|
rblz.|10
l.k.|
Kamerstukken II 1962-1963,
7171
Wijziging
van de Ziektewet (aanpassing aan de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
1.
Het hierbijgaande wetsontwerp tot
wijziging van de Ziektewet strekt ertoe
deze wet [lees: die
wet, red.] aan te passen aan het
wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze
aanpassing heeft in de eerste plaats
betrekking op enkele principiële
wijzigingen welke het gevolg zijn van
het streven naar een
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
daarnaast bevat deze aanpassing enkele
meer technische wijzigingen van de Ziektewet, welke in het algemeen
eveneens de consequentie zijn van de
beoogde
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De
principiële wijzigingen betreffen het
onder de werkingssfeer van de Ziektewet
brengen van ongevallen in verband met de
dienstbetrekking en het afschaffen van
de loongrens in die wet. Voor wat de
eerste wijziging betreft, kan naar de
mening van de ondergetekende met een
summiere toelichting worden volstaan. Op
het afschaffen van de loongrens zal meer
diepgaand worden ingegaan.
2.
Het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering strekt ertoe de in de Invaliditeitswet
geregelde invaliditeitsverzekering
alsmede de in de Ongevallenwetten
vervatte voorzieningen bij
arbeidsongeschiktheid te vervangen en
voorziet in uitkering wegens
arbeidsongeschiktheid na het verstrijken
van de maximumuitkeringstermijn voor de
ziekengelduitkering. Het vervallen van
de wettelijke ongevallenverzekering
brengt met zich dat de Ziektewet
ook
zal moeten voorzien in uitkering bij
arbeidsongeschiktheid wegens ongeval in
verband met de dienstbetrekking. De
belemmeringen welke, in het kader van
de huidige opzet, ter zake thans in de
Ziektewet voorkomen, dienen derhalve te
worden weggenomen.
3.
Met betrekking tot de tweede
principiële wijziging in de Ziektewet,
namelijk het doen vervallen van de loongrens,
merkt de ondergetekende het volgende op.
Naar zijn wijze van zien vloeit uit de
aard van de conceptie van een wettelijke
ziekengeldverzekering, onmiddellijk en
aansluitend gevolgd door een wettelijke
arbeidsongeschiktheidsverzekering voort
dat deze beide componenten ten nauwste
op elkaar dienen te zijn afgestemd. Het
is duidelijk dat het in de wettelijke
ziekengeldverzekering blijven hanteren
van een loongrens, terwijl deze in de
wettelijke
arbeidsongeschiktheidsverzekering zal
ontbreken, een dergelijke coördinatie
een ernstige belemmering in de weg zou
leggen. Wanneer men in de toekomstige
constellatie tot een verantwoorde opzet
wil komen, dan dient, naar het gevoelen
van de ondergetekende, een geval van
langdurige of blijvende
arbeidsongeschiktheid van meet af aan in
behandeling te zijn bij hetzelfde
orgaan. Voor werknemers met een
looninkomen beneden de voor de Ziektewet
geldende loongrens wordt aan dit
desideratum, behoudens een enkel
uitzonderingsgeval, voldaan. Voor
personen die een looninkomen genieten
dat de evenbedoelde grens te boven gaat,
zou dit niet het geval zijn. Immers
gedurende de ziektewetperiode zouden
deze personen geen ziekengeld ontvangen.
In de loonderving zou hetzij door gehele
of gedeeltelijke loondoorbetaling,
hetzij door middel van een uitkering op
grond van een particulier gesloten
verzekering, hetzij anderszins moeten
worden voorzien. Het is duidelijk dat rblz.|10
r.k.|
in de
laatstbedoelde gevallen de bemoeiingen
van het orgaan van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
praktisch veelal eerst 52 weken na het
begin van de arbeidsongeschiktheid een
aanvang zouden kunnen nemen. Wanneer
men echter de taak in aanmerking neemt
welke de uitvoeringsorganisatie van de
wettelijke
arbeidsongeschiktheidsverzekering - afgezien van het bepaalde in
artikel 62
van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
waarop hierna wordt teruggekomen - in
gevallen van langdurige of blijvende
invaliditeit dient te hebben, dat ligt
[lees: dan ligt, red.] een zoveel mogelijk gecoördineerde
kring van verzekerden ingevolge de
Ziektewet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering voor
de hand. De ondergetekende zou daarbij
met nadruk willen wijzen op de zozeer
gewenste coördinatie van de arbeid van
alle medische deskundigen die bij een
geval van enigszins ernstige en
langdurige arbeidsongeschiktheid
betrokken zullen zijn, waarbij met name
de ongevalsletsels mogen worden
genoemd.
Weliswaar
is in artikel 62 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering overeenkomstig het advies van de Sociale
Verzekeringsraad bepaald dat degene
die arbeidsongeschikt is en geen
aanspraak op ziekengeld heeft, gehouden
is zich met het oog op een eventueel te
treffen bijzondere voorziening binnen
dertien weken na de aanvang van zijn
arbeidsongeschiktheid bij de
bedrijfsvereniging te melden, doch naar
de mening van de ondergetekende is deze
bepaling niet voldoende om het beoogde
doel bij handhaving van de loongrens in
de Ziektewet te bereiken. In hoofdstuk
4 van de memorie van toelichting bij
vorengenoemd wetsontwerp wordt gesteld:
"revalidatie dient op de brancard te
beginnen". Deze gedragsregel zal
zelfs in verschillende gevallen niet
kunnen worden nageleefd indien de
betrokkene het in vorengenoemd
artikel 62
opgenomen voorschrift opvolgt, om
dan nog maar niet te spreken over de
gevallen waarin aan bedoeld
voorschrift, waarop geen sanctie staat,
geen gevolg wordt gegeven. De
ondergetekende meent dan ook dat de zozeer gewenste afstemming van de voor het
eerste jaar geldende regeling op die
voor de daaropvolgende periode ten
principale door een zoveel mogelijk
gecoördineerde kring van verzekerden
dient te worden bereikt. Slechts in
uitzonderingsgevallen zal van de in
vorengenoemd artikel 62
aangegeven
methode gebruik moeten worden gemaakt.
Meer
in het algemeen kan voorts ten aanzien
van de problematiek van de loongrens in
de Ziektewet worden opgemerkt dat
daarbij in het verleden steeds een
factor van overwegende betekenis is
geweest de dusgenaamde koppeling van de
verplichte verzekering ingevolge de
Ziektewet aan die ingevolge het Ziekenfondsenbesluit. Het is
duidelijk
dat zolang op het tenietdoen van deze
koppeling geen redelijk uitzicht
bestond, aan deze factor een groot
gewicht moest worden toegekend. Op het
huidige moment echter, nu de
ondergetekende de indiening van een ontwerp
Ziekenfondswet bij de Staten-Generaal heeft bevorderd, kan van
een andere situatie worden uitgegaan.
Naar de ondergetekende meent, is er
thans de mogelijkheid voorhanden om de
koppeling van de loongrens in de
Ziektewet aan die ingevolge de
Ziekenfondswet ongedaan te maken.
Wanneer in de Ziekenfondswet de
loongrens zelfstandig regeling zal
hebben gevonden, is één van de
belangrijkste van de tot nu toe rblz.|11
l.k.|
gegolden
hebbende bezwaren tegen het laten
vervallen van de loongrens in de
Ziektewet niet meer aanwezig.
Ten
aanzien van het laten vervallen van de
loongrens in de Ziektewet moge de
ondergetekende voorts nog op een ander,
zijns inziens, wezenlijk aspect wijzen.
Gelijk bekend, kent de huidige
wettelijke ongevallenverzekering geen
loongrens. In beginsel is dan ook een
ieder die in een verzekeringsplichtig
bedrijf in een onderneming werkzaam is,
verzekerd op grond van de wettelijke
ongevallenverzekering. In het kader van
de coördinatie van de regelingen in
geval van arbeidsongeschiktheid
door middel van één
arbeidsongeschiktheidsverzekering zal de
wettelijke ongevallenverzekering als
zelfstandige regeling verdwijnen.
Daarvoor in de plaats komt eerst de
ziekengeld- en nadien de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Bij
handhaving van de loongrens in de ziekengeldverzekering zou derhalve, in
vergelijking met thans, voor de
ongevalsgetroffenen met een looninkomen
dat de loongrens van de Ziektewet te
boven gaat van een achteruitgang moeten
worden gesproken. De ondergetekende
meent dat zulks in het kader van een
verzekeringsregeling welke een
coördinatie van de bestaande regelingen
bij arbeidsongeschiktheid beoogt,
slechts voor zover dat strikt nodig is,
kan worden aanvaard. Zoals ook uit
hoofdstuk 4 van de memorie van
toelichting bij het wetsontwerp inzake
een arbeidsongeschiktheidsverzekering
blijkt, zullen de verzekerden ingevolge
de voorgestelde regeling voor hun
geneeskundige verzorging in beginsel
zijn aangewezen op de wettelijke
ziekenfondsverzekering, waarin gelijk in
confesso is, een loongrens dient voor te
komen. Dit betekent derhalve dat een
ongevalsgetroffene wiens loon boven de
loongrens uitgaat het recht op
geneeskundige behandeling in de ruime
zin des woords, hetwelk hij thans in het
kader van de ongevallenverzekering
heeft, zal gaan verliezen. Naar de
mening van de ondergetekende dient deze
achteruitgang te worden aanvaard. Zou nu
evenwel in de Ziektewet een loongrens
worden gehandhaafd, dan zou in gevallen
als deze naast het recht op
geneeskundige behandeling ook nog het
recht op geldelijke schadeloosstelling
komen te vervallen. Aangezien van dit
laatste de strikte noodzaak niet kan
worden ingezien, acht de ondergetekende
hierin mede een reden gelegen om tot
afschaffing van de loongrens in de
Ziektewet te komen.
Acht
de ondergetekende het tot stand brengen
van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals
uit het vorenstaande kan zijn gebleken,
op zichzelf reeds een voldoende reden
om over te gaan tot het afschaffen van
de loongrens in de wettelijke
ziekengeldverzekering, hij meent goed te
doen nog nader op de aan het afschaffen
van de loongrens verbonden problemen in
te gaan. Het is de ondergetekende bekend dat, op
zichzelf, over de
wenselijkheid van het doen vervallen van
de loongrens in de wettelijke ziekengeldverzekering verschillend wordt
gedacht. Veelal wordt in dit verband de
persoonlijke verantwoordelijkheid in het
kader van de verplichte sociale
verzekering in het geding gebracht.
Daarbij wordt er dan tevens op gewezen
dat de verplichte sociale verzekering
alleen dan dient te bestaan voor zover
zij van node is. Ook wordt wel
afschaffing van de loongrens in de
Ziektewet niet noodzakelijk genoemd,
omdat in de meeste gevallen door
ondernemingen regelingen zouden zijn
getroffen. Voorts wordt nog aangevoerd
dat de uit de wettelijke
ziekengeldverzekering voortvloeiende
controle voor de categorieën waar het
hier om gaat minder gewenst zou zijn,
c.q. tot moeilijkheden aanleiding zou
geven.
Voor
wat de gereleveerde meer principiële
opmerkingen betreft, merkt de
ondergetekende het volgende op. Wanneer
men de thans bestaande regelingen op het
stuk van de loonderving in geval van
ziekte overziet, dan bestaat er op dit
ogenblik allereerst een verplichte
loondervingsregeling bij ziekte voor
alle werknemers met een vast looninkomen
beneden de in de Ziektewet voorkomende
loongrens; vervolgens bestaat er een
zodanige regeling voor alle werknemers
(zonder dat een loongrens in aanmerking
wordt genomen) in geval van ziekte die
het gevolg is van een ongeval, een
beroepsziekte of een letsel in
betrekkelijk korte tijd ontstaan,
terwijl er ten aanzien van de groep die
niet verzekerd is krachtens de
verplichte ziekengeldverzekering in
verband met een bijzondere regeling rblz.|11
r.k.|
(gedacht
wordt hier aan ambtenaren van het Rijk
en andere publiekrechtelijke lichamen,
de Nederlandse Spoorwegen en dergelijke)
bij ziekte een loondervingsregeling
bestaat ongeacht een loongrens. In geval
van ziekte bestaat derhalve geen
wettelijke geregelde loondervingsregeling wanneer men afziet
van de burgerrechtelijke verplichting
vervat in de zevende titel A van
het derde
boek van het Burgerlijk
Wetboek,
ten aanzien van werknemers die niet
onder een bijzondere regeling vallen,
geen ziekte hebben als gevolg van een
ongeval, beroepsziekte of letsel in
betrekkelijk korte tijd ontstaan en een
vast looninkomen hebben dat hoger is
dan de loongrens in de Ziektewet.
Ten
aanzien van de laatstbedoelde groep is,
in het algemeen gesproken, de
feitelijke situatie deze dat in de
grote en middelgrote bedrijven
loondervingsregelingen bestaan zonder
dat daarbij een loongrens in acht wordt
genomen. Grosso modo gesproken, is, in
feite, het afschaffen van de loongrens
in hoofdzaak van betekenis voor het
personeel in kleinere ondernemingen met
een vast looninkomen boven de loongrens.
Wederom in het algemeen gesproken, zijn
dat dus groepen van werknemers met een
looninkomen tot ongeveer ƒ14 000,-
à ƒ15
000,- in het midden- en kleinbedrijf op
het gebied van handel, ambacht, vervoer,
dienstverlening, landbouw, tuinbouw,
veehouderij, enz. Wanneer dan ook in de
Ziektewet de loongrens wordt afgeschaft,
dan zal dit, naar het oordeel van de
ondergetekende, in de thans bestaande
situatie in feite goeddeels alleen
verandering brengen ten aanzien van deze
laatste groep. Immers, de meeste grote
en middelgrote bedrijven dragen voor de
uitvoering van de Ziektewet eigen
risico, hetzij doordat aan de
onderneming een afdelingskas is
verbonden, hetzij doordat de onderneming
optreedt als een zogenaamde eigenrisicodraagster voor de uitvoering van
de Ziektewet. Daarin wordt geen
verandering gebracht door het feit dat
de loongrens wordt opgeheven, omdat ook
thans reeds aan het personeel met een
looninkomen boven de loongrens in geval
van ziekte het loon wordt doorbetaald.
De ondergetekende vermag niet in te zien
op welke wijze het ook door hem erkende
grote goed van de persoonlijke
verantwoordelijkheid kan worden
aangetast of overwegende bezwaren tegen
de desbetreffende uitbreiding van de
werking van de wettelijke ziekengeldverzekering zouden kunnen
worden ingebracht wanneer enerzijds de
groep die thans in geval van ziekte
geen goede regeling heeft, onder de
werking van de Ziektewet wordt gebracht,
terwijl anderzijds in feite overigens
nagenoeg geen wijziging wordt gebracht
in een reeds bestaande situatie. De
ondergetekende merkt hierbij nog op dat
de groep waarvan hier sprake is - adressen van verenigingen van middelbaar personeel hebben dit bij
herhaling aangetoond - aan de in de
Ziektewet geregelde voorziening grote
behoefte blijkt te hebben. Het vraagstuk
van de controle ten slotte, zo dit al een
vraagstuk is, meent de ondergetekende
aan het beleid van de
bedrijfsverenigingen te kunnen
overlaten.
Voor
het overige zou de ondergetekende willen
opmerken dat, na het afschaffen van de
loongrens in de wettelijke ziekengeldverzekering, die verzekering
voor de groepen van personen die nieuw
onder de Ziektewet worden gebracht
tevens nog als een soort van
bodemvoorziening kan worden beschouwd - bepaald geen onbekende figuur in de
wettelijke sociale verzekering -,
waarbij het bedrijfsleven de volle
vrijheid behoudt tot het treffen van
aanvullende voorzieningen. Zelfs zou de
ondergetekende willen stellen dat het
hem niet onmogelijk wil toeschijnen dat
het treffen van aanvullende
voorzieningen daardoor zal kunnen
worden bevorderd.
Ten slotte
wil de ondergetekende niet nalaten erop
te wijzen dat, voor zover hem bekend,
in de meeste West-Europese landen het
bestaan van een loongrens in de
ziekteverzekering een onbekende figuur
is.
Samenvattende
meent de ondergetekende dat uit de
noodzakelijke coördinatie van de
wettelijke ziekengeld- en
arbeidsongeschiktheidsverzekering het
laten vervallen van de loongrens
noodzakelijkerwijze voortvloeit. Het in
de genoemde regelingen opnemen van de
ongevallen vormt voorts te meer een
aanleiding om de loongrens in de
Ziektewet te doen rblz.|12
l.k.|
vervallen.
Bezwaren acht hij aan een afschaffing
van de loongrens overigens niet
verbonden. Integendeel meent hij dat
dan in alle gevallen een voorziening bij
loonderving in geval van ziekte wordt
geboden, terwijl tevens de mogelijkheid
tot het treffen van aanvullende
voorzieningen, voor zoveel nodig, zal
worden gestimuleerd.
Het
laten vervallen van de loongrens in de
Ziektewet heeft tot consequentie - en
de ondergetekende doelde daarop reeds
eerder - dat in de Ziekenfondswet voor
de verplichte verzekering de
welstandsgrens, in de vorm van een
loongrens, zelfstandig zal moeten
worden geregeld. De ondergetekende stelt
zich voor daaraan vóór het in werking
treden van de volgens het onderhavige
ontwerp gewijzigde Ziektewet uitvoering
te geven.
4.
Wat betreft de in de aanvang
gereleveerde wijzigingen van meer
technische aard kan worden opgemerkt
dat deze met name de kring der
verzekerden en de bepalingen inzake de
vrijwillige verzekering betreffen. Het
is noodzakelijk de bepalingen van de Ziektewet welke op deze beide
onderwerpen betrekking hebben zoveel
mogelijk aan te passen aan die van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
5.
Tot slot wil de ondergetekende er nog op
wijzen dat onder de voorgestelde
wijzigingen niet voorkomt het terugbrengen van de maximumuitkeringsduur
ingevolge de Ziektewet
van 52 tot 26
weken. Gelijk bekend, hebben de Sociale
Verzekeringsraad [S.V.R., red.] in zijn advies inzake
een arbeidsongeschiktheidsverzekering
en de Sociaal-Economische Raad
[S.E.R., red.] in diens
advies van december 1960 naar
aanleiding van het zojuist genoemde
advies van de S.V.R. voorgesteld deze
termijn tot 26 weken terug te brengen.
De genoemde colleges hebben daarvoor de
volgende overwegingen aangevoerd. Er
werd allereerst op gewezen dat een
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
daardoor eerder in de hoogte van de
uitkering tot uitdrukking zou komen dan
in het kader van de ziekengeldverzekering veelal mogelijk
is. Voorts werd het een voordeel genoemd dat
degenen die wegens het
overschrijden van de loongrens niet
ingevolge de Ziektewet verzekerd zouden
zijn reeds na 26 weken in plaats van na
52 weken voor uitkering in aanmerking
zouden komen. Verder werd erop gewezen
dat degenen die om de bovenvermelde
reden niet onder de Ziektewet zouden
vallen eerder bij het orgaan van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering bekend
zouden zijn.
De
ondergetekende heeft, in het licht van
zijn voorstel om in de Ziektewet de
loongrens af te schaffen, deze
overwegingen aan een nadere beschouwing
onderworpen. Hij is daarbij tot de
conclusie gekomen dat het geen
aanbeveling verdient, nu wordt
voorgesteld in de Ziektewet de loongrens
af te schaffen, tot deze inkorting van
de maximale uitkeringsduur over te gaan.
Het is namelijk duidelijk dat van de
bovengenoemde drie argumenten de beide
laatstgenoemde door het afschaffen van
de loongrens in de Ziektewet hun gelding
hebben verloren. In samenhang hiermede
heeft de ondergetekende bovendien in
aanmerking genomen dat - zoals is
toegelicht in hoofdstuk
5 van het
algemeen deel van de memorie van
toelichting bij het wetsontwerp inzake
een arbeidsongeschiktheidsverzekering
- hij het door de meergenoemde
adviescolleges gedane voorstel om voor
wat betreft de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
gedurende een periode van twee jaar een
per bedrijfstak gedifferentieerde
premie te doen gelden, niet tot het
zijne heeft willen maken. Wanneer echter
het bestaande recht op
ziekengelduitkering over 52 weken niet
wordt aangetast, doch wordt gehandhaafd,
komt het hem voor dat, gegeven de thans
in beginsel voor de Ziektewet per
bedrijfsvereniging geldende
verschillende premie, op een
verantwoorde wijze het element van een
per bedrijfstak verschillende premie in
de totale conceptie wordt ingebracht.
Ten
aanzien van de boven als eerste genoemde
overweging, betreffende de waardering
van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
in de hoogte van de uitkering, moge de
ondergetekende verwijzen naar de bij
artikel XI voorgestelde uitbreiding van
artikel 30 [30]
en naar de toelichting
op dat artikel.
rblz.|12
r.k.|
6.
Inzake de aanpassing van de Ziektewet
aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft
de S.V.R. in zijn advies van juli 1960
betreffende een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
aangekondigd nog een afzonderlijk advies
te zullen uitbrengen. Dit advies
bereikte de ondergetekende op 8 februari
1963. Wat betreft de materiële
wijzigingen sluit het voorliggende
wetsvoorstel in overwegende mate aan
bij dit advies. Op een aantal punten is
van het advies afgeweken, waarbij de
ondergetekende met betrekking tot
ondergeschikte aangelegenheden mede
heeft laten wegen zijn streven om nog
tijdens dit zittingsjaar de indiening
van een deel van het gehele complex van
maatregelen verbonden aan de invoering
van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering te
kunnen realiseren. Op enkele meer
belangrijke punten waarop de
ondergetekende gemeend heeft te moeten
afwijken van het advies van de S.V.R.,
zal in het hiernavolgende nader worden
ingegaan.
a.
Samentelling van perioden van herhaalde
ongeschiktheid
In
zijn eerdergenoemd advies van juli 1960
heeft de S.V.R., ter vaststelling van de
wachttijd - in dat advies gesteld op
26 weken - welke zal gelden voor het
recht op toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
geadviseerd perioden van herhaalde
ongeschiktheid welke elkaar binnen vier weken
opvolgen samen te tellen en als
één geval te beschouwen. Een zodanige
samentelling zou zowel voor de
ziekengeldverzekering als voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering dienen
te gelden. De ondergetekende heeft dit
advies in grote lijnen gevolgd, zij het
dat daarbij de periode van vier weken is
gesteld op één maand.
In
afwijking van laatstgenoemd advies stelt
de S.V.R. evenwel in zijn advies van 8
februari 1963 voor deze periode niet
langer te doen zijn dan veertien dagen. In de
gedachtengang van de S.V.R. zal voorts
ziekengeld dienen te worden uitgekeerd
over een al dan niet onderbroken periode
van 26 weken na de aanvang van de
arbeidsongeschiktheid. Dit impliceert
dat - in tegenstelling tot de gang van
zaken in het voorstel van de
ondergetekende - bij samentelling van
perioden van herhaalde ongeschiktheid
ook de tussenliggende dagen van herstel
ter bepaling van de termijn van 26 weken
worden meegeteld. Eveneens tellen de
wachtdagen dan mee. In een zodanige
opzet kan een werknemer dus de wachttijd
voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering
hebben vervuld, zonder evenwel als
verzekerde ingevolge de Ziektewet daadwerkelijk gedurende de volle
maximumuitkeringstermijn ziekengeld te
hebben genoten. De S.V.R. acht dit geen
bezwaar, omdat na eindiging van het
ziekengeld immers een
arbeidsongeschiktheidsuitkering volgt.
De
ondergetekende tekent hierbij aan dat
na eindiging van het ziekengeld, hetwelk
80% van het dagloon bedraagt, de mate
van ongeschiktheid zal worden geschat.
Daarbij zal in vele gevallen - het
gaat dan immers om arbeidsongeschiktheid
in algemene zin en niet meer, zoals bij
de Ziektewet, om ongeschiktheid tot het
verrichten van "zijn arbeid" -
die ongeschiktheid op een lager
percentage dan 100 worden gesteld en de
uitkering eveneens dienovereenkomstig
lager. In deze gevallen zouden de
betrokkenen derhalve in het door de
S.V.R. voorgestelde systeem over een
aantal dagen een lagere uitkering
ontvangen dan in het voorstel van de
ondergetekende, waarin gedurende de
volle maximumuitkeringsperiode ook
daadwerkelijk ziekengeld wordt
uitgekeerd.
Voorts
moge nog worden gewezen op een ander
facet. Bij de gevallen van herhaalde
arbeidsongeschiktheid heeft de S.V.R.
voornamelijk op het oog gevallen van
mislukte werkhervatting, welke zich - aldus de Raad
- als regel manifesteren binnen veertien
dagen. Bij een
termijn van veertien dagen zal, naar het de
ondergetekende wil voorkomen, het maken
van misbruik zich bij deze gevallen
gemakkelijker voordoen dan bij een
termijn van één maand. Indien immers de
betrokkene de korte periode van veertien
dagen
- hoewel eigenlijk daartoe niet in
staat - weet te overbruggen met
werken, vangt weer een nieuwe periode
van uitkering - 52 weken - aan. Bij
het stellen van één maand wordt een
zodanige overbrugging moeilijker.
rblz.|13
l.k.|
Het
geheel overziende heeft de
ondergetekende dan ook gemeend het
S.V.R.-advies hier niet te moeten
volgen.
b.
Nawerking der verzekering
De
S.E.R. heeft in zijn advies van januari
1957 geadviseerd de aanspraken
ingevolge de nieuwe
invaliditeitsverzekering na beëindiging
van de verplichte verzekering niet
terstond te doen vervallen. Gedurende
een periode van vier weken - in het
wetsontwerp is een periode van één maand
gekozen - zouden, aldus de S.E.R., nog
rechten aan de geëindigde verzekering
dienen te kunnen worden ontleend. De
ondergetekende heeft gemeend dit advies
te moeten volgen. Daartoe is in artikel
17 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering een
regeling opgenomen naar analogie van het
huidige artikel 46 [46]
van de
Ziektewet. In
de toelichting op eerstgenoemd artikel
is uiteengezet dat deze regeling in de Ziektewet en de overeenkomstige regeling
in de arbeidsongeschiktheidsverzekering
op elkaar dienen te zijn afgestemd
teneinde te voorkomen dat wel recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering zou
kunnen bestaan, doch niet op ziekengeld
tijdens de daaraan voorafgaande
wachttijd en omgekeerd.
Nu
artikel 46 [46]
in zijn huidige redactie
sedert het in werking treden van de
Werkloosheidswet minder betekenis heeft
gekregen, stelt de S.V.R. voor dit
artikel te laten vervallen.
Hiertegenover staat dat in de opzet
van de S.V.R. iedereen na beëindiging
van zijn verplichte verzekering tot de
vrijwillige verzekering kan toetreden.
De
ondergetekende zou erop willen wijzen
dat bij aanvaarding van het advies van
de S.V.R. ook in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
terwille van een goede aansluiting van
deze verzekering op de ziekengeldverzekering geen
nawerkingsbepalingen zouden dienen te
worden opgenomen.
De
ondergetekende heeft nochtans gemeend
aan het advies op dit punt geen gevolg
te moeten geven. Hij wijst erop dat in
het advies van de S.E.R. van januari
1957 wordt gesteld dat de door de Raad
voorgestelde vrijwillige voortzetting
van de verzekering na het beëindigen
van de verplichte verzekering beoogt een
voortduring van de dekking van het
invaliditeitsrisico mogelijk te maken
voor degenen die afwisselend in
loondienst en als zelfstandige werkzaam
zijn, alsmede voor loontrekkenden die
blijvend op zelfstandige arbeid
overgaan. Dit doel zal naar de mening
van de Raad - en eveneens naar de
mening van de ondergetekende - slechts
kunnen worden bereikt als degenen wier
verplichte verzekering eindigt een
bepaalde tijdsruimte wordt gelaten
waarin zij de beslissing over het al dan
niet vrijwillig voortzetten van de
verzekering kunnen nemen.
Afgezien
hiervan zou de ondergetekende er nog op
willen wijzen dat bij het niet opnemen
van nawerkingsbepalingen bij elke
kortstondige onderbreking van de
verplichte verzekering een vrijwillige
verzekering zou moeten worden gesloten
ten einde de aanspraak op uitkering te
behouden. Dit zou tot een niet
onaanzienlijke administratieve rompslomp
leiden. Tenslotte zou het laten
vervallen van de thans in artikel 46 [46]
van
de Ziektewet opgenomen
nawerkingsbepalingen tot een
verslechtering voor de betrokkenen
leiden, waarvoor in het kader van de
aanpassing van deze wet [lees: die
wet, red.] aan de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering geen
noodzaak aanwezig is.
c.
Vrijwillige verzekering
De in
het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering opgenomen regeling inzake vrijwillige
voortzetting van de geëindigde
verplichte verzekering is in grote
lijnen afgestemd op door de
S.E.R. te
dier zake gedane suggesties in zijn
advies betreffende herziening van de
invaliditeitsverzekering. De S.V.R.
heeft zich in zijn advies van juli 1960
akkoord verklaard met de door de S.E.R.
voorgestane regeling.
Evenals
hiervoor is gesteld met betrekking tot
de nawerking van de verzekering, is de
ondergetekende van mening dat uit een
oogpunt van coördinatie de regeling van
de vrijwillige verzekering in beide
verzekeringen zoveel mogelijk gelijk
dient rblz.|13
r.k.|
te
zijn. Door in de wet de hoofdlijnen neer
te leggen en voorts de nadere uitwerking
over te laten aan de S.V.R. wordt
bereikt dat er voor alle
bedrijfsverenigingen een uniforme
regeling zal gelden, hetgeen de
overzichtelijkheid zeker ten goede zal
komen.
In
zijn advies van 8 februari 1963
handhaaft de S.V.R. praktisch de huidige
situatie, zij het dat er een uitbreiding
is gegeven aan de kring dergenen die
tot de vrijwillige verzekering kunnen
toetreden. Volgens de S.V.R. dient deze
mogelijkheid te worden geopend voor
iedereen wiens verplichte verzekering
is geëindigd. Het laten vervallen van
het huidige artikel 46 [46]
van de Ziektewet
is hier mede een overweging geweest.
Tegenover de in de voorliggende
wetsontwerpen opgenomen zwaardere eis
bij toetreding tot de vrijwillige
verzekering ten aanzien van
zelfstandigen - namelijk het reeds
gedurende drie jaren hebben deelgenomen
aan deze verzekering of aan een
overeenkomstige wettelijke regeling - staat de normale ook voor verplicht
verzekerden geldende premie. In het
systeem van de S.V.R., waarin deze eis
niet wordt gesteld, wordt aan de
bedrijfsverenigingen evenwel de
bevoegdheid gelaten de premie voor de
vrijwillige ziekengeldverzekering te
stellen op maximaal anderhalf maal de
premie welke voor de verplichte verzekering geldt. Dit is voor
degene
die voor beide verzekeringen zich
vrijwillig wil verzekeren een
onbegrijpelijke zaak. De ondergetekende
meent dan ook dat de in het onderhavige
wetsontwerp voorgestelde regeling de
voorkeur verdient boven die voorgesteld
door de S.V.R.
d.
Zwangerschaps- en bevallingsuitkering
Voor deze uitkeringen stelt de S.V.R.
een geheel nieuwe regeling voor. De Raad
is namelijk van mening dat deze uitkeringen
niet in de Ziektewet
en de
arbeidsongeschiktheidsverzekering thuis
horen en eigenlijk in een afzonderlijke
wet geregeld zouden dienen te worden.
Zover heeft de S.V.R. echter niet willen
gaan, doch de Raad brengt de bepalingen
inzake deze uitkeringen onder in een
afzonderlijk hoofdstuk. Door de
voorgestelde regeling zou tevens - aldus de Raad
- een rondom de
zwangerschaps- en bevallingsuitkering in
het kader van de vrijwillige
ziekengeldverzekering gegroeide onjuiste
toestand beëindigd worden.
Deze
ingrijpende wijziging is evenwel ter
zake van de invoering van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering niet
noodzakelijk, hetgeen de S.V.R. ook niet
stelt. Bij handhaving van de huidige
regeling in de Ziektewet ducht de
ondergetekende geen moeilijkheden. Het
gaat hier om uitkeringen die in het
algemeen reeds tijdens de voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
geldende wachttijd van 52 weken zijn
beëindigd. Het in de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
neergelegde systeem gaat ervan uit dat
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering eerst
plaatsvindt nadat de aanspraken
krachtens de Ziektewet zijn uitgewerkt.
Het verlenen van zwangerschaps- en bevallingsuitkering zal zich derhalve
ook na invoering van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in de
voorstellen van de ondergetekende
blijven afspelen in het kader van de
Ziektewet.
Wat betreft het bezwaar
rondom deze uitkeringen in het kader van
de vrijwillige ziekengeldverzekering
merkt de ondergetekende op dat de
voorgestelde regeling voor de
vrijwillige verzekering aan dat bezwaar
tegemoetkomt. Heeft hij het juist
gezien, dan richt dat bezwaar zich tegen
de gevallen waarin zwangere vrouwen in
loondienst treden met de wetenschap dat
aan die verplichte verzekering bij
zwangerschap en bevalling geen
aanspraken kunnen worden ontleend. Zij
nemen vervolgens ontslag en treden dan
toe tot de vrijwillige verzekering,
daarbij stellende bij geboden
gelegenheid weer in loondienst te zullen
treden. Door evenwel op de vrijwillige
verzekering ook de bepalingen van de
verplichte verzekering van toepassing te
doen zijn - het onderhavige
wetsvoorstel gaat daarvan uit -, kan in
deze gevallen de in artikel 44 [44], eerste
lid, onderdeel b, van de Ziektewet
opgenomen
weigeringsgrond worden toegepast,
waarmede de bezwaren zijn ondervangen.
rblz.|14
l.k.|
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I
Het
in dit artikel voorgestelde nieuwe
artikel 1 [1]
van de Ziektewet
is aangepast
aan artikel 1 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel
II
Nu
wordt voorgesteld de loongrens in de Ziektewet
af te schaffen, kunnen de
daarmede verband houdende artikelen la
[1a]
en Ib
[1b]
van die wet vervallen.
Artikel
III
De
voorgestelde nieuwe artikelen 2 tot en
met 14 [2-14]
komen grotendeels overeen met de
artikelen 2 tot en met 13 van het wetsontwerp
inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering en
behoeven derhalve - behoudens een
enkele uitzondering - geen nadere
toelichting.
Artikel
4 [4], eerste lid, onderdeel g
In afwijking van
artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van het
wetsontwerp
inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
worden leerlingen e.d. niet onder de
verzekering ingevolge de Ziektewet
gebracht indien hun beloning
uitsluitend bestaat in het ontvangen van
onderricht. In dit geval wordt door een
kortdurende arbeidsongeschiktheid geen
inkomen gederfd, zodat de
ziekengeldverzekering naar de mening van
de ondergetekende niet van toepassing
behoeft te zijn.
Artikel
6 [6], eerste lid
In het voorgestelde artikel 6 [6]
zijn enige uitzonderingen van
de verplichte ziekengeldverzekering
samengebracht. Het grootste deel van de
uitzonderingen kent de huidige Ziektewet
ook reeds. Genoemd mogen worden het
huispersoneel (voor zover op minder dan
drie dagen per week bij dezelfde
werkgever werkzaam), de zeelieden, de
militairen, degenen die onder een
overheidsregeling vallen, leerkrachten,
alsmede de personen die thans verzekerd
zijn bij de Invaliditeits-Coöperatie
en de Vereniging voor ziekte- en
invaliditeitsverzekering (artikel lb
van het Koninklijk besluit van 28
januari 1931, Stb. 1931, 24).
De
in het eerste lid, onderdeel a en b,
geregelde uitzonderingen zijn
gelijkluidend aan het bepaalde in
artikel 6, eerste lid, onderdeel c en
d, van het wetsontwerp
inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De
in artikel
6, eerste lid, onderdeel a, van het
wetsontwerp
inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
opgenomen uitzondering van de werknemers die de leeftijd van 65 jaar
hebben bereikt, is niet opgenomen in het
voorgestelde artikel 6 [6]
van de Ziektewet.
Naar de mening van de ondergetekende
dient de - kortlopende - ziekengeldverzekering ook van toepassing
te zijn op personen boven de leeftijd
van 65 jaar. Deze personen zijn trouwens
ook ingevolge de huidige Ziektewet
verzekerd.
De
uitzondering in artikel
6, eerste lid,
onderdeel b, van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
betrekking hebbende op degene aan wie
door het Rijk ter zake van zijn
arbeidsverhouding invaliditeitspensioen
is verzekerd, is evenmin in het
voorgestelde nieuwe artikel 6 [6]
van de Ziektewet
opgenomen. Voor zover deze
werknemers ambtenaar zijn in de zin van
artikel 1 van de Ambtenarenwet,
zullen zij van de ziekengeldverzekering
zijn uitgezonderd op grond van het
bepaalde onder d. Voor de
arbeidscontractanten geldt als regel een
bijzondere ziekengeldregeling, in welk
geval zij krachtens het bepaalde onder e
van de ziekengeldverzekering kunnen
worden uitgezonderd.
Artikel
7 [7]
Dit artikel is, behoudens de na te
noemen uitzondering, gelijk aan artikel
7 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Niet
is opgenomen het bepaalde in artikel
7, onderdeel e, van genoemd
wetsontwerp. Op
grond daarvan wordt als werknemer
beschouwd degene die wegens
werkloosheid niet werkt en die ingevolge
een door de Minister van Sociale Zaken
en Volksgezondheid aan te wijzen, van
overheidswege getroffen regeling
uitkering ontvangt. Deze rblz.|14
r.k.|
bepaling is in
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
opgenomen met het oog op de Sociale
Voorziening [dit is de voorloper van de
Algemene Bijstandswet, red.]. Voor de Ziektewet
is deze
bepaling echter niet nodig, omdat iemand die tijdens het genot van een
zodanige uitkering ziek wordt in het
genot van die uitkering blijft totdat
hij aanspraak kan maken op
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel
8 [8]
Ingevolge het voorgestelde nieuwe
artikel 8, hetwelk in het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering niet
voorkomt, wordt mede als werknemer
beschouwd degene die ziekengeld
krachtens de verplichte verzekering
ingevolge de Ziektewet
ontvangt.
Ingevolge het huidige artikel
26 [26], eerste
lid, onderdeel a, duurt de ziekengeldverzekering alleen voort over
de tijd waarover anders dan krachtens
artikel 46 [46]
ziekengeld wordt uitgekeerd.
Laatstgenoemde beperking kan
- wil een
goede aansluiting aan de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering worden
verkregen - niet worden bestendigd.
Indien immers de ziekengeldverzekering
tijdens het genot van ziekengeld
krachtens
artikel 46 [46]
niet zou doorlopen,
zouden zich gevallen voordoen waarin
een tussentijds optredend tijdelijk
herstel een beletsel zou vormen voor het
opnieuw toekennen van ziekengeld. Na 52
weken arbeidsongeschiktheid zou echter
weer wel aanspraak bestaan op
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Betrokkene zou dan gedurende enige tijd
van uitkering verstoken blijven. De
ondergetekende acht een dergelijk hiaat
onjuist, weshalve hij voorstelt dat in
alle gevallen waarin krachtens de
verplichte ziekengeldverzekering
ziekengeld wordt ontvangen de
verzekering voortduurt.
Artikel
15 [15]
De
hoofdregel voor het vaststellen van het
dagloon waarnaar het ziekengeld wordt
berekend, is neergelegd in het eerste
lid van het huidige artikel 8a
[8a]
van de
Ziektewet. Aldaar is
bepaald dat onder
dagloon wordt verstaan het loon dat in
de dertien kalender- of loonweken
voorafgaande aan de ongeschiktheid tot
werken gemiddeld per dag is genoten
door gelijksoortige arbeiders. Van de
verder in het vierde lid van genoemd
artikel gegeven mogelijkheid om van deze
hoofdregel af te wijken, is door de
bedrijfsverenigingen een veelvuldig
gebruik gemaakt. Het geheel van regelen
inzake de dagloonberekening kreeg
hierdoor een zeer onoverzichtelijk
beeld. De verscheidenheid in uitwerking
en redactie van de vele
dagloonregelingen heeft ertoe geleid
dat de bedrijfsverenigingen naar wegen
hebben gezocht om op dit terrein tot een
zo groot mogelijke vereenvoudiging te
komen. Het resultaat hiervan is geweest
dat thans in het algemeen voor de
berekening van het dagloon voor de Ziektewet
zo nauw mogelijk is
aangesloten bij de voor de
Werkloosheidswet geldende Algemene
regelen inzake dagloon. Een volledige
coördinatie van de regelingen in de
Ziektewet en de Werkloosheidswet is
evenwel niet mogelijk. In laatstgenoemde
wet wordt uitgegaan van het beroep van
de werknemer dat hij gewoonlijk
uitoefent. Bij ziekte duurt in het
algemeen - anders dan in geval van
werkloosheid - de dienstbetrekking
voort, zodat het voor de hand ligt om
bij de dagloonvaststelling voor de
Ziektewet uit te gaan van het in deze
dienstbetrekking genoten loon, hetgeen
wordt bereikt door bij de Ziektewet als
grondslag te nemen het beroep dat de
werknemer laatstelijk vóór het intreden
van de ongeschiktheid tot werken
uitoefende. Gezien hetgeen thans op dit
gebied in de praktijk is gegroeid,
ontmoet het bij de ondergetekende geen
bezwaar - daarmede het advies van de
S.V.R. inzake de aanpassing van de
Ziektewet aan de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
volgend - uit de Ziektewet de huidige
dagloonbepalingen te doen verdwijnen en
voor de berekening van het ziekengeld
het dagloon te doen vaststellen volgens
door de S.V.R. te
stellen algemene regelen. Hiermede wordt
bereikt dat de dagloonregelingen voor
de door de bedrijfsvereniging uit te
voeren werknemersverzekeringen zo nauw
mogelijk op elkaar kunnen worden
afgestemd.
Artikelen
12 [12], 13
[13] en
14
[14] (oud)
In de artikelen welke de huidige
artikelen 2 tot en met 15 zullen
vervangen, zijn niet opgenomen de in de
huidige artikelen 12 [12],
13
[13] en 14
[14] van de Ziektewet
voorkomende bepalingen.
rblz.|15
l.k.|
Wat
betreft het eerstgenoemde artikel,
waarin regels worden gegeven betreffende
de berekening van termijnen, moge erop
worden gewezen dat onlangs een
wetsontwerp is ingediend (zitting 1962-1963,
nr. 7112) waarbij een algemene regeling
wordt voorgesteld betreffende in wetten
voorkomende termijnen [zie Algemene
termijnenwet, red.]. In verband
daarmede heeft de ondergetekende de bepaling in het
huidige artikel 12
[12]
niet
opgenomen.
De in
het huidige artikel 13 [13]
van de Ziektewet voorkomende bepaling betreffende de
afronding van ingevolge die wet vast te
stellen bedragen acht de ondergetekende
van zo weinig betekenis dat deze naar
zijn mening gevoeglijk kan vervallen.
Het
bepaalde in artikel
14 [14], hetwelk handelt
over toezending van een voor beroep
vatbare beslissing, is thans geregeld in
het bij artikel XL voorgestelde
gewijzigde artikel 73 [73]
van de Ziektewet.
Artikel
IV
De aansprakelijkheid voor de betaling van
de premie zal geregeld worden in de
Coördinatiewet Sociale Verzekering,
welke bij een te zijner tijd daartoe in te
dienen aparte aanpassingswet zal worden
gewijzigd. In verband hiermede kan het
huidige artikel 16 [16]
van de Ziektewet
vervallen.
Artikel
17 [17]
van de Ziektewet
kan eveneens
vervallen aangezien aan de hand van het
bepaalde in het bij artikel III
voorgestelde artikel 2 [2]
van de Ziektewet
beoordeeld zal worden waar iemand woont
of waar een lichaam gevestigd is.
Artikel
V
De wijziging welke wordt voorgesteld met
betrekking tot het eerste lid van
artikel 19 [19]
van de Ziektewet is van
redactionele aard.
Ingevolge
het thans geldende tweede lid van
artikel 19 [19]
van de Ziektewet
bestaat geen
recht op ziekengelduitkering wegens een
ziekte die een gevolg is van een
ongeval of van een aandoening welke
daarmede is gelijkgesteld, indien de
betrokkene krachtens een wettelijke
regeling tegen geldelijke gevolgen van
zodanig ongeval is verzekerd. Aangezien,
bij het in werking treden van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de
Zeeongevallenwet 1919 zullen komen te
vervallen, dienen de gevolgen van door
een ongeval veroorzaakte
arbeidsongeschiktheid gedurende de
eerste 52 weken door de Ziektewet
te
worden opgevangen. In verband hiermede
wordt voorgesteld het tweede lid van
artikel 19 [19]
van de Ziektewet, waarbij
onder vigeur van de huidige regeling
het recht op ziekengeld wordt
uitgesloten wanneer er aanspraak
bestaat ingevolge één van de genoemde
ongevallenwetten, te doen vervallen.
Voor
de financiële gevolgen van de maatregel
moge worden verwezen naar hoofdstuk
5 van het algemeen gedeelte van de
toelichting bij het ontwerp van wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Blijkens
de jurisprudentie heeft een verzekerde
thans geen aanspraak c.q. geen verdere
aanspraak op ziekengeld indien zijn
ongeschiktheid tot werken veroorzaakt
wordt door een gebrek. Het geval kan
zich dus voordoen dat een verzekerde
die wegens ziekte arbeidsongeschikt
wordt en deswege aanvankelijk recht
heeft op ziekengeld, zijn aanspraak op
uitkering verliest - ook al blijft
hij arbeidsongeschikt - zodra die
ziekte overgaat in een gebrek. Op grond
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zal in
een dergelijk geval aanspraak op
arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen
bestaan, uiteraard echter eerst
wanneer de arbeidsongeschiktheid 52
weken heeft geduurd.
Ten
einde te voorkomen dat een verzekerde
bij overgang van een ziekte in een
gebrek op verdere uitkering moet wachten totdat hij 52 weken
arbeidsongeschikt is geweest, is het
gewenst voor het recht op ziekengeld te
bepalen dat onder ziekte ook gebreken
worden verstaan. Hiertoe strekt de
voorgestelde wijziging van het derde
lid van artikel
19 [19].
rblz.|15
r.k.|
Artikel
VI
Ten
aanzien van het voorgestelde
artikel 20 [20]
kan worden opgemerkt dat
slechts, behoudens een redactionele
wijziging, de aanhef van het thans
geldende artikel 20 [20]
gehandhaafd behoeft
te blijven. Opgemerkt zij nog dat de
uitzonderingen welke in de nieuwe opzet
op het begrip werknemer worden gemaakt
in het reeds besproken artikel 6 [6]
zijn
geregeld.
Artikel
VII
De nieuwe opzet van de kring der
verzekerden en de begrippen "werknemer"
en "werkgever" maken de artikelen
21 [21],
22 [22],
23 [23],
25 [25]
en 26 [26]
overbodig.
Artikel
VIII
Het eerste lid van het huidige
artikel 27 [27]
van de Ziektewet
houdt de
mogelijkheid in van vrijstelling van de
verzekering ingeval de betrokkene bij de
aanvang van de verzekering ongeschikt
tot werken of zwanger is dan wel de
70-jarige leeftijd heeft bereikt. Deze
vrijstellingsmogelijkheden houden
verband met de omstandigheid dat op
grond van artikel 44 [44]
in deze gevallen
ziekengeld kan worden geweigerd.
Aangezien van deze
vrijstellingsmogelijkheden nagenoeg geen
gebruik wordt gemaakt, bestaat er geen
behoefte deze bepalingen te handhaven.
Het derde lid betreft de mogelijkheid
vrijstelling te verkrijgen indien de
betrokkene lijdt aan een slepende
ziekte. Bij een zodanige vrijstelling is
voor de betrokkene wel premie
verschuldigd, doch vindt geen uitkering
van ziekengeld plaats indien hij ten
gevolge van de ziekte waarvoor
vrijstelling is verkregen ongeschikt
wordt tot werken. Ook van deze
vrijstellingsmogelijkheid wordt vrijwel
geen gebruik gemaakt. In 1962 zijn bij
de S.V.R. slechts vier verzoeken om
goedkeuring van een dergelijke
vrijstelling binnengekomen.
De
ondergetekende is dan ook met de S.V.R. van
mening dat ook het
derde lid van artikel 27 [27]
- en daarmede
het gehele artikel - kan vervallen.
Hiermede wordt aansluiting verkregen aan
het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
waarin een regeling inzake vrijstelling
van de verzekering als vervat in artikel
27 [27] van de
Ziektewet niet voorkomt.
Artikel IX
De voorgestelde wijzigingen
in artikel 28 [28]
zijn louter van
redactionele aard en houden verband met
het vervallen van artikel 32 [32]
van de Ziektewet.
Artikel X
Artikel
29 [29], eerste lid
Het bepaalde in de tweede volzin
van het eerste lid betreffende het
maximumdagloon is overgebracht naar
het zesde lid van artikel
15 [15].
Artikel
29 [29], tweede, derde en vierde lid
De in subonderdelen 2 en 4 voorgestelde
wijzigingen van artikel 29 [29]
stellen de vijfdaagse werkweek als
nieuw uitgangspunt voor de ziekengeldverzekering. In verband
hiermede wordt in de nieuwe redactie van
het tweede lid bepaald dat over de
zaterdagen en zondagen geen uitkering
wordt verleend. In het nieuwe derde lid
is bepaald dat er twee zogenaamde
werkwachtdagen zullen gelden. Gelijk
bekend, gelden deze twee werkwachtdagen
thans reeds ingeval er met toepassing
van het Koninklijk besluit van 27
september 1961, Stb. 1961, 298, steunende op
het huidige artikel
87 [87], derde lid, een
vijfdaagse uitkeringsregeling wordt
toegepast.
Artikel
29 [29],
vijfde lid
In
het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt de
arbeidsongeschiktheid in het
algemeen niet onderscheiden naar
oorzaak. Die verzekering voorziet in een
uitkering nadat de ongeschiktheid,
ongeacht de ooraak, 52 weken heeft
geduurd. Dit leidt ertoe dat ook in de Ziektewet
het onderscheid naar de
oorzaak van de ongeschiktheid dient te
vervallen. De bepaling inzake de
beperking van de maximumuitkeringsduur
in geval van rblz.|16
l.k.|
herhaalde
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte
voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak,
welke is vervat in het huidige artikel
31 [31]
van de Ziektewet, is daarmede
overbodig geworden. Om dezelfde reden
dient de in de tweede volzin van het
huidige derde lid van artikel 29 [29]
van de Ziektewet
voorkomende verwijzing naar
dezelfde ziekteoorzaak te worden
verwijderd. Voorts dient het onderhavige
lid te worden aangepast aan het tweede
lid van artikel 19 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering. In
laatstgenoemd artikellid is bepaald dat
perioden van arbeidsongeschiktheid
welke elkaar met een onderbreking van
minder dan één maand opvolgen, voor de
vaststelling van de wachtperiode van 52
weken worden samengeteld. Het doen
aansluiten van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering aan
de ziekengeldverzekering noopt ertoe
ook in de Ziektewet te bepalen dat
perioden van ongeschiktheid tot werken
waarover ziekengeld wordt uitgekeerd,
indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan één maand opvolgen - ongeacht de ziekteoorzaak
-, worden
samengeteld.
Opgemerkt
wordt nog dat de in het onderhavige lid
van artikel 29 [29]
bedoelde perioden
waarover ziekengeld wordt uitgekeerd
niet steeds precies dezelfde perioden
zijn als die bedoeld in artikel
19,
tweede lid, van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Zo tellen de wachtdagen bij samentelling
van tijdvakken voor de Ziektewet niet
mede. Ter vaststelling van de
wachtperiode, bedoeld in artikel 19 van
het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
tellen deze wachtdagen wel mede. Het kan
dus voorkomen dat de wachtperiode
ingevolge de
arbeidsongeschiktheidsverzekering reeds
vervuld is voordat de
maximumuitkeringstermijn krachtens de
Ziektewet is verstreken. Dit wordt
opgevangen door artikel 20 van
meergenoemd wetsontwerp, hetwelk
bepaalt dat geen
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
toegekend zolang aanspraak bestaat op
ziekengeld krachtens de Ziektewet.
In
de voorgestelde redactie van het tot
vijfde lid vernummerde derde lid van
artikel 29 [29]
van de Ziektewet
wordt niet
meer aangegeven de duur van de
ziekengelduitkering voor elk geval van
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte.
De reden hiervan is de volgende. In het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt
ervan uitgegaan dat na toekenning van
een uitkering naar gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid, waaraan dus een
periode van 52 weken
arbeidsongeschiktheid met als regel
genot van ziekengeld is voorafgegaan,
betrokkene zijn resterend
arbeidsvermogen produktief maakt.
Geschiedt dit in een dienstbetrekking en
wordt betrokkene naderhand weer ziek,
dan zal er in het algemeen weer
aanspraak op ziekengeld dienen te bestaan. Het bepaalde in het eerste lid
van artikel 19 [19]
van de Ziektewet
verzet
zich daar niet tegen. Betrokkene is
alsdan wegens ziekte ongeschikt tot het
verrichten van."zijn arbeid", zij
het dat deze arbeid - welke hij als
gedeeltelijk arbeidsongeschikt
verrichtte - een andere arbeid zal
zijn dan die welke hij destijds
verrichtte toen hij nog geheel
arbeidsgeschikt was, dus vóór de aan
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
voorafgaande periode van
ziekengelduitkering. De huidige redactie
van artikel
29 [29], derde lid, eerste
volzin, zou evenwel een belemmering
kunnen vormen om in deze gevallen de
aanspraak op ziekengeld te kunnen
verwezenlijken. Aldaar wordt immers de
maximumuitkeringstermijn bepaald voor
elk geval van ongeschiktheid. In het
hiervoor gegeven voorbeeld is
betrokkene nimmer weer geheel
arbeidsgeschikt geweest indien men ziet
naar de arbeid welke hij eertijds
verrichtte toen hij nog geheel
arbeidsgeschikt was, zodat zou kunnen
worden gezegd dat er nog steeds sprake
is van hetzelfde "geval". Ter zake
van bedoeld "geval" heeft hij
evenwel gedurende de maximumperiode
uitkering genoten, zodat - aldus
gezien - geen aanspraak op ziekengeld
meer zou kunnen worden gemaakt. Het is
duidelijk dat een dergelijke gang van
zaken dient te worden voorkomen.
Nu
het onderscheid naar ziekteoorzaak
echter is vervallen, is een
afzonderlijke aanduiding van de duur der
ziekengelduitkering wegens
ongeschiktheid tot werken, zoals dit
thans rblz.|16
r.k.|
het
geval is in de huidige redactie van het
derde lid van artikel
29 [29], niet strikt
noodzakelijk. De maximumuitkeringsduur
wordt nu bepaald door het tweede lid van
artikel 29 [29]. Telkens wanneer
ongeschiktheid tot werken intreedt,
bestaat er in beginsel aanspraak op
ziekengeld gedurende 52 weken. Slechts
wanneer de ongeschiktheid aanvangt
binnen één maand na een vroeger
ziektegeval ter zake waarvan uitkering
is genoten, worden de
ziekengeldperioden ter vaststelling van
de termijn van 52 weken samengeteld.
De
tweede volzin van de voorgestelde
redactie van artikel 29 [29], vijfde lid, van
de Ziektewet handhaaft de ook thans
volgens de jurisprudentie geldende
bepaling dat bij samentelling van
perioden van ongeschiktheid tot werken
slechts eenmaal de wachtdagen in
aanmerking worden genomen.
Artikel
29
[29], zesde lid
Ingevolge het bepaalde in
artikel 19, zesde lid, van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering worden voor het vervullen van de in dat
artikel bedoelde wachtperiode voor het
recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering
medegeteld de dagen waarover wel
aanspraak bestaat op ziekengeld, doch de
uitbetaling daarvan achterwege blijft
in verband met bijvoorbeeld doorbetaling van
loon, overtreding van de
controlevoorschriften, enz. Uit een
oogpunt van coördinatie is het gewenst
een overeenkomstige bepaling in de Ziektewet
op te nemen. Het bepaalde in
het voorgestelde nieuwe zesde lid van
artikel 29 [29]
strekt daartoe.
Artikel
29 [29], zevende lid
De
toevoeging
voorgesteld ten aanzien van het tot
zevende lid vernummerde vierde lid van
artikel 29 [29] beoogt zeker te
stellen
dat, ondanks de wijzigingen in de
voorgaande leden van dit artikel, in het
recht op zwangerschapsuitkering - en
daarmede tevens in het recht op
bevallingsuitkering, geregeld in het
tot achtste lid vernummerde vijfde lid -
generlei wijziging wordt gebracht.
Met
name zal het - gelijk ook thans - voor het recht op zwangerschapsuitkering
en bevallingsuitkering niet ter zake doen
of en in hoeverre de bij het tweede lid
bedoelde maximumuitkeringstermijn van
52 weken reeds is verstreken bij de
aanvang van de zwangerschapsuitkering.
Op deze uitkering, alsmede vervolgens op
de bevallingsuitkering, heeft de
verzekerde onverkort recht op grond van
de Ziektewet. Mocht in een enkel geval
aldus - voorafgaande ziekteperioden
meegerekend - over meer dan 52 weken
uitkering aan de Ziektewet worden
ontleend, dan voorziet artikel 20 van het
wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering in het
opschorten van de toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering tot na
de beëindiging van de uitkering
krachtens de Ziektewet. Aldus wordt
bereikt dat het verlenen van
zwangerschaps- en bevallingsuitkering
zich ook na invoering van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
blijft afspelen in het kader van de
Ziektewet. Verwezen zij ook naar hetgeen
hieromtrent is opgemerkt onder punt 6,
sub d, van het algemeen deel van deze
memorie.
Artikel
XI
Artikel
30 [30]
Het onderhavige artikel is het
bekende arbeidstherapieartikel uit de Ziektewet, waarin is
bepaald dat
wanneer het in het belang van de zieke
arbeider moet worden geacht dat deze
hem passende arbeid verricht en zijn
werkgever hem daartoe tegen ten minste de
helft van zijn loon in de gelegenheid
stelt, het ziekengeld gesteld kan worden
op het verschil tussen het dagloon van
de betrokkene en het door hem ontvangen
deel van zijn loon. Wanneer een
verzekerde weigert de bedoelde arbeid te
verrichten, dan kan het ziekengeld op de
helft worden gesteld.
In
zijn essentie is het huidige artikel 30
[30]
thans opgenomen in het nieuw voorgestelde
eerste en tweede lid. Aan de werking ervan is
overigens enige uitbreiding gegeven
doordat niet langer meer de voorwaarde
wordt gesteld dat de zieke arbeider
tegen ten minste de helft van zijn loon
passende arbeid moet kunnen verrichten.
Indien de dienstbetrekking met zijn
laatste werkgever is geëindigd, kan het
artikel voorts ook worden toegepast
indien de betrokkene door een andere
werkgever in de gelegenheid wordt
gesteld om passende arbeid te verrichten.
rblz.|17
l.k.|
Nieuw
is het voorgestelde derde lid. Het houdt
een door de ondergetekende noodzakelijk
geachte voorziening in voor die gevallen waarin het duidelijk is dat
een zieke werknemer zijn oorspronkelijke
arbeid niet meer of slechts met schade
voor zijn gezondheid zal kunnen
verrichten, terwijl hij voor andere hem
passende arbeid niet bij zijn eigen
werkgever terecht kan. De ondergetekende
acht het opnemen van deze regeling
noodzakelijk, omdat hij deze ziet als
een complement op de door hem
gehandhaafde maximumziekengelduitkering
over 52 weken. Acht hij deze maatregel
in samenhang met de bescherming welke
het Burgerlijk
Wetboek de zieke
werknemer biedt een groot goed,
niettemin moet naar zijn mening in die
gevallen waarin het geacht kan worden
vast te staan dat het noodzakelijk is
dat een zieke werknemer andere hem
passende arbeid verricht, de wettelijke
ziekengeldverzekering daartoe kunnen
stimuleren. Het meest voor de hand
liggend is dat de noodzakelijk geachte
passende arbeid bij de eigen werkgever
wordt gevonden. Hierop hebben betrekking
het reeds genoemde eerste en tweede lid. Indien
echter de eigen werkgever de passend
geachte arbeid niet kan aanbieden, dient
de mogelijkheid te bestaan dat indien
die arbeid wel bij een andere werkgever
kan worden gevonden, de betrokkene
(overigens in zijn eigen belang) van
werkkring verandert. Hierin voorziet het
derde lid. De ondergetekende heeft deze
ingrijpende maatregel slechts willen openstellen in de onder a en b van het
voorgestelde derde lid aangegeven
gevallen.
Overigens
kan nog worden opgemerkt dat de
voorgestelde regeling met de nodige
waarborgen is omkleed. Zo moet het
belang van de zieke werknemer
vooropstaan, moet de passende arbeid bij
de andere werkgever ook aanwezig zijn en
gaat het uiteindelijk om een door de
besturen van de bedrijfsverenigingen te
hanteren bevoegdheid, terwijl al dan
niet redelijkheid van de toepassing nog
weer aan het oordeel van de bevoegde
rechter kan worden onderworpen.
Teneinde
de mogelijkheid van plaatsing bij een
andere werkgever in de gevallen als
bedoeld in het derde lid te vergroten,
wordt in het vijfde lid aan de
bedrijfsvereniging de bevoegdheid
gegeven de verzekerde te verplichten
zich te doen inschrijven bij het orgaan
van de openbare arbeidsbemiddeling.
Artikel
XII
Door
het vervallen van het onderscheid naar
ziekteoorzaak kan het huidige artikel 31
[31]
van de Ziektewet
vervallen. De huidige
artikelen 32 [32],
33
[33] en 34
[34] van de Ziektewet,
welke verband houden met de
ongevallenverzekering, zijn eveneens
overbodig geworden. Onder de nummering
van deze artikelen worden thans
andersluidende bepalingen voorgesteld.
Artikel
31 [31]
De strekking van dit artikel komt
overeen met de inhoud van het huidige
artikel 36 [36]
van de Ziektewet,
weshalve
laatstgenoemd artikel kan vervallen.
Het
bepaalde in het voorgestelde artikel 31
[31]
legt de verzekerde de verplichting op,
indien hij gedurende de ongeschiktheid
tot werken loon ontvangt, hiervan vóór
de uitkering van ziekengeld mededeling
te doen aan de bedrijfsvereniging. Die
verplichting bestaat op grond van het
huidige artikel 36 [36]
eveneens ten aanzien
van een uitkering ter zake van een
andere verzekering dan krachtens deze of
een andere wet, alsmede ten aanzien van
een tijdelijke uitkering of voorlopige
rente krachtens een wettelijke
ongevallenverzekering.
Het
doen vervallen van de verplichting
mededeling te doen ingeval een
uitkering wordt ontvangen krachtens een
andere verzekering dan ingevolge deze of
een andere wet, houdt verband met de
omstandigheid dat in het eerste lid, onderdeel
d, van artikel 64 [64]
van de Ziektewet
wordt voorgesteld om degene die
slechts een gedeelte van een week in
dienstbetrekking werkzaam is en als
gevolg van het bepaalde in het bij
artikel III voorgestelde artikel
6 [6],
tweede lid, onderdeel d, de gehele week
verzekerd zal zijn, in de gelegenheid te
stellen tot de vrijwillige verzekering
toe te treden. Een zodanige
(aanvullende) verzekering in het kader
van de Ziektewet
zal bij ongeschiktheid
tot werken wegens ziekte niet leiden tot
enige aftrek op het ziekengeld. rblz.|17
r.k.|
Komt die verzekering evenwel elders tot
stand, dan zou, bij handhaving van de
betreffende bepaling in het huidige
artikel 36 [36], een uitkering krachtens die
elders tot stand gekomen verzekering
leiden tot korting op het ziekengeld
krachtens de Ziektewet. Voor een zodanig
onderscheid acht de ondergetekende geen
termen aanwezig. Voorts verdient de
aandacht dat een dergelijke
aftrekbepaling met betrekking tot de
uitkering krachtens een elders gesloten
vrijwillige verzekering ook in de
huidige Ongevallenwetten niet voorkomt.
Het
vervallen van de verplichting
mededeling te doen in de gevallen als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van
het huidige artikel
36 [36] is een gevolg
van het vervallen van de
ongevallenverzekering.
Artikel
32 [32], eerste en tweede lid
In het
voorgestelde artikel 32 [32]
van de Ziektewet
wordt een aantal gevallen genoemd
waarin een
arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel
of gedeeltelijk in mindering wordt
gebracht op het ziekengeld. Het gaat
hier evenwel om uitzonderingsgevallen.
Als regel immers zal krachtens het
voorgestelde artikel
19 juncto artikel
20 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering eerst
plaatsvinden nadat over de
maximumuitkeringstermijn ziekengeld is
genoten. Voorts voorzien de artikelen 37
en 38 van
genoemd wetsontwerp in
herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat
de toegenomen arbeidsongeschiktheid 52
weken respectievelijk vier weken zal
hebben geduurd, gedurende welke perioden
naast de arbeidsongeschiktheidsuitkering
onverkort ziekengeld kan worden genoten.
Er kunnen zich evenwel gevallen voordoen waarin ter zake van dezelfde
arbeidsongeschiktheid en over hetzelfde
tijdvak zowel recht bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of op
een verhoging van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering als op
ziekengeld. Artikel 47 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering geeft
enige gevallen aan waarin een
arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat
deze was ingetrokken, terstond heropend
wordt indien binnen één maand na de
intrekking weer arbeidsongeschiktheid
intreedt. Op het tijdstip van hernieuwde
intreding van die ongeschiktheid kan
betrokkene - omdat hij intussen weer
in loondienst is gegaan - verzekerd
zijn krachtens de Ziektewet
en dan zal
hij tevens aanspraak kunnen hebben op
ziekengeld. Dit kan eveneens het geval
zijn bij toepassing van de artikelen 38
en 39 van
genoemd
wetsontwerp, welke
artikelen gevallen noemen waarin een
toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
herzien, hetzij nadat de toegenomen
arbeidsongeschiktheid vier weken zal
hebben geduurd, hetzij terstond bij het
intreden van de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid.
Teneinde
dubbele uitkering te voorkomen, bepalen
de onderhavige leden dat in die
gevallen het ziekengeld slechts wordt
uitbetaald voor zover het de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of het
bedrag waarmede de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in
verband met de herziening wegens
toegenomen arbeidsongeschiktheid is
verhoogd, overtreft.
Artikel
32 [32], derde lid
Met het oog op de
mogelijkheid dat toepassing van het
eerste en het tweede lid in een enkel
geval tot minder gunstige resultaten
zou kunnen leiden, bepaalt het derde lid dat de bedrijfsvereniging bevoegd
is een hoger bedrag aan ziekengeld uit
te betalen dan in de vorige leden is
bepaald.
Artikel
32 [32], vierde lid
Voor
het geval in de praktijk zou blijken
dat nog in andere gevallen dan die
voorzien in de vorige leden behoefte
bestaat aan een anticumulatieregeling
wegens gelijktijdig genot van ziekengeld
en arbeidsongeschiktheidsuitkering
ingevolge de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, opent
dit lid de mogelijkheid daartoe regelen
te stellen.
Artikel
33 [33]
De huidige bepalingen van de
Ziektewet kennen slechts één
mogelijkheid om ten onrechte uitbetaald
ziekengeld van een verzekerde terug te
vorderen, namelijk in het geval, bedoeld in
het huidige artikel 35 [35]
van de Ziektewet,
dat ter zake van dezelfde ongeschiktheid
tot werken over hetzelfde tijdvak rblz.|18
l.k.|
zowel
ziekengeld krachtens de Ziektewet wordt
genoten als een uitkering krachtens de
wettelijke verzekering tegen geldelijke
gevolgen van ongevallen. Wel houdt
artikel 79 [79]
van de Ziektewet
een
strafbepaling in wegens het niet
nakomen van de in het huidige eerste lid
van artikel 36 [36]
(nieuw artikel
31 [31], eerste
lid) opgenomen verplichting mededeling
te doen ingeval uitkeringen of
vergoedingen worden genoten als daar
bedoeld, doch wanneer bijvoorbeeld ontvangen
loon wordt verzwegen, is terugvordering
van het ten onrechte uitbetaalde
ziekengeld toch niet mogelijk. In het
algemeen is terugvordering van eenmaal
uitbetaalde uitkeringen ingevolge de socialeverzekeringswetten niet
mogelijk. In de in de laatste jaren tot
stand gekomen socialeverzekeringswetten, zoals de Algemene
Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en
Wezenwet, is deze lijn doorgetrokken,
evenwel met dien verstande dat indien
het ten onrechte of te veel uitbetaalde
een gevolg is van het verstrekken van
onjuiste inlichtingen of het niet
nakomen van bepaalde verplichtingen,
terugvordering in die gevallen wel
mogelijk is. Een overeenkomstige
bepaling is ook voorgesteld in het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De
ondergetekende acht het opnemen van een
zodanige bepaling ook in de Ziektewet
alleszins gerechtvaardigd. Het stellen
van een tijdslimiet van twee jaren
voorkomt dat nog vele jaren later
betrokkene zal kunnen worden
aangesproken op grond van ten onrechte
of te veel ontvangen ziekengeld.
Artikel
34
[34]
Hiervóór is in de toelichting op
het nieuwe artikel 33 [33]
van de Ziektewet
opgemerkt dat in het algemeen
terugvordering van ten onrechte of te
veel uitbetaald ziekengeld slechts
mogelijk is indien onjuiste
inlichtingen zijn verstrekt of de
verplichting, bedoeld in het eerste lid
van het voorgestelde artikel
31 [31], niet is
nagekomen. Een uitzondering hierop vormt
het bepaalde in het nieuw ontworpen
artikel 34 [34]
van de Ziektewet.
Ten
eerste gaat het hier om gevallen waarin
eerst na uitbetaling van ziekengeld
blijkt dat ter zake van dezelfde ongeschiktheid en over eenzelfde
tijdvak ingevolge artikel 19 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering aanspraak gemaakt kan worden op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of
uitbetaling van een zodanige uitkering
reeds heeft plaatsgevonden. Deze
gevallen kunnen zich bijvoorbeeld
voordoen
wanneer bij samentelling van
ziekteperioden krachtens het bepaalde
in het bij artikel X voorgestelde vijfde
lid van artikel
29 [29] verzuimd is een
bepaalde ziekteperiode in de telling op
te nemen en betrokkene dus nog
ziekengeld geniet terwijl over de
maximumuitkeringstermijn reeds
ziekengeld is genoten.
In de
tweede plaats betreft het gevallen
waarin ter zake van ongeschiktheid tot
werken een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
heropend of herzien (artikel
47
onderscheidenlijk de artikelen 38 en
39
van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering),
terwijl ter zake van dezelfde
ongeschiktheid aanspraak gemaakt kan
worden op ziekengeld. Het nieuwe artikel
32 [32]
van de Ziektewet
bepaalt dan dat het ziekengeld slechts wordt
uitbetaald
voor zover het de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of de verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
overtreft. Wordt niettemin ten onrechte
of te veel ziekengeld uitbetaald, dan is
het evenals in de hiervoren genoemde
gevallen gerechtvaardigd het ten
onrechte of te veel genoten ziekengeld
terug te vorderen of in mindering te
brengen op de alsnog uit te betalen
termijnen van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De
strekking van het bepaalde in dit
artikel komt overeen met het bepaalde in
het huidige artikel 35 [35]
van de Ziektewet,
hetwelk betreft samenloop van ziekengeld
en uitkering krachtens de wettelijke
verzekering tegen geldelijke gevolgen
van ongevallen. Door te bepalen dat
terugvordering of het in mindering
brengen op alsnog uit te betalen
termijnen van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts
mogelijk is tot ten hoogste het bedrag
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of het bedrag waarmede de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is
verhoogd, is het principe gehandhaafd
dat terugvordering in het algemeen niet
mogelijk is. Immers, indien in de
hierboven eerstgenoemde gevallen bijvoorbeeld
over enig tijdvak een bedrag van ƒ80,-
aan ziekengeld rblz.|18
r.k.|
is uitbetaald, terwijl over hetzelfde
tijdvak aanspraak bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in
verband met het bepaalde in artikel 19
van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering van
bijvoorbeeld ƒ60,-, dan is terugvordering van een
bedrag van ƒ20,- niet mogelijk, tenzij
het bepaalde in artikel
33 [33], tweede lid,
van toepassing is.
Artikel
XIII
Artikel
35 [35] van de Ziektewet
kan vervallen in
verband met het vervallen van de Ongevallenwetten.
Artikel
36 [36] van de Ziektewet
is vervangen door
het bij artikel XII van het onderhavige
wetsontwerp voorgestelde artikel
31 [31].
Artikel
XIV
De
wijziging van het eerste lid van artikel
37 [37]
van de Ziektewet
is van redactionele
aard en houdt verband met het vervallen
van artikel
27 [27].
De
redactie van het tweede lid is aangepast
aan de tekst van artikel 26 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
waarin wordt voorgesteld de regels
inzake vergoeding van reiskosten,
verblijfkosten en tijdverlies te doen
vaststellen door de Minister van Sociale
Zaken en Volksgezondheid.
Artikel
XV
Het voorgestelde
artikel
39 [39], hetwelk
handelt over het vaststellen van
controlevoorschriften door de
bedrijfsvereniging, is aangepast aan
artikel 27 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Hier moge worden volstaan met te
verwijzen naar de toelichting op
laatstgenoemd artikel van het
betreffende wetsontwerp.
Artikel
XVI
Artikel 40
[40] van de
Ziektewet heeft,
naar de ervaring heeft geleerd, weinig
praktische betekenis meer en kan
derhalve gevoeglijk vervallen.
Artikel
XVII
Het huidige artikel 42 [42]
bepaalt
onder meer dat geen ziekengeld wordt
verstrekt wanneer de ziekte veroorzaakt
is door opzet van de betrokkene. De
ondergetekende acht het juister de
kwestie van de opzet als weigeringsgrond
te regelen in artikel
44 [44].
De in artikel
42 [42]
genoemde Wet van 12 februari 1901,
Stb. 1901, 64, is vervangen door de Wet van 9
november 1961, Stb. 1961, 403, in verband
waarmede in genoemd artikel thans een
verwijzing naar laatstgenoemde wet is
opgenomen.
Voorts zijn - overeenkomstig
het advies van de S.V.R. - aan dit
artikel twee nieuwe leden toegevoegd
welke het mogelijk maken - evenals
thans bij de huidige Ongevallenwetten - het ziekengeld te doen uitbetalen
aan hen wier kostwinner de werknemer
is, dan wel dit ziekengeld te gelegener
tijd toch ten goede van de werknemer te
doen komen.
Artikel XVIII
Door het doen
vervallen van artikel 27 [27]
van de Ziektewet is het bepaalde in het eerste
lid van artikel 43 [43]
overbodig geworden.
Artikel XIX
Artikel
44 [44]
De
ondergetekende heeft dit artikel
afgestemd op de overeenkomstige regeling
van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering. In
verband hiermede zijn enige van de thans
in artikel 44 [44]
opgenomen
weigeringsgronden vervallen. Voorts
moge worden verwezen naar de laatste
alinea van de toelichting op artikel 28
van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering, welk
artikel weigeringsgronden inhoudt met
betrekking tot uitkeringen ingevolge die
verzekering.
rblz.|19
l.k.|
Eerste
lid, onderdeel a
In dit onderdeel is onder 2º een bepaling
ingevoegd welke
overeenkomt met die in het eerste lid,
onderdeel b, van artikel 30 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze
bepaling beoogt het maken van misbruik
te voorkomen. De ondergetekende is van
oordeel dat een zodanige weigeringsgrond
niet alleen voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering dient
te gelden, doch ook voor de aan die
verzekering voorafgaande
ziekengeldverzekering. Overigens moge
hier worden volstaan met te verwijzen
naar de toelichting op vorengenoemd
artikel van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Eerste
lid, onderdeel b
Nu voor de
ziekengeldverzekering wordt uitgegaan
van een vijfdaagse werkweek, wordt in dit
onderdeel niet meer gesproken van een
aantal "werkdagen" gedurende
welke de verzekering onderbroken mag
zijn geweest, maar van een aantal "dagen".
In verband hiermede is het huidige
aantal van 50 werkdagen gewijzigd in 60
dagen. De overige in dit onderdeel
aangebrachte wijzigingen zijn van
redactionele aard.
Eerste
lid, onderdeel c, d en e
Deze onderdelen
welke thans onder de letters e, f en
g
in artikel
44 [44], eerste lid, zijn
opgenomen, zijn gehandhaafd.
Eerste
lid, onderdeel f
De weigeringsbevoegdheid
bij overtreding van de
controlevoorschriften is thans
afzonderlijk in een nieuw ingevoegd
onderdeel, onderdeel g, opgenomen, in verband
waarmede onderdeel f (te vergelijken
met het huidige onderdeel h) is
gewijzigd. De verder aangebrachte
wijzigingen houden verband met de nieuw
voorgestelde regeling van het in
aanmerking nemen van eventuele
wachtdagen.
Eerste
lid, onderdeel g
Naast de reeds bestaande
weigeringsbevoegdheid bij overtreding
van de controlevoorschriften geeft dit
onderdeel die bevoegdheid thans ook
indien de in het derde lid van artikel
30 [30]
bedoelde werknemer geen gevolg geeft
aan de hem door de bedrijfsvereniging
opgelegde verplichting zich te laten
inschrijven bij het orgaan der openbare
arbeidsbemiddeling.
Eerste
lid, onderdeel h
Dit onderdeel (thans i) is
ongewijzigd gehandhaafd, zij het dat in
verband met het nieuwe uitgangspunt van
de vijfdaagse werkweek het vereiste aantal
dagen van 60 is gewijzigd in 50.
Eerste
lid, onderdeel i
De artikelen 25 en
28,
onderdeel a en b, van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering geven de bedrijfsvereniging de
bevoegdheid uitkering te weigeren bij
weigering door de betrokkene om gevolg
te geven aan een oproep vanwege de
Gemeenschappelijke Medische Dienst of
om, in de aldaar genoemde gevallen,
medewerking te verlenen tot
effectuering van maatregelen van geneeskundige aard, zonder dat daarvoor
een deugdelijke grond aanwezig is. Maakt
de bedrijfsvereniging van deze bevoegdheid gebruik en wordt
dienovereenkomstig een beslissing
genomen, terwijl betrokkene de
wachttijd doormaakt welke in het
algemeen voorafgaat aan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of
verhoogde
arbeidsongeschiktheidsuitkering en hij
in het genot is van ziekengeld, dan wil
het de ondergetekende voorkomen dat het
gewenst is dat de mogelijkheid wordt
geopend het ziekengeld geheel of ten
dele te weigeren. In het algemeen zullen
namelijk de in de hierboven genoemde
artikelen bedoelde activiteiten van de
Gemeenschappelijke Medische Dienst juist
gericht zijn op de opheffing of
vermindering van de ongeschiktheid tot
werken ter zake waarvan ziekengeld
wordt genoten, teneinde mogelijke
langdurige of blijvende
arbeidsongeschiktheid te voorkomen.
Eerste
lid, onderdeel j
Het weigeren van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien
de ongeschiktheid is veroorzaakt door
opzet, is in het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering niet
imperatief voorgeschreven, doch aan het
oordeel van de bedrijfsvereniging
overgelaten. Voorgesteld wordt in de Ziektewet
deze weigeringsgrond op
dezelfde wijze te regelen.
rblz.|19
r.k.|
Tweede lid
De aanhef van het huidige tweede
lid van artikel 44 [44]
van de Ziektewet
en
de overeenkomstige bepaling in het
huidige vierde lid van artikel 46 [46]
van
die wet zijn uitzonderingen op de,
volgens de jurisprudentie geldende,
algemene regel dat bij overgang van een
werknemer naar een werkgever die bij
een andere bedrijfsvereniging is
aangesloten dan de vorige werkgever, een
nieuwe verzekering aanvangt. Het is
juister die regel te wijzigen en in het
algemeen te bepalen dat
achtereenvolgende verzekeringen bij
verschillende bedrijfsverenigingen
worden beschouwd als één verzekering.
Bij artikel XXVII van dit wetsontwerp
wordt voorgesteld een zodanige bepaling
op te nemen in artikel 55 [55]
van de Ziektewet. Overigens moge verwezen
worden naar de toelichting op dat
artikel.
Ingevolge
het bij artikel
III voorgestelde artikel
6 [6], tweede lid, onderdeel
d, van de Ziektewet kan hetgeen overigens in het
huidige tweede lid van artikel 44 [44]
van de
Ziektewet is geregeld, vervallen, zodat
het bepaalde in dat lid in zijn geheel
kan worden gemist.
In
de plaats daarvan is een bepaling
opgenomen als in artikel
30, derde lid,
van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering, ten
aanzien waarvan het volgende wordt
opgemerkt.
In
het bij artikel XXI voorgestelde vierde
lid, onderdeel a, van artikel 46 [46]
is bepaald
dat voor de aldaar bedoelde groepen van
personen de nawerking van de geëindigde
verzekering niet van toepassing is,
omdat voor deze groepen op andere wijze
reeds voorzieningen bij ziekte zijn
getroffen.
Daartegenover
voorziet de onderhavige bepaling in het
terstond, zonder restricties overnemen
van het risico ter zake van ingetreden
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte,
indien de hier bedoelde personen
aansluitend aan de voor hen voorheen
geldende regeling verzekerd worden. Ter
zake van ongeschiktheid wegens ziekte
welke binnen een halfjaar na de aanvang
van de verzekering intreedt, mist de
bedrijfsvereniging derhalve de in
artikel 44 [44], eerste lid, onderdeel a,
onder 2º, opgenomen bevoegdheid om uitkering
te weigeren.
Artikel XX
Het
bepaalde in het huidige artikel 45 [45]
heeft
weinig betekenis. Ook zonder dit
uitdrukkelijk in de wet vast te leggen,
zullen de in dit artikel bedoelde
verzoeken, indien daartoe aanleiding
bestaat, gedaan kunnen worden en door de
bedrijfsvereniging in overweging genomen
worden.
In de plaats daarvan wordt
voorgesteld in artikel 45 [45]
een bepaling
op te nemen overeenkomende met die van
artikel 32 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
In dat artikel wordt met betrekking tot
de in de artikelen
25, 28 en
30 van
genoemd wetsontwerp aan de
bedrijfsvereniging gegeven bevoegdheid
om in de aldaar genoemde gevallen de
uitkering geheel of ten dele te
weigeren, bepaald dat de rechter bevoegd
is te beoordelen of de wijze waarop van
die bevoegdheid gebruik is gemaakt in
overeenstemming is met de redelijkheid.
Alhoewel het in die gevallen gaat om
langdurige uitkeringen, ziet de
ondergetekende toch niet in waarom ten
aanzien van de op grond van artikel 44 [44]
van de Ziektewet aan de
bedrijfsvereniging verleende bevoegdheid
een andere maatstaf zou dienen te worden
aangelegd. In verband hiermede wordt
voorgesteld op dit punt de Ziektewet
aan
te passen aan de overeenkomstige
bepaling van het vorengenoemde
wetsontwerp.
Artikel XXI
Onder 1, 2 en
3
De in het onderhavige artikel
voorgestelde wijziging van artikel
46 [46],
hetwelk aan de geëindigde verzekering
nog nawerking geeft, houdt verband met
het in het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
voorgestelde artikel
17, hetwelk in die
verzekering de nawerking regelt met
betrekking tot de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het
is gewenst beide artikelen zoveel
mogelijk op elkaar af te stemmen,
teneinde te voorkomen dat gewezen
verzekerden krachtens de Ziektewet
bij
het intreden van arbeidsongeschiktheid
na het eindigen van de ziekengeldverzekering wel ziekengeld,
doch na beëindiging van de
ziekengeldperiode geen rblz.|20
l.k.|
arbeidsongeschiktheidsuitkering
zouden ontvangen of, omgekeerd, wel
arbeidsongeschiktheidsuitkering doch
geen voorafgaand ziekengeld.
De
arbeidsongeschiktheidsverzekering maakt
in tegenstelling tot het huidige
artikel 46 [46]
van de Ziektewet
geen
onderscheid tussen het verplicht en
vrijwillig verzekerd zijn. In navolging
hiervan is in de voorgestelde redactie
van genoemd artikel 46 [46]
dat onderscheid
ook niet meer gemaakt, hetgeen leidt tot
wijziging van het eerste, tweede en
derde lid van dat artikel.
Het
huidige artikel 46 [46]
van de Ziektewet
vertoont voorts nog een ander belangrijk
verschil met bovengenoemd artikel
17. In artikel 46
[46]
van de Ziektewet
wordt namelijk
geëist, indien overigens aan de
gestelde voorwaarden is voldaan, dat
betrokkene werkloos is. Handhaving van
deze bepaling zou betekenen dat
ongeschiktheid tot werken welke
intreedt binnen één der termijnen van
genoemd artikel
46 [46], terwijl de
betrokkene niet werkloos is, niet zou
leiden tot uitkering van ziekengeld,
doch, nadat de ongeschiktheid tot werken
52 weken heeft geduurd, wel tot een
uitkering ingevolge de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dit
zou zich bijvoorbeeld voordoen wanneer
betrokkene als zelfstandige een beroep
of een bedrijf is gaan uitoefenen. In
dit geval geeft de
arbeidsongeschiktheidsverzekering immers
wel de nawerking. Het is rationeel om in
beide verzekeringen een gelijkluidende
bepaling inzake de nawerking op te
nemen.
Daartoe
wordt derhalve in het eerste lid van het
onderhavige artikel, sub 1, een
redactie voorgesteld [lees: onderhavige
artikel een redactie voorgesteld, red.]
waarin het begrip
"werkloos" niet meer voorkomt.
Voorts
wordt nog opgemerkt dat in het eerste
lid het woord "werkdagen" is
gewijzigd in "dagen", nu in de
nieuwe situatie voor het verzekerd zijn
wordt uitgegaan van het begrip
diensttrekking en voorts in verband met
het voorstel om voor de
ziekengeldverzekering uit te gaan van
een vijfdaagse werkweek. De in het
tweede lid genoemde termijn gedurende
welke de verzekering geacht wordt niet
te zijn onderbroken, te weten zes werkdagen,
is in verband hiermede gewijzigd in
zeven dagen.
Onder 4
Het bepaalde in het huidige vierde
lid van artikel 46 [46]
van de Ziektewet
kan
vervallen. Verwezen
moge worden naar de toelichting op
artikel XIX (artikel
44 [44], tweede lid) en
naar die op artikel
XXVII.
Onder
5
Met betrekking tot het nieuwe vierde
lid, onderdeel a, van artikel 46 [46]
van de
Ziektewet zij
opgemerkt dat voor de
hier bedoelde groepen van personen na
beëindiging van hun
ziekengeldverzekering reeds
voorzieningen gelden. De in de
gewijzigde opzet geregelde ruimere
nawerking van de Ziektewet
behoeft te
hunnen aanzien dan ook geen toepassing
te vinden.
Met
betrekking tot het bepaalde onder b zij
opgemerkt dat er uiteraard geen reden
bestaat om de geëindigde
ziekengeldverzekering te laten nawerken
ten aanzien van degenen die reeds
aanspraak op uitkering bij ziekte hebben
ingevolge een buitenlandse wetgeving.
Artikel
XXII
Evenmin
als aan artikel 40 [40]
bestaat ook aan het
huidige artikel 48 [48]
van de Ziektewet
nog
behoefte. In de plaats hiervan wordt
voorgesteld een nieuw artikel 48 [48]
op te nemen, waarin de betaalbaarstelling van
ziekengeld aan minderjarigen geregeld
wordt. De voorgestelde redactie is
gelijkluidend aan die van artikel 51 van
het wetsontwerp
inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel
XXIII
De
voorgestelde redactie van artikel 49 [49]
van
de Ziektewet
sluit aan bij de gevormde
praktijk om de hoogte der uitkering
tijdens een lopend uitkeringsgeval niet
te doen beïnvloeden door nieuwe
voorschriften in de
wet, in reglementen
of besluiten die op de uitkeringen
betrekking hebben. Door de toevoeging
"tenzij bij die wijziging anders wordt
bepaald" is de mogelijkheid opengehouden om in bepaalde omstandigheden
de bedragen van de lopende uitkeringen wél te herzien.
rblz.|20
r.k.|
Artikel
XXIV
Artikel
50 [50] van de Ziektewet
is uit een oogpunt
van coördinatie in overeenstemming
gebracht met het overeenkomstige artikel
58 van het wetsontwerp
inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikelen XXV en
XXVI
De voorgestelde
artikelen 52 [52],
52a
[52a] en
52b
[52b]
van de
Ziektewet bevatten met betrekking tot de
invloed van de bepalingen van de Ziektewet
op die van het burgerlijk
recht een overeenkomstige voorziening
als de artikelen 89
tot en met 91 van de
voorgestelde
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Voor
een nadere toelichting moge worden
verwezen naar paragraaf
3.5 van
het algemeen deel van de toelichting op
bedoeld wetsontwerp.
Artikel XXVII
Artikel
55 [55], eerste, tweede en derde lid
Behoudens wijziging van het begrip
"arbeider"
in "werknemer" is het nieuwe
eerste lid gelijkluidend aan de huidige
eerste volzin van het eerste lid van
artikel 55 [55]
van de Ziektewet.
De
aanwijzing in het huidige eerste lid van
artikel 3 [3]
van de Ziektewet
van personen
die bij werkloosheid voor de toepassing
van de Ziektewet
als verzekerden worden
aangemerkt, geschiedt thans in het bij
artikel III van dit wetsontwerp
voorgestelde artikel
7 [7]. In verband
hiermede dient de tweede volzin van het
eerste lid van het huidige artikel 55 [55]
te
worden gewijzigd. Deze volzin is
vervangen door het voorgestelde tweede
lid van artikel 55 [55]
van de Ziektewet.
Het
huidige tweede lid wordt in verband
hiermede vernummerd tot derde lid,
terwijl het woord "arbeider"
wordt vervangen door "werknemer".
Artikel
55 [55], vierde lid
Met betrekking
tot het nieuwe vierde lid van artikel 55
[55] van de Ziektewet
zij het volgende
opgemerkt. Het bepaalde in dit lid kwam
aanvankelijk in de Ziektewet
voor in
artikel 52 [52], hetwelk de nawerking van de
geëindigde verzekering regelde (thans
artikel 46 [46]). Bij uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep d.d. 29 oktober
1936 (A.B. 1936, blz. 919) werd beslist
dat een nieuwe verzekering aanvangt
wanneer het risico der verzekering voor
een ander uitvoeringsorgaan komt. In
deze uitspraak werd gewezen op de
bepaling welke thans in het huidige
vierde lid van artikel 46 [46]
van de Ziektewet
is opgenomen, in welke
bepaling, kennelijk als uitzondering op
de gewone regel, uitdrukkelijk is
geregeld dat voor de toepassing van het
eerste lid achtereenvolgende
verzekeringen bij verschillende
uitvoeringsorganen als één verzekering
gelden. Uit deze jurisprudentie vloeiden
moeilijkheden voort in verband met de
toepassing van artikel 44 [44], eerste lid,
van de Ziektewet. Er rezen
namelijk
geschillen tussen de uitvoeringsorganen
over de vraag ten laste van welk orgaan
het ziekengeld moet komen indien de
ziekte intreedt kort na het tijdstip
waarop het risico op een ander orgaan
was overgegaan. Om aan deze ongewenste
toestand een einde te maken, werd bij de
Wet van 15 december 1938, Stb. 1938, 806, aan
artikel 53 [53]
van de Ziektewet
een lid la
toegevoegd, thans het huidige tweede lid
van artikel 44 [44]
van de Ziektewet. Opnieuw
werd derhalve een uitzondering op de
gewone regel gemaakt. Het verdient naar
de mening van de ondergetekende de
voorkeur niet het aantal uitzonderingen
te vergroten, doch algemeen te bepalen
dat achtereenvolgende verzekeringen bij
verschillende bedrijfsverenigingen
worden beschouwd als één verzekering.
Daartoe strekt het voorgestelde vierde
lid.
Artikel XXIX
Het bepaalde in
artikel 58 [58]
van de Ziektewet
kan beter
worden geregeld in de Organisatiewet
Sociale Verzekering. Verwezen moge
worden naar het bij artikel I, onderdeel C,
van het desbetreffende ontwerp van wet
tot wijziging van de genoemde wet
voorgestelde artikel 16a.
rblz.|21
l.k.|
Artikel
XXX
De
wijzigingen in het derde en het vierde
lid van artikel 60 [60]
van de Ziektewet
zijn
van louter redactionele aard. Het vijfde
lid van genoemd artikel is van
ondergeschikte betekenis en kan, evenals
het huidige artikel
13 [13], zonder bezwaren
vervallen.
Artikel
XXXI
In
het eerste lid van artikel 81 van het
wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering is
voorgesteld voor enige categorieën van
personen de mogelijkheid tot vrijwillige
verzekering te openen. Met betrekking
tot de overwegingen welke daartoe
geleid hebben, moge verwezen worden naar
de toelichting op het eerste lid van
genoemd artikel. Die vrijwillige
verzekering zal, evenals de verplichte
verzekering, in het algemeen eerst
recht geven op een uitkering of een
hogere uitkering nadat de
arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft
geduurd. Teneinde zoveel mogelijk te
bereiken dat de hier bedoelde personen
zich ter zake van arbeidsongeschiktheid
kunnen verzekeren van een uitkering of - indien zij behoren tot de in het
eerste lid, onderdeel d, van artikel 81 van
genoemd wetsontwerp bedoelde categorie
- een hogere uitkering gedurende de
wachttijd welke aan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een
verhoging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
voorafgaat, komt het de ondergetekende
gewenst voor voor de in het eerste lid
van artikel 81 van het
wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
genoemde categorieën van personen eenzelfde regeling inzake vrijwillige
verzekering in de Ziektewet te treffen.
In het onderhavige artikel wordt in
verband hiermede voorgesteld het eerste
lid van artikel 64 [64]
van de Ziektewet dienovereenkomstig te wijzigen. In het
gewijzigde eerste lid van artikel 64 [64]
zijn ook opgenomen degenen die op grond
van het bepaalde in het eerste lid van
het huidige artikel 64 [64]
en in artikel 65
[65] van de Ziektewet reeds de mogelijkheid
tot vrijwillige verzekering hebben.
Opgemerkt wordt nog dat voor degene die
als zelfstandige een beroep of bedrijf
uitoefent of gaat uitoefenen, in het
voorgestelde eerste lid, onderdeel c, van
artikel 64 [64]
van de Ziektewet de eis is
gesteld dat hij gedurende drie jaren
verzekerd moet zijn geweest, welke eis
in het huidige eerste lid van artikel 64
[64] van de Ziektewet niet voorkomt. De
motieven om deze voorwaarde voor deze
categorie van personen voor de
vrijwillige
arbeidsongeschiktheidsverzekering te
stellen, gelden evenzeer voor de
ziekteverzekering, zodat verwezen kan
worden naar hetgeen hieromtrent is
uiteengezet in de toelichting op het
eerste lid, onderdeel c, van artikel 81 van
het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Het
tweede lid van artikel 64
[64]
is gelijk aan
het tweede lid van artikel 81 van
het
wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
zodat hier volstaan kan worden met te
verwijzen naar de toelichting op het
tweede lid van dat artikel.
Artikel
XXXII
Het
bepaalde in het huidige artikel 65 [65]
van
de Ziektewet
kan vervallen. De toelating
tot de vrijwillige verzekering voor
degene die in het buitenland verzekerd
is geweest, is thans geregeld in het
voorgestelde eerste lid, onderdeel b, van
artikel 64 [64], terwijl de aanwijzing van de
bedrijfsvereniging waarbij de
aanmelding dient te geschieden, alsmede
de vaststelling van het dagloon voor de
vrijwillige verzekering op grond van
het bepaalde in het bij artikel XXXVIII
van dit wetsontwerp voorgestelde
artikel 71 [71]
van de Ziektewet, door de
S.V.R. geregeld zal
worden.
Voorgesteld
wordt in de plaats daarvan in artikel 65
[65] van de Ziektewet
een bepaling op te nemen welke overeenkomt met die van
artikel 82 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
welk artikel een verzachtende bepaling
inhoudt met betrekking tot de in het
eerste lid van het vorige artikel, onderdeel
c en d, van dat artikel genoemde termijn
van drie jaren [lees: de in eerste lid van het
vorige
artikel, onderdeel
c en d, genoemde termijn
van drie jaren, red.]. De verzekering mag
namelijk gedurende 60 dagen onderbroken
zijn geweest, terwijl voorts als "verzekerde"
tijd medegeteld worden perioden
gedurende welke een rblz.|21
r.k.|
arbeidsongeschiktheidsuitkering
is genoten, berekend naar een
ongeschiktheid van ten minste 55%. Dat
de arbeidsongeschiktheid ten minste 55% moet bedragen, houdt verband met de
omstandigheid dat tijdens het genot
van een zodanige uitkering er in het
algemeen geen behoefte bestaat aan een
vrijwillige ziekengeldverzekering, omdat
bij toeneming van die
arbeidsongeschiktheid de uitkering
ingevolge het bepaalde in artikel 38 van
het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering steeds wordt
herzien nadat die
ongeschiktheid vier weken heeft geduurd,
zodat in het algemeen een vrijwillige
ziekteverzekering in die gevallen
slechts zin heeft ter overbrugging van
die korte periode.
Een
bepaling overeenkomstig aan die van het
eerste lid, onderdeel b, van artikel 82 van
het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering kan
hier gemist worden, aangezien de
verzekering ingevolge de Ziektewet
voortduurt tijdens het genot van
ziekengeld gedurende de wachtperiode
welke in het algemeen voorafgaat aan
een arbeidsongeschiktheidsuitkering of
een verhoging van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook
met betrekking tot de vrijwillige
verzekering is een overeenkomstige
bepaling overbodig, aangezien de
vrijwillige verzekering niet eindigt
wegens genot van ziekengeld.
Met
betrekking tot het bepaalde in het
voorgestelde tweede lid van artikel 65 [65]
van de Ziektewet
moge verwezen worden
naar de toelichting op het tweede lid
van artikel 82 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Opneming van een zodanige bepaling in
de arbeidsongeschiktheidsverzekering
maakt het wenselijk de Ziektewet ook op
dit punt aan te passen, waarmede bereikt
wordt dat degene die toetreedt tot de
vrijwillige verzekering ingevolge de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, dit
in het algemeen tevens kan doen met
betrekking tot de vrijwillige
ziekengeldverzekering, ter overbrugging
van de aan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
voorafgaande wachttijd.
Artikel
XXXIII
De
voorgestelde redactie van artikel 66 [66]
van
de Ziektewet, welk artikel de termijn
bepaalt waarbinnen de aanmelding voor
de vrijwillige verzekering dient te
geschieden, komt overeen met die van
artikel 83 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hier
kan worden volstaan met te verwijzen
naar de toelichting op laatstgenoemd
artikel.
Opgemerkt zij dat de
aanmeldingstermijn voor degene die in
het buitenland verplicht verzekerd is
geweest - genoemd in het voorgestelde
eerste lid, onderdeel b, van artikel 64
[64] van
de Ziektewet
- ook gesteld is op één
maand na eindiging van die verplichte
verzekering. Het derde lid van het
huidige artikel 66 [66]
bepaalt die termijn
thans op acht dagen na beëindiging van de
verzekering in het buitenland.
Artikel
XXXIV
In artikel 67 [67]
van de
Ziektewet wordt voorgesteld de premie voor de
vrijwillige verzekering voor de in het
voorgestelde eerste lid van artikel 64 [64]
van de Ziektewet
genoemde personen
gelijk te doen zijn aan die welke voor
betrokkenen verschuldigd zou zijn
indien zij verplicht verzekerd waren bij
de betreffende bedrijfsvereniging. Voor
twee van de drie groepen van personen
die op grond van het bepaalde in het
eerste lid van het huidige artikel 64 [64]
en
in het huidige artikel 65 [65]
van de Ziektewet
tot de vrijwillige verzekering
kunnen worden toegelaten, wordt ook
thans geen onderscheid gemaakt met
betrekking tot de verschuldigde premie
tussen het verplicht of vrijwillig
verzekerd zijn. Voor de derde categorie,
namelijk degene die als zelfstandige een
beroep of bedrijf uitoefent of gaat
uitoefenen, bepaalt het vierde lid van
het huidige artikel 67 [67]
van de Ziektewet
dat de premie niet hoger mag zijn dan
een en half maal het percentage van het
loon dat voor die personen als premie
verschuldigd zou zijn indien zij
verplicht verzekerd waren.
In artikel 84
van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt
voorgesteld met betrekking tot de
verschuldigde premie geen onderscheid te
maken tussen rblz.|22
l.k.|
verplicht
en vrijwillig verzekerden, zulks ook
niet ten aanzien van degenen die als
zelfstandige een beroep of bedrijf uitoefenen of gaan uitoefenen. In de
toelichting op het eerste lid, onderdeel c,
van artikel 81 en op artikel 84 van
genoemd wetsontwerp is ter motivering
hiervoor gesteld dat de vestiging als
zelfstandige in het algemeen eerst
plaatsvindt op latere leeftijd en dat,
hoewel het risico groter wordt naarmate
de leeftijd vordert, die leeftijd niet
van invloed is op de hoogte van de voor
de verplichte verzekering verschuldigde
premie. De desbetreffende personen
zullen tijdens de periode gedurende
welke zij verplicht verzekerd waren
gemiddeld reeds meer premie hebben
betaald dan nodig was tot dekking van
het risico dat zij persoonlijk voor de
verzekering opleverden.
De
ondergetekende is van oordeel dat deze
overwegingen eveneens gelden voor de
vrijwillige ziekengeldverzekering, zodat
ook hier voor de groep zelfstandigen ten
aanzien van de te betalen premie niet
dient te worden gediscrimineerd. Hij
laat hierbij bovendien nog gelden dat
de voorwaarden van de toelating tot de
vrijwillige ziekengeldverzekering voor
deze personen zijn verzwaard. Er wordt
immers thans geëist dat zij gedurende
drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan
het einde van hun verplichte verzekering verzekerd moeten zijn
geweest.
Artikel
XXXV
Artikel
68 [68]
van de Ziektewet
heeft zulk een vanzelfsprekende inhoud dat het geen
reële betekenis heeft en kan dan ook
gevoeglijk vervallen.
Artikel
XXXVI
De
wijziging van het eerste lid van artikel
69 [69]
van de Ziektewet
houdt verband met
de voorgestelde wijziging van artikel 19
[19] van de Ziektewet
(artikel V van het
onderhavige wetsontwerp).
Artikel
XXXVII
De
regelen inzake de vrijwillige
verzekering dienen zoveel mogelijk
gelijk te zijn aan die van de verplichte
verzekering. Dit is geregeld in het bij
artikel XXXIX voorgestelde artikel 72 [72]
van de Ziektewet. In verband hiermede
kan het huidige artikel 70 [70]
vervallen.
Dit brengt mede dat de
weigeringsgronden welke voor de
verplichte verzekering gelden ook ten
aanzien van de vrijwillige verzekering
gelden.
Voor
de vrijwillige verzekering op grond van
artikel 64 [64], vierde lid, van de Ziektewet
kunnen door de S.V.R. op grond van het nieuwe artikel 71 [71]
eventueel nadere regelen worden gesteld.
Artikel
XXXVIII
Het
voorgestelde artikel 71 [71]
van de Ziektewet
is gelijkluidend aan artikel 85 van het
wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hier
moge worden volstaan met te verwijzen
naar de toelichting op laatstgenoemd
artikel van dat wetsontwerp.
Artikel
XXXIX
In
het nieuwe artikel 72 [72]
van de Ziektewet - in de toelichting op artikel XXXVII
werd hierop reeds gewezen - wordt
voorgesteld de bepalingen van de
verplichte ziekengeldverzekering van
overeenkomstige toepassing te doen zijn
op de vrijwillige verzekering. Dit
geldt uiteraard enkel voor de
vrijwillige verzekering waartoe
verplichte toelating openstaat en
derhalve niet voor die waarvan sprake
is in het tot vierde lid vernummerde
huidige derde lid van artikel 64 [64]
van de Ziektewet.
Artikelen XL tot en met XLII
Deze
artikelen beogen het beroepsrecht in de Ziektewet
zoveel mogelijk in
overeenstemming te brengen met de
dienovereenkomstige bepalingen in het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Met
betrekking tot de bij artikel XLII
voorgestelde nieuwe redactie van artikel
74 [74] wordt het volgende opgemerkt.
rblz.|22
r.k.|
De huidige redactie van
artikel 74
[74] is in de
Ziektewet gekomen bij de Wet van 15
augustus 1955, Stb. 1955, 396. Uit de memorie
van toelichting bij deze wet [lees: die
wet, red.] blijkt
duidelijk de bedoeling de in dat
artikel voorkomende beroepstermijn van
veertien dagen te beperken tot geschillen van
geneeskundige aard. De verwijzing naar
artikel 73 [73],
onderdeel b, van de Ziektewet
laat evenwel ruimte deze korte
beroepstermijn ook in andere geschillen
te doen gelden.
Daarom wordt in het
onderhavige artikel voorgesteld in
artikel 74 [74]
met zoveel woorden aan te geven voor welke gevallen deze
beroepstermijn geldt.
Artikel XLVI
Het
voorgestelde artikel 81 [81]
van de Ziektewet
is ontleend aan artikel 54 van de
Algemene Ouderdomswet en artikel 65 van
de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Een
zelfde bepaling is ook voorgesteld in
artikel 97 van het wetsontwerp inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel XLVII
Artikel 84 [84]
van de Ziektewet
stamt nog uit de tijd dat er
voor de werkgever geen verplicht
lidmaatschap bij de bedrijfsvereniging
bestond. Geschillen met betrekking tot
de vraag welke bedrijfsvereniging tot
uitkering is gehouden, hebben zich
sedert de invoering van de
Organisatiewet Sociale Verzekering, op
grond waarvan dit verplichte
lidmaatschap wel bestaat, niet meer
voorgedaan.
Artikel 84 [84]
van de
Ziektewet kan dan ook zonder bezwaar vervallen.
Artikel XLVIII
Ter verkrijging van meer
unificatie is in verschillende socialeverzekeringswetten de verjaringstermijn
van betaalbaar gestelde uitkeringen
gesteld op twee jaren. Voorgesteld wordt
deze tweejaarstermijn nu ook in de Ziektewet
te introduceren.
Artikel XLIX
Bij de in artikel X voorgestelde
wijziging van artikel 29 [29]
van de Ziektewet
zal als uitgangspunt voor de
ziekengeldverzekering worden uitgegaan
van een vijfdaagse werkweek. In de
praktijk zal evenwel behoefte bestaan in
bepaalde gevallen hiervan te kunnen
afwijken. Het komt de ondergetekende
evenwel gewenst voor dit niet te doen
regelen in de wet zelf, doch bij of
krachtens een algemene maatregel van
bestuur. In verband hiermede is in het
eerste lid thans ingevoegd het woord
"krachtens".
Hetgeen thans geregeld kan worden op
grond van het derde lid, kan dan
eveneens geschieden op grond van het
eerste lid, weshalve het derde is komen
te vervallen.
Artikel L
De huidige
artikelen 88 [88]
en 89 [89] van de Ziektewet
kunnen gevoeglijk vervallen, aangezien
zij slechts betekenis hadden in 1930 bij
de inwerkingtreding van de Ziektewet.
De
overgangsbepalingen welke nodig zijn in
verband met de afschaffing van de
loongrens zullen - evenals eventuele
andere nodig blijkende
overgangsbepalingen - in een
afzonderlijk wetsontwerp, regelende het
overgangsrecht, worden opgenomen.
Artikelen LI en
LII
Deze artikelen
behoeven geen toelichting.
De Minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
|
|