St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  OP  DE  ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING

 

  
 

ONTWERP VAN WET

rblz.|1 l.k.| 

Kamerstukken II 1962-1963, 7171

Arbeidongeschiktheidsverzekering

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Historisch overzicht
2.1 De ontwikkeling van de verzekeringen die alle arbeidsongeschiktheid tot onderwerp hebben
2.2 De naoorlogse reorganisatieplannen
2.3 De interim-regeling voor invaliditeitsrentetrekkers en de adviesaanvrage aan de S.E.R. inzake het socialezekerheidsbeleid op langere termijn
3 Het systeem der wet
3.1 Kring der verzekerden
3.2 Verstrekkingen der verzekering
3.3 Uitvoeringsorganisatie
3.4 Middelen tot dekking van de kosten
3.5 Invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
3.6 Afwijking op belangrijke punten van de adviezen van de S.E.R. en de S.V.R.
4 Sociaal-geneeskundige aspecten
4.1 De sociaal-medische betekenis van een arbeidsongeschiktheidsverzekering
4.2 De sociaal-medische aspecten van de schadeloosstellingen krachtens de arbeidsongeschiktheidsverzekering
4.3 Medisch-organisatorische aspecten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering
5 Financiële en economische aspecten
5.1 Financieringsstelsel
5.2 Het stelsel van premieheffing
5.3 Financiële aspecten
6 Samenvatting
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 1 t/m 101
 

 

 

[Algemeen, red.]

 

1. Inleiding


    
1. Sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft ten onzent een uitvoerige discussie plaatsgehad over de herziening van de sociale verzekering. Deze discussie had eveneens tot onderwerp de uitkeringen in geval van korte en langdurige arbeidsongeschiktheid. Verschillende commissies hebben zich met de daarmede samenhangende vraagstukken beziggehouden en ter zake adviezen uitgebracht. Eveneens hebben de Regering daarover adviezen bereikt van de Sociaal-Economische Raad (S.E.R.) en de Sociale Verzekeringsraad (S.V.R.). De laatste adviezen van deze beide lichamen hadden betrekking op het tot stand brengen van een algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering welke in de plaats zou treden van de bestaande wetten op het terrein van de ongevallenverzekering en de invaliditeitsverzekering.
     Bij het optreden van de ondergetekende als Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid was een wetsontwerp voor een algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering reeds in voorbereiding, waarbij op belangrijke punten reeds een uitvoerige arbeid was verricht. Alhoewel het de ondergetekende bekend was dat over de vraag of het aanbeveling verdiende reeds terstond naar een algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering te koersen hier te lande verschillend werd gedacht, heeft hij gemeend - hoewel hij met het oog op de financiële positie der invaliden voorrang heeft gegeven aan de totstandkoming van een interim-regeling voor invaliditeitsrentetrekkers -, mede in het licht van de uitgebrachte adviezen, tot continuering van de voorbereidende arbeid te moeten besluiten. Dit heeft ertoe geleid dat thans het onderhavige ontwerp van wet op een arbeidsongeschiktheidsverzekering kan worden ingediend.

     2. De ondergetekende heeft besloten de in gang zijnde arbeid te continueren, wijl hij van oordeel is dat de ter zake vóór zijn optreden genomen beslissingen volkomen juist zijn en geheel liggen in de lijn van het naoorlogse sociale denken. Hij moge er nog eens aan herinneren hoe de vooroorlogse socialeverzekeringswetgeving - alhoewel geïnspireerd vanuit een duidelijke sociale overtuiging van de grote pioniers der sociale verzekering, zoals de Ministers Lely, Kuyper, Talma en Aalberse - in belangrijke mate gevormd is onder invloed van een individualistische, aan het private verzekeringsrecht ontleende denkwijze en daardoor in menig opzicht door individualistische karaktertrekken gekenmerkt werd. Het wil de ondergetekende voorkomen dat daarvoor twee redenen aan te wijzen zijn. De eerste is de zojuist genoemde dat bij de totstandkoming van de sociale verzekering men in menig opzicht gewerkt heeft naar het model der private verzekering. De denkvorm der private verzekering, welke in hoofdzaak gekenmerkt wordt door de opvatting dat in individuele verzekeringscontracten een ruilevenwicht noodzakelijk is tussen premie en uitkering, tussen prestatie en contraprestatie, was evenwel ontoereikend voor de sociale verzekering, welke eerst geleidelijk aan een eigen denkvorm zou ontwikkelen, waarbij minder het individuele ruilevenwicht, doch meer de maatschappelijke solidariteit bepalend was. De ondergetekende moge zich ontslagen rblz.|1 r.k.| achten hierop uitvoerig in te gaan, waar dit verschijnsel, in het bijzonder in de naoorlogse literatuur en ook in de schriftelijke stukken van na de oorlog tot stand gekomen socialeverzekeringswetten, uitvoerig is belicht.
     Het is evenwel niet alleen de denkvorm van de private verzekering geweest welke debet is aan het feit dat tal van vooroorlogse socialeverzekeringswetten een allengs onbevredigend geachte structuur hebben gekregen. Daarop is evenzeer van invloed geweest de sociaal-politieke denkwijze vóór de laatste wereldoorlog. Ook hierin zou de ondergetekende niet uitvoerig willen treden. Hij zou willen volstaan met eraan te herinneren hoe in de sociale wetgeving in het algemeen - en in de socialeverzekeringswetgeving in het bijzonder - in de aanvang heeft gegolden dat zij beperkt diende te blijven tot maatschappelijk zwakken. In de arbeidswetgeving werden als zodanig aanvankelijk uitsluitend de zogenaamde personae miserabiles beschouwd; in de socialeverzekeringswetgeving waren het de arbeiders in gevaarlijke bedrijven. Toen later in de socialeverzekeringswetgeving de beperking tot de gevaarlijke bedrijven werd verlaten, kwamen analoge beperkingen weer naar voren, enerzijds doordat in sommige socialeverzekeringswetten een loongrens werd gesteld boven welke men niet verzekerd was, terwijl anderzijds de verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen zich beperkte tot ongevallen in verband met de dienstbetrekking.
     In de maatschappelijke werkelijkheid leidde dit laatste ertoe dat degenen die ongeschikt zijn tot het verrichten van arbeid ten gevolge van ziekte of ongeval, uit twee categorieën bestaan: een eerste categorie, voor wie bij langdurige arbeidsongeschiktheid een tamelijk bevredigende regeling geldt, namelijk de categorie dergenen die getroffen zijn door een ongeval in verband met de dienstbetrekking en wat daarmede voor de toepassing der Ongevallenwetten wordt gelijkgesteld; vervolgens een tweede categorie van degenen die niet getroffen zijn door een ongeval in verband met de dienstbetrekking. Alhoewel ook de voorziening voor de eerste categorie niet in alle opzichten bevredigend te noemen is - zo ontbreekt bijvoorbeeld de waardevastheid der uitkeringen, hetgeen vooral bij zeer langdurige uitkeringen die zich over decennia uitstrekken als een ernstig bezwaar is gaan gelden -, is de sociale positie van de tweede categorie, zelfs ondanks de na de oorlog ingevoerde toeslagen, volstrekt ontoereikend te noemen. Deze laatste omstandigheid, gepaard aan de schrille tegenstelling welke aanwezig is tussen de voorzieningen voor de beide categorieën en de omstandigheid dat het voor de justitiabelen soms welhaast onbegrijpelijk moet zijn waarin de rechtvaardiging gelegen is of men tot de ene dan wel tot de andere categorie behoort (men denke in dit verband aan straatongevallen waarvan sommige wel en andere niet tot ongevalsuitkeringen leiden), hebben sterk de gedachte ingang doen vinden enerzijds dat voor al degenen die door arbeidsongeschiktheid een langdurige uitkering van node hebben een behoorlijke voorziening dient te bestaan, anderzijds dat het onjuist is onderscheid te blijven maken tussen twee categorieën.
     Kan reeds gezegd worden dat deze gedachte in het gewone menselijke denken van alledag steeds meer gemeengoed is geworden, ook in het algemene sociaal-politieke denken
rblz.|2 l.k.| zowel als in het denken met betrekking tot de sociale zekerheid zijn belangrijke aanknopingspunten te vinden om aan de tweedeling een einde te maken. De ondergetekende moge in deze herinneren aan de uitgebreide discussie welke ook ten onzent heeft plaatsgehad over de vraag of aan de ongevallenverzekering ten grondslag dient te liggen het beginsel van het "risque professionnel" dan wel het beginsel van het "risque social". Wat daarvan ook zij, ook in het sociaal-politieke denken is steeds meer naar voren gekomen dat niet beslissend dient te zijn hoe iemand arbeidsongeschikt is geworden, maar de omstandigheid dat men arbeidsongeschikt is en dat dit maatschappelijke consequenties heeft.
     Ten slotte is ook in het denken over de sociale verzekering veel gewijzigd. De sociale verzekering, die aanvankelijk min of meer het koekoeksei was in het nest van de private verzekering, heeft zich geleidelijk aan steeds meer aan deze milieufactoren ontworsteld en is een zelfstandig bestaan gaan leiden. Dit heeft ertoe geleid dat de sociale verzekering aan bestaande, naar huidige maatschappelijke normen onjuiste, sociale structuren is ontgroeid. De ondergetekende meent dan ook te mogen vaststellen dat in het rechtsbewustzijn niet meer leeft dat in het verband van de socialeverzekeringswetgeving in de maatschappelijke consequenties van langdurige arbeidsongeschiktheid anders zou moeten worden voorzien naargelang men door een bedrijfsongeval dan wel door een ziekte is getroffen. Deze onderscheiding - met het oog op de sociale verzekering - wordt reeds lang onwezenlijk geacht en als in strijd met het rechtsbewustzijn van de hand gewezen.

     3. Het lijkt de ondergetekende wenselijk eraan te herinneren dat vroeger de rechtsgrond voor de verplichte sociale verzekering voor werknemers vaak werd gezien in het beginsel van het rechtvaardig arbeidsloon. De hieraan ten grondslag liggende gedachte was in het algemeen deze dat het loon van de arbeider voldoende diende te zijn niet alleen voor tijden dat hij in staat was zich door arbeid een inkomen te verwerven, maar evenzeer voor die omstandigheden waarin hij buiten zijn schuld niet tot arbeid in staat zou zijn. Aangezien het de arbeiders moeilijk zou zijn daarvoor de nodige voorzieningen individueel te treffen, vooral nog gelet op de omstandigheid dat het risico ieder ogenblik zelfs onmiddellijk na het eerste arbeidsoptreden manifest kan worden, werd de sociale verzekering gezien als een adequaat instrument om het rechtvaardig arbeidsloon te realiseren.
     Het wil de ondergetekende voorkomen dat het niet onjuist is dit te stellen en te blijven stellen. De ondergetekende meent evenwel dat men er rekening mee moet houden dat het beginsel van het rechtvaardig arbeidsloon niet een oorspronkelijk, maar een afgeleid beginsel is en ten dele een vormgevend beginsel. Daarbij wordt iets - namelijk de sociale uitkeringen - als rechtvaardig bij het arbeidsloon geïncorporeerd wat het reeds eerder van buitenaf was. De mens namelijk die in het hedendaagse maatschappelijke verkeer arbeidsongeschikt wordt, kan de consequenties daarvan veelal niet dragen. De maatschappelijke rechtvaardigheid gebiedt evenwel dat ook deze mens zijn levensontplooiing dient te hebben, waarbij niet gediscrimineerd wordt naar oorzaak.
     De meer oorspronkelijke beginselen waarom het bij de verplichte sociale verzekering gaat, zijn dan ook naar het oordeel van de ondergetekende in de eerste plaats het recht van iedere mens op zelfontplooiing en in de tweede plaats het recht op gelijke kansen. Het eerste beginsel brengt met zich dat ook de zieke, ook de invalide en ook de gehandicapte mens recht op levensontplooiing heeft, waartoe de sociale verzekering een geëigend middel is om hem daartoe de materiële mogelijkheden te verschaffen. Uit het tweede beginsel vloeit voort dat zieke, invalide en gehandicapte mensen, ondanks hun lichamelijke ongelijkheid, toch maatschappelijk zoveel mogelijk gelijke kansen dienen ie hebben als gezonde mensen en dat in ieder geval niet gediscrimineerd dient te worden naar de oorzaak van ziekte, invaliditeit en handicap.
     Natuurlijk kan de verplichte sociale verzekering de gelijkheid van kansen niet alleen realiseren, doch zij kan wel een bijzonder
rblz.|2 r.k.| belangrijke materiële bijdrage daartoe leveren. Het recht op zelfontplooiing en het recht op gelijke kansen bij ziekte, invaliditeit en handicap kan de individuele arbeidende mens bij de huidige inkomensverhoudingen niet zelf realiseren en dit zal hij ook nooit zelf kunnen realiseren. Het arbeidsloon zal dan ook eerst dan rechtvaardig zijn wanneer het, voor zover het een gevolg is van de primaire zowel als van de secundaire inkomensverdeling, deze beide rechten kan realiseren.
     Het wil de ondergetekende voorkomen dat een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke de uitkeringen aan langdurig ongeschikten op een redelijk niveau brengt en niet discrimineert naar de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid, daartoe een effectief middel kan zijn.
     De ondergetekende ziet daarbij niet voorbij aan de omstandigheid dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet in alle opzichten verbetering met zich zal brengen. Zo zal degene met een loon dat hoger is dan de loongrens van de huidige Ziektewet in de toekomst in het geval van een ongeval in verband met de dienstbetrekking of wat daarmede wordt gelijkgesteld, geen aanspraak meer hebben op genees- en heelkundige behandeling zoals thans verleend wordt ingevolge de Ongevallenwetten. De ondergetekende acht dat geen bezwaar. Op het stuk van de ziektekostenverzekering bestaan in Nederland goede vrijwillige verzekeringen, althans voor de normale risico's. Degene met een inkomen boven de loongrens die deze risico's gedekt wil zien, heeft tot die verzekering gemakkelijk toegang.
     In de tweede plaats moet de ondergetekende erop wijzen dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering - in overeenstemming met de adviezen van de S.E.R. en de S.V.R. - geen voorzieningen kent ten behoeve van nagelaten betrekkingen. De ondergetekende moge er echter aan herinneren dat op het stuk van voorzieningen voor nagelaten betrekkingen in ons land met het tot stand komen van de Algemene Weduwen- en Wezenwet de weg is gekozen van een volksverzekering. Gelet op de ontwikkeling van de sociale verzekering, ligt het naar zijn mening op de weg van de ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen om op de bodemvoorziening die vervat is in de Algemene Weduwen- en Wezenwet [A.W.W., red.] aanvullende voorzieningen te treffen voor nagelaten betrekkingen, ongeacht de oorzaak van het overlijden. Alhoewel ten overvloede moge de ondergetekende erop wijzen dat uiteraard degenen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in het genot zijn van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen op grond van de Ongevallenwetten of op grond van de Invaliditeitswet, die uitkeringen zullen behouden.

     4. De ondergetekende komt thans op de vraag van de beperking der arbeidsongeschiktheidsverzekering tot de loontrekkenden. Men kan zich inderdaad de vraag stellen - en de ondergetekende heeft zich deze vraag gesteld - of de beide hierboven bedoelde beginselen uitsluitend gelden ten aanzien van de loontrekkenden. De ondergetekende is geneigd deze vraag in beginsel ontkennend te beantwoorden. Dit is dan ook de reden geweest dat de ondergetekende op 24 augustus 1962 hierover advies heeft gevraagd aan de S.E.R. Daarbij heeft hij ook de vraag aan de orde gesteld van een volksverzekering inzake arbeidsongeschiktheid, waarbij dus ook de uitkeringskant van het gehandicaptenvraagstuk zou kunnen worden opgelost.
     De ondergetekende wil gaarne uitspreken dat het in zeker opzicht aantrekkelijk geweest zou zijn om op het advies van de S.E.R. te wachten alvorens de indiening te bevorderen van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, omdat, indien de S.E.R. van oordeel zou zijn dat het wenselijk is een volksverzekering voor arbeidsongeschiktheid in het leven te roepen, de regeling van meet af aan opgezet had kunnen worden als een volksverzekering. De ondergetekende meende evenwel dat het niet verantwoord was daarop te wachten, omdat het periculum in mora te groot is. Hij verliest daarbij niet uit het oog dat inmiddels een interim-regeling voor invaliditeitsrentetrekkers tot stand is gekomen. Hoewel de interim-regeling voor de belangrijke groep van invaliditeitsrentetrekkers van grote betekenis is, mag toch niet uit het oog worden verloren dat
rblz.|3 l.k.| deze regeling een minimumkarakter heeft. Zij is namelijk afgestemd op het loon van een ongeschoolde arbeider en voorts - enkele uitzonderingen daargelaten - beperkt tot degenen die een rentekaart hebben gehad en een voldoende aantal zegels voor invaliditeitsrente in rekening kunnen doen brengen. Verschillende groepen vallen dus buiten de interim-regeling, voor anderen heeft die regeling een beperkter karakter dan de thans voorgestelde, welke van het werkelijk verdiende loon uitgaat. Daarom meende en meent de ondergetekende dat niets mocht en mag worden nagelaten om de arbeidsongeschiktheidsverzekering zo spoedig als mogelijk tot stand te brengen. Hij wijst er echter met nadruk op - en dit ter ondersteuning van zijn adviesaanvrage aan de S.E.R. - dat het hem wil voorkomen dat een volksverzekering voor arbeidsongeschiktheid ernstig in de overwegingen betrokken moet worden.
     In de adviesaanvrage aan de S.E.R. heeft de ondergetekende reeds uiteengezet dat niet goed in te zien is in welk opzicht de zelfstandigen een andere positie in het maatschappelijk verkeer innemen voor wat betreft de maatschappelijke consequenties van langdurige arbeidsongeschiktheid dan de loontrekkenden. De ondergetekende erkent dat voor wat betreft het kortlopende risico de positie van de zelfstandigen een gans andere is dan die van de loontrekkenden. Veelal is het mogelijk door vervanging of door hulp een bedrijf of beroep tijdelijk voort te zetten, doch wanneer eenmaal de arbeidsongeschiktheid een langdurig karakter krijgt, worden de maatschappelijke consequenties ervan vaak zodanig dat zij voor een brede groep van zelfstandigen evenmin te dragen zijn als voor de brede groep der loontrekkenden.
     Er resten dan nog degenen die van hun geboorte af gehandicapt zijn geweest of althans een handicap hebben gekregen, voordat zij in het arbeidsproces zijn opgenomen. Het is de ondergetekende bekend dat van verschillende zijden de vraag is gesteld of deze groep nu wel dient te worden opgenomen in de verplichte sociale verzekering. Men heeft erop gewezen dat het meer aangewezen is dat de lasten voor deze groep geheel voor rekening van de overheid komen. Men heeft tevens gewezen in de richting van de Algemene Bijstandswet. De ondergetekende moge voor wat het laatste betreft eraan herinneren dat de Minister van Maatschappelijk Werk en hij in de memorie van toelichting bij het ontwerp Algemene Bijstandswet duidelijk hebben uiteengezet dat de Algemene Bijstandswet beoogt voorziening te geven in de individuele nood en afgestemd is op die individuele nood, terwijl het in de sociale verzekering om globale uitkeringen gaat. Ook bij de aanwezigheid van sociale verzekeringen kan in bepaalde omstandigheden een aanvullende hulp op grond van de Algemene Bijstandswet noodzakelijk zijn.
     Het wil de ondergetekende voorkomen dat juist de verwezenlijking van het beginsel van gelijke kansen langs de weg van de sociale verzekering een krachtig pleidooi kan betekenen om de gehandicapten die hun handicap hebben gekregen vóór zij in het arbeidsproces zijn opgenomen, ook in een volksverzekering voor arbeidsongeschiktheid op te nemen. Dat de overheid een financiële verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van deze groep ontkent de ondergetekende geenszins. Hij heeft daarvan ook doen blijken in de adviesaanvrage aan de S.E.R.

     5. Het lijkt de ondergetekende thans wenselijk een aspect aan te roeren hetwelk op het ogenblik, met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de eventuele uitgroei dier verzekering tot een volksverzekering, weer in discussie is gesteld, namelijk het aspect van de organisatie der verzekering. Het wil de ondergetekende voorkomen dat de discussie over de volksverzekering vertroebeld kan worden door het organisatieprobleem, zoals dit in het verleden in het kader van de sociale verzekering reeds zo vaak het geval is geweest. Hij vraagt zich af waarvoor dat nodig is. De vraag van de volksverzekering behoeft naar zijn oordeel niet op de vorm van de volksverzekering te prejudiceren.
     De arbeidsongeschiktheidsverzekering welke in het onderhavige ontwerp van wet is neergelegd, is opgezet als een
rblz.|3 r.k.| verzekering uit te voeren door de bedrijfsverenigingen. De ondergetekende heeft in dat opzicht de lijn der ontwikkeling, uitgestippeld bij de totstandkoming van de Organisatiewet Sociale Verzekering en in de adviezen van de S.E.R. en de S.V.R., gevolgd. Hij moge erop wijzen dat het op zichzelf niet ondenkbaar is ook de volksverzekering op een zodanige wijze tot uitvoering te brengen dat de in het onderhavige ontwerp van wet voorziene uitvoeringsorganisatie geheel intact blijft. Denkbaar toch is dat de volksverzekering zich zou beperken tot een bodemvoorziening, waarbij de bedrijfsverenigingen voor de loontrekkenden de thans voorgestelde arbeidsongeschiktheidsverzekering blijven uitvoeren, doch het element van de uitkeringen dat beantwoordt aan de bodemvoorziening intern verrekenen met de Sociale Verzekeringsbank, welk orgaan, tezamen met de Raden van Arbeid, de volksverzekering overigens, dat wil zeggen voor het overige deel van de bevolking, zou kunnen uitvoeren. Ook andere oplossingen zijn denkbaar. Het wil de ondergetekende echter voorkomen dat het er primair om gaat wat uit sociaal-politiek oogpunt dient te geschieden op het stuk van de totstandkoming der voorziening zelf en dat de uitvoeringsorganisatie zo goed mogelijk moet worden opgezet, waarbij met het historisch gewordene natuurlijk voor zoveel mogelijk moet worden rekening gehouden.

     6. De ondergetekende heeft voor dit ogenblik volstaan met de bevordering van de indiening van een ontwerp van wet tot regeling van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en ontwerpen van wet tot wijziging van de Ziektewet en de Organisatiewet Sociale Verzekering, deze laatste wijziging met het oog op de in hoofdstuk 5 nader te bespreken medische dienst. Daarmede is het geheel van regelingen dat nodig is voor de totstandkoming van de arbeidsongeschiktheidsverzekering nog niet afgerond. Voorbereid moeten nog worden een ontwerp van wet houdende de regeling van het overgangsrecht in de arbeidsongeschiktheidsverzekering alsmede ontwerpen tot regeling van de liquidatie van de Invaliditeitswet, de Mijnwerkersinvaliditeitswet, de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919. Voorts dienen uit een oogpunt van aanpassing aan het onderhavige ontwerp van wet in enkele andere socialeverzekeringswetten nog enige wijzigingen van technische en coördinatieve aard te worden aangebracht.
     De ondergetekende heeft zich afgevraagd of het geen aanbeveling verdiende met de indiening van de thans voorliggende ontwerpen te wachten tot ook de overgangsregeling en de Iiquidatieregelingen gereed waren. Hij heeft gemeend dit niet te moeten doen. In de eerste plaats moge hij eraan herinneren dat de regeling van het overgangs- en het liquidatierecht niet alleen het gevolg is van de invoering der arbeidsongeschiktheidsverzekering, maar tevens ten nauwste verband houdt met de totstandkoming van de A.O.W. [Algemene Ouderdomswet, red.] en de A.W.W, De laatstbedoelde wettelijke regelingen zijn ingevoerd zonder de daaruit voortvloeiende consequenties voor de Invaliditeitswet en de Ongevallenwetten te regelen. Die regeling moet thans tegelijk met de invoering der arbeidsongeschiktheidsverzekering tot stand worden gebracht. Zij is evenwel, evenmin als op de algemene ouderdomsverzekering en op de algemene weduwen- en wezenverzekering, van invloed op de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Wel zal de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering mede op de regeling van het overgangsrecht van invloed zijn, hetwelk in hoofdzaak de regeling der verkregen rechten inhoudt. Hiervoor zij overigens verwezen naar bijlage I van deze memorie.
     Vervolgens moge hij eraan herinneren dat de interim-regeling voor invaliditeitstrekkers is opgezet overeenkomstig de adviezen van de S.E.R. en de S.V.R. met betrekking tot de voor invaliditeitsrentetrekkers voorziene overgangsregeling voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Alhoewel de interim-regeling op een aantal punten nog zal moeten worden aangepast, is met deze regeling een belangrijk deel van de overgangsregeling reeds gegeven.
     In de derde plaats moge de ondergetekende eraan herinneren dat vanuit de Staten-Generaal ernstige aandrang is
rblz.|4 l.k.| uitgeoefend om, zo nodig langs partiële weg, de arbeidsongeschiktheidsverzekering tot stand te brengen. De ondergetekende heeft deze weg gevolgd - teneinde de uiteindelijke invoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering te bespoedigen - door thans te komen met de regeling ten principale; deze is, gelet op het bovenstaande, partieel, waarbij zij aangetekend dat de nog in te dienen ontwerpen veel tijd van voorbereiding zullen vorderen.
     Ten slotte moge de ondergetekende erop wijzen dat met name het liquidatie- en het overgangsrecht in menig opzicht dienen te worden afgeleid van het bestaande en van het nieuwe recht. Aan de voorbereiding van deze regelen wordt met kracht voortgewerkt. Intussen is het mogelijk een begin te maken met de parlementaire behandeling van de thans voorgelegde ontwerpen.

     7. In deze inleidende beschouwing wil de ondergetekende thans niet uitvoerig meer ingaan op de inhoud van de nu aanhangig gemaakte ontwerpen. In het onderstaande (verwezen zij in het bijzonder naar hoofdstuk 3) zal dat uitvoeriger en systematisch kunnen geschieden. Hij zou er echter wel op willen wijzen dat hij zoveel mogelijk heeft aangesloten bij de adviezen van de S.E.R. en van de S.V.R. In paragraaf 3.6 is aangegeven op welke belangrijke punten van de adviezen is afgeweken; hiervan is eveneens melding gemaakt in het samenvattende overzicht in hoofdstuk 6.
     Op een belangrijk element zou de ondergetekende in deze inleiding nog de aandacht willen vestigen, en wel hierop dat in het ontwerp arbeidsongeschiktheidsverzekering en als gevolg daarvan ook in het ontwerp tot wijziging van de Ziektewet, geen loongrens voorkomt. Dit is, naar het de ondergetekende wil voorkomen, mede een noodzakelijke en onvermijdelijke consequentie van de samensmelting van de Ongevallenwetten, welke ten onzent nimmer een loongrens hebben gekend, met de Ziektewet en de Invaliditeitswet.
     In dit opzicht komt de regeling ook meer overeen met de regelingen welke in het buitenland bestaan en die in het algemeen evenmin loongrenzen kennen. De schrapping van de loongrens in de Ziektewet leidt tot de noodzaak een zelfstandige loongrensbepaling in het ontwerp Ziekenfondswet te brengen, waarmede de van vele zijden bepleite ontkoppeling een feit wordt.
     Voor een meer uitvoerige motivering van het niet opnemen van een loongrens in de arbeidsongeschiktheidsverzekering zij verwezen naar paragraaf 3.1. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet tot wijziging van de Ziektewet is de ondergetekende op het punt van de afschaffing van de loongrens in de Ziektewet meer diepgaand ingegaan.
     Nu enerzijds de voor de ziekengeldverzekering geldende loongrens zal worden opgeheven en de koppeling van de verplichte ziekenfondsverzekering aan de verplichte verzekering ingevolge de Ziektewet anderzijds komt te vervallen, heeft de ondergetekende zich afgevraagd of het geen aanbeveling zou verdienen onder deze omstandigheden de Ziektewet onmiddellijk in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering te incorporeren. Naar de mening van de ondergetekende is het zeer wel denkbaar de regeling vervat in de Ziektewet en die vervat in het ontwerp van wet inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering in één wet samen te brengen. Hij heeft evenwel voorshands gemeend daartoe nog niet te moeten besluiten, omdat het naar zijn wijze van zien in deze beide regelingen om twee geheel verschillende verzekeringen gaat, al hebben zij beide tot object uitkering in geval van arbeidsongeschiktheid en al wordt in beide wetten niet naar de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid gedifferentieerd. Het wil de ondergetekende voorkomen dat de verplichte ziekengeldverzekering de verzekerde beschouwt in zijn betrokkenheid tot zijn eigen arbeidsmilieu, terwijl dit bij de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet het geval is. In het eerste geval krijgt de verzekerde uitkering wanneer hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn eigen arbeid, terwijl het in het tweede geval gaat om arbeid die voor zijn krachten en bekwaamheid is berekend en die hem ook met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep naar billijkheid kan worden
rblz.|4 r.k.| opgedragen, onverschillig of dat nu arbeid in de eigen onderneming is of in een andere, onverschillig ook of het arbeid is in dezelfde of in een andere bedrijfstak. De ondergetekende ziet de verzekerde in de verplichte ziekengeldverzekering als de naar zijn eigen werk terugkerende verzekerde, terwijl het in de arbeidsongeschiktheidsverzekering gaat om de weer naar het bedrijfsleven terugkerende verzekerde, waar dat voor hem passend is. De ondergetekende ziet voor wat de in de Ziektewet geregelde verzekering betreft ook een zeker verband met het ter zake geldende ontslagrecht.
     Dit verschil in uitgangspunt heeft niet alleen een theoretische maar ook een zeer praktische betekenis. In dit verband moge verwezen worden naar de consequenties ten aanzien van de medische dienst in de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De ondergetekende meent dan ook dat het voorshands zinvol is een scheiding tussen de beide verzekeringen te laten bestaan.

     8. Ten slotte zou de ondergetekende nog een enkele opmerking willen maken in verband met de coördinatie van de Nederlandse wetgeving met andere regelingen, bijvoorbeeld in E.E.G.-verband. Er is namelijk wel naar voren gebracht dat geen enkel land in E.E.G.-verband een arbeidsongeschiktheidsverzekering kent, doch dat in alle andere landen de scheiding tussen ongevallenverzekeringen en invaliditeitsverzekeringen bestaat.
     Het wil de ondergetekende voorkomen dat de omstandigheid dat in andere landen (nog) geen algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering bestaat, geen reden behoeft te zijn in ons land op dit stuk pioniersarbeid na te laten. Voorts moge hij erop wijzen dat, voor wat betreft de coördinatie in E.E.G.-verband, primair van belang is de mate waarin de uitkeringen in geval van ongeval en invaliditeit tussen de verschillende landen afwijken. Het wil hem voorkomen dat het juister is om naar die maatstaf de coördinatie te bezien dan naar de opzet der verzekering.
     Voor een vergelijkend overzicht van de verzekering op het stuk van arbeidsongeschiktheid in een aantal Europese landen zij verwezen naar bijlage II van deze memorie.

 

2. Historisch overzicht


2.1. De ontwikkeling van de verzekeringen die alle arbeidsongeschiktheid tot onderwerp hebben


     1. De vroegste regeling van een verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid was de Ongevallenwet 1901. Het daartoe strekkende ontwerp was in 1898 ingediend door Minister Lely en bevatte een aantal wijzigingen op een vroeger ingediend ontwerp van Minister Van der Sleyden. De rechtsgrond van de ongevallenverzekering was volgens Minister Lely gelegen in het beginsel van het risque professionnel, volgens hetwelk de lasten van de bedrijfsongevallen gerekend moeten worden tot de normale bedrijfsonkosten.
     De toepassing van dit beginsel diende naar het oordeel van de Minister vooralsnog beperkt te blijven tot de meest gevaarlijke bedrijven, terwijl de regeling een publiekrechtelijk karakter diende te hebben. Voor de uitvoering werd een op te richten Rijksverzekeringsbank aangewezen.
     Na verwerping van het ontwerp door de Eerste Kamer, in het bijzonder, omdat de Regering niet tegemoet kwam aan het bezwaar dat de wet de mogelijkheid tot risico-overdracht en tot het dragen van eigen risico niet opende, werd medio 1900 een nieuw wetsontwerp ingediend, waarin onder meer aan dit bezwaar was tegemoet gekomen, waarna het nog in hetzelfde jaar door de beide kamers der Staten-Generaal werd aanvaard en als Wet van 2 januari 1901, Stb. 1901, 1, werd afgekondigd.
     Onder Minister Aalberse werd de Ongevallenwet 1901 in 1921 belangrijk herzien, waardoor de werkingssfeer der wet aanzienlijk werd verruimd. Sedertdien is niet meer sprake van de Ongevallenwet 1901, doch van de Ongevallenwet 1921. De voornaamste wijzigingen welke werden aangebracht, waren de volgende:
rblz.|5 l.k.| a. een belangrijke verruiming in deze zin dat - in tegenstelling tot de oude wet, die beperkt was tot enkele gevaarlijke bedrijven - voortaan alle bedrijven, behalve die van landbouw, tuinbouw, zeevaart en zeevisserij, verzekeringsplichtig zouden zijn; tevens werd een bepaling ingevoegd waardoor bepaalde werkzaamheden die niet in een onderneming worden verricht, in bepaalde gevallen onder de bepalingen der wet werden gebracht;
h. het begrip ongeval werd zodanig verruimd dat voortaan onder ongeval verstaan zou worden een ongeval aan de werkman overkomen in verband met zijn dienstbetrekking, ten gevolge waarvan onder meer ook ongevallen op weg van en naar het werk onder de verzekering zouden vallen. Tot dan toe waren alleen ongevallen in verband met de bedrijfsuitoefening onder de werkingssfeer der wet gebracht;
c. de vrijwillige werkgeversverzekering werd in de wet opgenomen;
d. het werd mogelijk tot decentralisatie van werkzaamheden over te gaan, waardoor een aantal werkzaamheden aan de Raden van Arbeid kon worden opgedragen;
e. de in de Ongevallenwet van 1901 neergelegde organisatie der Rijksverzekeringsbank werd uit de wet gelicht; de organisatie van de Rijksverzekeringsbank zou bij een afzonderlijke wet geschieden.

     Intussen was in 1919 tot stand gekomen de Zeeongevallenwet 1919. Voordien bestond de Oorlogszeeongevallenwet 1915. Die wet werd in 1919 zodanig gewijzigd dat ieder bedrijfsongeval in de zeevaart en zeevisserij voortaan aanspraak op uitkering zou geven. De regeling werd op privaatrechtelijke leest geschoeid.
     In 1922 kwam de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 tot stand, welke de verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen regelt van personen in de land- en tuinbouwbedrijven. Die wet draagt de uitvoering van de verzekering in de eerste plaats op aan bedrijfsverenigingen, te weten door de Kroon erkende verenigingen van werkgevers welke zich belasten met de uitvoering van de bij de wet geregelde verzekering. Deze verenigingen mogen niet beogen winst te maken en haar bestuur moet bestaan uit een even aantal leden, waarvan de helft wordt aangewezen door verenigingen van werknemers.
     Arbeiders in dienst van werkgevers die niet aangesloten zijn bij een bedrijfsvereniging, zijn van rechtswege verzekerd bij de Sociale Verzekeringsbank.
     De wet trad op 1 mei 1923 in werking.
     In 1928 werd een belangrijke wijziging in de Ongevallenwet 1921 en de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 aangebracht als uitvloeisel van het in 1925 op de Internationale Arbeidsconferentie aangenomen ontwerpverdrag betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten. Als gevolg daarvan werd in die wetten een aantal met name genoemde beroepsziekten met ongevallen gelijkgesteld, welk aantal nadien herhaaldelijk werd uitgebreid.
     Voorts werd in 1928 in de Ongevallenwet 1921 opgenomen een regeling tot instelling van de fabrieksartsendienst. Dit was een uitvloeisel van het rapport van de door Minister Slotemaker de Bruine ingestelde commissie-Nolens, welke tot taak kreeg te rapporteren over de betekenis van het instituut van de fabrieksarts voor de ongevallenverzekering en over de wenselijkheid om met betrekking tot ondernemingen waaraan een fabrieksarts was verbonden enige afwijkingen toe te staan van de verplichting betreffende ongevalsaangifte, zoals die verplichting in de Ongevallenwet 1921 was geregeld. Aanleiding tot instelling der commissie was de praktijk van bepaalde ondernemingen waaraan een fabrieksarts was verbonden om bij lichte letsels geen ongevalsaangifte te doen. Dit verzuim kon bij latere ernstige gevolgen leiden tot verjaring van het recht op schadeloosstelling.
     Het rapport van de commissie-Nolens leidde tot een wijziging der Ongevallenwet 1921, waarbij de mogelijkheid geopend werd aan ondernemingen waaraan een behoorlijk
rblz.|5 r.k.| ingerichte geneeskundige dienst is verbonden afwijking toe te staan van de wettelijke voorschriften inzake aangifte van ongevallen en schadeloosstelling daarvan.
     Zoals in hoofdstuk 1 reeds is opgemerkt, bevatte de ongevallenverzekering ten onzent uiteindelijk een tamelijk bevredigende regeling van uitkeringen in geval van ongeval en daarmede gelijk te stellen ziekten en letsels, zoals bijvoorbeeld beroepsziekten en letsels in betrekkelijk korte tijd ontstaan.
     Een belangrijk bezwaar verbonden aan de regeling van de ongevallenverzekering is de omstandigheid dat de uitkeringen niet waardevast zijn. Bij de financiering van de ongevallenverzekeringen is men tot dusverre altijd uitgegaan van het zogenaamde kapitaaldekkingsstelsel, met name van een bepaalde toepassing van het kapitaaldekkingsstelsel, te weten het rentedekkingsstelsel, waarbij op het ogenblik van toekenning van een definitieve rente krachtens een der Ongevallenwetten de contante waarde dier rente gereserveerd moet worden. Het is duidelijk dat in een dergelijk stelsel het onmogelijk is om waardevastheid van de uitkeringen te realiseren. Omdat bij langdurige arbeidsongeschiktheid de vastgestelde uitkeringen zich over vele tientallen van jaren kunnen uitstrekken, leidde dit er in tal van gevallen toe dat de uitkeringen steeds geringer waarde gingen vertegenwoordigen. Dit bracht de noodzaak met zich dat naar analogie van de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet ook een regeling tot stand kwam tot aanvulling van renten krachtens de Ongevallenwetten. De daarin neergelegde percentages zijn geleidelijk aan voor de verschillende groepen van rentetrekkers verhoogd.

     2. Het wetsontwerp dat tot de Invaliditeitswet heeft geleid, werd in 1911 ingediend door Minister Talma. Talma zag de rechtsgrond voor de invaliditeitsverzekering en voor de sociale verzekering in het algemeen bepaald door de volgende gedachte: de verzekering tegen geldelijke gevolgen van de eventualiteiten van het leven hangt samen met de wijziging der voortbrenging. De ontwikkeling in de wijze van voortbrenging is voor de arbeider gepaard gegaan met een vermindering van bestaanszekerheid, terwijl voorts de verhouding tussen de werkgever en de arbeider door het losser worden van de persoonlijke band een geheel andere is geworden. Het is nu de taak en het recht van de overheid zorg te dragen dat niet de verhoudingen welke door haar beschermd en in stand gehouden worden, voor de burgerij of een deel daarvan gevolgen hebben die het rechtsbesef bij de bevolking ondermijnen en daardoor het rechtsleven en daarmede haar eigen bestaan bedreigen. Tot die gevolgen behoort de bestaansonzekerheid. Het is in strijd met het rechtsbesef, aldus Minister Talma, wanneer een arbeider die gearbeid heeft zolang hij kan, op het ogenblik dat hij niet meer kan werken aangewezen is op onderstand van derden. Minister Talma achtte het niet slechts wenselijk, maar ook uit een oogpunt van overwegend maatschappelijk belang geboden dat in het algemeen de arbeidsvoorwaarden voor personen in loondienst op zodanige wijze zijn geregeld dat mede rekening is gehouden met hun behoeften bij ziekte, invaliditeit en ouderdom.
     De beperking van de verzekering tot loonarbeiders heeft in de Staten-Generaal tot bestrijding aanleiding gegeven. Een rechtsgrond op grond waarvan de verzekering beperkt zou moeten worden tot loonarbeiders was naar het oordeel van verschillende Kamerleden te eng. Zij achtten het verkeerd dat de Minister voorbijzag aan die groep die sociaal-economisch met arbeiders gelijk te stellen waren. Het is interessant dat Minister Talma naar aanleiding van deze opmerking verklaarde dat hij nooit van oordeel was geweest dat een verzekering tegen geldelijke gevolgen van ziekte, invaliditeit en ouderdom alleen nodig was voor arbeiders, maar wel dat alleen voor hen vaststond dat een wettelijke regeling van hun inkomen, waarbij ook voor ziekte, invaliditeit en ouderdom hun een uitkering toekwam, nodig en mogelijk was.
     De Invaliditeitswet, die in 1913 onder Talma tot stand kwam, dreigde aanvankelijk niet tot uitvoering te worden gebracht. Het Kabinet-Kort van der Linden, waarin Minister Treub Minister was van Landbouw, Nijverheid en Handel en
rblz.|6 l.k.| later van Financiën, meende dat door de uitspraak van de kiezers een meerderheid in de Tweede Kamer was gekomen die voorstander was van staatspensioen, in verband waarmede de Regering de Invaliditeitswet niet ongewijzigd tot uitvoering meende te mogen brengen. In de Troonrede van 1913 werd dan ook een wetsontwerp in de richting van staatspensioen aangekondigd, maar het daartoe strekkend wetsontwerp heeft het niet tot het Staatsblad kunnen brengen. De Invaliditeitswet trad uiteindelijk 3 december 1919 in werking.
     In de loop van de jaren werden onder meer twee gebreken van de invaliditeitsverzekering steeds klemmender. In de eerste plaats was dit de omstandigheid dat de uitkering niet in enig verband staat met de inkomenspositie van de rentetrekker vóór het ogenblik waarop hij invalide werd, doch slechts verband houdt met de duur der verzekering en het aantal en de waarde der geplakte rentezegels. In de tweede plaats gold dit het bezwaar dat de uitkeringen niet waardevast zijn. Dit heeft ertoe geleid dat na de oorlog de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet tot stand kwam, welke er onder meer toe strekte de invaliditeitsrenten toegekend aan personen beneden de leeftijd van 65 jaar te verhogen met een toeslag van 100%, welke toeslag sedertdien herhaaldelijk is verhoogd en tot toekenning van een gezinstoeslag, aanvankelijk van
ƒ35,- per maand aan gehuwde rentetrekkers en enige daarmede gelijk te stellen categorieën, welke toeslag ook herhaaldelijk verhoogd werd. Uiteindelijk heeft de nood der invaliditeitsrentetrekkers geleid tot de totstandkoming van de interim-regeling voor invaliditeitsrentetrekkers.

     3. Ook de wettelijke ziekengeldverzekering is in 1913 onder Minister Talma tot stand gekomen, nadat ontwerpen van de Ministers Kuyper en Veegens het niet tot openbare behandeling hadden gebracht. Het zou overigens nog vele jaren duren voor deze wettelijke regeling in werking zou treden. In 1919 werd de staatscommissie-Kooien ingesteld, welke tot taak kreeg een ontwerp te maken waarbij de ziektebehandeling en de aansluiting daarvan bij de ziekengeldverzekering zou worden geregeld. Het rapport van deze commissie verscheen reeds na acht maanden. Hierop verscheen een voorontwerp van wet tot wijziging van de Ziektewet, hetwelk de principiële opzet van die wet onaangetast liet en door Minister Aalberse in handen werd gesteld van de Hoge Raad van Arbeid.
     De Hoge Raad bracht in 1920 advies uit, waarin medegedeeld werd dat de meerderheid van de Raad eerst een onderzoek wenste naar het aantal arbeiders dat reeds ingevolge collectieve arbeidscontracten of andere regelingen recht op ziekengeld kon doen gelden. Misschien zou dan blijken dat de voorkeur zou moeten worden gegeven aan een geheel andere regeling der ziekengelduitkering, waarbij organisaties van werkgevers en vakcentrales zonden worden ingeschakeld. Een grote minderheid sprak zich evenwel uit voor de onmiddellijke invoering van de Ziektewet.
     Dit nader onderzoek vond plaats, waarvan het resultaat leidde tot een proeve van een ontwerp-Ziektewet, meestal aangeduid als de zogenaamde proeve Posthuma-Kupers. De proeve wilde de uitvoering van de Ziektewet in handen gelegd zien van rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen van werkgevers en werknemers, bedrijfsverenigingen geheten. Voor de niet-georganiseerde werkgevers zou een ziektegarantiefonds aanvullend optreden. Het toezicht zou worden uitgeoefend door een Raad van Toezicht, bestaande uit vertegenwoordigers van werkgevers, arbeiders en Regering.
     Het vraagstuk werd hiermede niet eenvoudiger. Het invoeren van de Ziektewet werd geleidelijk aan afhankelijk gesteld van de vorm der uitvoeringsorganisatie. Naar het oordeel van Minister Aalberse was het moeilijkste probleem bij het aanvaarden van de proeve Posthuma-Kupers het vraagstuk van de ongeorganiseerde werkgevers. De Minister vond de oplossing van het garantiefonds onbevredigend en achtte het wenselijk naar een nieuwe oplossing te zoeken.
     Met dat doel werd ten departemente een algemene herziening der arbeidersverzekering ontworpen, die gericht was op vereenvoudiging en bezuiniging. In verband daarmede leek het
rblz.|6 r.k.| wenselijk niet tot invoering van de Ziektewet over te gaan, doch daarmede te wachten tot over de algehele herziening der arbeidersverzekering was beslist. Over een desbetreffend voorstel werd het advies gevraagd van de Hoge Raad van Arbeid. Dit voorstel is bekend geworden als het plan-Groeneveld, genaamd naar de toenmalige chef van de afdeling arbeidersverzekering van het Ministerie van Arbeid. Het plan hield onder andere in:
a. een uniforme kring der verzekerden voor alle socialeverzekeringswetten;
b. gelijkstelling van lichte ongevallen met ziektegevallen;
c. uitvoering door één organisatie van de ongevallen- en ziekteverzekering, welke tevens geneeskundige behandeling zou verstrekken;
d. collectieve verzekering in plaats van individuele verzekering;
e. een eenheidsrente voor ouden van dagen, invaliden, weduwen en wezen;
f. uitvoering van de ziekte- en ongevallenverzekering door bedrijfsverenigingen met Raden van Arbeid als restorganen, welke laatste tevens de Invaliditeitswet zouden uitvoeren. De Rijksverzekeringsbank zou worden opgeheven; controle zou plaatshebben door een Raad van Toezicht.

     De Hoge Raad van Arbeid sprak zich in zijn advies uit:
a. voor een uniforme kring der verzekerden;
b. tegen verzekering van geneeskundige hulp voor rekening van het ziekteverzekeringsorgaan;
c. voor het stelsel van eenheidsrenten;
d. voor collectieve verzekering;
e. tegen uitvoering zowel uitsluitend door een overheidsorgaan als uitsluitend door een bedrijfsorgaan.

     In 1924 verscheen hierop een voorontwerp tot regeling van de ziekte- en ongevallenverzekering, waarover de Hoge Raad van Arbeid een gunstig advies uitbracht. Hierna diende de Minister in februari 1925 een vrijwel gelijk ontwerp van wet in bij de Tweede Kamer, hetwelk door aftreden van het Kabinet niet in behandeling kwam.
     In 1926 zond Minister Slotemaker de Bruine een voorontwerp van wet tot wijziging van de Ziektewet aan de Hoge Raad van Arbeid. In dit voorontwerp werd uitgegaan van het beginsel der verplichte verzekering, terwijl het uitsluitend betrekking had op de ziekengeldverzekering en niet op de ziekteverzorging. De ziekengeldverzekering diende naar het oordeel van de Minister in een afzonderlijke wet te worden geregeld. Ten aanzien van de premiebetaling huldigde de Minister het beginsel van samen dragen der premie door werkgevers en werknemers, terwijl het maatschappelijk leven zijns inziens een sterke invloed diende te hebben op de uitvoering.
     De Hoge Raad van Arbeid bracht in 1927 advies uit, waarbij bezwaar werd gemaakt tegen de verbrokkeling welke in de uitvoering zou ontstaan, waardoor controle, medezeggenschap der arbeiders bij de verzekering en prophylaxe onvoldoende gewaarborgd waren.
     Na het uitbrengen van advies door de Hoge Raad van Arbeid diende Minister Slotemaker de Bruine in 1927 een ontwerp van wet tot wijziging van de Ziektewet in, terwijl het ontwerp-Aalberse van 1925 werd ingetrokken. Het wetsontwerp werd door de beide kamers aanvaard, waarna de gewijzigde Ziektewet op 1 maart 1930 in werking trad.
     Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer werden nog een aantal belangrijke wijzigingen in de Ziektewet aangebracht, waarvan de belangrijkste was dat het uitkeringspercentage van 70% op 8
0% werd gebracht.
     Ten slotte zij nog opgemerkt dat overeenkomstig het bepaalde in de Organisatiewet Sociale Verzekering van 1952 de uitvoering van de ziekengeldverzekering met ingang van 1 januari 1953 geheel in handen werd gelegd van de bedrijfsverenigingen.

rblz.|7 l.k.| 

2.2. De naoorlogse reorganisatieplannen


     1. Van de naoorlogse adviezen met betrekking tot de verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid is in de eerste plaats van betekenis het rapport van de commissie ingesteld bij beschikking van de Minister van Sociale Zaken van 26 maart 1943 met de opdracht algemene richtlijnen vast te stellen voor de toekomstige ontwikkeling van de sociale verzekering in Nederland, het zogenaamde rapport-Van Rhijn.
     Met betrekking tot de verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid waren alle leden van de commissie-Van Rhijn het erover eens dat werknemers die in dienst van een bedrijf werkzaam zijn en daarmede gelijkgestelde categorieën die onder de huidige ongevallenverzekering vallen, ook in de toekomst voorlopig op gunstiger voorwaarden gecompenseerd dienden te worden, zo zij ten gevolge van een ongeval of ziekte in staat van blijvende arbeidsongeschiktheid komen te verkeren, dan overige invaliden voor wie in de algemene invaliditeitsverzekering een voorziening is getroffen. Eveneens heerste eenstemmigheid omtrent de wenselijkheid van gelijkstelling, voor wat betreft voorwaarden, tijdsduur en bedrag, van de uitkeringen die wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid volgens de Ongevallenwet worden verstrekt met die welke krachtens de ziekteverzekering worden toegekend.
     Een deel der commissie wenste echter nog verder te gaan en zou één samenvattende bedrijfsverzekering tegen ziekten en ongevallen in het leven willen roepen teneinde de moeilijke vraag of de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een ongeval, een beroepsziekte, dan wel van een niet door de ongevallenverzekering gedekte oorzaak, geheel overbodig te maken. Een ander deel der commissie vreesde echter dat zulks tot onbillijkheden zou leiden. Waar een geprivilegieerde behandeling van werknemers in dienst van een bedrijf met betrekking tot invaliditeit hoofdzakelijk rechtvaardiging vindt, aldus dit deel der commissie, in de overweging dat de oorzaak der invaliditeit verband houdt met de uitoefening van hun beroep, dan valt, naar het oordeel van dit deel der commissie, wanneer men dit verband geheel laat schieten, moeilijk in te zien waarom andere leden der bevolking, zo zij door invaliditeit getroffen worden, met een lager pensioen genoegen zouden moeten nemen.
     Overigens zou, naar het eenstemmig oordeel der commissie, aanzienlijke verbetering moeten komen in de geldende invaliditeitsverzekering, die, mede in het licht der nieuwere denkbeelden hieromtrent in het buitenland, in haar huidige gedaante onvoldoende moest worden geacht. Voor Nederland zou een regeling als die van het Beveridgeplan, waarbij met betrekking tot de geldelijke vergoeding geen onderscheid gemaakt wordt tussen ziekte en invaliditeit, om verschillende redenen - voornamelijk van financiële aard - niet in aanmerking kunnen komen, doch wel zou de scherpe overgang van ziekte tot invaliditeit in de zin van de bestaande socialeverzekeringswetgeving in ons land aanmerkelijk moeten worden verzacht.
     Behalve door verbetering in de voorzieningen krachtens de Invaliditeitswet zou dit tevens moeten worden bewerkstelligd door opheffing van de in de ziekengeldverzekering gestelde maximumuitkeringstermijn van zes maanden en, dit volgt vanzelf uit hetgeen hierboven omtrent de ongevallenverzekering werd opgemerkt, van de in de Ongevallenwet gestelde tijdslimiet van zes weken voor de uitkering wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Men zou deze uitkering moeten laten voortduren tot op het ogenblik waarop een blijvende toestand geacht kan worden in te treden en de tijdelijke uitkering dus door een pensioen kan worden vervangen. Daarbij zou een flinke minimumtermijn moeten worden vastgesteld, na afloop waarvan een (vooralsnog onvermijdelijk lager) invaliditeitspensioen in de plaats zou moeten treden van de tijdelijke uitkering. In de Britse regeringsvoorstellen bijvoorbeeld was een zodanige minimumtermijn niet korter dan drie jaren gedacht. De commissie meende dat het voorts aanbeveling verdiende de in de ziekengeldverzekering nieuw op te nemen
rblz.|7 r.k.| bevolkingsgroepen, in het voetspoor der door de Staatscommissie-Van Bruggen gedane voorstellen, op geheel of vrijwel dezelfde voorwaarden toe te laten als de reeds door deze verzekering omvatte personen en hun uitkering niet, zoals onder anderen Beveridge dit deed, afhankelijk te stellen van het verloop van een min of meer langdurige periode van ziekte. Aangetekend zij nog dat de commissie het stellen van een maximuminkomensgrens voor deelneming in de verzekering niet gewenst achtte.

     2. Over de adviezen van de commissie-Van Rhijn heeft de toenmalige Minister van Sociale Zaken, dr. W. Drees, het advies gevraagd van het Bestuur van de Stichting van den Arbeid, terwijl hij tegelijkertijd aan een kleine technische ambtelijke commissie, wederom onder voorzitterschap van mr. dr. A.A. van Rhijn, opdracht gaf om uitgewerkte voorstellen voor herziening en uitbreiding der sociale verzekering te ontwerpen. Die commissie heeft aan verschillende groeperingen van het maatschappelijk leven gelegenheid gegeven haar inzichten omtrent een herziening van de sociale verzekering kenbaar te maken. Nadat de Stichting van den Arbeid een tweetal adviezen had uitgebracht, waaruit bleek dat de vertegenwoordigers van werkgevers- en arbeidersorganisaties in de commissie voor de sociale verzekering van de Stichting van den Arbeid in belangrijke mate overeenstemming hadden verkregen over de hoofdlijnen van de toekomstige herziening en unificatie van de sociale verzekering, achtte Minister Drees het voor een goede en vlotte gang van zaken gewenst de werkzaamheden van de technische Regeringscommissie te coördineren met die van de desbetreffende commissie uit de Stichting van den den Arbeid. In overleg met het bestuur van de Stichting werden daarop beide commissies samengevoegd tot een zogenaamde gemengde commissie, welke aanvankelijk alleen het vraagstuk van de oudedagsverzekering zou bezien, doch later het gehele vraagstuk van de herziening der sociale verzekering in studie heeft genomen. Dat was in september 1947.
     In maart 1948 heeft de gemengde commissie advies aan Minister Drees uitgebracht. Minister Drees tekende bij het rapport aan dat hij goeddeels kon meegaan met de hoofdlijnen die in het rapport waren ontwikkeld, al moest hij zich uiteraard ten aanzien van de uitwerking zijn definitief oordeel voorbehouden.
     De gemengde commissie-Van Rhijn kwam tot de conclusie dat uitbreiding van de verplichte sociale verzekering tot de zelfstandigen gewenst was.
     In tegenstelling tot de ouderdomsverzekering, de weduwenverzekering en de kinderbijslagverzekering, welke aanstonds tot alle zelfstandigen zouden dienen te worden uitgebreid, waren de ziekengeld- en invaliditeitsverzekering geleidelijk op de verschillende groepen van zelfstandigen toe te passen. Met uitzondering voor de ongevallen- en kinderbiislagverzekering achtte de commissie een loon- of inkomensgrens wenselijk, over de hoogte waarvan in het midden der commissie verschil van mening bestond.
     Van de voorstellen der commissie met betrekking tot de ziekengeldverzekering waren de belangrijkste dat zij het wenselijk oordeelde de maximumuitkeringsduur van het ziekengeld te verlengen van één jaar op twee jaar en dat de mogelijkheid open zou worden gehouden om het ziekengeld op een latere dag te doen ingaan dan op de derde dag na die van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid.
     Ten aanzien van de ongevallenverzekering meende de commissie dat op historische en praktische gronden een afzonderlijke ongevallenverzekering diende te worden gehandhaafd. De arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ongeval diende voor de eerste twee jaren geheel gelijkgesteld te worden met de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, behoudens afzonderlijke registratie. Bij algehele arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ongeval zou de ongevallenrente na de eerste twee jaren gesteld moeten worden op 70% van het dagloon, bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op een evenredig deel daarvan. Zij meende voorts dat in afwachting van de reorganisatie van het ziekenfondswezen de afzonderlijke regeling voor genees-
rblz.|8 l.k.| en heelkundige behandeling en de verstrekking van kunstmiddelen diende te worden gehandhaafd.
     Ten aanzien van de invaliditeitsverzekering meende de commissie dat deze gedurende de eerste twee jaren geheel diende op te gaan in de ziekteverzekering. Vervolgens diende de invaliditeitsuitkering een percentage te bedragen van het loon en zou zij, indien zulks naar het oordeel van medische deskundigen mogelijk was, in evenredigheid met de mate van arbeidsongeschiktheid moeten worden vastgesteld. Zij zou bij totale arbeidsongeschiktheid gesteld moeten worden op 70% van het dagloon gedurende het eerste jaar, op 60% gedurende het tweede jaar en daarna op 50% tot de 65-jarige leeftijd, terwijl bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid een evenredig deel daarvan zou moeten worden toegekend. Bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zou de invaliditeitsuitkering moeten worden vervangen door een ouderdomspensioen. Ten slotte zouden voor een invaliditeitsuitkering in aanmerking moeten komen alleen degenen die gedurende drie jaren premie zouden hebben betaald.
     De commissie was van oordeel dat indien het denkbeeld de uitkering te doen variëren met de mate van invaliditeit niet zou kunnen worden verwezenlijkt, de vraag nader onder ogen zou moeten worden gezien of de invaliditeitsuitkering niet zou kunnen worden verleend bij een invaliditeit van minstens 50% dan wel dat dit zou moeten geschieden bij het thans geldende percentage van 66⅔.
     De uitvoering van alle socialeverzekeringswetten zou moeten geschieden door bedrijfsverenigingen, terwijl de administratie der bedrijfsverenigingen zou moeten worden toevertrouwd aan een centraal administratiekantoor, dat overal in den lande bijkantoren en agentschappen zou hebben.

     3. In juni 1952 wendden Minister Joekes en Staatssecretaris Van Rhijn zich tot de S.E.R. met een nota inzake de invaliditeitsverzekering. Deze nota bevatte een korte beschrijving van het huidige stelsel van invaliditeitsverzekering, zoals die is neergelegd in de Invaliditeitswet, een beknopt overzicht van een aantal buitenlandse stelsels, een samenvatting van hetgeen in het rapport der gemengde commissie-Van Rhijn over het vraagstuk van de invaliditeitsverzekering werd gezegd en enige beschouwingen over de mogelijke grondslagen van een toekomstige invaliditeitsverzekering. Aan de nota was een aantal vraagpunten toegevoegd, waaromtrent advies werd gevraagd aan de S.E.R. In december 1955 werd deze vraagstelling door de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de heer J.G. Suurhof, aangevuld doordat deze de mening van de S.E.R. vroeg aangaande een mogelijke sanering van het Invaliditeits- en Ouderdomsfonds.
     De S.E.R. stelde zijn advies vast op 11 januari 1957. De S.E.R. was van oordeel dat het aan artikel 72 van de huidige Invaliditeitswet ten grondslag liggende invaliditeitsbegrip, krachtens hetwelk invaliditeit is vermindering van het produktief arbeidsvermogen ten gevolge van een functiestoornis en de in dat begrip genoemde maatstaven voor het vaststellen van het resterend arbeidsvermogen, ook als uitgangspunten voor de nieuwe verzekering zouden kunnen worden aanvaard.
     Voor wat betreft de omvang die de vermindering van het produktief arbeidsvermogen moet hebben bereikt voordat invaliditeit in de zin der wet aanwezig zou zijn, achtte de S.E.R. een wijziging gewenst, zodat ook bij gedeeltelijke invaliditeit aanspraken zouden ontstaan. Volledige aansluiting bij het te dezen aanzien in de ongevallenverzekering gevolgde stelsel, hetgeen tot schatting van relatief kleine invaliditeitsverschillen zou nopen, achtte de S.E.R. medisch en praktisch onuitvoerbaar. Het maximaal bereikbare was voorlopig een schatting in vier invaliditeitsklassen, respectievelijk van 0 tot 25%, 25 tot 50%, 50 tot 75% en 75 tot 100% invaliditeit.
     De S.E.R. was van oordeel dat de invaliditeitsverzekering zich diende te beperken tot de loontrekkenden. Het uiteenlopen van de behoeften van de zelfstandigen aan een voorziening tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit en de te verwachten moeilijkheden bij de inning van de premies van zelfstandigen met lage inkomens maakten het naar het oordeel van de
rblz.|8 r.k.| S.E.R. ongewenst de zelfstandigen in de verplichte invaliditeitsverzekering te betrekken. De verzekering zou echter alle loontrekkenden - ongeacht de hoogte van hun loon en inclusief het overheidspersoneel - dienen te omvatten.
     Een premie- en uitkeringsloongrens gelijk aan die van de Ongevallenwetten achtte de S.E.R. gewenst, aangezien voor degenen wier loon boven die grens uitgaat voor het meerdere het opleggen van een verplichting om zich te verzekeren tegen geldelijke gevolgen van loonderving wegens invaliditeit niet noodzakelijk werd geacht.
     Het verdiende naar het oordeel van de S.E.R. geen aanbeveling voor de zelfstandigen de mogelijkheid van vrijwillige toetreding tot de verzekering te openen. Het gevaar zou dan dreigen dat slechts degenen wier gezondheidstoestand doet verwachten dat zij te eniger tijd recht op de prestaties der verzekering zouden kunnen doen gelden, zouden toetreden. De Raad meende dat door het stellen van medische voorwaarden aan de toetreding dit gevaar onvoldoende zou kunnen worden gekeerd. De Raad achtte het echter aanvaardbaar dat wel de mogelijkheid werd geopend van vrijwillige voortzetting der verzekering voor degenen wier verplichte verzekering een einde nam. De Raad achtte dat billijk, aangezien in het voorgestelde verzekeringsstelsel niet paste dat op grond van de verrichte premiebetaling in individuele gevallen aanspraken op uitkering worden geschapen welke in stand blijven nadat de plicht tot premiebetaling een einde heeft genomen. Tot de vrijwillige voortzetting zouden slechts toegelaten dienen te worden diegenen wier verzekering ten minste drie jaren zou hebben geduurd. Teneinde hen in de gelegenheid te stellen van de mogelijkheid van voortzetting gebruik te maken, ware aan de aanspraken uit de verzekering na de beëindiging van de verzekering een nawerking van vier weken te geven. Enige leden van de Raad achtten een dergelijke vrijwillige voortzetting van de verzekering in strijd met de voorgestelde opzet daarvan.

     Voor wat betreft de prestaties der verzekering adviseerde de S.E.R. het volgende.


a. De uitkeringen ter gedeeltelijke compensatie van de loonderving

     De invaliditeitsverzekering geeft, naar het oordeel van de S.E.R. slechts dan een redelijke compensatie van door invaliditeit veroorzaakte loonderving indien de uitkeringen verband houden met het gederfde loon en met de mate van invaliditeit. Aangezien, naar de S.E.R. van de zijde van medische deskundigen was gerapporteerd, medisch en praktisch slechts een schatting van de invaliditeit in vier klassen mogelijk was, betekende dit dat voor invaliditeit gelegen tussen het minimum- en het maximumpercentage van elke klasse, een bepaald percentage van het gederfde loon diende te worden uitgekeerd. Voorgesteld werd deze percentages als volgt vast te stellen:

Invaliditeitsklasse Percentage dagloon
0-25% x0
25-50% 20
50-75% 45
75-100% 70

     Het deel van het loon uitgaande boven de uitkeringsloongrens diende, naar het oordeel van de S.E.R., voor het bepalen van de uitkering niet in aanmerking te worden genomen. Aangezien loonwijzigingen tijdens de uitkeringsduur de omvang van loonderving beïnvloeden, zou de doelstelling van de verzekering slechts ten volle kunnen worden verwezenlijkt door aanpassing van de uitkeringen aan de wijzigingen in de algemene loonindex.
     Gelet op de omstandigheid dat met de totstandkoming van de Algemene Ouderdomswet de ouderdom als een zelfstandige oorzaak van inkomensderving is aangemerkt, is er volgens de S.E.R. geen reden daarnaast na het bereiken van de 65-jarige leeftijd een vergoeding wegens loonderving uit hoofde van invaliditeit toe te kennen. De uitkeringen krachtens de invaliditeitsverzekering dienden daarom bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd een einde te nemen.
    
rblz.|9 l.k.| Voorts diende volgens het advies cumulatie van uitkeringen krachtens de invaliditeitsverzekering met uitkeringen krachtens de ongevallen- en ziekengeldverzekering te worden voorkomen. Hiertoe ware te bepalen dat, behoudens enkele uitzonderingen, het recht op invaliditeitsuitkering eerst zou ingaan nadat de maximumperiode gedurende welke recht bestaat op ziekengeld is verstreken en dat geen recht op invaliditeitsuitkering zou bestaan indien ter zake van de uit een stoornis voortvloeiende loonderving aanspraak zou bestaan krachtens één der wettelijke ongevallenverzekeringen. Voor de verzekerden die niet tevens verzekerd zijn krachtens de wettelijke ziekengeldverzekering ware te bepalen dat aanspraak op invaliditeitsuitkering eerst zou ontstaan nadat de arbeidsongeschiktheid één jaar zou hebben geduurd. Voor de verzekerden die niet verzekerd waren krachtens één der wettelijke ongevallenverzekeringen verdiende volgens de S.E.R. overweging een regeling welke zou moeten voorkomen dat door betaling van de premie voor de invaliditeitsverzekering zowel het invaliditeits- als het ongevallenrisico zou worden gedekt. Teneinde misbruik van de verzekering te voorkomen, achtte de S.E.R. het gewenst dat het uitvoeringsorgaan bevoegd zou zijn uitkering te weigeren als de arbeidsongeschiktheid zou intreden binnen één jaar na de aanvang van de verzekering en zij redelijkerwijze het gevolg kan worden geacht van de gezondheidstoestand van de verzekerde bij de aanvang van de verzekering.


b. De revalidatie

     Tot herstel of ter vergroting van de arbeidsgeschiktheid zou naar de mening van de S.E.R. de mogelijkheid moeten worden geopend dat krachtens de verzekering genees- en heelkundige behandeling en andere voorzieningen, zoals omscholing, hulpmiddelen e.d., worden verstrekt. De beslissing hieromtrent diende aan het uitvoeringsorgaan te worden overgelaten. Bij weigering om een voorgeschreven behandeling te volgen, zou in die gedachtengang het uitvoeringsorgaan bevoegd dienen te zijn tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de uitkering over te gaan, respectievelijk bij een preventieve behandeling, bij voorbaat te beslissen dat geen uitkering zal worden verleend, indien later invaliditeit intreedt. Indien het ondergaan van een medische ingreep wordt voorgeschreven, zou, alvorens aan de weigering financiële consequenties voor de verzekerde worden verbonden, naar analogie van artikel 27b van de Ongevallenwet, een bijzondere procedure dienen te worden gevolgd teneinde vast te stellen of de aangevoerde bezwaren medisch gegrond zijn.
     De S.E.R. was van oordeel dat voor de aanpassing van de uitkeringen aan wijzigingen in de algemene loonindex financiering door middel van een omslagstelsel het meest doelmatig was.
     Gelet op het collectieve karakter der verzekering en op de vaststelling van de uitkeringen in een percentage van het loon, zou het in de rede liggen ook de premie uit te drukken in een percentage van het loon, zoals dit is omschreven in paragraaf 2 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, met dien verstande dat het deel van het loon dat uitgaat boven de premieloongrens, voor de premieberekening niet in aanmerking wordt genomen.
     Een deel van de Raad was van oordeel dat van alle verzekerden een uniform percentage van het premieplichtige loon moest worden geheven. Bij premievaststelling per bedrijfsvereniging zouden als gevolg van de lange duur van een deel der uitkeringen en van de financiering volgens het omslagstelsel premieverschillen ontstaan, die naar het oordeel van dit deel van de Raad niet gerechtvaardigd zijn. Een ander deel van de Raad was van mening dat uitvoering van de verzekering door bedrijfsverenigingen het vaststellen van de premie door elke bedrijfsvereniging afzonderlijk insluit, tenzij overwegende technisch-administratieve of economische bezwaren zich hiertegen verzetten. Dergelijke bezwaren doen zich, naar het oordeel van dit deel van de Raad, hier niet voor.
     De premie zou naar de mening van de S.E.R. waarschijnlijk ±2,5% van de premieplichtige loonsom bedragen.
rblz.|9 r.k.| De economische repercussies van invoering der verzekering hangen samen met de economische situatie op het tijdstip dat invoering overwogen wordt. In verband daarmede heeft de Raad zich in zijn advies onthouden van het uitspreken van een oordeel over de bij invoering te nemen loonpolitieke maatregelen.
     Overeenkomstig de Organisatiewet Sociale Verzekering zou naar de mening van de Raad de invaliditeitsverzekering door de bedrijfsverenigingen dienen te worden uitgevoerd. Teneinde te waarborgen dat ten aanzien van de invaliditeitsschatting en de beoordeling van de revalidatiemogelijkheid gelijke maatstaven worden aangelegd, zullen coördinatiemaatregelen ten aanzien van de medische beoordeling moeten worden getroffen.
     De Raad achtte een voldoende coördinatie gewaarborgd indien zou worden voorgeschreven dat de adviezen van de medische diensten der bedrijfsverenigingen betreffende aanvragen om toekenning van invaliditeitsuitkering aan de besturen worden voorgelegd, voorzien van het oordeel van een centraal beoordelingsorgaan. De grootst mogelijke minderheid van de Raad achtte het voor een voldoende coördinatie van de medische beoordeling noodzakelijk dat de invaliditeitsschatting en de beoordeling van de revalidatiemogelijkheid door een centraal medisch orgaan zouden geschieden dat ten behoeve van alle bedrijfsverenigingen werkzaam zou zijn.
     De vraag of het aanbeveling verdient de ziekengeld-, invaliditeits- en ongevallenverzekering tot één wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid samen te vatten, heeft de S.E.R. in zijn rapport van 1957 niet expliciet behandeld, omdat een dusdanige unificatie de invoering van de noodzakelijke verbeteringen in de invaliditeitswetgeving ongetwijfeld zou vertragen. Wel is gestreefd naar een verzekeringsstelsel dat geen elementen bevat welke voor het tot stand brengen van een wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid een belemmering zouden kunnen vormen.
     Over het overgangsrecht heeft de S.E.R een afzonderlijk advies vastgesteld.

     4. Intussen had bij schrijven van 26 februari 1954 de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken aan de S.V.R. verzocht hem van advies te willen dienen inzake de overdracht van de industriële ongevallenverzekering aan de bedrijfsverenigingen ingevolge de Organisatiewet Sociale Verzekering. Daarnaast verzocht de bewindsman hem afzonderlijk het gevoelen van de Raad kenbaar te willen maken omtrent het vóór bedoelde overdracht aan genoemde organen opdragen van de premievaststelling en -inning voor de in de Ongevallenwet 1921 geregelde verzekering. Met betrekking tot het eerste deel van bedoeld verzoek bracht de S.V.R. op 3 oktober 1958 een interim-advies uit. Daarin gaf hij te kennen dat het aanbeveling verdiende de totstandkoming te bevorderen van een arbeidsongeschiktheidsverzekering welke de thans in de Ziektewet, de Invaliditeitswet en de Ongevallenwetten ter zake geregelde verzekeringen zou dienen te omvatten.
     Nadat dit interim-advies was uitgebracht, heeft de S.V.R. deze gedachte verder onderzocht. De conclusie waartoe de verdere bestudering van de materie leidde met betrekking tot de inhoud en de wijze van uitvoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, werd neergelegd in een advies van 21 juli 1960. In dit advies gaat de S.V.R. ervan uit dat de opzet en de wijze van financiering der tot stand te brengen arbeidsongeschiktheidsverzekering in hoofdzaak dezelfde dienen te zijn als die welke de S.E.R. in zijn in 1957 uitgebrachte advies voor een nieuwe invaliditeitsverzekering heeft aangegeven. Naar de mening van de Raad zijn de grondslagen van de in dat advies voorgestelde invaliditeitsverzekering in wezen dezelfde als die van de arbeidsongeschiktheidsverzekering welke de Raad voor ogen staat. Slechts op enkele onderdelen heeft de Raad gemeend te moeten afwijken van hetgeen in vorenbedoeld advies ten aanzien van de invaliditeitsverzekering is aanbevolen.
    
rblz.|10 l.k.| Alhoewel de arbeidsongeschiktheidsverzekering welke de S.V.R. voor ogen staat in beginsel het gehele terrein van de thans in de Ziektewet, de Ongevallenwetten en de door de S.E.R. voorgestelde nieuwe Invaliditeitswet geregelde verzekeringen dient te omvatten, verdient het echter naar het oordeel van de S.V.R. aanbeveling de opzet der arbeidsongeschiktheidsverzekering voorshands in dier voege te beperken dat zij alleen het terrein der door de S.E.R. aanbevolen nieuwe invaliditeitsverzekering en dat van de in de huidige Ongevallenwetten geregelde verzekeringen bestrijkt.
     Het wilde de Raad namelijk voorkomen dat aan het thans reeds in een arbeidsongeschiktheidsverzekering opnemen van de in de Ziektewet geregelde verzekering bepaalde bezwaren zijn verbonden. Behalve dat de voor laatstgenoemde verzekering geldende loongrens daaraan in de weg staat, is ook de nog bestaande koppeling van de verplichte ziekenfondsverzekering aan de verzekering volgens de Ziektewet daarvoor een beletsel, aldus de Raad. In de opzet welke de Raad voor ogen staat, zal de arbeidsongeschiktheidsverzekering zich dus vooralsnog dienen te beperken tot het voorzien in de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid na het verstrijken van de maximumuitkeringstermijn welke geldt voor de wettelijke ziekengeldverzekering.
     In deze opzet zal de ziekengeldverzekering dan echter in dier voege gewijzigd dienen te worden dat het thans ten aanzien van de aanspraken op uitkering ingevolge de Ziektewet bestaande onderscheid tussen arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte - waaronder begrepen ongevallen welke niet in verband staan met de dienstbetrekking - en arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ongeval in verband met de dienstbetrekking - waaronder begrepen beroepsziekten - komt te vervallen. Vervolgens acht de S.V.R. het in verband met de door hem gekozen opzet der arbeidsongeschiktheidsverzekering noodzakelijk dat de maximumuitkeringstermijn der wettelijke ziekengeldverzekering, welke thans 52 weken bedraagt, tot 26 weken wordt verkort. In de gedachtengang van de Raad zal de aanspraak op geldelijke schadeloosstelling waarin de arbeidsongeschiktheidsverzekering zal dienen te voorzien, namelijk moeten ingaan nadat de daartoe aanleiding gevende arbeidsongeschiktheid ten minste 26 weken zal hebben geduurd. Dit heeft mede tot gevolg dat in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid deze na niet te lange tijd in de uitkering tot uitdrukking zal komen, hetgeen in het kader van de ziekengeldverzekering slechts onder beperkende voorwaarden mogelijk is. Dit kan de wederinschakeling in het arbeidsproces vergemakkelijken.
     De geldelijke schadeloosstelling dient, naar de mening van de S.V.R., in het algemeen bij volledige arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste 26 weken 80% en daarna 70% van het loon te bedragen en, in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. een evenredig deel van dat percentage. De uitvoeringsorganen dienen evenwel bevoegd te zijn om gedurende het tijdvak van twee jaren waarin het risico bedrijfstaksgewijze wordt gedragen, daarvan naar boven af te wijken.
     Arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% zou geen aanspraak op geldelijke schadeloosstelling dienen te geven, terwijl bij arbeidsongeschiktheid van meer dan 75% aanspraak op schadeloosstelling naar het maximumuitkeringspercentage zou moeten bestaan.
     In de gevallen waarin de mate van de arbeidsongeschiktheid niet nauwkeurig is vast te stellen, zou het uitvoeringsorgaan naar het oordeel van de S.V.R. bevoegd moeten zijn het invaliditeitsklassenstelsel, dat in het advies van de S.E.R. ten aanzien van de invaliditeitsverzekering is voorgesteld, te volgen, met dien verstande echter dat indien de arbeidsongeschiktheid geacht moet worden tussen de 25 en 50% te zijn gelegen, het percentage daarvan op 35 zal zijn te stellen en wanneer de arbeidsongeschiktheid geacht moet worden tussen 50 en 75% te liggen, dat percentage geacht zal worden 65 te bedragen. Voor de berekening van de geldelijke schadeloosstelling zal overeenkomstig de Coördinatiewet Sociale Verzekering een maximumdagloon moeten gelden. De S.V.R. beval waardevastheid der uitkeringen aan en meende
rblz.|10 r.k.| dat de geldelijke schadeloosstellingen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd een einde zouden dienen te nemen. De S.V.R. was van oordeel dat de voorgestelde arbeidsongeschiktheidsverzekering de mogelijkheid van verstrekking van genees- en heelkundige behandeling diende te bevatten, namelijk in die gevallen waarin bijzondere behandelingen buiten de normale gezondheidszorg noodzakelijk zijn voor een spoedig en zo volledig mogelijk herstel der arbeidsgeschiktheid dan wel teneinde te voorkomen dat de arbeidsongeschiktheid verergert.
     De S.V.R. was voorts van oordeel dat de middelen zouden dienen te worden opgebracht door het heffen van premie van de werkgevers, welke premie voor de helft door de werkgevers en voor de helft door de werknemers zou zijn op te brengen. De premie zou dienen te worden uitgedrukt in een percentage van het loon, met dien verstande dat voor de premieheffing evenals ten aanzien van de geldelijke schadeloosstellingen een maximumdagloon zal gelden.
     In verband met het karakter der geldelijke schadeloosstellingen zou naar het oordeel van de S.V.R. de financiering der verzekering op het zuivere omslagstelsel gebaseerd dienen te zijn, terwijl het uit een oogpunt van premiestabilisatie aanbeveling zou verdienen een in omvang beperkte schommelreserve te vormen.
     De S.V.R. wees erop dat de bedrijfstaksgewijze uitvoeringsorganisatie ingevolge de Organisatiewet Sociale Verzekering medebrengt dat het risico in principe bedrijfstaksgewijze wordt gedragen. Het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid achtte de S.V.R. evenwel een maatschappelijk risico dat gelijkelijk door het bedrijfsleven zou dienen te worden gedragen.
     Teneinde beide aspecten tot hun recht te doen komen, beval de Raad aan de kosten der geldelijke schadeloosstellingen voor gevallen van arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste twee jaren nadat de aanspraak daarop ingevolge de arbeidsongeschiktheidsverzekering is ingegaan, geheel te doen dragen door de bedrijfstakken waarover de afzonderlijke bedrijfsverenigingen haar werkingssfeer uitstrekken. Dat houdt dus in dat in afwijking van het advies van de S.E.R. inzake de invaliditeitsverzekering, werd voorgesteld dat de ter dekking van de kosten over bedoelde periode te heffen premies per bedrijfsvereniging kunnen verschillen. De kosten der na het verstrijken van deze termijn te verstrekken uitkering zouden gelijkelijk door het bedrijfsleven in zijn geheel gedragen dienen te worden, weshalve de daarvoor te heffen premie uniform zou moeten zijn.
     Het uniforme deel van de op te brengen premie zou door de bedrijfsverenigingen moeten worden gestort in een vereveningsfonds, waaraan de naam Algemeen Invaliditeitsfonds ware te geven.
     Wat de kosten van de voor rekening van de verzekering te verstrekken genees- en heelkundige behandeling en de revalidatie aangaat, was het deel van de Raad dat zich uitsprak voor erkenning van het recht der bedrijfsverenigingen tot het instellen van een eigen medische dienst, van oordeel dat daarvoor hetzelfde toerekeningsstelsel als voor de kosten van de geldelijke schadeloosstellingen zal dienen te gelden. Het deel van de Raad dat voor een gemeenschappelijke medische dienst geopteerd had, was van mening dat de kosten van genees- en heelkundige behandeling en revalidatie gelijkelijk door het bedrijfsleven zouden moeten worden gedragen en mitsdien voor rekening van het uniforme deel der premie dienden te komen.
     Voor wat de uitvoeringsorganisatie betreft, was de Raad van oordeel dat de uitvoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de bedrijfsverenigingen diende te worden opgedragen.
     Ten aanzien van de medische aspecten der verzekering bestond echter verschil van mening. Een deel van de Raad was van oordeel dat het beginsel van het zelf doen ook moest gelden ten aanzien van de medische en arbeidstechnische beoordeling van de verzekerden. In deze gedachtengang zouden de bedrijfsverenigingen, die zelfstandig haar administratie voeren, vrij dienen te zijn om onder voorwaarden, te stellen door de
rblz.|11 l.k.| S.V.R., alleen of tezamen met één of meer andere bedrijfsverenigingen, tot instelling van een medische dienst ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsverzekering over te gaan. Daarnaast ware ter bevordering van de coördinatie in de medische beoordeling een medisch contactorgaan in te stellen, hetwelk onder leiding zou dienen te staan van een aan het Algemeen Invaliditeitsfonds te verbinden medisch adviseur.
     Het andere deel van de Raad was van mening dat een goede en doelmatige uitvoering van de medische aspecten van de arbeidsongeschiktheidsverzekering alleen gewaarborgd zal zijn door de daaraan verbonden taken op te dragen aan een daarvoor in te stellen gemeenschappelijke medische dienst voor alle uitvoeringsorganen. Deze dienst, waarin het huidige medische apparaat van de Sociale Verzekeringsbank voor de ongevallenverzekering zou zijn op te nemen, zou verbonden dienen te zijn aan het Algemeen Invaliditeitsfonds. In de gedachtengang van dit deel van de Raad zouden de gevallen van arbeidsongeschiktheid van korte duur ter beoordeling aan de bestaande medische diensten der bedrijfsverenigingen kunnen worden overgelaten. De gevallen waarvan te vermoeden is dat de arbeidsongeschiktheid van lange duur zal zijn of die blijvende gehele of gedeeltelijke invaliditeit ten gevolge kunnen hebben, vereisen echter naar het inzicht van dit deel van de Raad uit een oogpunt van deskundigheid en gelijke behandeling een wijze van uitvoering der medische aspecten waaraan alleen door een gemeenschappelijke medische dienst zal kunnen worden voldaan. Een dergelijke dienst zou de besturen der bedrijfsverenigingen zowel omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid als ten aanzien van de verstrekking van genees- en heelkundige behandeling van advies moeten dienen. De beslissingsbevoegdheid blijft ook in deze opzet geheel bij de besturen berusten. De gevallen waarin deze besturen van het advies van bedoelde dienst afwijken, zouden echter ter kennis van de S.V.R. moeten worden gebracht, opdat deze zo nodig van zijn bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen gebruik zou kunnen maken.
     Ten slotte heeft de S.V.R. zich nog bezig gehouden met de afwikkeling van de verplichtingen der huidige organen van de ongevallenverzekering.
     De voorgestelde integratie van de ongevallenverzekeringen in een arbeidsongeschiktheidsverzekering zal naar het oordeel van de S.V.R. in het algemeen geen stijging van sociale lasten ten gevolge hebben. Zij heeft, aldus de S.V.R., over de gehele linie gezien immers geen wijziging in de aanspraken ten gevolge die belangrijke financiële consequenties hebben. Wel zal er sprake zijn van een verschuiving in de voor de verschillende sociale verzekeringen geheven premiepercentages. Uiteraard zal de huidige premie voor de ongevallenverzekering komen te vervallen. In de plaats daarvan zal de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering in vergelijking met de door de S.E.R. geschatte premie voor een herziene invaliditeitsverzekering een verhoging ondergaan die nagenoeg opweegt tegen de te vervallen premie van de ongevallenverzekering.
     Daarnaast zullen de lasten van de ziekengeldverzekering enerzijds een vermindering ondergaan doordat de uitkeringsduur - aldus de S.V.R. - wordt ingekort tot 26 weken, anderzijds toenemen doordat ook de bedrijfsongevallen, voor wat de eerste periode van 26 weken betreft, onder de Ziektewet komen te ressorteren. De S.V.R. verwacht dat ook deze vermindering en toeneming elkaar ongeveer zullen compenseren.

     5. Bij brief van 4 oktober 1960 heeft de huidige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid de S.E.R. verzocht zijn oordeel te geven over het hierboven behandelde advies van de S.V.R. De S.E.R. heeft dit advies uitgebracht op 9 december 1960. De S.E.R. heeft uitgesproken dat het zijn instemming heeft dat het verschil in oorzaak van de arbeidsongeschiktheid niet meer de grondslag zal vormen voor een onderscheid in de wettelijke sociale verzekeringen. Hij onderschrijft de door de S.V.R. gegeven motivering dat de ontwikkeling van de sociale verzekering sinds het tot stand komen van de industriële ongevallenverzekering erop wijst dat de grondslag voor de verplichte sociale verzekering in toenemende mate is gezocht in het geheel of gedeeltelijk rblz.|11 r.k.| vrijwaren van degenen die door arbeid in hun levensonderhoud moeten voorzien, tegen de inkomensderving die ontstaat indien zij buiten hun schuld hun arbeid niet meer produktief kunnen aanwenden, voor zover redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat de inkomensderving zelf kan worden gedragen of dat daartegen in voldoende mate op vrijwillige basis voorzieningen worden getroffen. In een dergelijke opvatting is, voor wat de verzekeringen tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid betreft, voor het onderscheid naar de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van de S.E.R. geen plaats. Op die grond zou dan ook invoering kunnen worden bepleit van één arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarin alle verzekeringen welke zich thans bezighouden met de arbeidsongeschiktheid worden opgenomen. De uitwerking van een dergelijke verzekering roept echter een aantal vraagpunten op waarvan naar het oordeel van de S.E.R. moet worden betwijfeld of daarover op korte termijn een beslissing kan worden verkregen. Dit geldt met name ten aanzien van de Ziektewet, in verband waarmede de S.E.R. instemt met de door de S.V.R. voorgestelde beperkte arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarbij de Ziektewet, zij het met enkele wijzigingen, gehandhaafd blijft voor arbeidsongeschiktheid van betrekkelijk korte duur en waarin een arbeidsongeschiktheidsverzekering de aanspraken regelt in geval van arbeidsongeschiktheid van langere duur.
     Op twee punten wordt in het advies van de S.E.R. afgeweken van de S.V.R., namelijk op het punt van de uitkeringspercentages en op het punt van de aanpassing van de uitkeringen aan de loonontwikkeling.
     In het door de S.V.R. voorgestelde systeem zijn enerzijds elementen te vinden van het door de S.E.R. in zijn in 1957 uitgebrachte advies inzake herziening van de invaliditeitsverzekering voorgestane stelsel van invaliditeitsklassen (0 tot 25%; 25 tot 50%; 50 tot 75%; 75 tot 100%). Anderzijds komen daarin elementen voor van een stelsel waarin de geldelijke uitkeringen evenredig variëren met de mate van arbeidsongeschiktheid (namelijk binnen de groep met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 75%).
     Naar de mening van de S.E.R. verdient, mede met het oog op de doorzichtigheid voor de verzekerden, een uniform schattingsstelsel de voorkeur. Voorts is de S.E.R. van oordeel, zulks in afwijking van zijn advies inzake de invaliditeitsverzekering, dat het aanbeveling verdient de uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid te brengen van 70 op 80% van het dagloon. De S.E.R. geeft in overweging, indien mogelijk, over te gaan tot een verfijnde klasse-indeling, welke als volgt zou kunnen zijn opgebouwd:

Mate van arbeidsongeschiktheid in % Uitkeringen in percentage van het dagloon
0-25 x0
25-35 20
35-45 30
45-55 40
55-65 50
65-75 60
75-85 70
meer dan 85 ¹ 80

Lees: 85 of meer, red.

     Voor wat betreft de aanpassing van de uitkeringen aan de loonontwikkeling adviseerde de S.V.R. de uitkeringen gedurende de eerste twee jaren te binden aan de loonontwikkeling in het beroep van de betrokkene. Na verloop van die twee jaren zou de algemene loonontwikkeling dienen te worden gevolgd.
     De S.E.R. is evenwel van oordeel dat aan het volgen van het beroep van de betrokkene grote bezwaren zijn verbonden, voornamelijk van technische aard. De S.E.R. blijft daarom bij zijn standpunt neergelegd in zijn advies inzake de herziening van de invaliditeitsverzekering, inhoudende dat de uitkeringen van het begin af de algemene loonontwikkeling dienen te volgen. Dit laat onverlet dat de S.E.R. wel een gedifferentieerde premie en de mogelijkheid van bovenwettelijke uitkeringen voor de eerste twee jaren der uitkeringen aanvaardt.

rblz.|12 l.k.| 

2.3. De interim-regeling voor invaliditeitsrentetrekkers en de adviesaanvrage aan de S.E.R. inzake het socialezekerheidsbeleid op langere termijn


     1. Nu slechts betrekkelijk korte tijd verlopen is sedert de indiening en aanvaarding door het Parlement van de interim-regeling voor invaliditeitsrentetrekkers, moge de ondergetekende zich onthouden van uitvoerige beschouwingen dienaangaande. Hij moge nog eens vaststellen dat hij, vooruitlopende op de totstandkoming van het onderhavige wetsontwerp, het nodig heeft geoordeeld de totstandkoming van de interim-regeling te bevorderen teneinde in de actuele nood van de invaliditeitsrentetrekkers zoveel mogelijk tegemoet te komen. De betekenis van de interim-regeling is materieel de volgende:
1. De uitkeringen aan invaliditeitsrentetrekkers zijn opgetrokken tot ƒ3924,- per jaar indien de invaliditeitsrentetrekker voor 80% of meer invalide is en tot ƒ3186,- per jaar indien de invaliditeit minder dan 80% bedraagt. Voorts blijven degenen wier invaliditeitsrente is ingetrokken (omdat zij niet langer 66
% of meer arbeidsongeschiktheid zijn) nog in het genot van een interim-uitkering ten bedrage van ƒ2454,- zolang hun arbeidsongeschiktheid niet daalt beneden 55%.
     Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op uitgetrokkenen ingevolge de
Ziektewet [Z.W., red.], ook wanneer zij geen recht hebben op invaliditeitsrente.
     De uitkeringsbedragen zullen de ontwikkelingen van het loonpeil volgen.
2. Degenen die recht hebben op een interim-uitkering vallen onder de verplichte ziekenfondsverzekering. De hiervoor door hen verschuldigde premie wordt op de uitkering in mindering gebracht. Daarnaast wordt ook de premie voor de algemene ouderdomsverzekering en voor de algemene weduwen- en wezenverzekering op de uitkering ingehouden.
3. Enkele categorieën invaliditeitsrentetrekkers ontvangen geen interim-uitkering, namelijk gehuwde vrouwen niet-kostwinsters, degenen die 65 jaren oud zijn en de overheidsgepensioneerden. Gehuwde vrouwen niet-kostwinsters behouden dezelfde procentuele toeslag op de invaliditeitsrente als zij ingevolge de vroegere toeslagwetten ontvingen. Voor de overheidsgepensioneerden zal een afzonderlijke regeling worden getroffen in het kader van de voor deze groep geldende pensioenregeling.
4. Indien de invalide naast de invaliditeitsrente een ongevalsrente of een pensioen ingevolge de A.W.W. geniet, worden de bovengenoemde uitkeringsbedragen verminderd met het bedrag van de ongevalsrente of het pensioen. Aan de invaliditeitsrentetrekker die werkzaam is ingevolge één der socialewerkvoorzieningsregelingen wordt, naast het ingevolge die regeling genoten loon, in het algemeen 20% van de bovengenoemde maximale invaliditeitsuitkering uitbetaald.
5. De kosten van de regeling worden geraamd op circa ƒ260 miljoen per jaar. In de kosten draagt het Rijk voor ƒ75 miljoen per jaar bij, welk bedrag gekoppeld is aan het indexcijfer der lonen. Deze bijdrage komt in de plaats van de kosten welke voor het Rijk voortvloeiden uit de vroegere wetten inzake het verlenen van toeslagen op invaliditeitsrenten, welke wetten bij de invoering van de interim-regeling zijn komen te vervallen. Het resterende bedrag wordt opgebracht door het bedrijfsleven. Hiertoe wordt van de werkgevers een premie geheven over de premieplichtige loonsom voor de sociale verzekering, welke premie 1,5% bedraagt.
     De interim-regeling heeft het karakter van een overgangsregeling naar de arbeidsongeschiktheidsverzekering en is gegoten in de vorm zoals door de S.V.R. en de S.E.R. de overgangsregeling voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering is voorgesteld.

     2. Ten slotte heeft de ondergetekende in zijn adviesaanvrage aan de S.E.R. inzake het socialezekerheidsbeleid op langere termijn d.d. 24 augustus 1962 ook advies gevraagd over de verdere uitbouw van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In die adviesaanvrage is erop gewezen dat met de totstandkoming rblz.|12 r.k.| van een Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor loontrekkenden onopgelost blijft het vraagstuk van de verlening van geldelijke uitkering bij arbeidsongeschiktheid aan degenen die hun arbeidsproces niet in loondienst hebben doorgebracht, namelijk de groep van de zelfstandigen, en aan degenen die vanaf hun jeugd gehandicapt zijn geweest en nimmer aan het arbeidsproces hebben deelgenomen. In de adviesaanvrage is opgemerkt dat voor de groep der zelfstandigen een uitbreiding van de kring der verzekerden ingevolge de komende arbeidsongeschiktheidsverzekering uitkomst zou kunnen brengen.
     De ondergetekende heeft daarbij aangetekend dat hij dan ook niet inziet waarom met name de zelfstandigen niet op gelijke wijze als de loontrekkenden voor langdurige uitkeringen bij ziekte en ongeval zouden dienen te worden verzekerd, zulks in tegenstelling tot kortdurende arbeidsongeschiktheid. Bij tal van zelfstandigen toch kan het bedrijf of beroep gedurende betrekkelijk korte tijd nog wel doorgang vinden. Bij langdurige arbeidsongeschiktheid echter zal dit in zeer vele gevallen niet kunnen geschieden. Het zou bij de ondergetekende dan ook niet op bezwaren stuiten tot een dergelijke uitbreiding te besluiten, al zal - zo heeft hij de S.E.R. medegedeeld - de totstandkoming van de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor loontrekkenden daarop niet mogen wachten.
     In de adviesaanvrage is opgemerkt dat met het betrekken van de zelfstandigen in een arbeidsongeschiktheidsverzekering nog niet is opgelost het vraagstuk van de uitkeringen voor gehandicapten die vanaf hun jeugd arbeidsongeschikt zijn geweest. Het uitkeringvraagstuk voor tot deze groep behorende personen begint veelal wanneer zij de kinderjaren ontgroeien. Daarbij moet voorts nog onderscheid gemaakt worden tussen degenen die bijvoorbeeld ten laste van een eventuele toekomstige volksverzekering voor zware geneeskundige risico's verpleging of verzorging in een inrichting genieten en degenen bij wie dat niet het geval is.
     Het uitkeringsvraagstuk voor deze groep zou opgelost zijn wanneer de arbeidsongeschiktheidsverzekering tot een volksverzekering zou worden omgebouwd. Daarbij zou gedifferentieerd kunnen worden voor wat de uitkeringen betreft tussen de gehandicapten die dit van hun jeugd af zijn en degenen die tijdens hun arbeidsleven arbeidsongeschikt zijn geworden. Deze differentiatie zou betrekking kunnen hebben zowel op het algemeen niveau der uitkeringen als op de mogelijkheid van een zekere korting op uitkeringen voor de van hun jeugd af gehandicapten die ten laste van de volksverzekering voor zware geneeskundige risico's verpleging of verzorging in een inrichting genieten.
     In de adviesaanvrage zijn de financiële consequenties van een uitbreiding der arbeidsongeschiktheidsverzekering becijferd. Globaal is berekend dat voor de zelfstandigen evenals voor de loontrekkenden een premie van 3,5 à 4% toereikend zal zijn, welk percentage met 0,25% verhoogd zal moeten worden als ook de van vóór hun intreden in het arbeidsproces gehandicapten in de verzekering worden opgenomen. In vergelijking tot de huidige situatie valt dan voor de loontrekkenden nog weg een premie van 2% voor de huidige Invaliditeitswet en Ongevallenwetten. Opgemerkt zij hierbij nog dat de Regering het gemotiveerd acht een overheidsbijdrage, in het bijzonder voor de van hun jeugd af gehandicapten, in de verzekering te verlenen.

 

3. Het systeem der wet


3.1. Kring der verzekerden


a. Verplichte verzekering

     Zoals bekend, heeft de ondergetekende zich in zijn op 24 augustus 1962 tot de S.E.R. gerichte adviesaanvrage inzake het socialezekerheidsbeleid op langere termijn onder meer afgevraagd - ook in het vorige hoofdstuk is hierop reeds ingegaan - of niet ook de zelfstandigen op gelijke wijze als de loontrekken den rblz.|13 l.k.| ter zake van langdurige arbeidsongeschiktheid zouden dienen te worden verzekerd. Waar de Regering dit advies nog wachtende is, zou het naar de mening van de ondergetekende weinig vruchtbaar zijn thans te discussiëren over de vraag of het al dan niet wenselijk zou zijn de zelfstandigen onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering te brengen. In nog sterkere mate geldt dit voor de in bovengenoemde adviesaanvrage eveneens aan de S.E.R. voorgelegde vraag omtrent een eventuele uitbreiding van de arbeidsongeschiktheidsverzekering tot een volksverzekering.
     Het voorgaande biedt naar de mening van de ondergetekende een voldoende motivering voor de omstandigheid dat in het onderhavige wetsvoorstel de reeds uitgebrachte adviezen van de S.E.R. en de S.V.R. zijn gevolgd en voorshands alleen de loontrekkenden onder de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn gebracht.
     Zowel de S.E.R. als de S.V.R. hebben namelijk in hun eerder genoemde adviezen als hun mening te kennen gegeven dat de verzekering zich zou moeten uitstrekken tot al degenen die in loondienst - of wat daarmede gelijkstaat - werkzaam zijn, ongeacht de hoogte van hun loon en dat geen bepaalde categorieën van de verzekering zouden moeten worden uitgezonderd. Wel zou naar het oordeel van beide colleges de verzekering een einde dienen te nemen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
     De S.V.R. heeft zijn voorstellen met betrekking tot de kring van de verzekerden neergelegd in een aan het advies toegevoegde bijlage IV, inhoudende een "Proeve van een tekst der artikelen betreffende de kring van verzekerden van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering". Deze proeve is grotendeels ontleend aan het in 1958 door de S.V.R. uitgebrachte interim-advies omtrent een voorontwerp van wet inzake de coördinatie van de kring der verzekerden. Voor zover dit mogelijk was, is met deze zogenaamde coördinatietekst reeds rekening gehouden bij de omschrijving van de kring van verzekerden ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden. De kring van verzekerden ingevolge de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de ziekengeldverzekering is in beginsel afgestemd op de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en het ontwerp van wet op de loonbelasting 1960, zodat impliciet ook rekening is gehouden met de ter zake door de S.V.R. gedane voorstellen.
     De Regering heeft evenwel gemeend de adviserende colleges met name op een tweetal punten niet te moeten volgen. Het eerste en ook het belangrijkste punt heeft betrekking op het overheidspersoneel. Zowel de S.E.R. als de S.V.R. hebben uitgesproken dat bedoeld personeel onder de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering zou moeten worden gebracht. In het S.E.R.-advies van januari 1957 wordt gezegd dat weliswaar de bezwaren welke de Raad in het algemeen heeft tegen het toestaan van uitzonderingen op de verzekeringsplicht (financiële consequenties zijn niet te overzien; niet voldoende waarborg voor continuïteit; coördinatie komt in het gedrang) zich voor het overheidspersoneel in mindere mate voordoen en dat ook uit hoofde van een unificatie van de wettelijke sociale verzekeringen een afzonderlijke regeling voor het overheidspersoneel geen bezwaar zou behoeven te ontmoeten, doch dat aan het uitzonderen van overheidspersoneel andere bezwaren zijn verbonden ten gevolge van het uiteenlopen van het door de Raad voorgestelde stelsel en de voor het overheidspersoneel geldende regeling. Deze bezwaren zouden zich, aldus de S.E.R., met name voordoen in geval van overgang van particuliere dienst naar overheidsdienst en omgekeerd. Gewezen werd op de in de Pensioenwetten voor het recht op invaliditeitspensioen gestelde wachttijden en de handhaving na het ontslag van het recht op uitgesteld invaliditeitspensioen. De Raad voorzag hier cumulatie van aanspraken krachtens de Pensioenwetten en de invaliditeitsverzekering, welke hoogst ongewenst geacht moest worden.
     De bezwaren van de S.E.R. tegen het uitzonderen van het overheidspersoneel richtten zich derhalve voornamelijk tegen het gebrek aan aansluiting van de ene regeling aan de andere. In het onderhavige ontwerp van wet zijn bepalingen opgenomen
rblz.|13 r.k.| welke erop gericht zijn een goede aansluiting van de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de Pensioenwetten te bewerkstelligen. Voorts ligt het in het voornemen van de Regering om de Pensioenwetten zodanig te herzien - met name door het doen vervallen van wachttijden - dat de aansluiting ook in omgekeerde richting gewaarborgd is. De door de S.E.R. terecht gesignaleerde bezwaren zullen daarmede zijn weggenomen.
     De S.V.R. onderschreef de hierboven weergegeven mening van de S.E.R., doch sprak bovendien uit dat een mogelijkheid tot uitzondering van het overheidspersoneel in geen geval aanleiding mocht zijn tot risicoselectie. De ondergetekende moge wat dit laatste betreft er - wellicht ten overvloede - op wijzen dat bij het integraal buiten de arbeidsongeschiktheidsverzekering plaatsen van het gehele overheidspersoneel van risicoselectie niet gesproken kan worden.
     Al met al kunnen - mede gelet op de tot stand gebrachte of nog te brengen aansluiting van de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de Pensioenwetten en omgekeerd - naar het oordeel van de Regering geen overwegende bezwaren tegen de uitzondering van het overheidspersoneel worden aangevoerd, waarbij nog opmerking verdient dat dit personeel tot dusverre nimmer onder enige specifieke loontrekkendenverzekering is gebracht.
     Zou de arbeidsongeschiktheidsverzekering te eniger tijd worden uitgebreid tot een verzekering voor alle beroepsbeoefenaren of eventueel zelfs tot de gehele bevolking, dan zal de positie van het overheidspersoneel uiteraard in dat kader opnieuw dienen te worden bezien.
     Waar de pensioenvoorzieningen van het personeel van de N.V. Nederlandse Spoorwegen wettelijk op overeenkomstige wijze zijn geregeld als die voor het overheidspersoneel, dient naar de mening van de Regering ook eerstbedoeld personeel op dezelfde gronden buiten de arbeidsongeschiktheidsverzekering te worden gehouden. Uiteraard geldt hetgeen hiervoren is gezegd omtrent de aansluiting van de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de Pensioenwetten en omgekeerd ook ten aanzien van de Pensioenwet voor de spoorwegambtenaren.
     Het tweede punt waarop de ondergetekende met name van de adviezen van de S.V.R. is afgeweken, heeft betrekking op het voorstel gedaan in artikel 6, eerste lid, van de hiervoren bedoelde proeve, opgenomen als bijlage IV van het advies en in artikel 10 van het advies tot aanpassing van de Z.W. aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Volgens deze voorstellen zou niet alleen aan de S.V.R. doch ook aan de bedrijfsverenigingen de bevoegdheid dienen te worden verleend om regelen te stellen aan de hand waarvan zou moeten worden beoordeeld of bepaalde personen, waaronder aannemers van werk, hulpen van aannemers van werk, musici en andere categorieën wier arbeidsverhouding tot dienstbetrekking zal worden geduid, al dan niet zelfstandig zouden dienen te worden beschouwd. Het is duidelijk dat op deze wijze de deur zou worden opengezet voor een verstoring van de zo moeizaam verkregen coördinatie van de kring van verzekerden met de kring van loonbelastingplichtigen, hetgeen naar de mening van de ondergetekende toch wel zeer ongewenst moet worden geacht.
     De ondergetekende zou dit onderdeel van de memorie van toelichting willen besluiten met enkele opmerkingen naar aanleiding van het hiervoor vermelde, zowel door de S.E.R. als door de S.V.R. ingenomen standpunt dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering geen loongrens dient te kennen en een einde dient te nemen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
     Wat het eerste punt betreft, stelde de S.E.R. reeds in zijn advies van januari 1957, hetwelk betrekking had op een afzonderlijke invaliditeitsverzekering dat ook voor de werknemers die een relatief hoog loon verdienen het risico van loonderving als gevolg van invaliditeit gewoonlijk slecht gedekt is. Het treffen van eigen voorzieningen, bijvoorbeeld door het afsluiten van een verzekering, is niet algemeen gebruikelijk, waarschijnlijk omdat het individuele invaliditeitsrisico niet hoog wordt aangeslagen, aldus de S.E.R. Anders dan bij ziekte zijn de ondernemingen veelal niet bereid voor deze werknemers ten aanzien van dat risico verplichtingen op zich te nemen, omdat de financiële
rblz.|14 l.k.| consequenties hiervan voor de individuele onderneming niet te overzien zijn. Voorts werd als een nadeel van een loongrens gezien dat zij een scherpe scheiding maakt tussen verzekerden en niet-verzekerden, hetgeen als gevolg van de geleidelijke overgangen tussen de verschillende inkomensgroepen moeilijkheden schept, in het bijzonder bij een invaliditeitsverzekering welke het risico dekt van langdurige inkomensderving door arbeidsongeschiktheid.
     De overwegingen van de S.E.R. werden in het advies van de S.V.R. inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering onderschreven.
     Ook de ondergetekende wil deze overwegingen gaarne tot de zijne maken, doch hij zou hieraan nog het volgende willen toevoegen. Zoals gezegd, adviseerde de S.E.R. om in een afzonderlijke invaliditeitsverzekering geen loongrens op te nemen. In het onderhavige ontwerp van wet is echter geïncorporeerd de huidige ongevallenverzekering, welke geen loongrens kent. Zoals elders uit deze memorie blijkt, zullen de loontrekkenden het recht op geneeskundige behandeling, waarop zij thans in het kader van de ongevallenverzekering in geval van een ongeval in verband met hun dienstbetrekking recht hebben, verliezen. Het zou naar de mening van de ondergetekende te ver voeren hen bovendien ook nog bij het overschrijden van een loongrens het recht op geldelijke schadeloosstelling te doen verliezen.
     Ten slotte zij er nog op gewezen dat ingevolge de voorgestelde verzekering in beginsel slechts recht op uitkering zal bestaan indien de betrokkene bij de aanvang van die arbeidsongeschiktheid verzekerd is. Wanneer nu in aanmerking wordt genomen dat enerzijds het invaliditeitsrisico toeneemt naarmate de leeftijd hoger wordt en dat anderzijds een relatief hoog loon veelal eerst op latere leeftijd wordt genoten, dan zou het opnemen van een loongrens betekenen dat in vele gevallen gedurende kortere of langere tijd premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering zou worden betaald, terwijl bij optreden van arbeidsongeschiktheid op latere leeftijd wegens overschrijding van die grens geen recht op uitkering zou bestaan.
     Alles overwegende heeft de ondergetekende dan ook gemeend in het onderhavige ontwerp geen loongrens te moeten opnemen.
     Wat het tweede punt, het stellen van een leeftijdsgrens, betreft, heeft de S.E.R. zich eveneens uitgesproken in zijn advies van januari 1957 inzake de herziening van de invaliditeitsverzekering. De Raad heeft zijn visie ter zake hierop gebaseerd dat doorgaans het arbeidsleven in dienstbetrekking eindigt bij het bereiken van de vermelde leeftijd en dat in het bijzonder nu voor de ouderdomsverzekering in het kader van de A.O.W. een algemene regeling is getroffen, er geen voldoende grondslag is voor een wettelijke verplichting tot verzekering tegen loonderving wegens invaliditeit voor 65-jarigen en ouderen. Zulks zou niet in overeenstemming zijn met de erkenning van de ouderdom als zelfstandige oorzaak van inkomensvermindering of inkomensverlies, welke gedachte aan een afzonderlijke ouderdomsvoorziening ten grondslag ligt. De S.V.R. heeft deze zienswijze in zijn advies inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering onderschreven.
     De ondergetekende heeft gemeend zich bij dit standpunt van de beide adviserende colleges te moeten aansluiten. Hij zou hierbij nog in herinnering willen brengen dat de vraag of een invaliditeitsuitkering na het bereiken van de 65-jarige leeftijd moet worden voortgezet ook reeds ter sprake is gekomen bij de parlementaire behandeling van de ontwerpinterim-regeling voor invaliditeitsrentetrekkers. Zoals de ondergetekende bij die gelegenheid heeft opgemerkt, ligt het onderhavige probleem geheel op het terrein van de oudedagsvoorziening. Het zou zijn opgelost indien het peil van de uitkeringen ingevolge laatstgenoemde voorziening zou kunnen worden opgetrokken. Nu het vraagstuk van de oudedagsvoorziening en met name ook dat van het gewenste niveau van het A.O.W.-pensioen bij de S.E.R. in studie is, zal het ter zake uit te brengen advies dienen te worden afgewacht.
     Bij de behandeling van de ontwerpinterim-regeling voor
rblz.|14 r.k.| invaliditeitsrentetrekkers kwam eveneens ter sprake dat vele invaliden de gelegenheid missen een bedrijfs- of ondernemingspensioen op te bouwen, omdat zij daartoe te kort bedrijfsarbeid hebben verricht. Zoals de ondergetekende bij die gelegenheid met voldoening heeft geconstateerd, is voor de grote meerderheid van de werknemers die onder een bedrijfspensioenfonds vallen, voorzien in premievrije voortzetting van pensioenopbouw bij invaliditeit. In dit verband spreekt de ondergetekende gaarne de hoop uit dat in de toekomst ook de pensioenfondsen welke hiertoe nog niet zijn overgegaan een regeling inzake pensioenopbouw bij invaliditeit zullen treffen. Aldus zal worden bereikt dat degenen wier arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd eindigt, niet in ouderdomspensioenaanspraken ten achter staan bij degenen die niet vóór het 65ste jaar arbeidsongeschikt werden.


b. Vrijwillige verzekering

     De beperking van de kring van verzekerden tot de loontrekkenden achtte de S.E.R. in zijn advies van januari 1957 niet geheel bevredigend, omdat daardoor groepen zelfstandigen wier economische positie niet sterker is dan die van de gemiddelde handarbeider, niet in de gelegenheid zijn hun invaliditeitsrisico op dezelfde wijze als de loontrekkenden te dekken. Dit is voor de Raad aanleiding geweest te onderzoeken of niet langs de weg van vrijwillige toetreding voor de zelfstandigen of voor groepen daarvan dekking van het invaliditeitsrisico zou kunnen worden verkregen. De bezwaren immers op grond waarvan het opnemen van zelfstandigen in de verzekering werd afgewezen, vinden alle hun grondslag in het verplichte karakter daarvan, doch zij verzetten zich niet tegen het openen van de mogelijkheid tot vrijwillige toetreding tot de verzekering. Bijzondere moeilijkheden bij de premie-inning behoeven niet te worden gevreesd, aldus de S.E.R., indien de aanspraken vervallen bij niet-tijdige premiebetaling. Voor de hoogte van de premie en - in verband daarmede - van de uitkering zijn bij vrijwillige toetreding administratief eenvoudig hanteerbare normen te geven, die in een verplichte verzekering naar het oordeel van de Raad moeilijk aanvaardbaar zouden zijn.
     Zag de S.E.R. derhalve geen bezwaar tegen het scheppen van de mogelijkheid van vrijwillige toetreding tot de verzekering, toch achtte hij een ongeclausuleerde toetredingsmogelijkheid ongewenst. Daaraan zou namelijk het gevaar verbonden zijn dat uitsluitend of in hoofdzaak die zelfstandigen die verwachten recht op uitkering te kunnen doen gelden, zouden toetreden. Deze mogelijkheid van risicoselectie zou naar het oordeel van de Raad grotendeels kunnen worden voorkomen indien slechts vrijwillige voortzetting na de beëindiging van de verplichte verzekering zou worden toegestaan. Ook aan deze mogelijkheid zouden dan nog beperkingen moeten worden verbonden teneinde misbruik daarvan te voorkomen.
     Het standpunt van de S.E.R. werd door de S.V.R. in zijn advies inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering onderschreven. De ondergetekende kan met de op het onderhavige punt uitgebrachte adviezen in beginsel zeer wel instemmen.
     Met behulp van de door de S.E.R. geschetste mogelijkheid van vrijwillige voortzetting der verplichte verzekering kunnen de volgende categorieën van zelfstandigen hun invaliditeitsrisico dekken.
     In de eerste plaats zal dit het geval zijn voor degenen die afwisselend in loondienst en als zelfstandige werkzaam zijn. De beperking van de verplichte verzekering tot de loontrekkenden leidt ertoe dat het invaliditeitsrisico van deze groep periodiek ongedekt blijft.
     De tweede categorie van personen die van de geadviseerde mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting van de verplichte verzekering gebruik zal kunnen maken, wordt gevormd door die zelfstandigen die voorafgaand aan de vestiging als zelfstandige in loondienst zijn geweest. Met het oog op het gevaar dat uitsluitend ongunstige risico's de verzekering zouden voortzetten, is evenwel in navolging van het S.E.R.-advies voorgesteld dat de mogelijkheid tot voortzetting slechts openstaat
rblz.|15 l.k.| gedurende één maand na het einde van de verplichte verzekering en dan nog uitsluitend voor degenen wier verplichte verzekering ten minste drie jaren heeft geduurd.
     De ondergetekende heeft evenwel gemeend om de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting van de verplichte verzekering nog iets verder te moeten verruimen. Hij moge hiervoor verwijzen naar de toelichting op het voorgestelde artikel 81.

 

3.2. Verstrekkingen der verzekering


     De in het wetsontwerp geregelde verzekering zal enerzijds voorzien in het verlenen van geldelijke uitkeringen ter gedeeltelijke compensatie van door arbeidsongeschiktheid veroorzaakte loonderving en anderzijds in het treffen van voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid. In deze paragraaf zal slechts op de geldelijke schadeloosstellingen worden ingegaan. Wat betreft de overige voorzieningen moge worden verwezen naar hoofdstuk 4 van deze memorie.


a. Het recht op uitkering

     In overeenstemming met hetgeen thans in de Ziektewet en in de Ongevallenwetten is bepaald, zal in beginsel slechts recht op schadeloosstelling bestaan indien de betrokkene bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid voldoet aan de voor de verzekeringsplicht gestelde voorwaarden. Op dit beginsel zijn evenwel enige verzachtingen aangebracht, waarvoor in het algemeen moge worden verwezen naar de toelichting op de desbetreffende artikelen. Op één van deze verzachtingen zou de ondergetekende evenwel hier reeds de aandacht willen vestigen en wel op de bepaling welke opgenomen is in het vierde lid van artikel 17 [17] van het ontwerp van wet. Volgens deze bepaling kunnen bij algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld ingevolge welke personen die arbeidsongeschikt of meer arbeidsongeschikt worden als gevolg van een bij die maatregel aan te wijzen beroepsziekte, terwijl zij niet meer verzekerd zijn, nochtans voor het recht op toekenning of verhoging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering als verzekerd worden beschouwd. Volgens het algemene beginsel zouden namelijk personen die tijdens hun dienstbetrekking een beroepsziekte opdoen van uitkering verstoken blijven indien deze ziekte eerst na het einde van de verzekering tot verminderde arbeidsgeschiktheid zou leiden. De ondergetekende denkt hier bijvoorbeeld met name aan de beroepsziekte silicose. Uiteraard zal ook hier niet tot toekenning of verhoging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen worden overgegaan indien de arbeidsongeschiktheid of verminderde arbeidsongeschiktheid zich na het bereiken van de 65-jarige leeftijd manifesteert.
     Behalve dat de betrokkene bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid in beginsel verzekerd zal moeten zijn, moet hij om voor geldelijke schadeloosstelling in aanmerking te kunnen komen bovendien 52 weken arbeidsongeschikt zijn, terwijl - uiteraard - ook na afloop van die periode nog arbeidsongeschiktheid aanwezig dient te zijn.
     De vraag wanneer een werknemer arbeidsongeschikt is, wordt beantwoord in artikel 18 [18] van het wetsontwerp. Hierbij is aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 72 van de Invaliditeitswet, artikel 18 van de Ongevallenwet 1921 en artikel 39 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922. In het kort samengevat komt de inhoud van artikel 18 [18] hierop neer dat arbeidsongeschikt is hij die door ziekte of gebreken niet in staat is met passende arbeid het loon van een gelijksoortige valide werknemer te verdienen. Dit begrip is derhalve aanmerkelijk ruimer dan dat hetwelk thans is neergelegd in artikel 72 van de Invaliditeitswet, op grond waarvan slechts een invaliditeitsrente kan worden verleend indien de betrokkene niet in staat is om een derde van het loon van een gelijksoortige valide te verdienen. Teneinde het toekennen van zogenaamde dwergrenten te voorkomen, wordt evenwel voorgesteld geen rekening te houden met arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Zowel de S.E.R. als de S.V.R. stelden voor
rblz.|15 r.k.| geen uitkering te verlenen indien de ongeschiktheid tot werken minder dan 25% bedraagt, omdat een dergelijke mate van arbeidsongeschiktheid veelal niet tot loonderving zou leiden of althans niet in het loon tot uitdrukking zou komen. Indien deze stelling juist zou zijn, is er evenwel in deze gevallen geen sprake van arbeidsongeschiktheid in de zin van deze verzekering, daar alsdan het loon van een valide werknemer zou worden genoten. Komt echter de hier bedoelde gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wel in het loon tot uitdrukking, dan is de ondergetekende van oordeel dat een percentage arbeidsongeschiktheid liggende tussen 25 en 15% nog wel van een zodanige importantie is dat het te ver zou voeren indien daarvoor geen schadeloosstelling zou worden gegeven.
     Er zij nog op gewezen dat het wetsontwerp aldus is opgezet dat eenzelfde persoon niet gelijktijdig in het genot van meer dan één arbeidsongeschiktheidsuitkering kan zijn. Deze éne uitkering kan, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, volgens de wettelijke bepalingen worden herzien of ingetrokken, doch steeds blijft er van één uitkering sprake. Neemt een aanvankelijk slechts gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid toe, dan komt naast de reeds lopende uitkering geen nieuwe arbeidsongeschiktheidsuitkering, ook al is de toeneming van de arbeidsongeschiktheid door een andere oorzaak ontstaan dan de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan reeds uitkering werd genoten. Wel is tijdelijk samenloop met ziekengeld ingevolge de Ziektewet mogelijk. Ook degene die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van gedeeltelijke invaliditeit geniet, kan immers ongeschikt worden tot het verrichten van "zijn arbeid" - dat is dan de arbeid die hij als gedeeltelijk invalide verrichtte - en ter zake daarvan ziekengeld genieten. Dat ziekengeld wordt dan in beginsel naast de arbeidsongeschiktheidsuitkering genoten. Zodra uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering met de toeneming van de arbeidsongeschiktheid in verband waarmede ziekengeld werd genoten rekening moet worden gehouden, dan geschiedt dit door herziening, in casu verhoging, van de reeds lopende arbeidsongeschiktheidsuitkering en niet door het naast de reeds lopende arbeidsongeschiktheidsuitkering toekennen van een tweede uitkering.
     De hierboven geschetste opzet van het wetsontwerp wijkt in het daar omschreven aspect, te weten dat er altijd slechts één uitkering krachtens de arbeidsongeschiktheidsverzekering mogelijk is, af van de bij de uitvoering van de Ongevallenwetten gevolgde praktijk. Daarbij wordt namelijk aan iemand die door een ongeval reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en uit dien hoofde een rente geniet, indien hij later opnieuw door een ongeval wordt getroffen en daardoor de hem resterende arbeidsgeschiktheid geheel of gedeeltelijk verliest, een tweede rente toegekend, welke, zolang daarop aanspraak bestaat, naast de eerste loopt.
     Dat bij de Ongevallenwetten aldus wordt gehandeld is duidelijk, omdat in het kader van de ongevallenverzekering de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid een grote rol speelt. De mate van arbeidsongeschiktheid welke uit elk der verschillende oorzaken voortkomt, moet worden bepaald en dient blijvend te worden gevolgd. Een dergelijk systeem zou evenwel in de praktische toepassing van de arbeidsongeschiktheidsverzekering tot moeilijkheden aanleiding geven, aangezien in het kader dezer verzekering niet slechts arbeidsongeschiktheid welke het gevolg is van een ongeval, doch ook ongeschiktheid tot arbeid ten gevolge van ziekte aanspraak op uitkering geeft. Hierdoor is het aantal gevallen waarin tijdens genot van uitkering ter zake van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid toeneming van arbeidsongeschiktheid optreedt veel groter dan het aantal waarin zich zulks in het kader van de Ongevallenwetten voordoet. Voorts zou het onderscheiden naar de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid bij de arbeidsongeschiktheidsverzekering meer moeilijkheden geven bij ziektegevallen dan bij arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ongeval. Daarom is in het wetsontwerp gekozen voor het systeem van één uitkering, die bij toeneming of afneming van arbeidsongeschiktheid verhoogd of verlaagd wordt, zonder dat de oorzaak van de ongeschiktheid relevant is.

rblz.|16 l.k.| 
b. Uitkeringen vastgesteld in percentage van het loon

     In navolging van het in de ongevallen-, de ziekte- en de werkloosheidsverzekering neergelegde beginsel wordt voorgesteld de uitkeringen vast te stellen in een percentage van het door de arbeidsongeschiktheid gederfde loon. Slechts op deze wijze kan worden bereikt dat een werknemer tijdens de duur van zijn ongeschiktheid tot werken een verantwoorde schadeloosstelling ontvangt. Een systeem, zoals dit thans in de Invaliditeitswet is neergelegd, waarbij de hoogte van de uitkering afhankelijk is van de betaalde premie en van de duur van de verzekering, is voor het beoogde doel onbruikbaar. Eén en ander wil nog niet zeggen dat de uitkeringen ingevolge de arbeidsongeschiktheidsverzekering steeds, ongeacht de hoogte van het gederfde loon, in een percentage van dat loon dienen te worden uitgedrukt. Evenals dit bij de ongevallen-, de ziekte- en de werkloosheidsverzekering het geval is, zal voor de uitkeringen een maximumdagloongrens in aanmerking worden genomen, zodat degenen wier loon boven deze grens uitgaat voor het meerdere zelf het risico van loonderving als gevolg van invaliditeit dienen te dragen.


c. Invaliditeitsklassen

     Nu volgens het in het wetsontwerp neergelegde stelsel geldelijke schadeloosstelling zal worden verleend aan invaliden wier arbeidsongeschiktheid varieert van 15 tot 100%, ligt het voor de hand de uitkeringen te relateren aan de mate van arbeidsongeschiktheid. Zulks is ook in overeenstemming met de ter zake uitgebrachte adviezen. Eveneens op het voetspoor van bedoelde adviezen wordt voorgesteld om degenen die uitkering aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering zullen kunnen ontlenen, al naargelang de mate van hun arbeidsongeschiktheid, in een aantal invaliditeitsklassen in te delen. In paragraaf 2.2 van deze memorie werd reeds vermeld dat de S.E.R. en de S.V.R. in hun adviezen achtereenvolgens onderling afwijkende systemen van indeling in invaliditeitsklassen hebben aanbevolen. De ondergetekende heeft gemeend zich in beginsel te moeten aansluiten bij het laatste advies hetwelk op dit punt is gegeven, namelijk dat neergelegd in het advies van de S.E.R. inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
     In zijn advies inzake de herziening van de invaliditeitsverzekering adviseerde de S.E.R. verder om bij een percentage arbeidsongeschiktheid van 75% of meer de maximale uitkering te verstrekken, welke gesteld werd op 70% van het gederfde loon. De S.V.R. sloot zich hierbij aan in zijn advies inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. In het daarna door de S.E.R. uitgebrachte advies inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering werd evenwel in afwijking van het eerder gedane advies en derhalve eveneens in afwijking van het S.V.R.-advies voorgesteld de maximale uitkering te stellen op 80% van het loon en deze uitkering te verlenen indien de ongeschiktheid tot werken niet 75, doch 85% bedraagt. De klasse-indeling zou dan als volgt kunnen worden opgebouwd:

Mate van arbeidsongeschiktheid in % Uitkering in percentage van het dagloon
0-25 x0
25-35 20
35-45 30
45-55 40
55-65 50
65-75 60
75-85 70
meer dan 85 ¹ 80

Lees: 85 of meer, red.

     Zoals gezegd, heeft de ondergetekende dit systeem van klasse-indeling in beginsel gevolgd. Op twee punten evenwel is hij daarvan afgeweken. Hiervoor kwam reeds ter sprake dat het naar de zienswijze van de ondergetekende wenselijk moet worden geacht ook uitkering te verlenen indien de arbeidsongeschiktheid minder dan 25, doch ten minste 15% bedraagt. Een uitkering naar 10% van het dagloon moet rblz.|16 r.k.| hier op haar plaats worden geacht. Voorts moge de ondergetekende in herinnering brengen dat in de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers de invaliditeitsrentetrekkers - wier invaliditeit ligt boven 66% - in twee klassen zijn ingedeeld, al naargelang hun invaliditeit ligt boven of beneden 80%. De uitkering ingevolge bedoelde wet bedraagt voor degenen wier invaliditeit ligt beneden 80%, 65% en voor de overigen 80% van het voor de berekening van de uitkeringen in aanmerking genomen loon. De ondergetekende meent dat een overeenkomstige indeling thans ook voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering dient te worden gevolgd. Resumerende komt hij dan tot de volgende klasse-indeling:

Mate van arbeidsongeschiktheid in % Uitkering in percentage van het dagloon
0-15 x0
15-25 10
25-35 20
35-45 30
45-55 40
55-65 50
65-88 65
80 of meer 80

     Ten slotte zij nog opgemerkt dat naar analogie van artikel 17 van de Ongevallenwet 1921 wordt voorgesteld de mogelijkheid te openen om de uitkering van degenen, die in de hoogste klasse worden ingedeeld en die in een althans voorlopig blijvende toestand verkeren, welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, tot ten hoogste 100% van het dagloon te verhogen.


d. Uitkeringen welvaartsvast

     Wanneer de uitkeringen op de hiervoor omschreven wijze worden vastgesteld, zal bij de aanvang van de uitkering een schadeloosstelling worden gegeven welke adequaat zal zijn aan het gederfde loon. Daarmede zal evenwel nog niet zijn bereikt dat in een verzekering als de onderhavige, krachtens welke een uitkering zeer lang kan duren, blijvend een redelijke compensatie voor het gederfde loon zal worden gegeven. Toch mag als doelstelling van de voorgestelde verzekering naar de mening van de ondergetekende onder meer worden geëist dat de relatie tussen loonderving en uitkering blijvend zoveel mogelijk wordt gehandhaafd. Teneinde dit te bereiken, wordt voorgesteld om de uitkeringen, evenals dit in de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Algemene Kinderbijslagwet en ook in de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers het geval is, zogenaamde welvaartsvast te maken.
     In zijn in 1957 uitgebrachte advies inzake de herziening van de invaliditeitsverzekering heeft de S.E.R. het standpunt ingenomen dat wijzigingen in de algemene loonhoogte tijdens de duur van de uitkering de hoogte daarvan dienen te beïnvloeden. De Raad achtte het noodzakelijk noch gewenst dat de hoogte van de uitkeringen afhankelijk wordt gesteld van de loonontwikkeling in het beroep dat de invalide ten tijde van de vaststelling van de uitkering uitoefende. Voor de invaliden die niet meer produktief werkzaam kunnen zijn - aldus de Raad -, kan de band met het oorspronkelijk uitgeoefende beroep niet zo sterk worden geacht dat uit dien hoofde aanpassing van de uitkering aan de loonontwikkeling in dat beroep noodzakelijk zou zijn. Ook voor de groep invaliden die al dan niet na revalidatie in een ander beroep produktief werkzaam kan zijn, is de band met het oude beroep grotendeels verloren gegaan. Daarbij komt nog dat, mede in verband met optredende wijzigingen in de inhoud van functies, een nauwkeurige vaststelling van de loonontwikkeling per beroep op langere termijn op grote technische moeilijkheden kan stuiten.
     Op grond van deze overwegingen meende de Raad dat diende te worden volstaan met aanpassing van de uitkeringen aan de wijzigingen in de algemene loonindex, op de wijze als in artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet is bepaald.
    
rblz.|17 l.k.| In het advies van de S.V.R. inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering werd eveneens voorgesteld om de geldelijke schadeloosstelling aan te passen aan de ontwikkeling van de lonen. Zoals ook blijkt uit het standpunt van de Raad met betrekking tot de financiering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering - verwezen moge worden naar paragraaf 5.2 van deze memorie - hechtte de Raad er evenwel aan om de binding welke tussen een verzekerde en zijn beroep bestaat ook in de onderhavige verzekering tot uitdrukking te brengen. Hij heeft echter overwogen dat deze binding geleidelijk aan verloren gaat naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt.
     Eén en ander bracht de Raad tot de conclusie dat de hoogte van de eenmaal vastgestelde uitkering gedurende de eerste twee jaren moest worden gebonden aan de ontwikkeling van het rechtens geldende loon voor het beroep dat de verzekerde vóór de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid gewoonlijk uitoefende. Duurt de schadeloosstelling ook na die eerste twee jaren nog voort, dan achtte de Raad, gelet op de lange duur der invaliditeit, geen voldoende reden meer aanwezig om deze binding te handhaven. Voor de verdere duur van de arbeidsongeschiktheid ware de hoogte van de uitkering dan verder op de algemene loonontwikkeling af te stemmen.
     Blijkens zijn advies over een arbeidsongeschiktheidsverzekering was de S.E.R. evenwel van oordeel dat het voorstel van de S.V.R. grote bezwaren heeft. De S.E.R. vreesde dat in gevallen van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid waarbij betrokkene werk vindt in een ander beroep ressorterende onder een andere bedrijfsvereniging, zich moeilijkheden zouden voordoen indien binnen twee jaar de invaliditeit zou toenemen. Afgezien van deze door de Raad geschetste bezwaren werd betwijfeld of een binding van de schadeloosstellingen aan de loonontwikkeling in het beroep gedurende twee jaar, gewenst zou zijn in de gevallen waar in de sociale realiteit deze binding grotendeels ontbreekt of slechts van geringe betekenis is. Op grond van deze overwegingen meende de Raad zijn standpunt, ingenomen in het advies inzake de herziening van de invaliditeitsverzekering, te moeten handhaven.
     De ondergetekende is met de S.E.R. van mening dat zich bij het door de S.V.R. aanbevolen systeem moeilijkheden zouden voordoen. Hij heeft dan ook gemeend aan het advies van de S.E.R. in deze de voorkeur te moeten geven.


e. Bovenwettelijke uitkeringen

     Gelijk bekend, kent de Ziektewet in het huidige artikel 57 de mogelijkheid tot het verlenen van hogere uitkeringen dan de wettelijke, van uitkeringen over langere duur of van andere uitkeringen.
     Aangezien het niet ondenkbaar is dat in de praktijk ook voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de genoemde mogelijkheden behoefte zou kunnen blijken te bestaan, heeft de ondergetekende onder ogen gezien op welke wijze dit het best zou kunnen worden verwezenlijkt.
     Zoals nog zal blijken uit hoofdstuk 5 van deze memorie is voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor een uniforme premie gekozen. De ondergetekende meent dat het met de gekozen opzet van deze voor het gehele bedrijfsleven eenvormige premie moeilijk te verenigen zou zijn wanneer in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de bedrijfsverenigingen de bevoegdheid zou worden gegeven de omschreven mogelijkheden tot het verlenen van hogere of andere uitkeringen dan die wet kent, in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering te verwezenlijken.
     De mogelijkheden welke de Ziektewet thans in eerdergenoemd artikel kent, blijven onverlet, zodat langs deze weg voldoende ruimte openblijft tot het treffen van bijzondere regelingen. Deze kunnen zich in beginsel ook over de periode waarover een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt genoten, uitstrekken. Op deze wijze wordt een sluitend geheel verkregen, waarbij nog zij aangetekend dat de Ziektewet een in beginsel per bedrijfsvereniging verschillende premie kent.

rblz.|17 r.k.| 

3.3. Uitvoeringsorganisatie


a. Uitvoering door bedrijfsverenigingen

     Zowel door de S.E.R. in zijn advies inzake de herziening van de invaliditeitsverzekering als door de S.V.R. in zijn advies inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering werd geadviseerd de uitvoering van de verzekering te leggen in de handen van de bedrijfsverenigingen als bedoeld in de Organisatiewet Sociale Verzekering. Daarbij werd met name gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel a en c, dier wet. Wat de administratieve kant van de uitvoering betreft, werd er voorts nog op gewezen dat de kring van verzekerden grotendeels gelijk zal zijn aan die van de Ziektewet en de Werkloosheidswet, dat de premievaststelling en -inning voor de verschillende verzekeringen kunnen worden gecombineerd, waardoor de administratieve beslommeringen voor de werkgevers worden beperkt en dat het van belang zal zijn dat de dagloonberekening met name voor de Ziektewet en de onderhavige wet zoveel mogelijk volgens dezelfde methode zal geschieden.
     De uitvoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering - en hetzelfde geldt voor de uitvoering van een invaliditeitsverzekering, waartoe de S.E.R. in januari 1957 adviseerde - beperkt zich evenwel niet tot zuiver administratieve werkzaamheden. Zeer belangrijke onderdelen, waarmede de uitvoering staat of valt, vormen de sociaal-medische onderdelen, waartoe moeten worden gerekend:
a. de beoordeling van de revalideerbaarheid van de verzekerde;
b. de beoordeling van de vraag of de revalidatie in het kader van de normale behandeling ingevolge de ziekenfondsverzekering kan plaatshebben, dan wel of deze in het kader van een bijzondere behandeling ingevolge de arbeidsongeschiktheidsverzekering moet geschieden;
c. het nauwlettend volgen van het beloop van de behandeling en van haar resultaten;
d. het schatten en herschatten van de mate van arbeidsongeschiktheid;
e. het overleg met talrijke deskundigen, geneeskundigen en niet-medici, teneinde een goede uitvoering van de wet te waarborgen.
     Op dit vraagstuk van de uitvoering van de sociaal-medische onderdelen van de verzekering, waaraan zowel in het advies van de S.E.R. als in dat van de S.V.R. uitvoerige beschouwingen zijn gewijd, is de ondergetekende nader ingegaan in paragraaf 4.3 van deze memorie. Teneinde herhalingen te vermijden, moge hij daarom hier volstaan met daarnaar te verwijzen.
     Hoewel de ondergetekende begrip heeft voor de voordelen welke door de S.E.R. en de S.V.R. in de uitvoering door bedrijfsverenigingen werden gezien, meent hij nochtans zich niet te mogen ontslaan van de plicht erop te wijzen dat aan een zodanige uitvoering ook bezwaren zijn verbonden, welke niet zouden optreden indien slechts één uitvoeringsorgaan zou zijn aangewezen. Zo moge hij erop wijzen dat de uitvoering van de voorgestelde verzekering, mede gelet op de omschrijving van het begrip „arbeidsongeschiktheid" zoals dat in artikel 18 [18] overeenkomstig de uitgebrachte adviezen is omschreven, weinig "bedrijfseigens" heeft. Dit wordt nog geaccentueerd door het feit dat een eenmaal toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid steeds in behandeling blijft bij de bedrijfsvereniging welke de uitkering heeft toegekend. Dit laatste moge met een voorbeeld worden duidelijk gemaakt. Een werknemer wordt ziek en ontvangt ziekengeld van bedrijfsvereniging A, waarbij zijn werkgever is aangesloten. Na afloop van de ziekengeldtermijn ontvangt hij van deze bedrijfsvereniging een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar (bijvoorbeeld) 25% arbeidsongeschiktheid. Na verloop van tijd neemt zijn arbeidsongeschiktheid, nadat hij intussen in een andere bedrijfstak weer aan het werk is gegaan, toe, hetzij uit dezelfde, hetzij uit een andere oorzaak. Hij ontvangt nu eerst gedurende één jaar - naast zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering van bedrijfsvereniging
rblz.|18 l.k.| A - ziekengeld van bedrijfsvereniging B, waarbij hij verzekerd was ten tijde van de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid. Nadat hij van de Ziektewet is uitgetrokken moet nu bedrijfsvereniging A de oorspronkelijk toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering herzien overeenkomstig de thans aanwezige invaliditeit.
     De ondergetekende is evenwel van mening dat de geschetste bezwaren niet van zodanig gewicht zijn dat zij aanleiding zouden kunnen geven om de historische ontwikkeling in de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekering te doorbreken. Hij heeft dan ook voorgesteld de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering conform de adviezen van S.E.R. en S.V.R. te leggen in handen van de bedrijfsverenigingen.


b. Arbeidsongeschiktheidsfonds

     Zoals ook zal blijken uit hoofdstuk 5 van deze memorie heeft de S.E.R. in zijn advies van januari 1957 voorgesteld om voor de door hem geadviseerde invaliditeitsverzekering te komen tot het heffen van een uniforme premie. In deze gedachtengang achtte de Raad het noodzakelijk om een orgaan aan te wijzen dat de hoogte van de premie voor alle bedrijfsverenigingen zou vaststellen, terwijl tevens een voorziening diende te worden getroffen om de vereiste verevening van ontvangsten en uitgaven van de bedrijfsverenigingen ten behoeve van de invaliditeitsverzekering te bewerkstelligen.
     Ten aanzien van deze onderdelen van de uitvoering diende, naar het oordeel van de Raad, de hieronder omschreven regeling, welke in hoofdtrekken gelijk was aan hetgeen voor de toenmalige kinderbijslagverzekering gold, te worden gevolgd.

     1. Ingesteld wordt een invaliditeitsvereveningsfonds dat belast is met de verevening van de ontvangsten en uitgaven van de bedrijfsverenigingen ten behoeve van de invaliditeitsverzekering en met het beheer van een eventueel te vormen schommelfonds. De bestuursleden van het fonds waren te benoemen door de daartoe door de betrokken Minister aan te wijzen centrale organisaties van werkgevers en werknemers. De Raad achtte het niet noodzakelijk dat, zoals voor het kinderbijslagvereveningsfonds was voorgeschreven, naast de door deze organisaties benoemde bestuursleden, door de Minister een bestuurslid zou worden benoemd dat tevens de functie van voorzitter zou vervullen. De voorzitter kon door het bestuur uit zijn midden worden gekozen.

     2. De premievaststelling zou door de betrokken Minister op voorstel van het bestuur van het Fonds, gehoord de S.V.R., dienen te geschieden. Het toentertijd in de kinderbijslagverzekering gemaakte onderscheid tussen de door de Minister vast te stellen bijdrage ter dekking van de bedragen welke aan de verzekerden ten goede kwamen en de opslag ter dekking van de overige kosten welke ten laste kwamen van iedere bedrijfsvereniging afzonderlijk, achtte de Raad voor de invaliditeitsverzekering niet noodzakelijk indien het door hem voorgestane stelsel van één gemeenschappelijke medische dienst zou worden gevolgd.
     Bij het heffen van een gedifferentieerde premie, zoals door een deel van de S.E.R. werd bepleit, achtte de Raad het zeer de vraag of er behoefte aan een vereveningsfonds zou bestaan. Voor kosten welke door middel van een omslag over de bedrijfsverenigingen zouden moeten worden gefinancierd, zou een dergelijk fonds niet nodig zijn, terwijl de premievaststelling zelf zou kunnen geschieden door de bedrijfsverenigingen, onder goedkeuring van de S.V.R.
     In het door de S.V.R. uitgebrachte advies inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt eveneens de instelling van een vereveningsfonds bepleit. In overeenstemming met de gedachte van de Raad dat de uitkeringen verstrekt nadat de arbeidsongeschiktheid 21 jaar zou hebben geduurd, door middel van een uniforme premie zouden moeten worden gefinancierd, zou het Fonds uiteraard een beperktere taak hebben dan in de boven weergegeven visie van de S.E.R. Anderzijds zag de S.V.R. evenwel als een verdere taak van het Fonds het bestuur en het beheer van dat deel van het medisch apparaat
rblz.|18 r.k.| dat niet valt onder bestuur en beheer van bedrijfsverenigingen of het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.
     Voorts was de Raad van oordeel dat aan het Fonds nog een taak zou dienen toe te vallen in het kader van de liquidatie van de huidige invaliditeits- en ongevallenverzekering. Dit zal te zijner tijd bij de ter zake in te dienen wetsontwerpen aan de orde komen.
     Met de adviesorganen is de ondergetekende van oordeel dat het heffen van een uniforme premie, zoals in het ontwerp is voorgesteld, het instellen van een fonds, in het wetsontwerp Arbeidsongeschiktheidsfonds genoemd, impliceert. In artikel 72 [72] van het ontwerp wordt dan ook de instelling voorgesteld van een zodanig fonds dat de hoedanigheid van rechtspersoon bezit. In navolging van het advies van de S.E.R. en de S.V.R. zal het bestuur worden gevormd door drie leden aangewezen door de naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers en drie leden aangewezen door de naar het oordeel van voornoemde Minister algemeen erkende centrale organisaties van werknemers. In tegenstelling tot het advies van de S.E.R., doch in overeenstemming met het advies van de S.V.R., zal daarnaast door voornoemde Minister nog een voorzitter van het bestuur worden aangewezen. Het bestuur van het Fonds zal in de gedachtengang van het wetsontwerp verantwoordelijk en rekenplichtig zijn aan de S.V.R.
     In het Arbeidsongeschiktheidsfonds zullen enerzijds de door de bedrijfsverenigingen geïnde premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden gestort, terwijl anderzijds de ingevolge de wet te betalen uitkeringen, de kosten van bijzondere geneeskundige behandeling, revalidatie e.d., alsmede de overige aan de uitvoering van de wet verbonden kosten, ten laste van het Fonds zullen komen.
     Behalve het beheer van het Fonds zal het bestuur tot taak hebben het vaststellen, onder goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, gehoord de S.V.R., van het voor de uitvoering van de wet benodigde premiepercentage.
     Omtrent de samenstelling en de bevoegdheden van het bestuur en het beheer van het Fonds kunnen door meergenoemde Minister nadere regelen worden gesteld. In dit verband wil de ondergetekende nog opmerken dat hij volledig instemt met de door de S.V.R. in zijn advies geponeerde zienswijze dat de afzonderlijke beleidsstatus van het Fonds niet met zich brengt dat het ook op het vlak van de uitvoering en de administratie een zelfstandige taak zou dienen te hebben. Ook naar de mening van de ondergetekende zou de voorgestelde scheiding van de bestuursapparaten van het Fonds en de S.V.R. niet dienen te worden doorgetrokken voor de bureaux van beide instellingen. Mede ter voorkoming van dubbele werkzaamheden zou het aanbeveling verdienen een aantal taken van het Fonds liggende op het terrein van het beheer en de controle, aan het bureau van de S.V.R. op te dragen. Overigens dient een beslissing ter zake te zijner tijd door de desbetreffende organen zelf te worden genomen.


c. Medische dienst

     In paragraaf 4.3 wordt uitvoerig uiteengezet dat en waarom de ondergetekende heeft gekozen voor een gemeenschappelijke dienst, welke dienst bij uitsluiting zal worden belast met de werkzaamheden samenhangende met de invaliditeitsschattingen en de revalidatie in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In dit hoofdstuk zal daarom slechts nog in het kort op de wijze van organisatie van deze dienst behoeven te worden ingegaan.
     Naar de mening van de ondergetekende is het aangewezen dat de organisatie van de Gemeenschappelijke Medische Dienst geregeld wordt in de Organisatiewet Sociale Verzekering. Een mede daartoe strekkend ontwerp tot wijziging van die wet is gelijktijdig met het onderhavige ontwerp ingediend. In eerstbedoeld ontwerp wordt ervan uitgegaan dat de Dienst zal worden ingesteld door de Federatie van Bedrijfsverenigingen en vervolgens - indien aan de in de wet gestelde vereisten wordt voldaan - door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
rblz.|19 l.k.| gehoord de S.V.R., als zodanig zal worden erkend. Slechts voor het geval er op de aangewezen wijze geen gemeenschappelijke dienst tot stand zou komen, dan wel een eenmaal door genoemde Minister verleende erkenning zou worden ingetrokken, is verder als sluitstuk volledigheidshalve bepaald dat de Minister zelf tot instelling van een dergelijke dienst kan overgaan.

 

3.4. Middelen tot dekking van de kosten


     In hoofdstuk 5 van deze memorie wordt aandacht geschonken aan het financieringsstelsel (paragraaf 1) alsmede aan het stelsel van premieheffing (paragraaf 2). Gekozen wordt enerzijds voor het omslagstelsel, anderzijds voor een uniforme premie.
     Zowel de S.E.R. als de S.V.R. hebben geadviseerd de premie te doen vaststellen in een percentage van het loon in de zin van paragraaf 2 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, met dien verstande dat voor dat deel van het loon dat uitgaat boven het overeenkomstig artikel 9, eerste lid, dier wet vastgestelde maximumdagloon geen premie wordt geheven. Verder werd door beide organen aanbevolen de premie door de werknemers en door de werkgevers bij wie zij in dienst zijn gezamenlijk te laten dragen en wel door ieder voor de helft. Door dit laatste wordt, aldus het advies van de S.E.R., tot uiting gebracht dat het invaliditeitsrisico der loontrekkenden een door werkgevers en werknemers gezamenlijk te dragen risico is en dat bij de uitvoering van de tot dekking van dat risico getroffen regeling de werkgevers en de werknemers in gelijke mate betrokken zijn.
     De ondergetekende kan zich met de te dezer zake gegeven adviezen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen zeer wel verenigen en heeft dan ook in het ontwerp van wet dienovereenkomstige bepalingen voorgesteld.
     In dit verband zij nog opgemerkt dat de loontrekkenden thans noch voor de Invaliditeitswet, noch voor de Ongevallenwetten een bijdrage in de premie leveren. De vraag of er bij invoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering looncompensatie voor de alsdan door de werknemers te betalen premie zal dienen te worden gegeven, behoeft naar het oordeel van de ondergetekende thans nog niet te worden beantwoord; zij zal te zijner tijd bij de invoering der regeling in het kader van de dan geldende omstandigheden kunnen worden bezien.
     Zoals ook in paragraaf 5.1 van deze memorie naar voren komt, waren zowel de S.E.R. als de S.V.R. van oordeel dat het wenselijk zou zijn om over te gaan tot de vorming van een schommelreserve, welk standpunt door de ondergetekende wordt gedeeld.
     De ondergetekende heeft het evenwel niet nodig geacht in
de wet voorschriften te geven omtrent de vorming en de omvang van een zodanige reserve. Hij meent dat dit in beginsel aan het beleid van het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds kan worden overgelaten. De mogelijkheid is evenwel opengehouden dat de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, gehoord de S.V.R., ter zake regelen kan stellen.

 

3.5. Invloed van de verzekering op het burgerlijk recht


a. Aansprakelijkheid van de werkgever voor schade aan de werknemer overkomen

     In vele gevallen zal de arbeidsongeschiktheid van een verzekerde of gewezen verzekerde veroorzaakt zijn of mede veroorzaakt zijn door een ander, die daarvoor naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplicht is. Indien degene die de arbeidsongeschiktheid veroorzaakt de werkgever van de betrokkene is of een persoon voor wiens daden hij aansprakelijk is, rijst de vraag in hoeverre de onderhavige voorziening van invloed dient te zijn op de burgerrechtelijke verhouding.
     De Ongevallenwet 1921 en de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 hebben de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever voor de gevolgen voortvloeiende uit een aan zijn werknemer overkomen ongeval, in de zin dier wetten in
rblz.|19 r.k.| principe opgeheven (artikel 93, eerste lid, respectievelijk artikel 101, eerste lid).
     De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 8 januari 1960 (N.J. 1960, 127) beslist dat op grond van bedoelde bepalingen niet slechts de aansprakelijkheid van de werkgever voor door de getroffene geleden vermogensschade (loonderving), maar voor elke schade, dus ook voor de onstoffelijke schade, is opgeheven.
     De burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade aan de goederen van de getroffene veroorzaakt wordt in het algemeen niet opgeheven.
     Op grond van het tweede lid van genoemde artikelen is de werkgever eveneens aansprakelijk voor schade als gevolg van een ongeval indien de getroffene een loon geniet dat het maximumdagloon overtreft. Alsdan wordt slechts bepaald dat de rechter bij de vaststelling der schadevergoeding moet rekening houden met hetgeen krachtens de Ongevallenwetten wordt genoten. Deze bepaling heeft tot gevolg dat de hier bedoelde werknemers niet alleen steeds hun werkgevers voor de volledige vermogensschade, maar ook voor de onstoffelijke schade kunnen aanspreken. De hier bedoelde werknemers verkeren dus, vergeleken met de overige werknemers, in een bevoorrechte positie.
     Ingevolge artikel 11 van de Zeeongevallenwet 1919 is elke aansprakelijkheid van de werkgever voor schade van zijn werknemer als gevolg van een dienstongeval uitgesloten.
     De Ziektewet handhaaft in het huidige artikel 52, eerste lid, uitdrukkelijk de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever voor schade aan zijn werknemer veroorzaakt, doch draagt de rechter op bij de vaststelling van de schadevergoeding het bedrag van het ziekengeld in mindering te brengen.
     Bij de voorbereiding van de onderhavige voorziening is ruime aandacht besteed aan de vraag in hoeverre de aansprakelijkheid voor schade naar burgerlijk recht door deze voorziening zou dienen te worden beperkt.
     De ondergetekende beschikte daarbij over een advies van de S.V.R. van 21 februari 1963 inzake het verhaalsrecht.
     Hoofdstuk III van dit advies handelt over de vraag of in de arbeidsongeschiktheidsverzekering de werkgeversaansprakelijkheid moet worden uitgesloten (systeem van de Ongevallenwetten) dan wel gehandhaafd (systeem Ziektewet).
     Een minderheid van de Raad voelt de mogelijkheid van het ontstaan van tal van procedures tussen bedrijfsgenoten onderling als een ernstig bezwaar tegen een systeem van geheel gehandhaafde werkgeversaansprakelijkheid. Zij vreest van deze procedures een ernstige verstoring van de goede verhoudingen binnen de onderneming. Bij de huidige Ziektewet treden deze bezwaren niet zozeer op de voorgrond, omdat daarbij de verhouding werkgever-werknemer een veel geringere rol speelt. Deze minderheid van de Raad is overigens van oordeel dat een socialeverzekeringswet, zijnde een publiekrechtelijke regeling, niet dan met gegronde redenen de civiele rechten van werknemers mag aantasten. Zij ziet deze gegronde redenen in de omstandigheid dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering een publiekrechtelijke voorziening is voor gemeenschappelijke risico's van het bedrijfsleven, waarvan het karakter met zich brengt dat de bedrijfsgenoten, althans ter zake van door de verzekering gedekte schadefactoren, geen verdere acties tegen elkaar hebben. De van het civiele recht afwijkende rechten van de werknemer (gedeeltelijke, doch waardevaste uitkeringen ook bij eigen (mede)schuld) - zo deze minderheid van de Raad - rechtvaardigen een evenzeer afwijkende regeling van de werkgeversaansprakelijkheid. Slechts waar uitsluiting van aansprakelijkheid tot onbillijkheden leidt, moet deze worden opgeheven. Deze minderheid van de Raad acht zulks het geval wanneer de werkgever ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld. Tot slot stelt deze minderheid van de Raad nog dat ook in het sociale verzekeringsrecht van andere landen van de uitgesloten werkgeversaansprakelijkheid wordt uitgegaan.
     De meerderheid van de Raad meent dat de door de minderheid getrokken parallel tussen de arbeidsongeschiktheidsverzekering
rblz.|20 l.k.| en de huidige Ongevallenwetten op het essentiële punt - de aard van het gedekte risico - aan het verschil tussen beide voorzieningen ten onrechte voorbijgaat. Niet het in de werkzaamheid als arbeider schuilende risico is immers grondslag van de in de arbeidsongeschiktheidsverzekering vervatte voorziening, doch het algemene risico dat men door ziekte of ongeval verhinderd wordt door arbeid in loondienst een inkomen te verwerven. Dit essentiële verschilpunt tussen de huidige Ongevallenwetten en de arbeidsongeschiktheidsverzekering - zo de meerderheid van de Raad - komt ook in de wijze van verdeling van de financiële last van deze voorziening tot uitdrukking.
     De meerderheid van de Raad merkt verder op dat het de verwijzing naar het socialeverzekeringsrecht van andere landen, waarop de minderheid van de Raad ter ondersteuning van haar opvatting wijst, niet aanspreekt, daar die verwijzing juist betrekking heeft op de in die landen geldende voorzieningen ter zake van ongeschiktheid als gevolg van een bedrijfsongeval.
     Ten slotte deelt de meerderheid van de Raad niet de mening als zou uitsluiting van werkgeversaansprakelijkheid alleen tot onbillijkheden leiden in het geval dat schade wordt geleden als gevolg van een door de werkgever gepleegd strafbaar feit. De meerderheid van de Raad acht die onbillijkheid ook daar aanwezig waar uilsluiting van de werkgeversaansprakelijkheid de gelaedeerde werknemer de mogelijkheid ontneemt vergoeding te verkrijgen ook voor die schadefactoren in welker dekking de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet voorziet.
     De ondergetekende is met de meerderheid van de S.V.R. van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de aansprakelijkheid van werkgevers voor door hen (mede) veroorzaakte arbeidsongeschiktheid van hun werknemers te beperken. Zoals door de meerderheid van de Raad terecht werd betoogd, is namelijk grondslag van de voorgestelde voorziening niet het in de werkzaamheid als arbeider schuilende risico, doch het algemene risico dat men door ziekte of ongeval verhinderd wordt door arbeid in loondienst een inkomen te verwerven. Daarom ligt het voor de hand aan te sluiten aan het systeem van de Ziektewet. De minderheid van de Raad vreest voor tal van procedures tussen bedrijfsgenoten, die een gevaar vormen voor een ernstige verstoring van de goede verhoudingen binnen de onderneming. Het wil de ondergetekende voorkomen dat, zo deze vrees al gegrond mocht zijn, dit toch geen argument kan zijn voor het ontnemen aan de werknemer van rechten die hem volgens het burgerlijk recht toekomen. De voorgestelde voorziening beoogt toch in genen dele een volledige schadeloosstelling voor alle gevolgen van arbeidsongeschiktheid te geven. Te denken valt maar aan bijvoorbeeld de onstoffelijke schade die de arbeider door een ongeval lijdt en waarvoor het ontwerp geen voorziening treft.
     Intussen is de ondergetekende ook niet zo bevreesd voor een verstoring van de goede geest in de onderneming door te veel processen. In de eerste plaats verwacht hij dat de vakorganisaties van werknemers voor een onverantwoord instellen van schadeacties tegen de werkgever zullen waken. Daarnaast zal de omstandigheid dat de werkgevers in het algemeen tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd zijn tot gevolg hebben dat een eventuele procedure zich meer in het zakelijk vlak zal afspelen. Juist het ontnemen van rechten aan de werknemers zonder dat aequivalente voorzieningen daar tegenover staan, zou zijns inziens aanleiding kunnen geven tot onrust in het bedrijfsleven. De ondergetekende kan overigens geheel instemmen met de opmerking in het rapport van de S.V.R. dat het laten vervallen van civiele rechten toch niet het geëigende middel is om de arbeidsrust te handhaven.
     In verband met het vorenstaande heeft de ondergetekende gemeend, in aansluiting aan het thans bij de Ziektewet geldende systeem, de aansprakelijkheid naar burgerlijk recht ook voor werkgevers te moeten handhaven.
     Intussen dient de getroffene uiteraard niet langs tweeërlei weg, te weten via de regelen van het burgerlijk recht en via de voorgestelde arbeidsongeschiktheidsverzekering, schadevergoeding
rblz.|20 r.k.| te ontvangen. Nu is het niet uitgesloten dat de rechter in het algemeen bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid, ook zonder nadere voorziening, rekening zal houden met de aanspraken die de betrokkene krachtens de voorgestelde wet heeft. Zeker is dit evenwel niet. Daarom is dit, evenals in artikel 52, eerste lid, van de bestaande Ziektewet, met zovele woorden in het wetsontwerp neergelegd in artikel 89 [89].


b. Verhaalsrecht van het uitvoeringsorgaan op degene die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade

     Zoals reeds in het begin van deze paragraaf werd gememoreerd, zal in vele gevallen de arbeidsongeschiktheid van een verzekerde veroorzaakt zijn of mede veroorzaakt zijn door een ander, die daarvoor naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplicht zal zijn.
     De vraag rijst nu in hoeverre het gewenst is voor de verstrekkingen welke ingevolge de voorgestelde voorziening aan de getroffene worden gedaan, aan de bedrijfsvereniging die de verstrekkingen doet een recht van verhaal te geven op degene die (mede) de arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt.
     Krachtens het huidige artikel 52 van de Ziektewet, dat - anders dan de desbetreffende bepalingen van de Ongevallenwet 1921 en van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 - de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever niet opheft, heeft het uitvoeringsorgaan, behoudens in gevallen van een vonnis van de strafrechter, geen verhaalsrecht ten aanzien van de werkgever van de getroffene die (mede)veroorzaker is van de arbeidsongeschiktheid. In de gevallen dat de arbeidsongeschiktheid (mede) is veroorzaakt door een ander dan de werkgever of dat deze laatste door de strafrechter ter zake van het feit waarop de rechtsvordering tot schadevergoeding steunt, is veroordeeld, heeft het uitvoeringsorgaan wel recht van verhaal voor verleende uitkeringen op degene die de arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt. Dit laatste geldt ook bij de Ongevallenwet 1921 en de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922.
     In zijn eerdergenoemd advies van 21 februari 1963 behandelt de S.V.R. ook het onderhavige vraagstuk (hoofdstuk V). De Raad wijst er allereerst op dat de sociale verzekering primair is gericht op het belang van de gelaedeerden. Een uitkering krachtens de sociale verzekering laat dan ook de acties van de gelaedeerden ex de artikelen 1406 en 1407 van het Burgerlijk Wetboek in beginsel onverlet. De wetgever - zo de Raad - heeft de acties ex de artikelen 1406 en 1407 van het Burgerlijk Wetboek gegeven om de werkelijke schade te kunnen verhalen op de schuldige en daarbij allerminst gedacht aan het belang van de verzekeraars. De bestaande verhaalsbepalingen in de Ziektewet, de Ongevallenwet 1921 en de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 acht de Raad daarom eigenlijk afwijkingen van het civielrechtelijk beginsel dat de pleger van een onrechtmatige daad alleen de schade behoeft te vergoeden van degene wiens belang hij rechtstreeks heeft geschonden. De Raad wijst erop dat dit dan ook volgens constante jurisprudentie tot gevolg heeft dat de zelfstandigheid van het recht van verhaal ingevolge de socialeverzekeringswetten niet zo ver gaat dat de schuldige ooit meer zou moeten vergoeden aan de risicodrager dan hij naar burgerlijk recht schuldig is aan de getroffene of aan diens nagelaten betrekkingen. De Raad acht het gewenst in de arbeidsongeschiktheidswet niet af te wijken van het in de vorige volzin geschetste beginsel.
     Intussen heeft de Raad zich, min of meer los van de vorenstaande problematiek, beziggehouden met de vraag of het gewenst is in de arbeidsongeschiktheidsverzekering een verhaal voor verstrekte uitkeringen op de naar burgerlijk recht schadevergoedingsplichtige op te nemen.
     De Raad acht het in elk geval gewenst in
de wet de mogelijkheid van verhaal neer te leggen op degene die de arbeidsongeschiktheid opzettelijk of wel bewust roekeloos heeft veroorzaakt. Met het gebruik van deze terminologie heeft de S.V.R. op het oog dat de desbetreffende wettelijke bepaling rblz.|21 l.k.| het recht op verhaal enerzijds niet beperkt tot degene die de arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt, doch anderzijds niet uitbreidt tot ieder aan wie grove schuld in dezen te verwijten valt.
     Bij eventueel verhaal op een schadeveroorzaker bij wie geen opzet of bewuste roekeloosheid valt aan te wijzen, ziet de Raad verschillende aspecten naar voren treden.
     De Raad wil geen verhaalsrecht geregeld zien op personen die bij de verzekering betrokken zijn en de schade niet opzettelijk of bewust roekeloos hebben veroorzaakt. De Raad gaat er daarbij van uit dat de kring van bij de verzekering betrokkenen zekere risico's overdraagt op het socialeverzekeringsorgaan dat daarvoor de premie ontvangt. De Raad acht het gewenst als onder de risico's die overgedragen worden ook begrepen is het risico aangesproken te worden door het socialeverzekeringsorgaan.
     Ten slotte wil de meerderheid van de Raad in de nieuwe wet geen verhaalsrecht op derden vastgelegd zien, behoudens ingeval er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Zij wijst erop dat velen van deze "derden" financieel afhankelijk zijn van of verbonden aan de tot de kring der verzekerden behorenden. Bovendien - zo deze meerderheid - is het in de praktijk vaak erg toevallig en moeilijk te onderkennen of iemand tot de "kring" behoort dan wel als buitenstaander is te beschouwen.
     Enkele leden van de Raad zien geen reden waarom derden zouden mogen profiteren van de arbeidsongeschiktheidswet. Slechts door een verhaalsrecht op derden in de wet op te nemen, wordt - aldus redeneren deze leden - voorkomen dat personen die buiten de Nederlandse arbeidsgemeenschap staan ongestraft onvoorzichtig mogen zijn op kosten van deze arbeidsgemeenschap.
     De ondergetekende moge naar aanleiding van het vorenstaande erop wijzen dat een uitkering krachtens de sociale verzekering in beginsel wellicht de acties van de gelaedeerde ex de artikelen 1406 en 1407 van het Burgerlijk Wetboek [B.W. red.] onverlet laat, doch dat deze in ieder geval wel van invloed dient te zijn op de omvang van de te vergoeden schade. De verschillende bestaande socialeverzekeringswetten - evenals het onderhavige wetsvoorstel - bepalen in verband hiermede dan ook dat de rechter bij het vaststellen van de schadevergoeding naar burgerlijk recht rekening moet houden met de verstrekkingen krachtens die wetten. Voor een deel wordt de schadevergoeding waarop de verzekerde bij het ontbreken van aanspraken krachtens de socialeverzekeringswetgeving ex de artikelen 1406 en 1407 B.W. aanspraak zou hebben, vervangen door een vordering van de gedupeerde werknemer op het uitvoeringsorgaan van de sociale verzekering. Aangezien zodoende dit laatste orgaan bij de wet verplicht wordt, tot een voor iedere wet nader aangegeven grens, als het ware de schadevergoeding welke naar burgerlijk recht de schadeveroorzaker anders had moeten geven, over te nemen, ligt het voor de hand aan dat orgaan ook bij de wet in beginsel de bevoegdheid te geven zijnerzijds verhaal te zoeken op degene die naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht. Deze behoeft - althans in beginsel - niet te profiteren van de omstandigheid dat een socialeverzekeringswet als het ware bepaalde schadevergoedingen welke hij naar burgerlijk recht verschuldigd zou zijn wanneer de socialeverzekeringswet er niet was geweest, overneemt. Daarom wordt in artikel 90 [90], eerste lid, van het onderhavige ontwerp als algemene regel vooropgesteld dat de bedrijfsvereniging voor de kosten van de voorziening krachtens de voorgestelde verzekering verhaal heeft op de naar burgerlijk recht schadevergoedingsplichtige.
     In verband hiermede gaat het wetsontwerp ervan uit dat het recht van verhaal niet zo ver mag reiken dat de schuldige meer zou moeten vergoeden aan het uitvoeringsorgaan dan hij naar burgerlijk recht schadevergoedingsplichtig is. Hier wordt aangesloten bij de jurisprudentie op dit punt bij de bestaande socialeverzekeringswetten en bij de opvatting van de S.V.R. ter zake.
    
rblz.|21 r.k.| Een schuldige veroorzaker van arbeidsongeschiktheid zal overigens twee vorderingen tegelijkertijd tegen zich kunnen zien ingesteld, te weten één van de getroffene voor de niet door de arbeidsongeschiktheidsverzekering gedekte schade en één van de bedrijfsvereniging tot verhaal van de krachtens genoemde verzekering verstrekte voorzieningen. In de gevallen waarin degene die de arbeidsongeschiktheid veroorzaakte daarvoor volledig zelf aansprakelijk is en de rechter geen aanleiding vindt om van zijn matigingsrecht gebruik te maken, doen zich bij de vaststelling van het bedrag der beide vorderingen geen speciale moeilijkheden voor. Voor de gevallen echter waarin de arbeidsongeschiktheid mede is veroorzaakt door de getroffene zelf of waarin de rechter aanleiding vindt om van zijn matigingsrecht gebruik te maken, dient een speciale voorziening te worden getroffen. Artikel 90 [90] van het ontwerp bepaalt dienaangaande dat de bedrijfsvereniging alsdan zal kunnen verhalen het bedrag waartoe degene die de schade heeft veroorzaakt tot schadevergoeding is verplicht, verminderd met een bedrag gelijk aan de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde is gehouden.
     In het vorenstaande werd als algemeen beginsel vooropgesteld dat de bedrijfsvereniging voor de kosten van de voorzieningen krachtens het voorgestelde ontwerp verhaal dient te hebben op de naar burgerlijk recht schadevergoedingsplichtige persoon.
     De vraag rijst thans of het uitvoeringsorgaan in alle gevallen regres dient te hebben op de aansprakelijke persoon. De ondergetekende meent deze laatste vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Hij is van oordeel dat het uitvoeringsorgaan geen verhaal dient te hebben in de gevallen waarin de voor de arbeidsongeschiktheid aansprakelijke persoon de werkgever van de gelaedeerde is. Deze werkgever betaalt immers zelf aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering mee, juist (mede) omdat de gelaedeerde in zijn dienst werkzaam is.
     Met de S.V.R. is de ondergetekende het eens dat steeds een recht van verhaal van krachtens de voorgestelde verzekering te verstrekken of verstrekte voorzieningen moet worden gegeven indien de aansprakelijke persoon de arbeidsongeschiktheid opzettelijk of bewust roekeloos heeft veroorzaakt. In deze gevallen dient ook de werkgever van een getroffene door de bedrijfsvereniging te kunnen worden aangesproken. In één en ander voorziet artikel 91 [91] van het ontwerp.

 

3.6. Afwijking op belangrijke punten van de adviezen van de S.E.R. en de S.V.R.


     Aan het slot van dit hoofdstuk moge de ondergetekende een overzicht geven van een aantal belangrijke punten waarop is afgeweken van de adviezen van de S.E.R. en de S.V.R.


1. Maximumuitkeringsduur voor de Ziektewet en wachttijd voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering

     De thans voor de ziekengeldverzekering geldende maximumuitkeringstermijn van 52 weken wordt gehandhaafd. Deze periode komt overeen met de voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering geldende wachttijd voor het recht op uitkering. Door beide adviesorganen werd een wachttijd voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering en dus ook een maximumuitkeringstermijn voor de ziekengeldverzekering voorgesteld van 26 weken.
     (Punt 5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp inzake wijziging van de Ziektewet).


2. Mate van arbeidsongeschiktheid tussen 15% en 25%

     Het recht op uitkering bij arbeidsongeschiktheid wordt verleend indien de arbeidsongeschiktheid 15% of meer bedraagt. In de adviezen wordt voorgesteld geen uitkering te verlenen bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%.
     (Paragraaf 3.2, onder a, van het algemeen deel dezer memorie).

rblz.|22 l.k.| 
3. Premie

     In het wetsvoorstel wordt uitgegaan van een uniforme premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De adviesorganen hebben zich uitgesproken voor een mengvorm van uniforme en gedifferentieerde premie. Zij beoogden de uitkeringen over de eerste twee jaren te financieren door middel van een gedifferentieerde premie en de uitkeringen na die termijn door middel van een uniforme premie.
     (Paragraaf 5.2 van het algemeen deel dezer memorie).


4. Medische dienst

     In het onderhavige wetsvoorstel wordt uitgegaan van één medische dienst. Op dit punt zijn de adviesorganen niet unaniem in hun oordeel. Het aantal leden van deze organen hetwelk zich uitsprak voor één medische dienst ten behoeve van alle bedrijfsverenigingen was nagenoeg gelijk aan dat hetwelk meer medische diensten voorstond.
     (Paragraaf 3.3, onder c, en paragraaf 4.3 van het algemeen deel dezer memorie).


5. Overheidspersoneel

     Van de deelneming aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt uitgesloten het overheidspersoneel. De S.E.R. en de S.V.R. achtten voor deze uitzondering geen voldoende redenen aanwezig.
     (Paragraaf 3.2, onder a, van het algemeen deel dezer memorie).


6. Afschaffing van de loongrens in de Ziektewet

     Volledigheidshalve zij hier vermeld dat de adviesorganen bij hun beschouwingen over een arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn uitgegaan van de huidige situatie, te weten van een voor de ziekengeldverzekering geldende loongrens. In het wetsontwerp tot wijziging van de Ziektewet wordt voorgesteld de loongrens af te schaffen.
     (Punt 3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp inzake wijziging van de Ziektewet).

 

4. Sociaal-geneeskundige aspecten


4.1. De sociaal-medische betekenis van een arbeidsongeschiktheidsverzekering


     1. Het is voor een juiste waardering van een nieuwe vorm van sociale verzekering noodzakelijk alle aspecten van de nieuwe verzekering te beschouwen. Eén van de aspecten die bij verschillende takken van de sociale verzekering een element in de waarde der verzekering vormt, is het sociaal-geneeskundige aspect. De ondergetekende behoeft slechts te herinneren aan het verband tussen sociale verzekering, bestrijding van armoede en gebrek en preventie van ziekten. Ook in de geneeskundige wereld, althans in Nederland, wordt de sociale verzekering als één der voorwaarden tot bevordering der volksgezondheid beschouwd. Een blik in de jaargangen van het Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde, waarin meer dan één artikel voorkomt over de betekenis van de socialeverzekeringswetten voor de volksgezondheid, bevestigt deze indruk. Hij zou echter de Nederlandse geneeskundigen in het algemeen tekortdoen indien hij deze belangstelling voor onze socialeverzekeringswetgeving alleen aanwezig zou achten bij de meer gespecialiseerde sociaal-geneeskundigen. Integendeel zou de ondergetekende er de aandacht op willen vestigen dat een goede uitvoering van verschillende onzer socialeverzekeringswetten, met als eerste de Ongevallenwet van 1901, slechts mogelijk is geweest door de volle medewerking van de artsen, huisartsen zowel als specialisten. En het is niet alleen deze 60-jarige coöperatie van de artsen bij de uitvoering dezer wetten die gememoreerd dient te worden. Meer dan eens heeft de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst haar bijdrage evenzeer geleverd aan de vormgeving van rblz.|2
2 r.k.| bepaalde wetten, waarbij de ondergetekende als belangrijk voorbeeld wil noemen de invloed van genoemde Maatschappij op de wetgeving van Talma, die, mede afgaande op het oordeel der Maatschappij, tot het inzicht kwam dat een geldelijke uitkering bij ziekte in de plaats van het gederfde loon niet in één wet geregeld diende te worden met het verlenen van geneeskundige hulp. En ook ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsverzekering toonde de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst haar belangstelling, onder meer in haar tot de ondergetekende gerichte brief van 26 oktober 1961, waarin "het hoofdbestuur erkent dat een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals voorgesteld, belangrijke mogelijkheden tot verbetering inhoudt voor de maatschappelijke status van de invaliden en mindervaliden in ons land".
     De ondergetekende moge zich na het vorenstaande ontheven achten van de plicht met andere voorbeelden aan te tonen hoezeer de sociale verzekering in het algemeen en met name de wetten welke met het onderhavige ontwerp van wet verband houden, namelijk de Ongevallenwetten, de Ziektewet en de lnvaliditeitswet, een belangrijk sociaal-geneeskundig aspect vertonen. Hij wil zich nu bepalen tot de belichting van het sociaal-geneeskundige aspect in het algemeen van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarna hij bepaalde medische voorzieningen en medisch-organisatorische vraagpunten nader aan een beschouwing wil onderwerpen.
     Wil men zich een oordeel vormen over de sociaal-medische betekenis van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan kan men dit volgens het inzicht van de ondergetekende slechts doen door enerzijds de sociaal-geneeskundige aspecten van de samenstellende delen, in casu van de bestaande Ongevallenwetten, de Ziektewet en de Invaliditeitswet, in beschouwing te nemen en anderzijds na te gaan hoe deze elementen hun integratie vinden in een Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en welke winstpunten er met deze integratie zijn te boeken.

     2. De Ongevallenwet 1901, welke het risque professionnel tot grondslag had, regelde niet alleen een geldelijke uitkering aan de verzekerde arbeider indien hij door een ongeval hem in verband met de bedrijfsuitoefening overkomen ongeschikt tot arbeid werd, maar tevens de geneeskundige behandeling. Als geldelijke gevolgen van ongevallen werden tevens beschouwd de uit geneeskundige behandeling voortvloeiende kosten en het was derhalve een belang voor het uitvoeringsorgaan, de Rijksverzekeringsbank, dat als schadeloosstelling, naast geldelijke uitkering, ook genees- en heelkundige behandeling moest verlenen, een toezicht op deze behandeling uit te oefenen, teneinde zo spoedig mogelijk genezing te bereiken. Ook kreeg de Bank de nodige bevoegdheid om een bepaalde behandeling voor te schrijven teneinde het herstel van de getroffene te bevorderen. Neemt men daarnaast in beschouwing de uitbreiding van de bevoegdheden der Rijksverzekeringsbank door de wetswijziging van 1921, waarbij bepaald werd dat onder geneeskundige behandeling mede begrepen werd het verstrekken van kunstmiddelen nodig "voor het herstel, het behoud of de bevordering van de geschiktheid tot werken", terwijl tevens bepaald werd dat het bestuur van de Bank bevoegd was een getroffene op diens verzoek een opleiding te geven ter verhoging van zijn arbeidsgeschiktheid, dan wil de ondergetekende opmerken dat reeds tientallen jaren vóór het officiële begrip "rehabilitation" in 1945 tot ons kwam, de voorwaarden tot een goede revalidatie reeds in de Ongevallenwet verankerd lagen.
     De ondergetekende wil hieraan toevoegen dat het niet bij deze wettelijk bepaalde mogelijkheden gebleven is, doch dat de Rijksverzekeringsbank - en later de Sociale Verzekeringsbank - er zorg voor heeft gedragen dat de desbetreffende wettelijke bepalingen niet een dode letter bleven, doch dat de geneeskundige behandeling krachtens de Ongevallenwet zich ontwikkelde tot een zodanige geneeskundige en maatschappelijke voorziening dat zonder aarzeling gesteld mag worden dat de in dienstverband door een ongeval getroffen werknemer reeds gedurende meer dan 40 jaar, waar nodig, een revalidatiebehandeling ontving welke in overeenstemming was rblz.|2
3 l.k.| met de stand der medische wetenschap en met de maatschappelijke mogelijkheden.
     De ondergetekende is van mening dat het verlenen van de geneeskundige behandeling aan de ongevalsgetroffenen en de wijze waarop dit in de afgelopen 60 jaren is geschied, wel het belangrijkste sociaal-geneeskundige aspect vormen van de ongevallenwetgeving. Dat in Nederland een behandeling wordt verleend welke in het algemeen als goed mag worden gekwalificeerd en die zeker nog beter zal kunnen worden als de traumatologie zich verder ontwikkelt en wordt erkend, hangt niet het minst van een tweetal factoren af. In de eerste plaats mag gewezen worden op de goede en vruchtbare samenwerking tussen de behandelende geneeskundigen en de geneeskundigen van de Bank en voorts op de in 1928 in de wet geïntroduceerde mogelijkheid van het aan een onderneming verbinden van een erkende geneeskundige dienst, waardoor de kwaliteit van de ongevalsbehandeling in de bedrijven in niet geringe mate is opgevoerd.
     Hoewel het niet de bedoeling van de ondergetekende is een volledige opsomming van alle sociaal-geneeskundige aspecten van de verschillende hier in bespreking zijnde wetten te geven, wil hij toch op één aangelegenheid in de Ongevallenwetten nog de aandacht vestigen, namelijk de gelijkstelling met ongeval van een aantal beroepsziekten. Deze gelijkstelling betekende niet alleen een belangrijke verhoging van de zekerheid voor de werknemers, doch evenmin mag men de betekenis der beroepsziekten in de Ongevallenwet uit een oogpunt van arbeidersbescherming onderschatten. Het kennisnemen door de Arbeidsinspectie van alle bij de Bank ingekomen aangiften van beroepsziekten en ongevallen heeft tot menige technische en hygiënische verbetering in de bedrijven geleid.

     3. Eén van de drie wetten van Talma die op 5 juni 1913 het Staatsblad bereikten, was de Ziektewet. Veel minder dan bij de Ongevallenwetten springt bij die wet het sociaal-geneeskundige aspect naar voren. In de Ziektewet werd, zoals reeds eerder vermeld, de geneeskundige behandeling niet geregeld, doch werd door de bekende bepaling van de zogenaamde koppeling - de verzekerde komt geen ziekengeld toe indien hij niet is ingeschreven bij een overeenkomstig het Ziekenfondsenbesluit toegelaten ziekenfonds - slechts een verband gelegd tussen beide verzekeringen. Het ontbreken van de geneeskundige behandeling in de Ziektewet ontneemt aan die wet het belangrijke sociaal-geneeskundige aspect waaraan de ondergetekende bij de bespreking van de Ongevallenwet een uitvoerige beschouwing wijdde.
     Met betrekking tot de Ziektewet zou de ondergetekende enkele punten willen belichten die op een sociaal-geneeskundig manco in die wet wijzen. Zoals bekend bedraagt de wettelijke maximale uitkeringsduur van het ziekengeld 52 weken. Slechts indien de werkgever de zieke arbeider in de gelegenheid stelt zijn arbeid gedeeltelijk te verrichten tegen ten minste de helft van zijn loon en de controlearts dit in het belang van de zieke arbeider acht, kan aanvullend ziekengeld worden uitgekeerd tot het volle loon. In de Ziektewet ontbreekt echter, anders dan in de Ongevallenwetten, waar na zes weken ongeschiktheid tot werken een rente wordt verleend naar verhouding tot de verloren geschiktheid tot werken, een regeling waarbij de ziekengelduitkering in verhouding staat tot de verminderde arbeidsgeschiktheid. Het ontbreken van deze regeling kan een belemmerende invloed hebben op de wederinschakeling in het arbeidsproces, hetgeen uit het oogpunt van revalidatie een ernstig gemis betekent. Teneinde zoveel mogelijk aan dit manco in de Ziektewet tegemoet te komen, stelt de ondergetekende in het gelijktijdig met het ontwerp van wet voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering ingediende aanpassingsontwerp tot wijziging van de Ziektewet voor om de genoemde gelegenheid tot het gedeeltelijk verrichten van arbeid tegen ten minste de helft van het loon te verruimen, en wel zodanig dat op aanwijzing van de controlearts de zieke arbeider passende arbeid zal kunnen verrichten indien hij door zijn werkgever - of, heeft zijn dienstbetrekking een einde genomen, door een andere werkgever - in de gelegenheid wordt gesteld tot het verrichten
rblz.|23 r.k.| van die arbeid tegen een gedeelte van zijn loon. De beperking tot de helft vervalt derhalve, waardoor een ruimere mogelijkheid tot inschakeling in het arbeidsproces wordt geboden gedurende de periode van uitkering van ziekengeld. Ter voorkoming van misverstand zij hieraan toegevoegd dat bij de toepassing van deze bepaling het vraagstuk van de invaliditeitsschatting niet aan de orde komt.
     Een ander bezwaar in de huidige Ziektewet acht de ondergetekende de bepaling dat slechts hij recht op uitkering van ziekengeld kan doen gelden die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens "ziekte". Deze bepaling heeft reeds spoedig na de invoering van de Ziektewet in 1930 aanleiding gegeven tot beslissingen van de uitvoeringsorganen geen ziekengeld (meer) toe te kennen aan degene die arbeidsongeschikt was wegens een gebrek. Ook in de jurisprudentie komt men dit onderscheid tegen, waarbij getracht is op grond van wetenschappelijke adviezen deze begrippen en daarmede het onderscheid te normeren. Eén en ander leidde tot uitspraken waarvan de consequentie bezwaarlijk beschouwd kan worden te passen in een doeltreffend socialzekerheidsbeleid. In het hiervoren genoemde aanpassingsontwerp tot wijziging van de Ziektewet wordt dan ook voorgesteld "lichamelijke en geestelijke gebreken" met ziekte gelijk te stellen.
     Alvorens van de Ziektewet af te stappen, wil de ondergetekende niet nalaten te memoreren dat de indertijd bij die wet bestaande verplichting 0,025% van het verzekerde loon in het Prophylaxefonds te storten - hetgeen in het bijzonder aan de bij die wet verzekerde arbeiders ten goede zou moeten komen - van zeer grote sociaal-geneeskundige betekenis is geweest. Zo zijn bijvoorbeeld belangrijke bedragen ten goede gekomen aan de bestrijding van reumatische ziekten, aandoeningen waarvan bij de uitvoering der Ziektewet bleek dat zij niet minder dan 20% van het totaal uitgekeerde bedrag aan ziekengeld opeisten. Zoals bekend, verviel in 1950 bij de invoering van de Wet op het Praeventiefonds deze verplichting tot fondsvorming krachtens de Ziektewet. De middelen kwamen voortaan uit de verplichte ziekenfondsverzekering.

     4. Een andere wet behorende tot de drie zogenaamde Talma-wetten van 1913 was de Invaliditeitswet. Op deze plaats mag de ondergetekende er zich van ontheven achten nader uit te weiden over het sociaal-geneeskundige manco in die wet, namelijk het ontbreken van de mogelijkheid tot schatting van de vermindering van het produktief arbeidsvermogen anders dan volgens de bij artikel 72 der Invaliditeitswet bepaalde norm. Dit sociaal-geneeskundige manco immers vormde één van de overwegingen van het advies tot herziening van de invaliditeitsverzekering van de S.E.R., dat in 1957 aan de toenmalige ambtsvoorganger van de ondergetekende werd uitgebracht.
     Een belangrijk positief sociaal-geneeskundig aspect van die wet vormde daarentegen de mogelijkheid tot geneeskundige behandeling of verpleging ter voorkoming van blijvende invaliditeit. Deze bepaling, waaraan de verzekerde echter geen recht tot zodanige behandeling kon ontlenen, werd vóór de invoering van het Ziekenfondsenbesluit in ruime mate toegepast. Ook na de invoering van dit besluit werd het artikel nog wel toegepast, doch in veel geringere mate. Hoofdzakelijk gold de toepassing sedertdien - maar dit dan ook in ruime mate - de sanatoriumbehandeling van tuberculosepatiënten.
     Het grote belang van deze sociaal-geneeskundige voorziening komt dan ook wel duidelijk tot uitdrukking in het hierboven genoemde advies van de S.E.R., waarin aanbevolen wordt aan de mogelijkheid tot vroegtijdige revalidatie in de meest ruime zin, met inbegrip van de opleiding, omscholing en andere maatregelen, bij het tot stand komen van een nieuwe invaliditeitsverzekering ruime aandacht te schenken.
     De ondergetekende heeft in het voorgaande enkele sociaal-geneeskundige aspecten aangeroerd van die socialeverzekeringswetten welke in nauw verband staan met het ontwerp voor een wettelijke regeling van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hoewel ook de ziekenfondsverzekering hiermede nauw verband houdt, waarop de ondergetekende hierna nog de aandacht zal vestigen, meent hij in deze toelichting over
rblz.|24 l.k.| het sociaal-geneeskundige aspect van die verzekering niet te moeten uitweiden, aangezien hij dit onderwerp voldoende meent te hebben belicht in de memorie van toelichting bij het ontwerp Ziekenfondswet.
     De ondergetekende wil deze paragraaf besluiten met het geven van enkele algemene beschouwingen van sociaal-geneeskundige aard over de arbeidsongeschiktheidsverzekering, gezien tegen de achtergrond van de met dit ontwerp nauw verband houdende, hierboven genoemde, socialeverzekeringswetten.

     5. In het voorgaande gedeelte van deze paragraaf heeft de ondergetekende sterk de nadruk gelegd op de betekenis van een goede geneeskundige behandeling in het kader van de sociale verzekering en in het bijzonder op zodanige geneeskundige voorzieningen dat hierdoor zo spoedig mogelijk een volledig herstel in de ruimste zin, dat wil zeggen met inbegrip van aanpassing in het arbeidsproces, wordt bereikt of, zo een volledig herstel niet mogelijk is, een blijvende invaliditeit zoveel als mogelijk is, wordt voorkomen.
     Met de S.E.R. en de S.V.R. is de ondergetekende van mening dat een arbeidsongeschiktheidsverzekering in de eerste plaats dient ter verstrekking van geldelijke schadeloosstelling wegens door arbeidsongeschiktheid gederfd loon. De vraag rijst of de mogelijkheid tot het verlenen van geneeskundige behandeling, zoals wij deze kennen in de Ongevallenwetten en de Invaliditeitswet, in een Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering gehandhaafd dient te blijven. De ondergetekende zou deze vraag in beginsel in ontkennende zin willen beantwoorden. Hij grondt deze uitspraak op de volgende overwegingen.
     Sinds de invoering van de Ongevallenwet 1901 heeft de geneeskundige verzorging van de Nederlandse bevolking door de ontwikkeling van het ziekenfondswezen enerzijds en de toepassingsmogelijkheden der geneeskundige wetenschap - men denke aan het ziekenhuiswezen - anderzijds zich zodanig aangepast aan de groeiende behoeften dat men voor de verstrekking van de gebruikelijke geneeskundige hulp geen andere voorziening meer behoeft te scheppen dan die waarin het ziekenfondswezen voorziet. Reeds wees de ondergetekende erop dat de verlening van geneeskundige behandeling in het kader van de Invaliditeitswet in minder ruime mate meer werd toegepast na de invoering van het Ziekenfondsenbesluit in 1941. Toen immers konden de bij de Ziektewet verzekerden krachtens genoemd besluit de geneeskundige verzorging verkrijgen die zij behoefden en bleven slechts die gevallen over waarvoor het risico niet of slechts gedeeltelijk werd gedekt. De sanatoriumbehandeling van tuberculosepatiënten is daarvan een voorbeeld. De ondergetekende stelt zich daarom in beginsel op het standpunt dat de geneeskundige behandeling een verstrekking behoort te zijn waarvan het risico gedekt wordt door de speciaal daarvoor bestaande tak van sociale verzekering, zijnde de ziekenfondsverzekering. Daarvan is hij ook uitgegaan in het bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakte ontwerp Ziekenfondswet (Kamerstukken zitting 1961-1962, nr. 6808). De ontwikkeling van de ziekenfondsverzekering is echter, op goede gronden, een geleidelijke geweest, zodat men niet kan stellen dat op dit ogenblik krachtens deze verzekering een volledige dekking van de zwaardere geneeskundige risico's voor loontrekkenden bestaat.
     Met name geldt dit ten aanzien van de revalidatie, waarop zich het geneeskundig en maatschappelijk handelen bij iedere arbeidsongeschiktheid, of deze het gevolg is van ziekte dan wel van ongeval of gebrek, moet richten. Het zijn uiteraard niet de eenvoudige geneeskundige behandelingen bij kortdurende ziekten die men onder het begrip revalidatie vat, doch wel het complex van voorzieningen van geneeskundige aard (vaak langdurige en specialistische behandeling), evenals de activiteiten met betrekking tot de plaatsing in het arbeidsproces - met inbegrip van onderwijs en opleiding en verstrekking van bijzondere hulpmiddelen - die men gewoonlijk als revalidatie aanduidt.
     Daarvan nu zou de ondergetekende in beginsel willen stellen, zich aansluitende bij de stelling van de Wereldgezondheidsorganisatie dat ook het maatschappelijk welbevinden een wenselijk
rblz.|24 r.k.| element in het begrip gezondheid vormt, dat de revalidatie een samenstel van maatregelen omvat welke hun toepassing voor een zeer groot deel moeten vinden en waartoe voor een zeer groot deel de mogelijkheden moeten worden geopend binnen het terrein van de gezondheidszorg. Hij zou daarbij willen wijzen op die buitenlandse wetgevingen waarin de revalidatie is gebracht binnen de gezondheidswetgeving en met name zou de ondergetekende de aandacht willen vestigen op de omschrijving in de Amerikaanse ziekenhuiswet, onderdeel van de openbaregezondheidswet, van het begrip revalidatie, zijnde "an integrated program of medical, psychological, social and vocational evaluation and services under competent professional supervision".
     Dit samenstel van activiteiten, tezamen als revalidatie aangeduid, is voorwaarde tot een doeltreffende uitvoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering en dient aan deze uitvoering ten nauwste gekoppeld te worden, zoals de geneeskundige behandeling in het algemeen één der voorwaarden is tot een doeltreffend socialezekerheidsbeleid. Het verdedigen van deze stelling betekent echter niet dat deze geneeskundige behandeling, in casu de revalidatie, als schadeloosstelling geregeld dient te worden in een wet welke is ontworpen tot verstrekking van geldelijke schadeloosstelling wegens door arbeidsongeschiktheid gederfd loon. De ondergetekende stelt zich integendeel op het standpunt dat dit zal moeten geschieden binnen het kader van de wettelijke ziekenfondsverzekering. Zoals bekend, staat hij op het standpunt dat deze verzekering zodanig wordt ontwikkeld dat de ziekenfondsverzekerde die geneeskundige hulp kan verkrijgen die hij behoeft.
     De ondergetekende moet er echter de aandacht op vestigen dat het juist de revalidatie is welke nog slechts in beperkte mate in het huidige verstrekkingenpakket van het ziekenfonds tot haar recht komt. Een eventuele verlenging van de huidige periode van tien weken ziekenhuisverpleging zou reeds in zekere mate tegemoetkomen aan de tot nu toe beperkte mogelijkheid van revalidatie krachtens de hoofdverzekering vanwege de ziekenfondsen. Een advies hieromtrent waarbij de Ziekenfondsraad voorstelt deze periode tot één jaar te verlengen, heeft de ondergetekende bereikt. Hij heeft hierin aanleiding gevonden dit advies ter kennis te brengen van de S.E.R., met het verzoek hem hieromtrent nader te adviseren in verband met de prioriteitenkeuze op het gebied van het toekomstige sociale beleid waarop de adviesaanvraag van de ondergetekende d.d. 24 augustus 1962 betrekking had en meer in het bijzonder ten aanzien van dat gedeelte waarin de volksverzekering inzake zware geneeskundige risico's aan de orde wordt gesteld.
     Maar ook na een eventuele verlenging van de periode van ziekenhuisverpleging in het kader van de ziekenfondsverzekering is een goede revalidatie nog niet voor alle gevallen gewaarborgd. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde Amerikaanse omschrijving van het begrip revalidatie wil de ondergetekende vaststellen dat er in de revalidatie elementen aanwezig zijn die niet wel passen in het verstrekkingenpakket van het ziekenfonds. Het wil de ondergetekende voorkomen dat bijvoorbeeld onderwijs en opleiding ter revalidering verstrekkingen zijn die niet in het kader van het ziekenfondswezen passen. In het kader van het ontwerp van wet zijn de bedrijfsverenigingen echter bevoegd dergelijke voorzieningen, al dan niet op verzoek van de getroffene, te bevorderen. De bedrijfsverenigingen zullen voor deze revalidatievoorzieningen gebruik dienen te maken van bestaande instituten.
     Ervan uitgaande dat de verworvenheden van Ongevallenwetten en Invaliditeitswet welke in het verleden reeds een reële bijdrage vormden tot de revalidatie, behouden dienen te blijven, dient naar de mening van de ondergetekende ernaar gestreefd te worden dat op het tijdstip van het in werking treden van de onderhavige wettelijke regeling het medische element in de revalidatie zoveel mogelijk gewaarborgd is krachtens de verstrekkingen van de ziekenfondsverzekering.
     De ondergetekende vestigt er de aandacht op dat bepaalde groepen van personen wel onder de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zullen vallen, doch buiten de
rblz.|25 l.k.| ziekenfondsverzekering, bijvoorbeeld omdat hun loon boven de loongrens ingevolge laatstgenoemde verzekering ligt. Hij stelt zich ten aanzien van deze groepen in beginsel op het standpunt dat er geen gronden aanwezig zijn hun in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering die geneeskundige verstrekkingen te verlenen welke de ziekenfondsverzekering hun onthoudt uit hoofde van de omstandigheid dat zij niet verzekerd zijn. Zou dit wel geschieden, dan zou dit in feite betekenen dat de normale geneeskundige verzorging, zoals deze voor anderen in de ziekenfondsverzekering is geregeld, voor deze groepen wordt gerealiseerd via de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, uiteraard behoudens de voorzieningen ten aanzien van de medeverzekerden. In het ontwerp is overigens voorzien in de mogelijkheid om voor bijzondere gevallen, onder goedkeuring van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, hier een voorziening ten laste van dat fonds te treffen.
     De ondergetekende is zich ervan bewust dat hij een belangrijke vraag niet heeft aangeroerd, namelijk of een geneeskundige behandeling welke naar het oordeel van de medische dienst in het kader van de normale geneeskundige verzorging onvoldoende tot haar recht komt, alsnog verstrekt dient te worden vanwege het uitvoeringsorgaan der arbeidsongeschiktheidsverzekering, in casu de bedrijfsvereniging. Zelfs zou men zich het geval kunnen denken dat de medische dienst bij voorbaat van mening is dat een bepaalde behandeling ter voorkoming van langdurige of blijvende invaliditeit beter zou kunnen geschieden door een door de dienst aan te wijzen specialist en onder geregeld toezicht van de dienst. Een dergelijk geval zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen bij bepaalde gecompliceerde ongevalsletsels. De ondergetekende meent dat het een hinken op twee gedachten zou betekenen om deze gevallen wel vanwege de arbeidsongeschiktheidsverzekering te doen plaatshebben, tenzij de behandeling niet zou passen in de verstrekking vanwege het ziekenfonds. Is dit echter wel het geval, dan is de ondergetekende van mening dat niet van het uitgangspunt dient te worden afgeweken dat de geneeskundige verzorging krachtens de ziekenfondsverzekering dient te worden verkregen. Voor de gevallen dat aan de behandeling zeer bijzondere eisen en voorwaarden moeten worden gesteld, vertrouwt de ondergetekende erop dat het overleg tussen de medische dienst en de behandelende geneeskundige, eventueel omgeven met de waarborgen zoals de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst zich voorstelt deze te scheppen, de mogelijkheden hiertoe zal openen. Op deze procedure, welke de Maatschappij in overweging heeft, komt de ondergetekende hierna nog terug.
     "Revalidatie dient op de brancard te beginnen"; aan deze gedragsregel denkt de ondergetekende waar de mogelijkheid geschapen wordt reeds vroegtijdig de in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering noodzakelijke maatregelen met betrekking tot de revalidatie te treffen. Doch evenzeer hierop is de reeds eerder vermelde aanpassing in het kader van de Ziektewet gericht, namelijk het openen van de mogelijkheid om voor een gedeelte van het loon en met aanvullende uitkering van ziekengeld de zieke arbeider voor hem passende arbeid te laten verrichten indien de controlearts zulks aangewezen acht. Door deze maatregel immers wordt de geleidelijke wederaanpassing aan de arbeid - belangrijk element in de revalidatie - bevorderd.
     Hoewel het niet de bedoeling van de ondergetekende is de sociaal-geneeskundige aspecten uitputtend te behandelen, wil hij niet nalaten nog op een tweetal punten de aandacht te vestigen, welke reeds bij de bespreking van de verschillende socialeverzekeringswetten in de aanvang van deze paragraaf aangeroerd werden. Hij doelt hier op de erkende geneeskundige diensten en de beroepsziekten.
     Reeds had de ondergetekende onder punt 2 van deze paragraaf de gelegenheid aandacht te vestigen op het belangrijke aandeel dat de aan ondernemingen verbonden erkende geneeskundige diensten hebben gehad in een verbetering van de behandeling van ongevallen de werknemers in dienst van de onderneming overkomen. Het instituut van de erkende geneeskundige dienst, geregeld in hoofdstuk VIIa van de Ongevallenwet
rblz.|25 r.k.| 1921, zou, wanneer geen nadere voorziening zou worden getroffen, komen te vervallen bij liquidatie van de bestaande wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van bedrijfsongevallen.
     De ondergetekende zou het betreuren indien in de toekomst geen profijt meer getrokken zou kunnen worden van de belangrijke diensten welke tot op heden door het instituut van de erkende geneeskundige diensten worden verleend. Hij is van mening dat dit niet mogelijk is, mede op grond van hetgeen hij hiervoor betoogd heeft over de geneeskundige behandeling, binnen het kader van een Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hij meent daarentegen dat ook deze ongevalsbehandeling haar plaats moet vinden binnen het terrein van de algemene gezondheidszorg, dat wil dus zeggen binnen de ziekenfondsverzekering. Hij wil daarom bevorderen dat de Ziekenfondsraad zich op deze aangelegenheid nader beraadt, terwijl hij tevens zal doen nagaan in hoeverre ook langs de weg van de bedrijfsgeneeskundige diensten nog eens in het bijzonder de aandacht op de behandeling van bedrijfsongevallen kan worden gevestigd.
     Wat het punt van de beroepsziekten betreft, is de ondergetekende zich bewust van het feit dat het wegvallen van de wettelijke ongevallenverzekering in dit opzicht als een verlies is te beschouwen uit het oogpunt van melding aan de Arbeidsinspectie. Zulks geldt evenzeer ten aanzien van de ernstige bedrijfsongevallen.
     Hij wil nader doen onderzoeken of het behoud van deze waarde mogelijk is door melding van deze ziekten en bedrijfsongevallen door de medische dienst van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ten overvloede wil de ondergetekende er nog de aandacht op vestigen dat krachtens artikel 82 van de Arbeidswet iedere arts die bij een patiënt een met name genoemde beroepsziekte vaststelt, verplicht is dit ziektegeval te melden aan de Arbeidsinspectie.

 

4.2. De sociaal-medische aspecten van de schadeloosstellingen krachtens de arbeidsongeschiktheidsverzekering


     1. Zoals reeds enige malen werd opgemerkt, is één van de overwegingen tot vervanging van de Invaliditeitswet door een nieuwe wettelijke regeling - aanvankelijk gingen de gedachten hierbij uit naar een herziene invaliditeitsverzekering, welke gedachten zich later ontwikkelden tot een arbeidsongeschiktheidsverzekering - gelegen in de omstandigheid dat in de wet van Talma het beginsel van gedeeltelijke invaliditeit niet voorkomt, doch daarin een scherpe grens tussen validiteit en invaliditeit wordt getrokken door de begripsbepaling in artikel 72 [72]. De hantering van deze norm van invaliditeit leidt ertoe dat pas bij een hoge graad van invaliditeit het wettelijk criterium wordt bereikt waarbij een invaliditeitsrente kan worden verleend. Is deze mate van invaliditeit, namelijk niet in staat te zijn een derde te verdienen van hetgeen gezonden onder dezelfde omstandigheden zouden kunnen verdienen, niet aanwezig, doch een lichtere graad van invaliditeit, dan ontvangt de invalide geen geldelijke schadeloosstelling krachtens de Invaliditeitswet. Hiermee wijkt die wet af van het stelsel der geldelijke schadeloosstellingen krachtens de Ongevallenwetten. De ondergetekende is van mening dat het systeem van de Invaliditeitswet niet meer past in een modern socialezekerheidsbeleid. Hij grondt deze mening niet alleen op de overweging dat voor een niet onbelangrijke groep van mindervaIiden het risico van verminderd produktief arbeidsvermogen niet door sociale verzekering is gedekt, doch evenzeer op de omstandigheid dat het langs deze weg niet mogelijk is door een geldelijke schadeloosstelling, berekend naar de mate van gedeeltelijke invaliditeit, een bijdrage te leveren tot het weder inschakelen van de verzekerde in het arbeidsproces, zoals dit krachtens de Ongevallenwetten mogelijk is.
     In het vorige hoofdstuk van deze memorie heeft de ondergetekende reeds aandacht geschonken aan de door de S.E.R. en de S.V.R. uitgebrachte adviezen omtrent een indeling in invaliditeitsklassen, welke adviezen mede hebben geleid tot de indeling zoals deze in het onderhavige ontwerp van wet is rblz.|2
6 l.k.|| aangebracht. Hij zou op deze aangelegenheid hier ter plaatse niet behoeven terug te komen, ware het niet dat aan deze indeling ook sociaal-geneeskundige aspecten verbonden zijn. De ondergetekende wil hierop in deze paragraaf gaarne nader ingaan.
     Het belangrijke verschil tussen de indeling in de vier invaliditeitsklassen in het advies van de S.E.R. van 1957 en dat van dezelfde Raad van 1960, waarin een indeling in acht klassen is gevolgd, moet worden verklaard uit een verschil in medisch inzicht. Sommige socialeverzekeringsartsen zijn namelijk van mening dat een schatting van invaliditeit bij ziekte zich moet beperken tot de graden van invaliditeit van 25, 50 en 75% tussen 0 en 100%. Andere geneeskundigen echter stelden zich op een ander standpunt. Rekening houdend met de ongevalsletsels, zowel in als buiten dienstverband ontstaan, wezen zij erop dat voor deze oorzaken van invaliditeit geen ander stelsel van schatting behoeft te worden ingevoerd dan bij de uitvoering van de Ongevallenwetten is gevolgd. Deze deskundigen erkenden dat invaliditeitsschatting bij ziekte minder eenvoudig is dan bij ongevalsletsels, doch zij achtten het niet onmogelijk ook bij ziekte tot een fijnere schatting te kunnen komen dan de grove indeling in vier klassen. Zij wezen er daarbij op dat ook bij de beroepsziekten in de Ongevallenwetten deze schatting in praktijk is gebracht. Op deze gronden baseerde de S.E.R. zijn tweede advies, waarin een indeling voorkomt die door de ondergetekende in grote lijnen in het onderhavige ontwerp van wet is overgenomen.
     Ten overvloede wil de ondergetekende er nog op wijzen dat de invaliditeitsschatting niet een uitsluitend medische kwestie is. Niet minder belangrijk zijn de loon- en arbeidsdeskundige schattingen en slechts door een nauw overleg in deze zal het mogelijk zijn - de praktijk bij de uitvoering der Ongevallenwetten heeft dit aangetoond - tot een juiste en voor de verzekerde aanvaardbare schatting van de graad van invaliditeit te komen.
     Alvorens van het onderhavige punt af te stappen, wenst de ondergetekende de indruk weg te nemen als zou het belangrijkste sociaal-geneeskundige vraagstuk in de nieuwe wettelijke regeling zijn de schatting van de graad van invaliditeit. Weliswaar moet deze schatting het uitvoeringsorgaan in staat stellen te geraken tot een nauwkeurige vaststelling van de mate waarin het vermogen tot produktieve arbeid verloren is gegaan, doch belangrijker in het moderne socialezekerheidsbeleid is het vast te stellen in welke mate de validiteit is behouden of hersteld, teneinde deze arbeidsgeschiktheid produktief te maken door inschakeling van de verzekerde in het arbeidsproces. De sociaal-medische bemoeiingen met de invalide verzekerde zullen er dan ook evenzeer op gericht moeten zijn te bepalen welke arbeidsmogelijkheden er voor hem bestaan. Men zal zich daarbij mede laten leiden door de ervaring dat mindervaliden waarlijk niet tot de slechtste werknemers in het arbeidsproces zijn te rekenen. De ondergetekende meende op dit facet nog eens het licht te moeten laten schijnen, omdat het herhaalde gebruik van woorden als invaliditeit en arbeidsongeschiktheid de schijn wekt alsof deze begrippen het sociaal-geneeskundige aspect der sociale verzekering beheersen. Het geluk van het individu zowel als dat van zijn naasten en de arbeidsproduktiviteit van een volk zijn er echter meer bij gebaat indien de begrippen validiteit en arbeidsgeschiktheid in de sociale verzekering centraal worden gesteld. De mogelijkheid hiertoe wordt geopend door krachtens deze of een andere verzekering, met name de ziekenfondsverzekering, de voorwaarden te scheppen tot een optimale geneeskundige verzorging ter voorkoming van invaliditeit, dan wel tot herstel van de validiteit in lichamelijke, geestelijke en maatschappelijke zin in de kortst mogelijke spanne tijds. Het kan niet nadrukkelijk genoeg worden gesteld dat een adequate revalidatie voorwaarde is om te komen tot een zinvolle arbeidsongeschiktheidsverzekering.

     2. In paragraaf 1 van dit hoofdstuk heeft de ondergetekende reeds uitvoerig gesproken over de geneeskundige voorziening, met inbegrip van de revalidatie, welke verstrekking in rblz.|26 r.k.| het onderhavige ontwerp een aanvullend karakter zal dragen naast de geneeskundige hulp, welke in beginsel volledig in het kader van de gezondheidszorg vanwege het ziekenfondswezen dient te worden verstrekt.
     In de Nederlandse literatuur komt de revalidatie als wezenlijk element van de sociale zekerheid voor de eerste maal voor in het derde deel van het in het tweede hoofdstuk besproken rapport van de in 1943 te Londen ingestelde Commissie tot vaststelling van algemene richtlijnen voor de toekomstige ontwikkeling der sociale verzekering in Nederland (commissie-Van Rhijn). Dit deel van het rapport draagt tot titel "De Organisatie van Geneeskundige Voorzieningen en de Rehabilitatie van Gebrekkigen". Uiteraard is het belangwekkende gedeelte over de revalidatie sterk georiënteerd op de Engels-Amerikaanse literatuur en op de wederinschakeling in het oorlogspotentieel, hetgeen niet wegneemt dat uit het rapport duidelijk blijkt dat ook voor normale vredesomstandigheden in de geneeskundige verzorging van een bevolking de revalidatie in de meest ruime zin één der voorwaarden voor sociale zekerheid is.
     Wel wil de ondergetekende op een facet wijzen dat bij het gebruik van het begrip revalidatie verduidelijking behoeft. In het genoemde rapport wordt weliswaar enige aandacht geschonken aan de revalidatie van tuberculosepatiënten evenals van neuroselijders, doch centraal worden, zoals ook uit de titel van het rapport blijkt, de "gebrekkigen" geplaatst. In het spraakgebruik verstaat men hieronder voornamelijk die personen die hetzij aangeboren, dan wel een door ziekte of ongeval verworven functiestoornis in het bewegingsapparaat in de ruimste zin vertonen. De ondergetekende kan het wel plaatsen dat men in de revalidatie deze uitgebreide categorie van patiënten centraal stelt, doch dit mag niet tot gevolg hebben dat men het begrip revalidatie met betrekking tot een inwendige ziekte zou verwaarlozen. Integendeel heeft bijvoorbeeld bij de tuberculose de mentale en maatschappelijke aanpassing van de patiënt in de behandeling een bijzondere plaats verworven. Ten aanzien van andere ziekten staat men wellicht nog in het begin van de revalidatie, zoals bijvoorbeeld bij hartziekten en astma, doch de ondergetekende meent te mogen verwachten dat de invoering van een wettelijke regeling waarbij het voorkomen van invaliditeit en het herstel van de arbeidsgeschiktheid naast de materiële sociale zekerheid voor invaliden, centraal gesteld worden, stimulerend zal werken op de ontwikkeling van de revalidatie, niet alleen voor gebreken, doch ook voor ziekten. Hij ziet dit als het belangrijkste sociaal-geneeskundige aspect van een Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

 

4.3. Medisch-organisatorische aspecten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering


     1. Na in de beide vorige paragrafen een toelichting te hebben gegeven op de sociaal-medische betekenis van een arbeidsongeschiktheidsverzekering in het algemeen en van het verlenen van schadeloosstellingen in het bijzonder, wil de ondergetekende dit hoofdstuk besluiten met een paragraaf te wijden aan de medisch-organisatorische aspecten van deze verzekering. Dat hij hierbij de medische dienst centraal stelt, zal geen verwondering wekken, gelet ook op de uitvoerige gedachtenwisseling die dit onderwerp gehad heeft in de adviserende colleges, de S.E.R., de S.V.R. en de Centrale Raad voor de Volksgezondheid.
     Reeds aanstonds echter wil de ondergetekende vooropstellen dat hij niet voornemens is de organisatie van deze dienst bij de wet gedetailleerd te regelen. Het ontheft echter de ondergetekende niet van de plicht zijn gedachten hieromtrent en zijn hieruit voortvloeiend standpunt kenbaar te maken.
     De ondergetekende gaat er bij zijn standpuntbepaling van uit dat, naast de eigenlijke arbeidsongeschiktheidsverzekering, vooralsnog de ziekengeldverzekering, waarin ook de geldelijke schadeloosstelling gedurende de eerste 52 weken ter zake van bedrijfsongevallen wordt opgenomen, zal blijven bestaan. Als de ondergetekende spreekt over een medische dienst ter uitvoering
rblz.|27 l.k.| van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan denkt hij hierbij uitsluitend aan een dienst met betrekking tot de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Anders gezegd, de ondergetekende is van mening dat in deze dienst niet, althans voorlopig niet, de huidige, op de Ziektewet afgestemde medische apparaten van de bedrijfsverenigingen en van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor moeten worden opgenomen. Op de volgende overwegingen neemt de ondergetekende dit standpunt in.
     De ontwikkeling van de medische activiteiten bij de uitvoering der Ziektewet hebben zich in de ruim 30 jaren sinds de invoering dezer wet in nauw verband met de administratie der bedrijfsverenigingen op gunstige wijze ontwikkeld, zodat er klemmende redenen aanwezig zouden moeten zijn om de bestaande en gegroeide toestand niet te handhaven. De ondergetekende heeft zich afgevraagd of er inderdaad overwegingen zouden zijn om in deze gegroeide situatie wijziging te brengen. De medische activiteiten bij de Ziektewet bestaan voornamelijk uit de beoordeling of er ongeschiktheid bij de verzekerde aanwezig is wegens ziekte tot het verrichten van zijn arbeid. Hoewel hij allerminst de kennis en de kunde wil onderschatten nodig om tot een juiste beoordeling van de arbeidsongeschiktheid te komen, is hij toch van mening dat een meer gespecialiseerde medische deskundigheid, gelijk deze - zoals de ondergetekende aanstonds nog zal uiteenzetten - bij de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering vereist wordt, voor de uitvoering van de Ziektewet niet noodzakelijk is. Het argument van het bevorderen ener uniforme beoordeling, met name ten aanzien van de invaliditeitsschatting, waarvoor een gemeenschappelijke dienst de meeste waarborgen biedt, geldt voor de medische controle bij de uitvoering der Ziektewet nauwelijks. Men heeft hier te maken met beoordelingen van individuele ziektetoestanden en omstandigheden, waarbij ieder geval zijn eigen beoordeling vraagt. Er zijn twee activiteiten die in de Ziektewet, aangepast als deze zal worden aan een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zullen komen te vervallen. De ondergetekende doelt hier op de medische beoordeling of men met ziekte of gebrek dan wel met ziekte of ongevalsgevolg te maken heeft. Hij is van mening dat het in het kader van een arbeidsongeschiktheidsverzekering niet meer past een verzekerde gedurende de uitkeringsduur van de Ziektewet geen schadeloosstelling te verlenen indien hij arbeidsongeschikt wordt wegens een gebrek, een begrip waaraan in de jurisprudentie inhoud werd gegeven op grond van het in 1936 aan de Centrale Raad van Beroep uitgebrachte advies van de hoogleraren Baart de la Faille en Hymans van den Bergh, zoals dit in 1953 werd aangevuld door de hoogleraren Van der Horst en Rümke en nog in 1962 onderschreven door de hoogleraren Hornstra en Mertens. Ten aanzien van de bedrijfsongevallen vervalt het onderzoek naar de vraag of er sprake is van ziekte dan wel van ongeval, aangezien alle ongevallen voortaan als ziektegevallen zullen worden schadeloos gesteld.
     Ook de vraag of de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid bij een ongevalsletsel meer deskundigheid vraagt dan bij ziekte, beantwoordt de ondergetekende ontkennend. Integendeel zal in vele gevallen het omgekeerde het geval zijn, terwijl de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid gedurende de 52 weken van de uitkeringsduur krachtens de Ziektewet niet aan de orde komt.
     Er is één punt waarop de controlearts van de bedrijfsvereniging of het Gemeenschappelijk Administratiekantoor bij de uitvoering der Ziektewet in aanraking kan komen met de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De ondergetekende doelt hier op die gevallen waarin reeds binnen de uitkeringstermijn van de Ziektewet termen aanwezig kunnen zijn tot het treffen van voorzieningen krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ter revalidatie en voorkoming van langdurige invaliditeit. Doch ook deze gevallen kunnen voor de ondergetekende geen overweging vormen de medische diensten ter uitvoering van de Ziektewet te doen opgaan in een medische dienst ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hij
rblz.|27 r.k.| is van mening dat voor deze gevallen een zodanige vorm van samenwerking in het leven geroepen moet worden dat zo snel mogelijk de laatstgenoemde medische dienst met deze gevallen in kennis wordt gesteld. Dit is een kwestie van organisatie en de ondergetekende zou zich bijvoorbeeld kunnen denken dat geregeld zou worden een kennisgeving aan de medische dienst ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering door de controleartsen werkzaam bij de uitvoering der Ziektewet van bepaalde ernstige ziektetoestanden en ongevalsletsels waarbij vroegtijdige bijzondere voorzieningen in het kader van de revalidatie in aanmerking komen.
     Een argument ten slotte dat door de bedrijfsverenigingen aangevoerd zou kunnen worden tegen samenvoeging is de overweging dat het "bedrijfseigene" dat in de bedrijfsvereniging tot uitdrukking komt, de controlearts van deze bedrijfsvereniging beter in de gelegenheid stelt de arbeidsongeschiktheid te beoordelen tegen de achtergrond van de binnen die bedrijfstak te verrichten werkzaamheden, waarvan deze arts geacht wordt meer in het bijzonder kennis te dragen. De kracht van deze argumentatie wordt vooral ontleend aan de overweging dat krachtens de Ziektewet schadeloosstelling wordt verleend aan hem die ongeschikt wegens ziekte is tot het verrichten van zijn arbeid.
     Hoewel de ondergetekende op grond van de ervaringen bij de uitvoering van de Ziektewet aan laatstgenoemd argument minder waarde toekent dan zij die deze stelling poneren, wil hij op grond van alle voorgenoemde overwegingen nogmaals uitspreken dat hij het niet gewenst acht dat bij de uitvoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering de medische diensten werkzaam bij de uitvoering der Ziektewet opgaan in de dienst die hij in het leven zou willen zien geroepen ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
     De ondergetekende heeft voorts nog overwogen welk standpunt ingenomen moet worden bij de invoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering met betrekking tot de controlerende geneeskundigen van de ziekenfondsen. De werkzaamheden van dit korps van geneesheren, namelijk de beoordeling van de noodzaak tot het verlenen door de ziekenfondsen van bepaalde verstrekkingen, waaronder de ziekenhuisverpleging belangrijk is, liggen na aan het terrein van activiteiten van een medische dienst bij de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Er zullen behandelingen zijn welke laatstgenoemde dienst nodig acht waarbij de ziekenfondsen primair een taak hebben. Het is duidelijk dat een collisie tussen de standpunten van de controlearts van het ziekenfonds en de medische dienst ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wel hoogst ongewenst zou zijn. Het is de ondergetekende bekend dat reeds meer dan eens, onder andere in de Geneeskundige Commissie van de S.V.R., de vraag aan de orde is geweest of het niet mogelijk zou zijn de controlerende artsen van de ziekenfondsen ook in te schakelen bij de medische werkzaamheden voortvloeiende uit andere socialeverzekeringswetten. Het argument dat dit niet zou kunnen omdat de aard van werkzaamheden binnen de verscheidene wetten zo verschillend is dat hiervoor een totaal andere persoonlijke instelling vereist zou zijn, kan de ondergetekende niet tot het zijne maken. Integendeel is hij van mening dat de benadering van de patiënt en zijn ziektegeval, met de taak tot beoordeling uit meer dan één gezichtshoek, door de verscheidenheid van problematiek eerder een vollere inhoud aan de werkzaamheden van een controlearts zou kunnen geven. Daarentegen ziet de ondergetekende wel problemen van organisatorische aard, zodat hij tot de conclusie gekomen is dat ook ten aanzien van deze groep geneeskundigen begonnen moet worden met het bevorderen van een goede coöperatie met de medische dienst ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in plaats van nu reeds te overwegen de geneeskundigen van de ziekenfondsen in genoemde medische dienst te incorporeren.

     2. Alvorens zich uit te spreken over de vormgeving van de medische dienst ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wil de ondergetekende nagaan voor welke taken een zodanige dienst zich geplaatst zal zien. Bij de rblz.|28 l.k.| opsomming hiervan maakt de ondergetekende gaarne gebruik van de gegevens welke hem verstrekt werden in de rapporten van de eerdergenoemde adviescolleges.
     De ondergetekende kan zich in algemene lijnen wel verenigen met de taken van de medische dienst zoals deze in het advies van de S.V.R. zijn vermeld, doch hij zou de volgorde anders willen stellen in verband met de chronologische volgorde van handelen, zoals deze zich zijns inziens meestal zal voordoen. Hij denkt namelijk dat in tal van gevallen binnen de termijn van ziekengelduitkering reeds het oordeel zal worden gevraagd van de medische dienst omtrent een in te stellen revalidatiebehandeling. De taak van de medische dienst valt dan in hoofdzaak in vieren uiteen, te weten:
1. Als eerste taak ziet de ondergetekende de beoordeling van de revalideerbaarheid van de verzekerde en van de aard der in te stellen behandeling.
2. Indien de revalidatiebehandeling is ingesteld, zal de medische dienst het beloop van de behandeling en van haar resultaten nauwlettend moeten volgen.
3. Voorts zal de medische dienst zich gesteld zien voor de niet eenvoudige taak van het schatten en herschatten van de mate van arbeidsongeschiktheid. Hierbij zal samenwerking van de medici en de loon- en arbeidsdeskundigen van de dienst nodig zijn.
4. Een taak die de ondergetekende niet als zodanig in de hem uitgebrachte adviezen aantrof, doch die hij wegens het belang dat hij eraan hecht afzonderlijk noemen wil, is het overleg met de talrijke deskundigen, geneeskundigen en niet-medici dat nodig is om een goede uitvoering van de wet te waarborgen. In het bijzonder zou de ondergetekende ook aandacht willen vragen voor het overleg tussen de medische dienst ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de bedrijfsgeneeskundige diensten teneinde de (her)plaatsing van de verzekerde in het arbeidsproces op een voor hem geschikte plaats te bevorderen. Ook de samenwerking met arbeidsbureaus, vakopleidingsinstituten en instellingen van maatschappelijk werk verdient de aandacht.

     3. Aan de hand van de hier opgesomde taken wil de ondergetekende zijn standpunt bepalen met betrekking tot de organisatie van de medische dienst. Met het gestelde in het advies van de S.V.R. kan hij zich verenigen, namelijk dat voor de opbouw van medische diensten slechts twee mogelijkheden in aanmerking komen:
1. het oprichten van meer diensten, over het aantal waarvan de ondergetekende hierna nog enkele opmerkingen wil maken, maar waarbij nu toch reeds gesteld kan worden dat één van de diensten bij deze organisatievorm zeker zal moeten zijn de medische dienst van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor;
2. het instellen van een gemeenschappelijke medische dienst door de bedrijfsverenigingen gezamenlijk.
     De ondergetekende wil op deze plaats reeds uitspreken dat hij voorstander is van laatstgenoemde vorm. Hoewel hij begrip heeft voor de argumenten van hen die de instelling van meer diensten bepleiten, is de ondergetekende op grond van de hierna te vermelden motieven tot de conclusie gekomen dat slechts één medische dienst de waarborgen biedt voor een goede uitvoering van de taken zoals deze hiervoor werden genoemd.
     Dat voor de uitoefening van de genoemde taken een grote deskundigheid vereist is, zal wel niemand betwijfelen. Het beoordelen van de noodzaak tot het instellen van een revalidatiebehandeling en het met deskundigheid volgen van deze behandeling, het met deskundige autoriteit plegen van overleg met specialisten op dit terrein en ten slotte het beoordelen van de mate van invaliditeit bij ziekten als een nieuw te betreden terrein van invaliditeitsschatting, vereisen een hoge mate van gespecialiseerde deskundigheid.
     De ondergetekende is het eens met hen die stellen dat in ons land het aantal deskundigen met ervaring op dit terrein
rblz.|28 r.k.| uiterst beperkt is en in feite slechts gevonden wordt bij hen die uit hoofde van hun functie deze werkzaamheden reeds verrichten. Het is duidelijk dat de ondergetekende hierbij vooral denkt aan de medische dienst van de Sociale Verzekeringsbank. De ondergetekende verwacht dat de revalidatiebehandeling in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor een belangrijk deel gelegen zal zijn op het terrein van de traumatologie en van de orthopedie, terreinen waarop genoemde dienst in het bijzonder deskundig is. Daarom is de ondergetekende van oordeel dat profijt moet worden getrokken uit de grote ervaring en deskundigheid welke de medische dienst van de Bank bezit.
     Ten slotte zou de ondergetekende nog op een ander voordeel van één medische dienst willen wijzen, namelijk de mogelijkheid tot een uniforme beoordeling te komen welke, vooral in een geruime tijd van aanvang, nodig is om normen vast te stellen voor de invaliditeitsschatting bij ziekten.
     Op grond van het voorgaande is het duidelijk dat de ondergetekende niet voldoende medische deskundigheid op dit speciale terrein bij de bedrijfsverenigingen aanwezig acht om tot de instelling van meer medische diensten over te gaan. Eerder zou hij willen bepleiten de enkele deskundige krachten die elders gevonden worden ook in de door hem gedachte medische dienst op te nemen. Er moet gestreefd worden naar bundeling van deskundigheid en niet naar versnippering.
     Naar aanleiding van de overwegingen van hen die aan meer diensten de voorkeur geven en van welke overwegingen de ondergetekende met belangstelling heeft kennisgenomen, moge hij het volgende opmerken.
     Het argument dat slechts op deze wijze een nauwe samenwerking met de administratie van de bedrijfsvereniging mogelijk zou zijn, spreekt de ondergetekende niet sterk aan, omdat in de vorm van de medische dienst zoals hij zich die voorstelt, namelijk die van een gemeenschappelijke door de bedrijfsverenigingen in te stellen dienst, deze samenwerking naar zijn mening evenzeer gewaarborgd kan en moet zijn.
     Overigens meent de ondergetekende te moeten opmerken dat de voorstanders van meer diensten deze overweging niet in alle consequentie aanvaarden indien zij stellen dat ook naar hun mening het aantal diensten tot drie of vier beperkt moet blijven. Ook het argument dat het voordeel van meer diensten onder andere aan de kennis van het bedrijfseigene meer recht doet wedervaren, wordt in het geval van een beperkt aantal diensten niet in consequentie aanvaard.
     Overigens wil de ondergetekende erop wijzen dat in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet gesproken wordt over het niet in staat zijn tot het verrichten van zijn arbeid, zoals dit in de Ziektewet het geval is, doch over "voor zijn krachten en bekwaamheid berekende arbeid die hem met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep in billijkheid kan worden opgedragen". Dit betekent derhalve dat men juist op een breder terrein georiënteerd moet zijn over de mogelijkheden om, indien daartoe een indicatie aanwezig is, door opleiding en scholing de verzekerde in te schakelen bij arbeid afwijkend van de aard van het werk dat hij in een andere bedrijfstak voordien placht te verrichten.
     Ook de ondergetekende is overtuigd van de noodzaak tot nauwe samenwerking tussen administratie en medische dienst. Hij is van mening dat deze gewaarborgd kan zijn in één medische dienst, welke de vorm draagt van een gemeenschappelijke dienst, zoals reeds eerder werd opgemerkt. De ondergetekende acht het mogelijk een zodanige dienst door de bedrijfsverenigingen tezamen bijvoorbeeld in de vorm van een stichting in het leven te doen roepen. Nader dient overwogen te worden hoe de meest vruchtbare vorm van samenwerking van deze dienst met de bedrijfsverenigingen in de praktijk bevorderd kan worden. Een mogelijkheid daartoe ziet hij bijvoorbeeld in de vorming van een college van overleg, waarin het hoofd van de dienst en de medische adviseurs van de bedrijfsverenigingen zitting kunnen nemen. In dit college kunnen op grond van uitwisseling van gedachten, bestudering van dossiers en bespreking van casuïstiek normen tot beoordeling tot stand komen welke aan de uniformiteit in de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
rblz.|29 l.k.| ten goede zullen komen. Nimmer zal echter een dergelijk college kunnen treden in de plaats van de gemeenschappelijke dienst, aangezien de grondslag van het oordeel steeds gelegd zal moeten worden door het persoonlijk onderzoek van de verzekerde door de meest hiertoe gespecialiseerde deskundige.
     Zoals de ondergetekende reeds enige malen opmerkte, is deze deskundigheid slechts te waarborgen in één dienst. Het is de ondergetekende bekend dat voorstanders van meer diensten van mening zijn dat een eventueel ontbreken van deskundigheid binnen de bedrijfsvereniging gesubstitueerd kan worden door het vragen van deskundigenrapporten wanneer dat nodig is.
     De ondergetekende zou erop willen wijzen dat vele medische specialisten in staat zijn deskundige rapporten uit te brengen, doch dat de ervaring bij Rijksverzekeringsbank en Sociale Verzekeringsbank over vele jaren heeft uitgewezen dat slechts weinigen onder hen zodanig georiënteerd zijn in de uitvoering der sociale verzekering - hetgeen uiteraard ook niet mogelijk is - dat van hen een rapport mag worden verwacht waarop het uitvoeringsorgaan zijn beleid met betrekking tot schatting en behandeling kan baseren.
     Enige uniformiteit in de uitvoering is van dit stelsel niet te verwachten. Dit wil niet zeggen dat ook bij één dienst niet in sommige gevallen van een specialistisch advies gebruik zal moeten worden gemaakt. De Bank heeft hierin voorzien door een aantal medische specialisten op verschillend terrein aan haar dienst te verbinden.
     De ondergetekende meent dat het te ver zou voeren binnen dit bestek de vraag aan de orde te stellen of de medische dienst over een eigen behandelingscentrum zou moeten beschikken, zoals bijvoorbeeld het revalidatiecentrum te Amsterdam van de Sociale Verzekeringsbank.
     Het is duidelijk dat op grond van zijn uitspraak in de aanvang van dit hoofdstuk dat het verlenen van geneeskundige behandeling in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet past, de ondergetekende vooralsnog van mening is dat het beschikken over een eigen behandelingsinrichting een oneigenlijk element binnen de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zou zijn. De ondergetekende zou hierover echter nu geen uitspraak willen doen. Hij wil slechts constateren dat de Sociale Verzekeringsbank nu reeds over een uitstekende revalidatie-inrichting voor ongevalsgetroffenen beschikt en dat door het invoeren van de onderhavige verzekering verwacht mag worden dat de behoefte aan deskundige revalidatiemogelijkheden zal stijgen in verband met het feit dat nu ook de verzekerden getroffen door een ongeval hen buiten dienstverband overkomen, voor de revalidatie krachtens de arbeidsongeschiktheidsverzekering in aanmerking komen.
     Men vergete voorts niet dat buiten onze grenzen menig hoog gespecialiseerd ongevalsziekenhuis in het kader van de sociale verzekering tot stand is gekomen en zich heeft ontwikkeld tot een centrum dat zijn vruchtbare arbeid ten dienste van de gehele bevolking gesteld heeft.
     Welhaast overbodig is het op te merken dat mede voorwaarde tot een goede uitvoering van de medische beoordeling zal moeten zijn dat er een decentralisatie in het geneeskundig (en loonarbeidsdeskundig) onderzoek moet plaatshebben. In verschillende gevallen zal echter een centrale beoordeling overeenkomstig de huidige werkwijze bij de Sociale Verzekeringsbank hierop het sluitstuk moeten vormen.

     4. Rest de ondergetekende nog aandacht te wijden aan een laatste punt, hetwelk voor een goede uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van groot belang is, namelijk de medewerking van de behandelende artsen en een vruchtbare samenwerking tussen hen en de geneeskundigen van de medische dienst.
     De ondergetekende wil beginnen op te merken dat de medewerking van de behandelend geneeskundigen bij de uitvoering der socialeverzekeringswetten steeds een zeer goede is geweest. Bij de uitvoering der Ongevallenwetten draagt de aard van
rblz.|29 r.k.| deze medewerking een enigszins ander karakter dan bij de uitvoering der Ziektewet, aangezien de artsen zich in eerstgenoemd geval bij overeenkomst met de Bank verbonden hebben aan de uitvoering hun medewerking te verlenen en daarvoor dan ook gehonoreerd worden. In deze overeenkomst ligt mede besloten het geven van de nodige inlichtingen aan de Bank dan wel aan haar medische dienst. In vele gevallen zal het bij de uitvoering der Ziektewet ook nodig zijn dat voor de vorming van het juiste oordeel over de arbeidsongeschiktheid een overleg tussen controlearts en behandelende arts plaatsheeft. Laatstgenoemde geeft zijn medewerking aan dat overleg op geheel vrijwillige basis en wordt hiertoe gestimuleerd door de beroepsorganisatie, de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. Deze wijst haar leden erop dat dit overleg in het belang is van hun patiënten, doch dat als voorwaarde moet worden gesteld dat de controlearts eerst zelf de patiënt moet hebben onderzocht.
     Dit inleidende betoog was nodig om zich een juister begrip te vormen inzake de vraag welke procedure moet worden gevolgd als er bij de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geen overeenstemming in het overleg tussen de behandelend arts en de arts van de medische dienst tot stand komt over de vraag welke behandeling moet worden ingesteld om een spoedig herstel en een herwinning van de validiteit te waarborgen. Krachtens de bestaande bepalingen in de Ongevallenwet 1921 [O.W. 1921, red.] (artikel 21b) zal, indien de getroffene zich op medische gronden niet wenst te onderwerpen aan een door de Bank voorgeschreven (operatieve) behandeling, opnieuw een onderzoek door het bestuur van de Bank gelast worden door drie andere geneeskundigen. Zijn dezen, unaniem of in meerderheid, van mening dat de behandeling moet worden ingesteld, dan is het Bankbestuur, indien de getroffene zich nog niet aan de behandeling wenst te onderwerpen, bevoegd te verklaren dat het recht op schadeloosstelling geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan. In het advies van de S.E.R. van 1957, evenals in het advies van de S.V.R. van 1960, wordt voorgesteld een dergelijke bepaling op te nemen met betrekking tot de uitvoering van de herziene invaliditeitsverzekering, respectievelijk de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De ondergetekende heeft zich erover beraden of tot opneming van een zodanige bepaling zou dienen te worden overgegaan, waarbij hij zich, in bevestigend geval, voorstelde de mogelijkheid tot het hernieuwde onderzoek te verruimen door de weigering tot het ondergaan van een behandeling niet te beperken tot een operatieve behandeling, doch haar te betrekken op een medische behandeling in het algemeen.
     Het is de ondergetekende niet bekend dat de hiervoor geschetste procedure krachtens de O.W. 1921 in de praktijk tot ernstige bezwaren aanleiding heeft gegeven. Nu deze bepaling echter werd voorgesteld voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, bleken van de zijde der beroepsorganisatie hiertegen wel bezwaren te bestaan. Het Hoofdbestuur van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst wendde zich tot de ondergetekende bij schrijven van 26 oktober 1961. In deze brief begint het Hoofdbestuur zijn adhesie te betuigen met het vervangen van de verouderde Invaliditeitswet door een arbeidsongeschiktheidsverzekering, terwijl het even