|
rblz.|1
l.k.|
Kamerstukken II
1962-1963, 7171
Arbeidongeschiktheidsverzekering
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Historisch overzicht |
| 2.1 |
De
ontwikkeling van de verzekeringen die
alle arbeidsongeschiktheid tot onderwerp
hebben |
| 2.2 |
De naoorlogse reorganisatieplannen |
| 2.3 |
De interim-regeling voor
invaliditeitsrentetrekkers en de adviesaanvrage
aan de S.E.R. inzake het socialezekerheidsbeleid
op langere termijn |
| 3 |
Het systeem der wet |
| 3.1 |
Kring
der verzekerden |
| 3.2 |
Verstrekkingen der verzekering |
| 3.3 |
Uitvoeringsorganisatie |
| 3.4 |
Middelen tot dekking van de kosten |
| 3.5 |
Invloed van de verzekering op het
burgerlijk recht |
| 3.6 |
Afwijking
op belangrijke punten van de
adviezen van de S.E.R. en de S.V.R. |
| 4 |
Sociaal-geneeskundige aspecten |
| 4.1 |
De sociaal-medische betekenis van een arbeidsongeschiktheidsverzekering |
| 4.2 |
De sociaal-medische
aspecten van de schadeloosstellingen krachtens de
arbeidsongeschiktheidsverzekering |
| 4.3 |
Medisch-organisatorische
aspecten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering |
| 5 |
Financiële en economische
aspecten |
| 5.1 |
Financieringsstelsel |
| 5.2 |
Het stelsel van premieheffing |
| 5.3 |
Financiële aspecten |
| 6 |
Samenvatting |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 101 |
[Algemeen, red.]
1.
Inleiding
1.
Sedert het einde van de Tweede
Wereldoorlog heeft ten onzent een
uitvoerige discussie plaatsgehad over de
herziening van de sociale verzekering.
Deze discussie had eveneens tot
onderwerp de uitkeringen in geval van
korte en langdurige
arbeidsongeschiktheid. Verschillende
commissies hebben zich met de daarmede
samenhangende vraagstukken beziggehouden en ter zake adviezen
uitgebracht. Eveneens hebben de Regering
daarover adviezen bereikt van de
Sociaal-Economische Raad (S.E.R.) en de
Sociale Verzekeringsraad (S.V.R.). De
laatste adviezen van deze beide lichamen
hadden betrekking op het tot stand
brengen
van een algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering
welke in de plaats zou treden van de
bestaande wetten op het terrein van de
ongevallenverzekering en de
invaliditeitsverzekering.
Bij
het optreden van de ondergetekende als
Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid was een wetsontwerp voor
een algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering reeds
in voorbereiding, waarbij op
belangrijke punten reeds een uitvoerige
arbeid was verricht. Alhoewel het de
ondergetekende bekend was dat over de
vraag of het aanbeveling verdiende reeds
terstond naar een algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering te
koersen hier te lande verschillend werd
gedacht, heeft hij gemeend - hoewel
hij met het oog op de financiële
positie der invaliden voorrang heeft
gegeven aan de totstandkoming van een
interim-regeling voor
invaliditeitsrentetrekkers -, mede in
het licht van de uitgebrachte adviezen,
tot continuering van de voorbereidende
arbeid te moeten besluiten. Dit heeft
ertoe geleid dat thans het onderhavige
ontwerp van wet op een
arbeidsongeschiktheidsverzekering kan
worden ingediend.
2. De
ondergetekende heeft besloten de in gang
zijnde arbeid te continueren, wijl hij
van oordeel is dat de ter zake vóór
zijn optreden genomen beslissingen
volkomen juist zijn en geheel liggen in
de lijn van het naoorlogse sociale
denken. Hij moge er nog eens aan
herinneren hoe de vooroorlogse socialeverzekeringswetgeving
- alhoewel
geïnspireerd vanuit een duidelijke
sociale overtuiging van de grote
pioniers der sociale verzekering, zoals
de Ministers Lely, Kuyper, Talma en
Aalberse - in belangrijke mate gevormd
is onder invloed van een
individualistische, aan het private
verzekeringsrecht ontleende denkwijze
en daardoor in menig opzicht door
individualistische karaktertrekken
gekenmerkt werd. Het wil de
ondergetekende voorkomen dat daarvoor
twee redenen aan te wijzen zijn. De
eerste is de zojuist genoemde dat bij
de totstandkoming van de sociale
verzekering men in menig opzicht gewerkt heeft naar het model der
private verzekering. De denkvorm der
private verzekering, welke in hoofdzaak
gekenmerkt wordt door de opvatting dat
in individuele verzekeringscontracten
een ruilevenwicht noodzakelijk is tussen
premie en uitkering, tussen prestatie
en contraprestatie, was evenwel
ontoereikend voor de sociale
verzekering, welke eerst geleidelijk aan
een eigen denkvorm zou ontwikkelen,
waarbij minder het individuele
ruilevenwicht, doch meer de
maatschappelijke solidariteit bepalend
was. De ondergetekende moge zich
ontslagen rblz.|1
r.k.|
achten
hierop uitvoerig in te gaan, waar dit
verschijnsel, in het bijzonder in de
naoorlogse literatuur en ook in de
schriftelijke stukken van na de oorlog
tot stand gekomen socialeverzekeringswetten, uitvoerig is
belicht.
Het
is evenwel niet alleen de denkvorm van
de private verzekering geweest welke
debet is aan het feit dat tal van
vooroorlogse socialeverzekeringswetten
een allengs onbevredigend geachte
structuur hebben gekregen. Daarop is
evenzeer van invloed geweest de
sociaal-politieke denkwijze vóór de
laatste wereldoorlog. Ook hierin zou de
ondergetekende niet uitvoerig willen
treden. Hij zou willen volstaan met
eraan te herinneren hoe in de sociale
wetgeving in het algemeen - en in de
socialeverzekeringswetgeving in het
bijzonder - in de aanvang heeft gegolden dat zij beperkt diende te
blijven tot maatschappelijk zwakken. In
de arbeidswetgeving werden als zodanig
aanvankelijk uitsluitend de zogenaamde
personae miserabiles beschouwd; in de
socialeverzekeringswetgeving waren het
de arbeiders in gevaarlijke bedrijven.
Toen later in de socialeverzekeringswetgeving de beperking tot
de gevaarlijke bedrijven werd verlaten,
kwamen analoge beperkingen weer naar
voren, enerzijds doordat in sommige
socialeverzekeringswetten een loongrens
werd gesteld boven welke men niet
verzekerd was, terwijl anderzijds de
verzekering tegen geldelijke gevolgen
van ongevallen zich beperkte tot
ongevallen in verband met de
dienstbetrekking.
In de
maatschappelijke werkelijkheid leidde
dit laatste ertoe dat degenen die
ongeschikt zijn tot het verrichten van
arbeid ten gevolge van ziekte of ongeval,
uit twee categorieën bestaan: een
eerste categorie, voor wie bij
langdurige arbeidsongeschiktheid een
tamelijk bevredigende regeling geldt, namelijk
de categorie dergenen die getroffen
zijn door een ongeval in verband met de
dienstbetrekking en wat daarmede voor de
toepassing der Ongevallenwetten wordt
gelijkgesteld; vervolgens een tweede
categorie van degenen die niet
getroffen zijn door een ongeval in
verband met de dienstbetrekking.
Alhoewel ook de voorziening voor de
eerste categorie niet in alle opzichten
bevredigend te noemen is - zo
ontbreekt bijvoorbeeld de waardevastheid der
uitkeringen, hetgeen vooral bij zeer
langdurige uitkeringen die zich over
decennia uitstrekken als een ernstig
bezwaar is gaan gelden -, is de sociale
positie van de tweede categorie, zelfs
ondanks de na de oorlog ingevoerde
toeslagen, volstrekt ontoereikend te
noemen. Deze laatste omstandigheid,
gepaard aan de schrille tegenstelling
welke aanwezig is tussen de
voorzieningen voor de beide categorieën
en de omstandigheid dat het voor de
justitiabelen soms welhaast
onbegrijpelijk moet zijn waarin de
rechtvaardiging gelegen is of men tot
de ene dan wel tot de andere categorie
behoort (men denke in dit verband aan
straatongevallen waarvan sommige wel
en andere niet tot ongevalsuitkeringen
leiden), hebben sterk de gedachte
ingang doen vinden enerzijds dat voor
al degenen die door
arbeidsongeschiktheid een langdurige
uitkering van node hebben een
behoorlijke voorziening dient te
bestaan, anderzijds dat het onjuist is
onderscheid te blijven maken tussen twee
categorieën.
Kan
reeds gezegd worden dat deze gedachte in
het gewone menselijke denken van alledag
steeds meer gemeengoed is geworden, ook
in het algemene sociaal-politieke denken
rblz.|2
l.k.|
zowel
als in het denken met betrekking tot de
sociale zekerheid zijn belangrijke
aanknopingspunten te vinden om aan de
tweedeling een einde te maken. De
ondergetekende moge in deze herinneren
aan de uitgebreide discussie welke ook
ten onzent heeft plaatsgehad over de
vraag of aan de ongevallenverzekering
ten grondslag dient te liggen het
beginsel van het "risque professionnel"
dan wel het beginsel van het "risque
social". Wat daarvan ook zij, ook
in het sociaal-politieke denken is
steeds meer naar voren gekomen dat niet
beslissend dient te zijn hoe iemand
arbeidsongeschikt is geworden, maar de
omstandigheid dat men
arbeidsongeschikt is en dat dit
maatschappelijke consequenties heeft.
Ten
slotte
is ook in het denken over de sociale
verzekering veel gewijzigd. De sociale
verzekering, die aanvankelijk min of
meer het koekoeksei was in het nest van
de private verzekering, heeft zich
geleidelijk aan steeds meer aan deze
milieufactoren ontworsteld en is een
zelfstandig bestaan gaan leiden. Dit
heeft ertoe geleid dat de sociale
verzekering aan bestaande, naar huidige
maatschappelijke normen onjuiste, sociale structuren is ontgroeid. De
ondergetekende meent dan ook te mogen
vaststellen dat in het rechtsbewustzijn
niet meer leeft dat in het verband van
de socialeverzekeringswetgeving in de
maatschappelijke consequenties van
langdurige arbeidsongeschiktheid anders
zou moeten worden voorzien naargelang
men door een bedrijfsongeval dan wel
door een ziekte is getroffen. Deze
onderscheiding - met het oog op de
sociale verzekering - wordt reeds
lang onwezenlijk geacht en als in strijd
met het rechtsbewustzijn van de hand
gewezen.
3.
Het lijkt de ondergetekende wenselijk eraan te herinneren dat vroeger de
rechtsgrond voor de verplichte sociale
verzekering voor werknemers vaak werd
gezien in het beginsel van het
rechtvaardig arbeidsloon. De hieraan ten
grondslag liggende gedachte was in het
algemeen deze dat het loon van de
arbeider voldoende diende te zijn niet
alleen voor tijden dat hij in staat was
zich door arbeid een inkomen te
verwerven, maar evenzeer voor die
omstandigheden waarin hij buiten zijn
schuld niet tot arbeid in staat zou
zijn. Aangezien het de arbeiders
moeilijk zou zijn daarvoor de nodige
voorzieningen individueel te treffen,
vooral nog gelet op de omstandigheid
dat het risico ieder ogenblik zelfs
onmiddellijk na het eerste
arbeidsoptreden manifest kan worden,
werd de sociale verzekering gezien als
een adequaat instrument om het
rechtvaardig arbeidsloon te realiseren.
Het
wil de ondergetekende voorkomen dat het
niet onjuist is dit te stellen en te
blijven stellen. De ondergetekende meent
evenwel dat men er rekening mee moet
houden dat het beginsel van het
rechtvaardig arbeidsloon niet een
oorspronkelijk, maar een afgeleid
beginsel is en ten dele een vormgevend
beginsel. Daarbij wordt iets - namelijk de
sociale uitkeringen - als rechtvaardig
bij het arbeidsloon geïncorporeerd wat
het reeds eerder van buitenaf was. De
mens namelijk die in het hedendaagse
maatschappelijke verkeer
arbeidsongeschikt wordt, kan de
consequenties daarvan veelal niet
dragen. De maatschappelijke
rechtvaardigheid gebiedt evenwel dat
ook deze mens zijn levensontplooiing
dient te hebben, waarbij niet
gediscrimineerd wordt naar oorzaak.
De
meer oorspronkelijke beginselen waarom
het bij de verplichte sociale
verzekering gaat, zijn dan ook naar het
oordeel van de ondergetekende in de
eerste plaats het recht van iedere mens
op zelfontplooiing en in de tweede
plaats het recht op gelijke kansen. Het
eerste beginsel brengt met zich dat ook
de zieke, ook de invalide en ook de
gehandicapte mens recht op
levensontplooiing heeft, waartoe de
sociale verzekering een geëigend middel
is om hem daartoe de materiële
mogelijkheden te verschaffen. Uit het
tweede beginsel vloeit voort dat zieke,
invalide en gehandicapte mensen, ondanks
hun lichamelijke ongelijkheid, toch
maatschappelijk zoveel mogelijk gelijke
kansen dienen ie hebben als gezonde
mensen en dat in ieder geval niet
gediscrimineerd dient te worden naar de
oorzaak van ziekte, invaliditeit en
handicap.
Natuurlijk
kan de verplichte sociale verzekering de
gelijkheid van kansen niet alleen
realiseren, doch zij kan wel een bijzonder
rblz.|2
r.k.|
belangrijke materiële bijdrage daartoe
leveren. Het recht op zelfontplooiing en
het recht op gelijke kansen bij ziekte,
invaliditeit en handicap kan de
individuele arbeidende mens bij de
huidige inkomensverhoudingen niet zelf
realiseren en dit zal hij ook nooit zelf
kunnen realiseren. Het arbeidsloon zal
dan ook eerst dan rechtvaardig zijn
wanneer het, voor zover het een gevolg
is van de primaire zowel als van de
secundaire inkomensverdeling, deze
beide rechten kan realiseren.
Het
wil de ondergetekende voorkomen dat een
verplichte
arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke
de uitkeringen aan langdurig
ongeschikten op een redelijk niveau
brengt en niet discrimineert naar de
oorzaak van de arbeidsongeschiktheid,
daartoe een effectief middel kan zijn.
De
ondergetekende ziet daarbij niet voorbij
aan de omstandigheid dat de
arbeidsongeschiktheidsverzekering niet
in alle opzichten verbetering met zich
zal brengen. Zo zal degene met een loon
dat hoger is dan de loongrens van de
huidige Ziektewet in de toekomst in het
geval van een ongeval in verband met de
dienstbetrekking of wat daarmede wordt
gelijkgesteld, geen aanspraak meer
hebben op genees- en heelkundige
behandeling zoals thans verleend wordt
ingevolge de Ongevallenwetten. De
ondergetekende acht dat geen bezwaar. Op
het stuk van de ziektekostenverzekering
bestaan in Nederland goede vrijwillige
verzekeringen, althans voor de normale
risico's. Degene met een inkomen boven
de loongrens die deze risico's gedekt
wil zien, heeft tot die verzekering
gemakkelijk toegang.
In de
tweede plaats moet de ondergetekende
erop wijzen dat de
arbeidsongeschiktheidsverzekering - in overeenstemming met de
adviezen van de S.E.R. en de S.V.R. - geen voorzieningen kent ten behoeve van
nagelaten betrekkingen. De
ondergetekende moge er echter aan
herinneren dat op het stuk van
voorzieningen voor nagelaten
betrekkingen in ons land met het tot
stand komen van de Algemene Weduwen-
en Wezenwet de weg is gekozen van een
volksverzekering. Gelet op de
ontwikkeling van de sociale
verzekering, ligt het naar zijn mening
op de weg van de ondernemings- en
bedrijfspensioenfondsen om op de
bodemvoorziening die vervat is in de
Algemene Weduwen- en Wezenwet [A.W.W., red.]
aanvullende voorzieningen te treffen
voor nagelaten betrekkingen, ongeacht de
oorzaak van het overlijden. Alhoewel ten
overvloede moge de ondergetekende erop
wijzen dat uiteraard degenen die op
het tijdstip van de inwerkingtreding van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in
het genot zijn van uitkeringen aan
nagelaten betrekkingen op grond van de
Ongevallenwetten of op grond van de
Invaliditeitswet, die uitkeringen zullen
behouden.
4. De
ondergetekende komt thans op de vraag
van de beperking der
arbeidsongeschiktheidsverzekering tot de
loontrekkenden. Men kan zich inderdaad
de vraag stellen - en de
ondergetekende heeft zich deze vraag
gesteld - of de beide hierboven
bedoelde beginselen uitsluitend gelden
ten aanzien van de loontrekkenden. De
ondergetekende is geneigd deze vraag in
beginsel ontkennend te beantwoorden. Dit
is dan ook de reden geweest dat de
ondergetekende op 24 augustus 1962
hierover advies heeft gevraagd aan de S.E.R.
Daarbij heeft hij ook de vraag
aan de orde gesteld van een
volksverzekering inzake
arbeidsongeschiktheid, waarbij dus ook
de uitkeringskant van het
gehandicaptenvraagstuk zou kunnen worden opgelost.
De ondergetekende wil
gaarne uitspreken dat het in zeker
opzicht aantrekkelijk geweest zou zijn
om op het advies van de S.E.R. te
wachten alvorens de indiening te
bevorderen van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
omdat, indien de S.E.R. van oordeel zou
zijn dat het wenselijk is een
volksverzekering voor
arbeidsongeschiktheid in het leven te
roepen, de regeling van meet af aan
opgezet had kunnen worden als een
volksverzekering. De ondergetekende
meende evenwel dat het niet verantwoord
was daarop te wachten, omdat het
periculum in mora te groot is. Hij
verliest daarbij niet uit het oog dat
inmiddels een interim-regeling voor
invaliditeitsrentetrekkers tot stand is
gekomen. Hoewel de interim-regeling voor
de belangrijke groep van
invaliditeitsrentetrekkers van grote
betekenis is, mag toch niet uit het oog
worden verloren dat rblz.|3
l.k.|
deze
regeling een minimumkarakter heeft. Zij
is namelijk afgestemd op het loon van een
ongeschoolde arbeider en voorts - enkele uitzonderingen daargelaten
- beperkt tot degenen die een rentekaart
hebben gehad en een voldoende aantal
zegels voor invaliditeitsrente in
rekening kunnen doen brengen. Verschillende groepen vallen dus buiten
de interim-regeling, voor anderen heeft
die regeling een beperkter karakter dan
de thans voorgestelde, welke van het
werkelijk verdiende loon uitgaat. Daarom
meende en meent de ondergetekende dat
niets mocht en mag worden nagelaten om
de arbeidsongeschiktheidsverzekering zo
spoedig als mogelijk tot stand te
brengen. Hij wijst er echter met nadruk
op - en dit ter ondersteuning van zijn
adviesaanvrage aan de S.E.R. - dat
het hem wil voorkomen dat een
volksverzekering voor
arbeidsongeschiktheid ernstig in de
overwegingen betrokken moet worden.
In de
adviesaanvrage aan de S.E.R. heeft de
ondergetekende reeds uiteengezet dat
niet goed in te zien is in welk opzicht de zelfstandigen een andere
positie in het maatschappelijk verkeer
innemen voor wat betreft de
maatschappelijke consequenties van
langdurige arbeidsongeschiktheid dan de
loontrekkenden. De ondergetekende erkent dat voor wat betreft het
kortlopende risico de positie van de
zelfstandigen een gans andere is dan die
van de loontrekkenden. Veelal is het
mogelijk door vervanging of door hulp
een bedrijf of beroep tijdelijk voort
te zetten, doch wanneer eenmaal de
arbeidsongeschiktheid een langdurig
karakter krijgt, worden de
maatschappelijke consequenties ervan
vaak zodanig dat zij voor een brede
groep van zelfstandigen evenmin te
dragen zijn als voor de brede groep der
loontrekkenden.
Er
resten dan nog degenen die van hun
geboorte af gehandicapt zijn geweest of
althans een handicap hebben gekregen,
voordat zij in het arbeidsproces zijn
opgenomen. Het is de ondergetekende
bekend dat van verschillende zijden de
vraag is gesteld of deze groep nu wel
dient te worden opgenomen in de
verplichte sociale verzekering. Men
heeft erop gewezen dat het meer
aangewezen is dat de lasten voor deze
groep geheel voor rekening van de
overheid komen. Men heeft tevens gewezen
in de richting van de Algemene
Bijstandswet. De ondergetekende moge
voor wat het laatste betreft eraan
herinneren dat de Minister van
Maatschappelijk Werk en hij in de
memorie van toelichting bij het ontwerp
Algemene Bijstandswet duidelijk hebben
uiteengezet dat de Algemene
Bijstandswet beoogt voorziening te
geven in de individuele nood en
afgestemd is op die individuele nood,
terwijl het in de sociale verzekering om
globale uitkeringen gaat. Ook bij de
aanwezigheid van sociale verzekeringen
kan in bepaalde omstandigheden een
aanvullende hulp op grond van de
Algemene Bijstandswet noodzakelijk zijn.
Het
wil de ondergetekende voorkomen dat
juist de verwezenlijking van het
beginsel van gelijke kansen langs de weg
van de sociale verzekering een krachtig
pleidooi kan betekenen om de
gehandicapten die hun handicap hebben
gekregen vóór zij in het arbeidsproces
zijn opgenomen, ook in een
volksverzekering voor
arbeidsongeschiktheid op te nemen. Dat
de overheid een financiële
verantwoordelijkheid heeft ten aanzien
van deze groep ontkent de
ondergetekende geenszins. Hij heeft
daarvan ook doen blijken in de
adviesaanvrage aan de S.E.R.
5.
Het lijkt de ondergetekende thans
wenselijk een aspect aan te roeren
hetwelk op het ogenblik, met betrekking
tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en de eventuele uitgroei dier
verzekering tot een volksverzekering,
weer in discussie is gesteld, namelijk het
aspect van de organisatie der
verzekering. Het wil de ondergetekende
voorkomen dat de discussie over de
volksverzekering vertroebeld kan worden
door het organisatieprobleem, zoals dit
in het verleden in het kader van de
sociale verzekering reeds zo vaak het
geval is geweest. Hij vraagt zich af
waarvoor dat nodig is. De vraag van de
volksverzekering behoeft naar zijn
oordeel niet op de vorm van de
volksverzekering te prejudiceren.
De
arbeidsongeschiktheidsverzekering welke
in het onderhavige ontwerp van wet is
neergelegd, is opgezet als een rblz.|3
r.k.|
verzekering
uit te voeren door de
bedrijfsverenigingen. De ondergetekende
heeft in dat opzicht de lijn der
ontwikkeling, uitgestippeld bij de
totstandkoming van de Organisatiewet
Sociale Verzekering en in de adviezen
van de S.E.R.
en de S.V.R., gevolgd. Hij
moge erop wijzen dat het op zichzelf
niet ondenkbaar is ook de
volksverzekering op een zodanige wijze
tot uitvoering te brengen dat de in het
onderhavige ontwerp van wet voorziene
uitvoeringsorganisatie geheel intact
blijft. Denkbaar toch is dat de
volksverzekering zich zou beperken tot
een bodemvoorziening, waarbij de
bedrijfsverenigingen voor de
loontrekkenden de thans voorgestelde
arbeidsongeschiktheidsverzekering
blijven uitvoeren, doch het element van
de uitkeringen dat beantwoordt aan de
bodemvoorziening intern verrekenen met
de Sociale
Verzekeringsbank, welk
orgaan, tezamen met de Raden van
Arbeid, de volksverzekering overigens,
dat wil zeggen voor het overige deel van
de bevolking, zou kunnen uitvoeren. Ook
andere oplossingen zijn denkbaar. Het
wil de ondergetekende echter voorkomen
dat het er primair om gaat wat uit
sociaal-politiek oogpunt dient te geschieden op het stuk van de
totstandkoming der voorziening zelf en
dat de uitvoeringsorganisatie zo goed
mogelijk moet worden opgezet, waarbij
met het historisch gewordene natuurlijk
voor zoveel mogelijk moet worden
rekening gehouden.
6. De
ondergetekende heeft voor dit ogenblik
volstaan met de bevordering van de
indiening van een ontwerp van wet tot
regeling van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en
ontwerpen van wet tot wijziging van de
Ziektewet en de Organisatiewet Sociale
Verzekering, deze laatste wijziging met
het oog op de in hoofdstuk
5 nader te
bespreken medische dienst. Daarmede is
het geheel van regelingen dat nodig is
voor de totstandkoming van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering nog
niet afgerond. Voorbereid moeten nog
worden een ontwerp van wet houdende de
regeling van het overgangsrecht in de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
alsmede ontwerpen tot regeling van de
liquidatie van de Invaliditeitswet, de Mijnwerkersinvaliditeitswet, de
Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919. Voorts dienen
uit een oogpunt van aanpassing aan het
onderhavige ontwerp van wet in enkele
andere socialeverzekeringswetten nog
enige wijzigingen van technische en
coördinatieve aard te worden
aangebracht.
De
ondergetekende heeft zich afgevraagd of
het geen aanbeveling verdiende met de
indiening van de thans voorliggende
ontwerpen te wachten tot ook de
overgangsregeling en de Iiquidatieregelingen gereed waren. Hij
heeft gemeend dit niet te moeten doen.
In de eerste plaats moge hij eraan
herinneren dat de regeling van het
overgangs- en het liquidatierecht niet
alleen het gevolg is van de invoering
der arbeidsongeschiktheidsverzekering,
maar tevens ten nauwste verband houdt
met de totstandkoming van de A.O.W. [Algemene
Ouderdomswet, red.] en
de A.W.W, De laatstbedoelde wettelijke
regelingen zijn ingevoerd zonder de
daaruit voortvloeiende consequenties
voor de Invaliditeitswet en de
Ongevallenwetten te regelen. Die
regeling moet thans tegelijk met de
invoering der
arbeidsongeschiktheidsverzekering tot
stand worden gebracht. Zij is evenwel,
evenmin als op de algemene
ouderdomsverzekering en op de algemene
weduwen- en wezenverzekering, van
invloed op de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Wel
zal de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering mede
op de regeling van het overgangsrecht
van invloed zijn, hetwelk in hoofdzaak
de regeling der verkregen rechten
inhoudt. Hiervoor zij overigens verwezen
naar bijlage I van deze memorie.
Vervolgens
moge hij eraan herinneren dat de
interim-regeling voor
invaliditeitstrekkers is opgezet
overeenkomstig de adviezen van de S.E.R.
en de S.V.R. met betrekking tot de voor
invaliditeitsrentetrekkers voorziene
overgangsregeling voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Alhoewel de interim-regeling op een
aantal punten nog zal moeten worden
aangepast, is met deze regeling een
belangrijk deel van de overgangsregeling
reeds gegeven.
In de
derde plaats moge de ondergetekende
eraan herinneren dat vanuit de Staten-Generaal ernstige aandrang is
rblz.|4
l.k.|
uitgeoefend
om, zo nodig langs partiële weg, de
arbeidsongeschiktheidsverzekering tot
stand te brengen. De ondergetekende
heeft deze weg gevolgd - teneinde de
uiteindelijke invoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering te
bespoedigen - door thans te
komen met de regeling ten principale;
deze is, gelet op het bovenstaande,
partieel, waarbij zij aangetekend dat
de nog in te dienen ontwerpen veel tijd
van voorbereiding zullen vorderen.
Ten slotte
moge de ondergetekende erop wijzen dat
met name het liquidatie- en het
overgangsrecht in menig opzicht dienen
te worden afgeleid van het bestaande en
van het nieuwe recht. Aan de
voorbereiding van deze regelen wordt met
kracht voortgewerkt. Intussen is het
mogelijk een begin te maken met de
parlementaire behandeling van de thans
voorgelegde ontwerpen.
7.
In deze inleidende beschouwing wil de
ondergetekende thans niet uitvoerig meer
ingaan op de inhoud van de nu aanhangig
gemaakte ontwerpen. In het onderstaande
(verwezen zij in het bijzonder naar
hoofdstuk 3) zal dat uitvoeriger en
systematisch kunnen geschieden. Hij zou
er echter wel op willen wijzen dat hij zoveel mogelijk heeft aangesloten bij
de adviezen van de S.E.R.
en van de
S.V.R. In paragraaf 3.6 is
aangegeven op welke belangrijke punten
van de adviezen is afgeweken; hiervan is
eveneens melding gemaakt in het
samenvattende overzicht in hoofdstuk
6.
Op
een belangrijk element zou de
ondergetekende in deze inleiding nog de
aandacht willen vestigen, en wel hierop
dat in het ontwerp
arbeidsongeschiktheidsverzekering
en als gevolg daarvan ook in het
ontwerp tot wijziging van de Ziektewet,
geen loongrens voorkomt. Dit is, naar
het de ondergetekende wil voorkomen,
mede een noodzakelijke en
onvermijdelijke consequentie van de
samensmelting van de Ongevallenwetten,
welke ten onzent nimmer een loongrens
hebben gekend, met de Ziektewet en de
Invaliditeitswet.
In
dit opzicht komt de regeling ook meer
overeen met de regelingen welke in het
buitenland bestaan en die in het algemeen evenmin loongrenzen kennen. De
schrapping van de loongrens in de
Ziektewet leidt tot de noodzaak een
zelfstandige loongrensbepaling in het
ontwerp Ziekenfondswet te brengen,
waarmede de van vele zijden bepleite
ontkoppeling een feit wordt.
Voor
een meer uitvoerige motivering van het
niet opnemen van een loongrens in de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zij
verwezen naar paragraaf
3.1. In de
memorie van toelichting bij het ontwerp
van wet tot wijziging van de Ziektewet
is de ondergetekende op het punt van de
afschaffing van de loongrens in de
Ziektewet meer diepgaand ingegaan.
Nu
enerzijds de voor de ziekengeldverzekering geldende loongrens
zal worden opgeheven en de koppeling van
de verplichte ziekenfondsverzekering
aan de verplichte verzekering ingevolge
de Ziektewet anderzijds komt te
vervallen, heeft de ondergetekende zich
afgevraagd of het geen aanbeveling zou
verdienen onder deze omstandigheden de
Ziektewet onmiddellijk in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering te
incorporeren. Naar de mening van de
ondergetekende is het zeer wel denkbaar
de regeling vervat in de Ziektewet en
die vervat in het ontwerp van wet inzake
een arbeidsongeschiktheidsverzekering
in één wet samen te brengen. Hij heeft
evenwel voorshands gemeend daartoe nog
niet te moeten besluiten, omdat het naar
zijn wijze van zien in deze beide
regelingen om twee geheel verschillende
verzekeringen gaat, al hebben zij beide
tot object uitkering in geval van
arbeidsongeschiktheid en al wordt in
beide wetten niet naar de oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid gedifferentieerd.
Het wil de ondergetekende voorkomen dat
de verplichte ziekengeldverzekering de
verzekerde beschouwt in zijn
betrokkenheid tot zijn eigen
arbeidsmilieu, terwijl dit bij de
arbeidsongeschiktheidsverzekering niet
het geval is. In het eerste geval krijgt
de verzekerde uitkering wanneer hij
ongeschikt is tot het verrichten van
zijn eigen arbeid, terwijl het in het
tweede geval gaat om arbeid die voor
zijn krachten en bekwaamheid is berekend
en die hem ook met het oog op zijn
opleiding en vroeger beroep naar
billijkheid kan worden rblz.|4
r.k.|
opgedragen,
onverschillig of dat nu arbeid in de
eigen onderneming is of in een andere,
onverschillig ook of het arbeid is in
dezelfde of in een andere bedrijfstak.
De ondergetekende ziet de verzekerde in
de verplichte ziekengeldverzekering als
de naar zijn eigen werk terugkerende
verzekerde, terwijl het in de
arbeidsongeschiktheidsverzekering gaat
om de weer naar het bedrijfsleven
terugkerende verzekerde, waar dat voor
hem passend is. De ondergetekende ziet
voor wat de in de Ziektewet geregelde
verzekering betreft ook een zeker
verband met het ter zake geldende
ontslagrecht.
Dit
verschil in uitgangspunt heeft niet
alleen een theoretische maar ook een
zeer praktische betekenis. In dit
verband moge verwezen worden naar de
consequenties ten aanzien van de
medische dienst in de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. De
ondergetekende meent dan ook dat het
voorshands zinvol is een scheiding
tussen de beide verzekeringen te laten
bestaan.
8. Ten slotte zou de ondergetekende nog een
enkele opmerking willen maken in
verband met de coördinatie van de
Nederlandse wetgeving met andere
regelingen, bijvoorbeeld in E.E.G.-verband. Er
is namelijk wel naar voren gebracht dat geen
enkel land in E.E.G.-verband een
arbeidsongeschiktheidsverzekering kent,
doch dat in alle andere landen de
scheiding tussen ongevallenverzekeringen en
invaliditeitsverzekeringen bestaat.
Het
wil de ondergetekende voorkomen dat de
omstandigheid dat in andere landen
(nog) geen algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering
bestaat, geen reden behoeft te zijn in
ons land op dit stuk pioniersarbeid na
te laten. Voorts moge hij erop wijzen
dat, voor wat betreft de coördinatie in
E.E.G.-verband, primair van belang is de
mate waarin de uitkeringen in geval van
ongeval en invaliditeit tussen de
verschillende landen afwijken. Het wil
hem voorkomen dat het juister is om
naar die maatstaf de coördinatie te
bezien dan naar de opzet der
verzekering.
Voor een vergelijkend
overzicht van de verzekering op het stuk
van arbeidsongeschiktheid in een aantal
Europese landen zij verwezen naar
bijlage II van deze memorie.
2.
Historisch overzicht
2.1. De
ontwikkeling van de verzekeringen die
alle arbeidsongeschiktheid tot onderwerp
hebben
1. De vroegste regeling van een
verzekering tegen geldelijke gevolgen
van arbeidsongeschiktheid was de
Ongevallenwet 1901. Het daartoe
strekkende ontwerp was in 1898 ingediend
door Minister Lely en bevatte een aantal
wijzigingen op een vroeger ingediend
ontwerp van Minister Van der Sleyden. De
rechtsgrond van de ongevallenverzekering
was volgens Minister Lely gelegen in het
beginsel van het risque professionnel,
volgens hetwelk de lasten van de
bedrijfsongevallen gerekend moeten
worden tot de normale bedrijfsonkosten.
De toepassing van dit beginsel diende
naar het oordeel van de Minister
vooralsnog beperkt te blijven tot de
meest gevaarlijke bedrijven, terwijl de
regeling een publiekrechtelijk karakter
diende te hebben. Voor de uitvoering
werd een op te richten
Rijksverzekeringsbank aangewezen.
Na
verwerping van het ontwerp door de
Eerste Kamer, in het bijzonder, omdat de
Regering niet tegemoet kwam aan het
bezwaar dat de wet de mogelijkheid tot
risico-overdracht en tot het dragen van
eigen risico niet opende, werd medio
1900 een nieuw wetsontwerp ingediend,
waarin onder meer aan dit bezwaar was tegemoet
gekomen, waarna het nog in hetzelfde
jaar door de beide kamers der
Staten-Generaal werd aanvaard en als Wet
van 2 januari 1901, Stb. 1901, 1, werd
afgekondigd.
Onder Minister Aalberse
werd de Ongevallenwet 1901 in 1921
belangrijk herzien, waardoor de
werkingssfeer der wet aanzienlijk werd
verruimd. Sedertdien is niet meer sprake
van de Ongevallenwet 1901, doch van de
Ongevallenwet 1921. De voornaamste
wijzigingen welke werden aangebracht,
waren de volgende:
rblz.|5
l.k.|
a.
een belangrijke verruiming in deze zin
dat - in tegenstelling tot de oude
wet, die beperkt was tot enkele
gevaarlijke bedrijven - voortaan alle
bedrijven, behalve die van landbouw,
tuinbouw, zeevaart en zeevisserij,
verzekeringsplichtig zouden zijn;
tevens werd een bepaling ingevoegd
waardoor bepaalde werkzaamheden die
niet in een onderneming worden
verricht, in bepaalde gevallen onder de
bepalingen der wet werden gebracht;
h.
het begrip ongeval werd zodanig verruimd dat voortaan onder ongeval
verstaan zou worden een ongeval aan de
werkman overkomen in verband met zijn
dienstbetrekking, ten gevolge waarvan onder
meer ook ongevallen op weg van en naar
het werk onder de verzekering zouden
vallen. Tot dan toe waren alleen
ongevallen in verband met de
bedrijfsuitoefening onder de
werkingssfeer der wet gebracht;
c.
de vrijwillige werkgeversverzekering
werd in de wet opgenomen;
d.
het werd mogelijk tot decentralisatie
van werkzaamheden over te gaan,
waardoor een aantal werkzaamheden aan de
Raden van Arbeid kon worden opgedragen;
e.
de in de Ongevallenwet van 1901
neergelegde organisatie der
Rijksverzekeringsbank werd uit de wet
gelicht; de organisatie van de
Rijksverzekeringsbank zou bij een
afzonderlijke wet geschieden.
Intussen
was in 1919 tot stand gekomen de
Zeeongevallenwet 1919. Voordien bestond
de Oorlogszeeongevallenwet 1915. Die
wet werd in 1919 zodanig gewijzigd dat
ieder bedrijfsongeval in de zeevaart
en zeevisserij voortaan aanspraak op
uitkering zou geven. De regeling werd op
privaatrechtelijke leest geschoeid.
In
1922 kwam de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 tot stand,
welke de verzekering tegen geldelijke
gevolgen van ongevallen regelt van
personen in de land- en
tuinbouwbedrijven. Die wet draagt de
uitvoering van de verzekering in de
eerste plaats op aan
bedrijfsverenigingen, te weten door de
Kroon erkende verenigingen van
werkgevers welke zich belasten met de
uitvoering van de bij de wet geregelde
verzekering. Deze verenigingen mogen
niet beogen winst te maken en haar
bestuur moet bestaan uit een even aantal
leden, waarvan de helft wordt aangewezen
door verenigingen van
werknemers.
Arbeiders
in dienst van werkgevers die niet
aangesloten zijn bij een
bedrijfsvereniging, zijn van rechtswege
verzekerd bij de Sociale
Verzekeringsbank.
De
wet trad op 1 mei 1923 in werking.
In
1928 werd een belangrijke wijziging in
de Ongevallenwet 1921 en de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 aangebracht
als uitvloeisel van het in 1925 op de
Internationale Arbeidsconferentie
aangenomen ontwerpverdrag betreffende
de schadeloosstelling voor
beroepsziekten. Als gevolg daarvan werd
in die wetten een aantal met name
genoemde beroepsziekten met ongevallen
gelijkgesteld, welk aantal nadien
herhaaldelijk werd uitgebreid.
Voorts
werd in 1928 in de Ongevallenwet 1921
opgenomen een regeling tot instelling
van de fabrieksartsendienst. Dit was een
uitvloeisel van het rapport van de door
Minister Slotemaker de Bruine
ingestelde commissie-Nolens, welke tot
taak kreeg te rapporteren over de
betekenis van het instituut van de
fabrieksarts voor de
ongevallenverzekering en over de
wenselijkheid om met betrekking tot
ondernemingen waaraan een fabrieksarts
was verbonden enige afwijkingen toe te
staan van de verplichting betreffende
ongevalsaangifte, zoals die verplichting in de Ongevallenwet 1921
was geregeld. Aanleiding tot instelling
der commissie was de praktijk van
bepaalde ondernemingen waaraan een
fabrieksarts was verbonden om bij
lichte letsels geen ongevalsaangifte te
doen. Dit verzuim kon bij latere
ernstige gevolgen leiden tot verjaring
van het recht op schadeloosstelling.
Het
rapport van de commissie-Nolens leidde
tot een wijziging der Ongevallenwet
1921, waarbij de mogelijkheid geopend
werd aan ondernemingen waaraan een
behoorlijk rblz.|5
r.k.|
ingerichte
geneeskundige dienst is verbonden
afwijking toe te staan van de wettelijke
voorschriften inzake aangifte van
ongevallen en schadeloosstelling
daarvan.
Zoals in hoofdstuk
1 reeds is
opgemerkt, bevatte de ongevallenverzekering ten onzent
uiteindelijk een tamelijk bevredigende
regeling van uitkeringen in geval van
ongeval en daarmede gelijk te stellen
ziekten en letsels, zoals bijvoorbeeld beroepsziekten en letsels in
betrekkelijk korte tijd ontstaan.
Een
belangrijk bezwaar verbonden aan de
regeling van de ongevallenverzekering
is de omstandigheid dat de uitkeringen
niet waardevast zijn. Bij de
financiering van de
ongevallenverzekeringen is men tot
dusverre altijd uitgegaan van het zogenaamde
kapitaaldekkingsstelsel, met name van
een bepaalde toepassing van het
kapitaaldekkingsstelsel, te weten het
rentedekkingsstelsel, waarbij op het
ogenblik van toekenning van een
definitieve rente krachtens een der
Ongevallenwetten de contante waarde dier
rente gereserveerd moet worden. Het is
duidelijk dat in een dergelijk stelsel
het onmogelijk is om waardevastheid van
de uitkeringen te realiseren. Omdat bij
langdurige arbeidsongeschiktheid de
vastgestelde uitkeringen zich over vele
tientallen van jaren kunnen uitstrekken,
leidde dit er in tal van gevallen toe
dat de uitkeringen steeds geringer
waarde gingen vertegenwoordigen. Dit
bracht de noodzaak met zich dat naar
analogie van de Wet tot aanvulling van
renten krachtens de Invaliditeitswet ook
een regeling tot stand kwam tot
aanvulling van renten krachtens de
Ongevallenwetten. De daarin neergelegde
percentages zijn geleidelijk aan voor de
verschillende groepen van rentetrekkers
verhoogd.
2. Het wetsontwerp dat tot de Invaliditeitswet heeft geleid, werd in
1911 ingediend door Minister Talma.
Talma zag de rechtsgrond voor de
invaliditeitsverzekering en voor de
sociale verzekering in het algemeen
bepaald door de volgende gedachte: de
verzekering tegen geldelijke gevolgen
van de eventualiteiten van het leven
hangt samen met de wijziging der
voortbrenging. De ontwikkeling in de
wijze van voortbrenging is voor de
arbeider gepaard gegaan met een
vermindering van bestaanszekerheid,
terwijl voorts de verhouding tussen de
werkgever en de arbeider door het losser
worden van de persoonlijke band een
geheel andere is geworden. Het is nu de
taak en het recht van de overheid zorg
te dragen dat niet de verhoudingen
welke door haar beschermd en in stand
gehouden worden, voor de burgerij of een
deel daarvan gevolgen hebben die het
rechtsbesef bij de bevolking ondermijnen
en daardoor het rechtsleven en daarmede
haar eigen bestaan bedreigen. Tot die
gevolgen behoort de bestaansonzekerheid.
Het is in strijd met het rechtsbesef,
aldus Minister Talma, wanneer een
arbeider die gearbeid heeft zolang hij
kan, op het ogenblik dat hij niet meer
kan werken aangewezen is op onderstand
van derden. Minister Talma achtte het
niet slechts wenselijk, maar ook uit een
oogpunt van overwegend maatschappelijk
belang geboden dat in het algemeen de
arbeidsvoorwaarden voor personen in
loondienst op zodanige wijze zijn
geregeld dat mede rekening is gehouden
met hun behoeften bij ziekte,
invaliditeit en ouderdom.
De beperking
van de verzekering tot loonarbeiders
heeft in de Staten-Generaal tot
bestrijding aanleiding gegeven. Een
rechtsgrond op grond waarvan de
verzekering beperkt zou moeten worden
tot loonarbeiders was naar het oordeel
van verschillende Kamerleden te eng. Zij
achtten het verkeerd dat de Minister
voorbijzag aan die groep die
sociaal-economisch met arbeiders gelijk
te stellen waren. Het is interessant
dat Minister Talma naar aanleiding van
deze opmerking verklaarde dat hij nooit
van oordeel was geweest dat een
verzekering tegen geldelijke gevolgen
van ziekte, invaliditeit en ouderdom
alleen nodig was voor arbeiders, maar
wel dat alleen voor hen vaststond dat
een wettelijke regeling van hun inkomen,
waarbij ook voor ziekte, invaliditeit en
ouderdom hun een uitkering toekwam,
nodig en mogelijk was.
De Invaliditeitswet, die in 1913 onder Talma
tot stand kwam, dreigde aanvankelijk
niet tot uitvoering te worden gebracht.
Het Kabinet-Kort van der Linden, waarin
Minister Treub Minister was van
Landbouw, Nijverheid en Handel en rblz.|6
l.k.|
later
van Financiën, meende dat door de
uitspraak van de kiezers een meerderheid
in de Tweede Kamer was gekomen die
voorstander was van staatspensioen, in
verband waarmede de Regering de
Invaliditeitswet niet ongewijzigd tot
uitvoering meende te mogen brengen. In
de Troonrede van 1913 werd dan ook een
wetsontwerp in de richting van
staatspensioen aangekondigd, maar het
daartoe strekkend wetsontwerp heeft het
niet tot het Staatsblad kunnen brengen.
De Invaliditeitswet trad uiteindelijk 3
december 1919 in werking.
In
de loop van de jaren werden onder meer
twee gebreken van de
invaliditeitsverzekering steeds
klemmender. In de eerste plaats was dit
de omstandigheid dat de uitkering niet
in enig verband staat met de
inkomenspositie van de rentetrekker
vóór het ogenblik waarop hij invalide
werd, doch slechts verband houdt met de
duur der verzekering en het aantal en de
waarde der geplakte rentezegels. In de
tweede plaats gold dit het bezwaar dat
de uitkeringen niet waardevast zijn. Dit
heeft ertoe geleid dat na de oorlog de
Wet tot aanvulling van renten krachtens
de Invaliditeitswet tot stand kwam,
welke er onder meer toe strekte de
invaliditeitsrenten toegekend aan
personen beneden de leeftijd van 65 jaar te verhogen met een toeslag van 100%, welke toeslag sedertdien
herhaaldelijk is verhoogd en tot
toekenning van een gezinstoeslag,
aanvankelijk van ƒ35,- per maand aan
gehuwde rentetrekkers en enige daarmede
gelijk te stellen categorieën, welke
toeslag ook herhaaldelijk verhoogd
werd. Uiteindelijk heeft de nood der
invaliditeitsrentetrekkers geleid tot
de totstandkoming van de
interim-regeling voor
invaliditeitsrentetrekkers.
3.
Ook de wettelijke ziekengeldverzekering
is in 1913 onder Minister Talma tot
stand gekomen, nadat ontwerpen van de
Ministers Kuyper en Veegens het niet tot
openbare behandeling hadden gebracht.
Het zou overigens nog vele jaren duren
voor deze wettelijke regeling in werking
zou treden. In 1919 werd de
staatscommissie-Kooien ingesteld, welke
tot taak kreeg een ontwerp te maken
waarbij de ziektebehandeling en de
aansluiting daarvan bij de
ziekengeldverzekering zou worden
geregeld. Het rapport van deze commissie
verscheen reeds na acht maanden. Hierop
verscheen een voorontwerp van wet tot
wijziging van de Ziektewet, hetwelk de
principiële opzet van die wet
onaangetast liet en door Minister
Aalberse in handen werd gesteld van de
Hoge Raad van Arbeid.
De
Hoge Raad bracht in 1920 advies uit,
waarin medegedeeld werd dat de
meerderheid van de Raad eerst een
onderzoek wenste naar het aantal
arbeiders dat reeds ingevolge
collectieve arbeidscontracten of andere
regelingen recht op ziekengeld kon doen
gelden. Misschien zou dan blijken dat
de voorkeur zou moeten worden gegeven
aan een geheel andere regeling der
ziekengelduitkering, waarbij
organisaties van werkgevers en
vakcentrales zonden worden ingeschakeld.
Een grote minderheid sprak zich evenwel
uit voor de onmiddellijke invoering van
de Ziektewet.
Dit
nader onderzoek vond plaats, waarvan het
resultaat leidde tot een proeve van een
ontwerp-Ziektewet, meestal aangeduid
als de zogenaamde proeve Posthuma-Kupers. De
proeve wilde de uitvoering van de Ziektewet in handen gelegd zien van
rechtspersoonlijkheid bezittende
verenigingen van werkgevers en
werknemers, bedrijfsverenigingen
geheten. Voor de niet-georganiseerde
werkgevers zou een ziektegarantiefonds
aanvullend optreden. Het toezicht zou
worden uitgeoefend door een Raad van
Toezicht, bestaande uit
vertegenwoordigers van werkgevers,
arbeiders en Regering.
Het
vraagstuk werd hiermede niet
eenvoudiger. Het invoeren van de
Ziektewet werd geleidelijk aan
afhankelijk gesteld van de vorm der
uitvoeringsorganisatie. Naar het oordeel
van Minister Aalberse was het
moeilijkste probleem bij het aanvaarden
van de proeve Posthuma-Kupers het
vraagstuk van de ongeorganiseerde
werkgevers. De Minister vond de
oplossing van het garantiefonds
onbevredigend en achtte het wenselijk
naar een nieuwe oplossing te zoeken.
Met
dat doel werd ten departemente een
algemene herziening der
arbeidersverzekering ontworpen, die
gericht was op vereenvoudiging en
bezuiniging. In verband daarmede leek het
rblz.|6
r.k.|
wenselijk
niet tot invoering van de Ziektewet over
te gaan, doch daarmede te wachten tot
over de algehele herziening der
arbeidersverzekering was beslist. Over
een desbetreffend voorstel werd het
advies gevraagd van de Hoge Raad van
Arbeid. Dit voorstel is bekend geworden
als het plan-Groeneveld, genaamd naar
de toenmalige chef van de afdeling
arbeidersverzekering van het Ministerie
van Arbeid. Het plan hield onder
andere in:
a.
een uniforme kring der verzekerden voor
alle socialeverzekeringswetten;
b.
gelijkstelling van lichte ongevallen met
ziektegevallen;
c.
uitvoering door één organisatie van de
ongevallen- en ziekteverzekering, welke
tevens geneeskundige behandeling zou
verstrekken;
d. collectieve verzekering
in plaats van individuele verzekering;
e.
een eenheidsrente voor ouden van dagen,
invaliden, weduwen en wezen;
f.
uitvoering van de ziekte- en
ongevallenverzekering door
bedrijfsverenigingen met Raden van
Arbeid als restorganen, welke laatste
tevens de Invaliditeitswet zouden
uitvoeren. De Rijksverzekeringsbank zou
worden opgeheven; controle zou plaatshebben door een Raad van Toezicht.
De
Hoge Raad van Arbeid sprak zich in zijn
advies uit:
a. voor een uniforme kring
der verzekerden;
b. tegen verzekering
van geneeskundige hulp voor rekening
van het ziekteverzekeringsorgaan;
c.
voor het stelsel van eenheidsrenten;
d.
voor collectieve verzekering;
e. tegen
uitvoering zowel uitsluitend door een
overheidsorgaan als uitsluitend door
een bedrijfsorgaan.
In 1924 verscheen
hierop een voorontwerp tot regeling van
de ziekte- en ongevallenverzekering,
waarover de Hoge Raad van Arbeid een
gunstig advies uitbracht. Hierna diende
de Minister in februari 1925 een vrijwel
gelijk ontwerp van wet in bij de Tweede
Kamer, hetwelk door aftreden van het
Kabinet niet in behandeling kwam.
In
1926 zond Minister Slotemaker de Bruine
een voorontwerp van wet tot wijziging
van de Ziektewet
aan de Hoge Raad van
Arbeid. In dit voorontwerp werd
uitgegaan van het beginsel der
verplichte verzekering, terwijl het
uitsluitend betrekking had op de
ziekengeldverzekering en niet op de
ziekteverzorging. De
ziekengeldverzekering diende naar het
oordeel van de Minister in een
afzonderlijke wet te worden geregeld.
Ten aanzien van de premiebetaling
huldigde de Minister het beginsel van
samen dragen der premie door werkgevers
en werknemers, terwijl het
maatschappelijk leven zijns inziens een sterke
invloed diende te hebben op de
uitvoering.
De Hoge Raad van Arbeid
bracht in 1927 advies uit, waarbij
bezwaar werd gemaakt tegen de
verbrokkeling welke in de uitvoering
zou ontstaan, waardoor controle,
medezeggenschap der arbeiders bij de
verzekering en prophylaxe onvoldoende
gewaarborgd waren.
Na het uitbrengen van
advies door de Hoge Raad van Arbeid
diende Minister Slotemaker de Bruine in
1927 een ontwerp van wet tot wijziging
van de Ziektewet in, terwijl het
ontwerp-Aalberse van 1925 werd
ingetrokken. Het wetsontwerp werd door
de beide kamers aanvaard, waarna de
gewijzigde Ziektewet op 1 maart 1930 in
werking trad.
Tijdens de behandeling in
de Tweede Kamer werden nog een aantal
belangrijke wijzigingen in de Ziektewet
aangebracht, waarvan de belangrijkste
was dat het uitkeringspercentage van 70%
op 80% werd gebracht.
Ten slotte zij
nog opgemerkt dat overeenkomstig het
bepaalde in de Organisatiewet Sociale
Verzekering van 1952 de uitvoering van
de ziekengeldverzekering met ingang van
1 januari 1953 geheel in handen werd
gelegd van de bedrijfsverenigingen.
rblz.|7
l.k.|
2.2. De naoorlogse reorganisatieplannen
1.
Van de naoorlogse adviezen met
betrekking tot de verzekering tegen
geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid is in de eerste
plaats van betekenis het rapport van de
commissie ingesteld bij beschikking
van de Minister van Sociale Zaken van 26
maart 1943 met de opdracht algemene
richtlijnen vast te stellen voor de
toekomstige ontwikkeling van de sociale
verzekering in Nederland, het zogenaamde
rapport-Van Rhijn.
Met
betrekking tot de verzekering tegen
geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid waren alle leden
van de commissie-Van Rhijn het erover
eens dat werknemers die in dienst van
een bedrijf werkzaam zijn en daarmede
gelijkgestelde categorieën die onder
de huidige ongevallenverzekering
vallen, ook in de toekomst voorlopig op
gunstiger voorwaarden gecompenseerd
dienden te worden, zo zij ten gevolge
van een ongeval of ziekte in staat van
blijvende arbeidsongeschiktheid komen
te verkeren, dan overige invaliden voor
wie in de algemene
invaliditeitsverzekering een voorziening is getroffen. Eveneens
heerste eenstemmigheid omtrent de
wenselijkheid van gelijkstelling, voor
wat betreft voorwaarden, tijdsduur en
bedrag, van de uitkeringen die wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid
volgens de Ongevallenwet worden
verstrekt met die welke krachtens de
ziekteverzekering worden toegekend.
Een
deel der commissie wenste echter nog
verder te gaan en zou één
samenvattende bedrijfsverzekering tegen
ziekten en ongevallen in het leven
willen roepen teneinde de moeilijke
vraag of de arbeidsongeschiktheid het
gevolg is van een ongeval, een
beroepsziekte, dan wel van een niet door
de ongevallenverzekering gedekte
oorzaak, geheel overbodig te maken. Een
ander deel der commissie vreesde echter
dat zulks tot onbillijkheden zou leiden.
Waar een geprivilegieerde behandeling
van werknemers in dienst van een bedrijf
met betrekking tot invaliditeit
hoofdzakelijk rechtvaardiging vindt,
aldus dit deel der commissie, in de
overweging dat de oorzaak der
invaliditeit verband houdt met de
uitoefening van hun beroep, dan valt,
naar het oordeel van dit deel der
commissie, wanneer men dit verband
geheel laat schieten, moeilijk in te
zien waarom andere leden der bevolking,
zo zij door invaliditeit getroffen
worden, met een lager pensioen genoegen
zouden moeten nemen.
Overigens
zou, naar het eenstemmig oordeel der
commissie, aanzienlijke verbetering
moeten komen in de geldende invaliditeitsverzekering, die, mede in
het licht der nieuwere denkbeelden
hieromtrent in het buitenland, in haar
huidige gedaante onvoldoende moest
worden geacht. Voor Nederland zou een
regeling als die van het Beveridgeplan,
waarbij met betrekking tot de
geldelijke vergoeding geen onderscheid
gemaakt wordt tussen ziekte en
invaliditeit, om verschillende redenen -
voornamelijk van financiële aard -
niet in aanmerking kunnen komen, doch
wel zou de scherpe overgang van ziekte
tot invaliditeit in de zin van de
bestaande socialeverzekeringswetgeving
in ons land aanmerkelijk moeten worden
verzacht.
Behalve
door verbetering in de voorzieningen
krachtens de Invaliditeitswet zou dit
tevens moeten worden bewerkstelligd
door opheffing van de in de ziekengeldverzekering gestelde
maximumuitkeringstermijn van zes maanden
en, dit volgt vanzelf uit hetgeen
hierboven omtrent de
ongevallenverzekering werd opgemerkt,
van de in de Ongevallenwet gestelde
tijdslimiet van zes weken voor de
uitkering wegens tijdelijke
arbeidsongeschiktheid. Men zou deze
uitkering moeten laten voortduren tot op
het ogenblik waarop een blijvende
toestand geacht kan worden in te treden
en de tijdelijke uitkering dus door een
pensioen kan worden vervangen. Daarbij zou een flinke minimumtermijn moeten
worden vastgesteld, na afloop waarvan
een (vooralsnog onvermijdelijk lager)
invaliditeitspensioen in de plaats zou
moeten treden van de tijdelijke
uitkering. In de Britse
regeringsvoorstellen bijvoorbeeld
was een
zodanige minimumtermijn niet korter dan
drie jaren gedacht. De commissie meende
dat het voorts aanbeveling verdiende de
in de ziekengeldverzekering nieuw op te
nemen rblz.|7
r.k.|
bevolkingsgroepen,
in het voetspoor der door de Staatscommissie-Van Bruggen gedane voorstellen,
op geheel of vrijwel dezelfde
voorwaarden toe te laten als de reeds
door deze verzekering omvatte personen
en hun uitkering niet, zoals onder
anderen Beveridge dit deed, afhankelijk te
stellen van het verloop van een min of
meer langdurige periode van ziekte.
Aangetekend zij nog dat de commissie
het stellen van een maximuminkomensgrens voor deelneming
in de verzekering niet gewenst achtte.
2.
Over de adviezen van de commissie-Van
Rhijn heeft de toenmalige Minister van
Sociale Zaken, dr. W. Drees, het advies
gevraagd van het Bestuur van de
Stichting van den Arbeid, terwijl hij
tegelijkertijd aan een kleine technische
ambtelijke commissie, wederom onder
voorzitterschap van mr. dr. A.A. van
Rhijn, opdracht gaf om uitgewerkte
voorstellen voor herziening en
uitbreiding der sociale verzekering te
ontwerpen. Die commissie heeft aan
verschillende groeperingen van het
maatschappelijk leven gelegenheid
gegeven haar inzichten omtrent een
herziening van de sociale verzekering
kenbaar te maken. Nadat de Stichting van
den Arbeid een tweetal adviezen had
uitgebracht, waaruit bleek dat de
vertegenwoordigers van werkgevers- en
arbeidersorganisaties in de commissie
voor de sociale verzekering van de
Stichting van den Arbeid in belangrijke
mate overeenstemming hadden verkregen
over de hoofdlijnen van de toekomstige
herziening en unificatie van de sociale
verzekering, achtte Minister Drees het
voor een goede en vlotte gang van zaken
gewenst de werkzaamheden van de
technische Regeringscommissie te
coördineren met die van de
desbetreffende commissie uit de
Stichting van den den Arbeid. In overleg
met het bestuur van de Stichting werden
daarop beide commissies samengevoegd tot
een zogenaamde gemengde commissie, welke
aanvankelijk alleen het vraagstuk van de
oudedagsverzekering zou bezien, doch
later het gehele vraagstuk van de
herziening der sociale verzekering in
studie heeft genomen. Dat was in
september 1947.
In
maart 1948 heeft de gemengde commissie
advies aan Minister Drees uitgebracht.
Minister Drees tekende bij het rapport
aan dat hij goeddeels kon meegaan met
de hoofdlijnen die in het rapport waren
ontwikkeld, al moest hij zich uiteraard
ten aanzien van de uitwerking zijn
definitief oordeel voorbehouden.
De
gemengde commissie-Van Rhijn kwam tot de
conclusie dat uitbreiding van de
verplichte sociale verzekering tot de
zelfstandigen gewenst was.
In
tegenstelling tot de
ouderdomsverzekering, de
weduwenverzekering en de
kinderbijslagverzekering, welke
aanstonds tot alle zelfstandigen zouden
dienen te worden uitgebreid, waren de
ziekengeld- en
invaliditeitsverzekering geleidelijk op
de verschillende groepen van
zelfstandigen toe te passen. Met
uitzondering voor de ongevallen- en kinderbiislagverzekering achtte de
commissie een loon- of inkomensgrens
wenselijk, over de hoogte waarvan in het
midden der commissie verschil van
mening bestond.
Van de voorstellen der
commissie met betrekking tot de
ziekengeldverzekering waren de
belangrijkste dat zij het wenselijk
oordeelde de maximumuitkeringsduur van
het ziekengeld te verlengen van één
jaar op twee jaar en dat de mogelijkheid
open zou worden gehouden om het
ziekengeld op een latere dag te doen ingaan dan op de derde dag na die van de
aanvang van de arbeidsongeschiktheid.
Ten
aanzien van de ongevallenverzekering
meende de commissie dat op historische
en praktische gronden een afzonderlijke
ongevallenverzekering diende te worden
gehandhaafd. De arbeidsongeschiktheid
ten gevolge van ongeval diende voor de
eerste twee jaren geheel gelijkgesteld
te worden met de arbeidsongeschiktheid
wegens ziekte, behoudens afzonderlijke
registratie. Bij algehele
arbeidsongeschiktheid ten gevolge van
een ongeval zou de ongevallenrente na
de eerste twee jaren gesteld moeten
worden op 70% van het dagloon, bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op
een evenredig deel daarvan. Zij meende
voorts dat in afwachting van de
reorganisatie van het ziekenfondswezen
de afzonderlijke regeling voor genees- rblz.|8
l.k.|
en
heelkundige behandeling en de
verstrekking van kunstmiddelen diende
te worden gehandhaafd.
Ten
aanzien van de invaliditeitsverzekering
meende de commissie dat deze gedurende
de eerste twee jaren geheel diende op te
gaan in de ziekteverzekering. Vervolgens
diende de invaliditeitsuitkering een
percentage te bedragen van het loon en
zou zij, indien zulks naar het oordeel
van medische deskundigen mogelijk was,
in evenredigheid met de mate van
arbeidsongeschiktheid moeten worden
vastgesteld. Zij zou bij totale
arbeidsongeschiktheid gesteld moeten
worden op 70% van het dagloon gedurende
het eerste jaar, op 60% gedurende het
tweede jaar en daarna op 50% tot de
65-jarige leeftijd, terwijl bij
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid een
evenredig deel daarvan zou moeten
worden toegekend. Bij het bereiken van
de 65-jarige leeftijd zou de
invaliditeitsuitkering moeten worden
vervangen door een ouderdomspensioen.
Ten slotte zouden voor een
invaliditeitsuitkering in aanmerking
moeten komen alleen degenen die
gedurende drie jaren premie zouden
hebben betaald.
De
commissie was van oordeel dat indien
het denkbeeld de uitkering te doen
variëren met de mate van invaliditeit
niet zou kunnen worden verwezenlijkt, de
vraag nader onder ogen zou moeten worden
gezien of de invaliditeitsuitkering
niet zou kunnen worden verleend bij een
invaliditeit van minstens 50% dan wel
dat dit zou moeten geschieden bij het
thans geldende percentage van 66⅔.
De
uitvoering van alle socialeverzekeringswetten zou moeten geschieden
door bedrijfsverenigingen, terwijl de
administratie der bedrijfsverenigingen
zou moeten worden toevertrouwd aan een
centraal administratiekantoor, dat
overal in den lande bijkantoren en
agentschappen zou hebben.
3. In
juni 1952 wendden Minister Joekes en
Staatssecretaris Van Rhijn zich tot de S.E.R.
met een nota inzake de
invaliditeitsverzekering. Deze nota
bevatte een korte beschrijving van het
huidige stelsel van
invaliditeitsverzekering, zoals die is
neergelegd in de Invaliditeitswet, een
beknopt overzicht van een aantal
buitenlandse stelsels, een samenvatting
van hetgeen in het rapport der gemengde
commissie-Van Rhijn over het vraagstuk
van de invaliditeitsverzekering werd
gezegd en enige beschouwingen over de
mogelijke grondslagen van een
toekomstige invaliditeitsverzekering.
Aan de nota was een aantal vraagpunten
toegevoegd, waaromtrent advies werd
gevraagd aan de S.E.R. In december 1955
werd deze vraagstelling door de
toenmalige Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid, de heer J.G.
Suurhof,
aangevuld doordat deze de mening van de
S.E.R. vroeg aangaande een mogelijke
sanering van het Invaliditeits- en
Ouderdomsfonds.
De S.E.R. stelde zijn advies vast op 11
januari 1957. De S.E.R. was van oordeel
dat het aan artikel 72 van de huidige
Invaliditeitswet ten grondslag liggende
invaliditeitsbegrip, krachtens hetwelk
invaliditeit is vermindering van het
produktief arbeidsvermogen ten gevolge
van een functiestoornis en de in dat
begrip genoemde maatstaven voor het
vaststellen van het resterend
arbeidsvermogen, ook als uitgangspunten
voor de nieuwe verzekering zouden kunnen
worden aanvaard.
Voor
wat betreft de omvang die de
vermindering van het produktief
arbeidsvermogen moet hebben bereikt
voordat invaliditeit in de zin der wet
aanwezig zou zijn, achtte de S.E.R. een
wijziging gewenst, zodat ook bij
gedeeltelijke invaliditeit aanspraken
zouden ontstaan. Volledige aansluiting
bij het te dezen aanzien in de
ongevallenverzekering gevolgde stelsel,
hetgeen tot schatting van relatief
kleine invaliditeitsverschillen zou
nopen, achtte de S.E.R. medisch en
praktisch onuitvoerbaar. Het maximaal
bereikbare was voorlopig een schatting
in vier invaliditeitsklassen, respectievelijk van
0 tot 25%, 25 tot 50%, 50 tot 75% en
75 tot 100% invaliditeit.
De S.E.R. was van
oordeel dat de
invaliditeitsverzekering zich diende te
beperken tot de loontrekkenden. Het
uiteenlopen van de behoeften van de
zelfstandigen aan een voorziening tegen
geldelijke gevolgen van invaliditeit en
de te verwachten moeilijkheden bij de
inning van de premies van zelfstandigen
met lage inkomens maakten het naar het
oordeel van de rblz.|8
r.k.|
S.E.R.
ongewenst de zelfstandigen in de
verplichte invaliditeitsverzekering te
betrekken. De verzekering zou echter
alle loontrekkenden - ongeacht de
hoogte van hun loon en inclusief het
overheidspersoneel - dienen te
omvatten.
Een
premie- en uitkeringsloongrens gelijk
aan die van de Ongevallenwetten achtte
de S.E.R. gewenst, aangezien voor
degenen wier loon boven die grens
uitgaat voor het meerdere het opleggen
van een verplichting om zich te
verzekeren tegen geldelijke gevolgen van
loonderving wegens invaliditeit niet
noodzakelijk werd geacht.
Het
verdiende naar het oordeel van de S.E.R.
geen aanbeveling voor de zelfstandigen
de mogelijkheid van vrijwillige
toetreding tot de verzekering te openen.
Het gevaar zou dan dreigen dat slechts
degenen wier gezondheidstoestand doet
verwachten dat zij te eniger tijd recht
op de prestaties der verzekering zouden
kunnen doen gelden, zouden toetreden. De
Raad meende dat door het stellen van
medische voorwaarden aan de toetreding
dit gevaar onvoldoende zou kunnen worden
gekeerd. De Raad achtte het echter
aanvaardbaar dat wel de mogelijkheid
werd geopend van vrijwillige
voortzetting der verzekering voor
degenen wier verplichte verzekering een
einde nam. De Raad achtte dat billijk,
aangezien in het voorgestelde
verzekeringsstelsel niet paste dat op
grond van de verrichte premiebetaling in
individuele gevallen aanspraken op
uitkering worden geschapen welke in
stand blijven nadat de plicht tot
premiebetaling een einde heeft genomen.
Tot de vrijwillige voortzetting zouden
slechts toegelaten dienen te worden
diegenen wier verzekering ten minste
drie jaren zou hebben geduurd. Teneinde
hen in de gelegenheid te stellen van de
mogelijkheid van voortzetting gebruik te
maken, ware aan de aanspraken uit de
verzekering na de beëindiging van de
verzekering een nawerking van vier
weken te geven. Enige leden van de Raad
achtten een dergelijke vrijwillige
voortzetting van de verzekering in
strijd met de voorgestelde opzet
daarvan.
Voor wat betreft de prestaties
der verzekering adviseerde de S.E.R. het
volgende.
a.
De uitkeringen ter gedeeltelijke
compensatie van de loonderving
De
invaliditeitsverzekering geeft, naar het
oordeel van de S.E.R.
slechts dan een
redelijke compensatie van door
invaliditeit veroorzaakte loonderving
indien de uitkeringen verband houden met
het gederfde loon en met de mate van
invaliditeit. Aangezien, naar de S.E.R.
van de zijde van medische deskundigen
was gerapporteerd, medisch en praktisch
slechts een schatting van de
invaliditeit in vier klassen mogelijk
was, betekende dit dat voor invaliditeit gelegen tussen het
minimum- en het maximumpercentage van
elke klasse, een bepaald percentage van
het gederfde loon diende te worden
uitgekeerd. Voorgesteld werd deze
percentages als volgt vast te stellen:
|
Invaliditeitsklasse |
Percentage dagloon |
|
0-25% |
x0 |
| 25-50% |
20 |
| 50-75% |
45 |
| 75-100% |
70 |
Het deel van het loon uitgaande
boven de uitkeringsloongrens diende,
naar het oordeel van de S.E.R., voor het
bepalen van de uitkering niet in
aanmerking te worden genomen. Aangezien
loonwijzigingen tijdens de
uitkeringsduur de omvang van loonderving
beïnvloeden, zou de doelstelling van de
verzekering slechts ten volle kunnen
worden verwezenlijkt door aanpassing van
de uitkeringen aan de wijzigingen in de
algemene loonindex.
Gelet op de
omstandigheid dat met de totstandkoming
van de Algemene Ouderdomswet de ouderdom
als een zelfstandige oorzaak van
inkomensderving is aangemerkt, is er
volgens de S.E.R. geen reden daarnaast
na het bereiken van de 65-jarige
leeftijd een vergoeding wegens
loonderving uit hoofde van invaliditeit
toe te kennen. De uitkeringen krachtens
de invaliditeitsverzekering dienden
daarom bij het bereiken van de 65-jarige
leeftijd een einde te nemen.
rblz.|9
l.k.|
Voorts
diende volgens het advies cumulatie van
uitkeringen krachtens de
invaliditeitsverzekering met uitkeringen
krachtens de ongevallen- en ziekengeldverzekering te worden
voorkomen. Hiertoe ware te bepalen dat,
behoudens enkele uitzonderingen, het
recht op invaliditeitsuitkering eerst
zou ingaan nadat de maximumperiode
gedurende welke recht bestaat op
ziekengeld is verstreken en dat geen
recht op invaliditeitsuitkering zou
bestaan indien ter zake van de uit een
stoornis voortvloeiende loonderving
aanspraak zou bestaan krachtens één der
wettelijke ongevallenverzekeringen. Voor
de verzekerden die niet tevens
verzekerd zijn krachtens de wettelijke
ziekengeldverzekering ware te bepalen
dat aanspraak op invaliditeitsuitkering
eerst zou ontstaan nadat de
arbeidsongeschiktheid één jaar zou
hebben geduurd. Voor de verzekerden die
niet verzekerd waren krachtens één der
wettelijke ongevallenverzekeringen
verdiende volgens de S.E.R. overweging
een regeling welke zou moeten voorkomen dat door betaling van de
premie voor de invaliditeitsverzekering
zowel het invaliditeits- als het
ongevallenrisico zou worden gedekt. Teneinde
misbruik van de verzekering te
voorkomen, achtte de S.E.R. het gewenst
dat het uitvoeringsorgaan bevoegd zou
zijn uitkering te weigeren als de
arbeidsongeschiktheid zou intreden
binnen één jaar na de aanvang van de
verzekering en zij redelijkerwijze het
gevolg kan worden geacht van de
gezondheidstoestand van de verzekerde
bij de aanvang van de verzekering.
b.
De revalidatie
Tot
herstel of ter vergroting van de
arbeidsgeschiktheid zou naar de mening
van de S.E.R.
de mogelijkheid moeten
worden geopend dat krachtens de
verzekering genees- en heelkundige
behandeling en andere voorzieningen,
zoals omscholing, hulpmiddelen e.d.,
worden verstrekt. De beslissing hieromtrent diende aan het
uitvoeringsorgaan te worden overgelaten.
Bij weigering om een voorgeschreven
behandeling te volgen, zou in die
gedachtengang het uitvoeringsorgaan
bevoegd dienen te zijn tot gehele of
gedeeltelijke intrekking van de
uitkering over te gaan, respectievelijk bij een
preventieve behandeling, bij voorbaat
te beslissen dat geen uitkering zal
worden verleend, indien later
invaliditeit intreedt. Indien het
ondergaan van een medische ingreep
wordt voorgeschreven, zou, alvorens aan
de weigering financiële consequenties
voor de verzekerde worden verbonden,
naar analogie van artikel 27b van de
Ongevallenwet, een bijzondere procedure
dienen te worden gevolgd teneinde vast
te stellen of de aangevoerde bezwaren
medisch gegrond zijn.
De S.E.R. was van
oordeel dat voor de
aanpassing van de uitkeringen aan
wijzigingen in de algemene loonindex
financiering door middel van een
omslagstelsel het meest doelmatig was.
Gelet
op het collectieve karakter der
verzekering en op de vaststelling van de
uitkeringen in een percentage van het
loon, zou het in de rede liggen ook de
premie uit te drukken in een percentage
van het loon, zoals dit is omschreven in
paragraaf 2 van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, met dien
verstande
dat het deel van het loon dat uitgaat
boven de premieloongrens, voor de
premieberekening niet in aanmerking
wordt genomen.
Een
deel van de Raad was van oordeel dat
van alle verzekerden een uniform
percentage van het premieplichtige loon
moest worden geheven. Bij premievaststelling per
bedrijfsvereniging zouden als gevolg
van de lange duur van een deel der
uitkeringen en van de financiering
volgens het omslagstelsel
premieverschillen ontstaan, die naar het
oordeel van dit deel van de Raad niet
gerechtvaardigd zijn. Een ander deel van
de Raad was van mening dat uitvoering
van de verzekering door
bedrijfsverenigingen het vaststellen van
de premie door elke bedrijfsvereniging
afzonderlijk insluit, tenzij overwegende
technisch-administratieve of economische
bezwaren zich hiertegen verzetten.
Dergelijke bezwaren doen zich, naar het
oordeel van dit deel van de Raad, hier
niet voor.
De
premie zou naar de mening van de S.E.R.
waarschijnlijk ±2,5% van de
premieplichtige loonsom bedragen. rblz.|9
r.k.|
De
economische repercussies van invoering
der verzekering hangen samen met de
economische situatie op het tijdstip
dat invoering overwogen wordt. In
verband daarmede heeft de Raad zich in
zijn advies onthouden van het uitspreken
van een oordeel over de bij invoering te
nemen loonpolitieke maatregelen.
Overeenkomstig
de Organisatiewet Sociale Verzekering
zou naar de mening van de Raad de
invaliditeitsverzekering door de
bedrijfsverenigingen dienen te worden
uitgevoerd. Teneinde te waarborgen dat
ten aanzien van de invaliditeitsschatting en de
beoordeling van de
revalidatiemogelijkheid gelijke
maatstaven worden aangelegd, zullen
coördinatiemaatregelen ten aanzien van
de medische beoordeling moeten worden
getroffen.
De
Raad achtte een voldoende coördinatie
gewaarborgd indien zou worden
voorgeschreven dat de adviezen van de
medische diensten der
bedrijfsverenigingen betreffende
aanvragen om toekenning van
invaliditeitsuitkering aan de besturen
worden voorgelegd, voorzien van het
oordeel van een centraal
beoordelingsorgaan. De grootst mogelijke
minderheid van de Raad achtte het voor
een voldoende coördinatie van de
medische beoordeling noodzakelijk dat
de invaliditeitsschatting en de
beoordeling van de
revalidatiemogelijkheid door een
centraal medisch orgaan zouden
geschieden dat ten behoeve van alle
bedrijfsverenigingen werkzaam zou zijn.
De vraag of het aanbeveling verdient de
ziekengeld-, invaliditeits- en
ongevallenverzekering tot één
wettelijke verzekering tegen geldelijke
gevolgen van arbeidsongeschiktheid samen
te vatten, heeft de S.E.R. in zijn
rapport van 1957 niet expliciet
behandeld, omdat een dusdanige
unificatie de invoering van de
noodzakelijke verbeteringen in de
invaliditeitswetgeving ongetwijfeld zou
vertragen. Wel is gestreefd naar een
verzekeringsstelsel dat geen elementen
bevat welke voor het tot stand brengen
van een wettelijke verzekering tegen
geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid een belemmering
zouden kunnen vormen.
Over het
overgangsrecht heeft de S.E.R een
afzonderlijk advies vastgesteld.
4.
Intussen had bij schrijven van 26
februari 1954 de toenmalige
Staatssecretaris van Sociale Zaken aan
de S.V.R. verzocht hem van advies te
willen dienen inzake de overdracht van
de industriële ongevallenverzekering
aan de bedrijfsverenigingen ingevolge de
Organisatiewet Sociale Verzekering.
Daarnaast verzocht de bewindsman hem
afzonderlijk het gevoelen van de Raad
kenbaar te willen maken omtrent het
vóór bedoelde overdracht aan genoemde
organen opdragen van de premievaststelling en -inning voor de in
de Ongevallenwet 1921 geregelde
verzekering. Met betrekking tot het
eerste deel van bedoeld verzoek bracht
de S.V.R. op 3 oktober 1958 een
interim-advies uit. Daarin gaf hij te
kennen dat het aanbeveling verdiende de
totstandkoming te bevorderen van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering welke
de thans in de Ziektewet, de
Invaliditeitswet en de Ongevallenwetten
ter zake geregelde verzekeringen zou
dienen te omvatten.
Nadat dit
interim-advies was uitgebracht, heeft de
S.V.R. deze gedachte verder onderzocht.
De conclusie waartoe de verdere
bestudering van de materie leidde met
betrekking tot de inhoud en de wijze van
uitvoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, werd
neergelegd in een advies van 21 juli
1960. In dit advies gaat de S.V.R. ervan
uit dat de opzet en de wijze van
financiering der tot stand te brengen
arbeidsongeschiktheidsverzekering in
hoofdzaak dezelfde dienen te zijn als
die welke de S.E.R.
in zijn in 1957
uitgebrachte advies voor een nieuwe
invaliditeitsverzekering heeft
aangegeven. Naar de mening van de Raad
zijn de grondslagen van de in dat advies
voorgestelde invaliditeitsverzekering in
wezen dezelfde als die van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering welke
de Raad voor ogen staat. Slechts op
enkele onderdelen heeft de Raad gemeend
te moeten afwijken van hetgeen in
vorenbedoeld advies ten aanzien van de
invaliditeitsverzekering is aanbevolen.
rblz.|10
l.k.|
Alhoewel
de arbeidsongeschiktheidsverzekering
welke de S.V.R. voor ogen staat in
beginsel het gehele terrein van de thans
in de Ziektewet, de Ongevallenwetten en
de door de S.E.R. voorgestelde nieuwe
Invaliditeitswet geregelde verzekeringen dient te omvatten,
verdient het echter naar het oordeel
van de S.V.R. aanbeveling de opzet der
arbeidsongeschiktheidsverzekering
voorshands in dier voege te beperken
dat zij alleen het terrein der door de
S.E.R. aanbevolen nieuwe
invaliditeitsverzekering en dat van de
in de huidige Ongevallenwetten
geregelde verzekeringen bestrijkt.
Het
wilde de Raad namelijk voorkomen dat aan het
thans reeds in een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
opnemen van de in de Ziektewet geregelde
verzekering bepaalde bezwaren zijn
verbonden. Behalve dat de voor
laatstgenoemde verzekering geldende
loongrens daaraan in de weg staat, is
ook de nog bestaande koppeling van de
verplichte ziekenfondsverzekering aan de
verzekering volgens de Ziektewet
daarvoor een beletsel, aldus de Raad.
In de opzet welke de Raad voor ogen
staat, zal de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zich
dus vooralsnog dienen te beperken tot
het voorzien in de geldelijke gevolgen
van arbeidsongeschiktheid na het
verstrijken van de maximumuitkeringstermijn welke geldt voor de
wettelijke ziekengeldverzekering.
In
deze opzet zal de ziekengeldverzekering
dan echter in dier voege gewijzigd
dienen te worden dat het thans ten
aanzien van de aanspraken op uitkering
ingevolge de Ziektewet bestaande
onderscheid tussen arbeidsongeschiktheid
als gevolg van ziekte - waaronder
begrepen ongevallen welke niet in
verband staan met de dienstbetrekking - en
arbeidsongeschiktheid ten
gevolge van een ongeval in verband met
de dienstbetrekking - waaronder
begrepen beroepsziekten - komt te
vervallen. Vervolgens acht de S.V.R. het
in verband met de door hem gekozen opzet
der arbeidsongeschiktheidsverzekering
noodzakelijk dat de maximumuitkeringstermijn der wettelijke
ziekengeldverzekering, welke thans 52
weken bedraagt, tot 26 weken wordt
verkort. In de gedachtengang van de Raad
zal de aanspraak op geldelijke
schadeloosstelling waarin de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zal
dienen te voorzien, namelijk moeten
ingaan
nadat de daartoe aanleiding gevende
arbeidsongeschiktheid ten minste 26
weken zal hebben geduurd. Dit heeft
mede tot gevolg dat in geval van
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
deze na niet te lange tijd in de
uitkering tot uitdrukking zal komen,
hetgeen in het kader van de ziekengeldverzekering slechts onder
beperkende voorwaarden mogelijk is. Dit
kan de wederinschakeling in het
arbeidsproces vergemakkelijken.
De geldelijke schadeloosstelling dient,
naar de mening van de S.V.R., in het
algemeen bij volledige
arbeidsongeschiktheid gedurende de
eerste 26 weken 80% en daarna 70% van
het loon te bedragen en, in geval van
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
een evenredig deel van dat percentage.
De uitvoeringsorganen dienen evenwel
bevoegd te zijn om gedurende het
tijdvak van twee jaren waarin het
risico bedrijfstaksgewijze wordt
gedragen, daarvan naar boven af te
wijken.
Arbeidsongeschiktheid
van minder dan 25% zou geen aanspraak
op geldelijke schadeloosstelling dienen
te geven, terwijl bij
arbeidsongeschiktheid van meer dan 75%
aanspraak op schadeloosstelling naar het
maximumuitkeringspercentage zou moeten
bestaan.
In de gevallen waarin de mate van de
arbeidsongeschiktheid niet nauwkeurig
is vast te stellen, zou het
uitvoeringsorgaan naar het oordeel van
de S.V.R. bevoegd moeten zijn het
invaliditeitsklassenstelsel, dat in het
advies van de S.E.R. ten aanzien van de
invaliditeitsverzekering is voorgesteld,
te volgen, met dien verstande echter dat
indien de arbeidsongeschiktheid geacht
moet worden tussen de 25 en 50% te zijn
gelegen, het percentage daarvan op 35
zal zijn te stellen en wanneer de
arbeidsongeschiktheid geacht moet worden
tussen 50 en 75% te liggen, dat
percentage geacht zal worden 65 te
bedragen. Voor de berekening van de
geldelijke schadeloosstelling zal
overeenkomstig de Coördinatiewet
Sociale Verzekering een maximumdagloon
moeten gelden. De S.V.R. beval
waardevastheid der uitkeringen aan en
meende rblz.|10
r.k.|
dat
de geldelijke schadeloosstellingen bij
het bereiken van de 65-jarige leeftijd
een einde zouden dienen te nemen. De
S.V.R. was van oordeel dat de
voorgestelde arbeidsongeschiktheidsverzekering de
mogelijkheid van verstrekking van
genees- en heelkundige behandeling
diende te bevatten, namelijk
in die gevallen
waarin bijzondere behandelingen buiten
de normale gezondheidszorg noodzakelijk
zijn voor een spoedig en zo volledig
mogelijk herstel der arbeidsgeschiktheid
dan wel teneinde te voorkomen dat de
arbeidsongeschiktheid verergert.
De S.V.R. was voorts van
oordeel dat de
middelen zouden dienen te worden
opgebracht door het heffen van premie
van de werkgevers, welke premie voor de
helft door de werkgevers en voor de
helft door de werknemers zou zijn op te
brengen. De premie zou dienen te worden
uitgedrukt in een percentage van het
loon, met dien verstande dat voor de
premieheffing evenals ten aanzien van de
geldelijke schadeloosstellingen een
maximumdagloon zal gelden.
In
verband met het karakter der geldelijke
schadeloosstellingen zou naar het oordeel van de S.V.R. de financiering
der verzekering op het zuivere
omslagstelsel gebaseerd dienen te zijn,
terwijl het uit een oogpunt van
premiestabilisatie aanbeveling zou
verdienen een in omvang beperkte
schommelreserve te vormen.
De S.V.R. wees
erop dat de
bedrijfstaksgewijze
uitvoeringsorganisatie ingevolge de
Organisatiewet Sociale Verzekering
medebrengt dat het risico in principe
bedrijfstaksgewijze wordt gedragen. Het
risico van langdurige
arbeidsongeschiktheid achtte de S.V.R.
evenwel een maatschappelijk risico dat
gelijkelijk door het bedrijfsleven zou
dienen te worden gedragen.
Teneinde beide aspecten tot hun recht te
doen komen, beval de Raad aan de kosten
der geldelijke schadeloosstellingen voor
gevallen van arbeidsongeschiktheid
gedurende de eerste twee jaren nadat de
aanspraak daarop ingevolge de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is
ingegaan, geheel te doen dragen door de
bedrijfstakken waarover de
afzonderlijke bedrijfsverenigingen haar
werkingssfeer uitstrekken. Dat houdt dus
in dat in afwijking van het advies van
de S.E.R. inzake de
invaliditeitsverzekering, werd
voorgesteld dat de ter dekking van de
kosten over bedoelde periode te heffen
premies per bedrijfsvereniging kunnen
verschillen. De kosten der na het
verstrijken van deze termijn te
verstrekken uitkering zouden gelijkelijk
door het bedrijfsleven in zijn geheel
gedragen dienen te worden, weshalve de
daarvoor te heffen premie uniform zou
moeten zijn.
Het uniforme deel
van de op
te brengen premie zou door de
bedrijfsverenigingen moeten worden
gestort in een vereveningsfonds,
waaraan de naam Algemeen
Invaliditeitsfonds ware te geven.
Wat
de kosten van de voor rekening van de
verzekering te verstrekken genees- en
heelkundige behandeling en de
revalidatie aangaat, was het deel van de
Raad dat zich uitsprak voor erkenning
van het recht der bedrijfsverenigingen
tot het instellen van een eigen medische
dienst, van oordeel dat daarvoor
hetzelfde toerekeningsstelsel als voor
de kosten van de geldelijke
schadeloosstellingen zal dienen te
gelden. Het deel van de Raad dat voor
een gemeenschappelijke medische dienst
geopteerd had, was van mening dat de
kosten van genees- en heelkundige
behandeling en revalidatie gelijkelijk
door het bedrijfsleven zouden moeten
worden gedragen en mitsdien voor
rekening van het uniforme deel der
premie dienden te komen.
Voor wat de
uitvoeringsorganisatie betreft, was de
Raad van oordeel dat de uitvoering van
een arbeidsongeschiktheidsverzekering
aan de bedrijfsverenigingen diende te
worden opgedragen.
Ten aanzien van de
medische aspecten der verzekering
bestond echter verschil van mening. Een
deel van de Raad was van oordeel dat
het beginsel van het zelf doen ook moest
gelden ten aanzien van de medische en
arbeidstechnische beoordeling van de
verzekerden. In deze gedachtengang
zouden de bedrijfsverenigingen, die
zelfstandig haar administratie voeren,
vrij dienen te zijn om onder
voorwaarden, te stellen door de rblz.|11
l.k.|
S.V.R., alleen of tezamen met één of
meer andere bedrijfsverenigingen, tot
instelling van een medische dienst ten
behoeve van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering over
te gaan. Daarnaast ware ter bevordering
van de coördinatie in de medische
beoordeling een medisch contactorgaan in
te stellen, hetwelk onder leiding zou
dienen te staan van een aan het Algemeen
Invaliditeitsfonds te verbinden medisch
adviseur.
Het
andere deel van de Raad was van mening
dat een goede en doelmatige uitvoering
van de medische aspecten van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
alleen gewaarborgd zal zijn door de
daaraan verbonden taken op te dragen aan
een daarvoor in te stellen
gemeenschappelijke medische dienst voor
alle uitvoeringsorganen. Deze dienst,
waarin het huidige medische apparaat van
de Sociale
Verzekeringsbank voor de
ongevallenverzekering zou zijn op te
nemen, zou verbonden dienen te zijn aan
het Algemeen Invaliditeitsfonds. In de
gedachtengang van dit deel van de Raad
zouden de gevallen van
arbeidsongeschiktheid van korte duur
ter beoordeling aan de bestaande
medische diensten der
bedrijfsverenigingen kunnen worden
overgelaten. De gevallen waarvan te
vermoeden is dat de
arbeidsongeschiktheid van lange duur
zal zijn of die blijvende gehele of
gedeeltelijke invaliditeit ten gevolge
kunnen hebben, vereisen echter naar het
inzicht van dit deel van de Raad uit een
oogpunt van deskundigheid en gelijke
behandeling een wijze van uitvoering der
medische aspecten waaraan alleen door
een gemeenschappelijke medische dienst
zal kunnen worden voldaan. Een
dergelijke dienst zou de besturen der
bedrijfsverenigingen zowel omtrent de
mate van arbeidsongeschiktheid als ten
aanzien van de verstrekking van genees-
en heelkundige behandeling van advies
moeten dienen. De beslissingsbevoegdheid blijft ook in
deze opzet geheel bij de besturen
berusten. De gevallen waarin deze
besturen van het advies van bedoelde
dienst afwijken, zouden echter ter
kennis van de S.V.R. moeten worden
gebracht, opdat deze zo nodig van zijn
bevoegdheid tot het geven van
aanwijzingen gebruik zou kunnen maken.
Ten
slotte heeft de S.V.R. zich nog bezig
gehouden met de afwikkeling van de
verplichtingen der huidige organen van
de ongevallenverzekering.
De
voorgestelde integratie van de
ongevallenverzekeringen in een
arbeidsongeschiktheidsverzekering zal
naar het oordeel van de S.V.R. in het
algemeen geen stijging van sociale
lasten ten gevolge hebben. Zij heeft,
aldus de S.V.R., over de gehele linie
gezien immers geen wijziging in de
aanspraken ten gevolge die belangrijke
financiële consequenties hebben. Wel
zal er sprake zijn van een verschuiving
in de voor de verschillende sociale
verzekeringen geheven premiepercentages.
Uiteraard zal de huidige premie voor de
ongevallenverzekering komen te
vervallen. In de plaats daarvan zal de
premie voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in
vergelijking met de door de S.E.R.
geschatte premie voor een herziene
invaliditeitsverzekering een verhoging
ondergaan die nagenoeg opweegt tegen de
te vervallen premie van de
ongevallenverzekering.
Daarnaast
zullen de lasten van de
ziekengeldverzekering enerzijds een
vermindering ondergaan doordat de
uitkeringsduur - aldus de S.V.R. - wordt ingekort tot 26 weken, anderzijds
toenemen doordat ook de
bedrijfsongevallen, voor wat de eerste
periode van 26 weken betreft, onder de
Ziektewet komen te ressorteren. De S.V.R.
verwacht dat ook deze vermindering en
toeneming elkaar ongeveer zullen
compenseren.
5.
Bij brief van 4 oktober 1960 heeft de
huidige Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Volksgezondheid de S.E.R.
verzocht zijn oordeel te geven over het
hierboven behandelde advies van de S.V.R.
De S.E.R. heeft dit advies uitgebracht
op 9 december 1960. De S.E.R. heeft
uitgesproken dat het zijn instemming
heeft dat het verschil in oorzaak van
de arbeidsongeschiktheid niet meer de
grondslag zal vormen voor een
onderscheid in de wettelijke sociale
verzekeringen. Hij onderschrijft de door
de S.V.R. gegeven motivering dat de
ontwikkeling van de sociale verzekering
sinds het tot stand komen van de
industriële ongevallenverzekering erop
wijst dat de grondslag voor de
verplichte sociale verzekering in
toenemende mate is gezocht in het geheel
of gedeeltelijk rblz.|11
r.k.|
vrijwaren
van degenen die door arbeid in hun
levensonderhoud moeten voorzien, tegen
de inkomensderving die ontstaat indien
zij buiten hun schuld hun arbeid niet
meer produktief kunnen aanwenden, voor
zover redelijkerwijze niet kan worden
verwacht dat de inkomensderving zelf
kan worden gedragen of dat daartegen in
voldoende mate op vrijwillige basis
voorzieningen worden getroffen. In een
dergelijke opvatting is, voor wat de
verzekeringen tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid betreft, voor het
onderscheid naar de oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid naar het oordeel
van de S.E.R. geen plaats. Op die grond
zou dan ook invoering kunnen worden
bepleit van één
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
waarin alle verzekeringen welke zich
thans bezighouden met de
arbeidsongeschiktheid worden
opgenomen. De uitwerking van een
dergelijke verzekering roept echter een
aantal vraagpunten op waarvan naar het
oordeel van de S.E.R. moet worden
betwijfeld of daarover op korte termijn
een beslissing kan worden verkregen. Dit
geldt met name ten aanzien van de Ziektewet, in verband waarmede de S.E.R.
instemt met de door de S.V.R.
voorgestelde beperkte
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
waarbij de Ziektewet, zij het met
enkele wijzigingen, gehandhaafd blijft
voor arbeidsongeschiktheid van
betrekkelijk korte duur en waarin een
arbeidsongeschiktheidsverzekering de
aanspraken regelt in geval van
arbeidsongeschiktheid van langere duur.
Op
twee punten wordt in het advies van de
S.E.R. afgeweken van de S.V.R., namelijk
op
het punt van de uitkeringspercentages en
op het punt van de aanpassing van de
uitkeringen aan de loonontwikkeling.
In
het door de S.V.R. voorgestelde systeem
zijn enerzijds elementen te vinden van
het door de S.E.R. in zijn in 1957
uitgebrachte advies inzake herziening
van de invaliditeitsverzekering
voorgestane stelsel van invaliditeitsklassen (0 tot 25%; 25 tot
50%; 50 tot 75%; 75 tot 100%).
Anderzijds komen daarin elementen voor
van een stelsel waarin de geldelijke
uitkeringen evenredig variëren met de
mate van arbeidsongeschiktheid (namelijk
binnen de groep met een
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 75%).
Naar
de mening van de S.E.R. verdient, mede
met het oog op de doorzichtigheid voor
de verzekerden, een uniform
schattingsstelsel de voorkeur. Voorts
is de S.E.R. van oordeel, zulks in
afwijking van zijn advies inzake de
invaliditeitsverzekering, dat het
aanbeveling verdient de uitkering bij
volledige arbeidsongeschiktheid te
brengen van 70 op 80% van het dagloon.
De S.E.R. geeft in overweging, indien
mogelijk, over te gaan tot een verfijnde
klasse-indeling, welke als volgt zou
kunnen zijn opgebouwd:
| Mate
van arbeidsongeschiktheid
in % |
Uitkeringen
in percentage van het dagloon |
| 0-25 |
x0 |
| 25-35 |
20 |
| 35-45 |
30 |
| 45-55 |
40 |
| 55-65 |
50 |
| 65-75 |
60 |
| 75-85 |
70 |
| meer dan 85
¹ |
80 |
Lees:
85 of meer, red.
Voor wat betreft de
aanpassing van de uitkeringen aan de
loonontwikkeling adviseerde de S.V.R. de
uitkeringen gedurende de eerste twee
jaren te binden aan de loonontwikkeling
in het beroep van de betrokkene. Na
verloop van die twee jaren zou de
algemene loonontwikkeling dienen te
worden gevolgd.
De S.E.R.
is evenwel van oordeel dat aan het volgen van het
beroep van de betrokkene grote bezwaren
zijn verbonden, voornamelijk van technische
aard. De S.E.R. blijft daarom bij zijn
standpunt neergelegd in zijn advies
inzake de herziening van de
invaliditeitsverzekering, inhoudende dat
de uitkeringen van het begin af de
algemene loonontwikkeling dienen te
volgen. Dit laat onverlet dat de S.E.R.
wel een gedifferentieerde premie en de
mogelijkheid van bovenwettelijke
uitkeringen voor de eerste twee jaren
der uitkeringen aanvaardt.
rblz.|12
l.k.|
2.3. De interim-regeling voor
invaliditeitsrentetrekkers en de adviesaanvrage
aan de S.E.R. inzake het socialezekerheidsbeleid
op langere termijn
1. Nu
slechts betrekkelijk korte tijd verlopen
is sedert de indiening en aanvaarding
door het Parlement van de
interim-regeling voor
invaliditeitsrentetrekkers, moge de
ondergetekende zich onthouden van
uitvoerige beschouwingen dienaangaande.
Hij moge nog eens vaststellen dat hij,
vooruitlopende op de totstandkoming van
het onderhavige wetsontwerp, het nodig
heeft geoordeeld de totstandkoming van
de interim-regeling te bevorderen teneinde
in de actuele nood van de invaliditeitsrentetrekkers zoveel
mogelijk tegemoet te komen. De betekenis
van de interim-regeling is materieel de
volgende:
1. De
uitkeringen aan
invaliditeitsrentetrekkers zijn
opgetrokken tot ƒ3924,- per jaar indien
de invaliditeitsrentetrekker voor 80% of
meer invalide is en tot ƒ3186,- per
jaar
indien de invaliditeit minder dan 80%
bedraagt. Voorts blijven degenen wier
invaliditeitsrente is ingetrokken (omdat
zij niet langer 66⅔% of meer
arbeidsongeschiktheid zijn) nog in het
genot van een interim-uitkering ten
bedrage van ƒ2454,- zolang hun
arbeidsongeschiktheid niet daalt beneden
55%.
Het
voorgaande is van overeenkomstige
toepassing op uitgetrokkenen ingevolge
de Ziektewet
[Z.W., red.], ook wanneer zij geen recht
hebben op invaliditeitsrente.
De
uitkeringsbedragen zullen de
ontwikkelingen van het loonpeil volgen.
2. Degenen die recht hebben op een
interim-uitkering vallen onder de
verplichte ziekenfondsverzekering. De
hiervoor door hen verschuldigde premie
wordt op de uitkering in mindering
gebracht. Daarnaast wordt ook de premie
voor de algemene ouderdomsverzekering en
voor de algemene weduwen- en
wezenverzekering op de uitkering
ingehouden.
3.
Enkele categorieën
invaliditeitsrentetrekkers ontvangen
geen interim-uitkering, namelijk
gehuwde
vrouwen niet-kostwinsters, degenen die
65 jaren oud zijn en de overheidsgepensioneerden. Gehuwde
vrouwen niet-kostwinsters behouden
dezelfde procentuele toeslag op de
invaliditeitsrente als zij ingevolge de
vroegere toeslagwetten ontvingen. Voor
de overheidsgepensioneerden zal een
afzonderlijke regeling worden getroffen
in het kader van de voor deze groep
geldende pensioenregeling.
4.
Indien de invalide naast de
invaliditeitsrente een ongevalsrente of
een pensioen ingevolge de A.W.W. geniet,
worden de bovengenoemde
uitkeringsbedragen verminderd met het
bedrag van de ongevalsrente of het
pensioen. Aan de
invaliditeitsrentetrekker die werkzaam
is ingevolge één der socialewerkvoorzieningsregelingen wordt, naast
het ingevolge die regeling genoten loon,
in het algemeen 20% van de bovengenoemde maximale
invaliditeitsuitkering uitbetaald.
5. De
kosten van de regeling worden geraamd op
circa ƒ260 miljoen per jaar. In de kosten
draagt het Rijk voor ƒ75 miljoen per
jaar bij, welk bedrag gekoppeld is aan
het indexcijfer der lonen. Deze
bijdrage komt in de plaats van de kosten welke voor het Rijk
voortvloeiden uit de vroegere wetten
inzake het verlenen van toeslagen op
invaliditeitsrenten, welke wetten bij de
invoering van de interim-regeling zijn
komen te vervallen. Het resterende
bedrag wordt opgebracht door het
bedrijfsleven. Hiertoe wordt van de
werkgevers een premie geheven over de
premieplichtige loonsom voor de sociale
verzekering, welke premie 1,5% bedraagt.
De interim-regeling heeft het karakter
van een overgangsregeling naar de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en is
gegoten in de vorm zoals door de S.V.R.
en de S.E.R. de overgangsregeling voor
de arbeidsongeschiktheidsverzekering is
voorgesteld.
2.
Ten slotte heeft de ondergetekende in
zijn adviesaanvrage aan de S.E.R.
inzake het socialezekerheidsbeleid op
langere termijn d.d. 24 augustus 1962
ook advies gevraagd over de verdere
uitbouw van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. In
die adviesaanvrage is erop gewezen dat
met de totstandkoming rblz.|12
r.k.|
van een Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering voor loontrekkenden
onopgelost blijft het
vraagstuk van de verlening van
geldelijke uitkering bij
arbeidsongeschiktheid aan degenen die
hun arbeidsproces niet in loondienst
hebben doorgebracht, namelijk de groep van de
zelfstandigen, en aan degenen die vanaf
hun jeugd gehandicapt zijn geweest en
nimmer aan het arbeidsproces hebben
deelgenomen. In de adviesaanvrage is
opgemerkt dat voor de groep der
zelfstandigen een uitbreiding van de
kring der verzekerden ingevolge de
komende
arbeidsongeschiktheidsverzekering
uitkomst zou kunnen brengen.
De
ondergetekende heeft daarbij aangetekend dat hij dan ook niet
inziet waarom met name de zelfstandigen
niet op gelijke wijze als de
loontrekkenden voor langdurige
uitkeringen bij ziekte en ongeval zouden
dienen te worden verzekerd, zulks in
tegenstelling tot kortdurende
arbeidsongeschiktheid. Bij tal van
zelfstandigen toch kan het bedrijf of
beroep gedurende betrekkelijk korte tijd
nog wel doorgang vinden. Bij langdurige
arbeidsongeschiktheid echter zal dit in
zeer vele gevallen niet kunnen
geschieden. Het zou bij de
ondergetekende dan ook niet op bezwaren
stuiten tot een dergelijke uitbreiding
te besluiten, al zal - zo heeft hij de
S.E.R. medegedeeld - de totstandkoming
van de arbeidsongeschiktheidsverzekering
voor loontrekkenden daarop niet mogen
wachten.
In de adviesaanvrage is
opgemerkt dat met het betrekken van de
zelfstandigen in een
arbeidsongeschiktheidsverzekering nog
niet is opgelost het vraagstuk van de
uitkeringen voor gehandicapten die
vanaf hun jeugd arbeidsongeschikt zijn
geweest. Het uitkeringvraagstuk voor tot
deze groep behorende personen begint
veelal wanneer zij de kinderjaren
ontgroeien. Daarbij moet voorts nog
onderscheid gemaakt worden tussen
degenen die bijvoorbeeld ten laste van een
eventuele toekomstige volksverzekering
voor zware geneeskundige risico's
verpleging of verzorging in een
inrichting genieten en degenen bij wie
dat niet het geval is.
Het
uitkeringsvraagstuk voor deze groep zou
opgelost zijn wanneer de
arbeidsongeschiktheidsverzekering tot
een volksverzekering zou worden
omgebouwd. Daarbij zou gedifferentieerd
kunnen worden voor wat de uitkeringen
betreft tussen de gehandicapten die dit
van hun jeugd af zijn en degenen die
tijdens hun arbeidsleven
arbeidsongeschikt zijn geworden. Deze
differentiatie zou betrekking kunnen
hebben zowel op het algemeen niveau der
uitkeringen als op de mogelijkheid van
een zekere korting op uitkeringen voor
de van hun jeugd af gehandicapten die
ten laste van de volksverzekering voor
zware geneeskundige risico's verpleging
of verzorging in een inrichting
genieten.
In de adviesaanvrage zijn de
financiële consequenties van een
uitbreiding der
arbeidsongeschiktheidsverzekering
becijferd. Globaal is berekend dat voor
de zelfstandigen evenals voor de
loontrekkenden een premie van 3,5 à 4%
toereikend zal zijn, welk percentage met
0,25% verhoogd zal moeten worden als ook
de van vóór hun intreden in het
arbeidsproces gehandicapten in de
verzekering worden opgenomen. In
vergelijking tot de huidige situatie
valt dan voor de loontrekkenden nog weg
een premie van 2% voor de huidige
Invaliditeitswet en Ongevallenwetten.
Opgemerkt zij hierbij nog dat de
Regering het gemotiveerd acht een
overheidsbijdrage, in het bijzonder
voor de van hun jeugd af gehandicapten,
in de verzekering te verlenen.
3.
Het systeem der wet
3.1. Kring der
verzekerden
a. Verplichte verzekering
Zoals bekend, heeft de ondergetekende
zich in zijn op 24 augustus 1962 tot de S.E.R.
gerichte adviesaanvrage inzake
het socialezekerheidsbeleid op langere
termijn onder meer afgevraagd - ook in
het vorige hoofdstuk is hierop reeds
ingegaan - of niet ook de
zelfstandigen op gelijke wijze als de
loontrekken den rblz.|13
l.k.|
ter zake van langdurige
arbeidsongeschiktheid zouden dienen te
worden verzekerd. Waar de Regering dit
advies nog wachtende is, zou het naar de
mening van de ondergetekende weinig
vruchtbaar zijn thans te discussiëren
over de vraag of het al dan niet
wenselijk zou zijn de zelfstandigen
onder de
arbeidsongeschiktheidsverzekering te
brengen. In nog sterkere mate geldt dit
voor de in bovengenoemde adviesaanvrage
eveneens aan de S.E.R. voorgelegde
vraag omtrent een eventuele uitbreiding
van de arbeidsongeschiktheidsverzekering
tot een volksverzekering.
Het
voorgaande biedt naar de mening van de
ondergetekende een voldoende motivering
voor de omstandigheid dat in het
onderhavige wetsvoorstel de reeds
uitgebrachte adviezen van de S.E.R. en
de S.V.R. zijn gevolgd en voorshands
alleen de loontrekkenden onder de
verplichte
arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn
gebracht.
Zowel
de S.E.R. als de S.V.R. hebben namelijk
in
hun eerder genoemde adviezen als hun
mening te kennen gegeven dat de
verzekering zich zou moeten uitstrekken
tot al degenen die in loondienst -
of
wat daarmede gelijkstaat -
werkzaam
zijn, ongeacht de hoogte van hun loon en
dat geen bepaalde categorieën van de
verzekering zouden moeten worden
uitgezonderd. Wel zou naar het oordeel
van beide colleges de verzekering een
einde dienen te nemen bij het bereiken
van de 65-jarige leeftijd.
De
S.V.R. heeft zijn voorstellen met
betrekking tot de kring van de
verzekerden neergelegd in een aan het
advies toegevoegde bijlage IV,
inhoudende een "Proeve van een tekst
der artikelen betreffende de kring van
verzekerden van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering".
Deze proeve is grotendeels ontleend aan
het in 1958 door de S.V.R. uitgebrachte
interim-advies omtrent een voorontwerp
van wet inzake de coördinatie van de
kring der verzekerden. Voor zover dit
mogelijk was, is met deze zogenaamde
coördinatietekst reeds rekening
gehouden bij de omschrijving van de
kring van verzekerden ingevolge de
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden. De
kring van verzekerden ingevolge de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
ziekengeldverzekering is in beginsel
afgestemd op de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden en het ontwerp van wet
op de loonbelasting 1960, zodat
impliciet ook rekening is gehouden met
de ter zake door de S.V.R. gedane
voorstellen.
De
Regering heeft evenwel gemeend de
adviserende colleges met name op een
tweetal punten niet te moeten volgen.
Het eerste en ook het belangrijkste punt
heeft betrekking op het
overheidspersoneel. Zowel de S.E.R. als
de S.V.R. hebben uitgesproken dat
bedoeld personeel onder de verplichte
arbeidsongeschiktheidsverzekering zou
moeten worden gebracht. In het S.E.R.-advies
van januari 1957 wordt gezegd dat
weliswaar de bezwaren welke de Raad in
het algemeen heeft tegen het toestaan
van uitzonderingen op de
verzekeringsplicht (financiële
consequenties zijn niet te overzien;
niet voldoende waarborg voor
continuïteit; coördinatie komt in het
gedrang) zich voor het
overheidspersoneel in mindere mate
voordoen en dat ook uit hoofde van een
unificatie van de wettelijke sociale
verzekeringen een afzonderlijke regeling
voor het overheidspersoneel geen
bezwaar zou behoeven te ontmoeten, doch
dat aan het uitzonderen van
overheidspersoneel andere bezwaren zijn
verbonden ten gevolge van het
uiteenlopen van het door de Raad
voorgestelde stelsel en de voor het
overheidspersoneel geldende regeling.
Deze bezwaren zouden zich, aldus de
S.E.R., met name voordoen in geval van
overgang van particuliere dienst naar
overheidsdienst en omgekeerd. Gewezen
werd op de in de Pensioenwetten voor het
recht op invaliditeitspensioen gestelde
wachttijden en de handhaving na het
ontslag van het recht op uitgesteld
invaliditeitspensioen. De Raad voorzag
hier cumulatie van aanspraken krachtens
de Pensioenwetten en de
invaliditeitsverzekering, welke hoogst
ongewenst geacht moest worden.
De
bezwaren van de S.E.R. tegen het
uitzonderen van het overheidspersoneel
richtten zich derhalve voornamelijk
tegen het gebrek aan aansluiting van de
ene regeling aan de andere. In het
onderhavige ontwerp van wet zijn
bepalingen opgenomen rblz.|13
r.k.|
welke erop gericht zijn een goede
aansluiting van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de
Pensioenwetten te bewerkstelligen.
Voorts ligt het in het voornemen van de
Regering om de Pensioenwetten zodanig
te herzien - met name door het doen
vervallen van wachttijden - dat de
aansluiting ook in omgekeerde richting
gewaarborgd is. De door de S.E.R.
terecht gesignaleerde bezwaren zullen
daarmede zijn weggenomen.
De S.V.R. onderschreef de hierboven
weergegeven mening van de S.E.R., doch
sprak bovendien uit dat een
mogelijkheid tot uitzondering van het
overheidspersoneel in geen geval
aanleiding mocht zijn tot risicoselectie. De ondergetekende moge
wat dit laatste betreft er -
wellicht
ten overvloede -
op wijzen dat bij
het integraal buiten de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
plaatsen van het gehele
overheidspersoneel van risicoselectie
niet gesproken kan worden.
Al
met al kunnen -
mede gelet op de tot
stand gebrachte of nog te brengen
aansluiting van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering aan
de Pensioenwetten en omgekeerd -
naar
het oordeel van de Regering geen
overwegende bezwaren tegen de
uitzondering van het overheidspersoneel
worden aangevoerd, waarbij nog
opmerking verdient dat dit personeel
tot dusverre nimmer onder enige
specifieke loontrekkendenverzekering is
gebracht.
Zou
de arbeidsongeschiktheidsverzekering te
eniger tijd worden uitgebreid tot een
verzekering voor alle beroepsbeoefenaren of eventueel zelfs
tot de gehele bevolking, dan zal de
positie van het overheidspersoneel
uiteraard in dat kader opnieuw dienen te
worden bezien.
Waar
de pensioenvoorzieningen van het
personeel van de N.V. Nederlandse
Spoorwegen wettelijk op overeenkomstige
wijze zijn geregeld als die voor het
overheidspersoneel, dient naar de mening
van de Regering ook eerstbedoeld
personeel op dezelfde gronden buiten de
arbeidsongeschiktheidsverzekering te
worden gehouden. Uiteraard geldt hetgeen
hiervoren is gezegd omtrent de
aansluiting van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering aan
de Pensioenwetten en omgekeerd ook ten
aanzien van de Pensioenwet voor de spoorwegambtenaren.
Het tweede punt
waarop de ondergetekende met name van de
adviezen van de S.V.R. is afgeweken,
heeft betrekking op het voorstel gedaan
in artikel 6, eerste lid, van de
hiervoren bedoelde proeve, opgenomen als
bijlage IV van het advies en in artikel
10 van het advies tot aanpassing van de Z.W. aan de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Volgens deze voorstellen zou niet alleen
aan de S.V.R. doch ook aan de
bedrijfsverenigingen de bevoegdheid
dienen te worden verleend om regelen te
stellen aan de hand waarvan zou moeten
worden beoordeeld of bepaalde personen,
waaronder aannemers van werk, hulpen van
aannemers van werk, musici en andere
categorieën wier arbeidsverhouding tot
dienstbetrekking zal worden geduid, al
dan niet zelfstandig zouden dienen te
worden beschouwd. Het is duidelijk dat
op deze wijze de deur zou worden
opengezet voor een verstoring van de zo
moeizaam verkregen coördinatie van de
kring van verzekerden met de kring van
loonbelastingplichtigen, hetgeen naar
de mening van de ondergetekende toch wel
zeer ongewenst moet worden geacht.
De
ondergetekende zou dit onderdeel van de
memorie van toelichting willen besluiten
met enkele opmerkingen naar aanleiding
van het hiervoor vermelde, zowel door de
S.E.R. als door de S.V.R. ingenomen
standpunt dat de
arbeidsongeschiktheidsverzekering geen
loongrens dient te kennen en een einde
dient te nemen bij het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar.
Wat het eerste
punt betreft, stelde de S.E.R. reeds in
zijn advies van januari 1957, hetwelk
betrekking had op een afzonderlijke
invaliditeitsverzekering dat ook voor
de werknemers die een relatief hoog
loon verdienen het risico van
loonderving als gevolg van invaliditeit
gewoonlijk slecht gedekt is. Het treffen
van eigen voorzieningen, bijvoorbeeld
door het
afsluiten van een verzekering, is niet
algemeen gebruikelijk, waarschijnlijk
omdat het individuele
invaliditeitsrisico niet hoog wordt
aangeslagen, aldus de S.E.R. Anders dan
bij ziekte zijn de ondernemingen veelal
niet bereid voor deze werknemers ten
aanzien van dat risico verplichtingen op
zich te nemen, omdat de financiële rblz.|14
l.k.|
consequenties
hiervan voor de individuele onderneming
niet te overzien zijn. Voorts werd als
een nadeel van een loongrens gezien
dat zij een scherpe scheiding maakt
tussen verzekerden en niet-verzekerden,
hetgeen als gevolg van de geleidelijke
overgangen tussen de verschillende
inkomensgroepen moeilijkheden schept,
in het bijzonder bij een
invaliditeitsverzekering welke het
risico dekt van langdurige
inkomensderving door
arbeidsongeschiktheid.
De
overwegingen van de S.E.R. werden in het
advies van de S.V.R. inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
onderschreven.
Ook
de ondergetekende wil deze overwegingen
gaarne tot de zijne maken, doch hij zou
hieraan nog het volgende willen
toevoegen. Zoals gezegd, adviseerde de
S.E.R. om in een afzonderlijke
invaliditeitsverzekering geen loongrens
op te nemen. In het onderhavige ontwerp
van wet is echter geïncorporeerd de
huidige ongevallenverzekering, welke
geen loongrens kent. Zoals elders uit
deze memorie blijkt, zullen de
loontrekkenden het recht op
geneeskundige behandeling, waarop zij
thans in het kader van de
ongevallenverzekering in geval van een
ongeval in verband met hun
dienstbetrekking recht hebben,
verliezen. Het zou naar de mening van de
ondergetekende te ver voeren hen
bovendien ook nog bij het overschrijden
van een loongrens het recht op
geldelijke schadeloosstelling te doen
verliezen.
Ten slotte
zij er nog op gewezen dat ingevolge de
voorgestelde verzekering in beginsel
slechts recht op uitkering zal bestaan
indien de betrokkene bij de aanvang van
die arbeidsongeschiktheid verzekerd is.
Wanneer nu in aanmerking wordt genomen
dat enerzijds het invaliditeitsrisico
toeneemt naarmate de leeftijd hoger
wordt en dat anderzijds een relatief
hoog loon veelal eerst op latere
leeftijd wordt genoten, dan zou het
opnemen van een loongrens betekenen dat
in vele gevallen gedurende kortere of
langere tijd premie voor een
arbeidsongeschiktheidsverzekering zou
worden betaald, terwijl bij optreden
van arbeidsongeschiktheid op latere
leeftijd wegens overschrijding van die
grens geen recht op uitkering zou
bestaan.
Alles
overwegende heeft de ondergetekende dan
ook gemeend in het onderhavige ontwerp
geen loongrens te moeten opnemen.
Wat
het tweede punt, het stellen van een
leeftijdsgrens, betreft, heeft de S.E.R.
zich eveneens uitgesproken in zijn
advies van januari 1957 inzake de
herziening van de
invaliditeitsverzekering. De Raad heeft
zijn visie ter zake hierop gebaseerd
dat doorgaans het arbeidsleven in
dienstbetrekking eindigt bij het
bereiken van de vermelde leeftijd en dat
in het bijzonder nu voor de
ouderdomsverzekering in het kader van de
A.O.W. een algemene regeling is
getroffen, er geen voldoende grondslag
is voor een wettelijke verplichting tot
verzekering tegen loonderving wegens
invaliditeit voor 65-jarigen en ouderen.
Zulks zou niet in overeenstemming zijn
met de erkenning van de ouderdom als
zelfstandige oorzaak van
inkomensvermindering of
inkomensverlies, welke gedachte aan een
afzonderlijke ouderdomsvoorziening ten
grondslag ligt. De S.V.R. heeft deze
zienswijze in zijn advies inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
onderschreven.
De
ondergetekende heeft gemeend zich bij
dit standpunt van de beide adviserende
colleges te moeten aansluiten. Hij zou
hierbij nog in herinnering willen
brengen dat de vraag of een
invaliditeitsuitkering na het bereiken
van de 65-jarige leeftijd moet worden
voortgezet ook reeds ter sprake is
gekomen bij de parlementaire behandeling
van de ontwerpinterim-regeling voor
invaliditeitsrentetrekkers. Zoals de
ondergetekende bij die gelegenheid
heeft opgemerkt, ligt het onderhavige
probleem geheel op het terrein van de
oudedagsvoorziening. Het zou zijn
opgelost indien het peil van de
uitkeringen ingevolge laatstgenoemde
voorziening zou kunnen worden
opgetrokken. Nu het vraagstuk van de
oudedagsvoorziening en met name ook dat
van het gewenste niveau van het A.O.W.-pensioen bij de S.E.R. in studie is, zal
het ter zake uit te brengen advies
dienen te worden afgewacht.
Bij
de behandeling van de ontwerpinterim-regeling voor rblz.|14
r.k.|
invaliditeitsrentetrekkers
kwam eveneens ter sprake dat vele
invaliden de gelegenheid missen een
bedrijfs- of ondernemingspensioen op te
bouwen, omdat zij daartoe te kort
bedrijfsarbeid hebben verricht. Zoals de
ondergetekende bij die gelegenheid met
voldoening heeft geconstateerd, is voor
de grote meerderheid van de werknemers
die onder een bedrijfspensioenfonds
vallen, voorzien in premievrije
voortzetting van pensioenopbouw bij
invaliditeit. In dit verband spreekt de
ondergetekende gaarne de hoop uit dat
in de toekomst ook de pensioenfondsen
welke hiertoe nog niet zijn overgegaan
een regeling inzake pensioenopbouw bij
invaliditeit zullen treffen. Aldus zal
worden bereikt dat degenen wier
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens
het bereiken van de 65-jarige leeftijd
eindigt, niet in
ouderdomspensioenaanspraken ten achter
staan bij degenen die niet vóór het 65ste
jaar arbeidsongeschikt werden.
b.
Vrijwillige verzekering
De
beperking van de kring van verzekerden
tot de loontrekkenden achtte de S.E.R.
in zijn advies van januari 1957 niet
geheel bevredigend, omdat daardoor
groepen zelfstandigen wier economische
positie niet sterker is dan die van de
gemiddelde handarbeider, niet in de
gelegenheid zijn hun invaliditeitsrisico op dezelfde wijze
als de loontrekkenden te dekken. Dit is
voor de Raad aanleiding geweest te
onderzoeken of niet langs de weg van
vrijwillige toetreding voor de
zelfstandigen of voor groepen daarvan
dekking van het invaliditeitsrisico zou
kunnen worden verkregen. De bezwaren
immers op grond waarvan het opnemen van
zelfstandigen in de verzekering werd
afgewezen, vinden alle hun grondslag in
het verplichte karakter daarvan, doch
zij verzetten zich niet tegen het
openen van de mogelijkheid tot
vrijwillige toetreding tot de
verzekering. Bijzondere moeilijkheden
bij de premie-inning behoeven niet te
worden gevreesd, aldus de S.E.R., indien
de aanspraken vervallen bij niet-tijdige
premiebetaling. Voor de hoogte van de
premie en - in verband daarmede - van de uitkering zijn bij vrijwillige
toetreding administratief eenvoudig
hanteerbare normen te geven, die in een
verplichte verzekering naar het oordeel
van de Raad moeilijk aanvaardbaar
zouden zijn.
Zag
de S.E.R. derhalve geen bezwaar tegen
het scheppen van de mogelijkheid van
vrijwillige toetreding tot de
verzekering, toch achtte hij een
ongeclausuleerde toetredingsmogelijkheid ongewenst.
Daaraan zou namelijk het gevaar verbonden
zijn dat uitsluitend of in hoofdzaak
die zelfstandigen die verwachten recht
op uitkering te kunnen doen gelden,
zouden toetreden. Deze mogelijkheid van
risicoselectie zou naar het oordeel van
de Raad grotendeels kunnen worden
voorkomen indien slechts vrijwillige
voortzetting na de beëindiging van de
verplichte verzekering zou worden
toegestaan. Ook aan deze mogelijkheid
zouden dan nog beperkingen moeten worden
verbonden teneinde misbruik daarvan te
voorkomen.
Het standpunt van de S.E.R.
werd door de S.V.R. in zijn advies
inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
onderschreven. De ondergetekende kan
met de op het onderhavige punt
uitgebrachte adviezen in beginsel zeer
wel instemmen.
Met
behulp van de door de S.E.R. geschetste
mogelijkheid van vrijwillige
voortzetting der verplichte verzekering
kunnen de volgende categorieën van
zelfstandigen hun invaliditeitsrisico
dekken.
In de eerste plaats zal dit het
geval zijn voor degenen die afwisselend
in loondienst en als zelfstandige
werkzaam zijn. De beperking van de
verplichte verzekering tot de
loontrekkenden leidt ertoe dat het
invaliditeitsrisico van deze groep
periodiek ongedekt blijft.
De tweede
categorie van personen die van de
geadviseerde mogelijkheid tot
vrijwillige voortzetting van de
verplichte verzekering gebruik zal
kunnen maken, wordt gevormd door die
zelfstandigen die voorafgaand aan de
vestiging als zelfstandige in loondienst
zijn geweest. Met het oog op het gevaar
dat uitsluitend ongunstige risico's de
verzekering zouden voortzetten, is
evenwel in navolging van het S.E.R.-advies
voorgesteld dat de mogelijkheid tot
voortzetting slechts openstaat rblz.|15
l.k.|
gedurende één maand na het einde van de verplichte
verzekering en dan nog uitsluitend voor
degenen wier verplichte verzekering
ten minste drie jaren heeft geduurd.
De
ondergetekende heeft evenwel gemeend om
de mogelijkheid tot vrijwillige
voortzetting van de verplichte
verzekering nog iets verder te moeten
verruimen. Hij moge hiervoor verwijzen
naar de toelichting op het voorgestelde
artikel 81.
3.2. Verstrekkingen der verzekering
De in
het wetsontwerp geregelde verzekering
zal enerzijds voorzien in het verlenen
van geldelijke uitkeringen ter
gedeeltelijke compensatie van door
arbeidsongeschiktheid veroorzaakte
loonderving en anderzijds in het treffen
van voorzieningen tot behoud, herstel
of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid. In deze paragraaf
zal slechts op de geldelijke
schadeloosstellingen worden ingegaan.
Wat betreft de overige voorzieningen
moge worden verwezen naar hoofdstuk
4 van deze memorie.
a.
Het recht op uitkering
In
overeenstemming met hetgeen thans in de Ziektewet
en in de Ongevallenwetten is
bepaald, zal in beginsel slechts recht
op schadeloosstelling bestaan indien de
betrokkene bij de aanvang van de
arbeidsongeschiktheid voldoet aan de
voor de verzekeringsplicht gestelde
voorwaarden. Op dit beginsel zijn
evenwel enige verzachtingen aangebracht,
waarvoor in het algemeen moge worden
verwezen naar de toelichting op de
desbetreffende artikelen. Op één van
deze verzachtingen zou de ondergetekende
evenwel hier reeds de aandacht willen
vestigen en wel op de bepaling welke
opgenomen is in het vierde lid van
artikel 17 [17]
van het ontwerp van
wet.
Volgens deze bepaling kunnen bij
algemene maatregel van bestuur regelen
worden gesteld ingevolge welke personen die arbeidsongeschikt of meer
arbeidsongeschikt worden als gevolg van
een bij die maatregel aan te wijzen
beroepsziekte, terwijl zij niet meer
verzekerd zijn, nochtans voor het recht
op toekenning of verhoging van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering als
verzekerd worden beschouwd. Volgens het
algemene beginsel zouden namelijk
personen
die tijdens hun dienstbetrekking een
beroepsziekte opdoen van uitkering
verstoken blijven indien deze ziekte
eerst na het einde van de verzekering
tot verminderde arbeidsgeschiktheid zou
leiden. De ondergetekende denkt hier bijvoorbeeld
met name aan de beroepsziekte silicose. Uiteraard zal ook hier niet
tot toekenning of verhoging van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen
worden overgegaan indien de
arbeidsongeschiktheid of verminderde
arbeidsongeschiktheid zich na het
bereiken van de 65-jarige leeftijd
manifesteert.
Behalve
dat de betrokkene bij de aanvang van
zijn arbeidsongeschiktheid in beginsel
verzekerd zal moeten zijn, moet hij om
voor geldelijke schadeloosstelling in
aanmerking te kunnen komen bovendien 52
weken arbeidsongeschikt zijn, terwijl - uiteraard
- ook na afloop van die
periode nog arbeidsongeschiktheid
aanwezig dient te zijn.
De
vraag wanneer een werknemer
arbeidsongeschikt is, wordt beantwoord
in artikel 18
[18] van
het
wetsontwerp.
Hierbij is aansluiting gezocht bij het
bepaalde in artikel 72 van de
Invaliditeitswet, artikel 18 van de
Ongevallenwet 1921 en artikel 39 van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922. In
het kort samengevat komt de inhoud van
artikel 18 [18]
hierop neer dat
arbeidsongeschikt is hij die door ziekte
of gebreken niet in staat is met
passende arbeid het loon van een
gelijksoortige valide werknemer te
verdienen. Dit begrip is derhalve
aanmerkelijk ruimer dan dat hetwelk
thans is neergelegd in artikel 72 van
de Invaliditeitswet, op grond waarvan
slechts een invaliditeitsrente kan
worden verleend indien de betrokkene
niet in staat is om een derde van het
loon van een gelijksoortige valide te
verdienen. Teneinde het toekennen van zogenaamde dwergrenten te voorkomen, wordt
evenwel voorgesteld geen rekening te
houden met arbeidsongeschiktheid van
minder dan 15%. Zowel de S.E.R.
als de
S.V.R. stelden voor rblz.|15
r.k.|
geen
uitkering te verlenen indien de
ongeschiktheid tot werken minder dan
25% bedraagt, omdat een dergelijke mate
van arbeidsongeschiktheid veelal niet
tot loonderving zou leiden of althans
niet in het loon tot uitdrukking zou
komen. Indien deze stelling juist zou
zijn, is er evenwel in deze gevallen
geen sprake van arbeidsongeschiktheid in
de zin van deze verzekering, daar alsdan
het loon van een valide werknemer zou
worden genoten. Komt echter de hier
bedoelde gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid wel in het loon
tot uitdrukking, dan is de
ondergetekende van oordeel dat een
percentage arbeidsongeschiktheid
liggende tussen 25 en 15% nog wel van
een zodanige importantie is dat het te
ver zou voeren indien daarvoor geen
schadeloosstelling zou worden gegeven.
Er
zij nog op gewezen dat het wetsontwerp
aldus is opgezet dat eenzelfde persoon
niet gelijktijdig in het genot van meer
dan één
arbeidsongeschiktheidsuitkering kan
zijn. Deze éne uitkering kan, indien de
omstandigheden daartoe aanleiding geven,
volgens de wettelijke bepalingen worden
herzien of ingetrokken, doch steeds
blijft er van één uitkering sprake.
Neemt een aanvankelijk slechts
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
toe, dan komt naast de reeds lopende
uitkering geen nieuwe
arbeidsongeschiktheidsuitkering, ook al
is de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid door een andere
oorzaak ontstaan dan de gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan
reeds uitkering werd genoten. Wel is
tijdelijk samenloop met ziekengeld
ingevolge de Ziektewet mogelijk. Ook
degene die een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake
van gedeeltelijke invaliditeit geniet,
kan immers ongeschikt worden tot het
verrichten van "zijn arbeid" -
dat is dan de arbeid die hij als
gedeeltelijk invalide verrichtte -
en
ter zake daarvan ziekengeld genieten.
Dat ziekengeld wordt dan in beginsel
naast de arbeidsongeschiktheidsuitkering
genoten. Zodra uit hoofde van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering met de
toeneming van de arbeidsongeschiktheid
in verband waarmede ziekengeld werd
genoten rekening moet worden gehouden,
dan geschiedt dit door herziening, in
casu verhoging, van de reeds lopende
arbeidsongeschiktheidsuitkering en niet
door het naast de reeds lopende
arbeidsongeschiktheidsuitkering
toekennen van een tweede uitkering.
De
hierboven geschetste opzet van het
wetsontwerp wijkt in het daar omschreven
aspect, te weten dat er altijd slechts
één uitkering krachtens de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
mogelijk is, af van de bij de
uitvoering van de Ongevallenwetten
gevolgde praktijk. Daarbij wordt
namelijk aan iemand die door een
ongeval reeds gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is en uit dien hoofde
een rente geniet, indien hij later
opnieuw door een ongeval wordt getroffen
en daardoor de hem resterende
arbeidsgeschiktheid geheel of
gedeeltelijk verliest, een tweede rente
toegekend, welke, zolang daarop
aanspraak bestaat, naast de eerste
loopt.
Dat bij de Ongevallenwetten aldus
wordt gehandeld is duidelijk, omdat in
het kader van de ongevallenverzekering
de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid
een grote rol speelt. De mate van
arbeidsongeschiktheid welke uit elk der
verschillende oorzaken voortkomt, moet
worden bepaald en dient blijvend te
worden gevolgd. Een dergelijk systeem
zou evenwel in de praktische toepassing
van de arbeidsongeschiktheidsverzekering
tot moeilijkheden aanleiding geven,
aangezien in het kader dezer verzekering
niet slechts arbeidsongeschiktheid
welke het gevolg is van een ongeval,
doch ook ongeschiktheid tot arbeid ten
gevolge van ziekte aanspraak op
uitkering geeft. Hierdoor is het aantal
gevallen waarin tijdens genot van
uitkering ter zake van gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid toeneming van
arbeidsongeschiktheid optreedt veel
groter dan het aantal waarin zich zulks
in het kader van de Ongevallenwetten
voordoet. Voorts zou het onderscheiden
naar de oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid bij de
arbeidsongeschiktheidsverzekering meer
moeilijkheden geven bij ziektegevallen
dan bij arbeidsongeschiktheid als
gevolg van een ongeval. Daarom is in het
wetsontwerp gekozen voor het systeem
van één uitkering, die bij toeneming
of afneming van arbeidsongeschiktheid
verhoogd of verlaagd wordt, zonder dat
de oorzaak van de ongeschiktheid
relevant is.
rblz.|16
l.k.|
b.
Uitkeringen vastgesteld in percentage
van het loon
In
navolging van het in de ongevallen-, de
ziekte- en de werkloosheidsverzekering
neergelegde beginsel wordt voorgesteld
de uitkeringen vast te stellen in een
percentage van het door de
arbeidsongeschiktheid gederfde loon.
Slechts op deze wijze kan worden bereikt dat een werknemer tijdens de
duur van zijn ongeschiktheid tot werken
een verantwoorde schadeloosstelling
ontvangt. Een systeem, zoals dit thans
in de Invaliditeitswet is neergelegd,
waarbij de hoogte van de uitkering
afhankelijk is van de betaalde premie en
van de duur van de verzekering, is voor
het beoogde doel onbruikbaar. Eén en
ander wil nog niet zeggen dat de
uitkeringen ingevolge de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
steeds, ongeacht de hoogte van het
gederfde loon, in een percentage van dat
loon dienen te worden uitgedrukt.
Evenals dit bij de ongevallen-, de
ziekte- en de werkloosheidsverzekering
het geval is, zal voor de uitkeringen
een maximumdagloongrens in aanmerking
worden genomen, zodat degenen wier loon
boven deze grens uitgaat voor het
meerdere zelf het risico van loonderving als gevolg van invaliditeit
dienen te dragen.
c.
Invaliditeitsklassen
Nu
volgens het in het wetsontwerp
neergelegde stelsel geldelijke
schadeloosstelling zal worden verleend
aan invaliden wier
arbeidsongeschiktheid varieert van 15
tot 100%, ligt het voor de hand de
uitkeringen te relateren aan de mate van
arbeidsongeschiktheid. Zulks is ook in
overeenstemming met de ter zake
uitgebrachte adviezen. Eveneens op het voetspoor van bedoelde adviezen wordt
voorgesteld om degenen die uitkering
aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zullen kunnen ontlenen, al naargelang
de mate van hun arbeidsongeschiktheid,
in een aantal invaliditeitsklassen in te
delen. In paragraaf 2.2
van deze memorie werd reeds vermeld dat
de S.E.R.
en de S.V.R. in hun adviezen
achtereenvolgens onderling afwijkende
systemen van indeling in
invaliditeitsklassen hebben aanbevolen.
De ondergetekende heeft gemeend zich in
beginsel te moeten aansluiten bij het
laatste advies hetwelk op dit punt is
gegeven, namelijk dat neergelegd in het
advies van de S.E.R. inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
In
zijn advies inzake de herziening van de
invaliditeitsverzekering adviseerde de
S.E.R. verder om bij een percentage
arbeidsongeschiktheid van 75% of meer de
maximale uitkering te verstrekken,
welke gesteld werd op 70% van het
gederfde loon. De S.V.R. sloot zich
hierbij aan in zijn advies inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering. In
het daarna door de S.E.R. uitgebrachte
advies inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering werd
evenwel in afwijking van het eerder
gedane advies en derhalve eveneens in
afwijking van het S.V.R.-advies
voorgesteld de maximale uitkering te
stellen op 80% van het loon en deze
uitkering te verlenen indien de
ongeschiktheid tot werken niet 75, doch
85% bedraagt. De klasse-indeling zou dan als volgt kunnen worden opgebouwd:
| Mate
van arbeidsongeschiktheid in % |
Uitkering
in percentage van het dagloon |
| 0-25 |
x0 |
| 25-35 |
20 |
| 35-45 |
30 |
| 45-55 |
40 |
| 55-65 |
50 |
| 65-75 |
60 |
| 75-85 |
70 |
| meer dan 85
¹ |
80 |
Lees:
85 of meer, red.
Zoals
gezegd, heeft de ondergetekende dit
systeem van klasse-indeling in beginsel
gevolgd. Op twee punten evenwel is hij
daarvan afgeweken. Hiervoor kwam reeds
ter sprake dat het naar de zienswijze
van de ondergetekende wenselijk moet
worden geacht ook uitkering te
verlenen indien de arbeidsongeschiktheid minder dan 25,
doch ten minste 15% bedraagt. Een
uitkering naar 10% van het dagloon moet rblz.|16
r.k.|
hier
op haar plaats worden geacht. Voorts
moge de ondergetekende in herinnering
brengen dat in de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers de
invaliditeitsrentetrekkers - wier
invaliditeit ligt boven 66⅔% - in
twee klassen zijn ingedeeld, al naargelang hun invaliditeit ligt boven of
beneden 80%. De uitkering ingevolge
bedoelde wet bedraagt voor degenen wier
invaliditeit ligt beneden 80%, 65% en
voor de overigen 80% van het voor de
berekening van de uitkeringen in
aanmerking genomen loon. De
ondergetekende meent dat een
overeenkomstige indeling thans ook voor
de arbeidsongeschiktheidsverzekering
dient te worden gevolgd. Resumerende
komt hij dan tot de volgende
klasse-indeling:
| Mate
van arbeidsongeschiktheid in % |
Uitkering
in percentage van het dagloon |
| 0-15 |
x0 |
| 15-25 |
10 |
| 25-35 |
20 |
| 35-45 |
30 |
| 45-55 |
40 |
| 55-65 |
50 |
| 65-88 |
65 |
| 80
of meer |
80 |
Ten slotte zij
nog opgemerkt dat naar analogie van
artikel 17 van de Ongevallenwet 1921
wordt voorgesteld de mogelijkheid te
openen om de uitkering van degenen, die
in de hoogste klasse worden ingedeeld en
die in een althans voorlopig blijvende
toestand verkeren, welke geregeld
oppassing en verzorging nodig maakt, tot
ten hoogste 100% van het dagloon te
verhogen.
d. Uitkeringen welvaartsvast
Wanneer de uitkeringen op de hiervoor
omschreven wijze worden vastgesteld, zal
bij de aanvang van de uitkering een
schadeloosstelling worden gegeven welke
adequaat zal zijn aan het gederfde loon.
Daarmede zal evenwel nog niet zijn
bereikt dat in een verzekering als de
onderhavige, krachtens welke een
uitkering zeer lang kan duren, blijvend
een redelijke compensatie voor het
gederfde loon zal worden gegeven. Toch
mag als doelstelling van de voorgestelde
verzekering naar de mening van de
ondergetekende onder meer worden geëist dat de relatie tussen
loonderving en uitkering blijvend zoveel
mogelijk wordt gehandhaafd. Teneinde dit
te bereiken, wordt voorgesteld om de
uitkeringen, evenals dit in de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en
Wezenwet, de Algemene Kinderbijslagwet
en ook in de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers het geval is,
zogenaamde welvaartsvast te maken.
In zijn in
1957 uitgebrachte advies inzake de
herziening van de
invaliditeitsverzekering heeft de S.E.R.
het standpunt ingenomen dat wijzigingen
in de algemene loonhoogte tijdens de
duur van de uitkering de hoogte daarvan
dienen te beïnvloeden. De Raad achtte
het noodzakelijk noch gewenst dat de
hoogte van de uitkeringen afhankelijk
wordt gesteld van de loonontwikkeling in
het beroep dat de invalide ten tijde
van de vaststelling van de uitkering
uitoefende. Voor de invaliden die niet
meer produktief werkzaam kunnen zijn - aldus de Raad
-, kan de band met het
oorspronkelijk uitgeoefende beroep niet
zo sterk worden geacht dat uit dien
hoofde aanpassing van de uitkering aan
de loonontwikkeling in dat beroep
noodzakelijk zou zijn. Ook voor de groep
invaliden die al dan niet na
revalidatie in een ander beroep
produktief werkzaam kan zijn, is de
band met het oude beroep grotendeels
verloren gegaan. Daarbij komt nog dat,
mede in verband met optredende
wijzigingen in de inhoud van functies,
een nauwkeurige vaststelling van de
loonontwikkeling per beroep op langere
termijn op grote technische
moeilijkheden kan stuiten.
Op grond van
deze overwegingen meende de Raad dat
diende te worden volstaan met aanpassing
van de uitkeringen aan de wijzigingen in
de algemene loonindex, op de wijze als
in artikel 9 van de
Algemene
Ouderdomswet is bepaald.
rblz.|17
l.k.|
In
het advies van de S.V.R. inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering werd
eveneens voorgesteld om de geldelijke
schadeloosstelling aan te passen aan de
ontwikkeling van de lonen. Zoals ook
blijkt uit het standpunt van de Raad met
betrekking tot de financiering van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering - verwezen moge worden naar
paragraaf 5.2 van deze memorie
- hechtte de
Raad er evenwel aan om de binding welke
tussen een verzekerde en zijn beroep
bestaat ook in de onderhavige
verzekering tot uitdrukking te brengen.
Hij heeft echter overwogen dat deze
binding geleidelijk aan verloren gaat
naarmate de arbeidsongeschiktheid
langer duurt.
Eén
en ander bracht de Raad tot de conclusie dat de hoogte van de eenmaal
vastgestelde uitkering gedurende de
eerste twee jaren moest worden gebonden
aan de ontwikkeling van het rechtens
geldende loon voor het beroep dat de
verzekerde vóór de aanvang van zijn
arbeidsongeschiktheid gewoonlijk
uitoefende. Duurt de schadeloosstelling
ook na die eerste twee jaren nog voort,
dan achtte de Raad, gelet op de lange
duur der invaliditeit, geen voldoende
reden meer aanwezig om deze binding te
handhaven. Voor de verdere duur van de
arbeidsongeschiktheid ware de hoogte
van de uitkering dan verder op de
algemene loonontwikkeling af te stemmen.
Blijkens
zijn advies over een
arbeidsongeschiktheidsverzekering was
de S.E.R. evenwel van oordeel dat het
voorstel van de S.V.R. grote bezwaren
heeft. De S.E.R. vreesde dat in
gevallen van gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid waarbij
betrokkene werk vindt in een ander
beroep ressorterende onder een andere
bedrijfsvereniging, zich moeilijkheden
zouden voordoen indien binnen twee
jaar de invaliditeit zou toenemen.
Afgezien van deze door de Raad
geschetste bezwaren werd betwijfeld of
een binding van de schadeloosstellingen
aan de loonontwikkeling in het beroep
gedurende twee jaar, gewenst zou zijn in
de gevallen waar in de sociale
realiteit deze binding grotendeels
ontbreekt of slechts van geringe
betekenis is. Op grond van deze
overwegingen meende de Raad zijn
standpunt, ingenomen in het advies
inzake de herziening van de
invaliditeitsverzekering, te moeten
handhaven.
De
ondergetekende is met de S.E.R. van
mening dat zich bij het door de S.V.R.
aanbevolen systeem moeilijkheden zouden
voordoen. Hij heeft dan ook gemeend aan
het advies van de S.E.R. in deze de
voorkeur te moeten geven.
e.
Bovenwettelijke uitkeringen
Gelijk
bekend, kent de Ziektewet
in het huidige
artikel 57 de mogelijkheid tot het
verlenen van hogere uitkeringen dan de
wettelijke, van uitkeringen over langere
duur of van andere uitkeringen.
Aangezien
het niet ondenkbaar is dat in de
praktijk ook voor de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de
genoemde mogelijkheden behoefte zou
kunnen blijken te bestaan, heeft de
ondergetekende onder ogen gezien op
welke wijze dit het best zou kunnen
worden verwezenlijkt.
Zoals
nog zal blijken uit hoofdstuk
5 van deze
memorie is voor de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering voor
een uniforme premie gekozen. De
ondergetekende meent dat het met de
gekozen opzet van deze voor het gehele
bedrijfsleven eenvormige premie
moeilijk te verenigen zou zijn wanneer
in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de
bedrijfsverenigingen de bevoegdheid zou
worden gegeven de omschreven
mogelijkheden tot het verlenen van
hogere of andere uitkeringen dan die
wet kent, in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering te
verwezenlijken.
De
mogelijkheden welke de Ziektewet thans
in eerdergenoemd artikel kent, blijven
onverlet, zodat langs deze weg voldoende
ruimte openblijft tot het treffen van
bijzondere regelingen. Deze kunnen zich
in beginsel ook over de periode
waarover een uitkering ingevolge de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt genoten, uitstrekken. Op deze
wijze wordt een sluitend geheel
verkregen, waarbij nog zij aangetekend
dat de Ziektewet een in beginsel per
bedrijfsvereniging verschillende premie
kent.
rblz.|17
r.k.|
3.3. Uitvoeringsorganisatie
a.
Uitvoering door bedrijfsverenigingen
Zowel
door de S.E.R.
in zijn advies
inzake de herziening van de
invaliditeitsverzekering als door de
S.V.R. in zijn advies inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering werd
geadviseerd de uitvoering van de
verzekering te leggen in de handen van
de bedrijfsverenigingen als bedoeld in
de Organisatiewet Sociale Verzekering.
Daarbij werd met name gelet op het
bepaalde in artikel 2, eerste lid,
onderdeel a en c, dier wet. Wat de
administratieve kant van de uitvoering
betreft, werd er voorts nog op gewezen
dat de kring van verzekerden grotendeels
gelijk zal zijn aan die van de Ziektewet
en de Werkloosheidswet, dat
de premievaststelling en -inning voor de
verschillende verzekeringen kunnen
worden gecombineerd, waardoor de
administratieve beslommeringen voor de
werkgevers worden beperkt en dat het
van belang zal zijn dat de
dagloonberekening met name voor de
Ziektewet en de onderhavige wet zoveel
mogelijk volgens dezelfde methode zal
geschieden.
De
uitvoering van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering - en
hetzelfde geldt voor de uitvoering van
een invaliditeitsverzekering, waartoe de
S.E.R. in januari 1957 adviseerde -
beperkt zich evenwel niet tot zuiver
administratieve werkzaamheden. Zeer
belangrijke onderdelen, waarmede de
uitvoering staat of valt, vormen de
sociaal-medische onderdelen, waartoe
moeten worden gerekend:
a. de
beoordeling van de revalideerbaarheid
van de verzekerde;
b. de beoordeling
van de vraag of de revalidatie in het
kader van de normale behandeling
ingevolge de ziekenfondsverzekering kan
plaatshebben, dan wel of deze in het
kader van een bijzondere behandeling
ingevolge de
arbeidsongeschiktheidsverzekering moet
geschieden;
c. het nauwlettend volgen
van het beloop van de behandeling en
van haar resultaten;
d. het schatten en
herschatten van de mate van
arbeidsongeschiktheid;
e. het overleg
met talrijke deskundigen, geneeskundigen
en niet-medici, teneinde een goede
uitvoering van de wet te waarborgen.
Op
dit vraagstuk van de uitvoering van de
sociaal-medische onderdelen van de
verzekering, waaraan zowel in het advies
van de S.E.R. als in dat van de S.V.R.
uitvoerige beschouwingen zijn gewijd, is
de ondergetekende nader ingegaan in paragraaf
4.3 van deze memorie.
Teneinde herhalingen te vermijden, moge
hij daarom hier volstaan met daarnaar te
verwijzen.
Hoewel de ondergetekende
begrip heeft voor de voordelen welke
door de S.E.R. en de S.V.R. in de
uitvoering door bedrijfsverenigingen
werden gezien, meent hij nochtans zich
niet te mogen ontslaan van de plicht erop te wijzen dat aan een zodanige
uitvoering ook bezwaren zijn verbonden,
welke niet zouden optreden indien
slechts één uitvoeringsorgaan zou zijn
aangewezen. Zo moge hij erop wijzen
dat de uitvoering van de voorgestelde
verzekering, mede gelet op de
omschrijving van het begrip „arbeidsongeschiktheid"
zoals dat in artikel 18
[18] overeenkomstig
de uitgebrachte adviezen is omschreven,
weinig "bedrijfseigens" heeft.
Dit wordt nog geaccentueerd door het
feit dat een eenmaal toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering bij
toeneming van de arbeidsongeschiktheid
steeds in behandeling blijft bij de
bedrijfsvereniging welke de uitkering
heeft toegekend. Dit laatste moge met
een voorbeeld worden duidelijk gemaakt.
Een werknemer wordt ziek en ontvangt
ziekengeld van bedrijfsvereniging A,
waarbij zijn werkgever is aangesloten.
Na afloop van de ziekengeldtermijn
ontvangt hij van deze bedrijfsvereniging
een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
berekend naar (bijvoorbeeld) 25%
arbeidsongeschiktheid. Na verloop van
tijd neemt zijn arbeidsongeschiktheid,
nadat hij intussen in een andere
bedrijfstak weer aan het werk is gegaan,
toe, hetzij uit dezelfde, hetzij uit een
andere oorzaak. Hij ontvangt nu eerst
gedurende één jaar -
naast zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering van
bedrijfsvereniging rblz.|18
l.k.|
A - ziekengeld van bedrijfsvereniging
B, waarbij hij verzekerd was ten tijde
van de toeneming van zijn
arbeidsongeschiktheid. Nadat hij van de
Ziektewet is uitgetrokken moet nu
bedrijfsvereniging A de oorspronkelijk
toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering herzien
overeenkomstig de thans aanwezige
invaliditeit.
De
ondergetekende is evenwel van mening dat
de geschetste bezwaren niet van zodanig
gewicht zijn dat zij aanleiding zouden
kunnen geven om de historische
ontwikkeling in de
uitvoeringsorganisatie van de sociale
verzekering te doorbreken. Hij heeft dan
ook voorgesteld de uitvoering van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
conform de adviezen van S.E.R. en S.V.R.
te leggen in handen van de
bedrijfsverenigingen.
b.
Arbeidsongeschiktheidsfonds
Zoals
ook zal blijken uit hoofdstuk
5 van deze
memorie heeft de S.E.R.
in zijn advies
van januari 1957 voorgesteld om voor de
door hem geadviseerde
invaliditeitsverzekering te komen tot
het heffen van een uniforme premie. In
deze gedachtengang achtte de Raad het
noodzakelijk om een orgaan aan te wijzen dat de hoogte van de premie voor
alle bedrijfsverenigingen zou
vaststellen, terwijl tevens een
voorziening diende te worden getroffen
om de vereiste verevening van
ontvangsten en uitgaven van de
bedrijfsverenigingen ten behoeve van de
invaliditeitsverzekering te
bewerkstelligen.
Ten
aanzien van deze onderdelen van de
uitvoering diende, naar het oordeel van
de Raad, de hieronder omschreven
regeling, welke in hoofdtrekken gelijk
was aan hetgeen voor de toenmalige kinderbijslagverzekering gold, te worden
gevolgd.
1.
Ingesteld wordt een
invaliditeitsvereveningsfonds dat
belast is met de verevening van de
ontvangsten en uitgaven van de
bedrijfsverenigingen ten behoeve van de
invaliditeitsverzekering en met het
beheer van een eventueel te vormen
schommelfonds. De bestuursleden van het
fonds waren te benoemen door de daartoe
door de betrokken Minister aan te wijzen
centrale organisaties van werkgevers en werknemers. De Raad achtte het niet
noodzakelijk dat, zoals voor het
kinderbijslagvereveningsfonds was
voorgeschreven, naast de door deze
organisaties benoemde bestuursleden,
door de Minister een bestuurslid zou
worden benoemd dat tevens de functie
van voorzitter zou vervullen. De
voorzitter kon door het bestuur uit zijn
midden worden gekozen.
2.
De premievaststelling zou door de
betrokken Minister op voorstel van het
bestuur van het Fonds, gehoord de S.V.R.,
dienen te geschieden. Het toentertijd in
de kinderbijslagverzekering gemaakte
onderscheid tussen de door de Minister
vast te stellen bijdrage ter dekking van
de bedragen welke aan de verzekerden
ten goede kwamen en de opslag ter
dekking van de overige kosten welke ten
laste kwamen van iedere
bedrijfsvereniging afzonderlijk, achtte
de Raad voor de invaliditeitsverzekering niet
noodzakelijk indien het door hem
voorgestane stelsel van één
gemeenschappelijke medische dienst zou
worden gevolgd.
Bij
het heffen van een gedifferentieerde
premie, zoals door een deel van de S.E.R.
werd bepleit, achtte de Raad het zeer de
vraag of er behoefte aan een
vereveningsfonds zou bestaan. Voor
kosten welke door middel van een omslag
over de bedrijfsverenigingen zouden
moeten worden gefinancierd, zou een
dergelijk fonds niet nodig zijn, terwijl
de premievaststelling zelf zou kunnen
geschieden door de bedrijfsverenigingen,
onder goedkeuring van de S.V.R.
In
het door de S.V.R. uitgebrachte advies
inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt
eveneens de instelling van een
vereveningsfonds bepleit. In
overeenstemming met de gedachte van de
Raad dat de uitkeringen verstrekt
nadat de arbeidsongeschiktheid 21 jaar
zou hebben geduurd, door middel van een
uniforme premie zouden moeten worden
gefinancierd, zou het Fonds uiteraard
een beperktere taak hebben dan in de
boven weergegeven visie van de S.E.R.
Anderzijds zag de S.V.R. evenwel als
een verdere taak van het Fonds het
bestuur en het beheer van dat deel van
het medisch apparaat rblz.|18
r.k.|
dat niet valt onder bestuur en beheer
van bedrijfsverenigingen of het
Gemeenschappelijk Administratiekantoor.
Voorts
was de Raad van oordeel dat aan het
Fonds nog een taak zou dienen toe te
vallen in het kader van de liquidatie
van de huidige invaliditeits- en
ongevallenverzekering. Dit zal te zijner
tijd bij de ter zake in te dienen
wetsontwerpen aan de orde komen.
Met de
adviesorganen is de ondergetekende van
oordeel dat het heffen van een uniforme
premie, zoals in het ontwerp is
voorgesteld, het instellen van een
fonds, in het wetsontwerp
Arbeidsongeschiktheidsfonds genoemd,
impliceert. In artikel 72
[72] van
het
ontwerp wordt dan ook de instelling
voorgesteld van een zodanig fonds dat
de hoedanigheid van rechtspersoon bezit.
In navolging van het advies van de S.E.R.
en de S.V.R. zal het bestuur worden
gevormd door drie leden aangewezen door
de naar het oordeel van de Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid
algemeen erkende centrale en andere
representatieve organisaties van
werkgevers en drie leden aangewezen
door de naar het oordeel van voornoemde
Minister algemeen erkende centrale
organisaties van werknemers. In
tegenstelling tot het advies van de
S.E.R., doch in overeenstemming met het
advies van de S.V.R., zal daarnaast door
voornoemde Minister nog een voorzitter
van het bestuur worden aangewezen. Het
bestuur van het Fonds zal in de
gedachtengang van het wetsontwerp
verantwoordelijk en rekenplichtig zijn
aan de S.V.R.
In
het Arbeidsongeschiktheidsfonds zullen
enerzijds de door de
bedrijfsverenigingen geïnde premies
voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering worden
gestort, terwijl anderzijds de ingevolge
de wet te betalen uitkeringen, de kosten
van bijzondere geneeskundige
behandeling, revalidatie e.d., alsmede
de overige aan de uitvoering van de wet
verbonden kosten, ten laste van het
Fonds zullen komen.
Behalve het beheer
van het Fonds zal het bestuur tot taak
hebben het vaststellen, onder
goedkeuring van de Minister van Sociale
Zaken en Volksgezondheid, gehoord de
S.V.R., van het voor de uitvoering van
de wet benodigde premiepercentage.
Omtrent de samenstelling en de
bevoegdheden van het bestuur en het
beheer van het Fonds kunnen door
meergenoemde Minister nadere regelen
worden gesteld. In dit verband wil de
ondergetekende nog opmerken dat hij
volledig instemt met de door de S.V.R.
in zijn advies geponeerde zienswijze
dat de afzonderlijke beleidsstatus van
het Fonds niet met zich brengt dat het
ook op het vlak van de uitvoering en de
administratie een zelfstandige taak zou
dienen te hebben. Ook naar de mening van
de ondergetekende zou de voorgestelde
scheiding van de bestuursapparaten van
het Fonds en de S.V.R. niet dienen te
worden doorgetrokken voor de bureaux van
beide instellingen. Mede ter voorkoming
van dubbele werkzaamheden zou het
aanbeveling verdienen een aantal taken
van het Fonds liggende op het terrein
van het beheer en de controle, aan het
bureau van de S.V.R. op te dragen.
Overigens dient een beslissing ter zake
te zijner tijd door de desbetreffende
organen zelf te worden genomen.
c.
Medische dienst
In paragraaf 4.3 wordt uitvoerig
uiteengezet dat en
waarom de ondergetekende heeft gekozen
voor een gemeenschappelijke dienst,
welke dienst bij uitsluiting zal worden
belast met de werkzaamheden
samenhangende met de invaliditeitsschattingen en de revalidatie in
het kader van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. In
dit hoofdstuk zal daarom slechts nog in
het kort op de wijze van organisatie van
deze dienst behoeven te worden ingegaan.
Naar de mening van de ondergetekende is
het aangewezen dat de organisatie van
de Gemeenschappelijke Medische Dienst
geregeld wordt in de Organisatiewet
Sociale Verzekering. Een mede daartoe
strekkend ontwerp tot wijziging van die
wet is gelijktijdig met het onderhavige
ontwerp ingediend. In eerstbedoeld
ontwerp wordt ervan uitgegaan dat de
Dienst zal worden ingesteld door de
Federatie van Bedrijfsverenigingen en
vervolgens - indien aan de in
de wet gestelde vereisten wordt voldaan - door de
Minister van Sociale Zaken
en Volksgezondheid, rblz.|19
l.k.|
gehoord de S.V.R., als zodanig zal
worden erkend. Slechts voor het geval er
op de aangewezen wijze geen
gemeenschappelijke dienst tot stand zou
komen, dan wel een eenmaal door genoemde
Minister verleende erkenning zou worden
ingetrokken, is verder als sluitstuk
volledigheidshalve bepaald dat de
Minister zelf tot instelling van een
dergelijke dienst kan overgaan.
3.4. Middelen tot dekking van de kosten
In
hoofdstuk 5 van deze memorie wordt
aandacht geschonken aan het financieringsstelsel
(paragraaf 1) alsmede aan
het stelsel van premieheffing (paragraaf
2).
Gekozen wordt enerzijds voor het
omslagstelsel, anderzijds voor een
uniforme premie.
Zowel
de S.E.R.
als de S.V.R. hebben
geadviseerd de premie te doen
vaststellen in een percentage van het
loon in de zin van paragraaf 2 van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering, met
dien verstande dat voor dat deel van
het loon dat uitgaat boven het
overeenkomstig artikel
9, eerste lid,
dier wet vastgestelde maximumdagloon
geen premie wordt geheven. Verder werd
door beide organen aanbevolen de premie
door de werknemers en door de werkgevers bij wie zij in dienst
zijn
gezamenlijk te laten dragen en wel door
ieder voor de helft. Door dit laatste
wordt, aldus het advies van de S.E.R.,
tot uiting gebracht dat het
invaliditeitsrisico der loontrekkenden
een door werkgevers en werknemers
gezamenlijk te dragen risico is en dat
bij de uitvoering van de tot dekking van
dat risico getroffen regeling de
werkgevers en de werknemers in gelijke
mate betrokken zijn.
De
ondergetekende kan zich met de te dezer
zake gegeven adviezen en de daaraan ten
grondslag liggende overwegingen zeer wel
verenigen en heeft dan ook in het
ontwerp van wet dienovereenkomstige
bepalingen voorgesteld.
In
dit verband zij nog opgemerkt dat de
loontrekkenden thans noch voor de
Invaliditeitswet, noch voor de
Ongevallenwetten een bijdrage in de
premie leveren. De vraag of er bij
invoering van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
looncompensatie voor de alsdan door de
werknemers te betalen premie zal dienen
te worden gegeven, behoeft naar het
oordeel van de ondergetekende thans nog
niet te worden beantwoord; zij zal te
zijner tijd bij de invoering der
regeling in het kader van de dan
geldende omstandigheden kunnen worden
bezien.
Zoals ook in paragraaf
5.1 van deze memorie naar voren komt, waren
zowel de S.E.R. als de S.V.R. van
oordeel dat het wenselijk zou zijn om
over te gaan tot de vorming van een
schommelreserve, welk standpunt door de
ondergetekende wordt gedeeld.
De
ondergetekende heeft het evenwel niet
nodig geacht in
de wet
voorschriften te
geven omtrent de vorming en de omvang
van een zodanige reserve. Hij meent dat
dit in beginsel aan het beleid van het
bestuur van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds kan worden
overgelaten. De mogelijkheid is evenwel
opengehouden dat de Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid,
gehoord de S.V.R., ter zake regelen kan
stellen.
3.5. Invloed van de verzekering op het
burgerlijk recht
a.
Aansprakelijkheid van de werkgever voor
schade aan de werknemer overkomen
In
vele gevallen zal de
arbeidsongeschiktheid van een verzekerde of gewezen verzekerde
veroorzaakt zijn of mede veroorzaakt
zijn door een ander, die daarvoor naar
burgerlijk recht tot schadevergoeding
verplicht is. Indien degene die de
arbeidsongeschiktheid veroorzaakt de
werkgever van de betrokkene is of een
persoon voor wiens daden hij
aansprakelijk is, rijst de vraag in
hoeverre de onderhavige voorziening van
invloed dient te zijn op de
burgerrechtelijke verhouding.
De
Ongevallenwet 1921 en de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 hebben de
burgerrechtelijke aansprakelijkheid van
de werkgever voor de gevolgen
voortvloeiende uit een aan zijn
werknemer overkomen ongeval, in de zin
dier wetten in rblz.|19
r.k.|
principe opgeheven
(artikel 93, eerste lid, respectievelijk artikel
101, eerste lid).
De
Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 8
januari 1960 (N.J. 1960, 127) beslist
dat op grond van bedoelde bepalingen
niet slechts de aansprakelijkheid van de
werkgever voor door de getroffene
geleden vermogensschade (loonderving),
maar voor elke schade, dus ook voor de
onstoffelijke schade, is opgeheven.
De
burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor
schade aan de goederen van de getroffene
veroorzaakt wordt in het algemeen niet
opgeheven.
Op grond van het tweede lid
van genoemde artikelen is de werkgever
eveneens aansprakelijk voor schade als
gevolg van een ongeval indien de
getroffene een loon geniet dat het
maximumdagloon overtreft. Alsdan wordt
slechts bepaald dat de rechter bij de
vaststelling der schadevergoeding moet
rekening houden met hetgeen krachtens de
Ongevallenwetten wordt genoten. Deze
bepaling heeft tot gevolg dat de hier
bedoelde werknemers niet alleen
steeds hun werkgevers voor de volledige
vermogensschade, maar ook voor de
onstoffelijke schade kunnen aanspreken.
De hier bedoelde werknemers verkeren dus,
vergeleken met de overige werknemers, in
een bevoorrechte positie.
Ingevolge
artikel 11 van de Zeeongevallenwet 1919
is elke aansprakelijkheid van de
werkgever voor schade van zijn werknemer
als gevolg van een dienstongeval
uitgesloten.
De Ziektewet
handhaaft in
het huidige artikel
52, eerste lid,
uitdrukkelijk de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid van de werkgever voor
schade aan zijn werknemer veroorzaakt,
doch draagt de rechter op bij de
vaststelling van de schadevergoeding het
bedrag van het ziekengeld in mindering
te brengen.
Bij de voorbereiding van de
onderhavige voorziening is ruime
aandacht besteed aan de vraag in
hoeverre de aansprakelijkheid voor
schade naar burgerlijk recht door deze
voorziening zou dienen te worden
beperkt.
De ondergetekende beschikte
daarbij over een advies van de S.V.R.
van 21 februari 1963 inzake het
verhaalsrecht.
Hoofdstuk III van dit
advies handelt over de vraag of in de
arbeidsongeschiktheidsverzekering de
werkgeversaansprakelijkheid moet worden
uitgesloten (systeem van de
Ongevallenwetten) dan wel gehandhaafd
(systeem Ziektewet).
Een minderheid van
de Raad voelt de mogelijkheid van het
ontstaan van tal van procedures tussen
bedrijfsgenoten onderling als een
ernstig bezwaar tegen een systeem van
geheel gehandhaafde werkgeversaansprakelijkheid. Zij vreest
van deze procedures een ernstige
verstoring van de goede verhoudingen
binnen de onderneming. Bij de huidige
Ziektewet treden deze bezwaren niet
zozeer op de voorgrond, omdat daarbij de
verhouding werkgever-werknemer een veel
geringere rol speelt. Deze minderheid
van de Raad is overigens van oordeel
dat een socialeverzekeringswet, zijnde
een publiekrechtelijke regeling, niet
dan met gegronde redenen de civiele
rechten van werknemers mag aantasten.
Zij ziet deze gegronde redenen in de
omstandigheid dat de
arbeidsongeschiktheidsverzekering een
publiekrechtelijke voorziening is voor
gemeenschappelijke risico's van het
bedrijfsleven, waarvan het karakter met
zich brengt dat de bedrijfsgenoten,
althans ter zake van door de verzekering
gedekte schadefactoren, geen verdere
acties tegen elkaar hebben. De van het
civiele recht afwijkende rechten van de
werknemer (gedeeltelijke, doch
waardevaste uitkeringen ook bij eigen
(mede)schuld) - zo deze minderheid
van de Raad - rechtvaardigen een
evenzeer afwijkende regeling van de
werkgeversaansprakelijkheid. Slechts
waar uitsluiting van aansprakelijkheid
tot onbillijkheden leidt, moet deze
worden opgeheven. Deze minderheid van de
Raad acht zulks het geval wanneer de
werkgever ter zake van een strafbaar feit
is veroordeeld. Tot slot stelt deze
minderheid van de Raad nog dat ook in
het sociale verzekeringsrecht van andere
landen van de uitgesloten werkgeversaansprakelijkheid wordt
uitgegaan.
De meerderheid van de Raad
meent dat de door de minderheid
getrokken parallel tussen de
arbeidsongeschiktheidsverzekering rblz.|20
l.k.|
en de huidige Ongevallenwetten op het
essentiële punt - de aard van het
gedekte risico - aan het verschil
tussen beide voorzieningen ten onrechte
voorbijgaat. Niet het in de werkzaamheid
als arbeider schuilende risico is immers
grondslag van de in de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
vervatte voorziening, doch het algemene
risico dat men door ziekte of ongeval
verhinderd wordt door arbeid in
loondienst een inkomen te verwerven.
Dit essentiële verschilpunt tussen de
huidige Ongevallenwetten en de
arbeidsongeschiktheidsverzekering - zo de meerderheid van de Raad
- komt
ook in de wijze van verdeling van de
financiële last van deze voorziening
tot uitdrukking.
De
meerderheid van de Raad merkt verder op
dat het de verwijzing naar het socialeverzekeringsrecht van andere landen,
waarop de minderheid van de Raad ter
ondersteuning van haar opvatting wijst,
niet aanspreekt, daar die verwijzing
juist betrekking heeft op de in die
landen geldende voorzieningen ter zake
van ongeschiktheid als gevolg van een
bedrijfsongeval.
Ten slotte
deelt de meerderheid van de Raad niet de
mening als zou uitsluiting van
werkgeversaansprakelijkheid alleen tot
onbillijkheden leiden in het geval dat
schade wordt geleden als gevolg van een
door de werkgever gepleegd strafbaar
feit. De meerderheid van de Raad acht
die onbillijkheid ook daar aanwezig
waar uilsluiting van de
werkgeversaansprakelijkheid de
gelaedeerde werknemer de mogelijkheid
ontneemt vergoeding te verkrijgen ook
voor die schadefactoren in welker
dekking de
arbeidsongeschiktheidsverzekering niet
voorziet.
De
ondergetekende is met de meerderheid van
de S.V.R. van oordeel dat er geen
aanleiding bestaat de aansprakelijkheid
van werkgevers voor door hen (mede)
veroorzaakte arbeidsongeschiktheid van
hun werknemers te beperken. Zoals door
de meerderheid van de Raad terecht werd
betoogd, is namelijk
grondslag van de
voorgestelde voorziening niet het in de
werkzaamheid als arbeider schuilende
risico, doch het algemene risico dat
men door ziekte of ongeval verhinderd
wordt door arbeid in loondienst een
inkomen te verwerven. Daarom ligt het
voor de hand aan te sluiten aan het
systeem van de Ziektewet. De minderheid
van de Raad vreest voor tal van
procedures tussen bedrijfsgenoten, die
een gevaar vormen voor een ernstige
verstoring van de goede verhoudingen
binnen de onderneming. Het wil de
ondergetekende voorkomen dat, zo deze
vrees al gegrond mocht zijn, dit toch
geen argument kan zijn voor het ontnemen
aan de werknemer van rechten die hem
volgens het burgerlijk recht toekomen.
De voorgestelde voorziening beoogt toch
in genen dele een volledige
schadeloosstelling voor alle gevolgen
van arbeidsongeschiktheid te geven. Te
denken valt maar aan bijvoorbeeld de
onstoffelijke schade die de arbeider
door een ongeval lijdt en waarvoor het
ontwerp geen voorziening treft.
Intussen
is de ondergetekende ook niet zo
bevreesd voor een verstoring van de
goede geest in de onderneming door te
veel processen. In de eerste plaats
verwacht hij dat de vakorganisaties
van werknemers voor een onverantwoord
instellen van schadeacties tegen de
werkgever zullen waken. Daarnaast zal de
omstandigheid dat de werkgevers in het
algemeen tegen wettelijke
aansprakelijkheid verzekerd zijn tot
gevolg hebben dat een eventuele
procedure zich meer in het zakelijk vlak
zal afspelen. Juist het ontnemen van
rechten aan de werknemers zonder dat
aequivalente voorzieningen daar
tegenover staan, zou zijns inziens aanleiding
kunnen geven tot onrust in het
bedrijfsleven. De ondergetekende kan
overigens geheel instemmen met de
opmerking in het rapport van de S.V.R.
dat het laten vervallen van civiele
rechten toch niet het geëigende middel
is om de arbeidsrust te handhaven.
In
verband met het vorenstaande heeft de
ondergetekende gemeend, in aansluiting
aan het thans bij de Ziektewet geldende
systeem, de aansprakelijkheid naar
burgerlijk recht ook voor werkgevers te
moeten handhaven.
Intussen
dient de getroffene uiteraard niet langs
tweeërlei weg, te weten via de regelen van
het burgerlijk recht en via de
voorgestelde
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
schadevergoeding rblz.|20
r.k.|
te
ontvangen. Nu is het niet uitgesloten
dat de rechter in het algemeen bij de
vaststelling van de schadevergoeding
waarop de verzekerde naar burgerlijk
recht aanspraak kan maken ter zake van
zijn arbeidsongeschiktheid, ook zonder
nadere voorziening, rekening zal houden
met de aanspraken die de betrokkene
krachtens de voorgestelde wet heeft.
Zeker is dit evenwel niet. Daarom is
dit, evenals in artikel
52, eerste lid,
van de bestaande Ziektewet, met zovele
woorden in het wetsontwerp neergelegd
in artikel
89 [89].
b.
Verhaalsrecht van het uitvoeringsorgaan
op degene die naar burgerlijk recht
aansprakelijk is voor de schade
Zoals
reeds in het begin van deze paragraaf
werd gememoreerd, zal in vele gevallen
de arbeidsongeschiktheid van een
verzekerde veroorzaakt zijn of mede
veroorzaakt zijn door een ander, die
daarvoor naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding verplicht zal zijn.
De
vraag rijst nu in hoeverre het gewenst
is voor de verstrekkingen welke
ingevolge de voorgestelde voorziening
aan de getroffene worden gedaan, aan de
bedrijfsvereniging die de
verstrekkingen doet een recht van
verhaal te geven op degene die (mede)
de arbeidsongeschiktheid heeft
veroorzaakt.
Krachtens het huidige
artikel 52 van de Ziektewet, dat - anders dan de desbetreffende bepalingen
van de Ongevallenwet 1921 en van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 - de burgerrechtelijke aansprakelijkheid
van de werkgever niet opheft, heeft het
uitvoeringsorgaan, behoudens in gevallen
van een vonnis van de strafrechter, geen
verhaalsrecht ten aanzien van de werkgever van de
getroffene die (mede)veroorzaker is
van de arbeidsongeschiktheid. In de
gevallen dat de arbeidsongeschiktheid
(mede) is veroorzaakt door een ander dan
de werkgever of dat deze laatste door de
strafrechter ter zake van het feit
waarop de rechtsvordering tot
schadevergoeding steunt, is veroordeeld,
heeft het uitvoeringsorgaan wel recht
van verhaal voor verleende uitkeringen
op degene die de arbeidsongeschiktheid
heeft veroorzaakt. Dit laatste geldt ook
bij de Ongevallenwet 1921 en de Land-
en Tuinbouwongevallenwet 1922.
In
zijn eerdergenoemd advies van 21
februari 1963 behandelt de S.V.R. ook
het onderhavige vraagstuk (hoofdstuk V).
De Raad wijst er allereerst op dat de
sociale verzekering primair is gericht
op het belang van de gelaedeerden. Een
uitkering krachtens de sociale
verzekering laat dan ook de acties van
de gelaedeerden ex de artikelen 1406 en
1407 van het Burgerlijk
Wetboek in
beginsel onverlet. De wetgever - zo
de Raad -
heeft de acties ex de
artikelen 1406 en 1407 van het Burgerlijk
Wetboek gegeven om de
werkelijke schade te kunnen verhalen op
de schuldige en daarbij allerminst
gedacht aan het belang van de
verzekeraars. De bestaande
verhaalsbepalingen in de Ziektewet, de
Ongevallenwet 1921 en de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 acht de Raad
daarom eigenlijk afwijkingen van het
civielrechtelijk beginsel dat de pleger
van een onrechtmatige daad alleen de
schade behoeft te vergoeden van degene
wiens belang hij rechtstreeks heeft
geschonden. De Raad wijst erop dat dit
dan ook volgens constante jurisprudentie
tot gevolg heeft dat de zelfstandigheid
van het recht van verhaal ingevolge de socialeverzekeringswetten
niet zo ver
gaat dat de schuldige ooit meer zou
moeten vergoeden aan de risicodrager dan
hij naar burgerlijk recht schuldig is
aan de getroffene of aan diens nagelaten
betrekkingen. De Raad acht het gewenst
in de arbeidsongeschiktheidswet niet af
te wijken van het in de vorige volzin
geschetste beginsel.
Intussen heeft de
Raad zich, min of meer los van de
vorenstaande problematiek, beziggehouden met de vraag of het gewenst is
in de arbeidsongeschiktheidsverzekering
een verhaal voor verstrekte uitkeringen
op de naar burgerlijk recht
schadevergoedingsplichtige op te nemen.
De Raad acht het in elk geval gewenst in
de wet
de mogelijkheid van verhaal neer
te leggen op degene die de
arbeidsongeschiktheid opzettelijk of wel
bewust roekeloos heeft veroorzaakt. Met
het gebruik van deze terminologie heeft
de S.V.R. op het oog dat de
desbetreffende wettelijke bepaling rblz.|21
l.k.|
het recht op verhaal enerzijds niet beperkt
tot degene die de arbeidsongeschiktheid
opzettelijk heeft veroorzaakt, doch
anderzijds niet uitbreidt tot ieder
aan wie grove schuld in dezen te
verwijten valt.
Bij eventueel verhaal op een
schadeveroorzaker bij wie geen opzet of
bewuste roekeloosheid valt aan te
wijzen, ziet de Raad verschillende
aspecten naar voren treden.
De
Raad wil geen verhaalsrecht geregeld
zien op personen die bij de verzekering
betrokken zijn en de schade niet
opzettelijk of bewust roekeloos hebben
veroorzaakt. De Raad gaat er daarbij van
uit dat de kring van bij de
verzekering betrokkenen zekere risico's
overdraagt op het socialeverzekeringsorgaan dat daarvoor de
premie ontvangt. De Raad acht het
gewenst als onder de risico's die
overgedragen worden ook begrepen is het
risico aangesproken te worden door het
socialeverzekeringsorgaan.
Ten slotte
wil de meerderheid van de Raad in de
nieuwe wet geen verhaalsrecht op derden
vastgelegd zien, behoudens ingeval er
sprake is van opzet of bewuste
roekeloosheid. Zij wijst erop dat velen
van deze "derden" financieel
afhankelijk zijn van of verbonden aan de
tot de kring der verzekerden behorenden.
Bovendien - zo deze meerderheid - is
het in de praktijk vaak erg toevallig en
moeilijk te onderkennen of iemand tot de
"kring" behoort dan wel als
buitenstaander is te beschouwen.
Enkele
leden van de Raad zien geen reden waarom
derden zouden mogen profiteren van de
arbeidsongeschiktheidswet. Slechts door
een verhaalsrecht op derden in de wet op
te nemen, wordt -
aldus redeneren deze
leden - voorkomen dat personen die
buiten de Nederlandse arbeidsgemeenschap
staan ongestraft onvoorzichtig mogen
zijn op kosten van deze
arbeidsgemeenschap.
De
ondergetekende moge naar aanleiding van
het vorenstaande erop wijzen dat een
uitkering krachtens de sociale
verzekering in beginsel wellicht de
acties van de gelaedeerde ex de
artikelen 1406 en 1407 van het Burgerlijk
Wetboek [B.W. red.] onverlet laat, doch
dat deze in ieder geval wel van invloed
dient te zijn op de omvang van de te
vergoeden schade. De verschillende
bestaande socialeverzekeringswetten -
evenals het onderhavige wetsvoorstel -
bepalen in verband hiermede dan ook dat
de rechter bij het vaststellen van de
schadevergoeding naar burgerlijk recht
rekening moet houden met de
verstrekkingen krachtens die
wetten.
Voor een deel wordt de schadevergoeding
waarop de verzekerde bij het ontbreken
van aanspraken krachtens de socialeverzekeringswetgeving ex de artikelen
1406 en 1407 B.W.
aanspraak zou hebben,
vervangen door een vordering van de
gedupeerde werknemer op het
uitvoeringsorgaan van de sociale
verzekering. Aangezien zodoende dit
laatste orgaan bij de wet verplicht
wordt, tot een voor iedere wet nader
aangegeven grens, als het ware de
schadevergoeding welke naar burgerlijk
recht de schadeveroorzaker anders had
moeten geven, over te nemen, ligt het
voor de hand aan dat orgaan ook bij de
wet in beginsel de bevoegdheid te geven
zijnerzijds verhaal te zoeken op degene
die naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding is verplicht. Deze
behoeft - althans in beginsel - niet te profiteren van de
omstandigheid
dat een socialeverzekeringswet als het
ware bepaalde schadevergoedingen welke hij
naar burgerlijk recht verschuldigd zou
zijn wanneer de socialeverzekeringswet
er niet was geweest, overneemt. Daarom
wordt in artikel
90 [90], eerste lid, van het
onderhavige ontwerp als algemene regel
vooropgesteld dat de
bedrijfsvereniging voor de kosten van de
voorziening krachtens de voorgestelde
verzekering verhaal heeft op de naar
burgerlijk recht schadevergoedingsplichtige.
In
verband hiermede gaat het wetsontwerp
ervan uit dat het recht van verhaal
niet zo ver mag reiken dat de schuldige
meer zou moeten vergoeden aan het
uitvoeringsorgaan dan hij naar
burgerlijk recht
schadevergoedingsplichtig is. Hier wordt
aangesloten bij de jurisprudentie op dit
punt bij de bestaande socialeverzekeringswetten en bij de opvatting
van de S.V.R. ter zake.
rblz.|21
r.k.|
Een
schuldige veroorzaker van
arbeidsongeschiktheid zal overigens twee
vorderingen tegelijkertijd tegen zich
kunnen zien ingesteld, te weten één van de
getroffene voor de niet door de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
gedekte schade en één van de
bedrijfsvereniging tot verhaal van de
krachtens genoemde verzekering
verstrekte voorzieningen. In de gevallen waarin
degene die de
arbeidsongeschiktheid veroorzaakte
daarvoor volledig zelf aansprakelijk is
en de rechter geen aanleiding vindt om
van zijn matigingsrecht gebruik te
maken, doen zich bij de vaststelling van
het bedrag der beide vorderingen geen
speciale moeilijkheden voor. Voor de
gevallen echter waarin de
arbeidsongeschiktheid mede is
veroorzaakt door de getroffene zelf of
waarin de rechter aanleiding vindt om
van zijn matigingsrecht gebruik te
maken, dient een speciale voorziening
te worden getroffen. Artikel 90
[90] van
het
ontwerp bepaalt dienaangaande dat de
bedrijfsvereniging alsdan zal kunnen
verhalen het bedrag waartoe degene die
de schade heeft veroorzaakt tot
schadevergoeding is verplicht,
verminderd met een bedrag gelijk aan de
schadevergoeding tot betaling waarvan de
aansprakelijke persoon jegens de
verzekerde is gehouden.
In
het vorenstaande werd als algemeen
beginsel vooropgesteld dat de
bedrijfsvereniging voor de kosten van de
voorzieningen krachtens het
voorgestelde ontwerp verhaal dient te
hebben op de naar burgerlijk recht
schadevergoedingsplichtige persoon.
De
vraag rijst thans of het
uitvoeringsorgaan in alle gevallen
regres dient te hebben op de
aansprakelijke persoon. De
ondergetekende meent deze laatste vraag
ontkennend te moeten beantwoorden. Hij
is van oordeel dat het
uitvoeringsorgaan geen verhaal dient te
hebben in de gevallen waarin de voor de
arbeidsongeschiktheid aansprakelijke
persoon de werkgever van de gelaedeerde
is. Deze werkgever betaalt immers zelf
aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering
mee, juist (mede) omdat de gelaedeerde
in zijn dienst werkzaam is.
Met
de S.V.R. is de ondergetekende het eens
dat steeds een recht van verhaal van
krachtens de voorgestelde verzekering te
verstrekken of verstrekte voorzieningen
moet worden gegeven indien de
aansprakelijke persoon de
arbeidsongeschiktheid opzettelijk of
bewust roekeloos heeft veroorzaakt. In
deze gevallen dient ook de werkgever van
een getroffene door de
bedrijfsvereniging te kunnen worden
aangesproken. In één en ander voorziet
artikel 91 [91]
van het
ontwerp.
3.6.
Afwijking op belangrijke punten van de
adviezen van de S.E.R. en de S.V.R.
Aan
het slot van dit hoofdstuk moge de
ondergetekende een overzicht geven van
een aantal belangrijke punten waarop is
afgeweken van de adviezen van de S.E.R.
en de S.V.R.
1.
Maximumuitkeringsduur
voor de Ziektewet
en wachttijd voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
De
thans voor de ziekengeldverzekering
geldende maximumuitkeringstermijn van 52
weken wordt gehandhaafd. Deze periode
komt overeen met de voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering
geldende wachttijd voor het recht op
uitkering. Door beide adviesorganen werd
een wachttijd voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en dus
ook een maximumuitkeringstermijn voor
de ziekengeldverzekering voorgesteld van
26 weken.
(Punt 5 van het
algemeen deel van de
memorie van toelichting bij het
wetsontwerp inzake wijziging van de
Ziektewet).
2. Mate van
arbeidsongeschiktheid tussen 15% en 25%
Het recht op uitkering bij
arbeidsongeschiktheid wordt verleend
indien de arbeidsongeschiktheid 15% of
meer bedraagt. In de adviezen wordt
voorgesteld geen uitkering te verlenen
bij een arbeidsongeschiktheid van minder
dan 25%.
(Paragraaf
3.2, onder a,
van het algemeen deel dezer memorie).
rblz.|22
l.k.|
3.
Premie
In
het wetsvoorstel wordt uitgegaan van een
uniforme premie voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. De
adviesorganen hebben zich uitgesproken
voor een mengvorm van uniforme en
gedifferentieerde premie. Zij beoogden
de uitkeringen over de eerste twee jaren
te financieren door middel van een
gedifferentieerde premie en de
uitkeringen na die termijn door middel
van een uniforme premie.
(Paragraaf 5.2 van het algemeen deel dezer
memorie).
4.
Medische dienst
In
het onderhavige wetsvoorstel wordt
uitgegaan van één medische dienst. Op
dit punt zijn de adviesorganen niet
unaniem in hun oordeel. Het aantal leden
van deze organen hetwelk zich uitsprak
voor één medische dienst ten behoeve
van alle bedrijfsverenigingen was
nagenoeg gelijk aan dat hetwelk meer
medische diensten voorstond.
(Paragraaf
3.3, onder c, en paragraaf 4.3 van het algemeen deel dezer memorie).
5.
Overheidspersoneel
Van
de deelneming aan de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt
uitgesloten het overheidspersoneel. De S.E.R.
en de S.V.R. achtten voor deze
uitzondering geen voldoende redenen
aanwezig.
(Paragraaf
3.2, onder
a, van het algemeen
deel dezer memorie).
6.
Afschaffing van de loongrens in de
Ziektewet
Volledigheidshalve
zij hier vermeld dat de adviesorganen
bij hun beschouwingen over een
arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn
uitgegaan van de huidige situatie, te
weten van een voor de ziekengeldverzekering
geldende loongrens. In het wetsontwerp
tot wijziging van de Ziektewet wordt
voorgesteld de loongrens af te schaffen.
(Punt 3 van het algemeen deel van de
memorie van toelichting bij het
wetsontwerp inzake wijziging van de
Ziektewet).
4. Sociaal-geneeskundige aspecten
4.1. De sociaal-medische betekenis van een arbeidsongeschiktheidsverzekering
1. Het is voor een juiste waardering van
een nieuwe vorm van sociale verzekering noodzakelijk alle aspecten van de
nieuwe verzekering te beschouwen. Eén van de aspecten die bij verschillende
takken van de sociale verzekering een element in de waarde der verzekering
vormt, is het sociaal-geneeskundige aspect. De ondergetekende behoeft
slechts te herinneren aan het verband tussen sociale verzekering,
bestrijding van armoede en gebrek en preventie van ziekten. Ook in de geneeskundige wereld, althans in Nederland, wordt de sociale verzekering als
één der voorwaarden tot bevordering der volksgezondheid beschouwd. Een blik
in de jaargangen van het Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde, waarin meer
dan één artikel voorkomt over de betekenis van de socialeverzekeringswetten
voor de volksgezondheid, bevestigt deze indruk. Hij zou
echter de Nederlandse geneeskundigen in het algemeen tekortdoen indien hij
deze belangstelling voor onze socialeverzekeringswetgeving alleen aanwezig
zou achten bij de meer gespecialiseerde sociaal-geneeskundigen. Integendeel
zou de ondergetekende er de aandacht op willen vestigen dat een goede
uitvoering van verschillende onzer socialeverzekeringswetten, met als
eerste de Ongevallenwet van 1901, slechts mogelijk is geweest door de volle
medewerking van de artsen, huisartsen zowel als specialisten. En het is niet
alleen deze 60-jarige coöperatie van de artsen bij de uitvoering dezer
wetten die gememoreerd dient te worden. Meer dan eens heeft de Koninklijke
Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst haar bijdrage
evenzeer geleverd aan de vormgeving van rblz.|22
r.k.|
bepaalde wetten, waarbij de
ondergetekende als belangrijk voorbeeld wil noemen de invloed van genoemde
Maatschappij op de wetgeving van Talma, die, mede afgaande op het oordeel
der Maatschappij, tot het inzicht kwam dat een geldelijke uitkering bij
ziekte in de plaats van het gederfde loon niet in één wet geregeld diende
te worden met het verlenen van geneeskundige hulp. En ook ten aanzien van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering toonde de Koninklijke Nederlandsche
Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst haar belangstelling, onder meer
in haar tot de ondergetekende gerichte brief van 26 oktober 1961, waarin
"het
hoofdbestuur erkent dat een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals
voorgesteld, belangrijke mogelijkheden tot verbetering inhoudt voor de
maatschappelijke status van de invaliden en mindervaliden in ons
land".
De ondergetekende moge zich na het vorenstaande ontheven achten
van de plicht met andere voorbeelden aan te tonen hoezeer de sociale
verzekering in het algemeen en met name de wetten welke met het onderhavige
ontwerp van wet verband houden, namelijk de Ongevallenwetten, de Ziektewet
en de lnvaliditeitswet, een belangrijk sociaal-geneeskundig aspect vertonen. Hij
wil zich nu bepalen tot de belichting van het sociaal-geneeskundige aspect in
het algemeen van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarna hij bepaalde
medische voorzieningen en medisch-organisatorische vraagpunten nader aan een
beschouwing wil onderwerpen.
Wil men zich een oordeel vormen over de
sociaal-medische betekenis van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan
kan men dit volgens het inzicht van de ondergetekende slechts doen door
enerzijds de sociaal-geneeskundige aspecten van de samenstellende delen, in
casu van de bestaande Ongevallenwetten, de Ziektewet en de Invaliditeitswet,
in beschouwing te nemen en anderzijds na te gaan hoe deze elementen hun
integratie vinden in een Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en
welke winstpunten er met deze integratie zijn te boeken.
2. De Ongevallenwet
1901, welke het risque professionnel tot grondslag had, regelde niet alleen
een geldelijke uitkering aan de verzekerde arbeider indien hij door een
ongeval hem in verband met de bedrijfsuitoefening overkomen ongeschikt tot
arbeid werd, maar tevens de geneeskundige behandeling. Als geldelijke
gevolgen van ongevallen werden tevens beschouwd de uit geneeskundige
behandeling voortvloeiende kosten en het was derhalve een belang voor het
uitvoeringsorgaan, de Rijksverzekeringsbank, dat als schadeloosstelling,
naast geldelijke uitkering, ook genees- en heelkundige behandeling moest
verlenen, een toezicht op deze behandeling uit te oefenen, teneinde zo
spoedig mogelijk genezing te bereiken. Ook kreeg de Bank de nodige
bevoegdheid om een bepaalde behandeling voor te schrijven teneinde het
herstel van de getroffene te bevorderen. Neemt men daarnaast in beschouwing
de uitbreiding van de bevoegdheden der Rijksverzekeringsbank door de
wetswijziging van 1921, waarbij bepaald werd dat onder geneeskundige
behandeling mede begrepen werd het verstrekken van kunstmiddelen nodig
"voor
het herstel, het behoud of de bevordering van de geschiktheid tot
werken", terwijl tevens bepaald werd dat het bestuur van de Bank bevoegd was een getroffene op diens verzoek een opleiding te geven ter
verhoging van zijn arbeidsgeschiktheid, dan wil de ondergetekende opmerken
dat reeds tientallen jaren vóór het officiële begrip "rehabilitation"
in 1945 tot ons kwam, de voorwaarden tot een goede revalidatie reeds in de
Ongevallenwet verankerd lagen.
De ondergetekende wil hieraan toevoegen dat
het niet bij deze wettelijk bepaalde mogelijkheden gebleven is, doch dat de
Rijksverzekeringsbank - en later de Sociale
Verzekeringsbank - er zorg
voor heeft gedragen dat de desbetreffende wettelijke bepalingen niet een
dode letter bleven, doch dat de geneeskundige behandeling krachtens de
Ongevallenwet zich ontwikkelde tot een zodanige geneeskundige en
maatschappelijke voorziening dat zonder aarzeling gesteld mag worden dat
de in dienstverband door een ongeval getroffen werknemer reeds gedurende
meer dan 40 jaar, waar nodig, een revalidatiebehandeling ontving welke in
overeenstemming was rblz.|23
l.k.|
met de stand der medische wetenschap en
met de maatschappelijke mogelijkheden.
De ondergetekende is van mening dat het
verlenen van de geneeskundige behandeling aan de ongevalsgetroffenen en de
wijze waarop dit in de afgelopen 60 jaren is geschied, wel het
belangrijkste sociaal-geneeskundige aspect vormen van de
ongevallenwetgeving. Dat in Nederland een behandeling wordt verleend welke
in het algemeen als goed mag worden gekwalificeerd en die zeker nog beter
zal kunnen worden als de traumatologie zich verder ontwikkelt en wordt
erkend, hangt niet het minst van een tweetal factoren af. In de eerste
plaats mag gewezen worden op de goede en vruchtbare samenwerking tussen de
behandelende geneeskundigen en de geneeskundigen van de Bank en voorts op
de in 1928 in de wet geïntroduceerde mogelijkheid van het aan een
onderneming verbinden van een erkende geneeskundige dienst, waardoor de
kwaliteit van de ongevalsbehandeling in de bedrijven in niet geringe mate is
opgevoerd.
Hoewel het niet de bedoeling van de
ondergetekende is een volledige opsomming van alle sociaal-geneeskundige
aspecten van de verschillende hier in bespreking zijnde wetten te geven, wil
hij toch op één aangelegenheid in de Ongevallenwetten nog de aandacht
vestigen, namelijk
de gelijkstelling met ongeval van een aantal beroepsziekten.
Deze gelijkstelling betekende niet alleen een belangrijke verhoging van de
zekerheid voor de werknemers, doch evenmin mag men de betekenis der
beroepsziekten in de Ongevallenwet uit een oogpunt van arbeidersbescherming onderschatten. Het kennisnemen door de
Arbeidsinspectie van alle bij de Bank ingekomen aangiften van beroepsziekten
en ongevallen heeft tot menige technische en hygiënische verbetering in de
bedrijven geleid. 3. Eén van de drie wetten van
Talma die
op 5 juni 1913 het Staatsblad bereikten, was de Ziektewet. Veel minder dan
bij de Ongevallenwetten springt bij die wet het sociaal-geneeskundige
aspect naar voren. In de Ziektewet werd, zoals reeds eerder vermeld, de
geneeskundige behandeling niet geregeld, doch werd door de bekende bepaling
van de zogenaamde koppeling - de verzekerde komt geen ziekengeld toe indien hij
niet is ingeschreven bij een overeenkomstig het Ziekenfondsenbesluit
toegelaten ziekenfonds - slechts een verband gelegd tussen beide
verzekeringen. Het ontbreken van de geneeskundige behandeling in de
Ziektewet ontneemt aan die wet het belangrijke sociaal-geneeskundige aspect waaraan de ondergetekende bij de bespreking van de Ongevallenwet
een uitvoerige beschouwing wijdde.
Met betrekking tot de Ziektewet zou de
ondergetekende enkele punten willen belichten die op een
sociaal-geneeskundig manco in die wet wijzen. Zoals bekend bedraagt de
wettelijke maximale uitkeringsduur van het ziekengeld 52 weken. Slechts
indien de werkgever de zieke arbeider in de gelegenheid stelt zijn arbeid
gedeeltelijk te verrichten tegen ten minste de helft van zijn loon en de
controlearts dit in het belang van de zieke arbeider acht, kan aanvullend
ziekengeld worden uitgekeerd tot het volle loon. In de Ziektewet ontbreekt
echter, anders dan in de Ongevallenwetten, waar na zes weken ongeschiktheid
tot werken een rente wordt verleend naar verhouding tot de verloren
geschiktheid tot werken, een regeling waarbij de ziekengelduitkering in
verhouding staat tot de verminderde arbeidsgeschiktheid. Het ontbreken van
deze regeling kan een belemmerende invloed hebben op de wederinschakeling in
het arbeidsproces, hetgeen uit het oogpunt van revalidatie een ernstig gemis
betekent. Teneinde zoveel mogelijk aan dit manco in de Ziektewet tegemoet te
komen, stelt de ondergetekende in het gelijktijdig met het ontwerp van wet
voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering ingediende aanpassingsontwerp
tot wijziging van de Ziektewet voor om de genoemde gelegenheid tot het
gedeeltelijk verrichten van arbeid tegen ten minste de helft van het loon te
verruimen, en wel zodanig dat op aanwijzing van de controlearts de zieke
arbeider passende arbeid zal kunnen verrichten indien hij door zijn
werkgever - of, heeft zijn dienstbetrekking een einde genomen, door een
andere werkgever - in de gelegenheid wordt gesteld tot het verrichten rblz.|23
r.k.|
van die arbeid tegen een gedeelte van
zijn loon. De beperking tot de helft vervalt derhalve, waardoor een ruimere
mogelijkheid tot inschakeling in het arbeidsproces wordt geboden gedurende
de periode van uitkering van ziekengeld. Ter voorkoming van misverstand zij
hieraan toegevoegd dat bij de toepassing van deze bepaling het vraagstuk
van de invaliditeitsschatting niet aan de orde komt.
Een ander bezwaar in de huidige
Ziektewet acht de ondergetekende de bepaling dat slechts hij recht op
uitkering van ziekengeld kan doen gelden die ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid wegens "ziekte". Deze bepaling heeft reeds
spoedig na de invoering van de Ziektewet in 1930 aanleiding gegeven tot
beslissingen van de uitvoeringsorganen geen ziekengeld (meer) toe te kennen
aan degene die arbeidsongeschikt was wegens een gebrek. Ook in de
jurisprudentie komt men dit onderscheid tegen, waarbij getracht is op grond
van wetenschappelijke adviezen deze begrippen en daarmede het onderscheid
te normeren. Eén en ander leidde tot uitspraken waarvan de consequentie
bezwaarlijk beschouwd kan worden te passen in een doeltreffend socialzekerheidsbeleid. In het hiervoren genoemde aanpassingsontwerp tot
wijziging van de Ziektewet wordt dan ook voorgesteld "lichamelijke en
geestelijke gebreken" met ziekte gelijk te stellen.
Alvorens van de Ziektewet af te
stappen, wil de ondergetekende niet nalaten te memoreren dat de indertijd
bij die wet bestaande verplichting 0,025% van het verzekerde loon in het
Prophylaxefonds te storten - hetgeen in het bijzonder aan de bij die wet
verzekerde arbeiders ten goede zou moeten komen - van zeer grote
sociaal-geneeskundige betekenis is geweest. Zo zijn bijvoorbeeld belangrijke
bedragen ten goede gekomen aan de bestrijding van reumatische ziekten,
aandoeningen waarvan bij de uitvoering der Ziektewet bleek dat zij niet
minder dan 20% van het totaal uitgekeerde bedrag aan ziekengeld opeisten.
Zoals bekend, verviel in 1950 bij de invoering van de Wet op het
Praeventiefonds deze verplichting tot fondsvorming krachtens de Ziektewet.
De middelen kwamen voortaan uit de verplichte ziekenfondsverzekering. 4. Een andere
wet behorende tot de drie
zogenaamde Talma-wetten van 1913 was de Invaliditeitswet. Op deze plaats mag de
ondergetekende er zich van ontheven achten nader uit te weiden over het
sociaal-geneeskundige manco in die wet, namelijk het ontbreken van de
mogelijkheid tot schatting van de vermindering van het produktief
arbeidsvermogen anders dan volgens de bij artikel 72 der Invaliditeitswet
bepaalde norm. Dit sociaal-geneeskundige manco immers vormde één van de
overwegingen van het advies tot herziening van de invaliditeitsverzekering
van de S.E.R., dat in 1957 aan de toenmalige ambtsvoorganger van de
ondergetekende werd uitgebracht.
Een belangrijk positief
sociaal-geneeskundig aspect van die wet vormde daarentegen de mogelijkheid
tot geneeskundige behandeling of verpleging ter voorkoming van blijvende
invaliditeit. Deze bepaling, waaraan de verzekerde echter geen recht tot
zodanige behandeling kon ontlenen, werd vóór de invoering van het
Ziekenfondsenbesluit in ruime mate toegepast. Ook na de invoering van dit
besluit werd het artikel nog wel toegepast, doch in veel geringere mate.
Hoofdzakelijk gold de toepassing sedertdien - maar dit dan ook in ruime
mate - de sanatoriumbehandeling van tuberculosepatiënten.
Het grote belang van deze
sociaal-geneeskundige voorziening komt dan ook wel duidelijk tot
uitdrukking in het hierboven genoemde advies van de S.E.R., waarin
aanbevolen wordt aan de mogelijkheid tot vroegtijdige revalidatie in de
meest ruime zin, met inbegrip van de opleiding, omscholing en andere
maatregelen, bij het tot stand komen van een nieuwe invaliditeitsverzekering
ruime aandacht te schenken.
De ondergetekende heeft in het voorgaande enkele
sociaal-geneeskundige aspecten aangeroerd van die socialeverzekeringswetten welke in nauw verband staan met
het ontwerp voor een
wettelijke regeling van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hoewel ook
de ziekenfondsverzekering hiermede nauw verband houdt, waarop de
ondergetekende hierna nog de aandacht zal vestigen, meent hij in deze
toelichting over rblz.|24
l.k.|
het sociaal-geneeskundige aspect van die
verzekering niet te moeten uitweiden, aangezien hij dit onderwerp voldoende
meent te hebben belicht in de memorie van toelichting bij het ontwerp
Ziekenfondswet.
De ondergetekende wil deze paragraaf
besluiten met het geven van enkele algemene beschouwingen van
sociaal-geneeskundige aard over de arbeidsongeschiktheidsverzekering, gezien
tegen de achtergrond van de met dit ontwerp nauw verband houdende,
hierboven genoemde, socialeverzekeringswetten. 5. In het voorgaande gedeelte van deze
paragraaf heeft de ondergetekende sterk de nadruk gelegd op de betekenis van
een goede geneeskundige behandeling in het kader van de sociale verzekering
en in het bijzonder op zodanige geneeskundige voorzieningen dat hierdoor
zo spoedig mogelijk een volledig herstel in de ruimste zin, dat wil zeggen
met inbegrip van aanpassing in het arbeidsproces, wordt bereikt of, zo een
volledig herstel niet mogelijk is, een blijvende invaliditeit zoveel als
mogelijk is, wordt voorkomen.
Met de S.E.R. en de S.V.R. is de
ondergetekende van mening dat een arbeidsongeschiktheidsverzekering in de
eerste plaats dient ter verstrekking van geldelijke schadeloosstelling
wegens door arbeidsongeschiktheid gederfd loon. De vraag rijst of de
mogelijkheid tot het verlenen van geneeskundige behandeling, zoals wij deze
kennen in de Ongevallenwetten en de Invaliditeitswet, in een Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering gehandhaafd dient te blijven. De
ondergetekende zou deze vraag in beginsel in ontkennende zin willen
beantwoorden. Hij grondt deze uitspraak op de volgende overwegingen.
Sinds de invoering van de Ongevallenwet
1901 heeft de geneeskundige verzorging van de Nederlandse bevolking door de
ontwikkeling van het ziekenfondswezen enerzijds en de
toepassingsmogelijkheden der geneeskundige wetenschap - men denke aan het
ziekenhuiswezen - anderzijds zich zodanig aangepast aan de groeiende
behoeften dat men voor de verstrekking van de gebruikelijke geneeskundige
hulp geen andere voorziening meer behoeft te scheppen dan die waarin het
ziekenfondswezen voorziet. Reeds wees de ondergetekende erop dat de
verlening van geneeskundige behandeling in het kader van de Invaliditeitswet
in minder ruime mate meer werd toegepast na de invoering van het
Ziekenfondsenbesluit in 1941. Toen immers konden de bij de Ziektewet
verzekerden krachtens genoemd besluit de geneeskundige verzorging verkrijgen die zij behoefden en bleven slechts die gevallen
over waarvoor
het risico niet of slechts gedeeltelijk werd gedekt. De sanatoriumbehandeling van tuberculosepatiënten is daarvan een voorbeeld. De
ondergetekende stelt zich daarom in beginsel op het standpunt dat de
geneeskundige behandeling een verstrekking behoort te zijn waarvan het
risico gedekt wordt door de speciaal daarvoor bestaande tak van sociale
verzekering, zijnde de ziekenfondsverzekering. Daarvan is hij ook uitgegaan in het bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakte
ontwerp Ziekenfondswet (Kamerstukken zitting 1961-1962, nr. 6808). De ontwikkeling van
de ziekenfondsverzekering is echter, op goede gronden, een geleidelijke
geweest, zodat men niet kan stellen dat op dit ogenblik krachtens deze
verzekering een volledige dekking van de zwaardere geneeskundige risico's
voor loontrekkenden bestaat.
Met name geldt dit ten aanzien van de revalidatie, waarop zich het geneeskundig en maatschappelijk handelen bij
iedere arbeidsongeschiktheid, of deze het gevolg is van ziekte dan wel van
ongeval of gebrek, moet richten. Het zijn uiteraard niet de eenvoudige
geneeskundige behandelingen bij kortdurende ziekten die men onder het
begrip revalidatie vat, doch wel het complex van voorzieningen van
geneeskundige aard (vaak langdurige en specialistische behandeling), evenals
de activiteiten met betrekking tot de plaatsing in het arbeidsproces -
met inbegrip van onderwijs en opleiding en verstrekking van bijzondere
hulpmiddelen - die men gewoonlijk als revalidatie aanduidt.
Daarvan nu zou de ondergetekende in
beginsel willen stellen, zich aansluitende bij de stelling van de
Wereldgezondheidsorganisatie dat ook het maatschappelijk welbevinden een
wenselijk rblz.|24
r.k.|
element in het begrip gezondheid vormt, dat de revalidatie een samenstel van maatregelen
omvat welke hun
toepassing voor een zeer groot deel moeten vinden en waartoe voor een zeer
groot deel de mogelijkheden moeten worden geopend binnen het terrein van de
gezondheidszorg. Hij zou daarbij willen wijzen op die buitenlandse
wetgevingen waarin de revalidatie is gebracht binnen de
gezondheidswetgeving en met name zou de ondergetekende de aandacht willen
vestigen op de omschrijving in de Amerikaanse ziekenhuiswet, onderdeel van
de openbaregezondheidswet, van het begrip revalidatie, zijnde "an
integrated program of medical, psychological, social and vocational
evaluation and services under competent professional supervision".
Dit samenstel van activiteiten, tezamen
als revalidatie aangeduid, is voorwaarde tot een doeltreffende uitvoering
van een arbeidsongeschiktheidsverzekering en dient aan deze uitvoering ten
nauwste gekoppeld te worden, zoals de geneeskundige behandeling in het
algemeen één der voorwaarden is tot een doeltreffend socialezekerheidsbeleid. Het verdedigen van deze stelling betekent echter
niet dat
deze geneeskundige behandeling, in casu de revalidatie, als schadeloosstelling
geregeld dient te worden in een wet welke is ontworpen tot verstrekking
van geldelijke schadeloosstelling wegens door arbeidsongeschiktheid gederfd
loon. De ondergetekende stelt zich integendeel op het standpunt dat dit
zal moeten geschieden binnen het kader van de wettelijke
ziekenfondsverzekering. Zoals bekend, staat hij op het standpunt dat deze
verzekering zodanig wordt ontwikkeld dat de ziekenfondsverzekerde die
geneeskundige hulp kan verkrijgen die hij behoeft.
De ondergetekende moet er echter de
aandacht op vestigen dat het juist de revalidatie is welke nog slechts in
beperkte mate in het huidige verstrekkingenpakket van het ziekenfonds tot
haar recht komt. Een eventuele verlenging van de huidige periode van tien
weken ziekenhuisverpleging zou reeds in zekere mate tegemoetkomen aan de
tot nu toe beperkte mogelijkheid van revalidatie krachtens de
hoofdverzekering vanwege de ziekenfondsen. Een advies hieromtrent waarbij
de Ziekenfondsraad voorstelt deze periode tot één jaar te verlengen, heeft de
ondergetekende bereikt. Hij heeft hierin aanleiding gevonden dit advies ter
kennis te brengen van de S.E.R., met het verzoek hem hieromtrent nader te
adviseren in verband met de prioriteitenkeuze op het gebied van het
toekomstige sociale beleid waarop de adviesaanvraag van de ondergetekende
d.d. 24 augustus 1962 betrekking had en meer in het bijzonder ten aanzien
van dat gedeelte waarin de volksverzekering inzake zware geneeskundige
risico's aan de orde wordt gesteld.
Maar ook na een eventuele verlenging van
de periode van ziekenhuisverpleging in het kader van de
ziekenfondsverzekering is een goede revalidatie nog niet voor alle gevallen
gewaarborgd. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde Amerikaanse
omschrijving van het begrip revalidatie wil de ondergetekende vaststellen
dat er in de revalidatie elementen aanwezig zijn die niet wel passen in
het verstrekkingenpakket van het ziekenfonds. Het wil de ondergetekende
voorkomen dat bijvoorbeeld onderwijs en opleiding ter revalidering
verstrekkingen zijn die niet in het kader van het ziekenfondswezen passen.
In het kader van het ontwerp van wet zijn de bedrijfsverenigingen echter
bevoegd dergelijke voorzieningen, al dan niet op verzoek van de getroffene,
te bevorderen. De bedrijfsverenigingen zullen voor deze
revalidatievoorzieningen gebruik dienen te maken van bestaande instituten.
Ervan uitgaande dat de verworvenheden van
Ongevallenwetten en Invaliditeitswet welke in het verleden reeds een reële bijdrage vormden
tot de revalidatie, behouden dienen te blijven, dient naar de mening van de
ondergetekende ernaar gestreefd te worden dat op het tijdstip van het in
werking treden van de onderhavige wettelijke regeling het medische element
in de revalidatie zoveel mogelijk gewaarborgd is krachtens de verstrekkingen
van de ziekenfondsverzekering.
De ondergetekende vestigt er de aandacht op dat bepaalde groepen van personen wel onder de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zullen vallen, doch buiten de rblz.|25
l.k.|
ziekenfondsverzekering, bijvoorbeeld omdat hun
loon boven de loongrens ingevolge laatstgenoemde verzekering ligt. Hij
stelt zich ten aanzien van deze groepen in beginsel op het standpunt dat er
geen gronden aanwezig zijn hun in het kader van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering die geneeskundige verstrekkingen te
verlenen welke de ziekenfondsverzekering hun onthoudt uit hoofde van de
omstandigheid dat zij niet verzekerd zijn. Zou dit wel geschieden, dan zou
dit in feite betekenen dat de normale geneeskundige verzorging, zoals deze
voor anderen in de ziekenfondsverzekering is geregeld, voor deze groepen
wordt gerealiseerd via de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
uiteraard behoudens de voorzieningen ten aanzien van de medeverzekerden. In
het ontwerp is overigens voorzien in de mogelijkheid om voor bijzondere
gevallen, onder goedkeuring van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, hier een
voorziening ten laste van dat fonds te treffen.
De ondergetekende is zich
ervan bewust dat hij een belangrijke vraag niet heeft aangeroerd, namelijk
of een geneeskundige behandeling welke naar het oordeel van de medische
dienst in het kader van de normale geneeskundige verzorging onvoldoende tot
haar recht komt, alsnog verstrekt dient te worden vanwege het
uitvoeringsorgaan der arbeidsongeschiktheidsverzekering, in casu de
bedrijfsvereniging. Zelfs zou men zich het geval kunnen denken dat de
medische dienst bij voorbaat van mening is dat een bepaalde behandeling ter
voorkoming van langdurige of blijvende invaliditeit beter zou kunnen
geschieden door een door de dienst aan te wijzen specialist en onder
geregeld toezicht van de dienst. Een dergelijk geval zou zich bijvoorbeeld
kunnen voordoen bij bepaalde gecompliceerde ongevalsletsels. De
ondergetekende meent dat het een hinken op twee gedachten zou betekenen om
deze gevallen wel vanwege de arbeidsongeschiktheidsverzekering te doen plaatshebben, tenzij de behandeling niet zou passen in de verstrekking
vanwege het ziekenfonds. Is dit echter wel het geval, dan is de
ondergetekende van mening dat niet van het uitgangspunt dient te worden
afgeweken dat de geneeskundige verzorging krachtens de
ziekenfondsverzekering dient te worden verkregen. Voor de gevallen dat aan
de behandeling zeer bijzondere eisen en voorwaarden moeten worden gesteld,
vertrouwt de ondergetekende erop dat het overleg tussen de medische dienst
en de behandelende geneeskundige, eventueel omgeven met de waarborgen zoals
de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst
zich voorstelt deze te scheppen, de mogelijkheden hiertoe zal openen. Op
deze procedure, welke de Maatschappij in overweging heeft, komt de
ondergetekende hierna nog terug.
"Revalidatie dient op de brancard te
beginnen"; aan deze gedragsregel denkt de ondergetekende waar de
mogelijkheid geschapen wordt reeds vroegtijdig de in het kader van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering noodzakelijke maatregelen met betrekking
tot de revalidatie te treffen. Doch evenzeer hierop is de reeds eerder
vermelde aanpassing in het kader van de Ziektewet gericht, namelijk het
openen van de mogelijkheid om voor een gedeelte van het loon en met
aanvullende uitkering van ziekengeld de zieke arbeider voor hem passende
arbeid te laten verrichten indien de controlearts zulks aangewezen acht.
Door deze maatregel immers wordt de geleidelijke wederaanpassing aan de
arbeid - belangrijk element in de revalidatie -
bevorderd.
Hoewel het niet de bedoeling van de
ondergetekende is de sociaal-geneeskundige aspecten uitputtend te
behandelen, wil hij niet nalaten nog op een tweetal punten de aandacht te
vestigen, welke reeds bij de bespreking van de verschillende socialeverzekeringswetten in de aanvang van deze paragraaf aangeroerd werden. Hij
doelt hier op de erkende geneeskundige diensten en de beroepsziekten.
Reeds had de ondergetekende onder punt 2
van deze paragraaf de gelegenheid aandacht te vestigen op het belangrijke
aandeel dat de aan ondernemingen verbonden erkende geneeskundige diensten
hebben gehad in een verbetering van de behandeling van ongevallen de
werknemers in dienst van de onderneming overkomen. Het instituut van de
erkende geneeskundige dienst, geregeld in hoofdstuk VIIa van de Ongevallenwet
rblz.|25
r.k.|
1921, zou, wanneer geen nadere
voorziening zou worden getroffen, komen te vervallen bij liquidatie van de
bestaande wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van bedrijfsongevallen.
De ondergetekende zou het betreuren
indien in de toekomst geen profijt meer getrokken zou kunnen worden van de
belangrijke diensten welke tot op heden door het instituut van de erkende
geneeskundige diensten worden verleend. Hij is van mening dat dit niet
mogelijk is, mede op grond van hetgeen hij hiervoor betoogd heeft over de
geneeskundige behandeling, binnen het kader van een Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hij meent daarentegen dat ook deze
ongevalsbehandeling haar plaats moet vinden binnen het terrein van de
algemene gezondheidszorg, dat wil dus zeggen binnen de
ziekenfondsverzekering. Hij wil daarom bevorderen dat de Ziekenfondsraad
zich op deze aangelegenheid nader beraadt, terwijl hij tevens zal doen
nagaan in hoeverre ook langs de weg van de bedrijfsgeneeskundige diensten
nog eens in het bijzonder de aandacht op de behandeling van
bedrijfsongevallen kan worden gevestigd.
Wat het punt van de beroepsziekten
betreft, is de ondergetekende zich bewust van het feit dat het wegvallen
van de wettelijke ongevallenverzekering in dit opzicht als een verlies is
te beschouwen uit het oogpunt van melding aan de Arbeidsinspectie. Zulks
geldt evenzeer ten aanzien van de ernstige bedrijfsongevallen.
Hij wil nader doen onderzoeken of het
behoud van deze waarde mogelijk is door melding van deze ziekten en bedrijfsongevallen door de medische dienst van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ten overvloede wil de ondergetekende er
nog de aandacht op vestigen dat krachtens artikel 82 van de Arbeidswet
iedere arts die bij een patiënt een met name genoemde beroepsziekte
vaststelt, verplicht is dit ziektegeval te melden aan de Arbeidsinspectie.
4.2. De sociaal-medische
aspecten van de schadeloosstellingen krachtens de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
1. Zoals reeds enige malen werd
opgemerkt, is één van de overwegingen tot vervanging van de Invaliditeitswet
door een nieuwe wettelijke regeling - aanvankelijk gingen de gedachten
hierbij uit naar een herziene invaliditeitsverzekering, welke gedachten zich
later ontwikkelden tot een arbeidsongeschiktheidsverzekering - gelegen in
de omstandigheid dat in de wet van Talma het beginsel van gedeeltelijke
invaliditeit niet voorkomt, doch daarin een scherpe grens tussen validiteit
en invaliditeit wordt getrokken door de begripsbepaling in artikel
72 [72]. De
hantering van deze norm van invaliditeit leidt ertoe dat pas bij een hoge
graad van invaliditeit het wettelijk criterium wordt bereikt waarbij een
invaliditeitsrente kan worden verleend. Is deze mate van invaliditeit,
namelijk niet in staat te zijn een derde te verdienen van hetgeen gezonden
onder dezelfde omstandigheden zouden kunnen verdienen, niet aanwezig, doch
een lichtere graad van invaliditeit, dan ontvangt de invalide geen
geldelijke schadeloosstelling krachtens de Invaliditeitswet. Hiermee wijkt die wet af van het stelsel der geldelijke schadeloosstellingen krachtens de
Ongevallenwetten. De ondergetekende is van mening dat het systeem van de
Invaliditeitswet niet meer past in een modern socialezekerheidsbeleid. Hij
grondt deze mening niet alleen op de overweging dat voor een niet
onbelangrijke groep van mindervaIiden het risico van verminderd produktief
arbeidsvermogen niet door sociale verzekering is gedekt, doch evenzeer op de
omstandigheid dat het langs deze weg niet mogelijk is door een geldelijke
schadeloosstelling, berekend naar de mate van gedeeltelijke invaliditeit,
een bijdrage te leveren tot het weder inschakelen van de verzekerde in het
arbeidsproces, zoals dit krachtens de Ongevallenwetten mogelijk is.
In het vorige hoofdstuk van deze memorie
heeft de ondergetekende reeds aandacht geschonken aan de door de S.E.R.
en
de S.V.R. uitgebrachte adviezen omtrent een indeling in invaliditeitsklassen, welke adviezen mede hebben geleid tot de
indeling
zoals deze in het onderhavige ontwerp van wet is
rblz.|26
l.k.||
aangebracht. Hij zou op deze
aangelegenheid hier ter plaatse niet behoeven terug te komen, ware het niet
dat aan deze indeling ook sociaal-geneeskundige aspecten verbonden zijn. De
ondergetekende wil hierop in deze paragraaf gaarne nader ingaan.
Het belangrijke verschil tussen de
indeling in de vier invaliditeitsklassen in het advies van de S.E.R. van
1957 en dat van dezelfde Raad van 1960, waarin een indeling in acht klassen
is gevolgd, moet worden verklaard uit een verschil in medisch inzicht.
Sommige socialeverzekeringsartsen zijn namelijk van mening dat een
schatting van invaliditeit bij ziekte zich moet beperken tot de graden van
invaliditeit van 25, 50 en 75% tussen 0 en 100%. Andere geneeskundigen
echter stelden zich op een ander standpunt. Rekening houdend met de
ongevalsletsels, zowel in als buiten dienstverband ontstaan, wezen zij erop dat voor deze oorzaken van invaliditeit geen ander stelsel van
schatting behoeft te worden ingevoerd dan bij de uitvoering van de
Ongevallenwetten is gevolgd. Deze deskundigen erkenden dat
invaliditeitsschatting bij ziekte minder eenvoudig is dan bij
ongevalsletsels, doch zij achtten het niet onmogelijk ook bij ziekte tot een
fijnere schatting te kunnen komen dan de grove indeling in vier klassen. Zij
wezen er daarbij op dat ook bij de beroepsziekten in de Ongevallenwetten
deze schatting in praktijk is gebracht. Op deze gronden baseerde de S.E.R.
zijn tweede advies, waarin een indeling voorkomt die door de ondergetekende
in grote lijnen in het onderhavige ontwerp van wet is overgenomen.
Ten overvloede wil de ondergetekende er
nog op wijzen dat de invaliditeitsschatting niet een uitsluitend medische
kwestie is. Niet minder belangrijk zijn de loon- en arbeidsdeskundige
schattingen en slechts door een nauw overleg in deze zal het mogelijk zijn -
de praktijk bij de uitvoering der Ongevallenwetten heeft dit aangetoond - tot een juiste en voor de verzekerde aanvaardbare schatting van de graad
van invaliditeit te komen.
Alvorens van het onderhavige punt af te
stappen, wenst de ondergetekende de indruk weg te nemen als zou het
belangrijkste sociaal-geneeskundige vraagstuk in de nieuwe wettelijke
regeling zijn de schatting van de graad van invaliditeit. Weliswaar moet
deze schatting het uitvoeringsorgaan in staat stellen te geraken tot een
nauwkeurige vaststelling van de mate waarin het vermogen tot produktieve
arbeid verloren is gegaan, doch belangrijker in het moderne socialezekerheidsbeleid is
het vast te stellen in welke mate de validiteit is
behouden of hersteld, teneinde deze arbeidsgeschiktheid produktief te
maken door inschakeling van de verzekerde in het arbeidsproces. De
sociaal-medische bemoeiingen met de invalide verzekerde zullen er dan ook
evenzeer op gericht moeten zijn te bepalen welke arbeidsmogelijkheden er
voor hem bestaan. Men zal zich daarbij mede laten leiden door de ervaring
dat mindervaliden waarlijk niet tot de slechtste werknemers in het
arbeidsproces zijn te rekenen. De ondergetekende meende op dit facet nog
eens het licht te moeten laten schijnen, omdat het herhaalde gebruik van
woorden als invaliditeit en arbeidsongeschiktheid de schijn wekt alsof deze
begrippen het sociaal-geneeskundige aspect der sociale verzekering beheersen. Het geluk van het individu zowel als dat van zijn
naasten en de
arbeidsproduktiviteit van een volk zijn er echter meer bij gebaat indien de
begrippen validiteit en arbeidsgeschiktheid in de sociale verzekering
centraal worden gesteld. De mogelijkheid hiertoe wordt geopend door
krachtens deze of een andere verzekering, met name de
ziekenfondsverzekering, de voorwaarden te scheppen tot een optimale
geneeskundige verzorging ter voorkoming van invaliditeit, dan wel tot
herstel van de validiteit in lichamelijke, geestelijke en maatschappelijke
zin in de kortst mogelijke spanne tijds. Het kan niet nadrukkelijk genoeg
worden gesteld dat een adequate revalidatie voorwaarde is om te komen tot
een zinvolle arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2. In paragraaf 1 van dit hoofdstuk heeft
de ondergetekende reeds uitvoerig gesproken over de geneeskundige
voorziening, met inbegrip van de revalidatie, welke verstrekking in rblz.|26
r.k.|
het onderhavige ontwerp een aanvullend
karakter zal dragen naast de geneeskundige hulp, welke in beginsel volledig
in het kader van de gezondheidszorg vanwege het ziekenfondswezen dient te
worden verstrekt.
In de Nederlandse literatuur komt de
revalidatie als wezenlijk element van de sociale zekerheid voor de eerste
maal voor in het derde deel van het in het tweede hoofdstuk besproken
rapport van de in 1943 te Londen ingestelde Commissie tot vaststelling van
algemene richtlijnen voor de toekomstige ontwikkeling der sociale
verzekering in Nederland (commissie-Van Rhijn). Dit deel van het rapport
draagt tot titel "De Organisatie van Geneeskundige Voorzieningen en de
Rehabilitatie van Gebrekkigen". Uiteraard is het belangwekkende
gedeelte over de revalidatie sterk georiënteerd op de Engels-Amerikaanse
literatuur en op de wederinschakeling in het oorlogspotentieel, hetgeen
niet wegneemt dat uit het rapport duidelijk blijkt dat ook voor normale
vredesomstandigheden in de geneeskundige verzorging van een bevolking de
revalidatie in de meest ruime zin één der voorwaarden voor sociale zekerheid is.
Wel wil de ondergetekende op een facet wijzen dat bij het gebruik van het begrip revalidatie verduidelijking
behoeft. In het genoemde rapport wordt weliswaar enige aandacht geschonken
aan de revalidatie van tuberculosepatiënten evenals van neuroselijders,
doch centraal worden, zoals ook uit de titel van het rapport blijkt, de
"gebrekkigen"
geplaatst. In het spraakgebruik verstaat men hieronder voornamelijk die
personen die hetzij aangeboren, dan wel een door ziekte of ongeval
verworven functiestoornis in het bewegingsapparaat in de ruimste zin
vertonen. De ondergetekende kan het wel plaatsen dat men in de revalidatie
deze uitgebreide categorie van patiënten centraal stelt, doch dit mag niet
tot gevolg hebben dat men het begrip revalidatie met betrekking tot een
inwendige ziekte zou verwaarlozen. Integendeel heeft bijvoorbeeld bij de
tuberculose de mentale en maatschappelijke aanpassing van de patiënt in de
behandeling een bijzondere plaats verworven. Ten aanzien van andere ziekten
staat men wellicht nog in het begin van de revalidatie, zoals bijvoorbeeld
bij hartziekten en astma, doch de ondergetekende meent te mogen verwachten
dat de invoering van een wettelijke regeling waarbij het voorkomen van
invaliditeit en het herstel van de arbeidsgeschiktheid naast de materiële
sociale zekerheid voor invaliden, centraal gesteld worden, stimulerend zal
werken op de ontwikkeling van de revalidatie, niet alleen voor gebreken,
doch ook voor ziekten. Hij ziet dit als het belangrijkste
sociaal-geneeskundige aspect van een Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
4.3. Medisch-organisatorische
aspecten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering
1. Na in de beide vorige paragrafen een
toelichting te hebben gegeven op de sociaal-medische betekenis van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering in het algemeen en van het verlenen van
schadeloosstellingen in het bijzonder, wil de ondergetekende dit hoofdstuk
besluiten met een paragraaf te wijden aan de medisch-organisatorische
aspecten van deze verzekering. Dat hij hierbij de medische dienst centraal
stelt, zal geen verwondering wekken, gelet ook op de uitvoerige
gedachtenwisseling die dit onderwerp gehad heeft in de adviserende
colleges, de S.E.R., de S.V.R. en de Centrale Raad voor de Volksgezondheid.
Reeds aanstonds echter wil de
ondergetekende vooropstellen dat hij niet voornemens is de organisatie
van deze dienst bij de wet gedetailleerd te regelen. Het ontheft echter de
ondergetekende niet van de plicht zijn gedachten hieromtrent en zijn
hieruit voortvloeiend standpunt kenbaar te maken.
De ondergetekende gaat er
bij zijn standpuntbepaling van uit dat, naast de eigenlijke
arbeidsongeschiktheidsverzekering, vooralsnog de ziekengeldverzekering,
waarin ook de geldelijke schadeloosstelling gedurende de eerste 52 weken ter
zake van bedrijfsongevallen wordt opgenomen, zal blijven bestaan. Als de
ondergetekende spreekt over een medische dienst ter uitvoering rblz.|27
l.k.|
van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan denkt hij hierbij uitsluitend aan een
dienst met betrekking tot de uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Anders gezegd, de ondergetekende is van
mening dat in deze dienst niet, althans voorlopig niet, de huidige, op de Ziektewet
afgestemde medische apparaten van de bedrijfsverenigingen en van
het Gemeenschappelijk Administratiekantoor moeten worden opgenomen. Op de
volgende overwegingen neemt de ondergetekende dit standpunt in.
De ontwikkeling van de medische
activiteiten bij de uitvoering der Ziektewet hebben zich in de ruim 30 jaren sinds de invoering
dezer wet in nauw verband met de administratie der
bedrijfsverenigingen op gunstige wijze ontwikkeld, zodat er klemmende
redenen aanwezig zouden moeten zijn om de bestaande en gegroeide toestand
niet te handhaven. De ondergetekende heeft zich afgevraagd of er inderdaad
overwegingen zouden zijn om in deze gegroeide situatie wijziging te brengen.
De medische activiteiten bij de Ziektewet bestaan voornamelijk uit de
beoordeling of er ongeschiktheid bij de verzekerde aanwezig is wegens
ziekte tot het verrichten van zijn arbeid. Hoewel hij allerminst de kennis
en de kunde wil onderschatten nodig om tot een juiste beoordeling van de
arbeidsongeschiktheid te komen, is hij toch van mening dat een meer
gespecialiseerde medische deskundigheid, gelijk deze -
zoals de
ondergetekende aanstonds nog zal uiteenzetten -
bij de uitvoering van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering vereist wordt, voor de
uitvoering van de Ziektewet niet noodzakelijk is. Het argument van het
bevorderen ener uniforme beoordeling, met name ten aanzien van de
invaliditeitsschatting, waarvoor een gemeenschappelijke dienst de meeste
waarborgen biedt, geldt voor de medische controle bij de uitvoering der
Ziektewet nauwelijks. Men heeft hier te maken met beoordelingen van
individuele ziektetoestanden en omstandigheden, waarbij ieder geval zijn
eigen beoordeling vraagt. Er zijn twee activiteiten die in de Ziektewet,
aangepast als deze zal worden aan een arbeidsongeschiktheidsverzekering,
zullen komen te vervallen. De ondergetekende doelt hier op de medische
beoordeling of men met ziekte of gebrek dan wel met ziekte of
ongevalsgevolg te maken heeft. Hij is van mening dat het in het kader van
een arbeidsongeschiktheidsverzekering niet meer past een verzekerde
gedurende de uitkeringsduur van de Ziektewet geen schadeloosstelling te
verlenen indien hij arbeidsongeschikt wordt wegens een gebrek, een
begrip
waaraan in de jurisprudentie inhoud werd gegeven op grond van het in 1936
aan de Centrale Raad van Beroep uitgebrachte advies van de hoogleraren Baart
de la Faille en Hymans van den Bergh, zoals dit in 1953 werd aangevuld door
de hoogleraren Van der Horst en Rümke en nog in 1962 onderschreven door
de hoogleraren Hornstra en Mertens. Ten aanzien van de bedrijfsongevallen
vervalt het onderzoek naar de vraag of er sprake is van ziekte dan wel van
ongeval, aangezien alle ongevallen voortaan als ziektegevallen zullen worden schadeloos gesteld.
Ook de vraag of de beoordeling van de
arbeidsongeschiktheid bij een ongevalsletsel meer deskundigheid vraagt dan
bij ziekte, beantwoordt de ondergetekende ontkennend. Integendeel zal in
vele gevallen het omgekeerde het geval zijn, terwijl de schatting van de
mate van arbeidsongeschiktheid gedurende de 52 weken van de uitkeringsduur
krachtens de Ziektewet niet aan de orde komt.
Er is één punt waarop de controlearts
van de bedrijfsvereniging of het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor
bij de uitvoering der Ziektewet in aanraking kan komen met de uitvoering van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De ondergetekende doelt
hier op die gevallen waarin reeds binnen de uitkeringstermijn van de
Ziektewet termen aanwezig kunnen zijn tot het treffen van voorzieningen
krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ter revalidatie en
voorkoming van langdurige invaliditeit. Doch ook deze gevallen kunnen voor
de ondergetekende geen overweging vormen de medische diensten ter
uitvoering van de Ziektewet te doen opgaan in een medische dienst ter
uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hij rblz.|27
r.k.|
is van mening dat voor deze gevallen een
zodanige vorm van samenwerking in het leven geroepen moet worden dat zo
snel mogelijk de laatstgenoemde medische dienst met deze gevallen in kennis
wordt gesteld. Dit is een kwestie van organisatie en de ondergetekende zou
zich bijvoorbeeld kunnen denken dat geregeld zou worden een kennisgeving
aan de medische dienst ter uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering door de controleartsen werkzaam bij de
uitvoering der Ziektewet van bepaalde ernstige ziektetoestanden en
ongevalsletsels waarbij vroegtijdige bijzondere voorzieningen in het kader van de revalidatie in aanmerking komen.
Een argument ten slotte dat door
de bedrijfsverenigingen aangevoerd zou kunnen worden tegen samenvoeging is
de overweging dat het "bedrijfseigene" dat in de bedrijfsvereniging
tot uitdrukking komt, de controlearts van deze bedrijfsvereniging beter in
de gelegenheid stelt de arbeidsongeschiktheid te beoordelen tegen de
achtergrond van de binnen die bedrijfstak te verrichten werkzaamheden,
waarvan deze arts geacht wordt meer in het bijzonder kennis te dragen. De
kracht van deze argumentatie wordt vooral ontleend aan de overweging dat
krachtens de Ziektewet schadeloosstelling wordt verleend aan hem die
ongeschikt wegens ziekte is tot het verrichten van zijn arbeid.
Hoewel de ondergetekende op grond van de
ervaringen bij de uitvoering van de Ziektewet aan laatstgenoemd argument
minder waarde toekent dan zij die deze stelling poneren, wil hij op grond
van alle voorgenoemde overwegingen nogmaals uitspreken dat hij het niet
gewenst acht dat bij de uitvoering van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering de medische diensten werkzaam bij de
uitvoering der Ziektewet opgaan in de dienst die hij in het leven zou
willen zien geroepen ter uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De ondergetekende heeft voorts nog overwogen welk standpunt ingenomen moet worden bij de invoering van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering met betrekking tot de controlerende
geneeskundigen van de ziekenfondsen. De werkzaamheden van dit korps van
geneesheren, namelijk de beoordeling van de noodzaak tot het verlenen door
de ziekenfondsen van bepaalde verstrekkingen, waaronder de
ziekenhuisverpleging belangrijk is, liggen na aan het terrein van
activiteiten van een medische dienst bij de uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Er zullen behandelingen zijn welke
laatstgenoemde dienst nodig acht waarbij de ziekenfondsen primair een taak
hebben. Het is duidelijk dat een collisie tussen de standpunten van de
controlearts van het ziekenfonds en de medische dienst ter uitvoering van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wel hoogst ongewenst zou
zijn. Het is de ondergetekende bekend dat reeds meer dan eens, onder andere
in de
Geneeskundige Commissie van de S.V.R., de vraag aan de orde is geweest of
het niet mogelijk zou zijn de controlerende artsen van de ziekenfondsen ook
in te schakelen bij de medische werkzaamheden voortvloeiende uit andere socialeverzekeringswetten. Het argument dat dit niet zou kunnen omdat de
aard van werkzaamheden binnen de verscheidene wetten zo verschillend is
dat hiervoor een totaal andere persoonlijke instelling vereist zou zijn,
kan de ondergetekende niet tot het zijne maken. Integendeel is hij van
mening dat de benadering van de patiënt en zijn ziektegeval, met de taak
tot beoordeling uit meer dan één gezichtshoek, door de verscheidenheid
van problematiek eerder een vollere inhoud aan de werkzaamheden van een
controlearts zou kunnen geven. Daarentegen ziet de ondergetekende wel
problemen van organisatorische aard, zodat hij tot de conclusie gekomen is
dat ook ten aanzien van deze groep geneeskundigen begonnen moet worden met
het bevorderen van een goede coöperatie met de medische dienst ter
uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in plaats van
nu reeds te overwegen de geneeskundigen van de ziekenfondsen in genoemde
medische dienst te incorporeren.
2. Alvorens zich uit te spreken over de
vormgeving van de medische dienst ter uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wil de ondergetekende
nagaan voor welke
taken een zodanige dienst zich geplaatst zal zien. Bij de rblz.|28
l.k.|
opsomming hiervan maakt de ondergetekende
gaarne gebruik van de gegevens welke hem verstrekt werden in de rapporten
van de eerdergenoemde adviescolleges.
De ondergetekende kan zich in algemene
lijnen wel verenigen met de taken van de medische dienst zoals deze in het
advies van de S.V.R. zijn vermeld, doch hij zou de volgorde anders willen
stellen in verband met de chronologische volgorde van handelen, zoals deze
zich zijns inziens meestal zal voordoen. Hij denkt namelijk dat in tal van
gevallen binnen de termijn van ziekengelduitkering reeds het oordeel zal
worden gevraagd van de medische dienst omtrent een in te stellen
revalidatiebehandeling. De taak van de medische dienst valt dan in
hoofdzaak in vieren uiteen, te weten:
1. Als eerste taak ziet de
ondergetekende de beoordeling van de revalideerbaarheid van de verzekerde en
van de aard der in te stellen behandeling.
2. Indien de revalidatiebehandeling is
ingesteld, zal de medische dienst het beloop van de behandeling en van haar
resultaten nauwlettend moeten volgen.
3. Voorts zal de medische dienst zich
gesteld zien voor de niet eenvoudige taak van het schatten en herschatten
van de mate van arbeidsongeschiktheid. Hierbij zal samenwerking van de
medici en de loon- en arbeidsdeskundigen van de dienst nodig zijn.
4. Een taak die de ondergetekende niet
als zodanig in de hem uitgebrachte adviezen aantrof, doch die hij wegens het
belang dat hij eraan hecht afzonderlijk noemen wil, is het overleg met de
talrijke deskundigen, geneeskundigen en niet-medici dat nodig is om een
goede uitvoering van de wet te waarborgen. In het bijzonder zou de
ondergetekende ook aandacht willen vragen voor het overleg tussen de
medische dienst ter uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de bedrijfsgeneeskundige diensten
teneinde de (her)plaatsing van de verzekerde in het arbeidsproces op een
voor hem geschikte plaats te bevorderen. Ook de samenwerking met
arbeidsbureaus, vakopleidingsinstituten en instellingen van maatschappelijk
werk verdient de aandacht. 3. Aan de hand van de hier opgesomde
taken wil de ondergetekende zijn standpunt bepalen met betrekking tot de
organisatie van de medische dienst. Met het gestelde in het advies van de
S.V.R. kan hij zich verenigen, namelijk dat voor de opbouw van medische
diensten slechts twee mogelijkheden in aanmerking komen:
1. het oprichten van meer diensten, over
het aantal waarvan de ondergetekende hierna nog enkele opmerkingen wil
maken, maar waarbij nu toch reeds gesteld kan worden dat één van de
diensten bij deze organisatievorm zeker zal moeten zijn de medische dienst
van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor;
2. het instellen van een
gemeenschappelijke medische dienst door de bedrijfsverenigingen gezamenlijk.
De ondergetekende wil op deze plaats
reeds uitspreken dat hij voorstander is van laatstgenoemde vorm. Hoewel hij
begrip heeft voor de argumenten van hen die de instelling van meer
diensten bepleiten, is de ondergetekende op grond van de hierna te vermelden
motieven tot de conclusie gekomen dat slechts één medische dienst de
waarborgen biedt voor een goede uitvoering van de taken zoals deze hiervoor
werden genoemd.
Dat voor de uitoefening van de genoemde
taken een grote deskundigheid vereist is, zal wel niemand betwijfelen. Het
beoordelen van de noodzaak tot het instellen van een revalidatiebehandeling en het met deskundigheid volgen van deze
behandeling, het met deskundige autoriteit plegen van overleg met
specialisten op dit terrein en ten slotte het beoordelen van de mate van
invaliditeit bij ziekten als een nieuw te betreden terrein van invaliditeitsschatting, vereisen een hoge mate van gespecialiseerde
deskundigheid.
De ondergetekende is het eens met hen die stellen dat in
ons land het aantal deskundigen met ervaring op dit terrein rblz.|28
r.k.|
uiterst beperkt is en in feite
slechts gevonden wordt bij hen die uit hoofde van hun functie deze
werkzaamheden reeds verrichten. Het is duidelijk dat de ondergetekende
hierbij vooral denkt aan de medische dienst van de Sociale
Verzekeringsbank.
De ondergetekende verwacht dat de revalidatiebehandeling in het kader van
de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor een belangrijk deel gelegen zal
zijn op het terrein van de traumatologie en van de orthopedie, terreinen
waarop genoemde dienst in het bijzonder deskundig is. Daarom is de
ondergetekende van oordeel dat profijt moet worden getrokken uit de grote
ervaring en deskundigheid welke de medische dienst van de Bank bezit.
Ten slotte zou de ondergetekende nog op een ander voordeel van één medische
dienst willen wijzen, namelijk de mogelijkheid tot een uniforme beoordeling
te komen welke, vooral in een geruime tijd van aanvang, nodig is om normen
vast te stellen voor de invaliditeitsschatting bij ziekten.
Op grond van het
voorgaande is het duidelijk dat de ondergetekende niet voldoende medische
deskundigheid op dit speciale terrein bij de bedrijfsverenigingen aanwezig
acht om tot de instelling van meer medische diensten over te gaan. Eerder
zou hij willen bepleiten de enkele deskundige krachten die elders gevonden
worden ook in de door hem gedachte medische dienst op te nemen. Er moet
gestreefd worden naar bundeling van deskundigheid en niet naar
versnippering.
Naar aanleiding van de overwegingen van hen die aan meer
diensten de voorkeur geven en van welke overwegingen de ondergetekende met
belangstelling heeft kennisgenomen, moge hij het volgende opmerken.
Het argument dat slechts op deze wijze een nauwe samenwerking met de
administratie van de bedrijfsvereniging mogelijk zou zijn, spreekt de
ondergetekende niet sterk aan, omdat in de vorm van de medische dienst
zoals hij zich die voorstelt, namelijk die van een gemeenschappelijke door
de bedrijfsverenigingen in te stellen dienst, deze samenwerking naar zijn
mening evenzeer gewaarborgd kan en moet zijn.
Overigens meent de
ondergetekende te moeten opmerken dat de voorstanders van meer diensten
deze overweging niet in alle consequentie aanvaarden indien zij stellen
dat ook naar hun mening het aantal diensten tot drie of vier beperkt moet
blijven. Ook het argument dat het voordeel van meer diensten onder andere
aan de kennis van het bedrijfseigene meer recht doet wedervaren, wordt in
het geval van een beperkt aantal diensten niet in consequentie aanvaard.
Overigens wil de ondergetekende erop wijzen dat in het kader van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering niet gesproken wordt over het niet in
staat zijn tot het verrichten van zijn arbeid, zoals dit in de Ziektewet
het geval is, doch over "voor zijn krachten en bekwaamheid berekende
arbeid die hem met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep in
billijkheid kan worden opgedragen". Dit betekent derhalve dat men
juist op een breder terrein georiënteerd moet zijn over de mogelijkheden
om, indien daartoe een indicatie aanwezig is, door opleiding en scholing de
verzekerde in te schakelen bij arbeid afwijkend van de aard van het werk
dat hij in een andere bedrijfstak voordien placht te verrichten.
Ook de
ondergetekende is overtuigd van de noodzaak tot nauwe samenwerking tussen
administratie en medische dienst. Hij is van mening dat deze gewaarborgd
kan zijn in één medische dienst, welke de vorm draagt van een gemeenschappelijke dienst, zoals reeds eerder werd opgemerkt. De
ondergetekende acht het mogelijk een zodanige dienst door de
bedrijfsverenigingen tezamen bijvoorbeeld in de vorm van een stichting in het leven
te doen roepen. Nader dient overwogen te worden hoe de meest vruchtbare
vorm van samenwerking van deze dienst met de bedrijfsverenigingen in de
praktijk bevorderd kan worden. Een mogelijkheid daartoe ziet hij bijvoorbeeld
in de
vorming van een college van overleg, waarin het hoofd van de dienst en de
medische adviseurs van de bedrijfsverenigingen zitting kunnen nemen. In dit
college kunnen op grond van uitwisseling van gedachten, bestudering van
dossiers en bespreking van casuïstiek normen tot beoordeling tot stand
komen welke aan de uniformiteit in de uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering rblz.|29
l.k.|
ten goede zullen
komen. Nimmer zal echter een dergelijk college kunnen treden in de plaats
van de gemeenschappelijke dienst, aangezien de grondslag van het oordeel
steeds gelegd zal moeten worden door het persoonlijk onderzoek van de
verzekerde door de meest hiertoe gespecialiseerde deskundige.
Zoals de ondergetekende reeds enige malen
opmerkte, is deze deskundigheid slechts te waarborgen in één dienst. Het
is de ondergetekende bekend dat voorstanders van meer diensten van mening
zijn dat een eventueel ontbreken van deskundigheid binnen de
bedrijfsvereniging gesubstitueerd kan worden door het vragen van
deskundigenrapporten wanneer dat nodig is.
De ondergetekende zou erop willen wijzen
dat vele medische specialisten in staat zijn deskundige rapporten uit te
brengen, doch dat de ervaring bij Rijksverzekeringsbank en Sociale
Verzekeringsbank over vele jaren heeft uitgewezen dat slechts weinigen
onder hen zodanig georiënteerd zijn in de uitvoering der sociale
verzekering - hetgeen uiteraard ook niet mogelijk is - dat van hen een
rapport mag worden verwacht waarop het uitvoeringsorgaan zijn beleid met
betrekking tot schatting en behandeling kan baseren.
Enige uniformiteit in de uitvoering is
van dit stelsel niet te verwachten. Dit wil niet zeggen dat ook bij één
dienst niet in sommige gevallen van een specialistisch advies gebruik zal
moeten worden gemaakt. De Bank heeft hierin voorzien door een aantal
medische specialisten op verschillend terrein aan haar dienst te verbinden.
De ondergetekende meent dat het te ver
zou voeren binnen dit bestek de vraag aan de orde te stellen of de
medische dienst over een eigen behandelingscentrum zou moeten beschikken,
zoals bijvoorbeeld het revalidatiecentrum te Amsterdam van de Sociale
Verzekeringsbank.
Het is duidelijk dat op grond van zijn
uitspraak in de aanvang van dit hoofdstuk dat het verlenen van
geneeskundige behandeling in het kader van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering niet past, de ondergetekende vooralsnog
van mening is dat het beschikken over een eigen behandelingsinrichting een
oneigenlijk element binnen de uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zou zijn. De ondergetekende zou hierover
echter nu geen uitspraak willen doen. Hij wil slechts constateren dat de
Sociale Verzekeringsbank nu reeds over een uitstekende
revalidatie-inrichting voor ongevalsgetroffenen beschikt en dat door het
invoeren van de onderhavige verzekering verwacht mag worden dat de behoefte
aan deskundige revalidatiemogelijkheden zal stijgen in verband met het feit dat nu ook de
verzekerden getroffen door een ongeval hen buiten
dienstverband overkomen, voor de revalidatie krachtens de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in aanmerking komen.
Men vergete voorts niet dat buiten onze
grenzen menig hoog gespecialiseerd ongevalsziekenhuis in het kader van de
sociale verzekering tot stand is gekomen en zich heeft ontwikkeld tot een
centrum dat zijn vruchtbare arbeid ten dienste van de gehele bevolking
gesteld heeft.
Welhaast overbodig is het op te merken
dat mede voorwaarde tot een goede uitvoering van de medische beoordeling
zal moeten zijn dat er een decentralisatie in het geneeskundig (en
loonarbeidsdeskundig) onderzoek moet plaatshebben. In verschillende gevallen
zal echter een centrale beoordeling overeenkomstig de huidige werkwijze bij
de Sociale Verzekeringsbank hierop het sluitstuk moeten vormen. 4. Rest de ondergetekende nog aandacht te
wijden aan een laatste punt, hetwelk voor een goede uitvoering van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering van groot belang is, namelijk de
medewerking van de behandelende artsen en een vruchtbare samenwerking
tussen hen en de geneeskundigen van de medische dienst.
De ondergetekende wil beginnen op te merken dat de medewerking van de behandelend geneeskundigen bij de
uitvoering der socialeverzekeringswetten steeds een zeer goede is geweest.
Bij de uitvoering der Ongevallenwetten draagt de aard van rblz.|29
r.k.|
deze medewerking een enigszins
ander karakter dan bij de uitvoering der Ziektewet, aangezien de artsen
zich in eerstgenoemd geval bij overeenkomst met de Bank verbonden hebben
aan de uitvoering hun medewerking te verlenen en daarvoor dan ook
gehonoreerd worden. In deze overeenkomst ligt mede besloten het geven van de
nodige inlichtingen aan de Bank dan wel aan haar medische dienst. In vele
gevallen zal het bij de uitvoering der Ziektewet ook nodig zijn dat voor
de vorming van het juiste oordeel over de arbeidsongeschiktheid een overleg
tussen controlearts en behandelende arts plaatsheeft. Laatstgenoemde geeft
zijn medewerking aan dat overleg op geheel vrijwillige basis en wordt
hiertoe gestimuleerd door de beroepsorganisatie, de Koninklijke
Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. Deze wijst haar
leden erop dat dit overleg in het belang is van hun patiënten, doch dat
als voorwaarde moet worden gesteld dat de controlearts eerst zelf de
patiënt moet hebben onderzocht.
Dit inleidende betoog was nodig om zich een
juister begrip te vormen inzake de vraag welke procedure moet worden
gevolgd als er bij de uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering geen overeenstemming in het overleg
tussen de behandelend arts en de arts van de medische dienst tot stand komt
over de vraag welke behandeling moet worden ingesteld om een spoedig
herstel en een herwinning van de validiteit te waarborgen. Krachtens de
bestaande bepalingen in de Ongevallenwet 1921 [O.W. 1921, red.] (artikel 21b) zal, indien de
getroffene zich op medische gronden niet wenst te onderwerpen aan een door
de Bank voorgeschreven (operatieve) behandeling, opnieuw een onderzoek door
het bestuur van de Bank gelast worden door drie andere geneeskundigen. Zijn
dezen, unaniem of in meerderheid, van mening dat de behandeling moet worden
ingesteld, dan is het Bankbestuur, indien de getroffene zich nog niet aan de
behandeling wenst te onderwerpen, bevoegd te verklaren dat het recht op
schadeloosstelling geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan. In het advies
van de S.E.R. van 1957, evenals in het advies van de S.V.R. van 1960, wordt
voorgesteld een dergelijke bepaling op te nemen met betrekking tot de
uitvoering van de herziene invaliditeitsverzekering, respectievelijk de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De ondergetekende heeft zich erover beraden of tot opneming van een zodanige bepaling zou dienen te worden
overgegaan, waarbij hij zich, in bevestigend geval, voorstelde de
mogelijkheid tot het hernieuwde onderzoek te verruimen door de weigering tot
het ondergaan van een behandeling niet te beperken tot een operatieve
behandeling, doch haar te betrekken op een medische behandeling in het
algemeen.
Het is de ondergetekende niet bekend dat
de hiervoor geschetste procedure krachtens de O.W. 1921 in de praktijk tot
ernstige bezwaren aanleiding heeft gegeven. Nu deze bepaling echter werd
voorgesteld voor de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, bleken van
de zijde der beroepsorganisatie hiertegen wel bezwaren te bestaan. Het
Hoofdbestuur van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering
der Geneeskunst wendde zich tot de ondergetekende bij schrijven van 26
oktober 1961. In deze brief begint het Hoofdbestuur zijn adhesie te betuigen
met het vervangen van de verouderde Invaliditeitswet door een
arbeidsongeschiktheidsverzekering, terwijl het even
|