| |
|
Art. 1 (oud).
Onder arbeider wordt
verstaan de arbeider die in dienst is van een onderneming,
alsmede degene die in dienst is van een publiekrechtelijk
lichaam, uitgezonderd degene:
a. die niet, bij wijze van beroep,
tegen loon arbeid verricht, wanneer hij alleen in buitengewone
gevallen tegen loon arbeid van korte duur verricht;
b. wiens loon uitsluitend bestaat in
onderricht;
c. wiens loon, verdiend in loondienst
van één of meer ondernemingen of publiekrechtelijke lichamen, meer
bedraagt dan ƒ7450,00 per jaar. Daarbij wordt in afwijking van het
bepaalde in artikel 8, eerste lid, onder loon verstaan elke
overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in geld vastgestelde
uitkering welke de arbeider als vergoeding voor zijn arbeid of
gedurende staking van de arbeid van zijn werkgever ontvangt, met
uitzondering van de uitkering ingevolge een voor de groep waartoe
de arbeider behoort geldende kinderbijslagregeling. Het over
gedeelten van een jaar verdiende loon wordt tot jaarloon herleid;
d. die deel uitmaakt van de bemanning
van een schip dat de zee bevaart en buiten het gezicht der
Nederlandse kust pleegt te gaan, of ingevolge artikel 396 van het Wetboek
van Koophandel schepeling is en krachtens artikel 415 van dat
Wetboek
aanspraak heeft op uitkering indien hij ziek is;
e. die ter vervulling van zijn
militaire dienstplicht in werkelijke dienst is.
Aanhef van dit
artikel: zie artikel 3 (nieuw).
Onderdeel a:
vervallen.
Onderdeel b:
zie artikel 4 (nieuw), eerste lid, onderdeel g.
Onderdeel c:
vervallen.
Onderdeel d:
zie artikel 6 (nieuw), eerste lid, onderdeel c.
Onderdeel e:
zie artikel 6 (nieuw), eerste lid, onderdeel b.
|
|
|
|
Art. 1 (nieuw).
Deze wet verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
b. lichamen: rechtspersonen,
maat- en vennootschappen, andere verenigingen van personen,
ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.
|
|
|
Art. 1a (oud).
-1.
Het in artikel 1, onderdeel c, genoemde bedrag
wordt bij algemene maatregel van bestuur met inachtneming van het
bepaalde in de volgende leden verhoogd of verlaagd al naargelang
het indexcijfer van de lonen en het prijsindexcijfer van het
levensonderhoud zijn gestegen of gedaald.
-2. Herziening van het in artikel
1,
onderdeel c, genoemde bedrag heeft telkens plaats met ingang van 1
januari wanneer het indexcijfer van de lonen op 31 juli daaraan
voorafgaande of het gemiddelde van de prijsindexcijfers van het
levensonderhoud over de aaneengesloten periode van twaalf maanden
eindigende op 15 augustus aan eerstgenoemd tijdstip voorafgaande
een afwijking vertoont van ten minste 3% van het indexcijfer van
de lonen, onderscheidenlijk het gemiddelde van de
prijsindexcijfers van het levensonderhoud waarop de laatste
herziening van dat bedrag is gebaseerd.
-3. Bij een herziening als bedoeld in
het tweede lid wordt het bedrag, genoemd in artikel
1, onderdeel c,
verhoogd of verlaagd enerzijds met de helft van het percentage
waarmede het indexcijfer van de lonen op 31 juli voorafgaande aan
de datum van ingang der herziening naar boven of naar beneden
afwijkt van het indexcijfer van de lonen op 31 juli 1959,
anderzijds met de helft van het percentage waarmede het
gemiddelde van de prijsindexcijfers van het levensonderhoud over
de aaneengesloten periode van twaalf maanden eindigende op 15
augustus voorafgaande aan de datum van ingang der herziening
naar hoven of naar heneden afwijkt van het gemiddelde van de
prijsindexcijfers van het levensonderhoud over de aaneengesloten
periode van twaalf maanden eindigende op 15 augustus 1959.
-4.
Onder het indexcijfer van de lonen, bedoeld in de vorige leden,
wordt verstaan het bij algemene maatregel van bestuur aan te geven
gewogen gemiddelde indexcijfer der lonen van volwassen arbeiders.
-5. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt aangegeven wat onder prijsindexcijfer van het
levensonderhoud, bedoeld in de vorige leden, wordt verstaan.
-6. Indien zich in de periode
liggende na 31 juli onderscheidenlijk 15 augustus, doch vóór 31
december naar Ons oordeel bijzondere omstandigheden voordoen, kan,
in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, het in artikel
1,
onderdeel
c, genoemde bedrag met ingang van 1 januari worden herzien.
-7. Bij een herziening als bedoeld in
het vorige lid wordt het bedrag, genoemd in artikel
1, onderdeel
c,
verhoogd of verlaagd enerzijds met de helft van het percentage
waarmede het te verwachten indexcijfer van de lonen op 31 december voorafgaande aan de datum van ingang der
herziening
naar boven of naar beneden afwijkt van het indexcijfer van de
lonen op 31 juli 1959, anderzijds met de helft van het percentage
waarmede het te verwachten gemiddelde van de prijsindexcijfers van
het levensonderhoud over de aaneengesloten periode van twaalf
maanden eindigende op 15 december voorafgaande aan de datum van
ingang der herziening naar boven of naar beneden afwijkt van het
gemiddelde van de prijsindexcijfers van het levensonderhoud over
de aaneengesloten periode van twaalf maanden eindigende op 15 augustus
1959.
-8. In afwijking van het bepaalde in
het derde lid kan, indien naar Ons oordeel bij toepassing van de
vorige leden het aantal verzekerde arbeiders in de zin van deze
wet beduidend zou toenemen dan wel afnemen, het in artikel
1, onderdeel
c, genoemde bedrag met ingang van 1 januari van enig jaar
door Ons worden herzien dan wel herziening achterwege blijven.
Indien herziening plaatsvindt dan wel achterwege blijft, wordt
aangegeven van welk indexcijfer der lonen onderscheidenlijk
gemiddelde van prijsindexcijfers van het levensonderhoud is
uitgegaan en worden de noodzakelijke correcties op het indexcijfer
van de lonen op 31 juli 1959 onderscheidenlijk op het gemiddelde
van de prijsindexcijfers van het levensonderhoud over de
aaneengesloten periode van twaalf maanden eindigende op 15
augustus 1959 aangebracht.
-9. Alvorens Ons een voordracht wordt
gedaan tot een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
zesde of achtste lid, wordt de Sociaal-Economische Raad gehoord.
Het advies van de Sociaal-Economische Raad wordt bekendgemaakt
door plaatsing in het Staatsblad waarin de algemene maatregel van
bestuur wordt geplaatst waarop het advies betrekking heeft.
-10. Bij een herziening van het in
artikel 1, onderdeel
c, genoemde bedrag wordt het bedrag, in afwijking
van het bepaalde in artikel 13, naar boven afgerond op een
veelvoud van 50 gulden.
|
|
|
|
Art. 1a (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 1b (oud).
Wijzigingen van het loon
welke tijdens de duur van
de dienstbetrekking in de loop van een kalenderjaar plaatsvinden,
blijven voor de toepassing van het bepaalde bij artikel
1, onderdeel
c, tot het einde van het desbetreffende kalenderjaar buiten
beschouwing.
|
|
|
|
Art. 1b (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 2 (oud).
-1. Degene die persoonlijk
in aangenomen werk arbeid verricht:
a. die verband houdt met het in de
onderneming van degene van wie het werk is aangenomen uitgeoefende
bedrijf;
b.
ten aanzien waarvan degene van wie het werk is aangenomen, geacht
zou worden werkgever te zijn in de zin dezer wet indien die arbeid
in loondienst werd verricht;
wordt, indien ten aanzien van de
aannemer van het werk door het bestuur der Rijksverzekeringsbank
niet is beslist dat hij in de zin der Ongevallenwet 1921 of der
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 in een onderneming een
verzekeringsplichtig bedrijf uitoefent, voor de toepassing van deze
wet geacht deze arbeid te verrichten in dienst van degene van wie
het werk is aangenomen. Deze laatste wordt voor de toepassing dezer
wet als werkgever beschouwd. Hetgeen voor de verrichting van die
arbeid wordt genoten, wordt als loon in de zin dezer wet beschouwd.
-2. Indien de in het eerste lid
bedoelde persoon zich bij het verrichten van de arbeid laat bijstaan
door andere personen, worden ook deze andere personen voor de
toepassing van deze wet beschouwd hun arbeid te verrichten in dienst
van de in het eerste lid bedoelde werkgever.
-3. Degenen die tegen beloning
persoonlijk bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
werkzaamheden verrichten welke verband houden met of verricht
worden ten behoeve van het in de onderneming uitgeoefende bedrijf,
worden voor de toepassing van deze wet geacht die werkzaamheden te
verrichten in dienst van degene ten behoeve van wiens onderneming
die werkzaamheden worden verricht.
Eerste en tweede lid:
zie artikel 4 (nieuw), eerste lid, onderdeel a en b.
Derde lid: zie artikel 5
(nieuw), onderdeel d.
|
|
|
|
Art. 2 (nieuw).
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd
is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste
lid worden schepen en luchtvaartuigen welke binnen het Rijk hun
thuishaven hebben, ten opzichte
van de werkgever en de bemanning beschouwd als deel van het Rijk.
|
|
|
Art. 3 (oud).
-1.
Voor de toepassing van deze wet wordt als arbeider beschouwd:
a. degene die krachtens de
Werkloosheidswet uitkering ontvangt of zou hebben ontvangen indien
hij niet op de dag waarop zijn uitkering zou zijn ingegaan, wegens
ziekte ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid was geworden;
b. degene die wegens werkloosheid niet
werkt, doch aan wie krachtens artikel 28, tweede lid, onderdeel
e, of
artikel 28, tweede lid, onderdeel
e, juncto artikel 36, tweede lid, der
Werkloosheidswet geen uitkering wordt toegekend;
c. degene die wegens werkloosheid niet
werkt, doch aan wie geen uitkering wordt toegekend omdat naar het
oordeel van de bedrijfsvereniging op zijn laatste werkgever de
verplichting rust tijdens de werkloosheid het loon onverminderd door
te betalen;
d. in door Onze Minister aan te wijzen
gevallen degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie
geen uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling van het
wachtgeldreglement van een bedrijfsvereniging of van het reglement
voor de werkloosheidsverzekering.
-2. In de in het eerste lid, onderdeel
a en
b, bedoelde gevallen wordt het orgaan dat beslist over de
toekenning van bedoelde uitkering als werkgever beschouwd.
-3. Degene die krachtens de
Werkloosheidswet uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag
waarover hij die uitkering ontvangt een loon te genieten gelijk
aan het dagloon waarnaar die uitkering is berekend.
Eerste lid: zie artikel
7 (nieuw).
Tweede lid: zie artikel
11 (nieuw).
Derde lid: zie artikel
14 (nieuw), derde lid.
|
|
|
|
Art. 3 (nieuw).
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke
dienstbetrekking slaat.
-2. Wie niet binnen het Rijk woont,
wordt slechts als werknemer beschouwd voor zover hij zijn
dienstbetrekking binnen het Rijk vervult.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat personen die niet binnen het
Rijk wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun
dienstbetrekking buiten het Rijk vervullen.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan van het bepaalde in het eerste en in het tweede lid
worden afgeweken:
a. ten aanzien van
vreemdelingen;
b. ten aanzien van personen op
wie een regeling inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid buiten het Rijk van toepassing is;
c. ten aanzien van personen die
slechts tijdelijk hier te lande verblijven of tijdelijk hier te
lande werkzaam zijn.
|
|
|
Art. 4 (oud).
Degene die krachtens
overeenkomst met een derde tegen genot van zeker loon of provisie
regelmatig zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die
derde, wordt voor de toepassing van deze wet geacht die arbeid te
verrichten in loondienst van die derde, mits hij de vorenbedoelde
bemiddeling uitsluitend voor de onderneming van die derde verleent
en mits het verlenen dier bemiddeling niet een voor hem
bijkomstige werkzaamheid is.
Zie artikel 4
(nieuw), eerste
lid, onderdeel c.
|
|
|
|
Art. 4 (nieuw).
-1. Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
a.
degene die anders
dan in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep in aangenomen werk persoonlijk arbeid
verricht;
b. degene die de onderdeel a bedoelde persoon als hulp bij het
verrichten van de
arbeid bijstaat;
c. degene die
krachtens overeenkomst niet een ander tegen beloning geregeld
zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die ander, mits hij
de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het
verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige
werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan
twee andere personen laat bijstaan;
d. degene die
krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn
bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten
tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever
van die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor
die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een
voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans
niet door meer dan twee andere personen Iaat bijstaan;
e. degene die bij
wijze van sociale werkvoorziening te werk gesteld is;
f. degene die als lid
van de bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een
aandeel in de besomming, tenzij hij exploitant of mede-exploitant
van het vaartuig is;
g. degene die
werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt
begrepen degene die als leerling van een instelling van onderwijs
praktisch werkzaam is, alsmede degene die aan een bedrijfsschool
opleiding ontvangt, één en ander indien een beloning wordt
genoten die niet uitsluitend bestaat in het ontvangen van
onderricht.
-2. Het bepaalde in het
vorige lid, onderdeel a en b, blijft buiten
toepassing indien de
aldaar bedoelde arbeid wordt verricht ten behoeve van een
natuurlijk persoon die deze arbeid doet verrichten anders dan in
de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening
van een beroep.
|
|
|
Art. 5 (oud).
-1. Degenen in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
bedrijven die in de regel voor een werkgever of voor ten hoogste
twee werkgevers buiten de werkplaats van de werkgever persoonlijk
arbeid verrichten die verband houdt met het in de onderneming
uitgeoefende bedrijf en die zich daarbij in de regel niet laten
bijstaan door meer dan twee andere personen, worden voor de
toepassing van deze wet geacht die arbeid te verrichten in dienst
van die werkgever, onderscheidenlijk van die werkgevers.
-2. Ook
degenen die de
vorenbedoelde bijstand verlenen, worden geacht hun arbeid te
verrichten in dienst van de in het eerste lid bedoelde werkgever,
onderscheidenlijk de in het eerste lid bedoelde werkgevers.
-3. Hetgeen voor de verrichting van de in de beide voorgaande
leden bedoelde arbeid wordt genoten, wordt als loon beschouwd.
|
|
|
|
Art. 5 (nieuw).
In bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
groepen van gevallen wordt eveneens als dienstbetrekking beschouwd
de arbeidsverhouding van:
a.
degene die als
thuiswerker arbeid verricht;
b. degene die de
onder a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de
arbeid bijstaat;
c. degene die als
musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een
tak van sport beoefent;
d. degene die tegen
beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding
niet reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als
dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk
gelijk kan worden gesteld.
|
|
|
Art. 6 (oud).
Degene die als leider of
lid van een orkest optreedt, wordt, indien het bestuur der Bank
ten aanzien van de leider van het orkest niet heeft beslist dat
deze in een onderneming een verzekeringsplichtig bedrijf
uitoefent, voor de toepassing van deze wet geacht die arbeid te
verrichten in dienst van de exploitant der inrichting met of
namens wie het optreden van het orkest in die inrichting is
overeengekomen. Hetgeen voor de verrichting van die arbeid wordt genoten, wordt
als loon in de zin van deze wet beschouwd.
Zie artikel 5
(nieuw), onderdeel
c.
|
|
|
|
Art. 6 (nieuw).
-1. Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de
arbeidsverhouding van:
a.
degene die ten
behoeve van de natuurlijke persoon tot wie hij in
dienstbetrekking staat, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
huiselijke of persoonlijke diensten in diens huishouding verricht
en die diensten doorgaans op minder dan drie dagen per week
verricht;
b. degene die een
verplichting naleeft, hem opgelegd door de wet of voortvloeiende
uit een verbintenis anders dan bij arbeidsovereenkomst door hem
jegens de Overheid aangegaan ten aanzien van 's lands verdediging
of ter bescherming van de openbare orde en de veiligheid der
bevolking;
c. degene die
krachtens artikel 415 van het Wetboek
van Koophandel aanspraak
heeft op uitkering indien hij ziek is;
d. degene die
ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet;
e. degene die behoort
tot een groep van personen waarvoor de voorwaarden voor uitkering
bij ziekte publiekrechtelijk zijn geregeld, indien deze door Ons
zijn vastgesteld of door Onze Minister zijn goedgekeurd;
f. degene die
werkzaam is aan een inrichting of instelling van onderwijs en op
wie krachtens een uit hoofde van subsidieverlening van
overheidswege opgelegde verplichting een door Ons vastgestelde of
een door Onze Minister goedgekeurde regeling bij ziekte wordt
toegepast;
g. degene die in
dienstbetrekking staat ¹ een instelling van weldadigheid,
voorkomende op de lijst, bedoeld in artikel 3 van de Armenwet, of
tot een instelling van maatschappelijk nut welke door Onze
Minister is gelijkgesteld met een instelling van weldadigheid,
mits de vorenbedoelde instelling is aangesloten bij een
organisatie welke in het bijzonder ten behoeve van personen in
dienst van zodanige instellingen voorziening beoogt voor het
geval van ziekte en invaliditeit, al of niet in vereniging met
andere voorzieningen, indien het reglement van die organisatie
krachtens hetwelk hij verzekerd is door Ons is goedgekeurd.
-2. Geen
dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen waarop
geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van
minder dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt
genoten, tenzij het niet verrichten van de arbeid zijn oorzaak
vindt in:
a. een normale
onderbreking van of verhindering tot het verrichten van de
arbeid, zolang deze onderbreking of verhindering niet langer dan
één maand heeft geduurd;
b. weersinvloeden,
gebrek aan materialen of dergelijke omstandigheden;
c. bijzonder verlof,
zoals studieverlof, zolang dit verlof niet langer dan één maand
heeft geduurd;
d. de omstandigheid
dat de dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts een gedeelte
van een normale werkweek arbeid wordt verricht;
e. de omstandigheid
dat de dienstbetrekking ertoe strekt dat niet regelmatig in elke
kalenderweek arbeid wordt verricht, voor zover het betreft de
kalenderweek waarin arbeid wordt verricht of arbeid zou worden
verricht indien de betrokkene niet arbeidsongeschikt was
geworden.
-3. Het bepaalde in de
vorige leden is alleen van toepassing op de aldaar bedoelde
arbeidsverhoudingen.
1. Volgens de redactie
dient na "staat" te worden ingevoegd: tot.
|
|
|
Art. 7 (oud).
Voor de toepassing van deze
wet wordt hij die bij wijze van werkverschaffing te werk is
gesteld en daarvoor een geldelijke uitkering geniet, geacht de hem
opgedragen arbeid krachtens arbeidsovereenkomst te verrichten in
dienst van degene die hem het werk verschaft.
Zie artikel 4
(nieuw), eerste
lid, onderdeel e.
|
|
|
|
Art. 7 (nieuw).
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a.
degene die
krachtens de Werkloosheidswet uitkering ontvangt;
b. degene die wegens
werkloosheid niet werkt, doch aan wie krachtens artikel 28, tweede
lid, onderdeel e, of artikel 28, tweede lid, onderdeel e, in verbinding
met artikel 36, tweede lid, der Werkloosheidswet geen uitkering
wordt toegekend;
c. degene die wegens
werkloosheid niet werkt, doch te wiens aanzien krachtens het
bepaalde in artikel 28, tweede lid, onderdeel dbis, of artikel 28,
tweede lid, onderdeel dbis, in verbinding met artikel 36, tweede lid,
der Werkloosheidswet opschorting van de uitbetaling van zijn
uitkering plaatsheeft;
d. degene die wegens
werkloosheid niet werkt, doch aan wie geen uitkering wordt
toegekend, omdat naar het oordeel van de bedrijfsvereniging op
zijn laatste werkgever de verplichting rust tijdens de
werkloosheid het loon onverminderd door te betalen;
e. in door Onze Minister
aan te wijzen gevallen degene die wegens werkloosheid
niet werkt, doch aan wie geen uitkering wordt verleend op grond
van enige bepaling van de Werkloosheidswet, van het
wachtgeldreglement van een bedrijfsvereniging of van het reglement
voor de werkloosheidsverzekering.
|
|
|
Art. 8 (oud).
-1. Deze wet verstaat onder
loon het loon in de zin van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
-2. Loon door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten,
wordt, voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door
ieder van hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
-3. Het loon van arbeiders die voor de werkgever ook werkzaamheden of diensten verrichten anders dan ten behoeve van
diens onderneming wordt, voor zover het is verdiend op dagen
waarop de arbeider tevens in de onderneming van zijn werkgever
heeft gewerkt, voor de toepassing van deze wet geacht geheel in de
onderneming te zijn verdiend.
Zie artikel 14
(nieuw).
|
|
|
|
Art. 8 (nieuw).
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als
werknemer beschouwd degene die krachtens de verplichte
verzekering ingevolge deze wet ziekengeld ontvangt.
|
|
Art. 8a (oud).
-1. Onder dagloon
verstaat
deze wet het loon dat in de dertien kalender- of loonweken
voorafgaande aan de ongeschiktheid tot werken of in het geval
voorzien in artikel 29, vierde lid, voorafgaande aan de eerste
dag waarover ziekengeld op grond van die bepaling zal worden
uitgekeerd, gemiddeld per dag is genoten door gelijksoortige
arbeiders in hetzelfde of in een gelijksoortig bedrijf in
dezelfde of naburige gemeenten. Onder genoten loon wordt voor de
toepassing van dit artikel verstaan het verdiende loon, ook al is
dit niet of niet geheel uitbetaald.
-2. Ten aanzien van verzekerden die gewoonlijk en naar de aard van
hun beroep slechts een gedeelte van de normale arbeidsdag of een
gedeelte van een kalenderweek in eenzelfde onderneming werkzaam
zijn, worden als gelijksoortig uitsluitend die arbeiders beschouwd
met wie zulks eveneens het geval is. Bij de berekening
van het dagloon van deze verzekerden geldt een week voor zes
dagen.
-3. De Sociale Verzekeringsraad kan, onder goedkeuring van
Onze Minister, voor bepaalde groepen van arbeiders regelen
vaststellen
waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel
8, eerste
lid, alsmede van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.
Deze regelen worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar
gemaakt.
-4. Het bestuur van een bedrijfsvereniging kan bij een
besluit,
dat door de Sociale Verzekeringsraad moet worden goedgekeurd, ten
aanzien van alle of van één of meer bepaalde groepen van bij de
bedrijfsvereniging verzekerde arbeiders bijzondere bepalingen
treffen inzake de vaststelling van het dagloon waarbij kan worden
afgeweken van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, alsmede van
het bepaalde bij of krachtens het eerste of derde lid van dit
artikel. Dit besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant
openbaar gemaakt. De Sociale Verzekeringsraad kan bepalen dat de
gegeven goedkeuring vervalt indien de regelen, bedoeld in het
vorige lid, wijziging ondergaan.
Zie artikel 15
(nieuw).
|
|
|
Art. 8a (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 9 (oud).
-1. Onder werkgever wordt verstaan ieder natuurlijk
of rechtspersoon die een of meer arbeiders bij een onderneming in
dienst heeft. Onze Minister kan
bepalen dat arbeiders wier lonen worden
uitbetaald door een ingevolge deze wet erkend administratiekantoor voor
de toepassing van deze wet geacht
worden in loondienst te zijn van dat kantoor. Dat kantoor wordt
ten aanzien van de door vorenbedoelde arbeiders verrichte
werkzaamheden geacht een verzekeringsplichtig bedrijf in een
onderneming uit te oefenen.
-2. Als werkgever wordt beschouwd:
a. van de arbeider die in dienst is van een rechtspersoon, niet
bedoeld onder b: het hoofd of de bestuurder der onderneming;
b. van de verzekerde die in dienst is van een publiekrechtelijk
lichaam: de persoon die de onmiddellijke leiding heeft van de tak
van dienst waaraan de verzekerde is verbonden; ten aanzien van
arbeiders in dienst van het Rijk kan bij algemene maatregel van
bestuur een andere regeling gemaakt worden;
c. van de arbeider die in dienst is van een buitenslands
gevestigde onderneming: hij die ter plaatse waar de werkzaamheden hier te lande worden
verricht met de leiding
daarvan belast is.
-3. Indien bij één onderneming of, in het geval van een
publiekrechtelijk lichaam, bij één tak van dienst twee of meer
personen als werkgever zijn te beschouwen, is ieder hunner voor de
nakoming der verplichtingen bij of krachtens deze wet de
werkgever opgelegd aansprakelijk en is ieder hunner bevoegd tot
het uitoefenen der rechten bij of krachtens deze wet de werkgever
toegekend.
Zie ook de artikelen
10 (nieuw), 11 (nieuw) en
12 (nieuw).
|
|
|
|
Art. 9 (nieuw).
Werkgever is degene tot wie één of meer natuurlijke personen in
dienstbetrekking staan.
|
|
|
|
|
|
Art. 10 (nieuw).
Als degene tot wie de dienstbetrekking bestaat,
wordt beschouwd:
1º. in de
gevallen, bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene met
wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e: degene op wie
de verplichting rust het loon te betalen;
f: de exploitant of
mede-exploitant van het vaartuig;
g: degene bij wie
de werkzaamheden worden verricht of de opleiding wordt genoten;
2º. in de
gevallen, bedoeld in artikel 5, onderdeel:
a: de
opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene met wie
het optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene die bij
de in artikel 5 bedoelde algemene maatregel van bestuur als
werkgever wordt aangewezen.
|
|
|
Art. 11 (oud).
Hij die anderen in zijn
dienst heeft, is verplicht om deze, overeenkomstig regels bij
algemene maatregel van bestuur te stellen en behoudens de bij die
algemene maatregel te bepalen uitzonderingen, gelegenheid te geven
tot het uitoefenen van de hun bij of krachtens deze wet
toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de hun bij of
krachtens deze wet opgelegde verplichtingen.
Zie artikel
13 (nieuw).
|
|
|
|
Art. 11 (nieuw).
Als werkgever wordt beschouwd in de gevallen, bedoeld in artikel
7, onderdeel:
a, b en c: de
bedrijfsvereniging welke beslist over de aldaar bedoelde
uitkering;
d: de laatste
werkgever;
e: degene die bij
de aanwijzing door Onze Minister als werkgever wordt aangewezen.
|
|
|
Art. 12 (oud).
Indien de laatste dag van
een bij of ingevolge deze wet vastgestelde termijn valt op Zondag,
de Nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, de tweede
Pinksterdag of op een Kerstdag, wordt de termijn verlengd tot en
met de eerste daaropvolgende dag, of indien die dag een Zondag,
een Kerstdag of de Nieuwjaarsdag zou zijn, tot en met de daarop
volgende werkdag. Deze bepaling is niet van toepassing op de
termijn van uitkering van geldelijke schadeloosstelling.
Het bepaalde in dit
artikel is vervallen.
|
|
|
|
Art. 12 (nieuw).
-1. Onze Minister
kan bepalen dat werknemers wier
lonen worden uitbetaald door een door Onze Minister erkend
administratiekantoor, voor de toepassing van deze wet geacht worden
in dienstbetrekking te staan tot dat kantoor.
-2. Onze Minister
kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, in
afwijking van het bepaalde in de artikelen 9 en
10 een ander dan
de aldaar bedoelde personen aanwijzen als werkgever met betrekking
tot:
a. degene die
krachtens overeenkomst niet een ander tegen beloning geregeld zijn
bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten
tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever
van die ander;
b. degene die een
thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als
musicus of anderszins al artiest optreedt dan wel als beroep een
tak van sport beoefent.
|
|
|
Art. 13 (oud).
Een overeenkomstig deze wet vast te stellen bedrag wordt naar
boven afgerond tot een veelvoud van een cent. Voor zover betreft
het ziekengeld wordt de afronding toegepast op het per dag
verschuldigde bedrag.
Het bepaalde in dit
artikel is vervallen.
|
|
|
|
Art. 13 (nieuw).
-1. De werkgever is verplicht de werknemer gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hem bij of
krachtens deze wet toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van
de hem bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen, voor
zover de uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.
-2. Onze Minister
kan ter uitvoering van het bepaalde in het eerste
lid nadere regelen stellen.
|
|
|
Art. 14 (oud).
Iedere beslissing wordt degene die daarvan ingevolge deze wet
in beroep kan komen, door degene die de beslissing nam,
desverlangd op schrift en met redenen omkleed, gegeven. Deze
kennisgeving vermeldt de dagtekening van de beslissing, naam en
adres van het college waarbij beroep kan worden ingesteld en de
termijn van beroep.
Zie artikel
73 (nieuw).
|
|
|
|
Art. 14 (nieuw).
-1. Deze wet verstaat onder loon het loon in de zin
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
-2. loon door
verschillende personen tezamen onverdeeld genoten, wordt, voor
zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van
hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
-3. Degene die krachtens
de Werkloosheidswet uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag
waarover hij die uitkering ontvangt een loon te genieten gelijk
aan die uitkering.
|
|
|
Art. 15 (oud).
-1. De werkgever is bevoegd een persoon in zijn
dienst die
belast is met leiding of opzicht of uitsluitend met
administratieve werkzaamheden of een door Onze Minister
overeenkomstig door Ons te geven regelen erkend administratiekantoor
aan te wijzen voor de nakoming der bij of krachtens deze wet aan
de werkgever opgelegde verplichtingen. Bij de aanwijzing kan
uitzondering worden gemaakt voor de nakoming van verplichtingen
van geldelijke aard. De aanwijzing kan betrekking hebben op alle
arbeiders in dienst van de werkgever of op een bepaald
gedeelte.
-2. Door aanwijzing overeenkomstig dit artikel wordt de
aangewezene, voor zoveel betreft de nakoming der hiervoren
bedoelde verplichtingen, als werkgever beschouwd.
-3. Het formulier der aanwijzing, welke door de aangewezene mede
wordt ondertekend, wordt door Ons vastgesteld.
-4. De aanwijzing kan door de Sociale Verzekeringsraad met ingang
van de door deze te bepalen, aan werkgever en aangewezene mede te
delen dag, worden vervallen verklaard.
Zie artikel 12
(nieuw), eerste
lid.
|
|
|
|
Art. 15 (nieuw).
-1. Voor de berekening van het
ziekengeld waarop
ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt volgens door de
Sociale Verzekeringsraad te stellen algemene regelen als dagloon
beschouwd het loon dat de werknemer tijdens het genot van het ziekengeld gemiddeld
per dag zou hebben kunnen verdienen in het beroep dat hij
laatstelijk vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot werken
uitoefende. Deze algemene regelen worden in de Nederlandse
Staatscourant openbaar gemaakt.
-2. Bij de in het
vorige lid bedoelde algemene regelen kan de Sociale
Verzekeringsraad afwijken van het bepaalde in artikel
14, eerste
lid, en ten aanzien van bepaalde groepen van werknemers van het
bepaalde in het vorige lid.
-3. Het bestuur van een
bedrijfsvereniging kan bijzondere bepalingen treffen inzake de
vaststelling van het dagloon voor alle of voor één of meer
bepaalde groepen van bij de bedrijfsvereniging verzekerde
werknemers, waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in
artikel 14, eerste lid, en van het bepaalde in het eerste lid van
dit artikel alsmede van de in dat lid bedoelde algemene regelen.
-4. Besluiten als
bedoeld in het voorgaande lid behoeven de goedkeuring van de
Sociale Verzekeringsraad en worden in de Nederlandse
Staatscourant openbaar gemaakt. Wanneer de in het eerste lid
bedoelde algemene regelen wijziging ondergaan, kan de Sociale
Verzekeringsraad de goedkeuring van een besluit als bedoeld in het
vorige lid intrekken.
-5. De Sociale
Verzekeringsraad hoort, alvorens tot vaststelling van de in het
eerste lid bedoelde algemene regelen over te gaan, de besturen der
bedrijfsverenigingen.
-6. Voor de berekening
van het ziekengeld komt het dagloon hetwelk meer bedraagt dan het
krachtens het eerste lid van artikel 9 der
Coördinatiewet Sociale Verzekering bepaalde
bedrag, voor dat meerdere niet in aanmerking.
|
|
|
Art. 16 (oud).
De werkgever naar burgerlijk
recht is te allen tijde mede aansprakelijk voor de betaling van
premie verschuldigd ter zake van de wettelijke verzekering van
arbeiders in zijn dienst.
Het bepaalde in dit
artikel zal worden overgebracht naar de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
|
|
|
|
Art. 16 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 17 (oud).
-1. De
werkgever die binnen
het Koninkrijk geen woonplaats heeft en niet overeenkomstig
artikel 15 één of meer personen heeft aangewezen voor de nakoming
der bij of krachtens deze wet hem ten aanzien van alle arbeiders
in zijn dienst opgelegde verplichtingen, is verplicht een
woonplaats binnen het Koninkrijk te kiezen.
-2. Bij gebreke van zodanige aanwijzing en
keuze wordt hij geacht
voor de toepassing dezer wet woonplaats te hebben ten huize van
degene die de onmiddellijke leiding der werkzaamheden hier te
lande heeft.
|
|
|
|
Art. 17 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 18 (oud). Vervallen per 1 januari 1954.
|
|
|
Art. 18 (nieuw). Vervallen per 1 januari 1954.
|
|
|
Art. 19 (oud).
-1.
Degene die krachtens de
bepalingen dezer afdeling verzekerd is, heeft bij ongeschiktheid
tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht op een
uitkering overeenkomstig het hieronder bepaalde.
-2. Echter bestaat, behoudens het bepaalde bij
artikel 32, geen
recht op uitkering wegens:
a. een ziekte die een gevolg is van een ongeval de arbeider
overkomen in verband met zijn dienstbetrekking, indien de arbeider
krachtens een wettelijke regeling tegen geldelijke gevolgen van
zodanig ongeval is verzekerd;
b. een ziekte die het gevolg is van een lichamelijk letsel dat
krachtens een regeling als hierboven onder a bedoeld,
gelijkgesteld is met lichamelijk letsel gevolg van een ongeval;
c. een beroepsziekte die krachtens een regeling als hierboven
onder a bedoeld, gelijkgesteld wordt met een ongeval de arbeider
overkomen in verband met zijn dienstbetrekking.
-3. Met ziekte worden zwangerschap en bevalling gelijkgesteld.
|
|
|
|
Art. 19 (nieuw).
-1. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht op ziekengeld
overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
-2. Voor de toepassing
van deze wet wordt onder ziekte mede verstaan:
a. zwangerschap en
bevalling;
b. gebreken.
|
|
Art. 20 (oud).
-1. Alle
arbeiders in de zin
dezer wet zijn verzekerd, met uitzondering van hen die in dienst
zijn van een onderneming waarbij de voorwaarden van uitkering
bij ziekte publiekrechtelijk
zijn geregeld indien door Onze Minister
is verklaard dat de
uitzondering in het belang der arbeiders is. De in de vorige
volzin bedoelde uitzondering heeft uitsluitend betrekking op de
arbeiders op wie de publiekrechtelijke ziekengeldregeling van
toepassing is.
-2. Ten aanzien van personen die in dienstbetrekking zijn bij
ondernemers van een spoorwegdienst en voor wie een regeling
betreffende uitkering bij ziekte is vervat in een hun
dienstvoorwaarden betreffend reglement, zullen in stede van de
bepalingen dezer wet gelden de bepalingen van dat reglement, mits
laatstbedoelde bepalingen zijn vastgesteld hetzij door de
bestuurders van de spoorwegdienst in overeenstemming met de met de
uitvoering der Spoorwegwet
1875 belaste Minister, hetzij door deze
krachtens bij algemene maatregel van bestuur verleende of bij
concessie tot aanleg van de spoorweg en uitoefening van de dienst
voorbehouden bevoegdheid.
-3. De in de vorige leden bedoelde uitzondering op de verzekering
heeft uitsluitend betrekking op de dienstverhouding waaraan de
regeling bij ziekte als in die leden bedoeld, is verbonden.
Zie ook artikel 6
(nieuw), eerste lid,
onderdeel e, en derde lid.
|
|
|
|
Art. 20 (nieuw). De werknemers in de zin van deze wet zijn
verzekerd.
|
|
|
Art. 21 (oud).
-1. In afwijking van het bepaalde in
artikel 20, eerste lid,
zijn mede niet verzekerd degenen die in dienst zijn van een
publiekrechtelijk lichaam:
1º. indien zij zijn
ambtenaar in de zin van artikel 1 der Ambtenarenwet;
2º. indien te hunnen aanzien een regeling bij ziekte is
getroffen die door Ons is vastgesteld of door Onze Minister
is
goedgekeurd.
-2. De in het vorige lid geregelde uitzondering op de verzekering
heeft uitsluitend betrekking op de dienstverhouding ter zake
waarvan de betrokkene ambtenaar is in de zin van het onder 1º
bepaalde of waaraan de regeling bij ziekte als bedoeld onder 2º, is verbonden.
Zie artikel 6
(nieuw),
eerste lid, onderdeel d en e, en derde lid.
|
|
|
|
Art. 21 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 22 (oud).
-1. In de gevallen bij
algemene maatregel van bestuur genoemd, zijn eveneens verzekerd in
loondienst zijnde personen, alsmede daarmede krachtens het
bepaalde in deze wet gelijkgestelde personen die niet in dienst
zijn van een onderneming of van een publiekrechtelijk lichaam en
die, indien zij wel in dienst van een onderneming of van een
publiekrechtelijk lichaam waren, op grond van het bepaalde in
deze wet als arbeiders zouden worden beschouwd.
-2. Als werkgever wordt in de
gevallen waarvan dit artikel spreekt degene beschouwd in wiens dienst de werkzaamheden worden
verricht; geldt het een rechtspersoon, dan wordt als werkgever
beschouwd degene die met de leiding van de werkzaamheden belast
is.
Eerste lid: zie
artikel 3 (nieuw).
Tweede lid: zie de
artikelen 9 (nieuw) en
10 (nieuw).
|
|
|
|
Art. 22 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 23 (oud).
Ingeval de arbeider in
dienst is van een publiekrechtelijk lichaam, alsmede in de
gevallen, bedoeld in artikel 22, worden voor de toepassing van de
artikelen 2, 4, 5, 8,
9, 25, 44, tweede lid,
52 en 63, zevende
lid, de werkzaamheden geacht te worden verricht in een
onderneming.
Zie artikel
3 (nieuw).
|
|
|
|
Art. 23 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 24 (oud). Vervallen per 1 januari 1954.
|
|
|
|
Art. 24 (nieuw). Vervallen per 1 januari 1954.
|
|
Art. 25 (oud).
-1. De verzekering van
hem die hier te lande zijn woonplaats
heeft, eindigt niet door verblijf buitenslands gedurende korter
dan twee maanden, tenzij hij krachtens de wet van het land waar
hij verblijft tegen geldelijke gevolgen van ziekte is verzekerd.
In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin eindigt de
verzekering van degene die hier te lande zijn woonplaats
heeft en die als opvarende op een binnenvaartuig werkzaam is in
dienst van een in Nederland gevestigde onderneming, niet door
verblijf buitenslands, tenzij bij krachtens de wet van het land
waar hij verblijft tegen geldelijke gevolgen van ziekte is
verzekerd. Voor de toepassing van dit artikel wordt degene die in
dienst van een hier te lande gevestigde onderneming zijn
werkelijk verblijf heeft aan boord van een vaartuig geacht zijn
woonplaats hier te lande te hebben, ook gedurende het zich
ophouden van dat vaartuig in het buitenland.
-2. De onderneming van een werkgever die woont aan boord van het
door hem bevaren schip wordt geacht te zijn gevestigd in de gemeente waar de werkgever in het bevolkingsregister is
ingeschreven. Is de werkgever een naamloze vennootschap die geen
kantoor aan de wal heeft en bestuurd wordt door een directeur die
woont aan boord van het door hem bevaren schip, dan wordt de
onderneming geacht te zijn gevestigd in de gemeente waar de
directeur in het bevolkingsregister is ingeschreven.
Zie de artikelen
2 (nieuw) en 3 (nieuw).
|
|
|
|
Art. 25 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 26 (oud).
-1. De verzekering duurt, onafhankelijk van de voortduring der
dienstbetrekking, voort over de tijd waarover:
a. anders dan krachtens
artikel 46 ziekengeld wordt uitgekeerd;
b. tijdens de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte geen
ziekengeld wordt uitgekeerd in verband met het bepaalde in het
tweede lid van artikel 29;
c. een tijdelijke uitkering krachtens één der Ongevallenwetten
wordt verleend;
d. tijdens de ongeschiktheid tot werken als gevolg van een in
verband met de dienstbetrekking overkomen ongeval ingevolge het
bepaalde in artikel 15 der Ongevallenwet 1921 of artikel 36 der
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 geen tijdelijke uitkering
wordt verleend;
e. een rente krachtens de Ongevallenwet 1921 of de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, berekend naar een ongeschiktheid tot
werken van 50% of meer, wordt verleend zolang de rente, afgezien
van het bepaalde in artikel 17 van de Ongevallenwet 1921 of
artikel 38 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, bij gehele
ongeschiktheid tot werken naar 80% van het dagloon en bij
gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken naar een deel van dat
percentage wordt berekend.
-2. De verzekering duurt eveneens voort over de tijd gedurende
welke tijdens de dienstbetrekking de overeengekomen arbeid
tijdelijk niet verricht kan worden tengevolge van weersinvloeden,
gebrek aan materialen en dergelijke omstandigheden en voorts over
de tijd waarover de verzekerde geen arbeid verricht en hij van
zijn werkgever een uitkering ontvangt die ten minste gelijk is
aan de helft van zijn normale loon.
Zie de artikelen 6
(nieuw),
tweede lid, en 8 (nieuw).
|
|
|
|
Art. 26 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 26a (oud).
Onze Minister kan nadere regelen geven in geval van samenloop van
verzekering ingevolge deze wet uit meerderen hoofde.
|
|
|
|
Art. 26a (nieuw).
Onze Minister kan nadere regelen geven in geval van samenloop van
verzekering ingevolge deze wet uit meerderen hoofde.
|
|
Art. 27 (oud).
-1. Op zijn verzoek wordt door het bestuur der bedrijfsvereniging
van de verzekering vrijgesteld:¹
a. die bij de aanvang der verzekering ongeschikt tot werken of
zwanger is;
b. die de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt.
-2. De in het vorige lid bedoelde vrijstelling wordt aan
degene
die bij de aanvang der verzekering ongeschikt tot werken is voor
niet langer dan drie maanden en aan degene die bij de aanvang
der verzekering zwanger is voor niet langer dan voor de duur der
zwangerschap gegeven.
-3. Degene die lijdt aan een slepende ziekte welke, zij het met
tussenpozen, ongeschiktheid tot werken tengevolge heeft of die
dermate geestelijk of lichamelijk gebrekkig is dat de normale
kans op het verkrijgen van arbeid voor hem gering is, kan aan het
bestuur der bedrijfsvereniging verzoeken van de verzekering te
worden vrijgesteld voor zoveel ongeschiktheid tot het verrichten
van zijn arbeid uit vorenbedoelde slepende ziekte of geestelijk of
lichamelijk gebrek voortvloeiende betreft. Het besluit waarbij
bedoelde vrijstelling wordt verleend, behoeft de goedkeuring van
de Sociale Verzekeringsraad. Al hetgeen verder het verlenen der
vrijstelling betreft, wordt bij algemene maatregel van bestuur
geregeld.
-4. Het bestuur der bedrijfsvereniging reikt ingeval de
vrijstelling van kracht geworden is, aan de aanvrager een bewijs uit, vermeldende zijn naam, voornamen, geboortedatum en -plaats,
alsmede de slepende ziekte of het lichamelijk of geestelijk
gebrek. Het model van dit bewijs wordt door Onze Minister
vastgesteld.
-5. Het bestuur der bedrijfsvereniging kan de krachtens het derde
lid verleende vrijstelling te allen tijde intrekken wanneer is
gebleken dat de redenen waarom vrijstelling werd verleend niet
of niet langer aanwezig geacht kunnen worden. Van deze intrekking
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de Sociale
Verzekeringsraad.
1. Volgens de redactie dient
na "vrijgesteld" te worden ingevoegd: degene.
|
|
|
|
Art. 27 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 28 (oud).
-1. De verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld of door wie
in verband met het bepaalde in artikel 32 zodanige aanspraak
eventueel zal kunnen worden gemaakt, is verplicht zich te
onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het
bestuur der bedrijfsvereniging aangewezen geneeskundige, zich op
last van die geneeskundige tot het ondergaan van zodanig onderzoek
te laten opnemen in de hem aangewezen inrichting en in het
algemeen de voorschriften van die geneeskundige welke strekken
om een geneeskundig onderzoek mogelijk te maken op te volgen.
Gelijke verplichting bestaat zo dikwijls een geneeskundig
onderzoek nodig wordt geoordeeld gedurende de ongeschiktheid tot
werken op grond waarvan ziekengeld wordt gevraagd.
-2. Het bestuur der bedrijfsvereniging is bevoegd met het oog op de
toepassing van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onderdeel a en
b, een geneeskundig onderzoek te gelasten bij de aanvang der
verzekering.
-3. De verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die bezwaar heeft
tegen opneming in de hem aangewezen inrichting kan zijn bezwaren
inbrengen bij de voorzitter van de Sociale Verzekeringsraad. Deze
beslist zo spoedig mogelijk.
-4. De aan het geneeskundig onderzoek verbonden kosten komen ten
laste van de betrokken bedrijfsvereniging. Door Onze Minister
kunnen dienaangaande regelen worden gesteld.
|
|
|
|
Art. 28 (nieuw).
-1. De verzekerde die aanspraak maakt op
ziekengeld
is verplicht zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek
door een door het bestuur der bedrijfsvereniging aangewezen
geneeskundige, zich op last van die geneeskundige tot het
ondergaan van zodanig onderzoek te laten opnemen in de hem
aangewezen inrichting en in het algemeen de voorschriften van
die geneeskundige welke strekken om een geneeskundig onderzoek
mogelijk te maken op te volgen. Gelijke verplichting bestaat zo
dikwijls een geneeskundig onderzoek nodig wordt geoordeeld
gedurende de ongeschiktheid tot werken op grond waarvan ziekengeld
wordt gevraagd.
-2. Het bestuur der
bedrijfsvereniging is bevoegd met het oog op de toepassing van het
bepaalde in artikel 44, eerste lid, onderdeel a en b, een
geneeskundig onderzoek te gelasten bij de aanvang der verzekering.
-3. De verzekerde,
bedoeld in het eerste lid, die bezwaar heeft tegen opneming in de
hem aangewezen inrichting kan zijn bezwaren inbrengen bij de
voorzitter van de Sociale Verzekeringsraad. Deze beslist zo
spoedig mogelijk.
-4. De aan het
geneeskundig onderzoek verbonden kosten komen ten laste van de
betrokken bedrijfsvereniging. Door Onze Minister
kunnen
dienaangaande regelen worden gesteld.
|
|
Art. 29 (oud).
-1. Het ziekengeld bedraagt 80 honderdsten van het dagloon
van de verzekerde. Voor de
vaststelling van het ziekengeld komt het dagloon hetwelk meer
bedraagt dan het krachtens het eerste lid van artikel 9 der
Coördinatiewet Sociale Verzekering bepaalde
bedrag, voor dat
meerdere niet in aanmerking.
Tweede volzin: zie artikel 15
(nieuw),
zesde lid.
-2. Het wordt uitgekeerd over iedere
dag, uitgezonderd Zondagen, dat de ongeschiktheid tot werken
duurt, te beginnen met de derde dag na die waarop zij aanving,
gedurende ten hoogste 52 weken. Als dag waarop de
ongeschiktheid tot werken is aangevangen, geldt de eerste dag
waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werk tijdens de
werktijd is gestaakt. Het bestuur der bedrijfsvereniging kan bij
een door Onze Minister, de Sociale Verzekeringsraad gehoord,
goedgekeurd besluit ten aanzien van alle of van één of meer
bepaalde groepen van bij haar verzekerde arbeiders afwijken van de
berekening van de dagen, bedoeld in dit lid, waarover geen
ziekengeld wordt uitgekeerd.
-3. Behoudens het bepaalde in artikel 31 geeft elk geval van
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte aanspraak op uitkering
van ziekengeld gedurende ten hoogste 52 weken. Een
geval van herhaalde ongeschiktheid tot werken wegens ziekte
voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak als waaruit een vroeger
ziektegeval is voortgekomen ter zake waarvan uitkering van
ziekengeld is geschied, wordt echter beschouwd als te zijn een
voortzetting van het vroegere ziektegeval en daarmede één geheel
uit te maken, indien de herhaalde ongeschiktheid tot werken
intreedt binnen vier weken na beëindiging der uitkering van
ziekengeld ter zake van het vroeger ziektegeval wegens herstel.
-4. Bij zwangerschap van een
verzekerde wordt afgescheiden van de vraag of ongeschiktheid tot
werken bestaat indien zij overlegt een verklaring van een
geneeskundige of van een vroedvrouw, inhoudende dat haar
zwangerschap is gevorderd tot de in de verklaring aangegeven week
en dat derhalve haar bevalling waarschijnlijk is binnen een
tijdsverloop van 40 weken, verminderd met het getal der in de
verklaring aangegeven weken, ziekengeld uitgekeerd ter hoogte van
het dagloon van de verzekerde, te rekenen van de eerste dag der
laatste zes weken van bovenbedoeld tijdsverloop.
-5. Bij
bevalling van een verzekerde wordt ziekengeld uitgekeerd ter
hoogte van het dagloon van de verzekerde zolang de ongeschiktheid
tot werken uit die oorzaak duurt en gedurende ten hoogste 52 weken, doch in elk geval gedurende ten minste zes weken na
de dag der bevalling.
-6. Het
bepaalde in artikel 30 blijft ten aanzien van de ongeschiktheid,
bedoeld in de twee voorgaande leden, buiten toepassing.
Vierde, vijfde en zesde lid: zie
nieuwe tekst zevende, achtste en negende lid.
|
|
|
|
Art. 29 (nieuw).
-1. Het
ziekengeld bedraagt 80 honderdsten van het dagloon van de
verzekerde.
-2. Het ziekengeld
wordt, behoudens het bepaalde in de volgende leden, uitgekeerd
over iedere dag dat de ongeschiktheid tot werken duurt, doch niet
over de zaterdagen en de zondagen en gedurende ten hoogste 52
weken.
-3. Geen ziekengeld
wordt uitgekeerd over de eerste twee dagen van de ongeschiktheid
tot werken. Bij de bepaling van de in de vorige volzin bedoelde
dagen blijven de zaterdag en de zondag buiten beschouwing. Het
bestuur van de bedrijfsvereniging kan, bij een door
Onze Minister,
de Sociale Verzekeringsraad gehoord, goedgekeurd besluit, ten
aanzien van alle of van één of meer bepaalde groepen van bij
haar verzekerde werknemers afwijken van het bepaalde in dit lid.
-4. Voor de toepassing
van het in de beide vorige leden bepaalde geldt als eerste dag van
de ongeschiktheid tot werken de eerste dag waarop wegens ziekte
niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.
-5. Voor het bepalen
van de periode van 52 weken, bedoeld in het tweede lid, worden
perioden waarover ziekengeld wordt uitgekeerd, samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan één maand
opvolgen. In de gevallen waarin het bepaalde in de vorige volzin
toepassing vindt, worden gedurende de desbetreffende periode van
52 weken de in het derde lid bedoelde dagen waarover geen
ziekengeld wordt uitgekeerd slechts eenmaal in aanmerking
genomen.
-6. Voor de
toepassing van het bepaalde in het vorige lid worden met perioden
waarover ziekengeld wordt uitgekeerd, gelijkgesteld perioden
waarover in verband met het bepaalde in de artikelen
31, 32, 42 of
44 geen ziekengeld wordt uitbetaald.
-7. Bij zwangerschap
van een verzekerde wordt afgescheiden van de vraag of
ongeschiktheid tot werken bestaat dan wel in hoeverre de in het
tweede lid bedoelde periode van 52 weken is verstreken, indien zij overlegt
een verklaring van een geneeskundige of van een vroedvrouw,
inhoudende dat haar zwangerschap is gevorderd tot de in de
verklaring aangegeven week en dat derhalve haar bevalling
waarschijnlijk is binnen een tijdsverloop van 40 weken,
verminderd met het getal der in de verklaring aangegeven weken,
ziekengeld uitgekeerd ter hoogte van het dagloon van de verzekerde,
te rekenen van de eerste dag der laatste zes weken van
bovenbedoeld tijdsverloop.
-8. Bij bevalling van
een verzekerde wordt ziekengeld uitgekeerd ter hoogte van het
dagloon van de verzekerde zolang de ongeschiktheid tot werken uit
die oorzaak duurt en gedurende ten hoogste 52 weken,
doch in elk geval gedurende ten minste zes weken na de dag der
bevalling.
-9. Het bepaalde in
artikel 30 blijft ten aanzien van de ongeschiktheid, bedoeld in
de twee voorgaande leden, buiten toepassing.
|
|
|
Art. 30 (oud).
Ingeval het op aanwijzing
van een geneeskundige die voor de controle van verzekerden is
aangewezen door het bestuur der bedrijfsvereniging welke het
risico der verzekering draagt, in het belang van de zieke arbeider
moet worden geacht dat deze passende arbeid verricht, zal, indien
de verzekerde door zijn werkgever in de gelegenheid wordt gesteld
tot het verrichten van die arbeid tegen ten minste de helft van
zijn loon, het ziekengeld voor de duur van het desbetreffend
tijdvak gesteld worden op het bedrag waarmede zijn dagloon het
door hem ontvangen deel van zijn loon overtreft. Weigert de
verzekerde bedoelde arbeid te verrichten, dan kan het ziekengeld
voor de duur van het desbetreffend tijdvak op de helft gesteld
worden van hetgeen het overeenkomstig de vorige artikelen van dit
hoofdstuk zou bedragen.
|
|
|
|
Art. 30 (nieuw).
-1. Ingeval het op aanwijzing van de
geneeskundige die voor de controle van verzekerden is aangewezen, in het
belang van de zieke werknemer moet worden geacht dat deze hem
passende arbeid verricht en hij door zijn werkgever - of, indien
de dienstbetrekking met deze werkgever is geëindigd, door een
andere werkgever - tot het verrichten van zodanige arbeid in de
gelegenheid wordt gesteld, kan het ziekengeld gedurende de tijd
dat hij deze arbeid verricht, worden gesteld op het bedrag
waarmede zijn dagloon het loon dat hij voor de bedoelde arbeid
ontvangt, overtreft.
-2. Weigert de
werknemer de in het vorige lid bedoelde arbeid te verrichten, dan
kan het bestuur van de bedrijfsvereniging onderscheidenlijk van
de afdelingskas het ziekengeld stellen op het bedrag waarmede
het dagloon overtreft het loon dat hij zou hebben ontvangen
indien hij deze arbeid wel verricht had.
-3. Indien de
werknemer:
a. laatstelijk
vóór het intreden van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte ter zake waarvan hij ziekengeld
ontvangt arbeid verrichtte welke bij gehele of gedeeltelijke hervatting van die
arbeid als schadelijk voor zijn gezondheid moet worden aangemerkt; dan wel
b. kennelijk blijvend
niet meer in staat moet worden geacht de arbeid te verrichten
welke hij laatstelijk vóór het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid wegens ziekte ter zake waarvan hij ziekengeld ontvangt, verrichtte;
en het op aanwijzing
van de geneeskundige die voor de controle van verzekerden is
aangewezen, in het belang van de zieke werknemer moet worden
geacht dat hij andere hem passende arbeid verricht, kan het
bepaalde in de vorige leden door het bestuur van de
bedrijfsvereniging onderscheidenlijk van de afdelingskas
overeenkomstig worden toegepast, zo de betrokken werknemer door
een andere werkgever in de gelegenheid wordt gesteld bedoelde
arbeid te verrichten.
-4. De rechter is
bevoegd te beoordelen of de wijze waarop van de in de vorige
leden bedoelde bevoegdheid gebruik is gemaakt in overeenstemming
is met de redelijkheid.
-5. De
bedrijfsvereniging kan de in het derde lid bedoelde werknemer
verplichten zich te doen inschrijven bij het orgaan der openbare
arbeidsbemiddeling.
|
|
|
Art. 31 (oud).
-1. In een tijdvak van
achttien maanden wordt aan een verzekerde wegens ongeschiktheid tot
werken uit eenzelfde ziekteoorzaak voortkomende, over ten hoogste
312 dagen ziekengeld uitgekeerd.
-2. Indien een verzekerde aan wie in een tijdvak van
achttien maanden al
dan niet onafgebroken over 312 dagen ziekengeld is uitgekeerd
wegens ongeschiktheid tot werken voortgekomen uit dezelfde
ziekteoorzaak, in de loop van bedoeld tijdvak dan wel in de op
dat tijdvak onmiddellijk volgende periode van achttien maanden herhaald
ongeschikt tot werken wordt als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak,
wordt hem in laatstbedoeld tijdvak over niet meer dart 156 dagen
ziekengeld uitgekeerd. Hetzelfde geldt voor iedere volgende
periode van achttien maanden, zolang in de voorafgegane periode van
achttien maanden wegens ongeschiktheid tot werken uit bedoelde
ziekteoorzaak voortkomende, ziekengeld is uitgekeerd. Het aantal
van 156 uitkeringsdagen wordt eventueel met zoveel dagen
vermeerderd als het getal dagen waarover in de onmiddellijk
voorafgegane periode van achttien maanden wegens ongeschiktheid tot
werken uit dezelfde ziekteoorzaak voortkomende, ziekengeld werd
genoten, beneden de 156 is gebleven.
-3. Het tijdvak van achttien maanden, in de aanhef van het tweede lid
bedoeld, wordt gerekend aan te vangen met de eerste dag waarover
ziekengeld wegens ongeschiktheid tot werken uit de in dat lid
bedoelde ziekteoorzaak voortkomende, door de verzekerde werd
genoten.
Het bepaalde in dit
artikel is vervallen.
|
|
|
|
Art. 31 (nieuw).
-1. De verzekerde die gedurende de ongeschiktheid
tot werken wegens ziekte loon ontvangt, is verplicht hiervan
vóór de uitkering van ziekengeld op door de bedrijfsvereniging
in haar reglement te bepalen wijze mededeling te doen.
-2. De verzekerde
ontvangt aan ziekengeld niet meer dan het bedrag waarmede zijn
dagloon het bedrag van het door hem ontvangen loon overtreft.
|
|
|
Art. 32 (oud).
-1. De
verzekerde aan wie in één van de gevallen, bedoeld in artikel 19,
tweede lid, door degene
die ingevolge de wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen
van ongevallen tot toekenning van geldelijke schadeloosstelling
verplicht is mededeling is gedaan of volgens bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regelen geacht wordt te zijn
gedaan, dat hem geen of geen verdere schadeloosstelling toekomt,
heeft, indien hij wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten
van zijn arbeid, recht op ziekengeld overeenkomstig regelen bij
algemene maatregel van bestuur te stellen. Het vorenstaande is
niet van toepassing indien geen of geen verdere
schadeloosstelling wordt uitgekeerd op grond van artikel 27a of
27b der Ongevallenwet 1921 of artikel 50a of 50b der Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922.
-2. Indien na de toekenning van ziekengeld in een
geval als in het
vorige lid bedoeld, blijkt dat recht op geldelijke
schadeloosstelling krachtens de wettelijke verzekering tegen
geldelijke gevolgen van ongevallen bestaat, wordt het genoten
ziekengeld geacht te zijn genoten als geldelijke
schadeloosstelling krachtens de ongevallenverzekering. Hij die
het ziekengeld uitkeerde, heeft in bij algemene maatregel van
bestuur te noemen gevallen en naar de daarbij te stellen regelen
recht op teruggaaf van het wettelijk ziekengeld.
-3. Is in de in de vorige alinea bedoelde gevallen door het orgaan
der ziekteverzekering premie betaald ingevolge artikel 193 der Invaliditeitswet,
dan wordt het bedrag der betaalde premie door het Invaliditeitsfonds aan genoemd orgaan
terugbetaald.
Het bepaalde in dit
artikel is vervallen.
|
|
|
|
Art. 32 (nieuw).
-1. Indien de verzekerde ter zake van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op toekenning van
ziekengeld krachtens deze wet als op heropening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het bepaalde in
artikel 47
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het
ziekengeld slechts uitbetaald voor zover het de arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft.
-2. Indien de
verzekerde ter zake van de ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte zowel recht heeft op toekenning van ziekengeld krachtens
deze wet als op herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het bepaalde in de
artikelen 38 en 39 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het ziekengeld slechts
uitbetaald voor zover het overtreft het bedrag waarmede de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met die herziening is
verhoogd.
-3. De
bedrijfsvereniging is bevoegd in bijzondere gevallen van het
ziekengeld een hoger bedrag uit te betalen dan in de vorige leden
is bepaald.
-4. Onze Minister
kan
met betrekking tot gevallen van samenloop van ziekengeld met
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
regelen stellen. Bij deze
regelen kan worden afgeweken van het bepaalde in de vorige leden.
|
|
|
Art. 33 (oud).
-1. Indien na de toekenning van ziekengeld
blijkt dat recht op
geldelijke schadeloosstelling krachtens de wettelijke verzekering
tegen geldelijke gevolgen van ongevallen beslaat, terwijl artikel
32 niet van toepassing is, wordt het uitgekeerde ziekengeld over
de lijdvakken en tot de bedragen bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen, door degene die tot toekenning van de
genoemde schadeloosstelling verplicht is, aan hem die het
ziekengeld uitkeerde, teruggegeven. Het uitgekeerde ziekengeld
wordt geacht door de verzekerde te zijn genoten als geldelijke
schadeloosstelling krachtens de wettelijke verzekering tegen
geldelijke gevolgen van ongevallen.
-2. Ingeval
blijkt dat
ten onrechte geldelijke schadeloosstelling krachtens de
wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen
werd verleend aan een verzekerde die wegens ziekte ongeschikt was
tot het verrichten van zijn arbeid, wordt de uitgekeerde
schadeloosstelling over de tijdvakken en tot de bedragen bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen, door degene die het
risico der ziekteverzekering droeg op het tijdstip van aanvang der
ziekte, aan hem die de schadeloosstelling uitkeerde,
teruggegeven. De uitgekeerde geldelijke schadeloosstelling wordt
geacht door de verzekerde te zijn genoten als ziekengeld.
Het bepaalde in dit
artikel is vervallen.
|
|
|
|
Art. 33 (nieuw).
-1. Behoudens het bepaalde in het volgende lid en in
artikel 34 zijn de eenmaal uitbetaalde termijnen van het
ziekengeld niet vatbaar voor terugvordering.
-2. Hetgeen aan
ziekengeld te veel of ten onrechte is uitbetaald als gevolg van het
verstrekken van onjuiste inlichtingen of het niet nakomen van de
verplichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, kan gedurende
twee jaren na de dag van betaalbaarstelling geheel of gedeeltelijk
worden teruggevorderd, dan wel op later uit te betalen ziekengeld
of arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering worden gebracht.
|
|
|
Art. 34 (oud).
Verrekening van
administratie- en controlekosten vindt in de gevallen, bedoeld in
de beide vorige artikelen, niet plaats, evenmin als van kosten van
geneeskundige behandeling.
Het bepaalde in dit
artikel is vervallen.
|
|
|
|
Art. 34 (nieuw).
Indien na uitbetaling van ziekengeld blijkt dat
ter zake van de ongeschiktheid op grond waarvan die uitbetaling
plaatsvond over hetzelfde tijdvak of een gedeelte daarvan
aanspraak bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in
verband met het bepaalde in artikel 19 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of een zodanige uitkering reeds
is uitbetaald na toepassing van het bepaalde in dat artikel, dan
wel indien in verband met het bepaalde bij of krachtens artikel 32
ten onrechte of te veel ziekengeld is uitbetaald, kan het ten
onrechte of te veel uitbetaalde ziekengeld worden teruggevorderd
of in mindering worden gebracht op de alsnog uit te betalen
arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch ten hoogste tot het bedrag
der arbeidsongeschiktheidsuitkering of de verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop betrokkene, ter zake van
diezelfde ongeschiktheid en over hetzelfde tijdvak, aanspraak kan
maken.
|
|
|
Art. 35 (oud).
-1. Wanneer door een
verzekerde ter zake van ongeschiktheid tot werken uit dezelfde
oorzaak over hetzelfde tijdvak zowel uitkering krachtens de
Ziektewet ¹ als krachtens de wettelijke verzekering tegen geldelijke
gevolgen van ongevallen is genoten, kan de ten onrechte genoten
uitkering door het bevoegde orgaan van de verzekerde worden
teruggevorderd of krachtens een beslissing waarvan mededeling
wordt gedaan aan de verzekerde worden verrekend met hem
toekomende uitkering, één en ander in afwijking van het bepaalde
bij artikel 50 der Ziektewet,² artikel 72,
vierde lid, artikel 75, tweede lid, en artikel 82, derde lid, der Ongevallenwet 1921 en artikel 72,
tweede lid, en artikel 91, derde lid, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922.
-2. Heeft de verzekerde bezwaar tegen de in het vorige lid bedoelde
beslissing, dan is hij bevoegd in beroep te komen bij de Centrale
Raad van Beroep.
1. Volgens de redactie
dient "de Ziektewet" te worden vervangen door: deze wet.
2. Volgens de redactie dient "der Ziektewet" te
worden vervangen door: dezer wet.
|
|
|
|
Art. 35 (nieuw). Vervallen.
|
|
Art. 36 (oud).
-1. De verzekerde die gedurende de ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte:
a. loon ontvangt; of
b. ter
zake van een andere verzekering dan krachtens deze of een andere
wet recht heeft op enige geldelijke vergoeding of uitkering bij
ziekte; of
c. ter zake van een wettelijke ongevallenverzekering recht heeft
op een tijdelijke uitkering of voorlopige rente wegens algehele of
gedeeltelijke invaliditeit;
is verplicht hiervan vóór de
uitkering van ziekengeld op door Onze Minister
bepaalde wijze
mededeling te doen. Onder loon wordt voor de personen vallende
onder de bepaling van artikel 46 begrepen een uitkering van of
vanwege enig rechtspersoon ontvangen wegens het derven van loon.
-2. Onverminderd het bepaalde in de beide volgende leden ontvangt
de verzekerde, voor zover hij loon ontvangt of zodanige
vergoedingen, uitkeringen of renten geniet, aan ziekengeld niet
meer dan het bedrag waarmede zijn dagloon overtreft het
gezamenlijk bedrag van het door hem ontvangen loon, die
vergoedingen, uitkeringen of rente.
-3. Degene die krachtens een wettelijke ongevallenverzekering een
tijdelijke uitkering of voorlopige rente wegens algehele
invaliditeit geniet, komt wegens ziekte gedurende die tijd geen
ziekengeld toe.
-4. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b,
en het tweede lid komen vergoedingen van kosten van
ziekenhuisbehandeling niet in aanmerking.
Zie artikel 31
(nieuw).
|
|
|
|
Art. 36 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 37 (oud).
-1. Het bestuur der bedrijfsvereniging is bevoegd
hen die
aanspraak maken op ziekengeld, alsmede hen die verzoeken van
de verzekering te worden vrijgesteld overeenkomstig artikel
27, op
te roepen en te ondervragen op plaats, dag en uur door dat
bestuur te bepalen.
-2. De opgeroepenen worden
reiskosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen.
|
|
|
|
Art. 37 (nieuw).
-1. Het bestuur der bedrijfsvereniging is bevoegd
hen die
aanspraak maken op ziekengeld op te roepen en te ondervragen op
plaats, dag en uur door dat bestuur te bepalen.
-2. Opgeroepenen en, indien
hun toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden
reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen
en volgens regels door Onze Minister
vast te stellen.
|
|
|
Art. 38 (oud).
De verzekerde is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten
van zijn arbeid verplicht te zorgen dat daarvan zo spoedig
mogelijk, in elk geval binnen 24 uur of binnen een zodanige
kortere termijn als door het orgaan met de uitvoering belast in
zijn reglement is bepaald, na het intreden der ongeschiktheid
mededeling ("ziekmelding") wordt gedaan aan vorenbedoeld
orgaan dan wel, indien dat orgaan de werkgever heeft verplicht tot
het aangeven van ziektegevallen, aan de werkgever.
|
|
|
|
Art. 38 (nieuw).
De verzekerde is in geval van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid verplicht te zorgen dat daarvan zo
spoedig mogelijk, in elk geval binnen 24 uur of binnen een
zodanige kortere termijn als door het orgaan met de uitvoering
belast in zijn reglement is bepaald, na het intreden der
ongeschiktheid mededeling ("ziekmelding") wordt gedaan aan
vorenbedoeld orgaan dan wel, indien dat orgaan de werkgever heeft
verplicht tot het aangeven van ziektegevallen, aan de werkgever.
|
|
|
Art. 39 (oud).
Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voorschriften gegeven worden omtrent de door de
bedrijfsvereniging uit te oefenen controle op de verzekerden
gedurende de ongeschiktheid tot werken.
|
|
|
|
Art. 39 (nieuw).
Het bestuur van de bedrijfsvereniging is bevoegd
controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften behoeven
de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad en mogen niet
verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering
van deze wet.
|
|
|
Art. 40 (oud).
-1. Over de
dagen waarop een verzekerde anders dan krachtens
enige door hem gesloten overeenkomst is opgenomen in een
inrichting voor zieken of in een gesticht of waarop de werkgever
bij wie hij inwoont, zonder de kosten te verhalen, ingevolge
artikel 1638ij van het Burgerlijk
Wetboek voor zijn verpleging en
geneeskundige behandeling zorg draagt, wordt hem, indien hij naar
het oordeel van het orgaan dat het risico der verzekering draagt
geen kostwinner is, een derde van het ziekengeld uitgekeerd
waarop hij anders recht zou hebben gehad. Aan degene voor wiens
rekening hij is opgenomen of aan de werkgever die, zonder de
kosten te verhalen, voor zijn verpleging en geneeskundige
behandeling zorg draagt, worden de kosten hiervan, te rekenen van
de dag af volgende op die waarop het verzoek tot die vergoeding
is ontvangen, tot een bedrag van twee derde van het ziekengeld
vergoed. Indien de gevraagde vergoeding minder dan twee derde van
het ziekengeld bedraagt of indien geen vergoeding wordt gevraagd,
wordt het niet aan derden te betalen ziekengeld aan de verzekerde
uitgekeerd.
-2. Aan een
verzekerde
die verkeert in één der gevallen in dit artikel bedoeld, wordt
over de tijd gedurende welke hij is opgenomen niet meer
ziekengeld uitgekeerd dan zijn in geld vastgesteld loon bedraagt.
|
|
|
|
Art. 40 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 41 (oud).
De verzekerde komt geen
ziekengeld toe indien hij niet is ingeschreven bij een
overeenkomstig het Ziekenfondsenbesluit toegelaten ziekenfonds of,
indien hij zijn woonplaats heeft in een andere Staat, bij een in
die andere Staat gevestigde, met een toegelaten ziekenfonds
overeenkomende instelling.
Zie artikel 102 van
het wetsontwerp inzake regeling van de ziekenfondsverzekering (Ziekenfondswet), zitting 1961-1962, 6808.
|
|
|
|
Art. 41 (nieuw). Vervallen.
|
|
Art. 42 (oud).
De verzekerde komt geen
ziekengeld toe:
a. indien de ziekte is veroorzaakt door zijn opzet;
b. over de tijd gedurende welke hij is opgenomen in een
gevangenis, rijkswerkinrichting, tuchtschool of
rijksopvoedingsgesticht of is toevertrouwd aan een vereniging,
stichting of instelling van weldadigheid als bedoeld in artikel
12 der Wet van 12 Februari 1901, Stb. 1901, 64, laatstelijk gewijzigd
hij de Wet van 7 Juni 1924, Stb. 1924, 275.
Onderdeel a: zie artikel
44 (nieuw), eerste lid, onderdeel j.
|
|
|
|
Art. 42 (nieuw).
-1. Aan de verzekerde wordt geen ziekengeld uitbetaald over de tijd gedurende welke hij is opgenomen in een
gevangenis, rijkswerkinrichting, tuchtschool of
rijksopvoedingsgesticht of is toevertrouwd aan een vereniging,
stichting of instelling van weldadigheid als bedoeld in artikel 3
van de Wet van 9 november 1961, Stb. 1961, 403.
-2. De
bedrijfsvereniging is bevoegd het ziekengeld hetwelk op grond van
het bepaalde in het vorige lid niet aan de werknemer wordt
uitbetaald, geheel of gedeeltelijk uit te keren aan de personen
wier kostwinner hij is.
-3. De
bedrijfsvereniging kan, voor zover zij van haar bevoegdheid als
bedoeld in het vorige lid geen gebruik heeft gemaakt, hem die uit
de gevangenis, tuchtschool, rijkswerkinrichting of uit het rijksopvoedingsgesticht is
ontslagen of die niet meer is toevertrouwd
aan een vereniging, stichting of instelling van weldadigheid als
bedoeld in het eerste lid, alsnog in het genot stellen van het in
dat lid bedoelde ziekengeld of dit te zijnen behoeve doen
aanwenden.
|
|
|
Art. 43 (oud).
-1. De
verzekerde aan wie een vrijstelling is verleend als
bedoeld in het derde lid van artikel 27 komt geen ziekengeld toe
bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte uit de in dat lid bedoelde slepende ziekte of geestelijk of
lichamelijk gebrek voortvloeiende.
-2. Eveneens komt de verzekerde aan wie op grond van
artikel 17
der Coördinatiewet Sociale Verzekering
een vrijstelling wegens
gemoedsbezwaren is verleend geen ziekengeld toe.
|
|
|
|
Art. 44 (oud).
-1. Het bestuur der bedrijfsvereniging en het bestuur ener
afdelingskas der bedrijfsvereniging zijn bevoegd de uitkering
van ziekengeld geheel of ten dele te weigeren:
a. indien
de ongeschiktheid tot werken bestond op het tijdstip dat de
verzekering een aanvang nam;
b. bij
zwangerschap ontstaan vóór of bevalling binnen zes maanden na
de dag waarop de verzekering een aanvang nam of
de tot aangifte verplichte verzekerde aangifte deed; het onder de
voorgaande zinsnede bepaalde vindt geen toepassing indien in de
periode van zwangerschap, voor zover deze op de dag waarop de
verklaring, bedoeld in artikel 29, vierde lid, is
opgemaakt, is verstreken, de verzekering, vroegere verzekeringen
van de verzekerde inbegrepen, niet gedurende meer dan 50 werkdagen
is onderbroken geweest; eveneens vindt het onder de
eerste zinsnede bepaalde geen toepassing bij bevalling indien
hetzij de uitkering, bedoeld in artikel 29, vierde lid, is
toegekend, hetzij de verzekering, vroegere verzekeringen van de
verzekerde inbegrepen, in het tijdvak van 40 achtereenvolgende
weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag der bevalling niet gedurende meer dan 50 werkdagen is
onderbroken geweest;
c. indien de ongeschiktheid
tot werken wegens ziekte in verband staat met enige als misdrijf
strafbaar gestelde gedraging van de verzekerde of indien hij een
bekend onzedelijk gedrag leidt indien de ziekte is veroorzaakt
door zijn onzedelijkheid;
Het bepaalde in dit onderdeel is
vervallen.
d. indien de ongeschiktheid
tot werken het gevolg is van een ziekte welke haar oorzaak vindt
in een vecht- of kloppartij waaraan de verzekerde uit eigen
beweging heeft deelgenomen;
Het bepaalde in dit onderdeel is
vervallen.
e. indien
de verzekerde niet binnen redelijke termijn geneeskundige hulp
inroept en niet zich gedurende het gehele verloop der ziekte onder
behandeling blijft stellen of indien hij de voorschriften van de
behandelende geneeskundige niet opvolgt;
Zie nieuwe tekst: onderdeel c.
f. indien
de verzekerde gedurende de ongeschiktheid tot werken zich schuldig
maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of,
bij opneming in een inrichting voor zieken of een gesticht, zich
daar onbehoorlijk gedraagt;
Zie nieuwe tekst: onderdeel d.
g. indien
de verzekerde zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan
een verzoek ingevolge deze wet gedaan door het bestuur der bedrijfsvereniging
of het bestuur van de afdelingskas om te verschijnen of
inlichtingen te verstrekken, of indien het geneeskundig onderzoek
door een door het bestuur der bedrijfsvereniging of der afdelingskas
aangewezen geneeskundige door toedoen van de verzekerde niet kan
plaatshebben;
Zie nieuwe tekst: onderdeel e.
h. indien de verzekerde het
voorschrift gegeven in artikel 38 niet opgevolgd heeft of
indien hij zich niet houdt aan de controlevoorschriften welke
door het bestuur der bedrijfsvereniging zijn vastgesteld. In het
eerstgenoemde geval mag ziekengeld geweigerd worden over de dagen
voorafgaande aan de derde dag na die van de ontvangst der
ziekmelding;
Zie nieuwe
tekst: onderdeel f en g.
i. indien de verzekerde de leeftijd
van 70 jaar heeft bereikt en niet kan worden aangetoond dat hij
gedurende het laatste halfjaar aan de ongeschiktheid tot werken
voorafgaande op ten minste 60 dagen arbeid in
dienstbetrekking heeft verricht.
Zie nieuwe tekst: onderdeel h.
-2. Voor de toepassing van het
voorgaande lid gelden aaneensluitende verzekeringen bij
verschillende bedrijfsverenigingen, alsook achtereenvolgende
verzekeringen van verzekerden die gewoonlijk en naar de aard van
hun beroep slechts een gedeelte van een kalenderweek in een
onderneming werkzaam zijn, als één verzekering.
Zie artikel
55 (nieuw), vierde lid,
en artikel 6 (nieuw), tweede lid, onderdeel d.
-3. Indien de verzekerde misbruik
van drank pleegt te maken, zijn het bestuur der bedrijfsvereniging
en het bestuur ener afdelingskas der bedrijfsvereniging bevoegd
in plaats van ziekengeld een andere uitkering te doen, in waarde
overeenkomende met het bedrag van het ziekengeld, ofwel het
ziekengeld op andere wijze te doen aanwenden ten behoeve van de
verzekerde of van de personen wier kostwinner hij is.
Het bepaalde in dit lid is
vervallen.
|
|
|
|
Art. 44 (nieuw).
1. Het bestuur van de bedrijfsvereniging of van de
afdelingskas is bevoegd de
uitkering van ziekengeld geheel of ten dele te weigeren:
a.
1º. indien de
ongeschiktheid tot werken bestond op het tijdstip dat de
verzekering een aanvang nam;
2º. indien de
ongeschiktheid tot werken binnen een halfjaar na het tijdstip
dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de
gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van
zijn verzekering het intreden van ongeschiktheid tot werken binnen
een halfjaar kennelijk moest doen verwachten;
b. bij
zwangerschap ontstaan vóór of bevalling binnen zes maanden na
de dag waarop de verzekering een aanvang nam; het in de
voorgaande zinsnede bepaalde vindt geen toepassing indien in de
periode van zwangerschap, voor zover deze op de dag waarop de
verklaring, bedoeld in artikel 29, zevende lid, is
opgemaakt, is verstreken, de verzekering, vroegere verzekeringen
van de verzekerde inbegrepen, niet gedurende meer dan 60 dagen is
onderbroken geweest; eveneens vindt het in de eerste
zinsnede bepaalde geen toepassing bij bevalling indien hetzij de
uitkering, bedoeld in artikel 29, zevende lid, is
toegekend, hetzij de verzekering, vroegere verzekeringen van de
verzekerde inbegrepen, in het tijdvak van 40 achtereenvolgende weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag der
bevalling niet gedurende meer dan 60 dagen is onderbroken
geweest;
c. indien
de verzekerde niet binnen redelijke termijn geneeskundige hulp
inroept en niet zich gedurende het gehele verloop der ziekte onder
behandeling blijft stellen of indien hij de voorschriften van de
behandelende geneeskundige niet opvolgt;
d. indien
de verzekerde gedurende de ongeschiktheid tot werken zich schuldig
maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
e. indien
de verzekerde zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan
een verzoek ingevolge deze wet gedaan door het bestuur van de
bedrijfsvereniging of van de afdelingskas om te verschijnen of
inlichtingen te verstrekken, of indien het geneeskundig onderzoek
door een door het bestuur van de bedrijfsvereniging of van
de afdelingskas aangewezen geneeskundige door toedoen van de
verzekerde niet kan plaatshebben;
f. indien
de verzekerde het voorschrift gegeven in artikel
38 niet
opgevolgd heeft. In dat geval mag ziekengeld geweigerd worden
over de dagen voorafgaande aan de tweede dag na die van de ontvangst der ziekmelding. Bij de bepaling van de laatste twee
dagen van het tijdvak waarover de uitkering van ziekengeld mag
worden geweigerd, blijven de zaterdag en de zondag buiten
beschouwing;
g. indien de
verzekerde de hem op grond van artikel 30, vijfde lid, opgelegde
verplichting niet nakomt of zich niet houdt aan de
controlevoorschriften als bedoeld in artikel 39;
h. indien de
verzekerde de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt en hij gedurende
het laatste halfjaar aan de ongeschiktheid tot werken voorafgaande niet op ten minste
50 dagen arbeid in dienstbetrekking heeft verricht;
i. indien met
betrekking tot de ongeschiktheid tot werken bij de uitvoering van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering gebruik wordt
gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 25 of
28, onderdeel
a of b, van die wet;
j. indien de
verzekerde zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft
veroorzaakt.
-2. Het bepaalde in
het eerste lid, onderdeel a, onder 2º, blijft buiten toepassing ten
aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, in verband met het
bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel b tot en met g, niet
verzekerd was.
|
|
|
Art. 45 (oud).
Ingeval degene in wiens
dienst de verzekerde werkzaam is of laatstelijk geweest is een
verzoek doet tot vermindering van of tot staking van de uitkering
van ziekengeld, wordt door de bedrijfsvereniging zo spoedig
mogelijk op zodanig verzoek beslist.
Het bepaalde in dit
artikel is vervallen.
|
|
|
|
Art. 45 (nieuw).
De rechter is bevoegd te beoordelen of de wijze waarop
van de in artikel 44 bedoelde bevoegdheid gebruik is
gemaakt in
overeenstemming is met de redelijkheid.
|
|
Art. 46 (oud).
-1. Degene die:
a. hetzij gedurende twee maanden onafgebroken op
alle werkdagen verplicht verzekerd is geweest; of
b. hetzij in de loop van de twee maanden
voorafgaande aan het einde zijner verplichte verzekering
op ten minste zestien dagen
arbeid in loondienst heeft verricht,
heeft, indien hij in het
onder a bedoelde geval binnen één maand na het einde van die twee
maanden en in het onder b bedoelde geval binnen acht dagen
na het einde van zijn verplichte verzekering ongeschikt tot
werken wordt terwijl hij
werkloos is, tegenover de bedrijfsvereniging waarbij zijn laatste
werkgever was aangesloten aanspraak op ziekengeld alsof hij
verzekerd was gebleven.
-2. Voor de toepassing van
het in het vorige lid, onderdeel a, bepaalde wordt de daar genoemde
termijn van twee maanden geacht niet te zijn onderbroken indien
de arbeider gedurende niet meer dan zes werkdagen niet
verplicht verzekerd is geweest. Voor de toepassing van het
bepaalde in dit en het vorige lid wordt arbeid in een
aaneengesloten nachtdienst op twee ¹ verricht, gerekend als arbeid
op één dag.
-3. Voor de vaststelling van het bedrag van het ziekengeld wordt de
ongeschiktheid tot werken geacht te zijn ingetreden in de
kalenderweek waarin de verplichte verzekering is
geëindigd.
-4. Voor de toepassing van
het eerste lid gelden achtereenvolgende verzekeringen bij
verschillende bedrijfsverenigingen als één verzekering.
1. Volgens de redactie dient
na "twee" te worden ingevoegd: dagen.
Zie artikel 55
(nieuw), vierde lid.
-5. De in het eerste lid bedoelde
aanspraak komt niet toe aan degene die zich ter vervulling van
zijn militaire dienstplicht in werkelijke dienst bevindt. Evenmin
komt deze aanspraak toe aan degene die zich buitenslands bevindt,
tenzij bij algemene maatregel van bestuur, met inachtneming voor
zoveel mogelijk van het beginsel der wederkerigheid, neergelegd in
de wetgeving van een vreemde Mogendheid, het tegendeel wordt
bepaald.
-6. De in het eerste lid
bedoelde aanspraak komt mede toe, voor zover het betreft de
toepassing van het vierde en vijfde lid van artikel
29, aan de vrouw wier bevalling waarschijnlijk is,
onderscheidenlijk wier bevalling plaatsvindt binnen een
tijdsverloop van tien weken na het einde van haar verplichte
verzekering.
-7. Voor de toepassing van dit artikel is ongeschikt tot werken
degene die ongeschikt is tot het verrichten van de arbeid
waarmede hij in zijn onderhoud placht te voorzien.
Vijfde, zesde en zevende lid: zie
nieuwe tekst vierde, vijfde en zesde lid.
|
|
|
|
Art. 46 (nieuw).
-1.
Degene die:
a. gedurende twee maanden onafgebroken op alle dagen
verzekerd is geweest; of
b. in de loop van de twee
maanden voorafgaande aan het
einde van zijn verzekering op ten minste zestien dagen
verzekerd is geweest;
heeft, indien hij in het onder a bedoelde
geval binnen één maand na het einde van die twee maanden en in het
onder b bedoelde geval binnen acht dagen na het einde
van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, tegenover de
bedrijfsvereniging waarbij hij laatstelijk verzekerd was
aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven.
-2.
Voor de toepassing
van het in het vorige lid, onderdeel a, bepaalde, wordt de
daargenoemde termijn van twee maanden geacht niet te zijn
onderbroken indien de werknemer gedurende niet meer dan zeven
dagen niet verzekerd is geweest. Voor de toepassing van het
bepaalde in dit en het vorige lid wordt arbeid in een
aaneengesloten nachtdienst op twee dagen verricht, gerekend als
arbeid op één dag.
-3. Voor de
vaststelling van het bedrag van het ziekengeld wordt de
ongeschiktheid tot werken geacht te zijn ingetreden in de
kalenderweek waarin de verzekering is geëindigd.
-4. De in het eerste
lid bedoelde aanspraak komt niet toe aan:
a. degene die in
verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel b tot en
met g, niet verzekerd is;
b. degene die
ingevolge de wetgeving van een andere mogendheid aanspraak heeft
op uitkering bij ziekte.
-5.
De
in het eerste lid bedoelde aanspraak komt mede toe, voor zover het
betreft de toepassing van het zevende en achtste lid
van artikel 29. aan de vrouw wier bevalling waarschijnlijk
is,
onderscheidenlijk wier bevalling plaats vindt binnen een
tijdsverloop van tien weken na het einde van haar verplichte
verzekering.
-6. Voor de toepassing
van dit artikel is ongeschikt tot werken degene die ongeschikt is
tot het verrichten van de arbeid waarmede hij in zijn onderhoud
placht te voorzien.
|
|
|
Art. 47 (oud).
-1. Het ziekengeld wordt uiterlijk in
de kalenderweek volgende op die waarover het is verschuldigd,
uitgekeerd.
-2. Van het ziekengeld mag alleen
worden afgehouden hetgeen door de verzekerde wegens premie
verschuldigd is.
|
|
|
|
Art. 47 (nieuw).
-1. Het ziekengeld wordt uiterlijk in
de kalenderweek volgende op die waarover het is verschuldigd,
uitgekeerd.
-2. Van het ziekengeld mag alleen
worden afgehouden hetgeen door de verzekerde wegens premie
verschuldigd is.
|
|
|
Art. 48 (oud).
Over de dagen waarop een
verzekerde die kostwinner is, anders dan krachtens enige door
hem gesloten overeenkomst is opgenomen in een inrichting voor
zieken of in een gesticht of waarop de werkgever bij wie hij
inwoont, zonder de kosten te verhalen, ingevolge artikel 1638ij
van het Burgerlijk
Wetboek voor zijn verpleging zorg draagt, is
het orgaan hetwelk het risico zijner verzekering draagt, bevoegd
het ziekengeld geheel of ten dele uit te betalen aan de personen,
wier kostwinner hij is.
Het bepaalde in dit
artikel is vervallen.
|
|
|
|
Art. 48 (nieuw).
Voor zover betreft het in ontvangst nemen van een
uitkering ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor de
betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige
gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen
de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het
bestuur der betrokken bedrijfsvereniging, geschiedt de uitbetaling
aan de wettelijke vertegenwoordiger.
|
|
|
Art. 49 (oud).
Wijziging van bepalingen betreffende het ziekengeld heeft geen
invloed op de op het ogenblik van inwerkingtreding der wijziging
lopende uitkeringen, tenzij de
uitkeringen worden verhoogd uitsluitend op grond dat de premiën
te hoog zijn gebleken.
|
|
|
|
Art. 49 (nieuw).
Wijziging
van bepalingen betreffende het ziekengeld heeft geen invloed op de
op het ogenblik van inwerkingtreding der wijziging lopende
uitkeringen, tenzij bij de
wijziging anders wordt bepaald.
|
|
|
Art. 50 (oud).
-1. Beslag op het de verzekerde toekomende ziekengeld is alleen
geldig indien het beslag dient tot verhaal van onderhoud waartoe
de verzekerde volgens de wet is gehouden. Hetzelfde geldt ten
aanzien van overdracht, inpandgeving of elke andere handeling
waardoor de verzekerde enig recht op het hem toekomende ziekengeld
aan een derde toekent.
-2. Volmacht tot invordering
van het ziekengeld, onder welke vorm of welke benaming ook door de
verzekerde verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk
beding strijdig met
enige bepaling van dit artikel is nietig.
|
|
|
|
Art. 50 (nieuw).
-1. Het ziekengeld is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor
verpanding of belening;
c. behoudens voor zover dit dient tot
verhaal van onderhoud waartoe de verzekerde volgens de wet is
gehouden, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag,
noch voor faillissementsbeslag.
-2. Volmacht tot
ontvangst van het ziekengeld, onder welke vorm of benaming ook
verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk
beding
strijdig met enige bepaling van dit artikel is nietig.
|
|
|
Art. 51 (oud).
Het Rijk is tegenover de verzekerden die recht hebben op
ziekengeld, zonder enig voorbehoud voor de uitkering daarvan
aansprakelijk.
|
|
|
|
Art. 51 (nieuw).
Het Rijk is tegenover de verzekerden die recht hebben op ziekengeld, zonder enig voorbehoud voor de uitkering
daarvan aansprakelijk.
|
|
|
Art. 52 (oud).
-1. Indien een
verzekerde in verband met de ongeschiktheid tot
werken waarvoor hij ziekengeld ontvangt tegen de werkgever naar
burgerlijk recht een rechtsvordering tot schadevergoeding heeft,
zal de rechter bij de vaststelling dezer schadevergoeding het
bedrag van hel ziekengeld dat de verzekerde is uitgekeerd of nog
toekomt in mindering brengen.
-2. Indien ter zake van
het feit waarop de rechtsvordering tot schadevergoeding steunt
het hoofd of de bestuurder der onderneming hier te lande of in het
buitenland bij onherroepelijk geworden vonnis van de strafrechter
is veroordeeld, hebben degenen te wier laste het bedrag komt dat
door de verzekerde, zijn erfgenamen of zijn rechtverkrijgenden
krachtens deze wet wordt genoten, voor dat bedrag een
rechtsvordering tegen de veroordeelde.
-3. Indien ter zake van het feit waarop de rechtsvordering
tot
schadevergoeding steunt het hoofd of de bestuurder der
onderneming door de Nederlandse strafrechter bij een
niet-onherroepelijk geworden verstekvonnis is veroordeeld, hebben
degenen te wier laste het bedrag komt dat door de verzekerde,
zijn erfgenamen of zijn rechtverkrijgenden krachtens deze wet
wordt genoten, eveneens voor dat bedrag een rechtsvordering tegen
de veroordeelde. Deze rechtsvordering zal kunnen worden ingesteld
zes maanden na de dagtekening van het verstekvonnis, tenzij vóór
die tijd het hoofd of de bestuurder tegen dat vonnis verzet heeft
aangetekend.
-4. Behoudens hetgeen in de voorgaande leden is bepaald ten aanzien
van de aansprakelijkheid van de werkgever van de verzekerde is
degene die gehouden is tot vergoeding van de schade door de
verzekerde tengevolge van ongeschiktheid tot werken als bedoeld in
artikel 19 geleden, voor het bedrag der schadevergoeding
krachtens deze wet uitbetaald aansprakelijk jegens degene te
wiens laste dat bedrag komt. Bij de vaststelling van de
schadevergoeding welke de verzekerde van de in de vorige volzin
bedoelde persoon vordert, wordt door de rechter rekening gehouden
met hetgeen door hem krachtens deze wet wordt genoten.
-5. Onder werkgever in de zin van dit artikel wordt mede verstaan
degene die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel
16a der Coördinatiewet Sociale
Verzekering mede als werkgever
wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel
bedoelde uitzonderingen.
|
|
|
|
Art. 52 (nieuw).
Bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop
de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake
van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte houdt de rechter
rekening met de aanspraken die hij krachtens deze wet heeft.
|
|
|
|
|
|
Art. 52a.
De bedrijfsvereniging heeft voor de krachtens deze
wet gemaakte kosten verhaal op degene die in verband met het
veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde
naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten
hoogste tot het bedrag waarvoor deze bij het ontbreken van de
aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk
zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat van de
schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon
jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
|
|
|
|
|
|
Art. 52b.
-1. Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten
aanzien van de werkgever van de verzekerde die naar burgerlijk
recht tot schadevergoeding is verplicht slechts indien de
ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste
roekeloosheid van die werkgever.
-2. Voor de
toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd
degene die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel
16a der Coördinatiewet Sociale
Verzekering mede als werkgever
wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel
bedoelde uitzonderingen.
|
|
|
Art. 53 (oud).
-1. In de uitvoering van de in deze wet geregelde verzekering wordt
voorzien door bedrijfsverenigingen.
-2. Onder bedrijfsvereniging wordt in deze wet verstaan een
bedrijfsvereniging als bedoeld in hoofdstuk II van de
Organisatiewet Sociale Verzekering.
-3. Onder afdelingskas wordt in deze wet verstaan een afdelingskas
als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk II van de Organisatiewet
Sociale Verzekering.
|
|
|
|
Art. 53 (nieuw).
-1. In de uitvoering van de in deze wet geregelde
verzekering wordt voorzien door bedrijfsverenigingen.
-2. Onder
bedrijfsvereniging wordt in deze wet verstaan een
bedrijfsvereniging als bedoeld in hoofdstuk II van de
Organisatiewet Sociale Verzekering.
-3. Onder afdelingskas
wordt in deze wet verstaan een afdelingskas als bedoeld in
paragraaf 2 van hoofdstuk II van de Organisatiewet Sociale
Verzekering.
|
|
|
Art. 54 (oud).
De bedrijfsvereniging is verplicht een reglement voor de
ziekteverzekering ("ziekengeldreglement") samen te stellen,
dat evenals een latere wijziging daarvan aan de goedkeuring van Onze Minister
is onderworpen.
|
|
|
|
Art. 54 (nieuw).
De bedrijfsvereniging is verplicht een reglement voor
de ziekteverzekering ("ziekengeldreglement") samen te
stellen, dat evenals een latere wijziging daarvan aan de
goedkeuring van Onze Minister is onderworpen.
|
|
|
Art. 55 (oud).
-1. De arbeider is verzekerd bij de
bedrijfsvereniging waarbij
zijn werkgever is aangesloten. In afwijking van het bepaalde in de
vorige volzin is degene die ingevolge artikel 3 als arbeider
wordt beschouwd, verzekerd bij de bedrijfsvereniging welke hem
uitkering krachtens de Werkloosheidswet verleent.
-2. Indien
de werkgever bij meer dan één bedrijfsvereniging is aangesloten,
is de arbeider verzekerd bij de bedrijfsvereniging welke
haar werking uitstrekt over het onderdeel van het bedrijfs- en
beroepsleven waartoe zijn werkzaamheden uitsluitend of in
hoofdzaak behoren.
Tweede lid: zie nieuwe
tekst derde lid.
|
|
|
|
Art. 55 (nieuw).
-1. De werknemer is, behoudens het bepaalde in de
volgende leden, verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij zijn
werkgever is aangesloten.
-2.
Degene die als
werknemer wordt beschouwd ingevolge het bepaalde in artikel
7,
onderdeel a, b en e, is verzekerd bij de
bedrijfsvereniging welke
beslist over de toekenning van de aldaar bedoelde uitkering.
-3. Indien
de werkgever bij meer dan één bedrijfsvereniging is aangesloten,
is de werknemer verzekerd bij de bedrijfsvereniging welke
haar werking uitstrekt over het onderdeel van het bedrijfs- en
beroepsleven waartoe zijn werkzaamheden uitsluitend of in
hoofdzaak behoren.
-4. Voor de toepassing
van deze wet gelden aaneensluitende verzekeringen bij verschillende
bedrijfsverenigingen
als één verzekering.
|
|
|
Art. 56 (oud).
-1. Bij overgang van een werkgever van de ene bedrijfsvereniging
naar een andere blijven ziekengelduitkeringen, verschuldigd ter
zake van ongeschiktheid tot werken van arbeiders van die
werkgever, ontstaan vóór de dag van diens overgang, voor
rekening van de bedrijfsvereniging welke het risico van hun
verzekering droeg op de dag waarop de ongeschiktheid tot werken
is ontstaan.
-2. De ziekengelduitkeringen ingevolge
artikel 46 verschuldigd ter
zake van ongeschiktheid tot werken van gewezen arbeiders van
vorenbedoelde werkgever, ontstaan na de dag van diens overgang,
komen voor rekening van de bedrijfsvereniging waarbij deze arbeiders
laatstelijk verzekerd waren.
|
|
|
|
Art. 56 (nieuw).
-1. Bij
overgang van een werkgever van de ene bedrijfsvereniging naar een
andere blijven ziekengelduitkeringen, verschuldigd ter zake van
ongeschiktheid tot werken van werknemers van die werkgever,
ontstaan vóór de dag van diens overgang, voor rekening van de
bedrijfsvereniging welke het risico van hun verzekering droeg op
de dag waarop de ongeschiktheid tot werken is ontstaan.
-2. De ziekengelduitkeringen ingevolge artikel 46 verschuldigd ter zake
van ongeschiktheid tot werken van gewezen werknemers van
vorenbedoelde werkgever, ontstaan na de dag van diens overgang,
komen voor rekening van de bedrijfsvereniging waarbij deze werknemers
laatstelijk verzekerd waren.
|
|
|
Art. 57 (oud).
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd, onder goedkeuring van
Onze Minister, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, te
bepalen dat
aan bij haar verzekerde arbeiders hogere uitkeringen zullen
worden gedaan dan deze wet vaststelt of over langere duur dan
deze bepaalt of behalve het bij deze wet bepaalde ziekengeld
andere uitkeringen zullen worden gedaan. Zodanige bepalingen
worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
-2. Op uitkeringen voortvloeiende uit het bepaalde in het eerste
lid zijn de bepalingen dezer wet niet van toepassing.
|
|
|
|
Art. 57 (nieuw).
-1. De
bedrijfsvereniging is bevoegd, onder goedkeuring van Onze Minister, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, te
bepalen dat aan
bij haar verzekerde werknemers hogere uitkeringen zullen
worden gedaan dan deze wet vaststelt of over langere duur dan deze
bepaalt of behalve het bij deze wet bepaalde ziekengeld andere
uitkeringen zullen worden gedaan. Zodanige bepalingen worden in de
Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
-2. Op uitkeringen
voortvloeiende uit het bepaalde in het eerste lid zijn de
bepalingen dezer wet niet van toepassing.
|
|
|
Art. 58 (oud).
-1. Bedrijfsverenigingen
kunnen ten aanzien van zaken betreffende de uitvoering van deze
wet een gemeenschappelijke regeling treffen, welke binnen veertien
dagen
na haar totstandkoming ter kennis wordt gebracht van de Sociale
Verzekeringsraad.
-2. Meent de Sociale Verzekeringsraad dat de regeling in strijd is
met de wet of het algemeen belang, zo geeft hij hiervan kennis aan
Onze Minister.
Zie artikel 16a
van het wetsontwerp tot wijziging van de Organisatiewet Sociale
Verzekering, zitting 1962-1963, 7171, nr. 9.
|
|
|
|
Art. 58 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 59 (oud). Vervallen per 1 januari 1954.
|
|
|
|
Art. 59 (nieuw). Vervallen per 1 januari 1954.
|
|
|
Art. 60 (oud).
-1. De premie wordt vastgesteld in honderdsten van het
loon dat in
het tijdvak waarover de betaling loopt door de verzekerde is
genoten.
-2. Van de premie is de helft door de verzekerde verschuldigd tot
ten hoogste één ten honderd van zijn voor premieberekening in
aanmerking komend loon en het overblijvende door de werkgever,
behoudens dat de premie geheel door de werkgever is verschuldigd
ten aanzien van een verzekerde wiens loon geheel bestaat in
verstrekkingen in natura, met of zonder huisvesting en onderricht.
-3. In bijzondere gevallen is evenwel
Onze Minister bevoegd de
werkgever toe te staan op het loon van de arbeider een
groter aandeel in de premie in te houden dan ingevolge het tweede
lid van dit artikel geoorloofd is. Bij de vorenbedoelde vergunning
wordt het aandeel in de premie dat op het loon van de arbeider
mag worden ingehouden, aangegeven.
-4. De werkgever is gehouden zowel de door de verzekerde als de
door hemzelf verschuldigde premie te betalen. De werkgever mag van
het loon van de verzekerde afhouden het door deze
verschuldigde deel der premie over de tijd waarover dat loon
betaald wordt. Het afgehouden bedrag wordt geacht door de
werkgever te worden gevorderd krachtens artikel 1638r, onder
3º,
van het Burgerlijk
Wetboek. Indien de verschuldigde premie na de
loonuitbetaling met terugwerkende kracht wordt verhoogd of indien
een voorschotpremie wordt gevorderd, mag bij de definitieve
vaststelling van de kosten niets van een eventueel door de
werkgever bij te betalen bedrag of bijbetaald bedrag op de arbeider
worden verhaald.
-5. Met afwijking van het
bepaalde in artikel 13 wordt het door de werkgever verschuldigde
deel der premie naar boven en het door de arbeider verschuldigde
deel naar beneden afgerond tot een veelvoud van een cent.
|
|
|
|
Art. 60 (nieuw).
-1. De premie wordt vastgesteld in honderdsten van het
loon dat in het tijdvak waarover de betaling loopt door de
verzekerde is genoten.
-2. Van de premie is de
helft door de verzekerde verschuldigd tot ten hoogste één ten
honderd van zijn voor premieberekening in aanmerking komend loon
en het overblijvende door de werkgever, behoudens dat de premie
geheel door de werkgever is verschuldigd ten aanzien van een
verzekerde wiens loon geheel bestaat in verstrekkingen in natura,
met of zonder huisvesting en onderricht.
-3. In bijzondere
gevallen is evenwel Onze Minister bevoegd
de werkgever toe te
staan op het loon van de werknemer een groter aandeel in de
premie in te houden dan ingevolge het tweede lid van dit artikel
geoorloofd is. Bij de vorenbedoelde vergunning wordt het aandeel
in de premie dat op het loon van de werknemer mag worden
ingehouden, aangegeven.
-4. De werkgever is
gehouden zowel de door de verzekerde als de door hemzelf
verschuldigde premie te betalen. De werkgever mag op het
loon van de verzekerde inhouden het door deze verschuldigde
deel der premie over de tijd waarover dat loon betaald wordt. Het
ingehouden bedrag wordt geacht door de werkgever te worden
gevorderd krachtens artikel 1638r, onder 3º. van het
Burgerlijk
Wetboek. Indien de verschuldigde premie na de loonuitbetaling met
terugwerkende kracht wordt verhoogd of indien een
voorschotpremie wordt gevorderd, mag bij de definitieve
vaststelling van de kosten niets van een eventueel door de
werkgever bij te betalen bedrag of bijbetaald bedrag op de werknemer
worden verhaald.
|
|
|
Art. 61 (oud). Vervallen per 1 januari 1954.
|
|
|
|
Art. 61 (nieuw). Vervallen per 1 januari 1954.
|
|
|
Art. 62 (oud). Vervallen per 1 januari 1954.
|
|
|
|
Art. 62 (nieuw). Vervallen per 1 januari 1954.
|
|
Art. 63 (oud).
-1. Uit de middelen opgebracht door de aangesloten werkgevers,
met uitzondering van de werkgevers aan wier onderneming een
afdelingskas is verbonden en de werkgevers die krachtens de
statuten der bedrijfsvereniging met een afdelingskas zijn
gelijkgesteld, vormt de bedrijfsvereniging een reserve.
-2. De reserve dient aan het einde van elk boekjaar ten minste een
omvang te hebben van een derde deel van de gemiddeld per boekjaar
over de drie voorafgaande boekjaren verstrekte uitkeringen.
Uitkeringen welke uitsluitend voor rekening komen van een
afdelingskas of van een krachtens de statuten der
bedrijfsvereniging met een afdelingskas gelijkgestelde werkgever,
blijven voor het bepalen van de omvang van de reserve buiten
aanmerking. De Sociale Verzekeringsraad kan voorschriften geven
omtrent de belegging van de middelen der reserve, alsmede omtrent
de wijze van waardering der beleggingen.
-3. De bedrijfsvereniging is bevoegd, indien haar middelen over
enig boekjaar niet toereikend zijn om de uitgaven over dat jaar te
dekken, een bedrag ter grootte van het tekort aan de reserve te
onttrekken.
-4. Indien de reserve op het einde van enig boekjaar minder
bedraagt dan het in het tweede lid bedoelde minimum, vindt in het
daaropvolgende boekjaar aanvulling tot dat minimum plaats. Indien
de resultaten over laatstbedoeld boekjaar niet toereikend zijn om
de reserve tot het minimum aan te vullen, vindt verdere aanvulling
plaats in het tweede boekjaar - of, indien de resultaten ook dan
ontoereikend zijn, uiterlijk in het derde boekjaar - volgende op
het jaar waarin de reserve voor het eerst beneden het minimum
daalde.
-5. Indien de reserve binnen het in het vorige lid bedoelde
tijdsverloop van drie jaren niet opnieuw het minimum als bedoeld
in het tweede lid heeft bereikt, geeft de Sociale
Verzekeringsraad een aanwijzing omtrent de maatregelen die moeten worden
genomen teneinde de reserve alsnog binnen de
kortst mogelijke termijn tot het minimum aan te vullen.
-6. Een aanwijzing als bedoeld in het vorige
lid kan binnen het
tijdsverloop van de daarin bedoelde drie jaren gegeven worden
indien de reserve is gedaald tot minder dan de helft van het in
het tweede lid bedoelde minimum, dan wel indien bijzondere
omstandigheden zulks naar het oordeel van de Sociale
Verzekeringsraad wenselijk maken.
-7. Indien een bedrijfsvereniging bij haar aangesloten werkgevers
in groepen heeft ingedeeld en verder is bepaald dat de reserve in
even zovele onderdelen wordt gesplitst en dat, onverlet de
aansprakelijkheid van de bedrijfsvereniging, elk onderdeel ten
behoeve van de betrokken groep wordt aangewend, is het bepaalde in
de voorgaande leden met betrekking tot deze onderdelen van de
reserve van overeenkomstige toepassing.
|
|
|
|
Art. 63 (nieuw).
-1. Uit de middelen opgebracht door de aangesloten
werkgevers, met uitzondering van de werkgevers aan wier
onderneming een afdelingskas is verbonden en de werkgevers die
krachtens de statuten der bedrijfsvereniging met een afdelingskas
zijn gelijkgesteld, vormt de bedrijfsvereniging een reserve.
-2. De reserve dient
aan het einde van elk boekjaar ten minste een omvang te hebben van
een derde deel van de gemiddeld per boekjaar over de drie
voorafgaande boekjaren verstrekte uitkeringen. Uitkeringen welke
uitsluitend voor rekening komen van een afdelingskas of van een
krachtens de statuten der bedrijfsvereniging met een afdelingskas
gelijkgestelde werkgever, blijven voor het bepalen van de omvang
van de reserve buiten aanmerking. De Sociale Verzekeringsraad kan
voorschriften geven omtrent de belegging van de middelen der
reserve, alsmede omtrent de wijze van waardering der beleggingen.
-3. De
bedrijfsvereniging is bevoegd, indien haar middelen over enig
boekjaar niet toereikend zijn om de uitgaven over dat jaar te
dekken, een bedrag ter grootte van het tekort aan de reserve te
onttrekken.
-4. Indien de reserve
op het einde van enig boekjaar minder bedraagt dan het in het
tweede lid bedoelde minimum, vindt in het daaropvolgende boekjaar
aanvulling tot dat minimum plaats. Indien de resultaten over
laatstbedoeld boekjaar niet toereikend zijn om de reserve tot het
minimum aan te vullen, vindt verdere aanvulling plaats in het
tweede boekjaar - of, indien de resultaten ook dan ontoereikend
zijn, uiterlijk in het derde boekjaar - volgende op het jaar
waarin de reserve voor het eerst beneden het minimum daalde.
-5. Indien de reserve
binnen het in het vorige lid bedoelde tijdsverloop van drie jaren
niet opnieuw het minimum als bedoeld in het tweede lid heeft
bereikt, geeft de Sociale Verzekeringsraad een aanwijzing omtrent
de maatregelen die moeten worden genomen teneinde de reserve
alsnog binnen de kortst mogelijke termijn tot het minimum aan te
vullen.
-6. Een aanwijzing als
bedoeld in het vorige lid kan binnen het tijdsverloop van de
daarin bedoelde drie jaren gegeven worden indien de reserve is
gedaald tot minder dan de helft van het in het tweede lid bedoelde
minimum, dan wel indien bijzondere omstandigheden zulks naar het
oordeel van de Sociale Verzekeringsraad wenselijk maken.
-7. Indien een
bedrijfsvereniging bij haar aangesloten werkgevers in groepen
heeft ingedeeld en verder is bepaald dat de reserve in even
zovele onderdelen wordt gesplitst en dat, onverlet de
aansprakelijkheid van de bedrijfsvereniging, elk onderdeel ten
behoeve van de betrokken groep wordt aangewend, is het bepaalde in
de voorgaande leden met betrekking tot deze onderdelen van de
reserve van overeenkomstige toepassing.
|
|
|
Art. 64 (oud).
-1. De bedrijfsverenigingen zijn, overeenkomstig het bij of
krachtens dit hoofdstuk bepaalde, verplicht degenen van wier
verplichte verzekering zij laatstelijk het risico droegen, na
beëindiging van hun verplichte verzekering op hun verzoek toe te
laten tot het sluiten van een vrijwillige verzekering. Deze
verplichting bestaat evenwel alleen wanneer deze personen als
zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefenen of zullen gaan
uitoefenen of wanneer ten aanzien van deze personen op grond van
gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat het
hun bedoeling is om hij geboden gelegenheid opnieuw in loondienst
te treden.
-2. De
bedrijfsverenigingen zijn echter bevoegd de in het vorige lid bedoelde
personen die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben van de in
het eerste lid bedoelde verzekering uit te sluiten.
Zie nieuwe tekst:
derde lid.
-3. De
bedrijfsverenigingen zijn bevoegd ook andere personen tot de
vrijwillige verzekering toe te laten.
Zie nieuwe tekst:
vierde lid.
|
|
|
|
Art. 64 (nieuw).
-1. De bedrijfsverenigingen zijn verplicht overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde tot de
vrijwillige verzekering toe te laten, mits hij hier te lande
woont:
a.
degene wiens
verplichte verzekering is geëindigd en te wiens aanzien op grond
van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat
onderbreking van die verplichte verzekering van korte duur zal
zijn;
b. degene die,
terwijl hij hier te lande woonde, in het buitenland verplicht
verzekerd was tegen geldelijke gevolgen van ziekte, mits:
1º. hij niet meer
in het buitenland verzekerd is, omdat hij niet langer
werkzaamheden verricht in het buitenland;
2º. op grond van
gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat het
zijn bedoeling is binnen korte tijd opnieuw een dienstbetrekking
aan te gaan;
c. degene wiens
verplichte verzekering is geëindigd en die als zelfstandige een
bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, indien hij
gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het einde
van zijn verplichte verzekering onafgebroken, al dan niet hier te
lande, ingevolge een wettelijke regeling verzekerd is geweest
tegen geldelijke gevolgen van ziekte;
d. degene wiens
dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts een gedeelte van een
normale werkweek arbeid wordt verricht - niet uitsluitend als
gevolg van een voor betrokkene geldende werktijdregeling
krachtens welke een normale werkweek van gemiddeld minder dan zes
dagen van toepassing is - en die uit hoofde van die
dienstbetrekking verplicht verzekerd is, indien hij gedurende de
drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag van aanvang van
zijn vrijwillige verzekering onafgebroken, al dan niet hier te
lande, ingevolge een wettelijke regeling verzekerd is geweest
tegen geldelijke gevolgen van ziekte;
e.
degene aan wie
een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%:
f. degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%, wegens afneming
van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%;
g.
degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
55%, is ingetrokken.
-2. De in het vorige
lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van degene
wiens verplichte verzekering is geëindigd en die buiten het Rijk
woont en aldaar in dienstbetrekking staat tot een binnen het Rijk
wonende of gevestigde werkgever.
-3. De
bedrijfsverenigingen zijn echter bevoegd de in de vorige leden
bedoelde personen die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben
van de in het eerste lid bedoelde verzekering uit te sluiten.
-4. De
bedrijfsverenigingen zijn bevoegd ook andere personen tot de
vrijwillige verzekering toe te laten.
|
|
|
Art. 65 (oud).
-1. Bij de
bedrijfsvereniging welke haar werking uitstrekt over
het onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe zijn
werkzaamheden behoren of het laatst behoord hebben, mag zich
verzekeren hij die, terwijl hij zijn woonplaats hier te lande
had, in het buitenland tegen geldelijke gevolgen van ziekte
verplicht verzekerd was. Teneinde zich op grond van deze bepaling
te mogen verzekeren, is echter vereist:
a. dat
degene die zich
wenst te verzekeren zijn werkelijk verblijf heeft in Nederland;
b. dat de verzekering in het buitenland heeft opgehouden, omdat de
verzekerde niet langer werkzaamheden in het buitenland
verrichtte;
c. dat degene die zich wenst te verzekeren, overlegt een
verklaring van de instelling waarbij hij in het buitenland
verzekerd was, waaruit blijkt naar welk loon hij verzekerd was en
wanneer en waarom zijn verzekering eindigde.
-2. Aan de verzekering wordt ten grondslag gelegd het
loon
waarnaar de in het voorgaande lid bedoelde persoon blijkens de
verklaring van de buitenlandse instelling verzekerd was, tenzij de
betrokkene verzoekt naar een lager loon te worden verzekerd. De
bepalingen van artikel 64, eerste lid, tweede volzin, en tweede
lid, zijn van toepassing.
Eerste lid: zie
artikel 64 (nieuw), eerste lid, onderdeel b.
Tweede lid: zie
artikel 67 (nieuw).
|
|
|
|
Art. 65 (nieuw).
-1. De in het eerste lid van het vorige
artikel,
onderdeel e en d, genoemde termijn van drie jaren wordt geacht niet te
zijn onderbroken:
a. indien de
betrokkene gedurende niet meer dan 60 dagen niet verzekerd is
geweest;
b. gedurende het tijdvak waarover een arbeidsongeschiktheidsuitkering is genoten,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%.
-2.
De
in het eerste lid van het vorige artikel, onderdeel c en d, genoemde
voorwaarde van een verzekeringsduur van drie jaren wordt geacht te
zijn vervuld indien de betrokkene in het genot is van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
|
|
|
Art. 66 (oud).
-1.
Degene wiens verplichte
verzekering is geëindigd en die zich vrijwillig wil verzekeren,
moet zich daartoe bij de bevoegde bedrijfsvereniging aanmelden
binnen één maand na het einde der dienstbetrekking.
-2. Heeft de persoon die zich vrijwillig wenst te
verzekeren, na
het einde der dienstbetrekking ziekengeld genoten krachtens de
verplichte verzekering, dan is de termijn van aanmelding voor de
vrijwillige verzekering, bedoeld in het eerste lid, acht dagen na
zijn herstel.
-3. Degene die zich krachtens het bepaalde
bij het voorgaande
artikel vrijwillig mag verzekeren, moet zich daartoe aanmelden
binnen acht dagen na het einde der verzekering in het buitenland.
-4. De vrijwillige verzekering neemt een aanvang op het
ogenblik
dat de eerste premie is betaald, hetwelk uiterlijk moet geschieden
binnen acht dagen na de laatste dag waarop aanmelding tot de
verzekering had kunnen geschieden.
|
|
|
|
Art. 66 (nieuw).
-1. De aanmelding voor de vrijwillige verzekering
dient te geschieden bij de bedrijfsvereniging:
a. door de in het
eerste lid, onderdeel a, b en c, en het tweede lid van
artikel 64
bedoelde personen binnen één maand na het einde van hun verplichte
verzekering;
b. door de in het
eerste lid, onderdeel e, f en g, van artikel 64 bedoelde personen
binnen één maand na de dagtekening van de beslissing waarbij de
arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk werd toegekend,
herzien of ingetrokken.
-2. De in het vorige
lid, onderdeel b, bedoelde personen worden geacht zich binnen
één
maand na de dagtekening van de beslissing te hebben aangemeld
indien de aanmelding geschiedt binnen één maand na de dag waarop
zij redelijkerwijze hebben kunnen kennisnemen van die beslissing.
-3. De Sociale
Verzekeringsraad kan regelen stellen voor bijzondere gevallen
waarin aanmelding voor de vrijwillige verzekering later dan de in
de vorige leden bedoelde maand mogelijk is.
|
|
|
Art. 67 (oud).
-1. De bedrijfsverenigingen
stellen ten aanzien van de vrijwillige verzekering regelen vast
omtrent het uit te keren ziekengeld, het dagloon waarnaar het
ziekengeld en de verschuldigde premie worden berekend en het
percentage van het dagloon dat aan premie verschuldigd is. Deze
regelen behoeven de goedkeuring van
Onze Minister.
-2. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen onderscheiden al
naargelang het betreft:
a. personen wier verplichte verzekering naar redelijkerwijze valt
aan te nemen slechts tijdelijk is geëindigd;
b. personen die na het einde hunner verplichte verzekering een
bedrijf of een beroep zijn of zullen gaan uitoefenen;
c. personen, bedoeld in het derde lid van artikel
64.
-3. Voor personen als bedoeld in het vorige lid, onderdeel a, mag het
uit te keren ziekengeld niet worden gesteld op een lager bedrag
dan de helft van het dagloon en mag het percentage van het dagloon aangevende de verschuldigde
premie niet hoger worden
gesteld dan het percentage van het loon dat voor die personen als
premie verschuldigd zou zijn indien zij verplicht verzekerd
waren. In bijzondere gevallen kan evenwel Onze Minister toestaan
dat de premie op een hoger bedrag wordt gesteld.
-4. Voor personen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, mag het
percentage van het dagloon aangevende de verschuldigde premie
niet hoger worden gesteld dan een en een half maal het percentage
van het loon dat voor die personen als premie verschuldigd zou
zijn indien zij verplicht verzekerd waren.
|
|
|
|
Art. 67 (nieuw).
-1. De premie voor de vrijwillige verzekering wordt
geheven naar de maatstaf van het dagloon dat overeenkomstig door
de Sociale Verzekeringsraad te stellen regelen aan die verzekering
ten grondslag ligt.
-2. Het percentage
van het dagloon waarin de premie wordt vastgesteld, is met
betrekking tot de in het eerste en het tweede lid van artikel 64
bedoelde personen gelijk aan het percentage van het loon dat
voor de betrokkenen als premie verschuldigd zou zijn indien zij
verplicht verzekerd waren.
|
|
|
Art. 68 (oud).
De premie wordt betaald door
of namens de vrijwillig verzekerde.
|
|
|
|
Art. 68 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 69 (oud).
-1. De vrijwillig verzekerde heeft recht op
uitkering indien hij
wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van hem passende
arbeid. Behoudens het bepaalde in het tweede lid blijft het
bepaalde in artikel 19, derde lid, buiten toepassing.
-2. Een vrouw die bij het einde van haar verplichte verzekering
zwanger was, heeft ter zake van die zwangerschap en de daaruit
volgende bevalling aanspraak op de uitkering voorzien bij
artikel 29, vierde en vijfde lid.
|
|
|
|
Art. 69 (nieuw).
-1. De
vrijwillig verzekerde heeft recht op uitkering indien hij wegens
ziekte ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid.
Behoudens het bepaalde in het tweede lid blijft het bepaalde in
artikel 19, tweede lid, onderdeel a, buiten toepassing.
-2. Een vrouw die bij
het einde van haar verplichte verzekering zwanger was, heeft ter
zake van die zwangerschap en de daaruit volgende bevalling
aanspraak op de uitkering voorzien bij artikel 29, zevende en
achtste lid.
|
|
|
Art. 70 (oud).
De bedrijfsverenigingen zijn
bevoegd te bepalen dat aan vrijwillig verzekerden geen ziekengeld
wordt uitgekeerd:
a. bij slepende ziekte;
b. zolang zij anders dan tot herstel van gezondheid buitenslands
verblijven; en
c. behoudens het bepaalde in het tweede lid van artikel
69, indien
de ziekte kennelijk reeds bestond op het tijdstip waarop de
verzekerde zich voor de vrijwillige verzekering aanmeldde.
|
|
|
|
Art. 70 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 71 (oud).
De artikelen
12, 14, 28, 37,
38, 41, 42,
44, eerste lid, onderdeel c tot en met h, en derde lid,
47, 48, 49,
50, 51, 52 en
85 dezer wet vinden, voor zover daarvan
niet in dit hoofdstuk is afgeweken, overeenkomstige toepassing.
Zie artikel 72
(nieuw).
|
|
|
|
Art. 71 (nieuw).
-1. Al hetgeen met betrekking tot de vrijwillige
verzekering nog nader geregeld dient te worden, geschiedt door de
Sociale Verzekeringsraad onder goedkeuring van
Onze Minister.
-2. In de op grond van
het vorige lid door de Sociale Verzekeringsraad te stellen
regelen kan worden bepaald dat de bedrijfsverenigingen, onder
goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad, omtrent de
vrijwillige verzekering ten aanzien van in die regelen aan te
geven onderwerpen nadere regelen kunnen stellen.
|
|
|
Art. 72 (oud).
-1. De vrijwillige verzekering eindigt van rechtswege zodra de
verzekerde verplicht verzekerd wordt, alsmede bij niet-betaling
der premie over drie achtereenvolgende betalingstermijnen.
-2. De
bedrijfsverenigingen regelen in haar statuten of reglementen de
gevallen waarin de verzekering, behalve in die in het eerste lid
genoemd, eindigt.
|
|
|
|
Art. 72 (nieuw).
Met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens
dit hoofdstuk, uitgezonderd met betrekking tot het bepaalde in
artikel 64, vierde lid, zijn, met inachtneming van de
wijzigingen
welke de aard van het onderwerp vordert, de overige bepalingen van
deze wet en de ter uitvoering van die bepalingen genomen
besluiten, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing, voor
zover daarvan in het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet
is afgeweken.
|
|
|
Art. 73 (oud).
Beroep staat open:
a. van de vaststelling der premies voor de werkgever;
b. van de bepaling van het ziekengeld, van de weigering om
ziekengeld uit te keren en van de beslissing betreffende staking
of vermindering der uitkering, voor de verzekerde, alsmede voor
degene voor wiens rekening de verzekerde, die naar het oordeel van
de bedrijfsvereniging geen kostwinner is, is opgenomen in een
inrichting voor zieken of in een gesticht. Indien het beroep
betreft een beslissing waarbij het ziekengeld geheel of ten dele
is geweigerd wegens overtreding der controlevoorschriften, kan
het ook worden ingesteld ter zake dat er tussen de weigering van
het ziekengeld en de gepleegde overtreding onevenredigheid
bestaat;
c. van de beslissing waarbij een verzoek tot toelating tot het
sluiten van een vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel
64, eerste lid, of artikel 65 is afgewezen.
|
|
|
|
Art. 73 (nieuw).
-1. Aan de belanghebbende wordt, desverlangd,
schriftelijk kennis gegeven van een beslissing ingevolge deze wet
welke:
a. verband houdt met
het recht op en de uitbetaling van ziekengeld;
b. betrekking heeft op
verschuldigde premie;
c. betrekking heeft op
vrijwillige verzekering op grond van het bepaalde in artikel
64,
eerste en tweede lid.
-2. Een kennisgeving
als in het vorige lid bedoeld, vermeldt de dagtekening van de
beslissing, de gronden waarop deze berust, alsmede naam en adres
van het college waarbij ingevolge het bepaalde in artikel 75
beroep kan worden ingesteld en de termijn van beroep.
|
|
|
|
|
|
Art. 73a.
Tegen een beslissing waarvan ingevolge het bepaalde in het vorige artikel schriftelijk kennis wordt gegeven, staat
voor de belanghebbende beroep open.
|
|
|
Art. 74 (oud).
In de gevallen, genoemd in
het voorgaande artikel, onderdeel b, wordt het beroep ingesteld
binnen veertien dagen na de dagtekening van de mededeling der
bestreden beslissing.
|
|
|
|
Art. 74 (nieuw).
Indien de bestreden beslissing betrekking heeft op
een geschil van geneeskundige aard omtrent het al dan niet bestaan
of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken, wordt het beroep
ingesteld binnen veertien dagen na dagtekening van de mededeling van die
beslissing.
|
|
|
Art. 75 (oud).
-1. Over het beroep wordt geoordeeld door de raden van beroep en
door de Centrale Raad van Beroep, bedoeld in de Beroepswet.
-2. De artikelen 135 tot en met 144 der
Beroepswet vinden toepassing in
geschillen van geneeskundige aard omtrent het al dan niet bestaan
of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken. Voor zover bij
een uitspraak van een raad van beroep is beslist omtrent zulk een
geschil, staat daarvan geen hoger beroep open.
|
|
|
|
Art. 75 (nieuw).
-1. Over het beroep wordt geoordeeld door de raden van
beroep en door de Centrale Raad van
Beroep, bedoeld in de Beroepswet.
-2. De artikelen 135 tot en met 144
der Beroepswet vinden toepassing in geschillen van geneeskundige
aard omtrent het al dan niet bestaan of voortbestaan van de
ongeschiktheid tot werken. Voor zover bij een uitspraak van een
raad van beroep is beslist omtrent zulk een geschil, staat daarvan
geen hoger beroep open.
|
|
|
Art. 76 (oud).
Hij die niet voldoet aan één der verplichtingen omschreven in de
artikelen 77 en 36, eerste lid, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste
ƒ100,00.
|
|
|
|
Art. 76 (nieuw).
Hij die niet voldoet aan één der verplichtingen omschreven in de artikelen 13 en 31,
eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand
of geldboete van ten hoogste ƒ100,00.
|
|
|
Art. 77 (oud).
Met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten
hoogste ƒ100,00 wordt gestraft hij die zich ziek meldt met het
oogmerk om wederrechtelijk ziekengeld te ontvangen:
a. over
een tijdvak waarover door hem vrijstelling van de verzekering is
verkregen;
b. verzwijgende
dat door hem een aanvraag om vrijstelling van de verzekering werd
ingediend, terwijl op die aanvraag nog niet is beslist.
|
|
|
|
Art. 77 (nieuw).
Met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete
van ten hoogste ƒ100,00 wordt gestraft hij die zich ziek meldt
met het oogmerk om wederrechtelijk ziekengeld te ontvangen:
a. over
een tijdvak waarover door hem vrijstelling van de verzekering is
verkregen;
b. verzwijgende
dat door hem een aanvraag om vrijstelling van de verzekering werd
ingediend, terwijl op die aanvraag nog niet is beslist.
|
|
|
Art. 78 (oud).
Hij die door hem krachtens deze wet betaalde of verschuldigde
premie afhoudt van het loon van of op enige andere wijze verhaalt
op een verzekerde of gewezen verzekerde, zonder dat dit bij of
krachtens deze wet is toegestaan, wordt gestraft met hechtenis van
ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste ƒ100,00.
|
|
|
|
Art. 78 (nieuw).
Hij die door hem krachtens deze wet betaalde of
verschuldigde premie afhoudt van het loon van of op enige andere
wijze verhaalt op een verzekerde of gewezen verzekerde, zonder dat
dit bij of krachtens deze wet is toegestaan, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste
ƒ100,00.
|
|
|
Art. 79 (oud).
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft de
verzekerde die de bij artikel 36, eerste lid, van hem
gevorderde mededeling opzettelijk verzwijgt.
|
|
|
|
Art. 79 (nieuw).
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren
wordt gestraft de verzekerde die de bij artikel 31, eerste
lid, van hem gevorderde mededeling opzettelijk verzwijgt.
|
|
|
Art. 80 (oud).
-1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft
hij die zich ziek meldt bij meer dan één bedrijfsvereniging,
daaronder begrepen een afdelingskas, met het oogmerk om meer
ziekengeld te verkrijgen dan hem in totaal krachtens de bepalingen
dezer wet toekomt.
-2. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt
gestraft hij die zich ter zake van dezelfde ziekte wendt zowel
tot één of meer bedrijfsverenigingen, daaronder begrepen een
afdelingskas, als tot een orgaan belast met de uitvoering ener
verplichte ongevallenverzekering, met het oogmerk om meer
geldelijke uitkering te verkrijgen dan hem in totaal krachtens de
bepalingen dezer wet en der betreffende Ongevallenwet toekomt.
|
|
|
|
Art. 80 (nieuw).
-1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt
gestraft hij die zich ziek meldt bij meer dan één bedrijfsvereniging,
daaronder begrepen een afdelingskas, met het oogmerk om meer
ziekengeld te verkrijgen dan hem in totaal krachtens de bepalingen
dezer wet toekomt.
-2. Met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaren wordt gestraft hij die zich ter zake
van dezelfde ziekte wendt tot één of meer
bedrijfsverenigingen, daaronder begrepen een afdelingskas, met het
oogmerk om meer geldelijke uitkering te verkrijgen dan hem in
totaal krachtens de bepalingen dezer wet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
toekomt.
|
|
|
Art. 81 (oud).
Ingeval het strafbaar feit
is gepleegd door een rechtspersoon, is strafbaar het hoofd of de
bestuurder van die rechtspersoon; ingeval het strafbaar feit is
gepleegd door een publiekrechtelijk lichaam, is strafbaar de
persoon die de onmiddellijke leiding heeft van de betrokken
dienst.
|
|
|
|
Art. 81 (nieuw).
-1. Indien een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit wordt gepleegd door of vanwege een lichaam, wordt de
strafvervolging ingesteld en worden de straffen en maatregelen
uitgesproken hetzij tegen dat lichaam, hetzij tegen hen die tot
het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben
gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen beiden.
-2. Een bij of
krachtens deze wet strafbaar gesteld feit wordt onder meer
gepleegd door of vanwege een lichaam indien het gepleegd wordt
door personen die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking,
hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van het lichaam,
ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het strafbaar feit
hebben gepleegd dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat
feit aanwezig zijn.
-3. Indien een
strafvervolging wordt ingesteld tegen een lichaam, wordt het
tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en,
indien er meer bestuurders zijn, door één dezer. De
vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. Het gerecht
kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder
bevelen; het kan alsdan zijn medebrenging gelasten.
-4. Indien een
strafvervolging wordt ingesteld tegen een lichaam, vindt artikel
538, onder 2º, van het Wetboek
van Strafvordering overeenkomstige
toepassing.
|
|
|
Art. 82 (oud).
Bij overtreding van één der artikelen 76, 77 of
78 kan hechtenis
van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste ƒ200,00
worden opgelegd indien tijdens het plegen van het feit nog
geen twee jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de
schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden.
|
|
|
|
Art. 82 (nieuw).
Bij overtreding van één der artikelen 76, 77 of
78 kan
hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten
hoogste ƒ200,00 worden opgelegd indien tijdens het plegen van
het feit nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een veroordeling
van de schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden.
|
|
|
Art. 83 (oud).
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als
misdrijven, uitgezonderd die, bedoeld bij artikel
76, 77 en 78,
welke als overtredingen worden beschouwd.
|
|
|
|
Art. 83 (nieuw).
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden
beschouwd als misdrijven, uitgezonderd die, bedoeld bij artikel
76, 77 en 78, welke als overtredingen worden beschouwd.
|
|
|
Art. 84 (oud).
Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voorschriften gegeven worden ingeval van geschil
tussen verschillende uitvoeringsorganen over de vraag wie tot het
doen van uitkering van ziekengeld gehouden is. Daarbij kan
verplichte arbitrage voorgeschreven worden.
|
|
|
|
Art. 84 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 85 (oud).
-1. Toegekend
ziekengeld dat
niet is ingevorderd binnen drie maanden na de eerste dag der
betaalbaarstelling wordt niet meer uitbetaald.
-2. De aanspraak op toekenning van ziekengeld verjaart door verloop
van negen maanden.
|
|
|
|
Art. 85 (nieuw).
De termijnen van het ziekengeld welke niet zijn
ingevorderd binnen twee jaren na de dag der betaalbaarstelling
worden niet meer uitbetaald.
|
|
|
Art. 86 (oud).
Hetgeen overigens nog tot uitvoering van deze wet nodig is, wordt
bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
|
|
|
|
Art. 86 (nieuw).
Hetgeen overigens nog tot uitvoering van deze wet
nodig is, wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
|
|
|
Art. 87 (oud).
-1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor bepaalde groepen
van personen bijzondere bepalingen worden gemaakt ten aanzien van
de verzekering en de ziekengelduitkering. In die bedrijven
waarvoor een bedrijfsraad, bedoeld bij de Bedrijfsradenwet, is
ingesteld, kunnen Onze Minister daaromtrent voorstellen door de
bedrijfsraad worden gedaan.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat ten
aanzien van één of meer groepen van verzekerden, met inachtneming
van bij die maatregel te stellen regelen, naast het ziekengeld
bijdragen worden verstrekt voor één of meer sociale fondsen. Met
bijdragen worden gelijkgesteld bonnen, zegels, certificaten en
andere dergelijke bewijzen welke door het betrokken sociale fonds
worden uitgegeven of voorgeschreven.
-3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen met afwijking van het in of krachtens
deze wet bepaalde bijzondere regelen met betrekking tot de
uitkering worden gesteld welke verband houden met de invoering in
het bedrijfs- en beroepsleven van werktijdregelingen krachtens
welke een normale werkweek van gemiddeld minder dan zes dagen van
toepassing is, dan wel verband houden met de omstandigheid dat
uitsluitend als gevolg van ploegendienst op een geringer aantal
dagen arbeid wordt verricht dan het normale aantal werkdagen.
|
|
|
|
Art. 87 (nieuw).
-1. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor bepaalde
groepen van personen bijzondere bepalingen worden gemaakt ten
aanzien van de verzekering en de ziekengelduitkering. In die
bedrijven waarvoor een bedrijfsraad, bedoeld bij de
Bedrijfsradenwet, is ingesteld, kunnen Onze Minister
daaromtrent
voorstellen door de bedrijfsraad worden gedaan.
-2. Bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ten aanzien van één
of meer groepen van verzekerden, met inachtneming van bij die
maatregel te stellen regelen, naast het ziekengeld bijdragen
worden verstrekt voor één of meer sociale fondsen. Met bijdragen
worden gelijkgesteld bonnen, zegels, certificaten en andere
dergelijke bewijzen welke door het betrokken sociale fonds worden
uitgegeven of voorgeschreven.
|
|
|
Art. 88 (oud).
-1.
Overeenkomsten met een verzekeringsmaatschappij gesloten
vóór het tijdstip waarop artikel 20 in werking
treedt en al
dan niet uitsluitend betreffende het risico van geldelijke
gevolgen van ziekte van één of meer arbeiders, vervallen met
ingang van vorenbedoeld tijdstip, voor zover het ziekterisico
betreft, met alle rechtsgevolgen gegrond op feiten welke na het
ogenblik van het vervallen plaatsgrepen.
-2. Ingeval verzekerd was
zowel tegen ziekterisico als tegen ander risico, vervalt ook de
verzekering tegen dat andere risico indien partijen niet vóór
het in het voorgaande lid bedoelde tijdstip overeenkomen
betreffende de instandhouding van die verzekering.
-3. Van hetgeen door de verzekeringnemer aan de
verzekeringsmaatschappij voor de tijd over welke de verzekering
tengevolge van het vervallen daarvan haar kracht verliest, was
vooruitbetaald wegens de vervallen verzekering of wegens het
gedeelte der verzekering dat vervalt, wordt de verzekeringnemer
door de verzekeringsmaatschappij drie vierde terugbetaald. Van
hetgeen voor de hiervoren bedoelde tijd door de verzekeringnemer
vóór het vervallen van de verzekering vooruitbetaald had moeten
zijn, wordt door hem een vierde aan de verzekeringsmaatschappij
betaald. Hetgeen overigens de verzekeringnemer voor de hiervoren
bedoelde tijd nog aan de verzekeringsmaatschappij zou hebben
moeten betalen, is niet verschuldigd
|
|
|
|
Art. 88 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
Art. 89 (oud).
Ten aanzien van de verzekerden wier verzekering
is ingegaan op de dag waarop artikel 20, eerste lid, en
artikel 21 in
werking treedt, is:
a. niet van toepassing het bepaalde in artikel
44, eerste lid,
onderdeel b, indien zij tot de aanvang der ongeschiktheid tot werken
onafgebroken verzekerd zijn geweest;
b. van toepassing het bepaalde in artikel
46, hoewel hun
verzekering is geëindigd binnen twee maanden na de hiervoor
bedoelde dag, indien zij tot aan het einde hunner verzekering
onafgebroken verzekerd zijn geweest.
|
|
|
|
Art. 89 (nieuw). Vervallen.
|
|
|
|