkele punten welke hierna nog aan de orde worden gesteld - nogmaals in beschouwing te treden van onderdelen welke reeds uitvoerig toelichting vonden in de memorie van toelichting bij het ontwerp Algemene Ouderdomswet.
     De ondergetekenden zijn van oordeel dat de middelen tot dekking van de kosten aan de algemene kinderbijslagverzekering verbonden, gevonden moeten worden door het heffen van een procentuele premie naar rato van het inkomen. In een premie vastgesteld op een percentage van het inkomen komt het beginsel van heffing naar draagkracht - anders dan bij het invoeren van een uniforme premie - tot zijn recht. Een procentuele premie brengt voorts de solidariteitsgedachte, welke inhoudt dat de economisch sterkeren mede bijdragen voor de economisch zwakkeren, beter tot uitdrukking.
     De Sociaal-Economische Raad heeft in zijn advies van 14 mei 1954 voorts nog uitgesproken dat naar zijn mening de premie ten behoeve van de minst draagkrachtige niet-loontrekkenden - analoog aan de algemene ouderdomsverzekering - door de overheid betaald dient te worden. De ondergetekenden nemen dit advies over, omdat ook zij van oordeel zijn dat er aanleiding is om voor de minstdraagkrachtigen onder de
rblz.|30 l.k.| niet-loontrekkenden dezelfde regeling toe te passen als op dit punt voor de algemene ouderdomsverzekering geldt.
     In het voorliggende wetsontwerp wordt dan ook voorgesteld de door de niet-loontrekkenden verschuldigde premie niet in te vorderen indien het inkomen blijft beneden een bepaald bedrag. Dit bedrag is, analoog aan de algemene ouderdomsvoorziening, voor gehuwden gesteld op ƒ2100,- per jaar en voor ongehuwden op ƒ1500,- per jaar.
     Ook in de algemene kinderbijslagverzekering achten de ondergetekenden het van belang dat, ter voorkoming van een te snelle overgang, bij een inkomen boven genoemde bedragen niet onmiddellijk tot invordering van de gehele verschuldigde premie wordt overgegaan, maar dat een geleidelijk toenemend deel van de premie wordt ingevorderd. Wanneer, evenals bij de Algemene Ouderdomswet, het inkomen waarbij de gehele premie wordt ingevorderd ƒ1000,- hoger wordt gesteld dan de hierboven genoemde bedragen van ƒ2100,- en ƒ1500,-, zal er voldoende ruimte zijn voor een geleidelijk oplopende premieschaal.
     In het wetsontwerp is - gelijk ook in de Algemene Ouderdomswet het geval is - voorzien in de mogelijkheid tot wijziging van genoemde bedragen bij algemene maatregel van bestuur. De omstandigheid dat in het wetsontwerp dezelfde bedragen zijn aangehouden als momenteel voor de premie-invordering ingevolge de Algemene Ouderdomswet gelden, houdt derhalve niet in dat bij invoering van de Algemene Kinderbijslagwet ook inderdaad van de bedragen van ƒ1500,-/ƒ2100,- zou dienen te worden uitgegaan. De ondergetekenden zijn bereid verhoging van deze inkomensgrenzen te overwegen op het tijdstip waarop van de Algemene Kinderbijslagwet ten naaste bij vaststaat wanneer zij in werking kan treden.
     De overname van de premiebetaling door het Rijk zal naar het oordeel van de ondergetekenden, op het voetspoor van de Algemene Ouderdomswet, ook dienen te gelden voor de gevallen waarin na het opleggen van een premieaanslag blijkt dat de invordering der premie niet of niet ten volle mogelijk is wegens bijzondere, de verzekerde persoonlijk betreffende, doch hem niet toe te rekenen omstandigheden welke tot gevolg hebben dat de Sociale Verzekeringsbank voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet het nalaten der betaling niet als een schuldige nalatigheid aanmerkt.
     Het verdient naar de mening van de ondergetekenden ten slotte aanbeveling ook nog op een ander punt de algemene ouderdomsverzekering te volgen, namelijk op het punt van het stellen van een inkomensgrens waarboven de premie niet procentueel blijft, maar uniform wordt. In het onderhavige ontwerp van wet wordt dan ook voorgesteld bij de berekening van de premie buiten beschouwing te laten het inkomen voor zover dit boven de voor de Algemene Ouderdomswet geldende inkomensgrens - thans ƒ6900 per jaar - uitgaat.

 

8. Kosten en economische repercussies


A. Kosten

     De onderstaande berekeningen zijn uitgevoerd op basis van de te verwachten toestand over 1959.


1. Aantal kinderen

     Aangezien nagenoeg alle derde en volgende kinderen van de kinderen beneden de leeftijd van 16 jaar, waarmede gelijkgesteld worden studerende en invalide kinderen van 16 tot 27 jaar, onder de Algemene Kinderbijslagwet zullen vallen, dient allereerst een raming van dit aantal te worden gemaakt.

     Aan de hand van exacte gegevens per 1 januari 1957 en de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde prognoses omtrent de bevolkingsaanwas voor de jaren na 1957 kan het gemiddeld aantal kinderen over 1959 geraamd worden op ongeveer 3 587 000.
    
rblz.|30 r.k.| Het aantal studerende en invalide kinderen van 16 tot 27 jaar laat zich ramen op rond 225 000.
     Betreffende de verdeling van het aldus verkregen totale aantal ad 3 812 000 kinderen naar hun rangorde in het gezin staan geen cijfers ter beschikking. Een benadering hiervan is dientengevolge slechts mogelijk indien wordt verondersteld dat deze verdeling niet afwijkt van desbetreffende gegevens over het jaar 1955 van het Kinderbijslagvereveningsfonds voor loontrekkenden. In dat geval zou het totaal als volgt zijn opgebouwd:
69% eerste en tweede kinderen = 2 630 000;
15% derde kinderen = 572 000;
12% vierde en vijfde kinderen = 457 000;
4% zesde en volgende kinderen = 153 000;
Totaal = 3 812 000.

     In het licht van de gemaakte veronderstellingen dient hierbij dus te worden bedacht dat een enigszins andere verdeling van het genoemde totaal geenszins denkbeeldig is. In dat geval zal ook een geringe herziening van de hierna berekende premie nodig kunnen blijken.


2. Uitkeringen

     Op basis van de bovengenoemde aantallen derde kinderen, vierde en vijfde kinderen en zesde en volgende kinderen kunnen de uitkeringskosten ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet aan de hand van de in artikel 11 [12] van het wetsontwerp genoemde bedragen worden becijferd op circa ƒ294 mln per jaar. Rekening houdende met de omstandigheid dat het grootste deel van de studerende en invalide kinderen van 16 tot 27 jaar voor twee kinderen geteld wordt, dient dit bedrag naar schatting nog met ƒ36 mln te worden verhoogd. In totaal zullen de uitkeringskosten derhalve circa ƒ330 mln per jaar bedragen.
     Voor de loontrekkenden wordt daarnaast, althans voor zover zij niet op grond van artikel 5 van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden worden uitgezonderd, de kinderbijslag voor eerste en tweede kinderen gehandhaafd. Het totaal aantal kinderen van loontrekkenden kan geraamd worden op ongeveer 2 200 000, waarvan 917 000 eerste kinderen en 603 000 tweede kinderen zijn. De totale uitkeringskosten voor eerste en tweede kinderen van loontrekkenden kunnen - ook hier weer rekening houdende met de extra kinderbijslag voor studerende en invalide kinderen, welke circa ƒ9 mln zal kosten - worden geraamd op ƒ297 mln per jaar.


3. Premies

     Het premieplichtig inkomen is voor de Algemene Kinderbijslagwet geheel gelijk aan dat voor de ouderdomsvoorziening. Dit premieplichtig inkomen wordt voor het jaar 1959 geschat op ƒ15,7 miljard. Aangezien de uitkeringskosten in het voorgaande op ƒ330 mln werden geraamd, zal dus een premie van 2,1% (exclusief administratiekosten) noodzakelijk zijn.
     Voor uitkering van kinderbijslag aan eerste en tweede kinderen van loontrekkenden zal daarnaast nog een premie moeten worden geheven. De premieplichtige loonsom kan voor het jaar 1959 globaal geraamd worden op ƒ9.3 miljard. Aangezien het totale uitkeringsbedrag geraamd wordt op ongeveer ƒ297 mln per jaar, zal een premie van circa 3,2% (exclusief administratiekosten) nodig zijn.
     De beide genoemde premiepercentages behoeven slechts een geringe verhoging te ondergaan om de middelen te verkrijgen ter dekking van de administratiekosten. Afgerond zal de premie ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet op 2,2% kunnen worden gebracht en de premie ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden op 3,3%.


B. Economische repercussies

     Ten aanzien van de economische repercussies dient onderscheid te worden gemaakt tussen zelfstandigen en loontrekkenden.
    
rblz.|31 l.k.| Door de zelfstandigen zal ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet een premie moeten woeden opgebracht van circa 2,2% van het inkomen. Het meest in het oog springende gevolg hiervan zal zijn een verschuiving in de inkomenspositie binnen de groep der zelfstandigen. Door personen met drie of meer kinderen zal immers voortaan een uitkering worden ontvangen waartoe de middelen behalve door de loontrekkenden mede zijn bijeengebracht door de premiebetaling van zelfstandigen zonder, dan wel met slechts één of twee kinderen. Er is geen aanleiding om van deze inkomensverschuiving als zodanig economische repercussies van enige omvang te verwachten. Wel mag uiteraard de sociale betekenis groot worden geacht; in dit laatste komt dan ook de eigenlijke strekking van de wet tot uiting.
     In bepaalde gevallen zou het kunnen voorkomen dat de premie bezwaarlijk uit het inkomen kan worden voldaan en dus voor de betrokkenen tot moeilijkheden aanleiding geeft. Deze gevallen zullen echter in de praktijk beperkt in aantal blijken, aangezien in het wetsontwerp, geheel analoog aan de betreffende bepalingen van de algemene ouderdomsvoorziening, wordt voorgesteld de verschuldigde premie van de daarvoor in aanmerking komende niet-loontrekkenden niet of slechts ten dele in te vorderen. Naar zeer globale raming zal deze regeling een offer van de schatkist van circa ƒ10 mln vergen.
     Ten slotte moet rekening worden gehouden met een eventueel streven van de zijde der zelfstandigen een vermindering van het netto-inkomen te ontgaan door de premie in de prijzen door te berekenen. Dienaangaande moet allereerst worden opgemerkt dat het dringend gewenst is dat de zelfstandigen zich ter zake beperken tot die gevallen waarin zulks beslist onvermijdelijk is.
     Overigens menen de ondergetekenden zich te moeten onthouden van een definitief oordeel over het vraagstuk van doorberekening van de door de zelfstandigen op te brengen premie in de prijzen van goederen en diensten. De mogelijkheden hiertoe zullen eerst kunnen worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden waarin de zelfstandigen verkeren op het tijdstip van invoering der Algemene Kinderbijslagwet. Voorts merken zij op dat indien tot doorberekening zou worden overgegaan, het gemiddelde prijsniveau zelfs bij algehele doorberekening van de bescheiden premie slechts in zeer beperkte mate zou worden beïnvloed. Bovendien zal voor de doorberekening in het geheel geen motief aanwezig blijken te zijn in al die gevallen waarin de premie niet zal worden ingevorderd ofwel aanspraak op kinderbijslag bestaat; reeds bij uitkering van kinderbijslag voor één kind immers wordt het maximale premiebedrag ruimschoots door deze uitkering overtroffen.
     Voor de loontrekkenden geldt thans een premie van 4,6% (exclusief administratiekosten), welke wordt betaald door de werkgevers. In de toekomst zullen zij zelf tot premiebetaling moeten overgaan. Het premiepercentage voor beide wetten tezamen zal - onder andere in verband met de meerkosten van extra kinderbijslag voor studerende en invalide kinderen - enigszins hoger liggen dan het huidige premiepercentage ingevolge de Kinderbijslagwet, dat nog moet worden verhoogd met de opslag voor administratiekosten. Een looncompensatie om het de werknemers mogelijk te maken de premie voor de algemene kinderbijslagverzekering te voldoen, zal voor het grootste deel gevonden kunnen worden in de vermindering welke de huidige kinderbijslagpremie zal ondergaan.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1 [1]

     In dit artikel wordt bepaald dat slechts als gehuwde man, gehuwde vrouw, echtgenoot of echtgenote worden beschouwd echtelieden die niet duurzaam gescheiden van elkaar leven. De gehuwden die van tafel en bed zijn gescheiden of in feite duurzaam gescheiden van elkaar leven, worden als ongehuwden aangemerkt. Deze onderscheiding is in het bijzonder van belang voor de premiebetaling.
     De in dit artikel gegeven onderscheiding tussen "gehuwd" en "ongehuwd" is overigens gelijk aan die welke in artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet en in artikel 2, tweede lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 is aangegeven.

rblz.|31 r.k.| 

Artikel 2 [2]

     Aangezien, zoals in het algemene deel dezer memorie is uiteengezet, de met dit wetsontwerp beoogde kinderbijslagverzekering de gehele bevolking dient te omvatten, wordt in artikel 6 [6] bepaald dat iedere "ingezetene" - van de leeftijd van 15 jaar af - verzekerd is.
     In artikel 2 [2] wordt een definitie van het begrip ingezetene gegeven. Ingezetene is ieder die in Nederland woont.

 

Artikel 3 [3]

     De bewoordingen van dit artikel stemmen overeen met die van artikel 3 van de Algemene Ouderdomswet en zijn - dit met het oog op de premie-inning door de belastingdienst - ontleend aan artikel 3 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941.
     Niet alleen zijn de bepalingen, in dit artikel vervat, van betekenis voor de vaststelling of iemand al dan niet ingezetene en daardoor verzekerde is, maar ook voor elke andere bepaling in de wet waarin van iemands woonplaats sprake is. Dit is bijvoorbeeld het geval in artikel 8 [8], waarbij de woonplaats van een kind ten aanzien van het recht op kinderbijslag van betekenis kan zijn.
     De hoofdregel is vervat in het eerste lid van het voorgestelde artikel. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Niet bepalend zijn derhalve de afhankelijke woonplaatsen van minderjarigen en van handelingsonbekwamen welke het Burgerlijk Wetboek kent.
     Door de aansluiting bij artikel 3 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 is de jurisprudentie welke zich omtrent dit artikel heeft gevormd tevens van belang voor de toepassing van artikel 3 [3] van het onderhavige ontwerp.
     De woonplaats vastgesteld op grond van artikel 3 [3] stemt vrijwel steeds overeen met de woonplaats welke het bevolkingsregister aangeeft. In een gering aantal gevallen kan artikel 3 [3] tot afwijking van de gegevens van het bevolkingsregister leiden, bijvoorbeeld bij zeevarenden en in gevallen van tijdelijk verblijf in het buitenland.

 

Artikel 4 [4]

     Dit artikel bepaalt dat in de uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering wordt voorzien door de Sociale Verzekeringsbank. In het algemeen deel dezer memorie werd hieromtrent reeds een uitvoerige uiteenzetting gegeven. Daarbij werd tevens aangegeven dat de Rijksbelastingdienst zal worden belast met de heffing en de invordering van de door de verzekerden verschuldigde premies.

 

Artikel 5 [5]

     Op dezelfde wijze als dit in de Algemene Ouderdomswet het geval is, is in dit artikel de mogelijkheid geopend dat ook de Raden van Arbeid een werkzaam aandeel in de uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering kunnen krijgen.

 

Artikel 6 [6]

     Zoals reeds in het algemeen deel dezer memorie werd uiteengezet, is het de bedoeling dat de kring der verzekerden ingevolge dit wetsontwerp zoveel mogelijk gelijk zal zijn aan die van de Algemene Ouderdomswet. Het onderhavige artikel is dan ook nagenoeg gelijkluidend aan artikel 6 van laatstbedoelde wet. Slechts op één punt - hetwelk in hoofdstuk 5 van het algemeen deel dezer memorie is toegelicht - bestaat er verschil. Ingevolge de Algemene Ouderdomswet eindigt de verzekering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd; in het onderhavige wetsontwerp loopt de verzekering ook nadien door.

 

Artikel 7 [7]

     In het eerste lid van dit artikel wordt een opsomming gegeven van de kinderen waarvoor de verzekerde - te rekenen van het derde kind - aanspraak op kinderbijslag kan maken. Ingevolge het bepaalde onder a behoren daartoe in de eerste plaats de tot het huishouden van de verzekerde behorende eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen beneden de leeftijd van 16 jaar. In het algemeen deel dezer toelichting is in paragraaf 6.3 de achtergrond van deze bepaling reeds uiteengezet, namelijk dat wordt aangenomen dat men in het algemeen de tot zijn huishouden behorende eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen op zijn kosten onderhoudt.
    
rblz.|32 l.k.| Krachtens het bepaalde onder b mag de verzekerde tot de bovenbedoelde kinderen tevens meetellen de eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen die niet behoren tot zijn eigen huishouden, doch tot het huishouden van zijn gewezen echtgenoot of van de echtgenoot van wie hij duurzaam gescheiden leeft, mits hij deze kinderen grotendeels op zijn kosten onderhoudt. De aandacht wordt erop gevestigd dat in de onderwerpelijke bepaling niet kon worden gesproken van "gewezen echtgenoot" of van de "echtgenoot van wie de verzekerde duurzaam gescheiden leeft", zulks in verband met de omstandigheid dat de Algemene Kinderbijslagwet - evenals trouwens de Algemene Ouderdomswet - in artikel 1 [1] een definitie van het begrip "echtgenoot" en "echtgenote" geeft welke hier niet gehanteerd kan worden.
     In de derde plaats behoren tot de kinderen waarvoor de verzekerde - te rekenen van het derde kind - recht op kinderbijslag heeft eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen die niet als zodanig behoren tot het huishouden van een ander en waarvoor derhalve noch op grond van de bepaling onder a, noch op grond van de bepaling onder b aanspraak op kinderbijslag kan worden gemaakt, mits de betrokkene deze kinderen in belangrijke mate op zijn kosten onderhoudt. In het algemeen deel dezer memorie - paragraaf 6.3 - hebben de ondergetekenden reeds de overwegingen vermeld op grond waarvan met betrekking tot het recht op kinderbijslag voor deze kinderen niet de voorwaarde van het grotendeels onderhouden is gesteld, doch van het onderhouden in belangrijke mate.
     De bepalingen onder d en e betreffen de studerende en invalide kinderen van 16 tot 27 jaar. Behoudens dat een enigszins eenvoudiger redactie is gekozen, zijn de bepalingen onder d en e overigens gelijk aan die van artikel 19, derde en vierde lid, van de bestaande Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden).
     Het bepaalde in het tweede lid bedoelt aan te geven welke kinderen als pleegkinderen zijn te beschouwen. De ondergetekenden hebben het nodig geoordeeld een desbetreffende definitie op te nemen om op dit punt begripsverwarringen te voorkomen.
     Het derde lid geeft de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bevoegdheid om te bepalen wat onder het onderhouden in belangrijke mate van de kinderen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, d en e, dient te worden verstaan, zoals ook aan het onderhouden van kinderen in belangrijke mate, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de bestaande Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden) een inhoud is gegeven bij de Beschikking van 22 januari 1951, Stcrt. 1951, 17. In het algemeen deel dezer memorie werd reeds aangegeven welke onderhoudsnorm de ondergetekenden voor ogen staat betreffende de kinderen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, enerzijds en welke betreffende de kinderen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d en e, anderzijds. In de tweede plaats kan de bovengenoemde Minister regelen stellen omtrent vergelijking van de verdiensten van invalide kinderen die nog gedeeltelijk tot werken in staat zijn, met de verdiensten van lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen die in gelijke omstandigheden verkeren, teneinde te kunnen vaststellen of voor deze invalide kinderen aanspraak op kinderbijslag zal kunnen worden gemaakt.
     Zoals het eerste lid van artikel 7 [7] thans is geredigeerd, is het mogelijk dat in een aantal gevallen samenloop van kinderbijslagrechten optreedt. Een zodanige samenloop is mogelijk tussen echtgenoten wat betreft de tot hun huishouden behorende kinderen, tussen een verzekerde tot wiens huishouden het desbetreffende kind behoort en de verzekerde die dit kind grotendeels op zijn kosten onderhoudt, tussen verzekerden die hetzelfde kind dat niet tot een huishouden behoort in belangrijke mate onderhouden en ten slotte tussen verzekerden die hetzelfde studerende of invalide kind dat ouder is dan 16 jaar in belangrijke mate op hun kosten onderhouden. Uiteraard zal dit niet tot gevolg mogen hebben dat voor hetzelfde kind meer dan eenmaal kinderbijslag wordt uitbetaald. In de artikelen 13 [-], 14 [-] en 15 [20] van het wetsontwerp worden ter voorkoming van dubbele uitbetaling van kinderbijslag voor hetzelfde kind dan ook nadere voorzieningen getroffen. Doch dat niettemin de formulering zodanig is dat in beginsel samenloop
rblz.|32 r.k.| van recht op kinderbijslag voor hetzelfde kind mogelijk is, vindt in de eerste plaats zijn grond in de mogelijkheid tot coördinatie van dit recht met het recht op kinderaftrek in het Besluit op de Loonbelasting 1940, zulks in verband met de toepassing van de op dit Besluit steunende coördinatietabel voor de loonbelasting. Daarbij diende in het bijzonder rekening te worden gehouden met het recht op kinderaftrek in het Besluit op de Loonbelasting 1940 en de toepassing van de coördinatietabel voor de loonbelasting. Om het de werkgevers zo eenvoudig mogelijk te maken, dient ernaar te worden gestreefd dat ten aanzien van zoveel mogelijk loonbelastingplichtigen de coördinatietabel zal kunnen worden gebruikt. Voorwaarde voor het gebruik van deze tabel is echter dat de loonbelastingplichtige met kinderen waarvoor hij kinderaftrek geniet tevens aanspraak op kinderbijslag voor die kinderen kan maken. Zouden nu bepaalde groepen van verzekerden - in de eerste plaats valt hierbij te denken aan gehuwde vrouwen die in loondienst werkzaam zijn - van het recht op kinderbijslag zijn uitgesloten om op die wijze cumulatie van kinderbijslagrechten te voorkomen, dan zou het niet meer mogelijk zijn ten aanzien van deze verzekerden de coördinatietabel toe te passen. De werkgevers zouden in deze gevallen gedwongen zijn de gewone loonbelastingtabel toe te passen, met alle daaraan verbonden moeilijkheden van herleiding van het brutoloon tot fiscaal loon.
     Nog een andere overweging heeft hierbij gegolden. Het is namelijk zo dat wanneer twee verzekerden aanspraak op kinderbijslag voor hetzelfde kind kunnen maken, het bedrag van de kinderbijslag verschillend kan zijn. Dit hangt namelijk af van de plaats van het desbetreffende kind in de rangorde naar leeftijd van de kinderen, waarvoor elke verzekerde afzonderlijk - te rekenen van het derde kind - aanspraak heeft. Zou het recht op kinderbijslag aan een bepaalde verzekerde niet worden verleend, omdat een ander reeds voor hetzelfde kind recht heeft, dan zou het tevens niet meer mogelijk zijn om aan de eerstbedoelde verzekerde eventueel de meerdere kinderbijslag in verband met de progressie uit te keren. Dit achten de ondergetekenden bepaald onbillijk en het zou ook niet in overeenstemming zijn met de grondgedachte van de progressie naar kindertal welke in de kinderbijslagbedragen is verdisconteerd.

 

Artikel 8 [8]

     In artikel 7 [7] is ten aanzien van de aldaar genoemde kinderen niet de voorwaarde van het hier te lande wonen gesteld.
     Deze voorwaarde lijkt niet op zijn plaats nu het recht op kinderbijslag in het algemeen slechts toevalt aan degene die binnen het Rijk woont. Niettemin zou het ten aanzien van de verzekerden die niet binnen het Rijk wonen wenselijk kunnen zijn in bepaalde gevallen deze voorwaarde wel te stellen. Hierin voorziet het bepaalde onder a van dit artikel.
     In artikel 7 [7] is voorts alleen sprake van eigen kinderen, aangehuwde kinderen en pleegkinderen. Het zal evenwel kunnen voorkomen dat een verzekerde kinderen op zijn kosten onderhoudt die geen eigen of aangehuwde kinderen van hem zijn en evenmin als zijn pleegkinderen kunnen worden beschouwd. Te denken valt bijvoorbeeld aan een verzekerde die zijn jongere broers of zusters op zijn kosten onderhoudt. Het zou in bepaalde gevallen onbillijk kunnen zijn aan deze verzekerde het recht op kinderbijslag voor de desbetreffende kinderen te onthouden, alleen omdat deze kinderen geen eigen of aangehuwde kinderen zijn en ook niet als pleegkinderen kunnen worden beschouwd. In verband hiermede is in artikel 8 [8], onderdeel b en c, aan de Minister bevoegdheid verleend om in bepaalde gevallen kinderen met pleegkinderen gelijk te stellen en daarbij zo nodig te bepalen dat de verzekerde met deze kinderen een huishouding vormt.

 

Artikel 9 [9]

     Ingevolge dit artikel wordt het studerende of invalide kind van 16 tot 27 jaar dat grotendeels door de verzekerde wordt onderhouden, voor de vaststelling van het aantal kinderen waarvoor recht op kinderbijslag bestaat, voor twee kinderen geteld. De praktische toepassing van deze bepaling komt hierop neer dat het aantal kinderen van de verzekerde met rblz.|33 l.k.| een fictief kind wordt uitgebreid. Dit fictieve kind levert dan de extra kinderbijslag op, die ook bedoeld is als een extra tegemoetkoming in de onderhoudskosten van het studerende of invalide kind.

 

Artikel 10 [11]

     Dit artikel komt overeen met artikel 20 van de tegenwoordige Kinderbijslagwet.

 

Artikel 11 [12]

     In dit artikel worden de bedragen van de kinderbijslag vastgesteld. Het is, nu ingevolge het onderhavige wetsontwerp alle ingezetenen verzekerd zijn, aan te nemen dat verreweg het grootste deel der verzekerden steeds over een volledig kalenderkwartaal recht op kinderbijslag heeft. Met het oog hierop verdient het aanbeveling in de wet kwartaalbedragen aan kinderbijslag op te nemen.
     Niettemin moet er rekening mede gehouden worden dat in een aantal gevallen niet tot uitkering van het volledige kwartaalbedrag zal kunnen worden overgegaan. Voornamelijk valt hierbij te denken aan gevallen van overlijden en migratie van de verzekerde.
     Voor deze en soortgelijke gevallen is het noodzakelijk dat de kinderbijslag kan worden uitgekeerd over even zoveel dagen als de betrokkene in het desbetreffende kwartaal verzekerd is geweest. In verband hiermede is in het tweede lid bepaald dat degene die niet over het volle kwartaal verzekerd is, voor elke dag waarop hij dat wel is 1/78 deel van de in het eerste lid genoemde bedragen ontvangt. De genoemde bedragen zijn gelijk aan 78 maal de desbetreffende dagbedragen van de kinderbijslag voor derde en volgende kinderen in de tegenwoordige Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden).
     Voor zover de verzekerde recht op kinderbijslag heeft op grond van de omstandigheid dat hij ingezetene is, ligt het voor de hand dit recht niet te verlenen over zondagen. Niettemin zou het kunnen voorkomen dat het in bepaalde gevallen onbillijk zou werken wanneer een verzekerde geen recht op kinderbijslag zou hebben over zondagen. Te denken valt aan grensarbeiders die niet verzekerd zijn omdat zij ingezetene zijn, doch omdat zij hier te lande arbeid in dienstbetrekking verrichten. In die gevallen zou het kunnen blijken aanbeveling te verdienen ook over zondagen - althans voor zover op zondagen arbeid verricht wordt - kinderbijslag te verlenen. De mogelijkheid daartoe wordt in het derde lid geopend.

 

Artikel 12 [14]

     De procedure tot het verkrijgen van kinderbijslag zal over het geheel genomen gelijk kunnen zijn aan die voor het verkrijgen van de kinderbijslag krachtens de bestaande Kinderbijslagwet. Dit is van grote betekenis, omdat het merendeel van de werknemers die straks verzekerd zullen zijn in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet aan de in de Kinderbijslagwet gevolgde uitkeringswijze gewend is. Ook de kleine zelfstandigen, die thans kinderbijslag krachtens de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen genieten, zijn hiermede vertrouwd.
     In het eerste lid van dit artikel wordt voorgesteld de kinderbijslag driemaandelijks te doen uitkeren, hetgeen in overeenstemming is met de betalingstermijnen voor de kinderbijslag krachtens de tegenwoordige Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden).
     Het derde lid beoogt het mogelijk te maken dat het betrokken uitvoeringsorgaan naast de betaling van kinderbijslagen ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering ook nog hiermede verband houdende andere betalingen kan doen. De ondergetekenden hebben hierbij het oog op eventuele aanvullende kinderbijslagregelingen.
     Het vierde lid beoogt de mogelijkheid te openen om in bepaalde gevallen de procedure tot het verkrijgen van kinderbijslag bij ministeriële beschikking te regelen. Op grond van deze bepaling kunnen dan, zoals dit ook in de thans bestaande Kinderbijslagwet is geregeld, bepaalde werkgevers in de gelegenheid worden gesteld de Algemene Kinderbijslagwet zelf gedeeltelijk - waaronder de betaling van de kinderbijslag - uit te voeren indien zij daar prijs op stellen, in aansluiting op de Kinderbijslagwet voor eerste en tweede kinderen van loontrekkenden, welke zij ook zelf ten dele zullen kunnen uitvoeren.

rblz.|33 r.k.| 

Artikel 13 [-]

     Zoals reeds in de toelichting op artikel 7 [7] werd gezegd, treedt in bepaalde gevallen samenloop van kinderbijslagrechten op. Artikel 13 [-] strekt ertoe de door een zodanige samenloop mogelijk geworden dubbele uitbetaling van kinderbijslag voor hetzelfde kind te voorkomen.
     Het bepaalde in het eerste lid van artikel 13 [-] betreft de samenloop van recht op kinderbijslag tussen echtgenoten voor de tot hun huishouding behorende kinderen.
     Ingevolge de voorgestelde bepaling zal bij een zodanige samenloop alleen de kinderbijslag waarop de echtgenoot recht heeft voor uitbetaling in aanmerking komen. Het zal evenwel kunnen voorkomen dat de echtgenote op een hoger bedrag aan kinderbijslag aanspraak kan maken dan haar echtgenoot. In verband hiermede wordt voorgesteld aan de echtgenote alleen te doen uitbetalen de kinderbijslag voor zover die hoger is dan de kinderbijslag van haar echtgenoot. Naar de mening van de ondergetekenden dient echter zoveel mogelijk te worden voorkomen dat de kinderbijslag voor tot hetzelfde huishouden behorende kinderen gesplitst betaalbaar zou moeten worden gesteld, namelijk aan de echtgenoot en aanvullend aan de echtgenote. In verband hiermede is in dit lid de bepaling opgenomen dat de aan de echtgenote toekomende aanvullende kinderbijslag ook aan de echtgenoot betaalbaar kan worden gesteld, uiteraard tegelijk met de aan hem toekomende kinderbijslag.
     Het bepaalde in het tweede lid betreft de samenloop van kinderbijslagrechten tussen de verzekerde tot wiens huishouden het kind behoort enerzijds en de verzekerde die dit - niet tot zijn huishouden behorend - kind grotendeels op zijn kosten onderhoudt anderzijds. De grondgedachte van de formulering van het recht op kinderbijslag, zoals deze in paragraaf 6.3 van het algemeen deel dezer memorie is toegelicht, brengt naar de mening van de ondergetekende mede dat bij een zodanige samenloop de kinderbijslag wordt uitbetaald aan degene die het desbetreffende kind grotendeels op zijn kosten onderhoudt. Aan degene tot wiens huishouden dit kind behoort, zal alleen worden uitbetaald de kinderbijslag voor zover die hoger is dan het bedrag van de aanspraak van eerstbedoelde verzekerde. Degene tot wiens huishouden het kind behoort, behoudt het voordeel dat hij dit kind mag meetellen tot de kinderen waarvoor hij - van het derde kind - aanspraak op kinderbijslag kan maken. Hierdoor zal hij voor dit kind eventueel de meerdere kinderbijslag in verband met de progressie naar kindertal kunnen ontvangen.

 

Artikel 14 [-]

     Dit artikel betreft het samenlopen van kinderbijslagrechten ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering met die ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, welke voorshands zal blijven bestaan voor wat betreft de eerste twee kinderen van de loontrekkenden.
     Het eerste lid betreft het samenlopen van de bovenbedoelde rechten tussen een arbeider in de zin der Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en een verzekerde ingevolge de onderhavige wet voor de tot hun - hetzelfde - huishouden behorende kinderen. Voorgesteld wordt in zodanige samenloopgevallen de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden te laten voorgaan en de aanspraak ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering daarop te laten aansluiten voor zover deze het bedrag van de loontrekkerskinderbijslag overtreft. Ook met betrekking tot deze gevallen doet zich het bezwaar voor dat de kinderbijslag voor tot één huishouden behorende kinderen, zij het ook op grond van twee verschillende wetten, gesplitst betaalbaar zou moeten worden gesteld, namelijk aan de één de kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en aan de ander de aanvullende kinderbijslag ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering. Om dit bezwaar zoveel mogelijk te ondervangen, wordt voorgesteld een bepaling op te nemen waardoor de aanvullende kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet kan worden uitbetaald aan degene aan wie ook de prevalerende kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden wordt uitbetaald.
     Het tweede lid betreft het samenlopen van de rechten
rblz.|34 l.k.| ingevolge de beide wetten met betrekking tot een arbeider in de zin van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden tot wiens huishouden een kind behoort en een verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet die dit kind in feite grotendeels onderhoudt. Vasthoudende aan het aan de formulering van het recht op kinderbijslag in beide wetten ten grondslag liggende onderhoudsbeginsel, dient naar de mening van de ondergetekenden de kinderbijslag te worden uitbetaald aan degene die daarop aanspraak maakt vanwege het feitelijk grotendeels onderhouden. De aanspraak welke wordt gemaakt vanwege het tot het huishouden behoren, sluit daarop aan voor zover die de eerstbedoelde aanspraak overtreft. In verband hiermede is in dit lid bepaald dat indien het desbetreffende kind behoort tot het huishouden van een verzekerde, terwijl een arbeider in bovenbedoelde zin dit kind feitelijk grotendeels onderhoudt, de kinderbijslag ingevolge de onderhavige wet slechts wordt uitbetaald voor zover deze het bedrag van de loontrekkerskinderbijslag voor hetzelfde kind overtreft.

     Door de in dit en het vorige artikel [-] voorgestelde bepalingen wordt in het merendeel der gevallen waarin samenloop van kinderbijslagrechten, hetzij afzonderlijk in de Algemene Kinderbijslagwet, hetzij tussen deze wet en de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, optreedt, dubbele betaling van kinderbijslag voor hetzelfde kind voorkomen. Met deze bepalingen wordt echter niet in alle gevallen waarin samenloop van kinderbijslagrechten kan voorkomen een daardoor mogelijk geworden dubbele betaling tegengegaan. Men denke bijvoorbeeld aan het geval waarin twee verzekerden zonder gehuwd te zijn een huishouden vormen waartoe kinderen behoren. Verder zal nog moeten worden geregeld de samenloop van kinderbijslagrechten met betrekking tot kinderen die door meer dan één verzekerde in belangrijke mate worden onderhouden, namelijk de kinderen, bedoeld in artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel c, d en e. De anticumulatiebepalingen voor de bovenbedoelde en eventuele andere nog niet voorziene samenloopgevallen zullen in een nadere door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid te treffen beschikking worden geregeld. In deze beschikking zal uiteraard zoveel mogelijk worden vastgehouden aan de uitgangspunten welke ook bij de in de wet geregelde gevallen in acht zijn genomen. Bij deze beschikking kunnen dan tevens zo nodig bepalingen worden opgenomen om te voorkomen dat over meer dan 78 dagen in hetzelfde kwartaal voor hetzelfde kind kinderbijslag wordt uitgekeerd.

 

Artikel 15 [20]

     Dit artikel is ontleend aan de Kinderbijslagwet. Het bedoelt aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bevoegdheid te verlenen tot het treffen van maatregelen ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag krachtens de onderhavige wet en een in het buitenland geldende kinderbijslagvoorziening.

 

Artikel 16 [21]

     Ook dit artikel is ontleend aan de bestaande Kinderbijslagwet.
     Indien een verzekerde slechts in belangrijke mate in het onderhoud van zijn eigen of aangehuwde kinderen of pleegkinderen die niet tot het huishouden van een andere verzekerde behoren, bijdraagt, waardoor hij op grond van artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel c, recht op kinderbijslag voor hen heeft, zal de kinderbijslag niet aan hem moeten worden uitgekeerd indien te verwachten is dat deze bijslag niet ten behoeve van het kind zal worden besteed. Bepaalde verzekerden, wetende dat de kinderbijslag toch niet aan hen zal worden uitgekeerd, zullen niet de moeite nemen deze bijslag aan te vragen. In die gevallen kan de aanvrage door de betrokken raad voor de kinderbescherming geschieden.

 

Artikel 17 [-]

     De inhoud van dit artikel spreekt voor zichzelf en behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 18 [23]

     Ingevolge artikel 1177 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle roerende en onroerende goederen van de schuldenaar, zowel tegenwoordige als toekomstige, voor deszelfs persoonlijke verbindingen aansprakelijk.
    
rblz.|34 r.k.| Hiertoe behoort ook de aan deze toekomende kinderbijslag; in verband hiermede zou in voorkomende gevallen ook de kinderbijslag vatbaar zijn voor beslag. De kinderbijslag wordt echter gegeven voor de verzorging van het desbetreffende kind. Het zou daarom niet juist zijn wanneer deze voor een ander doel zou worden aangewend. Dit zou echter wel het geval kunnen zijn wanneer deze bijslag onbeperkt voor beslag vatbaar zou zijn. Daarom wordt in het onderhavige artikel de mogelijkheid van beslag uitdrukkelijk beperkt tot de gevallen waarin dit beslag dient tot verhaal van een uitkering tot onderhoud van het kind.
     Met deze bepaling wordt elk beslag op kinderbijslag uitgesloten voor verhaal van uitkering voor onderhoud voor anderen dan het betrokken kind. In dit opzicht betekent de onderhavige voorziening dus een uitzondering op de algemene beginselen welke aan de artikelen 479c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en 67, vierde lid, van de Armenwet ten grondslag liggen. Deze uitzondering sluit echter geheel aan bij de gedachte dat de kinderbijslag wordt gegeven ten behoeve van het kind.

 

Artikel 19 [22+24]

     De bepalingen omtrent verjaring van betaalbaar gestelde kinderbijslag welke niet is ingevorderd, alsmede van de rechtsvordering wegens kinderbijslag, zijn ontleend aan de huidige Kinderbijslagwet. De verjaringstermijnen welke in de Kinderbijslagwet op vier respectievelijk zes maanden zijn gesteld, zijn in het ontwerp Algemene Kinderbijslagwet echter ruimer genomen en op twee jaren gebracht.
     Het is de ondergetekenden wenselijk voorgekomen de terugvordering van ten onrechte genoten kinderbijslag door inhouding op later betaalbaar te stellen kinderbijslag niet te beperken tot uitsluitend kinderbijslag ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering. Deze terugvordering zal naar hun mening ook mogelijk dienen te zijn met betrekking tot betaalbaar te stellen kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, de Kinderbijslagwet voor wezenrentetrekkers en ingevolge de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden. Tegengegaan dient te worden dat kinderbijslag krachtens de ene voorziening zou moeten worden uitgekeerd, niettegenstaande de betrokkene krachtens de andere voorziening ten onrechte kinderbijslag voor hetzelfde kind heeft genoten en weigert deze terug te betalen.

 

Artikelen 20 [-] en 21 [-]

     De middelen tot dekking van de uit te keren kinderbijslag en de aan de uitvoering van deze verzekering verbonden kosten zullen gevonden worden door het heffen van premies van de verzekerden.
     Zoals in het algemeen deel dezer memorie reeds is aangegeven, wordt geen premie meer geheven van degene die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.
     Eveneens is niet meer aan de premieheffing onderworpen de verzekerde die zelf nog niet, doch wiens echtgenote wel reeds de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die, doordat zijn echtgenote als kostwinster is aan te merken, recht heeft op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Voor wat de premieheffing ingevolge de Algemene Ouderdomswet betreft, is deze bepaling reeds opgenomen in artikel 26, zevende lid, van die wet. Vanwege de uniformiteit in opbouw van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet wordt in artikel 47 [-] van dit wetsontwerp voorgesteld de betreffende bepaling over te brengen van artikel 26, zevende lid, naar artikel 23 van de Algemene Ouderdomswet.
     De premies worden gestort in het Algemeen Kinderbijslagfonds, dat beheerd wordt door de Sociale Verzekeringsbank.

 

Artikel 22 [-]

     Dit artikel bepaalt dat de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid nadere voorschriften vaststelt omtrent belegging van de middelen van het Algemeen Kinderbijslagfonds, nadat hierover de Sociale Verzekeringsraad zal zijn gehoord.

rblz.|35 l.k.| 

Artikel 23 [-]

     Zoals in het algemeen deel dezer memorie reeds is toegelicht, is het de bedoeling dat de wijze van premieheffing en -inning geheel aansluit bij die welke bij de Algemene Ouderdomswet in acht wordt genomen. De redactie van dit artikel is dan ook overgenomen van artikel 26 van de Algemene Ouderdomswet. De toelichting op dit artikel - en ook op de volgende artikelen - stemt dan ook vrijwel overeen met de toelichting op de dienovereenkomstige bepalingen van de Algemene Ouderdomswet en wijkt hiervan alleen af waar de aard van het onderwerp dit vordert.


Tweede lid

     Voor de bepaling van het premieplichtig inkomen is aansluiting gezocht bij het inkomen waarover daadwerkelijk inkomsten- of loonbelasting wordt geheven. De omschrijving van het begrip "inkomen" in het onderhavige lid sluit dan ook nauw aan bij het inkomen waarover inkomstenbelasting wordt geheven. Ten aanzien van de krachtens de voorgestelde voorziening verschuldigde premie, de ingevolge die voorziening uit te keren kinderbijslagen, de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de ingevolge die wet uit te keren pensioenen wordt echter in het ontwerp van het belastbaar inkomen afgeweken.


Derde lid

     Evenals bij de algemene ouderdomsverzekering is het gewenst dat ook bij de algemene kinderbijslagverzekering voor de premieheffing het inkomen en de aftrekposten (buitengewone lasten en giften) van de gehuwde vrouw tot die van haar man worden gerekend, omdat zulks ook bij het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 het geval is ingevolge de artikelen 2, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 51, vijfde lid, en 51a, vijfde lid. Het gevolg hiervan is dat de gehuwde vrouw, alhoewel in beginsel premieplichtig, in feite geen premie behoeft te betalen, omdat zij voor de algemene kinderbijslagverzekering niet geacht wordt een eigen inkomen te hebben. De gehuwde man betaalt nu premie over het gemeenschappelijk inkomen van de beide echtelieden. Dit alles is geheel in overeenstemming met de gang van zaken bij de inkomstenbelasting, waarbij ten aanzien van een echtpaar in feite alleen de man in de heffing wordt betrokken. Het is echter niet gewenst deze gedragslijn ook aan te houden in de gevallen waarin de man of de vrouw, nog geen 65 jaar zijnde, niet verzekerd is. Dit zou immers meebrengen dat een verzekerde gehuwde vrouw wier man niet verzekerd en nog geen 65 jaar is, kinderbijslag zou kunnen claimen zonder dat premie wordt betaald. Omgekeerd zou, indien de vrouw niet verzekerd zou zijn maar de man wel, de man premie moeten betalen over het gemeenschappelijk inkomen van hemzelf en zijn echtgenote, zonder dat zijn echtgenote verzekerd is en recht op kinderbijslag heeft.
     In verband daarmede dienen vorenbedoelde bepalingen van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 ten aanzien van de hier bedoelde gevallen buiten toepassing te blijven. In deze gevallen worden dus het inkomen en de aftrekposten van de gehuwde vrouw niet tot die van haar man gerekend.
     Ten slotte is het gewenst, in aansluiting aan artikel 43 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, het anders dan uit dienstbetrekking verworven inkomen van de kinderen waarvoor kinderaftrek voor de inkomstenbelasting wordt genoten, bij dat van de ouders te voegen.


Vierde lid

     In artikel 27 [-], tweede lid, van het ontwerp wordt voorgesteld ten aanzien van degenen van wie belasting wordt geheven bij wijze van inhouding, ook de premies aldus te heffen. Het ligt voor de hand in deze gevallen voor de bepaling van het premieplichtig inkomen aansluiting te zoeken bij het loon respectievelijk de inkomsten waarover belasting wordt ingehouden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met een vaste aftrek van ƒ100,- voor verwervingskosten en persoonlijke verplichtingen, waarmede ook voor de loonbelasting rekening wordt gehouden.
     Evenals bij de bepaling van het premieplichtig inkomen in de gevallen waarin de premies bij wege van aanslag worden geheven, zal ook bij de bepaling van het premieplichtig inkomen in de gevallen waarin de premie bij wijze van
rblz.|35 r.k.| inhouding wordt geheven, van het belastbare loon respectievelijk de belastbare inkomsten moeten worden afgeweken ten aanzien van de ingevolge de voorgestelde voorziening verschuldigde premies, de ingevolge die voorziening uit te keren kinderbijslagen, de premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de ingevolge die wet uit te keren pensioenen.

 

Vijfde lid

     Het is in navolging van de algemene ouderdomsverzekering voorts wenselijk te bepalen dat verzekerden die loon of daarmede overeenkomende inkomsten genieten steeds, indien zij kinderen hebben, geacht worden overeenkomstig de bepalingen van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden kinderbijslag te hebben genoten, ongeacht of zij al dan niet voor hun eerste en tweede kinderen in feite kinderbijslag hebben genoten, dan wel ingevolge welke regeling zij die hebben genoten. Niet alleen brengt dit met zich mede dat gelijkheid in behandeling ontstaat, maar bovenal is deze regeling noodzakelijk om het mogelijk te maken dat ook de gewone tabel voor de loonbelasting zodanig met de premietabel wordt gecombineerd dat naast het loon, respectievelijk de inkomsten, waarop de tabel moet worden toegepast, rechtstreeks de premie en de loonbelasting staan aangegeven.
     De ondergetekenden willen er nog op wijzen dat door de voorgestelde redactie van dit lid wordt bereikt dat ook personen met kinderen van wie de premies slechts gedeeltelijk bij wijze van inhouding worden geheven, over de periode waarop de inhouding betrekking heeft steeds geacht worden kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet (voor loontrekkenden) te genieten. Dit brengt mede dat bij het bepalen ingevolge het tweede lid van het premieplichtig inkomen, voor de heffing bij wege van aanslag een bedrag gelijk aan de wettelijke kinderbijslag op het inkomen in mindering moet worden gebracht. De bij de premieheffing bij wijze van inhouding eenmaal verleende aftrek op het inkomen wegens aanspraak op kinderbijslag blijft dus gehandhaafd indien naderhand eventueel aanvullende premieheffing bij wege van aanslag plaatsvindt.


Zesde lid

     De inkomenslimiet voor de premieheffing vond reeds bespreking in hoofdstuk 7 van het algemeen deel dezer memorie. In enkele gevallen achten de ondergetekenden evenwel een verlaging van deze grens een eis van billijkheid.
     Wanneer bijvoorbeeld van een echtpaar de man op 1 juli overlijdt, zou zonder nadere voorziening op dit punt de man over het eerste halfjaar het maximale premiebedrag verschuldigd kunnen zijn en de weduwe daarenboven nog eens over het tweede halfjaar, terwijl zonder overlijden van de man het maximale premiebedrag slechts eenmaal verschuldigd zou zijn. Daarom is voor deze en dergelijke gevallen een bijzondere regeling opgenomen die dit ongewenste gevolg wegneemt.


Zevende lid

     In de gevallen waarin de premie wordt geheven bij wijze van inhouding geschiedt deze inhouding meestal niet per jaar, maar per week of per maand. Hierdoor kan het voorkomen dat aanvankelijk relatief te veel premie wordt ingehouden.
     Het is gewenst dat bij ministeriële beschikking, welke ingevolge het zevende lid van dit artikel zal kunnen worden genomen, ook regelen worden getroffen om in de gevallen waarin het inkomen boven de gestelde limiet komt te grote inhoudingen te voorkomen.

 

Artikel 24 [-]

     Naar de mening van de ondergetekenden is het alleen al uit oogpunt van coördinatie der premieheffing en -inning ingevolge de algemene ouderdomsverzekering en de algemene kinderbijslagverzekering aangewezen dat het inkomen waarboven geen premie wordt geheven, in beide voorzieningen steeds gelijk is. In het onderhavige artikel wordt dit bereikt door de bepaling dat wanneer in de algemene ouderdomsverzekering de inkomensgrens - thans ƒ6900,- per jaar - wordt herzien, deze herziening ook zal gelden voor de inkomensgrens in de algemene kinderbijslagverzekering.

rblz.|36 l.k.| 

Artikel 25 [-]

     Het premiepercentage zal door de Sociale Verzekeringsbank worden vastgesteld. Waar de algemene kinderbijslagverzekering een het gehele volk omvattende aangelegenheid betreft waarvoor de Regering verantwoordelijk is, is het noodzakelijk de vaststelling van de hoogte van het premiepercentage aan de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid te onderwerpen. Alvorens zijn goedkeuring te verlenen, zal de Minister evenwel de Sociale Verzekeringsraad horen.

 

Artikel 26 [-]


Eerste lid

     Het onderhavige artikel is er voornamelijk op gericht de techniek van de premie-inhouding door de werkgevers op grond van artikel 27 [-], tweede lid, zoveel mogelijk te doen aansluiten bij de techniek van de inhouding van de loonbelasting. Uniformiteit in de tariefklassen is een eerste vereiste wanneer men de premietabellen wil combineren met de belastingtabellen.


Tweede lid

     Voor de loonbelasting is een aftrek van ƒ200,- wegens kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen in het belastingbedrag verwerkt. Dit bedrag is ingevolge het bepaalde in artikel 23 [-], vierde lid, onderdeel a, geen inkomen in de zin van deze wet. Het is echter in aansluiting aan het vorenstaande gewenst ook voor de premieheffing deze aftrek niet in het inkomen, maar in het premiebedrag te verwerken. Bij de vaststelling van het inkomen heeft de werkgever dan alleen te maken met het bedrag dat de inspecteur der belastingen voor aftrek wegens hogere kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen heeft toegestaan.
     Zoals bekend, worden bij de loonbelasting twee verschillende tabellen gebruikt, te weten de gewone tabel en de zogenaamde coördinatietabel.
     De voor de loonbelasting geldende gewone tabel moet worden toegepast op het fiscale loon - waarin de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden reeds is begrepen -, vermeerderd met de kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet. De aanspraak op kinderbijslag ingevolge laatstgenoemde wet behoort echter niet tot het inkomen dat krachtens deze wet de basis vormt voor de premieberekening. De bepaling in onderdeel a van dit lid opent nu de mogelijkheid de premie zodanig vast te stellen dat achter het voor de loonbelasting in aanmerking te nemen bedrag een premiebedrag wordt vermeld waarin de vermindering van de kinderbijslag, evenals het reeds eerder besproken bedrag voor verwervingskosten en persoonlijke verplichtingen, is verwerkt.
     Wanneer met gebruikmaking van artikel la van het Besluit op de Loonbelasting 1940 de voor de loonbelasting geldende coördinatietabel moet worden toegepast, behoeft het fiscale loon niet exact te worden bepaald. De coördinatietabel gaat in beginsel uit van het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (dat is in het algemeen het brutoloon). Hierin zijn niet begrepen de aanspraak op kinderbijslag en de premiebijdrage van de werkgever ingevolge het Ziekenfondsenbesluit, daarentegen wel de premiebijdragen van de werknemer ingevolge de Ziektewet en de Werkloosheidswet. De eerstgenoemde elementen zijn echter wel loon voor de loonbelasting; de laatstgenoemde daarentegen niet. De coördinatietabel is nu zo opgesteld dat achter het brutoloon het verschuldigde belastingbedrag staat vermeld. In dat bedrag zijn dan de vorengenoemde factoren verwerkt, terwijl tevens rekening is gehouden met het eerdergenoemde vaste bedrag voor kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen.
     Onderdeel b van het onderhavige lid komt overeen met artikel 7a van het Besluit op de Loonbelasting 1940. De vereenvoudiging welke dit artikel door de invoering van de coördinatietabel voor de heffing van de loonbelasting heeft doen ontstaan, zal mitsdien ook voor de premieheffing gelden.
     Uit het vorenstaande vloeit voort dat ongeacht of de gewone tabel dan wel de coördinatietabel wordt toegepast, de verschuldigde loonbelasting en het ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering verschuldigde premiebedrag in beginsel bij hetzelfde loonbedrag kunnen worden afgelezen.

rblz.|36 r.k.| 

Artikel 27 [-]


Eerste lid

     Deze bepaling stelt voorop dat de premieheffing als regel geschiedt door het opleggen van aanslagen. Het systeem van de heffing zal - evenals het geval is met de heffing van de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet - kunnen aansluiten bij het systeem van de heffing van de inkomstenbelasting.
     Overigens mogen de ondergetekenden hieromtrent verwijzen naar de toelichting in paragraaf 4.2 van het algemeen deel dezer memorie.
     Voor zoveel ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dit artikel de heffing van de premies gedeeltelijk bij wijze van inhouding geschiedt, moet deze heffing -- evenals bij de belastingwetgeving - als een voorheffing worden beschouwd. De krachtens deze voorheffing geheven premies zullen dus verrekend moeten worden met de bij wijze van aanslag te heffen premies. Zo zullen bijvoorbeeld bij een echtpaar waarvan man en vrouw beiden in loondienst werkzaam zijn, ingevolge het bepaalde in het tweede lid ook van beider loon premies worden ingehouden. Daardoor is het mogelijk dat over meer dan ƒ6900,- per jaar premie wordt ingehouden. Ingevolge het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 23 [-] worden voor de bepaling van het premieplichtig inkomen de inkomsten van echtelieden samengeteld, terwijl ingevolge artikel 23 [-], zesde lid, juncto artikel 24 [-] per jaar over niet meer dan ƒ6900,- van dit inkomen premie mag worden geheven. In het onderhavige geval zal de verrekening van de bij wijze van inhouding geheven premies met de bij wijze van aanslag te heffen premies derhalve ten gevolge hebben dat een negatieve aanslag wordt opgelegd en de over meer dan ƒ6900,- betaalde premies worden terugbetaald.
     Door - evenals zulks in de Algemene Ouderdomswet is geschied - de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regelen van overeenkomstige toepassing te verklaren, zullen ook de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regelen inzake navordering voor de premieheffing overeenkomstige toepassing kunnen vinden.


Tweede lid

     De voordelen welke de gehele of gedeeltelijke voldoening van de inkomstenbelasting door middel van loonbelasting of een daarmede overeenkomende voorheffing met zich brengt, zijn van zodanig belang dat het wenselijk is ook de premieheffing van loontrekkenden en met deze gelijk behandelden door middel van inhouding te doen geschieden. De deswege voor de heffing van de loonbelasting geldende bepalingen - welke ook op de daarmede overeenkomende voorheffing ingevolge de Tweede Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 van toepassing zijn - kunnen daartoe op overeenkomstige wijze worden toegepast. Hiermede wordt tevens bereikt dat ook de voor de heffing van de loonbelasting geldende regelen inzake navordering voor de premieheffing overeenkomstige toepassing vinden.
     Verzekerden aan wie op grond van artikel 54 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 geen aanslag in de inkomstenbelasting wordt opgelegd, ontvangen ook geen aanslag in de kinderbijslagpremie. Ten aanzien van hen wordt alleen met inhouding van premie volstaan.
     Opmerking verdient nog dat de premie ook bij wijze van inhouding zal worden geheven van degenen die wel in beginsel aan de loonbelasting of de daarmede overeenkomende voorheffing ingevolge de Tweede Uitvoeringsbeschikking onderworpen zijn, doch wier loon of inkomen zo gering is dat het beneden de belastbare grens blijft, zodat in feite geen belasting wordt ingehouden. Dit geldt ook indien op grond van bepalingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing daadwerkelijke inhouding van belasting achterwege blijft.
     Zoals reeds in paragraaf 4.2 van het algemeen deel dezer memorie is opgemerkt, is het mogelijk de premietabellen en de loonbelastingtabellen zodanig te combineren dat de inhouding van de premie voor de werkgevers geen uitbreiding van de door hen reeds voor de inhouding van de loonbelasting verrichte werkzaamheden betekent.


Derde lid

     De onderhavige bepaling beoogt voornamelijk de invordering van aanslagen kinderbijslagpremie te doen rblz.|37 l.k.| geschieden overeenkomstig de Invorderingswet 1845. De toepassing van deze wet [lees: die wet, red.] brengt met zich mede dat aanslagen kinderbijslagpremie kunnen worden voldaan in zoveel maandelijkse termijnen als er van de dagtekening van het aanslagbiljet af nog volle maanden zijn in het jaar waarop de premie betrekking heeft, één en ander met een minimum van vijf maandelijkse termijnen. Evenals in artikel 23 van het Besluit op de Loonbelasting 1940 is evenwel een uitzondering gemaakt voor aanslagen welke met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels zijn opgelegd. Het betreft hier voornamelijk aanslagen welke worden opgelegd aan werkgevers die de ingehouden premie niet hebben afgedragen of die te weinig premie hebben ingehouden en/of afgedragen.
     Opgemerkt zij voorts nog dat de toepassing van de Invorderingswet 1845 ten gevolge heeft dat aan vorderingen wegens premie ingevolge de kinderbijslagverzekering dezelfde voorrang is toegekend als aan vorderingen ter zake van aanslagen in de inkomstenbelasting of de loonbelasting en aan de premievorderingen ingevolge de meeste socialeverzekeringswetten.


Vierde lid

     Bij gelijktijdige heffing en inning van de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet in één bedrag is het, om eventuele moeilijkheden te voorkomen, gewenst dat ten aanzien van elke termijn- of andere gedeeltelijke betaling van het in totaal verschuldigde premiebedrag, vaststaat welk gedeelte van deze betaling bestemd is voor elk der beide verschuldigde premies afzonderlijk.
     Het vierde lid bepaalt dienaangaande dat elke inhouding, betaling, vermindering, afdracht, etc., geacht wordt naar evenredigheid van de percentages voor elk der beide premies te zijn bestemd.


Vijfde en zesde lid

     Deze leden komen overeen met het vierde en vijfde lid van artikel 30 van de Algemene Ouderdomswet. Zij behoeven geen nadere toelichting.

 

Artikel 28 [-]

     De materie welke in dit artikel wordt geregeld, kwam reeds ter sprake in hoofdstuk 7 van het algemeen deel dezer memorie.

 

Artikel 29 [-]


Eerste lid

     In hoofdstuk 7 van het algemeen deel dezer memorie is reeds uiteengezet dat premies of gedeelten van premies welke van de minderdraagkrachtigen niet worden ingevorderd ten laste komen van het Rijk.


Tweede lid

     Het is moeilijk precies na te gaan van hoeveel verzekerden geen premie of slechts een gedeelte van de premie kan worden ingevorderd en hoe groot het bedrag is dat op grond van het bepaalde in artikel 28 [-] niet wordt ingevorderd. Het ligt voor de hand, zeker ten aanzien van degenen die in het geheel geen premie betalen en wier inkomen in de regel niet nauwkeurig behoeft te worden vastgesteld, met een schatting van het bedrag aan niet-ontvangen premies te volstaan. Artikel 29 [-], tweede lid, opent daartoe de mogelijkheid door aan de Ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Financiën, die de Sociale Verzekeringsbank dienen te horen, op te dragen nader te regelen op welke wijze het bedrag aan niet-ingevorderde premies kan worden vastgesteld.
     Het derde lid heeft betrekking op die gevallen waarin na het opleggen van een premieaanslag blijkt dat invordering der premie niet of niet ten volle mogelijk is wegens bijzondere, de verzekerde persoonlijk betreffende, doch hem niet toe te rekenen omstandigheden welke tot gevolg hebben dat de Sociale Verzekeringsbank voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet het nalaten der betaling niet als een schuldige nalatigheid aanmerkt. Het onderhavige wetsontwerp bevat, anders dan de Algemene Ouderdomswet, in verband met het verschil in karakter tussen een kinderbijslag- en een ouderdomsverzekering geen bepalingen betreffende schuldig nalaten van premiebetaling en als gevolg daarvan plaatsvindende inkorting van uitkeringsrechten. Voor de afbakening van de gevallen waarin invordering van op een aanslag verschuldigde premie achterwege
rblz.|37 r.k.| blijft wegens betalingsonmacht waarvoor de verzekerde geen verwijt treft, is daarom aansluiting gezocht bij de beslissing welke ten aanzien van het al of niet schuldig nalatig zijn aangaande de premiebetaling valt bij de uitvoering van de Algemene Ouderdomswet.
     Op het voetspoor van het tweede lid van artikel 33 van die wet wordt voorgesteld de op een aanslag onbetaald blijvende premie ten laste van het Rijk te brengen indien de Sociale Verzekeringsbank niet ingevolge genoemd artikel van de Algemene Ouderdomswet heeft beslist dat van een schuldig nalaten sprake is.
     Uiteraard is een regeling als hier bedoeld slechts mogelijk indien nalatigheid in de betaling van ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering verschuldigde premie steeds gepaard gaat met nalatigheid in de betaling van de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Dit zal evenwel inderdaad het geval zijn, aangezien de premies voor beide verzekeringen in één bedrag zullen worden geheven en artikel 27 [-], vierde lid, van het onderhavige wetsontwerp voorziet in het naar evenredigheid van de premiepercentages betrekken van elke betaling op de ingevolge elk der verzekeringen verschuldigde premie.

 

Artikel 30 [-]

     Evenals de overige socialeverzekeringswetten dient ook de Algemene Kinderbijslagwet een regeling inzake gemoedsbezwaren te bevatten.
     De in artikel 30 [-] neergelegde regeling sluit geheel aan bij de ten aanzien van gemoedsbezwaarden in de Algemene Ouderdomswet neergelegde regeling. Zij spreekt voor zichzelf en behoeft geen toelichting.

 

Artikelen 31 [15] en 32 [-]

     De inhoud van deze artikelen spreekt voor zichzelf en behoeft geen toelichting.

 

Artikelen 33 [30] en 34 [31]

     Ingevolge artikel 33 [30] moet elke beslissing welke verband houdt met het recht op uitbetaling van kinderbijslag desverlangd schriftelijk ter kennis van de belanghebbende worden gebracht. Een zodanige beslissing is tevens een beslissing waartegen beroep openstaat.
     In het eerste lid van artikel 34 [31] wordt bepaald dat van de beslissingen waarvan ingevolge het bepaalde in artikel 33 [30] schriftelijk kennis wordt gegeven beroep openstaat voor de belanghebbende. In het tweede en derde lid van artikel 34 [31] wordt aangegeven welke instantie over het ingestelde beroep oordeelt.
     Wat betreft de toelichting op het derde en vierde lid van het onderhavige artikel diene het volgende. Zoals uit de toelichting op artikel 35 [32] blijkt, wordt over beroep ingesteld tegen een beslissing omtrent verschuldigde premie, in hoogste ressort geoordeeld door de Hoge Raad. Evenzeer als dit bij de toepassing van de bepalingen van de Algemene Ouderdomswet het geval kan zijn, kan het ook bij de toepassing van deze wet voorkomen dat de in dit beroep te beslissen vraag omtrent het al dan niet verschuldigd zijn van premie afhankelijk is van de vraag of de betrokkene al dan niet hier te lande woont en dientengevolge al dan niet verzekerd is ofwel al dan niet gehuwd is in de zin van artikel 1 [1] van het onderhavige wetsontwerp. De vragen betreffende woonplaats en betreffende al dan niet gehuwd zijn kunnen, zoals uit de toelichting op het volgende artikel blijkt, ook beslist zijn doordat bij de belastingheffing de beantwoording ervan onherroepelijk is komen vast te staan. Ook dan is de Hoge Raad de hoogste rechterlijke instantie.
     De in het eerste lid van artikel 33 [30] bedoelde beslissingen kunnen ook betrekking hebben op de vraag of de aanvrager al dan niet verzekerd is geweest. Over beroep ingesteld tegen deze beslissingen zou, indien geen nadere voorzieningen waren getroffen, in hoogste ressort worden geoordeeld door de Centrale Raad van Beroep.
     Aldus zou een uiteenlopende jurisprudentie kunnen ontstaan omtrent dezelfde materie - namelijk het al dan niet verzekerd zijn en het al dan niet gehuwd zijn - enerzijds van de Hoge Raad, anderzijds van de Centrale Raad van Beroep.
    
rblz.|38 l.k.| Ter voorkoming hiervan dient voor beroep tegen de beslissingen waarbij zich dit gevaar van uiteenlopende jurisprudentie kan voordoen een gemeenschappelijke hoogste rechter te worden aangewezen, ongeacht of de onderhavige beslissingen zijn genomen door de Sociale Verzekeringsbank of door de Rijksbelastingdienst.
     Eenzelfde gevaar voor uiteenlopende jurisprudentie kan zich voordoen ten opzichte van de vraag voor welke kinderen recht op kinderbijslag bestaat. Nu de bepaling in artikel 7 [7] zodanig opgesteld is dat zoveel mogelijk coördinatie wordt bereikt met de kinderaftrekbepalingen in de belastingwetgeving, zou het niet wenselijk zijn indien door een eventuele afwijkende jurisprudentie tussen de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep aan deze coördinatie afbreuk werd gedaan. Ook ter voorkoming hiervan dient voor beroep tegen de hier bedoelde beslissingen een gemeenschappelijke hoogste rechter te worden aangewezen.
     Aansluitend bij de regeling, vervat in artikel 41 van de Algemene Ouderdomswet, is de oplossing gezocht in deze zin dat tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in bepaalde gevallen beroep in cassatie bij de Hoge Raad kan worden ingesteld. De gevallen waarin de mogelijkheid tot cassatie is geopend, beperken zich tot die uitspraken van de Centrale Raad waarbij van schending of verkeerde toepassing van één der artikelen 1 [1], 2 [2], 3 [3], 6 [6], 7 [7] en 9 [9] sprake kan zijn. Artikel 1 [1] betreft de begrippen gehuwde man of echtgenoot en gehuwde vrouw of echtgenote. De artikelen 2 [2], 3 [3] en 6 [6] bepalen de inhoud van het begrip verzekerde ingevolge de onderhavige voorziening. Artikel 7 [7] geeft aan voor welke kinderen recht op kinderbijslag bestaat. Artikel 9 [9] betreft de dubbeltelling van studerende kinderen.
     Door, evenals het geval is in de Algemene Ouderdomswet, in de cassatieprocedure aan te sluiten bij de procedure geldende voor het fiscaal-administratieve procesrecht, zijn aan de justitiabelen de kosten van verplichte rechtskundige bijstand bespaard.

 

Artikel 35 [32]

     De verdeling van de uitvoeringstaak over de Sociale Verzekeringsbank enerzijds en de Rijksbelastingdienst anderzijds heeft haar consequenties ten aanzien van de regeling van het beroepsrecht.
     Het is ongewenst bij geschillen tussen de inspecteur der belastingen en een premieplichtige of een inhoudingsplichtige de beroepsprocedure te volgen welke in de sociale verzekering gebruikelijk is, te weten beroep op de raden van beroep (S.V.) [raden van beroep voor de sociale verzekering, red.] en hoger beroep op de Centrale Raad van Beroep. Een geschil omtrent de premieheffing zal immers nagenoeg steeds samengaan met een geschil op het terrein van de inkomstenbelasting of de loonbelasting, nu blijkens artikel 23 [-] zowel de premieheffing als de belastingheffing in beginsel uitgaan van hetzelfde inkomensbegrip. De raden van beroep (S.V.) en de Centrale Raad van Beroep hebben geen bemoeienis met het in het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en in het Besluit op de Loonbelasting 1940 geregelde fiscale recht en waar een andere administratieve rechter, deskundig ten aanzien van deze materie, reeds aanwezig is, ligt het voor de hand deze laatste rechter ook in te schakelen bij het beroepsrecht met betrekking tot de ingevolge deze wet verschuldigde premie.
     Het onderhavige artikel bepaalt dan ook dat van de voor de heffing van de inkomstenbelasting en de loonbelasting openstaande rechtsmiddelen - waaronder de mogelijkheid van bezwaar bij de inspecteur, hetwelk evenwel niet tot de beroepsprocedure kan worden gerekend - in dezelfde gevallen en bij dezelfde instanties op overeenkomstige wijze voor de premieheffing gebruik kan worden gemaakt.
     De ondergetekenden zijn evenwel van oordeel dat het niet gewenst is dat twee procedures worden gevoerd omtrent geschilpunten die zowel de belastingheffing als de premieheffing aangaan.
     Zulks zou voor alle betrokken partijen, met inbegrip van de rechterlijke macht, tot overbodige arbeid leiden. In het vierde lid van het onderhavige artikel is daarom de bepaling
rblz.|38 r.k.| opgenomen dat geschilpunten die voor de belastingheffing onherroepelijk zijn komen vast te staan niet nogmaals tot voorwerp ener procedure kunnen worden gemaakt via de premieheffing. De geschilpunten waarom het hier gaat, betreffen de woonplaats, het zuiver inkomen, het loon en het al dan niet gehuwd zijn.
     Teneinde het beoogde resultaat te bereiken, is in het tweede lid de bepaling opgenomen dat op een bezwaarschrift tegen de premieheffing eerst uitspraak mag worden gedaan nadat gebleken is dat het geschil alleen de premieheffing aangaat of, zo het geschil ook de belastingheffing aangaat, dat het geschil voor de belastingheffing onherroepelijk tot een beslissing is gebracht.
     In enigszins andere vorm is in het derde lid van dit artikel een maatregel voor het geval van navordering getroffen. In dit geval moet de inspecteur der belastingen de belanghebbende, voordat tot navordering wordt overgegaan, in de gelegenheid stellen opheldering te geven omtrent de feiten die naar des inspecteurs mening de navordering rechtvaardigen. Indien de verschafte opheldering het standpunt van de inspecteur niet wijzigt en hij derhalve tot navordering overgaat, kan tegen de deswege opgelegde navorderingsaanslag rechtstreeks beroep worden ingesteld. Teneinde ook in dit geval een dubbele procedure te voorkomen, is bepaald dat de beroepstermijn voor de premieheffing eerst aanvangt nadat een eventueel op dezelfde gronden opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting of de loonbelasting in kracht van gewijsde is gegaan. Het beroep tegen de navordering in de premieheffing kan dan eveneens beperkt blijven tot de punten die niet voor de belastingheffing van belang zijn geweest.
     Aangezien de verschilpunten tussen het inkomensbegrip voor de premieheffing en dat voor de belastingheffing in de regel exact van aard zijn, valt niet te verwachten dat deze veelvuldig het voorwerp van een procedure zullen vormen.
     Het zal echter wellicht meer voorkomen dat over het inkomen van de premieplichtige geen belasting, maar wel premie verschuldigd is. In dat geval kan het inkomen van de premieplichtige voor de belastingheffing nimmer tot een procedure aanleiding geven. Mitsdien komen de woonplaats, het al dan niet gehuwd zijn en het zuiver inkomen voor de belastingheffing niet onherroepelijk vast te staan en kan een geschil daaromtrent alsdan via de premieaanslag aan het oordeel van de rechter worden onderworpen.

 

Artikelen 36 tot en met 45 [33 t/m 41]

     Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.

 

Artikel 46 [-]

     Ingevolge artikel 24 [-] wordt het maximale premieplichtige inkomen per jaar gesteld op het bedrag dat voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als zodanig geldt. Artikel 27 van de Algemene Ouderdomswet regelt de binding van het bedrag van het maximale premieplichtige inkomen aan het indexcijfer der regelingslonen. Het vijfde lid van laatstgenoemd artikel geeft slechts de mogelijkheid het op het tijdstip van het in werking treden van de algemene kinderbijslagverzekering geldende maximale premieplichtige inkomen te baseren op het alsdan "laatst bekende indexcijfer". Zoals in het algemeen deel dezer memorie reeds werd opgemerkt, ligt het in het voornemen bij invoering van de algemene kinderbijslagverzekering aan de loontrekkenden een loonsverhoging ter compensatie van de verschuldigde premie te verlenen. Genoemd vijfde lid van artikel 27 van de Algemene Ouderdomswet biedt evenwel niet de mogelijkheid deze loonsverhoging terstond in het bedrag van het maximale premieplichtige inkomen te verwerken. Het eerste indexcijfer waarin deze loonsverhoging zal doorwerken, zal immers pas in de loop van de maand volgende op die van invoering van de algemene kinderbijslagverzekering bekend worden en zal dus ten tijde van die invoering niet het "laatst bekende indexcijfer" zijn. Met het bepalen van het bij de invoering van de nieuwe verzekering geldende bedrag van het maximale premieplichtige inkomen zal ook niet tot het tijdstip waarop het eerste indexcijfer waarin bedoelde rblz.|39 l.k.| loonsverhoging zal zijn doorgewerkt bekend is geworden - dus tot de maand volgende op die van de invoering der verzekering -, kunnen worden gewacht. Immers, reeds terstond bij de invoering moet het wekelijks of maandelijks op het loon in te houden premiebedrag bekend zijn, terwijl de belastingdienst reeds enige maanden tevoren vóór het opstellen van de premietabellen met de maximale inhouding bekend dient te zijn. Er zal derhalve een bijzonder voorziening nodig zijn, wil de mogelijkheid voorhanden zijn om bedoelde loonsverhoging in het bij het in werking treden der verzekering geldende maximale premieplichtige inkomen te verwerken.
     Het onderhavige artikel geeft deze voorziening door te bepalen dat het bij de invoering der verzekering geldende maximale premieplichtige inkomen kan worden gebaseerd op het te verwachten indexcijfer van de laatste dag van de maand waarin de verzekering in werking is getreden. Bij toepassing van deze bepaling zal dus voor eenmaal van een geschat indexcijfer dienen te worden uitgegaan.
     Een soortgelijke regeling, welke bij de invoering van de algemene ouderdomsverzekering eenmalig heeft gegolden, is vervat in artikel 67 van de Algemene Ouderdomswet.

 

Artikel 47 [-]

     Dit artikel strekt ertoe de artikelen 3, 23, 26, 29, 30, 31, 33, 36, 41 en 57 van de Algemene Ouderdomswet aan te passen.
     Met belrekking tot de wijziging aan te brengen in artikel 33 van de Algemene Ouderdomswet merken de ondergetekenden het volgende op.
     Anders dan de Algemene Ouderdomswet [A.O.W., red.] houdt het onderhavige wetsontwerp geen bepaling in betreffende een procentuele inkorting van uitkeringsrechten in geval van schuldig nagelaten premiebetaling. Dit zou ertoe kunnen leiden dat de verzekerden met de betaling van de premie voor de algemene kinderbijslagverzekering minder ernst zouden maken dan met de betaling van de A.O.W.-premie. Het schuldig nalaten van de betaling van laatstgenoemde premie brengt immers steeds korting op het ouderdomspensioen mee, terwijl op het schuldig niet betalen van de premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering zonder nadere voorziening geen sanctie zou staan. De ondergetekenden achten dit ongewenst.
     Het wetsontwerp voorziet daarom in het opnemen in artikel 33 van de Algemene Ouderdomswet van een voorziening in die zin dat in geval van schuldige nalatigheid in de premiebetaling gedeeltelijke betaling op bij eenzelfde aanslag geheven premies ingevolge de algemene ouderdomsverzekering en ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering geacht wordt in de eerste plaats te strekken tot voldoening van de ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering verschuldigde premie. Aan verschuldigde A.O.W.-premie wordt gedeeltelijke betaling in geval van schuldige nalatigheid dus pas toegerekend indien en voor zover het betaalde bedrag de premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering overtreft. Met andere woorden, het gedeelte der gezamenlijke premie waarvan de betaling schuldig achterwege bleef, betreft steeds A.O.W.-premie en de verzekerde zal de sanctie op de schuldige nalatigheid steeds voelen in de vorm van een korting op zijn ouderdomspensioen.
     De voorgestelde redactie van het eerste lid van artikel 33 der Algemene Ouderdomswet beperkt de daarin gegeven regeling voor de toerekening van betalingen in de eerste plaats tot die betalingen welke door de verzekerde zijn verricht. Op de betalingen door het Rijk van de te zijnen laste komende premie heeft de regeling dus geen betrekking. De toerekening van deze betalingen blijft derhalve gebaseerd op de artikelen 32 en 33, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet en op artikel 29 [-] van het ontwerp Algemene Kinderbijslagwet.
     Voorts houdt de voorgestelde redactie van het eerste lid van artikel 33 der Algemene Ouderdomswet de beperking in dat slechts een nadere bepaling wordt gegeven omtrent betalingen op aanslagen. Betalingen welke reeds door middel van inhouding hebben plaatsgevonden, vallen derhalve eveneens buiten deze regeling. De volgens tabel ingehouden premie heeft naar evenredigheid van de premiepercentages betrekking op de algemene
rblz.|39 r.k.| ouderdomsverzekering en op de algemene kinderbijslagverzekering. Het komt niet juist voor indien op deze verdeling naderhand zou worden teruggekomen door de ingehouden premie in de eerste plaats te beschouwen als premie voor de algemene kinderbijslagverzekering. Dit zou er namelijk toe leiden dat naderhand zou worden uitgegaan van een hogere premie-inhouding voor de algemene kinderbijslagverzekering dan bij die inhouding volgens de wet geoorloofd was. Voor de toerekening van door middel van inhouding plaatsgevonden betalingen blijft derhalve gelden de algemene regel van artikel 27 [-], vierde lid, van het ontwerp Algemene Kinderbijslagwet - welke regel ingevolge het bepaalde in onderdeel E van het onderhavige artikel eveneens zal worden opgenomen in artikel 30 van de Algemene Ouderdomswet -, inhoudende dat betalingen naar evenredigheid van de premiepercentages ingevolge de algemene ouderdomsverzekering en ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering geacht worden betrekking te hebben op de ingevolge elk dezer verzekeringen verschuldigde premies.
     Het derde lid van artikel 33 der Algemene Ouderdomswet heeft betrekking op de mogelijkheid dat na het stellen van een aantekening wegens schuldig nagelaten betaling van A.O.W.-premie, alsnog binnen vijf jaren betaling van premie en in verband daarmede doorhaling van de tot korting op het pensioen leidende aantekening plaatsvindt.
     Deze doorhaling zal slechts plaatsvinden indien behalve de A.O.W.-premie, tevens de premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering, voor zover deze op de betreffende aanslag nog onbetaald bleef, is voldaan. Zonder deze bepaling zou het voor de verzekerde voordeliger kunnen zijn eerst een beslissing inzake schuldige nalatigheid af te wachten en pas daarna te betalen. Zou hij dan immers de mogelijkheid hebben om zijn A.O.W.-premie te voldoen zonder tevens de premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering te hebben betaald, dan zou hij langs deze weg er nog in slagen om aan zijn eventuele voorkeur voor betaling van de A.O.W.-premie gevolg te geven, zulks ten koste van het Algemeen Kinderbijslagfonds. Door bij deze nabetaling evenwel behalve van de A.O.W.-premie ook voldoening van de ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering verschuldigde premie te eisen en voorts betalingen eerst aan laatstbedoelde premie toe te rekenen, wordt voor de verzekerde de nabetaling na schuldignalatigverklaring niet voordeliger dan de betaling der premie langs de normale weg. Het leggen van een opslag op de A.O.W.-premie in geval van schuldige nalatigheid leidt er voorts toe dat de betaling langs de normale weg het voordeligst blijft. Overigens wordt in dit artikel voorgesteld artikel 69 van de Algemene Ouderdomswet te doen vervallen. De in laatstgenoemd artikel bedoelde vermindering is immers in afwachting van de totstandkoming van de Algemene Kinderbijslagwet in de Algemene Ouderdomswet opgenomen.

 

Artikel 48 [-]

     In het eerste lid van dit artikel wordt bepaald dat de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen wordt ingetrokken met ingang van de dag waarop artikel 7 [7] van het onderhavige wetsontwerp in werking treedt. Op het tijdstip derhalve dat de rechten op kinderbijslag ingevolge de nieuwe kinderbijslagvoorziening ontstaan, nemen de rechten ingevolge de oude voorziening voor kleine zelfstandigen een einde.
     Met deze bepaling kan evenwel niet worden volstaan, omdat op het tijdstip van intrekking van de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen tal van gerechtigden óf nog geen kinderbijslaglijst over het laatste kwartaal (of de laatste kwartalen) óf zelfs nog geen aanvraag om kinderbijslaglijsten zullen hebben ingediend. Zonder een nadere voorziening zou het recht op kinderbijslag over de kwartalen gelegen vóór de inwerkingtreding van de wet verloren gaan. In het tweede lid is daarom een bepaling opgenomen krachtens welke een belanghebbende na het inwerking treden van artikel 7 [7] van de onderhavige wet nog één jaar lang de gelegenheid krijgt een aanvraag om kinderbijslag in te dienen.

     Het vijfde lid maakt het mogelijk kinderbijslag welke vóór rblz.|40 l.k.| de intrekking van de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen of daarna - met toepassing van het tweede lid - ten onrechte werd of zal worden genoten terug te vorderen of op later te betalen kinderbijslag ingevolge de nieuwe kinderbijslagvoorzieningen in mindering te brengen.
     Op grond van het zesde lid kan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid nadere uitvoeringsvoorschriften geven indien dat wenselijk zou blijken.

rblz.|40 r.k.| 

Artikelen 49 [42] en 50 [43]

     Deze artikelen behoeven geen toelichting.

 

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken,
A.A. van Rhijn

De Minister van Financiën,
Hofstra

De Minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke, Bedrijfsorganisatie a.i.,
Samkalden

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AKW | ontwerp van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x