St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  OP  DE  ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 
Kamerstukken II 1962-1963, 7171

Arbeidongeschiktheidsverzekering ¹

1. Redactie: de wet is gepubliceerd in Stb. 1966, 84, en is in werking getreden met ingang van 1 september 1966 (Stb. 1966, 365).

 

 

Nr.r1 KONINKLIJKE  BOODSCHAP

 

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

     Wij bieden U hiernevens ter overweging aan drie ontwerpen van Wet inzake:
a. arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. wijziging van de Ziektewet (aanpassing aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering);
c. wijziging van de Organisatiewet Sociale Verzekering (in verband met de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering).
     De toelichtende memoriën (en bijlagen), die het Wetsontwerpen vergezellen, bevatten de gronden waarop zij rusten.
     En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

 

Soestdijk, 25 april 1963

 

JULIANA

 

 

 

Nr.r2 ONTWERP  VAN  WET

 

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een verplichte verzekering van loontrekkenden tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

§ 1.  Algemeen

 

Art. 1 [1].  [MvT]
Deze wet verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
b. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, andere verenigingen van personen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
c. Gemeenschappelijke Medische Dienst: de Gemeenschappelijke Medische Dienst, bedoeld in hoofdstuk II, paragraaf 2a, van de Organisatiewet Sociale Verzekering.

 

Art. 2 [2].  [MvT]
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen welke binnen het Rijk hun thuishaven hebben, ten opzichte van de werkgever en de bemanning beschouwd als deel van het Rijk.

 

 

§ 2.  De werknemer

 

Art. 3 [3].  [MvT + bis]
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
-2. Wie niet binnen het Rijk woont, wordt slechts als werknemer beschouwd voor zover hij zijn dienstbetrekking binnen het Rijk vervult.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat personen die niet binnen het Rijk wonen ook als werknemer worden beschouwd voor zover zij hun dienstbetrekking buiten het Rijk vervullen.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het bepaalde in het eerste en in het tweede lid worden afgeweken:
a. ten aanzien van vreemdelingen;
b. ten aanzien van personen op wie een regeling inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid buiten het Rijk van toepassing is;
c. ten aanzien van personen die slechts tijdelijk hier te lande verblijven of tijdelijk hier te lande werkzaam zijn.

 

Art. 4 [4]. [MvT + bis + bis]
-1. Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die anders dun in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep in aangenomen werk persoonlijk arbeid verricht;
b. degene die de onder a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
d. degene die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
e. degene die bij wijze van sociale werkvoorziening te werk gesteld is;
f. degene die als lid van de bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een aandeel in de besomming, tenzij hij exploitant of mede-exploitant van het vaartuig is;
g. degene die werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene die als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede degene die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt.
-2. Het bepaalde in het vorige lid, onderdeel a en b, blijft buiten toepassing indien de aldaar bedoelde arbeid wordt verricht ten behoeve van een natuurlijk persoon die deze arbeid doet verrichten anders dan in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.

 

Art. 5 [5].  [MvT]
In bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groepen van gevallen wordt eveneens als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die als thuiswerker arbeid verricht;
b. degene die de onder a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent;
d. degene die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.

 

Art. 6 [6].  [MvT + bis]
-1. Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
b. degene aan wie door het Rijk ter zake van zijn arbeidsverhouding invaliditeitspensioen is verzekerd, alsmede van degene, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Ambtenarenwet;
c. degene die ten behoeve van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten in diens huishouding verricht en die diensten doorgaans op minder dan drie dagen per week verricht;
d. degene die een verplichting naleeft, hem opgelegd door de wet of voortvloeiende uit een verbintenis anders dan bij arbeidsovereenkomst door hem jegens de Overheid aangegaan
ten aanzien van 's lands verdediging of ter bescherming van de openbare orde en de veiligheid der bevolking.
-2. Geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt genoten, tenzij het niet verrichten van de arbeid zijn oorzaak vindt in:
a. een normale onderbreking van of verhindering tot het verrichten van de arbeid, zolang deze onderbreking of verhindering niet langer dan één maand heeft geduurd;
b. weersinvloeden, gebrek aan materialen of dergelijke omstandigheden;
c. bijzonder verlof, zoals studieverlof, zolang dit verlof niet langer dan één maand heeft geduurd;
d. de omstandigheid dat de dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht;
e. de omstandigheid dat de dienstbetrekking ertoe strekt dat niet regelmatig in elke kalenderweek arbeid wordt verricht, voor zover het betreft de kalenderweek waarin arbeid wordt verricht of arbeid zou worden verricht indien de betrokkene niet arbeidsongeschikt was geworden.
-3. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, c en d, en in het tweede lid is alleen van toepassing op de aldaar bedoelde arbeidsverhoudingen.
-4. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, is ten aanzien van degene die voor de toepassing van de Pensioenwet 1922 (Stb. 1922, 240) ambtenaar is in de zin dier wet, uitsluitend in verband met het bepaalde in:
a. artikel 3 van die wet, terwijl hij geen ambtenaar is, aangesteld door of vanwege het bevoegde gezag van één der in artikel 125 van de Ambtenarenwet genoemde publiekrechtelijke lichamen;
b. artikel 4, eerste lid, onderdeel g en volgende letters, van die wet;
slechts van toepassing indien voor hem tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid liggende vóór het tijdstip van ontslag een regeling geldt ten aanzien waarvan door Onze Minister is verklaard dat zij niet minder gunstig is dan de in deze wet geregelde voorziening.

 

Art. 7 [7].  [MvT + bis]
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a. degene die krachtens de Werkloosheidswet uitkering ontvangt;
b. degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie krachtens artikel 28, tweede lid, onderdeel e, of artikel 28, tweede lid, onderdeel e, in verbinding met artikel 36, tweede lid, der Werkloosheidswet geen uitkering wordt toegekend;
c. degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch te wiens aanzien krachtens het bepaalde in artikel 28, tweede lid, onderdeel dbis, of artikel 28, tweede lid, onderdeel dbis, in verbinding met artikel 36, tweede lid, der Werkloosheidswet opschorting van de uitbetaling van zijn uitkering plaatsheeft;
d. degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie geen uitkering wordt toegekend omdat naar het oordeel van de bedrijfsvereniging op zijn laatste werkgever de verplichting rust tijdens de werkloosheid het loon onverminderd door te betalen;
e. degene die wegens werkloosheid niet werkt en die ingevolge een door Onze Minister aan te wijzen, van overheidswege getroffen regeling uitkering ontvangt;
f. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie geen uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling van de Werkloosheidswet, van het wachtgeldreglement van een bedrijfsvereniging, van het reglement voor de werkloosheidsverzekering of van een regeling als bedoeld onder e.

 

 

§ 3.  De werkgever

 

Art. 8 [8].  [MvT]
Werkgever is degene tot wie één of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan.

 

Art. 9 [9].  [MvT]
Als degene tot wie de dienstbetrekking bestaat, wordt beschouwd:
1º. in de gevallen, bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene met wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e: degene op wie de verplichting rust het loon te betalen;
f: de exploitant of mede-exploitant van het vaartuig;
g: degene bij wie de werkzaamheden worden verricht of de opleiding wordt genoten;
2º. in de gevallen, bedoeld in artikel 5 [5], onderdeel:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene met wie het optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene die bij de in artikel 5 [5] bedoelde algemene maatregel van bestuur als werkgever wordt aangewezen.

 

Art. 10 [10].  [MvT]
Als werkgever wordt beschouwd in de gevallen, bedoeld in artikel 7 [7], onderdeel:
a, b en c: de bedrijfsvereniging welke beslist over de aldaar bedoelde uitkering;
d: de laatste werkgever;
e en f: degene die bij de aanwijzing door Onze Minister als werkgever wordt aangewezen.

 

Art. 11 [11].  [MvT]
-1. Onze Minister kan bepalen dat werknemers wier lonen worden uitbetaald door een door Onze Minister erkend administratiekantoor, voor de toepassing van deze wet geacht worden in dienstbetrekking te staan tot dat kantoor.
-2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 [8] en 9 [9] een ander dan de aldaar bedoelde personen aanwijzen als werkgever met betrekking tot:
a. degene die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander;
b. degene die een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent.

 

Art. 12 [12].  [MvT]
-1. De werkgever is verplicht de werknemer gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de hem bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.
-2. Onze Minister kan ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere regelen stellen.

 

 

§ 4.  Het loon

 

Art. 13 [13].  [MvT]
-1. Deze wet verstaat onder loon het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
-2. Loon door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten, wordt, voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
-3. Degene die krachtens de Werkloosheidswet of krachtens een regeling, bedoeld in artikel 7 [7], onderdeel e, uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag waarover hij die uitkering ontvangt een loon te genieten gelijk aan die uitkering.

 

Art. 14 [14].  [MvT]
-1. Voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt volgens door de Sociale Verzekeringsraad, onder goedkeuring van Onze Minister, te stellen algemene regelen als dagloon beschouwd: het loon dat de uitkeringsgerechtigde, ware hij niet arbeidsongeschikt, indien hij werkzaam was in het beroep dat - of de beroepen welke - hij gewoonlijk uitoefende, gerekend naar het loonpeil op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, gedurende het daaropvolgende jaar zou kunnen verdienen, gedeeld door 260. Deze algemene regelen worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
-2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid of van de aldaar bedoelde algemene regelen kunnen door de Sociale Verzekeringsraad inzake de vaststelling van het dagloon bijzondere regelen worden gesteld, welke de goedkeuring van Onze Minister behoeven. Ook deze bijzondere regelen worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
-3. Voor de berekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering komt het dagloon hetwelk meer bedraagt dan het krachtens het eerste lid van artikel 9 der Coördinatiewet Sociale Verzekering bepaalde bedrag, voor dat meerdere niet in aanmerking.

 

Art. 15 [15].  [MvT]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur worden, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, de daglonen verhoogd of verlaagd al naargelang het indexcijfer der lonen is gestegen dan wel is gedaald.
-2. Herziening van de daglonen heeft plaats telkens wanneer gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden na het in werking treden van artikel 19 [19], onderscheidenlijk na de laatste herziening van daglonen ingevolge dit artikel, het indexcijfer der lonen een afwijking van gemiddeld ten minste 3% heeft vertoond van het indexcijfer op de laatste dag van de maand voorafgaande aan die waarin artikel 19 [19] in werking is getreden, onderscheidenlijk van het indexcijfer waarop de laatste herziening is gebaseerd. Een herziening welke op grond van dit lid plaatsvindt, gaat in wanneer het een verhoging betreft op de eerste dag van de maand welke volgt op de betreffende periode van zes maanden en wanneer het een verlaging betreft op die dag of op een door Ons te bepalen later tijdstip.
-3. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kunnen de daglonen worden herzien voordat het in dat lid bedoelde tijdvak van zes maanden is verstreken of de in dat lid bedoelde afwijking van ten minste 3% is ingetreden, indien daartoe naar Ons oordeel bijzondere aanleiding bestaat.
-4. Bij een herziening worden de - eventueel ingevolge dit artikel herziene - daglonen verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage als waarmede het laatst bekende indexcijfer der lonen in de betreffende periode van zes maanden afwijkt van het indexcijfer op de laatste dag van de maand voorafgaande aan die waarin artikel 19 [19] in werking is getreden, onderscheidenlijk van het indexcijfer waarop de laatste herziening is gebaseerd.
-5. Indien een herziening als bedoeld in de vorige leden plaatsvindt, worden in afwijking van het bepaalde in het vorige lid daglonen welke voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering gelden met ingang van een dag gelegen na de laatste dag van de maand waarin artikel 19 [19] in werking is getreden, onderscheidenlijk na de laatste dag van de maand met ingang waarvan de laatste herziening plaatsvond, verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage als waarmede het laatst bekende indexcijfer der lonen in de in het vorige lid bedoelde periode van zes maanden afwijkt van het indexcijfer op de laatste dag van de maand voorafgaande aan de maand waarin de dag is gelegen met ingang van welke vorenbedoelde daglonen gelden.
-6. Wanneer een herziening als bedoeld in de vorige leden ertoe zou leiden dat voor de uitkeringsgerechtigden ingevolge deze wet een wijziging hunner reële netto-inkomsten zou optreden welke niet of niet in dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene mate geldt voor de groep dergenen waarop het indexcijfer der lonen betrekking heeft, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat herziening achterwege blijft, dan wel op zodanige wijze plaatsvindt dat vorenbedoelde wijziging niet of niet ten volle zal optreden.
-7. Alvorens Ons een voordracht wordt gedaan tot een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het zesde lid, wordt de Sociaal-Economische Raad gehoord. Het advies van de Sociaal-Economische Raad wordt bekendgemaakt door plaatsing in het Staatsblad.
-8. Onder indexcijfer der lonen, bedoeld in de vorige leden, wordt verstaan het bij de algemene maatregel van bestuur ingevolge artikel 9, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet aangegeven gewogen gemiddelde indexcijfer der lonen van volwassen arbeiders.

 

 

§ 5.  Kring der verzekerden

 

Art. 16 [16].  [MvT]
De werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd.

 

Art. 17 [17].  [MvT]
-1. Degene die:
a. gedurende twee maanden onafgebroken op alle dagen verzekerd is geweest; of
b. in de loop van de twee maanden voorafgaande aan het einde van zijn verzekering op ten minste zestien dagen verzekerd is geweest;
wordt, indien hij in het onder a bedoelde geval binnen één maand na het einde van die twee maanden en in het onder b bedoelde geval binnen acht dagen na het einde van zijn verzekering arbeidsongeschikt wordt, of, in gevallen als bedoeld in artikel 37 [37], eerste lid, meer arbeidsongeschikt wordt, voor het recht op toekenning onderscheidenlijk herziening van een arbeidsongeschiklheidsuitkering beschouwd alsof hij verzekerd was gebleven.
-2. Voor de toepassing van het in het vorige lid, onderdeel a, bepaalde wordt de daar genoemde termijn van twee maanden geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende niet meer dan zeven dagen niet verzekerd is geweest. Voor de toepassing van dit en het vorige lid wordt arbeid in een aaneengesloten nachtdienst op twee dagen verricht, gerekend als arbeid op één dag.
-3. Het bepaalde in het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die in verband met het bepaalde in artikel 6 [6], eerste lid, onderdeel b of d, niet verzekerd is.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ingevolge welke personen die niet verzekerd zijn en die arbeidsongeschikt worden of, in gevallen als bedoeld in artikel 37 [37], eerste lid, meer arbeidsongeschikt worden als gevolg van bij die maatregel aan te wijzen beroepsziekten, voor het recht op toekenning onderscheidenlijk herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering worden beschouwd alsof zij verzekerd zijn.

 

 

HOOFDSTUK  II

De verstrekkingen der verzekering

 

§ 1.  Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

 

Art. 18 [18].  [MvT]
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid die voor zijn krachten en bekwaamheid is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst verricht heeft of op een naburige soortgelijke plaats het loon te verdienen dat lichamelijk en geestelijk gezonde personen van dezelfde soort en van soortgelijke opleiding op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. Degene die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt, in de zin van het vorige lid reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, wordt voor wat betreft de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt indien hij ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid die is berekend voor zijn bij de aanvang van de verzekering nog aanwezige krachten en bekwaamheid en die hem met het oog daarop in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst verricht heeft of op een naburige soortgelijke plaats het loon te verdienen dat soortgelijke personen die in dezelfde mate arbeidsongeschikt in de zin van het vorige lid zijn, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen. Indien de bij de aanvang van de verzekering aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het vorige lid naderhand is afgenomen, vindt het bepaalde in de vorige volzin vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het vorige lid is afgenomen. Het bepaalde in de vorige twee volzinnen blijft buiten toepassing indien bij de aanvang van de verzekering de betrokkene uit hoofde van een vroegere verzekeringsperiode reeds in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Met ziekte worden zwangerschap en bevalling gelijkgesteld.

 

Art. 19 [19].  [MvT]
-1. De verzekerde die arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
-2. Voor het bepalen van de periode van 52 weken, bedoeld in het vorige lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan één maand opvolgen.
-3. Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de in het eerste lid bedoelde verzekerde die na afloop van de in de vorige leden bedoelde periode van 52 weken niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen één maand na afloop van die periode.
-4. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene die minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
-5. Voor het bepalen van de periode van 52 weken, bedoeld in de vorige leden, worden steeds in aanmerking genomen perioden gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet dan wel op uitkering krachtens een regeling bij ziekte welke geldt voor degenen die in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel c tot en met g, van de Ziektewet niet ingevolge die wet verzekerd zijn.
-6. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt een belanghebbende geacht aanspraak te hebben op ziekengeld krachtens de Ziektewet indien hem in verband met het bepaalde in de artikelen 29, derde lid, 31, 42 of 44 van de Ziektewet geen ziekengeld wordt uitgekeerd. Hetzelfde geldt indien hem in verband met overeenkomstige bepalingen in de regeling bij ziekte als in het vorige lid bedoeld geen uitkering wordt verstrekt.

 

Art. 20 [20].  [MvT]
-1. Zolang de belanghebbende aanspraak heeft op ziekengeld krachtens de Ziektewet of op uitkering krachtens artikel 415 van het Wetboek van Koophandel, heeft hij geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Artikel 19 [19], zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 21 [21].  [MvT]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en de zondagen niet medegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
15-25%               10% van het dagloon;
25-35%               20% van het dagloon;
35-45%               30% van het dagloon;
45-55%               40% van het dagloon;
55-65%               50% van het dagloon;
65-80%               65% van het dagloon;
80% of meer        80% van het dagloon.
-2. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met:
a. door deze arbeidsongeschiktheid veroorzaakte verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid als bedoeld in artikel 18 [18], eerste of tweede lid;
b. verkregen nieuwe bekwaamheden.

 

Art. 22 [22].  [MvT]
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de betrokkene in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, verkeert, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste 100% van zijn dagloon verhoogd.

 

Art. 23 [23].  [MvT]
De bedrijfsvereniging en de Gemeenschappelijke Medische Dienst zijn bevoegd, zo dikwijls zij zulks nodig oordelen, degene die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 19 [19], doormaakt, degene die aanspraak maakt op of in het genot is van arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsmede degene ten aanzien van wie voorzieningen als bedoeld in artikel 60 [60] worden getroffen of overwogen, op te roepen of te doen oproepen en hem ter plaatse door of vanwege de bedrijfsvereniging, onderscheidenlijk de Dienst, te bepalen, te ondervragen of te doen ondervragen. De Gemeenschappelijke Medische Dienst is voorts bevoegd de vorenbedoelde personen ter plaatse door of vanwege die Dienst te bepalen door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen onderzoeken. De daartoe door de Dienst aangewezen deskundige is bevoegd, ook zonder opdracht van de Dienst, de vorenbedoelde personen op te roepen, te ondervragen, te doen ondervragen, te onderzoeken en te doen onderzoeken door één of meer door hem daartoe aangewezen deskundigen.

 

Art. 24 [24].  [MvT]
De bedrijfsvereniging en, met algemene of bijzondere machtiging van de bedrijfsvereniging, de Gemeenschappelijke Medische Dienst en de door de Dienst daartoe aangewezen deskundige zijn bevoegd - overeenkomstig door Onze Minister, in overleg met de algemene beroepsorganisatie van de artsen, te stellen regelen - de in het vorige artikel bedoelde personen voorschriften te geven in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid.

 

Art. 25 [25].  [MvT]
-1. Indien degene die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 19 [19], doormaakt, degene die aanspraak maakt op of in het genot is van arbeidsongeschiktheidsuitkering of degene ten aanzien van wie voorzieningen als bedoeld in artikel 60 [60] worden getroffen of overwogen, na tijdig opgeroepen te zijn, niet verscheen of weigerde,
hetzij door of vanwege de bedrijfsvereniging, de Gemeenschappelijke Medische Dienst of de door deze daartoe aangewezen deskundige gestelde vragen te beantwoorden,
hetzij zich te laten onderzoeken door de door de Dienst daartoe aangewezen deskundige of de door deze daartoe aangewezen deskundige,
hetzij te voldoen aan het voorschrift gegeven door de bedrijfsvereniging of, met algemene of bijzondere machtiging van de bedrijfsvereniging, door de Gemeenschappelijke Medische Dienst of de door deze daartoe aangewezen deskundige om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting,
is de bedrijfsvereniging bevoegd, indien voor het niet voldoen aan de oproeping of voor de weigering geen deugdelijke grond aanwezig was, met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het niet voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond, geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend buiten aanmerking te laten.
-2. De in het vorige lid bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het niet voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond.

 

Art. 26 [26].  [MvT]
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels door Onze Minister vast te stellen.

 

Art. 27 [27].  [MvT]
De bedrijfsvereniging is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften behoeven de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad en mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.

 

Art. 28 [28].  [MvT]
Overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 25 [25] heeft de bedrijfsvereniging:
a. indien de belanghebbende de door de bedrijfsvereniging, de Gemeenschappelijke Medische Dienst of de door deze daartoe aangewezen deskundige krachtens artikel 24 [24] in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid gegeven voorschriften zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b. indien de belanghebbende zich niet, zolang als de bedrijfsvereniging of, met algemene of bijzondere machtiging van de bedrijfsvereniging, de Gemeenschappelijke Medische Dienst of de door deze daartoe aangewezen deskundige te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder geneeskundige behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de behandelende geneeskundige niet opvolgt;
c. indien de belanghebbende zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende mede te werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen;
d. indien de belanghebbende zich niet houdt aan de controlevoorschriften als bedoeld in artikel 27 [27];
e. indien de belanghebbende zijn arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt.

 

Art. 29 [29].  [MvT]
Zodra de bedrijfsvereniging blijkt dat degene ten aanzien van wie zij van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 25 [25] of 28 [28] gebruik heeft gemaakt naderhand zijn medewerking niet meer weigert, beslist zij opnieuw in hoeverre zij van haar vorenbedoelde bevoegdheid gebruik meent te moeten blijven maken.

 

Art. 30 [30].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging is voorts bevoegd met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend buiten aanmerking te laten:
a. algehele arbeidsongeschiktheid welke bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid welke binnen een halfjaar na het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen verwachten.
-2. De in het vorige lid, onderdeel b, bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid welke binnen een halfjaar na de aanvang van de verzekering is ingetreden.
-3. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, in verband met het bepaalde in artikel 6 [6], eerste lid, onderdeel b of d, niet verzekerd was.

 

Art. 31 [31].  [MvT]
Zolang de bedrijfsvereniging ingevolge het bepaalde in de artikelen 25 [25], 28 [28] en 30 [30] arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt artikel 18 [18], tweede lid, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de betrokkene aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met dien verstande dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip met ingang waarvan de bedrijfsvereniging arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.

 

Art. 32 [32].  [MvT]
De rechter is bevoegd te beoordelen of de wijze waarop van de in de artikelen 25 [25], 28 [28] en 30 [30] bedoelde bevoegdheid gebruik is gemaakt in overeenstemming is met de redelijkheid.

 

Art. 33 [33].  [MvT]
-1. Met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken wordt buiten aanmerking gelaten arbeidsongeschiktheid welke is ingetreden tijdens een periode gedurende welke de verzekerde op grond van artikel 17 der
Coördinatiewet Sociale Verzekering wegens gemoedsbezwaren van verplichtingen ingevolge deze wet was vrijgesteld.
-2. Artikel 30 [30], tweede lid, en artikel 31 [31] zijn van overeenkomstige toepassing.

 

 

§ 2.  Toekenning, ingang, herziening, intrekking, heropening en betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

 

Art. 34 [34].  [MvT]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op aanvraag of ambtshalve toegekend.
-2. Ambtshalve toekenning vindt in elk geval plaats indien de betrokkene aansluitend aan de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet in aanmerking komt voor arbeidsongeschiktheidsuitkering.

 

Art. 35 [35].  [MvT]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag met ingang van welke de belanghebbende aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.
-2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger ingaan dan één jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend of waarop ambtshalve toekenning plaatsvond. De bedrijfsvereniging kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.

 

Art. 36 [36].  [MvT]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer degene aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 37 tot en met 40 [37-40].

 

Art. 37 [37].  [MvT]
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%, onverminderd het bepaalde in artikel 39 [39], plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd, echter niet zolang de belanghebbende aanspraak heeft op ziekengeld krachtens de Ziektewet of op uitkering krachtens artikel 415 van het Wetboek van Koophandel. De in de vorige volzin bedoelde herziening heeft niet plaats indien de belanghebbende bij het intreden van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid niet verzekerd is en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.
-2. Met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid is het bepaalde in het tweede en het zesde lid van artikel 19 [19] van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 38 [38].  [MvT]
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%, onverminderd het bepaalde in artikel 39 [39], plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van de periode van vier weken, bedoeld in het vorige lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan één maand opvolgen.
-3. Het bepaalde in de vorige leden is, in afwijking van het bepaalde in artikel 37 [37], mede van toepassing met betrekking tot herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%, indien de toeneming van de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen één maand na de dag met ingang van welke die uitkering, welke voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%, doch minder dan 80%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%.

 

Art. 39 [39].  [MvT]
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming van de arbeidsongeschiktheid intreedt, indien deze intreedt:
a. binnen één maand na de dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen één maand na de dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering reeds eerder wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien;
c. binnen één maand na de dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.
-2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk eerder wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, met toepassing van artikel 35 [35], tweede lid, onderscheidenlijk artikel 42 [42], tweede lid, geldt met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid, onderdeel a en b, als dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend onderscheidenlijk herzien de dag met ingang van welke die uitkering zou zijn toegekend onderscheidenlijk herzien indien artikel 35 [35], tweede lid, onderscheidenlijk artikel 42 [42], tweede lid, geen toepassing zou hebben gevonden.

 

Art. 40 [40].  [MvT]
Indien bij herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid hernieuwde vaststelling van een dagloon overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14 [14] tot een hoger dagloon leidt dan het dagloon dat laatstelijk aan de uitkering ten grondslag werd gelegd, wordt bij bedoelde herziening dat hogere dagloon aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag gelegd. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin wordt in artikel 14 [14], eerste lid, in plaats van de woorden "ware hij niet arbeidsongeschikt", gelezen: "ware zijn arbeidsongeschiktheid niet toegenomen" en voorts in plaats van de woorden "gerekend naar het loonpeil op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering", gelezen: "gerekend naar het loonpeil op de dag van ingang van de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering".

 

Art. 41 [41].  [MvT]
-1. Verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.
-2. Verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt in elk geval ambtshalve plaats indien de betrokkene aansluitend aan de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet in aanmerking komt voor een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering.

 

Art. 42 [42].  [MvT]
-1. De herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag met ingang van welke de belanghebbende ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Met betrekking tot de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering welke een verhoging van die uitkering tot gevolg heeft, is het bepaalde in artikel 35 [35], tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 43 [43].  [MvT]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 15% is gedaald.
-2. De intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag welke in de in artikel 87 [87], eerste lid, bedoelde schriftelijke kennisgeving van de beslissing wordt genoemd als de dag waarop de arbeidsongeschiktheid was geëindigd of beneden 15% was gedaald.

 

Art. 44 [44].  [MvT]
-1. Indien degene aan wie arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend inkomsten uit arbeid geniet en er gronden aanwezig zijn om de uitkering in te trekken of te herzien, is de bedrijfsvereniging bevoegd, zolang niet vaststaat dat de betrokkene in staat zal zijn die inkomsten duurzaam te verwerven, met instemming van de betrokkene intrekking of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering achterwege te laten, doch de uitkering niet of slechts gedeeltelijk uit te betalen.
-2. Indien na beëindiging van de toepassing van het vorige lid geen intrekking of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt, dan wel na herziening de uitkering meer bedraagt dan het bedrag dat van de uitkering gedurende het tijdvak waarover het vorige lid is toegepast, werd uitbetaald, blijft de bedrijfsvereniging niettemin bevoegd de uitkering over het tijdvak gedurende hetwelk het vorige lid toepassing vond niet of slechts gedeeltelijk uit te betalen.

 

Art. 45 [45].  [MvT]
-1. Indien degene aan wie arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend inkomsten uit arbeid geniet die niet een kennelijk tijdelijk karakter hebben en meer bedragen dan evenredig is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid, terwijl er nochtans geen gronden aanwezig zijn om de arbeidsongeschiktheidsuitkering in te trekken of te herzien, is de bedrijfsvereniging bevoegd, zolang de betrokkene die inkomsten geniet, de uitkering niet of slechts gedeeltelijk uit te betalen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beoordelen of de bedrijfsvereniging van haar bevoegdheid een redelijk gebruik heeft gemaakt.
-2. Onze Minister kan met betrekking tot het bepaalde in dit en in het voorgaande artikel regelen stellen.

 

Art. 46 [46].  [MvT]
-1. Indien degene aan wie arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, is opgenomen in een dienstverband ingevolge een door Onze Minister aan te wijzen socialewerkvoorzieningsregeling en de som van zijn uitkering en het loon per dag ingevolge die regeling 90% van het dagloon waarnaar zijn uitkering is berekend, overschrijdt, wordt de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verminderd met het bedrag waarmede bedoelde som 90% van het dagloon overschrijdt.
-2. Onze Minister regelt wat onder loon ingevolge de socialewerkvoorzieningsregeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan.
-3. Onze Minister kan met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en, voor bijzondere gevallen, zo nodig afwijkende regelen stellen.

 

Art. 47 [47].  [MvT]
-1. Degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%, in verband met het bepaalde in artikel 43 [43] is ingetrokken, heeft, indien hij binnen één maand na de dag met ingang van welke de uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Het bepaalde in het vorige lid is mede van toepassing met betrekking tot degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%, in verband met het bepaalde in artikel 43 [43] is ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen één maand na de dag met ingang van welke die uitkering, welke voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%.
-3. Degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%, in verband met het bepaalde in artikel 43 [43] is ingetrokken met ingang van een dag welke gelegen is binnen één maand na de dag met ingang van welke die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien hij binnen die maand weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 39 [39], tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. Degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%, in verband met het bepaalde in artikel 43 [43] is ingetrokken, heeft, onverminderd het bepaalde in het tweede en het derde lid, indien hij binnen één maand na de dag met ingang van welke de uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk uit een andere oorzaak dan die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. De heropening gaat in de op de dag met ingang van welke de betrokkene weer arbeidsongeschikt is geworden en vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op die dag.
-6. De artikelen 17 [17], derde lid, 19 [19], vierde lid, 34 [34], eerste lid, en 35 [35], tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 48 [48].  [MvT]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt heropend door de bedrijfsvereniging welke de uitkering heeft ingetrokken.
-2. De heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een voortzetting van de ingetrokken uitkering. Voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 38 [38], derde lid, en 39 [39], eerste lid, onderdeel c, wordt daarbij met herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Voor de berekening van de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt als dagloon beschouwd het dagloon waarnaar de ingetrokken uitkering op de dag van ingang van de heropende uitkering zou zijn berekend indien die uitkering niet was ingetrokken, tenzij hernieuwde vaststelling van een dagloon overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14 [14] tot een hoger dagloon leidt, in welk geval het laatstbedoelde dagloon aan de heropende uitkering ten grondslag wordt gelegd.

 

Art. 49 [49].  [MvT]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering neemt een einde met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-2. Toekenning of heropening van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats, indien de uitkering onderscheidenlijk de heropening zou ingaan op of na de in het eerste lid bedoelde dag.

 

Art. 50 [50].  [MvT]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door de bedrijfsvereniging. De betaling geschiedt als regel in termijnen van niet langer dan één maand.
-2. Onze Minister kan regelen stellen met betrekking tot de schorsing en opschorting van de uitbetaling van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. In geval de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald, worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht.
-4. Wanneer degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking der machtiging.
-5. Onze Minister kan regelen vaststellen inzake de betaalbaarstelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door organen welke belast zijn met de uitbetaling van invaliditeitsuitkering of van pensioen uit anderen hoofde dan ingevolge deze wet.
-6. De bedrijfsvereniging is bevoegd om, onder door haar te stellen voorwaarden, op verzoek van de in het vorige lid bedoelde organen, gelijktijdig met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, invaliditeitsuitkeringen of pensioenen, verschuldigd door die organen, betaalbaar te stellen.

 

Art. 51 [51].  [MvT]
Voor zover betreft het in ontvangst nemen van een uitkering ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het bestuur der betrokken bedrijfsvereniging, geschiedt de uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.

 

Art. 52 [52].  [MvT]
Onze Minister kan regelen stellen ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere mogendheid.

 

Art. 53 [53].  [MvT]
Na het overlijden van degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt de uitkering tot en met de laatste dag der maand waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald:
a. aan de langstlevende der echtgenoten, indien de overledene gehuwd was en niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. in de overige gevallen aan de persoon of de personen die daarvoor naar het oordeel van de bedrijfsvereniging op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt onderscheidenlijk komen, mits deze daartoe binnen zes maanden na het overlijden een verzoek bij de bedrijfsvereniging heeft onderscheidenlijk hebben ingediend.

 

Art. 54 [54].  [MvT]
-1. Over de dagen waarop degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, of, indien degene aan wie een zodanige uitkering is toegekend een niet duurzaam gescheiden levende gehuwde man of gehuwde vrouw is, deze en/of zijn echtgenote onderscheidenlijk haar echtgenoot in een gesticht of door of vanwege een instelling van weldadigheid, door het openbaar gezag erkend, worden onderscheidenlijk wordt verzorgd of verpleegd en de kosten van verzorging of verpleging geheel of gedeeltelijk ten laste komen van een openbaar lichaam of een instelling van weldadigheid als vorenbedoeld, kan op verzoek van het desbetreffende orgaan de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan dat orgaan worden uitbetaald. Deze uitbetaling geschiedt slechts voor zover de arbeidsongeschiktheidsuitkering over die dagen nog niet is uitbetaald en zij de ten laste van dat orgaan komende kosten van verzorging of verpleging niet te boven gaat. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat:
a. aan degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend in elk geval 10% van die uitkering wordt uitbetaald;
b. indien degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend een gehuwde man of een gehuwde vrouw is, aan deze ten minste twee derde gedeelte van de uitkering wordt uitbetaald, tenzij de beide echtgenoten een verzorging of verpleging als vorenbedoeld genieten en niet duurzaam van elkander gescheiden leven.
-2. Indien degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen, of, niet opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de uitbetaling van de uitkering, is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering uit te betalen aan een door haar aan te wijzen persoon of instelling. Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft de in de vorige volzin bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de uitkering dat niet aan het in het vorige lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.

 

Art. 55 [55].  [MvT]
Voor zover in verband met het bepaalde in artikel 54 [54] de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet werd uitbetaald aan degene aan wie zij was toegekend, wordt zij na zijn overlijden, voor zover nodig in afwijking van het in artikel 53 [53] bepaalde, tot en met de laatste dag der maand waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald aan het orgaan of de persoon, bedoeld in artikel 54 [54].

 

Art. 56 [56].  [MvT]
De termijnen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag der betaalbaarstelling worden niet meer uitbetaald.

 

Art. 57 [57].  [MvT]
-1. Behoudens het bepaalde in het volgende lid zijn de eenmaal uitbetaalde termijnen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vatbaar voor terugvordering.
-2. Hetgeen aan arbeidsongeschiktheidsuitkering te veel of ten onrechte is uitbetaald, kan gedurende twee jaren na de dag der betaalbaarstelling geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd dan wel op de later uit te betalen uitkering in mindering worden gebracht:
a. indien te veel of ten onrechte is uitbetaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste inlichtingen of het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80 [80], door degene aan wie arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, diens wettelijke vertegenwoordiger of de persoon aan wie of het orgaan aan hetwelk ingevolge artikel 54 [54] arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald;
b. indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van een herziening als bedoeld in artikel 15 [15] is verlaagd.

 

Art. 58 [58 (65a)].  [MvT]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zover dit dient tot verhaal van onderhoud waartoe de uitkeringsgerechtigde volgens de wet is gehouden, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag.
-2. Volmacht tot ontvangst van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met enige bepaling van dit artikel is nietig.

 

Art. 59 [59].  [MvT]
Het Rijk waarborgt zonder enig voorbehoud de betaling door de bedrijfsverenigingen van de uitkeringen waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat.

 

 

§ 3.  Voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid

 

Art. 60 [60].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd de verzekerde, degene die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 19 [19], doormaakt, alsmede degene die in het genot is of geweest is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, al dan niet op diens verzoek, in aanmerking te brengen voor voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid voor zover deze voorzieningen, onverminderd het bepaalde in de artikelen 25 [25] en 28 [28], onderdeel a en c, geschieden met instemming van de betrokkene of diens wettelijke vertegenwoordiger.
-2. Bovendien kan de bedrijfsvereniging de in het vorige lid bedoelde personen, al dan niet op hun verzoek, in aanmerking brengen voor voorzieningen welke strekken tot verbetering van hun levensomstandigheden.
-3. Voor de voorzieningen, bedoeld in de vorige leden, kunnen, behoudens het bepaalde in het volgende lid en in artikel 61 [61], de in de vorige leden bedoelde personen slechts in aanmerking worden gebracht indien en voor zover deze voorzieningen niet behoren tot de op grond van artikel 8, tweede lid, van de Ziekenfondswet geregelde verstrekkingen, zoals deze door de ziekenfondsen aan de bij hen ingeschreven verzekerden worden verleend.
-4. De bedrijfsvereniging is bevoegd om personen, bedoeld in de vorige leden, die niet ingevolge de Ziekenfondswet verzekerd zijn, voor bijzondere gevallen, onder goedkeuring van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, in aanmerking te brengen voor voorzieningen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, indien deze voorzieningen behoren tot de op grond van artikel 8, tweede lid, van de Ziekenfondswet geregelde verstrekkingen, zoals deze door de ziekenfondsen aan de bij hen ingeschreven verzekerden worden verleend.
-5. De rechter is bevoegd te beoordelen of gehele of gedeeltelijke afwijzing door de bedrijfsvereniging van een verzoek door of vanwege de belanghebbende tot het in aanmerking brengen voor voorzieningen, als in de vorige leden bedoeld, in overeenstemming is met de redelijkheid.

 

Art. 61 [61].  [MvT]
-1. Ingeval een persoon als bedoeld in artikel 60 [60], eerste en tweede lid, naar het oordeel van de bedrijfsvereniging niet voor de in artikel 60 [60], eerste en tweede lid, bedoelde voorziening in aanmerking kan worden gebracht op grond van het bepaalde in het derde lid van dat artikel en nochtans de desbetreffende verstrekking niet door het ziekenfonds wordt verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd, overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen, ten aanzien van de betrokkene het bepaalde in de genoemde leden van artikel 60 [60] wel toe te passen.
-2. Voor zover na de toepassing van het vorige lid blijkt dat recht op de voorziening bestaat krachtens de Ziekenfondswet, wordt de voorziening waarvoor de bedrijfsvereniging de betrokkene in aanmerking heeft gebracht, geacht ingevolge de genoemde wet door het ziekenfonds te zijn verstrekt en worden de kosten ervan door het ziekenfonds aan de bedrijfsvereniging vergoed.

 

Art. 62 [62].  [MvT]
Degene die arbeidsongeschikt is en geen aanspraak heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet, terwijl de in artikel 19 [19] bedoelde wachttijd van 52 weken nog niet is verstreken, is gehouden binnen dertien weken na de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid de bedrijfsvereniging in kennis te stellen van zijn ongeschiktheid.

 

Art. 63 [63].  [MvT]
-1. Indien het treffen van een voorziening als bedoeld in artikel 60 [60] tot gevolg heeft dat betrokkene geen of slechts gedeeltelijk arbeid kan verrichten en uit dien hoofde inkomsten derft, heeft hij gedurende de duur van die voorziening aanspraak op een toelage, welke toelage overeenkomt met het bedrag van de gederfde inkomsten, met dien verstande dat de toelage of, ingeval een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt genoten, de toelage vermeerderd met die uitkering, per dag niet mag te boven gaan het krachtens artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering vastgestelde bedrag.
-2. Indien naar het oordeel van de bedrijfsvereniging daartoe aanleiding bestaat, kan gedurende de duur van een voorziening als bedoeld in artikel 60 [60] een vergoeding worden verleend wegens kosten van onderhoud en huisvesting.
-3. De bedrijfsvereniging is bevoegd toelagen wegens inkomstenderving alsmede vergoedingen te verlenen anders dan bedoeld in de vorige leden.
-4. Degene die in verband met het bepaalde in het eerste of derde lid een toelage ontvangt en niet ingevolge deze wet is verzekerd, wordt voor het recht op toekenning en herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd alsof hij verzekerd is.

 

Art. 64 [64].  [MvT]
Onze Minister kan, ter bevordering van de veiligheid van de arbeid van verzekerden, regelen stellen inzake het verstrekken van inlichtingen door de bedrijfsvereniging of de Gemeenschappelijke Medische Dienst aan een bij die regelen aan te wijzen instelling.

 

Art. 65 [65].  [MvT]
Met betrekking tot het in deze paragraaf bepaalde kan Onze Minister, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, regelen stellen.

 

 

HOOFDSTUK  III

De uitvoering der verzekering

 

§ 1.  Uitvoering door bedrijfsverenigingen

 

Art. 66 [66].  [MvT]
-1. De werknemer is, behoudens het bepaalde in de volgende leden, verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij zijn werkgever is aangesloten.
-2. Degene die als werknemer wordt beschouwd ingevolge het bepaalde in artikel 7 [7], onderdeel a, b en c, is verzekerd bij de bedrijfsvereniging welke beslist over de toekenning van de aldaar bedoelde uitkering.
-3. Indien de werkgever is aangesloten bij meer dan één bedrijfsvereniging, is de werknemer verzekerd bij de bedrijfsvereniging welke haar werking uitstrekt over het onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe zijn werkzaamheden uitsluitend of in hoofdzaak behoren.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ter aanwijzing van de bedrijfsvereniging waarbij een persoon als bedoeld in artikel 17 [17], vierde lid, geacht wordt verzekerd te zijn.

 

Art. 67 [67].  [MvT]
Voor de toepassing van deze wet gelden aaneensluitende verzekeringen bij verschillende bedrijfsverenigingen als één verzekering.

 

Art. 68 [68].  [MvT]
-1. Ongeacht het bepaalde bij of krachtens artikel 66 [66] geschiedt de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering:
a. indien de werknemer meer dan één werkgever heeft: door de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever is aangesloten die hem doorgaans het grootste bedrag aan loon uitbetaalt;
b. indien artikel 19 [19], tweede of derde lid, toepassing vindt: door de bedrijfsvereniging waarbij de betrokkene bij de aanvang van de laatstelijk ingetreden periode van arbeidsongeschiktheid verzekerd was of, indien hij op bedoeld tijdstip niet verzekerd was, door de bedrijfsvereniging waarbij hij vóór dat tijdstip laatstelijk verzekerd was.
-2. Onze Minister kan gevallen aanwijzen waarin de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering geschiedt door een andere bedrijfsvereniging dan die waarbij de betrokkene bij de aanvang van de laatstelijk ingetreden periode van arbeidsongeschiktheid verzekerd was of geacht wordt verzekerd te zijn, dan wel door een andere bedrijfsvereniging dan die welke in het vorige lid wordt aangewezen.

 

Art. 69 [69].  [MvT]
Ongeacht het bepaalde bij of krachtens artikel 66 [66] geschiedt de herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering door de bedrijfsvereniging welke die uitkering heeft toegekend.

 

Art. 70 [70].  [MvT]
Met betrekking tot de uitvoering van het bepaalde in paragraaf 3 van hoofdstuk II vindt het bepaalde bij of krachtens de artikelen 68 [68] en 69 [69] overeenkomstige toepassing.

 

Art. 71 [71].  [MvT]
-1. Alvorens de bedrijfsvereniging een beslissing neemt ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 19 [19], eerste tot en met vierde lid, 21 [21], 22 [22], 24 [24], 25 [25], 28 [28], 29 [29], 30 [30], 33 [33], 37 [37], 38 [38], 39 [39], 43 [43], 44 [44], 45 [45], 47 [47], 60 [60], 61 [61] of 63 [63], eerste en tweede lid, vraagt zij het advies van de Gemeenschappelijke Medische Dienst.
-2. Het in het vorige lid bedoelde advies is niet vereist:
a. voor zover bij de beslissing wordt beslist omtrent het verzekerd zijn ingevolge deze wet;
b. ten aanzien van een beslissing ingevolge artikel 25 [25], eerste lid, naar aanleiding van het niet voldoen aan een door of vanwege de bedrijfsvereniging gedane oproeping of naar aanleiding van het weigeren om door of vanwege de bedrijfsvereniging gestelde vragen te beantwoorden;
c. ten aanzien van een beslissing ingevolge artikel 28 [28], onderdeel d en e, behoudens voor zover daarbij wordt beslist omtrent overeenkomstige toepassing van artikel 25 [25], tweede lid;
d. ten aanzien van een beslissing ingevolge artikel 29 [29], voor zover voor de daaraan ingevolge artikel 25 [25] of artikel 28 [28] voorafgegane beslissing in verband met het bepaalde onderdeel b of c, geen advies van de Gemeenschappelijke Medische Dienst vereist was.

 

 

§ 2.  Het Arbeidsongeschiktheidsfonds

 

Art. 72 [72].  [MvT]
-1. Er bestaat een Arbeidsongeschiktheidsfonds, dat de hoedanigheid van rechtspersoon bezit. Het heeft zijn zetel ter plaatse door Onze Minister te bepalen.
-2. Het bestuur van het fonds bestaat uit een door Onze Minister aan te wijzen voorzitter en zes andere leden en een gelijk aantal plaatsvervangende leden. De helft van de leden en de plaatsvervangende leden wordt aangewezen door de organisaties van werkgevers als bedoeld in artikel 35, zesde lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekering en de andere helft door de organisaties van werknemers als bedoeld in artikel 35, zesde lid, van genoemde wet.
-3. Het bestuur van het fonds is verantwoordelijk en rekenplichtig aan de Sociale Verzekeringsraad.
-4. De voorzitter en de andere leden en plaatsvervangende leden van het bestuur van het fonds mogen niet tevens lid of plaatsvervangend lid zijn van de Sociale Verzekeringsraad, van het bestuur van een bedrijfsvereniging of van het bestuur van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen verdere regelen worden gesteld omtrent de onverenigbaarheid van het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het fonds met andere functies.
-5. Omtrent de samenstelling en de bevoegdheden van het bestuur en omtrent het beheer van het fonds kunnen door Onze Minister nadere regelen worden gesteld.
-6. Aan de voorzitter, de andere leden en de plaatsvervangende leden van het bestuur van het fonds kan volgens regelen door het bestuur van het fonds te stellen een schadeloosstelling benevens een vergoeding voor reis- en verblijfkosten worden toegekend. Deze regelen behoeven de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad.
-7. De voorzitter vertegenwoordigt het fonds in en buiten rechte.

 

Art. 73 [73].  [MvT]
-1. Het Arbeidsongeschiktheidsfonds is bevoegd te doen nagaan:
a. of besluiten van de bedrijfsverenigingen met betrekking tot het verlenen van arbeidsongeschiktheidsuitkering of het in aanmerking brengen voor voorzieningen als bedoeld in artikel 60 [60] in overeenstemming zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen;
b. of bedragen welke de bedrijfsverenigingen aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds in rekening brengen wegens voor dit fonds gedane uitgaven, alsmede bedragen welke de bedrijfsverenigingen aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds ten goede doen komen wegens voor dit fonds geïnde premies, op de juiste wijze zijn vastgesteld.
-2. Indien het beleid van een bedrijfsvereniging ten aanzien van:
a. de heffing en invordering van de bedragen van de in artikel 77 [77] bedoelde premie;
b. het verlenen van arbeidsongeschiktheidsuitkering of het in aanmerking brengen voor voorzieningen als bedoeld in artikel 60 [60];
c. het beheer en de administratie met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
in strijd is met de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen of om andere redenen niet aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen voldoet, kan het Arbeidsongeschiktheidsfonds aan de bedrijfsvereniging mededelen dat de bedragen welke aan dat fonds ten goede zijn dan wel zouden zijn gekomen of aan dat fonds in rekening zijn dan wel zouden worden gebracht, op daarbij aan te geven wijze worden herzien.
-3. Een gelijke bevoegdheid, als in het vorige lid bedoeld, heeft het Arbeidsongeschiktheidsfonds ten aanzien van de gevallen waarin - en voor zover - de bedrijfsvereniging bij het verlenen van arbeidsongeschiktheidsuitkering of het in aanmerking brengen voor voorzieningen als bedoeld in artikel 60 [60] is afgeweken van het oordeel van de Gemeenschappelijke Medische Dienst.
-4. Indien een bedrijfsvereniging zich met een herziening als in de vorige leden bedoeld niet kan verenigen, kan zij zich binnen één maand na ontvangst van de mededeling van het Arbeidsongeschiktheidsfonds wenden tot de Sociale Verzekeringsraad, welke in het geschil een beslissing neemt.
-5. De bedragen welke uitsluitend als gevolg van een mededeling krachtens het tweede en derde lid of een beslissing als bedoeld in het vierde lid aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds ten goede behoren te komen of niet aan dat fonds in rekening kunnen worden gebracht, komen ten laste van de ziekengeldverzekering der bedrijfsvereniging.

 

Art. 74 [74].  [MvT]
-1. Het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds brengt, volgens door Onze Minister te stellen regelen en behoudens daarbij te bepalen uitzonderingen, de besluiten welke het neemt onverwijld ter kennis van Onze Minister en van de Sociale Verzekeringsraad.
-2. De besluiten van het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds kunnen, voor zover zij met de wet of het algemeen belang strijden, door Ons worden geschorst of vernietigd. De artikelen 28, tweede en derde lid, 29, 30, 31, 32, 33 en 34 van de Organisatiewet Sociale Verzekering zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 75 [75].  [MvT]
-1. Het boekjaar van het Arbeidsongeschiktheidsfonds loopt van 1 januari tot en met 31 december.
-2. Het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds is verplicht binnen één jaar na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand van het fonds en van zijn werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen te stellen, welk verslag met de rekening over dat boekjaar aan Onze Minister en de Sociale Verzekeringsraad wordt toegezonden.
-3. Door Onze Minister kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van het in het vorige lid bedoelde verslag en de daarin te verwerken statistische gegevens.

 

 

HOOFDSTUK  IV

De op te brengen middelen

 

Art. 76 [76].  [MvT + bis]
-1. De middelen tot dekking van de uitgaven van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, alsmede de middelen benodigd voor het vormen en in stand houden van een reserve, worden gevonden door het heffen van premies van de werkgevers en van de werknemers.
-2. De premies worden gestort in het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
-3. De ingevolge deze wet te betalen uitkeringen, de kosten voortvloeiende uit de toepassing van paragraaf 3 van hoofdstuk II, de overige aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten, alsmede de kinderbijslag- en de ziekenfondspremies welke voor rekening van de bedrijfsverenigingen komen voor degenen die arbeidsongeschiktheidsuitkering genieten, komen ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
-4. Onze Minister kan, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, regelen stellen met betrekking tot de vorming en instandhouding van een reserve door het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
-5. Onze Minister stelt, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, voorschriften vast met betrekking tot de belegging van de gelden van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.

 

Art. 77 [77].  [MvT + bis]
-1. De premie wordt door de bedrijfsvereniging geheven in een overeenkomstig artikel 78 [78] vastgesteld percentage van het loon dat in het tijdvak waarover de betaling loopt door de werknemer is genoten.
-2. Van de premie is de helft verschuldigd door de werknemer en de helft door de werkgever, behoudens dat de premie geheel door de werkgever is verschuldigd ten aanzien van de werknemer wiens loon geheel bestaat in verstrekkingen in natura, met of zonder huisvesting en onderricht.
-3. De werkgever is gehouden zowel de door de werknemer als de door hemzelf verschuldigde premie aan de bedrijfsvereniging te betalen. De werkgever mag op het loon van de werknemer inhouden het door deze verschuldigde deel der premie over de tijd waarover dat loon betaald wordt. Het ingehouden bedrag wordt geacht door de werkgever te worden gevorderd krachtens artikel 1638r, onder 3º, van het Burgerlijk Wetboek. Indien de verschuldigde premie na de loonuitbetaling met terugwerkende kracht wordt verhoogd of indien een voorschotpremie wordt gevorderd, mag bij de definitieve vaststelling van de kosten niets van een eventueel door de werkgever bij te betalen of bijbetaald bedrag op de werknemer worden verhaald.

 

Art. 78 [78].  [MvT + bis]
Het in het eerste lid van het vorige artikel bedoelde premiepercentage wordt door het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds onder goedkeuring van Onze Minister, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, vastgesteld op een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk percentage. Indien Onze Minister aan het door het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds vastgestelde percentage zijn goedkeuring onthoudt, stelt hij het percentage vast.

 

Art. 79 [79].  [MvT]
De Sociale Verzekeringsraad kan regelen stellen omtrent de verrekening tussen het Arbeidsongeschiktheidsfonds en de bedrijfsverenigingen van ontvangen premies enerzijds en van verstrekte uitkeringen en gemaakte kosten anderzijds alsmede omtrent de berekening van de ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds te brengen administratiekosten.

 

 

HOOFDSTUK  V

Het verstrekken van inlichtingen

 

Art. 80 [80].  [MvT]
Degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, diens wettelijke vertegenwoordiger en de persoon aan wie of het orgaan aan hetwelk ingevolge artikel 54 [54] een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht onverwijld aan de bedrijfsvereniging welke de uitkering uitbetaalt mededeling te doen van elke verandering van feiten en omstandigheden welke tot intrekking of verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of tot vermindering van het bedrag dat van die uitkering wordt uitbetaald aanleiding kan geven.

 

 

HOOFDSTUK  VI

De vrijwillige verzekering

 

Art. 81 [81].  [MvT]
-1. De bedrijfsverenigingen zijn verplicht overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde tot de vrijwillige verzekering toe te laten, mits hij hier te lande woont:
a. degene wiens verplichte verzekering is geëindigd en te wiens aanzien op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat onderbreking van die verplichte verzekering van korte duur zal zijn;
b. degene die, terwijl hij hier te lande woonde, in het buitenland verplicht verzekerd was tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid, mits:
1º. hij niet meer in het buitenland verzekerd is, omdat hij niet langer werkzaamheden verricht in het buitenland;
2º. op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat het zijn bedoeling is binnen korte tijd opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan;
c. degene wiens verplichte verzekering is geëindigd en die als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, indien hij gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn verplichte verzekering, onafgebroken, al dan niet hier te lande, ingevolge een wettelijke regeling verzekerd is geweest tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid;
d. degene wiens dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht - niet uitsluitend als gevolg van een voor betrokkene geldende werktijdregeling krachtens welke een normale werkweek van gemiddeld minder dan zes dagen van toepassing is - en die uit hoofde van die dienstbetrekking verplicht verzekerd is, indien hij gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag van aanvang van zijn vrijwillige verzekering, onafgebroken, al dan niet hier te lande, ingevolge een wettelijke regeling verzekerd is geweest tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid;
e. degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%;
f. degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%;
g. degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%, is ingetrokken.
-2. De in het vorige lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van degene wiens verplichte verzekering is geëindigd en die buiten het Rijk woont en aldaar in dienstbetrekking staat tot een binnen het Rijk wonende of gevestigde werkgever.

 

Art. 82 [82].  [MvT]
-1. De in het eerste lid van het vorige artikel, onderdeel c en d, genoemde termijn van drie jaren wordt geacht niet te zijn onderbroken:
a. indien de betrokkene gedurende niet meer dan 60 dagen niet verzekerd is geweest;
b. gedurende de wachttijd als bedoeld in de artikelen 19 [19], 37 [37] en 38 [38];
c. gedurende het tijdvak waarover een arbeidsongeschiktheidsuitkering is genoten, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%.
-2. De in het eerste lid van het vorige artikel, onderdeel c en d, genoemde voorwaarde van een verzekeringsduur van drie jaren wordt geacht te zijn vervuld indien de betrokkene in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

 

Art. 83 [83].  [MvT]
-1. De aanmelding voor de vrijwillige verzekering dient te geschieden bij de bedrijfsvereniging:
a. door de in het eerste lid, onderdeel a, b en c, en het tweede lid van artikel 81 [81] bedoelde personen binnen één maand na het einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in het eerste lid, onderdeel e, f en g, van artikel 81 [81] bedoelde personen binnen één maand na de dagtekening van de beslissing waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of ingetrokken.
-2. De in het vorige lid, onderdeel b, bedoelde personen worden geacht zich binnen één maand na de dagtekening van de beslissing te hebben aangemeld indien de aanmelding geschiedt binnen één maand na de dag waarop zij redelijkerwijze hebben kunnen kennisnemen van die beslissing.
-3. De Sociale Verzekeringsraad kan regelen stellen voor bijzondere gevallen waarin aanmelding voor de vrijwillige verzekering later dan de in de vorige leden bedoelde maand mogelijk is.

 

Art. 84 [84].  [MvT]
-1. De premie voor de vrijwillige verzekering wordt geheven naar de maatstaf van het dagloon dat overeenkomstig door de Sociale Verzekeringsraad onder goedkeuring van Onze Minister te stellen regelen aan die verzekering ten grondslag ligt.
-2. Het percentage van het dagloon waarin de premie wordt vastgesteld, is gelijk aan het percentage van het loon dat voor de betrokkene als premie verschuldigd zou zijn indien hij verplicht verzekerd was.

 

Art. 85 [85].  [MvT]
-1. Al hetgeen met betrekking tot de vrijwillige verzekering nog nader geregeld dient te worden, geschiedt door de Sociale Verzekeringsraad onder goedkeuring van Onze Minister.
-2. In de op grond van het vorige lid door de Sociale Verzekeringsraad te stellen regelen kan worden bepaald dat de bedrijfsverenigingen onder goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad omtrent de vrijwillige verzekering ten aanzien van in die regelen aan te geven onderwerpen nadere regelen kunnen stellen.

 

Art. 86 [86].  [MvT]
Met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk zijn, met inachtneming van de wijzigingen welke de aard van het onderwerp vordert, de bepalingen van de overige hoofdstukken en de ter uitvoering van die bepalingen genomen besluiten, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet is afgeweken.

 

 

HOOFDSTUK  VII

Het beroep

 

Art. 87 [87].  [MvT]
-1. Aan de belanghebbende wordt schriftelijk kennis gegeven van een beslissing ingevolge deze wet welke:
a. verband houdt met het recht op en de uitbetaling van arbeidsongeschiktheidsuitkering, met dien verstande dat schriftelijke kennisgeving van een beslissing inzake herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het bepaalde in artikel 15 [15] slechts plaatsvindt indien de belanghebbende zulks verzoekt;
b. een gehele of gedeeltelijke afwijzing inhoudt van een verzoek tot het in aanmerking brengen voor voorzieningen als bedoeld in artikel 60 [60], eerste en tweede lid;
c. verband houdt met het recht op en de uitbetaling van een toelage als bedoeld in artikel 63 [63], eerste lid;
d. betrekking heeft op vrijwillige verzekering.
-2. Aan de werkgever wordt, desverlangd, schriftelijk kennis gegeven van een beslissing ingevolge deze wet welke betrekking heeft op verschuldigde premie.
-3. Een kennisgeving, als in de vorige leden bedoeld, vermeldt de dagtekening van de beslissing, de gronden waarop deze berust, alsmede, behoudens indien het betreft een beslissing ingevolge artikel 53 [53], onderdeel b, naam en adres van het college waarbij ingevolge het bepaalde in het volgende artikel beroep kan worden ingesteld en de termijn van beroep.

 

Art. 88 [88].  [MvT]
-1. Tegen een beslissing waarvan ingevolge het bepaalde in het vorige artikel schriftelijk kennis wordt gegeven, staat, behoudens indien het betreft een beslissing ingevolge artikel 53 [53] onderdeel b, voor de belanghebbende beroep open.
-2. Over het in het vorige lid bedoelde beroep wordt geoordeeld door de raden van beroep en door de Centrale Raad van Beroep, bedoeld in de Beroepswet.

 

 

HOOFDSTUK  VIII

De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht

 

Art. 89 [89].  [MvT]
Bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid houdt de rechter rekening met de aanspraken die hij krachtens deze wet heeft.

 

Art. 90 [90].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. Overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen kan de bedrijfsvereniging in plaats van het bedrag der periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen.

 

Art. 91 [91].  [MvT]
-1. Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de werkgever van de verzekerde die naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht slechts indien de arbeidsongeschiktheid is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever.
-2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd degene die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen.

 

 

HOOFDSTUK  IX

Strafbepalingen

 

Art. 92 [92].  [MvT]
-1. Hij die niet voldoet aan de verplichting omschreven in artikel 12 [12] wordt gestraft met hechtenis van
ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste ƒ100,00.
-2. Met gelijke straf wordt gestraft hij die door hem krachtens deze wet betaalde of verschuldigde premie afhoudt van het loon van of op enige andere wijze verhaalt op een werknemer of gewezen werknemer, zonder dat dit bij deze wet is toegestaan.
-3. Het maximum der straf, in het eerste en tweede lid bedoeld, wordt verdubbeld in geval van herhaling der overtreding binnen twee jaren nadat een veroordeling van de schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden.

 

Art. 93 [93].  [MvT]
Hij die niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 80 [80], wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste ƒ600,00.

 

Art. 94 [94].  [MvT]
Hij die op grond van bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet, dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

 

Art. 95 [95].  [MvT]
Hij die op andere wijze dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk een opgave in strijd met de waarheid doet, zulks met het oogmerk om aldus een uitkering of een hogere uitkering ingevolge deze wet te verkrijgen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

 

Art. 96 [96].  [MvT]
Overtreding van bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste ƒ200,00.

 

Art. 97 [97].  [MvT]
-1. Indien een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit wordt gepleegd door of vanwege een lichaam, wordt de strafvervolging ingesteld en worden de straffen en maatregelen uitgesproken hetzij tegen dat lichaam, hetzij tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen beiden.
-2. Een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit wordt onder meer gepleegd door of vanwege een lichaam indien het gepleegd wordt door personen die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van het lichaam, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het strafbaar feit hebben gepleegd dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.
-3. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een lichaam, wordt het tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en, indien er meer bestuurders zijn, door één dezer. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. Het gerecht kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen; het kan alsdan zijn medebrenging gelasten.
-4. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een lichaam, vindt artikel 538, onder 2º, van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing.

 

Art. 98 [98].  [MvT]
De in de artikelen 94 [94] en 95 [95] bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven, de in de artikelen 92 [92], 93 [93] en 96 [96] bedoelde strafbare feiten worden als overtredingen beschouwd.

 

 

HOOFDSTUK  X

Slotbepalingen

 

Art. 99 [99].  [MvT]
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt door Onze Minister geregeld.

 

Art. 100 [100].  [MvT]
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering".

 

Art. 101 [101].  [MvT]
De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

 

 

     Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven

 

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WAO | MvT | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x