|
rblz.|1
l.k.|
Kamerstukken II 1965-1966,
8457
Algemene
verzekering zware geneeskundige risico's (Algemene
Wet Zware Geneeskundige Risico's) ¹
1. Tijdens de parlementaire
behandeling is de citeertitel van deze wet vervangen door: Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten, red.
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
De
uitgebrachte adviezen |
| 2.1 |
Het advies van de Centrale Raad voor de
Volksgezondheid. |
| 2.2 |
Het advies van de Ziekenfondsraad |
| 2.3 |
Het advies van de
Sociaal-Economische
Raad |
| 3 |
De grondslagen van de wettelijke
regeling |
| 3.1 |
De rechtsgrond |
| 3.2 |
Mogelijke systemen |
| 4 |
De inhoud van de wettelijke regeling |
| 4.1 |
Het systeem van het wetsontwerp |
| 4.2 |
Raakvlakken met andere beleidssectoren |
| 5 |
Sociaal-medische aspecten |
| 5.1 |
De betekenis van de
volksverzekering zware geneeskundige risico's voor de volksgezondheid in
het algemeen. |
| 5.2 |
De consequenties van de
voorgestelde volksverzekering voor volksgezondheidsvoorzieningen |
| 5.3 |
De betekenis van de
voorgestelde volksverzekering als complement van de ziekenfondsverzekering |
| 5.4 |
Medisch-organisatorische
aspecten |
| 6 |
Financieel-economische aspecten |
| 7 |
Samenvatting |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 72 |
Algemeen
1.
Inleiding ¹
1. Helaas heeft de redactie
niet de beschikking over de eerste bladzijde van deze memorie van
toelichting.
rblz.|2
l.k.|
bij
een bijkomend voordeel van de
verzekering zou kunnen zijn dat -
vooral op lange termijn - hieruit
wellicht tevens een lastenverlaging zou
voortspruiten. De revalidatie diende
derhalve naar zijn oordeel een plaats in
het verstrekkingpakket te krijgen,
waarbij aan de raakvlakken met de
arbeidsongeschiktheidsverzekering ware
te denken.
Ten slotte
werd aan de Sociaal-Economische Raad
verzocht in zijn beschouwingen te
betrekken de invloed welke van de
totstandbrenging van een
volksverzekering zware geneeskundige
risico's zou moeten uitgaan op de
bestaande ziekenfondsverzekering, die
in de Ziekenfondswet een nieuwe
wettelijke grondslag zou krijgen en
inmiddels heeft gekregen, alsmede in het
advies te willen aangeven of, en zo ja, op
welke wijze de vrijwillige
ziektekostenverzekeringen bij de
uitvoering zouden zijn te betrekken.
Op 9
november 1962 heeft de eerste
ondergetekende aan de Centrale Raad voor
de Volksgezondheid en aan de
Ziekenfondsraad afschrift toegezonden
van de hierboven bedoelde
adviesaanvrage, met het verzoek hem te
laten weten tot welke opmerkingen de
adviesaanvrage aanleiding heeft uit een
oogpunt van gezondheidszorg, c.q.
ziekenfondsverzekering.
Het
heeft de ondergetekenden verheugd dat
vrijwel van het ogenblik van het
verschijnen van de adviesaanvrage af de
gedachte van een volksverzekering zware
geneeskundige risico's alom met grote
instemming werd begroet. Zowel in het
Parlement als in het maatschappelijk
leven is daaraan op verschillende wijzen
uiting gegeven. Voor wat het laatste
betreft, mogen de ondergetekenden onder
andere wijzen op de preadviezen van de
op 29 november 1963 te Arnhem gehouden
studiedag van de Nederlandse Centrale
Vereniging voor Gebrekkigenzorg (thans:
Nederlandse Vereniging ter bevordering
van de revalidatie).
Naar
aanleiding van deze studiedag heeft het
bestuur van de genoemde vereniging zich
op 22 mei 1964 met een adres tot de
eerstvolgende ondergetekende gewend. In
dit adres heeft het bestuur in een
zevental punten enige inzichten en
wensen naar voren gebracht waarmede het
hoopte bouwstenen te hebben aangedragen die zouden kunnen worden
gebruikt "bij de vormgeving van deze
voor het welzijn van de gehandicapten zo
onontbeerlijke voorzieningen".
Gezien
de centrale plaats van deze vereniging
op het terrein van de mindervalidenzorg, menen de
ondergetekenden er goed aan te doen de
desbetreffende zeven punten hierna te laten
volgen.
"1.
Ten aanzien van het in uw brief aan de
S.E.R. in de eerste plaats genoemde
vraagstuk van "een voorziening in de
zware geneeskundige risico's" heeft
men zich algemeen uitgesproken voor de
totstandkoming van een wettelijk
geregelde verzekering in de vorm van
een volksverzekering voor zware
geneeskundige risico's, waarbij de kring
van de verzekerden zich uitstrekt tot
het gehele volk.
De
totstandkoming van een dergelijke
verzekering werd een zaak van uitermate
hoge urgentie geacht, aangezien zowel
thans onder de vigeur van de
Invaliditeitswet, de Ongevallenwetten
en het Ziekenfondsenbesluit als straks
onder de vigeur van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
Ziekenfondswet
belangrijke groepen van
onze bevolking geen adequate
voorziening voor deze risico's kennen.
2. Er
dient een wettelijk geregelde
verzekering te komen waarbij bereikt
wordt dat men uit de zorgsfeer in de
rechtssfeer komt, welke waarborgen
verschaft dat de daaruit voortvloeiende
rechten en verplichtingen afdwingbaar
zijn.
3.
Men onderschreef de in uw brief aan de S.E.R.
omschreven argumentatie ten
aanzien van de rechtsgrond om een
dergelijke dwingende wettelijke regeling
tot stand te brengen en men stemde
algemeen in met het voornemen van Uwe
Excellentie "de totstandkoming van een
wettelijk geregelde volksverzekering
voor zware geneeskundige risico's te
bevorderen".
rblz.|2
r.k.|
4. De
conferentie is ervan uitgegaan dat voor
de loontrekkenden beneden de zogenaamde
welstandsgrens via de verplichte ziekenfondsverzekering en straks de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
gedurende het eerste jaar afdoende
voorzieningen aanwezig zullen zijn, ook
voor de zware geneeskundige risico's.
Voor
de loontrekkenden boven de zogenaamde
welstandsgrens bestaan er in ons land
voldoende mogelijkheden zich via
particuliere verzekeringen gedurende het
eerste jaar tegen normale risico's te
dekken.
Voor
de economisch zelfstandigen beneden de
daarvoor bepaalde inkomensgrens staat de
vrijwillige ziekenfondsverzekering
open; voor alle anderen is er via
particuliere verzekeringscontracten voor
de duur van het eerste jaar voor normale
risico's afdoende dekking te verkrijgen.
Wij vragen ons echter af of voor de
loontrekkenden boven de zogenaamde
welstandsgrens en voor de economisch
zelfstandigen boven de voor de
vrijwillige ziekenfondsverzekering
vastgestelde inkomensgrens, in de sector
van de particuliere verzekeringen wel
afdoende regelingen zijn te treffen voor
de dure en zware geneeskundige risico's
die zich ook reeds gedurende het eerste
jaar kunnen voordoen.
Mocht
er echter op kunnen worden vertrouwd dat
de particuliere verzekeringen - na de
totstandkoming van een volksverzekering
als hier bedoeld -
bereid zullen zijn
om alle risico's gedurende het eerste
jaar in hun verzekeringen tegen
redelijke premiebedragen op te nemen, dan
is men het er algemeen over eens dat het
door de preadviseur Tilanus
geïntroduceerde criterium "voorzieningen
na een carenztijd van één jaar"
een goed en praktisch criterium is.
5.
Unaniem wilde men geen onderscheid maken
tussen verpleging- dan wel verzorging
behoevenden met geestelijke dan wel
lichamelijke ziekten of gebreken. In
volgorde van urgentie zouden de volgende
elementen in de verzekering dienen te
worden gedekt:
a.
De kosten van verpleging inclusief
behandeling en revalidatie in daartoe
toegelaten of ingeschreven inrichtingen,
zowel ziekenhuis als verpleeg- en
verzorgingstehuizen. De financiering
van buitengewoon onderwijs, scholing,
herscholing, omscholing,
respectievelijk vakopleiding tijdens de
verpleging dient wettelijk gewaarborgd
te zijn.
b.
De kosten van speciale voorzieningen,
zoals woningaanpassing, liften,
aangepaste auto's e.d.
c.
De kosten van langdurige behandeling en
verpleging en/of verzorging thuis, voor
zover daarvoor geen andere mogelijkheden
van wettelijke verzekering bestaan.
Ten
aanzien van de loontrekkenden zullen
regelingen moeten worden getroffen in
verband met raakvlakken met de
ziekenfondsverzekering, de Ongevallenwetten en straks de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Wij
willen er nog wel op wijzen dat
voornamelijk op psychologische gronden
ervoor gepleit is de wettelijke
verzekering een neutrale naam te geven,
bijvoorbeeld Algemene Verplegingskosten
Verzekering (A.V.V.). Dit pleidooi
ondersteunen wij.
6.
Inzake de financiering van deze
volksverzekering sprak men zich uit voor
een verzekering met een premie als
bestemmingsheffing te betalen door de
verzekerden in analogie met de A.O.W. en
de A.W.W., waarbij tegenover het recht
op de aanspraken van deze verzekering de
plicht tot premiebetaling staat.
Evenwel heeft men zich - evenals Uwe
Excellentie in uw brief aan de S.E.R. gerealiseerd dat door de totstandkoming
van bedoelde volksverzekering "de
Overheid voor een niet onbelangrijk
bedrag per jaar zou worden
ontlast" indien deze
volksverzekering geheel zou worden
gefinancierd uit de bestemmingspremie.
Het werd daarom billijk en noodzakelijk
geacht dat - mede gelet op het
karakter der bedoelde risico's - de
Overheid uit de algemene middelen ten
minste dat deel der
verzekeringslasten zal bijdragen dat
overeenkomt met de lastenvermindering
die bij de totstandkoming van bedoelde
volksverzekering voor de Overheid zal
ontstaan ten opzichte van de lasten die,
bij rblz.|3
l.k.|
handhaving
van de huidige voorzieningen met de ook
overigens noodzakelijke verbeteringen,
in de toekomst op de Overheid zouden
drukken.
7.
Ten opzichte van het in uw brief aan de S.E.R.,
sub 2, op de tweede plaats
genoemde vraagstuk inzake "de
uitkeringskant van het zogenaamde
gehandicaptenvraagstuk" was men
van oordeel dat de totstandkoming van
een volksverzekering als hiervoren
omschreven weliswaar urgenter is dan een
soortgelijke volksverzekering voor een
geldelijke uitkering voor
inkomstenderving, doch dat ook dit
aspect in de sfeer van de verzekering
dient te worden betrokken. Koppeling van
deze beide aspecten zou echter niet
mogen leiden tot ernstige vertraging bij
de totstandkoming van een wettelijke
regeling voor zware geneeskundige
risico's. Daarentegen zou tot
ontkoppeling alleen op grond van
duidelijk aantoonbare force majeure
mogen worden besloten. De moderne
opvattingen over revalidatie - de
grondpijler van alle zorg voor invaliden
- zien immers een onverbrekelijke
samenhang tussen de somatische,
psychische en sociale facetten daarvan.
Op grond van de organisatorische
moeilijkheden, welke een belemmering
zouden kunnen vormen voor een op korte
termijn in al deze opzichten in te
voeren afdoende regeling, vond de
gedachte steun om, evenals ten opzichte
van andere belangrijke sociale
maatregelen in de naoorlogse jaren is
geschied, naast de W.A.O. een noodregeling te doen
ontwerpen
krachtens welke geleidelijk de diverse
categorieën gehandicapten die hiervoor
overigens nog niet in aanmerking komen,
aanspraak kunnen maken op geldelijke
uitkering. Degenen die onverhoopt nog
niet in de noodregeling zouden kunnen
worden opgenomen, zouden vooralsnog
geholpen dienen te worden via een royale
en soepele toepassing van de Algemene
Bijstandswet."
Voor
wat betreft de reacties in het Parlement
mogen de ondergetekenden herinneren aan
de grote instemming welke de door de
eerste ondergetekende in zijn
adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad
gelanceerde
gedachte van een volksverzekering zware
geneeskundige risico's van meet af aan
in beide Kamers der Staten-Generaal
heeft gekregen en welke met name tot
uitdrukking is gekomen bij de openbare
behandeling van het ontwerp
Ziekenfondswet.
Bij
de kabinetsformatie-1963 werd de
bevordering van de totstandkoming van
een volksverzekering zware geneeskundige
risico's opgenomen in het Akkoord van
Wassenaar en kreeg zij eveneens als
gevolg daarvan een plaats in het
regeringsprogramma van het daarna
optredende kabinet. Ook het huidige
kabinet heeft deze beleidslijn in zijn
regeringsprogramma opgenomen.
Op 9
december 1964 werd het advies van de
Centrale Raad voor de Volksgezondheid,¹ op
14 april 1965 dat van de Ziekenfondsraad
¹ en op 18 juni 1965 dat van de
Sociaal-Economische Raad ¹ uitgebracht. Ook uit de door de genoemde
colleges uitgebrachte adviezen blijkt
grote instemming met de gedachte van
een volksverzekering zware geneeskundige
risico's. Zo stemt het tot voldoening
dat met name de Sociaal-Economische Raad
zich eenstemmig voor het tot stand
brengen van de onderhavige voorziening
heeft uitgesproken. Een samenvatting van
de uitgebrachte adviezen wordt in
hoofdstuk 2 gegeven.
De
Regering verheugt zich erover dat het
thans mogelijk is het ontwerp van wet te
kunnen indienen. Voorts zal de indiening worden bevorderd van een
ontwerp van wet tot wijziging van de Ziekenfondswet, strekkende tot
aanpassing van die wet aan de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en aan
de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's, alsmede tot oplossing van de
financieringsproblematiek van de
vrijwillige ziekenfondsverzekering.
De
vraag is gerezen of het niet wenselijk
ware tot een verdere samenvoeging van
de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's en de Ziekenfondswet te komen.
De ondergetekenden zijn van oordeel
dat dit vraagstuk onder ogen rblz.|3
r.k.|
kan
worden gezien in het kader van de
voorgenomen verdere unificatie en
codificatie van de sociale
wetgeving.
Voor het ogenblik is voor hen het
belangrijkst dat de nood welke door
zovelen wordt geleden, gelenigd gaat
worden langs de in het wetsontwerp
voorziene weg en dat dit ook kan
geschieden op een uit een oogpunt van
wetgeving bevredigende wijze. Bij de
verdere unificatie en codificatie van de
sociale wetgeving zal de definitieve
vormgeving van de volksverzekering voor
geneeskundige risico's in samenhang met
de andere volksverzekeringen moeten
worden bezien. De verhouding van de
volksverzekering zware geneeskundige
risico's tot de ziekenfondsverzekering
wordt elders in deze memorie in het
kader van de rechtsgrond van de nieuwe
regeling besproken.
1.
Nedergelegd ter griffie, ter inzage van
de leden.
2.
De
uitgebrachte adviezen
2.1.
Het advies van de Centrale Raad voor de
Volksgezondheid
Het
advies van de Centrale Raad voor de
Volkgezondheid (hierna te noemen de
Raad) werd uitgebracht op 9 december
1964. Blijkens het advies heeft de Raad
zich eerst een beeld willen vormen van
de inhoud die de bedoelde
volksverzekering naar zijn mening zou
moeten hebben. Op grond van de
beschouwingen van de Minister in de
adviesaanvrage is de Raad ervan
uitgegaan dat het een de gehele
bevolking omvattende verzekering zou
zijn tegen het risico dat men als
gevolg van ziekten, ongevallen of
gebreken voor zeer grote financiële
uitgaven komt te staan.
Uit de tekst van
de adviesaanvrage blijkt volgens de Raad
duidelijk dat het risico van
loonderving tengevolge van ziekten,
ongevallen of gebreken niet onder de
verzekering valt: dit risico is thans
voor de loontrekkenden gedekt door de Ziektewet, de Invaliditeitswet en de
Ongevallenwetten en zal te zijner tijd
voor dezelfde groep gedekt worden door
de Ziektewet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De
Raad tekent hierbij aan dat het
dringend gewenst is dat in aansluiting
op de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
speciale financiële regelingen worden
getroffen ten behoeve van de ouders van
kinderen met aangeboren of later
verkregen gebreken en ten behoeve van
volwassenen behorende tot de categorie
van zelfstandigen die wegens ziekte,
ongeval of gebrek niet in staat zijn een
inkomen te verwerven. Indien hierbij
bovendien rekening gehouden zou kunnen
worden met de extra uitgaven die - naast medische hulp en revalidatie
- nodig kunnen zijn om gehandicapten
zoveel mogelijk zelfstandig aan het
maatschappelijke leven te doen
deelnemen, zou voor een deel van de door
de Minister genoemde "zeer zware
lasten" reeds een oplossing
gevonden zijn.
De Raad stelt zich
geenszins voor dat op korte termijn een
regeling tot stand zal kunnen komen die
als een sluitende mag worden beschouwd,
in die zin dat geen "grote
risico's" meer ongedekt zouden
zijn. De Raad acht het echter
noodzakelijk dat wordt voorkomen dat
de tot de twee genoemde groepen
behorende gehandicapten als gevolg van
financiële omstandigheden niet de
behandeling en/of verzorging (inbegrepen
de revalidatiebehandeling in volle
omvang) deelachtig worden die als de
meest adequate voor hen kan worden
beschouwd. Onder de vigeur van de
Algemene Bijstandswet (die
individualiserend werkt en daardoor
noodzakelijkerwijs moet leiden tot een
subjectieve beoordeling) bestaat
daarvoor geen afdoende garantie, zij het
ook dat voor een overgangsperiode uit
kracht van deze wet [lees: die wet, red.]
een
positieverbetering voor deze groep zal
kunnen worden verkregen. Dit zou te meer
aanvaardbaar zijn wanneer - de
Algemene Bijstandswet opent daartoe de
mogelijkheid - groepsregelingen tot
stand zouden worden gebracht welke
gefixeerde uitkeringen aan betrokkenen
verzekeren, daargelaten nog dat men
daarbij ex artikel 57
[66] verhaal kan
uitsluiten. Op den duur echter zal de
discrepantie ten opzichte van anderen
moeten verdwijnen.
rblz.|4
l.k.|
De
Raad is met de Minister van oordeel dat
dit zal kunnen geschieden door
uitbreiding van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering tot
hen die nimmer in de gelegenheid zijn
geweest aan het arbeidsproces deel te
nemen en daardoor niet van een inkomen
verzekerd zijn, alsmede tot die
volwassenen behorende tot de categorie
van zelfstandigen die wegens ziekte,
ongeval of gebrek niet in staat zijn een
inkomen te verwerven. Krijgen zij
krachtens een aan de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
aansluitende regeling zodanig inkomen,
dan kan daaruit hun levensonderhoud in
de ruimste zin des woords worden
bekostigd en is gedaan wat mogelijk is
om hun leven zo volwaardig mogelijk te
doen zijn.
Een
dergelijke regeling acht de Raad geheel
aanvaardbaar, omdat het hier in geen
geval een last betreft die behoort te
worden ondergebracht onder de
volksverzekering tegen grote
geneeskundige risico's. Het gaat immers
niet om de dekking van kosten
voortvloeiende uit noodzakelijke
medische behandeling en verpleging,
maar om inkomensvorming. Deze
inkomensvorming kan op verschillende
wijzen worden gewaarborgd; aansluiting
aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
is
één daarvan.
De
Raad meent achterwege te mogen laten aan
te geven wanneer het geven van deze
uitbreiding aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
verantwoord zal zijn. Dit is een
aangelegenheid die de Minister in het
kader van het regeringsbeleid zal
hebben te beslissen.
Wat
de volksverzekeringsgeneeskundige
risico's betreft, acht de Raad het niet
wel mogelijk een rechtvaardige en
hanteerbare verzekeringsvorm te vinden
indien slechts bepaalde categorieën
van zieken of gehandicapten onder de
verzekering gebracht zouden worden. Hij
meent dat de nieuwe verzekering
opneming voor dag en nacht in een aantal
soorten van inrichtingen moet
verstrekken aan ieder voor wie, ongeacht
de diagnose, opneming in een dergelijke
inrichting geïndiceerd is.
Omdat
de Raad het uit een oogpunt van
volksgezondheid vóór alles
noodzakelijk acht dat er een goede
aansluiting bestaat tussen het
verstrekkingenpakket van de
volksverzekering en dat van de ziekenfondsverzekering, heeft hij
nagegaan op welke wijze deze aansluiting
het best gerealiseerd zou kunnen worden,
opdat de kans zo gering mogelijk zij
dat verzekerden tussen kade en schip
terechtkomen. De Raad betreurt daarom
dat blijkens de adviesaanvrage van de
Minister de gedachten zijn uitgegaan
naar het ontwerpen van een geheel nieuwe
wet naast de bestaande Ziekenfondswet
en
hij zou er verre de voorkeur aan gegeven
hebben indien het complex van zorg dat
thans door twee verzekeringen bestreken
zal worden, door één systematisch
opgebouwde verzekering gedekt had kunnen
worden.
De
Raad heeft bij zijn onderzoek eerst de
meest voor de hand liggende oplossing
onder ogen gezien, te weten aansluiting
op de bestaande
ziekenfondsverstrekkingen. In verband
met het alternerend karakter van de
wijze waarop de ziekenfondsen opneming
in verpleegtehuizen verstrekken, bleek
echter aansluiting van de verstrekkingen
van de volksverzekering op het huidige
verstrekkingenpakket van de verplichte
ziekenfondsverzekering zonder meer niet
mogelijk. Vervolgens heeft de Raad zich
afgevraagd of de sinds 1 januari 1964
geldende maximumduur van één jaar
verpleging bruikbaar was als
doorlopende "horizontale" grens
tussen beide verzekeringen. Deze
oplossing bleek echter meer nadelen dan
voordelen te hebben. Zo zou bijvoorbeeld het
voorwaardelijke (pas na één jaar
opneming te effectueren) recht van de
volksverzekering moeilijk te formuleren
zijn; de medewerkers en de instellingen
zouden gelijkluidende contracten met
beide verzekeringen moeten afsluiten;
de ziekenfondsen zouden anders dan nu
het geval is de opneming in inrichtingen
voor zintuiglijk en geestelijk
gehandicapte onvolwassenen gedurende het
eerste jaar in hun verstrekkingenpakket
moeten opnemen. Aangezien het systeem
niet sluitend is, blijven er lacunes. De
Raad is daarom na ampele overweging tot
de conclusie gekomen dat uit een
oogpunt van gezondheidszorg de volgende
terreinverkaveling tussen verplichte
ziekenfondsverzekering en
volksverzekering de voorkeur verdient:
de ziekenfondsen rblz.|4
r.k.|
verstrekken
aan verplicht verzekerden die daarvoor
in aanmerking komen voor onbepaalde
tijd opneming in algemene en categorale
ziekenhuizen (inclusief sanatoria en
revalidatie-inrichtingen), de
volksverzekering verstrekt aan een ieder die daarvoor in aanmerking
komt
voor onbepaalde tijd opneming in
verpleegtehuizen,
zwakzinnigeninrichtingen en inrichtingen voor visueel of auditief
gehandicapte onvolwassenen. In de
psychiatrische inrichtingen dient
onderscheid gemaakt te worden tussen
bedden met een ziekenhuiskarakter (afdelingen
voor observatie, behandeling en
sociotherapie) vallende onder de
ziekenfondsverzekering en bedden met een
verpleegtehuiskarakter
(verblijfsafdeling) vallende onder de
volksverzekering. Zolang dit niet
mogelijk is, zou met betrekking tot de
psychiatrische inrichtingen de
horizontale grenslijn, dat wil zeggen de grens
van één jaar verpleging, aangehouden
kunnen worden, met als gevolg dat de
verplicht verzekerden gedurende één
jaar voor rekening van het ziekenfonds
in een psychiatrische inrichting
verpleegd kunnen worden en dat iedere
psychiatrische opneming langer dan één
jaar door de volksverzekering verstrekt
zou worden.
De
Raad is zich ervan bewust dat de
aanbevolen "verticale"
scheidslijn impliceert dat het verschil
tussen de ziekenfondsverzekering en de
voorgestelde volksverzekering niet meer
correspondeert met een verschil tussen "lichte" en
"zware"
risico's, hetgeen het uitgangspunt is
geweest bij de adviesaanvrage. Het
verschil is gelegen in de aard van de
verstrekkingen, met als consequentie
dat, naar het oordeel van de Raad, een
andere naam voor de volksverzekering zou
dienen te worden gevonden.
De
Raad is er zich van bewust dat hij
aldus niet is gekomen tot een advies,
als door de Minister gevraagd, over
zware geneeskundige risico's, doch tot
een advies tot dekking van bepaalde
grote kosten medebrengende
verstrekkingen. Hij meent echter dat
dit advies de weg aangeeft waarlangs
bereikt zal kunnen worden datgene wat de
Minister voor ogen stond toen hij het
advies vroeg. Hij hoopt dat bereidheid
zal worden gevonden om de consequentie
te aanvaarden dat de, helaas reeds
ingeburgerde, naam voor de
volksverzekering door een meer passende
dient te worden vervangen.
De
Raad verwacht dat een volksverzekering
in bovenbedoelde zin een gunstige
invloed zal hebben op de ontwikkeling
van verpleegtehuizen en van
zwakzinnigeninrichtingen. De Raad ziet
een gevaar voor de volksgezondheid in de
suggestie van de Minister om
huisartsenhulp, farmaceutische hulp en
enkele andere verstrekkingen uit het
pakket van de verplichte
ziekenfondsverzekering te lichten en
over te brengen naar de vrijwillige
verzekering. Voor de werknemers beneden
de loongrens, voor wie de premie
relatief hoog zal zijn, zou dit een
ernstige achteruitgang kunnen betekenen.
De
Raad acht het uit een oogpunt van
rechtsgelijkheid noodzakelijk dat de
verzekeringsgeneeskundige werkzaamheden
voor ziekenfondsverzekering en
volksverzekering zoveel mogelijk volgens
dezelfde richtlijnen plaatshebben. De
organen die beide verzekeringen
uitvoeren, zouden daarom bij voorkeur de
beschikking moeten hebben over een
gemeenschappelijk sociaal-medisch
apparaat, dat wellicht tevens te
combineren zou zijn met de
Gemeenschappelijke Medische Dienst voor
de uitvoering van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dan
bestaat de minste kans dat
competentiekwesties ten koste van de
verzekerde worden uitgevochten. Verder
acht de Raad het gewenst dat een
onafhankelijk centraal orgaan belast
wordt met de taak:
1.
de criteria vast te stellen waaraan de
vier verschillende categorieën van
instellingen (ziekenhuizen,
verpleegtehuizen,
zwakzinnigeninrichtingen,
inrichtingen voor medisch
gedetermineerde pedagogische zorg)
moeten voldoen om als zodanig erkend te
worden;
2.
conform deze criteria inrichtingen al of
niet te erkennen; en
3. de
indicaties vast te stellen die voor
opneming in elke categorie van
instellingen gelden. De
uitvoeringsorganen van rblz.|5
l.k.|
de
verzekeringen zouden zich aan de
beslissingen van dit orgaan dienen te
houden. Ten slotte dient voor de
volksverzekering een beroepsrecht te
worden geschapen op dezelfde wijze als
dit voor de ziekenfondsverzekering is
gedaan.
2.2.
Het advies van de Ziekenfondsraad
Het
advies van de Ziekenfondsraad (hierna te
noemen de Raad) werd uitgebracht op 14
april 1965.
Op
grond van de tekst van de adviesaanvrage
heeft de Raad aangenomen dat de Minister heeft gedacht aan een
verzekering welke de gehele bevolking
omvat en waarvoor een premieheffing zal
moeten worden ingevoerd overeenkomstig
die voor de reeds bestaande
volksverzekeringen uit hoofde van de
Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
Weduwen- en Wezenwet en de Algemene
Kinderbijslagwet.
De
Raad verenigt zich met deze gedachte,
met dien verstande dat naar zijn
oordeel overwogen zal moeten worden of
ook personen van 65 jaar of ouder in de
premieheffing voor de nieuwe
volksverzekering moeten worden
betrokken.
De
Raad is uitgegaan van de gedachte dat
voor wat de aard en omvang van de
verstrekkingen betreft, althans
aanvankelijk, een zekere beperking
geboden is. Wel staat de Raad voor ogen
dat, evenals bij de
ziekenfondsverzekering het geval is
geweest, ook de verstrekkingen ingevolge
de thans beoogde voorziening geleidelijk
aan de bestaande behoefte en
mogelijkheden zullen worden aangepast.
De Raad overwoog dat er geen behoefte
aan bestaat de risico's welke reeds door
de ziekenfondsverzekering worden gedekt
en welke ook in de sfeer der
ziektekostenverzekering verzekerbaar
zijn, in een volksverzekering onder te
brengen. Hij heeft daarom gezocht naar
de manco's in de bestaande ziekenfonds-
en ziektekostenverzekeringen, voor zover
deze langdurige en kostbare vormen van
verpleging en behandeling betreffen. Hij
is echter van oordeel dat de verpleging
en behandeling van lichamelijk zieken
in een ziekenhuis ook na het eerste jaar
als ziekenfondsverstrekking zouden
kunnen doorlopen en ook voor de
instellingen tot ziektekostenverzekering
een verzekerbaar risico moeten worden
geacht. Daarentegen acht de Raad het
noodzakelijk het risico van verpleging
in verpleegtehuizen volledig in de
volksverzekering onder te brengen. De
ziekenfondsen voorzien hierin momenteel
maar ten dele en in de particuliere
sfeer zijn de mogelijkheden tot dekking
van het risico nog beperkter. Vrijwel
elke verzekeringsmogelijkheid ontbreekt
ten aanzien van onderscheidene
groepen gehandicapten die langdurig of
zelfs levenslang in inrichtingen moeten
verblijven.
Op
grond van deze overwegingen meent de
Raad dat in de te treffen voorziening
de volgende verstrekkingen dienen te
worden opgenomen:
a.
behandeling en verpleging in psychiatrische inrichtingen na het
eerste jaar, gedurende hetwelk de
desbetreffende kosten ten laste van de
ziekenfondsverzekering komen:
b.
verpleging, behandeling en verzorging in
erkende verpleegtehuizen, ook die voor
geestelijk gestoorden, voor de gehele
duur der opneming;
c.
behandeling, verpleging en verzorging in
inrichtingen voor speciale nader aan te
geven groenen van lichamelijk en
geestelijk gehandicapten, voor de gehele
duur der opneming.
Een
minderheid uit de Raad heeft zich
uitgesproken voor een voorziening
waarbij de verpleging in erkende
ziekenhuizen en psychiatrische
inrichtingen na afloop van het eerste
jaar in de verzekering voor zware
geneeskundige risico's wordt opgenomen.
De
Raad beveelt aan deze verstrekkingen de
vorm te geven van verstrekkingen in
natura, hetgeen dus inhoudt dat
betalingen voor verleende hulp
rechtstreeks zullen plaatsvinden aan de
verzorgende instellingen, en wel op
basis van overeenkomsten tussen die
instellingen en de organen van de
volksverzekering.
De
Raad bepleit voorts een ruimere
indicatie voor verpleging en
behandeling in de onder b en c genoemde
inrichtingen
rblz.|5
r.k.|
dan de strikt medische welke in de
ziekenfonds- en
ziektekostenverzekeringen wordt
gehanteerd. In bedoelde inrichtingen
speelt namelijk naast het medische
element het verzorgingselement een
belangrijke rol.
Naar
het oordeel van de Raad zal een centraal
orgaan moeten worden geschapen voor het
vaststellen van algemene regelingen en
richtlijnen, het toezicht op de naleving
daarvan en het beheer van de
beschikbare geldmiddelen. In dit orgaan
zullen volgens de Raad vertegenwoordigd
moeten zijn de organisaties van
werkgevers, werknemers en
zelfstandigen, de ziekenfondsen en
instellingen voor
ziektekostenverzekering, de verzorgende
inrichtingen en instituten, onafhankelijke deskundigen op
het
gebied van de volksgezondheid en ambtelijke leden namens de overheid.
Op
gronden van doelmatigheid bepleit de
Raad verder een gedecentraliseerde
uitvoering van de volksverzekering door
inschakeling van de ziekenfondsen en de
ziektekostenverzekeraars, die voor de
uitvoering van deze taak dus zullen
ontreden als organen van de
volksverzekering. De instellingen voor
ziektekostenverzekering zouden daartoe
een erkenning behoeven aan de hand van
normen ter beoordeling van de vraag of
zij tot de uitvoering van de
volksverzekering in staat kunnen worden
geacht.
Deze
vorm van uitvoering impliceert een
zodanig systeem van geneeskundige
controle dat gebruik wordt gemaakt van
de medische functionarissen van de
ziekenfondsen en
verzekeringsinstellingen. Het centraal
orgaan zal bevoegd moeten zijn zo nodig
de in eerste instantie door een
uitvoeringsorgaan gegeven beslissing te
wijzigen of door een andere te vervangen, ook zonder dat beroep is
ingesteld.
Tussen
het centraal orgaan van de
volksverzekering en de Raad zal een zo
nauw mogelijke samenwerking moeten
bestaan.
2.3.
Het advies van de Sociaal-Economische
Raad
Het
advies van de Sociaal-Economische Raad
(hierna te noemen de Raad) werd
uitgebracht op 18 juni 1965.
De Raad begint zijn
advies met de stand van zaken op te
nemen met betrekking tot dekking van
financiële gevolgen van geneeskundige
verzorging. Hij is tot de conclusie
gekomen dat met de verschillende vormen van ziekenfondsverzekering voor
een groot deel van de bevolking (in 1963
circa 72%) een voorziening in de
financiële lasten van de geneeskundige
risico's is verkregen die mede ten dele
zware risico's omvat. De
ziekenfondsverzekering laat in
hoofdzaak ongedekt de langdurige
verpleging in inrichtingen.
De
Raad constateert dat het deel van de
bevolking dat niet onder de verplichte
ziekenfondsverzekering valt en niet tot
de vrijwillige ziekenfondsverzekering en
de bejaardenverzekering kan toetreden in
de ruime mate gebruik heeft gemaakt van
de door de ziektekostenverzekeringen
geboden mogelijkheid zich tegen
financiële gevolgen van geneeskundige
behandeling en verzorging te verzekeren,
met name voor zware geneeskundige
risico's als ziekenhuisverpleging en
poliklinische specialistische
behandeling. Ook in de verzekeringsvormen is de langdurige
verpleging in
inrichtingen in belangrijke mate
ongedekt. Deze verstrekking is in deze
verzekeringsvormen - naar de praktijk
heeft uitgewezen - volgens de Raad
moeilijk of niet te dekken, zowel als
gevolg van de aard van deze risico's
als van de geringe bereidheid van
betrokkenen zich tegen deze risico's te
verzekeren.
De Raad is van
oordeel dat
aangezien gebleken is dat de risico's
voor langdurige verpleging in
inrichtingen niet op vrijwillige
grondslag te dekken zijn en in
aanmerking genomen dat de financiële
lasten van deze risico's door nagenoeg
niemand individueel te dragen zijn,
daarin een voldoende grondslag is
gelegen voor een optreden van de
wetgever dat ertoe leidt dat deze
risico's op enigerlei wijze gezamenlijk
worden gedragen.
De Raad heeft zich
afgevraagd of het object van de voorziening tegen zware geneeskundige
risico's niet zou moeten rblz.|6
l.k.|
worden
gezicht in alle verstrekkingen die
geacht kunnen worden een zwaar
financieel risico te vormen, ook als
deze reeds op andere wijze zijn gedekt.
De Raad is evenwel van oordeel dat dit
een drastische ingreep zou betekenen in
de gegroeide organisatie zowel van het
ziekenfondswezen als van de
ziektekostenverzekering. Niet alleen
bestaat daaraan naar het oordeel van de
Raad geen behoefte, doch voorts is naar
zijn oordeel het gevaar niet denkbeeldig dat dergelijke wijzigingen
zoveel weerstanden zouden ontmoeten dat
het bereiken van het doel, namelijk
het
wegnemen van duidelijke lacunes in de
dekking van geneeskundige risico's, op
zijn minst aanzienlijk zou worden
vertraagd en wellicht in het geheel
niet zou worden bereikt. Daarom moet
naar het oordeel van de Raad de
voorziening tegen zware geneeskundige
risico's met deze historisch gegroeide
situatie rekening houden en deze in
hoofdzaak intact laten. Zij zal als het
ware een sluitstuk moeten vormen,
gericht op het wegnemen van de lacunes
die met betrekking tot de zware
geneeskundige risico's in de huidige
voorzieningen voorkomen.
De
Raad verbindt hieraan de conclusie dat
het object van de voorziening tegen
zware geneeskundige risico's niet kan
worden neergelegd in een algemene
omschrijving van hetgeen als een zwaar
geneeskundig risico zou kunnen worden
aangemerkt. Een voorziening tegen zware
geneeskundige risico's die het karakter
heeft van een sluitstuk tot wegneming
van lacunes zal zich, aldus de Raad,
niet tot alle zware risico's
uitstrekken. Zij zal zich in hoofdzaak
kunnen beperken tot de financiële
risico's die uit de noodzaak van
langdurige verpleging en behandeling in
inrichtingen voortvloeien.
Na
te hebben uitgesproken dat de
voorziening tegen zware geneeskundige
risico's zich niet zal moeten beperken
tot verstrekkingen welke uitsluitend zijn
gericht op de "geneeskundige verzorging" van de verzekerden,
meent de Raad dat het niet noodzakelijk
is, de huidige voorzieningen in het
kader van de ziekenfonds en
ziektekostenverzekering in aanmerking
genomen, om in alle gevallen van
opneming in een inrichting de kosten
vanaf den beginne ten laste van de
verzekering zware geneeskundige risico's
te doen komen. Hiervan uitgaande komt
de Raad tot de uitspraak dat de
voorziening tegen zware geneeskundige
risico's zou moeten omvatten de verpleging en
behandeling van psychiatrische patiënten na
afloop van
het eerste jaar. Zou een dergelijke
afwijkende regeling voor de klinische
behandeling van lichamelijke en geestesziekten uit medisch
oogpunt
bezwaren ontmoeten, dan zou de
voorziening tegen zware geneeskundige
risico's zich moeten uitstrekken tot de
langdurige opneming van lichamelijk en geestelijk zieken na
afloop van het
eerste jaar.
Voor
de overige gevallen van verpleging,
verzorging en behandeling in
inrichtingen is de Raad van oordeel dat de
desbetreffende verstrekking volledig
en niet eerst na afloop van een jaar
onder de voorziening tegen zware
geneeskundige risico's
moet worden gebracht. De Raad heeft
hierbij het oog op inrichtingen zoals
verpleegtehuizen,
zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen
voor lichamelijk en zintuiglijk
gebrekkigen en wellicht ook
B-koloniehuizen.
Met betrekking tot poliklinische
verstrekkingen heeft de Raad zich op het
standpunt gesteld dat deze niet in het kader van een
voorziening tegen zware
geneeskundige risico's zouden moeten
worden verleend.
Na
aldus, in zijn advies, een globale
aanduiding te hebben gegeven van de
omvang van de verstrekkingen welke naar
het oordeel van de Raad onder de werking
van de onderhavige voorziening zouden
moeten worden verleend, gaat de Raad na
of met het tot stand komen van een dergelijke
regeling een in het algemeen sluitende
dekkingsmogelijkheid voor financiële
lasten van geneeskundige risico's zal zijn
verkregen. Voor wat betreft de
ziekenfondsverzekerden beantwoordt de
Raad deze vraag zonder meer in algemene
zin bevestigend. Voor de zelfstandigen
en loontrekkenden met een inkomen boven
de zogenaamde welstandsgrens stelt de Raad het
antwoord op deze vraag afhankelijk van
de dekkingsmogelijkheden in het kader
van de verschillende vormen van
ziektekostenverzekering, welke rblz.|6
r.k.|
uiteraard
bepaald worden door het beleid dat de
ziektekostenverzekeraars voeren met
betrekking tot de inhoud van de polissen
en de selectie. De Raad heeft de indruk
verkregen dat in aansluiting op de
voorziening tegen zware geneeskundige
risico's vanwege de
ziektekostenverzekeraars volledige
dekking zal worden bevorderd van ziekenhuisverpleging zowel voor
lichamelijk zieken als voor geestelijk
zieken gedurende het eerste jaar. Met
betrekking tot de selectie van risico's
geeft de Raad van een gematigd optimisme
blijk. Onder erkenning van het feit dat
bij een verzekering op
privaatrechtelijke grondslag de
verzekeraar de bevoegdheid dient te
hebben om het afsluiten van een
verzekeringsovereenkomst te weigeren of
althans bepaalde risico's uit te
sluiten, meent de Raad er op grond van
verkregen inlichtingen van te kunnen
uitgaan dat van de bevoegdheid tot
weigeren of beperken slechts zo weinig
gebruik wordt gemaakt dat de
mogelijkheden tot dekking van
geneeskundige risico's bij de
ziektekostenverzekeraars niet in
aanzienlijke mate worden verminderd.
De
Raad meent dat wanneer er een
voorziening tot stand zou komen als
bedoeld in het voorgaande, het mogelijk
zal zijn met inachtneming van de
aanvullingen die de
ziekenfondsverzekering en de
ziektekostenverzekering kunnen geven een
volledige of nagenoeg volledige dekking
van geneeskundige risico's te geven.
Met
betrekking tot de financiering van de
voorziening heeft de Raad aandacht
geschonken aan de toezegging van de
Regering in de adviesaanvrage van 24
augustus 1962 met betrekking tot de
continuering van de lasten welke op de
overheid drukken. De Raad heeft hieruit
afgeleid dat in de adviesaanvrage niet
is gedoeld op een overheidsbijdrage in
de vorm van een absoluut bedrag dat
geen relatie heeft met de ontwikkeling
van de totale kosten. De Raad is ervan
uitgegaan dat gedacht is aan een
gelijkblijvend overheidsaandeel in de
totale kosten. Bij deze interpretatie
zou in 1964 het overheidsaandeel in de
totale kosten van langdurige verpleging
en behandeling, welke voor dat jaar op ƒ411
mln worden geschat, 65% hebben
bedragen en bij financiering van de
voorziening door middel van een sociale
verzekering, het aan premies op te
brengen bedrag ƒ145 mln hebben
bedragen. Nu de ramingen een belangrijke onzekerheidsmarge bevatten,
onder meer doordat geen rekening
gehouden is met een mogelijke
aanzuigende werking, en wellicht een
enigszins andere interpretatie van een
toezegging betreffende het
overheidsaandeel in de financiering tot
een geringere overheidsbijdrage zou
kunnen leiden, is de Raad voor het door
middel van premieheffing te financieren
bedrag uitgegaan van circa ƒ200 mln. Dit
bedrag correspondeert met 0,7% van
het premieplichtige inkomen van de
volksverzekeringen in 1964.
Ten
aanzien van de wijze van uitvoering van
de onderhavige voorziening kan de Raad
zich met het uitgangspunt van de
adviesaanvrage verenigen dat de
voorziening het karakter zal hebben van
een sociale verzekering welke afgezien
van de toegezegde overheidsbijdrage,
door premiebetaling zal worden
gefinancierd. Het aanzienlijke aandeel
in de totale kosten dat tengevolge
van de toezegging ten laste van de
overheid zal komen, acht de Raad een
onvoldoende zwaar wegend motief om te
bepleiten de voorziening geheel door de
overheid te doen financieren. De voor
deze voorziening beschikbaar te stellen
middelen zouden daardoor afhankelijk
kunnen worden van het budgetbeleid van
de overheid, hetgeen de Raad ongewenst
zou achten. De kans hierop is geringer
als ten minste een deel van de totale
lasten door premiebijdrage wordt
gefinancierd. De Raad merkt hierbij op op zichzelf oog te hebben voor de
weerstand die de toenemende premiedruk
voor de sociale verzekering ontmoet. Hij
acht het echter toch van belang dat de
aan de onderhavige voorziening verbonden
kosten, althans ten dele, zichtbaar
worden gemaakt. De Raad noemt het verder
van belang dat wanneer de onderhavige
voorziening in de vorm van een sociale
verzekering wordt gegoten, de
verzekerden via hun vertegenwoordigers
bij de uitvoering worden betrokken. Ook
wordt op deze wijze aansluiting
verkregen aan het patroon van de
georganiseerde volksgezondheidszorg
zoals dat in ons land bestaat.
rblz.|7
l.k.|
Het
is de Raad gebleken dat de instellingen
en ondernemingen die zich op het
terrein van het dekken van financiële
lasten van geneeskundige verzorging
bewegen er veel prijs op stellen bij
de uitvoering van de onderhavige
voorziening te worden betrokken. Dit is
zowel tot uitdrukking gebracht door het
Gemeenschappelijk Overleg
Ziekenfondsorganisaties als door de
Kontaktcommissie Landelijke Organisaties
van Ziektekostenverzekeraars. De Raad
meent dat de door het genoemde Overleg
en de Kontaktcommissie aangegeven
motieven, te weten de samenhang welke
er bestaat tussen een voorziening tegen
zware geneeskundige risico's en de
andere vormen van dekking van
geneeskundige risico's, alsmede het
reeds beschikken over medische
gegevens, ongetwijfeld betekenis hebben
voor het inschakelen van de
ziekenfondsen en
ziektekostenverzekeraars bij de
uitvoering. Het voldoen aan die wensen
heeft, aldus de Raad, tot consequentie
dat bij de uitvoering circa 200
uitvoeringsorganen worden betrokken,
hetgeen vragen doet rijzen met
betrekking tot de doelmatigheid van deze
wijze van uitvoering en tot de
noodzakelijke uniformiteit bij het
verlenen van aanspraken op
verstrekkingen. Teneinde zich hierover
een oordeel te vormen, heeft de Raad zich
allereerst beraden over de taken die
bij de uitvoering van deze verzekering
moeten worden verricht; vervolgens is
onderzocht welke van deze taken
noodzakelijkerwijs aan een centraal
orgaan dienen toe te vallen en welke
gedecentraliseerd kunnen worden
verricht.
De
Raad heeft dan de volgende
uitvoeringstaken in zijn beschouwingen
betrokken:
- de
indicatie tot opneming en de medische
begeleiding;
- de
premievaststelling en -inning;
- de
vaststelling van de eisen waaraan de
inrichtingen moeten voldoen (het
erkenningsbeleid);
- het
overleg met de inrichtingen over de
tarieven;
- de
financieel-administratieve afwikkeling;
- het
algemeen beleid ten aanzien van de
vorige punten.
De
Raad komt, na de verschillende taken te
hebben onderzocht, tot de conclusie dat
ten aanzien van het erkenningenbeleid,
de indicatiestelling en de
tariefstelling in ieder geval een
centraal beleid moet worden gevoerd,
hetgeen, naar 's Raads oordeel, een
centraal beleidsorgaan vereist. In
beginsel kunnen de premievaststelling
en -inning, de
financieel-administratieve afwikkeling
en - onder centraal toezicht
- de
toepassing van voorschriften en
richtlijnen inzake de indicatiestelling,
naar de mening van de Raad voor een
gedecentraliseerde uitvoering in
aanmerking komen. De vraag of de
premievaststelling en -inning als een
taak moeten worden beschouwd die
noodzakelijkerwijze op centraal niveau
zal moeten geschieden, hangt af van de
keuze die ten aanzien van het
premiestelsel wordt gedaan. Bij een
omslag van de lasten over alle
verzekerden volgens uniforme normen kan
premievaststelling slechts centraal
geschieden. Verder merkt de Raad op dat de
wijze van premie-inning afhankelijk is
van de keuze van het premiestelsel. Bij
een premiestelsel overeenkomstig dat
van de huidige volksverzekeringen zal de
belastingdienst de premie-inning moeten
regelen.
De
Raad komt dan ook tot de conclusie dat
een volledige uitvoering van de
verzekering door meerdere volkomen
zelfstandige uitvoeringsorganen niet
mogelijk is, doch dat inschakeling van
die organen slechts voor een deel van de
uitvoeringstaken kan geschieden. De
Raad kenmerkt deze wijze van uitvoering
als een mengvorm van centralisatie en
decentralisatie.
De
Raad heeft zich erover beraden op
welke wijze door de genoemde mengvorm
van centralisatie en decentralisatie een
bevredigende uitvoeringsorganisatie zou
kunnen worden verkregen. De Raad heeft
een dergelijke mengvorm op de voorgrond
gesteld, omdat daardoor aansluiting kan
worden verkregen aan het bestaande
organisatiepatroon van de
volksgezondheid. Op zichzelf zou, aldus
de Raad, een volledige uitvoering van
de onderhavige verzekering door een
eigen uitvoeringsorganisatie in
technisch opzicht weinig moeilijkheden
bieden. rblz.|7
r.k.|
De
Raad heeft echter, op grond van de
eerdergenoemde overwegingen, eerst
nagegaan of niet door inschakeling van
de bestaande organen een bevredigende
uitvoeringsorganisatie kan worden
verkregen. Hierbij heeft de Raad zich in
het bijzonder beraden over de volgende
twee hoofdvormen:
I.
een verzekering met een premiestelsel
dat premie-inning door de
belastingdienst toelaat, waarbij de
uitvoering van de daarvoor in aanmerking
komende taken of onderdelen daarvan
gedecentraliseerd door zelfstandige
organen geschiedt;
II.
een verzekering met een centraal
beleidsorgaan, overigens uitgevoerd
door bestaande organen en met een
premiestelsel dat voor de
verschillende soorten van
uitvoeringsorganen uiteenloopt.
De
Raad heeft in zijn advies beide
uitvoeringsvormen aan een nadere analyse
onderworpen. De Raad komt daarbij, na
afweging van de verschillende aspecten,
tot de conclusie dat de eerstgenoemde
vorm van uitvoering van de verzekering
de voorkeur verdient. Hierbij kan de
verhouding tussen centrale en
gedecentraliseerde uitvoering van de
verzekering als volgt worden geregeld:
a.
een centraal beleidsorgaan belast met
premievaststelling, het financiële
beheer, het erkenningenbeleid, het
beleid ten aanzien van de
tariefstelling, het vaststellen van
richtlijnen voor de indicatiestelling en
het toezicht op de zelfstandige
uitvoeringsorganen. Het zal voorts ten
aanzien van de verzekerden die niet
andere dan zware geneeskundige risico's
bij een ziekenfonds of een
ziektekostenverzekering hebben gedekt
de verzekering volledig kunnen
uitvoeren;
b.
ziekenfondsen en
ziektekostenverzekeraars kunnen met
betrekking tot degenen die andere dan
zware geneeskundige risico's bij hen
hebben gedekt, worden belast met de
toepassing van de richtlijnen voor de
indicatiestelling en met de
financieel-administratieve afwikkeling,
onder toezicht van het centraal
beleidsorgaan, welk toezicht dient in te
houden de bevoegdheid eventuele
toepassing van een gestelde regeling te
corrigeren.
De wijze waarop ziekenfondsen en
ziektekostenverzekeraars bij de
uitvoering van de onderhavige regeling
zouden moeten worden betrokken, ziet de
Raad aldus dat zij tot de uitvoering
van de verzekering kunnen worden
toegelaten indien zij voldoen aan de
daarvoor te stellen voorwaarden. De Raad
meent dat met enerzijds het toepassen
van het bij de volksverzekeringen
gebruikelijke systeem van premie-inning
door de
belastingdienst en anderzijds de
boven aangegeven wijze van uitvoeren in
aanmerking genomen, een
uitvoeringsorganisatie wordt verkregen
die zo nauw mogelijk aansluit bij de
historisch gegroeide organisatorische
verhoudingen. Nog merkt de Raad op dat
de voorwaarden voor toelating tot de
uitvoering van de verzekering voor de
ziekenfondsen en
ziektekostenverzekeraars dezelfde
moeten zijn, waarbij deze voorwaarden
zullen moeten inhouden dat krachtens de
verzekering de geneeskundige
behandeling en verzorging zelf worden
verstrekt en dat aan de eisen met
betrekking tot het sociaal-medische
toezicht wordt voldaan.
Na
overeenkomstig het vorenstaande in zijn
advies de hoofdlijnen van de inhoud van
de verzekering en de wijze van
uitvoering te hebben aangegeven, werkt
de Raad dit nog nader uit. Daarbij wordt
aandacht geschonken aan de kring van de
verzekerden, de kring van
premieplichtigen en de grondslag van de
premie, het karakter van de
verstrekkingen en het centrale
beleidsorgaan. Hieraan wordt in het
verdere deel van deze memorie, waar de
desbetreffende onderwerpen aan de orde
komen, nog aandacht besteed.
3.
De grondslagen van de wettelijke
regeling
3.1. De rechtsgrond
De ondergetekenden hebben er geen behoefte
aan diepgaand op het vraagstuk van de
rechtsgrond van een volksverzekering rblz.|8
l.k.|
zware geneeskundige risico's in te gaan.
Reeds in de adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad
heeft de eerste
ondergetekende erop gewezen dat hij een
rechtsgrond voor het tot stand brengen van
een dergelijke volksverzekering aanwezig
acht. De Sociaal-Economische Raad kan
zich, zoals ook in de in het vorige
hoofdstuk gegeven samenvatting van 's
Raads advies is medegedeeld, met deze
zienswijze verenigen. Iedere burger kan
in omstandigheden komen te verkeren
dat hij zelf of leden van zijn gezin
geneeskundige verzorging uit hoofde van
langdurige ziekte of gebreken van node
heeft. Het is een feit dat in
toenemende mate nagenoeg niemand in
staat is de daaruit voortspruitende
lasten in verband met de hoge kosten
zelf te dragen, terwijl het tot dusverre
niet mogelijk is gebleken langs
particuliere weg tot een oplossing te
geraken en geen enkel van die risico's
op privaatrechtelijke grondslag
afdoende verzekerbaar is. Ongeacht
maatschappelijke positie of draagkracht
moet dan ook in praktisch alle
voordoende gevallen een beroep worden
gedaan op de hulp van de overheid of van
anderen.
In de
adviesaanvrage aan de
Sociaal-Economische Raad is reeds
uiteengezet dat deze toestand
onbevredigend is en niet in
overeenstemming met beginselen van
maatschappelijke solidariteit en
persoonlijke verantwoordelijkheid. In de
memorie van toelichting bij het ontwerp
van Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is de
eerste ondergetekende diepgaand ingegaan
op de rechtsgrond voor de sociale
verzekering. Een belangrijk element
daarin is het realiseren van het
beginsel van de gelijkheid van kansen.
De ondergetekenden menen dat in onze
huidige maatschappelijke organisatie aan
dat beginsel in belangrijke mate afbreuk
wordt gedaan zowel voor degenen die
zelf door een zwaar geneeskundig risico
worden getroffen als voor degenen die
in eerste aanleg voor de kosten bij het
manifest worden van dit risico
verantwoordelijk zijn. In dit verband
mogen zij erop wijzen dat met name het
ontbreken van een afdoende financiële
grondslag voor de desbetreffende
geneeskundige verzorging er mede
aanleiding toe is dat die verzorging
niet in ontwikkeling is medegegroeid met
de maatschappelijke welvaart en achter
is gebleven bij de geneeskundige
voorzieningen in andere sectoren.
Door
het ontbreken van een goede en afdoende
financiële grondslag voor deze
verzorging heeft namelijk het medisch
onderzoek en de behandeling op dit
terrein niet die ontwikkeling kunnen
nemen die zij hadden kunnen verkrijgen
wanneer in betrokken risico's beter zou
zijn voorzien. Terecht heeft de Centrale
Raad voor de Volksgezondheid erop
gewezen dat het gehele verplegings- en
inrichtingssysteem mede hierdoor niet
zo snel tot ontwikkeling is gekomen als
anders wellicht mogelijk zou zijn
geweest. Daardoor zijn de daarop
aangewezen groepen van zieken en
hulpbehoevenden in de verzorging
achtergebleven bij andere groepen van
zieken en medische hulp behoevenden en
is in dit opzicht niet van een
gelijkheid van kansen sprake. Sommige
van deze groepen is de samenleving mede
daardoor ook nog te weinig geneigd te
beschouwen als zieken onder ons. Juist
een afdoende financiële grondslag voor
de bestrijding van deze risico's kan een
krachtige bijdrage leveren om deze groep
meer in het maatschappelijk proces op
te nemen. De ervaring leert immers dat
een afdoende medische behandeling en
verzorging voor velen deelneming aan het
maatschappelijke leven in één of ander
opzicht mogelijk zal kunnen maken. De
ondergetekenden achten het een
cultuuropdracht van deze tijd dat er
alles aan gedaan wordt om bij groeiende
welvaart de vaak in geestelijk opzicht
zwaksten onder ons zoveel mogelijk
kansen te geven om, zij het op
bescheiden wijze, aan het
maatschappelijke leven deel te nemen.
Dit zal een bijdrage zijn tot menselijk
geluk voor henzelf, maar ook voor
degenen tot wier gezin of familie zij
behoren, die zo vaak gebukt gaan onder
dit geestelijk lijden en ook onder de
maatschappelijke waardering daarvan.
Voor
de financiële grondslag is een
voorziening gekozen die het karakter
heeft van een sociale verzekering. De
ondergetekenden menen dat op deze wijze
een solidariteitsgrondslag van de
voorziening het duidelijkst op
specifieke wijze tot rblz.|8
r.k.|
uitdrukking
wordt gebracht, terwijl - zoals de
Sociaal-Economische Raad terecht heeft
opgemerkt - door uitvoering in de vorm
van sociale verzekering aansluiting kan
worden verkregen aan het patroon van de
georganiseerde volksgezondheidszorg
dat in ons land bestaat en dat - grosso modo
- bevredigend heeft
gewerkt.
Het
beginsel van gelijkheid van kansen is
met name ook in het geding ten opzichte
van degenen die in de eerste aanleg
verantwoordelijk zijn voor het onderhoud
en de verzorging van degenen die door
een zwaar medisch risico zijn getroffen.
Ook wanneer men voorbijgaat aan de
belemmeringen welke het zware
geneeskundige risico als zodanig reeds
oplevert en waarop in het voorgaande
werd gewezen, betekent het optreden van
dit risico een bijzonder ernstige
financiële last, zelfs wanneer men de
hulp in aanmerking neemt welke de
overheid en derden geven. Dit leidt
ertoe dat de bedoelde personen zich
veel dingen moeten ontzeggen welke tot
het normale levenspatroon behoren;
daardoor kan hun persoonlijke
ontplooiing in belangrijke mate geremd
worden.
De
ondergetekenden staan op het standpunt
dat waar de totale financiële last bij
dit ernstige vraagstuk voor de
samenleving als geheel betrekkelijk
gering is te noemen, het verantwoord is
daarvoor een verplichte, het gehele volk
omvattende verzekering in het leven te
roepen. Een beperking van de
persoonlijke verantwoordelijkheid zien
zij daarin niet. Immers er is gebleken
dat enerzijds nagenoeg niemand zijn
persoonlijke verantwoordelijkheid in
deze in belangrijke mate kan beleven en
dat anderzijds in de weinige gevallen
waarin dit wel mogelijk is onevenredig
zware lasten op de schouders van een
enkeling worden gelegd. De
ondergetekenden achten er dan ook juist
integendeel een versterking van de
persoonlijke verantwoordelijkheid in
gelegen, en wel in deze zin dat iedere
burger mede persoonlijk
verantwoordelijk is voor het oplossen
van dit belangrijke vraagstuk en
daarvoor zijn bijdrage zal hebben te
leveren. Anderzijds wordt degenen die
door een zwaar geneeskundig risico zijn
getroffen en degenen tot wier gezin of
familie zij behoren, de mogelijkheid
geboden tot versterking van de beleving
van hun persoonlijke
verantwoordelijkheid.
De
ondergetekenden menen ter afsluiting van
hun beschouwingen over de rechtsgrond
van de onderhavige voorziening nog te
moeten opmerken dat uiteraard de vraag
kan rijzen of het dekken van de zware
geneeskundige risico's niet moet leiden
tot een aanpassing van de
ziekenfondsverzekering.
De
eerste ondergetekende heeft deze
vraagstelling opgenomen in zijn meer
genoemde adviesaanvragen aan de
Sociaal-Economische Raad, de
Ziekenfondsraad en de Centrale Raad voor
de Volksgezondheid. Alhoewel de
ondergetekenden zich voorstellen meer
uitvoerig op deze vraagstelling in te
gaan ter gelegenheid van de indiening
van het hierboven aangekondigde ontwerp
van wet tot wijziging van de Ziekenfondswet,
menen zij dat enkele
opmerkingen daarover in deze memorie
niet kunnen ontbreken.
Zij
mogen er in de eerste plaats op wijzen
dat onderscheid moet worden gemaakt
tussen een technische aansluiting van de
ziekenfondsverzekering aan de
volksverzekering zware geneeskundige
risico's en een sociaal-politieke
aansluiting. Bij de eerste gaat het erom welke technische wijzigingen in de
Ziekenfondswet moeten worden aangebracht
in verband bijvoorbeeld met het
verstrekkingenpakket van de
volksverzekering. Bij de tweede gaat
het erom welk stelsel van
ziekenfondsverzekering sociaal-politiek
het best past in de samenhang met de
volksverzekering zware geneeskundige
risico's. In de meerbedoelde
adviesaanvragen ging het om de
laatstbedoelde vraagstelling. Daarbij
zijn een viertal varianten onderkend,
namelijk:
a.
handhaving van de huidige verplichte
ziekenfondsverzekering naast de
volksverzekering zware geneeskundige
risico's;
b. eventueel beperking van die verzekering door
ziekenhuisverpleging na een bepaalde
duur en opneming in sanatoria en
verpleeginrichtingen onder te brengen
in de volksverzekering;
rblz.|9
l.k.|
c.
uitbreiding van de verplichte
ziekenfondsverzekering tot alle burgers
beneden de welstandsgrens (beperkte
volksverzekering);
d. eventueel met introductie van een beperkt eigen
risico.
In
feite heeft de Sociaal-Economische Raad
geopteerd voor de onder a genoemde
variant, met de mogelijkheid van een
zekere beperking, die onder b is
aangeduid. De Sociaal-Economische Raad
staat blijkens een briefwisseling met de
eerste ondergetekende die onlangs aan de
Tweede Kamer is overgelegd op het
standpunt dat indien geopteerd zou
worden voor de onder c genoemde variant,
hem daaromtrent nader advies gevraagd
zou moeten worden. De ondergetekenden
zouden daarop thans niet willen ingaan,
doch slechts willen releveren dat de
Centrale Raad voor de Volksgezondheid,
de alternatieve mogelijkheden uit een
oogpunt van volksgezondheid aan een
beschouwing onderwerpende, de oplossing
door middel van een beperkte
volksverzekering voor die zelfstandigen
beneden de inkomensgrens die thans niet
vrijwillig verzekerd zijn een grote
verbetering zou achten. Bij deze groep
bestaat naar het oordeel van de Centrale
Raad voor de Volksgezondheid thans een
zekere mate van onderconsumptie.
Vanuit
de kring der zelfstandigen is sedertdien
een advies te vermelden van de Raad voor
het Midden- en Kleinbedrijf, hetwelk
bepleit ziekenhuisverpleging gedurende
het eerste jaar en klinische operatieve
behandeling onder de volksverzekering
zware geneeskundige risico's te brengen,
zij het getemporiseerd ingevoerd. Alsdan
zou - aldus het advies - voor
ondernemers een zogenaamde beperkte
volksverzekering overbodig zijn.
Zoals
opgemerkt, zullen de ondergetekenden op
de beperkte volksverzekering nader
terugkomen bij de aangekondigde
wijziging van de Ziekenfondswet.
Afgescheiden van de moeilijkheden
welke met name met betrekking tot de
financiering van de vrijwillige en
bejaardenverzekering bestaan, zouden zij
er wel op willen wijzen dat reeds thans
ongeveer 71% van de bevolking onder
een vorm van ziekenfondsverzekering
valt, welk percentage stijgt tot
ongeveer 76 als men het aantal
ziekenfondsverzekerden relateert aan de
Nederlanders met een inkomen beneden de
welstandsgrens. Neemt men daarbij in
aanmerking de publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen voor
ambtenaren, dan kan zeker gezegd worden
dat door de invoering van een
volksverzekering zware geneeskundige
risico's een veelomvattend stelsel van
verzekering voor geneeskundige
verzorging zal worden verkregen. De
ondergetekenden hebben dan ook begrip
voor de vraag welke de laatste jaren
aan actualiteit heeft gewonnen of niet
de verplichte verzorging enigszins zou
kunnen worden beperkt. Hierbij wordt
gedacht aan het dragen van een zeker
eigen risico c.q. het niet meer
onderbrengen van bepaalde risico's in de
verplichte verzekering, doch in een
systeem van een vrijwillige aanvullende
verzekering. De beide eerste
ondergetekenden hebben reeds meermalen
te kennen gegeven dat zij bij
gelegenheid van de indiening van het
onderhavige wetsontwerp over deze
complexe problematiek van het dragen van
eigen risico andermaal het oordeel van
de Centrale Raad voor de Volksgezondheid en de Ziekenfondsraad
zouden vragen. Deze adviesaanvrage
hopen zij spoedig te doen uitgaan.
3.2.
Mogelijke systemen
1.
Reeds spoedig na de indiening van de
adviesaanvrage bij de Sociaal-Economische Raad
is twijfel
gerezen over datgene wat de
adviesaanvrage met betrekking tot het
object van de verzekering beoogde. Onder
punt 3 van de adviesaanvrage wordt namelijk
gezegd: "Zolang geen verantwoorde
oplossing kan worden geboden voor de
zeer zware lasten welke uit hoofde van
ernstige langdurige ziekten en gebreken
op iedereen kunnen komen te drukken en
door niemand zonder bijstand van de
overheid of van derden kunnen worden
gedragen, zolang ook is het vraagstuk
van de verzekering tegen geneeskundige
risico's voor het Nederlandse volk nog
niet tot oplossing gebracht".
rblz.|9
r.k.|
Dit
lezende kan men de indruk krijgen dat
het object van de verzekering zou moeten
zijn gelegen in de zware lasten
verbonden aan de lange duur van ziekten
en gebreken. Gaat men daarvan uit, dan
ligt het voor de hand als object te
kiezen de geneeskundige verzorging,
revalidatie en verpleging in de daartoe
bestemde inrichtingen van degenen die
langer dan bijvoorbeeld één jaar ziek of
gebrekkig zijn.
Leest
men echter de adviesaanvrage verder, dan
wordt gezegd: "Bij de omschrijving
van de groep waarom het hier gaat, valt
in de eerste plaats te denken aan de
gebrekkigen met ernstige aangeboren
gebreken van lichamelijke en geestelijke aard, alsmede aan
geesteszieken die langdurige verpleging en verzorging behoeven. Ook
dient hierbij te worden gedacht aan een
aantal chronisch lichamelijk zieken. De
ondergetekende beoogt niet op deze
plaats hiervan een uitputtende
opsomming te geven. Hij denkt hierbij
onder meer aan patiënten lijdende aan
een aandoening van het centrale
zenuwstelsel en voorts aan al degenen
die door gewrichtsverstijvingen of
verlammingen en anderszins langdurig
bestaande functiestoornissen van het
bewegingsapparaat hebben". In deze
passage van de adviesaanvrage werd tot
uitdrukking gebracht dat de
volksverzekering zou moeten dekken de
lasten verbonden aan een aantal zeer
ernstige geneeskundige risico's die
manifest worden in bepaalde met name aan
te duiden ziekten of gebreken. Zou men
deze weg gaan, dan zou de wet moeten
stellen dat bij algemene maatregel van
bestuur de aandoeningen worden
aangewezen die op een daarvoor vereiste
indicatie van medische of sociale aard
aanspraak zouden geven op geneeskundige
verzorging, verpleging in een
ziekenhuis, een verpleeginrichting en
revalidatie daaronder begrepen. In de
memorie van toelichting bij een
dergelijk wetsontwerp zou dan verder,
uitgebreider dan in de adviesaanvrage
mogelijk was, de aanduiding uitgewerkt
kunnen worden om welk soort ziekten het
gaat. Met name zou daarin gezegd kunnen
worden dat de volksverzekering door
aanwijzing bij algemene maatregel van
bestuur van andere ziekten geleidelijk
tot ontwikkeling zou kunnen worden
gebracht. De volksverzekering zou dan
in tweevoudig opzicht het karakter van
een bodemvoorziening hebben gehad. In de
eerste plaats zou iedereen, wanneer zich
een aangewezen aandoening zou hebben
voorgedaan, aanspraak hebben op grond
van de volksverzekering. Hierbij moet
worden opgemerkt dat dan de verplichte
ziekenfondsverzekering voor
loontrekkenden deze aandoeningen van
die verzekering zou moeten uitsluiten en
in verband daarmede uiteraard voor de
niet-aangewezen ziekten als een
aanvulling zou gelden op de algemene
volksverzekering. In de tweede plaats
zou de volksverzekering een
bodemvoorziening zijn, omdat zij voor
wat de verpleging betreft alleen de
laagste klasse waarborgen zou, waar
bovenop aanvullende eigen voorziening
mogelijk zou zijn.
In
die gedachtengang zou niet de lange duur
van iedere ziekte of aandoening op zich
zelf aanspraken krachtens de
volksverzekering geven. De langdurige
gevolgen van een bepaald ongeval voor
de gezondheid van de ongevalsgetroffene
zouden niet zonder meer ten laste van
deze volksverzekering behoeven te komen.
De verplichte ziekenfondsverzekering zou
deze getroffene zo nodig onbeperkt
genees- en heelkundige behandeling
kunnen geven. Dit te meer tegen de
achtergrond van de mogelijkheid om bij
het in werking treden van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering de
duur van de aanspraak op verpleging in
een ziekenhuis onbeperkt te maken.
Wanneer
men alleen de lange duur van iedere
ziekte of aandoening tot object der
verzekering zou maken, dreigt het gevaar dat wanneer men eerst aanspraak
heeft nadat de ziekte of aandoening
reeds gedurende één jaar manifest is,
niet-loontrekkenden gedurende het eerste
jaar niet op adequate wijze zouden
kunnen worden behandeld. Voor de
opsteller van de adviesaanvrage leek het
juist en uit volksgezondheidsoogpunt
belangrijk dat de behandeling en alles
wat daaraan vastzit ook niet over twee
verschillende verplichte verzekeringen
zouden worden verdeeld. Kiest men de weg
van de aanwijzing van aandoeningen, dan
zou er eenheid van object zijn, rblz.|10
l.k.|
doordat namelijk
de door de volksverzekering
aangewezen aandoeningen hun dekking
vinden uitsluitend in de
volksverzekering en de niet-aangewezen
aandoeningen voor de loontrekkenden in
de verplichte ziekenfondsverzekering,
terwijl het daaraan verbonden risico
voor niet-loontrekkenden hetzij in het
kader van de vrijwillige
ziekenfondsverzekering dekking zou
kunnen vinden, hetzij particulier
verzekerbaar zou blijken.
Eén
en ander brengt met zich mede dat het
ook niet uitsluitend gaat, zoals hier
en daar weleens is gesteld, om
geneeskundige behandeling en verpleging
in een inrichting (intramurale zorg),
maar evenzeer om de extramurale zorg,
dus bijvoorbeeld ook de behandeling
thuis. Het gaat om een integrale
voorziening.
Tegen
het in de adviesaanvrage ontwikkelde
systeem is aangevoerd dat het moeilijk
zou zijn de desbetreffende ziekten en
aandoeningen te omschrijven, terwijl het
voorts niet vaststaat dat deze
aandoeningen, als zij optreden, altijd
langdurige gevolgen zullen hebben. De
ondergetekenden menen dat aan het
eerste te zwaar getild wordt. Voor wat
het tweede betreft, zouden zij willen
opmerken dat de rechtsgrond voor de
regeling, te weten dat in de regel de
risico's van de aangewezen aandoeningen
zo zwaar zijn, ook door hun
langdurigheid, dat zij vrijwel door
niemand in de samenleving te dragen
zijn, niet zou behoeven uit te sluiten
dat een uit hetzelfde risico
voortspruitende kortdurende
verplegingsnoodzaak ook door de
verzekering wordt gedekt. De zwaarte van
het risico is juist oorzaak dat het
nauwelijks of niet verzekerbaar is. Ook
het omgekeerde doet zich wel voor.
Risico's die normaal verzekerbaar
zijn, blijken individueel wel eens heel
groot te zijn. De in individuele
gevallen grote omvang van een normaal
risico moet er niet toe leiden dat de
betrokkene - als hij daarvoor niet
onder de volksverzekering zou vallen - ongedekt is. Enerzijds zou daarom de
verplichte ziekenfondsverzekering in de
toekomst voor deze risico's, die geen
dekking vinden in de volksverzekering,
een onbeperkte dekking kunnen geven,
anderzijds zou een voorschrift te
overwegen zijn voor particuliere
ziektekostenverzekeringen, waardoor een
verzekering, indien blijkt dat een
overigens normaal risico in individuele
gevallen groot blijkt te zijn, niet
opgezegd zou kunnen worden.
2.
In de adviezen van de Centrale Raad voor
de Volksgezondheid. de Ziekenfondsraad
en de Sociaal-Economische Raad
zijn
andere systemen aangegeven. Alvorens een
definitief standpunt te ontwikkelen,
mogen de ondergetekenden eerst een
samenvatting geven van de systemen die
in bedoelde adviezen aan de orde zijn
gesteld.
A.
De Centrale Raad voor de Volksgezondheid
(hierna te noemen de Raad) heeft drie
mogelijkheden onder ogen gezien, namelijk
aansluiting van de volksverzekering op
het bestaande verstrekkingenpakket van
de verplichte ziekenfondsverzekering,
aansluiting volgens een "horizontale"
scheidslijn, namelijk een bepaalde
opnemingsduur, en aansluiting volgens
een "verticale" scheidslijn,
waarbij dan één versterking integraal
of tot de ene of tot de andere
verzekering behoort. De Raad is van
oordeel dat zich de geringste bezwaren
zullen voordoen bij de "verticale"
scheidslijn.
Het
bestaan van twee verzekeringen brengt,
aldus de Raad, automatisch met zich mee
dat er naast elkaar voorzieningen
zullen komen waarop de gehele bevolking
rechten kan doen gelden en voorzieningen
waarop slechts een deel recht heeft.
Voor zover de verstrekkingen van de
ziekenfondsverzekering dan nog
gelimiteerd zullen zijn door de eis van
medische indicatie, bestaat het gevaar
van druk op de voorzieningen van de
volksverzekering. Dit gevaar is echter
te ondervangen door de erkenningen te
binden aan duidelijke criteria en door
een uniforme toepassing van de
indicaties die voor opneming in de
verschillende typen inrichtingen moeten
gelden.
Indien
de controlerende instanties van beide
uitvoeringsorganen verschil van mening
hebben over de voorziening die de
patiënt nodig heeft, zou hiervan het
gevolg zijn dat rblz.|10
r.k.|
de
patiënt tussen twee stoelen valt en
door beide verzekeringen afgewezen
wordt. Dit gevaar is echter te keren
door bepaalde wettelijke regelingen (vgl.
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en Ziektewet) en door het creëren van een
beroepsprocedure. De Raad is daarom tot
de overtuiging gekomen dat de "verticale"
scheiding de voorkeur verdient.
Vervolgens
de vraag onder ogen ziende waar deze
scheidslijn het beste gelegd zou kunnen
worden, is hij tot de conclusie gekomen dat het uit een oogpunt van
gezondheidszorg aanbeveling verdient
dat de verplichte ziekenfondsverzekering voor de huidige
kring van verplicht verzekerden de
verpleging in ziekenhuizen (en daarmede
gelijk te stellen bedden) voor
onbeperkte tijd verstrekt en dat de
volksverzekering voor de gehele
bevolking de kosten dekt van opneming,
eveneens voor onbeperkte tijd, in
verpleegtehuizen (en daarmede gelijk te
stellen bedden) in inrichtingen voor
visueel en auditief gehandicapte
onvolwassenen en in
zwakzinnigeninrichtingen. Door een
dergelijke verschuiving immers wordt het
grote voordeel verkregen dat de
verpleging in instellingen waar de
diagnostische en therapeutische hulp van
de specialist de centrale plaats
inneemt, geheel in de sfeer van het
ziekenfondswezen blijft, terwijl de
verpleging in instellingen waar de
medicus een minder centrale positie
inneemt, onder de verstrekkingen van de
volksverzekering valt. Deze
accentverschuiving zou een andere naam
dan "volksverzekering zware
geneeskundige risico's" gewenst
maken.
De
omschrijving "ziekenhuizen en daarmee
gelijk te stellen bedden" en "verpleegtehuizen
en daarmee gelijk te stellen
bedden" vraagt om een nadere
toelichting. Zij is nodig met name omdat
de psychiatrische inrichting ten dele
het karakter vertoont van een
ziekenhuis en ten dele van een
verpleegtehuis. Indien eenmaal
vastgelegd is wat onder een "ziekenhuis"
en onder een "verpleegtehuis"
verstaan dient te worden, kan voor
psychiatrische inrichtingen aan de hand
van criteria vastgesteld worden of een
patiënt op een bed met een
ziekenhuiskarakter ligt dan wel op een
bed met een verpleegtehuiskarakter. In
de toekomst zal het wellicht mogelijk
zijn in psychiatrische inrichtingen te
onderscheiden tussen afdelingen met
ziekenhuiskarakter en afdelingen met
verpleegtehuiskarakter. Mocht dit echter
onverhoopt niet of voorlopig nog niet
mogelijk blijken, dan adviseert de Raad
om alleen voor deze inrichtingen een
"horizontale"
scheidslijn aan te houden, hetgeen
betekent dat de verpleging gedurende
het eerste jaar voor ziekenfondsrekening
zal plaatshebben en daarna op kosten van
de volksverzekering. De Raad is er zich
daarbij van bewust dat het op zichzelf
weinig aantrekkelijk is reeds dadelijk
bij de invoering van een systeem (de "verticale"
scheidslijn) daarop inbreuk te maken
voor een bepaald onderdeel (door
hantering van de "horizontale"
scheidslijn). Dit wordt desondanks
aanvaardbaar geacht, omdat daardoor de
bedoeling van de Minister het dichtst
benaderd zou worden en vermeden kan
worden dat er grote lacunes blijven.
De
conclusie van de Raad is derhalve deze
dat het uit volksgezondheidsoogpunt de
voorkeur verdient een zuiver "verticale"
verdeling na te streven tussen de
ziekenfondsverzekering en de
volksverzekering. Slechts voor zolang
het niet mogelijk is in psychiatrische
inrichtingen onderscheid te maken tussen
"ziekenhuisbedden" en "verpleegtehuisbedden"
zal voor die inrichtingen de "horizontale"
scheidslijn van één jaar aangehouden
moeten worden. Voor de
ziekenfondsverzekerden zal de invoering
van een volksverzekering als hierboven
aangegeven met zich meebrengen dat niet
alleen de poliklinische behandeling, maar
ook de klinische verpleging in
ziekenhuizen, sanatoria en
revalidatie-inrichtingen voor onbeperkte
tijd verzekerd is.
Zij
die niet verplicht of vrijwillig
verzekerd zijn bij een ziekenfonds
zullen bij de invoering van de
volksverzekering derhalve onbeperkt
verzekerd zijn wat betreft de kosten van
verpleging in verpleegtehuizen, in
instituten voor auditief en visueel
gehandicapte onvolwassenen en in
zwakzinnigeninrichtingen, en wel vanaf
de eerste dag. Ten aanzien van de rblz.|11
l.k.|
risico's
die voor de ziekenfondsverzekerden door
de ziekenfondsverzekering gedekt zullen
worden, zullen zij echter aangewezen
blijven op eigen middelen, op
particuliere ziektekostenverzekeringen
en op hulp vanwege de Algemene
Bijstandswet. De Raad heeft redenen om
aan te nemen dat de particuliere
verzekeringsmaatschappijen bereid en in
staat zijn deze risico's tegen een
aanvaardbare premie te verzekeren.
B.
De Ziekenfondsraad (hierna te noemen de
Raad) komt tot een conclusie die dicht
het standpunt van de Centrale Raad voor
de Volksgezondheid nadert. De Raad heeft
naar een praktisch bruikbaar
uitgangspunt gezocht met betrekking tot
de vraag wat onder "zwaar geneeskundig
risico" moet worden verstaan,
daarbij hieraan de betekenis toekennende
van het risico van zeer hoge financiële
lasten welke kunnen voortvloeien uit
langdurige en kostbare vormen van
verpleging en behandeling. De Raad
heeft vervolgens, uitgaande van de reeds
door middel van de bestaande
ziekenfondsverzekering voor het
grootste deel van de bevolking gedekte
risico's, de zogenaamde "manco's"
opgespoord. Daaronder worden verstaan
kostbare voorzieningen waarvan de
kosten niet of niet voldoende door de
huidige ziekenfondsverzekering worden
gedekt. De Raad is er daarbij van
uitgegaan dat de risico's welke in de
ziekenfondsverzekering zijn
ondergebracht, voor
niet-ziekenfondsverzekerden in de sfeer
van ziektekosten- en variaverzekeringen
op bevredigende wijze verzekerbaar zijn
of althans in de toekomst zullen zijn.
De Raad heeft daarbij gesignaleerd het
vraagstuk van selectie van risico
waaraan, naar hij meent, te zijner tijd
aandacht zal moeten worden geschonken.
De
Raad is tot de conclusie gekomen dat
voor de volksverzekering een ruimere
interpretatie van het begrip
geneeskundige verzorging nodig zal zijn
dan in het ziekenfondswezen tot nu toe
gebruikelijk is. Ten aanzien van
voorzieningen welke liggen in de
sector van de zorg voor lichamelijk en
geestelijk gehandicapten meent de Raad
met name dat het voldoende is dat de
medische zorg, inclusief verpleging, in
het geheel der behandeling, verzorging
en hulpverlening van betekenis is.
Nagaande
welke risico's thans niet of niet
volledig door de ziekenfondsverzekering
zijn gedekt, komt de Raad tot de
conclusie dat er belangrijke manco's
bestaan ten aanzien van de langdurige
ziekenhuisverpleging, de langdurige verpleging in verpleegtehuizen, alsmede
de zorg voor lichamelijk en geestelijk
gehandicapten. Voor wat de
ziekenhuisverpleging betreft, wordt
hierbij gedacht aan de gevallen waarin
de verpleging en behandeling langer dan
één jaar duren. Ten aanzien van de
verpleging in verpleegtehuizen wordt
erop gewezen dat weliswaar deze
verstrekking sedert enige jaren in de
ziekenfondsverzekering is opgenomen,
maar dat dit risico niet volledig is
gedekt, doordat zowel een beperking
geldt ten aanzien van de tijdsduur als
ten aanzien van de hoogte van de
vergoeding. Voor wat betreft de zorg
voor lichamelijk gehandicapten, te weten
de langdurige verzorging in
gespecialiseerde inrichtingen, zoals
inrichtingen voor spastici en astmatici
en instituten voor zintuiglijk
gehandicapten, merkt de Raad op dat de
ziekenfondsverzekering niet of slechts
voor een klein deel voorziet in de
kosten van de verzorging. Ten aanzien
van de zorg voor geestelijk
gehandicapten worden de manco's zeer
groot genoemd.
De
aard en omvang van de verstrekkingen
ingevolge een voorziening tegen zware
geneeskundige risico's nader
beschouwende, geeft de meerderheid van
de Raad voor wat betreft het risico van
de ziekenhuisverpleging de voorkeur aan
de oplossing waarbij deze verstrekking
ook na het eerste jaar in de
ziekenfondsverzekering wordt opgenomen.
Het advies wijst erop dat dit het
voordeel heeft dat het risico volledig
in één voorziening is ondergebracht,
zodat eventuele moeilijkheden waarmede
de overneming van gevallen door een
ander verzekeringsapparaat gepaard kan
gaan bij voorbaat zouden zijn
geëlimineerd. De meerderheid van de Raad
meent dat in beginsel het vorenstaande
ook zou moeten rblz.|11
r.k.|
gelden
voor de behandeling en verpleging in
psychiatrische inrichtingen. Zolang
echter het onderscheid tussen ziekenhuis
en verpleegtehuis in de sector van de
psychiatrische inrichtingen niet
voldoende is tot stand gebracht, zouden,
bij wijze van overgangsmaatregel, de
behandeling en verpleging in
psychiatrische inrichtingen na afloop
van het eerste jaar in de verzekering
voor zware geneeskundige risico's kunnen
worden opgenomen. Een minderheid van de
Raad heeft zich uitgesproken voor een
systeem waarbij de verpleging in ziekenhuizen en psychiatrische
inrichtingen na afloop van het eerste
jaar in de verzekering voor zware
geneeskundige risico's wordt
ondergebracht. In het advies wordt
hierover opgemerkt dat deze minderheid
niet de overtuiging had dat de
financiële consequenties van een
onbeperkte verpleging in ziekenhuizen en
psychiatrische inrichtingen voor
rekening van de ziekenfondsverzekering
inderdaad - zoals de meerderheid
aanneemt - binnen aanvaardbare grenzen
zouden blijven, zulks mede met het oog
op de sterk aanzuigende werking welke
van een verzekering voor zware geneeskundige risico's zou uitgaan.
Voorts meent de desbetreffende
groepering in de Raad dat thans in de
particuliere ziektekostenverzekering
nagenoeg geen dekking voor het risico
van langdurige verpleging en
behandeling, met name in psychiatrische
inrichtingen, kan worden gevonden.
Voorts wordt sterk betwijfeld of een
volledige scheiding tussen ziekenhuis
en verpleegtehuis in de sector
psychiatrische inrichtingen ooit zal
kunnen worden gerealiseerd.
Voor
wat betreft de verpleging in
verpleegtehuizen is de Raad van oordeel
dat verpleging, behandeling en
verzorging in erkende verpleegtehuizen,
inclusief die voor geestelijk
gestoorden, voor de gehele duur van de
opneming in de verzekering zware
geneeskundige risico's dienen te worden
ondergebracht.
In
het advies wordt opgemerkt dat de
verpleging in verpleegtehuizen in een
aantal gevallen van korte duur kan zijn
en dan niet zou vallen onder het begrip
zwaar geneeskundig risico. Om praktische
redenen waren echter ook deze
kortdurende gevallen in de
volksverzekering op te nemen, onder meer
omdat de duur van de verpleging
doorgaans niet vooraf is te bepalen.
Nog wordt in het advies in overweging
gegeven de opneming in
verpleegtehuizen, ook voor geestelijk
gestoorden, wil de desbetreffende
voorziening bevredigend zijn, te binden
aan een ruimere indicatie dan de huidige
"ziekenfondsindicatie". Bij wijze
van voorbeeld wordt genoemd de behoefte
aan verpleging waaraan redelijkerwijs
ten huize van de patiënt niet kan
worden voldaan.
Verder
heeft de Raad uitgesproken dat de
behandeling, verpleging en verzorging in
inrichtingen voor lichamelijk,
zintuiglijk en geestelijk gehandicapten,
voor de gehele duur der opneming, onder
de werking van de volksverzekering
zullen moeten worden gebracht. De Raad
heeft hierbij het oog op lichamelijk en
geestelijk gehandicapten, zoals spastici,
doven, slechthorenden, blinden,
slechtzienden en zwakzinnigen, zowel
imbecielen als idioten. Hierbij wordt
opgemerkt dat de kosten van onderwijs
dat in de desbetreffende inrichtingen
als onderdeel van de verzorging wordt
gegeven, conform de vigerende bepalingen
ten laste van de overheid dienen te
blijven komen.
C.
Ook de Sociaal-Economische Raad
(hierna
te noemen Raad) staat op het standpunt
dat een voorziening zware geneeskundige
risico's gericht moet zijn op het risico
voor langdurige verpleging in
inrichtingen. De Raad is van oordeel
dat de voorziening zich niet moet
beperken tot verstrekkingen van deze
aard, die in de terminologie van het
eerste lid van artikel 8 van de
Ziekenfondswet
gericht zijn op de "geneeskundige verzorging" van de
verzekerden. Immers, bij die
geneeskundige verzorging gaat het om een
verzorging gericht op herstel of
verbetering van de gezondheidstoestand
van de betrokkene, dan wel op een
verzachting van het lijden. Naar het
oordeel van de Raad zijn er echter
lichamelijke en geestelijke stoornissen
welke een verzorging of behandeling
vereisen waarin weliswaar geneeskundige
rblz.|12
l.k.|
facetten
aanwezig zijn, maar waarvan moet worden
betwijfeld of het geneeskundig aspect
in de totaliteit van de verzorging zo
belangrijk is dat de verzorging als een
geneeskundige verzorging kan worden
aangemerkt. De Raad wijst dan op de
verzorging in inrichtingen voor zieken
en gebrekkigen met een ernstige
lichamelijke of geestelijke stoornis en
op de verzorging van personen met
zintuiglijke defecten ter verkrijging
van aan het defect aangepaste
bekwaamheden, zowel uit een oogpunt van
maatschappelijke aanpassing als ter
verwerving van arbeidsinkomen. Een
zodanige verzorging zou, naar het
oordeel van de Raad, tot object van de
voorziening voor zware geneeskundige
risico's dienen te behoren, ook als zij
waarschijnlijk niet zullen kunnen
resulteren in een aanmerkelijke
verbetering van de lichamelijke of
geestelijke toestand, noch in een
belangrijke verzachting van het lijden.
De
Raad acht het daarentegen niet
noodzakelijk dat voor alle gevallen van
opneming in een inrichting de kosten
vanaf den beginne ten laste van de
voorziening van zware geneeskundige
risico's worden gebracht. Zulks geldt,
aldus de Raad, met name voor die
gevallen waarin de opneming voor de
overgrote meerderheid van de betrokkenen
of althans voor een niet onbelangrijk
deel van hen betrekkelijk kort van duur
is. Mede gelet op de omstandigheid dat
de verpleging van lichamelijk en
geestelijk zieken gedurende het eerste
jaar krachtens de ziekenfondsverzekering
is gedekt, meent de Raad dat de
voorziening van zware geneeskundige
risico's zich kan beperken tot het
verschaffen van een dekking na afloop
van het eerste jaar.
Voor
de overige gevallen van verpleging en
verzorging in een inrichting acht de
Raad het echter ondoelmatig een
onderscheid te maken naar de duur van
de opneming. Bij voorbaat, aldus de
Raad, staat het vast dat de opneming in
deze gevallen nagenoeg steeds van
langdurige aard zal zijn, terwijl deze
risico's - met uitzondering van de
sanatoriumverzekering - niet of
slechts in geringe mate door de
bestaande verzekeringsvormen worden
gedekt. Er is bij het onderbrengen van
alle andere vormen van verpleging en
verzorging in de voorziening van zware
geneeskundige risico's derhalve geen
ingrijpende wijziging in de bestaande
verzekeringsvormen te vrezen. Mede
heeft hierbij voor de Raad een rol
gespeeld dat in het bijzonder bij de
evenbedoelde vormen van verpleging en
verzorging het element van de
maatschappelijke zorg veelal
belangrijker is.
Naar
het oordeel van de Raad zouden dan de
volgende verstrekkingen onder de werking
van de voorziening van zware
geneeskundige risico's moeten worden
gebracht:
a.
Verpleging in erkende ziekenhuizen na
afloop van het eerste jaar
Deze
verstrekking zou dienen te omvatten
observatie, onderzoek. behandeling en
verpleging van lichamelijk zieken en van
geesteszieken en klinische
revalidatiebehandeling, zowel in
algemene ziekenhuizen als in
gespecialiseerde inrichtingen die als
ziekenhuis zijn erkend.
De
Raad merkt op dat het aantal gevallen
van ziekenhuisverpleging van
lichamelijk zieken waarvan de
opnemingsduur één jaar overschrijdt
relatief zo gering is dat het geen
bezwaar zou ontmoeten dit risico
volledig door de ziekenfondsverzekering
en de ziektekostenverzekering te doen
dekken. Ten aanzien van de geesteszieken
staat hij niet op dit standpunt. De
Raad meent daarom dat de voorziening
van zware geneeskundige risico's zou
moeten voorzien in verpleging en
behandeling van psychiatrische
patiënten na afloop van het eerste
jaar. dit onder voorbehoud dat een
dergelijke afwijkende regeling voor de
klinische behandeling van lichamelijk
zieken en geesteszieken in erkende
ziekenhuizen uit medisch gezichtspunt
geen bezwaren ontmoet. Mocht dit wel het
geval zijn, dan zal de voorziening van
zware geneeskundige risico's zich naar
zijn oordeel moeten uitstrekken tot de
langdurige opneming van zowel
lichamelijk zieken als geesteszieken rblz.|12
r.k.|
na afloop van het eerste jaar. De Raad
is verder van gevoelen dat ook de
sanatoriumverpleging na het eerste jaar
onder de onderhavige voorziening moet
worden gebracht. In het kader van de te
verlenen klinische
revalidatiebehandeling zouden ook de
kosten van kunst- en hulpmiddelen, zoals
prothesen e.d. moeten worden vergoed.
b.
Behandeling, verzorging en verpleging in
andere inrichtingen
Hieronder
verstaat de
Raad inrichtingen voor
lichamelijk zieken en geesteszieken,
zowel volwassenen als kinderen, waarbij
het verzorgingselement veelal overweegt
of althans de medische zorg niet
centraal staat. De Raad meent dat ook
opneming op andere dan strikt medische
indicatie mogelijk moet zijn. Aangezien
het verblijf in deze inrichtingen over
het algemeen van lange duur is, acht de
Raad het doelmatig deze verstrekking
volledig en niet eerst na afloop van het
jaar onder de voorziening te brengen. De
Raad heeft blijkens zijn advies hierbij
met name op het oog inrichtingen zoals
verpleegtehuizen,
zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen
voor lichamelijk en zintuiglijk
gebrekkigen en wellicht ook
B-koloniehuizen.
Het
gevolg van volledige dekking van de
verzorging in verpleegtehuizen krachtens
een algemene voorziening tegen zware
geneeskundige risico's zou uiteraard
zijn dat de thans geldende beperkte
dekking uit het ziekenfondspakket zou
vervallen.
Voor
zover in de genoemde inrichtingen het
verstrekken van aangepast onderwijs een
onderdeel van de behandeling vormt,
zoals in inrichtingen voor lichamelijk
en zintuiglijk gebrekkigen, is de Raad
van oordeel dat de hieraan verbonden
kosten niet ten laste van de voorziening
van zware geneeskundige risico's moeten
worden gebracht, maar dat zij als
onderwijsvoorziening door de overheid
moeten worden gedragen.
c.
Poliklinische verstrekkingen
Uitgangspunt
voor de beschouwing van de
Raad over
deze verstrekkingen is geweest dat
zowel de ziekenfonds- als de
ziektekostenverzekering, deze laatste
ten dele met een eigen risico voor de
verzekerden, de poliklinische
behandeling volledig of grotendeels
dekt. Voor zover er nog beperkingen in
de verstrekkingen zijn, welke de Raad
grotendeels aan moeilijkheden van
praktische aard toeschrijft, zou
aanvulling van het ziekenfondsenpakket
moeten plaatsvinden. Anders zou, naar 's
Raads oordeel, een door de Raad in
beginsel juist geachte ontwikkeling
worden afgesneden.
Daarnaast
noemt de Raad in zijn advies
verstrekkingen welke niet of niet in
hoofdzaak het karakter hebben van een
geneeskundige verzorging, doch welke
veeleer sociaal geïndiceerd zijn,
veelal gericht op het scheppen van de
mogelijkheid dat lichamelijk en
zintuiglijk gebrekkigen aan het
maatschappelijk leven kunnen blijven
deelnemen. De Raad rekent hiertoe
verstrekkingen van prothesen en andere
kunst- en hulpmiddelen, de niet-klinische
om- en herscholing, de voorziening met
aangepaste werktuigen, voorzieningen in
de woning e.d. Na erop gewezen te hebben dat voor een niet onbelangrijk
deel krachtens andere regelingen op deze
verstrekkingen aanspraak kan worden
gemaakt, spreekt de Raad als zijn
oordeel uit dat een begrenzing van deze
categorie van verstrekkingen nauwelijks
valt te geven. De financiële
consequenties mede in aanmerking
nemende, komt de Raad tot de slotsom
dat de voorziening van zware
geneeskundige risico's ook deze norm van
verstrekkingen niet dient te omvatten.
3.
Bij vergelijking van de systemen
ontwikkeld in de adviesaanvrage en in
de door de Centrale Raad voor de
Volksgezondheid, de Ziekenfondsraad en
de Sociaal-Economische Raad uitgebrachte
adviezen, wordt het volgende beeld
verkregen: rblz.|13
l.k.|
| Adviesaanvrage |
Centrale Raad voor de
Volksgezondheid |
Ziekenfondsraad |
Sociaal-Economische
Raad
|
| 1.
Volledige dekking intramuraal en
poliklinisch voor bepaalde krachtens de
wet aan te wijzen aandoeningen. |
Volledige
dekking intramuraal in
verpleegtehuizen, in psychiatrische
inrichtingen voor wat betreft bedden met
een verpleegtehuiskarakter, in
zwakzinnigeninrichtingen en in
inrichtingen voor visueel en auditief
gehandicapte onvolwassenen.¹ |
Volledige
dekking intramuraal van verpleging,
behandeling en verzorging in erkende
verpleegtehuizen (inclusief die voor
geestelijk gestoorden) en in
inrichtingen voor speciale groepen van
lichamelijk en geestelijk gehandicapten
(spastici, doven, slechthorenden,
blinden, slechtzienden) en inrichtingen
voor alle zwakzinnigen. |
Volledige
dekking intramuraal in
verpleegtehuizen,
zwakzinnigeninrichtingen,
inrichtingen voor lichamelijk en
zintuiglijk gebrekkigen en
wellicht B-koloniehuizen (zowel
volwassenen als kinderen).
Eveneens verpleging en behandeling
van psychiatrische patiënten in
ziekenhuizen na afloop van het
eerste jaar.³ |
| 2.
Onbeperkte dekking der normale, dit is
niet-aangewezen, risico's ¹ door de ziekenfondsverzekering |
Onbeperkte
dekking van verpleging in ziekenhuizen
door de ziekenfondsverzekering. |
Onbeperkte
dekking van verpleging in ziekenhuizen
²
door de ziekenfondsverzekering. |
Onbeperkte
dekking van verpleging in
ziekenhuizen door
ziekenfondsverzekering, echter
uitsluitend voor lichamelijk
zieken.³ |
|
3. Poliklinische hulp voor de aangewezen
aandoeningen. Geen poliklinische hulp.
Geen poliklinische hulp. Geen
poliklinische hulp. |
Geen
poliklinische hulp. |
Geen
poliklinische hulp. |
Geen
poliklinische hulp. |
1.
Zolang het niet
mogelijk is in psychiatrische
inrichtingen te onderscheiden tussen
afdelingen met ziekenhuiskarakter en
verpleegtehuiskarakter, zou de
verpleging voor deze inrichtingen
gedurende het eerste jaar ten laste van
de ziekenfondsverzekering en daarna van
de volksverzekering zware risico's
moeten komen.
2. Zelfde voorbehoud als
bij 1.
3. Als deze afwijkende regeling
bij de klinische behandeling van
lichamelijk en geesteszieken in erkende
ziekenhuizen uit medisch oogpunt
bezwaren zou ontmoeten, zou de
voorziening van zware risico's zich
moeten uitstrekken tot een langdurige
opneming van zowel lichamelijk als
geesteszieken na afloop van het eerste
jaar.
3. In de voorlopige stellingname van de eerste ondergetekende in de
adviesaanvrage hebben enkele gedachten
een centrale rol gespeeld. In de eerste
plaats zou de nieuwe verzekering moeten
voorzien in de duidelijke manco's die
met betrekking tot de geneeskundige
verzorging in het stelsel van sociale
zekerheid bestaan. In de tweede plaats
leek het wenselijk een zodanig stelsel
te ontwikkelen dat men niet ter zake
van eenzelfde aandoening onder twee
regelingen zou vallen. Daarmede werd in
zekere zin een keuze gedaan voor een
"verticale"
oplossing. In de derde plaats werd ervan
uitgegaan dat krachtens de wet de
aandoeningen zouden worden aangewezen
voor de behandeling en verpleging
waarvan de verzekering dekking zou
moeten bieden. Daardoor zou tevens een
zekere geleidelijkheid bij de invoering
mogelijk zijn. In de vierde plaats wilde
de adviesaanvrage buiten twijfel stellen dat ook poliklinisch een
adequate oplossing gewaarborgd zou zijn.
Ten slotte werd ook de revalidatie
centraal gesteld.
Wanneer de
ondergetekenden nu de aanbevelingen
bezien welke in de verschillende
adviezen zijn gedaan, dan blijkt daaruit dat een zekere voorkeur voor
een "verticale" onderscheiding
tussen ziekenfondsverzekering enerzijds
en volksverzekering voor zware
geneeskundige risico's anderzijds wordt
uitgesproken.
Bij de praktische
realiseerbaarheid worden echter reserves
gemaakt, waardoor in feite de "verticale"
scheiding met een zekere "horizontale"
scheiding wordt gecorrigeerd. Zo gaan
zowel de Centrale Raad voor de
Volksgezondheid als de Ziekenfondsraad
ervan uit dat zolang het niet mogelijk
is in psychiatrische inrichtingen te
onderscheiden tussen afdelingen met
ziekenhuiskarakter en
verpleegtehuiskarakter, de verpleging
voor die inrichtingen gedurende het
eerste jaar ten laste van de
ziekenfondsverzekering en na dat jaar
ten laste van de volksverzekering voor
zware risico's moet komen. In het advies
van de Sociaal-Economische Raad, waarin
verpleging en behandeling van
psychiatrische patiënten na afloop van
het eerste jaar in ziekenhuizen ten
laste van de volksverzekering voor zware
geneeskundige risico's worden gebracht,
wordt de kanttekening gemaakt dat als
deze rblz.|13
r.k.|
afwijkende regeling bij de
klinische behandeling van lichamelijk en
geesteszieken in erkende ziekenhuizen
uit medisch oogpunt bezwaren zou
ontmoeten, de voorziening van zware
risico's zich zou moeten uitstrekken tot
langdurige opneming van zowel
lichamelijk als geesteszieken na afloop
van het eerste jaar. In alle adviezen
bestaat een grote mate van
overeenstemming over een zo volledig
mogelijke dekking van de kosten van
intramurale verzorging in
verpleegtehuizen en andere inrichtingen
voor geestelijk en lichamelijk
gehandicapten en over het ten laste van
de ziekenfondsverzekering brengen van
onbeperkte dekking van verpleging in
ziekenhuizen. Algemeen werd de
poliklinische hulp afgewezen, omdat men
de ontwikkeling daarvan binnen de ziekenfondsverzekering wenselijk acht.
Na
ampele overweging zijn de
ondergetekenden tot het oordeel gekomen
dat de adviezen der verschillende
adviescolleges met betrekking tot een zo
volledig mogelijke dekking intramuraal
in verpleegtehuizen en in inrichtingen
voor geestelijk en lichamelijk
gehandicapten waren op te volgen. Bij de
invoering der volksverzekering kan ter
zake zo nodig enige geleidelijkheid
worden toegepast. Met betrekking tot de
onbeperkte dekking van verpleging in
ziekenhuizen door de
ziekenfondsverzekering staan de
ondergetekenden op het standpunt dat
ter zake geen onderscheid dient te
worden gemaakt tussen lichamelijk en
geestelijk zieken. Zij achten het
wenselijk dat in het
volksgezondheidsbeleid niet tussen deze
beide categorieën zieken wordt
gediscrimineerd.
Nu de
Sociaal-Economische Raad, naar het
oordeel van de ondergetekenden,
gemotiveerde bezwaren naar voren heeft
gebracht om de verpleging en behandeling
van psychiatrische patiënten in
ziekenhuizen, na afloop van het eerste
jaar, ten laste van de verplichte
ziekenfondsverzekering te brengen, zijn
de ondergetekenden tot het oordeel
gekomen dat de volksverzekering, naast
de volledige intramurale voorziening met
betrekking tot verpleegtehuizen en
inrichtingen voor geestelijk en
lichamelijk gehandicapten, tot object
dient te hebben de behandeling en
verpleging in ziekenhuizen van zowel
lichamelijk als geestelijk zieken na
afloop van het eerste jaar.
rblz.|14
l.k.|
Zoals
uit het vorenstaande is gebleken, zijn
de verschillende adviescolleges van
oordeel dat de volksverzekering zware
geneeskundige risico's tot object dient
te hebben de behandeling, verpleging en
verzorging in de bovenomschreven
inrichtingen voor gezondheidszorg.
Zoals uit de adviesaanvrage welke de
eerste ondergetekende op 24 augustus
1962 tot de Sociaal-Economische Raad
heeft gericht en uit de beschouwingen
welke hij eerder in dit hoofdstuk naar
aanleiding daarvan heeft gegeven,
blijkt, heeft hij naast de intramurale
zorg evenzeer de extramurale zorg op het
oog gehad. Eerder in dit hoofdstuk werd
ervan gewaagd dat een integrale
voorziening het oogmerk van de nieuwe
regeling behoort te zijn. De
ondergetekenden mogen voorts releveren
dat op de studiedag welke de
Nederlandse Centrale Vereniging voor
Gebrekkigenzorg op 29 november 1963
over de onderhavige problematiek heeft
gehouden - verwezen moge worden naar het in hoofdstuk 1
genoemde adres van
deze vereniging, met name voor wat
betreft punt 5 - er sterk de nadruk op
is gelegd dat naast de mogelijkheid van
het creëren van goede intramurale
voorzieningen ook extramurale
voorzieningen als object van de
volksverzekering zouden moeten kunnen
gelden. Vanwege het Staatstoezicht op
de Volksgezondheid is nadien bij de
beide eerste ondergetekenden ook sterk
aangedrongen op het creëren van
mogelijkheden, in het kader van de
onderhavige regeling, van extramurale
voorzieningen. Herhaald moge worden
dat deze visie aansluit bij de
aanvankelijke opvatting van de eerste
ondergetekende.
De
ondergetekenden zouden het standpunt te
dezen thans nader als volgt willen
bepalen. In de onderhavige memorie werd
op enige plaatsen reeds tot uitdrukking
gebracht - een visie welke ook bij de
verschillende adviescolleges aanwezig is
- dat de volksverzekering voor zware
geneeskundige risico's slechts
geleidelijk tot ontwikkeling zal dienen
te komen. Hiervan uitgaande menen de
ondergetekenden dat de nieuwe
verzekering zich allereerst zou moeten
richten op de eerder in dit hoofdstuk
aangegeven voorzieningen liggende in de
intramurale sfeer. Afgezien van het feit dat dusdoende wordt aangesloten
bij de opvatting van de verschillende
adviescolleges, waaraan de
ondergetekenden grote waarde hechten,
zal de voorziening zich dan richten op
een terrein waarvan de ontwikkeling,
zoals elders in deze memorie werd
aangegeven, sterk is achtergebleven en
waarop het treffen van voorzieningen
zeer urgent moet worden geacht. In een
latere fase zal nader kunnen worden
bezien in hoeverre een uitbreiding tot
voorzieningen van extramurale aard
aangewezen moet worden geacht. Zoals
nader zal blijken, hebben de
ondergetekenden aan de desbetreffende
wetsbepaling een zo ruime redactie
gegeven dat een ontwikkeling zoals
vermeld zich in de komende jaren zal
kunnen voltrekken.
De
ondergetekenden zijn van oordeel dat
met betrekking tot enige punten nog
aanvullende opmerkingen op hun plaats
zijn. Voor wat betreft de poliklinische
hulp namen zij er nota van dat de
verschillende adviescolleges deze hulp
niet tot object willen maken van de
onderhavige voorziening. De
ondergetekenden nemen ten opzichte
hiervan het standpunt in dat zij deze
aangelegenheid zouden willen bezien in
het licht van hun boven weergegeven
opvatting inzake het zich primair
richten op de intramurale zorg. In dit
verband willen zij niet nalaten op te
merken dat zij nota namen van de
beschouwing welke de
Sociaal-Economische Raad nog in zijn
advies heeft gegeven omtrent naar het
oordeel van de Raad bestaande manco's in
de poliklinische voorzieningen ten
behoeve van psychiatrische patiënten.
De ondergetekenden zullen bevorderen
dat zoveel als mogelijk in het kader van
de ziekenfondsverzekering in deze
manco's wordt voorzien.
Een
volgend punt betreft de revalidatie.
Gelijk bekend, nemen de ondergetekenden
het standpunt in dat deze in verband
met de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering een
centrale plaats zal moeten krijgen en
dat daartoe, voor zover het de daarvoor
in aanmerking komende aspecten betreft,
alle mogelijkheden in het kader van de
ziekenfondsverzekering moeten worden
geboden. In dit verband is de vraag
gerezen rblz.|14
r.k.|
of
de daarvoor in aanmerking komende
elementen van de revalidatie object
dienen te zijn van de volksverzekering
zware geneeskundige risico's. De
ondergetekenden menen deze vraag
bevestigend te moeten beantwoorden, doch
zouden deze verstrekking een
complementair karakter willen geven in
die zin dat zij slechts verstrekt zal
worden indien en voor zover zij niet
krachtens de ziekenfondsverzekering
verleend wordt. Ten aanzien van de
daarvoor in aanmerking komende kunst- en
hulpmiddelen zouden zij de
volksverzekering zware geneeskundige
risico's eenzelfde aanvullend karakter
willen geven.
De
ondergetekenden menen dat indien
overeenkomstig het vorenstaande de
objecten van de volksverzekering zware
geneeskundige risico's zullen worden
vastgesteld, een adequate voorziening
voor die risico's zal worden verkregen.
Wanneer vervolgens in aanmerking wordt
genomen dat enerzijds door middel van
een wijziging van de Ziekenfondswet
de
naar hun gevoelen noodzakelijke
aanpassing van de regeling voor de
ziekenfondsverzekerden zal worden
bereikt en dat anderzijds door een
uitbreiding van de polisvoorwaarden van
de ziektekostenverzekeraars - in het
algemeen risicoselectie daarbij
achterwege blijvende - aan de
niet-ziekenfondsverzekerden voor de
betreffende risico's een afdoende
dekkingsmogelijkheid zal worden geboden
en mede in aanmerking nemende de
ontwikkeling van de publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen voor ambtenaren,
menen zij dat in de totaliteit bezien
voor het gehele Nederlandse volk een
afdoende dekking van zware en niet zware geneeskundige risico's zal zijn
verkregen.
4. De inhoud van de wettelijke regeling
4.1.
Het systeem van het wetsontwerp
Het
wetsontwerp is qua systematiek geënt
enerzijds op de bestaande volksverzekeringswetten en anderzijds op
de Ziekenfondswet. De kring der
verzekerden is dan ook gelijk aan die
van de andere volksverzekeringen.
Daarbij wordt geen enkele leeftijdsgrens
noch naar beneden, noch naar boven
gesteld. Zware geneeskundige risico's,
het object der verzekering, kunnen
namelijk iedereen, ongeacht de leeftijd,
treffen.
Zoals
bij de overige volksverzekeringswetten,
wordt voorgesteld de heffing en
invordering van de verschuldigde premies door de
Rijksbelastingdienst te
doen geschieden. Evenals bij de overige
volksverzekeringswetten wordt geen
premie geheven van personen jonger dan
15 jaar en van personen van 65 jaar of
ouder. Dit laatste wordt in de
artikelsgewijze toelichting toegelicht.
Ook verder is met betrekking tot de
premieheffing het systeem van de
volksverzekeringswetten gevolgd, bijvoorbeeld
voor wat betreft de niet-invordering en
gedeeltelijke invordering van premies
bij bepaalde groepen verzekerden. De
ondergetekenden achten het niet nodig
hierop nader in te gaan. In de
uitvoering van de verzekering wordt
overigens voorzien door de
ziekenfondsen, de ingevolge de wet
toegelaten ziektekostenverzekeraars, de
uitvoerende organen van de
publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen voor ambtenaren
en de Ziekenfondsraad.
Voor
de verstrekkingen is de systematiek
gekozen die de Ziekenfondswet ter zake
kent: de verzekerden kunnen aanspraak
op verstrekkingen doen gelden waarvan
in de wet een algemene omschrijving
wordt gegeven en waarvan bij algemene
maatregel van bestuur aard, inhoud en
omvang nader worden bepaald. Evenals in
de Ziekenfondswet is bepaald dat als
voorwaarde voor het verkrijgen van een
verstrekking kan worden gesteld dat de
verzekerde in de kosten ervan bijdraagt.
De ondergetekenden zouden nog op
tweeërlei aspect de aandacht willen
vestigen. Allereerst is, zoals elders in
deze memorie wordt toegelicht, het risico van ziekenhuisverpleging en
-behandeling onder de werking van deze wet
gebracht wanneer een verzekerde
langer dan één jaar voor verpleging en
behandeling in een ziekenhuis is
opgenomen, voor zover het de
verstrekking na dat jaar betreft. Het
andere aspect betreft de duidelijk in de
wet tot uiting gebrachte rblz.|15
l.k.|
bedoeling
om de revalidatie een centrale plaats te
geven in het verstrekkingenpakket van
deze verzekering, doordat is bepaald
dat voorzieningen strekkende tot
herstel, behoud of verhoging van de
arbeidsgeschiktheid of dienende tot
verbetering van de levensomstandigheden,
in beginsel, mede onder de werking van
de verzekering worden gebracht.
Voor
de uitvoering van de verzekering is een
systeem gekozen waarbij degenen die
hetzij verzekerd zijn ingevolge de
Ziekenfondswet en bij een ziekenfonds
ingeschreven, hetzij verzekerd zijn bij
een ingevolge de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's toegelaten
ziektekostenverzekeraar, voor de
uitvoering van de Algemene Wet Zware
Geneeskundige Risico's als ingeschreven
worden beschouwd bij het desbetreffende
ziekenfonds, onderscheidenlijk de
desbetreffende ziektekostenverzekeraar.
Die inschrijving dient dan in beginsel
mede te gelden voor degenen die in de
Ziekenfondswet als medeverzekerden
worden aangemerkt, waardoor is
aangesloten bij het criterium ter zake
van de Ziekenfondswet. Voor de deelnemer
aan een publiekrechtelijke
ziektekostenregeling voor ambtenaren zal
het desbetreffende uitvoerende orgaan
van die regeling ook optreden als
uitvoerder van de in deze wet geregelde
verzekering. Degene die niet op de
vorenomschreven wijze verzekerd is, kan
zich hetzij bij een ziekenfonds, hetzij
bij een toegelaten
ziektekostenverzekeraar aanmelden. Het
wil de ondergetekenden voorkomen dat
hiermede zo dicht mogelijk wordt
aangesloten bij de werkelijke situatie
in het maatschappelijk leven.
Het
wetsontwerp kent, evenals de
Ziekenfondswet, voor de verzekerde de
vrije keuze van de persoon of instelling met wie of welke het
ziekenfonds of de
ziektekostenverzekeraar waarbij de
verzekerde is ingeschreven, tot dat doel
een overeenkomst heeft gesloten. In dit
opzicht is het systeem van de Algemene
Wet Zware Geneeskundige Risico's geheel
gelijk aan het systeem van de
Ziekenfondswet. Ook overigens sluit de
regeling van de verstrekkingen aan bij
het systeem van de Ziekenfondswet.
Zoals
reeds opgemerkt, worden de middelen tot
dekking van de uitgaven welke uit de
uitvoering van de verzekering
voortvloeien, gevonden door het heffen
van premie van de verzekerden. Over de
financiering zal in hoofdstuk
6 nader
worden gesproken. De geheven premies
worden op gelijke wijze als in de andere
volksverzekeringswetten met betrekking
tot daarbij ingestelde fondsen is
geregeld, gestort in een door de
Ziekenfondsraad te beheren Algemeen
Fonds Zware Geneeskundige Risico's, ten
laste waarvan de aanspraken ingevolge
de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's komen.
In
het wetsontwerp is, zoals in de overige
volksverzekeringswetten, een regeling
opgenomen ter zake van de vrijstelling
wegens gemoedsbezwaren. In de huidige
Ziekenfondswet komt een dergelijke
regeling niet voor, omdat deze
aangelegenheid in de Coördinatiewet
Sociale Verzekering is geregeld.
Zoals
gezegd, wordt in de uitvoering van de
onderhavige verzekering voorzien door de
ziekenfondsen, de
ziektekostenverzekeraars, de
uitvoerende organen van de
publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen voor ambtenaren
en de Ziekenfondsraad.
De
toelating van een ziekenfonds voor de
uitvoering van de Algemene Wet Zware
Geneeskundige Risico's is in het
wetsontwerp niet geregeld. Er is van
uitgegaan dat de ziekenfondsen die
toegelaten zijn voor de uitvoering van
de Ziekenfondswet ook optreden voor de
uitvoering van deze wet. Voor wat
betreft de ziektekostenverzekeraars
wordt in het wetsontwerp een procedure
van toelating tot de uitvoering van de
verzekering voorgesteld naar analogie
van de in de Ziekenfondswet getroffen
regeling voor de toelating van de
ziekenfondsen. Uiteraard zijn hierbij
de wijzigingen in aanmerking genomen
welke de aard van het onderwerp vordert.
Zo zijn met betrekking tot de uitvoering
van de verzekering door de
ziektekostenverzekeraars geen bepalingen
opgenomen aangaande de werkgebieden,
omdat ziektekostenverzekeraars in het
algemeen landelijk plegen te werken.
Voor het overige rblz.|15
r.k.|
worden
in beginsel aan de
ziektekostenverzekeraars overeenkomstige eisen gesteld als de
Ziekenfondswet aan de ziekenfondsen
stelt. Dit geldt met name ook voor het
hebben van eigen instellingen, het
deelnemen in bedrijven, het leveren van
kunst- en hulpmiddelen, enz.
Gezien
het speciale karakter van de
publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen voor ambtenaren
zijn hiervoor speciale bepalingen in het
leven geroepen waarbij rekening is
gehouden met het publiekrechtelijk
karakter van deze regelingen.
Voor
ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars
en de uitvoerende organen van de
ambtelijke ziektekostenregelingen gelden
overeenkomstige bepalingen als in de
Ziekenfondswet voor wat betreft het
aangaan van overeenkomsten met personen
en instellingen die aan het verlenen
van de verstrekkingen zullen
medewerken. Elders in deze memorie is
hierop uitvoeriger ingegaan.
Ook
voor wat betreft de goedkeuring van de
overeenkomsten is dezelfde procedure
voorgesteld als in de Ziekenfondswet is
vervat.
In
het wetsontwerp is bepaald dat de
Ziekenfondsraad, bedoeld in het vijfde
hoofdstuk van de Ziekenfondswet,
optreedt als centrale coördinerende
instantie bij de uitvoering van de
verzekering. De Raad is voorts belast
met het aan de Regering uitbrengen van
adviezen betreffende de in het
wetsontwerp geregelde verzekering en
met het toezicht op het beheer en de
administratie van de ziekenfondsen. Ook
houdt de Raad toezicht voor zover het de
uitvoering van deze wet betreft op de
ziektekostenverzekeraars en de
uitvoerende organen van de ambtelijke
ziektekostenregelingen. In het
wetsontwerp is de constructie gekozen
dat de Ziekenfondsraad, geregeld in de
Ziekenfondswet, ook optreedt in het
kader van de onderhavige wet, zij het
dat de Raad, uiteraard uitsluitend voor
het vervullen van zijn uit het
onderhavige wetsontwerp voortvloeiende
taken, enige uitbreiding ondergaat. Het
kwam de ondergetekenden namelijk
redelijk voor naast de representatieve
organisaties van ziekenfondsen, die
reeds in het kader van de Ziekenfondswet
in de Ziekenfondsraad zijn
vertegenwoordigd, ook de organisaties
van ziektekostenverzekeraars op te
nemen, alsmede een vertegenwoordiging
van de uitvoerende organen van de
ambtelijke ziektekostenregelingen.
Voorts hebben de ondergetekenden de
mogelijkheid geopend om de groep van
personen en instellingen welke
verstrekkingen verlenen enige
uitbreiding te doen ondergaan met
vertegenwoordigers van daarvoor in
aanmerking komende organisaties die
personen en instellingen
vertegenwoordigen welke meer in het
bijzonder bij het verlenen van de
krachtens deze wet te verlenen
verstrekkingen zijn betrokken.
De in
het wetsontwerp opgenomen bepalingen ten
aanzien van het Algemeen Fonds Zware
Geneeskundige Risico's komen in
belangrijke mate overeen met de
desbetreffende bepalingen uit de
Ziekenfondswet betrekking hebbende op
de Algemene Kas. Uit het Algemeen Fonds
Zware Geneeskundige Risico's zal, aldus
wordt in het wetsontwerp voorgesteld,
jaarlijks een bedrag van ƒ10
mln in het Praeventiefonds worden
gestort.
Voor
het overige sluit het wetsontwerp nauw
aan bij de Ziekenfondswet, bijvoorbeeld
ook voor wat betreft de regeling van het
beroep en van het regres.
4.2.
Raakvlakken met andere beleidssectoren
De
werkingssfeer van het onderhavige
wetsontwerp heeft raakvlakken met
beleidssectoren ressorterende onder
andere departementen.
Bij
de wijze van uitvoering is het
Ministerie van Binnenlandse Zaken
betrokken in verband met de
publiekrechtelijke ziektekostenregeling
voor ambtenaren. Zoals reeds in de
vorige paragraaf werd genoemd, zullen de
uitvoerende organen van die regelingen
voor de deelnemers daaraan ook optreden
als uitvoerders van de in
deze wet
geregelde verzekering. Ook overigens is, voor zover daartoe aanleiding was,
in hoofdstuk VI van
de wet rekening
gehouden met de bijzondere positie van
de overheidsziektekostenregelingen.
Hierbij rblz.|16
l.k.|
kan
nog worden aangetekend dat de
verschillende instanties welke in
verband niet de raakvlakken met
ambtelijke rechtspositieregelingen door
de Minister van Binnenlandse Zaken
worden gehoord, in de gelegenheid zijn
gesteld van hun visie te doen blijken.
Door
de aard van de in het wetsontwerp
geregelde materie van langdurige
behandeling en verpleging van
lichamelijk en geestelijk zieken is
voorts het Ministerie van Justitie bij
de wet betrokken ten aanzien van de
positie van de onder dat departement
ressorterende inrichtingen. Aan de
zorgen van het genoemde ministerie zijn
personen toevertrouwd -
volwassenen
en kinderen - voor wie de rechter
wegens ernstige verstoring van hun
gezondheidstoestand (meestal van de
geestelijke gezondheid) een medische
behandeling, verpleging en verzorging
noodzakelijk acht. Zo bijvoorbeeld de
delinquenten die ter beschikking van
de Regering worden gesteld teneinde een
psychotherapeutische behandeling te
ondergaan, psychisch gestoorde kinderen
die deswege aan de ouderlijke macht
worden onttrokken en dergelijke. Voor
zover de te geven medische behandeling,
verpleging en verzorging vallen onder
het verstrekkingenpakket van de
voorgestelde volksverzekering, zullen
deze behandeling, verpleging en
verzorging in beginsel voor rekening van
de verzekering komen. Echter dient de
verantwoordelijkheid te dezen van de
Minister van Justitie, ten aanzien van
de wijze van immers onder zijn
verantwoordelijkheid te geven
deskundige verzorging, in aanmerking te
worden genomen. Dit is in artikel 6
[6] tot
uitdrukking gebracht.
In
het wetsontwerp zijn voorts bijzondere
bepalingen opgenomen met betrekking tot
de erkenning van de inrichtingen voor
Justitiepatiënten (in artikel
7 [8]) en de
controle op het verlenen van
verstrekkingen aan die patiënten (in
artikel 15 [16]). Het wetsontwerp opent de
mogelijkheid voor een rechtstreekse
afrekening van de vergoedingen welke
uit het Algemeen Fonds Geneeskundige
Risico's zullen worden verleend ten
behoeve van de behandeling van de
Justitiepatiënten. Verder is geregeld
dat de aanspraken van de hier bedoelde
verzekerden niet tot gelding zullen
worden gebracht door middel van
ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars
of uitvoerende organen en dat aan het
verlenen van de desbetreffende
verstrekkingen geen overeenkomsten ten
grondslag kunnen liggen.
Van
andere aard zijn de raakvlakken met het
Ministerie van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk. Met betrekking
tot dit ministerie kan erop worden
gewezen dat verschillende
werkzaamheden behorende tot de
bemoeiingssfeer van het genoemde
ministerie - werkzaamheden welke het
subsidieert of waarvoor het uit anderen
hoofde met de zorg is belast - in
beginsel gerekend zouden kunnen worden
tot de omschrijving van het gebied der
verstrekkingen als aangegeven in het
eerste lid van artikel
6 [6]. Teneinde in de
wet tot uitdrukking te doen komen dat
de bemoeiingen vanwege het Ministerie
van Sociale Zaken en Volksgezondheid met
de uitvoering van de onderhavige wet
mede zijn en worden afgestemd op het
beleid van het Ministerie van Cultuur,
Recreatie en Maatschappelijk Werk, zijn
in het derde lid van artikel 6
[6] vormen
van verzorging en maatschappelijke
dienstverlening genoemd welke in
beginsel niet worden gerekend tot de in
het eerste lid van het genoemde artikel
bedoelde verzorging. Hiertoe behoren de
volgende voorzieningen:
a.
de verzorging in bejaardenoorden als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
bejaardenoorden;
b.
de verzorging in dienstencentra voor
bejaarden;
c.
de gezinsverzorging en gezinshulp voor
bejaarden, chronisch zieken en mindervaliden;
d.
de verzorging in dagverblijven voor
gehandicapten:
e.
de verzorging in pensiontehuizen voor
gehandicapten;
f. de verzorging in
vakantiecentra voor gehandicapten;
g.
het maatschappelijk werk voor
gehandicapten in en buiten
inrichtingen.
De wet opent overigens de mogelijkheid om
op gemeenschappelijke voordracht van de
Ministers van Sociale Zaken en
Volksgezondheid
rblz.|16
r.k.|
en van Cultuur,
Recreatie en Maatschappelijk Werk één
of meer van de genoemde voorzieningen
als verstrekking der wet aan te wijzen.
5.
Sociaal-medische aspecten
5.1. De betekenis van de
volksverzekering zware geneeskundige risico's voor de volksgezondheid in
het algemeen.
Zoals in de adviesaanvrage aan de
Sociaal-Economische Raad van 24 augustus 1962 en in deze memorie is
uiteengezet, wordt met de onderhavige voorziening beoogd een zodanige
regeling te treffen voor de zorg in de meest ruime zin, geneeskundig,
verpleegkundig en maatschappelijk, aan chronisch zieken, langdurig
invaliden en gehandicapten dat iedere Nederlander die een dergelijk zwaar
lot treft recht kan doen gelden op een optimale sociaal-geneeskundige
voorziening, optimaal in relatie tot de stand van wetenschap en techniek.
Dat deze sociaal-geneeskundige
voorziening een recht wordt voor iedere Nederlander, zal in meer dan één
opzicht voor de bevordering van de volksgezondheid van de grootste betekenis
kunnen zijn. Enkele factoren die de ondergetekenden in dezen als belangrijk
zien, mogen hier aan een korte beschouwing worden onderworpen.
1º. Voorop dient te staan dat alle maatregelen die in het kader van de ontworpen wettelijke regeling getroffen
kunnen worden, of zij van geneeskundige, sociaal-geneeskundige,
maatschappelijke of verpleegkundige aard zijn, gericht moeten zijn op de
langdurig zieke, invalide of gehandicapte wiens gezondheidstoestand ernstig
gestoord is. Verwacht mag worden dat de getroffen voorzieningen
verbetering in deze toestand teweeg zullen brengen, anatomisch of
functioneel, dan wel door maatschappelijke aanpassing, terwijl ook het
verzachten van een bestaand lijden een niet te verwaarlozen component in
het te bereiken doel betekent. Maatregelen in het belang van de gezondheid
van de enkeling zijn tegelijkertijd voorzieningen ter verhoging van het peil
van de volksgezondheid.
2º. Reeds werd onder het vorige punt
gewezen op de betekenis van de maatschappelijke aanpassing ook, en in het
bijzonder, voor hen die door een chronisch lijden en langdurige
invaliditeit zonder adequate voorzieningen dreigen vergetenen in onze
samenleving te worden. De ondergetekenden staat hierbij voor ogen de
revalidatie, waaraan zij een centrale plaats in deze voorzieningen willen
toekennen en waarop zij nog nader in dit hoofdstuk zullen terugkomen. Gaan
zij uit van de begripsbepaling zoals de Raad voor Revalidatie die heeft
gegeven, namelijk dat de revalidatie het complex van maatregelen is door
middel waarvan gepoogd wordt de fysieke, psychische, sociale, beroeps- of
economische capaciteiten tot de hoogst individueel bereikbare graad te
behouden of tot stand te brengen, dan zijn de ondergetekenden zich ervan
bewust dat in het kader van de onderhavige regeling in vele gevallen deze
revalidatie slechts van bescheiden omvang zal zijn. Doch ook een geringe
beperking van de hulpbehoevendheid kan een zegen zijn voor de betrokken
patiënt en kan van positieve invloed zijn op de lichamelijke en geestelijke
toestand.
3º. De voorgestelde voorzieningen zullen
op de patiënten gericht zijn, doch de ondergetekenden willen er de aandacht
op vestigen - elders in deze memorie werd aan dit aspect reeds aandacht
geschonken - hoe gunstig de weerslag ook kan zijn op de omgeving van de
zieken en invaliden. Het is maar al te zeer bekend hoe moeilijk, ja vaak
onmogelijk het is een chronisch zieke of zwaar lichamelijk of geestelijk
gehandicapte thuis een voldoende verpleging en verzorging te geven. De druk die deze patiënten in een gezin, vooral bij onvoldoende huisvesting,
kunnen veroorzaken, betekent voor het gezin niet zelden een bijkans niet te
dragen last. Deze omstandigheid kan dan weer de verpleging en verzorging
nadelig beïnvloeden. Indien deze patiënten een goede behandeling, rblz.|17
l.k.|
verpleging en verzorging in een
daarvoor bestemde inrichting kunnen krijgen, kan dit tevens aanleiding geven
tot een herstel van het verstoorde evenwicht in het gezin. De
psychohygiënische betekenis voor gezin en familie van een opneming van
deze patiënten mag niet worden onderschat.
4º. Het feit dat een bepaalde
intramurale behandeling, verpleging of verzorging als verstrekking vanwege
de sociale zekerheid wordt verleend, heeft in het verleden reeds een
bevorderende invloed gehad op de ontwikkeling van de inrichtingen. Terecht
heeft ook de Centrale Raad voor de Volksgezondheid op dit belangrijke
aspect gewezen. Het duidelijkst is dit gebleken toen de opneming in een
verpleeginrichting als een partiële verstrekking in het ziekenfondsenpakket
werd opgenomen. Hierdoor kregen deze inrichtingen een grotere mate van
zekerheid in hun exploitatie. Verwacht mag worden dat door de invoering van
de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's
hetzelfde verschijnsel zich
zal voordoen ten aanzien van de inrichtingen voor verpleging van langdurig
zieken en ernstig gehandicapten, vooral ook van geestelijk gehandicapten.
Het zou er onder meer toe kunnen leiden dat nieuwbouw van deze inrichtingen
bevorderd wordt, hetgeen, gezien het tekort aan deze verpleegmogelijkheden,
van grote betekenis moet worden geacht voor de volksgezondheid.
5º. Hoe meer in het kader van
de socialezekerheidswetgeving de revalidatie zich ontwikkelt, des te meer
kans bestaat er dat ook in de geneeskundige wereld meer aandacht wordt
geschonken aan en belangstelling wordt gewekt voor het ingewikkelde,
gevarieerde en multidisciplinaire terrein waarover de revalidatie zich
uitstrekt. Dat op dit stuk nog veel verbeterd kan worden, is niet onbekend.
Dat er dan ook voor het medisch onderwijs een taak ligt om aan de
revalidatie grotere aandacht te schenken, is duidelijk. De ondergetekenden
spreken de hoop uit dat de ontwikkeling van de revalidatie die zij
nastreven in het kader van de sociale zekerheid - ook de invoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zal haar invloed hierop doen
gelden - niet na zal laten de belangstelling voor de revalidatie in de
geneeskundige wereld te vergroten.
De ondergetekenden zijn zich
ervan bewust in het voorgaande geen uitputtende samenvatting te hebben
gegeven van de wijzen waarop naar hun mening de voorgestelde regeling van
wettelijke voorzieningen de volksgezondheid bevordert. Zij menen echter
duidelijk te hebben gesteld dat deze uitbouw van de sociale zekerheid een
krachtige bijdrage zal zijn voor de ontwikkeling van de volksgezondheid.
5.2. De consequenties van de
voorgestelde volksverzekering voor volksgezondheidsvoorzieningen
In de vorige paragraaf hebben de
ondergetekenden een indruk gegeven van de wijzen waarop de voorgestelde
volksverzekering bevorderend op de volksgezondheid in het algemeen kan
werken. Er is echter veel meer. Met name menen de ondergetekenden dat de
bevordering van intramurale behandeling, verpleging en verzorging door het
scheppen van bij wet geregelde aanspraken voor categorieën van zieken,
invaliden en gehandicapten die tot nu toe geen recht konden doen gelden,
impliceert dat in de ontwikkeling van deze institutionele gezondheidszorg
een beleid gevoerd wordt dat gericht is op de bestaande behoeften. Zo
wordt, om slechts één voorbeeld te geven van deze problematiek, geschat
dat er in Nederland tussen de 18 000 en 20 000 geestesgestoorde bejaarden zijn,
terwijl het aantal bedden ter verpleging van deze patiënten momenteel 2500
bedraagt.
Bij de bestudering van het
behoefte-element denken de ondergetekenden zowel aan de voorziening met
gebouwen en doelmatige inrichting als aan personeelsvoorziening, in het
bijzonder aan medisch, paramedisch, verpleegkundig en verzorgend
personeel. Reeds zijn onderzoekingen gaande. De ondergetekenden mogen
wijzen onder andere op het onderzoek betreffende chronisch zieken dat door het
Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde verricht wordt en op het
onderzoek dat onder leiding van prof. dr. J. Godefroy naar de omvang van
de zwakzinnigheid en de daaruit voortvloeiende rblz.|17
r.k.|
behoeften in Nederland wordt
ingesteld. Door de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid werd
een onderzoek naar het vóórkomen van aangeboren afwijkingen ingesteld,
terwijl de Gezondheidsraad en de Centrale Raad voor de Volksgezondheid een
verplichte aangifte bestuderen van aangeboren afwijkingen vastgesteld in
aansluiting aan de geboorte, te vermelden in een medische
geboorteverklaring naar analogie van de overlijdensverklaring.
Wellicht nog gecompliceerder
liggen de problemen in het vlak van de personele voorzieningen. Reeds is in
het recente verleden gebleken hoe moeilijk het is een prognose te maken van
het aantal geneeskundigen dat in de naaste toekomst voor ons land nodig zal
zijn. Het begrip "behoefte" is van arbitraire aard en wordt mede
bepaald door ontwikkelingen welke zich op dit ogenblik voor een deel aan
onze waarneming onttrekken. De ondergetekenden ontveinzen zich niet dat
met name ook de voorziening met verpleegkundig, hulpverpleegkundig en
verzorgend personeel moeilijkheden zal opleveren waarvan de betekenis niet
onderschat moet worden.
Het ligt voorts voor de hand
dat bij een raming van behoeften voor wat betreft inrichtingen voor
gezondheidszorg in de uitgebreide zin des woords, vragen rijzen over een ordening, al of niet in een wettelijk kader.
De ondergetekenden volstaan
ermede deze aspecten te vermelden. De Volksgezondheidsnota geeft de eerste
beide ondergetekenden gelegenheid op deze problematiek nader in te gaan.
5.3. De betekenis van de
voorgestelde volksverzekering als complement van de ziekenfondsverzekering
De ondergetekenden hebben reeds
in hoofdstuk 3 aangegeven hoe zij, mede in overweging genomen de door de
Centrale Raad voor de Volksgezondheid, de Ziekenfondsraad en de Sociaal-Economische Raad
uitgebrachte adviezen, tot een partieel verticale
en partieel horizontale terreinafbakening ten aanzien van de werking der
beide verzekeringen zijn gekomen. In het hierna volgende wordt nog ingegaan
op enige sociaal-geneeskundige aspecten welke verband houden met de
onderhavige voorziening in aansluiting op de ziekenfondsverzekering.
De opneming in de ziekenhuizen,
zowel als in de psychiatrische inrichtingen, zal, evenals op dit ogenblik,
gedurende één jaar voor rekening van de ziekenfondsverzekering blijven,
terwijl bij overschrijding van de opnemingsduur van één jaar de aanspraken
krachtens de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's een aanvang nemen.
Voor wat de algemene ziekenhuizen betreft, wijst de ervaring uit dat
slechts weinige ziektegevallen een opnemingsduur van langer dan één jaar
vragen. De opnemingsduur in de psychiatrische inrichtingen overschrijdt
echter in een groter aantal gevallen de tijdsduur van één jaar, ondanks de
duidelijk aanwijsbare ontwikkeling tot verkorting van deze duur onder
invloed van de moderne behandelingswijzen.
In het komende stelsel is er
geen aanleiding nog langer een uitzondering te maken voor de opneming in
sanatoria. Deze inrichtingen immers zijn niet anders dan categorale
ziekenhuizen bestemd voor de behandeling en verpleging van
tuberculosepatiënten. De huidige verstrekking in het kader van het
ziekenfondspakket welke een onbeperkte opnemingsduur voor driekwart van de
kosten dekt, zal vervangen worden door één jaar opneming krachtens de
ziekenfondsverzekering en nadien krachtens de Algemene Wet Zware
Geneeskundige Risico's.
De verstrekking van opneming,
behandeling en verpleging in verpleeginrichtingen, thans voor een beperkte
duur en tegen een belangrijke bijbetaling van de zijde van de verzekerden
verleend krachtens de Ziekenfondswet, zal, bij invoering van deze
volksverzekering, als ziekenfondsverstrekking vervallen en krachtens de
volksverzekering van de dag van opneming af integraal worden verleend. Ook
hierbij zal aan het revalidatie- en reactiveringsaspect bijzondere aandacht
worden gewijd.
De revalidatie zal in de
ziekenhuizen in de meeste gevallen volledig krachtens de Ziekenfondswet
verstrekt kunnen rblz.|18
l.k.|
worden, te meer omdat de opvatting bestaat dat deze behandeling zo spoedig mogelijk in de polikliniek of in
de woning van de patiënt kan worden voortgezet.
Een speciale vorm van revalidatie is die
welke in het bijzonder gericht is op bejaarden en plaatsheeft in
geriatrische afdelingen van algemene ziekenhuizen. Tot nu toe hebben slechts
enkele ziekenhuizen in Nederland een geriatrische afdeling. Ook in deze
afdelingen bestaat sterk de neiging de zieken reeds binnen het jaar te
ontslaan, hoewel bij deze categorie van patiënten dan wel vaak het
overbrengen naar een verpleegtehuis aangewezen is.
Naast het vorenstaande zien de
ondergetekenden de sociaal-geneeskundige betekenis van de voorgestelde
regeling met name op dat gebied waartoe de ziekenfondsverzekering mede - en terecht
- op grond van de daaruit voortvloeiende financiële consequenties, tot nu toe haar activiteiten niet of nauwelijks uitstrekte.
De ondergetekenden denken hierbij in de eerste plaats aan de lichamelijk en
geestelijk zwaar gehandicapten en aan de lijders aan chronische ziekten in
een stadium waarin de hulpbehoevendheid de belangrijkste sociale indicatie
vormt tot intramurale behandeling, verpleging en verzorging. Indien de
ondergetekenden een tweetal groepen van patiënten hier met name noemen,
dan wil dit allerminst zeggen dat andere groepen minder aandacht
verdienen. Zij willen echter nog eens beklemtonen, hetgeen zij ook reeds in
de eerste paragraaf van dit hoofdstuk deden, hoe belangrijk het is dat
geestelijk gehandicapte kinderen en chronisch zieke bejaarden de
multidisciplinaire behandeling ontvangen die zij behoeven. Het moge
wellicht paradoxaal klinken, maar hoe zwaarder de invaliditeit van de mens
is, hoe meer de behoefte bestaat de arts te omringen door een aantal
niet-medische medewerkers teneinde te waarborgen dat een optimaal
maatschappelijk herstel - doel van de revalidatie - wordt bereikt. Het
waren vooral deze ernstige gevallen van handicap, ziekte en invaliditeit
welke de eerste ondergetekende voor ogen stonden toen hij zich ruim drie
jaar geleden tot de Sociaal-Economische Raad wendde in de overtuiging dat
het niet juist zou zijn de mens die het lot getroffen heeft zich niet
zelfstandig in deze samenleving te kunnen handhaven en die daardoor
afhankelijk is van anderen, aangewezen te doen zijn op onderstand of hulp
van de overheid of derden. Hoe anders dan in de sociale zekerheid kunnen de
consequenties van deze afhankelijkheid getransformeerd worden in een recht
op onafhankelijkheid? Slechts de solidariteit van een geheel volk kan in het
kader van een volksverzekering het draagvlak vormen voor het dekken van
deze zware geneeskundige risico's in het raam van de sociale zekerheid.
De vraag rijst - en de kinderverlamming
levert hiervan een duidelijk voorbeeld - of te zijner tijd door de
voortschrijding der wetenschap de zwaarte van de hiervoren genoemde
risico's niet zal verminderen, kwantitatief zowel als kwalitatief. De
ondergetekenden durven hieromtrent in dit stadium geen prognose te geven.
Wel willen zij erop wijzen dat zij juist het hierop gerichte
wetenschappelijke onderzoek willen bevorderen. Het bepaalde in artikel 44
[52] van het onderhavige ontwerp van wet opent daartoe mede de mogelijkheid. In
dit verband willen zij ook wijzen op de verhoogde bijdrage in het
Praeventiefonds, waarover eerder in deze memorie werd gesproken.
De ondergetekenden willen de hoop uitspreken dat biochemie en genetica te zijner tijd een aanwijzing zullen
geven hoe de preventie in deze te richten. De verhoging van de levenskansen
van hen wier afwijkingen, aangeboren of verworven, reeds manifest zijn, dan
wel, genetisch bepaald, pas op latere leeftijd zich openbaren, leidt
uiteraard tot een vergroting van de problematiek.
Ook het probleem van het toenemende
aantal bejaarden en dientengevolge van het aantal chronisch zieken vraagt om
verdieping van kennis en wetenschap. De ondergetekenden willen zich niet
uitspreken over de vraag of de geriatrie als een medisch specialisme moet
worden erkend. Wel hebben zij de indruk dat in de medische wereld de
belangstelling voor rblz.|18
r.k.|
deze in omvang toenemende categorie van
zieken nog niet algemeen is en dat met name op de universiteiten een
groeiende aandacht hiervoor bij de opleiding en het wetenschappelijk
onderzoek wenselijk zou zijn. De ondergetekenden verwachten overigens dat
de omvang van het probleem in de toekomst groot zal blijven, ook al zal de
wetenschap op het gebied van de preventie ongetwijfeld vorderingen maken.
Zij zijn dan ook van gevoelen dat aan de verzekering zware geneeskundige
risico's een groeiende behoefte zal blijven bestaan.
5.4. Medisch-organisatorische
aspecten
Hoewel in voorgaande hoofdstukken van
deze memorie reeds belangrijke organisatorische beleidslijnen, mede van
medische aard, aan de orde werden gesteld, menen de ondergetekenden
niettemin dat ook in dit hoofdstuk een aantal medisch-organisatorische
vraagstukken nog aandacht vraagt. De ondergetekenden denken in dit verband
meer in het bijzonder aan de geneeskundige controle, de indicaties tot
opneming en de erkenning van de inrichtingen waarin de behandeling,
verpleging of verzorging zal plaatshebben. Ook willen zij nog een enkel
woord wijden aan het overleg tussen de behandelende arts en de controlearts.
1º. Geneeskundige
controle
De
ondergetekenden staan op het standpunt dat geneeskundige controle bij de
uitvoering van de onderhavige verzekering evenzeer een voorwaarde is tot
een juiste beoordeling van de aanspraken als het geval is in de
ziekenfondsverzekering, bij de uitvoering van de komende Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en bij de uitvoering van de Ongevallenwet,
de Invaliditeitswet en de Ziektewet in het verleden. Zij zijn van
mening
dat het niet relevant is hier de vraag aan de orde te stellen of afgestapt
moet worden van het in de Nederlandse medische wereld levende adagium van
scheiding van behandeling en controle. Dit op medisch-ethische overwegingen
berustende beginsel is immers na ruim 60-jarige toepassing volledig
ingeburgerd bij de uitvoering van onze socialeverzekeringswetgeving. Zich
baserend op dit beginsel willen de ondergetekenden nader ingaan op de vraag of de uitvoering van de onderhavige verzekering nog bijzondere
aspecten heeft met betrekking tot de geneeskundige controle.
In het advies van de Centrale Raad voor
de Volksgezondheid wordt in hoofdstuk VIII de noodzaak uitgesproken dat de
verzekeringsgeneeskundige werkzaamheden voor de ziekenfondsverzekering en
voor de volksverzekering zoveel mogelijk op gelijke basis, volgens dezelfde
richtlijnen en bij voorkeur door één sociaal-medisch apparaat dienen te
worden uitgevoerd. Daarbij ware tevens te denken, aldus de Raad, aan de
mogelijkheid van combinatie met de voorgestelde Gemeenschappelijke Medische
Dienst krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De Raad
heeft het echter niet opportuun geacht nader in te gaan op de structuur en
werkwijze van het sociaal-medisch apparaat, zolang niet bekend is hoe de
uitvoering van de volksverzekering zal zijn.
De Ziekenfondsraad gaat in paragraaf 3
van het vijfde hoofdstuk van zijn rapport uitvoeriger in op geneeskundige controle. De Raad onderscheidt daarbij in beginsel twee
mogelijkheden. De eerste - waarvoor zich een grote minderheid uitsprak - gaat
ervan uit dat de ziekenfondsen en de
ziektekostenverzekeringsinstellingen bij de uitvoering van de
volksverzekering zullen werken met de reeds bij deze instellingen aanwezige
functionarissen en diensten voor medische controle. Deze geneeskundigen
zouden dan de controle moeten verrichten met inachtneming van de richtlijnen gesteld door het centrale orgaan van de volksverzekering. De
adviezen van deze geneeskundigen zouden derhalve, zoals tot nu toe, aan de
besturen van de betrokken instellingen worden uitgebracht. Deze besturen,
die op basis van de uitgebrachte adviezen zouden beslissen op de aanvrage,
zouden de verantwoordelijkheid dragen. In het advies wordt uitgesproken
dat een dergelijke werkwijze overeenkomt met de organisatie ter zake in de
huidige ziekenfondsverzekering. De tweede door de Raad rblz.|19
l.k.|
voorgestelde mogelijkheid
- welke in de
Raad een beperkte meerderheid verwierf - verschilt van de eerstgenoemde
hierin dat de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de verstrekkingen in
laatste instantie zou berusten bij het centrale orgaan der volksverzekering,
in dier voege dat dit centrale orgaan altijd de bevoegdheid zou moeten
hebben zo nodig beslissingen van de betrokken instellingen ter zijde te
stellen en daarvoor in de plaats een andere beslissing te nemen. Met het
oog hierop zou het centrale orgaan moeten worden voorzien van een klein
medisch apparaat.
De Raad heeft zich niet verder
beziggehouden met de gedachte aan een eventueel volledig samensmelten van de
controleapparaten van de ziekenfondsverzekering en de
ziektekostenverzekeringen met die van de verzekering voor zware
geneeskundige risico's.
In het advies van de Sociaal-Economische Raad
wordt in hoofdstuk V onder punt 3 de instelling van een
gemeenschappelijk apparaat van de gezamenlijke uitvoerders ten zeerste
gewenst, zoal niet noodzakelijk genoemd, om een doeltreffende deskundige
medische begeleiding te verkrijgen. Immers, aldus de Raad, "een goede
medische begeleiding van degenen die voor rekening van de onderhavige
verzekering worden opgenomen, vereist, gelet op de aard van de gedekte
risico's, een specifieke deskundigheid, die niet aanwezig kan zijn bij de
meerdere honderden uitvoeringsorganen die in deze variant bij de
uitvoering worden betrokken". De Raad voegt hieraan toe dat het hem is
gebleken dat ook in de kring van de betrokken organen de wenselijkheid van
een gezamenlijke aanpak wordt ingezien.
Na ampele overweging en bestudering van
de uitgebrachte adviezen komen de ondergetekenden tot de volgende
conclusies. Zij zijn van mening dat het bijzonder ondoelmatig, onnodig en
onjuist zou zijn om voor de invoering van de voorgestelde volksverzekering
een nieuw controleapparaat in het leven te roepen. Ondoelmatig, omdat het
aantal medische diensten dan wederom met één zou worden uitgebreid,
terwijl uit een oogpunt van efficiënt beheer veeleer gestreefd moet worden
naar een beperking van het aantal diensten welke ten dele op hetzelfde
terrein werkzaam zijn. Onnodig, omdat bij de uitvoering van de verzekering
zware geneeskundige risico's de aard van de aanspraken niet wezenlijk
verschilt van die welke uit de ziekenfondsverzekering en de
ziektekostenverzekeringen voortvloeien. En ten slotte onjuist, omdat de voor
de uitvoering van deze sociale verzekering vereiste specifieke
deskundigheid, welke slechts in beperkte omvang aanwezig is, wederom
gespreid zou moeten worden over een zich uitbreidend aantal diensten.
Bij het overwegen van de meest gewenste
vorm van de sociaal-medische uitvoering van de nieuwe verzekering hebben de
ondergetekenden de plaats van de medische diensten, zoals deze tot nu toe
werkzaam zijn ter uitvoering van de ziekenfondsverzekering, bezien. Zij
zijn van gevoelen dat deze diensten in beginsel bij de uitvoering van deze
verzekering dienen te worden ingeschakeld. Niet mag echter uit het oog
worden verloren, en het is de ondergetekenden bekend dat de
ziekenfondsorganisaties gelijke gedachten hebben, dat, gelet op de aard van
het merendeel van de door de verzekering te dekken risico's, bij het
beoordelen van de aanspraken krachtens de volksverzekering in vele gevallen
een specialistische deskundigheid zal zijn vereist. Dit zal ongetwijfeld
tot een bundeling van de medische beoordeling moeten leiden.
Vervolgens hebben de ondergetekenden
nagegaan - terecht wordt in de uitgebrachte adviezen op deze
aangelegenheid sterk de nadruk gelegd - of het bestaande stelsel van
medische beoordeling in de ziekenfondsverzekering voldoende de uniformiteit bij de beoordeling waarborgt. De ondergetekenden
erkennen
dat tot nu toe met behulp van richtlijnen gegeven door of vanwege de
Ziekenfondsraad een zekere mate van uniformiteit werd bereikt. Zij dragen
echter tevens kennis van het feit dat het afwijken van de niet bindende
richtlijnen niet zelden voorkomt. Mogelijk zal een grotere eenvormigheid in
de oordeelsvorming kunnen worden bereikt doordat zowel in rblz.|19
r.k.|
de Ziekenfondswet
als in de onderhavige
wettelijke regeling de mogelijkheid is, c.q. wordt geschapen om in beroep
voorziening te vragen van genomen beslissingen.
Afgezien van de vraag of dit middel in
het onderhavige geval toereikend zal zijn - de ondergetekenden menen dit
te moeten betwijfelen - zijn zij ten principale van gevoelen dat bij de
uitvoering van een socialeverzekeringsregeling uniformiteit in de
uitvoering niet in de eerste plaats langs de weg van jurisprudentie moet
worden bereikt indien primair een andere en in wezen meer aangewezen weg openstaat.
Het ligt, gezien de ontwikkeling welke
zich op het onderhavige terrein voltrekt, voor de hand dat de
ondergetekenden deze weg zien in een beoordeling van de aanspraken in
beginsel door een landelijk werkend coördinerend medisch apparaat. Dit
sluit, blijkens de eerder gegeven samenvattingen van de door de
verschillende adviescolleges uitgebrachte adviezen, ook duidelijk aan bij de
opvatting welke ten deze nagenoeg algemeen in deze colleges blijkt te
leven. Te meer staan de ondergetekenden bij de uitvoering van de
onderhavige regeling dit stelsel voor, omdat ook de ziektekostenverzekeraars
en de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren hierbij
zullen worden betrokken. Gezien de samenhang welke er, naar reeds eerder in
deze memorie bleek, bestaat tussen de uitvoering van de
ziekenfondsverzekering enerzijds en de volksverzekering zware geneeskundige
risico's anderzijds, ligt het voor de hand dat bij het landelijk werkende
medisch begeleidingsapparaat dat de ondergetekenden voor ogen staat ook
de medische diensten zoals deze tot nu toe werkzaam zijn ter uitvoering van
de ziekenfondsverzekering zullen worden betrokken.
Hebben de ondergetekenden aldus in het
vorenstaande, naar hun gevoelen duidelijk, hun opvatting te kennen gegeven
met betrekking tot de sociaal-medische uitvoering, ten aanzien van de wijze
van het verwezenlijken van deze gedachte menen de ondergetekenden een
voorzichtig beleid te moeten voeren. Het is bekend dat voor de eerste
ondergetekende gelijke overwegingen hebben gegolden bij de sociaal-medische
uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
In dit
verband vermelden de ondergetekenden dat uit de uitgebrachte adviezen toch
wel de gedachte naar voren komt van een medisch uitvoeringsapparatuur
weliswaar met een uitgesproken coördinerend karakter, maar primair
ingesteld door de betrokkenen zelf. Tot hun genoegen hebben de
ondergetekenden met name kennisgenomen van de mededeling in het advies van
de Sociaal-Economische Raad dat de Raad is gebleken dat in de kring van
de betrokken organen de wenselijkheid van een gezamenlijke aanpak op dit
stuk wordt ingezien.
Mede in verband met hetgeen hierna nog
zal worden opgemerkt over de plaats van de Gemeenschappelijke Medische
Dienst ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in
het onderhavige kader, hebben de ondergetekenden voor wat betreft de
sociaal-medische uitvoering vooralsnog volstaan met een globale aanduiding
in artikel 15 [16]
van de wet, volgens welke de Ziekenfondsraad ter zake de nodige voorschriften kan
geven. De ondergetekenden stellen zich voor zo
spoedig mogelijk over de sociaal-medische uitvoering van de
wet besprekingen te
openen. Zij
komen hier nog op terug. In hoeverre deze besprekingen nog aanleiding
zullen geven tot het aanvullen of wijzigen van wettelijke bepalingen zal
nader moeten blijken.
In het kader van een beschouwing over de
sociaal-medische uitvoering der wet dient uiteraard aandacht te worden
geschonken aan de positie van de Gemeenschappelijke Medische Dienst, welke
voor de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zal
worden gevormd. De ondergetekenden mogen, met verwijzing naar hetgeen
hieromtrent is gesteld bij de schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling
over het ontwerp van de genoemde wet met de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, herhalen dal zij in beginsel blijven streven naar verdere
unificatie in de medische begeleiding bij de uitvoering van de socialezekerheidswetten. Dit streven wordt uiteraard in sterke mate gestimuleerd
door de in de Tweede rblz.|20
l.k.|
Kamer der Staten-Generaal aanvaarde
motie-Tilanus c.s., waarin op grond van de overweging dat zoveel mogelijk eenheid moet worden nagestreefd bij de geneeskundige begeleiding in het
kader van de socialezekerheidswetgeving, de Regering wordt uitgenodigd
"de
Gemeenschappelijke Medische Dienst geleidelijk een centrale plaats te geven
ten behoeve van alle daarvoor in aanmerking komende socialezekerheidswetten
en volksverzekeringen". Het heeft de ondergetekenden aangesproken
dat in deze motie het betrachten van geleidelijkheid wordt aanbevolen. De
ondergetekenden menen deze aanbeveling volledig te kunnen onderschrijven.
Niet alleen dat voor het bereiken van één medische dienst ten behoeve van
de uitvoering van de sociale verzekering een grondige voorbereiding nodig
is en dat deze voorbereiding tijdrovend zal zijn, ook het door de
verschillende betrokken instellingen te voeren overleg vergt -
de recente
ervaringen met de Gemeenschappelijke Medische Dienst in het kader van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben dit duidelijk aangetoond -
noodzakelijkerwijze veel tijd.
Zoals eerder in dit onderdeel van deze
memorie werd vermeld, stellen de ondergetekenden zich voor over de medische
uitvoering van de onderhavige verzekering en de daarin aan de
Gemeenschappelijke Medische Dienst ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering te geven plaats overleg te openen met de
daarvoor in aanmerking komenden. In een eerste fase willen de
ondergetekenden afzonderlijk overleg voeren met de gezamenlijke
ziekenfondsorganisaties, met de gezamenlijke organisaties van
schadeverzekeraars en met een vertegenwoordiging van de publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen voor ambtenaren en ook met de Federatie van
Bedrijfsverenigingen, teneinde enerzijds de in de verschillende kringen
levende opvattingen te peilen en anderzijds de visie van de ondergetekenden,
mede in het licht van de duidelijke in de motie-Tilanus c.s. tot
uitdrukking komende opvatting van het parlement, toe te lichten. In een
volgend stadium zal getracht worden in gezamenlijk overleg van de
bovengenoemde organisaties en de overheid aan de conceptie van een
Gemeenschappelijke Medische Dienst voor de gehele uitvoering van de sociale
verzekering verder gestalte te geven. Zonder vooruit te willen lopen op de
resultaten van dit overleg, zouden de ondergetekenden enige mogelijkheden
willen noemen welke zich naar hun aanvankelijk oordeel voordoen. Zo zou de
concentratie van de medische controleapparatuur in fasen kunnen worden
voltrokken. Een eerste fase zou dan zijn het tot stand brengen van een
Gemeenschappelijke Medische Dienst voor de uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en het creëren, rekening houdende met
deze Gemeenschappelijke Medische Dienst, van een gemeenschappelijk medisch
apparaat ten behoeve van de voorzieningen voor geneeskundige risico's. Dit
laatste zou bijvoorbeeld kunnen worden gerealiseerd door richtlijnen van de
Ziekenfondsraad; ook zou kunnen worden gedacht aan een door de
Ziekenfondsraad in te stellen medische begeleidingscommissie, waarin, met
toepassing van het huidige artikel 56 van de
Ziekenfondswet, ook personen
buiten de Raad zitting zouden kunnen nemen. In een later stadium zou dan
de verdere unificatie kunnen worden geregeld.
Ter afsluiting van de beschouwingen over
de sociaal-medische uitvoering van de wet delen de ondergetekenden nog mede dat zij de plaats van het te vormen gemeenschappelijke sociaal-medisch
begeleidingsapparaat voor de uitvoering van de onderhavige regeling aldus
zien dat, evenals bij de uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, dit apparaat advies zal uitbrengen aan de
uitvoeringsorganen van de volksverzekering, zijnde de ziekenfondsen en de
ziektekostenverzekeraars.
2º. Indicaties tot opneming
Meer dan eens werden in het verleden bezwaren gehoord tegen de hantering van
de begrippen medische en sociale indicatie tot opneming in een ziekenhuis of
andere inrichting. Deze bezwaren richtten zich vooral op de kunstmatige
scheiding welke bij de rblz.|20
r.k.|
uitvoering der
ziekenfondsverzekering tussen deze begrippen werd gemaakt, terwijl voorts
werd aangevoerd dat slechts zelden van een sociale indicatie gesproken kan
worden. De weigering van een revaliderende therapie, omdat hiermee geen
anatomisch herstel zou kunnen worden bereikt, doch "slechts" een
verbeterde maatschappelijke aanpassing, is een voorbeeld tot welke onjuiste
beoordeling het hanteren van het begrip sociale indicatie als
weigeringsgrond kan leiden. Met instemming namen de ondergetekenden kennis
van het standpunt dat onder andere door de Centrale Raad voor de
Volksgezondheid in zijn advies werd ingenomen blijkens de volgende
opmerking: "De Raad is van mening dat de weinig
genuanceerde begrippen "medische indicatie" en "sociale
indicatie" vervangen dienen te worden door specifieke
opnemingindicaties voor elk type van voorzieningen".
Met de Raad zijn de ondergetekenden van mening dat centraal opgestelde
richtlijnen, waarin tot nu toe reeds op
verdienstelijke wijze door de Ziekenfondsraad werd voorzien, een juiste
uitvoering van de verzekering kunnen bevorderen. De waarborgen daartoe
zullen echter slechts gegeven kunnen worden door een uniforme hantering van
deze richtlijnen en het bereiken van dit doel zal in hoge mate bevorderd
worden door de instelling van één medische dienst, zoals de
ondergetekenden reeds eerder hebben betoogd.
3º. Erkenning van inrichtingen
In de uitgebrachte adviezen wordt de vraag besproken door welke instantie
en op welke wijze inrichtingen voor gezondheidszorg, zoals ziekenhuizen,
verpleeginrichtingen e.d., die aan de verzekering willen medewerken als zodanig moeten worden erkend.
Hoewel de eerste ondergetekende zijn
standpunt te dezen aanzien reeds heeft toegelicht in het kader van de Ziekenfondswet
- verwezen moge worden naar het bepaalde in het tweede lid
van het huidige artikel 47 van die wet
-, lijkt het hem nuttig hierop thans
nog nader in te gaan. Voor de uitvoering van het Ziekenfondsenbesluit
geschiedde de erkenning van inrichtingen welke aan de uitvoering van de
verzekering medewerken door de Ziekenfondsraad. Genoemde Raad nam zijn
beslissing ter zake in nauw overleg met de betrokken hoofdinspecties van de
volksgezondheid. Zoals de eerste ondergetekende in de memorie van
toelichting bij het ontwerp van de huidige Ziekenfondswet heeft uiteengezet,
meent hij echter dat het uit een oogpunt van volksgezondheid juister is
wanneer de erkenning van de aan de verzekering deelnemende inrichtingen van
gezondheidszorg door de voor de volksgezondheid verantwoordelijke bewindsman
geschiedt. Uiteraard wordt, alvorens de Minister een beslissing neemt, de
Ziekenfondsraad gehoord, terwijl anderzijds de inzake de volksgezondheid
bevoegde autoriteiten eveneens advies uitbrengen. Zowel de Geneeskundige
Hoofdinspectie van de Volksgezondheid als de Geneeskundige Inspectie voor
de Geestelijke Volksgezondheid kunnen hierdoor een door de ondergetekenden
juist geachte overheidsbemoeiing met de wijze waarop in de desbetreffende
inrichtingen de gezondheidsverzorging wordt geëffectueerd tot hun recht
laten komen. De ondergetekenden menen dat dezelfde constructie als in het
genoemde artikel van de Ziekenfondswet
is gekozen ook gevolgd moet worden
met betrekking tot de onderhavige wettelijke
regeling.
In paragraaf 4.2 werd
reeds gewezen op de bijzondere positie welke de inrichtingen ressorterende
onder de Minister van Justitie in het kader van deze verzekering innemen.
Wat nader ingaande op de bevoegdheden
welke, naar het oordeel van de ondergetekenden, hierbij aan de overheid
moeten worden verleend, willen zij erop wijzen dat via een eerste erkenning
van de inrichting en door vervolgens na te gaan of een inrichting nog steeds
aan de erkenningseisen voldoet, dan wel of voldaan is aan voorwaarden
welke aan een eerste erkenning werden verbonden, het voeren van een beleid
met betrekking tot het inrichtingswezen mogelijk wordt rblz.|21
l.k.|
gemaakt. Teneinde misverstand te
voorkomen, wijzen de ondergetekenden erop dat hierbij uiteraard waarborgen
voor de rechtszekerheid moeten worden geschapen voor de inrichtingen.
Allereerst zullen normen gesteld moeten worden aangaande de eisen welke
bij de erkenningen moeten worden gesteld. Vervolgens voorziet het
onderhavige wetsontwerp, evenals de Ziekenfondswet
(artikel 77, onderdeel c),
in de mogelijkheid van het instellen van beroep op de Kroon in geval van
geschil.
Ter afsluiting van dit deel der
beschouwingen willen de ondergetekenden niet onvermeld laten dat de
Centrale Raad voor de Volksgezondheid heeft voorgesteld het
erkenningenbeleid op te dragen aan een onafhankelijk centraal orgaan dat
de criteria vaststelt waaraan de verschillende categorieën van
inrichtingen moeten voldoen om als zodanig erkend te worden en dat de
inrichtingen conform deze richtlijnen al of niet erkent. De ondergetekenden
menen dat de door de Centrale Raad voor de Volksgezondheid beoogde
waarborgen voor onafhankelijkheid juist bij de constructie welke in de
Ziekenfondswet is gekozen en welke zoals gezegd ook bij de onderhavige
wettelijke regeling wordt nagestreefd, mede gezien de mogelijkheid van het
instellen van beroep op de Kroon en de door de ondergetekenden nodig geachte
erkenningsnormen, volledig aanwezig zijn. Het verdient huns inziens dan ook
geen aanbeveling om de suggestie van de Centrale Raad voor de
Volksgezondheid over te nemen.
Voor zover de Centrale Raad voor de
Volksgezondheid in zijn advies nog stelt dat het noodzakelijk is dat bij de
uitvoering van de ziekenfondsverzekering en bij de volksverzekering
dezelfde criteria worden gehanteerd, onderschrijven de ondergetekenden deze
zienswijze ten volle, waarbij zij nog opmerken dat in het erkenningssysteem
dat zij voorstaan deze waarborgen van coördinatie volledig aanwezig zijn.
4º. Geneeskundig overleg
Tot
slot van deze paragraaf willen de ondergetekenden er ook te dezer plaatse
nog eens op wijzen - zij deden dit evenzeer op uitvoerige wijze bij de
behandeling van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering - welk
een groot belang zij voor een goede uitvoering van de socialeverzekeringswetten hechten aan de medewerking van de medische stand en in
het bijzonder van de behandelende artsen. Dat het dan ook noodzakelijk is
deze artsen actief bij de uitvoering te betrekken, in die zin dat een goed
overleg tussen controlerend geneeskundigen en behandelende artsen is
gewaarborgd, vooral als het gaat om beslissingen welke genomen worden in
afwijking van het standpunt van de behandelende arts, is voor de
ondergetekenden buiten kijf. De ondergetekenden vertrouwen erop dat de
praktijk, zoals deze bij de uitvoering van de ziekenfondsverzekering inzake
het samenspel tussen de behandelende en de controlerende sector is
gegroeid, ook bij de uitvoering van de onderhavige voorziening kan worden
gevolgd.
6.
Financieel-economische aspecten
1. De ondergetekenden menen voor wat de
financieel-economische aspecten van het wetsontwerp betreft zich nauw te
kunnen aansluiten bij de beschouwingen van de Sociaal-Economische Raad
(hierna te noemen de Raad) inzake de kosten van de voorziening.
Voor het verkrijgen van een
inzicht in de kosten van een voorziening tegen zware geneeskundige risico's
heeft de Raad gebruik kunnen maken van de resultaten van een onderzoek dat
is ingesteld naar de kosten van verpleging en behandeling van langdurig
zieken en gehandicapten. Het onderzoek is gedaan door de heer H. Dopper,
hoofd van de afdeling Statistiek van het Bureau van de Ziekenfondsraad. Het
rapport, waarin de resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd, is als
bijlage bij het advies van de Raad gevoegd. Sedertdien heeft de heer Dopper
een verdere raming gemaakt, welke als bijlage III bij deze memorie is gevoegd.
rblz.|21
r.k.|
Bij de beoordeling van het rapport dat
als bijlage bij het advies van de Raad is gevoegd, dient volgens de Raad in
aanmerking te worden genomen dat is uitgegaan van de feitelijke situatie
in 1964. Een eventueel tekort aan capaciteit van de inrichtingen, waardoor
niet een ieder die voor verpleging in aanmerking komt, opgenomen kan
worden, werkt derhalve in de kostenraming door. Met een mogelijke "aanzuigende"
werking van een voorziening van zware geneeskundige risico's is dus geen
rekening gehouden. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat het
onderzoek voor een deel niet op nauwkeurige waarneming, maar op schattingen
en ramingen berust. Niettegenstaande deze voorbehouden geeft het onderzoek
over de orde van grootte van het totale bedrag dat is gemoeid met een
voorziening van zware geneeskundige risico's en van het bedrag dat thans
door de overheid voor de langdurige verpleging en behandeling in
inrichtingen wordt uitgegeven, zodanige aanwijzingen dat het
gerechtvaardigd is de resultaten van dit onderzoek aan een beschouwing over
de financiële consequenties van een voorziening van zware geneeskundige
risico's ten grondslag te leggen. De meest in het oog springende resultaten
zijn - naar het de Raad wil voorkomen -
de volgende.
a. De kans dat men voor
langdurige verpleging en behandeling in een inrichting moet worden
opgenomen, is betrekkelijk gering. Op een bevolking van circa 12 mln
personen blijken circa 70 000 personen voor langdurige behandeling en
verpleging in een inrichting opgenomen te zijn, dat is circa 0,6%. Ook als
men een waarschijnlijk aanzuigende werking van een verzekering zware
geneeskundige risico's in aanmerking neemt, zal het aantal verpleegden in
verhouding tot de totale bevolking betrekkelijk laag blijven.
b. De cijfers bevestigen dat
voor degenen die dit risico treft zeer hoge uitgaven moeten worden gedaan,
namelijk gemiddeld ƒ6000,- per jaar. Dergelijke lasten zijn voor zeer velen in
het geheel niet te dragen en door nagenoeg niemand volledig zelf te
betalen.
c. Een duidelijke aanwijzing van
de zwaarte van de individuele lasten welke van langdurige behandeling en
verpleging het gevolg zijn. is de schatting dat van de totale kosten in
1964 ad ƒ411 mln circa 65% (ƒ266 mln) via de Armenwet door de
overheid werd gedragen.¹ Nu de Armenwet vervangen is door de
Algemene Bijstandswet zal door de daarmede gepaard gaande verdere beperking van het verhaalsrecht dit percentage ongetwijfeld hoger zijn.
1. Nadere becijferingen (zie de
bijlage behorende bij bijlage lIl) hebben
uitgewezen dat deze bedragen vermoedelijk in 1965 respectievelijk ƒ450 en ƒ310
mln belopen.
In het rapport is voor een aantal
categorieën van verpleegden een leeftijdsverdeling gegeven. Hieruit is
schattenderwijs onderstaande groepering van de patiënten naar
leeftijdsgroepen afgeleid: ¹
0 t/m 15 jaar
circa 9 000;
16 t/m 64 jaar circa 39 000;
65 jaar of ouder circa 22 000.
Van belang is voorts de leeftijd op het
tijdstip van opneming, met name of de verpleegden zijn opgenomen op
jeugdige leeftijd respectievelijk na het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
1. Zie bijlage IV ad A.
Een zeer grove schatting
¹ geeft de volgende uitkomst:
opgenomen
vóór het 16de jaar circa 20 000;
opgenomen tussen 16 en 65 jaar circa 31 000;
opgenomen op of na het 65ste jaar
circa 19 000.
1. Zie bijlage IV ad B.
Met zeer veel
voorbehoud ten slotte kan het aantal verpleegden dat vóór de opneming in
het beroeps- of bedrijfsleven werkzaam was op circa 20 000 worden geraamd.
rblz.|22
l.k.|
Voor het financieringsvraagstuk is, aldus
de Raad, in het bijzonder van betekenis dat van de totale kosten het
grootste gedeelte reeds thans door de overheid wordt gedragen.
De Raad acht de overheidsbijdrage van
belang, ook als de voorziening wordt gegoten in de vorm van een speciale
verzekering met premiebetaling door de verzekerden. De adviesaanvrage van
24 augustus 1962 bevat, aldus de Raad, namelijk de toezegging dat bij de
totstandkoming van een voorziening van zware geneeskundige risico's een
deel van de kosten ten laste van de overheid zal worden genomen. De
toezegging werd in de adviesaanvrage als volgt geformuleerd:
"De Regering realiseert zich dat
wanneer de totstandkoming zou worden bevorderd van een volksverzekering
zware geneeskundige risico's en wanneer overwogen zou worden de
arbeidsongeschiktheidsverzekering uit te breiden tot een volksverzekering,
dit zou betekenen dat de overheid voor een niet onbelangrijk bedrag per
jaar zou worden ontlast, namelijk indien deze totstandkoming c.q. uitbreiding
alleen zou worden gefinancierd door premies ten laste van het
bedrijfsleven. Het wil haar voorkomen dat met name het karakter van de
risico's die hier aan de orde zijn, en in het bijzonder de groep waarom
het gaat, motiveren dat een deel van de middelen voor beide voorzieningen
ten laste zou komen van de overheid, namelijk dat deel dat overeenkomt met de
lastenvermindering die bij de totstandkoming van de hier bedoelde
uitbreidingen van de sociale verzekering voor de overheid zal ontstaan ten
opzichte van de lasten die bij handhaving van de huidige voorzieningen in
de toekomst op de overheid zouden drukken."
Met name uit het gestelde aan
het slot van dit citaat dat het overheidsaandeel in de financiering gesteld
kan worden op de lasten die bij het ontbreken van deze voorziening in de
toekomst op de overheid zouden drukken, mag, naar het de Raad wil voorkomen,
worden afgeleid dat in de adviesaanvrage niet gedoeld is op een
overheidsbijdrage in de vorm van een absoluut bedrag dat geen relatie heeft
met de ontwikkeling van de totale kosten. De formulering wijst er duidelijk
op dat gedacht is aan een gelijkblijvend
overheidsaandeel in de
totale kosten, zodat het absolute bedrag dienovereenkomstig wijzigt. Het
ligt in de rede voor de vaststelling van dit overheidsaandeel de relevante
overheidsuitgaven ten behoeve van de verpleging van langdurig zieken en
gehandicapten in inrichtingen in een recent jaar vóór de invoering van
een voorziening van zware geneeskundige risico's uit te drukken in een
percentage van de geschatte totale kosten van die voorziening en het
overheidsaandeel op dat percentage vast te stellen. Als relevante
overheidsuitgaven zouden, naar het de Raad wil voorkomen, kunnen worden
aangemerkt de netto-uitgaven van de overheid krachtens de Armenwet en straks
krachtens de Algemene Bijstandswet ten behoeve van de verpleging en
behandeling van langdurig zieken. Het staat vast dat bij een voorziening
van zware geneeskundige risico's welke de verpleging en behandeling in
inrichtingen waarborgt, voor dit doel in beginsel geen uitgaven krachtens de
Armenwet of de Algemene Bijstandswet meer nodig zullen zijn. Ten aanzien
van andere overheidsuitgaven zoals het dragen van het tekort van
overheidsziekenhuizen en subsidies aan particuliere ziekenhuizen staat niet
vast dat zij zullen verdwijnen. Dergelijke uitgaven waren naar het oordeel
van de Raad voor de bepaling van het overheidsaandeel in een voorziening
tegen zware geneeskundige risico's in beginsel buiten beschouwing te laten.
Nu de raming een belangrijke
onzekerheidsmarge bevat, onder meer doordat geen rekening is gehouden met een
mogelijke aanzuigende werking en wellicht een enigszins andere interpretatie van de toezegging betreffende het overheidsaandeel in de
financiering tot een geringere overheidsbijdrage zou kunnen leiden, is de
Raad voor het door middel van premieheffing te financieren bedrag uitgegaan
van circa ƒ200 mln.
2. De ondergetekenden kunnen zich met
deze beschouwingen in hoofdzaak verenigen. Zij zouden met verwijzing naar
bijlage III van deze memorie, waarin een nadere raming is rblz.|22
r.k.|
gegeven, de lasten die op de
overheid in 1965 ter zake van de zware risico's drukken, willen ramen op ƒ310
mln, welk bedrag in 1967 nog gestegen zal zijn en alsdan overeenkomt
met ruim 1% volksverzekeringspremie. Deze bij invoering op het Rijk
drukkende last zal als overheidsbijdrage in de financiering der sociale
verzekering worden gehandhaafd. Daartegenover zal het aandeel van het
Gemeentefonds in de opbrengst der daarvoor aangewezen rijksbelastingen
worden verlaagd. Ter zake is het advies van de Raad voor de
gemeentefinanciën ingewonnen, na overweging waarvan bij nota van wijziging
de Financiële Verhoudingswet 1960 (Stb. 1961, 217) zal worden aangepast.
Additioneel moet in 1967 nog aan middelen worden opgebracht een bedrag
overeenkomende met ruim 0,5% volksverzekeringspremie, ongeveer
overeenkomend met 0,7% van de premieplichtige loonsom.
Mede gelet op de lastenstijgingen uit
hoofde van de invoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, is de
Regering van oordeel dat de totale premielast der sociale verzekering op
het ogenblik zijn grens heeft bereikt. In verband hiermede zullen de in de
vorige alinea bedoelde additionele middelen ten laste van het Rijk worden
gebracht, waardoor de totale overheidsbijdrage in de sociale verzekering
wordt verhoogd.
Daardoor wordt uitvoering gegeven aan de
passage in de Regeringsverklaring van 27 april 1965, waarin werd gezegd dat
bij de invoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en van een
voorziening in zware geneeskundige risico's zou worden nagegaan welk deel
van de lastenstijgingen voor de premieplichtigen uit de algemene middelen
gefinancierd kan worden, onverminderd de reeds gedane toezegging dat een
deel van de premielast dat overeenkomt met de lastenvermindering die bij
de totstandkoming van een regeling voor zware geneeskundige risico's voor de
overheid zal ontstaan, als bijdrage uit de algemene middelen in de
financiering zal worden gebezigd.
Er moge verder aan worden herinnerd dat
in de Regeringsverklaring is medegedeeld dat bevorderd zal worden dat de
overheidsbijdragen in de sociale verzekering verleend zullen worden via de
kinderbijslagregelingen. Ter uitvoering van dit punt van het
regeringsprogramma stelt de Regering zich voor te bevorderen dat de lasten
van de overheid welke als gevolg van de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's zullen wegvallen, vermeerderd met de eerdergenoemde aanvullende
overheidsbijdrage, alsmede de bijdrage welke het Rijk thans reeds verleent
in de financiering van de Algemene
Ouderdomswet, worden aangewend voor de
financiering van de algemene kinderbijslagverzekering. Hieromtrent zal
eerstdaags een afzonderlijk wetsontwerp worden ingediend.
Als gevolg hiervan zal de Algemene Wet
Zware Geneeskundige Risico's geheel op premiebasis worden gefinancierd.
Hoewel het uiteraard nog te vroeg is om een exacte raming te geven van het
juiste premiepercentage dat bij de invoering van de verzekering zal worden
vastgesteld, menen de ondergetekenden dit percentage voorshands te kunnen
stellen in de orde van grootte van 1,6.
In de memorie van toelichting op het
boven aangekondigde wetsontwerp zal nader op de consequenties van de
financiering en de lastenverdeling tussen werkgevers en werknemers worden
ingegaan.
7.
Samenvatting
In grote lijnen kan de in
bijgaand
wetsontwerp voorgestelde volksverzekering als volgt worden samengevat:
1. Het wetsontwerp regelt een verplichte
verzekering zware geneeskundige risico's.
2. De werkingssfeer van deze algemene
volksverzekering strekt zich uit tot de gehele bevolking.
3. De kring van verzekerden is, anders
dan het geval is bij de tot nu toe tot stand gekomen volksverzekeringen,
niet rblz.|23
l.k.|
door enige leeftijdsgrens beperkt,
aangezien bij iedereen, ongeacht de leeftijd, de behoefte aan behandeling,
verpleging en verzorging ter zake van zware geneeskundige risico's, waarin
de voorgestelde regeling beoogt te voorzien, zich kan doen gevoelen.
4. Het voorwerp van de beoogde
verzekering is de aanspraak op verstrekkingen in natura, ter voorziening in
behandeling, verpleging en verzorging ter zake van zware risico's van
geneeskundige aard. Voorts, omdat in het wetsontwerp de revalidatie centraal
wordt gesteld, de met het vorenstaande verband houdende voorzieningen tot
behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid, hierbij
inbegrepen voorzieningen tot verbetering van de levensomstandigheden. De
aard, inhoud en omvang van de verstrekkingen zal bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden vastgesteld.
5. De verstrekkingen zijn in beginsel
zowel op intramurale zorg als op extramurale zorg gericht. Beoogd wordt een
geleidelijke ontwikkeling van de voorzieningen. In de eerste plaats wordt
gedacht aan zo volledig mogelijke verstrekking van de intramurale zorg in
verpleegtehuizen en in inrichtingen voor geestelijk en lichamelijk
gehandicapten, alsmede in ziekenhuizen en sanatoria voor t.b.c.-patiënten,
na afloop van het eerste jaar verpleging, van zowel lichamelijk als
geestelijk zieken. Het wetsontwerp opent in beginsel de mogelijkheid de
verstrekkingen verder uit te breiden tot voorzieningen van extramurale
aard.
6. De inrichtingen voor gezondheidszorg,
zoals de ziekenhuizen en verpleeginrichtingen, moeten door de Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid worden erkend als inrichting waar de
verstrekkingen krachtens deze wet worden verleend. Dit maakt het mogelijk
een erkenningenbeleid te voeren waarbij het Staatstoezicht op de
Volksgezondheid een belangrijke rol kan gaan vervullen, teneinde een
optimale gezondheidsverzorging te waarborgen.
7. De verzekering zal, voor wat betreft
het verlenen van verstrekkingen, worden uitgevoerd door de krachtens de Ziekenfondswet
toegelaten ziekenfondsen en door de ziektekostenverzekeraars die tot de uitvoering van de onderhavige
verzekering zijn toegelaten, en door de uitvoerende organen van de
publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren.
8. Verzekerden die tevens verzekerd zijn
ingevolge de Ziekenfondswet zullen de verstrekkingen ingevolge de Algemene
Wet Zware Geneeskundige Risico's ontvangen via het ziekenfonds
waarbij zij zijn ingeschreven. De verzekerden die verzekerd zijn bij een
ziektekostenverzekeraar die is toegelaten tot de uitvoering van de
verzekering zullen de verstrekkingen ontvangen via deze
ziektekostenverzekeraar. De deelnemers aan een publiekrechtelijke
ziektekostenregeling voor ambtenaren zullen de verstrekkingen ontvangen via
de uitvoerende organen van deze regeling.
De overige verzekerden zullen teneinde
hun aanspraak op vorenbedoelde verstrekkingen te kunnen verwezenlijken, zich
dienen te laten inschrijven bij hetzij een ziekenfonds, hetzij een
ziektekostenverzekeraar als vorenbedoeld. De ziekenfondsen en
ziektekostenverzekeraars zijn gehouden deze personen toe te laten.
9. De ziekenfondsen,
ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen die zijn betrokken bij de
uitvoering van de volksverzekering dienen overeenkomsten te sluiten met
personen en inrichtingen die de verstrekkingen van de verzekering kunnen
verlenen. De verzekerden wenden zich voor de desbetreffende hulp tot de
bedoelde personen en inrichtingen waarmede het ziekenfonds, de
ziektekostenverzekeraar dan wel het uitvoerende orgaan overeenkomsten als
vorenbedoeld heeft gesloten.
10. De Ziekenfondsraad, ingesteld bij de
Ziekenfondswet, houdt toezicht op de uitvoering van de verzekering. Hij geeft ten behoeve van de uitvoering algemene richtlijnen. De Raad is tevens
belast met het adviseren van de Regering, het treffen rblz.|23
r.k.|
van technische regelingen ter zake
van de onderhavige verzekering, alsmede met het beheer van het Algemeen
Fonds Zware Geneeskundige Risico's. Voor de uitvoering van deze taken wordt
de Ziekenfondsraad uitgebreid met vertegenwoordigers van organisaties van
ziektekostenverzekeraars, met een vertegenwoordiging uit de overheidsziektekostenregelingen uitvoerende organen en vertegenwoordigers
van inrichtingen waarop de wet in het bijzonder betrekking heeft.
11. In het wetsontwerp worden
beschouwingen gegeven over de medische uitvoering. Daarbij staat centraal de
door de Tweede Kamer bij de behandeling van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering aanvaarde motie-Tilanus c.s., betreffende
de medische uitvoering van de socialeverzekeringswetten. Hierover zal
overleg moeten worden gevoerd.
Het wetsontwerp voorziet erin dat de
Ziekenfondsraad richtlijnen inzake een gecoördineerde medische uitvoering
kan geven.
12. De middelen tot dekking van de kosten
der verzekering worden opgebracht door de verzekerden in de vorm van een
premie. De premie wordt volgens het voor de andere volksverzekeringen
geldende systeem en volgens de daarbij geldende regelen geheven door de Rijksbelastingdienst. Deze dienst treedt dan ook als mede-uitvoerder van de
verzekering op. Verzekerden beneden de leeftijd van 15 jaar en verzekerden
van 65 jaar of ouder zullen niet aan premieheffing zijn onderworpen. De te
heffen premie wordt vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid. De premie wordt gestort in het Algemeen Fonds Zware
Geneeskundige Risico's, waaruit de voor de uitvoering van de verzekering te
maken kosten worden gefinancierd.
13. Het premiepercentage wordt bij
uitvoering van de wet geraamd in de orde van grootte van 1,6.
14. De bijdrage welke de overheid thans
verleent in de kosten van behandeling, verpleging en geneeskundige
verzorging ter zake van zware geneeskundige risico's, welke in 1965 ƒ310 mln belopen, overeenkomend met ruim
1% volksverzekeringspremie, wordt
bij invoering van de Algemene Bijstandswet gehandhaafd als overheidsbijdrage
in de sociale verzekering. De verder bij invoering benodigde middelen, ten
belope van ruim 0,5% volksverzekeringspremie in orde van grootte
overeenkomende met 0,7% van de premieplichtige loonsom, zullen eveneens
ten laste van het Rijk worden gebracht, waarmede de overheidsbijdrage in de
sociale verzekering andermaal wordt verhoogd.
15. Beide overheidsbijdragen zullen
tezamen met de rijksbijdrage in de Algemene
Ouderdomswet aangewend worden
ter financiering van de kinderbijslagen krachtens de
algemene kinderbijslagverzekering. Ter zake zal eerstdaags een wetsontwerp
worden ingediend.
16. Tegen een beslissing van een
ziekenfonds, een ziektekostenverzekeraar of een uitvoerend orgaan inzake de
aanspraak op verstrekkingen staat beroep open bij de raden van beroep en de
Centrale Raad van Beroep.
17. Voorgesteld wordt om jaarlijks uit
het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's een bedrag van ƒ10 mln te
storten in het Praeventiefonds, welk bedrag zal worden aangepast aan de
stijging van de loonindex.
18. Een speciale regeling is getroffen
voor de aanwijzing van verstrekkingen liggend binnen de bemoeiingssfeer van
het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en voor
verstrekkingen verleend onder verantwoordelijkheid. waaronder begrepen
financiële verantwoordelijkheid, van de Minister van Justitie in het kader
van de uitvoering van een rechterlijke uitspraak.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1 [1], eerste lid
In dit
artikel worden enige termen omschreven welke door het gehele wetsontwerp
voorkomen. Evenals in de Ziekenfondswet is ook in het onderhavige
wetsontwerp het begrip "ziekenfonds" niet omschreven. In de rblz.|24
l.k.|
memorie van toelichting
bij het ontwerp Ziekenfondswet is in dit verband reeds vermeld dat het niet
eenvoudig zou zijn een bevredigende functie van het begrip ziekenfonds te
geven, welk begrip in de loop der jaren is gegroeid, maar nimmer nauwkeurig
is vastgelegd. Voorts is er in de genoemde memorie op gewezen dat het ook
niet nodig is het begrip ziekenfonds te omschrijven, omdat als ziekenfonds
in de zin van de Ziekenfondswet alleen gelden de instellingen welke
overeenkomstig artikel 34 van de Ziekenfondswet
als zodanig zijn toegelaten.
Op grond van gelijke overwegingen is ook
voor wat betreft de uitvoering van de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's geen begripsomschrijving opgenomen van "ziektekostenverzekeraar".
Ook hier zullen slechts aan de uitvoering van de wet kunnen deelnemen
ziektekostenverzekeraars welke als zodanig zijn toegelaten overeenkomstig
artikel 25 [33] van het onderhavige
wetsontwerp. Voorts is in dit artikel als
begripsbepaling de term uitvoerend orgaan opgenomen, zijnde het orgaan dat
uitvoerder is van een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor
ambtenaren.
Ten slotte leek het gewenst om ook het
begrip inrichting, dat in artikel 7 [8]
van het ontwerp nader gestalte krijgt,
in de begripsbepalingen op te nemen.
Artikel
1 [1], tweede en derde lid
Bepalingen als vervat in het tweede en derde lid komen ook voor in de
Algemene Ouderdomswet en in de Algemene
Kinderbijslagwet. Zij strekken
ertoe gehuwden die van tafel en bed gescheiden of die zonder van tafel en
bed gescheiden te zijn in feite duurzaam gescheiden van elkaar leven, als
ongehuwde personen aan te merken.
Dit onderscheid is van belang voor de
premiebetaling (hoofdstuk IV).
Artikel 2
[2]
Zoals in het algemeen
deel van deze memorie in hoofdstuk 1 reeds werd uiteengezet, zulks onder
meer met verwijzing naar de op 24 augustus 1962 tot de Sociaal-Economische Raad
gerichte adviesaanvrage inzake het op langere termijn te voeren socialezekerheidsbeleid, dient een voorziening van zware geneeskundige risico's
zich in het kader van een volksverzekering uit te strekken tot de gehele
bevolking.
Gelijk bekend, is voor de
volksverzekeringswetten het begrip "ingezetenschap" het juridisch
uitgangspunt voor de verplichte verzekering. Ook voor het onderhavige
wetsontwerp is dit het uitgangspunt. De overeenkomstige bepaling is in de Algemene
Ouderdomswet vervat in artikel 2.
Artikel 3
[3]
Bepalingen als
vervat in de verschillende leden van artikel
3 [3], waarbij nader wordt
aangegeven op welke wijze de woonplaats wordt bepaald, komen eveneens voor
in de overige volksverzekeringswetten. De overeenkomstige bepaling is in de Algemene
Ouderdomswet vervat in artikel
3.
Artikel 4
[4]
In
hoofdstuk 2 van
het algemeen deel van deze memorie hebben de ondergetekenden de opvattingen
weergegeven van de verschillende adviescolleges over de uitvoering van een
volksverzekering zware geneeskundige risico's. Met name de Ziekenfondsraad
en de Sociaal-Economische Raad hebben hieraan uitvoerige beschouwingen
gewijd.
Er bestaat een communis opinio dat voor
wat betreft de heffing en de invordering der premies het bij de
volksverzekeringen gebruikelijke systeem - te weten heffing en invordering door de
Rijksbelastingdienst
- moet worden gevolgd. Dit wordt
in het laatste gedeelte van artikel 4
[4] geregeld.
Voor wat betreft de overige werkzaamheden verbonden aan de uitvoering van
de wet, bestaat er in grote
lijnen overeenstemming tussen de gedachten van de Ziekenfondsraad en de
Sociaal-Economische Raad. Beide colleges brengen tot uitdrukking dat het
gewenst is voor de uitvoering van een volksverzekering zware geneeskundige
risico's aansluiting te zoeken bij het patroon van de georganiseerde
gezondheidszorg in ons land. Dit houdt in dat de groepen van instellingen
welke thans reeds zijn betrokken bij de verzekering rblz.|24
r.k.|
zware geneeskundige risico's, te weten
ziekenfondsen en ziektekostenverzekeringsinstellingen, bij de uitvoering
van deze wet
moeten worden betrokken.
Uit de uitgebrachte adviezen blijkt dat
de genoemde instellingen zelf hiertoe de wens te kennen hebben gegeven.
Overigens zijn er nog andere overwegingen om een dergelijk systeem van
wetsuitvoering voor te staan, gezien de samenhang welke uit de aard der
zaak bestaat tussen een voorziening van zware geneeskundige risico's en de
door de bedoelde instellingen reeds uitgevoerde verzekeringen.
Algemeen gaat men er ook van uit dat een verzekerde die hetzij bij een ziekenfonds of een
ziektekostenverzekeringsinstelling voor de niet-zware risico's is
verzekerd, voor de zware risico's bij dezelfde instelling verzekerd zal
dienen te zijn.
Zowel de Ziekenfondsraad als de
Sociaal-Economische Raad geven er blijk van een open oog te hebben voor de
problemen welke kunnen zijn verbonden aan het inschakelen van een
hoeveelheid van uitvoeringsorganen wanneer men het totale aantal
ziekenfondsen en ziektekostenverzekeringsinstellingen in aanmerking neemt.
Zij het met enige nuances, bepleiten de genoemde colleges, mede uit een
oogpunt van gelijke behandeling van de verzekerden, naast een
gedecentraliseerde uitvoering ook een centralisatie van bepaalde
uitvoeringstaken.
In het advies van de Ziekenfondsraad
wordt gesproken van de noodzaak van centraal vastgestelde richtlijnen voor
de uitvoering van de verzekering. In het advies van de Sociaal-Economische
Raad wordt met name gewezen op het erkenningsbeleid, de indicatiestelling en
de tariefsstelling.
De ondergetekenden, de gedane suggesties
overwegende, menen dat er inderdaad alle reden is om voor het
verwezenlijken van de aanspraken welke voor de verzekerden uit de regeling
voortvloeien de ziekenfondsen en de ziektekostenverzekeraars in te
schakelen. Voorts dienen uiteraard de uitvoerende organen van de ambtelijke
ziektekostenregelingen voor degenen die deelnemer zijn aan een dergelijke
ziektekostenregeling, bij de uitvoering van de onderhavige verzekering te
worden ingeschakeld. In hun gedachtengang zijn de ziekenfondsen die voor de
uitvoering van de Ziekenfondswet
als zodanig zijn toegelaten, van
rechtswege uitvoeringsorganen voor de onderhavige verzekering. De
ziektekostenverzekeraars moeten, wanneer zij de in de onderhavige wet
geregelde verzekering willen uitvoeren, toelating vragen. De uitvoerende
organen van de publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren zijn
na aanmelding bij de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid betrokken
bij de uitvoering.
Aldus is, naar het gevoelen van de
ondergetekenden, voor wat betreft taken welke zich voor een
gedecentraliseerde uitvoering lenen, voorzien op een wijze welke aansluit
op het patroon van de bestaande organisatie van de gezondheidsverzorging.
Dat voor de daarvoor in aanmerking
komende taken de Ziekenfondsraad als centrale instantie bij de uitvoering
wordt betrokken, ligt voor de hand. Elders in deze memorie komen de
ondergetekenden bij de toelichting op de verschillende artikelen nog te
spreken over de taakverdeling tussen de ziekenfondsen, de
ziektekostenverzekeraars, de uitvoerende organen en de Ziekenfondsraad.
Artikel 5
[5]
Uit de reeds eerder
in deze memorie gereleveerde keuze van het systeem van de volksverzekeringswetten als
één van de beide pijlers waarop het wetsontwerp rust,
vloeit voort dat de kring der verzekerden, welke immers in beginsel het
gehele Nederlandse volk omvat, wordt bepaald door het ingezetenschap. Ook
op dit stuk is nauwe aansluiting gezocht bij de overige
volksverzekeringswetten. Verwezen moge worden voor wat betreft de Algemene
Ouderdomswet naar artikel 6 [6]. Ook overigens bevatten de verschillende leden
van artikel 5 [5]
bepalingen welke ter nadere uitwerking c.q. beperking van de
kring der verzekerden in de socialevolksverzekeringswetten gebruikelijk
zijn. De ondergetekenden merken, in aansluiting rblz.|25
l.k.|
op hetgeen in
hoofdstuk 4 werd vermeld,
nog op dat voor het onderhavige wetsontwerp de kring der verzekerden niet
wordt beperkt door een leeftijdsgrens, hetzij naar boven, hetzij naar
beneden. Het uitgangspunt van de onderhavige voorziening, waaromtrent
elders in de memorie uitvoeriger beschouwingen zijn gegeven, brengt dit met
zich mede.
Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat
uit het uitgangspunt van de onderhavige verzekering eveneens voortvloeit
dat ook het overheidspersoneel niet van de werking van de onderhavige
regeling is uitgezonderd. Het wetsontwerp houdt er overigens rekening mee
dat voor het overheidspersoneel in het kader van de rechtspositieregelingen
publiekrechtelijke ziektekostenregelingen zijn tot stand gekomen, zoals
I.Z.A.-regelingen, I.Z.R.-regelingen, het Besluit Geneeskundige Verzorging
Politie 1958, Besluit geneeskundige voorziening Noodwachters, terwijl voor
het rijkspersoneel een ontwerp van wet Ziektekostenvoorziening Ambtenaren
(gedrukte stukken 8336) bij de Staten-Generaal is aanhangig gemaakt. Het is
duidelijk dat de verstrekkingen krachtens deze verschillende regelingen
aangepast zullen moeten worden aan de voorzieningen welke ingevolge het
onderhavige wetsontwerp zullen worden verstrekt. Hierin zal voor wat
betreft de Wet Ziektekostenvoorziening Ambtenaren door middel van een nota
van wijziging worden voorzien. De uitvoerende diensten van de verschillende
ziektekostenregelingen zullen als uitvoerders van de onderhavige verzekering
optreden voor degenen die deelnemer zijn aan de desbetreffende
ziektekostenregeling.
Artikel 6
[6]
In het algemeen deel
van deze memorie hebben de ondergetekenden uitvoerig de opvatting
weergegeven van de verschillende adviescolleges welke hun oordeel hebben
gegeven over de omvang van het verstrekkingenpakket van de onderhavige
voorziening. De ondergetekenden deelden mede van gevoelen te zijn dat de
ontwikkeling van het verstrekkingenpakket van de onderhavige wettelijke
regeling zich geleidelijk zal voltrekken.
Zoals elders in deze memorie werd
uiteengezet, kunnen zij zich in grote lijnen wel verenigen met de
opvattingen zoals die bij de verschillende maatschappelijke organen blijken
te leven ten aanzien van de zogenaamde intramurale voorzieningen. Dit neemt
niet weg dat de ondergetekenden - zij bespraken dit ook reeds - extramurale voorzieningen op
zichzelf wel als een object van een
verzekering zware geneeskundige risico's zien. Voorshands echter zou bij de
geleidelijke ontwikkeling van het verstrekkingenpakket de werking van de wet
zich dienen te richten op de intramurale voorzieningen.
De gedachten welke de
ondergetekenden omtrent het object der verzekering ten principale hebben,
is neergelegd in het bepaalde bij het eerste lid van artikel
6 [6]. De daar gekozen omschrijving is ruim. Vervolgens is in het tweede lid van
genoemd artikel bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aard, inhoud en omvang van de verstrekkingen worden aangegeven.
Daarbij is vastgelegd - een dergelijk systeem is ook in de
overeenkomstige bepaling in de Ziekenfondswet
gevolgd - dat het
verstrekkingenpakket in ieder geval bepaalde voorzieningen zal moeten
bieden. In ieder geval zal als verstrekking dienen te worden opgenomen de
verpleging en behandeling in een ziekenhuis indien en voor zover deze een
periode van één jaar te boven gaat en verzorging, verpleging en
behandeling in verpleeginrichtingen. Andere categorieën van inrichtingen
zullen bij ministeriële beschikking worden aangewezen. De ondergetekenden
denken hierbij bijvoorbeeld aan zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen voor
lichamelijk en zintuiglijk gebrekkigen e.d.
De ondergetekenden zien dit als een
kwestie van uitwerking, waarbij uiteraard in belangrijke mate inspraak zal
worden gegeven aan de betrokken adviescolleges en deskundigen. Naar hun
wijze van zien dient de wet de gelegenheid te bieden tot het realiseren van
de voorzieningen welke uit een oogpunt van een goede gezondheidsvoorziening
voor zware geneeskundige risico's noodzakelijk zijn.
Daartoe is een raamwetgeving verkozen,
waarbij de nadere uitwerking wordt gedelegeerd aan uitvoeringsmaatregelen,
zij het - de ondergetekenden releveerden het reeds - dat het rblz.|25
r.k.|
minimumverstrekkingenpakket in de wet
wordt aangegeven.
Het bepaalde in het derde lid van artikel 6
[6] werd reeds
toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, waar in paragraaf
4.2 de raakvlakken met andere beleidssectoren werden besproken.
In het algemeen deel van deze memorie
schonken de ondergetekenden eveneens reeds aandacht aan de opname-indicaties welke zullen moeten worden gehanteerd. Het is duidelijk
dat niet langer zal kunnen worden volstaan met het criterium van de "medische indicatie". Terecht hebben zowel de
Centrale Raad voor de
Volksgezondheid als de Sociaal-Economische Raad
op dit belangrijke aspect
gewezen. Uiteraard is ook het stellen van de juiste indicatienormen een
kwestie van nadere uitwerking.
In het kader van de in hun gedachtengang
noodzakelijk ruime omschrijving, welke in het eerste lid van artikel 6
[6] is
gevolgd, wordt gesproken van "verstrekkingen ter voorziening in de
geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging" van de
verzekerden.
Reeds eerder in deze memorie noemden de
ondergetekenden het noodzakelijk dat de revalidatie uitdrukkelijk zou zijn
begrepen in het verstrekkingenpakket van de onderhavige verzekering. Ook dit
wordt in het genoemde lid tot uitdrukking gebracht. Teneinde misverstand te
voorkomen, herhalen de ondergetekenden dat, uitgaande van deze ruime
omschrijving, niet de gedachte moet postvatten als zou bijvoorbeeld de
revalidatie in volle omvang met alle daaraan verbonden facetten door de
ondergetekenden als object van de onderhavige verzekering worden gezien.
Ook hier zal de nadere uitwerking bij algemene maatregel van bestuur moeten
plaatsvinden.
De gedachten van de ondergetekenden gaan
daarbij primair uit naar de voorzieningen welke liggen in het vlak van de
zogenaamde "medische" revalidatie, uiteraard voor zover niet gedekt
door de ziekenfondsverzekering.
In het vorenstaande gebruikten
de ondergetekenden de term "verstrekkingen". Over de betekenis van
het verlenen van verstrekkingen in het kader van de georganiseerde
gezondheidsverzorging in ons land zijn in de memorie van toelichting bij
het ontwerp Ziekenfondswet in paragraaf 5, onder c, uitvoerige beschouwingen
gegeven waarnaar verwezen moge worden. De ondergetekenden menen, zulks ook
in aansluiting op de zienswijze van de verschillende adviescolleges, dat
ook in het kader van de onderhavige voorziening verstrekkingen moeten worden gegeven.
Het is hun bekend dat dit voor
de ziektekostenverzekeraars en voor de uitvoerende organen der
publiekrechtelijke ziektekostenregelingen een novum betekent. Deze immers
vergoeden in het algemeen - voor de ziektekostenverzekeraars op basis van
de polisvoorwaarden - kosten van geneeskundige hulp. Zowel uit een oogpunt
van een goede volksgezondheidsvoorziening als ter wille van gelijke
behandeling van de verzekerden hebben de ondergetekenden gekozen voor een
systeem dat wel wordt aangeduid als het geven van hulp in natura. Dit maakt
het noodzakelijk dat tussen de inrichtingen en medewerkers welke de uit de
wet voortvloeiende verstrekkingen zullen verlenen overeenkomsten zullen
moeten worden gesloten. Elders in het wetsontwerp is dit dan ook bepaald.
De ondergetekenden menen dat uit het sluiten van deze overeenkomsten,
waarbij de contracterende partijen uiteraard over en weer voorwaarden kunnen
stellen, voor de gezondheidszorg in ons land sterke impulsen kunnen uitgaan,
met name wanneer in het kader van deze contracten voorwaarden worden gesteld welke het bereiken van de optimale behandeling van de patiënt
kunnen bevorderen. Naast het erkenningenbeleid ten aanzien van de bij de
onderhavige voorziening betrokken inrichtingen, waarover de ondergetekenden
reeds een beschouwing gaven, zal de noodzaak tot het sluiten van
overeenkomsten als bovenbedoeld in sterke mate het peil van de
gezondheidsvoorziening kunnen bevorderen.
Voor het overige sluit de inhoud van het
onderhavige artikel nauw aan bij het overeenkomstige artikel 8 van de
Ziekenfondswet.
rblz.|26
l.k.|
De ondergetekenden merken nog op dat
slechts die inrichtingen de krachtens het tweede lid van artikel 6
[6] te
verlenen verstrekkingen zullen mogen geven die als zodanig bij
ministeriële beschikking zijn erkend. Het erkenningenbeleid, waaraan in
het algemeen deel van deze memorie reeds uitvoerig aandacht is geschonken,
vindt in de desbetreffende bepaling (in artikel
7 [8]) zijn wettelijke
grondslag.
Evenals de Sociaal-Economische Raad
willen de ondergetekenden in het kader van deze beschouwingen over de
verstrekkingen nog aan tweeërlei aspect aandacht schenken.
Allereerst opent het gekozen systeem de
mogelijkheid om aan verzekerden een behandeling of verzorging te verlenen
die uitgaat boven hetgeen de verzekering verstrekt, bijvoorbeeld bij
verpleging in een hogere klasse. Zoals in het advies van de
Sociaal-Economische Raad wordt aangegeven, zou dit kunnen worden
geëffectueerd door in dergelijke gevallen aan de inrichtingen de kosten te
vergoeden die gemaakt zouden zijn indien aan de verzekerde de door de
verzekering gewaarborgde behandeling of verzorging zou zijn verstrekt. Het
verschil tussen deze kosten en de werkelijke verpleegprijs zou dan door de
verpleegde dienen te worden gedragen.
De Sociaal-Economische Raad heeft in zijn
advies verder nog uitvoerig aandacht geschonken aan de vraag of bij het in
het kader van de volksverzekering te treffen verzekeringsstelsel rekening
zou moeten worden gehouden met de omstandigheid dat in een aantal gevallen
door de verpleging een aanmerkelijke besparing op de kosten van
levensonderhoud zal kunnen ontstaan. In het algemeen zal zich dit kunnen
voordoen bij alleenstaanden, omdat immers bij opneming in een inrichting
veelal de huishouding niet in stand zal behoeven te worden gehouden. Ook
van andere zijde is wel een in aanmerking nemen van deze besparingen
bepleit. De Sociaal-Economische Raad is in zijn advies tot de conclusie
gekomen dat het geen aanbeveling verdient in de onderhavige verzekering
rekening te houden met de eventuele besparingen op kosten van
levensonderhoud.
De besparingen op de kosten van
levensonderhoud zouden zich niet beperken tot een duidelijk af te bakenen
groep van verzekerden, aldus de Sociaal-Economische Raad. Een dergelijke
besparing behoeft verder niet bij alle alleenstaanden op te treden, terwijl
zij zich ook kan voordoen bij gehuwden. Het gevolg hiervan is dat de groep
waar het hier om gaat niet in een algemene omschrijving kan worden gevangen.
Steeds zou een individueel onderzoek nodig zijn of de individuele
omstandigheden van de betrokkene zodanig zijn dat opneming in een
inrichting tot een aanmerkelijke besparing op de kosten van levensonderhoud
zou leiden. Een dergelijke individuele benadering past, naar 's Raads
gevoelen, slechts in een bijstandsregeling, maar niet in een sociale
verzekering.
Hoewel de Regering begrip heeft voor de
overwegingen welke de Sociaal-Economische Raad ten deze heeft laten gelden.
wil zij er ten andere zijde op wijzen dat de besparingen welke hier in het
geding zijn, in een groot aantal gevallen van betekenende omvang zullen
zijn. Er komt bij dat deze besparingen -
vooral bij de bejaarden spreekt
dit heel sterk - veelal ten goede zullen komen aan erfgenamen. Gegeven
het totaal van de sociale lasten, ten aanzien waarvan de ondergetekenden
eerder in deze memorie te kennen gaven dat deze op het ogenblik zijn grens
heeft bereikt, meent de Regering dat deze besparingen wel in aanmerking
moeten worden genomen. In beginsel doet zich tweeërlei mogelijkheid voor om
hiermede rekening te houden, namelijk door het laten verrichten van
bijbetalingen door de verzekerden of het korten op de
socialeverzekeringsuitkering. Voorshands geven de ondergetekenden er de voorkeur
aan de verzekerden te laten bijbetalen. De laatste volzin van het tweede lid
van artikel 6 [6]
opent daartoe de mogelijkheid. De ondergetekenden stellen
zich voor deze aangelegenheid mede te betrekken in de adviesaanvrage welke
zij bij gelegenheid van de indiening van het onderhavige wetsontwerp over
het dragen van eigen risico zullen richten tot de Centrale Raad voor de
Volksgezondheid en de Ziekenfondsraad. Deze kwestie kwam reeds ter sprake
aan het slot van paragraaf 3.1 van deze memorie.
rblz.|26
r.k.|
In het kader van de uitvoering
van rechterlijke uitspraken worden onder verantwoordelijkheid, waaronder
begrepen financiële verantwoordelijkheid (bijvoorbeeld door middel van subsidiering of kostenvergoeding), van de
Minister van Justitie
verstrekkingen verleend als in het eerste lid van artikel 6
[6] bedoeld. In
het algemeen deel van deze memorie is ook dit reeds besproken. Te denken
valt bijvoorbeeld aan ter beschikking van de regering gestelde personen, aan
reclassenten, aan voogdijkinderen. De zorg voor het verlenen van deze
verstrekkingen aan de bedoelde personen is door het rechterlijk ingrijpen
opgedragen aan de genoemde bewindsman. Het geldend maken van de aanspraak
van deze patiënten op het verlenen van verstrekkingen kan vanzelfsprekend
niet aan henzelf worden overgelaten. Inschakeling van de organen waaraan
de uitvoering van de voorgestelde verzekering in het algemeen is
opgedragen, ligt voor het verlenen van de verstrekkingen aan de hier
bedoelde
personen niet voor de hand. Daarom is in het vierde lid van artikel 6
[6] bepaald dat voor de verlening van deze verstrekkingen de in het eerste lid
gegeven regeling niet geldt.
Gelijk bekend, richt de onderhavige
verzekering zich in beginsel tot het gehele volk. Als basis voor deze
verzekering is daarom, conform de overige volksverzekeringen, voorgesteld
het ingezetenschap.
De basis zou tot consequentie kunnen hebben dat buitenlandse personen hun woonplaats naar ons land verleggen
met het oogmerk, na zekere tijd aanspraak op bepaalde verstrekkingen te
kunnen doen gelden. Gezien de kostbaarheid van vele dezer verstrekkingen en
het ontbreken van soortgelijke voorzieningen in de meeste landen, is het
geen irreële veronderstelling dat buitenlandse gezinnen naar ons land
verhuizen teneinde voor een gezinslid aanspraak op verstrekkingen ingevolge deze wet
te claimen.
De ondergetekenden vragen zich af of
zodanige gevallen wel altijd in redelijkheid ten laste van de in deze wet
geregelde verzekering dienen te komen. Enerzijds ligt hun de solidariteit
welke de socialeverzekeringswet dient te kenmerken na aan het hart en
staan zij in het algemeen ook afwijzend ten opzichte van het selecteren van
risico's. Anderzijds kan in gevallen als hierboven bedoeld gesproken worden
van een bewuste antiselectie ten gunste van personen waarvoor de wet niet
is bedoeld.
Naar het oordeel van de ondergetekenden
dient dan ook de mogelijkheid te worden geopend om in bepaalde nauw te
omgrenzen gevallen verstrekkingen niet of niet volledig ten laste van de in
deze wet geregelde verzekering te laten komen. Krachtens het voorgestelde
zesde lid van artikel 6 [6]
zal dan naargelang van de omstandigheden kunnen
worden bepaald dat de verstrekking wordt geweigerd of op een later
tijdstip ingaat, dan wel een hogere bijdrage van de verzekerde wordt
gevorderd. De ondergetekenden stellen zich voor over deze aangelegenheid
advies te vragen aan de betrokken adviesinstanties.
Het bepaalde in het vijfde lid is
opgenomen teneinde het mogelijk te maken, wanneer dit in de praktijk
gewenst blijkt, om na het einde van de verzekering, bijvoorbeeld wegens het
vertrek naar het buitenland, een verstrekking te kunnen voortzetten.
Artikel 7
[8]
Zowel in het
algemeen
deel van deze memorie als bij de toelichting op het vorige artikel
[6] memoreerden de ondergetekenden reeds dat de
inrichtingen welke de
verstrekkingen ingevolge deze wet zullen
verlenen als zodanig moeten zijn
erkend. De desbetreffende regeling is in het onderhavige artikel
uitgewerkt. Bepaald is dat de erkenning bij ministeriële beschikking wordt
verleend, nadat de desbetreffende inrichting een daartoe strekkend verzoek
heeft ingediend. Voor verhoging van de rechtszekerheid zijn in het tweede
lid termijnen genoemd waarbinnen een beslissing ter zake moet worden
genomen. Verder bepaalt dit artikel in het derde lid dat ook voorlopige
erkenningen kunnen worden verleend, dat voorwaarden aan de erkenning kunnen
worden verbonden en dat deze voorwaarden kunnen worden gewijzigd en
ingetrokken en dat nieuwe voorwaarden kunnen worden gesteld. Uiteraard dient
ook een erkenning of een voorlopige rblz.|27
l.k.|
erkenning te kunnen worden ingetrokken.
Hierin voorziet het vierde lid. Het bepaalde in het vijfde lid heeft
betrekking op de inrichtingen vallende onder de verantwoordelijkheid van
het Ministerie van Justitie en betrekking hebbende op zogenaamde
justitiepatiënten. Zoals elders in deze memorie werd uiteengezet, nemen deze
inrichtingen in het kader van de wet
een bijzondere plaats in.
Artikel 8
[9]
In het kader van de
nauwe aansluiting bij de ziekenfondswetgeving bepaalt artikel
8 [9], eerste lid,
dat de verzekerde in de zin van de Ziekenfondswet, die als zodanig bij een
ziekenfonds van zijn keuze is ingeschreven, ook voor de toepassing van de
onderhavige wettelijke regeling als ingeschreven bij dat ziekenfonds geldt.
Hetzelfde is bepaald voor wat betreft de bij een ziektekostenverzekeraar
verzekerde. Voor degene die deelnemer is aan een publiekrechtelijke
ziektekostenregeling voor ambtenaren geldt het deelnemerschap aan de
desbetreffende regeling tevens als inschrijving voor de onderhavige
wet. Het
is duidelijk dat uit de combinatie van de uitvoering van de
ziekenfondsverzekering, ziektekostenverzekering en publiekrechtelijke
ziektekostenregeling met de voorziening zware geneeskundige risico's bij
hetzelfde uitvoeringsorgaan voor dezelfde verzekerde grote voordelen
voortvloeien. Op deze wijze heeft de verzekerde slechts met één instantie
te maken, terwijl de administratieve verwerking uit hoofde van ziekenfonds-
of ziektekostenverzekering, publiekrechtelijke ziektekostenregeling en
volksverzekering zware geneeskundige risico's in hetzelfde administratieve
apparaat plaatsvindt. Bovendien biedt de combinatie grote voordelen in
verband met de vraag of de te verlenen verstrekkingen ten laste van de ene
dan wel van de andere regeling zullen komen. Terecht hebben zowel de
organisaties van de ziekenfondsen als die van de ziektekostenverzekeraars
hierop gewezen. Reeds hebben de ondergetekenden in het algemeen deel van
deze memorie er aandacht voor gevraagd dat hiermede zo dicht mogelijk kan
worden aangesloten bij de werkelijke situatie in het maatschappelijk leven.
Voor zover een persoon noch ingevolge de Ziekenfondswet, noch bij een
ziektekostenverzekeraar of een publiekrechtelijke ziektekostenvoorziening
verzekerd is, zal hij zich voor het verwezenlijken van zijn uit deze wet
voortvloeiende aanspraken tot een ziekenfonds of ziektekostenverzekeraar van
zijn keuze dienen te wenden.
Volledigheidshalve zij aangetekend dat
de in het tweede lid van artikel 8 [9]
voorziene aanmelding ook zal moeten
geschieden in de gevallen waarin een persoon een ziektekostenverzekering
heeft gesloten bij een ziektekostenverzekeringsinstelling welke niet is
toegelaten als ziektekostenverzekeraar in de zin van deze wet. Voor het
overige zijn de bepalingen welke in de verschillende leden van dit artikel
zijn vervat, ontleend aan de overeenkomstige bepalingen van de
Ziekenfondswet, waarvoor naar artikel 5 van die wet moge worden verwezen.
Het bepaalde in het derde lid is opgenomen teneinde zich in de praktijk voordoende moeilijkheden met
betrekking tot de inschrijving te kunnen regelen. Gedacht kan bijvoorbeeld
worden aan het treffen van een regeling voor verzekerden die onbekwaam
zijn om hun uit deze wet voortvloeiende rechten te kunnen uitoefenen. Voorts
zal op grond van deze bepaling een regeling kunnen worden getroffen welke
ertoe strekt dat de personen die tezamen een huishouden vormen zoveel
mogelijk voor de uitvoering van de onderhavige verzekering bij hetzelfde
uitvoeringsorgaan zijn aangesloten. Zo ligt het in de rede dat een voor de
verzekering ingeschreven gehuwde man daarmede ook voorzien heeft in de
inschrijving van zijn echtgenote en kinderen. Een dergelijke regeling sluit
aan bij die ingevolge artikel 4 van de Ziekenfondswet. Ook voor de
niet-ziekenfondsverzekerden kan dit aldus worden geregeld.
Teneinde voor de praktijk van de
uitvoering de mogelijkheid te scheppen tot het maken van uitzonderingen, is
in het derde lid tevens bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur zo nodig afwijkende bepalingen in het leven kunnen worden geroepen.
Artikel 9
[10]
De ondergetekenden
wezen er reeds op dat er in het onderhavige wetsontwerp van is
uitgegaan
dat de rblz.|27
r.k.|
verzekerden zich voor het geldend maken van
hun aanspraken op verstrekkingen moeten wenden tot medewerkende personen of
medewerkende inrichtingen waarmede contracten zijn aangegaan door
ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars of uitvoerende organen. Evenals de Ziekenfondswet
gaat het onderhavige wetsontwerp uit van de vrije keuze ten
aanzien van de medewerker of medewerkende inrichting. Het systeem van de wet
is in dit opzicht geheel gelijk aan het systeem van de Ziekenfondswet. Van
het houden van principiële beschouwingen over de vrije keuze menen de
ondergetekenden zich ontslagen te mogen achten, gezien de aandacht die
hieraan in het kader van de behandeling van de Ziekenfondswet is besteed.
Het feit dat het in bijgaand wetsontwerp
gaat om een volksverzekering maakt een kleine afwijking van de regeling in
de Ziekenfondswet noodzakelijk. Reeds meermalen (onder andere in de toelichting op
artikel 6 [6], vierde lid) is er in deze memorie op
gewezen dat aan bepaalde
categorieën van personen verstrekkingen vallend onder de in het ontwerp
geregelde verzekering worden verleend onder verantwoordelijkheid van de
Minister van Justitie. In het eerste lid van artikel 9
[10] is met zoveel
woorden bepaald dat de algemene regeling voor het geldend maken van de
aanspraak op verstrekkingen door de verzekerde persoonlijk in die gevallen
niet van toepassing is.
In het zesde lid van
artikel 9 [10]
is aangegeven dat het verlenen van deze verstrekkingen beheerst wordt door
de regelingen welke daarvoor elders zijn gegeven. Te denken valt bijvoorbeeld aan
de Beginselenwet voor de Kinderbescherming (Stb. 1961, 403), Beginselenwet
Gevangeniswezen (Stb. 1951, 596), het Psychopatenreglement (Stb.
1928, 386).
Overigens zijn de bepalingen van
artikel
9 [10] materieel gelijk aan die van het overeenkomstige artikel 9 van
de
Ziekenfondswet. Voor zover de verschillende leden van het artikel nog
toelichting zouden behoeven, veroorloven de ondergetekenden zich te
verwijzen naar de toelichting op artikel 9 van de Ziekenfondswet
(blz. 38
van de memorie van toelichting bij het ontwerp van die
wet).
In het vijfde lid is rekening gehouden
met de aard van de inrichtingen waarop de werking van deze
wet zich zal
richten.
Artikel 10
[11]
Dit artikel komt op
vrijwel dezelfde wijze en onder hetzelfde nummer voor in de Ziekenfondswet
en behoeft, onder verwijzing zover nodig naar de
ter zake bij het
ontwerp Ziekenfondswet gegeven toelichting, geen nadere uitleg.
Artikel 11
[12]
Ook dit artikel is
ontleend aan de Ziekenfondswet, waarin het in nagenoeg gelijke
bewoording
als artikel 11 [12] voorkomt.
Artikel 12
[13]
In het eerste lid
wordt geregeld dat bij het vaststellen van een schadevergoeding door de
rechter rekening wordt gehouden met de aanspraken krachtens deze
wet. Een
bepaling van gelijke strekking komt bijvoorbeeld ook voor in artikel 91 van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Het tweede lid bepaalt dat
ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen een
verhaalsrecht kunnen uitoefenen op de schuldige derde.
In het derde lid is bepaald dat in plaats
van het bedrag der verstrekkingen de geschatte geldswaarde ervan kan worden
teruggevorderd. Hierbij kan rekening worden gehouden met hiervoor relevante
factoren.
In het overeenkomstige artikel van de
Ziektewet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze in
het overleg met het parlement zijn vastgesteld, zijn met betrekking tot het
uit te oefenen verhaalsrecht beperkingen aangelegd. Het regres kan slechts
worden uitgeoefend ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde indien het feit
dat aanleiding geeft tot het verlenen van uitkering te wijten is aan opzet
of bewuste roekeloosheid van die werkgever. Hetzelfde geldt ten aanzien van
de verzekerde die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de
verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot
schadevergoeding bestaat.
De ondergetekenden hebben in het kader
van de onderhavige, het gehele volk betreffende, verzekering voorshands rblz.|28
l.k.|
geen aanleiding kunnen vinden om een
dergelijke beperking aan te brengen, het object van de verzekering in
aanmerking genomen.
Artikel 13
[14]
Ook het bepaalde in
artikel 13 [14], voor de onderhavige voorziening mede van toepassing op de
ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen, is ontleend aan het
overeenkomstige artikel 13 van de Ziekenfondswet. Verwijzende voor zoveel
nodig naar de bij de Ziekenfondswet op blz. 38 van de memorie van
toelichting gegeven toelichting, menen de ondergetekenden nog te moeten
releveren dat een stelsel van machtiging voor opneming of behandeling in
dit artikel zijn grondslag zal kunnen vinden.
Artikel 14
[15]
Het lijkt aangewezen
om in het kader van een verzekering welke langdurige en ook vaak kostbare
verstrekkingen zal verlenen de mogelijkheid te openen bij opzettelijk
misbruik tegen de daaraan schuldige de geëigende maatregelen te treffen. In
artikel 61 [70] wordt straf bedreigd tegen
degene die opzettelijk onware opgaven
doet teneinde bepaalde verstrekkingen of vergoedingen te verkrijgen. Naar
het gevoelen van de ondergetekenden dient evenzeer de mogelijkheid te worden
geschapen dat bij ten onrechte genoten verstrekkingen de geldswaarde
daarvan geheel of gedeeltelijk wordt gevorderd. Artikel 14
[15] regelt dit.
Artikel 15
[16]
De inhoud van het
eerste lid van dit artikel is grotendeels gelijk aan het overeenkomstige
artikel 14 uit de Ziekenfondswet. Gelijk bekend, strekt deze bepaling in de
Ziekenfondswet ertoe het mogelijk te maken dat in geval van herverzekering
van risico daaraan een wettelijke grondslag wordt gegeven.
In het algemeen deel van de memorie van
toelichting hebben de ondergetekenden hun standpunt weergegeven met
betrekking tot de sociaal-medische uitvoering van de onderhavige
verzekering. In het kort gezegd was hun opvatting dat overleg zal moeten
worden geopend met alle betrokken instanties, teneinde te komen tot een
goede en gecoördineerde sociaal-medische uitvoering van de
wet, een
samengaan met de Gemeenschappelijke Medische Dienst ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering daarbij inbegrepen. In verband hiermede
leek het de ondergetekende wenselijk dat in afwachting van de resultaten
van het te voeren overleg, in de wet de mogelijkheid zou worden geschapen
ter zake van de sociaal-medische uitvoering tot coördinatie te komen.
Daartoe is de tekst, in vergelijking met de redactie van het overeenkomstige
artikel 14 van de Ziekenfondswet
uitgebreid,
waardoor deze
mede kan dienen tot het regelen van een gecoördineerde sociaal-medische
uitvoering. Uiteraard is het vanzelfsprekend dat wanneer deze bepaling
voor het omschreven doel zal worden toegepast, de Ziekenfondsraad in de
gelegenheid zal worden gesteld hierover te adviseren.
In het tweede lid is een bepaling opgenomen waarin een speciale regeling in het vooruitzicht wordt gesteld
voor controle op de verstrekkingen verleend onder verantwoordelijkheid van
de Minister van Justitie. Deze regeling zal worden vastgesteld door de
eerste ondergetekende in overeenstemming met de Minister van Justitie.
Gedacht wordt aan een regeling die het mogelijk maakt justitiële
inspectieambtenaren mede aan te wijzen voor de controle op de uitvoering
van de onderhavige volksverzekering. Hierdoor wordt een dubbele inspectie,
met mogelijke competentiegeschillen, maar zeker aanleiding gevend tot
dubbel werk, voorkomen.
Artikelen 16 tot en met 23
[17]
De artikelen
van de hoofdstukken IV en V van
het wetsontwerp handelen over het opbrengen
der middelen en de vrijstelling wegens gemoedsbezwaren. Behoudens een
enkele ondergeschikte afwijking, komen de verschillende artikelen geheel
overeen met de overeenkomstige artikelen van de volksverzekeringswetten.
Opgemerkt zij nog dat, zoals in het
algemeen deel van deze memorie reeds is vermeld, van verzekerden van 65 jaar
of ouder voor de onderhavige voorziening geen premie zal worden geheven,
evenmin als van personen jonger dan 15 jaar. Weliswaar wordt door de
Ziekenfondsraad en de rblz.|28
r.k.|
Sociaal-Economische Raad in hun adviezen tot
uitdrukking gebracht dat de 65-jarigen en ouderen in beginsel in de
premiebetaling zouden moeten worden betrokken, doch de colleges hebben
daarbij geen rekening kunnen houden met de omstandigheid dat de opzet van
de financiering van de onderhavige regeling ten principale anders is
geregeld.
Intussen is in de regeringsverklaring
van 27 april 1965 aangekondigd dat de overheidsbijdragen in de sociale
verzekering verleend zullen worden via de kinderbijslagregelingen. Nu de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's in plaats van de Algemene
Kinderbijslagwet geheel op premiebasis zal worden gefinancierd, ligt het
voor de hand dat de 65-jarigen en ouderen voor wat de premiebetaling betreft niet in een ongunstiger positie mogen komen te verkeren dan wanneer
de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's geheel uit de overheidsgelden
zou worden gefinancierd en de Algemene Kinderbijslagwet uit premiebetaling.
Thans betalen de 65-jarigen en ouderen geen premie ingevolge de algemene
kinderbijslagverzekering. Wil men deze status quo handhaven, dan moeten
vorenbedoelde personen van de premiebetaling van
deze wet worden
vrijgesteld.
Voor het overige menen de
ondergetekenden te kunnen volstaan met de navolgende summiere beschouwing.
Voor wat betreft de inhoud van deze artikelen moge worden verwezen naar de
overeenkomstige artikelen van de volksverzekeringswetten. De
ondergetekenden noemen bijvoorbeeld artikel 26
[-] van de
Algemene Ouderdomswet en de overeenkomstige regeling in
artikel 18 [19]
van de onderhavige wet. Het
vijfde lid van artikel 18 [19]
stemt overeen met de corresponderende regeling in
de volksverzekeringswetten. Hierbij zij aangetekend dat met het voor de
toepassing van artikel 26 [-], vijfde lid, van de
Algemene Ouderdomswet geldende
bedrag wordt bedoeld het bedrag dat met toepassing van het zesde lid van
artikel 26 [-] van de Algemene Ouderdomswet in verbinding met artikel 27
[-] van die
wet is vastgesteld. Artikel 29 [-]
van de Algemene
Ouderdomswet is identiek aan
artikel 20 [21]. De artikelen 30
[-], 31 [-] en 32
[-] van de Algemene
Ouderdomswet zijn
gelijk aan de artikelen 21 [22], 22
[23] en
23 [31]. Met betrekking tot artikel 23
[31] zij nog vermeld dat een bepaling als vervat in het derde
lid op gelijke wijze
voorkomt in het derde lid van artikel 29
[-] van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Artikel 24
[32]
De in het
wetsontwerp opgenomen regeling inzake het verlenen van vrijstelling wegens
gemoedsbezwaren is dezelfde als die welke geldt voor andere volksverzekeringswetten welke een risicoverzekering inhouden. Het systeem
dat hierbij wordt gevolgd, moge bekend worden verondersteld. Evenals bij de
overige volksverzekeringswetten wordt vrijstelling in beginsel door de
Sociale Verzekeringsbank verleend, zij het dat wanneer de Sociale
Verzekeringsbank haar desbetreffende taak aan de Raden van Arbeid heeft
gedelegeerd, het ontwerp in het elfde lid van dit artikel de mogelijkheid
opent om ook voor de onderhavige wet de Raden van Arbeid in te schakelen. In
de bij uitvoeringsmaatregel te geven voorschriften zal worden geregeld op
welke wijze de Ziekenfondsraad, de ziekenfondsen, de
ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen bij de voorbereiding van
het verlenen van een vrijstelling zullen worden betrokken. Het bedrag dat
vanwege de gemoedsbezwaren niet als premie kan worden geheven, wordt als
belastinggeld geïnd. Het Rijk vergoedt het totaal aan wegens
gemoedsbezwaren gederfde premies aan het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige
Risico's.
De ondergetekenden menen er goed aan te
doen nog op te merken dat, zoals in het algemeen met betrekking tot de
voorziening wegens gemoedsbezwaren gebruikelijk is in ons land, een
verleende vrijstelling geen belemmering zal vormen om vrijgestelden
desgewenst aanspraken te doen gelden op de verstrekkingen ingevolge de
verzekering. Wordt hiertoe echter door de van de verzekering vrijgestelden
overgegaan, dan wordt de vrijstelling uiteraard ingetrokken.
Artikelen 25 tot en met 33
[33-41]
In het
algemeen deel van deze memorie hebben de ondergetekenden aandacht geschonken
aan de wijze waarop naar hun mening de onderhavige verzekering zal rblz.|29
l.k.|
dienen te worden uitgevoerd. Zij hebben
zich daarbij voorstanders getoond van het inschakelen van ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen van de
publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren. Voorts hebben
zij een belangrijke taak gegeven aan het college dat, gezien de samenhang
met de ziekenfondsverzekering, daarvoor naar hun gevoelen in aanmerking
komt, te weten de Ziekenfondsraad.
In het onderhavige wetsontwerp was het
niet nodig de toelating van de ziekenfondsen voor de uitvoering van de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's afzonderlijk te regelen.
Uitgangspunt voor de ondergetekenden is geweest dat de ziekenfondsen die
zijn toegelaten tot de uitvoering van de Ziekenfondswet ook zullen optreden
voor de uitvoering van de onderhavige wet. De toelating van de ziekenfondsen
is geregeld in het derde hoofdstuk van de Ziekenfondswet.
Uiteraard was het wel noodzakelijk dat
in het wetsontwerp de toelating van de ziektekostenverzekeraars werd
geregeld. Hoofdstuk VI bevat de daartoe nodige voorzieningen. De
regeling
welke in de verschillende artikelen is vervat, is grotendeels analoog aan
die van de overeenkomstige bepalingen van de Ziekenfondswet
(de artikelen 35 tot en met 38).
Gezien het publiekrechtelijk
karakter van de ambtelijke ziektekostenregelingen was het niet nodig de
desbetreffende uitvoerende organen van de ambtelijke ziektekostenregeling
aan een toelatingsprocedure te binden. Artikel 30
[38] gaat ervan uit dat een instelling die een overheidsziektekostenregeling uitvoert aan de
uitvoering van de onderhavige verzekering deelneemt, na zich daartoe te
hebben aangemeld.
Voor het overige bevat dit
hoofdstuk in de artikelen 29 [37], 31
[39] en
32 [40]
bepalingen als geregeld in het derde hoofdstuk van de Ziekenfondswet
ten aanzien van de uitvoering van de
ziekenfondsverzekering door de ziekenfondsen en voor de onderhavige
voorziening voor zoveel nodig geldende zowel voor de ziekenfondsen als voor
de ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen. Genoemd mogen worden
bepalingen inzake wijziging van statuten en reglementen en het doen van
mededeling aangaande belangrijke besluiten (vergelijk artikel 38 van de
Ziekenfondswet), het geven van inlichtingen (vergelijk
artikel 39 van de Ziekenfondswet) alsmede de bevoegdheid van de Ziekenfondsraad tot het
stellen van regelen aangaande de administratie, jaarverslagen en
arbeidsvoorwaarden van het personeel (artikel 40 van de
Ziekenfondswet).
In hoofdstuk 4 van deze memorie wezen de
ondergetekenden er reeds op dat ook met betrekking tot het hebben van
eigen instellingen, het deelnemen in bedrijven en het leveren van kunst- en
hulpmiddelen bepalingen gelden welke ook in de Ziekenfondswet zijn vervat
en welke in het kader van de onderhavige voorziening in gelijke mate van
toepassing zijn op de ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en uitvoerende
organen (artikel 33 [41]).
De ondergetekenden achten het gewenst
dat de Ziekenfondsraad optreedt als toezichthoudend orgaan bij de
uitvoering van de onderhavige verzekering ook voor wat betreft de toegelaten
ziektekostenverzekeraars. Zulks vloeit voort uit het eigen karakter van de
onderhavige verzekering, die verschilt van een schadeverzekering. Om deze
reden is onder de overgangsbepalingen voorgesteld dat de Wet op het
schadeverzekeringsbedrijf niet van toepassing is op ondernemingen die voor
de uitvoering van de onderhavige wet zijn toegelaten, uiteraard alleen
voor zoveel de uitvoering van de onderhavige wet betreffende. Het ligt in
de rede dat de Ziekenfondsraad voor de onderhavige verzekering ook toezicht
uitoefent op de uitvoerende organen van de overheidsziektekostenregelingen.
Artikelen 34 tot en met 39
[42-47]
De ondergetekenden hebben in het algemeen deel van deze
memorie in hoofdstuk
4, waar het systeem van het wetsontwerp is uiteengezet, en in hoofdstuk
5,
betreffende de sociaal-medische aspecten daarvan, er reeds de aandacht op
gevestigd dat voor de uitvoering van de onderhavige verzekering tussen de
medewerkende personen en inrichtingen en de ziekenfondsen,
ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen overeenkomsten zullen moeten
worden rblz.|29
r.k.|
aangegaan betreffende de vormen van hulp,
bedoeld in de uitvoeringsmaatregel op grond van artikel 6
[6] van het
wetsontwerp. In de toelichting op artikel 6 [6]
schonken de ondergetekenden
reeds aandacht aan de samenhang welke er bestaat tussen de regeling van de
aard, inhoud en omvang van de verstrekkingen en de wijze waarop de personen
en inrichtingen die het verlenen van deze verstrekkingen mogelijk moeten
maken in het kader van daartoe aan te gane overeenkomsten, hierbij worden
betrokken.
De ondergetekenden mogen in herinnering brengen dat in het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het
ontwerp Ziekenfondswet - in paragraaf 5, onder g - een uitvoerige
beschouwing is gewijd, ook in historisch perspectief, aan de verhouding
tussen de ziekenfondsen en de aan de ziekenfondsverzekering medewerkende
personen en inrichtingen. In deze beschouwing, waarnaar voor zoveel nodig
moge worden verwezen, komt de grote betekenis van de overeenkomsten voor de
georganiseerde gezondheidsverzorging in ons land duidelijk naar voren. Een
enkel aspect hiervan zij genoemd. Het is allereerst duidelijk dat deze
overeenkomsten het de verzekeringsinstanties mogelijk maken in het kader van
de contracten tot bepaalde afspraken te komen welke ook kwesties kunnen
betreffen die niet direct met de honorering samenhangen. Dit moet van grote
betekenis worden geacht. Aan de andere kant verschaffen de overeenkomsten
aan de medewerkende personen en inrichtingen de zekerheid, een garantie zo
men wil, van betaling. Vooral voor die sectoren waarop zich de
volksverzekering zware geneeskundige risico's, naar valt te voorzien,
goeddeels zal richten, is het van grote betekenis dat de desbetreffende
inrichtingen verzekerd kunnen zijn van de verpleegprijs.
De ondergetekenden onderschrijven in dit
opzicht geheel de zienswijze van degenen die van oordeel zijn dat door het
creëren van dit element van rechtszekerheid noodzakelijke voorzieningen
zullen worden tot stand gebracht in sectoren welke in onze
gezondheidsverzorging zijn achtergebleven of nauwelijks dan wel moeizaam tot
ontwikkeling zijn gekomen. In dit verband willen de ondergetekenden niet
onvermeld laten dat zij nota hebben genomen van de uitspraak in het advies van de
Sociaal-Economische Raad dat het gewenst is de bemoeiingen
krachtens de Wet ziekenhuistarieven uit te breiden tot de daarvoor in
aanmerking komende inrichtingen welke in het kader van de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's tot ontwikkeling zullen komen. Het wil de
ondergetekenden voorkomen dat de door de Sociaal-Economische Raad gedane
suggestie overweging verdient. Gelijk bekend, opent artikel 1, tweede lid,
van de Wet ziekenhuistarieven daartoe op eenvoudige wijze de mogelijkheid.
Het lijkt nauwelijks nodig te vermelden dat, alvorens tot de bedoelde
aanvulling van de werking van de Wet ziekenhuistarieven wordt overgegaan,
overleg zal worden gevoerd, onder meer met de daarbij betrokken
organisaties van inrichtingen.
Een aspect waarop de ondergetekenden nog
de aandacht willen vestigen, betreft de omstandigheid dat bij het sluiten
van overeenkomsten ter uitvoering van de in het voorliggende wetsontwerp
geregelde verzekering, naast de ziekenfondsen ook de
ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen als contracterende partij
zullen optreden.
De ondergetekenden gewaagden hier reeds
van bij de toelichting op artikel 6 [6]. Hier zouden zij er nog op willen
wijzen dat door deze gang van zaken de ziektekostenverzekeraars en
uitvoerende organen meer direct bij het werk van de georganiseerde
gezondheidsverzorging in ons land worden betrokken, een noodzakelijkheid
overigens naar het gevoelen van de ondergetekenden wanneer men in
aanmerking neemt dat ruw genomen een vierde gedeelte van de Nederlandse
bevolking door tussenkomst van de ziektekostenverzekeringsinstellingen en
publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren dekking heeft
gevonden voor de kosten van geneeskundige verzorging.
De ondergetekenden verheugen zich erover
dat de ziektekostenverzekeraars er blijk van hebben gegeven ten volle
rblz.|30
l.k.|
bereid te zijn hun medewerking te dezen te
verlenen. Ook nog op andere wijze zullen de organisaties van
ziektekostenverzekeraars worden ingeschakeld, namelijk doordat zij zullen
worden vertegenwoordigd in de Ziekenfondsraad, als bedoeld in de
onderhavige wet.
Ook de uitvoerende organen van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren hebben er, na
door de Minister van Binnenlandse Zaken hierover te zijn gehoord, gaarne
mede ingestemd op de in de wet geregelde wijze bij de uitvoering ervan te
worden betrokken. Het is, zoals elders in deze memorie wordt medegedeeld, de
bedoeling ook een vertegenwoordiging van de overheidsziektekostenregelingen
op te nemen in de Ziekenfondsraad, als bedoeld in de onderhavige wet.
Wat de inhoud van de verschillende
artikelen betreft, zij opgemerkt dat de verschillende bepalingen nagenoeg
gelijk zijn aan de corresponderende artikelen 44
tot en met 49 van de
Ziekenfondswet.
Voor zover de artikelen nog toelichting behoeven, veroorloven de
ondergetekenden zich te verwijzen naar de ter zake in het kader van de
memorie van toelichting bij het ontwerp Ziekenfondswet gegeven uitleg.
De ondergetekenden mogen er nog op wijzen dat voor wat betreft de goedkeuring van de in het ontwerp van wet
voorziene contracten de goedkeuringsprocedure wordt voorgesteld welke bij
de behandeling van het ontwerp Ziekenfondswet voor wat betreft de het
ziekenfondswezen rakende overeenkomsten in het overleg met de
Staten-Generaal is tot stand gekomen en welke in artikel 46 van de
Ziekenfondswet
is geregeld. De gekwalificeerde meerderheid welke is
vereist, is aangepast aan de uitbreiding welke de Ziekenfondsraad zal
ondergaan voor de uitoefening van zijn uit de onderhavige wet voortvloeiende
taak.
Ter afsluiting van de toelichting op dit
hoofdstuk van het ontwerp van wet nog een opmerking in verband met de daarin opgenomen speciale regeling voor
verstrekkingen verleend onder
verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie.
In het algemeen deel van deze memorie van
toelichting op artikel 6 [6]
[zie paragraaf 4.2, red.] is er reeds op
gewezen dat in deze speciale
regeling, zoals men zou kunnen zeggen, het Ministerie van Justitie voor deze
verstrekkingen wordt aangewezen als uitvoeringsorgaan van de voorgestelde
verzekering. Deze verstrekkingen worden verleend krachtens de daarvoor
bestaande regelingen. Hierop is in de toelichting op artikel 9
[10] nader
ingegaan.
Het spreekt dus vanzelf dat ten aanzien
van deze verstrekkingen geen overeenkomsten als bedoeld in dit hoofdstuk
van het ontwerp van wet behoeven te worden gesloten. In de tweede zin van
het eerste lid van artikel 34 [42]
is dit met zoveel woorden aangegeven. Deze
afwijkende regeling heeft uiteraard alleen betrekking op de onder
verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie verleende verstrekkingen.
Artikelen 40 tot en met 43
[48-51]
Elders in
deze memorie hebben de ondergetekenden reeds als hun zienswijze te kennen
gegeven dat als toezichthoudend orgaan op de in het voorliggende
wetsontwerp geregelde verzekering zou dienen op te treden de
Ziekenfondsraad. Met name wordt in de adviezen welke door de
Ziekenfondsraad en door de Sociaal-Economische Raad
zijn uitgebracht,
gewezen op de grote samenhang welke er bestaat tussen de taak van de
Ziekenfondsraad bij de uitvoering van de ziekenfondsverzekering en die van
het overeenkomstige college dat toezicht zal moeten houden op de uitvoering
van de volksverzekering zware geneeskundige risico's. De ondergetekenden
onderschrijven geheel deze opvatring dat hier een zeer nauwe samenhang
aanwezig is.
Dit kan naar hun gevoelen worden bereikt
door niet alleen hetzelfde bureau als secretariaat voor beide organen te
laten functioneren, maar ook de beide colleges zoveel mogelijk te laten
samenvallen.
Hoewel hierbij verschillende constructies
denkbaar zijn, achten de ondergetekenden het het meest gewenst dat de Ziekenfondsraad, voorzien in de Ziekenfondswet, optreedt als toporgaan
voor de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's, zij het met een zekere
aanpassing.
rblz.|30
r.k.|
De ondergetekenden achten het namelijk redelijk dat allereerst aan de organisaties van de
ziektekostenverzekeraars, welke immers bij de uitvoering van deze wet zijn
betrokken, plaats wordt ingeruimd bij het uitoefenen door die Raad van zijn
taken bij de uitvoering van de onderhavige wet.
Hetzelfde geldt voor een
vertegenwoordiging uit de uitvoerende organen van de
overheidsziektekostenregelingen.
Ten slotte ware aan vertegenwoordigers
van personen en inrichtingen die meer in het bijzonder zijn betrokken bij
het verlenen van de krachtens de onderhavige wet vast te stellen
verstrekkingen (waarbij de ondergetekenden denken aan organisaties van
bepaalde categorieën van inrichtingen, bijvoorbeeld voor geestelijk
mindervaliden)
plaats in te ruimen in de Ziekenfondsraad. Het bepaalde in het tweede lid
van artikel 40 [48]
voorziet hierin.
De ondergetekenden menen dat aldus op
eenvoudige en doeltreffende wijze een toporgaan in het leven wordt geroepen
dat in het licht van de samenhang waarvan werd gesproken zijn taak ten
volle tot haar recht kan laten komen. Dat uiteraard aan de Ziekenfondsraad
ook het uitbrengen van adviezen over onderwerpen welke de in deze wet
geregelde verzekering raken, moet toevallen, ligt voor de hand.
Bepaald is voorts dat artikelen
uit de Ziekenfondswet betrekking hebbende op de
Ziekenfondsraad ook voor
de toepassing van de onderhavige wet gelden. Verwezen moge worden naar de
artikelen 40 [48] en 41
[49] van het ontwerp van
wet. Eenvoudigheidshalve vond daarbij
in een aantal gevallen verwijzing plaats naar de corresponderende artikelen
van de Ziekenfondswet door deze van overeenkomstige toepassing te verklaren
voor de Algemene Wet Zware Geneeskundige
Risico's. Nog zij aangetekend dat
artikel 43 [51] voorziet in de instelling van een Algemeen Fonds Zware
Geneeskundige Risico's, een fonds te vergelijken met andere socialeverzekeringsfondsen waarin de geldmiddelen voor de onderhavige verzekering
[lees: voor de betreffende verzekering, red.]
worden gestort. Het ligt voor de hand dat de Ziekenfondsraad belast zal
zijn met het beheer van dit fonds. De Raad is daarbij verantwoordelijk en
rekenplichtig aan de Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid, die de
bevoegdheid heeft zo nodig aan de Raad aanwijzingen te geven inzake het te
voeren beheer. Gelijk bekend, heeft bij de parlementaire discussie over het ontwerp
Ziekenfondswet de samenstelling van de Ziekenfondsraad een
belangrijke rol gespeeld. Van de kant van de eerste ondergetekende is toen
gewezen op het belang dat hij hechtte aan een scheiding van beheer en
controle. In dit kader is in de loop van de parlementaire behandeling in
artikel 72 van de Ziekenfondswet voorzien in de mogelijkheid van het
instellen van een college dat toezicht kan uitoefenen op het door de
Ziekenfondsraad gevoerde beheer. De ondergetekenden menen dat het op grond van gelijke overwegingen gewenst is ook voor wat betreft het
beoordelen van het ter zake van de uitvoering van de Algemene Wet Zware
Geneeskundige Risico's gevoerde beheer het college als bedoeld in artikel
72 van de Ziekenfondswet in te schakelen.
Artikel 44
[52]
Artikel 44
[52] regelt op
overeenkomstige wijze als artikel 73 van de Ziekenfondswet
met betrekking
tot de Algemene Kas van de ziekenfondsverzekering, waartoe de middelen van
het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's moeten worden aangewend.
Artikel 45
[53]
Artikel 45
[53] houdt een bepaling in, welke ook in overige socialeverzekeringswetten voorkomt, dat met
betrekking tot het beleggen van de gelden van het fonds der verzekering bij
uitvoeringsmaatregelen voorschriften kunnen worden gegeven.
Het bepaalde bij artikel 46
[54] is
ontleend aan artikel 19 van de Ziekenfondswet. In de hier bedoelde algemene
maatregel van bestuur zal een regeling worden opgenomen voor de vergoeding
van kosten voor verstrekkingen, als bedoeld in het vierde lid van artikel
6 [6],
rechtstreeks aan het Ministerie van Justitie.
Artikelen 47
[56] en
48
[57]
De artikelen 47
[56] en
48 [57]
zijn
ontleend aan hoofdstuk VI van de Algemene
Ouderdomswet, betrekking hebbende
op het rblz.|31
l.k.|
verstrekken van inlichtingen aan
de instanties die deze voor de uitwerking van deze wet behoeven.
Artikelen 49 tot en met 55
[58-64]
Gelijk
bekend, is één van de belangrijke verbeteringen welke in het kader van de Ziekenfondswet
in het ziekenfondsrecht tot stand is gekomen de mogelijkheid dat in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen
administratiefrechtelijk beroep kan worden ingesteld.
Uitvoerige beschouwingen over
deze zaak zijn gegeven in de memorie van toelichting bij het
ontwerp Ziekenfondswet. Verwezen moge worden, voor zoveel nodig, naar de
bladzijden 33 en 34 van genoemde memorie, ook voor wat betreft de meer
principiële aspecten van deze aangelegenheid.
Evenals bij de verplichte
verzekering ingevolge de Ziekenfondswet, is in de daarvoor in aanmerking
komende gevallen de mogelijkheid geopend tot het instellen van beroep bij
de raden van beroep en bij de Centrale Raad voor Beroep (artikel
50 [59+61]).
Onder de beslissingen
betreffende het verlenen van een verstrekking vallen ook de beslissingen,
bedoeld in artikel 9 [10], vierde lid, betreffende de toestemming aan een
verzekerde voor het geldend maken van zijn recht op een verstrekking.
In analogie met andere
volksverzekeringswetten opent het vierde lid van artikel 50
[59+61] voor de daarvoor
in aanmerking komende gevallen de mogelijkheid van het instellen van beroep
in cassatie.
Het bepaalde in artikel 52
[-] houdt
verband met de wijze van premieheffing zoals deze in het ontwerp van wet is
geregeld. namelijk door inschakeling van de belastingdienst. Analoge
regelingen zijn bekend uit de overige volksverzekeringswetten.
Evenals in de Ziekenfondswet is
ook in het onderhavige wetsontwerp een voorziening getroffen voor geval van
geschil tussen de Ziekenfondsraad en een ziekenfonds, een
ziektekostenverzekeraar of een uitvoerend orgaan dan wel tussen de genoemde
verzekeringsinstellingen en de Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid. Gewezen moge worden op geschillen voortvloeiende uit de
artikelen 7 [8], 25
[33], 26
[34],
27 [35], 34
[42],
37 [45]
en 39 [47]. In deze gevallen is beroep op de
Kroon mogelijk ingevolge het bepaalde bij artikel
53 [-].
In geval van geschillen
voortvloeiende uit de artikelen 37 [45]
en
38 [46]
kan de beslissing worden ingeroepen
van de Ziekenfondsraad. Hierin voorziet het bepaalde in artikel
55 [64], dat is
ontleend aan artikel 79 van de Ziekenfondswet.
Uiteraard dient ook, zij het als
ultimum remedium, in de onderhavige wet de mogelijkheid te bestaan van
schorsing en vernietiging van besluiten wegens strijd met de wet op het
algemeen belang [lees: of het algemeen belang, red.]. Ook in de Ziekenfondswet is hierin in de
artikelen 81 tot en met 83
voorzien.
Artikel 56
[65]
Artikel 56
[65] verklaart deze
artikelen van de Ziekenfondswet van overeenkomstige toepassing voor
de
onderhavige wet.
Artikelen 57 tot en met 67
[66-76]
Hoofdstuk XI
bevat de strafbepalingen. In analogie aan de Ziekenfondswet
is strafbaar
gesteld het optreden als ziekenfonds, ziektekostenverzekeraar of uitvoerend
orgaan in de zin van deze wet wanneer dit niet is toegestaan {artikel
57 [66]),
alsmede het door deze instellingen verrichten van werkzaamheden welke hun
niet zijn toegestaan (artikel 58 [67]).
In nauwe aansluiting aan de
vorige [lees: overige, red.] volksverzekeringswetten is het niet verstrekken van inlichtingen en
gegevens strafbaar gesteld (artikel 59
[68]), alsmede het opzettelijk verstrekken
van verkeerde inlichtingen en opgaven (artikelen 60
[69] en
61 [70]). Deze laatste
twee strafbare feiten worden als misdrijf beschouwd, evenals schending van
de geheimhoudingsplicht (artikel 66 [75]). De overtreding van bepalingen van
algemene maatregelen van bestuur (artikel
62 [71]) en de vorige hiervoren
vermelde strafbare feiten worden beschouwd als overtredingen (artikel
67 [76]).
Artikel 63
[72] bevat een regel voor
het geval het strafbare feit door een rechtspersoon wordt begaan. De
naleving en opsporing zijn geregeld in de artikelen 64
[73] en
65 [74].
rblz.|31
r.k.|
Artikelen 68 tot en met 73
[77--]
Ten dele zijn
deze artikelen ontleend hetzij aan de Ziekenfondswet, hetzij aan de Algemene
Ouderdomswet. Artikel 68 [77]
komt als
artikel 93 in de Ziekenfondswet
voor; artikel 69 [-] als artikel
101: artikel 70 [-] als artikel
7. Een bepaling als
vervat in artikel 71 [-] is ontleend aan artikel 65
[-] van de
Algemene Ouderdomswet.
In artikel 72
[-] wordt voorgesteld
dat uit het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's jaarlijks een bedrag
van ƒ10 mln zal worden gestort in het Praeventiefonds. Naar aanleiding
hiervan mogen de ondergetekenden opmerken dat bij de instelling zowel van
het vroegere Prophylaxefonds, dat gevoed werd door bijdragen van de ziekengeldverzekering, als van het
tegenwoordige Praeventiefonds, waarin
de verplichte ziekenfondsverzekering jaarlijks een bijdrage stort, is
uitgegaan van de gedachte dat het in de rede ligt van de op te brengen
middelen van respectievelijk de ziekengeld- of ziekenfondsverzekering
een gedeelte te reserveren voor meer algemene doeleinden, respectievelijk
ter voorkoming van ziekten of ter bevordering van de gezondheid.
De eerste ondergetekende heeft
op 31 oktober 1962 over een verhoging van de bijdrage van de verplichte
ziekenfondsverzekering aan het Praeventiefonds advies gevraagd aan de Sociaal-Economische Raad. Aanleiding tot deze adviesaanvrage was het
overwegen van de wenselijkheid van een verhoging van het jaarlijks inkomen
van het Praeventiefonds. In deze adviesaanvrage is tevens de vraag aan de
orde gesteld of het niet juister zou zijn de bijdrage te bepalen aan de hand
van een percentage van de loonsom waarover de premie ingevolge het
Ziekenfondsenbesluit werd geheven. In de brief werden enige systemen genoemd volgens welke dit zou kunnen geschieden. In zijn op 25 januari
1963 uitgebrachte advies heeft de Sociaal-Economische Raad ter zake een
afwachtende houding ingenomen. De Raad heeft erop gewezen dat wanneer hij
toen zou hebben ingestemd met een verhoging van het bedrag dat uit de
premieopbrengst van de verplichte ziekenfondsverzekering in het
Praeventiefonds wordt gestort, daarin op zijn minst een aanwijzing zou zijn
gelegen dat de Raad de huidige wijze van financiering van het
Praeventiefonds als juist aanmerkt. De Raad wijst erop dat hoewel wellicht
de historische ontwikkeling een verklaring kan geven voor deze wijze van
financiering, er toch steeds aandacht aan zal moeten worden besteed of deze
methode als redelijk kan worden aangemerkt. Zonder dat de Raad ter zake een
definitief oordeel wil geven, wijst hij erop dat het niet evident is dat de
financiering van werkzaamheden voor de preventieve gezondheidszorg in het
bijzonder zou dienen te geschieden door de premieplichtigen voor de
verplichte ziekenfondsverzekering.
Voor zover immers de genoemde
werkzaamheden leiden tot voorkoming van ziekte en tot bevordering van de
gezondheid, zal de daaruit voortvloeiende vermindering van ziektekosten
zich niet tot de kring van verzekerden voor de verplichte
ziekenfondsverzekering beperken, maar zich tot de gehele bevolking
uitstrekken. De werkzaamheden van het Praeventiefonds betreffen naar 's
Raads gevoelen de volksgezondheid in zijn totaliteit, hetgeen de vraag doet
rijzen of de financiering van deze werkzaamheden niet uit de algemene
middelen dient te geschieden. Naar het gevoelen van de Raad ligt het in de
rede te onderzoeken of niet mede andere groepen van de bevolking op
soortgelijke wijze in de financiering zouden moeten worden betrokken. De
Raad noemt dan de vrijwillige ziekenfondsverzekering, de particuliere
ziektekostenverzekering en degenen die zich niet tegen het risico van
ziektekosten hebben verzekerd. De Raad wijst erop dat de verzekering tegen
zware geneeskundige risico's het gehele vraagstuk van de
ziektekostenverzekering aan de orde heeft gesteld en dat in dit licht ook
het vraagstuk van de financiering van het Praeventiefonds zou kunnen worden
bezien.
De ondergetekenden hebben met
belangstelling kennisgenomen van de opvatting van de Sociaal-Economische
Raad dat het in de rede ligt om te onderzoeken of niet andere groepen van
de bevolking in de financiering van het Praeventiefonds rblz.|32
l.k.|
zouden moeten worden betrokken. Dat
in dit verband de Sociaal-Economische Raad de volksverzekering voor zware
geneeskundige risico's noemt, heeft de ondergetekenden aangesproken. Immers,
bij de premieheffing voor deze volksverzekering zijn alle groepen van de
bevolking in beginsel betrokken. De ondergetekenden hebben er nota van
genomen dat de Sociaal-Economische Raad in zijn advies betreffende de
volksverzekering voor zware geneeskundige risico's niet nader op deze zaak
is ingegaan. Zij menen echter in de boven weergegeven gedachtengang van de
Raad voldoende steun te vinden om een bijdrage groter dan die van de
verplichte ziekenfondsverzekering, uit het Algemeen Fonds Zware
Geneeskundige Risico's, dat immers in beginsel door het gehele volk wordt
bijeengebracht, in het Praeventiefonds te kunnen voorstellen. Het
onderhavige artikel voorziet hierin.
Het is overigens duidelijk dat het
opnemen van een nominaal bedrag in een wettelijke regeling de vraag oproept
van de wijze van aanpassing aan de stijging van de kosten. In de rblz.|32
r.k.|
bovengenoemde adviesaanvrage van de
Sociaal-Economische Raad werd deze aangelegenheid ook genoemd.
De Regering is van oordeel dat bijdragen
als de onderhavige in beginsel automatisch moeten worden aangepast. Het
bepaalde in het tweede en derde lid regelt dit.
De Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Volksgezondheid,
A. Bartels
De Staatssecretaris van
Financiën,
W. Hoefnagels
|
|