St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WIJZIGING  ZW  IN  VERBAND  MET  AANPASSING  AAN  WAO

 

 

ONTWERP VAN WET

 
Kamerstukken II 1962-1963, 7171

Wijziging van de Ziektewet (aanpassing aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering)

 

 

Nr.r12 VERGELIJKEND  OVERZICHT  ZIEKTEWET-OUD|/|-NIEUW

 

 

N.B. Aanwijzing voor het gebruik van het vergelijkend overzicht.
     De linkerkolom bevat de thans geldende tekst van de artikelen van de Ziektewet. Die gedeelten van deze tekst welke ingevolge het wetsontwerp wijziging zullen ondergaan, zijn cursief gedrukt. De rechterkolom bevat de tekst van de artikelen zoals deze ingevolge het wetsontwerp zal komen te luiden.
     Indien bepalingen van de oude tekst in de nieuwe tekst - al dan niet gewijzigd - onder een ander artikelnummer zijn opgenomen, is onder de oude tekst van het betreffende artikel een verwijzing geplaatst naar het artikel in de nieuwe tekst. Die gedeelten van de nieuwe tekst die afwijken van de thans geldende tekst zijn vet gedrukt.

 

 

 

 

                                          

 

    
    

 

 
Art. 1 (oud).
Onder arbeider wordt verstaan de arbeider die in dienst is van een onderneming, alsmede degene die in dienst is van een publiekrechtelijk lichaam, uitgezonderd degene:
a. die niet, bij wijze van beroep, tegen loon arbeid verricht, wanneer hij alleen in buitengewone gevallen tegen loon arbeid van korte duur verricht;
b. wiens loon uitsluitend bestaat in onderricht;
c. wiens loon, verdiend in loondienst van één of meer ondernemingen of publiekrechtelijke lichamen, meer bedraagt dan
ƒ7450,00 per jaar. Daarbij wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onder loon verstaan elke overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in geld vastgestelde uitkering welke de arbeider als vergoeding voor zijn arbeid of gedurende staking van de arbeid van zijn werkgever ontvangt, met uitzondering van de uitkering ingevolge een voor de groep waartoe de arbeider behoort geldende kinderbijslagregeling. Het over gedeelten van een jaar verdiende loon wordt tot jaarloon herleid;
d. die deel uitmaakt van de bemanning van een schip dat de zee bevaart en buiten het gezicht der Nederlandse kust pleegt te gaan, of ingevolge artikel 396 van het Wetboek van Koophandel schepeling is en krachtens artikel 415 van dat Wetboek aanspraak heeft op uitkering indien hij ziek is;
e. die ter vervulling van zijn militaire dienstplicht in werkelijke dienst is.

Aanhef van dit artikel: zie artikel 3 (nieuw).

Onderdeel a: vervallen.

Onderdeel b: zie artikel 4 (nieuw), eerste lid, onderdeel g.

Onderdeel c: vervallen.

Onderdeel d: zie artikel 6 (nieuw), eerste lid, onderdeel c.

Onderdeel e: zie artikel 6 (nieuw), eerste lid, onderdeel b.
 

 
Art. 1 (nieuw).
Deze wet verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
b. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, andere verenigingen van personen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.
 

 
Art. 1a (oud).
-1. Het in artikel 1, onderdeel c, genoemde bedrag wordt bij algemene maatregel van bestuur met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden verhoogd of verlaagd al naargelang het indexcijfer van de lonen en het prijsindexcijfer van het levensonderhoud zijn gestegen of gedaald.
-2. Herziening van het in artikel 1, onderdeel c, genoemde bedrag heeft telkens plaats met ingang van 1 januari wanneer het indexcijfer van de lonen op 31 juli daaraan voorafgaande of het gemiddelde van de prijsindexcijfers van het levensonderhoud over de aaneengesloten periode van twaalf maanden eindigende op 15 augustus aan eerstgenoemd tijdstip voorafgaande een afwijking vertoont van ten minste 3% van het indexcijfer van de lonen, onderscheidenlijk het gemiddelde van de prijsindexcijfers van het levensonderhoud waarop de laatste herziening van dat bedrag is gebaseerd.
-3. Bij een herziening als bedoeld in het tweede lid wordt het bedrag, genoemd in artikel 1, onderdeel c, verhoogd of verlaagd enerzijds met de helft van het percentage waarmede het indexcijfer van de lonen op 31 juli voorafgaande aan de datum van ingang der herziening naar boven of naar beneden afwijkt van het indexcijfer van de lonen op 31 juli 1959, anderzijds met de helft van het percentage waarmede het gemiddelde van de prijsindexcijfers van het levensonderhoud over de aaneengesloten periode van twaalf maanden eindigende op 15 augustus voorafgaande aan de datum van ingang der herziening naar hoven of naar heneden afwijkt van het gemiddelde van de prijsindexcijfers van het levensonderhoud over de aaneengesloten periode van twaalf maanden eindigende op 15 augustus 1959.
-4. Onder het indexcijfer van de lonen, bedoeld in de vorige leden, wordt verstaan het bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gewogen gemiddelde indexcijfer der lonen van volwassen arbeiders.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven wat onder prijsindexcijfer van het levensonderhoud, bedoeld in de vorige leden, wordt verstaan.
-6. Indien zich in de periode liggende na 31 juli onderscheidenlijk 15 augustus, doch vóór 31 december naar Ons oordeel bijzondere omstandigheden voordoen, kan, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, het in artikel 1,
onderdeel c, genoemde bedrag met ingang van 1 januari worden herzien.
-7. Bij een herziening als bedoeld in het vorige lid wordt het bedrag, genoemd in artikel 1,
onderdeel c, verhoogd of verlaagd enerzijds met de helft van het percentage waarmede het te verwachten indexcijfer van de lonen op 31 december voorafgaande aan de datum van ingang der herziening naar boven of naar beneden afwijkt van het indexcijfer van de lonen op 31 juli 1959, anderzijds met de helft van het percentage waarmede het te verwachten gemiddelde van de prijsindexcijfers van het levensonderhoud over de aaneengesloten periode van twaalf maanden eindigende op 15 december voorafgaande aan de datum van ingang der herziening naar boven of naar beneden afwijkt van het gemiddelde van de prijsindexcijfers van het levensonderhoud over de aaneengesloten periode van twaalf maanden eindigende op 15 augustus 1959.
-8. In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan, indien naar Ons oordeel bij toepassing van de vorige leden het aantal verzekerde arbeiders in de zin van deze wet beduidend zou toenemen dan wel afnemen, het in artikel 1,
onderdeel c, genoemde bedrag met ingang van 1 januari van enig jaar door Ons worden herzien dan wel herziening achterwege blijven. Indien herziening plaatsvindt dan wel achterwege blijft, wordt aangegeven van welk indexcijfer der lonen onderscheidenlijk gemiddelde van prijsindexcijfers van het levensonderhoud is uitgegaan en worden de noodzakelijke correcties op het indexcijfer van de lonen op 31 juli 1959 onderscheidenlijk op het gemiddelde van de prijsindexcijfers van het levensonderhoud over de aaneengesloten periode van twaalf maanden eindigende op 15 augustus 1959 aangebracht.
-9. Alvorens Ons een voordracht wordt gedaan tot een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het zesde of achtste lid, wordt de Sociaal-Economische Raad gehoord. Het advies van de Sociaal-Economische Raad wordt bekendgemaakt door plaatsing in het Staatsblad waarin de algemene maatregel van bestuur wordt geplaatst waarop het advies betrekking heeft.
-10. Bij een herziening van het in artikel 1,
onderdeel c, genoemde bedrag wordt het bedrag, in afwijking van het bepaalde in artikel 13, naar boven afgerond op een veelvoud van 50 gulden.
 

 
Art. 1a (nieuw). Vervallen.
 

  
Art. 1b (oud).
Wijzigingen van het loon welke tijdens de duur van de dienstbetrekking in de loop van een kalenderjaar plaatsvinden, blijven voor de toepassing van het bepaalde bij artikel 1, onderdeel c, tot het einde van het desbetreffende kalenderjaar buiten beschouwing.
 

 
Art. 1b (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 2 (oud).
-1. Degene die persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht:
a. die verband houdt met het in de onderneming van degene van wie het werk is aangenomen uitgeoefende bedrijf;
b. ten aanzien waarvan degene van wie het werk is aangenomen, geacht zou worden werkgever te zijn in de zin dezer wet indien die arbeid in loondienst werd verricht;
wordt, indien ten aanzien van de aannemer van het werk door het bestuur der Rijksverzekeringsbank niet is beslist dat hij in de zin der Ongevallenwet 1921 of der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 in een onderneming een verzekeringsplichtig bedrijf uitoefent, voor de toepassing van deze wet geacht deze arbeid te verrichten in dienst van degene van wie het werk is aangenomen. Deze laatste wordt voor de toepassing dezer wet als werkgever beschouwd. Hetgeen voor de verrichting van die arbeid wordt genoten, wordt als loon in de zin dezer wet beschouwd.
-2. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon zich bij het verrichten van de arbeid laat bijstaan door andere personen, worden ook deze andere personen voor de toepassing van deze wet beschouwd hun arbeid te verrichten in dienst van de in het eerste lid bedoelde werkgever.
-3. Degenen die tegen beloning persoonlijk bij algemene maatregel van bestuur aangewezen werkzaamheden verrichten welke verband houden met of verricht worden ten behoeve van het in de onderneming uitgeoefende bedrijf, worden voor de toepassing van deze wet geacht die werkzaamheden te verrichten in dienst van degene ten behoeve van wiens onderneming die werkzaamheden worden verricht.

Eerste en tweede lid: zie artikel 4 (nieuw), eerste lid, onderdeel a en b.

Derde lid: zie artikel 5 (nieuw), onderdeel d.
 

 
Art. 2 (nieuw).
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen welke binnen het Rijk hun thuishaven hebben, ten
opzichte van de werkgever en de bemanning beschouwd als deel van het Rijk.

 

 
Art. 3 (oud).
-
1. Voor de toepassing van deze wet wordt als arbeider beschouwd:
a. degene die krachtens de Werkloosheidswet uitkering ontvangt of zou hebben ontvangen indien hij niet op de dag waarop zijn uitkering zou zijn ingegaan, wegens ziekte ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid was geworden;
b. degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie krachtens artikel 28, tweede lid,
onderdeel e, of artikel 28, tweede lid, onderdeel e, juncto artikel 36, tweede lid, der Werkloosheidswet geen uitkering wordt toegekend;
c. degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie geen uitkering wordt toegekend omdat naar het oordeel van de bedrijfsvereniging op zijn laatste werkgever de verplichting rust tijdens de werkloosheid het loon onverminderd door te betalen;
d. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie geen uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling van het wachtgeldreglement van een bedrijfsvereniging of van het reglement voor de werkloosheidsverzekering.
-2. In de in het eerste lid,
onderdeel a en b, bedoelde gevallen wordt het orgaan dat beslist over de toekenning van bedoelde uitkering als werkgever beschouwd.
-3. Degene die krachtens de Werkloosheidswet uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag waarover hij die uitkering ontvangt een loon te genieten gelijk aan het dagloon waarnaar die uitkering is berekend.

Eerste lid: zie artikel 7 (nieuw).

Tweede lid: zie artikel 11 (nieuw).

Derde lid: zie artikel 14 (nieuw), derde lid.
 

 
Art. 3 (nieuw).
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking slaat.
-2. Wie niet binnen het Rijk woont, wordt slechts als werknemer beschouwd voor zover hij zijn dienstbetrekking binnen het Rijk vervult.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat personen die niet binnen het Rijk wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten het Rijk vervullen.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het bepaalde in het eerste en in het tweede lid worden afgeweken:
a. ten aanzien van vreemdelingen;
b. ten aanzien van personen op wie een regeling inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid buiten het Rijk van toepassing is;
c. ten aanzien van personen die slechts tijdelijk hier te lande verblijven of tijdelijk hier te lande werkzaam zijn.
 

 
Art. 4 (oud).
Degene die krachtens overeenkomst met een derde tegen genot van zeker loon of provisie regelmatig zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die derde, wordt voor de toepassing van deze wet geacht die arbeid te verrichten in loondienst van die derde, mits hij de vorenbedoelde bemiddeling uitsluitend voor de onderneming van die derde verleent en mits het verlenen dier bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is.

Zie artikel 4 (nieuw), eerste lid, onderdeel c.
 

 
Art. 4 (nieuw).
-1. Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die anders dan in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep in aangenomen werk persoonlijk arbeid verricht;
b. degene die de onderdeel a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die krachtens overeenkomst niet een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
d. degene die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen Iaat bijstaan;
e. degene die bij wijze van sociale werkvoorziening te werk gesteld is;
f. degene die als lid van de bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een aandeel in de besomming, tenzij hij exploitant of mede-exploitant van het vaartuig is;
g. degene die werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene die als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede degene die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt, één en ander indien een beloning wordt genoten die niet uitsluitend bestaat in het ontvangen van onderricht.
-2. Het bepaalde in het vorige lid, onderdeel a en b, blijft buiten toepassing indien de aldaar bedoelde arbeid wordt verricht ten behoeve van een natuurlijk persoon die deze arbeid doet verrichten anders dan in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.
 

 
Art. 5 (oud).
-1. Degenen in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bedrijven die in de regel voor een werkgever of voor ten hoogste twee werkgevers buiten de werkplaats van de werkgever persoonlijk arbeid verrichten die verband houdt met het in de onderneming uitgeoefende bedrijf en die zich daarbij in de regel niet laten bijstaan door meer dan twee andere personen, worden voor de toepassing van deze wet geacht die arbeid te verrichten in dienst van die werkgever, onderscheidenlijk van die werkgevers.
-2. Ook degenen die de vorenbedoelde bijstand verlenen, worden geacht hun arbeid te verrichten in dienst van de in het eerste lid bedoelde werkgever, onderscheidenlijk de in het eerste lid bedoelde werkgevers.
-3. Hetgeen voor de verrichting van de in de beide voorgaande leden bedoelde arbeid wordt genoten, wordt als loon beschouwd.
 

 
Art. 5 (nieuw).
In bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groepen van gevallen wordt eveneens als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die als thuiswerker arbeid verricht;
b. degene die de onder a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent;
d. degene die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.
 

 
Art. 6 (oud).
Degene die als leider of lid van een orkest optreedt, wordt, indien het bestuur der Bank ten aanzien van de leider van het orkest niet heeft beslist dat deze in een onderneming een verzekeringsplichtig bedrijf uitoefent, voor de toepassing van deze wet geacht die arbeid te verrichten in dienst van de exploitant der inrichting met of namens wie het optreden van het orkest in die inrichting is overeengekomen. Hetgeen voor de verrichting van die arbeid wordt genoten, wordt als loon in de zin van deze wet beschouwd.

Zie artikel 5 (nieuw), onderdeel c.
 

 
Art. 6 (nieuw).
-1. Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die ten behoeve van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten in diens huishouding verricht en die diensten doorgaans op minder dan drie dagen per week verricht;
b. degene die een verplichting naleeft, hem opgelegd door de wet of voortvloeiende uit een verbintenis anders dan bij arbeidsovereenkomst door hem jegens de Overheid aangegaan ten aanzien van 's lands verdediging of ter bescherming van de openbare orde en de veiligheid der bevolking;
c. degene die krachtens artikel 415 van het Wetboek van Koophandel aanspraak heeft op uitkering indien hij ziek is;
d. degene die ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet;
e. degene die behoort tot een groep van personen waarvoor de voorwaarden voor uitkering bij ziekte publiekrechtelijk zijn geregeld, indien deze door Ons zijn vastgesteld of door Onze Minister zijn goedgekeurd;
f. degene die werkzaam is aan een inrichting of instelling van onderwijs en op wie krachtens een uit hoofde van subsidieverlening van overheidswege opgelegde verplichting een door Ons vastgestelde of een door Onze Minister goedgekeurde regeling bij ziekte wordt toegepast;
g. degene die in dienstbetrekking staat
¹ een instelling van weldadigheid, voorkomende op de lijst, bedoeld in artikel 3 van de Armenwet, of tot een instelling van maatschappelijk nut welke door Onze Minister is gelijkgesteld met een instelling van weldadigheid, mits de vorenbedoelde instelling is aangesloten bij een organisatie welke in het bijzonder ten behoeve van personen in dienst van zodanige instellingen voorziening beoogt voor het geval van ziekte en invaliditeit, al of niet in vereniging met andere voorzieningen, indien het reglement van die organisatie krachtens hetwelk hij verzekerd is door Ons is goedgekeurd.
-2. Geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt genoten, tenzij het niet verrichten van de arbeid zijn oorzaak vindt in:
a. een normale onderbreking van of verhindering tot het verrichten van de arbeid, zolang deze onderbreking of verhindering niet langer dan één maand heeft geduurd;
b. weersinvloeden, gebrek aan materialen of dergelijke omstandigheden;
c. bijzonder verlof, zoals studieverlof, zolang dit verlof niet langer dan één maand heeft geduurd;
d. de omstandigheid dat de dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht;
e. de omstandigheid dat de dienstbetrekking ertoe strekt dat niet regelmatig in elke kalenderweek arbeid wordt verricht, voor zover het betreft de kalenderweek waarin arbeid wordt verricht of arbeid zou worden verricht indien de betrokkene niet arbeidsongeschikt was geworden.
-3. Het bepaalde in de vorige leden is alleen van toepassing op de aldaar bedoelde arbeidsverhoudingen.

1. Volgens de redactie dient na "staat" te worden ingevoegd: tot.
 

 
Art. 7 (oud).
Voor de toepassing van deze wet wordt hij die bij wijze van werkverschaffing te werk is gesteld en daarvoor een geldelijke uitkering geniet, geacht de hem opgedragen arbeid krachtens arbeidsovereenkomst te verrichten in dienst van degene die hem het werk verschaft.

Zie artikel 4 (nieuw), eerste lid, onderdeel e.
 

 
Art. 7 (nieuw).
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a. degene die krachtens de Werkloosheidswet uitkering ontvangt;
b. degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie krachtens artikel 28, tweede lid, onderdeel e, of artikel 28, tweede lid, onderdeel e, in verbinding met artikel 36, tweede lid, der Werkloosheidswet geen uitkering wordt toegekend;
c. degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch te wiens aanzien krachtens het bepaalde in artikel 28, tweede lid, onderdeel dbis, of artikel 28, tweede lid, onderdeel dbis, in verbinding met artikel 36, tweede lid, der Werkloosheidswet opschorting van de uitbetaling van zijn uitkering plaatsheeft;
d. degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie geen uitkering wordt toegekend, omdat naar het oordeel van de bedrijfsvereniging op zijn laatste werkgever de verplichting rust tijdens de werkloosheid het loon onverminderd door te betalen;
e. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie geen uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling van de Werkloosheidswet, van het wachtgeldreglement van een bedrijfsvereniging of van het reglement voor de werkloosheidsverzekering.
 

 
Art. 8 (oud).
-1. Deze wet verstaat onder loon het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
-2. Loon door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten, wordt, voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
-3. Het loon van arbeiders die voor de werkgever ook werkzaamheden of diensten verrichten anders dan ten behoeve van diens onderneming wordt, voor zover het is verdiend op dagen waarop de arbeider tevens in de onderneming van zijn werkgever heeft gewerkt, voor de toepassing van deze wet geacht geheel in de onderneming te zijn verdiend.

Zie artikel 14 (nieuw).
 

 
Art. 8 (nieuw).
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd degene die krachtens de verplichte verzekering ingevolge deze wet ziekengeld ontvangt.
 

 
Art. 8a (oud).
-1. Onder dagloon verstaat deze wet het loon dat in de dertien kalender- of loonweken voorafgaande aan de ongeschiktheid tot werken of in het geval voorzien in artikel 29, vierde lid, voorafgaande aan de eerste dag waarover ziekengeld op grond van die bepaling zal worden uitgekeerd, gemiddeld per dag is genoten door gelijksoortige arbeiders in hetzelfde of in een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of naburige gemeenten. Onder genoten loon wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan het verdiende loon, ook al is dit niet of niet geheel uitbetaald.
-2. Ten aanzien van verzekerden die gewoonlijk en naar de aard van hun beroep slechts een gedeelte van de normale arbeidsdag of een gedeelte van een kalenderweek in eenzelfde onderneming werkzaam zijn, worden als gelijksoortig uitsluitend die arbeiders beschouwd met wie zulks eveneens het geval is. Bij de berekening van het dagloon van deze verzekerden geldt een week voor zes dagen.
-3. De Sociale Verzekeringsraad kan, onder goedkeuring van
Onze Minister, voor bepaalde groepen van arbeiders regelen vaststellen waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, alsmede van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Deze regelen worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
-4. Het bestuur van een bedrijfsvereniging kan bij een besluit, dat door de Sociale Verzekeringsraad moet worden goedgekeurd, ten aanzien van alle of van één of meer bepaalde groepen van bij de bedrijfsvereniging verzekerde arbeiders bijzondere bepalingen treffen inzake de vaststelling van het dagloon waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, alsmede van het bepaalde bij of krachtens het eerste of derde lid van dit artikel. Dit besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt. De Sociale Verzekeringsraad kan bepalen dat de gegeven goedkeuring vervalt indien de regelen, bedoeld in het vorige lid, wijziging ondergaan.

Zie artikel 15 (nieuw).
 

 
Art. 8a (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 9 (oud).
-1. Onder werkgever wordt verstaan ieder na
tuurlijk of rechtspersoon die een of meer arbeiders bij een onderneming in dienst heeft. Onze Minister kan bepalen dat arbeiders wier lonen worden uitbetaald door een ingevolge deze wet erkend administratiekantoor voor de toepassing van deze wet geacht worden in loondienst te zijn van dat kantoor. Dat kantoor wordt ten aanzien van de door vorenbedoelde arbeiders verrichte werkzaamheden geacht een verzekeringsplichtig bedrijf in een onderneming uit te oefenen.
-2. Als werkgever wordt beschouwd:
a. van de arbeider die in dienst is van een rechtspersoon, niet bedoeld onder b: het hoofd of de bestuurder der onderneming;
b. van de verzekerde die in dienst is van een publiekrechtelijk lichaam: de persoon die de onmiddellijke leiding heeft van de tak van dienst waaraan de verzekerde is verbonden; ten aanzien van arbeiders in dienst van het Rijk kan bij algemene maatregel van bestuur een andere regeling gemaakt worden;
c. van de arbeider die in dienst is van een buitenslands gevestigde onderneming: hij die ter plaatse waar de werkzaamheden hier te lande worden verricht met de leiding daarvan belast is.
-3. Indien bij één onderneming of, in het geval van een publiekrechtelijk lichaam, bij één tak van dienst twee of meer personen als werkgever zijn te beschouwen, is ieder hunner voor de nakoming der verplichtingen bij of krachtens deze wet de werkgever opgelegd aansprakelijk en is ieder hunner bevoegd tot het uitoefenen der rechten bij of krachtens deze wet de werkgever toegekend.

Zie ook de artikelen 10 (nieuw), 11 (nieuw) en 12 (nieuw).
 

 
Art. 9 (nieuw).
Werkgever is degene tot wie één of meer natuurlijke
personen in dienstbetrekking staan.
 

 
Art. 10 (oud).
Deze wet verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
b. Sociale Verzekeringsraad: de Sociale Verzekeringsraad, bedoeld in hoofdstuk III van de Organisatiewet Sociale Verzekering.

Onderdeel a: zie artikel 1 (nieuw), onderdeel a.

Onderdeel b: vervallen.
 

 
Art. 10 (nieuw).
Als degene tot wie de dienstbetrekking bestaat, wordt beschouwd:
1º. in de gevallen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene met wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e: degene op wie de verplichting rust het loon te betalen;
f: de exploitant of mede-exploitant van het vaartuig;
g: degene bij wie de werkzaamheden worden verricht of de opleiding wordt genoten;
2
º. in de gevallen, bedoeld in artikel 5, onderdeel:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene met wie het optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene die bij de in artikel 5 bedoelde algemene maatregel van bestuur als werkgever wordt aangewezen.
 

 
Art. 11 (oud).
Hij die anderen in zijn dienst heeft, is verplicht om deze, overeenkomstig regels bij algemene maatregel van bestuur te stellen en behoudens de bij die algemene maatregel te bepalen uitzonderingen, gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hun bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de hun bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen.

Zie artikel 13 (nieuw).
 

 
Art. 11 (nieuw).
Als werkgever wordt beschouwd in de gevallen, bedoeld in artikel 7, onderdeel:
a, b en c: de bedrijfsvereniging welke beslist over de aldaar bedoelde uitkering;
d: de laatste werkgever;
e: degene die bij de aanwijzing door Onze Minister als werkgever wordt aangewezen.
 

 
Art. 12 (oud).
Indien de laatste dag van een bij of ingevolge deze wet vastgestelde termijn valt op Zondag, de Nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag of op een Kerstdag, wordt de termijn verlengd tot en met de eerste daaropvolgende dag, of indien die dag een Zondag, een Kerstdag of de Nieuwjaarsdag zou zijn, tot en met de daarop volgende werkdag. Deze bepaling is niet van toepassing op de termijn van uitkering van geldelijke schadeloosstelling.

Het bepaalde in dit artikel is vervallen.
 

 
Art. 12 (nieuw).
-1.
Onze Minister kan bepalen dat werknemers wier lonen worden uitbetaald door een door Onze Minister erkend administratiekantoor, voor de toepassing van deze wet geacht worden in dienstbetrekking te staan tot dat kantoor.
-2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 9 en 10 een ander dan de aldaar bedoelde personen aanwijzen als werkgever met betrekking tot:
a. degene die krachtens overeenkomst niet een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander;
b. degene die een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of anderszins al artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent.
 

 
Art. 13 (oud).
Een overeenkomstig deze wet vast te stellen bedrag wordt naar boven afgerond tot een veelvoud van een cent. Voor zover betreft het ziekengeld wordt de afronding toegepast op het per dag verschuldigde bedrag.

Het bepaalde in dit artikel is vervallen.
 

 
Art. 13 (nieuw).
-1. De werkgever is verplicht de werknemer gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de hem bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.
-2.
Onze Minister kan ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere regelen stellen.
 

 
Art. 14 (oud).
Iedere beslissing wordt degene die daarvan ingevolge deze wet in beroep kan komen, door degene die de beslissing nam, desverlangd op schrift en met redenen omkleed, gegeven. Deze kennisgeving vermeldt de dagtekening van de beslissing, naam en adres van het college waarbij beroep kan worden ingesteld en de termijn van beroep.

Zie artikel 73 (nieuw).
 

 
Art. 14 (nieuw).
-1. Deze wet verstaat onder loon het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
-2. loon door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten, wordt, voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
-3. Degene die krachtens de Werkloosheidswet uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag waarover hij die uitkering ontvangt een loon te genieten gelijk aan die uitkering.
 

 
Art. 15 (oud).
-1. De werkgever is bevoegd een persoon in zijn dienst die belast is met leiding of opzicht of uitsluitend met administratieve werkzaamheden of een door
Onze Minister overeenkomstig door Ons te geven regelen erkend administratiekantoor aan te wijzen voor de nakoming der bij of krachtens deze wet aan de werkgever opgelegde verplichtingen. Bij de aanwijzing kan uitzondering worden gemaakt voor de nakoming van verplichtingen van geldelijke aard. De aanwijzing kan betrekking hebben op alle arbeiders in dienst van de werkgever of op een bepaald gedeelte.
-2. Door aanwijzing overeenkomstig dit artikel wordt de aangewezene, voor zoveel betreft de nakoming der hiervoren bedoelde verplichtingen, als werkgever beschouwd.
-3. Het formulier der aanwijzing, welke door de aangewezene mede wordt ondertekend, wordt door Ons vastgesteld.
-4. De aanwijzing kan door de Sociale Verzekeringsraad met ingang van de door deze te bepalen, aan werkgever en aangewezene mede te delen dag, worden vervallen verklaard.

Zie artikel 12 (nieuw), eerste lid.
 

 
Art. 15 (nieuw).
-1. Voor de berekening van het ziekengeld waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt volgens door de Sociale Verzekeringsraad te stellen algemene regelen als dagloon beschouwd het loon dat de werknemer tijdens het genot van het
ziekengeld gemiddeld per dag zou hebben kunnen verdienen in het beroep dat hij laatstelijk vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot werken uitoefende. Deze algemene regelen worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
-2. Bij de in het vorige lid bedoelde algemene regelen kan de Sociale Verzekeringsraad afwijken van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, en ten aanzien van bepaalde groepen van werknemers van het bepaalde in het vorige lid.
-3. Het bestuur van een bedrijfsvereniging kan bijzondere bepalingen treffen inzake de vaststelling van het dagloon voor alle of voor één of meer bepaalde groepen van bij de bedrijfsvereniging verzekerde werknemers, waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, en van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel alsmede van de in dat lid bedoelde algemene regelen.
-4. Besluiten als bedoeld in het voorgaande lid behoeven de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad en worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt. Wanneer de in het eerste lid bedoelde algemene regelen wijziging ondergaan, kan de Sociale Verzekeringsraad de goedkeuring van een besluit als bedoeld in het vorige lid intrekken.
-5. De Sociale Verzekeringsraad hoort, alvorens tot vaststelling van de in het eerste lid bedoelde algemene regelen over te gaan, de besturen der bedrijfsverenigingen.
-6. Voor de berekening van het ziekengeld komt het dagloon hetwelk meer bedraagt dan het krachtens het eerste lid van artikel 9 der Coördinatiewet Sociale Verzekering bepaalde bedrag, voor dat meerdere niet in aanmerking.
 

 
Art. 16 (oud).
De werkgever naar burgerlijk recht is te allen tijde mede aansprakelijk voor de betaling van premie verschuldigd ter zake van de wettelijke verzekering van arbeiders in zijn dienst.

Het bepaalde in dit artikel zal worden overgebracht naar de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
 

 
Art. 16 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 17 (oud).
-1. De werkgever die binnen het Koninkrijk geen woonplaats heeft en niet overeenkomstig artikel 15 één of meer personen heeft aangewezen voor de nakoming der bij of krachtens deze wet hem ten aanzien van alle arbeiders in zijn dienst opgelegde verplichtingen, is verplicht een woonplaats binnen het Koninkrijk te kiezen.
-2. Bij gebreke van zodanige aanwijzing en keuze wordt hij geacht voor de toepassing dezer wet woonplaats te hebben ten huize van degene die de onmiddellijke leiding der werkzaamheden hier te lande heeft.
 

 
Art. 17 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 18 (oud). Vervallen per 1 januari 1954.
 

 
Art. 18 (nieuw). Vervallen per 1 januari 1954.
 

 
Art. 19 (oud).
-1. Degene die krachtens de bepalingen dezer afdeling verzekerd is, heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht op een uitkering overeenkomstig het hieronder bepaalde.
-2. Echter bestaat, behoudens het bepaalde bij artikel 32, geen recht op uitkering wegens:
a. een ziekte die een gevolg is van een ongeval de arbeider overkomen in verband met zijn dienstbetrekking, indien de arbeider krachtens een wettelijke regeling tegen geldelijke gevolgen van zodanig ongeval is verzekerd;
b. een ziekte die het gevolg is van een lichamelijk letsel dat krachtens een regeling als hierboven onder a bedoeld, gelijkgesteld is met lichamelijk letsel gevolg van een ongeval;
c. een beroepsziekte die krachtens een regeling als hierboven onder a bedoeld, gelijkgesteld wordt met een ongeval de arbeider overkomen in verband met zijn dienstbetrekking.
-3. Met ziekte worden zwangerschap en bevalling gelijkgesteld.
 

 
Art. 19 (nieuw).
-1. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
-2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder ziekte mede verstaan:
a. zwangerschap en bevalling;
b. gebreken.
 

 
Art. 20 (oud).
-1. Alle arbeiders in de zin dezer wet zijn verzekerd, met uitzondering van hen die in dienst zijn van een onderneming waarbij de voorwaarden van uitkering bij ziekte pu
bliekrechtelijk zijn geregeld indien door Onze Minister is verklaard dat de uitzondering in het belang der arbeiders is. De in de vorige volzin bedoelde uitzondering heeft uitsluitend betrekking op de arbeiders op wie de publiekrechtelijke ziekengeldregeling van toepassing is.
-2. Ten aanzien van personen die in dienstbetrekking zijn bij ondernemers van een spoorwegdienst en voor wie een regeling betreffende uitkering bij ziekte is vervat in een hun dienstvoorwaarden betreffend reglement, zullen in stede van de bepalingen dezer wet gelden de bepalingen van dat reglement, mits laatstbedoelde bepalingen zijn vastgesteld hetzij door de bestuurders van de spoorwegdienst in overeenstemming met de met de uitvoering der Spoorwegwet 1875 belaste Minister, hetzij door deze krachtens bij algemene maatregel van bestuur verleende of bij concessie tot aanleg van de spoorweg en uitoefening van de dienst voorbehouden bevoegdheid.
-3. De in de vorige leden bedoelde uitzondering op de verzekering heeft uitsluitend betrekking op de dienstverhouding waaraan de regeling bij ziekte als in die leden bedoeld, is verbonden.

Zie ook artikel 6 (nieuw), eerste lid, onderdeel e, en derde lid.
 

 
Art. 20 (nieuw). De werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd.
 

 
Art. 21 (oud).
-1. In afwijking van het bepaalde in artikel 20, eerste lid, zijn mede niet verzekerd degenen die in dienst zijn van een publiekrechtelijk lichaam:
1º. indien zij zijn ambtenaar in de zin van artikel 1 der Ambtenarenwet;
2º. indien te hunnen aanzien een regeling bij ziekte is getroffen die door Ons is vastgesteld of door
Onze Minister is goedgekeurd.
-2. De in het vorige lid geregelde uitzondering op de verzekering heeft uitsluitend betrekking op de dienstverhouding ter zake waarvan de betrokkene ambtenaar is in de zin van het onder 1º bepaalde of waaraan de regeling bij ziekte als bedoeld onder 2º, is verbonden.

Zie artikel 6 (nieuw), eerste lid, onderdeel d en e, en derde lid.

 
Art. 21 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 22 (oud).
-1. In de gevallen bij algemene maatregel van bestuur genoemd, zijn eveneens verzekerd in loondienst zijnde personen, alsmede daarmede krachtens het bepaalde in deze wet gelijkgestelde personen die niet in dienst zijn van een onderneming of van een publiekrechtelijk lichaam en die, indien zij wel in dienst van een onderneming of van een publiekrechtelijk lichaam waren, op grond van het bepaalde in deze wet als arbeiders zouden worden beschouwd.
-2. Als werkgever wordt in de gevallen waarvan dit artikel spreekt degene beschouwd in wiens dienst de werkzaamheden worden verricht; geldt het een rechtspersoon, dan wordt als werkgever beschouwd degene die met de leiding van de werkzaamheden belast is.

Eerste lid: zie artikel 3 (nieuw).

Tweede lid: zie de artikelen 9 (nieuw) en 10 (nieuw).
 

 
Art. 22 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 23 (oud).
Ingeval de arbeider in dienst is van een publiekrechtelijk lichaam, alsmede in de gevallen, bedoeld in artikel 22, worden voor de toepassing van de artikelen 2, 4, 5, 8, 9, 25, 44, tweede lid, 52 en 63, zevende lid, de werkzaamheden geacht te worden verricht in een onderneming.

Zie artikel 3 (nieuw).
 

 
Art. 23 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 24 (oud). Vervallen per 1 januari 1954.
 

 
Art. 24 (nieuw). Vervallen per 1 januari 1954.
 

 
Art. 25 (oud).
-1. De verzekering van hem die hier te lande zijn woonplaats heeft, eindigt niet door verblijf buitenslands gedurende korter dan twee maanden, tenzij hij krachtens de wet van het land waar hij verblijft tegen geldelijke gevolgen van ziekte is verzekerd. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin eindigt de verzekering van degene die hier te lande zijn
woonplaats heeft en die als opvarende op een binnenvaartuig werkzaam is in dienst van een in Nederland gevestigde onderneming, niet door verblijf buitenslands, tenzij bij krachtens de wet van het land waar hij verblijft tegen geldelijke gevolgen van ziekte is verzekerd. Voor de toepassing van dit artikel wordt degene die in dienst van een hier te lande gevestigde onderneming zijn werkelijk verblijf heeft aan boord van een vaartuig geacht zijn woonplaats hier te lande te hebben, ook gedurende het zich ophouden van dat vaartuig in het buitenland.
-2. De onderneming van een werkgever die woont aan boord van het door hem bevaren schip wordt geacht te zijn gevestigd in de gemeente waar de werkgever in het bevolkingsregister is ingeschreven. Is de werkgever een naamloze vennootschap die geen kantoor aan de wal heeft en bestuurd wordt door een directeur die woont aan boord van het door hem bevaren schip, dan wordt de onderneming geacht te zijn gevestigd in de gemeente waar de directeur in het bevolkingsregister is ingeschreven.

Zie de artikelen 2 (nieuw) en 3 (nieuw).
 

 
Art. 25 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 26 (oud).
-1. De verzekering duurt, onafhankelijk van de voortduring der dienstbetrekking, voort over de tijd waarover:
a. anders dan krachtens artikel 46 ziekengeld wordt uitgekeerd;
b. tijdens de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte geen ziekengeld wordt uitgekeerd in verband met het bepaalde in het tweede lid van artikel 29;
c. een tijdelijke uitkering krachtens één der Ongevallenwetten wordt verleend;
d. tijdens de ongeschiktheid tot werken als gevolg van een in verband met de dienstbetrekking overkomen ongeval ingevolge het bepaalde in artikel 15 der Ongevallenwet 1921 of artikel 36 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 geen tijdelijke uitkering wordt verleend;
e. een rente krachtens de Ongevallenwet 1921 of de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, berekend naar een ongeschiktheid tot werken van 50% of meer, wordt verleend zolang de rente, afgezien van het bepaalde in artikel 17 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 38 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, bij gehele ongeschiktheid tot werken naar 80% van het dagloon en bij gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken naar een deel van dat percentage wordt berekend.
-2. De verzekering duurt eveneens voort over de tijd gedurende welke tijdens de dienstbetrekking de overeengekomen arbeid tijdelijk niet verricht kan worden tengevolge van weersinvloeden, gebrek aan materialen en dergelijke omstandigheden en voorts over de tijd waarover de verzekerde geen arbeid verricht en hij van zijn werkgever een uitkering ontvangt die ten minste gelijk is aan de helft van zijn normale loon.

Zie de artikelen 6 (nieuw), tweede lid, en 8 (nieuw).
 

 
Art. 26 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 26a (oud).
Onze Minister kan nadere regelen geven in geval van samenloop van verzekering ingevolge deze wet uit meerderen hoofde.
 

 
Art. 26a (nieuw).
Onze Minister kan nadere regelen geven in geval van samenloop van verzekering ingevolge deze wet uit meerderen hoofde.
 

 
Art. 27 (oud).
-1. Op zijn verzoek wordt door het bestuur der bedrijfsvereniging van de verzekering vrijgesteld:¹
a. die bij de aanvang der verzekering ongeschikt tot werken of zwanger is;
b. die de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt.
-2. De in het vorige lid bedoelde vrijstelling wordt aan degene die bij de aanvang der verzekering ongeschikt tot werken is voor niet langer dan drie maanden en aan degene die bij de aanvang der verzekering zwanger is voor niet langer dan voor de duur der zwangerschap gegeven.
-3. Degene die lijdt aan een slepende ziekte welke, zij het met tussenpozen, ongeschiktheid tot werken tengevolge heeft of die dermate geestelijk of lichamelijk gebrekkig is dat de normale kans op het verkrijgen van arbeid voor hem gering is, kan aan het bestuur der bedrijfsvereniging verzoeken van de verzekering te worden vrijgesteld voor zoveel ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid uit vorenbedoelde slepende ziekte of geestelijk of lichamelijk gebrek voortvloeiende betreft. Het besluit waarbij bedoelde vrijstelling wordt verleend, behoeft de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad. Al hetgeen verder het verlenen der vrijstelling betreft, wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
-4. Het bestuur der bedrijfsvereniging reikt ingeval de vrijstelling van kracht geworden is, aan de aanvrager een bewijs uit, vermeldende zijn naam, voornamen, geboortedatum en -plaats, alsmede de slepende ziekte of het lichamelijk of geestelijk gebrek. Het model van dit bewijs wordt door
Onze Minister vastgesteld.
-5. Het bestuur der bedrijfsvereniging kan de krachtens het derde lid verleende vrijstelling te allen tijde intrekken wanneer is gebleken dat de redenen waarom vrijstelling werd verleend niet of niet langer aanwezig geacht kunnen worden. Van deze intrekking wordt onverwijld mededeling gedaan aan de Sociale Verzekeringsraad.

1. Volgens de redactie dient na "vrijgesteld" te worden ingevoegd: degene.
 

 
Art. 27 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 28 (oud).
-1. De verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld of door wie in verband met het bepaalde in artikel 32 zodanige aanspraak eventueel zal kunnen worden gemaakt, is verplicht zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het bestuur der bedrijfsvereniging aangewezen geneeskundige, zich op last van die geneeskundige tot het ondergaan van zodanig onderzoek te laten opnemen in de hem aangewezen inrichting en in het algemeen de voorschriften van die geneeskundige welke strekken om een geneeskundig onderzoek mogelijk te maken op te volgen. Gelijke verplichting bestaat zo dikwijls een geneeskundig onderzoek nodig wordt geoordeeld gedurende de ongeschiktheid tot werken op grond waarvan ziekengeld wordt gevraagd.
-2. Het bestuur der bedrijfsvereniging is bevoegd met het oog op de toepassing van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onderdeel a en b, een geneeskundig onderzoek te gelasten bij de aanvang der verzekering.
-3. De verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die bezwaar heeft tegen opneming in de hem aangewezen inrichting kan zijn bezwaren inbrengen bij de voorzitter van de Sociale Verzekeringsraad. Deze beslist zo spoedig mogelijk.
-4. De aan het geneeskundig onderzoek verbonden kosten komen ten laste van de betrokken bedrijfsvereniging. Door Onze Minister kunnen dienaangaande regelen worden gesteld.
 

 
Art. 28 (nieuw).
-1. De verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld is verplicht zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het bestuur der bedrijfsvereniging aangewezen geneeskundige, zich op last van die geneeskundige tot het ondergaan van zodanig onderzoek te laten opnemen in de hem aangewezen inrichting en in het algemeen de voorschriften van die geneeskundige welke strekken om een geneeskundig onderzoek mogelijk te maken op te volgen. Gelijke verplichting bestaat zo dikwijls een geneeskundig onderzoek nodig wordt geoordeeld gedurende de ongeschiktheid tot werken op grond waarvan ziekengeld wordt gevraagd.
-2. Het bestuur der bedrijfsvereniging is bevoegd met het oog op de toepassing van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onderdeel a en b, een geneeskundig onderzoek te gelasten bij de aanvang der verzekering.
-3. De verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die bezwaar heeft tegen opneming in de hem aangewezen inrichting kan zijn bezwaren inbrengen bij de voorzitter van de Sociale Verzekeringsraad. Deze beslist zo spoedig mogelijk.
-4. De aan het geneeskundig onderzoek verbonden kosten komen ten laste van de betrokken bedrijfsvereniging. Door Onze Minister kunnen dienaangaande regelen worden gesteld.
 

 
Art. 29 (oud).
-1. Het ziekengeld bedraagt 80 honderdsten van het dagloon van de verzekerde.
Voor de vaststelling van het ziekengeld komt het dagloon hetwelk meer bedraagt dan het krachtens het eerste lid van artikel 9 der Coördinatiewet Sociale Verzekering bepaalde bedrag, voor dat meerdere niet in aanmerking.

Tweede volzin: zie artikel 15 (nieuw), zesde lid.

-2. Het wordt uitgekeerd over iedere dag, uitgezonderd Zondagen, dat de ongeschiktheid tot werken duurt, te beginnen met de derde dag na die waarop zij aanving, gedurende ten hoogste 52 weken. Als dag waarop de ongeschiktheid tot werken is aangevangen, geldt de eerste dag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werk tijdens de werktijd is gestaakt. Het bestuur der bedrijfsvereniging kan bij een door Onze Minister, de Sociale Verzekeringsraad gehoord, goedgekeurd besluit ten aanzien van alle of van één of meer bepaalde groepen van bij haar verzekerde arbeiders afwijken van de berekening van de dagen, bedoeld in dit lid, waarover geen ziekengeld wordt uitgekeerd.
-3. Behoudens het bepaalde in artikel 31 geeft elk geval van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte aanspraak op uitkering van ziekengeld gedurende ten hoogste 52 weken. Een geval van herhaalde ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak als waaruit een vroeger ziektegeval is voortgekomen ter zake waarvan uitkering van ziekengeld is geschied, wordt echter beschouwd als te zijn een voortzetting van het vroegere ziektegeval en daarmede één geheel uit te maken, indien de herhaalde ongeschiktheid tot werken intreedt binnen vier weken na beëindiging der uitkering van ziekengeld ter zake van het vroeger ziektegeval wegens herstel.
-4. Bij zwangerschap van een verzekerde wordt afgescheiden van de vraag of ongeschiktheid tot werken bestaat indien zij overlegt een verklaring van een geneeskundige of van een vroedvrouw, inhoudende dat haar zwangerschap is gevorderd tot de in de verklaring aangegeven week en dat derhalve haar bevalling waarschijnlijk is binnen een tijdsverloop van 40 weken, verminderd met het getal der in de verklaring aangegeven weken, ziekengeld uitgekeerd ter hoogte van het dagloon van de verzekerde, te rekenen van de eerste dag der laatste zes weken van bovenbedoeld tijdsverloop.
-5. Bij bevalling van een verzekerde wordt ziekengeld uitgekeerd ter hoogte van het dagloon van de verzekerde zolang de ongeschiktheid tot werken uit die oorzaak duurt en gedurende ten hoogste 52 weken, doch in elk geval gedurende ten minste zes weken na de dag der bevalling.
-6. Het bepaalde in artikel 30 blijft ten aanzien van de ongeschiktheid, bedoeld in de twee voorgaande leden, buiten toepassing.

Vierde, vijfde en zesde lid: zie nieuwe tekst zevende, achtste en negende lid.
 

 
Art. 29 (nieuw).
-
1. Het ziekengeld bedraagt 80 honderdsten van het dagloon van de verzekerde.
-2. Het ziekengeld wordt, behoudens het bepaalde in de volgende leden, uitgekeerd over iedere dag dat de ongeschiktheid tot werken duurt, doch niet over de zaterdagen en de zondagen en gedurende ten hoogste 52 weken.
-3. Geen ziekengeld wordt uitgekeerd over de eerste twee dagen van de ongeschiktheid tot werken. Bij de bepaling van de in de vorige volzin bedoelde dagen blijven de zaterdag en de zondag buiten beschouwing. Het bestuur van de bedrijfsvereniging kan, bij een door
Onze Minister, de Sociale Verzekeringsraad gehoord, goedgekeurd besluit, ten aanzien van alle of van één of meer bepaalde groepen van bij haar verzekerde werknemers afwijken van het bepaalde in dit lid.
-4. Voor de toepassing van het in de beide vorige leden bepaalde geldt als eerste dag van de ongeschiktheid tot werken de eerste dag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.
-5. Voor het bepalen van de periode van 52 weken, bedoeld in het tweede lid, worden perioden waarover ziekengeld wordt uitgekeerd, samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan één maand opvolgen. In de gevallen waarin het bepaalde in de vorige volzin toepassing vindt, worden gedurende de desbetreffende periode van 52 weken de in het derde lid bedoelde dagen waarover geen ziekengeld wordt uitgekeerd slechts eenmaal in aanmerking genomen.
-6. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid worden met perioden waarover ziekengeld wordt uitgekeerd, gelijkgesteld perioden waarover in verband met het bepaalde in de artikelen 31, 32, 42 of 44 geen ziekengeld wordt uitbetaald.
-7. Bij zwangerschap van een verzekerde wordt afgescheiden van de vraag of ongeschiktheid tot werken bestaat dan wel in hoeverre de in het tweede lid bedoelde periode van 52 weken is verstreken, indien zij overlegt een verklaring van een geneeskundige of van een vroedvrouw, inhoudende dat haar zwangerschap is gevorderd tot de in de verklaring aangegeven week en dat derhalve haar bevalling waarschijnlijk is binnen een tijdsverloop van 40 weken, verminderd met het getal der in de verklaring aangegeven weken, ziekengeld uitgekeerd ter hoogte van het dagloon van de verzekerde, te rekenen van de eerste dag der laatste zes weken van bovenbedoeld tijdsverloop.
-8. Bij bevalling van een verzekerde wordt ziekengeld uitgekeerd ter hoogte van het dagloon van de verzekerde zolang de ongeschiktheid tot werken uit die oorzaak duurt en gedurende ten hoogste 52 weken, doch in elk geval gedurende ten minste zes weken na de dag der bevalling.
-9. Het bepaalde in artikel 30 blijft ten aanzien van de ongeschiktheid, bedoeld in de twee voorgaande leden, buiten toepassing.
 

 
Art. 30 (oud).
Ingeval het op aanwijzing van een geneeskundige die voor de controle van verzekerden is aangewezen door het bestuur der bedrijfsvereniging welke het risico der verzekering draagt, in het belang van de zieke arbeider moet worden geacht dat deze passende arbeid verricht, zal, indien de verzekerde door zijn werkgever in de gelegenheid wordt gesteld tot het verrichten van die arbeid tegen ten minste de helft van zijn loon, het ziekengeld voor de duur van het desbetreffend tijdvak gesteld worden op het bedrag waarmede zijn dagloon het door hem ontvangen deel van zijn loon overtreft. Weigert de verzekerde bedoelde arbeid te verrichten, dan kan het ziekengeld voor de duur van het desbetreffend tijdvak op de helft gesteld worden van hetgeen het overeenkomstig de vorige artikelen van dit hoofdstuk zou bedragen.
 

 
Art. 30 (nieuw).
-1. Ingeval het op aanwijzing van de geneeskundige die voor de controle van verzekerden is aangewezen, in het belang van de zieke werknemer moet worden geacht dat deze hem passende arbeid verricht en hij door zijn werkgever - of, indien de dienstbetrekking met deze werkgever is geëindigd, door een andere werkgever - tot het verrichten van zodanige arbeid in de gelegenheid wordt gesteld, kan het ziekengeld gedurende de tijd dat hij deze arbeid verricht, worden gesteld op het bedrag waarmede zijn dagloon het loon dat hij voor de bedoelde arbeid ontvangt, overtreft.
-2. Weigert de werknemer de in het vorige lid bedoelde arbeid te verrichten, dan kan het bestuur van de bedrijfsvereniging onderscheidenlijk van de afdelingskas het ziekengeld stellen op het bedrag waarmede het dagloon overtreft het loon dat hij zou hebben ontvangen indien hij deze arbeid wel verricht had.
-3. Indien de werknemer:
a. laatstelijk vóór het intreden van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte ter zake waarvan hij ziekengeld ontvangt arbeid verrichtte welke bij gehele of gedeeltelijke hervatting van die arbeid als schadelijk voor zijn gezondheid moet worden aangemerkt; dan wel
b. kennelijk blijvend niet meer in staat moet worden geacht de arbeid te verrichten welke hij laatstelijk vóór het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid wegens ziekte ter zake waarvan hij ziekengeld ontvangt, verrichtte;
en het op aanwijzing van de geneeskundige die voor de controle van verzekerden is aangewezen, in het belang van de zieke werknemer moet worden geacht dat hij andere hem passende arbeid verricht, kan het bepaalde in de vorige leden door het bestuur van de bedrijfsvereniging onderscheidenlijk van de afdelingskas overeenkomstig worden toegepast, zo de betrokken werknemer door een andere werkgever in de gelegenheid wordt gesteld bedoelde arbeid te verrichten.
-4. De rechter is bevoegd te beoordelen of de wijze waarop van de in de vorige leden bedoelde bevoegdheid gebruik is gemaakt in overeenstemming is met de redelijkheid.
-5. De bedrijfsvereniging kan de in het derde lid bedoelde werknemer verplichten zich te doen inschrijven bij het orgaan der openbare arbeidsbemiddeling.
 

 
Art. 31 (oud).
-1. I
n een tijdvak van achttien maanden wordt aan een verzekerde wegens ongeschiktheid tot werken uit eenzelfde ziekteoorzaak voortkomende, over ten hoogste 312 dagen ziekengeld uitgekeerd.
-2. Indien een verzekerde aan wie in een tijdvak van achttien maanden al dan niet onafgebroken over 312 dagen ziekengeld is uitgekeerd wegens ongeschiktheid tot werken voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak, in de loop van bedoeld tijdvak dan wel in de op dat tijdvak onmiddellijk volgende periode van achttien maanden herhaald ongeschikt tot werken wordt als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak, wordt hem in laatstbedoeld tijdvak over niet meer dart 156 dagen ziekengeld uitgekeerd. Hetzelfde geldt voor iedere volgende periode van achttien maanden, zolang in de voorafgegane periode van achttien maanden wegens ongeschiktheid tot werken uit bedoelde ziekteoorzaak voortkomende, ziekengeld is uitgekeerd. Het aantal van 156 uitkeringsdagen wordt eventueel met zoveel dagen vermeerderd als het getal dagen waarover in de onmiddellijk voorafgegane periode van achttien maanden wegens ongeschiktheid tot werken uit dezelfde ziekteoorzaak voortkomende, ziekengeld werd genoten, beneden de 156 is gebleven.
-3. Het tijdvak van achttien maanden, in de aanhef van het tweede lid bedoeld, wordt gerekend aan te vangen met de eerste dag waarover ziekengeld wegens ongeschiktheid tot werken uit de in dat lid bedoelde ziekteoorzaak voortkomende, door de verzekerde werd genoten.

Het bepaalde in dit artikel is vervallen.
 

 
Art. 31 (nieuw).
-1. De verzekerde die gedurende de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte loon ontvangt, is verplicht hiervan vóór de uitkering van ziekengeld op door de bedrijfsvereniging in haar reglement te bepalen wijze mededeling te doen.
-2. De verzekerde ontvangt aan ziekengeld niet meer dan het bedrag waarmede zijn dagloon het bedrag van het door hem ontvangen loon overtreft.
 

 
Art. 32 (oud).
-1. De verzekerde aan wie in één van de gevallen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, door degene die ingevolge de wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen tot toekenning van geldelijke schadeloosstelling verplicht is mededeling is gedaan of volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen geacht wordt te zijn gedaan, dat hem geen of geen verdere schadeloosstelling toekomt, heeft, indien hij wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, recht op ziekengeld overeenkomstig regelen bij algemene maatregel van bestuur te stellen. Het vorenstaande is niet van toepassing indien geen of geen verdere schadeloosstelling wordt uitgekeerd op grond van artikel 27a of 27b der Ongevallenwet 1921 of artikel 50a of 50b der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922.
-2. Indien na de toekenning van ziekengeld in een geval als in het vorige lid bedoeld, blijkt dat recht op geldelijke schadeloosstelling krachtens de wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen bestaat, wordt het genoten ziekengeld geacht te zijn genoten als geldelijke schadeloosstelling krachtens de ongevallenverzekering. Hij die het ziekengeld uitkeerde, heeft in bij algemene maatregel van bestuur te noemen gevallen en naar de daarbij te stellen regelen recht op teruggaaf van het wettelijk ziekengeld.
-3. Is in de in de vorige alinea bedoelde gevallen door het orgaan der ziekteverzekering premie betaald ingevolge artikel 193 der Invaliditeitswet, dan wordt het bedrag der betaalde premie door het Invaliditeitsfonds aan genoemd orgaan terugbetaald.

Het bepaalde in dit artikel is vervallen.
 

 
Art. 32 (nieuw).
-1. Indien de verzekerde ter zake van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op toekenning van ziekengeld krachtens deze wet als op heropening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het bepaalde in artikel 47 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het ziekengeld slechts uitbetaald voor zover het de arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft.
-2. Indien de verzekerde ter zake van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op toekenning van ziekengeld krachtens deze wet als op herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het bepaalde in de artikelen 38 en 39 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het ziekengeld slechts uitbetaald voor zover het overtreft het bedrag waarmede de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met die herziening is verhoogd.
-3. De bedrijfsvereniging is bevoegd in bijzondere gevallen van het ziekengeld een hoger bedrag uit te betalen dan in de vorige leden is bepaald.
-4. Onze Minister kan met betrekking tot gevallen van samenloop van ziekengeld met arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering regelen stellen. Bij deze regelen kan worden afgeweken van het bepaalde in de vorige leden.
 

 
Art. 33 (oud).
-1. Indien na de toekenning van ziekengeld blijkt dat recht op geldelijke schadeloosstelling krachtens de wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen beslaat, terwijl artikel 32 niet van toepassing is, wordt het uitgekeerde ziekengeld over de lijdvakken en tot de bedragen bij algemene maatregel van bestuur te bepalen, door degene die tot toekenning van de genoemde schadeloosstelling verplicht is, aan hem die het ziekengeld uitkeerde, teruggegeven. Het uitgekeerde ziekengeld wordt geacht door de verzekerde te zijn genoten als geldelijke schadeloosstelling krachtens de wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen.
-2. Ingeval blijkt dat ten onrechte geldelijke schadeloosstelling krachtens de wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen werd verleend aan een verzekerde die wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, wordt de uitgekeerde schadeloosstelling over de tijdvakken en tot de bedragen bij algemene maatregel van bestuur te bepalen, door degene die het risico der ziekteverzekering droeg op het tijdstip van aanvang der ziekte, aan hem die de schadeloosstelling uitkeerde, teruggegeven. De uitgekeerde geldelijke schadeloosstelling wordt geacht door de verzekerde te zijn genoten als ziekengeld.

Het bepaalde in dit artikel is vervallen.
 

 
Art. 33 (nieuw).
-1. Behoudens het bepaalde in het volgende lid en in artikel 34 zijn de eenmaal uitbetaalde termijnen van het ziekengeld niet vatbaar voor terugvordering.
-2. Hetgeen aan ziekengeld te veel of ten onrechte is uitbetaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste inlichtingen of het niet nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, kan gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd, dan wel op later uit te betalen ziekengeld of arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering worden gebracht.
 

 
Art. 34 (oud).
Verrekening van administratie- en controlekosten vindt in de gevallen, bedoeld in de beide vorige artikelen, niet plaats, evenmin als van kosten van geneeskundige behandeling.

Het bepaalde in dit artikel is vervallen.
 

 
Art. 34 (nieuw).
Indien na uitbetaling van ziekengeld blijkt dat ter zake van de ongeschiktheid op grond waarvan die uitbetaling plaatsvond over hetzelfde tijdvak of een gedeelte daarvan aanspraak bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het bepaalde in artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een zodanige uitkering reeds is uitbetaald na toepassing van het bepaalde in dat artikel, dan wel indien in verband met het bepaalde bij of krachtens artikel 32 ten onrechte of te veel ziekengeld is uitbetaald, kan het ten onrechte of te veel uitbetaalde ziekengeld worden teruggevorderd of in mindering worden gebracht op de alsnog uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch ten hoogste tot het bedrag der arbeidsongeschiktheidsuitkering of de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop betrokkene, ter zake van diezelfde ongeschiktheid en over hetzelfde tijdvak, aanspraak kan maken.
 

 
Art. 35 (oud).
-1. Wanneer door een verzekerde ter zake van ongeschiktheid tot werken uit dezelfde oorzaak over hetzelfde tijdvak zowel uitkering krachtens de Ziektewet ¹ als krachtens de wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen is genoten, kan de ten onrechte genoten uitkering door het bevoegde orgaan van de verzekerde worden teruggevorderd of krachtens een beslissing waarvan mededeling wordt gedaan aan de verzekerde worden verrekend met hem toekomende uitkering, één en ander in afwijking van het bepaalde bij artikel 50 der Ziektewet,² artikel 72, vierde lid, artikel 75, tweede lid, en artikel 82, derde lid, der Ongevallenwet 1921 en artikel 72, tweede lid, en artikel 91, derde lid, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922.
-2. Heeft de verzekerde bezwaar tegen de in het vorige lid bedoelde beslissing, dan is hij bevoegd in beroep te komen bij de Centrale Raad van Beroep.

1. Volgens de redactie dient "de Ziektewet" te worden vervangen door: deze wet.
2. Volgens de redactie dient "der Ziektewet" te worden vervangen door: dezer wet.

 

 
Art. 35 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 36 (oud).
-1. De verzekerde die gedurende de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte:
a. loon ontvangt; of
b. ter zake van een andere verzekering dan krachtens deze of een andere wet recht heeft op enige geldelijke vergoeding of uitkering bij ziekte; of
c. ter zake van een wettelijke ongevallenverzekering recht heeft op een tijdelijke uitkering of voorlopige rente wegens algehele of gedeeltelijke invaliditeit;
is verplicht hiervan vóór de uitkering van ziekengeld op door Onze Minister bepaalde wijze mededeling te doen. Onder loon wordt voor de personen vallende onder de bepaling van artikel 46 begrepen een uitkering van of vanwege enig rechtspersoon ontvangen wegens het derven van loon.
-2. Onverminderd het bepaalde in de beide volgende leden ontvangt de verzekerde, voor zover hij loon ontvangt of zodanige vergoedingen, uitkeringen of renten geniet, aan ziekengeld niet meer dan het bedrag waarmede zijn dagloon overtreft het gezamenlijk bedrag van het door hem ontvangen loon, die vergoedingen, uitkeringen of rente.
-3. Degene die krachtens een wettelijke ongevallenverzekering een tijdelijke uitkering of voorlopige rente wegens algehele invaliditeit geniet, komt wegens ziekte gedurende die tijd geen ziekengeld toe.
-4. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid komen vergoedingen van kosten van ziekenhuisbehandeling niet in aanmerking.

Zie artikel 31 (nieuw).
 

 
Art. 36 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 37 (oud).
-1. Het bestuur der bedrijfsvereniging is bevoegd hen die aanspraak maken op ziekengeld, alsmede hen die verzoeken van de verzekering te worden vrijgesteld overeenkomstig artikel 27, op te roepen en te ondervragen op plaats, dag en uur door dat bestuur te bepalen.
-2. De opgeroepenen worden reiskosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen.
 

 
Art. 37 (nieuw).
-
1. Het bestuur der bedrijfsvereniging is bevoegd hen die aanspraak maken op ziekengeld op te roepen en te ondervragen op plaats, dag en uur door dat bestuur te bepalen.
-2. Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels door
Onze Minister vast te stellen.
 

 
Art. 38 (oud).
De verzekerde is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verplicht te zorgen dat daarvan zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 24 uur of binnen een zodanige kortere termijn als door het orgaan met de uitvoering belast in zijn reglement is bepaald, na het intreden der ongeschiktheid mededeling ("ziekmelding") wordt gedaan aan vorenbedoeld orgaan dan wel, indien dat orgaan de werkgever heeft verplicht tot het aangeven van ziektegevallen, aan de werkgever.
 

 
Art. 38 (nieuw).
De verzekerde is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verplicht te zorgen dat daarvan zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 24 uur of binnen een zodanige kortere termijn als door het orgaan met de uitvoering belast in zijn reglement is bepaald, na het intreden der ongeschiktheid mededeling ("ziekmelding") wordt gedaan aan vorenbedoeld orgaan dan wel, indien dat orgaan de werkgever heeft verplicht tot het aangeven van ziektegevallen, aan de werkgever.
 

 
Art. 39 (oud).
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften gegeven worden omtrent de door de bedrijfsvereniging uit te oefenen controle op de verzekerden gedurende de ongeschiktheid tot werken.
 

 
Art. 39 (nieuw).
Het bestuur van de bedrijfsvereniging is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften behoeven de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad en mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
 

 
Art. 40 (oud).
-1. Over de dagen waarop een verzekerde anders dan krachtens enige door hem gesloten overeenkomst is opgenomen in een inrichting voor zieken of in een gesticht of waarop de werkgever bij wie hij inwoont, zonder de kosten te verhalen, ingevolge artikel 1638ij van het Burgerlijk Wetboek voor zijn verpleging en geneeskundige behandeling zorg draagt, wordt hem, indien hij naar het oordeel van het orgaan dat het risico der verzekering draagt geen kostwinner is, een derde van het ziekengeld uitgekeerd waarop hij anders recht zou hebben gehad. Aan degene voor wiens rekening hij is opgenomen of aan de werkgever die, zonder de kosten te verhalen, voor zijn verpleging en geneeskundige behandeling zorg draagt, worden de kosten hiervan, te rekenen van de dag af volgende op die waarop het verzoek tot die vergoeding is ontvangen, tot een bedrag van twee derde van het ziekengeld vergoed. Indien de gevraagde vergoeding minder dan twee derde van het ziekengeld bedraagt of indien geen vergoeding wordt gevraagd, wordt het niet aan derden te betalen ziekengeld aan de verzekerde uitgekeerd.
-2. Aan een verzekerde die verkeert in één der gevallen in dit artikel bedoeld, wordt over de tijd gedurende welke hij is opgenomen niet meer ziekengeld uitgekeerd dan zijn in geld vastgesteld loon bedraagt.
 

 
Art. 40 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 41 (oud).
De verzekerde komt geen ziekengeld toe indien hij niet is ingeschreven bij een overeenkomstig het Ziekenfondsenbesluit toegelaten ziekenfonds of, indien hij zijn woonplaats heeft in een andere Staat, bij een in die andere Staat gevestigde, met een toegelaten ziekenfonds overeenkomende instelling.

Zie artikel 102 van het wetsontwerp inzake regeling van de ziekenfondsverzekering (Ziekenfondswet), zitting 1961-1962, 6808.
 

 
Art. 41 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 42 (oud).
De verzekerde komt geen ziekengeld toe:
a. indien de ziekte is veroorzaakt door zijn opzet;
b. over de tijd gedurende welke hij is opgenomen in een gevangenis, rijkswerkinrichting, tuchtschool of rijksopvoedingsgesticht of is toevertrouwd aan een vereniging, stichting of instelling van weldadigheid als bedoeld in artikel 12 der Wet van 12 Februari 1901, Stb. 1901, 64, laatstelijk gewijzigd hij de Wet van 7 Juni 1924, Stb. 1924, 275.

Onderdeel a: zie artikel 44 (nieuw), eerste lid, onderdeel j.
 

 
Art. 42 (nieuw).
-1. Aan de verzekerde wordt geen ziekengeld uitbetaald over de tijd gedurende welke hij is opgenomen in een gevangenis, rijkswerkinrichting, tuchtschool of rijksopvoedingsgesticht of is toevertrouwd aan een vereniging, stichting of instelling van weldadigheid als bedoeld in artikel 3 van de Wet van 9 november 1961, Stb. 1961, 403.
-2. De bedrijfsvereniging is bevoegd het ziekengeld hetwelk op grond van het bepaalde in het vorige lid niet aan de werknemer wordt uitbetaald, geheel of gedeeltelijk uit te keren aan de personen wier kostwinner hij is.
-3. De bedrijfsvereniging kan, voor zover zij van haar bevoegdheid als bedoeld in het vorige lid geen gebruik heeft gemaakt, hem die uit de gevangenis, tuchtschool, rijkswerkinrichting of uit het rijksopvoedingsgesticht is ontslagen of die niet meer is toevertrouwd aan een vereniging, stichting of instelling van weldadigheid als bedoeld in het eerste lid, alsnog in het genot stellen van het in dat lid bedoelde ziekengeld of dit te zijnen behoeve doen aanwenden.
 

 
Art. 43 (oud).
-1. De verzekerde aan wie een vrijstelling is verleend als bedoeld in het derde lid van artikel 27 komt geen ziekengeld toe bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte uit de in dat lid bedoelde slepende ziekte of geestelijk of lichamelijk gebrek voortvloeiende.
-2. Eveneens komt de verzekerde aan wie op grond van artikel 17 der Coördinatiewet Sociale Verzekering een vrijstelling wegens gemoedsbezwaren is verleend geen ziekengeld toe.
 

 
Art. 43 (nieuw).
De verzekerde aan wie een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 der Coördinatiewet Sociale Verzekering is verleend, komt geen ziekengeld toe.
 
 
Art. 44 (oud).
-1. Het bestuur der bedrijfsvereniging en het bestuur ener afdelingskas der bedrijfsvereniging zijn bevoegd de uitkering van ziekengeld geheel of ten dele te weigeren:
a. indien de ongeschiktheid tot werken bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam;
b. bij zwangerschap ontstaan vóór of bevalling binnen zes maanden na de dag waarop de verzekering een aanvang nam of de tot aangifte verplichte verzekerde aangifte deed; het onder de voorgaande zinsnede bepaalde vindt geen toepassing indien in de periode van zwangerschap, voor zover deze op de dag waarop de verklaring, bedoeld in artikel 29, vierde lid, is opgemaakt, is verstreken, de verzekering, vroegere verzekeringen van de verzekerde inbegrepen, niet gedurende meer dan 50 werkdagen is onderbroken geweest; eveneens vindt het onder de eerste zinsnede bepaalde geen toepassing bij bevalling indien hetzij de uitkering, bedoeld in artikel 29, vierde lid, is toegekend, hetzij de verzekering, vroegere verzekeringen van de verzekerde inbegrepen, in het tijdvak van 40 achtereenvolgende weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag der bevalling niet gedurende meer dan 50 werkdagen is onderbroken geweest;
c. indien de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte in verband staat met enige als misdrijf strafbaar gestelde gedraging van de verzekerde of indien hij een bekend onzedelijk gedrag leidt indien de ziekte is veroorzaakt door zijn onzedelijkheid;

Het bepaalde in dit onderdeel is vervallen.

d. indien de ongeschiktheid tot werken het gevolg is van een ziekte welke haar oorzaak vindt in een vecht- of kloppartij waaraan de verzekerde uit eigen beweging heeft deelgenomen;

Het bepaalde in dit onderdeel is vervallen.

e. indien de verzekerde niet binnen redelijke termijn geneeskundige hulp inroept en niet zich gedurende het gehele verloop der ziekte onder behandeling blijft stellen of indien hij de voorschriften van de behandelende geneeskundige niet opvolgt;

Zie nieuwe tekst: onderdeel c.

f. indien de verzekerde gedurende de ongeschiktheid tot werken zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of, bij opneming in een inrichting voor zieken of een gesticht, zich daar onbehoorlijk gedraagt;

Zie nieuwe tekst: onderdeel d.

g. indien de verzekerde zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek ingevolge deze wet gedaan door het bestuur der bedrijfsvereniging of het bestuur van de afdelingskas om te verschijnen of inlichtingen te verstrekken, of indien het geneeskundig onderzoek door een door het bestuur der bedrijfsvereniging of der afdelingskas aangewezen geneeskundige door toedoen van de verzekerde niet kan plaatshebben;

Zie nieuwe tekst: onderdeel e.

h. indien de verzekerde het voorschrift gegeven in artikel 38 niet opgevolgd heeft of indien hij zich niet houdt aan de controlevoorschriften welke door het bestuur der bedrijfsvereniging zijn vastgesteld. In het eerstgenoemde geval mag ziekengeld geweigerd worden over de dagen voorafgaande aan de derde dag na die van de ontvangst der ziekmelding;

Zie nieuwe tekst: onderdeel f en g.

i. indien de verzekerde de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt en niet kan worden aangetoond dat hij gedurende het laatste halfjaar aan de ongeschiktheid tot werken voorafgaande op ten minste 60 dagen arbeid in dienstbetrekking heeft verricht.

Zie nieuwe tekst: onderdeel h.

-2. Voor de toepassing van het voorgaande lid gelden aaneensluitende verzekeringen bij verschillende bedrijfsverenigingen, alsook achtereenvolgende verzekeringen van verzekerden die gewoonlijk en naar de aard van hun beroep slechts een gedeelte van een kalenderweek in een onderneming werkzaam zijn, als één verzekering.

Zie artikel 55 (nieuw), vierde lid, en artikel 6 (nieuw), tweede lid, onderdeel d.

-3. Indien de verzekerde misbruik van drank pleegt te maken, zijn het bestuur der bedrijfsvereniging en het bestuur ener afdelingskas der bedrijfsvereniging bevoegd in plaats van ziekengeld een andere uitkering te doen, in waarde overeenkomende met het bedrag van het ziekengeld, ofwel het ziekengeld op andere wijze te doen aanwenden ten behoeve van de verzekerde of van de personen wier kostwinner hij is.

Het bepaalde in dit lid is vervallen.
 

 
Art. 44 (nieuw).
1. Het bestuur van de bedrijfsvereniging of van de afdelingskas is
bevoegd de uitkering van ziekengeld geheel of ten dele te weigeren:
a.
. indien de ongeschiktheid tot werken bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam;
2º. indien de ongeschiktheid tot werken binnen een halfjaar na het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van ongeschiktheid tot werken binnen een halfjaar kennelijk moest doen verwachten;
b. bij zwangerschap ontstaan vóór of bevalling binnen zes maanden na de dag waarop de verzekering een aanvang nam; het in de voorgaande zinsnede bepaalde vindt geen toepassing indien in de periode van zwangerschap, voor zover deze op de dag waarop de verklaring, bedoeld in artikel 29, zevende lid, is opgemaakt, is verstreken, de verzekering, vroegere verzekeringen van de verzekerde inbegrepen, niet gedurende meer dan 60 dagen is onderbroken geweest; eveneens vindt het in de eerste zinsnede bepaalde geen toepassing bij bevalling indien hetzij de uitkering, bedoeld in artikel 29, zevende lid, is toegekend, hetzij de verzekering, vroegere verzekeringen van de verzekerde inbegrepen, in het tijdvak van 40 achtereenvolgende weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag der bevalling niet gedurende meer dan 60 dagen is onderbroken geweest;
c. indien de verzekerde niet binnen redelijke termijn geneeskundige hulp inroept en niet zich gedurende het gehele verloop der ziekte onder behandeling blijft stellen of indien hij de voorschriften van de behandelende geneeskundige niet opvolgt;
d. indien de verzekerde gedurende de ongeschiktheid tot werken zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
e. indien de verzekerde zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek ingevolge deze wet gedaan door het bestuur van de bedrijfsvereniging of van de afdelingskas om te verschijnen of inlichtingen te verstrekken, of indien het geneeskundig onderzoek door een door het bestuur van de bedrijfsvereniging of van de afdelingskas aangewezen geneeskundige door toedoen van de verzekerde niet kan plaatshebben;
f.
indien de verzekerde het voorschrift gegeven in artikel 38 niet opgevolgd heeft. In dat geval mag ziekengeld geweigerd worden over de dagen voorafgaande aan de tweede dag na die van de ontvangst der ziekmelding. Bij de bepaling van de laatste twee dagen van het tijdvak waarover de uitkering van ziekengeld mag worden geweigerd, blijven de zaterdag en de zondag buiten beschouwing;
g. indien de verzekerde de hem op grond van artikel 30, vijfde lid, opgelegde verplichting niet nakomt of zich niet houdt aan de controlevoorschriften als bedoeld in artikel 39;
h. indien de verzekerde de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt en hij gedurende het laatste halfjaar aan de ongeschiktheid tot werken voorafgaande niet op ten minste 50 dagen arbeid in dienstbetrekking heeft verricht;
i. indien met betrekking tot de ongeschiktheid tot werken bij de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 25 of 28, onderdeel a of b, van die wet;
j. indien de verzekerde zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt.
-2. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, onder 2º, blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel b tot en met g, niet verzekerd was.
 

 
Art. 45 (oud).
Ingeval degene in wiens dienst de verzekerde werkzaam is of laatstelijk geweest is een verzoek doet tot vermindering van of tot staking van de uitkering van ziekengeld, wordt door de bedrijfsvereniging zo spoedig mogelijk op zodanig verzoek beslist.

Het bepaalde in dit artikel is vervallen.
 

 
Art. 45 (nieuw).
De rechter is bevoegd te beoordelen of de wijze waarop van de in artikel 44 bedoelde bevoegdheid gebruik is gemaakt in overeenstemming is met de redelijkheid.
 

 
Art. 46 (oud).
-1. Degene die:
a. hetzij gedurende twee maanden onafgebroken op alle werkdagen verplicht verzekerd is geweest; of
b. hetzij in de loop van de twee maanden voorafgaande aan het einde zijner verplichte verzekering op ten minste
zestien dagen arbeid in loondienst heeft verricht,
heeft, indien hij in het onder a bedoelde geval binnen één maand na het einde van die twee maanden en in het onder b bedoelde geval binnen acht dagen na het einde van zijn verplichte verzekering ongeschikt tot werken wordt terwijl hij werkloos is, tegenover de bedrijfsvereniging waarbij zijn laatste werkgever was aangesloten aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven.
-2. Voor de toepassing van het in het vorige lid, onderdeel a, bepaalde wordt de daar genoemde termijn van twee maanden geacht niet te zijn onderbroken indien de arbeider gedurende niet meer dan zes werkdagen niet verplicht verzekerd is geweest. Voor de toepassing van het bepaalde in dit en het vorige lid wordt arbeid in een aaneengesloten nachtdienst op twee ¹ verricht, gerekend als arbeid op één dag.
-3. Voor de vaststelling van het bedrag van het ziekengeld wordt de ongeschiktheid tot werken geacht te zijn ingetreden in de kalenderweek waarin de verplichte verzekering is geëindigd.
-4. Voor de toepassing van het eerste lid gelden achtereenvolgende verzekeringen bij verschillende bedrijfsverenigingen als één verzekering.

1. Volgens de redactie dient na "twee" te worden ingevoegd: dagen.

Zie artikel 55 (nieuw), vierde lid.

-5. De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt niet toe aan degene die zich ter vervulling van zijn militaire dienstplicht in werkelijke dienst bevindt. Evenmin komt deze aanspraak toe aan degene die zich buitenslands bevindt, tenzij bij algemene maatregel van bestuur, met inachtneming voor zoveel mogelijk van het beginsel der wederkerigheid, neergelegd in de wetgeving van een vreemde Mogendheid, het tegendeel wordt bepaald.
-6.
De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt mede toe, voor zover het betreft de toepassing van het vierde en vijfde lid van artikel 29, aan de vrouw wier bevalling waarschijnlijk is, onderscheidenlijk wier bevalling plaatsvindt binnen een tijdsverloop van tien weken na het einde van haar verplichte verzekering.
-7. Voor de toepassing van dit artikel is ongeschikt tot werken degene die ongeschikt is tot het verrichten van de arbeid waarmede hij in zijn onderhoud placht te voorzien.

Vijfde, zesde en zevende lid: zie nieuwe tekst vierde, vijfde en zesde lid.
 

 
Art. 46 (nieuw).
-
1. Degene die:
a. gedurende twee maanden onafgebroken op alle dagen verzekerd is geweest; of
b. in de loop van de twee maanden voorafgaande aan het einde van zijn verzekering op ten minste zestien dagen verzekerd is geweest;
heeft, indien hij in het onder a bedoelde geval binnen één maand na het einde van die twee maanden en in het onder b bedoelde geval binnen acht dagen na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, tegenover de bedrijfsvereniging waarbij hij laatstelijk verzekerd was aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven.
-2.
Voor de toepassing van het in het vorige lid, onderdeel a, bepaalde, wordt de daargenoemde termijn van twee maanden geacht niet te zijn onderbroken indien de werknemer gedurende niet meer dan zeven dagen niet verzekerd is geweest. Voor de toepassing van het bepaalde in dit en het vorige lid wordt arbeid in een aaneengesloten nachtdienst op twee dagen verricht, gerekend als arbeid op één dag.
-3. Voor de vaststelling van het bedrag van het ziekengeld wordt de ongeschiktheid tot werken geacht te zijn ingetreden in de kalenderweek waarin de verzekering is geëindigd.
-4. De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt niet toe aan:
a. degene die in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel b tot en met g, niet verzekerd is;
b. degene die ingevolge de wetgeving van een andere mogendheid aanspraak heeft op uitkering bij ziekte.
-5.
De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt mede toe, voor zover het betreft de toepassing van het zevende en achtste lid van artikel 29. aan de vrouw wier bevalling waarschijnlijk is, onderscheidenlijk wier bevalling plaats vindt binnen een tijdsverloop van tien weken na het einde van haar verplichte verzekering.
-6. Voor de toepassing van dit artikel is ongeschikt tot werken degene die ongeschikt is tot het verrichten van de arbeid waarmede hij in zijn onderhoud placht te voorzien.
 

 
Art. 47 (oud).
-1. Het ziekengeld wordt uiterlijk in de kalenderweek volgende op die waarover het is verschuldigd, uitgekeerd.
-2. Van het ziekengeld mag alleen worden afgehouden hetgeen door de verzekerde wegens premie verschuldigd is.
 

 
Art. 47 (nieuw).
-1. Het ziekengeld wordt uiterlijk in de kalenderweek volgende op die waarover het is verschuldigd, uitgekeerd.
-2. Van het ziekengeld mag alleen worden afgehouden hetgeen door de verzekerde wegens premie verschuldigd is.
 

 
Art. 48 (oud).
Over de dagen waarop een verzekerde die kostwinner is, anders dan krachtens enige door hem gesloten overeenkomst is opgenomen in een inrichting voor zieken of in een gesticht of waarop de werkgever bij wie hij inwoont, zonder de kosten te verhalen, ingevolge artikel 1638ij van het Burgerlijk Wetboek voor zijn verpleging zorg draagt, is het orgaan hetwelk het risico zijner verzekering draagt, bevoegd het ziekengeld geheel of ten dele uit te betalen aan de personen, wier kostwinner hij is.

Het bepaalde in dit artikel is vervallen.
 

 
Art. 48 (nieuw).
Voor zover betreft het in ontvangst nemen van een uitkering ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het bestuur der betrokken bedrijfsvereniging, geschiedt de uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.
 

 
Art. 49 (oud).
Wijziging van bepalingen betreffende het ziekengeld heeft geen invloed op de op het ogenblik van inwerkingtreding der wijziging lopende uitkeringen, tenzij
de uitkeringen worden verhoogd uitsluitend op grond dat de premiën te hoog zijn gebleken.
 

 
Art. 49 (nieuw).
Wijziging van bepalingen betreffende het ziekengeld heeft geen invloed op de op het ogenblik van inwerkingtreding der wijziging lopende uitkeringen, tenzij
bij de wijziging anders wordt bepaald.
 

 
Art. 50 (oud).
-1. Beslag op het de verzekerde toekomende ziekengeld is alleen geldig indien het beslag dient tot verhaal van onderhoud waartoe de verzekerde volgens de wet is gehouden. Hetzelfde geldt ten aanzien van overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de verzekerde enig recht op het hem toekomende ziekengeld aan een derde toekent.
-2. Volmacht tot invordering van het ziekengeld, onder welke vorm of welke benaming ook door de verzekerde verleend, is steeds herroepelijk.
-
3. Elk beding strijdig met enige bepaling van dit artikel is nietig.
 

 
Art. 50 (nieuw).
-1. Het ziekengeld is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zover dit dient tot verhaal van onderhoud waartoe de verzekerde volgens de wet is gehouden, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag.
-2. Volmacht tot ontvangst van het ziekengeld, onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met enige bepaling van dit artikel is nietig.
 

 
Art. 51 (oud).
Het Rijk is tegenover de verzekerden die recht hebben op ziekengeld, zonder enig voorbehoud voor de uitkering daarvan aansprakelijk.
 

 
Art. 51 (nieuw).
Het Rijk is tegenover de verzekerden die recht hebben op ziekengeld, zonder enig voorbehoud voor de uitkering daarvan aansprakelijk.
 

 
Art. 52 (oud).
-1. Indien een verzekerde in verband met de ongeschiktheid tot werken waarvoor hij ziekengeld ontvangt tegen de werkgever naar burgerlijk recht een rechtsvordering tot schadevergoeding heeft, zal de rechter bij de vaststelling dezer schadevergoeding het bedrag van hel ziekengeld dat de verzekerde is uitgekeerd of nog toekomt in mindering brengen.
-2. Indien ter zake van het feit waarop de rechtsvordering tot schadevergoeding steunt het hoofd of de bestuurder der onderneming hier te lande of in het buitenland bij onherroepelijk geworden vonnis van de strafrechter is veroordeeld, hebben degenen te wier laste het bedrag komt dat door de verzekerde, zijn erfgenamen of zijn rechtverkrijgenden krachtens deze wet wordt genoten, voor dat bedrag een rechtsvordering tegen de veroordeelde.
-3. Indien ter zake van het feit waarop de rechtsvordering tot schadevergoeding steunt het hoofd of de bestuurder der onderneming door de Nederlandse strafrechter bij een niet-onherroepelijk geworden verstekvonnis is veroordeeld, hebben degenen te wier laste het bedrag komt dat door de verzekerde, zijn erfgenamen of zijn rechtverkrijgenden krachtens deze wet wordt genoten, eveneens voor dat bedrag een rechtsvordering tegen de veroordeelde. Deze rechtsvordering zal kunnen worden ingesteld zes maanden na de dagtekening van het verstekvonnis, tenzij vóór die tijd het hoofd of de bestuurder tegen dat vonnis verzet heeft aangetekend.
-4. Behoudens hetgeen in de voorgaande leden is bepaald ten aanzien van de aansprakelijkheid van de werkgever van de verzekerde is degene die gehouden is tot vergoeding van de schade door de verzekerde tengevolge van ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel 19 geleden, voor het bedrag der schadevergoeding krachtens deze wet uitbetaald aansprakelijk jegens degene te wiens laste dat bedrag komt. Bij de vaststelling van de schadevergoeding welke de verzekerde van de in de vorige volzin bedoelde persoon vordert, wordt door de rechter rekening gehouden met hetgeen door hem krachtens deze wet wordt genoten.
-5. Onder werkgever in de zin van dit artikel wordt mede verstaan degene die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen.
 

 
Art. 52 (nieuw).
Bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte houdt de rechter rekening met de aanspraken die hij krachtens deze wet heeft.
 

 
Art. 52a.
De bedrijfsvereniging heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene die in verband met het veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
 

 
Art. 52b.
-1. Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de werkgever van de verzekerde die naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht slechts indien de ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever.
-2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd degene die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen.
 

 
Art. 53 (oud).
-1. In de uitvoering van de in deze wet geregelde verzekering wordt voorzien door bedrijfsverenigingen.
-2. Onder bedrijfsvereniging wordt in deze wet verstaan een bedrijfsvereniging als bedoeld in hoofdstuk II van de Organisatiewet Sociale Verzekering.
-3. Onder afdelingskas wordt in deze wet verstaan een afdelingskas als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk II van de Organisatiewet Sociale Verzekering.
 

 
Art. 53 (nieuw).
-1. In de uitvoering van de in deze wet geregelde verzekering wordt voorzien door bedrijfsverenigingen.
-2. Onder bedrijfsvereniging wordt in deze wet verstaan een bedrijfsvereniging als bedoeld in hoofdstuk II van de Organisatiewet Sociale Verzekering.
-3. Onder afdelingskas wordt in deze wet verstaan een afdelingskas als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk II van de Organisatiewet Sociale Verzekering.
 

 
Art. 54 (oud).
De bedrijfsvereniging is verplicht een reglement voor de ziekteverzekering ("ziekengeldreglement") samen te stellen, dat evenals een latere wijziging daarvan aan de goedkeuring van Onze Minister is onderworpen.
 

 
Art. 54 (nieuw).
De bedrijfsvereniging is verplicht een reglement voor de ziekteverzekering ("ziekengeldreglement") samen te stellen, dat evenals een latere wijziging daarvan aan de goedkeuring van Onze Minister is onderworpen.
 

 
Art. 55 (oud).
-1. De arbeider is verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij zijn werkgever is aangesloten. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin is degene die ingevolge artikel 3 als arbeider wordt beschouwd, verzekerd bij de bedrijfsvereniging welke hem uitkering krachtens de Werkloosheidswet verleent.
-2. Indien de werkgever bij meer dan één bedrijfsvereniging is aangesloten, is de arbeider verzekerd bij de bedrijfsvereniging welke haar werking uitstrekt over het onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe zijn werkzaamheden uitsluitend of in hoofdzaak behoren.

Tweede lid: zie nieuwe tekst derde lid.
 

 
Art. 55 (nieuw).
-1. De werknemer is, behoudens het bepaalde in de volgende leden, verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij zijn werkgever is aangesloten.
-2. Degene die als werknemer wordt beschouwd ingevolge het bepaalde in artikel 7, onderdeel a, b en e, is verzekerd bij de bedrijfsvereniging welke beslist over de toekenning van de aldaar bedoelde uitkering.
-3.
Indien de werkgever bij meer dan één bedrijfsvereniging is aangesloten, is de werknemer verzekerd bij de bedrijfsvereniging welke haar werking uitstrekt over het onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe zijn werkzaamheden uitsluitend of in hoofdzaak behoren.
-4. Voor de toepassing van deze wet gelden aaneensluitende verzekeringen bij verschillende
bedrijfsverenigingen als één verzekering.
 

 
Art. 56 (oud).
-1. Bij overgang van een werkgever van de ene bedrijfsvereniging naar een andere blijven ziekengelduitkeringen, verschuldigd ter zake van ongeschiktheid tot werken van arbeiders van die werkgever, ontstaan vóór de dag van diens overgang, voor rekening van de bedrijfsvereniging welke het risico van hun verzekering droeg op de dag waarop de ongeschiktheid tot werken is ontstaan.
-2. De ziekengelduitkeringen ingevolge artikel 46 verschuldigd ter zake van ongeschiktheid tot werken van gewezen arbeiders van vorenbedoelde werkgever, ontstaan na de dag van diens overgang, komen voor rekening van de bedrijfsvereniging waarbij deze arbeiders laatstelijk verzekerd waren.
 

 
Art. 56 (nieuw).
-1. Bij overgang van een werkgever van de ene bedrijfsvereniging naar een andere blijven ziekengelduitkeringen, verschuldigd ter zake van ongeschiktheid tot werken van werknemers van die werkgever, ontstaan vóór de dag van diens overgang, voor rekening van de bedrijfsvereniging welke het risico van hun verzekering droeg op de dag waarop de ongeschiktheid tot werken is ontstaan.
-2. De ziekengelduitkeringen ingevolge artikel 46 verschuldigd ter zake van ongeschiktheid tot werken van gewezen werknemers van vorenbedoelde werkgever, ontstaan na de dag van diens overgang, komen voor rekening van de bedrijfsvereniging waarbij deze werknemers laatstelijk verzekerd waren.
 

 
Art. 57 (oud).
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd, onder goedkeuring van Onze Minister, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, te bepalen dat aan bij haar verzekerde arbeiders hogere uitkeringen zullen worden gedaan dan deze wet vaststelt of over langere duur dan deze bepaalt of behalve het bij deze wet bepaalde ziekengeld andere uitkeringen zullen worden gedaan. Zodanige bepalingen worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
-2. Op uitkeringen voortvloeiende uit het bepaalde in het eerste lid zijn de bepalingen dezer wet niet van toepassing.
 

 
Art. 57 (nieuw).
-1.
De bedrijfsvereniging is bevoegd, onder goedkeuring van Onze Minister, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, te bepalen dat aan bij haar verzekerde werknemers hogere uitkeringen zullen worden gedaan dan deze wet vaststelt of over langere duur dan deze bepaalt of behalve het bij deze wet bepaalde ziekengeld andere uitkeringen zullen worden gedaan. Zodanige bepalingen worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
-2. Op uitkeringen voortvloeiende uit het bepaalde in het eerste lid zijn de bepalingen dezer wet niet van toepassing.
 

 
Art. 58 (oud).
-1.
Bedrijfsverenigingen kunnen ten aanzien van zaken betreffende de uitvoering van deze wet een gemeenschappelijke regeling treffen, welke binnen veertien dagen na haar totstandkoming ter kennis wordt gebracht van de Sociale Verzekeringsraad.
-2. Meent de Sociale Verzekeringsraad dat de regeling in strijd is met de wet of het algemeen belang, zo geeft hij hiervan kennis aan Onze Minister.

Zie artikel 16a van het wetsontwerp tot wijziging van de Organisatiewet Sociale Verzekering, zitting 1962-1963, 7171, nr. 9.
 

 
Art. 58 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 59 (oud). Vervallen per 1 januari 1954.
 

 
Art. 59 (nieuw). Vervallen per 1 januari 1954.
 

 
Art. 60 (oud).
-1. De premie wordt vastgesteld in honderdsten van het loon dat in het tijdvak waarover de betaling loopt door de verzekerde is genoten.
-2. Van de premie is de helft door de verzekerde verschuldigd tot ten hoogste één ten honderd van zijn voor premieberekening in aanmerking komend loon en het overblijvende door de werkgever, behoudens dat de premie geheel door de werkgever is verschuldigd ten aanzien van een verzekerde wiens loon geheel bestaat in verstrekkingen in natura, met of zonder huisvesting en onderricht.
-3. In bijzondere gevallen is evenwel Onze Minister bevoegd de werkgever toe te staan op het loon van de arbeider een groter aandeel in de premie in te houden dan ingevolge het tweede lid van dit artikel geoorloofd is. Bij de vorenbedoelde vergunning wordt het aandeel in de premie dat op het loon van de arbeider mag worden ingehouden, aangegeven.
-4. De werkgever is gehouden zowel de door de verzekerde als de door hemzelf verschuldigde premie te betalen. De werkgever mag van het loon van de verzekerde afhouden het door deze verschuldigde deel der premie over de tijd waarover dat loon betaald wordt. Het afgehouden bedrag wordt geacht door de werkgever te worden gevorderd krachtens artikel 1638r, onder 3º, van het Burgerlijk Wetboek. Indien de verschuldigde premie na de loonuitbetaling met terugwerkende kracht wordt verhoogd of indien een voorschotpremie wordt gevorderd, mag bij de definitieve vaststelling van de kosten niets van een eventueel door de werkgever bij te betalen bedrag of bijbetaald bedrag op de arbeider worden verhaald.
-5. Met afwijking van het bepaalde in artikel 13 wordt het door de werkgever verschuldigde deel der premie naar boven en het door de arbeider verschuldigde deel naar beneden afgerond tot een veelvoud van een cent.
 

 
Art. 60 (nieuw).
-1. De premie wordt vastgesteld in honderdsten van het loon dat in het tijdvak waarover de betaling loopt door de verzekerde is genoten.
-2. Van de premie is de helft door de verzekerde verschuldigd tot ten hoogste één ten honderd van zijn voor premieberekening in aanmerking komend loon en het overblijvende door de werkgever, behoudens dat de premie geheel door de werkgever is verschuldigd ten aanzien van een verzekerde wiens loon geheel bestaat in verstrekkingen in natura, met of zonder huisvesting en onderricht.
-3. In bijzondere gevallen is evenwel Onze Minister bevoegd de werkgever toe te staan op het loon van de werknemer een groter aandeel in de premie in te houden dan ingevolge het tweede lid van dit artikel geoorloofd is. Bij de vorenbedoelde vergunning wordt het aandeel in de premie dat op het loon van de werknemer mag worden ingehouden, aangegeven.
-4. De werkgever is gehouden zowel de door de verzekerde als de door hemzelf verschuldigde premie te betalen. De werkgever mag op het loon van de verzekerde inhouden het door deze verschuldigde deel der premie over de tijd waarover dat loon betaald wordt. Het ingehouden bedrag wordt geacht door de werkgever te worden gevorderd krachtens artikel 1638r, onder 3
º. van het Burgerlijk Wetboek. Indien de verschuldigde premie na de loonuitbetaling met terugwerkende kracht wordt verhoogd of indien een voorschotpremie wordt gevorderd, mag bij de definitieve vaststelling van de kosten niets van een eventueel door de werkgever bij te betalen bedrag of bijbetaald bedrag op de werknemer worden verhaald.
 

 
Art. 61 (oud). Vervallen per 1 januari 1954.

 
Art. 61 (nieuw). Vervallen per 1 januari 1954.
 

 
Art. 62 (oud). Vervallen per 1 januari 1954.
 

 
Art. 62 (nieuw). Vervallen per 1 januari 1954.
 

 
Art. 63 (oud).
-1. Uit de middelen opgebracht door de aangesloten werkgevers, met uitzondering van de werkgevers aan wier onderneming een afdelingskas is verbonden en de werkgevers die krachtens de statuten der bedrijfsvereniging met een afdelingskas zijn gelijkgesteld, vormt de bedrijfsvereniging een reserve.
-2. De reserve dient aan het einde van elk boekjaar ten minste een omvang te hebben van een derde deel van de gemiddeld per boekjaar over de drie voorafgaande boekjaren verstrekte uitkeringen. Uitkeringen welke uitsluitend voor rekening komen van een afdelingskas of van een krachtens de statuten der bedrijfsvereniging met een afdelingskas gelijkgestelde werkgever, blijven voor het bepalen van de omvang van de reserve buiten aanmerking. De Sociale Verzekeringsraad kan voorschriften geven omtrent de belegging van de middelen der reserve, alsmede omtrent de wijze van waardering der beleggingen.
-3. De bedrijfsvereniging is bevoegd, indien haar middelen over enig boekjaar niet toereikend zijn om de uitgaven over dat jaar te dekken, een bedrag ter grootte van het tekort aan de reserve te onttrekken.
-4. Indien de reserve op het einde van enig boekjaar minder bedraagt dan het in het tweede lid bedoelde minimum, vindt in het daaropvolgende boekjaar aanvulling tot dat minimum plaats. Indien de resultaten over laatstbedoeld boekjaar niet toereikend zijn om de reserve tot het minimum aan te vullen, vindt verdere aanvulling plaats in het tweede boekjaar - of, indien de resultaten ook dan ontoereikend zijn, uiterlijk in het derde boekjaar - volgende op het jaar waarin de reserve voor het eerst beneden het minimum daalde.
-5. Indien de reserve binnen het in het vorige lid bedoelde tijdsverloop van drie jaren niet opnieuw het minimum als bedoeld in het tweede lid heeft bereikt, geeft de Sociale Verzekeringsraad een aanwijzing omtrent de maatregelen die moeten worden genomen teneinde de reserve alsnog binnen de kortst mogelijke termijn tot het minimum aan te vullen.
-6. Een aanwijzing als bedoeld in het vorige lid kan binnen het tijdsverloop van de daarin bedoelde drie jaren gegeven worden indien de reserve is gedaald tot minder dan de helft van het in het tweede lid bedoelde minimum, dan wel indien bijzondere omstandigheden zulks naar het oordeel van de Sociale Verzekeringsraad wenselijk maken.
-7. Indien een bedrijfsvereniging bij haar aangesloten werkgevers in groepen heeft ingedeeld en verder is bepaald dat de reserve in even zovele onderdelen wordt gesplitst en dat, onverlet de aansprakelijkheid van de bedrijfsvereniging, elk onderdeel ten behoeve van de betrokken groep wordt aangewend, is het bepaalde in de voorgaande leden met betrekking tot deze onderdelen van de reserve van overeenkomstige toepassing.
 

 
Art. 63 (nieuw).
-1. Uit de middelen opgebracht door de aangesloten werkgevers, met uitzondering van de werkgevers aan wier onderneming een afdelingskas is verbonden en de werkgevers die krachtens de statuten der bedrijfsvereniging met een afdelingskas zijn gelijkgesteld, vormt de bedrijfsvereniging een reserve.
-2. De reserve dient aan het einde van elk boekjaar ten minste een omvang te hebben van een derde deel van de gemiddeld per boekjaar over de drie voorafgaande boekjaren verstrekte uitkeringen. Uitkeringen welke uitsluitend voor rekening komen van een afdelingskas of van een krachtens de statuten der bedrijfsvereniging met een afdelingskas gelijkgestelde werkgever, blijven voor het bepalen van de omvang van de reserve buiten aanmerking. De Sociale Verzekeringsraad kan voorschriften geven omtrent de belegging van de middelen der reserve, alsmede omtrent de wijze van waardering der beleggingen.
-3. De bedrijfsvereniging is bevoegd, indien haar middelen over enig boekjaar niet toereikend zijn om de uitgaven over dat jaar te dekken, een bedrag ter grootte van het tekort aan de reserve te onttrekken.
-4. Indien de reserve op het einde van enig boekjaar minder bedraagt dan het in het tweede lid bedoelde minimum, vindt in het daaropvolgende boekjaar aanvulling tot dat minimum plaats. Indien de resultaten over laatstbedoeld boekjaar niet toereikend zijn om de reserve tot het minimum aan te vullen, vindt verdere aanvulling plaats in het tweede boekjaar - of, indien de resultaten ook dan ontoereikend zijn, uiterlijk in het derde boekjaar - volgende op het jaar waarin de reserve voor het eerst beneden het minimum daalde.
-5. Indien de reserve binnen het in het vorige lid bedoelde tijdsverloop van drie jaren niet opnieuw het minimum als bedoeld in het tweede lid heeft bereikt, geeft de Sociale Verzekeringsraad een aanwijzing omtrent de maatregelen die moeten worden genomen teneinde de reserve alsnog binnen de kortst mogelijke termijn tot het minimum aan te vullen.
-6. Een aanwijzing als bedoeld in het vorige lid kan binnen het tijdsverloop van de daarin bedoelde drie jaren gegeven worden indien de reserve is gedaald tot minder dan de helft van het in het tweede lid bedoelde minimum, dan wel indien bijzondere omstandigheden zulks naar het oordeel van de Sociale Verzekeringsraad wenselijk maken.
-7. Indien een bedrijfsvereniging bij haar aangesloten werkgevers in groepen heeft ingedeeld en verder is bepaald dat de reserve in even zovele onderdelen wordt gesplitst en dat, onverlet de aansprakelijkheid van de bedrijfsvereniging, elk onderdeel ten behoeve van de betrokken groep wordt aangewend, is het bepaalde in de voorgaande leden met betrekking tot deze onderdelen van de reserve van overeenkomstige toepassing.
 

 
Art. 64 (oud).
-1. De bedrijfsverenigingen zijn, overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde, verplicht degenen van wier verplichte verzekering zij laatstelijk het risico droegen, na beëindiging van hun verplichte verzekering op hun verzoek toe te laten tot het sluiten van een vrijwillige verzekering. Deze verplichting bestaat evenwel alleen wanneer deze personen als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefenen of zullen gaan uitoefenen of wanneer ten aanzien van deze personen op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat het hun bedoeling is om hij geboden gelegenheid opnieuw in loondienst te treden.
-2. De bedrijfsverenigingen zijn echter bevoegd de in het vorige lid bedoelde personen die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben van de in het eerste lid bedoelde verzekering uit te sluiten.

Zie nieuwe tekst: derde lid.

-3. De bedrijfsverenigingen zijn bevoegd ook andere personen tot de vrijwillige verzekering toe te laten.

Zie nieuwe tekst: vierde lid.
 

 
Art. 64 (nieuw).
-1. De bedrijfsverenigingen zijn verplicht overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde tot de vrijwillige verzekering toe te laten, mits hij hier te lande woont:
a. degene wiens verplichte verzekering is geëindigd en te wiens aanzien op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat onderbreking van die verplichte verzekering van korte duur zal zijn;
b. degene die, terwijl hij hier te lande woonde, in het buitenland verplicht verzekerd was tegen geldelijke gevolgen van ziekte, mits:
1º. hij niet meer in het buitenland verzekerd is, omdat hij niet langer werkzaamheden verricht in het buitenland;
2º. op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat het zijn bedoeling is binnen korte tijd opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan;
c. degene wiens verplichte verzekering is geëindigd en die als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, indien hij gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn verplichte verzekering onafgebroken, al dan niet hier te lande, ingevolge een wettelijke regeling verzekerd is geweest tegen geldelijke gevolgen van ziekte;
d. degene wiens dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht - niet uitsluitend als gevolg van een voor betrokkene geldende werktijdregeling krachtens welke een normale werkweek van gemiddeld minder dan zes dagen van toepassing is - en die uit hoofde van die dienstbetrekking verplicht verzekerd is, indien hij gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag van aanvang van zijn vrijwillige verzekering onafgebroken, al dan niet hier te lande, ingevolge een wettelijke regeling verzekerd is geweest tegen geldelijke gevolgen van ziekte;
e. degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%:
f. degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 55%;
g. degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%, is ingetrokken.
-2. De in het vorige lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van degene wiens verplichte verzekering is geëindigd en die buiten het Rijk woont en aldaar in dienstbetrekking staat tot een binnen het Rijk wonende of gevestigde werkgever.
-3. De bedrijfsverenigingen zijn echter bevoegd de in de vorige leden bedoelde personen die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben van de in het eerste lid bedoelde verzekering uit te sluiten.
-4. De bedrijfsverenigingen zijn bevoegd ook andere personen tot de vrijwillige verzekering toe te laten.
 

 
Art. 65 (oud).
-1. Bij de bedrijfsvereniging welke haar werking uitstrekt over het onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe zijn werkzaamheden behoren of het laatst behoord hebben, mag zich verzekeren hij die, terwijl hij zijn woonplaats hier te lande had, in het buitenland tegen geldelijke gevolgen van ziekte verplicht verzekerd was. Teneinde zich op grond van deze bepaling te mogen verzekeren, is echter vereist:
a. dat degene die zich wenst te verzekeren zijn werkelijk verblijf heeft in Nederland;
b. dat de verzekering in het buitenland heeft opgehouden, omdat de verzekerde niet langer werkzaamheden in het buitenland verrichtte;
c. dat degene die zich wenst te verzekeren, overlegt een verklaring van de instelling waarbij hij in het buitenland verzekerd was, waaruit blijkt naar welk loon hij verzekerd was en wanneer en waarom zijn verzekering eindigde.
-2. Aan de verzekering wordt ten grondslag gelegd het loon waarnaar de in het voorgaande lid bedoelde persoon blijkens de verklaring van de buitenlandse instelling verzekerd was, tenzij de betrokkene verzoekt naar een lager loon te worden verzekerd. De bepalingen van artikel 64, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, zijn van toepassing.

Eerste lid: zie artikel 64 (nieuw), eerste lid, onderdeel b.

Tweede lid: zie artikel 67 (nieuw).
 

 
Art. 65 (nieuw).
-1. De in het eerste lid van het vorige artikel, onderdeel e en d, genoemde termijn van drie jaren wordt geacht niet te zijn onderbroken:
a. indien de betrokkene gedurende niet meer dan 60 dagen niet verzekerd is geweest;
b. gedurende het tijdvak waarover een arbeidsongeschiktheidsuitkering is genoten, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 55%.
-2.
De in het eerste lid van het vorige artikel, onderdeel c en d, genoemde voorwaarde van een verzekeringsduur van drie jaren wordt geacht te zijn vervuld indien de betrokkene in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
 

 
Art. 66 (oud).
-1. Degene wiens verplichte verzekering is geëindigd en die zich vrijwillig wil verzekeren, moet zich daartoe bij de bevoegde bedrijfsvereniging aanmelden binnen één maand na het einde der dienstbetrekking.
-2. Heeft de persoon die zich vrijwillig wenst te verzekeren, na het einde der dienstbetrekking ziekengeld genoten krachtens de verplichte verzekering, dan is de termijn van aanmelding voor de vrijwillige verzekering, bedoeld in het eerste lid, acht dagen na zijn herstel.
-3. Degene die zich krachtens het bepaalde bij het voorgaande artikel vrijwillig mag verzekeren, moet zich daartoe aanmelden binnen acht dagen na het einde der verzekering in het buitenland.
-4. De vrijwillige verzekering neemt een aanvang op het ogenblik dat de eerste premie is betaald, hetwelk uiterlijk moet geschieden binnen acht dagen na de laatste dag waarop aanmelding tot de verzekering had kunnen geschieden.
 

 
Art. 66 (nieuw).
-1. De aanmelding voor de vrijwillige verzekering dient te geschieden bij de bedrijfsvereniging:
a. door de in het eerste lid, onderdeel a, b en c, en het tweede lid van artikel 64 bedoelde personen binnen één maand na het einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in het eerste lid, onderdeel e, f en g, van artikel 64 bedoelde personen binnen één maand na de dagtekening van de beslissing waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of ingetrokken.
-2. De in het vorige lid, onderdeel b, bedoelde personen worden geacht zich binnen één maand na de dagtekening van de beslissing te hebben aangemeld indien de aanmelding geschiedt binnen één maand na de dag waarop zij redelijkerwijze hebben kunnen kennisnemen van die beslissing.
-3. De Sociale Verzekeringsraad kan regelen stellen voor bijzondere gevallen waarin aanmelding voor de vrijwillige verzekering later dan de in de vorige leden bedoelde maand mogelijk is.
 

 
Art. 67 (oud).
-1. De bedrijfsverenigingen stellen ten aanzien van de vrijwillige verzekering regelen vast omtrent het uit te keren ziekengeld, het dagloon waarnaar het ziekengeld en de verschuldigde premie worden berekend en het percentage van het dagloon dat aan premie verschuldigd is. Deze regelen behoeven de goedkeuring van
Onze Minister.
-2. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen onderscheiden al naargelang het betreft:
a. personen wier verplichte verzekering naar redelijkerwijze valt aan te nemen slechts tijdelijk is geëindigd;
b. personen die na het einde hunner verplichte verzekering een bedrijf of een beroep zijn of zullen gaan uitoefenen;
c. personen, bedoeld in het derde lid van artikel 64.
-3. Voor personen als bedoeld in het vorige lid, onderdeel a, mag het uit te keren ziekengeld niet worden gesteld op een lager bedrag dan de helft van het dagloon en mag het percentage van het dagloon aangevende de verschuldigde premie niet hoger worden gesteld dan het percentage van het loon dat voor die personen als premie verschuldigd zou zijn indien zij verplicht verzekerd waren. In bijzondere gevallen kan evenwel Onze Minister toestaan dat de premie op een hoger bedrag wordt gesteld.
-4. Voor personen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, mag het percentage van het dagloon aangevende de verschuldigde premie niet hoger worden gesteld dan een en een half maal het percentage van het loon dat voor die personen als premie verschuldigd zou zijn indien zij verplicht verzekerd waren.
 

 
Art. 67 (nieuw).
-1. De premie voor de vrijwillige verzekering wordt geheven naar de maatstaf van het dagloon dat overeenkomstig door de Sociale Verzekeringsraad te stellen regelen aan die verzekering ten grondslag ligt.
-2. Het percentage van het dagloon waarin de premie wordt vastgesteld, is met betrekking tot de in het eerste en het tweede lid van artikel 64 bedoelde personen gelijk aan het percentage van het loon dat voor de betrokkenen als premie verschuldigd zou zijn indien zij verplicht verzekerd waren.
 

 
Art. 68 (oud).
De premie wordt betaald door of namens de vrijwillig verzekerde.
 

 
Art. 68 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 69 (oud).
-1. De vrijwillig verzekerde heeft recht op uitkering indien hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid. Behoudens het bepaalde in het tweede lid blijft het bepaalde in artikel 19, derde lid, buiten toepassing.
-2. Een vrouw die bij het einde van haar verplichte verzekering zwanger was, heeft ter zake van die zwangerschap en de daaruit volgende bevalling aanspraak op de uitkering voorzien bij artikel 29, vierde en vijfde lid.
 

 
Art. 69 (nieuw).
-1.
De vrijwillig verzekerde heeft recht op uitkering indien hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid. Behoudens het bepaalde in het tweede lid blijft het bepaalde in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, buiten toepassing.
-2. Een vrouw die bij het einde van haar verplichte verzekering zwanger was, heeft ter zake van die zwangerschap en de daaruit volgende bevalling aanspraak op de uitkering voorzien bij artikel 29, zevende en achtste lid.
 

 
Art. 70 (oud).
De bedrijfsverenigingen zijn bevoegd te bepalen dat aan vrijwillig verzekerden geen ziekengeld wordt uitgekeerd:
a. bij slepende ziekte;
b. zolang zij anders dan tot herstel van gezondheid buitenslands verblijven; en
c. behoudens het bepaalde in het tweede lid van artikel 69, indien de ziekte kennelijk reeds bestond op het tijdstip waarop de verzekerde zich voor de vrijwillige verzekering aanmeldde.
 

 
Art. 70 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 71 (oud).
De artikelen 12, 14, 28, 37, 38, 41, 42, 44, eerste lid, onderdeel c tot en met h, en derde lid, 47, 48, 49, 50, 51, 52 en 85 dezer wet vinden, voor zover daarvan niet in dit hoofdstuk is afgeweken, overeenkomstige toepassing.

Zie artikel 72 (nieuw).
 

 
Art. 71 (nieuw).
-1. Al hetgeen met betrekking tot de vrijwillige verzekering nog nader geregeld dient te worden, geschiedt door de Sociale Verzekeringsraad onder goedkeuring van
Onze Minister.
-2. In de op grond van het vorige lid door de Sociale Verzekeringsraad te stellen regelen kan worden bepaald dat de bedrijfsverenigingen, onder goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad, omtrent de vrijwillige verzekering ten aanzien van in die regelen aan te geven onderwerpen nadere regelen kunnen stellen.
 

 
Art. 72 (oud).
-1. De vrijwillige verzekering eindigt van rechtswege zodra de verzekerde verplicht verzekerd wordt, alsmede bij niet-betaling der premie over drie achtereenvolgende betalingstermijnen.
-2. De bedrijfsverenigingen regelen in haar statuten of reglementen de gevallen waarin de verzekering, behalve in die in het eerste lid genoemd, eindigt.
 

 
Art. 72 (nieuw).
Met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk, uitgezonderd met betrekking tot het bepaalde in artikel 64, vierde lid, zijn, met inachtneming van de wijzigingen welke de aard van het onderwerp vordert, de overige bepalingen van deze wet en de ter uitvoering van die bepalingen genomen besluiten, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet is afgeweken.
 

 
Art. 73 (oud).
Beroep staat open:
a. van de vaststelling der premies voor de werkgever;
b. van de bepaling van het ziekengeld, van de weigering om ziekengeld uit te keren en van de beslissing betreffende staking of vermindering der uitkering, voor de verzekerde, alsmede voor degene voor wiens rekening de verzekerde, die naar het oordeel van de bedrijfsvereniging geen kostwinner is, is opgenomen in een inrichting voor zieken of in een gesticht. Indien het beroep betreft een beslissing waarbij het ziekengeld geheel of ten dele is geweigerd wegens overtreding der controlevoorschriften, kan het ook worden ingesteld ter zake dat er tussen de weigering van het ziekengeld en de gepleegde overtreding onevenredigheid bestaat;
c. van de beslissing waarbij een verzoek tot toelating tot het sluiten van een vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 64, eerste lid, of artikel 65 is afgewezen.
 

 
Art. 73 (nieuw).
-1. Aan de belanghebbende wordt, desverlangd, schriftelijk kennis gegeven van een beslissing ingevolge deze wet welke:
a. verband houdt met het recht op en de uitbetaling van ziekengeld;
b. betrekking heeft op verschuldigde premie;
c. betrekking heeft op vrijwillige verzekering op grond van het bepaalde in artikel 64, eerste en tweede lid.
-2. Een kennisgeving als in het vorige lid bedoeld, vermeldt de dagtekening van de beslissing, de gronden waarop deze berust, alsmede naam en adres van het college waarbij ingevolge het bepaalde in artikel 75 beroep kan worden ingesteld en de termijn van beroep.
 

 
Art. 73a.
Tegen een beslissing waarvan ingevolge het bepaalde in het vorige artikel schriftelijk kennis wordt gegeven, staat voor de belanghebbende beroep open.
 

 
Art. 74 (oud).
In de gevallen, genoemd in het voorgaande artikel, onderdeel b, wordt het beroep ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening van de mededeling der bestreden beslissing.
 

 
Art. 74 (nieuw).
Indien de bestreden beslissing betrekking heeft op een geschil van geneeskundige aard omtrent het al dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken, wordt het beroep ingesteld binnen veertien dagen na dagtekening van de mededeling van die beslissing.
 

 
Art. 75 (oud).
-1. Over het beroep wordt geoordeeld door de raden van beroep en door de Centrale Raad van Beroep, bedoeld in de Beroepswet.
-2. De artikelen 135 tot en met 144 der Beroepswet vinden toepassing in geschillen van geneeskundige aard omtrent het al dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken. Voor zover bij een uitspraak van een raad van beroep is beslist omtrent zulk een geschil, staat daarvan geen hoger beroep open.
 

 
Art. 75 (nieuw).
-1. Over het beroep wordt geoordeeld door de raden van beroep en door de Centrale Raad van Beroep, bedoeld in de Beroepswet.
-2. De artikelen 135 tot en met 144 der Beroepswet vinden toepassing in geschillen van geneeskundige aard omtrent het al dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken. Voor zover bij een uitspraak van een raad van beroep is beslist omtrent zulk een geschil, staat daarvan geen hoger beroep open.
 

 
Art. 76 (oud).
Hij die niet voldoet aan één der verplichtingen omschreven in de artikelen 77 en 36, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste ƒ100,00.
 

 
Art. 76 (nieuw).
Hij die niet voldoet aan één der verplichtingen omschreven in de artikelen 13 en 31, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste ƒ100,00.
 

 
Art. 77 (oud).
Met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste ƒ100,00 wordt gestraft hij die zich ziek meldt met het oogmerk om wederrechtelijk ziekengeld te ontvangen:
a. over een tijdvak waarover door hem vrijstelling van de verzekering is verkregen;
b. verzwijgende dat door hem een aanvraag om vrijstelling van de verzekering werd ingediend, terwijl op die aanvraag nog niet is beslist.
 

 
Art. 77 (nieuw).
Met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste ƒ100,00 wordt gestraft hij die zich ziek meldt met het oogmerk om wederrechtelijk ziekengeld te ontvangen:
a. over een tijdvak waarover door hem vrijstelling van de verzekering is verkregen;
b. verzwijgende dat door hem een aanvraag om vrijstelling van de verzekering werd ingediend, terwijl op die aanvraag nog niet is beslist.
 

 
Art. 78 (oud).
Hij die door hem krachtens deze wet betaalde of verschuldigde premie afhoudt van het loon van of op enige andere wijze verhaalt op een verzekerde of gewezen verzekerde, zonder dat dit bij of krachtens deze wet is toegestaan, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste ƒ100,00.
 

 
Art. 78 (nieuw).
Hij die door hem krachtens deze wet betaalde of verschuldigde premie afhoudt van het loon van of op enige andere wijze verhaalt op een verzekerde of gewezen verzekerde, zonder dat dit bij of krachtens deze wet is toegestaan, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste ƒ100,00.
 

 
Art. 79 (oud).
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft de verzekerde die de bij artikel 36, eerste lid, van hem gevorderde mededeling opzettelijk verzwijgt.
 

 
Art. 79 (nieuw).
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft de verzekerde die de bij artikel 31, eerste lid, van hem gevorderde mededeling opzettelijk verzwijgt.
 

 
Art. 80 (oud).
-1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft hij die zich ziek meldt bij meer dan één bedrijfsvereniging, daaronder begrepen een afdelingskas, met het oogmerk om meer ziekengeld te verkrijgen dan hem in totaal krachtens de bepalingen dezer wet toekomt.
-2. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft hij die zich ter zake van dezelfde ziekte wendt
zowel tot één of meer bedrijfsverenigingen, daaronder begrepen een afdelingskas, als tot een orgaan belast met de uitvoering ener verplichte ongevallenverzekering, met het oogmerk om meer geldelijke uitkering te verkrijgen dan hem in totaal krachtens de bepalingen dezer wet en der betreffende Ongevallenwet toekomt.
 

 
Art. 80 (nieuw).
-
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft hij die zich ziek meldt bij meer dan één bedrijfsvereniging, daaronder begrepen een afdelingskas, met het oogmerk om meer ziekengeld te verkrijgen dan hem in totaal krachtens de bepalingen dezer wet toekomt.
-2. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft hij die zich ter zake van dezelfde ziekte wendt tot één of meer bedrijfsverenigingen, daaronder begrepen een afdelingskas, met het oogmerk om meer geldelijke uitkering te verkrijgen dan hem in totaal krachtens de bepalingen dezer wet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toekomt.
 

 
Art. 81 (oud).
Ingeval het strafbaar feit is gepleegd door een rechtspersoon, is strafbaar het hoofd of de bestuurder van die rechtspersoon; ingeval het strafbaar feit is gepleegd door een publiekrechtelijk lichaam, is strafbaar de persoon die de onmiddellijke leiding heeft van de betrokken dienst.
 

 
Art. 81 (nieuw).
-1. Indien een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit wordt gepleegd door of vanwege een lichaam, wordt de strafvervolging ingesteld en worden de straffen en maatregelen uitgesproken hetzij tegen dat lichaam, hetzij tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen beiden.
-2. Een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit wordt onder meer gepleegd door of vanwege een lichaam indien het gepleegd wordt door personen die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van het lichaam, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het strafbaar feit hebben gepleegd dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.
-3. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een lichaam, wordt het tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en, indien er meer bestuurders zijn, door één dezer. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. Het gerecht kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen; het kan alsdan zijn medebrenging gelasten.
-4. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een lichaam, vindt artikel 538, onder 2º
, van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing.
 

 
Art. 82 (oud).
Bij overtreding van één der artikelen 76, 77 of 78 kan hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste ƒ200,00 worden opgelegd indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden.
 

 
Art. 82 (nieuw).
Bij overtreding van één der artikelen 76, 77 of 78 kan hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste ƒ200,00 worden opgelegd indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden.
 

 
Art. 83 (oud).
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven, uitgezonderd die, bedoeld bij artikel 76, 77 en 78, welke als overtredingen worden beschouwd.
 

 
Art. 83 (nieuw).
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven, uitgezonderd die, bedoeld bij artikel 76, 77 en 78, welke als overtredingen worden beschouwd.
 

 
Art. 84 (oud).
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften gegeven worden ingeval van geschil tussen verschillende uitvoeringsorganen over de vraag wie tot het doen van uitkering van ziekengeld gehouden is. Daarbij kan verplichte arbitrage voorgeschreven worden.
 

 
Art. 84 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 85 (oud).
-1. Toegekend ziekengeld dat niet is ingevorderd binnen drie maanden na de eerste dag der betaalbaarstelling wordt niet meer uitbetaald.
-2. De aanspraak op toekenning van ziekengeld verjaart door verloop van negen maanden.
 

 
Art. 85 (nieuw).
De termijnen van het ziekengeld welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag der betaalbaarstelling worden niet meer uitbetaald.
 

 
Art. 86 (oud).
Hetgeen overigens nog tot uitvoering van deze wet nodig is, wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
 

 
Art. 86 (nieuw).
Hetgeen overigens nog tot uitvoering van deze wet nodig is, wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
 

 
Art. 87 (oud).
-1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor bepaalde groepen van personen bijzondere bepalingen worden gemaakt ten aanzien van de verzekering en de ziekengelduitkering. In die bedrijven waarvoor een bedrijfsraad, bedoeld bij de Bedrijfsradenwet, is ingesteld, kunnen Onze Minister daaromtrent voorstellen door de bedrijfsraad worden gedaan.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ten aanzien van één of meer groepen van verzekerden, met inachtneming van bij die maatregel te stellen regelen, naast het ziekengeld bijdragen worden verstrekt voor één of meer sociale fondsen. Met bijdragen worden gelijkgesteld bonnen, zegels, certificaten en andere dergelijke bewijzen welke door het betrokken sociale fonds worden uitgegeven of voorgeschreven.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met afwijking van het in of krachtens deze wet bepaalde bijzondere regelen met betrekking tot de uitkering worden gesteld welke verband houden met de invoering in het bedrijfs- en beroepsleven van werktijdregelingen krachtens welke een normale werkweek van gemiddeld minder dan zes dagen van toepassing is, dan wel verband houden met de omstandigheid dat uitsluitend als gevolg van ploegendienst op een geringer aantal dagen arbeid wordt verricht dan het normale aantal werkdagen.
 

 
Art. 87 (nieuw).
-1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor bepaalde groepen van personen bijzondere bepalingen worden gemaakt ten aanzien van de verzekering en de ziekengelduitkering. In die bedrijven waarvoor een bedrijfsraad, bedoeld bij de Bedrijfsradenwet, is ingesteld, kunnen Onze Minister daaromtrent voorstellen door de bedrijfsraad worden gedaan.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ten aanzien van één of meer groepen van verzekerden, met inachtneming van bij die maatregel te stellen regelen, naast het ziekengeld bijdragen worden verstrekt voor één of meer sociale fondsen. Met bijdragen worden gelijkgesteld bonnen, zegels, certificaten en andere dergelijke bewijzen welke door het betrokken sociale fonds worden uitgegeven of voorgeschreven.
 

 
Art. 88 (oud).
-1. Overeenkomsten met een verzekeringsmaatschappij gesloten vóór het tijdstip waarop artikel 20 in werking treedt en al dan niet uitsluitend betreffende het risico van geldelijke gevolgen van ziekte van één of meer arbeiders, vervallen met ingang van vorenbedoeld tijdstip, voor zover het ziekterisico betreft, met alle rechtsgevolgen gegrond op feiten welke na het ogenblik van het vervallen plaatsgrepen.
-2. Ingeval verzekerd was zowel tegen ziekterisico als tegen ander risico, vervalt ook de verzekering tegen dat andere risico indien partijen niet vóór het in het voorgaande lid bedoelde tijdstip overeenkomen betreffende de instandhouding van die verzekering.
-3. Van hetgeen door de verzekeringnemer aan de verzekeringsmaatschappij voor de tijd over welke de verzekering tengevolge van het vervallen daarvan haar kracht verliest, was vooruitbetaald wegens de vervallen verzekering of wegens het gedeelte der verzekering dat vervalt, wordt de verzekeringnemer door de verzekeringsmaatschappij drie vierde terugbetaald. Van hetgeen voor de hiervoren bedoelde tijd door de verzekeringnemer vóór het vervallen van de verzekering vooruitbetaald had moeten zijn, wordt door hem een vierde aan de verzekeringsmaatschappij betaald. Hetgeen overigens de verzekeringnemer voor de hiervoren bedoelde tijd nog aan de verzekeringsmaatschappij zou hebben moeten betalen, is niet verschuldigd
 

 
Art. 88 (nieuw). Vervallen.
 

 
Art. 89 (oud).
Ten aanzien van de verzekerden wier verzeke
ring is ingegaan op de dag waarop artikel 20, eerste lid, en artikel 21 in werking treedt, is:
a. niet van toepassing het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, indien zij tot de aanvang der ongeschiktheid tot werken onafgebroken verzekerd zijn geweest;
b. van toepassing het bepaalde in artikel 46, hoewel hun verzekering is geëindigd binnen twee maanden na de hiervoor bedoelde dag, indien zij tot aan het einde hunner verzekering onafgebroken verzekerd zijn geweest.
 

 
Art. 89 (nieuw). Vervallen.
 

 

 

    
 

home | Ziektewet | ontwerp van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x