St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WIJZIGING  ZW  IN  VERBAND  MET  AANPASSING  AAN  WAO

 

  
 

- ONTWERP VAN WET
- TEKST ZIEKTEWET 1963

rblz.|10 l.k.| 

Kamerstukken II 1962-1963, 7171

Wijziging van de Ziektewet (aanpassing aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
xArtikelsgewijs
x Artikelen I t/m LII
 

 

 

Algemeen

 

     1. Het hierbijgaande wetsontwerp tot wijziging van de Ziektewet strekt ertoe deze wet [lees: die wet, red.] aan te passen aan het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze aanpassing heeft in de eerste plaats betrekking op enkele principiële wijzigingen welke het gevolg zijn van het streven naar een arbeidsongeschiktheidsverzekering; daarnaast bevat deze aanpassing enkele meer technische wijzigingen van de Ziektewet, welke in het algemeen eveneens de consequentie zijn van de beoogde arbeidsongeschiktheidsverzekering.
     De principiële wijzigingen betreffen het onder de werkingssfeer van de Ziektewet brengen van ongevallen in verband met de dienstbetrekking en het afschaffen van de loongrens in die wet. Voor wat de eerste wijziging betreft, kan naar de mening van de ondergetekende met een summiere toelichting worden volstaan. Op het afschaffen van de loongrens zal meer diepgaand worden ingegaan.

     2. Het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering strekt ertoe de in de Invaliditeitswet geregelde invaliditeitsverzekering alsmede de in de Ongevallenwetten vervatte voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid te vervangen en voorziet in uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na het verstrijken van de maximumuitkeringstermijn voor de ziekengelduitkering. Het vervallen van de wettelijke ongevallenverzekering brengt met zich dat de Ziektewet ook zal moeten voorzien in uitkering bij arbeidsongeschiktheid wegens ongeval in verband met de dienstbetrekking. De belemmeringen welke, in het kader van de huidige opzet, ter zake thans in de Ziektewet voorkomen, dienen derhalve te worden weggenomen.

     3. Met betrekking tot de tweede principiële wijziging in de Ziektewet, namelijk het doen vervallen van de loongrens, merkt de ondergetekende het volgende op. Naar zijn wijze van zien vloeit uit de aard van de conceptie van een wettelijke ziekengeldverzekering, onmiddellijk en aansluitend gevolgd door een wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering voort dat deze beide componenten ten nauwste op elkaar dienen te zijn afgestemd. Het is duidelijk dat het in de wettelijke ziekengeldverzekering blijven hanteren van een loongrens, terwijl deze in de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering zal ontbreken, een dergelijke coördinatie een ernstige belemmering in de weg zou leggen. Wanneer men in de toekomstige constellatie tot een verantwoorde opzet wil komen, dan dient, naar het gevoelen van de ondergetekende, een geval van langdurige of blijvende arbeidsongeschiktheid van meet af aan in behandeling te zijn bij hetzelfde orgaan. Voor werknemers met een looninkomen beneden de voor de Ziektewet geldende loongrens wordt aan dit desideratum, behoudens een enkel uitzonderingsgeval, voldaan. Voor personen die een looninkomen genieten dat de evenbedoelde grens te boven gaat, zou dit niet het geval zijn. Immers gedurende de ziektewetperiode zouden deze personen geen ziekengeld ontvangen. In de loonderving zou hetzij door gehele of gedeeltelijke loondoorbetaling, hetzij door middel van een uitkering op grond van een particulier gesloten verzekering, hetzij anderszins moeten worden voorzien. Het is duidelijk dat rblz.|10 r.k.| in de laatstbedoelde gevallen de bemoeiingen van het orgaan van de arbeidsongeschiktheidsverzekering praktisch veelal eerst 52 weken na het begin van de arbeidsongeschiktheid een aanvang zouden kunnen nemen. Wanneer men echter de taak in aanmerking neemt welke de uitvoeringsorganisatie van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering - afgezien van het bepaalde in artikel 62 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarop hierna wordt teruggekomen - in gevallen van langdurige of blijvende invaliditeit dient te hebben, dat ligt [lees: dan ligt, red.] een zoveel mogelijk gecoördineerde kring van verzekerden ingevolge de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor de hand. De ondergetekende zou daarbij met nadruk willen wijzen op de zozeer gewenste coördinatie van de arbeid van alle medische deskundigen die bij een geval van enigszins ernstige en langdurige arbeidsongeschiktheid betrokken zullen zijn, waarbij met name de ongevalsletsels mogen worden genoemd.
     Weliswaar is in artikel 62 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering overeenkomstig het advies van de Sociale Verzekeringsraad bepaald dat degene die arbeidsongeschikt is en geen aanspraak op ziekengeld heeft, gehouden is zich met het oog op een eventueel te treffen bijzondere voorziening binnen dertien weken na de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid bij de bedrijfsvereniging te melden, doch naar de mening van de ondergetekende is deze bepaling niet voldoende om het beoogde doel bij handhaving van de loongrens in de Ziektewet te bereiken. In hoofdstuk 4 van de memorie van toelichting bij vorengenoemd wetsontwerp wordt gesteld: "revalidatie dient op de brancard te beginnen". Deze gedragsregel zal zelfs in verschillende gevallen niet kunnen worden nageleefd indien de betrokkene het in vorengenoemd artikel 62 opgenomen voorschrift opvolgt, om dan nog maar niet te spreken over de gevallen waarin aan bedoeld voorschrift, waarop geen sanctie staat, geen gevolg wordt gegeven. De ondergetekende meent dan ook dat de zozeer gewenste afstemming van de voor het eerste jaar geldende regeling op die voor de daaropvolgende periode ten principale door een zoveel mogelijk gecoördineerde kring van verzekerden dient te worden bereikt. Slechts in uitzonderingsgevallen zal van de in vorengenoemd artikel 62 aangegeven methode gebruik moeten worden gemaakt.
     Meer in het algemeen kan voorts ten aanzien van de problematiek van de loongrens in de Ziektewet worden opgemerkt dat daarbij in het verleden steeds een factor van overwegende betekenis is geweest de dusgenaamde koppeling van de verplichte verzekering ingevolge de Ziektewet aan die ingevolge het Ziekenfondsenbesluit. Het is duidelijk dat zolang op het tenietdoen van deze koppeling geen redelijk uitzicht bestond, aan deze factor een groot gewicht moest worden toegekend. Op het huidige moment echter, nu de ondergetekende de indiening van een ontwerp Ziekenfondswet bij de Staten-Generaal heeft bevorderd, kan van een andere situatie worden uitgegaan. Naar de ondergetekende meent, is er thans de mogelijkheid voorhanden om de koppeling van de loongrens in de Ziektewet aan die ingevolge de Ziekenfondswet ongedaan te maken. Wanneer in de Ziekenfondswet de loongrens zelfstandig regeling zal hebben gevonden, is één van de belangrijkste van de tot nu toe
rblz.|11 l.k.| gegolden hebbende bezwaren tegen het laten vervallen van de loongrens in de Ziektewet niet meer aanwezig.
     Ten aanzien van het laten vervallen van de loongrens in de Ziektewet moge de ondergetekende voorts nog op een ander, zijns inziens, wezenlijk aspect wijzen. Gelijk bekend, kent de huidige wettelijke ongevallenverzekering geen loongrens. In beginsel is dan ook een ieder die in een verzekeringsplichtig bedrijf in een onderneming werkzaam is, verzekerd op grond van de wettelijke ongevallenverzekering. In het kader van de coördinatie van de regelingen in geval van arbeidsongeschiktheid door middel van één arbeidsongeschiktheidsverzekering zal de wettelijke ongevallenverzekering als zelfstandige regeling verdwijnen. Daarvoor in de plaats komt eerst de ziekengeld- en nadien de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Bij handhaving van de loongrens in de ziekengeldverzekering zou derhalve, in vergelijking met thans, voor de ongevalsgetroffenen met een looninkomen dat de loongrens van de Ziektewet te boven gaat van een achteruitgang moeten worden gesproken. De ondergetekende meent dat zulks in het kader van een verzekeringsregeling welke een coördinatie van de bestaande regelingen bij arbeidsongeschiktheid beoogt, slechts voor zover dat strikt nodig is, kan worden aanvaard. Zoals ook uit hoofdstuk 4 van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering blijkt, zullen de verzekerden ingevolge de voorgestelde regeling voor hun geneeskundige verzorging in beginsel zijn aangewezen op de wettelijke ziekenfondsverzekering, waarin gelijk in confesso is, een loongrens dient voor te komen. Dit betekent derhalve dat een ongevalsgetroffene wiens loon boven de loongrens uitgaat het recht op geneeskundige behandeling in de ruime zin des woords, hetwelk hij thans in het kader van de ongevallenverzekering heeft, zal gaan verliezen. Naar de mening van de ondergetekende dient deze achteruitgang te worden aanvaard. Zou nu evenwel in de Ziektewet een loongrens worden gehandhaafd, dan zou in gevallen als deze naast het recht op geneeskundige behandeling ook nog het recht op geldelijke schadeloosstelling komen te vervallen. Aangezien van dit laatste de strikte noodzaak niet kan worden ingezien, acht de ondergetekende hierin mede een reden gelegen om tot afschaffing van de loongrens in de Ziektewet te komen.
     Acht de ondergetekende het tot stand brengen van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals uit het vorenstaande kan zijn gebleken, op zichzelf reeds een voldoende reden om over te gaan tot het afschaffen van de loongrens in de wettelijke ziekengeldverzekering, hij meent goed te doen nog nader op de aan het afschaffen van de loongrens verbonden problemen in te gaan. Het is de ondergetekende bekend dat, op zichzelf, over de wenselijkheid van het doen vervallen van de loongrens in de wettelijke ziekengeldverzekering verschillend wordt gedacht. Veelal wordt in dit verband de persoonlijke verantwoordelijkheid in het kader van de verplichte sociale verzekering in het geding gebracht. Daarbij wordt er dan tevens op gewezen dat de verplichte sociale verzekering alleen dan dient te bestaan voor zover zij van node is. Ook wordt wel afschaffing van de loongrens in de Ziektewet niet noodzakelijk genoemd, omdat in de meeste gevallen door ondernemingen regelingen zouden zijn getroffen. Voorts wordt nog aangevoerd dat de uit de wettelijke ziekengeldverzekering voortvloeiende controle voor de categorieën waar het hier om gaat minder gewenst zou zijn, c.q. tot moeilijkheden aanleiding zou geven.
     Voor wat de gereleveerde meer principiële opmerkingen betreft, merkt de ondergetekende het volgende op. Wanneer men de thans bestaande regelingen op het stuk van de loonderving in geval van ziekte overziet, dan bestaat er op dit ogenblik allereerst een verplichte loondervingsregeling bij ziekte voor alle werknemers met een vast looninkomen beneden de in de Ziektewet voorkomende loongrens; vervolgens bestaat er een zodanige regeling voor alle werknemers (zonder dat een loongrens in aanmerking wordt genomen) in geval van ziekte die het gevolg is van een ongeval, een beroepsziekte of een letsel in betrekkelijk korte tijd ontstaan, terwijl er ten aanzien van de groep die niet verzekerd is krachtens de verplichte ziekengeldverzekering in verband met een bijzondere regeling
rblz.|11 r.k.| (gedacht wordt hier aan ambtenaren van het Rijk en andere publiekrechtelijke lichamen, de Nederlandse Spoorwegen en dergelijke) bij ziekte een loondervingsregeling bestaat ongeacht een loongrens. In geval van ziekte bestaat derhalve geen wettelijke geregelde loondervingsregeling wanneer men afziet van de burgerrechtelijke verplichting vervat in de zevende titel A van het derde boek van het Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van werknemers die niet onder een bijzondere regeling vallen, geen ziekte hebben als gevolg van een ongeval, beroepsziekte of letsel in betrekkelijk korte tijd ontstaan en een vast looninkomen hebben dat hoger is dan de loongrens in de Ziektewet.
     Ten aanzien van de laatstbedoelde groep is, in het algemeen gesproken, de feitelijke situatie deze dat in de grote en middelgrote bedrijven loondervingsregelingen bestaan zonder dat daarbij een loongrens in acht wordt genomen. Grosso modo gesproken, is, in feite, het afschaffen van de loongrens in hoofdzaak van betekenis voor het personeel in kleinere ondernemingen met een vast looninkomen boven de loongrens. Wederom in het algemeen gesproken, zijn dat dus groepen van werknemers met een looninkomen tot ongeveer ƒ14 000,- à ƒ15 000,- in het midden- en kleinbedrijf op het gebied van handel, ambacht, vervoer, dienstverlening, landbouw, tuinbouw, veehouderij, enz. Wanneer dan ook in de Ziektewet de loongrens wordt afgeschaft, dan zal dit, naar het oordeel van de ondergetekende, in de thans bestaande situatie in feite goeddeels alleen verandering brengen ten aanzien van deze laatste groep. Immers, de meeste grote en middelgrote bedrijven dragen voor de uitvoering van de Ziektewet eigen risico, hetzij doordat aan de onderneming een afdelingskas is verbonden, hetzij doordat de onderneming optreedt als een zogenaamde eigenrisicodraagster voor de uitvoering van de Ziektewet. Daarin wordt geen verandering gebracht door het feit dat de loongrens wordt opgeheven, omdat ook thans reeds aan het personeel met een looninkomen boven de loongrens in geval van ziekte het loon wordt doorbetaald. De ondergetekende vermag niet in te zien op welke wijze het ook door hem erkende grote goed van de persoonlijke verantwoordelijkheid kan worden aangetast of overwegende bezwaren tegen de desbetreffende uitbreiding van de werking van de wettelijke ziekengeldverzekering zouden kunnen worden ingebracht wanneer enerzijds de groep die thans in geval van ziekte geen goede regeling heeft, onder de werking van de Ziektewet wordt gebracht, terwijl anderzijds in feite overigens nagenoeg geen wijziging wordt gebracht in een reeds bestaande situatie. De ondergetekende merkt hierbij nog op dat de groep waarvan hier sprake is - adressen van verenigingen van middelbaar personeel hebben dit bij herhaling aangetoond - aan de in de Ziektewet geregelde voorziening grote behoefte blijkt te hebben. Het vraagstuk van de controle ten slotte, zo dit al een vraagstuk is, meent de ondergetekende aan het beleid van de bedrijfsverenigingen te kunnen overlaten.
     Voor het overige zou de ondergetekende willen opmerken dat, na het afschaffen van de loongrens in de wettelijke ziekengeldverzekering, die verzekering voor de groepen van personen die nieuw onder de Ziektewet worden gebracht tevens nog als een soort van bodemvoorziening kan worden beschouwd - bepaald geen onbekende figuur in de wettelijke sociale verzekering -, waarbij het bedrijfsleven de volle vrijheid behoudt tot het treffen van aanvullende voorzieningen. Zelfs zou de ondergetekende willen stellen dat het hem niet onmogelijk wil toeschijnen dat het treffen van aanvullende voorzieningen daardoor zal kunnen worden bevorderd.
     Ten slotte wil de ondergetekende niet nalaten erop te wijzen dat, voor zover hem bekend, in de meeste West-Europese landen het bestaan van een loongrens in de ziekteverzekering een onbekende figuur is.
     Samenvattende meent de ondergetekende dat uit de noodzakelijke coördinatie van de wettelijke ziekengeld- en arbeidsongeschiktheidsverzekering het laten vervallen van de loongrens noodzakelijkerwijze voortvloeit. Het in de genoemde regelingen opnemen van de ongevallen vormt voorts te meer een aanleiding om de loongrens in de Ziektewet te doen
rblz.|12 l.k.| vervallen. Bezwaren acht hij aan een afschaffing van de loongrens overigens niet verbonden. Integendeel meent hij dat dan in alle gevallen een voorziening bij loonderving in geval van ziekte wordt geboden, terwijl tevens de mogelijkheid tot het treffen van aanvullende voorzieningen, voor zoveel nodig, zal worden gestimuleerd.
     Het laten vervallen van de loongrens in de Ziektewet heeft tot consequentie - en de ondergetekende doelde daarop reeds eerder - dat in de Ziekenfondswet voor de verplichte verzekering de welstandsgrens, in de vorm van een loongrens, zelfstandig zal moeten worden geregeld. De ondergetekende stelt zich voor daaraan vóór het in werking treden van de volgens het onderhavige ontwerp gewijzigde Ziektewet uitvoering te geven.

     4. Wat betreft de in de aanvang gereleveerde wijzigingen van meer technische aard kan worden opgemerkt dat deze met name de kring der verzekerden en de bepalingen inzake de vrijwillige verzekering betreffen. Het is noodzakelijk de bepalingen van de Ziektewet welke op deze beide onderwerpen betrekking hebben zoveel mogelijk aan te passen aan die van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

     5. Tot slot wil de ondergetekende er nog op wijzen dat onder de voorgestelde wijzigingen niet voorkomt het terugbrengen van de maximumuitkeringsduur ingevolge de Ziektewet van 52 tot 26 weken. Gelijk bekend, hebben de Sociale Verzekeringsraad [S.V.R., red.] in zijn advies inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Sociaal-Economische Raad [S.E.R., red.] in diens advies van december 1960 naar aanleiding van het zojuist genoemde advies van de S.V.R. voorgesteld deze termijn tot 26 weken terug te brengen. De genoemde colleges hebben daarvoor de volgende overwegingen aangevoerd. Er werd allereerst op gewezen dat een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid daardoor eerder in de hoogte van de uitkering tot uitdrukking zou komen dan in het kader van de ziekengeldverzekering veelal mogelijk is. Voorts werd het een voordeel genoemd dat degenen die wegens het overschrijden van de loongrens niet ingevolge de Ziektewet verzekerd zouden zijn reeds na 26 weken in plaats van na 52 weken voor uitkering in aanmerking zouden komen. Verder werd erop gewezen dat degenen die om de bovenvermelde reden niet onder de Ziektewet zouden vallen eerder bij het orgaan van de arbeidsongeschiktheidsverzekering bekend zouden zijn.
     De ondergetekende heeft, in het licht van zijn voorstel om in de Ziektewet de loongrens af te schaffen, deze overwegingen aan een nadere beschouwing onderworpen. Hij is daarbij tot de conclusie gekomen dat het geen aanbeveling verdient, nu wordt voorgesteld in de Ziektewet de loongrens af te schaffen, tot deze inkorting van de maximale uitkeringsduur over te gaan. Het is namelijk duidelijk dat van de bovengenoemde drie argumenten de beide laatstgenoemde door het afschaffen van de loongrens in de Ziektewet hun gelding hebben verloren. In samenhang hiermede heeft de ondergetekende bovendien in aanmerking genomen dat - zoals is toegelicht in hoofdstuk 5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering - hij het door de meergenoemde adviescolleges gedane voorstel om voor wat betreft de arbeidsongeschiktheidsverzekering gedurende een periode van twee jaar een per bedrijfstak gedifferentieerde premie te doen gelden, niet tot het zijne heeft willen maken. Wanneer echter het bestaande recht op ziekengelduitkering over 52 weken niet wordt aangetast, doch wordt gehandhaafd, komt het hem voor dat, gegeven de thans in beginsel voor de Ziektewet per bedrijfsvereniging geldende verschillende premie, op een verantwoorde wijze het element van een per bedrijfstak verschillende premie in de totale conceptie wordt ingebracht.
     Ten aanzien van de boven als eerste genoemde overweging, betreffende de waardering van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in de hoogte van de uitkering, moge de ondergetekende verwijzen naar de bij artikel XI voorgestelde uitbreiding van artikel 30
[30] en naar de toelichting op dat artikel.

     rblz.|12 r.k.| 6. Inzake de aanpassing van de Ziektewet aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft de S.V.R. in zijn advies van juli 1960 betreffende een arbeidsongeschiktheidsverzekering aangekondigd nog een afzonderlijk advies te zullen uitbrengen. Dit advies bereikte de ondergetekende op 8 februari 1963. Wat betreft de materiële wijzigingen sluit het voorliggende wetsvoorstel in overwegende mate aan bij dit advies. Op een aantal punten is van het advies afgeweken, waarbij de ondergetekende met betrekking tot ondergeschikte aangelegenheden mede heeft laten wegen zijn streven om nog tijdens dit zittingsjaar de indiening van een deel van het gehele complex van maatregelen verbonden aan de invoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering te kunnen realiseren. Op enkele meer belangrijke punten waarop de ondergetekende gemeend heeft te moeten afwijken van het advies van de S.V.R., zal in het hiernavolgende nader worden ingegaan.


a. Samentelling van perioden van herhaalde ongeschiktheid

     In zijn eerdergenoemd advies van juli 1960 heeft de S.V.R., ter vaststelling van de wachttijd - in dat advies gesteld op 26 weken - welke zal gelden voor het recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, geadviseerd perioden van herhaalde ongeschiktheid welke elkaar binnen vier weken opvolgen samen te tellen en als één geval te beschouwen. Een zodanige samentelling zou zowel voor de ziekengeldverzekering als voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering dienen te gelden. De ondergetekende heeft dit advies in grote lijnen gevolgd, zij het dat daarbij de periode van vier weken is gesteld op één maand.
     In afwijking van laatstgenoemd advies stelt de S.V.R. evenwel in zijn advies van 8 februari 1963 voor deze periode niet langer te doen zijn dan veertien dagen. In de gedachtengang van de S.V.R. zal voorts ziekengeld dienen te worden uitgekeerd over een al dan niet onderbroken periode van 26 weken na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid. Dit impliceert dat - in tegenstelling tot de gang van zaken in het voorstel van de ondergetekende - bij samentelling van perioden van herhaalde ongeschiktheid ook de tussenliggende dagen van herstel ter bepaling van de termijn van 26 weken worden meegeteld. Eveneens tellen de wachtdagen dan mee. In een zodanige opzet kan een werknemer dus de wachttijd voor de arbeidsongeschikth
eidsverzekering hebben vervuld, zonder evenwel als verzekerde ingevolge de Ziektewet daadwerkelijk gedurende de volle maximumuitkeringstermijn ziekengeld te hebben genoten. De S.V.R. acht dit geen bezwaar, omdat na eindiging van het ziekengeld immers een arbeidsongeschiktheidsuitkering volgt.
     De ondergetekende tekent hierbij aan dat na eindiging van het ziekengeld, hetwelk 80% van het dagloon bedraagt, de mate van ongeschiktheid zal worden geschat. Daarbij zal in vele gevallen - het gaat dan immers om arbeidsongeschiktheid in algemene zin en niet meer, zoals bij de Ziektewet, om ongeschiktheid tot het verrichten van "zijn arbeid" - die ongeschiktheid op een lager percentage dan 100 worden gesteld en de uitkering eveneens dienovereenkomstig lager. In deze gevallen zouden de betrokkenen derhalve in het door de S.V.R. voorgestelde systeem over een aantal dagen een lagere uitkering ontvangen dan in het voorstel van de ondergetekende, waarin gedurende de volle maximumuitkeringsperiode ook daadwerkelijk ziekengeld wordt uitgekeerd.
     Voorts moge nog worden gewezen op een ander facet. Bij de gevallen van herhaalde arbeidsongeschiktheid heeft de S.V.R. voornamelijk op het oog gevallen van mislukte werkhervatting, welke zich - aldus de Raad - als regel manifesteren binnen veertien dagen. Bij een termijn van veertien dagen zal, naar het de ondergetekende wil voorkomen, het maken van misbruik zich bij deze gevallen gemakkelijker voordoen dan bij een termijn van één maand. Indien immers de betrokkene de korte periode van veertien dagen - hoewel eigenlijk daartoe niet in staat - weet te overbruggen met werken, vangt weer een nieuwe periode van uitkering - 52 weken - aan. Bij het stellen van één maand wordt een zodanige overbrugging moeilijker.
    
rblz.|13 l.k.| Het geheel overziende heeft de ondergetekende dan ook gemeend het S.V.R.-advies hier niet te moeten volgen.


b. Nawerking der verzekering

     De S.E.R. heeft in zijn advies van januari 1957 geadviseerd de aanspraken ingevolge de nieuwe invaliditeitsverzekering na beëindiging van de verplichte verzekering niet terstond te doen vervallen. Gedurende een periode van vier weken - in het wetsontwerp is een periode van één maand gekozen - zouden, aldus de S.E.R., nog rechten aan de geëindigde verzekering dienen te kunnen worden ontleend. De ondergetekende heeft gemeend dit advies te moeten volgen. Daartoe is in artikel 17 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering een regeling opgenomen naar analogie van het huidige artikel 46 [46] van de Ziektewet. In de toelichting op eerstgenoemd artikel is uiteengezet dat deze regeling in de Ziektewet en de overeenkomstige regeling in de arbeidsongeschiktheidsverzekering op elkaar dienen te zijn afgestemd teneinde te voorkomen dat wel recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering zou kunnen bestaan, doch niet op ziekengeld tijdens de daaraan voorafgaande wachttijd en omgekeerd.
     Nu artikel 46 [46] in zijn huidige redactie sedert het in werking treden van de Werkloosheidswet minder betekenis heeft gekregen, stelt de S.V.R. voor dit artikel te laten vervallen. Hiertegenover staat dat in de opzet van de S.V.R. iedereen na beëindiging van zijn verplichte verzekering tot de vrijwillige verzekering kan toetreden.
     De ondergetekende zou erop willen wijzen dat bij aanvaarding van het advies van de S.V.R. ook in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering terwille van een goede aansluiting van deze verzekering op de ziekengeldverzekering geen nawerkingsbepalingen zouden dienen te worden opgenomen.
     De ondergetekende heeft nochtans gemeend aan het advies op dit punt geen gevolg te moeten geven. Hij wijst erop dat in het advies van de S.E.R. van januari 1957 wordt gesteld dat de door de Raad voorgestelde vrijwillige voortzetting van de verzekering na het beëindigen van de verplichte verzekering beoogt een voortduring van de dekking van het invaliditeitsrisico mogelijk te maken voor degenen die afwisselend in loondienst en als zelfstandige werkzaam zijn, alsmede voor loontrekkenden die blijvend op zelfstandige arbeid overgaan. Dit doel zal naar de mening van de Raad - en eveneens naar de mening van de ondergetekende - slechts kunnen worden bereikt als degenen wier verplichte verzekering eindigt een bepaalde tijdsruimte wordt gelaten waarin zij de beslissing over het al dan niet vrijwillig voortzetten van de verzekering kunnen nemen.
     Afgezien hiervan zou de ondergetekende er nog op willen wijzen dat bij het niet opnemen van nawerkingsbepalingen bij elke kortstondige onderbreking van de verplichte verzekering een vrijwillige verzekering zou moeten worden gesloten ten einde de aanspraak op uitkering te behouden. Dit zou tot een niet onaanzienlijke administratieve rompslomp leiden. Tenslotte zou het laten vervallen van de thans in artikel 46 [46] van de Ziektewet opgenomen nawerkingsbepalingen tot een verslechtering voor de betrokkenen leiden, waarvoor in het kader van de aanpassing van deze wet [lees: die wet, red.] aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geen noodzaak aanwezig is.


c. Vrijwillige verzekering

     De in het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering opgenomen regeling inzake vrijwillige voortzetting van de geëindigde verplichte verzekering is in grote lijnen afgestemd op door de S.E.R. te dier zake gedane suggesties in zijn advies betreffende herziening van de invaliditeitsverzekering. De S.V.R. heeft zich in zijn advies van juli 1960 akkoord verklaard met de door de S.E.R. voorgestane regeling.
     Evenals hiervoor is gesteld met betrekking tot de nawerking van de verzekering, is de ondergetekende van mening dat uit een oogpunt van coördinatie de regeling van de vrijwillige verzekering in beide verzekeringen zoveel mogelijk gelijk dient
rblz.|13 r.k.| te zijn. Door in de wet de hoofdlijnen neer te leggen en voorts de nadere uitwerking over te laten aan de S.V.R. wordt bereikt dat er voor alle bedrijfsverenigingen een uniforme regeling zal gelden, hetgeen de overzichtelijkheid zeker ten goede zal komen.
     In zijn advies van 8 februari 1963 handhaaft de S.V.R. praktisch de huidige situatie, zij het dat er een uitbreiding is gegeven aan de kring dergenen die tot de vrijwillige verzekering kunnen toetreden. Volgens de S.V.R. dient deze mogelijkheid te worden geopend voor iedereen wiens verplichte verzekering is geëindigd. Het laten vervallen van het huidige artikel 46 [46] van de Ziektewet is hier mede een overweging geweest. Tegenover de in de voorliggende wetsontwerpen opgenomen zwaardere eis bij toetreding tot de vrijwillige verzekering ten aanzien van zelfstandigen - namelijk het reeds gedurende drie jaren hebben deelgenomen aan deze verzekering of aan een overeenkomstige wettelijke regeling - staat de normale ook voor verplicht verzekerden geldende premie. In het systeem van de S.V.R., waarin deze eis niet wordt gesteld, wordt aan de bedrijfsverenigingen evenwel de bevoegdheid gelaten de premie voor de vrijwillige ziekengeldverzekering te stellen op maximaal anderhalf maal de premie welke voor de verplichte verzekering geldt. Dit is voor degene die voor beide verzekeringen zich vrijwillig wil verzekeren een onbegrijpelijke zaak. De ondergetekende meent dan ook dat de in het onderhavige wetsontwerp voorgestelde regeling de voorkeur verdient boven die voorgesteld door de S.V.R.


d. Zwangerschaps- en bevallingsuitkering

     Voor deze uitkeringen stelt de S.V.R. een geheel nieuwe regeling voor. De Raad is namelijk van mening dat deze uitkeringen niet in de Ziektewet en de arbeidsongeschiktheidsverzekering thuis horen en eigenlijk in een afzonderlijke wet geregeld zouden dienen te worden. Zover heeft de S.V.R. echter niet willen gaan, doch de Raad brengt de bepalingen inzake deze uitkeringen onder in een afzonderlijk hoofdstuk. Door de voorgestelde regeling zou tevens - aldus de Raad - een rondom de zwangerschaps- en bevallingsuitkering in het kader van de vrijwillige ziekengeldverzekering gegroeide onjuiste toestand beëindigd worden.
     Deze ingrijpende wijziging is evenwel ter zake van de invoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering niet noodzakelijk, hetgeen de S.V.R. ook niet stelt. Bij handhaving van de huidige regeling in de Ziektewet ducht de ondergetekende geen moeilijkheden. Het gaat hier om uitkeringen die in het algemeen reeds tijdens de voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering geldende wachttijd van 52 weken zijn beëindigd. Het in de arbeidsongeschiktheidsverzekering neergelegde systeem gaat ervan uit dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering eerst plaatsvindt nadat de aanspraken krachtens de Ziektewet zijn uitgewerkt. Het verlenen van zwangerschaps- en bevallingsuitkering zal zich derhalve ook na invoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering in de voorstellen van de ondergetekende blijven afspelen in het kader van de Ziektewet.
     Wat betreft het bezwaar rondom deze uitkeringen in het kader van de vrijwillige ziekengeldverzekering merkt de ondergetekende op dat de voorgestelde regeling voor de vrijwillige verzekering aan dat bezwaar tegemoetkomt. Heeft hij het juist gezien, dan richt dat bezwaar zich tegen de gevallen waarin zwangere vrouwen in loondienst treden met de wetenschap dat aan die verplichte verzekering bij zwangerschap en bevalling geen aanspraken kunnen worden ontleend. Zij nemen vervolgens ontslag en treden dan toe tot de vrijwillige verzekering, daarbij stellende bij geboden gelegenheid weer in loondienst te zullen treden. Door evenwel op de vrijwillige verzekering ook de bepalingen van de verplichte verzekering van toepassing te doen zijn - het onderhavige wetsvoorstel gaat daarvan uit -, kan in deze gevallen de in artikel 44 [44], eerste lid, onderdeel b, van de Ziektewet opgenomen weigeringsgrond worden toegepast, waarmede de bezwaren zijn ondervangen.

 

rblz.|14 l.k.| 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel I

     Het in dit artikel voorgestelde nieuwe artikel 1 [1] van de Ziektewet is aangepast aan artikel 1 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

 

Artikel II

     Nu wordt voorgesteld de loongrens in de Ziektewet af te schaffen, kunnen de daarmede verband houdende artikelen la [1a] en Ib [1b] van die wet vervallen.

 

Artikel III

     De voorgestelde nieuwe artikelen 2 tot en met 14 [2-14] komen grotendeels overeen met de artikelen 2 tot en met 13 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering en behoeven derhalve - behoudens een enkele uitzondering - geen nadere toelichting.


Artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel g

     In afwijking van artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden leerlingen e.d. niet onder de verzekering ingevolge de Ziektewet gebracht indien hun beloning uitsluitend bestaat in het ontvangen van onderricht. In dit geval wordt door een kortdurende arbeidsongeschiktheid geen inkomen gederfd, zodat de ziekengeldverzekering naar de mening van de ondergetekende niet van toepassing behoeft te zijn.


Artikel 6 [6], eerste lid

     In het voorgestelde artikel 6 [6] zijn enige uitzonderingen van de verplichte ziekengeldverzekering samengebracht. Het grootste deel van de uitzonderingen kent de huidige Ziektewet ook reeds. Genoemd mogen worden het huispersoneel (voor zover op minder dan drie dagen per week bij dezelfde werkgever werkzaam), de zeelieden, de militairen, degenen die onder een overheidsregeling vallen, leerkrachten, alsmede de personen die thans verzekerd zijn bij de Invaliditeits-Coöperatie en de Vereniging voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (artikel lb van het Koninklijk besluit van 28 januari 1931, Stb. 1931, 24).
     De in het eerste lid, onderdeel a en b, geregelde uitzonderingen zijn gelijkluidend aan het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel c en d, van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
     De in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering opgenomen uitzondering van de werknemers die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, is niet opgenomen in het voorgestelde artikel 6 [6] van de Ziektewet. Naar de mening van de ondergetekende dient de - kortlopende - ziekengeldverzekering ook van toepassing te zijn op personen boven de leeftijd van 65 jaar. Deze personen zijn trouwens ook ingevolge de huidige Ziektewet verzekerd.
     De uitzondering in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering betrekking hebbende op degene aan wie door het Rijk ter zake van zijn arbeidsverhouding invaliditeitspensioen is verzekerd, is evenmin in het voorgestelde nieuwe artikel 6 [6] van de
Ziektewet opgenomen. Voor zover deze werknemers ambtenaar zijn in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet, zullen zij van de ziekengeldverzekering zijn uitgezonderd op grond van het bepaalde onder d. Voor de arbeidscontractanten geldt als regel een bijzondere ziekengeldregeling, in welk geval zij krachtens het bepaalde onder e van de ziekengeldverzekering kunnen worden uitgezonderd.


Artikel 7 [7]

     Dit artikel is, behoudens de na te noemen uitzondering, gelijk aan artikel 7 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Niet is opgenomen het bepaalde in artikel 7, onderdeel e, van genoemd wetsontwerp. Op grond daarvan wordt als werknemer beschouwd degene die wegens werkloosheid niet werkt en die ingevolge een door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid aan te wijzen, van overheidswege getroffen regeling uitkering ontvangt. Deze rblz.|14 r.k.| bepaling is in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering opgenomen met het oog op de Sociale Voorziening [dit is de voorloper van de Algemene Bijstandswet, red.]. Voor de Ziektewet is deze bepaling echter niet nodig, omdat iemand die tijdens het genot van een zodanige uitkering ziek wordt in het genot van die uitkering blijft totdat hij aanspraak kan maken op arbeidsongeschiktheidsuitkering.


Artikel 8 [8]

     Ingevolge het voorgestelde nieuwe artikel 8, hetwelk in het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering niet voorkomt, wordt mede als werknemer beschouwd degene die ziekengeld krachtens de verplichte verzekering ingevolge de Ziektewet ontvangt. Ingevolge het huidige artikel 26 [26], eerste lid, onderdeel a, duurt de ziekengeldverzekering alleen voort over de tijd waarover anders dan krachtens artikel 46 [46] ziekengeld wordt uitgekeerd.
     Laatstgenoemde beperking kan - wil een goede aansluiting aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden verkregen - niet worden bestendigd. Indien immers de ziekengeldverzekering tijdens het genot van ziekengeld krachtens
artikel 46 [46] niet zou doorlopen, zouden zich gevallen voordoen waarin een tussentijds optredend tijdelijk herstel een beletsel zou vormen voor het opnieuw toekennen van ziekengeld. Na 52 weken arbeidsongeschiktheid zou echter weer wel aanspraak bestaan op arbeidsongeschiktheidsuitkering. Betrokkene zou dan gedurende enige tijd van uitkering verstoken blijven. De ondergetekende acht een dergelijk hiaat onjuist, weshalve hij voorstelt dat in alle gevallen waarin krachtens de verplichte ziekengeldverzekering ziekengeld wordt ontvangen de verzekering voortduurt.


Artikel 15 [15]

     De hoofdregel voor het vaststellen van het dagloon waarnaar het ziekengeld wordt berekend, is neergelegd in het eerste lid van het huidige artikel 8a [8a] van de Ziektewet. Aldaar is bepaald dat onder dagloon wordt verstaan het loon dat in de dertien kalender- of loonweken voorafgaande aan de ongeschiktheid tot werken gemiddeld per dag is genoten door gelijksoortige arbeiders. Van de verder in het vierde lid van genoemd artikel gegeven mogelijkheid om van deze hoofdregel af te wijken, is door de bedrijfsverenigingen een veelvuldig gebruik gemaakt. Het geheel van regelen inzake de dagloonberekening kreeg hierdoor een zeer onoverzichtelijk beeld. De verscheidenheid in uitwerking en redactie van de vele dagloonregelingen heeft ertoe geleid dat de bedrijfsverenigingen naar wegen hebben gezocht om op dit terrein tot een zo groot mogelijke vereenvoudiging te komen. Het resultaat hiervan is geweest dat thans in het algemeen voor de berekening van het dagloon voor de Ziektewet zo nauw mogelijk is aangesloten bij de voor de Werkloosheidswet geldende Algemene regelen inzake dagloon. Een volledige coördinatie van de regelingen in de Ziektewet en de Werkloosheidswet is evenwel niet mogelijk. In laatstgenoemde wet wordt uitgegaan van het beroep van de werknemer dat hij gewoonlijk uitoefent. Bij ziekte duurt in het algemeen - anders dan in geval van werkloosheid - de dienstbetrekking voort, zodat het voor de hand ligt om bij de dagloonvaststelling voor de Ziektewet uit te gaan van het in deze dienstbetrekking genoten loon, hetgeen wordt bereikt door bij de Ziektewet als grondslag te nemen het beroep dat de werknemer laatstelijk vóór het intreden van de ongeschiktheid tot werken uitoefende. Gezien hetgeen thans op dit gebied in de praktijk is gegroeid, ontmoet het bij de ondergetekende geen bezwaar - daarmede het advies van de S.V.R. inzake de aanpassing van de Ziektewet aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering volgend - uit de Ziektewet de huidige dagloonbepalingen te doen verdwijnen en voor de berekening van het ziekengeld het dagloon te doen vaststellen volgens door de S.V.R. te stellen algemene regelen. Hiermede wordt bereikt dat de dagloonregelingen voor de door de bedrijfsvereniging uit te voeren werknemersverzekeringen zo nauw mogelijk op elkaar kunnen worden afgestemd.


Artikelen 12 [12], 13 [13] en 14 [14] (oud)

     In de artikelen welke de huidige artikelen 2 tot en met 15 zullen vervangen, zijn niet opgenomen de in de huidige artikelen 12 [12], 13 [13] en 14 [14] van de Ziektewet voorkomende bepalingen.
    
rblz.|15 l.k.| Wat betreft het eerstgenoemde artikel, waarin regels worden gegeven betreffende de berekening van termijnen, moge erop worden gewezen dat onlangs een wetsontwerp is ingediend (zitting 1962-1963, nr. 7112) waarbij een algemene regeling wordt voorgesteld betreffende in wetten voorkomende termijnen [zie Algemene termijnenwet, red.]. In verband daarmede heeft de ondergetekende de bepaling in het huidige artikel 12 [12] niet opgenomen.
     De in het huidige artikel 13 [13] van de Ziektewet voorkomende bepaling betreffende de afronding van ingevolge die wet vast te stellen bedragen acht de ondergetekende van zo weinig betekenis dat deze naar zijn mening gevoeglijk kan vervallen.
     Het bepaalde in artikel 14 [14], hetwelk handelt over toezending van een voor beroep vatbare beslissing, is thans geregeld in het bij artikel XL voorgestelde gewijzigde artikel 73 [73] van de Ziektewet.

 

Artikel IV

     De aansprakelijkheid voor de betaling van de premie zal geregeld worden in de Coördinatiewet Sociale Verzekering, welke bij een te zijner tijd daartoe in te dienen aparte aanpassingswet zal worden gewijzigd. In verband hiermede kan het huidige artikel 16 [16] van de Ziektewet vervallen.

     Artikel 17 [17] van de Ziektewet kan eveneens vervallen aangezien aan de hand van het bepaalde in het bij artikel III voorgestelde artikel 2 [2] van de Ziektewet beoordeeld zal worden waar iemand woont of waar een lichaam gevestigd is.

 

Artikel V

     De wijziging welke wordt voorgesteld met betrekking tot het eerste lid van artikel 19 [19] van de Ziektewet is van redactionele aard.
     Ingevolge het thans geldende tweede lid van artikel 19 [19] van de Ziektewet bestaat geen recht op ziekengelduitkering wegens een ziekte die een gevolg is van een ongeval of van een aandoening welke daarmede is gelijkgesteld, indien de betrokkene krachtens een wettelijke regeling tegen geldelijke gevolgen van zodanig ongeval is verzekerd. Aangezien, bij het in werking treden van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 zullen komen te vervallen, dienen de gevolgen van door een ongeval veroorzaakte arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste 52 weken door de Ziektewet te worden opgevangen. In verband hiermede wordt voorgesteld het tweede lid van artikel 19 [19] van de Ziektewet, waarbij onder vigeur van de huidige regeling het recht op ziekengeld wordt uitgesloten wanneer er aanspraak bestaat ingevolge één van de genoemde ongevallenwetten, te doen vervallen.
     Voor de financiële gevolgen van de maatregel moge worden verwezen naar hoofdstuk 5 van het algemeen gedeelte van de toelichting bij het ontwerp van wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
     Blijkens de jurisprudentie heeft een verzekerde thans geen aanspraak c.q. geen verdere aanspraak op ziekengeld indien zijn ongeschiktheid tot werken veroorzaakt wordt door een gebrek. Het geval kan zich dus voordoen dat een verzekerde die wegens ziekte arbeidsongeschikt wordt en deswege aanvankelijk recht heeft op ziekengeld, zijn aanspraak op uitkering verliest - ook al blijft hij arbeidsongeschikt - zodra die ziekte overgaat in een gebrek. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zal in een dergelijk geval aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen bestaan, uiteraard echter eerst wanneer de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft geduurd.
     Ten einde te voorkomen dat een verzekerde bij overgang van een ziekte in een gebrek op verdere uitkering moet wachten totdat hij 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, is het gewenst voor het recht op ziekengeld te bepalen dat onder ziekte ook gebreken worden verstaan. Hiertoe strekt de voorgestelde wijziging van het derde lid van artikel 19 [19].

rblz.|15 r.k.| 

Artikel VI

     Ten aanzien van het voorgestelde artikel 20 [20] kan worden opgemerkt dat slechts, behoudens een redactionele wijziging, de aanhef van het thans geldende artikel 20 [20] gehandhaafd behoeft te blijven. Opgemerkt zij nog dat de uitzonderingen welke in de nieuwe opzet op het begrip werknemer worden gemaakt in het reeds besproken artikel 6 [6] zijn geregeld.

 

Artikel VII

     De nieuwe opzet van de kring der verzekerden en de begrippen "werknemer" en "werkgever" maken de artikelen 21 [21], 22 [22], 23 [23], 25 [25] en 26 [26] overbodig.

 

Artikel VIII

     Het eerste lid van het huidige artikel 27 [27] van de Ziektewet houdt de mogelijkheid in van vrijstelling van de verzekering ingeval de betrokkene bij de aanvang van de verzekering ongeschikt tot werken of zwanger is dan wel de 70-jarige leeftijd heeft bereikt. Deze vrijstellingsmogelijkheden houden verband met de omstandigheid dat op grond van artikel 44 [44] in deze gevallen ziekengeld kan worden geweigerd. Aangezien van deze vrijstellingsmogelijkheden nagenoeg geen gebruik wordt gemaakt, bestaat er geen behoefte deze bepalingen te handhaven.
     Het derde lid betreft de mogelijkheid vrijstelling te verkrijgen indien de betrokkene lijdt aan een slepende ziekte. Bij een zodanige vrijstelling is voor de betrokkene wel premie verschuldigd, doch vindt geen uitkering van ziekengeld plaats indien hij ten gevolge van de ziekte waarvoor vrijstelling is verkregen ongeschikt wordt tot werken. Ook van deze vrijstellingsmogelijkheid wordt vrijwel geen gebruik gemaakt. In 1962 zijn bij de S.V.R. slechts vier verzoeken om goedkeuring van een dergelijke vrijstelling binnengekomen.
     De ondergetekende is dan ook met de S.V.R. van mening dat ook het derde lid van artikel 27 [27] - en daarmede het gehele artikel - kan vervallen. Hiermede wordt aansluiting verkregen aan het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarin een regeling inzake vrijstelling van de verzekering als vervat in artikel 27 [27] van de Ziektewet niet voorkomt.

 

Artikel IX

     De voorgestelde wijzigingen in artikel 28 [28] zijn louter van redactionele aard en houden verband met het vervallen van artikel 32 [32] van de Ziektewet.

 

Artikel X


Artikel 29 [29], eerste lid

     Het bepaalde in de tweede volzin van het eerste lid betreffende het maximumdagloon is overgebracht naar het zesde lid van artikel 15 [15].


Artikel 29 [29], tweede, derde en vierde lid

     De in subonderdelen 2 en 4 voorgestelde wijzigingen van artikel 29 [29] stellen de vijfdaagse werkweek als nieuw uitgangspunt voor de ziekengeldverzekering. In verband hiermede wordt in de nieuwe redactie van het tweede lid bepaald dat over de zaterdagen en zondagen geen uitkering wordt verleend. In het nieuwe derde lid is bepaald dat er twee zogenaamde werkwachtdagen zullen gelden. Gelijk bekend, gelden deze twee werkwachtdagen thans reeds ingeval er met toepassing van het Koninklijk besluit van 27 september 1961, Stb. 1961, 298, steunende op het huidige artikel 87 [87], derde lid, een vijfdaagse uitkeringsregeling wordt toegepast.


Artikel 29 [29], vijfde lid

     In het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt de arbeidsongeschiktheid in het algemeen niet onderscheiden naar oorzaak. Die verzekering voorziet in een uitkering nadat de ongeschiktheid, ongeacht de ooraak, 52 weken heeft geduurd. Dit leidt ertoe dat ook in de Ziektewet het onderscheid naar de oorzaak van de ongeschiktheid dient te vervallen. De bepaling inzake de beperking van de maximumuitkeringsduur in geval van rblz.|16 l.k.| herhaalde ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak, welke is vervat in het huidige artikel 31 [31] van de Ziektewet, is daarmede overbodig geworden. Om dezelfde reden dient de in de tweede volzin van het huidige derde lid van artikel 29 [29] van de Ziektewet voorkomende verwijzing naar dezelfde ziekteoorzaak te worden verwijderd. Voorts dient het onderhavige lid te worden aangepast aan het tweede lid van artikel 19 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. In laatstgenoemd artikellid is bepaald dat perioden van arbeidsongeschiktheid welke elkaar met een onderbreking van minder dan één maand opvolgen, voor de vaststelling van de wachtperiode van 52 weken worden samengeteld. Het doen aansluiten van de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de ziekengeldverzekering noopt ertoe ook in de Ziektewet te bepalen dat perioden van ongeschiktheid tot werken waarover ziekengeld wordt uitgekeerd, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan één maand opvolgen - ongeacht de ziekteoorzaak -, worden samengeteld.
     Opgemerkt wordt nog dat de in het onderhavige lid van artikel 29 [29] bedoelde perioden waarover ziekengeld wordt uitgekeerd niet steeds precies dezelfde perioden zijn als die bedoeld in artikel 19, tweede lid, van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zo tellen de wachtdagen bij samentelling van tijdvakken voor de Ziektewet niet mede. Ter vaststelling van de wachtperiode, bedoeld in artikel 19 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering, tellen deze wachtdagen wel mede. Het kan dus voorkomen dat de wachtperiode ingevolge de arbeidsongeschiktheidsverzekering reeds vervuld is voordat de maximumuitkeringstermijn krachtens de Ziektewet is verstreken. Dit wordt opgevangen door artikel 20 van meergenoemd wetsontwerp, hetwelk bepaalt dat geen arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend zolang aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet.
     In de voorgestelde redactie van het tot vijfde lid vernummerde derde lid van artikel 29 [29] van de Ziektewet wordt niet meer aangegeven de duur van de ziekengelduitkering voor elk geval van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte. De reden hiervan is de volgende. In het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt ervan uitgegaan dat na toekenning van een uitkering naar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, waaraan dus een periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid met als regel genot van ziekengeld is voorafgegaan, betrokkene zijn resterend arbeidsvermogen produktief maakt. Geschiedt dit in een dienstbetrekking en wordt betrokkene naderhand weer ziek, dan zal er in het algemeen weer aanspraak op ziekengeld dienen te bestaan. Het bepaalde in het eerste lid van artikel 19 [19] van de Ziektewet verzet zich daar niet tegen. Betrokkene is alsdan wegens ziekte ongeschikt tot het verrichten van."zijn arbeid", zij het dat deze arbeid - welke hij als gedeeltelijk arbeidsongeschikt verrichtte - een andere arbeid zal zijn dan die welke hij destijds verrichtte toen hij nog geheel arbeidsgeschikt was, dus vóór de aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering voorafgaande periode van ziekengelduitkering. De huidige redactie van artikel 29 [29], derde lid, eerste volzin, zou evenwel een belemmering kunnen vormen om in deze gevallen de aanspraak op ziekengeld te kunnen verwezenlijken. Aldaar wordt immers de maximumuitkeringstermijn bepaald voor elk geval van ongeschiktheid. In het hiervoor gegeven voorbeeld is betrokkene nimmer weer geheel arbeidsgeschikt geweest indien men ziet naar de arbeid welke hij eertijds verrichtte toen hij nog geheel arbeidsgeschikt was, zodat zou kunnen worden gezegd dat er nog steeds sprake is van hetzelfde "geval". Ter zake van bedoeld "geval" heeft hij evenwel gedurende de maximumperiode uitkering genoten, zodat - aldus gezien - geen aanspraak op ziekengeld meer zou kunnen worden gemaakt. Het is duidelijk dat een dergelijke gang van zaken dient te worden voorkomen.
     Nu het onderscheid naar ziekteoorzaak echter is vervallen, is een afzonderlijke aanduiding van de duur der ziekengelduitkering wegens ongeschiktheid tot werken, zoals dit thans
rblz.|16 r.k.| het geval is in de huidige redactie van het derde lid van artikel 29 [29], niet strikt noodzakelijk. De maximumuitkeringsduur wordt nu bepaald door het tweede lid van artikel 29 [29]. Telkens wanneer ongeschiktheid tot werken intreedt, bestaat er in beginsel aanspraak op ziekengeld gedurende 52 weken. Slechts wanneer de ongeschiktheid aanvangt binnen één maand na een vroeger ziektegeval ter zake waarvan uitkering is genoten, worden de ziekengeldperioden ter vaststelling van de termijn van 52 weken samengeteld.
     De tweede volzin van de voorgestelde redactie van artikel 29 [29], vijfde lid, van de Ziektewet handhaaft de ook thans volgens de jurisprudentie geldende bepaling dat bij samentelling van perioden van ongeschiktheid tot werken slechts eenmaal de wachtdagen in aanmerking worden genomen.


Artikel 29 [29], zesde lid

     Ingevolge het bepaalde in artikel 19, zesde lid, van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden voor het vervullen van de in dat artikel bedoelde wachtperiode voor het recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering medegeteld de dagen waarover wel aanspraak bestaat op ziekengeld, doch de uitbetaling daarvan achterwege blijft in verband met bijvoorbeeld doorbetaling van loon, overtreding van de controlevoorschriften, enz. Uit een oogpunt van coördinatie is het gewenst een overeenkomstige bepaling in de Ziektewet op te nemen. Het bepaalde in het voorgestelde nieuwe zesde lid van artikel 29 [29] strekt daartoe.


Artikel 29 [29], zevende lid

     De toevoeging voorgesteld ten aanzien van het tot zevende lid vernummerde vierde lid van artikel 29 [29] beoogt zeker te stellen dat, ondanks de wijzigingen in de voorgaande leden van dit artikel, in het recht op zwangerschapsuitkering - en daarmede tevens in het recht op bevallingsuitkering, geregeld in het tot achtste lid vernummerde vijfde lid - generlei wijziging wordt gebracht.
     Met name zal het - gelijk ook thans - voor het recht op zwangerschapsuitkering en bevallingsuitkering niet ter zake doen of en in hoeverre de bij het tweede lid bedoelde maximumuitkeringstermijn van 52 weken reeds is verstreken bij de aanvang van de zwangerschapsuitkering. Op deze uitkering, alsmede vervolgens op de bevallingsuitkering, heeft de verzekerde onverkort recht op grond van de
Ziektewet. Mocht in een enkel geval aldus - voorafgaande ziekteperioden meegerekend - over meer dan 52 weken uitkering aan de Ziektewet worden ontleend, dan voorziet artikel 20 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering in het opschorten van de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering tot na de beëindiging van de uitkering krachtens de Ziektewet. Aldus wordt bereikt dat het verlenen van zwangerschaps- en bevallingsuitkering zich ook na invoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering blijft afspelen in het kader van de Ziektewet. Verwezen zij ook naar hetgeen hieromtrent is opgemerkt onder punt 6, sub d, van het algemeen deel van deze memorie.

 

Artikel XI


Artikel 30 [30]

     Het onderhavige artikel is het bekende arbeidstherapieartikel uit de Ziektewet, waarin is bepaald dat wanneer het in het belang van de zieke arbeider moet worden geacht dat deze hem passende arbeid verricht en zijn werkgever hem daartoe tegen ten minste de helft van zijn loon in de gelegenheid stelt, het ziekengeld gesteld kan worden op het verschil tussen het dagloon van de betrokkene en het door hem ontvangen deel van zijn loon. Wanneer een verzekerde weigert de bedoelde arbeid te verrichten, dan kan het ziekengeld op de helft worden gesteld.
    
In zijn essentie is het huidige artikel 30 [30] thans opgenomen in het nieuw voorgestelde eerste en tweede lid. Aan de werking ervan is overigens enige uitbreiding gegeven doordat niet langer meer de voorwaarde wordt gesteld dat de zieke arbeider tegen ten minste de helft van zijn loon passende arbeid moet kunnen verrichten. Indien de dienstbetrekking met zijn laatste werkgever is geëindigd, kan het artikel voorts ook worden toegepast indien de betrokkene door een andere werkgever in de gelegenheid wordt gesteld om passende arbeid te verrichten.
    
rblz.|17 l.k.| Nieuw is het voorgestelde derde lid. Het houdt een door de ondergetekende noodzakelijk geachte voorziening in voor die gevallen waarin het duidelijk is dat een zieke werknemer zijn oorspronkelijke arbeid niet meer of slechts met schade voor zijn gezondheid zal kunnen verrichten, terwijl hij voor andere hem passende arbeid niet bij zijn eigen werkgever terecht kan. De ondergetekende acht het opnemen van deze regeling noodzakelijk, omdat hij deze ziet als een complement op de door hem gehandhaafde maximumziekengelduitkering over 52 weken. Acht hij deze maatregel in samenhang met de bescherming welke het Burgerlijk Wetboek de zieke werknemer biedt een groot goed, niettemin moet naar zijn mening in die gevallen waarin het geacht kan worden vast te staan dat het noodzakelijk is dat een zieke werknemer andere hem passende arbeid verricht, de wettelijke ziekengeldverzekering daartoe kunnen stimuleren. Het meest voor de hand liggend is dat de noodzakelijk geachte passende arbeid bij de eigen werkgever wordt gevonden. Hierop hebben betrekking het reeds genoemde eerste en tweede lid. Indien echter de eigen werkgever de passend geachte arbeid niet kan aanbieden, dient de mogelijkheid te bestaan dat indien die arbeid wel bij een andere werkgever kan worden gevonden, de betrokkene (overigens in zijn eigen belang) van werkkring verandert. Hierin voorziet het derde lid. De ondergetekende heeft deze ingrijpende maatregel slechts willen openstellen in de onder a en b van het voorgestelde derde lid aangegeven gevallen.
    
Overigens kan nog worden opgemerkt dat de voorgestelde regeling met de nodige waarborgen is omkleed. Zo moet het belang van de zieke werknemer vooropstaan, moet de passende arbeid bij de andere werkgever ook aanwezig zijn en gaat het uiteindelijk om een door de besturen van de bedrijfsverenigingen te hanteren bevoegdheid, terwijl al dan niet redelijkheid van de toepassing nog weer aan het oordeel van de bevoegde rechter kan worden onderworpen.
     Teneinde de mogelijkheid van plaatsing bij een andere werkgever in de gevallen als bedoeld in het derde lid te vergroten, wordt in het vijfde lid aan de bedrijfsvereniging de bevoegdheid gegeven de verzekerde te verplichten zich te doen inschrijven bij het orgaan van de openbare arbeidsbemiddeling.

 

Artikel XII

     Door het vervallen van het onderscheid naar ziekteoorzaak kan het huidige artikel 31 [31] van de Ziektewet vervallen. De huidige artikelen 32 [32], 33 [33] en 34 [34] van de Ziektewet, welke verband houden met de ongevallenverzekering, zijn eveneens overbodig geworden. Onder de nummering van deze artikelen worden thans andersluidende bepalingen voorgesteld.


Artikel 31 [31]

     De strekking van dit artikel komt overeen met de inhoud van het huidige artikel 36 [36] van de Ziektewet, weshalve laatstgenoemd artikel kan vervallen.
    
Het bepaalde in het voorgestelde artikel 31 [31] legt de verzekerde de verplichting op, indien hij gedurende de ongeschiktheid tot werken loon ontvangt, hiervan vóór de uitkering van ziekengeld mededeling te doen aan de bedrijfsvereniging. Die verplichting bestaat op grond van het huidige artikel 36 [36] eveneens ten aanzien van een uitkering ter zake van een andere verzekering dan krachtens deze of een andere wet, alsmede ten aanzien van een tijdelijke uitkering of voorlopige rente krachtens een wettelijke ongevallenverzekering.
    
Het doen vervallen van de verplichting mededeling te doen ingeval een uitkering wordt ontvangen krachtens een andere verzekering dan ingevolge deze of een andere wet, houdt verband met de omstandigheid dat in het eerste lid, onderdeel d, van artikel 64 [64] van de Ziektewet wordt voorgesteld om degene die slechts een gedeelte van een week in dienstbetrekking werkzaam is en als gevolg van het bepaalde in het bij artikel III voorgestelde artikel 6 [6], tweede lid, onderdeel d, de gehele week verzekerd zal zijn, in de gelegenheid te stellen tot de vrijwillige verzekering toe te treden. Een zodanige (aanvullende) verzekering in het kader van de Ziektewet zal bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte niet leiden tot enige aftrek op het ziekengeld. rblz.|17 r.k.| Komt die verzekering evenwel elders tot stand, dan zou, bij handhaving van de betreffende bepaling in het huidige artikel 36 [36], een uitkering krachtens die elders tot stand gekomen verzekering leiden tot korting op het ziekengeld krachtens de Ziektewet. Voor een zodanig onderscheid acht de ondergetekende geen termen aanwezig. Voorts verdient de aandacht dat een dergelijke aftrekbepaling met betrekking tot de uitkering krachtens een elders gesloten vrijwillige verzekering ook in de huidige Ongevallenwetten niet voorkomt.
     Het vervallen van de verplichting mededeling te doen in de gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van het huidige artikel 36 [36] is een gevolg van het vervallen van de ongevallenverzekering.


Artikel 32 [32], eerste en tweede lid

     In het voorgestelde artikel 32 [32] van de Ziektewet wordt een aantal gevallen genoemd waarin een arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk in mindering wordt gebracht op het ziekengeld. Het gaat hier evenwel om uitzonderingsgevallen. Als regel immers zal krachtens het voorgestelde artikel 19 juncto artikel 20 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering eerst plaatsvinden nadat over de maximumuitkeringstermijn ziekengeld is genoten. Voorts voorzien de artikelen 37 en 38 van genoemd wetsontwerp in herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat de toegenomen arbeidsongeschiktheid 52 weken respectievelijk vier weken zal hebben geduurd, gedurende welke perioden naast de arbeidsongeschiktheidsuitkering onverkort ziekengeld kan worden genoten. Er kunnen zich evenwel gevallen voordoen waarin ter zake van dezelfde arbeidsongeschiktheid en over hetzelfde tijdvak zowel recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of op een verhoging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering als op ziekengeld. Artikel 47 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering geeft enige gevallen aan waarin een arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat deze was ingetrokken, terstond heropend wordt indien binnen één maand na de intrekking weer arbeidsongeschiktheid intreedt. Op het tijdstip van hernieuwde intreding van die ongeschiktheid kan betrokkene - omdat hij intussen weer in loondienst is gegaan - verzekerd zijn krachtens de Ziektewet en dan zal hij tevens aanspraak kunnen hebben op ziekengeld. Dit kan eveneens het geval zijn bij toepassing van de artikelen 38 en 39 van genoemd wetsontwerp, welke artikelen gevallen noemen waarin een toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien, hetzij nadat de toegenomen arbeidsongeschiktheid vier weken zal hebben geduurd, hetzij terstond bij het intreden van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid.
    
Teneinde dubbele uitkering te voorkomen, bepalen de onderhavige leden dat in die gevallen het ziekengeld slechts wordt uitbetaald voor zover het de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag waarmede de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de herziening wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid is verhoogd, overtreft.


Artikel 32 [32], derde lid

     Met het oog op de mogelijkheid dat toepassing van het eerste en het tweede lid in een enkel geval tot minder gunstige resultaten zou kunnen leiden, bepaalt het derde lid dat de bedrijfsvereniging bevoegd is een hoger bedrag aan ziekengeld uit te betalen dan in de vorige leden is bepaald.


Artikel 32 [32], vierde lid

     Voor het geval in de praktijk zou blijken dat nog in andere gevallen dan die voorzien in de vorige leden behoefte bestaat aan een anticumulatieregeling wegens gelijktijdig genot van ziekengeld en arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de arbeidsongeschiktheidsverzekering, opent dit lid de mogelijkheid daartoe regelen te stellen.


Artikel 33 [33]

     De huidige bepalingen van de Ziektewet kennen slechts één mogelijkheid om ten onrechte uitbetaald ziekengeld van een verzekerde terug te vorderen, namelijk in het geval, bedoeld in het huidige artikel 35 [35] van de Ziektewet, dat ter zake van dezelfde ongeschiktheid tot werken over hetzelfde tijdvak rblz.|18 l.k.| zowel ziekengeld krachtens de Ziektewet wordt genoten als een uitkering krachtens de wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen. Wel houdt artikel 79 [79] van de Ziektewet een strafbepaling in wegens het niet nakomen van de in het huidige eerste lid van artikel 36 [36] (nieuw artikel 31 [31], eerste lid) opgenomen verplichting mededeling te doen ingeval uitkeringen of vergoedingen worden genoten als daar bedoeld, doch wanneer bijvoorbeeld ontvangen loon wordt verzwegen, is terugvordering van het ten onrechte uitbetaalde ziekengeld toch niet mogelijk. In het algemeen is terugvordering van eenmaal uitbetaalde uitkeringen ingevolge de socialeverzekeringswetten niet mogelijk. In de in de laatste jaren tot stand gekomen socialeverzekeringswetten, zoals de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet, is deze lijn doorgetrokken, evenwel met dien verstande dat indien het ten onrechte of te veel uitbetaalde een gevolg is van het verstrekken van onjuiste inlichtingen of het niet nakomen van bepaalde verplichtingen, terugvordering in die gevallen wel mogelijk is. Een overeenkomstige bepaling is ook voorgesteld in het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
     De ondergetekende acht het opnemen van een zodanige bepaling ook in de Ziektewet alleszins gerechtvaardigd. Het stellen van een tijdslimiet van twee jaren voorkomt dat nog vele jaren later betrokkene zal kunnen worden aangesproken op grond van ten onrechte of te veel ontvangen ziekengeld.


Artikel 34 [34]

     Hiervóór is in de toelichting op het nieuwe artikel 33 [33] van de Ziektewet opgemerkt dat in het algemeen terugvordering van ten onrechte of te veel uitbetaald ziekengeld slechts mogelijk is indien onjuiste inlichtingen zijn verstrekt of de verplichting, bedoeld in het eerste lid van het voorgestelde artikel 31 [31], niet is nagekomen. Een uitzondering hierop vormt het bepaalde in het nieuw ontworpen artikel 34 [34] van de Ziektewet.
     Ten eerste gaat het hier om gevallen waarin eerst na uitbetaling van ziekengeld blijkt dat ter zake van dezelfde ongeschiktheid en over eenzelfde tijdvak ingevolge artikel 19 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering aanspraak gemaakt kan worden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitbetaling van een zodanige uitkering reeds heeft plaatsgevonden. Deze gevallen kunnen zich bijvoorbeeld voordoen wanneer bij samentelling van ziekteperioden krachtens het bepaalde in het bij artikel X voorgestelde vijfde lid van artikel 29 [29] verzuimd is een bepaalde ziekteperiode in de telling op te nemen en betrokkene dus nog ziekengeld geniet terwijl over de maximumuitkeringstermijn reeds ziekengeld is genoten.
     In de tweede plaats betreft het gevallen waarin ter zake van ongeschiktheid tot werken een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt heropend of herzien (artikel 47 onderscheidenlijk de artikelen 38 en 39 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering), terwijl ter zake van dezelfde ongeschiktheid aanspraak gemaakt kan worden op ziekengeld. Het nieuwe artikel 32 [32] van de Ziektewet bepaalt dan dat het ziekengeld slechts wordt uitbetaald voor zover het de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft. Wordt niettemin ten onrechte of te veel ziekengeld uitbetaald, dan is het evenals in de hiervoren genoemde gevallen gerechtvaardigd het ten onrechte of te veel genoten ziekengeld terug te vorderen of in mindering te brengen op de alsnog uit te betalen termijnen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
     De strekking van het bepaalde in dit artikel komt overeen met het bepaalde in het huidige artikel 35 [35] van de Ziektewet, hetwelk betreft samenloop van ziekengeld en uitkering krachtens de wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen. Door te bepalen dat terugvordering of het in mindering brengen op alsnog uit te betalen termijnen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts mogelijk is tot ten hoogste het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag waarmede de arbeidsongeschiktheidsuitkering is verhoogd, is het principe gehandhaafd dat terugvordering in het algemeen niet mogelijk is. Immers, indien in de hierboven eerstgenoemde gevallen bijvoorbeeld over enig tijdvak een bedrag van ƒ80,- aan ziekengeld
rblz.|18 r.k.| is uitbetaald, terwijl over hetzelfde tijdvak aanspraak bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het bepaalde in artikel 19 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering van bijvoorbeeld ƒ60,-, dan is terugvordering van een bedrag van ƒ20,- niet mogelijk, tenzij het bepaalde in artikel 33 [33], tweede lid, van toepassing is.

 

Artikel XIII

     Artikel 35 [35] van de Ziektewet kan vervallen in verband met het vervallen van de Ongevallenwetten.
     Artikel 36 [36] van de Ziektewet is vervangen door het bij artikel XII van het onderhavige wetsontwerp voorgestelde artikel 31 [31].

 

Artikel XIV

     De wijziging van het eerste lid van artikel 37 [37] van de Ziektewet is van redactionele aard en houdt verband met het vervallen van artikel 27 [27].
     De redactie van het tweede lid is aangepast aan de tekst van artikel 26 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarin wordt voorgesteld de regels inzake vergoeding van reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies te doen vaststellen door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

 

Artikel XV

     Het voorgestelde artikel 39 [39], hetwelk handelt over het vaststellen van controlevoorschriften door de bedrijfsvereniging, is aangepast aan artikel 27 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hier moge worden volstaan met te verwijzen naar de toelichting op laatstgenoemd artikel van het betreffende wetsontwerp.

 

Artikel XVI

     Artikel 40 [40] van de Ziektewet heeft, naar de ervaring heeft geleerd, weinig praktische betekenis meer en kan derhalve gevoeglijk vervallen.

 

Artikel XVII

     Het huidige artikel 42 [42] bepaalt onder meer dat geen ziekengeld wordt verstrekt wanneer de ziekte veroorzaakt is door opzet van de betrokkene. De ondergetekende acht het juister de kwestie van de opzet als weigeringsgrond te regelen in artikel 44 [44].
     De in artikel 42 [42] genoemde Wet van 12 februari 1901, Stb. 1901, 64, is vervangen door de Wet van 9 november 1961, Stb. 1961, 403, in verband waarmede in genoemd artikel thans een verwijzing naar laatstgenoemde wet is opgenomen.
     Voorts zijn - overeenkomstig het advies van de S.V.R. - aan dit artikel twee nieuwe leden toegevoegd welke het mogelijk maken - evenals thans bij de huidige Ongevallenwetten - het ziekengeld te doen uitbetalen aan hen wier kostwinner de werknemer is, dan wel dit ziekengeld te gelegener tijd toch ten goede van de werknemer te doen komen.

 

Artikel XVIII

     Door het doen vervallen van artikel 27 [27] van de Ziektewet is het bepaalde in het eerste lid van artikel 43 [43] overbodig geworden.

 

Artikel XIX


Artikel 44 [44]

     De ondergetekende heeft dit artikel afgestemd op de overeenkomstige regeling van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. In verband hiermede zijn enige van de thans in artikel 44 [44] opgenomen weigeringsgronden vervallen. Voorts moge worden verwezen naar de laatste alinea van de toelichting op artikel 28 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering, welk artikel weigeringsgronden inhoudt met betrekking tot uitkeringen ingevolge die verzekering.

rblz.|19 l.k.| 
Eerste lid, onderdeel a

     In dit onderdeel is onder 2º een bepaling ingevoegd welke overeenkomt met die in het eerste lid, onderdeel b, van artikel 30 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze bepaling beoogt het maken van misbruik te voorkomen. De ondergetekende is van oordeel dat een zodanige weigeringsgrond niet alleen voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering dient te gelden, doch ook voor de aan die verzekering voorafgaande ziekengeldverzekering. Overigens moge hier worden volstaan met te verwijzen naar de toelichting op vorengenoemd artikel van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.


Eerste lid, onderdeel b

     Nu voor de ziekengeldverzekering wordt uitgegaan van een vijfdaagse werkweek, wordt in dit onderdeel niet meer gesproken van een aantal "werkdagen" gedurende welke de verzekering onderbroken mag zijn geweest, maar van een aantal "dagen". In verband hiermede is het huidige aantal van 50 werkdagen gewijzigd in 60 dagen. De overige in dit onderdeel aangebrachte wijzigingen zijn van redactionele aard.


Eerste lid, onderdeel c, d en e

     Deze onderdelen welke thans onder de letters e, f en g in artikel 44 [44], eerste lid, zijn opgenomen, zijn gehandhaafd.


Eerste lid, onderdeel f

     De weigeringsbevoegdheid bij overtreding van de controlevoorschriften is thans afzonderlijk in een nieuw ingevoegd onderdeel, onderdeel g, opgenomen, in verband waarmede onderdeel f (te vergelijken met het huidige onderdeel h) is gewijzigd. De verder aangebrachte wijzigingen houden verband met de nieuw voorgestelde regeling van het in aanmerking nemen van eventuele wachtdagen.


Eerste lid, onderdeel g

     Naast de reeds bestaande weigeringsbevoegdheid bij overtreding van de controlevoorschriften geeft dit onderdeel die bevoegdheid thans ook indien de in het derde lid van artikel 30 [30] bedoelde werknemer geen gevolg geeft aan de hem door de bedrijfsvereniging opgelegde verplichting zich te laten inschrijven bij het orgaan der openbare arbeidsbemiddeling.


Eerste lid, onderdeel h

     Dit onderdeel (thans i) is ongewijzigd gehandhaafd, zij het dat in verband met het nieuwe uitgangspunt van de vijfdaagse werkweek het vereiste aantal dagen van 60 is gewijzigd in 50.


Eerste lid, onderdeel i

     De artikelen 25 en 28, onderdeel a en b, van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering geven de bedrijfsvereniging de bevoegdheid uitkering te weigeren bij weigering door de betrokkene om gevolg te geven aan een oproep vanwege de Gemeenschappelijke Medische Dienst of om, in de aldaar genoemde gevallen, medewerking te verlenen tot effectuering van maatregelen van geneeskundige aard, zonder dat daarvoor een deugdelijke grond aanwezig is. Maakt de bedrijfsvereniging van deze bevoegdheid gebruik en wordt dienovereenkomstig een beslissing genomen, terwijl betrokkene de wachttijd doormaakt welke in het algemeen voorafgaat aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkering en hij in het genot is van ziekengeld, dan wil het de ondergetekende voorkomen dat het gewenst is dat de mogelijkheid wordt geopend het ziekengeld geheel of ten dele te weigeren. In het algemeen zullen namelijk de in de hierboven genoemde artikelen bedoelde activiteiten van de Gemeenschappelijke Medische Dienst juist gericht zijn op de opheffing of vermindering van de ongeschiktheid tot werken ter zake waarvan ziekengeld wordt genoten, teneinde mogelijke langdurige of blijvende arbeidsongeschiktheid te voorkomen.


Eerste lid, onderdeel j

     Het weigeren van een arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de ongeschiktheid is veroorzaakt door opzet, is in het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering niet imperatief voorgeschreven, doch aan het oordeel van de bedrijfsvereniging overgelaten. Voorgesteld wordt in de Ziektewet deze weigeringsgrond op dezelfde wijze te regelen.

rblz.|19 r.k.| 
Tweede lid

     De aanhef van het huidige tweede lid van artikel 44 [44] van de Ziektewet en de overeenkomstige bepaling in het huidige vierde lid van artikel 46 [46] van die wet zijn uitzonderingen op de, volgens de jurisprudentie geldende, algemene regel dat bij overgang van een werknemer naar een werkgever die bij een andere bedrijfsvereniging is aangesloten dan de vorige werkgever, een nieuwe verzekering aanvangt. Het is juister die regel te wijzigen en in het algemeen te bepalen dat achtereenvolgende verzekeringen bij verschillende bedrijfsverenigingen worden beschouwd als één verzekering. Bij artikel XXVII van dit wetsontwerp wordt voorgesteld een zodanige bepaling op te nemen in artikel 55 [55] van de Ziektewet. Overigens moge verwezen worden naar de toelichting op dat artikel.
     Ingevolge het bij artikel III voorgestelde artikel 6 [6], tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet kan hetgeen overigens in het huidige tweede lid van artikel 44 [44] van de Ziektewet is geregeld, vervallen, zodat het bepaalde in dat lid in zijn geheel kan worden gemist.
     In de plaats daarvan is een bepaling opgenomen als in artikel 30, derde lid, van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering, ten aanzien waarvan het volgende wordt opgemerkt.
     In het bij artikel XXI voorgestelde vierde lid, onderdeel a, van artikel 46 [46] is bepaald dat voor de aldaar bedoelde groepen van personen de nawerking van de geëindigde verzekering niet van toepassing is, omdat voor deze groepen op andere wijze reeds voorzieningen bij ziekte zijn getroffen.
     Daartegenover voorziet de onderhavige bepaling in het terstond, zonder restricties overnemen van het risico ter zake van ingetreden ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, indien de hier bedoelde personen aansluitend aan de voor hen voorheen geldende regeling verzekerd worden. Ter zake van ongeschiktheid wegens ziekte welke binnen een halfjaar na de aanvang van de verzekering intreedt, mist de bedrijfsvereniging derhalve de in artikel 44 [44], eerste lid, onderdeel a, onder 2
º, opgenomen bevoegdheid om uitkering te weigeren.

 

Artikel XX

     Het bepaalde in het huidige artikel 45 [45] heeft weinig betekenis. Ook zonder dit uitdrukkelijk in de wet vast te leggen, zullen de in dit artikel bedoelde verzoeken, indien daartoe aanleiding bestaat, gedaan kunnen worden en door de bedrijfsvereniging in overweging genomen worden.
     In de plaats daarvan wordt voorgesteld in artikel 45 [45] een bepaling op te nemen overeenkomende met die van artikel 32 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. In dat artikel wordt met betrekking tot de in de artikelen 25, 28 en 30 van genoemd wetsontwerp aan de bedrijfsvereniging gegeven bevoegdheid om in de aldaar genoemde gevallen de uitkering geheel of ten dele te weigeren, bepaald dat de rechter bevoegd is te beoordelen of de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik is gemaakt in overeenstemming is met de redelijkheid. Alhoewel het in die gevallen gaat om langdurige uitkeringen, ziet de ondergetekende toch niet in waarom ten aanzien van de op grond van artikel 44 [44] van de Ziektewet aan de bedrijfsvereniging verleende bevoegdheid een andere maatstaf zou dienen te worden aangelegd. In verband hiermede wordt voorgesteld op dit punt de Ziektewet aan te passen aan de overeenkomstige bepaling van het vorengenoemde wetsontwerp.

 

Artikel XXI


Onder 1, 2 en 3

     De in het onderhavige artikel voorgestelde wijziging van artikel 46 [46], hetwelk aan de geëindigde verzekering nog nawerking geeft, houdt verband met het in het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering voorgestelde artikel 17, hetwelk in die verzekering de nawerking regelt met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het is gewenst beide artikelen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, teneinde te voorkomen dat gewezen verzekerden krachtens de Ziektewet bij het intreden van arbeidsongeschiktheid na het eindigen van de ziekengeldverzekering wel ziekengeld, doch na beëindiging van de ziekengeldperiode geen rblz.|20 l.k.| arbeidsongeschiktheidsuitkering zouden ontvangen of, omgekeerd, wel arbeidsongeschiktheidsuitkering doch geen voorafgaand ziekengeld.
     De arbeidsongeschiktheidsverzekering maakt in tegenstelling tot het huidige artikel 46 [46] van de Ziektewet geen onderscheid tussen het verplicht en vrijwillig verzekerd zijn. In navolging hiervan is in de voorgestelde redactie van genoemd artikel 46 [46] dat onderscheid ook niet meer gemaakt, hetgeen leidt tot wijziging van het eerste, tweede en derde lid van dat artikel.
     Het huidige artikel 46 [46] van de Ziektewet vertoont voorts nog een ander belangrijk verschil met bovengenoemd artikel 17. In artikel 46 [46] van de Ziektewet wordt namelijk geëist, indien overigens aan de gestelde voorwaarden is voldaan, dat betrokkene werkloos is. Handhaving van deze bepaling zou betekenen dat ongeschiktheid tot werken welke intreedt binnen één der termijnen van genoemd artikel 46 [46], terwijl de betrokkene niet werkloos is, niet zou leiden tot uitkering van ziekengeld, doch, nadat de ongeschiktheid tot werken 52 weken heeft geduurd, wel tot een uitkering ingevolge de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dit zou zich bijvoorbeeld voordoen wanneer betrokkene als zelfstandige een beroep of een bedrijf is gaan uitoefenen. In dit geval geeft de arbeidsongeschiktheidsverzekering immers wel de nawerking. Het is rationeel om in beide verzekeringen een gelijkluidende bepaling inzake de nawerking op te nemen.
     Daartoe wordt derhalve in het eerste lid van het onderhavige artikel, sub 1, een redactie voorgesteld [lees: onderhavige artikel een redactie voorgesteld, red.] waarin het begrip "werkloos" niet meer voorkomt.
     Voorts wordt nog opgemerkt dat in het eerste lid het woord "werkdagen" is gewijzigd in "dagen", nu in de nieuwe situatie voor het verzekerd zijn wordt uitgegaan van het begrip diensttrekking en voorts in verband met het voorstel om voor de ziekengeldverzekering uit te gaan van een vijfdaagse werkweek. De in het tweede lid genoemde termijn gedurende welke de verzekering geacht wordt niet te zijn onderbroken, te weten zes werkdagen, is in verband hiermede gewijzigd in zeven dagen.


Onder 4

     Het bepaalde in het huidige vierde lid van artikel 46 [46] van de Ziektewet kan vervallen. Verwezen moge worden naar de toelichting op artikel XIX (artikel 44 [44], tweede lid) en naar die op artikel XXVII.


Onder 5

     Met betrekking tot het nieuwe vierde lid, onderdeel a, van artikel 46 [46] van de Ziektewet zij opgemerkt dat voor de hier bedoelde groepen van personen na beëindiging van hun ziekengeldverzekering reeds voorzieningen gelden. De in de gewijzigde opzet geregelde ruimere nawerking van de Ziektewet behoeft te hunnen aanzien dan ook geen toepassing te vinden.
     Met betrekking tot het bepaalde onder b zij opgemerkt dat er uiteraard geen reden bestaat om de geëindigde ziekengeldverzekering te laten nawerken ten aanzien van degenen die reeds aanspraak op uitkering bij ziekte hebben ingevolge een buitenlandse wetgeving.

 

Artikel XXII

     Evenmin als aan artikel 40 [40] bestaat ook aan het huidige artikel 48 [48] van de Ziektewet nog behoefte. In de plaats hiervan wordt voorgesteld een nieuw artikel 48 [48] op te nemen, waarin de betaalbaarstelling van ziekengeld aan minderjarigen geregeld wordt. De voorgestelde redactie is gelijkluidend aan die van artikel 51 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

 

Artikel XXIII

     De voorgestelde redactie van artikel 49 [49] van de Ziektewet sluit aan bij de gevormde praktijk om de hoogte der uitkering tijdens een lopend uitkeringsgeval niet te doen beïnvloeden door nieuwe voorschriften in de wet, in reglementen of besluiten die op de uitkeringen betrekking hebben. Door de toevoeging "tenzij bij die wijziging anders wordt bepaald" is de mogelijkheid opengehouden om in bepaalde omstandigheden de bedragen van de lopende uitkeringen wél te herzien.

rblz.|20 r.k.| 

Artikel XXIV

     Artikel 50 [50] van de Ziektewet is uit een oogpunt van coördinatie in overeenstemming gebracht met het overeenkomstige artikel 58 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

 

Artikelen XXV en XXVI

     De voorgestelde artikelen 52 [52], 52a [52a] en 52b [52b] van de Ziektewet bevatten met betrekking tot de invloed van de bepalingen van de Ziektewet op die van het burgerlijk recht een overeenkomstige voorziening als de artikelen 89 tot en met 91 van de voorgestelde arbeidsongeschiktheidsverzekering. Voor een nadere toelichting moge worden verwezen naar paragraaf 3.5 van het algemeen deel van de toelichting op bedoeld wetsontwerp.

 

Artikel XXVII


Artikel 55 [55], eerste, tweede en derde lid

     Behoudens wijziging van het begrip "arbeider" in "werknemer" is het nieuwe eerste lid gelijkluidend aan de huidige eerste volzin van het eerste lid van artikel 55 [55] van de Ziektewet.
     De aanwijzing in het huidige eerste lid van artikel 3 [3] van de Ziektewet van personen die bij werkloosheid voor de toepassing van de Ziektewet als verzekerden worden aangemerkt, geschiedt thans in het bij artikel III van dit wetsontwerp voorgestelde artikel 7 [7]. In verband hiermede dient de tweede volzin van het eerste lid van het huidige artikel 55 [55] te worden gewijzigd. Deze volzin is vervangen door het voorgestelde tweede lid van artikel 55 [55] van de Ziektewet.
     Het huidige tweede lid wordt in verband hiermede vernummerd tot derde lid, terwijl het woord "arbeider" wordt vervangen door "werknemer".


Artikel 55 [55], vierde lid

     Met betrekking tot het nieuwe vierde lid van artikel 55 [55] van de Ziektewet zij het volgende opgemerkt. Het bepaalde in dit lid kwam aanvankelijk in de Ziektewet voor in artikel 52 [52], hetwelk de nawerking van de geëindigde verzekering regelde (thans artikel 46 [46]). Bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 29 oktober 1936 (A.B. 1936, blz. 919) werd beslist dat een nieuwe verzekering aanvangt wanneer het risico der verzekering voor een ander uitvoeringsorgaan komt. In deze uitspraak werd gewezen op de bepaling welke thans in het huidige vierde lid van artikel 46 [46] van de Ziektewet is opgenomen, in welke bepaling, kennelijk als uitzondering op de gewone regel, uitdrukkelijk is geregeld dat voor de toepassing van het eerste lid achtereenvolgende verzekeringen bij verschillende uitvoeringsorganen als één verzekering gelden. Uit deze jurisprudentie vloeiden moeilijkheden voort in verband met de toepassing van artikel 44 [44], eerste lid, van de Ziektewet. Er rezen namelijk geschillen tussen de uitvoeringsorganen over de vraag ten laste van welk orgaan het ziekengeld moet komen indien de ziekte intreedt kort na het tijdstip waarop het risico op een ander orgaan was overgegaan. Om aan deze ongewenste toestand een einde te maken, werd bij de Wet van 15 december 1938, Stb. 1938, 806, aan artikel 53 [53] van de Ziektewet een lid la toegevoegd, thans het huidige tweede lid van artikel 44 [44] van de Ziektewet. Opnieuw werd derhalve een uitzondering op de gewone regel gemaakt. Het verdient naar de mening van de ondergetekende de voorkeur niet het aantal uitzonderingen te vergroten, doch algemeen te bepalen dat achtereenvolgende verzekeringen bij verschillende bedrijfsverenigingen worden beschouwd als één verzekering. Daartoe strekt het voorgestelde vierde lid.

 

Artikel XXIX

     Het bepaalde in artikel 58 [58] van de Ziektewet kan beter worden geregeld in de Organisatiewet Sociale Verzekering. Verwezen moge worden naar het bij artikel I, onderdeel C, van het desbetreffende ontwerp van wet tot wijziging van de genoemde wet voorgestelde artikel 16a.

rblz.|21 l.k.| 

Artikel XXX

     De wijzigingen in het derde en het vierde lid van artikel 60 [60] van de Ziektewet zijn van louter redactionele aard. Het vijfde lid van genoemd artikel is van ondergeschikte betekenis en kan, evenals het huidige artikel 13 [13], zonder bezwaren vervallen.

 

Artikel XXXI

     In het eerste lid van artikel 81 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering is voorgesteld voor enige categorieën van personen de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering te openen. Met betrekking tot de overwegingen welke daartoe geleid hebben, moge verwezen worden naar de toelichting op het eerste lid van genoemd artikel. Die vrijwillige verzekering zal, evenals de verplichte verzekering, in het algemeen eerst recht geven op een uitkering of een hogere uitkering nadat de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft geduurd. Teneinde zoveel mogelijk te bereiken dat de hier bedoelde personen zich ter zake van arbeidsongeschiktheid kunnen verzekeren van een uitkering of - indien zij behoren tot de in het eerste lid, onderdeel d, van artikel 81 van genoemd wetsontwerp bedoelde categorie - een hogere uitkering gedurende de wachttijd welke aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een verhoging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering voorafgaat, komt het de ondergetekende gewenst voor voor de in het eerste lid van artikel 81 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering genoemde categorieën van personen eenzelfde regeling inzake vrijwillige verzekering in de Ziektewet te treffen. In het onderhavige artikel wordt in verband hiermede voorgesteld het eerste lid van artikel 64 [64] van de Ziektewet dienovereenkomstig te wijzigen. In het gewijzigde eerste lid van artikel 64 [64] zijn ook opgenomen degenen die op grond van het bepaalde in het eerste lid van het huidige artikel 64 [64] en in artikel 65 [65] van de Ziektewet reeds de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering hebben. Opgemerkt wordt nog dat voor degene die als zelfstandige een beroep of bedrijf uitoefent of gaat uitoefenen, in het voorgestelde eerste lid, onderdeel c, van artikel 64 [64] van de Ziektewet de eis is gesteld dat hij gedurende drie jaren verzekerd moet zijn geweest, welke eis in het huidige eerste lid van artikel 64 [64] van de Ziektewet niet voorkomt. De motieven om deze voorwaarde voor deze categorie van personen voor de vrijwillige arbeidsongeschiktheidsverzekering te stellen, gelden evenzeer voor de ziekteverzekering, zodat verwezen kan worden naar hetgeen hieromtrent is uiteengezet in de toelichting op het eerste lid, onderdeel c, van artikel 81 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
    
Het tweede lid van artikel 64 [64] is gelijk aan het tweede lid van artikel 81 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zodat hier volstaan kan worden met te verwijzen naar de toelichting op het tweede lid van dat artikel.

 

Artikel XXXII

     Het bepaalde in het huidige artikel 65 [65] van de Ziektewet kan vervallen. De toelating tot de vrijwillige verzekering voor degene die in het buitenland verzekerd is geweest, is thans geregeld in het voorgestelde eerste lid, onderdeel b, van artikel 64 [64], terwijl de aanwijzing van de bedrijfsvereniging waarbij de aanmelding dient te geschieden, alsmede de vaststelling van het dagloon voor de vrijwillige verzekering op grond van het bepaalde in het bij artikel XXXVIII van dit wetsontwerp voorgestelde artikel 71 [71] van de Ziektewet, door de S.V.R. geregeld zal worden.
     Voorgesteld wordt in de plaats daarvan in artikel 65 [65] van de Ziektewet een bepaling op te nemen welke overeenkomt met die van artikel 82 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering, welk artikel een verzachtende bepaling inhoudt met betrekking tot de in het eerste lid van het vorige artikel, onderdeel c en d, van dat artikel genoemde termijn van drie jaren [lees: de in eerste lid van het vorige artikel, onderdeel c en d, genoemde termijn van drie jaren, red.]. De verzekering mag namelijk gedurende 60 dagen onderbroken zijn geweest, terwijl voorts als "verzekerde" tijd medegeteld worden perioden gedurende welke een
rblz.|21 r.k.| arbeidsongeschiktheidsuitkering is genoten, berekend naar een ongeschiktheid van ten minste 55%. Dat de arbeidsongeschiktheid ten minste 55% moet bedragen, houdt verband met de omstandigheid dat tijdens het genot van een zodanige uitkering er in het algemeen geen behoefte bestaat aan een vrijwillige ziekengeldverzekering, omdat bij toeneming van die arbeidsongeschiktheid de uitkering ingevolge het bepaalde in artikel 38 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering steeds wordt herzien nadat die ongeschiktheid vier weken heeft geduurd, zodat in het algemeen een vrijwillige ziekteverzekering in die gevallen slechts zin heeft ter overbrugging van die korte periode.
     Een bepaling overeenkomstig aan die van het eerste lid, onderdeel b, van artikel 82 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering kan hier gemist worden, aangezien de verzekering ingevolge de Ziektewet voortduurt tijdens het genot van ziekengeld gedurende de wachtperiode welke in het algemeen voorafgaat aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een verhoging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook met betrekking tot de vrijwillige verzekering is een overeenkomstige bepaling overbodig, aangezien de vrijwillige verzekering niet eindigt wegens genot van ziekengeld.
    
Met betrekking tot het bepaalde in het voorgestelde tweede lid van artikel 65 [65] van de Ziektewet moge verwezen worden naar de toelichting op het tweede lid van artikel 82 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Opneming van een zodanige bepaling in de arbeidsongeschiktheidsverzekering maakt het wenselijk de Ziektewet ook op dit punt aan te passen, waarmede bereikt wordt dat degene die toetreedt tot de vrijwillige verzekering ingevolge de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dit in het algemeen tevens kan doen met betrekking tot de vrijwillige ziekengeldverzekering, ter overbrugging van de aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering voorafgaande wachttijd.

 

Artikel XXXIII

     De voorgestelde redactie van artikel 66 [66] van de Ziektewet, welk artikel de termijn bepaalt waarbinnen de aanmelding voor de vrijwillige verzekering dient te geschieden, komt overeen met die van artikel 83 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hier kan worden volstaan met te verwijzen naar de toelichting op laatstgenoemd artikel.
     Opgemerkt zij dat de aanmeldingstermijn voor degene die in het buitenland verplicht verzekerd is geweest - genoemd in het voorgestelde eerste lid, onderdeel b, van artikel 64 [64] van de Ziektewet - ook gesteld is op één maand na eindiging van die verplichte verzekering. Het derde lid van het huidige artikel 66 [66] bepaalt die termijn thans op acht dagen na beëindiging van de verzekering in het buitenland.

 

Artikel XXXIV

     In artikel 67 [67] van de Ziektewet wordt voorgesteld de premie voor de vrijwillige verzekering voor de in het voorgestelde eerste lid van artikel 64 [64] van de Ziektewet genoemde personen gelijk te doen zijn aan die welke voor betrokkenen verschuldigd zou zijn indien zij verplicht verzekerd waren bij de betreffende bedrijfsvereniging. Voor twee van de drie groepen van personen die op grond van het bepaalde in het eerste lid van het huidige artikel 64 [64] en in het huidige artikel 65 [65] van de Ziektewet tot de vrijwillige verzekering kunnen worden toegelaten, wordt ook thans geen onderscheid gemaakt met betrekking tot de verschuldigde premie tussen het verplicht of vrijwillig verzekerd zijn. Voor de derde categorie, namelijk degene die als zelfstandige een beroep of bedrijf uitoefent of gaat uitoefenen, bepaalt het vierde lid van het huidige artikel 67 [67] van de Ziektewet dat de premie niet hoger mag zijn dan een en half maal het percentage van het loon dat voor die personen als premie verschuldigd zou zijn indien zij verplicht verzekerd waren.
     In artikel 84 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt voorgesteld met betrekking tot de verschuldigde premie geen onderscheid te maken tussen
rblz.|22 l.k.| verplicht en vrijwillig verzekerden, zulks ook niet ten aanzien van degenen die als zelfstandige een beroep of bedrijf uitoefenen of gaan uitoefenen. In de toelichting op het eerste lid, onderdeel c, van artikel 81 en op artikel 84 van genoemd wetsontwerp is ter motivering hiervoor gesteld dat de vestiging als zelfstandige in het algemeen eerst plaatsvindt op latere leeftijd en dat, hoewel het risico groter wordt naarmate de leeftijd vordert, die leeftijd niet van invloed is op de hoogte van de voor de verplichte verzekering verschuldigde premie. De desbetreffende personen zullen tijdens de periode gedurende welke zij verplicht verzekerd waren gemiddeld reeds meer premie hebben betaald dan nodig was tot dekking van het risico dat zij persoonlijk voor de verzekering opleverden.
     De ondergetekende is van oordeel dat deze overwegingen eveneens gelden voor de vrijwillige ziekengeldverzekering, zodat ook hier voor de groep zelfstandigen ten aanzien van de te betalen premie niet dient te worden gediscrimineerd. Hij laat hierbij bovendien nog gelden dat de voorwaarden van de toelating tot de vrijwillige ziekengeldverzekering voor deze personen zijn verzwaard. Er wordt immers thans geëist dat zij gedurende drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het einde van hun verplichte verzekering verzekerd moeten zijn geweest.

 

Artikel XXXV

     Artikel 68 [68] van de Ziektewet heeft zulk een vanzelfsprekende inhoud dat het geen reële betekenis heeft en kan dan ook gevoeglijk vervallen.

 

Artikel XXXVI

     De wijziging van het eerste lid van artikel 69 [69] van de Ziektewet houdt verband met de voorgestelde wijziging van artikel 19 [19] van de Ziektewet (artikel V van het onderhavige wetsontwerp).

 

Artikel XXXVII

     De regelen inzake de vrijwillige verzekering dienen zoveel mogelijk gelijk te zijn aan die van de verplichte verzekering. Dit is geregeld in het bij artikel XXXIX voorgestelde artikel 72 [72] van de Ziektewet. In verband hiermede kan het huidige artikel 70 [70] vervallen. Dit brengt mede dat de weigeringsgronden welke voor de verplichte verzekering gelden ook ten aanzien van de vrijwillige verzekering gelden.
     Voor de vrijwillige verzekering op grond van artikel 64 [64], vierde lid, van de Ziektewet kunnen door de S.V.R. op grond van het nieuwe artikel 71 [71] eventueel nadere regelen worden gesteld.

 

Artikel XXXVIII

     Het voorgestelde artikel 71 [71] van de Ziektewet is gelijkluidend aan artikel 85 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hier moge worden volstaan met te verwijzen naar de toelichting op laatstgenoemd artikel van dat wetsontwerp.

 

Artikel XXXIX

     In het nieuwe artikel 72 [72] van de Ziektewet - in de toelichting op artikel XXXVII werd hierop reeds gewezen - wordt voorgesteld de bepalingen van de verplichte ziekengeldverzekering van overeenkomstige toepassing te doen zijn op de vrijwillige verzekering. Dit geldt uiteraard enkel voor de vrijwillige verzekering waartoe verplichte toelating openstaat en derhalve niet voor die waarvan sprake is in het tot vierde lid vernummerde huidige derde lid van artikel 64 [64] van de Ziektewet.

 

Artikelen XL tot en met XLII

     Deze artikelen beogen het beroepsrecht in de Ziektewet zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met de dienovereenkomstige bepalingen in het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
     Met betrekking tot de bij artikel XLII voorgestelde nieuwe redactie van artikel 74 [74] wordt het volgende opgemerkt.
    
rblz.|22 r.k.| De huidige redactie van artikel 74 [74] is in de Ziektewet gekomen bij de Wet van 15 augustus 1955, Stb. 1955, 396. Uit de memorie van toelichting bij deze wet [lees: die wet, red.] blijkt duidelijk de bedoeling de in dat artikel voorkomende beroepstermijn van veertien dagen te beperken tot geschillen van geneeskundige aard. De verwijzing naar artikel 73 [73], onderdeel b, van de Ziektewet laat evenwel ruimte deze korte beroepstermijn ook in andere geschillen te doen gelden.
     Daarom wordt in het onderhavige artikel voorgesteld in artikel 74 [74] met zoveel woorden aan te geven voor welke gevallen deze beroepstermijn geldt.

 

Artikel XLVI

     Het voorgestelde artikel 81 [81] van de Ziektewet is ontleend aan artikel 54 van de Algemene Ouderdomswet en artikel 65 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Een zelfde bepaling is ook voorgesteld in artikel 97 van het wetsontwerp inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

 

Artikel XLVII

     Artikel 84 [84] van de Ziektewet stamt nog uit de tijd dat er voor de werkgever geen verplicht lidmaatschap bij de bedrijfsvereniging bestond. Geschillen met betrekking tot de vraag welke bedrijfsvereniging tot uitkering is gehouden, hebben zich sedert de invoering van de Organisatiewet Sociale Verzekering, op grond waarvan dit verplichte lidmaatschap wel bestaat, niet meer voorgedaan.
     Artikel 84 [84] van de Ziektewet kan dan ook zonder bezwaar vervallen.

 

Artikel XLVIII

     Ter verkrijging van meer unificatie is in verschillende socialeverzekeringswetten de verjaringstermijn van betaalbaar gestelde uitkeringen gesteld op twee jaren. Voorgesteld wordt deze tweejaarstermijn nu ook in de Ziektewet te introduceren.

 

Artikel XLIX

     Bij de in artikel X voorgestelde wijziging van artikel 29 [29] van de Ziektewet zal als uitgangspunt voor de ziekengeldverzekering worden uitgegaan van een vijfdaagse werkweek. In de praktijk zal evenwel behoefte bestaan in bepaalde gevallen hiervan te kunnen afwijken. Het komt de ondergetekende evenwel gewenst voor dit niet te doen regelen in de wet zelf, doch bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur. In verband hiermede is in het eerste lid thans ingevoegd het woord "krachtens".
     Hetgeen thans geregeld kan worden op grond van het derde lid, kan dan eveneens geschieden op grond van het eerste lid, weshalve het derde is komen te vervallen.

 

Artikel L

     De huidige artikelen 88 [88] en 89 [89] van de Ziektewet kunnen gevoeglijk vervallen, aangezien zij slechts betekenis hadden in 1930 bij de inwerkingtreding van de Ziektewet.
     De overgangsbepalingen welke nodig zijn in verband met de afschaffing van de loongrens zullen - evenals eventuele andere nodig blijkende overgangsbepalingen - in een afzonderlijk wetsontwerp, regelende het overgangsrecht, worden opgenomen.

 

Artikelen LI en LII

     Deze artikelen behoeven geen toelichting.

 

 

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Ziektewet | ontwerp van wet | tekst Ziektewet 1963 | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x