St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ALGEMENE  WET  BIJZONDERE  ZIEKTEKOSTEN

 

 

ONTWERP VAN WET

rblz.|1 l.k.| 

Kamerstukken II 1965-1966, 8457

Algemene verzekering zware geneeskundige risico's (Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's) ¹

1. Tijdens de parlementaire behandeling is de citeertitel van deze wet vervangen door: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, red.

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 De uitgebrachte adviezen
2.1 Het advies van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid.
2.2 Het advies van de Ziekenfondsraad
2.3 Het advies van de Sociaal-Economische Raad
3 De grondslagen van de wettelijke regeling
3.1 De rechtsgrond
3.2 Mogelijke systemen
4 De inhoud van de wettelijke regeling
4.1 Het systeem van het wetsontwerp
4.2 Raakvlakken met andere beleidssectoren
5 Sociaal-medische aspecten
5.1 De betekenis van de volksverzekering zware geneeskundige risico's voor de volksgezondheid in het algemeen.
5.2 De consequenties van de voorgestelde volksverzekering voor volksgezondheidsvoorzieningen
5.3 De betekenis van de voorgestelde volksverzekering als complement van de ziekenfondsverzekering
5.4 Medisch-organisatorische aspecten
6 Financieel-economische aspecten
7 Samenvatting
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 1 t/m 72
 

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding ¹

1. Helaas heeft de redactie niet de beschikking over de eerste bladzijde van deze memorie van toelichting.


    
rblz.|2 l.k.| bij een bijkomend voordeel van de verzekering zou kunnen zijn dat - vooral op lange termijn - hieruit wellicht tevens een lastenverlaging zou voortspruiten. De revalidatie diende derhalve naar zijn oordeel een plaats in het verstrekkingpakket te krijgen, waarbij aan de raakvlakken met de arbeidsongeschiktheidsverzekering ware te denken.
     Ten slotte werd aan de Sociaal-Economische Raad verzocht in zijn beschouwingen te betrekken de invloed welke van de totstandbrenging van een volksverzekering zware geneeskundige risico's zou moeten uitgaan op de bestaande ziekenfondsverzekering, die in de Ziekenfondswet een nieuwe wettelijke grondslag zou krijgen en inmiddels heeft gekregen, alsmede in het advies te willen aangeven of, en zo ja, op welke wijze de vrijwillige ziektekostenverzekeringen bij de uitvoering zouden zijn te betrekken.
     Op 9 november 1962 heeft de eerste ondergetekende aan de Centrale Raad voor de Volksgezondheid en aan de Ziekenfondsraad afschrift toegezonden van de hierboven bedoelde adviesaanvrage, met het verzoek hem te laten weten tot welke opmerkingen de adviesaanvrage aanleiding heeft uit een oogpunt van gezondheidszorg, c.q. ziekenfondsverzekering.
     Het heeft de ondergetekenden verheugd dat vrijwel van het ogenblik van het verschijnen van de adviesaanvrage af de gedachte van een volksverzekering zware geneeskundige risico's alom met grote instemming werd begroet. Zowel in het Parlement als in het maatschappelijk leven is daaraan op verschillende wijzen uiting gegeven. Voor wat het laatste betreft, mogen de ondergetekenden onder andere wijzen op de preadviezen van de op 29 november 1963 te Arnhem gehouden studiedag van de Nederlandse Centrale Vereniging voor Gebrekkigenzorg (thans: Nederlandse Vereniging ter bevordering van de revalidatie).
     Naar aanleiding van deze studiedag heeft het bestuur van de genoemde vereniging zich op 22 mei 1964 met een adres tot de eerstvolgende ondergetekende gewend. In dit adres heeft het bestuur in een zevental punten enige inzichten en wensen naar voren gebracht waarmede het hoopte bouwstenen te hebben aangedragen die zouden kunnen worden gebruikt "bij de vormgeving van deze voor het welzijn van de gehandicapten zo onontbeerlijke voorzieningen".
     Gezien de centrale plaats van deze vereniging op het terrein van de mindervalidenzorg, menen de ondergetekenden er goed aan te doen de desbetreffende zeven punten hierna te laten volgen.

     "1. Ten aanzien van het in uw brief aan de S.E.R. in de eerste plaats genoemde vraagstuk van "een voorziening in de zware geneeskundige risico's" heeft men zich algemeen uitgesproken voor de totstandkoming van een wettelijk geregelde verzekering in de vorm van een volksverzekering voor zware geneeskundige risico's, waarbij de kring van de verzekerden zich uitstrekt tot het gehele volk.
     De totstandkoming van een dergelijke verzekering werd een zaak van uitermate hoge urgentie geacht, aangezien zowel thans onder de vigeur van de Invaliditeitswet, de Ongevallenwetten en het Ziekenfondsenbesluit als straks onder de vigeur van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet belangrijke groepen van onze bevolking geen adequate voorziening voor deze risico's kennen.

     2. Er dient een wettelijk geregelde verzekering te komen waarbij bereikt wordt dat men uit de zorgsfeer in de rechtssfeer komt, welke waarborgen verschaft dat de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen afdwingbaar zijn.

     3. Men onderschreef de in uw brief aan de S.E.R. omschreven argumentatie ten aanzien van de rechtsgrond om een dergelijke dwingende wettelijke regeling tot stand te brengen en men stemde algemeen in met het voornemen van Uwe Excellentie "de totstandkoming van een wettelijk geregelde volksverzekering voor zware geneeskundige risico's te bevorderen".

     rblz.|2 r.k.| 4. De conferentie is ervan uitgegaan dat voor de loontrekkenden beneden de zogenaamde welstandsgrens via de verplichte ziekenfondsverzekering en straks de arbeidsongeschiktheidsverzekering gedurende het eerste jaar afdoende voorzieningen aanwezig zullen zijn, ook voor de zware geneeskundige risico's.
     Voor de loontrekkenden boven de zogenaamde welstandsgrens bestaan er in ons land voldoende mogelijkheden zich via particuliere verzekeringen gedurende het eerste jaar tegen normale risico's te dekken.
     Voor de economisch zelfstandigen beneden de daarvoor bepaalde inkomensgrens staat de vrijwillige ziekenfondsverzekering open; voor alle anderen is er via particuliere verzekeringscontracten voor de duur van het eerste jaar voor normale risico's afdoende dekking te verkrijgen. Wij vragen ons echter af of voor de loontrekkenden boven de zogenaamde welstandsgrens en voor de economisch zelfstandigen boven de voor de vrijwillige ziekenfondsverzekering vastgestelde inkomensgrens, in de sector van de particuliere verzekeringen wel afdoende regelingen zijn te treffen voor de dure en zware geneeskundige risico's die zich ook reeds gedurende het eerste jaar kunnen voordoen.
     Mocht er echter op kunnen worden vertrouwd dat de particuliere verzekeringen - na de totstandkoming van een volksverzekering als hier bedoeld
- bereid zullen zijn om alle risico's gedurende het eerste jaar in hun verzekeringen tegen redelijke premiebedragen op te nemen, dan is men het er algemeen over eens dat het door de preadviseur Tilanus geïntroduceerde criterium "voorzieningen na een carenztijd van één jaar" een goed en praktisch criterium is.

     5. Unaniem wilde men geen onderscheid maken tussen verpleging- dan wel verzorging behoevenden met geestelijke dan wel lichamelijke ziekten of gebreken. In volgorde van urgentie zouden de volgende elementen in de verzekering dienen te worden gedekt:
a. De kosten van verpleging inclusief behandeling en revalidatie in daartoe toegelaten of ingeschreven inrichtingen, zowel ziekenhuis als verpleeg- en verzorgingstehuizen. De financiering van buitengewoon onderwijs, scholing, herscholing, omscholing, respectievelijk vakopleiding tijdens de verpleging dient wettelijk gewaarborgd te zijn.
b. De kosten van speciale voorzieningen, zoals woningaanpassing, liften, aangepaste auto's e.d.
c. De kosten van langdurige behandeling en verpleging en/of verzorging thuis, voor zover daarvoor geen andere mogelijkheden van wettelijke verzekering bestaan.
     Ten aanzien van de loontrekkenden zullen regelingen moeten worden getroffen in verband met raakvlakken met de ziekenfondsverzekering, de Ongevallenwetten en straks de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Wij willen er nog wel op wijzen dat voornamelijk op psychologische gronden ervoor gepleit is de wettelijke verzekering een neutrale naam te geven, bijvoorbeeld Algemene Verplegingskosten Verzekering (A.V.V.). Dit pleidooi ondersteunen wij.

     6. Inzake de financiering van deze volksverzekering sprak men zich uit voor een verzekering met een premie als bestemmingsheffing te betalen door de verzekerden in analogie met de A.O.W. en de A.W.W., waarbij tegenover het recht op de aanspraken van deze verzekering de plicht tot premiebetaling staat. Evenwel heeft men zich - evenals Uwe Excellentie in uw brief aan de S.E.R. gerealiseerd dat door de totstandkoming van bedoelde volksverzekering "de Overheid voor een niet onbelangrijk bedrag per jaar zou worden ontlast" indien deze volksverzekering geheel zou worden gefinancierd uit de bestemmingspremie. Het werd daarom billijk en noodzakelijk geacht dat - mede gelet op het karakter der bedoelde risico's - de Overheid uit de algemene middelen ten minste dat deel der verzekeringslasten zal bijdragen dat overeenkomt met de lastenvermindering die bij de totstandkoming van bedoelde volksverzekering voor de Overheid zal ontstaan ten opzichte van de lasten die, bij rblz.|3 l.k.| handhaving van de huidige voorzieningen met de ook overigens noodzakelijke verbeteringen, in de toekomst op de Overheid zouden drukken.

     7. Ten opzichte van het in uw brief aan de S.E.R., sub 2, op de tweede plaats genoemde vraagstuk inzake "de uitkeringskant van het zogenaamde gehandicaptenvraagstuk" was men van oordeel dat de totstandkoming van een volksverzekering als hiervoren omschreven weliswaar urgenter is dan een soortgelijke volksverzekering voor een geldelijke uitkering voor inkomstenderving, doch dat ook dit aspect in de sfeer van de verzekering dient te worden betrokken. Koppeling van deze beide aspecten zou echter niet mogen leiden tot ernstige vertraging bij de totstandkoming van een wettelijke regeling voor zware geneeskundige risico's. Daarentegen zou tot ontkoppeling alleen op grond van duidelijk aantoonbare force majeure mogen worden besloten. De moderne opvattingen over revalidatie - de grondpijler van alle zorg voor invaliden - zien immers een onverbrekelijke samenhang tussen de somatische, psychische en sociale facetten daarvan. Op grond van de organisatorische moeilijkheden, welke een belemmering zouden kunnen vormen voor een op korte termijn in al deze opzichten in te voeren afdoende regeling, vond de gedachte steun om, evenals ten opzichte van andere belangrijke sociale maatregelen in de naoorlogse jaren is geschied, naast de W.A.O. een noodregeling te doen ontwerpen krachtens welke geleidelijk de diverse categorieën gehandicapten die hiervoor overigens nog niet in aanmerking komen, aanspraak kunnen maken op geldelijke uitkering. Degenen die onverhoopt nog niet in de noodregeling zouden kunnen worden opgenomen, zouden vooralsnog geholpen dienen te worden via een royale en soepele toepassing van de Algemene Bijstandswet."

     Voor wat betreft de reacties in het Parlement mogen de ondergetekenden herinneren aan de grote instemming welke de door de eerste ondergetekende in zijn adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad gelanceerde gedachte van een volksverzekering zware geneeskundige risico's van meet af aan in beide Kamers der Staten-Generaal heeft gekregen en welke met name tot uitdrukking is gekomen bij de openbare behandeling van het ontwerp Ziekenfondswet.
     Bij de kabinetsformatie-1963 werd de bevordering van de totstandkoming van een volksverzekering zware geneeskundige risico's opgenomen in het Akkoord van Wassenaar en kreeg zij eveneens als gevolg daarvan een plaats in het regeringsprogramma van het daarna optredende kabinet. Ook het huidige kabinet heeft deze beleidslijn in zijn regeringsprogramma opgenomen.
     Op 9 december 1964 werd het advies van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid,¹ op 14 april 1965 dat van de Ziekenfondsraad ¹ en op 18 juni 1965 dat van de Sociaal-Economische Raad ¹ uitgebracht. Ook uit de door de genoemde colleges uitgebrachte adviezen blijkt grote instemming met de gedachte van een volksverzekering zware geneeskundige risico's. Zo stemt het tot voldoening dat met name de Sociaal-Economische Raad zich eenstemmig voor het tot stand brengen van de onderhavige voorziening heeft uitgesproken. Een samenvatting van de uitgebrachte adviezen wordt in hoofdstuk 2 gegeven.
     De Regering verheugt zich erover dat het thans mogelijk is het ontwerp van wet te kunnen indienen. Voorts zal de indiening worden bevorderd van een ontwerp van wet tot wijziging van de Ziekenfondswet, strekkende tot aanpassing van die wet aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en aan de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's, alsmede tot oplossing van de financieringsproblematiek van de vrijwillige ziekenfondsverzekering.
     De vraag is gerezen of het niet wenselijk ware tot een verdere samenvoeging van de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's en de Ziekenfondswet te komen. De ondergetekenden zijn van oordeel dat dit vraagstuk onder ogen
rblz.|3 r.k.| kan worden gezien in het kader van de voorgenomen verdere unificatie en codificatie van de sociale wetgeving. Voor het ogenblik is voor hen het belangrijkst dat de nood welke door zovelen wordt geleden, gelenigd gaat worden langs de in het wetsontwerp voorziene weg en dat dit ook kan geschieden op een uit een oogpunt van wetgeving bevredigende wijze. Bij de verdere unificatie en codificatie van de sociale wetgeving zal de definitieve vormgeving van de volksverzekering voor geneeskundige risico's in samenhang met de andere volksverzekeringen moeten worden bezien. De verhouding van de volksverzekering zware geneeskundige risico's tot de ziekenfondsverzekering wordt elders in deze memorie in het kader van de rechtsgrond van de nieuwe regeling besproken.

1. Nedergelegd ter griffie, ter inzage van de leden.

 

2. De uitgebrachte adviezen


2.1. Het advies van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid


     Het advies van de Centrale Raad voor de Volkgezondheid (hierna te noemen de Raad) werd uitgebracht op 9 december 1964. Blijkens het advies heeft de Raad zich eerst een beeld willen vormen van de inhoud die de bedoelde volksverzekering naar zijn mening zou moeten hebben. Op grond van de beschouwingen van de Minister in de adviesaanvrage is de Raad ervan uitgegaan dat het een de gehele bevolking omvattende verzekering zou zijn tegen het risico dat men als gevolg van ziekten, ongevallen of gebreken voor zeer grote financiële uitgaven komt te staan.
     Uit de tekst van de adviesaanvrage blijkt volgens de Raad duidelijk dat het risico van loonderving tengevolge van ziekten, ongevallen of gebreken niet onder de verzekering valt: dit risico is thans voor de loontrekkenden gedekt door de Ziektewet, de Invaliditeitswet en de Ongevallenwetten en zal te zijner tijd voor dezelfde groep gedekt worden door de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
     De Raad tekent hierbij aan dat het dringend gewenst is dat in aansluiting op de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering speciale financiële regelingen worden getroffen ten behoeve van de ouders van kinderen met aangeboren of later verkregen gebreken en ten behoeve van volwassenen behorende tot de categorie van zelfstandigen die wegens ziekte, ongeval of gebrek niet in staat zijn een inkomen te verwerven. Indien hierbij bovendien rekening gehouden zou kunnen worden met de extra uitgaven die - naast medische hulp en revalidatie - nodig kunnen zijn om gehandicapten zoveel mogelijk zelfstandig aan het maatschappelijke leven te doen deelnemen, zou voor een deel van de door de Minister genoemde "zeer zware lasten" reeds een oplossing gevonden zijn.
     De Raad stelt zich geenszins voor dat op korte termijn een regeling tot stand zal kunnen komen die als een sluitende mag worden beschouwd, in die zin dat geen "grote risico's" meer ongedekt zouden zijn. De Raad acht het echter noodzakelijk dat wordt voorkomen dat de tot de twee genoemde groepen behorende gehandicapten als gevolg van financiële omstandigheden niet de behandeling en/of verzorging (inbegrepen de revalidatiebehandeling in volle omvang) deelachtig worden die als de meest adequate voor hen kan worden beschouwd. Onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet (die individualiserend werkt en daardoor noodzakelijkerwijs moet leiden tot een subjectieve beoordeling) bestaat daarvoor geen afdoende garantie, zij het ook dat voor een overgangsperiode uit kracht van deze wet [lees: die wet, red.] een positieverbetering voor deze groep zal kunnen worden verkregen. Dit zou te meer aanvaardbaar zijn wanneer - de Algemene Bijstandswet opent daartoe de mogelijkheid - groepsregelingen tot stand zouden worden gebracht welke gefixeerde uitkeringen aan betrokkenen verzekeren, daargelaten nog dat men daarbij ex artikel 57 [66] verhaal kan uitsluiten. Op den duur echter zal de discrepantie ten opzichte van anderen moeten verdwijnen.
    
rblz.|4 l.k.| De Raad is met de Minister van oordeel dat dit zal kunnen geschieden door uitbreiding van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering tot hen die nimmer in de gelegenheid zijn geweest aan het arbeidsproces deel te nemen en daardoor niet van een inkomen verzekerd zijn, alsmede tot die volwassenen behorende tot de categorie van zelfstandigen die wegens ziekte, ongeval of gebrek niet in staat zijn een inkomen te verwerven. Krijgen zij krachtens een aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aansluitende regeling zodanig inkomen, dan kan daaruit hun levensonderhoud in de ruimste zin des woords worden bekostigd en is gedaan wat mogelijk is om hun leven zo volwaardig mogelijk te doen zijn.
     Een dergelijke regeling acht de Raad geheel aanvaardbaar, omdat het hier in geen geval een last betreft die behoort te worden ondergebracht onder de volksverzekering tegen grote geneeskundige risico's. Het gaat immers niet om de dekking van kosten voortvloeiende uit noodzakelijke medische behandeling en verpleging, maar om inkomensvorming. Deze inkomensvorming kan op verschillende wijzen worden gewaarborgd; aansluiting aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is één daarvan.
     De Raad meent achterwege te mogen laten aan te geven wanneer het geven van deze uitbreiding aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verantwoord zal zijn. Dit is een aangelegenheid die de Minister in het kader van het regeringsbeleid zal hebben te beslissen.
     Wat de volksverzekeringsgeneeskundige risico's betreft, acht de Raad het niet wel mogelijk een rechtvaardige en hanteerbare verzekeringsvorm te vinden indien slechts bepaalde categorieën van zieken of gehandicapten onder de verzekering gebracht zouden worden. Hij meent dat de nieuwe verzekering opneming voor dag en nacht in een aantal soorten van inrichtingen moet verstrekken aan ieder voor wie, ongeacht de diagnose, opneming in een dergelijke inrichting geïndiceerd is.
     Omdat de Raad het uit een oogpunt van volksgezondheid vóór alles noodzakelijk acht dat er een goede aansluiting bestaat tussen het verstrekkingenpakket van de volksverzekering en dat van de ziekenfondsverzekering, heeft hij nagegaan op welke wijze deze aansluiting het best gerealiseerd zou kunnen worden, opdat de kans zo gering mogelijk zij dat verzekerden tussen kade en schip terechtkomen. De Raad betreurt daarom dat blijkens de adviesaanvrage van de Minister de gedachten zijn uitgegaan naar het ontwerpen van een geheel nieuwe wet naast de bestaande Ziekenfondswet en hij zou er verre de voorkeur aan gegeven hebben indien het complex van zorg dat thans door twee verzekeringen bestreken zal worden, door één systematisch opgebouwde verzekering gedekt had kunnen worden.
     De Raad heeft bij zijn onderzoek eerst de meest voor de hand liggende oplossing onder ogen gezien, te weten aansluiting op de bestaande ziekenfondsverstrekkingen. In verband met het alternerend karakter van de wijze waarop de ziekenfondsen opneming in verpleegtehuizen verstrekken, bleek echter aansluiting van de verstrekkingen van de volksverzekering op het huidige verstrekkingenpakket van de verplichte ziekenfondsverzekering zonder meer niet mogelijk. Vervolgens heeft de Raad zich afgevraagd of de sinds 1 januari 1964 geldende maximumduur van één jaar verpleging bruikbaar was als doorlopende "horizontale" grens tussen beide verzekeringen. Deze oplossing bleek echter meer nadelen dan voordelen te hebben. Zo zou bijvoorbeeld het voorwaardelijke (pas na één jaar opneming te effectueren) recht van de volksverzekering moeilijk te formuleren zijn; de medewerkers en de instellingen zouden gelijkluidende contracten met beide verzekeringen moeten afsluiten; de ziekenfondsen zouden anders dan nu het geval is de opneming in inrichtingen voor zintuiglijk en geestelijk gehandicapte onvolwassenen gedurende het eerste jaar in hun verstrekkingenpakket moeten opnemen. Aangezien het systeem niet sluitend is, blijven er lacunes. De Raad is daarom na ampele overweging tot de conclusie gekomen dat uit een oogpunt van gezondheidszorg de volgende terreinverkaveling tussen verplichte ziekenfondsverzekering en volksverzekering de voorkeur verdient: de ziekenfondsen
rblz.|4 r.k.| verstrekken aan verplicht verzekerden die daarvoor in aanmerking komen voor onbepaalde tijd opneming in algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief sanatoria en revalidatie-inrichtingen), de volksverzekering verstrekt aan een ieder die daarvoor in aanmerking komt voor onbepaalde tijd opneming in verpleegtehuizen, zwakzinnigeninrichtingen en inrichtingen voor visueel of auditief gehandicapte onvolwassenen. In de psychiatrische inrichtingen dient onderscheid gemaakt te worden tussen bedden met een ziekenhuiskarakter (afdelingen voor observatie, behandeling en sociotherapie) vallende onder de ziekenfondsverzekering en bedden met een verpleegtehuiskarakter (verblijfsafdeling) vallende onder de volksverzekering. Zolang dit niet mogelijk is, zou met betrekking tot de psychiatrische inrichtingen de horizontale grenslijn, dat wil zeggen de grens van één jaar verpleging, aangehouden kunnen worden, met als gevolg dat de verplicht verzekerden gedurende één jaar voor rekening van het ziekenfonds in een psychiatrische inrichting verpleegd kunnen worden en dat iedere psychiatrische opneming langer dan één jaar door de volksverzekering verstrekt zou worden.
     De Raad is zich ervan bewust dat de aanbevolen "verticale" scheidslijn impliceert dat het verschil tussen de ziekenfondsverzekering en de voorgestelde volksverzekering niet meer correspondeert met een verschil tussen "lichte" en "zware" risico's, hetgeen het uitgangspunt is geweest bij de adviesaanvrage. Het verschil is gelegen in de aard van de verstrekkingen, met als consequentie dat, naar het oordeel van de Raad, een andere naam voor de volksverzekering zou dienen te worden gevonden.
     De Raad is er zich van bewust dat hij aldus niet is gekomen tot een advies, als door de Minister gevraagd, over zware geneeskundige risico's, doch tot een advies tot dekking van bepaalde grote kosten medebrengende verstrekkingen. Hij meent echter dat dit advies de weg aangeeft waarlangs bereikt zal kunnen worden datgene wat de Minister voor ogen stond toen hij het advies vroeg. Hij hoopt dat bereidheid zal worden gevonden om de consequentie te aanvaarden dat de, helaas reeds ingeburgerde, naam voor de volksverzekering door een meer passende dient te worden vervangen.
     De Raad verwacht dat een volksverzekering in bovenbedoelde zin een gunstige invloed zal hebben op de ontwikkeling van verpleegtehuizen en van zwakzinnigeninrichtingen. De Raad ziet een gevaar voor de volksgezondheid in de suggestie van de Minister om huisartsenhulp, farmaceutische hulp en enkele andere verstrekkingen uit het pakket van de verplichte ziekenfondsverzekering te lichten en over te brengen naar de vrijwillige verzekering. Voor de werknemers beneden de loongrens, voor wie de premie relatief hoog zal zijn, zou dit een ernstige achteruitgang kunnen betekenen.
     De Raad acht het uit een oogpunt van rechtsgelijkheid noodzakelijk dat de verzekeringsgeneeskundige werkzaamheden voor ziekenfondsverzekering en volksverzekering zoveel mogelijk volgens dezelfde richtlijnen plaatshebben. De organen die beide verzekeringen uitvoeren, zouden daarom bij voorkeur de beschikking moeten hebben over een gemeenschappelijk sociaal-medisch apparaat, dat wellicht tevens te combineren zou zijn met de Gemeenschappelijke Medische Dienst voor de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dan bestaat de minste kans dat competentiekwesties ten koste van de verzekerde worden uitgevochten. Verder acht de Raad het gewenst dat een onafhankelijk centraal orgaan belast wordt met de taak:
1. de criteria vast te stellen waaraan de vier verschillende categorieën van instellingen (ziekenhuizen, verpleegtehuizen, zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen voor medisch gedetermineerde pedagogische zorg) moeten voldoen om als zodanig erkend te worden;
2. conform deze criteria inrichtingen al of niet te erkennen; en
3. de indicaties vast te stellen die voor opneming in elke categorie van instellingen gelden. De uitvoeringsorganen van
rblz.|5 l.k.| de verzekeringen zouden zich aan de beslissingen van dit orgaan dienen te houden. Ten slotte dient voor de volksverzekering een beroepsrecht te worden geschapen op dezelfde wijze als dit voor de ziekenfondsverzekering is gedaan.

 

2.2. Het advies van de Ziekenfondsraad


     Het advies van de Ziekenfondsraad (hierna te noemen de Raad) werd uitgebracht op 14 april 1965.
     Op grond van de tekst van de adviesaanvrage heeft de Raad aangenomen dat de Minister heeft gedacht aan een verzekering welke de gehele bevolking omvat en waarvoor een premieheffing zal moeten worden ingevoerd overeenkomstig die voor de reeds bestaande volksverzekeringen uit hoofde van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de Algemene Kinderbijslagwet.
     De Raad verenigt zich met deze gedachte, met dien verstande dat naar zijn oordeel overwogen zal moeten worden of ook personen van 65 jaar of ouder in de premieheffing voor de nieuwe volksverzekering moeten worden betrokken.
     De Raad is uitgegaan van de gedachte dat voor wat de aard en omvang van de verstrekkingen betreft, althans aanvankelijk, een zekere beperking geboden is. Wel staat de Raad voor ogen dat, evenals bij de ziekenfondsverzekering het geval is geweest, ook de verstrekkingen ingevolge de thans beoogde voorziening geleidelijk aan de bestaande behoefte en mogelijkheden zullen worden aangepast. De Raad overwoog dat er geen behoefte aan bestaat de risico's welke reeds door de ziekenfondsverzekering worden gedekt en welke ook in de sfeer der ziektekostenverzekering verzekerbaar zijn, in een volksverzekering onder te brengen. Hij heeft daarom gezocht naar de manco's in de bestaande ziekenfonds- en ziektekostenverzekeringen, voor zover deze langdurige en kostbare vormen van verpleging en behandeling betreffen. Hij is echter van oordeel dat de verpleging en behandeling van lichamelijk zieken in een ziekenhuis ook na het eerste jaar als ziekenfondsverstrekking zouden kunnen doorlopen en ook voor de instellingen tot ziektekostenverzekering een verzekerbaar risico moeten worden geacht. Daarentegen acht de Raad het noodzakelijk het risico van verpleging in verpleegtehuizen volledig in de volksverzekering onder te brengen. De ziekenfondsen voorzien hierin momenteel maar ten dele en in de particuliere sfeer zijn de mogelijkheden tot dekking van het risico nog beperkter. Vrijwel elke verzekeringsmogelijkheid ontbreekt ten aanzien van onderscheidene groepen gehandicapten die langdurig of zelfs levenslang in inrichtingen moeten verblijven.
     Op grond van deze overwegingen meent de Raad dat in de te treffen voorziening de volgende verstrekkingen dienen te worden opgenomen:
a. behandeling en verpleging in psychiatrische inrichtingen na het eerste jaar, gedurende hetwelk de desbetreffende kosten ten laste van de ziekenfondsverzekering komen:
b. verpleging, behandeling en verzorging in erkende verpleegtehuizen, ook die voor geestelijk gestoorden, voor de gehele duur der opneming;
c. behandeling, verpleging en verzorging in inrichtingen voor speciale nader aan te geven groenen van lichamelijk en geestelijk gehandicapten, voor de gehele duur der opneming.
    
Een minderheid uit de Raad heeft zich uitgesproken voor een voorziening waarbij de verpleging in erkende ziekenhuizen en psychiatrische inrichtingen na afloop van het eerste jaar in de verzekering voor zware geneeskundige risico's wordt opgenomen.
     De Raad beveelt aan deze verstrekkingen de vorm te geven van verstrekkingen in natura, hetgeen dus inhoudt dat betalingen voor verleende hulp rechtstreeks zullen plaatsvinden aan de verzorgende instellingen, en wel op basis van overeenkomsten tussen die instellingen en de organen van de volksverzekering.
    
De Raad bepleit voorts een ruimere indicatie voor verpleging en behandeling in de onder b en c genoemde inrichtingen rblz.|5 r.k.| dan de strikt medische welke in de ziekenfonds- en ziektekostenverzekeringen wordt gehanteerd. In bedoelde inrichtingen speelt namelijk naast het medische element het verzorgingselement een belangrijke rol.
     Naar het oordeel van de Raad zal een centraal orgaan moeten worden geschapen voor het vaststellen van algemene regelingen en richtlijnen, het toezicht op de naleving daarvan en het beheer van de beschikbare geldmiddelen. In dit orgaan zullen volgens de Raad vertegenwoordigd moeten zijn de organisaties van werkgevers, werknemers en zelfstandigen, de ziekenfondsen en instellingen voor ziektekostenverzekering, de verzorgende inrichtingen en instituten, onafhankelijke deskundigen op het gebied van de volksgezondheid en ambtelijke leden namens de overheid.
     Op gronden van doelmatigheid bepleit de Raad verder een gedecentraliseerde uitvoering van de volksverzekering door inschakeling van de ziekenfondsen en de ziektekostenverzekeraars, die voor de uitvoering van deze taak dus zullen ontreden als organen van de volksverzekering. De instellingen voor ziektekostenverzekering zouden daartoe een erkenning behoeven aan de hand van normen ter beoordeling van de vraag of zij tot de uitvoering van de volksverzekering in staat kunnen worden geacht.
     Deze vorm van uitvoering impliceert een zodanig systeem van geneeskundige controle dat gebruik wordt gemaakt van de medische functionarissen van de ziekenfondsen en verzekeringsinstellingen. Het centraal orgaan zal bevoegd moeten zijn zo nodig de in eerste instantie door een uitvoeringsorgaan gegeven beslissing te wijzigen of door een andere te vervangen, ook zonder dat beroep is ingesteld.
     Tussen het centraal orgaan van de volksverzekering en de Raad zal een zo nauw mogelijke samenwerking moeten bestaan.

 

2.3. Het advies van de Sociaal-Economische Raad


     Het advies van de Sociaal-Economische Raad (hierna te noemen de Raad) werd uitgebracht op 18 juni 1965.
     De Raad begint zijn advies met de stand van zaken op te nemen met betrekking tot dekking van financiële gevolgen van geneeskundige verzorging. Hij is tot de conclusie gekomen dat met de verschillende vormen van ziekenfondsverzekering voor een groot deel van de bevolking (in 1963 circa 72%) een voorziening in de financiële lasten van de geneeskundige risico's is verkregen die mede ten dele zware risico's omvat. De ziekenfondsverzekering laat in hoofdzaak ongedekt de langdurige verpleging in inrichtingen.
     De Raad constateert dat het deel van de bevolking dat niet onder de verplichte ziekenfondsverzekering valt en niet tot de vrijwillige ziekenfondsverzekering en de bejaardenverzekering kan toetreden in de ruime mate gebruik heeft gemaakt van de door de ziektekostenverzekeringen geboden mogelijkheid zich tegen financiële gevolgen van geneeskundige behandeling en verzorging te verzekeren, met name voor zware geneeskundige risico's als ziekenhuisverpleging en poliklinische specialistische behandeling. Ook in de verzekeringsvormen is de langdurige verpleging in inrichtingen in belangrijke mate ongedekt. Deze verstrekking is in deze verzekeringsvormen - naar de praktijk heeft uitgewezen - volgens de Raad moeilijk of niet te dekken, zowel als gevolg van de aard van deze risico's als van de geringe bereidheid van betrokkenen zich tegen deze risico's te verzekeren.
     De Raad is van oordeel dat aangezien gebleken is dat de risico's voor langdurige verpleging in inrichtingen niet op vrijwillige grondslag te dekken zijn en in aanmerking genomen dat de financiële lasten van deze risico's door nagenoeg niemand individueel te dragen zijn, daarin een voldoende grondslag is gelegen voor een optreden van de wetgever dat ertoe leidt dat deze risico's op enigerlei wijze gezamenlijk worden gedragen.
     De Raad heeft zich afgevraagd of het object van de voorziening tegen zware geneeskundige risico's niet zou moeten
rblz.|6 l.k.| worden gezicht in alle verstrekkingen die geacht kunnen worden een zwaar financieel risico te vormen, ook als deze reeds op andere wijze zijn gedekt. De Raad is evenwel van oordeel dat dit een drastische ingreep zou betekenen in de gegroeide organisatie zowel van het ziekenfondswezen als van de ziektekostenverzekering. Niet alleen bestaat daaraan naar het oordeel van de Raad geen behoefte, doch voorts is naar zijn oordeel het gevaar niet denkbeeldig dat dergelijke wijzigingen zoveel weerstanden zouden ontmoeten dat het bereiken van het doel, namelijk het wegnemen van duidelijke lacunes in de dekking van geneeskundige risico's, op zijn minst aanzienlijk zou worden vertraagd en wellicht in het geheel niet zou worden bereikt. Daarom moet naar het oordeel van de Raad de voorziening tegen zware geneeskundige risico's met deze historisch gegroeide situatie rekening houden en deze in hoofdzaak intact laten. Zij zal als het ware een sluitstuk moeten vormen, gericht op het wegnemen van de lacunes die met betrekking tot de zware geneeskundige risico's in de huidige voorzieningen voorkomen.
     De Raad verbindt hieraan de conclusie dat het object van de voorziening tegen zware geneeskundige risico's niet kan worden neergelegd in een algemene omschrijving van hetgeen als een zwaar geneeskundig risico zou kunnen worden aangemerkt. Een voorziening tegen zware geneeskundige risico's die het karakter heeft van een sluitstuk tot wegneming van lacunes zal zich, aldus de Raad, niet tot alle zware risico's uitstrekken. Zij zal zich in hoofdzaak kunnen beperken tot de financiële risico's die uit de noodzaak van langdurige verpleging en behandeling in inrichtingen voortvloeien.
     Na te hebben uitgesproken dat de voorziening tegen zware geneeskundige risico's zich niet zal moeten beperken tot verstrekkingen welke uitsluitend zijn gericht op de "geneeskundige verzorging" van de verzekerden, meent de Raad dat het niet noodzakelijk is, de huidige voorzieningen in het kader van de ziekenfonds en ziektekostenverzekering in aanmerking genomen, om in alle gevallen van opneming in een inrichting de kosten vanaf den beginne ten laste van de verzekering zware geneeskundige risico's te doen komen. Hiervan uitgaande komt de Raad tot de uitspraak dat de voorziening tegen zware geneeskundige risico's zou moeten omvatten de verpleging en behandeling van psychiatrische patiënten na afloop van het eerste jaar. Zou een dergelijke afwijkende regeling voor de klinische behandeling van lichamelijke en geestesziekten uit medisch oogpunt bezwaren ontmoeten, dan zou de voorziening tegen zware geneeskundige risico's zich moeten uitstrekken tot de langdurige opneming van lichamelijk en geestelijk zieken na afloop van het eerste jaar.
     Voor de overige gevallen van verpleging, verzorging en behandeling in inrichtingen is de Raad van oordeel dat de desbetreffende verstrekking volledig en niet eerst na afloop van een jaar onder de voorziening tegen zware geneeskundige risico's
moet worden gebracht. De Raad heeft hierbij het oog op inrichtingen zoals verpleegtehuizen, zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen voor lichamelijk en zintuiglijk gebrekkigen en wellicht ook B-koloniehuizen.
     Met betrekking tot poliklinische verstrekkingen heeft de Raad zich op het standpunt gesteld dat deze niet in het kader van een voorziening tegen zware geneeskundige risico's zouden moeten worden verleend.
     Na aldus, in zijn advies, een globale aanduiding te hebben gegeven van de omvang van de verstrekkingen welke naar het oordeel van de Raad onder de werking van de onderhavige voorziening zouden moeten worden verleend, gaat de Raad na of met het tot stand komen van een dergelijke regeling een in het algemeen sluitende dekkingsmogelijkheid voor financiële lasten van geneeskundige risico's zal zijn verkregen. Voor wat betreft de ziekenfondsverzekerden beantwoordt de Raad deze vraag zonder meer in algemene zin bevestigend. Voor de zelfstandigen en loontrekkenden met een inkomen boven de zogenaamde welstandsgrens stelt de Raad het antwoord op deze vraag afhankelijk van de dekkingsmogelijkheden in het kader van de verschillende vormen van ziektekostenverzekering, welke
rblz.|6 r.k.| uiteraard bepaald worden door het beleid dat de ziektekostenverzekeraars voeren met betrekking tot de inhoud van de polissen en de selectie. De Raad heeft de indruk verkregen dat in aansluiting op de voorziening tegen zware geneeskundige risico's vanwege de ziektekostenverzekeraars volledige dekking zal worden bevorderd van ziekenhuisverpleging zowel voor lichamelijk zieken als voor geestelijk zieken gedurende het eerste jaar. Met betrekking tot de selectie van risico's geeft de Raad van een gematigd optimisme blijk. Onder erkenning van het feit dat bij een verzekering op privaatrechtelijke grondslag de verzekeraar de bevoegdheid dient te hebben om het afsluiten van een verzekeringsovereenkomst te weigeren of althans bepaalde risico's uit te sluiten, meent de Raad er op grond van verkregen inlichtingen van te kunnen uitgaan dat van de bevoegdheid tot weigeren of beperken slechts zo weinig gebruik wordt gemaakt dat de mogelijkheden tot dekking van geneeskundige risico's bij de ziektekostenverzekeraars niet in aanzienlijke mate worden verminderd.
     De Raad meent dat wanneer er een voorziening tot stand zou komen als bedoeld in het voorgaande, het mogelijk zal zijn met inachtneming van de aanvullingen die de ziekenfondsverzekering en de ziektekostenverzekering kunnen geven een volledige of nagenoeg volledige dekking van geneeskundige risico's te geven.
     Met betrekking tot de financiering van de voorziening heeft de Raad aandacht geschonken aan de toezegging van de Regering in de adviesaanvrage van 24 augustus 1962 met betrekking tot de continuering van de lasten welke op de overheid drukken. De Raad heeft hieruit afgeleid dat in de adviesaanvrage niet is gedoeld op een overheidsbijdrage in de vorm van een absoluut bedrag dat geen relatie heeft met de ontwikkeling van de totale kosten. De Raad is ervan uitgegaan dat gedacht is aan een gelijkblijvend overheidsaandeel in de totale kosten. Bij deze interpretatie zou in 1964 het overheidsaandeel in de totale kosten van langdurige verpleging en behandeling, welke voor dat jaar op ƒ411 mln worden geschat, 65% hebben bedragen en bij financiering van de voorziening door middel van een sociale verzekering, het aan premies op te brengen bedrag ƒ145 mln hebben bedragen. Nu de ramingen een belangrijke onzekerheidsmarge bevatten, onder meer doordat geen rekening gehouden is met een mogelijke aanzuigende werking, en wellicht een enigszins andere interpretatie van een toezegging betreffende het overheidsaandeel in de financiering tot een geringere overheidsbijdrage zou kunnen leiden, is de Raad voor het door middel van premieheffing te financieren bedrag uitgegaan van circa ƒ200 mln. Dit bedrag correspondeert met 0,7% van het premieplichtige inkomen van de volksverzekeringen in 1964.
     Ten aanzien van de wijze van uitvoering van de onderhavige voorziening kan de Raad zich met het uitgangspunt van de adviesaanvrage verenigen dat de voorziening het karakter zal hebben van een sociale verzekering welke afgezien van de toegezegde overheidsbijdrage, door premiebetaling zal worden gefinancierd. Het aanzienlijke aandeel in de totale kosten dat tengevolge van de toezegging ten laste van de overheid zal komen, acht de Raad een onvoldoende zwaar wegend motief om te bepleiten de voorziening geheel door de overheid te doen financieren. De voor deze voorziening beschikbaar te stellen middelen zouden daardoor afhankelijk kunnen worden van het budgetbeleid van de overheid, hetgeen de Raad ongewenst zou achten. De kans hierop is geringer als ten minste een deel van de totale lasten door premiebijdrage wordt gefinancierd. De Raad merkt hierbij op op zichzelf oog te hebben voor de weerstand die de toenemende premiedruk voor de sociale verzekering ontmoet. Hij acht het echter toch van belang dat de aan de onderhavige voorziening verbonden kosten, althans ten dele, zichtbaar worden gemaakt. De Raad noemt het verder van belang dat wanneer de onderhavige voorziening in de vorm van een sociale verzekering wordt gegoten, de verzekerden via hun vertegenwoordigers bij de uitvoering worden betrokken. Ook wordt op deze wijze aansluiting verkregen aan het patroon van de georganiseerde volksgezondheidszorg zoals dat in ons land bestaat.
    
rblz.|7 l.k.| Het is de Raad gebleken dat de instellingen en ondernemingen die zich op het terrein van het dekken van financiële lasten van geneeskundige verzorging bewegen er veel prijs op stellen bij de uitvoering van de onderhavige voorziening te worden betrokken. Dit is zowel tot uitdrukking gebracht door het Gemeenschappelijk Overleg Ziekenfondsorganisaties als door de Kontaktcommissie Landelijke Organisaties van Ziektekostenverzekeraars. De Raad meent dat de door het genoemde Overleg en de Kontaktcommissie aangegeven motieven, te weten de samenhang welke er bestaat tussen een voorziening tegen zware geneeskundige risico's en de andere vormen van dekking van geneeskundige risico's, alsmede het reeds beschikken over medische gegevens, ongetwijfeld betekenis hebben voor het inschakelen van de ziekenfondsen en ziektekostenverzekeraars bij de uitvoering. Het voldoen aan die wensen heeft, aldus de Raad, tot consequentie dat bij de uitvoering circa 200 uitvoeringsorganen worden betrokken, hetgeen vragen doet rijzen met betrekking tot de doelmatigheid van deze wijze van uitvoering en tot de noodzakelijke uniformiteit bij het verlenen van aanspraken op verstrekkingen. Teneinde zich hierover een oordeel te vormen, heeft de Raad zich allereerst beraden over de taken die bij de uitvoering van deze verzekering moeten worden verricht; vervolgens is onderzocht welke van deze taken noodzakelijkerwijs aan een centraal orgaan dienen toe te vallen en welke gedecentraliseerd kunnen worden verricht.
     De Raad heeft dan de volgende uitvoeringstaken in zijn beschouwingen betrokken:
- de indicatie tot opneming en de medische begeleiding;
- de premievaststelling en -inning;
- de vaststelling van de eisen waaraan de inrichtingen moeten voldoen (het erkenningsbeleid);
- het overleg met de inrichtingen over de tarieven;
- de financieel-administratieve afwikkeling;
- het algemeen beleid ten aanzien van de vorige punten.
     De Raad komt, na de verschillende taken te hebben onderzocht, tot de conclusie dat ten aanzien van het erkenningenbeleid, de indicatiestelling en de tariefstelling in ieder geval een centraal beleid moet worden gevoerd, hetgeen, naar 's Raads oordeel, een centraal beleidsorgaan vereist. In beginsel kunnen de premievaststelling en -inning, de financieel-administratieve afwikkeling en
- onder centraal toezicht - de toepassing van voorschriften en richtlijnen inzake de indicatiestelling, naar de mening van de Raad voor een gedecentraliseerde uitvoering in aanmerking komen. De vraag of de premievaststelling en -inning als een taak moeten worden beschouwd die noodzakelijkerwijze op centraal niveau zal moeten geschieden, hangt af van de keuze die ten aanzien van het premiestelsel wordt gedaan. Bij een omslag van de lasten over alle verzekerden volgens uniforme normen kan premievaststelling slechts centraal geschieden. Verder merkt de Raad op dat de wijze van premie-inning afhankelijk is van de keuze van het premiestelsel. Bij een premiestelsel overeenkomstig dat van de huidige volksverzekeringen zal de belastingdienst de premie-inning moeten regelen.
     De Raad komt dan ook tot de conclusie dat een volledige uitvoering van de verzekering door meerdere volkomen zelfstandige uitvoeringsorganen niet mogelijk is, doch dat inschakeling van die organen slechts voor een deel van de uitvoeringstaken kan geschieden. De Raad kenmerkt deze wijze van uitvoering als een mengvorm van centralisatie en decentralisatie.
     De Raad heeft zich erover beraden op welke wijze door de genoemde mengvorm van centralisatie en decentralisatie een bevredigende uitvoeringsorganisatie zou kunnen worden verkregen. De Raad heeft een dergelijke mengvorm op de voorgrond gesteld, omdat daardoor aansluiting kan worden verkregen aan het bestaande organisatiepatroon van de volksgezondheid. Op zichzelf zou, aldus de Raad, een volledige uitvoering van de onderhavige verzekering door een eigen uitvoeringsorganisatie in technisch opzicht weinig moeilijkheden bieden.
rblz.|7 r.k.| De Raad heeft echter, op grond van de eerdergenoemde overwegingen, eerst nagegaan of niet door inschakeling van de bestaande organen een bevredigende uitvoeringsorganisatie kan worden verkregen. Hierbij heeft de Raad zich in het bijzonder beraden over de volgende twee hoofdvormen:
I. een verzekering met een premiestelsel dat premie-inning door de belastingdienst toelaat, waarbij de uitvoering van de daarvoor in aanmerking komende taken of onderdelen daarvan gedecentraliseerd door zelfstandige organen geschiedt;
II. een verzekering met een centraal beleidsorgaan, overigens uitgevoerd door bestaande organen en met een premiestelsel dat voor de verschillende soorten van uitvoeringsorganen uiteenloopt.

     De Raad heeft in zijn advies beide uitvoeringsvormen aan een nadere analyse onderworpen. De Raad komt daarbij, na afweging van de verschillende aspecten, tot de conclusie dat de eerstgenoemde vorm van uitvoering van de verzekering de voorkeur verdient. Hierbij kan de verhouding tussen centrale en gedecentraliseerde uitvoering van de verzekering als volgt worden geregeld:
a. een centraal beleidsorgaan belast met premievaststelling, het financiële beheer, het erkenningenbeleid, het beleid ten aanzien van de tariefstelling, het vaststellen van richtlijnen voor de indicatiestelling en het toezicht op de zelfstandige uitvoeringsorganen. Het zal voorts ten aanzien van de verzekerden die niet andere dan zware geneeskundige risico's bij een ziekenfonds of een ziektekostenverzekering hebben gedekt de verzekering volledig kunnen uitvoeren;
b. ziekenfondsen en ziektekostenverzekeraars kunnen met betrekking tot degenen die andere dan zware geneeskundige risico's bij hen hebben gedekt, worden belast met de toepassing van de richtlijnen voor de indicatiestelling en met de financieel-administratieve afwikkeling, onder toezicht van het centraal beleidsorgaan, welk toezicht dient in te houden de bevoegdheid eventuele toepassing van een gestelde regeling te corrigeren.
     De wijze waarop ziekenfondsen en ziektekostenverzekeraars bij de uitvoering van de onderhavige regeling zouden moeten worden betrokken, ziet de Raad aldus dat zij tot de uitvoering van de verzekering kunnen worden toegelaten indien zij voldoen aan de daarvoor te stellen voorwaarden. De Raad meent dat met enerzijds het toepassen van het bij de volksverzekeringen gebruikelijke systeem van premie-inning door de belastingdienst en anderzijds de boven aangegeven wijze van uitvoeren in aanmerking genomen, een uitvoeringsorganisatie wordt verkregen die zo nauw mogelijk aansluit bij de historisch gegroeide organisatorische verhoudingen. Nog merkt de Raad op dat de voorwaarden voor toelating tot de uitvoering van de verzekering voor de ziekenfondsen en ziektekostenverzekeraars dezelfde moeten zijn, waarbij deze voorwaarden zullen moeten inhouden dat krachtens de verzekering de geneeskundige behandeling en verzorging zelf worden verstrekt en dat aan de eisen met betrekking tot het sociaal-medische toezicht wordt voldaan.
     Na overeenkomstig het vorenstaande in zijn advies de hoofdlijnen van de inhoud van de verzekering en de wijze van uitvoering te hebben aangegeven, werkt de Raad dit nog nader uit. Daarbij wordt aandacht geschonken aan de kring van de verzekerden, de kring van premieplichtigen en de grondslag van de premie, het karakter van de verstrekkingen en het centrale beleidsorgaan. Hieraan wordt in het verdere deel van deze memorie, waar de desbetreffende onderwerpen aan de orde komen, nog aandacht besteed.

 

3. De grondslagen van de wettelijke regeling


3.1. De rechtsgrond


     De ondergetekenden hebben er geen behoefte aan diepgaand op het vraagstuk van de rechtsgrond van een volksverzekering rblz.|8 l.k.| zware geneeskundige risico's in te gaan. Reeds in de adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad heeft de eerste ondergetekende erop gewezen dat hij een rechtsgrond voor het tot stand brengen van een dergelijke volksverzekering aanwezig acht. De Sociaal-Economische Raad kan zich, zoals ook in de in het vorige hoofdstuk gegeven samenvatting van 's Raads advies is medegedeeld, met deze zienswijze verenigen. Iedere burger kan in omstandigheden komen te verkeren dat hij zelf of leden van zijn gezin geneeskundige verzorging uit hoofde van langdurige ziekte of gebreken van node heeft. Het is een feit dat in toenemende mate nagenoeg niemand in staat is de daaruit voortspruitende lasten in verband met de hoge kosten zelf te dragen, terwijl het tot dusverre niet mogelijk is gebleken langs particuliere weg tot een oplossing te geraken en geen enkel van die risico's op privaatrechtelijke grondslag afdoende verzekerbaar is. Ongeacht maatschappelijke positie of draagkracht moet dan ook in praktisch alle voordoende gevallen een beroep worden gedaan op de hulp van de overheid of van anderen.
     In de adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad is reeds uiteengezet dat deze toestand onbevredigend is en niet in overeenstemming met beginselen van maatschappelijke solidariteit en persoonlijke verantwoordelijkheid. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is de eerste ondergetekende diepgaand ingegaan op de rechtsgrond voor de sociale verzekering. Een belangrijk element daarin is het realiseren van het beginsel van de gelijkheid van kansen. De ondergetekenden menen dat in onze huidige maatschappelijke organisatie aan dat beginsel in belangrijke mate afbreuk wordt gedaan zowel voor degenen die zelf door een zwaar geneeskundig risico worden getroffen als voor degenen die in eerste aanleg voor de kosten bij het manifest worden van dit risico verantwoordelijk zijn. In dit verband mogen zij erop wijzen dat met name het ontbreken van een afdoende financiële grondslag voor de desbetreffende geneeskundige verzorging er mede aanleiding toe is dat die verzorging niet in ontwikkeling is medegegroeid met de maatschappelijke welvaart en achter is gebleven bij de geneeskundige voorzieningen in andere sectoren.
     Door het ontbreken van een goede en afdoende financiële grondslag voor deze verzorging heeft namelijk het medisch onderzoek en de behandeling op dit terrein niet die ontwikkeling kunnen nemen die zij hadden kunnen verkrijgen wanneer in betrokken risico's beter zou zijn voorzien. Terecht heeft de Centrale Raad voor de Volksgezondheid erop gewezen dat het gehele verplegings- en inrichtingssysteem mede hierdoor niet zo snel tot ontwikkeling is gekomen als anders wellicht mogelijk zou zijn geweest. Daardoor zijn de daarop aangewezen groepen van zieken en hulpbehoevenden in de verzorging achtergebleven bij andere groepen van zieken en medische hulp behoevenden en is in dit opzicht niet van een gelijkheid van kansen sprake. Sommige van deze groepen is de samenleving mede daardoor ook nog te weinig geneigd te beschouwen als zieken onder ons. Juist een afdoende financiële grondslag voor de bestrijding van deze risico's kan een krachtige bijdrage leveren om deze groep meer in het maatschappelijk proces op te nemen. De ervaring leert immers dat een afdoende medische behandeling en verzorging voor velen deelneming aan het maatschappelijke leven in één of ander opzicht mogelijk zal kunnen maken. De ondergetekenden achten het een cultuuropdracht van deze tijd dat er alles aan gedaan wordt om bij groeiende welvaart de vaak in geestelijk opzicht zwaksten onder ons zoveel mogelijk kansen te geven om, zij het op bescheiden wijze, aan het maatschappelijke leven deel te nemen. Dit zal een bijdrage zijn tot menselijk geluk voor henzelf, maar ook voor degenen tot wier gezin of familie zij behoren, die zo vaak gebukt gaan onder dit geestelijk lijden en ook onder de maatschappelijke waardering daarvan.
     Voor de financiële grondslag is een voorziening gekozen die het karakter heeft van een sociale verzekering. De ondergetekenden menen dat op deze wijze een solidariteitsgrondslag van de voorziening het duidelijkst op specifieke wijze tot
rblz.|8 r.k.| uitdrukking wordt gebracht, terwijl - zoals de Sociaal-Economische Raad terecht heeft opgemerkt - door uitvoering in de vorm van sociale verzekering aansluiting kan worden verkregen aan het patroon van de georganiseerde volksgezondheidszorg dat in ons land bestaat en dat - grosso modo - bevredigend heeft gewerkt.
     Het beginsel van gelijkheid van kansen is met name ook in het geding ten opzichte van degenen die in de eerste aanleg verantwoordelijk zijn voor het onderhoud en de verzorging van degenen die door een zwaar medisch risico zijn getroffen. Ook wanneer men voorbijgaat aan de belemmeringen welke het zware geneeskundige risico als zodanig reeds oplevert en waarop in het voorgaande werd gewezen, betekent het optreden van dit risico een bijzonder ernstige financiële last, zelfs wanneer men de hulp in aanmerking neemt welke de overheid en derden geven. Dit leidt ertoe dat de bedoelde personen zich veel dingen moeten ontzeggen welke tot het normale levenspatroon behoren; daardoor kan hun persoonlijke ontplooiing in belangrijke mate geremd worden.
     De ondergetekenden staan op het standpunt dat waar de totale financiële last bij dit ernstige vraagstuk voor de samenleving als geheel betrekkelijk gering is te noemen, het verantwoord is daarvoor een verplichte, het gehele volk omvattende verzekering in het leven te roepen. Een beperking van de persoonlijke verantwoordelijkheid zien zij daarin niet. Immers er is gebleken dat enerzijds nagenoeg niemand zijn persoonlijke verantwoordelijkheid in deze in belangrijke mate kan beleven en dat anderzijds in de weinige gevallen waarin dit wel mogelijk is onevenredig zware lasten op de schouders van een enkeling worden gelegd. De ondergetekenden achten er dan ook juist integendeel een versterking van de persoonlijke verantwoordelijkheid in gelegen, en wel in deze zin dat iedere burger mede persoonlijk verantwoordelijk is voor het oplossen van dit belangrijke vraagstuk en daarvoor zijn bijdrage zal hebben te leveren. Anderzijds wordt degenen die door een zwaar geneeskundig risico zijn getroffen en degenen tot wier gezin of familie zij behoren, de mogelijkheid geboden tot versterking van de beleving van hun persoonlijke verantwoordelijkheid.
     De ondergetekenden menen ter afsluiting van hun beschouwingen over de rechtsgrond van de onderhavige voorziening nog te moeten opmerken dat uiteraard de vraag kan rijzen of het dekken van de zware geneeskundige risico's niet moet leiden tot een aanpassing van de ziekenfondsverzekering.
     De eerste ondergetekende heeft deze vraagstelling opgenomen in zijn meer genoemde adviesaanvragen aan de Sociaal-Economische Raad, de Ziekenfondsraad en de Centrale Raad voor de Volksgezondheid. Alhoewel de ondergetekenden zich voorstellen meer uitvoerig op deze vraagstelling in te gaan ter gelegenheid van de indiening van het hierboven aangekondigde ontwerp van wet tot wijziging van de Ziekenfondswet, menen zij dat enkele opmerkingen daarover in deze memorie niet kunnen ontbreken.
     Zij mogen er in de eerste plaats op wijzen dat onderscheid moet worden gemaakt tussen een technische aansluiting van de ziekenfondsverzekering aan de volksverzekering zware geneeskundige risico's en een sociaal-politieke aansluiting. Bij de eerste gaat het erom welke technische wijzigingen in de Ziekenfondswet moeten worden aangebracht in verband bijvoorbeeld met het verstrekkingenpakket van de volksverzekering. Bij de tweede gaat het erom welk stelsel van ziekenfondsverzekering sociaal-politiek het best past in de samenhang met de volksverzekering zware geneeskundige risico's. In de meerbedoelde adviesaanvragen ging het om de laatstbedoelde vraagstelling. Daarbij zijn een viertal varianten onderkend, namelijk:
a. handhaving van de huidige verplichte ziekenfondsverzekering naast de volksverzekering zware geneeskundige risico's;
b. eventueel beperking van die verzekering door ziekenhuisverpleging na een bepaalde duur en opneming in sanatoria en verpleeginrichtingen onder te brengen in de volksverzekering;
rblz.|9 l.k.| c. uitbreiding van de verplichte ziekenfondsverzekering tot alle burgers beneden de welstandsgrens (beperkte volksverzekering);
d. eventueel met introductie van een beperkt eigen risico.
     In feite heeft de Sociaal-Economische Raad geopteerd voor de onder a genoemde variant, met de mogelijkheid van een zekere beperking, die onder b is aangeduid. De Sociaal-Economische Raad staat blijkens een briefwisseling met de eerste ondergetekende die onlangs aan de Tweede Kamer is overgelegd op het standpunt dat indien geopteerd zou worden voor de onder c genoemde variant, hem daaromtrent nader advies gevraagd zou moeten worden. De ondergetekenden zouden daarop thans niet willen ingaan, doch slechts willen releveren dat de Centrale Raad voor de Volksgezondheid, de alternatieve mogelijkheden uit een oogpunt van volksgezondheid aan een beschouwing onderwerpende, de oplossing door middel van een beperkte volksverzekering voor die zelfstandigen beneden de inkomensgrens die thans niet vrijwillig verzekerd zijn een grote verbetering zou achten. Bij deze groep bestaat naar het oordeel van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid thans een zekere mate van onderconsumptie.
     Vanuit de kring der zelfstandigen is sedertdien een advies te vermelden van de Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf, hetwelk bepleit ziekenhuisverpleging gedurende het eerste jaar en klinische operatieve behandeling onder de volksverzekering zware geneeskundige risico's te brengen, zij het getemporiseerd ingevoerd. Alsdan zou - aldus het advies - voor ondernemers een zogenaamde beperkte volksverzekering overbodig zijn.
     Zoals opgemerkt, zullen de ondergetekenden op de beperkte volksverzekering nader terugkomen bij de aangekondigde wijziging van de Ziekenfondswet. Afgescheiden van de moeilijkheden welke met name met betrekking tot de financiering van de vrijwillige en bejaardenverzekering bestaan, zouden zij er wel op willen wijzen dat reeds thans ongeveer 71% van de bevolking onder een vorm van ziekenfondsverzekering valt, welk percentage stijgt tot ongeveer 76 als men het aantal ziekenfondsverzekerden relateert aan de Nederlanders met een inkomen beneden de welstandsgrens. Neemt men daarbij in aanmerking de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren, dan kan zeker gezegd worden dat door de invoering van een volksverzekering zware geneeskundige risico's een veelomvattend stelsel van verzekering voor geneeskundige verzorging zal worden verkregen. De ondergetekenden hebben dan ook begrip voor de vraag welke de laatste jaren aan actualiteit heeft gewonnen of niet de verplichte verzorging enigszins zou kunnen worden beperkt. Hierbij wordt gedacht aan het dragen van een zeker eigen risico c.q. het niet meer onderbrengen van bepaalde risico's in de verplichte verzekering, doch in een systeem van een vrijwillige aanvullende verzekering. De beide eerste ondergetekenden hebben reeds meermalen te kennen gegeven dat zij bij gelegenheid van de indiening van het onderhavige wetsontwerp over deze complexe problematiek van het dragen van eigen risico andermaal het oordeel van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid en de Ziekenfondsraad zouden vragen. Deze adviesaanvrage hopen zij spoedig te doen uitgaan.

 

3.2. Mogelijke systemen


     1. Reeds spoedig na de indiening van de adviesaanvrage bij de Sociaal-Economische Raad is twijfel gerezen over datgene wat de adviesaanvrage met betrekking tot het object van de verzekering beoogde. Onder punt 3 van de adviesaanvrage wordt namelijk gezegd: "Zolang geen verantwoorde oplossing kan worden geboden voor de zeer zware lasten welke uit hoofde van ernstige langdurige ziekten en gebreken op iedereen kunnen komen te drukken en door niemand zonder bijstand van de overheid of van derden kunnen worden gedragen, zolang ook is het vraagstuk van de verzekering tegen geneeskundige risico's voor het Nederlandse volk nog niet tot oplossing gebracht".
    
rblz.|9 r.k.| Dit lezende kan men de indruk krijgen dat het object van de verzekering zou moeten zijn gelegen in de zware lasten verbonden aan de lange duur van ziekten en gebreken. Gaat men daarvan uit, dan ligt het voor de hand als object te kiezen de geneeskundige verzorging, revalidatie en verpleging in de daartoe bestemde inrichtingen van degenen die langer dan bijvoorbeeld één jaar ziek of gebrekkig zijn.
     Leest men echter de adviesaanvrage verder, dan wordt gezegd: "Bij de omschrijving van de groep waarom het hier gaat, valt in de eerste plaats te denken aan de gebrekkigen met ernstige aangeboren gebreken van lichamelijke en geestelijke aard, alsmede aan geesteszieken die langdurige verpleging en verzorging behoeven. Ook dient hierbij te worden gedacht aan een aantal chronisch lichamelijk zieken. De ondergetekende beoogt niet op deze plaats hiervan een uitputtende opsomming te geven. Hij denkt hierbij onder meer aan patiënten lijdende aan een aandoening van het centrale zenuwstelsel en voorts aan al degenen die door gewrichtsverstijvingen of verlammingen en anderszins langdurig bestaande functiestoornissen van het bewegingsapparaat hebben". In deze passage van de adviesaanvrage werd tot uitdrukking gebracht dat de volksverzekering zou moeten dekken de lasten verbonden aan een aantal zeer ernstige geneeskundige risico's die manifest worden in bepaalde met name aan te duiden ziekten of gebreken. Zou men deze weg gaan, dan zou de wet moeten stellen dat bij algemene maatregel van bestuur de aandoeningen worden aangewezen die op een daarvoor vereiste indicatie van medische of sociale aard aanspraak zouden geven op geneeskundige verzorging, verpleging in een ziekenhuis, een verpleeginrichting en revalidatie daaronder begrepen. In de memorie van toelichting bij een dergelijk wetsontwerp zou dan verder, uitgebreider dan in de adviesaanvrage mogelijk was, de aanduiding uitgewerkt kunnen worden om welk soort ziekten het gaat. Met name zou daarin gezegd kunnen worden dat de volksverzekering door aanwijzing bij algemene maatregel van bestuur van andere ziekten geleidelijk tot ontwikkeling zou kunnen worden gebracht. De volksverzekering zou dan in tweevoudig opzicht het karakter van een bodemvoorziening hebben gehad. In de eerste plaats zou iedereen, wanneer zich een aangewezen aandoening zou hebben voorgedaan, aanspraak hebben op grond van de volksverzekering. Hierbij moet worden opgemerkt dat dan de verplichte ziekenfondsverzekering voor loontrekkenden deze aandoeningen van die verzekering zou moeten uitsluiten en in verband daarmede uiteraard voor de niet-aangewezen ziekten als een aanvulling zou gelden op de algemene volksverzekering. In de tweede plaats zou de volksverzekering een bodemvoorziening zijn, omdat zij voor wat de verpleging betreft alleen de laagste klasse waarborgen zou, waar bovenop aanvullende eigen voorziening mogelijk zou zijn.
     In die gedachtengang zou niet de lange duur van iedere ziekte of aandoening op zich zelf aanspraken krachtens de volksverzekering geven. De langdurige gevolgen van een bepaald ongeval voor de gezondheid van de ongevalsgetroffene zouden niet zonder meer ten laste van deze volksverzekering behoeven te komen. De verplichte ziekenfondsverzekering zou deze getroffene zo nodig onbeperkt genees- en heelkundige behandeling kunnen geven. Dit te meer tegen de achtergrond van de mogelijkheid om bij het in werking treden van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering de duur van de aanspraak op verpleging in een ziekenhuis onbeperkt te maken.
     Wanneer men alleen de lange duur van iedere ziekte of aandoening tot object der verzekering zou maken, dreigt het gevaar dat wanneer men eerst aanspraak heeft nadat de ziekte of aandoening reeds gedurende één jaar manifest is, niet-loontrekkenden gedurende het eerste jaar niet op adequate wijze zouden kunnen worden behandeld. Voor de opsteller van de adviesaanvrage leek het juist en uit volksgezondheidsoogpunt belangrijk dat de behandeling en alles wat daaraan vastzit ook niet over twee verschillende verplichte verzekeringen zouden worden verdeeld. Kiest men de weg van de aanwijzing van aandoeningen, dan zou er eenheid van object zijn,
rblz.|10 l.k.| doordat namelijk de door de volksverzekering aangewezen aandoeningen hun dekking vinden uitsluitend in de volksverzekering en de niet-aangewezen aandoeningen voor de loontrekkenden in de verplichte ziekenfondsverzekering, terwijl het daaraan verbonden risico voor niet-loontrekkenden hetzij in het kader van de vrijwillige ziekenfondsverzekering dekking zou kunnen vinden, hetzij particulier verzekerbaar zou blijken.
     Eén en ander brengt met zich mede dat het ook niet uitsluitend gaat, zoals hier en daar weleens is gesteld, om geneeskundige behandeling en verpleging in een inrichting (intramurale zorg), maar evenzeer om de extramurale zorg, dus bijvoorbeeld ook de behandeling thuis. Het gaat om een integrale voorziening.
     Tegen het in de adviesaanvrage ontwikkelde systeem is aangevoerd dat het moeilijk zou zijn de desbetreffende ziekten en aandoeningen te omschrijven, terwijl het voorts niet vaststaat dat deze aandoeningen, als zij optreden, altijd langdurige gevolgen zullen hebben. De ondergetekenden menen dat aan het eerste te zwaar getild wordt. Voor wat het tweede betreft, zouden zij willen opmerken dat de rechtsgrond voor de regeling, te weten dat in de regel de risico's van de aangewezen aandoeningen zo zwaar zijn, ook door hun langdurigheid, dat zij vrijwel door niemand in de samenleving te dragen zijn, niet zou behoeven uit te sluiten dat een uit hetzelfde risico voortspruitende kortdurende verplegingsnoodzaak ook door de verzekering wordt gedekt. De zwaarte van het risico is juist oorzaak dat het nauwelijks of niet verzekerbaar is. Ook het omgekeerde doet zich wel voor. Risico's die normaal verzekerbaar zijn, blijken individueel wel eens heel groot te zijn. De in individuele gevallen grote omvang van een normaal risico moet er niet toe leiden dat de betrokkene - als hij daarvoor niet onder de volksverzekering zou vallen - ongedekt is. Enerzijds zou daarom de verplichte ziekenfondsverzekering in de toekomst voor deze risico's, die geen dekking vinden in de volksverzekering, een onbeperkte dekking kunnen geven, anderzijds zou een voorschrift te overwegen zijn voor particuliere ziektekostenverzekeringen, waardoor een verzekering, indien blijkt dat een overigens normaal risico in individuele gevallen groot blijkt te zijn, niet opgezegd zou kunnen worden.

     2. In de adviezen van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid. de Ziekenfondsraad en de Sociaal-Economische Raad zijn andere systemen aangegeven. Alvorens een definitief standpunt te ontwikkelen, mogen de ondergetekenden eerst een samenvatting geven van de systemen die in bedoelde adviezen aan de orde zijn gesteld.

     A. De Centrale Raad voor de Volksgezondheid (hierna te noemen de Raad) heeft drie mogelijkheden onder ogen gezien, namelijk aansluiting van de volksverzekering op het bestaande verstrekkingenpakket van de verplichte ziekenfondsverzekering, aansluiting volgens een "horizontale" scheidslijn, namelijk een bepaalde opnemingsduur, en aansluiting volgens een "verticale" scheidslijn, waarbij dan één versterking integraal of tot de ene of tot de andere verzekering behoort. De Raad is van oordeel dat zich de geringste bezwaren zullen voordoen bij de "verticale" scheidslijn.
     Het bestaan van twee verzekeringen brengt, aldus de Raad, automatisch met zich mee dat er naast elkaar voorzieningen zullen komen waarop de gehele bevolking rechten kan doen gelden en voorzieningen waarop slechts een deel recht heeft. Voor zover de verstrekkingen van de ziekenfondsverzekering dan nog gelimiteerd zullen zijn door de eis van medische indicatie, bestaat het gevaar van druk op de voorzieningen van de volksverzekering. Dit gevaar is echter te ondervangen door de erkenningen te binden aan duidelijke criteria en door een uniforme toepassing van de indicaties die voor opneming in de verschillende typen inrichtingen moeten gelden.
     Indien de controlerende instanties van beide uitvoeringsorganen verschil van mening hebben over de voorziening die de patiënt nodig heeft, zou hiervan het gevolg zijn dat
rblz.|10 r.k.| de patiënt tussen twee stoelen valt en door beide verzekeringen afgewezen wordt. Dit gevaar is echter te keren door bepaalde wettelijke regelingen (vgl. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Ziektewet) en door het creëren van een beroepsprocedure. De Raad is daarom tot de overtuiging gekomen dat de "verticale" scheiding de voorkeur verdient.
     Vervolgens de vraag onder ogen ziende waar deze scheidslijn het beste gelegd zou kunnen worden, is hij tot de conclusie gekomen dat het uit een oogpunt van gezondheidszorg aanbeveling verdient dat de verplichte ziekenfondsverzekering voor de huidige kring van verplicht verzekerden de verpleging in ziekenhuizen (en daarmede gelijk te stellen bedden) voor onbeperkte tijd verstrekt en dat de volksverzekering voor de gehele bevolking de kosten dekt van opneming, eveneens voor onbeperkte tijd, in verpleegtehuizen (en daarmede gelijk te stellen bedden) in inrichtingen voor visueel en auditief gehandicapte onvolwassenen en in zwakzinnigeninrichtingen. Door een dergelijke verschuiving immers wordt het grote voordeel verkregen dat de verpleging in instellingen waar de diagnostische en therapeutische hulp van de specialist de centrale plaats inneemt, geheel in de sfeer van het ziekenfondswezen blijft, terwijl de verpleging in instellingen waar de medicus een minder centrale positie inneemt, onder de verstrekkingen van de volksverzekering valt. Deze accentverschuiving zou een andere naam dan "volksverzekering zware geneeskundige risico's" gewenst maken.
     De omschrijving "ziekenhuizen en daarmee gelijk te stellen bedden" en "verpleegtehuizen en daarmee gelijk te stellen bedden" vraagt om een nadere toelichting. Zij is nodig met name omdat de psychiatrische inrichting ten dele het karakter vertoont van een ziekenhuis en ten dele van een verpleegtehuis. Indien eenmaal vastgelegd is wat onder een "ziekenhuis" en onder een "verpleegtehuis" verstaan dient te worden, kan voor psychiatrische inrichtingen aan de hand van criteria vastgesteld worden of een patiënt op een bed met een ziekenhuiskarakter ligt dan wel op een bed met een verpleegtehuiskarakter. In de toekomst zal het wellicht mogelijk zijn in psychiatrische inrichtingen te onderscheiden tussen afdelingen met ziekenhuiskarakter en afdelingen met verpleegtehuiskarakter. Mocht dit echter onverhoopt niet of voorlopig nog niet mogelijk blijken, dan adviseert de Raad om alleen voor deze inrichtingen een "horizontale" scheidslijn aan te houden, hetgeen betekent dat de verpleging gedurende het eerste jaar voor ziekenfondsrekening zal plaatshebben en daarna op kosten van de volksverzekering. De Raad is er zich daarbij van bewust dat het op zichzelf weinig aantrekkelijk is reeds dadelijk bij de invoering van een systeem (de "verticale" scheidslijn) daarop inbreuk te maken voor een bepaald onderdeel (door hantering van de "horizontale" scheidslijn). Dit wordt desondanks aanvaardbaar geacht, omdat daardoor de bedoeling van de Minister het dichtst benaderd zou worden en vermeden kan worden dat er grote lacunes blijven.
     De conclusie van de Raad is derhalve deze dat het uit volksgezondheidsoogpunt de voorkeur verdient een zuiver "verticale" verdeling na te streven tussen de ziekenfondsverzekering en de volksverzekering. Slechts voor zolang het niet mogelijk is in psychiatrische inrichtingen onderscheid te maken tussen "ziekenhuisbedden" en "verpleegtehuisbedden" zal voor die inrichtingen de "horizontale" scheidslijn van één jaar aangehouden moeten worden. Voor de ziekenfondsverzekerden zal de invoering van een volksverzekering als hierboven aangegeven met zich meebrengen dat niet alleen de poliklinische behandeling, maar ook de klinische verpleging in ziekenhuizen, sanatoria en revalidatie-inrichtingen voor onbeperkte tijd verzekerd is.
     Zij die niet verplicht of vrijwillig verzekerd zijn bij een ziekenfonds zullen bij de invoering van de volksverzekering derhalve onbeperkt verzekerd zijn wat betreft de kosten van verpleging in verpleegtehuizen, in instituten voor auditief en visueel gehandicapte onvolwassenen en in zwakzinnigeninrichtingen, en wel vanaf de eerste dag. Ten aanzien van de
rblz.|11 l.k.| risico's die voor de ziekenfondsverzekerden door de ziekenfondsverzekering gedekt zullen worden, zullen zij echter aangewezen blijven op eigen middelen, op particuliere ziektekostenverzekeringen en op hulp vanwege de Algemene Bijstandswet. De Raad heeft redenen om aan te nemen dat de particuliere verzekeringsmaatschappijen bereid en in staat zijn deze risico's tegen een aanvaardbare premie te verzekeren.

     B. De Ziekenfondsraad (hierna te noemen de Raad) komt tot een conclusie die dicht het standpunt van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid nadert. De Raad heeft naar een praktisch bruikbaar uitgangspunt gezocht met betrekking tot de vraag wat onder "zwaar geneeskundig risico" moet worden verstaan, daarbij hieraan de betekenis toekennende van het risico van zeer hoge financiële lasten welke kunnen voortvloeien uit langdurige en kostbare vormen van verpleging en behandeling. De Raad heeft vervolgens, uitgaande van de reeds door middel van de bestaande ziekenfondsverzekering voor het grootste deel van de bevolking gedekte risico's, de zogenaamde "manco's" opgespoord. Daaronder worden verstaan kostbare voorzieningen waarvan de kosten niet of niet voldoende door de huidige ziekenfondsverzekering worden gedekt. De Raad is er daarbij van uitgegaan dat de risico's welke in de ziekenfondsverzekering zijn ondergebracht, voor niet-ziekenfondsverzekerden in de sfeer van ziektekosten- en variaverzekeringen op bevredigende wijze verzekerbaar zijn of althans in de toekomst zullen zijn. De Raad heeft daarbij gesignaleerd het vraagstuk van selectie van risico waaraan, naar hij meent, te zijner tijd aandacht zal moeten worden geschonken.
     De Raad is tot de conclusie gekomen dat voor de volksverzekering een ruimere interpretatie van het begrip geneeskundige verzorging nodig zal zijn dan in het ziekenfondswezen tot nu toe gebruikelijk is. Ten aanzien van voorzieningen welke liggen in de sector van de zorg voor lichamelijk en geestelijk gehandicapten meent de Raad met name dat het voldoende is dat de medische zorg, inclusief verpleging, in het geheel der behandeling, verzorging en hulpverlening van betekenis is.
     Nagaande welke risico's thans niet of niet volledig door de ziekenfondsverzekering zijn gedekt, komt de Raad tot de conclusie dat er belangrijke manco's bestaan ten aanzien van de langdurige ziekenhuisverpleging, de langdurige verpleging in verpleegtehuizen, alsmede de zorg voor lichamelijk en geestelijk gehandicapten. Voor wat de ziekenhuisverpleging betreft, wordt hierbij gedacht aan de gevallen waarin de verpleging en behandeling langer dan één jaar duren. Ten aanzien van de verpleging in verpleegtehuizen wordt erop gewezen dat weliswaar deze verstrekking sedert enige jaren in de ziekenfondsverzekering is opgenomen, maar dat dit risico niet volledig is gedekt, doordat zowel een beperking geldt ten aanzien van de tijdsduur als ten aanzien van de hoogte van de vergoeding. Voor wat betreft de zorg voor lichamelijk gehandicapten, te weten de langdurige verzorging in gespecialiseerde inrichtingen, zoals inrichtingen voor spastici en astmatici en instituten voor zintuiglijk gehandicapten, merkt de Raad op dat de ziekenfondsverzekering niet of slechts voor een klein deel voorziet in de kosten van de verzorging. Ten aanzien van de zorg voor geestelijk gehandicapten worden de manco's zeer groot genoemd.
     De aard en omvang van de verstrekkingen ingevolge een voorziening tegen zware geneeskundige risico's nader beschouwende, geeft de meerderheid van de Raad voor wat betreft het risico van de ziekenhuisverpleging de voorkeur aan de oplossing waarbij deze verstrekking ook na het eerste jaar in de ziekenfondsverzekering wordt opgenomen. Het advies wijst erop dat dit het voordeel heeft dat het risico volledig in één voorziening is ondergebracht, zodat eventuele moeilijkheden waarmede de overneming van gevallen door een ander verzekeringsapparaat gepaard kan gaan bij voorbaat zouden zijn geëlimineerd. De meerderheid van de Raad meent dat in beginsel het vorenstaande ook zou moeten
rblz.|11 r.k.| gelden voor de behandeling en verpleging in psychiatrische inrichtingen. Zolang echter het onderscheid tussen ziekenhuis en verpleegtehuis in de sector van de psychiatrische inrichtingen niet voldoende is tot stand gebracht, zouden, bij wijze van overgangsmaatregel, de behandeling en verpleging in psychiatrische inrichtingen na afloop van het eerste jaar in de verzekering voor zware geneeskundige risico's kunnen worden opgenomen. Een minderheid van de Raad heeft zich uitgesproken voor een systeem waarbij de verpleging in ziekenhuizen en psychiatrische inrichtingen na afloop van het eerste jaar in de verzekering voor zware geneeskundige risico's wordt ondergebracht. In het advies wordt hierover opgemerkt dat deze minderheid niet de overtuiging had dat de financiële consequenties van een onbeperkte verpleging in ziekenhuizen en psychiatrische inrichtingen voor rekening van de ziekenfondsverzekering inderdaad - zoals de meerderheid aanneemt - binnen aanvaardbare grenzen zouden blijven, zulks mede met het oog op de sterk aanzuigende werking welke van een verzekering voor zware geneeskundige risico's zou uitgaan. Voorts meent de desbetreffende groepering in de Raad dat thans in de particuliere ziektekostenverzekering nagenoeg geen dekking voor het risico van langdurige verpleging en behandeling, met name in psychiatrische inrichtingen, kan worden gevonden. Voorts wordt sterk betwijfeld of een volledige scheiding tussen ziekenhuis en verpleegtehuis in de sector psychiatrische inrichtingen ooit zal kunnen worden gerealiseerd.
     Voor wat betreft de verpleging in verpleegtehuizen is de Raad van oordeel dat verpleging, behandeling en verzorging in erkende verpleegtehuizen, inclusief die voor geestelijk gestoorden, voor de gehele duur van de opneming in de verzekering zware geneeskundige risico's dienen te worden ondergebracht.
     In het advies wordt opgemerkt dat de verpleging in verpleegtehuizen in een aantal gevallen van korte duur kan zijn en dan niet zou vallen onder het begrip zwaar geneeskundig risico. Om praktische redenen waren echter ook deze kortdurende gevallen in de volksverzekering op te nemen, onder meer omdat de duur van de verpleging doorgaans niet vooraf is te bepalen. Nog wordt in het advies in overweging gegeven de opneming in verpleegtehuizen, ook voor geestelijk gestoorden, wil de desbetreffende voorziening bevredigend zijn, te binden aan een ruimere indicatie dan de huidige "ziekenfondsindicatie". Bij wijze van voorbeeld wordt genoemd de behoefte aan verpleging waaraan redelijkerwijs ten huize van de patiënt niet kan worden voldaan.
     Verder heeft de Raad uitgesproken dat de behandeling, verpleging en verzorging in inrichtingen voor lichamelijk, zintuiglijk en geestelijk gehandicapten, voor de gehele duur der opneming, onder de werking van de volksverzekering zullen moeten worden gebracht. De Raad heeft hierbij het oog op lichamelijk en geestelijk gehandicapten, zoals spastici, doven, slechthorenden, blinden, slechtzienden en zwakzinnigen, zowel imbecielen als idioten. Hierbij wordt opgemerkt dat de kosten van onderwijs dat in de desbetreffende inrichtingen als onderdeel van de verzorging wordt gegeven, conform de vigerende bepalingen ten laste van de overheid dienen te blijven komen.

     C. Ook de Sociaal-Economische Raad (hierna te noemen Raad) staat op het standpunt dat een voorziening zware geneeskundige risico's gericht moet zijn op het risico voor langdurige verpleging in inrichtingen. De Raad is van oordeel dat de voorziening zich niet moet beperken tot verstrekkingen van deze aard, die in de terminologie van het eerste lid van artikel 8 van de Ziekenfondswet gericht zijn op de "geneeskundige verzorging" van de verzekerden. Immers, bij die geneeskundige verzorging gaat het om een verzorging gericht op herstel of verbetering van de gezondheidstoestand van de betrokkene, dan wel op een verzachting van het lijden. Naar het oordeel van de Raad zijn er echter lichamelijke en geestelijke stoornissen welke een verzorging of behandeling vereisen waarin weliswaar geneeskundige rblz.|12 l.k.| facetten aanwezig zijn, maar waarvan moet worden betwijfeld of het geneeskundig aspect in de totaliteit van de verzorging zo belangrijk is dat de verzorging als een geneeskundige verzorging kan worden aangemerkt. De Raad wijst dan op de verzorging in inrichtingen voor zieken en gebrekkigen met een ernstige lichamelijke of geestelijke stoornis en op de verzorging van personen met zintuiglijke defecten ter verkrijging van aan het defect aangepaste bekwaamheden, zowel uit een oogpunt van maatschappelijke aanpassing als ter verwerving van arbeidsinkomen. Een zodanige verzorging zou, naar het oordeel van de Raad, tot object van de voorziening voor zware geneeskundige risico's dienen te behoren, ook als zij waarschijnlijk niet zullen kunnen resulteren in een aanmerkelijke verbetering van de lichamelijke of geestelijke toestand, noch in een belangrijke verzachting van het lijden.
     De Raad acht het daarentegen niet noodzakelijk dat voor alle gevallen van opneming in een inrichting de kosten vanaf den beginne ten laste van de voorziening van zware geneeskundige risico's worden gebracht. Zulks geldt, aldus de Raad, met name voor die gevallen waarin de opneming voor de overgrote meerderheid van de betrokkenen of althans voor een niet onbelangrijk deel van hen betrekkelijk kort van duur is. Mede gelet op de omstandigheid dat de verpleging van lichamelijk en geestelijk zieken gedurende het eerste jaar krachtens de ziekenfondsverzekering is gedekt, meent de Raad dat de voorziening van zware geneeskundige risico's zich kan beperken tot het verschaffen van een dekking na afloop van het eerste jaar.
     Voor de overige gevallen van verpleging en verzorging in een inrichting acht de Raad het echter ondoelmatig een onderscheid te maken naar de duur van de opneming. Bij voorbaat, aldus de Raad, staat het vast dat de opneming in deze gevallen nagenoeg steeds van langdurige aard zal zijn, terwijl deze risico's - met uitzondering van de sanatoriumverzekering - niet of slechts in geringe mate door de bestaande verzekeringsvormen worden gedekt. Er is bij het onderbrengen van alle andere vormen van verpleging en verzorging in de voorziening van zware geneeskundige risico's derhalve geen ingrijpende wijziging in de bestaande verzekeringsvormen te vrezen. Mede heeft hierbij voor de Raad een rol gespeeld dat in het bijzonder bij de evenbedoelde vormen van verpleging en verzorging het element van de maatschappelijke zorg veelal belangrijker is.
     Naar het oordeel van de Raad zouden dan de volgende verstrekkingen onder de werking van de voorziening van zware geneeskundige risico's moeten worden gebracht:


a. Verpleging in erkende ziekenhuizen na afloop van het eerste jaar

     Deze verstrekking zou dienen te omvatten observatie, onderzoek. behandeling en verpleging van lichamelijk zieken en van geesteszieken en klinische revalidatiebehandeling, zowel in algemene ziekenhuizen als in gespecialiseerde inrichtingen die als ziekenhuis zijn erkend.
     De Raad merkt op dat het aantal gevallen van ziekenhuisverpleging van lichamelijk zieken waarvan de opnemingsduur één jaar overschrijdt relatief zo gering is dat het geen bezwaar zou ontmoeten dit risico volledig door de ziekenfondsverzekering en de ziektekostenverzekering te doen dekken. Ten aanzien van de geesteszieken staat hij niet op dit standpunt. De Raad meent daarom dat de voorziening van zware geneeskundige risico's zou moeten voorzien in verpleging en behandeling van psychiatrische patiënten na afloop van het eerste jaar. dit onder voorbehoud dat een dergelijke afwijkende regeling voor de klinische behandeling van lichamelijk zieken en geesteszieken in erkende ziekenhuizen uit medisch gezichtspunt geen bezwaren ontmoet. Mocht dit wel het geval zijn, dan zal de voorziening van zware geneeskundige risico's zich naar zijn oordeel moeten uitstrekken tot de langdurige opneming van zowel lichamelijk zieken als geesteszieken
rblz.|12 r.k.| na afloop van het eerste jaar. De Raad is verder van gevoelen dat ook de sanatoriumverpleging na het eerste jaar onder de onderhavige voorziening moet worden gebracht. In het kader van de te verlenen klinische revalidatiebehandeling zouden ook de kosten van kunst- en hulpmiddelen, zoals prothesen e.d. moeten worden vergoed.


b. Behandeling, verzorging en verpleging in andere inrichtingen

     Hieronder verstaat de Raad inrichtingen voor lichamelijk zieken en geesteszieken, zowel volwassenen als kinderen, waarbij het verzorgingselement veelal overweegt of althans de medische zorg niet centraal staat. De Raad meent dat ook opneming op andere dan strikt medische indicatie mogelijk moet zijn. Aangezien het verblijf in deze inrichtingen over het algemeen van lange duur is, acht de Raad het doelmatig deze verstrekking volledig en niet eerst na afloop van het jaar onder de voorziening te brengen. De Raad heeft blijkens zijn advies hierbij met name op het oog inrichtingen zoals verpleegtehuizen, zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen voor lichamelijk en zintuiglijk gebrekkigen en wellicht ook B-koloniehuizen.
     Het gevolg van volledige dekking van de verzorging in verpleegtehuizen krachtens een algemene voorziening tegen zware geneeskundige risico's zou uiteraard zijn dat de thans geldende beperkte dekking uit het ziekenfondspakket zou vervallen.
     Voor zover in de genoemde inrichtingen het verstrekken van aangepast onderwijs een onderdeel van de behandeling vormt, zoals in inrichtingen voor lichamelijk en zintuiglijk gebrekkigen, is de Raad van oordeel dat de hieraan verbonden kosten niet ten laste van de voorziening van zware geneeskundige risico's moeten worden gebracht, maar dat zij als onderwijsvoorziening door de overheid moeten worden gedragen.


c. Poliklinische verstrekkingen

     Uitgangspunt voor de beschouwing van de Raad over deze verstrekkingen is geweest dat zowel de ziekenfonds- als de ziektekostenverzekering, deze laatste ten dele met een eigen risico voor de verzekerden, de poliklinische behandeling volledig of grotendeels dekt. Voor zover er nog beperkingen in de verstrekkingen zijn, welke de Raad grotendeels aan moeilijkheden van praktische aard toeschrijft, zou aanvulling van het ziekenfondsenpakket moeten plaatsvinden. Anders zou, naar 's Raads oordeel, een door de Raad in beginsel juist geachte ontwikkeling worden afgesneden.
     Daarnaast noemt de Raad in zijn advies verstrekkingen welke niet of niet in hoofdzaak het karakter hebben van een geneeskundige verzorging, doch welke veeleer sociaal geïndiceerd zijn, veelal gericht op het scheppen van de mogelijkheid dat lichamelijk en zintuiglijk gebrekkigen aan het maatschappelijk leven kunnen blijven deelnemen. De Raad rekent hiertoe verstrekkingen van prothesen en andere kunst- en hulpmiddelen, de niet-klinische om- en herscholing, de voorziening met aangepaste werktuigen, voorzieningen in de woning e.d. Na erop gewezen te hebben dat voor een niet onbelangrijk deel krachtens andere regelingen op deze verstrekkingen aanspraak kan worden gemaakt, spreekt de Raad als zijn oordeel uit dat een begrenzing van deze categorie van verstrekkingen nauwelijks valt te geven. De financiële consequenties mede in aanmerking nemende, komt de Raad tot de slotsom dat de voorziening van zware geneeskundige risico's ook deze norm van verstrekkingen niet dient te omvatten.

     3. Bij vergelijking van de systemen ontwikkeld in de adviesaanvrage en in de door de Centrale Raad voor de Volksgezondheid, de Ziekenfondsraad en de Sociaal-Economische Raad uitgebrachte adviezen, wordt het volgende beeld verkregen: rblz.|13 l.k.| 

Adviesaanvrage Centrale Raad voor de Volksgezondheid Ziekenfondsraad Sociaal-Economische Raad
1. Volledige dekking intramuraal en poliklinisch voor bepaalde krachtens de wet aan te wijzen aandoeningen. Volledige dekking intramuraal in verpleegtehuizen, in psychiatrische inrichtingen voor wat betreft bedden met een verpleegtehuiskarakter, in zwakzinnigeninrichtingen en in inrichtingen voor visueel en auditief gehandicapte onvolwassenen.¹ Volledige dekking intramuraal van verpleging, behandeling en verzorging in erkende verpleegtehuizen (inclusief die voor geestelijk gestoorden) en in inrichtingen voor speciale groepen van lichamelijk en geestelijk gehandicapten (spastici, doven, slechthorenden, blinden, slechtzienden) en inrichtingen voor alle zwakzinnigen. Volledige dekking intramuraal in verpleegtehuizen, zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen voor lichamelijk en zintuiglijk gebrekkigen en wellicht B-koloniehuizen (zowel volwassenen als kinderen). Eveneens verpleging en behandeling van psychiatrische patiënten in ziekenhuizen na afloop van het eerste jaar.³
2. Onbeperkte dekking der normale, dit is niet-aangewezen, risico's ¹ door de ziekenfondsverzekering Onbeperkte dekking van verpleging in ziekenhuizen door de ziekenfondsverzekering. Onbeperkte dekking van verpleging in ziekenhuizen ² door de ziekenfondsverzekering. Onbeperkte dekking van verpleging in ziekenhuizen door ziekenfondsverzekering, echter uitsluitend voor lichamelijk zieken.³
3. Poliklinische hulp voor de aangewezen aandoeningen. Geen poliklinische hulp. Geen poliklinische hulp. Geen poliklinische hulp. Geen poliklinische hulp. Geen poliklinische hulp. Geen poliklinische hulp.

1. Zolang het niet mogelijk is in psychiatrische inrichtingen te onderscheiden tussen afdelingen met ziekenhuiskarakter en verpleegtehuiskarakter, zou de verpleging voor deze inrichtingen gedurende het eerste jaar ten laste van de ziekenfondsverzekering en daarna van de volksverzekering zware risico's moeten komen.
2. Zelfde voorbehoud als bij 1.
3. Als deze afwijkende regeling bij de klinische behandeling van lichamelijk en geesteszieken in erkende ziekenhuizen uit medisch oogpunt bezwaren zou ontmoeten, zou de voorziening van zware risico's zich moeten uitstrekken tot een langdurige opneming van zowel lichamelijk als geesteszieken na afloop van het eerste jaar.

     3. In de voorlopige stellingname van de eerste ondergetekende in de adviesaanvrage hebben enkele gedachten een centrale rol gespeeld. In de eerste plaats zou de nieuwe verzekering moeten voorzien in de duidelijke manco's die met betrekking tot de geneeskundige verzorging in het stelsel van sociale zekerheid bestaan. In de tweede plaats leek het wenselijk een zodanig stelsel te ontwikkelen dat men niet ter zake van eenzelfde aandoening onder twee regelingen zou vallen. Daarmede werd in zekere zin een keuze gedaan voor een "verticale" oplossing. In de derde plaats werd ervan uitgegaan dat krachtens de wet de aandoeningen zouden worden aangewezen voor de behandeling en verpleging waarvan de verzekering dekking zou moeten bieden. Daardoor zou tevens een zekere geleidelijkheid bij de invoering mogelijk zijn. In de vierde plaats wilde de adviesaanvrage buiten twijfel stellen dat ook poliklinisch een adequate oplossing gewaarborgd zou zijn. Ten slotte werd ook de revalidatie centraal gesteld.
     Wanneer de ondergetekenden nu de aanbevelingen bezien welke in de verschillende adviezen zijn gedaan, dan blijkt daaruit dat een zekere voorkeur voor een "verticale" onderscheiding tussen ziekenfondsverzekering enerzijds en volksverzekering voor zware geneeskundige risico's anderzijds wordt uitgesproken.
     Bij de praktische realiseerbaarheid worden echter reserves gemaakt, waardoor in feite de "verticale" scheiding met een zekere "horizontale" scheiding wordt gecorrigeerd. Zo gaan zowel de Centrale Raad voor de Volksgezondheid als de Ziekenfondsraad ervan uit dat zolang het niet mogelijk is in psychiatrische inrichtingen te onderscheiden tussen afdelingen met ziekenhuiskarakter en verpleegtehuiskarakter, de verpleging voor die inrichtingen gedurende het eerste jaar ten laste van de ziekenfondsverzekering en na dat jaar ten laste van de volksverzekering voor zware risico's moet komen. In het advies van de Sociaal-Economische Raad, waarin verpleging en behandeling van psychiatrische patiënten na afloop van het eerste jaar in ziekenhuizen ten laste van de volksverzekering voor zware geneeskundige risico's worden gebracht, wordt de kanttekening gemaakt dat als deze
rblz.|13 r.k.| afwijkende regeling bij de klinische behandeling van lichamelijk en geesteszieken in erkende ziekenhuizen uit medisch oogpunt bezwaren zou ontmoeten, de voorziening van zware risico's zich zou moeten uitstrekken tot langdurige opneming van zowel lichamelijk als geesteszieken na afloop van het eerste jaar. In alle adviezen bestaat een grote mate van overeenstemming over een zo volledig mogelijke dekking van de kosten van intramurale verzorging in verpleegtehuizen en andere inrichtingen voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten en over het ten laste van de ziekenfondsverzekering brengen van onbeperkte dekking van verpleging in ziekenhuizen. Algemeen werd de poliklinische hulp afgewezen, omdat men de ontwikkeling daarvan binnen de ziekenfondsverzekering wenselijk acht.
     Na ampele overweging zijn de ondergetekenden tot het oordeel gekomen dat de adviezen der verschillende adviescolleges met betrekking tot een zo volledig mogelijke dekking intramuraal in verpleegtehuizen en in inrichtingen voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten waren op te volgen. Bij de invoering der volksverzekering kan ter zake zo nodig enige geleidelijkheid worden toegepast. Met betrekking tot de onbeperkte dekking van verpleging in ziekenhuizen door de ziekenfondsverzekering staan de ondergetekenden op het standpunt dat ter zake geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen lichamelijk en geestelijk zieken. Zij achten het wenselijk dat in het volksgezondheidsbeleid niet tussen deze beide categorieën zieken wordt gediscrimineerd.
     Nu de Sociaal-Economische Raad, naar het oordeel van de ondergetekenden, gemotiveerde bezwaren naar voren heeft gebracht om de verpleging en behandeling van psychiatrische patiënten in ziekenhuizen, na afloop van het eerste jaar, ten laste van de verplichte ziekenfondsverzekering te brengen, zijn de ondergetekenden tot het oordeel gekomen dat de volksverzekering, naast de volledige intramurale voorziening met betrekking tot verpleegtehuizen en inrichtingen voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten, tot object dient te hebben de behandeling en verpleging in ziekenhuizen van zowel lichamelijk als geestelijk zieken na afloop van het eerste jaar.

     rblz.|14 l.k.| Zoals uit het vorenstaande is gebleken, zijn de verschillende adviescolleges van oordeel dat de volksverzekering zware geneeskundige risico's tot object dient te hebben de behandeling, verpleging en verzorging in de bovenomschreven inrichtingen voor gezondheidszorg. Zoals uit de adviesaanvrage welke de eerste ondergetekende op 24 augustus 1962 tot de Sociaal-Economische Raad heeft gericht en uit de beschouwingen welke hij eerder in dit hoofdstuk naar aanleiding daarvan heeft gegeven, blijkt, heeft hij naast de intramurale zorg evenzeer de extramurale zorg op het oog gehad. Eerder in dit hoofdstuk werd ervan gewaagd dat een integrale voorziening het oogmerk van de nieuwe regeling behoort te zijn. De ondergetekenden mogen voorts releveren dat op de studiedag welke de Nederlandse Centrale Vereniging voor Gebrekkigenzorg op 29 november 1963 over de onderhavige problematiek heeft gehouden - verwezen moge worden naar het in hoofdstuk 1 genoemde adres van deze vereniging, met name voor wat betreft punt 5 - er sterk de nadruk op is gelegd dat naast de mogelijkheid van het creëren van goede intramurale voorzieningen ook extramurale voorzieningen als object van de volksverzekering zouden moeten kunnen gelden. Vanwege het Staatstoezicht op de Volksgezondheid is nadien bij de beide eerste ondergetekenden ook sterk aangedrongen op het creëren van mogelijkheden, in het kader van de onderhavige regeling, van extramurale voorzieningen. Herhaald moge worden dat deze visie aansluit bij de aanvankelijke opvatting van de eerste ondergetekende.
     De ondergetekenden zouden het standpunt te dezen thans nader als volgt willen bepalen. In de onderhavige memorie werd op enige plaatsen reeds tot uitdrukking gebracht - een visie welke ook bij de verschillende adviescolleges aanwezig is - dat de volksverzekering voor zware geneeskundige risico's slechts geleidelijk tot ontwikkeling zal dienen te komen. Hiervan uitgaande menen de ondergetekenden dat de nieuwe verzekering zich allereerst zou moeten richten op de eerder in dit hoofdstuk aangegeven voorzieningen liggende in de intramurale sfeer. Afgezien van het feit dat dusdoende wordt aangesloten bij de opvatting van de verschillende adviescolleges, waaraan de ondergetekenden grote waarde hechten, zal de voorziening zich dan richten op een terrein waarvan de ontwikkeling, zoals elders in deze memorie werd aangegeven, sterk is achtergebleven en waarop het treffen van voorzieningen zeer urgent moet worden geacht. In een latere fase zal nader kunnen worden bezien in hoeverre een uitbreiding tot voorzieningen van extramurale aard aangewezen moet worden geacht. Zoals nader zal blijken, hebben de ondergetekenden aan de desbetreffende wetsbepaling een zo ruime redactie gegeven dat een ontwikkeling zoals vermeld zich in de komende jaren zal kunnen voltrekken.
     De ondergetekenden zijn van oordeel dat met betrekking tot enige punten nog aanvullende opmerkingen op hun plaats zijn. Voor wat betreft de poliklinische hulp namen zij er nota van dat de verschillende adviescolleges deze hulp niet tot object willen maken van de onderhavige voorziening. De ondergetekenden nemen ten opzichte hiervan het standpunt in dat zij deze aangelegenheid zouden willen bezien in het licht van hun boven weergegeven opvatting inzake het zich primair richten op de intramurale zorg. In dit verband willen zij niet nalaten op te merken dat zij nota namen van de beschouwing welke de Sociaal-Economische Raad nog in zijn advies heeft gegeven omtrent naar het oordeel van de Raad bestaande manco's in de poliklinische voorzieningen ten behoeve van psychiatrische patiënten. De ondergetekenden zullen bevorderen dat zoveel als mogelijk in het kader van de ziekenfondsverzekering in deze manco's wordt voorzien.
     Een volgend punt betreft de revalidatie. Gelijk bekend, nemen de ondergetekenden het standpunt in dat deze in verband met de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering een centrale plaats zal moeten krijgen en dat daartoe, voor zover het de daarvoor in aanmerking komende aspecten betreft, alle mogelijkheden in het kader van de ziekenfondsverzekering moeten worden geboden. In dit verband is de vraag gerezen rblz.|14 r.k.| of de daarvoor in aanmerking komende elementen van de revalidatie object dienen te zijn van de volksverzekering zware geneeskundige risico's. De ondergetekenden menen deze vraag bevestigend te moeten beantwoorden, doch zouden deze verstrekking een complementair karakter willen geven in die zin dat zij slechts verstrekt zal worden indien en voor zover zij niet krachtens de ziekenfondsverzekering verleend wordt. Ten aanzien van de daarvoor in aanmerking komende kunst- en hulpmiddelen zouden zij de volksverzekering zware geneeskundige risico's eenzelfde aanvullend karakter willen geven.
     De ondergetekenden menen dat indien overeenkomstig het vorenstaande de objecten van de volksverzekering zware geneeskundige risico's zullen worden vastgesteld, een adequate voorziening voor die risico's zal worden verkregen. Wanneer vervolgens in aanmerking wordt genomen dat enerzijds door middel van een wijziging van de
Ziekenfondswet de naar hun gevoelen noodzakelijke aanpassing van de regeling voor de ziekenfondsverzekerden zal worden bereikt en dat anderzijds door een uitbreiding van de polisvoorwaarden van de ziektekostenverzekeraars - in het algemeen risicoselectie daarbij achterwege blijvende - aan de niet-ziekenfondsverzekerden voor de betreffende risico's een afdoende dekkingsmogelijkheid zal worden geboden en mede in aanmerking nemende de ontwikkeling van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren, menen zij dat in de totaliteit bezien voor het gehele Nederlandse volk een afdoende dekking van zware en niet zware geneeskundige risico's zal zijn verkregen.

 

4. De inhoud van de wettelijke regeling


4.1. Het systeem van het wetsontwerp


     Het wetsontwerp is qua systematiek geënt enerzijds op de bestaande volksverzekeringswetten en anderzijds op de Ziekenfondswet. De kring der verzekerden is dan ook gelijk aan die van de andere volksverzekeringen. Daarbij wordt geen enkele leeftijdsgrens noch naar beneden, noch naar boven gesteld. Zware geneeskundige risico's, het object der verzekering, kunnen namelijk iedereen, ongeacht de leeftijd, treffen.
     Zoals bij de overige volksverzekeringswetten, wordt voorgesteld de heffing en invordering van de verschuldigde premies door de Rijksbelastingdienst te doen geschieden. Evenals bij de overige volksverzekeringswetten wordt geen premie geheven van personen jonger dan 15 jaar en van personen van 65 jaar of ouder. Dit laatste wordt in de artikelsgewijze toelichting toegelicht. Ook verder is met betrekking tot de premieheffing het systeem van de volksverzekeringswetten gevolgd, bijvoorbeeld voor wat betreft de niet-invordering en gedeeltelijke invordering van premies bij bepaalde groepen verzekerden. De ondergetekenden achten het niet nodig hierop nader in te gaan. In de uitvoering van de verzekering wordt overigens voorzien door de ziekenfondsen, de ingevolge de wet toegelaten ziektekostenverzekeraars, de uitvoerende organen van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren en de Ziekenfondsraad.
     Voor de verstrekkingen is de systematiek gekozen die de Ziekenfondswet ter zake kent: de verzekerden kunnen aanspraak op verstrekkingen doen gelden waarvan in de wet een algemene omschrijving wordt gegeven en waarvan bij algemene maatregel van bestuur aard, inhoud en omvang nader worden bepaald. Evenals in de Ziekenfondswet is bepaald dat als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking kan worden gesteld dat de verzekerde in de kosten ervan bijdraagt. De ondergetekenden zouden nog op tweeërlei aspect de aandacht willen vestigen. Allereerst is, zoals elders in deze memorie wordt toegelicht, het risico van ziekenhuisverpleging en -behandeling onder de werking van deze wet
gebracht wanneer een verzekerde langer dan één jaar voor verpleging en behandeling in een ziekenhuis is opgenomen, voor zover het de verstrekking na dat jaar betreft. Het andere aspect betreft de duidelijk in de wet tot uiting gebrachte rblz.|15 l.k.| bedoeling om de revalidatie een centrale plaats te geven in het verstrekkingenpakket van deze verzekering, doordat is bepaald dat voorzieningen strekkende tot herstel, behoud of verhoging van de arbeidsgeschiktheid of dienende tot verbetering van de levensomstandigheden, in beginsel, mede onder de werking van de verzekering worden gebracht.
     Voor de uitvoering van de verzekering is een systeem gekozen waarbij degenen die hetzij verzekerd zijn ingevolge de Ziekenfondswet en bij een ziekenfonds ingeschreven, hetzij verzekerd zijn bij een ingevolge de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's toegelaten ziektekostenverzekeraar, voor de uitvoering van de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's als ingeschreven worden beschouwd bij het desbetreffende ziekenfonds, onderscheidenlijk de desbetreffende ziektekostenverzekeraar. Die inschrijving dient dan in beginsel mede te gelden voor degenen die in de Ziekenfondswet als medeverzekerden worden aangemerkt, waardoor is aangesloten bij het criterium ter zake van de Ziekenfondswet. Voor de deelnemer aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren zal het desbetreffende uitvoerende orgaan van die regeling ook optreden als uitvoerder van de in deze wet geregelde verzekering. Degene die niet op de vorenomschreven wijze verzekerd is, kan zich hetzij bij een ziekenfonds, hetzij bij een toegelaten ziektekostenverzekeraar aanmelden. Het wil de ondergetekenden voorkomen dat hiermede zo dicht mogelijk wordt aangesloten bij de werkelijke situatie in het maatschappelijk leven.
     Het wetsontwerp kent, evenals de Ziekenfondswet, voor de verzekerde de vrije keuze van de persoon of instelling met wie of welke het ziekenfonds of de ziektekostenverzekeraar waarbij de verzekerde is ingeschreven, tot dat doel een overeenkomst heeft gesloten. In dit opzicht is het systeem van de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's geheel gelijk aan het systeem van de Ziekenfondswet. Ook overigens sluit de regeling van de verstrekkingen aan bij het systeem van de Ziekenfondswet.
     Zoals reeds opgemerkt, worden de middelen tot dekking van de uitgaven welke uit de uitvoering van de verzekering voortvloeien, gevonden door het heffen van premie van de verzekerden. Over de financiering zal in hoofdstuk 6 nader worden gesproken. De geheven premies worden op gelijke wijze als in de andere volksverzekeringswetten met betrekking tot daarbij ingestelde fondsen is geregeld, gestort in een door de Ziekenfondsraad te beheren Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's, ten laste waarvan de aanspraken ingevolge de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's komen.
     In het wetsontwerp is, zoals in de overige volksverzekeringswetten, een regeling opgenomen ter zake van de vrijstelling wegens gemoedsbezwaren. In de huidige Ziekenfondswet komt een dergelijke regeling niet voor, omdat deze aangelegenheid in de Coördinatiewet Sociale Verzekering is geregeld.
     Zoals gezegd, wordt in de uitvoering van de onderhavige verzekering voorzien door de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars, de uitvoerende organen van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren en de Ziekenfondsraad.
     De toelating van een ziekenfonds voor de uitvoering van de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's is in het wetsontwerp niet geregeld. Er is van uitgegaan dat de ziekenfondsen die toegelaten zijn voor de uitvoering van de Ziekenfondswet ook optreden voor de uitvoering van deze wet. Voor wat betreft de ziektekostenverzekeraars wordt in het wetsontwerp een procedure van toelating tot de uitvoering van de verzekering voorgesteld naar analogie van de in de Ziekenfondswet getroffen regeling voor de toelating van de ziekenfondsen. Uiteraard zijn hierbij de wijzigingen in aanmerking genomen welke de aard van het onderwerp vordert. Zo zijn met betrekking tot de uitvoering van de verzekering door de ziektekostenverzekeraars geen bepalingen opgenomen aangaande de werkgebieden, omdat ziektekostenverzekeraars in het algemeen landelijk plegen te werken. Voor het overige
rblz.|15 r.k.| worden in beginsel aan de ziektekostenverzekeraars overeenkomstige eisen gesteld als de Ziekenfondswet aan de ziekenfondsen stelt. Dit geldt met name ook voor het hebben van eigen instellingen, het deelnemen in bedrijven, het leveren van kunst- en hulpmiddelen, enz.
     Gezien het speciale karakter van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren zijn hiervoor speciale bepalingen in het leven geroepen waarbij rekening is gehouden met het publiekrechtelijk karakter van deze regelingen.
     Voor ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen van de ambtelijke ziektekostenregelingen gelden overeenkomstige bepalingen als in de Ziekenfondswet voor wat betreft het aangaan van overeenkomsten met personen en instellingen die aan het verlenen van de verstrekkingen zullen medewerken. Elders in deze memorie is hierop uitvoeriger ingegaan.
     Ook voor wat betreft de goedkeuring van de overeenkomsten is dezelfde procedure voorgesteld als in de Ziekenfondswet is vervat.
     In het wetsontwerp is bepaald dat de Ziekenfondsraad, bedoeld in het vijfde hoofdstuk van de Ziekenfondswet, optreedt als centrale coördinerende instantie bij de uitvoering van de verzekering. De Raad is voorts belast met het aan de Regering uitbrengen van adviezen betreffende de in het wetsontwerp geregelde verzekering en met het toezicht op het beheer en de administratie van de ziekenfondsen. Ook houdt de Raad toezicht voor zover het de uitvoering van deze wet betreft op de ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen van de ambtelijke ziektekostenregelingen. In het wetsontwerp is de constructie gekozen dat de Ziekenfondsraad, geregeld in de Ziekenfondswet, ook optreedt in het kader van de onderhavige wet, zij het dat de Raad, uiteraard uitsluitend voor het vervullen van zijn uit het onderhavige wetsontwerp voortvloeiende taken, enige uitbreiding ondergaat. Het kwam de ondergetekenden namelijk redelijk voor naast de representatieve organisaties van ziekenfondsen, die reeds in het kader van de Ziekenfondswet in de Ziekenfondsraad zijn vertegenwoordigd, ook de organisaties van ziektekostenverzekeraars op te nemen, alsmede een vertegenwoordiging van de uitvoerende organen van de ambtelijke ziektekostenregelingen. Voorts hebben de ondergetekenden de mogelijkheid geopend om de groep van personen en instellingen welke verstrekkingen verlenen enige uitbreiding te doen ondergaan met vertegenwoordigers van daarvoor in aanmerking komende organisaties die personen en instellingen vertegenwoordigen welke meer in het bijzonder bij het verlenen van de krachtens deze wet te verlenen verstrekkingen zijn betrokken.
     De in het wetsontwerp opgenomen bepalingen ten aanzien van het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's komen in belangrijke mate overeen met de desbetreffende bepalingen uit de Ziekenfondswet betrekking hebbende op de Algemene Kas. Uit het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's zal, aldus wordt in het wetsontwerp voorgesteld, jaarlijks een bedrag van ƒ10 mln in het Praeventiefonds worden gestort.
     Voor het overige sluit het wetsontwerp nauw aan bij de Ziekenfondswet, bijvoorbeeld ook voor wat betreft de regeling van het beroep en van het regres.

 

4.2. Raakvlakken met andere beleidssectoren


     De werkingssfeer van het onderhavige wetsontwerp heeft raakvlakken met beleidssectoren ressorterende onder andere departementen.
     Bij de wijze van uitvoering is het Ministerie van Binnenlandse Zaken betrokken in verband met de publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren. Zoals reeds in de vorige paragraaf werd genoemd, zullen de uitvoerende organen van die regelingen voor de deelnemers daaraan ook optreden als uitvoerders van de in
deze wet geregelde verzekering. Ook overigens is, voor zover daartoe aanleiding was, in hoofdstuk VI van de wet rekening gehouden met de bijzondere positie van de overheidsziektekostenregelingen. Hierbij rblz.|16 l.k.| kan nog worden aangetekend dat de verschillende instanties welke in verband niet de raakvlakken met ambtelijke rechtspositieregelingen door de Minister van Binnenlandse Zaken worden gehoord, in de gelegenheid zijn gesteld van hun visie te doen blijken.
     Door de aard van de in het wetsontwerp geregelde materie van langdurige behandeling en verpleging van lichamelijk en geestelijk zieken is voorts het Ministerie van Justitie bij de wet betrokken ten aanzien van de positie van de onder dat departement ressorterende inrichtingen. Aan de zorgen van het genoemde ministerie zijn personen toevertrouwd - volwassenen en kinderen - voor wie de rechter wegens ernstige verstoring van hun gezondheidstoestand (meestal van de geestelijke gezondheid) een medische behandeling, verpleging en verzorging noodzakelijk acht. Zo bijvoorbeeld de delinquenten die ter beschikking van de Regering worden gesteld teneinde een psychotherapeutische behandeling te ondergaan, psychisch gestoorde kinderen die deswege aan de ouderlijke macht worden onttrokken en dergelijke. Voor zover de te geven medische behandeling, verpleging en verzorging vallen onder het verstrekkingenpakket van de voorgestelde volksverzekering, zullen deze behandeling, verpleging en verzorging in beginsel voor rekening van de verzekering komen. Echter dient de verantwoordelijkheid te dezen van de Minister van Justitie, ten aanzien van de wijze van immers onder zijn verantwoordelijkheid te geven deskundige verzorging, in aanmerking te worden genomen. Dit is in artikel 6 [6] tot uitdrukking gebracht.
     In het wetsontwerp zijn voorts bijzondere bepalingen opgenomen met betrekking tot de erkenning van de inrichtingen voor Justitiepatiënten (in artikel 7 [8]) en de controle op het verlenen van verstrekkingen aan die patiënten (in artikel 15 [16]). Het wetsontwerp opent de mogelijkheid voor een rechtstreekse afrekening van de vergoedingen welke uit het Algemeen Fonds Geneeskundige Risico's zullen worden verleend ten behoeve van de behandeling van de Justitiepatiënten. Verder is geregeld dat de aanspraken van de hier bedoelde verzekerden niet tot gelding zullen worden gebracht door middel van ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars of uitvoerende organen en dat aan het verlenen van de desbetreffende verstrekkingen geen overeenkomsten ten grondslag kunnen liggen.
     Van andere aard zijn de raakvlakken met het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Met betrekking tot dit ministerie kan erop worden gewezen dat verschillende werkzaamheden behorende tot de bemoeiingssfeer van het genoemde ministerie - werkzaamheden welke het subsidieert of waarvoor het uit anderen hoofde met de zorg is belast - in beginsel gerekend zouden kunnen worden tot de omschrijving van het gebied der verstrekkingen als aangegeven in het eerste lid van artikel 6 [6]. Teneinde in de wet tot uitdrukking te doen komen dat de bemoeiingen vanwege het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid met de uitvoering van de onderhavige wet mede zijn en worden afgestemd op het beleid van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, zijn in het derde lid van artikel 6 [6] vormen van verzorging en maatschappelijke dienstverlening genoemd welke in beginsel niet worden gerekend tot de in het eerste lid van het genoemde artikel bedoelde verzorging. Hiertoe behoren de volgende voorzieningen:
a. de verzorging in bejaardenoorden als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de bejaardenoorden;
b. de verzorging in dienstencentra voor bejaarden;
c. de gezinsverzorging en gezinshulp voor bejaarden, chronisch zieken en mindervaliden;
d. de verzorging in dagverblijven voor gehandicapten:
e. de verzorging in pensiontehuizen voor gehandicapten;
f. de verzorging in vakantiecentra voor gehandicapten;
g. het maatschappelijk werk voor gehandicapten in en buiten inrichtingen.

     De wet opent overigens de mogelijkheid om op gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid rblz.|16 r.k.| en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk één of meer van de genoemde voorzieningen als verstrekking der wet aan te wijzen.

 

5. Sociaal-medische aspecten


5.1. De betekenis van de volksverzekering zware geneeskundige risico's  voor de volksgezondheid in het algemeen.


     Zoals in de adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad van 24 augustus 1962 en in deze memorie is uiteengezet, wordt met de onderhavige voorziening beoogd een zodanige regeling te treffen voor de zorg in de meest ruime zin, geneeskundig, verpleegkundig en maatschappelijk, aan chronisch zieken, langdurig invaliden en gehandicapten dat iedere Nederlander die een dergelijk zwaar lot treft recht kan doen gelden op een optimale sociaal-geneeskundige voorziening, optimaal in relatie tot de stand van wetenschap en techniek.
     Dat deze sociaal-geneeskundige voorziening een recht wordt voor iedere Nederlander, zal in meer dan één opzicht voor de bevordering van de volksgezondheid van de grootste betekenis kunnen zijn. Enkele factoren die de ondergetekenden in dezen als belangrijk zien, mogen hier aan een korte beschouwing worden onderworpen.
     1º. Voorop dient te staan dat alle maatregelen die in het kader van de ontworpen wettelijke regeling getroffen kunnen worden, of zij van geneeskundige, sociaal-geneeskundige, maatschappelijke of verpleegkundige aard zijn, gericht moeten zijn op de langdurig zieke, invalide of gehandicapte wiens gezondheidstoestand ernstig gestoord is. Verwacht mag worden dat de getroffen voorzieningen verbetering in deze toestand teweeg zullen brengen, anatomisch of functioneel, dan wel door maatschappelijke aanpassing, terwijl ook het verzachten van een bestaand lijden een niet te verwaarlozen component in het te bereiken doel betekent. Maatregelen in het belang van de gezondheid van de enkeling zijn tegelijkertijd voorzieningen ter verhoging van het peil van de volksgezondheid.
     2º. Reeds werd onder het vorige punt gewezen op de betekenis van de maatschappelijke aanpassing ook, en in het bijzonder, voor hen die door een chronisch lijden en langdurige invaliditeit zonder adequate voorzieningen dreigen vergetenen in onze samenleving te worden. De ondergetekenden staat hierbij voor ogen de revalidatie, waaraan zij een centrale plaats in deze voorzieningen willen toekennen en waarop zij nog nader in dit hoofdstuk zullen terugkomen. Gaan zij uit van de begripsbepaling zoals de Raad voor Revalidatie die heeft gegeven, namelijk dat de revalidatie het complex van maatregelen is door middel waarvan gepoogd wordt de fysieke, psychische, sociale, beroeps- of economische capaciteiten tot de hoogst individueel bereikbare graad te behouden of tot stand te brengen, dan zijn de ondergetekenden zich ervan bewust dat in het kader van de onderhavige regeling in vele gevallen deze revalidatie slechts van bescheiden omvang zal zijn. Doch ook een geringe beperking van de hulpbehoevendheid kan een zegen zijn voor de betrokken patiënt en kan van positieve invloed zijn op de lichamelijke en geestelijke toestand.
     3º. De voorgestelde voorzieningen zullen op de patiënten gericht zijn, doch de ondergetekenden willen er de aandacht op vestigen - elders in deze memorie werd aan dit aspect reeds aandacht geschonken - hoe gunstig de weerslag ook kan zijn op de omgeving van de zieken en invaliden. Het is maar al te zeer bekend hoe moeilijk, ja vaak onmogelijk het is een chronisch zieke of zwaar lichamelijk of geestelijk gehandicapte thuis een voldoende verpleging en verzorging te geven. De druk die deze patiënten in een gezin, vooral bij onvoldoende huisvesting, kunnen veroorzaken, betekent voor het gezin niet zelden een bijkans niet te dragen last. Deze omstandigheid kan dan weer de verpleging en verzorging nadelig beïnvloeden. Indien deze patiënten een goede behandeling,
rblz.|17 l.k.| verpleging en verzorging in een daarvoor bestemde inrichting kunnen krijgen, kan dit tevens aanleiding geven tot een herstel van het verstoorde evenwicht in het gezin. De psychohygiënische betekenis voor gezin en familie van een opneming van deze patiënten mag niet worden onderschat.
     4º. Het feit dat een bepaalde intramurale behandeling, verpleging of verzorging als verstrekking vanwege de sociale zekerheid wordt verleend, heeft in het verleden reeds een bevorderende invloed gehad op de ontwikkeling van de inrichtingen. Terecht heeft ook de Centrale Raad voor de Volksgezondheid op dit belangrijke aspect gewezen. Het duidelijkst is dit gebleken toen de opneming in een verpleeginrichting als een partiële verstrekking in het ziekenfondsenpakket werd opgenomen. Hierdoor kregen deze inrichtingen een grotere mate van zekerheid in hun exploitatie. Verwacht mag worden dat door de invoering van de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's hetzelfde verschijnsel zich zal voordoen ten aanzien van de inrichtingen voor verpleging van langdurig zieken en ernstig gehandicapten, vooral ook van geestelijk gehandicapten. Het zou er onder meer toe kunnen leiden dat nieuwbouw van deze inrichtingen bevorderd wordt, hetgeen, gezien het tekort aan deze verpleegmogelijkheden, van grote betekenis moet worden geacht voor de volksgezondheid.
     5º. Hoe meer in het kader van de socialezekerheidswetgeving de revalidatie zich ontwikkelt, des te meer kans bestaat er dat ook in de geneeskundige wereld meer aandacht wordt geschonken aan en belangstelling wordt gewekt voor het ingewikkelde, gevarieerde en multidisciplinaire terrein waarover de revalidatie zich uitstrekt. Dat op dit stuk nog veel verbeterd kan worden, is niet onbekend. Dat er dan ook voor het medisch onderwijs een taak ligt om aan de revalidatie grotere aandacht te schenken, is duidelijk. De ondergetekenden spreken de hoop uit dat de ontwikkeling van de revalidatie die zij nastreven in het kader van de sociale zekerheid - ook de invoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zal haar invloed hierop doen gelden - niet na zal laten de belangstelling voor de revalidatie in de geneeskundige wereld te vergroten.
     De ondergetekenden zijn zich ervan bewust in het voorgaande geen uitputtende samenvatting te hebben gegeven van de wijzen waarop naar hun mening de voorgestelde regeling van wettelijke voorzieningen de volksgezondheid bevordert. Zij menen echter duidelijk te hebben gesteld dat deze uitbouw van de sociale zekerheid een krachtige bijdrage zal zijn voor de ontwikkeling van de volksgezondheid.

 

5.2. De consequenties van de voorgestelde volksverzekering voor volksgezondheidsvoorzieningen


     In de vorige paragraaf hebben de ondergetekenden een indruk gegeven van de wijzen waarop de voorgestelde volksverzekering bevorderend op de volksgezondheid in het algemeen kan werken. Er is echter veel meer. Met name menen de ondergetekenden dat de bevordering van intramurale behandeling, verpleging en verzorging door het scheppen van bij wet geregelde aanspraken voor categorieën van zieken, invaliden en gehandicapten die tot nu toe geen recht konden doen gelden, impliceert dat in de ontwikkeling van deze institutionele gezondheidszorg een beleid gevoerd wordt dat gericht is op de bestaande behoeften. Zo wordt, om slechts één voorbeeld te geven van deze problematiek, geschat dat er in Nederland tussen de 18 000 en 20 000 geestesgestoorde bejaarden zijn, terwijl het aantal bedden ter verpleging van deze patiënten momenteel 2500 bedraagt.
     Bij de bestudering van het behoefte-element denken de ondergetekenden zowel aan de voorziening met gebouwen en doelmatige inrichting als aan personeelsvoorziening, in het bijzonder aan medisch, paramedisch, verpleegkundig en verzorgend personeel. Reeds zijn onderzoekingen gaande. De ondergetekenden mogen wijzen onder andere op het onderzoek betreffende chronisch zieken dat door het Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde verricht wordt en op het onderzoek dat onder leiding van prof. dr. J. Godefroy naar de omvang van de zwakzinnigheid en de daaruit voortvloeiende
rblz.|17 r.k.| behoeften in Nederland wordt ingesteld. Door de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid werd een onderzoek naar het vóórkomen van aangeboren afwijkingen ingesteld, terwijl de Gezondheidsraad en de Centrale Raad voor de Volksgezondheid een verplichte aangifte bestuderen van aangeboren afwijkingen vastgesteld in aansluiting aan de geboorte, te vermelden in een medische geboorteverklaring naar analogie van de overlijdensverklaring.
     Wellicht nog gecompliceerder liggen de problemen in het vlak van de personele voorzieningen. Reeds is in het recente verleden gebleken hoe moeilijk het is een prognose te maken van het aantal geneeskundigen dat in de naaste toekomst voor ons land nodig zal zijn. Het begrip "behoefte" is van arbitraire aard en wordt mede bepaald door ontwikkelingen welke zich op dit ogenblik voor een deel aan onze waarneming onttrekken. De ondergetekenden ontveinzen zich niet dat met name ook de voorziening met verpleegkundig, hulpverpleegkundig en verzorgend personeel moeilijkheden zal opleveren waarvan de betekenis niet onderschat moet worden.
     Het ligt voorts voor de hand dat bij een raming van behoeften voor wat betreft inrichtingen voor gezondheidszorg in de uitgebreide zin des woords, vragen rijzen over een ordening, al of niet in een wettelijk kader.
     De ondergetekenden volstaan ermede deze aspecten te vermelden. De Volksgezondheidsnota geeft de eerste beide ondergetekenden gelegenheid op deze problematiek nader in te gaan.

 

5.3. De betekenis van de voorgestelde volksverzekering als complement van de ziekenfondsverzekering


     De ondergetekenden hebben reeds in hoofdstuk 3 aangegeven hoe zij, mede in overweging genomen de door de Centrale Raad voor de Volksgezondheid, de Ziekenfondsraad en de Sociaal-Economische Raad uitgebrachte adviezen, tot een partieel verticale en partieel horizontale terreinafbakening ten aanzien van de werking der beide verzekeringen zijn gekomen. In het hierna volgende wordt nog ingegaan op enige sociaal-geneeskundige aspecten welke verband houden met de onderhavige voorziening in aansluiting op de ziekenfondsverzekering.
     De opneming in de ziekenhuizen, zowel als in de psychiatrische inrichtingen, zal, evenals op dit ogenblik, gedurende één jaar voor rekening van de ziekenfondsverzekering blijven, terwijl bij overschrijding van de opnemingsduur van één jaar de aanspraken krachtens de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's een aanvang nemen. Voor wat de algemene ziekenhuizen betreft, wijst de ervaring uit dat slechts weinige ziektegevallen een opnemingsduur van langer dan één jaar vragen. De opnemingsduur in de psychiatrische inrichtingen overschrijdt echter in een groter aantal gevallen de tijdsduur van één jaar, ondanks de duidelijk aanwijsbare ontwikkeling tot verkorting van deze duur onder invloed van de moderne behandelingswijzen.
     In het komende stelsel is er geen aanleiding nog langer een uitzondering te maken voor de opneming in sanatoria. Deze inrichtingen immers zijn niet anders dan categorale ziekenhuizen bestemd voor de behandeling en verpleging van tuberculosepatiënten. De huidige verstrekking in het kader van het ziekenfondspakket welke een onbeperkte opnemingsduur voor driekwart van de kosten dekt, zal vervangen worden door één jaar opneming krachtens de ziekenfondsverzekering en nadien krachtens de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's.
     De verstrekking van opneming, behandeling en verpleging in verpleeginrichtingen, thans voor een beperkte duur en tegen een belangrijke bijbetaling van de zijde van de verzekerden verleend krachtens de Ziekenfondswet, zal, bij invoering van deze volksverzekering, als ziekenfondsverstrekking vervallen en krachtens de volksverzekering van de dag van opneming af integraal worden verleend. Ook hierbij zal aan het revalidatie- en reactiveringsaspect bijzondere aandacht worden gewijd.
     De revalidatie zal in de ziekenhuizen in de meeste gevallen volledig krachtens de Ziekenfondswet verstrekt kunnen
rblz.|18 l.k.| worden, te meer omdat de opvatting bestaat dat deze behandeling zo spoedig mogelijk in de polikliniek of in de woning van de patiënt kan worden voortgezet.
     Een speciale vorm van revalidatie is die welke in het bijzonder gericht is op bejaarden en plaatsheeft in geriatrische afdelingen van algemene ziekenhuizen. Tot nu toe hebben slechts enkele ziekenhuizen in Nederland een geriatrische afdeling. Ook in deze afdelingen bestaat sterk de neiging de zieken reeds binnen het jaar te ontslaan, hoewel bij deze categorie van patiënten dan wel vaak het overbrengen naar een verpleegtehuis aangewezen is.
     Naast het vorenstaande zien de ondergetekenden de sociaal-geneeskundige betekenis van de voorgestelde regeling met name op dat gebied waartoe de ziekenfondsverzekering mede - en terecht - op grond van de daaruit voortvloeiende financiële consequenties, tot nu toe haar activiteiten niet of nauwelijks uitstrekte. De ondergetekenden denken hierbij in de eerste plaats aan de lichamelijk en geestelijk zwaar gehandicapten en aan de lijders aan chronische ziekten in een stadium waarin de hulpbehoevendheid de belangrijkste sociale indicatie vormt tot intramurale behandeling, verpleging en verzorging. Indien de ondergetekenden een tweetal groepen van patiënten hier met name noemen, dan wil dit allerminst zeggen dat andere groepen minder aandacht verdienen. Zij willen echter nog eens beklemtonen, hetgeen zij ook reeds in de eerste paragraaf van dit hoofdstuk deden, hoe belangrijk het is dat geestelijk gehandicapte kinderen en chronisch zieke bejaarden de multidisciplinaire behandeling ontvangen die zij behoeven. Het moge wellicht paradoxaal klinken, maar hoe zwaarder de invaliditeit van de mens is, hoe meer de behoefte bestaat de arts te omringen door een aantal niet-medische medewerkers teneinde te waarborgen dat een optimaal maatschappelijk herstel - doel van de revalidatie - wordt bereikt. Het waren vooral deze ernstige gevallen van handicap, ziekte en invaliditeit welke de eerste ondergetekende voor ogen stonden toen hij zich ruim drie jaar geleden tot de Sociaal-Economische Raad wendde in de overtuiging dat het niet juist zou zijn de mens die het lot getroffen heeft zich niet zelfstandig in deze samenleving te kunnen handhaven en die daardoor afhankelijk is van anderen, aangewezen te doen zijn op onderstand of hulp van de overheid of derden. Hoe anders dan in de sociale zekerheid kunnen de consequenties van deze afhankelijkheid getransformeerd worden in een recht op onafhankelijkheid? Slechts de solidariteit van een geheel volk kan in het kader van een volksverzekering het draagvlak vormen voor het dekken van deze zware geneeskundige risico's in het raam van de sociale zekerheid.
     De vraag rijst - en de kinderverlamming levert hiervan een duidelijk voorbeeld - of te zijner tijd door de voortschrijding der wetenschap de zwaarte van de hiervoren genoemde risico's niet zal verminderen, kwantitatief zowel als kwalitatief. De ondergetekenden durven hieromtrent in dit stadium geen prognose te geven. Wel willen zij erop wijzen dat zij juist het hierop gerichte wetenschappelijke onderzoek willen bevorderen. Het bepaalde in artikel 44 [52] van het onderhavige ontwerp van wet opent daartoe mede de mogelijkheid. In dit verband willen zij ook wijzen op de verhoogde bijdrage in het Praeventiefonds, waarover eerder in deze memorie werd gesproken.
     De ondergetekenden willen de hoop uitspreken dat biochemie en genetica te zijner tijd een aanwijzing zullen geven hoe de preventie in deze te richten. De verhoging van de levenskansen van hen wier afwijkingen, aangeboren of verworven, reeds manifest zijn, dan wel, genetisch bepaald, pas op latere leeftijd zich openbaren, leidt uiteraard tot een vergroting van de problematiek.
     Ook het probleem van het toenemende aantal bejaarden en dientengevolge van het aantal chronisch zieken vraagt om verdieping van kennis en wetenschap. De ondergetekenden willen zich niet uitspreken over de vraag of de geriatrie als een medisch specialisme moet worden erkend. Wel hebben zij de indruk dat in de medische wereld de belangstelling voor
rblz.|18 r.k.| deze in omvang toenemende categorie van zieken nog niet algemeen is en dat met name op de universiteiten een groeiende aandacht hiervoor bij de opleiding en het wetenschappelijk onderzoek wenselijk zou zijn. De ondergetekenden verwachten overigens dat de omvang van het probleem in de toekomst groot zal blijven, ook al zal de wetenschap op het gebied van de preventie ongetwijfeld vorderingen maken. Zij zijn dan ook van gevoelen dat aan de verzekering zware geneeskundige risico's een groeiende behoefte zal blijven bestaan.

 

5.4. Medisch-organisatorische aspecten


     Hoewel in voorgaande hoofdstukken van deze memorie reeds belangrijke organisatorische beleidslijnen, mede van medische aard, aan de orde werden gesteld, menen de ondergetekenden niettemin dat ook in dit hoofdstuk een aantal medisch-organisatorische vraagstukken nog aandacht vraagt. De ondergetekenden denken in dit verband meer in het bijzonder aan de geneeskundige controle, de indicaties tot opneming en de erkenning van de inrichtingen waarin de behandeling, verpleging of verzorging zal plaatshebben. Ook willen zij nog een enkel woord wijden aan het overleg tussen de behandelende arts en de controlearts.


1º. Geneeskundige controle

     De ondergetekenden staan op het standpunt dat geneeskundige controle bij de uitvoering van de onderhavige verzekering evenzeer een voorwaarde is tot een juiste beoordeling van de aanspraken als het geval is in de ziekenfondsverzekering, bij de uitvoering van de komende Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en bij de uitvoering van de Ongevallenwet, de Invaliditeitswet en de Ziektewet in het verleden. Zij zijn van mening dat het niet relevant is hier de vraag aan de orde te stellen of afgestapt moet worden van het in de Nederlandse medische wereld levende adagium van scheiding van behandeling en controle. Dit op medisch-ethische overwegingen berustende beginsel is immers na ruim 60-jarige toepassing volledig ingeburgerd bij de uitvoering van onze socialeverzekeringswetgeving. Zich baserend op dit beginsel willen de ondergetekenden nader ingaan op de vraag of de uitvoering van de onderhavige verzekering nog bijzondere aspecten heeft met betrekking tot de geneeskundige controle.
     In het advies van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid wordt in hoofdstuk VIII de noodzaak uitgesproken dat de verzekeringsgeneeskundige werkzaamheden voor de ziekenfondsverzekering en voor de volksverzekering zoveel mogelijk op gelijke basis, volgens dezelfde richtlijnen en bij voorkeur door één sociaal-medisch apparaat dienen te worden uitgevoerd. Daarbij ware tevens te denken, aldus de Raad, aan de mogelijkheid van combinatie met de voorgestelde Gemeenschappelijke Medische Dienst krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De Raad heeft het echter niet opportuun geacht nader in te gaan op de structuur en werkwijze van het sociaal-medisch apparaat, zolang niet bekend is hoe de uitvoering van de volksverzekering zal zijn.
     De Ziekenfondsraad gaat in paragraaf 3 van het vijfde hoofdstuk van zijn rapport uitvoeriger in op geneeskundige controle. De Raad onderscheidt daarbij in beginsel twee mogelijkheden. De eerste - waarvoor zich een grote minderheid uitsprak - gaat ervan uit dat de ziekenfondsen en de ziektekostenverzekeringsinstellingen bij de uitvoering van de volksverzekering zullen werken met de reeds bij deze instellingen aanwezige functionarissen en diensten voor medische controle. Deze geneeskundigen zouden dan de controle moeten verrichten met inachtneming van de richtlijnen gesteld door het centrale orgaan van de volksverzekering. De adviezen van deze geneeskundigen zouden derhalve, zoals tot nu toe, aan de besturen van de betrokken instellingen worden uitgebracht. Deze besturen, die op basis van de uitgebrachte adviezen zouden beslissen op de aanvrage, zouden de verantwoordelijkheid dragen. In het advies wordt uitgesproken dat een dergelijke werkwijze overeenkomt met de organisatie ter zake in de huidige ziekenfondsverzekering. De tweede door de Raad
rblz.|19 l.k.| voorgestelde mogelijkheid - welke in de Raad een beperkte meerderheid verwierf - verschilt van de eerstgenoemde hierin dat de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de verstrekkingen in laatste instantie zou berusten bij het centrale orgaan der volksverzekering, in dier voege dat dit centrale orgaan altijd de bevoegdheid zou moeten hebben zo nodig beslissingen van de betrokken instellingen ter zijde te stellen en daarvoor in de plaats een andere beslissing te nemen. Met het oog hierop zou het centrale orgaan moeten worden voorzien van een klein medisch apparaat.
     De Raad heeft zich niet verder beziggehouden met de gedachte aan een eventueel volledig samensmelten van de controleapparaten van de ziekenfondsverzekering en de ziektekostenverzekeringen met die van de verzekering voor zware geneeskundige risico's.
     In het advies van de Sociaal-Economische Raad wordt in hoofdstuk V onder punt 3 de instelling van een gemeenschappelijk apparaat van de gezamenlijke uitvoerders ten zeerste gewenst, zoal niet noodzakelijk genoemd, om een doeltreffende deskundige medische begeleiding te verkrijgen. Immers, aldus de Raad, "een goede medische begeleiding van degenen die voor rekening van de onderhavige verzekering worden opgenomen, vereist, gelet op de aard van de gedekte risico's, een specifieke deskundigheid, die niet aanwezig kan zijn bij de meerdere honderden uitvoeringsorganen die in deze variant bij de uitvoering worden betrokken". De Raad voegt hieraan toe dat het hem is gebleken dat ook in de kring van de betrokken organen de wenselijkheid van een gezamenlijke aanpak wordt ingezien.
     Na ampele overweging en bestudering van de uitgebrachte adviezen komen de ondergetekenden tot de volgende conclusies. Zij zijn van mening dat het bijzonder ondoelmatig, onnodig en onjuist zou zijn om voor de invoering van de voorgestelde volksverzekering een nieuw controleapparaat in het leven te roepen. Ondoelmatig, omdat het aantal medische diensten dan wederom met één zou worden uitgebreid, terwijl uit een oogpunt van efficiënt beheer veeleer gestreefd moet worden naar een beperking van het aantal diensten welke ten dele op hetzelfde terrein werkzaam zijn. Onnodig, omdat bij de uitvoering van de verzekering zware geneeskundige risico's de aard van de aanspraken niet wezenlijk verschilt van die welke uit de ziekenfondsverzekering en de ziektekostenverzekeringen voortvloeien. En ten slotte onjuist, omdat de voor de uitvoering van deze sociale verzekering vereiste specifieke deskundigheid, welke slechts in beperkte omvang aanwezig is, wederom gespreid zou moeten worden over een zich uitbreidend aantal diensten.
     Bij het overwegen van de meest gewenste vorm van de sociaal-medische uitvoering van de nieuwe verzekering hebben de ondergetekenden de plaats van de medische diensten, zoals deze tot nu toe werkzaam zijn ter uitvoering van de ziekenfondsverzekering, bezien. Zij zijn van gevoelen dat deze diensten in beginsel bij de uitvoering van deze verzekering dienen te worden ingeschakeld. Niet mag echter uit het oog worden verloren, en het is de ondergetekenden bekend dat de ziekenfondsorganisaties gelijke gedachten hebben, dat, gelet op de aard van het merendeel van de door de verzekering te dekken risico's, bij het beoordelen van de aanspraken krachtens de volksverzekering in vele gevallen een specialistische deskundigheid zal zijn vereist. Dit zal ongetwijfeld tot een bundeling van de medische beoordeling moeten leiden.
     Vervolgens hebben de ondergetekenden nagegaan - terecht wordt in de uitgebrachte adviezen op deze aangelegenheid sterk de nadruk gelegd - of het bestaande stelsel van medische beoordeling in de ziekenfondsverzekering voldoende de uniformiteit bij de beoordeling waarborgt. De ondergetekenden erkennen dat tot nu toe met behulp van richtlijnen gegeven door of vanwege de Ziekenfondsraad een zekere mate van uniformiteit werd bereikt. Zij dragen echter tevens kennis van het feit dat het afwijken van de niet bindende richtlijnen niet zelden voorkomt. Mogelijk zal een grotere eenvormigheid in de oordeelsvorming kunnen worden bereikt doordat zowel in
rblz.|19 r.k.| de Ziekenfondswet als in de onderhavige wettelijke regeling de mogelijkheid is, c.q. wordt geschapen om in beroep voorziening te vragen van genomen beslissingen.
     Afgezien van de vraag of dit middel in het onderhavige geval toereikend zal zijn - de ondergetekenden menen dit te moeten betwijfelen - zijn zij ten principale van gevoelen dat bij de uitvoering van een socialeverzekeringsregeling uniformiteit in de uitvoering niet in de eerste plaats langs de weg van jurisprudentie moet worden bereikt indien primair een andere en in wezen meer aangewezen weg openstaat.
     Het ligt, gezien de ontwikkeling welke zich op het onderhavige terrein voltrekt, voor de hand dat de ondergetekenden deze weg zien in een beoordeling van de aanspraken in beginsel door een landelijk werkend coördinerend medisch apparaat. Dit sluit, blijkens de eerder gegeven samenvattingen van de door de verschillende adviescolleges uitgebrachte adviezen, ook duidelijk aan bij de opvatting welke ten deze nagenoeg algemeen in deze colleges blijkt te leven. Te meer staan de ondergetekenden bij de uitvoering van de onderhavige regeling dit stelsel voor, omdat ook de ziektekostenverzekeraars en de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren hierbij zullen worden betrokken. Gezien de samenhang welke er, naar reeds eerder in deze memorie bleek, bestaat tussen de uitvoering van de ziekenfondsverzekering enerzijds en de volksverzekering zware geneeskundige risico's anderzijds, ligt het voor de hand dat bij het landelijk werkende medisch begeleidingsapparaat dat de ondergetekenden voor ogen staat ook de medische diensten zoals deze tot nu toe werkzaam zijn ter uitvoering van de ziekenfondsverzekering zullen worden betrokken.
     Hebben de ondergetekenden aldus in het vorenstaande, naar hun gevoelen duidelijk, hun opvatting te kennen gegeven met betrekking tot de sociaal-medische uitvoering, ten aanzien van de wijze van het verwezenlijken van deze gedachte menen de ondergetekenden een voorzichtig beleid te moeten voeren. Het is bekend dat voor de eerste ondergetekende gelijke overwegingen hebben gegolden bij de sociaal-medische uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In dit verband vermelden de ondergetekenden dat uit de uitgebrachte adviezen toch wel de gedachte naar voren komt van een medisch uitvoeringsapparatuur weliswaar met een uitgesproken coördinerend karakter, maar primair ingesteld door de betrokkenen zelf. Tot hun genoegen hebben de ondergetekenden met name kennisgenomen van de mededeling in het advies van de Sociaal-Economische Raad dat de Raad is gebleken dat in de kring van de betrokken organen de wenselijkheid van een gezamenlijke aanpak op dit stuk wordt ingezien.
     Mede in verband met hetgeen hierna nog zal worden opgemerkt over de plaats van de Gemeenschappelijke Medische Dienst ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in het onderhavige kader, hebben de ondergetekenden voor wat betreft de sociaal-medische uitvoering vooralsnog volstaan met een globale aanduiding in artikel 15 [16] van de wet, volgens welke de Ziekenfondsraad ter zake de nodige voorschriften kan geven. De ondergetekenden stellen zich voor zo spoedig mogelijk over de sociaal-medische uitvoering van de wet besprekingen te openen. Zij komen hier nog op terug. In hoeverre deze besprekingen nog aanleiding zullen geven tot het aanvullen of wijzigen van wettelijke bepalingen zal nader moeten blijken.
     In het kader van een beschouwing over de sociaal-medische uitvoering der wet dient uiteraard aandacht te worden geschonken aan de positie van de Gemeenschappelijke Medische Dienst, welke voor de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zal worden gevormd. De ondergetekenden mogen, met verwijzing naar hetgeen hieromtrent is gesteld bij de schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling over het ontwerp van de genoemde wet met de Tweede Kamer der Staten-Generaal, herhalen dal zij in beginsel blijven streven naar verdere unificatie in de medische begeleiding bij de uitvoering van de socialezekerheidswetten. Dit streven wordt uiteraard in sterke mate gestimuleerd door de in de Tweede
rblz.|20 l.k.| Kamer der Staten-Generaal aanvaarde motie-Tilanus c.s., waarin op grond van de overweging dat zoveel mogelijk eenheid moet worden nagestreefd bij de geneeskundige begeleiding in het kader van de socialezekerheidswetgeving, de Regering wordt uitgenodigd "de Gemeenschappelijke Medische Dienst geleidelijk een centrale plaats te geven ten behoeve van alle daarvoor in aanmerking komende socialezekerheidswetten en volksverzekeringen". Het heeft de ondergetekenden aangesproken dat in deze motie het betrachten van geleidelijkheid wordt aanbevolen. De ondergetekenden menen deze aanbeveling volledig te kunnen onderschrijven. Niet alleen dat voor het bereiken van één medische dienst ten behoeve van de uitvoering van de sociale verzekering een grondige voorbereiding nodig is en dat deze voorbereiding tijdrovend zal zijn, ook het door de verschillende betrokken instellingen te voeren overleg vergt - de recente ervaringen met de Gemeenschappelijke Medische Dienst in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben dit duidelijk aangetoond - noodzakelijkerwijze veel tijd.
     Zoals eerder in dit onderdeel van deze memorie werd vermeld, stellen de ondergetekenden zich voor over de medische uitvoering van de onderhavige verzekering en de daarin aan de Gemeenschappelijke Medische Dienst ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering te geven plaats overleg te openen met de daarvoor in aanmerking komenden. In een eerste fase willen de ondergetekenden afzonderlijk overleg voeren met de gezamenlijke ziekenfondsorganisaties, met de gezamenlijke organisaties van schadeverzekeraars en met een vertegenwoordiging van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren en ook met de Federatie van Bedrijfsverenigingen, teneinde enerzijds de in de verschillende kringen levende opvattingen te peilen en anderzijds de visie van de ondergetekenden, mede in het licht van de duidelijke in de motie-Tilanus c.s. tot uitdrukking komende opvatting van het parlement, toe te lichten. In een volgend stadium zal getracht worden in gezamenlijk overleg van de bovengenoemde organisaties en de overheid aan de conceptie van een Gemeenschappelijke Medische Dienst voor de gehele uitvoering van de sociale verzekering verder gestalte te geven. Zonder vooruit te willen lopen op de resultaten van dit overleg, zouden de ondergetekenden enige mogelijkheden willen noemen welke zich naar hun aanvankelijk oordeel voordoen. Zo zou de concentratie van de medische controleapparatuur in fasen kunnen worden voltrokken. Een eerste fase zou dan zijn het tot stand brengen van een Gemeenschappelijke Medische Dienst voor de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het creëren, rekening houdende met deze Gemeenschappelijke Medische Dienst, van een gemeenschappelijk medisch apparaat ten behoeve van de voorzieningen voor geneeskundige risico's. Dit laatste zou bijvoorbeeld kunnen worden gerealiseerd door richtlijnen van de Ziekenfondsraad; ook zou kunnen worden gedacht aan een door de Ziekenfondsraad in te stellen medische begeleidingscommissie, waarin, met toepassing van het huidige artikel 56 van de Ziekenfondswet, ook personen buiten de Raad zitting zouden kunnen nemen. In een later stadium zou dan de verdere unificatie kunnen worden geregeld.
     Ter afsluiting van de beschouwingen over de sociaal-medische uitvoering van de wet delen de ondergetekenden nog mede dat zij de plaats van het te vormen gemeenschappelijke sociaal-medisch begeleidingsapparaat voor de uitvoering van de onderhavige regeling aldus zien dat, evenals bij de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dit apparaat advies zal uitbrengen aan de uitvoeringsorganen van de volksverzekering, zijnde de ziekenfondsen en de ziektekostenverzekeraars.


2º. Indicaties tot opneming

     Meer dan eens werden in het verleden bezwaren gehoord tegen de hantering van de begrippen medische en sociale indicatie tot opneming in een ziekenhuis of andere inrichting. Deze bezwaren richtten zich vooral op de kunstmatige scheiding welke bij de rblz.|20 r.k.| uitvoering der ziekenfondsverzekering tussen deze begrippen werd gemaakt, terwijl voorts werd aangevoerd dat slechts zelden van een sociale indicatie gesproken kan worden. De weigering van een revaliderende therapie, omdat hiermee geen anatomisch herstel zou kunnen worden bereikt, doch "slechts" een verbeterde maatschappelijke aanpassing, is een voorbeeld tot welke onjuiste beoordeling het hanteren van het begrip sociale indicatie als weigeringsgrond kan leiden. Met instemming namen de ondergetekenden kennis van het standpunt dat onder andere door de Centrale Raad voor de Volksgezondheid in zijn advies werd ingenomen blijkens de volgende opmerking: "De Raad is van mening dat de weinig genuanceerde begrippen "medische indicatie" en "sociale indicatie" vervangen dienen te worden door specifieke opnemingindicaties voor elk type van voorzieningen".
     Met de Raad zijn de ondergetekenden van mening dat centraal opgestelde richtlijnen, waarin tot nu toe reeds op verdienstelijke wijze door de Ziekenfondsraad werd voorzien, een juiste uitvoering van de verzekering kunnen bevorderen. De waarborgen daartoe zullen echter slechts gegeven kunnen worden door een uniforme hantering van deze richtlijnen en het bereiken van dit doel zal in hoge mate bevorderd worden door de instelling van één medische dienst, zoals de ondergetekenden reeds eerder hebben betoogd.


3º. Erkenning van inrichtingen

     In de uitgebrachte adviezen wordt de vraag besproken door welke instantie en op welke wijze inrichtingen voor gezondheidszorg, zoals ziekenhuizen, verpleeginrichtingen e.d., die aan de verzekering willen medewerken als zodanig moeten worden erkend.
     Hoewel de eerste ondergetekende zijn standpunt te dezen aanzien reeds heeft toegelicht in het kader van de Ziekenfondswet - verwezen moge worden naar het bepaalde in het tweede lid van het huidige artikel 47 van die wet -, lijkt het hem nuttig hierop thans nog nader in te gaan. Voor de uitvoering van het Ziekenfondsenbesluit geschiedde de erkenning van inrichtingen welke aan de uitvoering van de verzekering medewerken door de Ziekenfondsraad. Genoemde Raad nam zijn beslissing ter zake in nauw overleg met de betrokken hoofdinspecties van de volksgezondheid. Zoals de eerste ondergetekende in de memorie van toelichting bij het ontwerp van de huidige Ziekenfondswet heeft uiteengezet, meent hij echter dat het uit een oogpunt van volksgezondheid juister is wanneer de erkenning van de aan de verzekering deelnemende inrichtingen van gezondheidszorg door de voor de volksgezondheid verantwoordelijke bewindsman geschiedt. Uiteraard wordt, alvorens de Minister een beslissing neemt, de Ziekenfondsraad gehoord, terwijl anderzijds de inzake de volksgezondheid bevoegde autoriteiten eveneens advies uitbrengen. Zowel de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid als de Geneeskundige Inspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid kunnen hierdoor een door de ondergetekenden juist geachte overheidsbemoeiing met de wijze waarop in de desbetreffende inrichtingen de gezondheidsverzorging wordt geëffectueerd tot hun recht laten komen. De ondergetekenden menen dat dezelfde constructie als in het genoemde artikel van de Ziekenfondswet is gekozen ook gevolgd moet worden met betrekking tot de onderhavige wettelijke regeling.
     In paragraaf 4.2 werd reeds gewezen op de bijzondere positie welke de inrichtingen ressorterende onder de Minister van Justitie in het kader van deze verzekering innemen.
     Wat nader ingaande op de bevoegdheden welke, naar het oordeel van de ondergetekenden, hierbij aan de overheid moeten worden verleend, willen zij erop wijzen dat via een eerste erkenning van de inrichting en door vervolgens na te gaan of een inrichting nog steeds aan de erkenningseisen voldoet, dan wel of voldaan is aan voorwaarden welke aan een eerste erkenning werden verbonden, het voeren van een beleid met betrekking tot het inrichtingswezen mogelijk wordt
rblz.|21 l.k.| gemaakt. Teneinde misverstand te voorkomen, wijzen de ondergetekenden erop dat hierbij uiteraard waarborgen voor de rechtszekerheid moeten worden geschapen voor de inrichtingen. Allereerst zullen normen gesteld moeten worden aangaande de eisen welke bij de erkenningen moeten worden gesteld. Vervolgens voorziet het onderhavige wetsontwerp, evenals de Ziekenfondswet (artikel 77, onderdeel c), in de mogelijkheid van het instellen van beroep op de Kroon in geval van geschil.
     Ter afsluiting van dit deel der beschouwingen willen de ondergetekenden niet onvermeld laten dat de Centrale Raad voor de Volksgezondheid heeft voorgesteld het erkenningenbeleid op te dragen aan een onafhankelijk centraal orgaan dat de criteria vaststelt waaraan de verschillende categorieën van inrichtingen moeten voldoen om als zodanig erkend te worden en dat de inrichtingen conform deze richtlijnen al of niet erkent. De ondergetekenden menen dat de door de Centrale Raad voor de Volksgezondheid beoogde waarborgen voor onafhankelijkheid juist bij de constructie welke in de Ziekenfondswet is gekozen en welke zoals gezegd ook bij de onderhavige wettelijke regeling wordt nagestreefd, mede gezien de mogelijkheid van het instellen van beroep op de Kroon en de door de ondergetekenden nodig geachte erkenningsnormen, volledig aanwezig zijn. Het verdient huns inziens dan ook geen aanbeveling om de suggestie van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid over te nemen.
     Voor zover de Centrale Raad voor de Volksgezondheid in zijn advies nog stelt dat het noodzakelijk is dat bij de uitvoering van de ziekenfondsverzekering en bij de volksverzekering dezelfde criteria worden gehanteerd, onderschrijven de ondergetekenden deze zienswijze ten volle, waarbij zij nog opmerken dat in het erkenningssysteem dat zij voorstaan deze waarborgen van coördinatie volledig aanwezig zijn.


4º. Geneeskundig overleg

     Tot slot van deze paragraaf willen de ondergetekenden er ook te dezer plaatse nog eens op wijzen - zij deden dit evenzeer op uitvoerige wijze bij de behandeling van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering - welk een groot belang zij voor een goede uitvoering van de socialeverzekeringswetten hechten aan de medewerking van de medische stand en in het bijzonder van de behandelende artsen. Dat het dan ook noodzakelijk is deze artsen actief bij de uitvoering te betrekken, in die zin dat een goed overleg tussen controlerend geneeskundigen en behandelende artsen is gewaarborgd, vooral als het gaat om beslissingen welke genomen worden in afwijking van het standpunt van de behandelende arts, is voor de ondergetekenden buiten kijf. De ondergetekenden vertrouwen erop dat de praktijk, zoals deze bij de uitvoering van de ziekenfondsverzekering inzake het samenspel tussen de behandelende en de controlerende sector is gegroeid, ook bij de uitvoering van de onderhavige voorziening kan worden gevolgd.

 

6. Financieel-economische aspecten


     1. De ondergetekenden menen voor wat de financieel-economische aspecten van het wetsontwerp betreft zich nauw te kunnen aansluiten bij de beschouwingen van de Sociaal-Economische Raad (hierna te noemen de Raad) inzake de kosten van de voorziening.
     Voor het verkrijgen van een inzicht in de kosten van een voorziening tegen zware geneeskundige risico's heeft de Raad gebruik kunnen maken van de resultaten van een onderzoek dat is ingesteld naar de kosten van verpleging en behandeling van langdurig zieken en gehandicapten. Het onderzoek is gedaan door de heer H. Dopper, hoofd van de afdeling Statistiek van het Bureau van de Ziekenfondsraad. Het rapport, waarin de resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd, is als bijlage bij het advies van de Raad gevoegd. Sedertdien heeft de heer Dopper een verdere raming gemaakt, welke als bijlage III bij deze memorie is gevoegd.
    
rblz.|21 r.k.| Bij de beoordeling van het rapport dat als bijlage bij het advies van de Raad is gevoegd, dient volgens de Raad in aanmerking te worden genomen dat is uitgegaan van de feitelijke situatie in 1964. Een eventueel tekort aan capaciteit van de inrichtingen, waardoor niet een ieder die voor verpleging in aanmerking komt, opgenomen kan worden, werkt derhalve in de kostenraming door. Met een mogelijke "aanzuigende" werking van een voorziening van zware geneeskundige risico's is dus geen rekening gehouden. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat het onderzoek voor een deel niet op nauwkeurige waarneming, maar op schattingen en ramingen berust. Niettegenstaande deze voorbehouden geeft het onderzoek over de orde van grootte van het totale bedrag dat is gemoeid met een voorziening van zware geneeskundige risico's en van het bedrag dat thans door de overheid voor de langdurige verpleging en behandeling in inrichtingen wordt uitgegeven, zodanige aanwijzingen dat het gerechtvaardigd is de resultaten van dit onderzoek aan een beschouwing over de financiële consequenties van een voorziening van zware geneeskundige risico's ten grondslag te leggen. De meest in het oog springende resultaten zijn - naar het de Raad wil voorkomen - de volgende.
a. De kans dat men voor langdurige verpleging en behandeling in een inrichting moet worden opgenomen, is betrekkelijk gering. Op een bevolking van circa 12 mln personen blijken circa 70 000 personen voor langdurige behandeling en verpleging in een inrichting opgenomen te zijn, dat is circa 0,6%. Ook als men een waarschijnlijk aanzuigende werking van een verzekering zware geneeskundige risico's in aanmerking neemt, zal het aantal verpleegden in verhouding tot de totale bevolking betrekkelijk laag blijven.
b. De cijfers bevestigen dat voor degenen die dit risico treft zeer hoge uitgaven moeten worden gedaan, namelijk gemiddeld ƒ6000,- per jaar. Dergelijke lasten zijn voor zeer velen in het geheel niet te dragen en door nagenoeg niemand volledig zelf te betalen.
c. Een duidelijke aanwijzing van de zwaarte van de individuele lasten welke van langdurige behandeling en verpleging het gevolg zijn. is de schatting dat van de totale kosten in 1964 ad ƒ411 mln circa 65% (ƒ266 mln) via de Armenwet door de overheid werd gedragen.¹ Nu de Armenwet vervangen is door de Algemene Bijstandswet zal door de daarmede gepaard gaande verdere beperking van het verhaalsrecht dit percentage ongetwijfeld hoger zijn.

1. Nadere becijferingen (zie de bijlage behorende bij bijlage lIl) hebben uitgewezen dat deze bedragen vermoedelijk in 1965 respectievelijk ƒ450 en ƒ310 mln belopen.

     In het rapport is voor een aantal categorieën van verpleegden een leeftijdsverdeling gegeven. Hieruit is schattenderwijs onderstaande groepering van de patiënten naar leeftijdsgroepen afgeleid: ¹
0 t/m 15 jaar
circa 9 000;
16 t/m 64 jaar
circa 39 000;
65 jaar of ouder
circa 22 000.
     Van belang is voorts de leeftijd op het tijdstip van opneming, met name of de verpleegden zijn opgenomen op jeugdige leeftijd respectievelijk na het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

1. Zie bijlage IV ad A.

     Een zeer grove schatting ¹ geeft de volgende uitkomst:
opgenomen vóór het 16de jaar circa 20 000;
opgenomen tussen 16 en 65 jaar circa 31 000;
opgenomen op of na het 65ste jaar circa 19 000.

1. Zie bijlage IV ad B.

    Met zeer veel voorbehoud ten slotte kan het aantal verpleegden dat vóór de opneming in het beroeps- of bedrijfsleven werkzaam was op circa 20 000 worden geraamd.
    
rblz.|22 l.k.| Voor het financieringsvraagstuk is, aldus de Raad, in het bijzonder van betekenis dat van de totale kosten het grootste gedeelte reeds thans door de overheid wordt gedragen.
     De Raad acht de overheidsbijdrage van belang, ook als de voorziening wordt gegoten in de vorm van een speciale verzekering met premiebetaling door de verzekerden. De adviesaanvrage van 24 augustus 1962 bevat, aldus de Raad, namelijk de toezegging dat bij de totstandkoming van een voorziening van zware geneeskundige risico's een deel van de kosten ten laste van de overheid zal worden genomen. De toezegging werd in de adviesaanvrage als volgt geformuleerd:
     "De Regering realiseert zich dat wanneer de totstandkoming zou worden bevorderd van een volksverzekering zware geneeskundige risico's en wanneer overwogen zou worden de arbeidsongeschiktheidsverzekering uit te breiden tot een volksverzekering, dit zou betekenen dat de overheid voor een niet onbelangrijk bedrag per jaar zou worden ontlast, namelijk indien deze totstandkoming c.q. uitbreiding alleen zou worden gefinancierd door premies ten laste van het bedrijfsleven. Het wil haar voorkomen dat met name het karakter van de risico's die hier aan de orde zijn, en in het bijzonder de groep waarom het gaat, motiveren dat een deel van de middelen voor beide voorzieningen ten laste zou komen van de overheid, namelijk dat deel dat overeenkomt met de lastenvermindering die bij de totstandkoming van de hier bedoelde uitbreidingen van de sociale verzekering voor de overheid zal ontstaan ten opzichte van de lasten die bij handhaving van de huidige voorzieningen in de toekomst op de overheid zouden drukken."
     Met name uit het gestelde aan het slot van dit citaat dat het overheidsaandeel in de financiering gesteld kan worden op de lasten die bij het ontbreken van deze voorziening in de toekomst op de overheid zouden drukken, mag, naar het de Raad wil voorkomen, worden afgeleid dat in de adviesaanvrage niet gedoeld is op een overheidsbijdrage in de vorm van een absoluut bedrag dat geen relatie heeft met de ontwikkeling van de totale kosten. De formulering wijst er duidelijk op dat gedacht is aan een gelijkblijvend overheidsaandeel in de totale kosten, zodat het absolute bedrag dienovereenkomstig wijzigt. Het ligt in de rede voor de vaststelling van dit overheidsaandeel de relevante overheidsuitgaven ten behoeve van de verpleging van langdurig zieken en gehandicapten in inrichtingen in een recent jaar vóór de invoering van een voorziening van zware geneeskundige risico's uit te drukken in een percentage van de geschatte totale kosten van die voorziening en het overheidsaandeel op dat percentage vast te stellen. Als relevante overheidsuitgaven zouden, naar het de Raad wil voorkomen, kunnen worden aangemerkt de netto-uitgaven van de overheid krachtens de Armenwet en straks krachtens de Algemene Bijstandswet ten behoeve van de verpleging en behandeling van langdurig zieken. Het staat vast dat bij een voorziening van zware geneeskundige risico's welke de verpleging en behandeling in inrichtingen waarborgt, voor dit doel in beginsel geen uitgaven krachtens de Armenwet of de Algemene Bijstandswet meer nodig zullen zijn. Ten aanzien van andere overheidsuitgaven zoals het dragen van het tekort van overheidsziekenhuizen en subsidies aan particuliere ziekenhuizen staat niet vast dat zij zullen verdwijnen. Dergelijke uitgaven waren naar het oordeel van de Raad voor de bepaling van het overheidsaandeel in een voorziening tegen zware geneeskundige risico's in beginsel buiten beschouwing te laten.
     Nu de raming een belangrijke onzekerheidsmarge bevat, onder meer doordat geen rekening is gehouden met een mogelijke aanzuigende werking en wellicht een enigszins andere interpretatie van de toezegging betreffende het overheidsaandeel in de financiering tot een geringere overheidsbijdrage zou kunnen leiden, is de Raad voor het door middel van premieheffing te financieren bedrag uitgegaan van circa ƒ200 mln.

     2. De ondergetekenden kunnen zich met deze beschouwingen in hoofdzaak verenigen. Zij zouden met verwijzing naar bijlage III van deze memorie, waarin een nadere raming is rblz.|22 r.k.| gegeven, de lasten die op de overheid in 1965 ter zake van de zware risico's drukken, willen ramen op ƒ310 mln, welk bedrag in 1967 nog gestegen zal zijn en alsdan overeenkomt met ruim 1% volksverzekeringspremie. Deze bij invoering op het Rijk drukkende last zal als overheidsbijdrage in de financiering der sociale verzekering worden gehandhaafd. Daartegenover zal het aandeel van het Gemeentefonds in de opbrengst der daarvoor aangewezen rijksbelastingen worden verlaagd. Ter zake is het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën ingewonnen, na overweging waarvan bij nota van wijziging de Financiële Verhoudingswet 1960 (Stb. 1961, 217) zal worden aangepast. Additioneel moet in 1967 nog aan middelen worden opgebracht een bedrag overeenkomende met ruim 0,5% volksverzekeringspremie, ongeveer overeenkomend met 0,7% van de premieplichtige loonsom.
     Mede gelet op de lastenstijgingen uit hoofde van de invoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, is de Regering van oordeel dat de totale premielast der sociale verzekering op het ogenblik zijn grens heeft bereikt. In verband hiermede zullen de in de vorige alinea bedoelde additionele middelen ten laste van het Rijk worden gebracht, waardoor de totale overheidsbijdrage in de sociale verzekering wordt verhoogd.
     Daardoor wordt uitvoering gegeven aan de passage in de Regeringsverklaring van 27 april 1965, waarin werd gezegd dat bij de invoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en van een voorziening in zware geneeskundige risico's zou worden nagegaan welk deel van de lastenstijgingen voor de premieplichtigen uit de algemene middelen gefinancierd kan worden, onverminderd de reeds gedane toezegging dat een deel van de premielast dat overeenkomt met de lastenvermindering die bij de totstandkoming van een regeling voor zware geneeskundige risico's voor de overheid zal ontstaan, als bijdrage uit de algemene middelen in de financiering zal worden gebezigd.
     Er moge verder aan worden herinnerd dat in de Regeringsverklaring is medegedeeld dat bevorderd zal worden dat de overheidsbijdragen in de sociale verzekering verleend zullen worden via de kinderbijslagregelingen. Ter uitvoering van dit punt van het regeringsprogramma stelt de Regering zich voor te bevorderen dat de lasten van de overheid welke als gevolg van de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's zullen wegvallen, vermeerderd met de eerdergenoemde aanvullende overheidsbijdrage, alsmede de bijdrage welke het Rijk thans reeds verleent in de financiering van de Algemene Ouderdomswet, worden aangewend voor de financiering van de algemene kinderbijslagverzekering. Hieromtrent zal eerstdaags een afzonderlijk wetsontwerp worden ingediend.
     Als gevolg hiervan zal de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's geheel op premiebasis worden gefinancierd. Hoewel het uiteraard nog te vroeg is om een exacte raming te geven van het juiste premiepercentage dat bij de invoering van de verzekering zal worden vastgesteld, menen de ondergetekenden dit percentage voorshands te kunnen stellen in de orde van grootte van 1,6.
     In de memorie van toelichting op het boven aangekondigde wetsontwerp zal nader op de consequenties van de financiering en de lastenverdeling tussen werkgevers en werknemers worden ingegaan.

 

7. Samenvatting


     In grote lijnen kan de in bijgaand wetsontwerp voorgestelde volksverzekering als volgt worden samengevat:
1. Het wetsontwerp regelt een verplichte verzekering zware geneeskundige risico's.
2. De werkingssfeer van deze algemene volksverzekering strekt zich uit tot de gehele bevolking.
3. De kring van verzekerden is, anders dan het geval is bij de tot nu toe tot stand gekomen volksverzekeringen, niet
rblz.|23 l.k.| door enige leeftijdsgrens beperkt, aangezien bij iedereen, ongeacht de leeftijd, de behoefte aan behandeling, verpleging en verzorging ter zake van zware geneeskundige risico's, waarin de voorgestelde regeling beoogt te voorzien, zich kan doen gevoelen.
4. Het voorwerp van de beoogde verzekering is de aanspraak op verstrekkingen in natura, ter voorziening in behandeling, verpleging en verzorging ter zake van zware risico's van geneeskundige aard. Voorts, omdat in het wetsontwerp de revalidatie centraal wordt gesteld, de met het vorenstaande verband houdende voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid, hierbij inbegrepen voorzieningen tot verbetering van de levensomstandigheden. De aard, inhoud en omvang van de verstrekkingen zal bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.
5. De verstrekkingen zijn in beginsel zowel op intramurale zorg als op extramurale zorg gericht. Beoogd wordt een geleidelijke ontwikkeling van de voorzieningen. In de eerste plaats wordt gedacht aan zo volledig mogelijke verstrekking van de intramurale zorg in verpleegtehuizen en in inrichtingen voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten, alsmede in ziekenhuizen en sanatoria voor t.b.c.-patiënten, na afloop van het eerste jaar verpleging, van zowel lichamelijk als geestelijk zieken. Het wetsontwerp opent in beginsel de mogelijkheid de verstrekkingen verder uit te breiden tot voorzieningen van extramurale aard.
6. De inrichtingen voor gezondheidszorg, zoals de ziekenhuizen en verpleeginrichtingen, moeten door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid worden erkend als inrichting waar de verstrekkingen krachtens deze wet worden verleend. Dit maakt het mogelijk een erkenningenbeleid te voeren waarbij het Staatstoezicht op de Volksgezondheid een belangrijke rol kan gaan vervullen, teneinde een optimale gezondheidsverzorging te waarborgen.
7. De verzekering zal, voor wat betreft het verlenen van verstrekkingen, worden uitgevoerd door de krachtens de Ziekenfondswet toegelaten ziekenfondsen en door de ziektekostenverzekeraars die tot de uitvoering van de onderhavige verzekering zijn toegelaten, en door de uitvoerende organen van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren.
8. Verzekerden die tevens verzekerd zijn ingevolge de Ziekenfondswet zullen de verstrekkingen ingevolge de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's ontvangen via het ziekenfonds waarbij zij zijn ingeschreven. De verzekerden die verzekerd zijn bij een ziektekostenverzekeraar die is toegelaten tot de uitvoering van de verzekering zullen de verstrekkingen ontvangen via deze ziektekostenverzekeraar. De deelnemers aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren zullen de verstrekkingen ontvangen via de uitvoerende organen van deze regeling.
     De overige verzekerden zullen teneinde hun aanspraak op vorenbedoelde verstrekkingen te kunnen verwezenlijken, zich dienen te laten inschrijven bij hetzij een ziekenfonds, hetzij een ziektekostenverzekeraar als vorenbedoeld. De ziekenfondsen en ziektekostenverzekeraars zijn gehouden deze personen toe te laten.
9. De ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen die zijn betrokken bij de uitvoering van de volksverzekering dienen overeenkomsten te sluiten met personen en inrichtingen die de verstrekkingen van de verzekering kunnen verlenen. De verzekerden wenden zich voor de desbetreffende hulp tot de bedoelde personen en inrichtingen waarmede het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar dan wel het uitvoerende orgaan overeenkomsten als vorenbedoeld heeft gesloten.
10. De Ziekenfondsraad, ingesteld bij de Ziekenfondswet, houdt toezicht op de uitvoering van de verzekering. Hij geeft ten behoeve van de uitvoering algemene richtlijnen. De Raad is tevens belast met het adviseren van de Regering, het treffen
rblz.|23 r.k.| van technische regelingen ter zake van de onderhavige verzekering, alsmede met het beheer van het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's. Voor de uitvoering van deze taken wordt de Ziekenfondsraad uitgebreid met vertegenwoordigers van organisaties van ziektekostenverzekeraars, met een vertegenwoordiging uit de overheidsziektekostenregelingen uitvoerende organen en vertegenwoordigers van inrichtingen waarop de wet in het bijzonder betrekking heeft.
11. In het wetsontwerp worden beschouwingen gegeven over de medische uitvoering. Daarbij staat centraal de door de Tweede Kamer bij de behandeling van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aanvaarde motie-Tilanus c.s., betreffende de medische uitvoering van de socialeverzekeringswetten. Hierover zal overleg moeten worden gevoerd.
     Het wetsontwerp voorziet erin dat de Ziekenfondsraad richtlijnen inzake een gecoördineerde medische uitvoering kan geven.
12. De middelen tot dekking van de kosten der verzekering worden opgebracht door de verzekerden in de vorm van een premie. De premie wordt volgens het voor de andere volksverzekeringen geldende systeem en volgens de daarbij geldende regelen geheven door de Rijksbelastingdienst. Deze dienst treedt dan ook als mede-uitvoerder van de verzekering op. Verzekerden beneden de leeftijd van 15 jaar en verzekerden van 65 jaar of ouder zullen niet aan premieheffing zijn onderworpen. De te heffen premie wordt vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. De premie wordt gestort in het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's, waaruit de voor de uitvoering van de verzekering te maken kosten worden gefinancierd.
13. Het premiepercentage wordt bij uitvoering van de wet geraamd in de orde van grootte van 1,6.
14. De bijdrage welke de overheid thans verleent in de kosten van behandeling, verpleging en geneeskundige verzorging ter zake van zware geneeskundige risico's, welke in 1965 ƒ310 mln belopen, overeenkomend met ruim 1% volksverzekeringspremie, wordt bij invoering van de Algemene Bijstandswet gehandhaafd als overheidsbijdrage in de sociale verzekering. De verder bij invoering benodigde middelen, ten belope van ruim 0,5% volksverzekeringspremie in orde van grootte overeenkomende met 0,7% van de premieplichtige loonsom, zullen eveneens ten laste van het Rijk worden gebracht, waarmede de overheidsbijdrage in de sociale verzekering andermaal wordt verhoogd.
15. Beide overheidsbijdragen zullen tezamen met de rijksbijdrage in de Algemene Ouderdomswet aangewend worden ter financiering van de kinderbijslagen krachtens de algemene kinderbijslagverzekering. Ter zake zal eerstdaags een wetsontwerp worden ingediend.
16. Tegen een beslissing van een ziekenfonds, een ziektekostenverzekeraar of een uitvoerend orgaan inzake de aanspraak op verstrekkingen staat beroep open bij de raden van beroep en de Centrale Raad van Beroep.
17. Voorgesteld wordt om jaarlijks uit het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's een bedrag van ƒ10 mln te storten in het Praeventiefonds, welk bedrag zal worden aangepast aan de stijging van de loonindex.
18. Een speciale regeling is getroffen voor de aanwijzing van verstrekkingen liggend binnen de bemoeiingssfeer van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en voor verstrekkingen verleend onder verantwoordelijkheid. waaronder begrepen financiële verantwoordelijkheid, van de Minister van Justitie in het kader van de uitvoering van een rechterlijke uitspraak.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1 [1], eerste lid

     In dit artikel worden enige termen omschreven welke door het gehele wetsontwerp voorkomen. Evenals in de Ziekenfondswet is ook in het onderhavige wetsontwerp het begrip "ziekenfonds" niet omschreven. In de rblz.|24 l.k.| memorie van toelichting bij het ontwerp Ziekenfondswet is in dit verband reeds vermeld dat het niet eenvoudig zou zijn een bevredigende functie van het begrip ziekenfonds te geven, welk begrip in de loop der jaren is gegroeid, maar nimmer nauwkeurig is vastgelegd. Voorts is er in de genoemde memorie op gewezen dat het ook niet nodig is het begrip ziekenfonds te omschrijven, omdat als ziekenfonds in de zin van de Ziekenfondswet alleen gelden de instellingen welke overeenkomstig artikel 34 van de Ziekenfondswet als zodanig zijn toegelaten.
     Op grond van gelijke overwegingen is ook voor wat betreft de uitvoering van de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's geen begripsomschrijving opgenomen van "ziektekostenverzekeraar". Ook hier zullen slechts aan de uitvoering van de wet kunnen deelnemen ziektekostenverzekeraars welke als zodanig zijn toegelaten overeenkomstig artikel 25 [33] van het onderhavige wetsontwerp. Voorts is in dit artikel als begripsbepaling de term uitvoerend orgaan opgenomen, zijnde het orgaan dat uitvoerder is van een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren.
     Ten slotte leek het gewenst om ook het begrip inrichting, dat in artikel 7 [8] van het ontwerp nader gestalte krijgt, in de begripsbepalingen op te nemen.

 

Artikel 1 [1], tweede en derde lid

     Bepalingen als vervat in het tweede en derde lid komen ook voor in de Algemene Ouderdomswet en in de Algemene Kinderbijslagwet. Zij strekken ertoe gehuwden die van tafel en bed gescheiden of die zonder van tafel en bed gescheiden te zijn in feite duurzaam gescheiden van elkaar leven, als ongehuwde personen aan te merken.
     Dit onderscheid is van belang voor de premiebetaling (hoofdstuk IV).

 

Artikel 2 [2]

     Zoals in het algemeen deel van deze memorie in hoofdstuk 1 reeds werd uiteengezet, zulks onder meer met verwijzing naar de op 24 augustus 1962 tot de Sociaal-Economische Raad gerichte adviesaanvrage inzake het op langere termijn te voeren socialezekerheidsbeleid, dient een voorziening van zware geneeskundige risico's zich in het kader van een volksverzekering uit te strekken tot de gehele bevolking.
     Gelijk bekend, is voor de volksverzekeringswetten het begrip "ingezetenschap" het juridisch uitgangspunt voor de verplichte verzekering. Ook voor het onderhavige wetsontwerp is dit het uitgangspunt. De overeenkomstige bepaling is in de Algemene Ouderdomswet vervat in artikel 2.

 

Artikel 3 [3]

     Bepalingen als vervat in de verschillende leden van artikel 3 [3], waarbij nader wordt aangegeven op welke wijze de woonplaats wordt bepaald, komen eveneens voor in de overige volksverzekeringswetten. De overeenkomstige bepaling is in de Algemene Ouderdomswet vervat in artikel 3.

 

Artikel 4 [4]

     In hoofdstuk 2 van het algemeen deel van deze memorie hebben de ondergetekenden de opvattingen weergegeven van de verschillende adviescolleges over de uitvoering van een volksverzekering zware geneeskundige risico's. Met name de Ziekenfondsraad en de Sociaal-Economische Raad hebben hieraan uitvoerige beschouwingen gewijd.
     Er bestaat een communis opinio dat voor wat betreft de heffing en de invordering der premies het bij de volksverzekeringen gebruikelijke systeem - te weten heffing en invordering door de Rijksbelastingdienst - moet worden gevolgd. Dit wordt in het laatste gedeelte van artikel 4 [4] geregeld.
     Voor wat betreft de overige werkzaamheden verbonden aan de uitvoering van de wet, bestaat er in grote lijnen overeenstemming tussen de gedachten van de Ziekenfondsraad en de Sociaal-Economische Raad. Beide colleges brengen tot uitdrukking dat het gewenst is voor de uitvoering van een volksverzekering zware geneeskundige risico's aansluiting te zoeken bij het patroon van de georganiseerde gezondheidszorg in ons land. Dit houdt in dat de groepen van instellingen welke thans reeds zijn betrokken bij de verzekering
rblz.|24 r.k.| zware geneeskundige risico's, te weten ziekenfondsen en ziektekostenverzekeringsinstellingen, bij de uitvoering van deze wet moeten worden betrokken.
     Uit de uitgebrachte adviezen blijkt dat de genoemde instellingen zelf hiertoe de wens te kennen hebben gegeven. Overigens zijn er nog andere overwegingen om een dergelijk systeem van wetsuitvoering voor te staan, gezien de samenhang welke uit de aard der zaak bestaat tussen een voorziening van zware geneeskundige risico's en de door de bedoelde instellingen reeds uitgevoerde verzekeringen.
     Algemeen gaat men er ook van uit dat een verzekerde die hetzij bij een ziekenfonds of een ziektekostenverzekeringsinstelling voor de niet-zware risico's is verzekerd, voor de zware risico's bij dezelfde instelling verzekerd zal dienen te zijn.
     Zowel de Ziekenfondsraad als de Sociaal-Economische Raad geven er blijk van een open oog te hebben voor de problemen welke kunnen zijn verbonden aan het inschakelen van een hoeveelheid van uitvoeringsorganen wanneer men het totale aantal ziekenfondsen en ziektekostenverzekeringsinstellingen in aanmerking neemt. Zij het met enige nuances, bepleiten de genoemde colleges, mede uit een oogpunt van gelijke behandeling van de verzekerden, naast een gedecentraliseerde uitvoering ook een centralisatie van bepaalde uitvoeringstaken.
     In het advies van de Ziekenfondsraad wordt gesproken van de noodzaak van centraal vastgestelde richtlijnen voor de uitvoering van de verzekering. In het advies van de Sociaal-Economische Raad wordt met name gewezen op het erkenningsbeleid, de indicatiestelling en de tariefsstelling.
     De ondergetekenden, de gedane suggesties overwegende, menen dat er inderdaad alle reden is om voor het verwezenlijken van de aanspraken welke voor de verzekerden uit de regeling voortvloeien de ziekenfondsen en de ziektekostenverzekeraars in te schakelen. Voorts dienen uiteraard de uitvoerende organen van de ambtelijke ziektekostenregelingen voor degenen die deelnemer zijn aan een dergelijke ziektekostenregeling, bij de uitvoering van de onderhavige verzekering te worden ingeschakeld. In hun gedachtengang zijn de ziekenfondsen die voor de uitvoering van de Ziekenfondswet als zodanig zijn toegelaten, van rechtswege uitvoeringsorganen voor de onderhavige verzekering. De ziektekostenverzekeraars moeten, wanneer zij de in de onderhavige wet geregelde verzekering willen uitvoeren, toelating vragen. De uitvoerende organen van de publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren zijn na aanmelding bij de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid betrokken bij de uitvoering.
     Aldus is, naar het gevoelen van de ondergetekenden, voor wat betreft taken welke zich voor een gedecentraliseerde uitvoering lenen, voorzien op een wijze welke aansluit op het patroon van de bestaande organisatie van de gezondheidsverzorging.
     Dat voor de daarvoor in aanmerking komende taken de Ziekenfondsraad als centrale instantie bij de uitvoering wordt betrokken, ligt voor de hand. Elders in deze memorie komen de ondergetekenden bij de toelichting op de verschillende artikelen nog te spreken over de taakverdeling tussen de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars, de uitvoerende organen en de Ziekenfondsraad.

 

Artikel 5 [5]

     Uit de reeds eerder in deze memorie gereleveerde keuze van het systeem van de volksverzekeringswetten als één van de beide pijlers waarop het wetsontwerp rust, vloeit voort dat de kring der verzekerden, welke immers in beginsel het gehele Nederlandse volk omvat, wordt bepaald door het ingezetenschap. Ook op dit stuk is nauwe aansluiting gezocht bij de overige volksverzekeringswetten. Verwezen moge worden voor wat betreft de Algemene Ouderdomswet naar artikel 6 [6]. Ook overigens bevatten de verschillende leden van artikel 5 [5] bepalingen welke ter nadere uitwerking c.q. beperking van de kring der verzekerden in de socialevolksverzekeringswetten gebruikelijk zijn. De ondergetekenden merken, in aansluiting rblz.|25 l.k.| op hetgeen in hoofdstuk 4 werd vermeld, nog op dat voor het onderhavige wetsontwerp de kring der verzekerden niet wordt beperkt door een leeftijdsgrens, hetzij naar boven, hetzij naar beneden. Het uitgangspunt van de onderhavige voorziening, waaromtrent elders in de memorie uitvoeriger beschouwingen zijn gegeven, brengt dit met zich mede.
     Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat uit het uitgangspunt van de onderhavige verzekering eveneens voortvloeit dat ook het overheidspersoneel niet van de werking van de onderhavige regeling is uitgezonderd. Het wetsontwerp houdt er overigens rekening mee dat voor het overheidspersoneel in het kader van de rechtspositieregelingen publiekrechtelijke ziektekostenregelingen zijn tot stand gekomen, zoals I.Z.A.-regelingen, I.Z.R.-regelingen, het Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958, Besluit geneeskundige voorziening Noodwachters, terwijl voor het rijkspersoneel een ontwerp van wet Ziektekostenvoorziening Ambtenaren (gedrukte stukken 8336) bij de Staten-Generaal is aanhangig gemaakt. Het is duidelijk dat de verstrekkingen krachtens deze verschillende regelingen aangepast zullen moeten worden aan de voorzieningen welke ingevolge het onderhavige wetsontwerp zullen worden verstrekt. Hierin zal voor wat betreft de Wet Ziektekostenvoorziening Ambtenaren door middel van een nota van wijziging worden voorzien. De uitvoerende diensten van de verschillende ziektekostenregelingen zullen als uitvoerders van de onderhavige verzekering optreden voor degenen die deelnemer zijn aan de desbetreffende ziektekostenregeling.

 

Artikel 6 [6]

     In het algemeen deel van deze memorie hebben de ondergetekenden uitvoerig de opvatting weergegeven van de verschillende adviescolleges welke hun oordeel hebben gegeven over de omvang van het verstrekkingenpakket van de onderhavige voorziening. De ondergetekenden deelden mede van gevoelen te zijn dat de ontwikkeling van het verstrekkingenpakket van de onderhavige wettelijke regeling zich geleidelijk zal voltrekken.
     Zoals elders in deze memorie werd uiteengezet, kunnen zij zich in grote lijnen wel verenigen met de opvattingen zoals die bij de verschillende maatschappelijke organen blijken te leven ten aanzien van de zogenaamde intramurale voorzieningen. Dit neemt niet weg dat de ondergetekenden - zij bespraken dit ook reeds - extramurale voorzieningen op zichzelf wel als een object van een verzekering zware geneeskundige risico's zien. Voorshands echter zou bij de geleidelijke ontwikkeling van het verstrekkingenpakket de werking van de wet zich dienen te richten op de intramurale voorzieningen.
     De gedachten welke de ondergetekenden omtrent het object der verzekering ten principale hebben, is neergelegd in het bepaalde bij het eerste lid van artikel 6 [6]. De daar gekozen omschrijving is ruim. Vervolgens is in het tweede lid van genoemd artikel bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aard, inhoud en omvang van de verstrekkingen worden aangegeven. Daarbij is vastgelegd - een dergelijk systeem is ook in de overeenkomstige bepaling in de Ziekenfondswet gevolgd - dat het verstrekkingenpakket in ieder geval bepaalde voorzieningen zal moeten bieden. In ieder geval zal als verstrekking dienen te worden opgenomen de verpleging en behandeling in een ziekenhuis indien en voor zover deze een periode van één jaar te boven gaat en verzorging, verpleging en behandeling in verpleeginrichtingen. Andere categorieën van inrichtingen zullen bij ministeriële beschikking worden aangewezen. De ondergetekenden denken hierbij bijvoorbeeld aan zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen voor lichamelijk en zintuiglijk gebrekkigen e.d.
     De ondergetekenden zien dit als een kwestie van uitwerking, waarbij uiteraard in belangrijke mate inspraak zal worden gegeven aan de betrokken adviescolleges en deskundigen. Naar hun wijze van zien dient de wet de gelegenheid te bieden tot het realiseren van de voorzieningen welke uit een oogpunt van een goede gezondheidsvoorziening voor zware geneeskundige risico's noodzakelijk zijn.
     Daartoe is een raamwetgeving verkozen, waarbij de nadere uitwerking wordt gedelegeerd aan uitvoeringsmaatregelen, zij het - de ondergetekenden releveerden het reeds - dat het
rblz.|25 r.k.| minimumverstrekkingenpakket in de wet wordt aangegeven.
     Het bepaalde in het derde lid van artikel 6 [6] werd reeds toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, waar in paragraaf 4.2 de raakvlakken met andere beleidssectoren werden besproken.
     In het algemeen deel van deze memorie schonken de ondergetekenden eveneens reeds aandacht aan de opname-indicaties welke zullen moeten worden gehanteerd. Het is duidelijk dat niet langer zal kunnen worden volstaan met het criterium van de "medische indicatie". Terecht hebben zowel de Centrale Raad voor de Volksgezondheid als de Sociaal-Economische Raad op dit belangrijke aspect gewezen. Uiteraard is ook het stellen van de juiste indicatienormen een kwestie van nadere uitwerking.
     In het kader van de in hun gedachtengang noodzakelijk ruime omschrijving, welke in het eerste lid van artikel 6 [6] is gevolgd, wordt gesproken van "verstrekkingen ter voorziening in de geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging" van de verzekerden.
     Reeds eerder in deze memorie noemden de ondergetekenden het noodzakelijk dat de revalidatie uitdrukkelijk zou zijn begrepen in het verstrekkingenpakket van de onderhavige verzekering. Ook dit wordt in het genoemde lid tot uitdrukking gebracht. Teneinde misverstand te voorkomen, herhalen de ondergetekenden dat, uitgaande van deze ruime omschrijving, niet de gedachte moet postvatten als zou bijvoorbeeld de revalidatie in volle omvang met alle daaraan verbonden facetten door de ondergetekenden als object van de onderhavige verzekering worden gezien. Ook hier zal de nadere uitwerking bij algemene maatregel van bestuur moeten plaatsvinden.
     De gedachten van de ondergetekenden gaan daarbij primair uit naar de voorzieningen welke liggen in het vlak van de zogenaamde "medische" revalidatie, uiteraard voor zover niet gedekt door de ziekenfondsverzekering.
     In het vorenstaande gebruikten de ondergetekenden de term "verstrekkingen". Over de betekenis van het verlenen van verstrekkingen in het kader van de georganiseerde gezondheidsverzorging in ons land zijn in de memorie van toelichting bij het ontwerp Ziekenfondswet in paragraaf 5, onder c, uitvoerige beschouwingen gegeven waarnaar verwezen moge worden. De ondergetekenden menen, zulks ook in aansluiting op de zienswijze van de verschillende adviescolleges, dat ook in het kader van de onderhavige voorziening verstrekkingen moeten worden gegeven.
     Het is hun bekend dat dit voor de ziektekostenverzekeraars en voor de uitvoerende organen der publiekrechtelijke ziektekostenregelingen een novum betekent. Deze immers vergoeden in het algemeen - voor de ziektekostenverzekeraars op basis van de polisvoorwaarden - kosten van geneeskundige hulp. Zowel uit een oogpunt van een goede volksgezondheidsvoorziening als ter wille van gelijke behandeling van de verzekerden hebben de ondergetekenden gekozen voor een systeem dat wel wordt aangeduid als het geven van hulp in natura. Dit maakt het noodzakelijk dat tussen de inrichtingen en medewerkers welke de uit de wet voortvloeiende verstrekkingen zullen verlenen overeenkomsten zullen moeten worden gesloten. Elders in het wetsontwerp is dit dan ook bepaald. De ondergetekenden menen dat uit het sluiten van deze overeenkomsten, waarbij de contracterende partijen uiteraard over en weer voorwaarden kunnen stellen, voor de gezondheidszorg in ons land sterke impulsen kunnen uitgaan, met name wanneer in het kader van deze contracten voorwaarden worden gesteld welke het bereiken van de optimale behandeling van de patiënt kunnen bevorderen. Naast het erkenningenbeleid ten aanzien van de bij de onderhavige voorziening betrokken inrichtingen, waarover de ondergetekenden reeds een beschouwing gaven, zal de noodzaak tot het sluiten van overeenkomsten als bovenbedoeld in sterke mate het peil van de gezondheidsvoorziening kunnen bevorderen.
     Voor het overige sluit de inhoud van het onderhavige artikel nauw aan bij het overeenkomstige artikel 8 van de Ziekenfondswet.
    
rblz.|26 l.k.| De ondergetekenden merken nog op dat slechts die inrichtingen de krachtens het tweede lid van artikel 6 [6] te verlenen verstrekkingen zullen mogen geven die als zodanig bij ministeriële beschikking zijn erkend. Het erkenningenbeleid, waaraan in het algemeen deel van deze memorie reeds uitvoerig aandacht is geschonken, vindt in de desbetreffende bepaling (in artikel 7 [8]) zijn wettelijke grondslag.
     Evenals de Sociaal-Economische Raad willen de ondergetekenden in het kader van deze beschouwingen over de verstrekkingen nog aan tweeërlei aspect aandacht schenken.
     Allereerst opent het gekozen systeem de mogelijkheid om aan verzekerden een behandeling of verzorging te verlenen die uitgaat boven hetgeen de verzekering verstrekt, bijvoorbeeld bij verpleging in een hogere klasse. Zoals in het advies van de Sociaal-Economische Raad wordt aangegeven, zou dit kunnen worden geëffectueerd door in dergelijke gevallen aan de inrichtingen de kosten te vergoeden die gemaakt zouden zijn indien aan de verzekerde de door de verzekering gewaarborgde behandeling of verzorging zou zijn verstrekt. Het verschil tussen deze kosten en de werkelijke verpleegprijs zou dan door de verpleegde dienen te worden gedragen.
     De Sociaal-Economische Raad heeft in zijn advies verder nog uitvoerig aandacht geschonken aan de vraag of bij het in het kader van de volksverzekering te treffen verzekeringsstelsel rekening zou moeten worden gehouden met de omstandigheid dat in een aantal gevallen door de verpleging een aanmerkelijke besparing op de kosten van levensonderhoud zal kunnen ontstaan. In het algemeen zal zich dit kunnen voordoen bij alleenstaanden, omdat immers bij opneming in een inrichting veelal de huishouding niet in stand zal behoeven te worden gehouden. Ook van andere zijde is wel een in aanmerking nemen van deze besparingen bepleit. De Sociaal-Economische Raad is in zijn advies tot de conclusie gekomen dat het geen aanbeveling verdient in de onderhavige verzekering rekening te houden met de eventuele besparingen op kosten van levensonderhoud.
     De besparingen op de kosten van levensonderhoud zouden zich niet beperken tot een duidelijk af te bakenen groep van verzekerden, aldus de Sociaal-Economische Raad. Een dergelijke besparing behoeft verder niet bij alle alleenstaanden op te treden, terwijl zij zich ook kan voordoen bij gehuwden. Het gevolg hiervan is dat de groep waar het hier om gaat niet in een algemene omschrijving kan worden gevangen. Steeds zou een individueel onderzoek nodig zijn of de individuele omstandigheden van de betrokkene zodanig zijn dat opneming in een inrichting tot een aanmerkelijke besparing op de kosten van levensonderhoud zou leiden. Een dergelijke individuele benadering past, naar 's Raads gevoelen, slechts in een bijstandsregeling, maar niet in een sociale verzekering.
     Hoewel de Regering begrip heeft voor de overwegingen welke de Sociaal-Economische Raad ten deze heeft laten gelden. wil zij er ten andere zijde op wijzen dat de besparingen welke hier in het geding zijn, in een groot aantal gevallen van betekenende omvang zullen zijn. Er komt bij dat deze besparingen - vooral bij de bejaarden spreekt dit heel sterk - veelal ten goede zullen komen aan erfgenamen. Gegeven het totaal van de sociale lasten, ten aanzien waarvan de ondergetekenden eerder in deze memorie te kennen gaven dat deze op het ogenblik zijn grens heeft bereikt, meent de Regering dat deze besparingen wel in aanmerking moeten worden genomen. In beginsel doet zich tweeërlei mogelijkheid voor om hiermede rekening te houden, namelijk door het laten verrichten van bijbetalingen door de verzekerden of het korten op de socialeverzekeringsuitkering. Voorshands geven de ondergetekenden er de voorkeur aan de verzekerden te laten bijbetalen. De laatste volzin van het tweede lid van artikel 6 [6] opent daartoe de mogelijkheid. De ondergetekenden stellen zich voor deze aangelegenheid mede te betrekken in de adviesaanvrage welke zij bij gelegenheid van de indiening van het onderhavige wetsontwerp over het dragen van eigen risico zullen richten tot de Centrale Raad voor de Volksgezondheid en de Ziekenfondsraad. Deze kwestie kwam reeds ter sprake aan het slot van paragraaf 3.1 van deze memorie.
    
rblz.|26 r.k.| In het kader van de uitvoering van rechterlijke uitspraken worden onder verantwoordelijkheid, waaronder begrepen financiële verantwoordelijkheid (bijvoorbeeld door middel van subsidiering of kostenvergoeding), van de Minister van Justitie verstrekkingen verleend als in het eerste lid van artikel 6 [6] bedoeld. In het algemeen deel van deze memorie is ook dit reeds besproken. Te denken valt bijvoorbeeld aan ter beschikking van de regering gestelde personen, aan reclassenten, aan voogdijkinderen. De zorg voor het verlenen van deze verstrekkingen aan de bedoelde personen is door het rechterlijk ingrijpen opgedragen aan de genoemde bewindsman. Het geldend maken van de aanspraak van deze patiënten op het verlenen van verstrekkingen kan vanzelfsprekend niet aan henzelf worden overgelaten. Inschakeling van de organen waaraan de uitvoering van de voorgestelde verzekering in het algemeen is opgedragen, ligt voor het verlenen van de verstrekkingen aan de hier bedoelde personen niet voor de hand. Daarom is in het vierde lid van artikel 6 [6] bepaald dat voor de verlening van deze verstrekkingen de in het eerste lid gegeven regeling niet geldt.
     Gelijk bekend, richt de onderhavige verzekering zich in beginsel tot het gehele volk. Als basis voor deze verzekering is daarom, conform de overige volksverzekeringen, voorgesteld het ingezetenschap.
     De basis zou tot consequentie kunnen hebben dat buitenlandse personen hun woonplaats naar ons land verleggen met het oogmerk, na zekere tijd aanspraak op bepaalde verstrekkingen te kunnen doen gelden. Gezien de kostbaarheid van vele dezer verstrekkingen en het ontbreken van soortgelijke voorzieningen in de meeste landen, is het geen irreële veronderstelling dat buitenlandse gezinnen naar ons land verhuizen teneinde voor een gezinslid aanspraak op verstrekkingen ingevolge deze wet te claimen.
     De ondergetekenden vragen zich af of zodanige gevallen wel altijd in redelijkheid ten laste van de in deze wet geregelde verzekering dienen te komen. Enerzijds ligt hun de solidariteit welke de socialeverzekeringswet dient te kenmerken na aan het hart en staan zij in het algemeen ook afwijzend ten opzichte van het selecteren van risico's. Anderzijds kan in gevallen als hierboven bedoeld gesproken worden van een bewuste antiselectie ten gunste van personen waarvoor de wet niet is bedoeld.
     Naar het oordeel van de ondergetekenden dient dan ook de mogelijkheid te worden geopend om in bepaalde nauw te omgrenzen gevallen verstrekkingen niet of niet volledig ten laste van de in deze wet geregelde verzekering te laten komen. Krachtens het voorgestelde zesde lid van artikel 6 [6] zal dan naargelang van de omstandigheden kunnen worden bepaald dat de verstrekking wordt geweigerd of op een later tijdstip ingaat, dan wel een hogere bijdrage van de verzekerde wordt gevorderd. De ondergetekenden stellen zich voor over deze aangelegenheid advies te vragen aan de betrokken adviesinstanties.
     Het bepaalde in het vijfde lid is opgenomen teneinde het mogelijk te maken, wanneer dit in de praktijk gewenst blijkt, om na het einde van de verzekering, bijvoorbeeld wegens het vertrek naar het buitenland, een verstrekking te kunnen voortzetten.

 

Artikel 7 [8]

     Zowel in het algemeen deel van deze memorie als bij de toelichting op het vorige artikel [6] memoreerden de ondergetekenden reeds dat de inrichtingen welke de verstrekkingen ingevolge deze wet zullen verlenen als zodanig moeten zijn erkend. De desbetreffende regeling is in het onderhavige artikel uitgewerkt. Bepaald is dat de erkenning bij ministeriële beschikking wordt verleend, nadat de desbetreffende inrichting een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend. Voor verhoging van de rechtszekerheid zijn in het tweede lid termijnen genoemd waarbinnen een beslissing ter zake moet worden genomen. Verder bepaalt dit artikel in het derde lid dat ook voorlopige erkenningen kunnen worden verleend, dat voorwaarden aan de erkenning kunnen worden verbonden en dat deze voorwaarden kunnen worden gewijzigd en ingetrokken en dat nieuwe voorwaarden kunnen worden gesteld. Uiteraard dient ook een erkenning of een voorlopige rblz.|27 l.k.| erkenning te kunnen worden ingetrokken. Hierin voorziet het vierde lid. Het bepaalde in het vijfde lid heeft betrekking op de inrichtingen vallende onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie en betrekking hebbende op zogenaamde justitiepatiënten. Zoals elders in deze memorie werd uiteengezet, nemen deze inrichtingen in het kader van de wet een bijzondere plaats in.

 

Artikel 8 [9]

     In het kader van de nauwe aansluiting bij de ziekenfondswetgeving bepaalt artikel 8 [9], eerste lid, dat de verzekerde in de zin van de Ziekenfondswet, die als zodanig bij een ziekenfonds van zijn keuze is ingeschreven, ook voor de toepassing van de onderhavige wettelijke regeling als ingeschreven bij dat ziekenfonds geldt. Hetzelfde is bepaald voor wat betreft de bij een ziektekostenverzekeraar verzekerde. Voor degene die deelnemer is aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren geldt het deelnemerschap aan de desbetreffende regeling tevens als inschrijving voor de onderhavige wet. Het is duidelijk dat uit de combinatie van de uitvoering van de ziekenfondsverzekering, ziektekostenverzekering en publiekrechtelijke ziektekostenregeling met de voorziening zware geneeskundige risico's bij hetzelfde uitvoeringsorgaan voor dezelfde verzekerde grote voordelen voortvloeien. Op deze wijze heeft de verzekerde slechts met één instantie te maken, terwijl de administratieve verwerking uit hoofde van ziekenfonds- of ziektekostenverzekering, publiekrechtelijke ziektekostenregeling en volksverzekering zware geneeskundige risico's in hetzelfde administratieve apparaat plaatsvindt. Bovendien biedt de combinatie grote voordelen in verband met de vraag of de te verlenen verstrekkingen ten laste van de ene dan wel van de andere regeling zullen komen. Terecht hebben zowel de organisaties van de ziekenfondsen als die van de ziektekostenverzekeraars hierop gewezen. Reeds hebben de ondergetekenden in het algemeen deel van deze memorie er aandacht voor gevraagd dat hiermede zo dicht mogelijk kan worden aangesloten bij de werkelijke situatie in het maatschappelijk leven. Voor zover een persoon noch ingevolge de Ziekenfondswet, noch bij een ziektekostenverzekeraar of een publiekrechtelijke ziektekostenvoorziening verzekerd is, zal hij zich voor het verwezenlijken van zijn uit deze wet voortvloeiende aanspraken tot een ziekenfonds of ziektekostenverzekeraar van zijn keuze dienen te wenden.
     Volledigheidshalve zij aangetekend dat de in het tweede lid van artikel 8 [9] voorziene aanmelding ook zal moeten geschieden in de gevallen waarin een persoon een ziektekostenverzekering heeft gesloten bij een ziektekostenverzekeringsinstelling welke niet is toegelaten als ziektekostenverzekeraar in de zin van deze wet. Voor het overige zijn de bepalingen welke in de verschillende leden van dit artikel zijn vervat, ontleend aan de overeenkomstige bepalingen van de Ziekenfondswet, waarvoor naar artikel 5 van die wet moge worden verwezen.
     Het bepaalde in het derde lid is opgenomen teneinde zich in de praktijk voordoende moeilijkheden met betrekking tot de inschrijving te kunnen regelen. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het treffen van een regeling voor verzekerden die onbekwaam zijn om hun uit deze wet voortvloeiende rechten te kunnen uitoefenen. Voorts zal op grond van deze bepaling een regeling kunnen worden getroffen welke ertoe strekt dat de personen die tezamen een huishouden vormen zoveel mogelijk voor de uitvoering van de onderhavige verzekering bij hetzelfde uitvoeringsorgaan zijn aangesloten. Zo ligt het in de rede dat een voor de verzekering ingeschreven gehuwde man daarmede ook voorzien heeft in de inschrijving van zijn echtgenote en kinderen. Een dergelijke regeling sluit aan bij die ingevolge artikel 4 van de Ziekenfondswet. Ook voor de niet-ziekenfondsverzekerden kan dit aldus worden geregeld.
     Teneinde voor de praktijk van de uitvoering de mogelijkheid te scheppen tot het maken van uitzonderingen, is in het derde lid tevens bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zo nodig afwijkende bepalingen in het leven kunnen worden geroepen.

 

Artikel 9 [10]

     De ondergetekenden wezen er reeds op dat er in het onderhavige wetsontwerp van is uitgegaan dat de rblz.|27 r.k.| verzekerden zich voor het geldend maken van hun aanspraken op verstrekkingen moeten wenden tot medewerkende personen of medewerkende inrichtingen waarmede contracten zijn aangegaan door ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars of uitvoerende organen. Evenals de Ziekenfondswet gaat het onderhavige wetsontwerp uit van de vrije keuze ten aanzien van de medewerker of medewerkende inrichting. Het systeem van de wet is in dit opzicht geheel gelijk aan het systeem van de Ziekenfondswet. Van het houden van principiële beschouwingen over de vrije keuze menen de ondergetekenden zich ontslagen te mogen achten, gezien de aandacht die hieraan in het kader van de behandeling van de Ziekenfondswet is besteed.
     Het feit dat het in bijgaand wetsontwerp gaat om een volksverzekering maakt een kleine afwijking van de regeling in de Ziekenfondswet noodzakelijk. Reeds meermalen (onder andere in de toelichting op artikel 6 [6], vierde lid) is er in deze memorie op gewezen dat aan bepaalde categorieën van personen verstrekkingen vallend onder de in het ontwerp geregelde verzekering worden verleend onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie. In het eerste lid van artikel 9 [10] is met zoveel woorden bepaald dat de algemene regeling voor het geldend maken van de aanspraak op verstrekkingen door de verzekerde persoonlijk in die gevallen niet van toepassing is.
     In het zesde lid van artikel 9 [10] is aangegeven dat het verlenen van deze verstrekkingen beheerst wordt door de regelingen welke daarvoor elders zijn gegeven. Te denken valt bijvoorbeeld aan de Beginselenwet voor de Kinderbescherming (Stb. 1961, 403), Beginselenwet Gevangeniswezen (Stb. 1951, 596), het Psychopatenreglement (Stb. 1928, 386).
     Overigens zijn de bepalingen van artikel 9 [10] materieel gelijk aan die van het overeenkomstige artikel 9 van de Ziekenfondswet. Voor zover de verschillende leden van het artikel nog toelichting zouden behoeven, veroorloven de ondergetekenden zich te verwijzen naar de toelichting op artikel 9 van de Ziekenfondswet (blz. 38 van de memorie van toelichting bij het ontwerp van die wet).
     In het vijfde lid is rekening gehouden met de aard van de inrichtingen waarop de werking van deze wet zich zal richten.

 

Artikel 10 [11]

     Dit artikel komt op vrijwel dezelfde wijze en onder hetzelfde nummer voor in de Ziekenfondswet en behoeft, onder verwijzing zover nodig naar de ter zake bij het ontwerp Ziekenfondswet gegeven toelichting, geen nadere uitleg.

 

Artikel 11 [12]

     Ook dit artikel is ontleend aan de Ziekenfondswet, waarin het in nagenoeg gelijke bewoording als artikel 11 [12] voorkomt.

 

Artikel 12 [13]

     In het eerste lid wordt geregeld dat bij het vaststellen van een schadevergoeding door de rechter rekening wordt gehouden met de aanspraken krachtens deze wet. Een bepaling van gelijke strekking komt bijvoorbeeld ook voor in artikel 91 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
     Het tweede lid bepaalt dat ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen een verhaalsrecht kunnen uitoefenen op de schuldige derde.
     In het derde lid is bepaald dat in plaats van het bedrag der verstrekkingen de geschatte geldswaarde ervan kan worden teruggevorderd. Hierbij kan rekening worden gehouden met hiervoor relevante factoren.
     In het overeenkomstige artikel van de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze in het overleg met het parlement zijn vastgesteld, zijn met betrekking tot het uit te oefenen verhaalsrecht beperkingen aangelegd. Het regres kan slechts worden uitgeoefend ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde indien het feit dat aanleiding geeft tot het verlenen van uitkering te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verzekerde die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat.
     De ondergetekenden hebben in het kader van de onderhavige, het gehele volk betreffende, verzekering voorshands
rblz.|28 l.k.| geen aanleiding kunnen vinden om een dergelijke beperking aan te brengen, het object van de verzekering in aanmerking genomen.

 

Artikel 13 [14]

     Ook het bepaalde in artikel 13 [14], voor de onderhavige voorziening mede van toepassing op de ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen, is ontleend aan het overeenkomstige artikel 13 van de Ziekenfondswet. Verwijzende voor zoveel nodig naar de bij de Ziekenfondswet op blz. 38 van de memorie van toelichting gegeven toelichting, menen de ondergetekenden nog te moeten releveren dat een stelsel van machtiging voor opneming of behandeling in dit artikel zijn grondslag zal kunnen vinden.

 

Artikel 14 [15]

     Het lijkt aangewezen om in het kader van een verzekering welke langdurige en ook vaak kostbare verstrekkingen zal verlenen de mogelijkheid te openen bij opzettelijk misbruik tegen de daaraan schuldige de geëigende maatregelen te treffen. In artikel 61 [70] wordt straf bedreigd tegen degene die opzettelijk onware opgaven doet teneinde bepaalde verstrekkingen of vergoedingen te verkrijgen. Naar het gevoelen van de ondergetekenden dient evenzeer de mogelijkheid te worden geschapen dat bij ten onrechte genoten verstrekkingen de geldswaarde daarvan geheel of gedeeltelijk wordt gevorderd. Artikel 14 [15] regelt dit.

 

Artikel 15 [16]

     De inhoud van het eerste lid van dit artikel is grotendeels gelijk aan het overeenkomstige artikel 14 uit de Ziekenfondswet. Gelijk bekend, strekt deze bepaling in de Ziekenfondswet ertoe het mogelijk te maken dat in geval van herverzekering van risico daaraan een wettelijke grondslag wordt gegeven.
     In het algemeen deel van de memorie van toelichting hebben de ondergetekenden hun standpunt weergegeven met betrekking tot de sociaal-medische uitvoering van de onderhavige verzekering. In het kort gezegd was hun opvatting dat overleg zal moeten worden geopend met alle betrokken instanties, teneinde te komen tot een goede en gecoördineerde sociaal-medische uitvoering van de wet, een samengaan met de Gemeenschappelijke Medische Dienst ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering daarbij inbegrepen. In verband hiermede leek het de ondergetekende wenselijk dat in afwachting van de resultaten van het te voeren overleg, in de wet de mogelijkheid zou worden geschapen ter zake van de sociaal-medische uitvoering tot coördinatie te komen. Daartoe is de tekst, in vergelijking met de redactie van het overeenkomstige artikel 14 van de Ziekenfondswet uitgebreid, waardoor deze mede kan dienen tot het regelen van een gecoördineerde sociaal-medische uitvoering. Uiteraard is het vanzelfsprekend dat wanneer deze bepaling voor het omschreven doel zal worden toegepast, de Ziekenfondsraad in de gelegenheid zal worden gesteld hierover te adviseren.
     In het tweede lid is een bepaling opgenomen waarin een speciale regeling in het vooruitzicht wordt gesteld voor controle op de verstrekkingen verleend onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie. Deze regeling zal worden vastgesteld door de eerste ondergetekende in overeenstemming met de Minister van Justitie. Gedacht wordt aan een regeling die het mogelijk maakt justitiële inspectieambtenaren mede aan te wijzen voor de controle op de uitvoering van de onderhavige volksverzekering. Hierdoor wordt een dubbele inspectie, met mogelijke competentiegeschillen, maar zeker aanleiding gevend tot dubbel werk, voorkomen.

 

Artikelen 16 tot en met 23 [17]

     De artikelen van de hoofdstukken IV en V van het wetsontwerp handelen over het opbrengen der middelen en de vrijstelling wegens gemoedsbezwaren. Behoudens een enkele ondergeschikte afwijking, komen de verschillende artikelen geheel overeen met de overeenkomstige artikelen van de volksverzekeringswetten.
     Opgemerkt zij nog dat, zoals in het algemeen deel van deze memorie reeds is vermeld, van verzekerden van 65 jaar of ouder voor de onderhavige voorziening geen premie zal worden geheven, evenmin als van personen jonger dan 15 jaar. Weliswaar wordt door de Ziekenfondsraad en de
rblz.|28 r.k.| Sociaal-Economische Raad in hun adviezen tot uitdrukking gebracht dat de 65-jarigen en ouderen in beginsel in de premiebetaling zouden moeten worden betrokken, doch de colleges hebben daarbij geen rekening kunnen houden met de omstandigheid dat de opzet van de financiering van de onderhavige regeling ten principale anders is geregeld.
     Intussen is in de regeringsverklaring van 27 april 1965 aangekondigd dat de overheidsbijdragen in de sociale verzekering verleend zullen worden via de kinderbijslagregelingen. Nu de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's in plaats van de Algemene Kinderbijslagwet geheel op premiebasis zal worden gefinancierd, ligt het voor de hand dat de 65-jarigen en ouderen voor wat de premiebetaling betreft niet in een ongunstiger positie mogen komen te verkeren dan wanneer de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's geheel uit de overheidsgelden zou worden gefinancierd en de Algemene Kinderbijslagwet uit premiebetaling. Thans betalen de 65-jarigen en ouderen geen premie ingevolge de algemene kinderbijslagverzekering. Wil men deze status quo handhaven, dan moeten vorenbedoelde personen van de premiebetaling van deze wet worden vrijgesteld.
     Voor het overige menen de ondergetekenden te kunnen volstaan met de navolgende summiere beschouwing. Voor wat betreft de inhoud van deze artikelen moge worden verwezen naar de overeenkomstige artikelen van de volksverzekeringswetten. De ondergetekenden noemen bijvoorbeeld artikel 26 [-] van de Algemene Ouderdomswet en de overeenkomstige regeling in artikel 18 [19] van de onderhavige wet. Het vijfde lid van artikel 18 [19] stemt overeen met de corresponderende regeling in de volksverzekeringswetten. Hierbij zij aangetekend dat met het voor de toepassing van artikel 26 [-], vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet geldende bedrag wordt bedoeld het bedrag dat met toepassing van het zesde lid van artikel 26 [-] van de Algemene Ouderdomswet in verbinding met artikel 27 [-] van die wet is vastgesteld. Artikel 29 [-] van de Algemene Ouderdomswet is identiek aan artikel 20 [21]. De artikelen 30 [-], 31 [-] en 32 [-] van de Algemene Ouderdomswet zijn gelijk aan de artikelen 21 [22], 22 [23] en 23 [31]. Met betrekking tot artikel 23 [31] zij nog vermeld dat een bepaling als vervat in het derde lid op gelijke wijze voorkomt in het derde lid van artikel 29 [-] van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Artikel 24 [32]

     De in het wetsontwerp opgenomen regeling inzake het verlenen van vrijstelling wegens gemoedsbezwaren is dezelfde als die welke geldt voor andere volksverzekeringswetten welke een risicoverzekering inhouden. Het systeem dat hierbij wordt gevolgd, moge bekend worden verondersteld. Evenals bij de overige volksverzekeringswetten wordt vrijstelling in beginsel door de Sociale Verzekeringsbank verleend, zij het dat wanneer de Sociale Verzekeringsbank haar desbetreffende taak aan de Raden van Arbeid heeft gedelegeerd, het ontwerp in het elfde lid van dit artikel de mogelijkheid opent om ook voor de onderhavige wet de Raden van Arbeid in te schakelen. In de bij uitvoeringsmaatregel te geven voorschriften zal worden geregeld op welke wijze de Ziekenfondsraad, de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen bij de voorbereiding van het verlenen van een vrijstelling zullen worden betrokken. Het bedrag dat vanwege de gemoedsbezwaren niet als premie kan worden geheven, wordt als belastinggeld geïnd. Het Rijk vergoedt het totaal aan wegens gemoedsbezwaren gederfde premies aan het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's.
     De ondergetekenden menen er goed aan te doen nog op te merken dat, zoals in het algemeen met betrekking tot de voorziening wegens gemoedsbezwaren gebruikelijk is in ons land, een verleende vrijstelling geen belemmering zal vormen om vrijgestelden desgewenst aanspraken te doen gelden op de verstrekkingen ingevolge de verzekering. Wordt hiertoe echter door de van de verzekering vrijgestelden overgegaan, dan wordt de vrijstelling uiteraard ingetrokken.

 

Artikelen 25 tot en met 33 [33-41]

     In het algemeen deel van deze memorie hebben de ondergetekenden aandacht geschonken aan de wijze waarop naar hun mening de onderhavige verzekering zal rblz.|29 l.k.| dienen te worden uitgevoerd. Zij hebben zich daarbij voorstanders getoond van het inschakelen van ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren. Voorts hebben zij een belangrijke taak gegeven aan het college dat, gezien de samenhang met de ziekenfondsverzekering, daarvoor naar hun gevoelen in aanmerking komt, te weten de Ziekenfondsraad.
     In het onderhavige wetsontwerp was het niet nodig de toelating van de ziekenfondsen voor de uitvoering van de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's afzonderlijk te regelen. Uitgangspunt voor de ondergetekenden is geweest dat de ziekenfondsen die zijn toegelaten tot de uitvoering van de Ziekenfondswet ook zullen optreden voor de uitvoering van de onderhavige wet. De toelating van de ziekenfondsen is geregeld in het derde hoofdstuk van de Ziekenfondswet.
     Uiteraard was het wel noodzakelijk dat in het wetsontwerp de toelating van de ziektekostenverzekeraars werd geregeld. Hoofdstuk VI bevat de daartoe nodige voorzieningen. De regeling welke in de verschillende artikelen is vervat, is grotendeels analoog aan die van de overeenkomstige bepalingen van de Ziekenfondswet (de artikelen 35 tot en met 38).
     Gezien het publiekrechtelijk karakter van de ambtelijke ziektekostenregelingen was het niet nodig de desbetreffende uitvoerende organen van de ambtelijke ziektekostenregeling aan een toelatingsprocedure te binden. Artikel 30 [38] gaat ervan uit dat een instelling die een overheidsziektekostenregeling uitvoert aan de uitvoering van de onderhavige verzekering deelneemt, na zich daartoe te hebben aangemeld.
     Voor het overige bevat dit hoofdstuk in de artikelen 29 [37], 31 [39] en 32 [40] bepalingen als geregeld in het derde hoofdstuk van de Ziekenfondswet ten aanzien van de uitvoering van de ziekenfondsverzekering door de ziekenfondsen en voor de onderhavige voorziening voor zoveel nodig geldende zowel voor de ziekenfondsen als voor de ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen. Genoemd mogen worden bepalingen inzake wijziging van statuten en reglementen en het doen van mededeling aangaande belangrijke besluiten (vergelijk artikel 38 van de Ziekenfondswet), het geven van inlichtingen (vergelijk artikel 39 van de Ziekenfondswet) alsmede de bevoegdheid van de Ziekenfondsraad tot het stellen van regelen aangaande de administratie, jaarverslagen en arbeidsvoorwaarden van het personeel (artikel 40 van de Ziekenfondswet).
     In hoofdstuk 4 van deze memorie wezen de ondergetekenden er reeds op dat ook met betrekking tot het hebben van eigen instellingen, het deelnemen in bedrijven en het leveren van kunst- en hulpmiddelen bepalingen gelden welke ook in de Ziekenfondswet zijn vervat en welke in het kader van de onderhavige voorziening in gelijke mate van toepassing zijn op de ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen (artikel 33 [41]).
     De ondergetekenden achten het gewenst dat de Ziekenfondsraad optreedt als toezichthoudend orgaan bij de uitvoering van de onderhavige verzekering ook voor wat betreft de toegelaten ziektekostenverzekeraars. Zulks vloeit voort uit het eigen karakter van de onderhavige verzekering, die verschilt van een schadeverzekering. Om deze reden is onder de overgangsbepalingen voorgesteld dat de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf niet van toepassing is op ondernemingen die voor de uitvoering van de onderhavige wet zijn toegelaten, uiteraard alleen voor zoveel de uitvoering van de onderhavige wet betreffende. Het ligt in de rede dat de Ziekenfondsraad voor de onderhavige verzekering ook toezicht uitoefent op de uitvoerende organen van de overheidsziektekostenregelingen.

 

Artikelen 34 tot en met 39 [42-47]

     De ondergetekenden hebben in het algemeen deel van deze memorie in hoofdstuk 4, waar het systeem van het wetsontwerp is uiteengezet, en in hoofdstuk 5, betreffende de sociaal-medische aspecten daarvan, er reeds de aandacht op gevestigd dat voor de uitvoering van de onderhavige verzekering tussen de medewerkende personen en inrichtingen en de ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen overeenkomsten zullen moeten worden rblz.|29 r.k.| aangegaan betreffende de vormen van hulp, bedoeld in de uitvoeringsmaatregel op grond van artikel 6 [6] van het wetsontwerp. In de toelichting op artikel 6 [6] schonken de ondergetekenden reeds aandacht aan de samenhang welke er bestaat tussen de regeling van de aard, inhoud en omvang van de verstrekkingen en de wijze waarop de personen en inrichtingen die het verlenen van deze verstrekkingen mogelijk moeten maken in het kader van daartoe aan te gane overeenkomsten, hierbij worden betrokken.
     De ondergetekenden mogen in herinnering brengen dat in het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het ontwerp Ziekenfondswet - in paragraaf 5, onder g - een uitvoerige beschouwing is gewijd, ook in historisch perspectief, aan de verhouding tussen de ziekenfondsen en de aan de ziekenfondsverzekering medewerkende personen en inrichtingen. In deze beschouwing, waarnaar voor zoveel nodig moge worden verwezen, komt de grote betekenis van de overeenkomsten voor de georganiseerde gezondheidsverzorging in ons land duidelijk naar voren. Een enkel aspect hiervan zij genoemd. Het is allereerst duidelijk dat deze overeenkomsten het de verzekeringsinstanties mogelijk maken in het kader van de contracten tot bepaalde afspraken te komen welke ook kwesties kunnen betreffen die niet direct met de honorering samenhangen. Dit moet van grote betekenis worden geacht. Aan de andere kant verschaffen de overeenkomsten aan de medewerkende personen en inrichtingen de zekerheid, een garantie zo men wil, van betaling. Vooral voor die sectoren waarop zich de volksverzekering zware geneeskundige risico's, naar valt te voorzien, goeddeels zal richten, is het van grote betekenis dat de desbetreffende inrichtingen verzekerd kunnen zijn van de verpleegprijs.
     De ondergetekenden onderschrijven in dit opzicht geheel de zienswijze van degenen die van oordeel zijn dat door het creëren van dit element van rechtszekerheid noodzakelijke voorzieningen zullen worden tot stand gebracht in sectoren welke in onze gezondheidsverzorging zijn achtergebleven of nauwelijks dan wel moeizaam tot ontwikkeling zijn gekomen. In dit verband willen de ondergetekenden niet onvermeld laten dat zij nota hebben genomen van de uitspraak in het advies van de Sociaal-Economische Raad dat het gewenst is de bemoeiingen krachtens de Wet ziekenhuistarieven uit te breiden tot de daarvoor in aanmerking komende inrichtingen welke in het kader van de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's tot ontwikkeling zullen komen. Het wil de ondergetekenden voorkomen dat de door de Sociaal-Economische Raad gedane suggestie overweging verdient. Gelijk bekend, opent artikel 1, tweede lid, van de Wet ziekenhuistarieven daartoe op eenvoudige wijze de mogelijkheid. Het lijkt nauwelijks nodig te vermelden dat, alvorens tot de bedoelde aanvulling van de werking van de Wet ziekenhuistarieven wordt overgegaan, overleg zal worden gevoerd, onder meer met de daarbij betrokken organisaties van inrichtingen.
     Een aspect waarop de ondergetekenden nog de aandacht willen vestigen, betreft de omstandigheid dat bij het sluiten van overeenkomsten ter uitvoering van de in het voorliggende wetsontwerp geregelde verzekering, naast de ziekenfondsen ook de ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen als contracterende partij zullen optreden.
     De ondergetekenden gewaagden hier reeds van bij de toelichting op artikel 6 [6]. Hier zouden zij er nog op willen wijzen dat door deze gang van zaken de ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen meer direct bij het werk van de georganiseerde gezondheidsverzorging in ons land worden betrokken, een noodzakelijkheid overigens naar het gevoelen van de ondergetekenden wanneer men in aanmerking neemt dat ruw genomen een vierde gedeelte van de Nederlandse bevolking door tussenkomst van de ziektekostenverzekeringsinstellingen en publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren dekking heeft gevonden voor de kosten van geneeskundige verzorging.
     De ondergetekenden verheugen zich erover dat de ziektekostenverzekeraars er blijk van hebben gegeven ten volle
rblz.|30 l.k.| bereid te zijn hun medewerking te dezen te verlenen. Ook nog op andere wijze zullen de organisaties van ziektekostenverzekeraars worden ingeschakeld, namelijk doordat zij zullen worden vertegenwoordigd in de Ziekenfondsraad, als bedoeld in de onderhavige wet.
     Ook de uitvoerende organen van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren hebben er, na door de Minister van Binnenlandse Zaken hierover te zijn gehoord, gaarne mede ingestemd op de in de wet geregelde wijze bij de uitvoering ervan te worden betrokken. Het is, zoals elders in deze memorie wordt medegedeeld, de bedoeling ook een vertegenwoordiging van de overheidsziektekostenregelingen op te nemen in de Ziekenfondsraad, als bedoeld in de onderhavige wet.
     Wat de inhoud van de verschillende artikelen betreft, zij opgemerkt dat de verschillende bepalingen nagenoeg gelijk zijn aan de corresponderende artikelen 44 tot en met 49 van de Ziekenfondswet. Voor zover de artikelen nog toelichting behoeven, veroorloven de ondergetekenden zich te verwijzen naar de ter zake in het kader van de memorie van toelichting bij het ontwerp Ziekenfondswet gegeven uitleg.
     De ondergetekenden mogen er nog op wijzen dat voor wat betreft de goedkeuring van de in het ontwerp van wet voorziene contracten de goedkeuringsprocedure wordt voorgesteld welke bij de behandeling van het ontwerp Ziekenfondswet voor wat betreft de het ziekenfondswezen rakende overeenkomsten in het overleg met de Staten-Generaal is tot stand gekomen en welke in artikel 46 van de Ziekenfondswet is geregeld. De gekwalificeerde meerderheid welke is vereist, is aangepast aan de uitbreiding welke de Ziekenfondsraad zal ondergaan voor de uitoefening van zijn uit de onderhavige wet voortvloeiende taak.
     Ter afsluiting van de toelichting op dit hoofdstuk van het ontwerp van wet nog een opmerking in verband met de daarin opgenomen speciale regeling voor verstrekkingen verleend onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie.
     In het algemeen deel van deze memorie van toelichting op artikel 6 [6] [zie paragraaf 4.2, red.] is er reeds op gewezen dat in deze speciale regeling, zoals men zou kunnen zeggen, het Ministerie van Justitie voor deze verstrekkingen wordt aangewezen als uitvoeringsorgaan van de voorgestelde verzekering. Deze verstrekkingen worden verleend krachtens de daarvoor bestaande regelingen. Hierop is in de toelichting op artikel 9 [10] nader ingegaan.
     Het spreekt dus vanzelf dat ten aanzien van deze verstrekkingen geen overeenkomsten als bedoeld in dit hoofdstuk van het ontwerp van wet behoeven te worden gesloten. In de tweede zin van het eerste lid van artikel 34 [42] is dit met zoveel woorden aangegeven. Deze afwijkende regeling heeft uiteraard alleen betrekking op de onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie verleende verstrekkingen.

 

Artikelen 40 tot en met 43 [48-51]

     Elders in deze memorie hebben de ondergetekenden reeds als hun zienswijze te kennen gegeven dat als toezichthoudend orgaan op de in het voorliggende wetsontwerp geregelde verzekering zou dienen op te treden de Ziekenfondsraad. Met name wordt in de adviezen welke door de Ziekenfondsraad en door de Sociaal-Economische Raad zijn uitgebracht, gewezen op de grote samenhang welke er bestaat tussen de taak van de Ziekenfondsraad bij de uitvoering van de ziekenfondsverzekering en die van het overeenkomstige college dat toezicht zal moeten houden op de uitvoering van de volksverzekering zware geneeskundige risico's. De ondergetekenden onderschrijven geheel deze opvatring dat hier een zeer nauwe samenhang aanwezig is.
     Dit kan naar hun gevoelen worden bereikt door niet alleen hetzelfde bureau als secretariaat voor beide organen te laten functioneren, maar ook de beide colleges zoveel mogelijk te laten samenvallen.
     Hoewel hierbij verschillende constructies denkbaar zijn, achten de ondergetekenden het het meest gewenst dat de Ziekenfondsraad, voorzien in de Ziekenfondswet, optreedt als toporgaan voor de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's, zij het met een zekere aanpassing.
    
rblz.|30 r.k.| De ondergetekenden achten het namelijk redelijk dat allereerst aan de organisaties van de ziektekostenverzekeraars, welke immers bij de uitvoering van deze wet zijn betrokken, plaats wordt ingeruimd bij het uitoefenen door die Raad van zijn taken bij de uitvoering van de onderhavige wet.
     Hetzelfde geldt voor een vertegenwoordiging uit de uitvoerende organen van de overheidsziektekostenregelingen.
     Ten slotte ware aan vertegenwoordigers van personen en inrichtingen die meer in het bijzonder zijn betrokken bij het verlenen van de krachtens de onderhavige wet vast te stellen verstrekkingen (waarbij de ondergetekenden denken aan organisaties van bepaalde categorieën van inrichtingen, bijvoorbeeld voor geestelijk mindervaliden) plaats in te ruimen in de Ziekenfondsraad. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 40 [48] voorziet hierin.
     De ondergetekenden menen dat aldus op eenvoudige en doeltreffende wijze een toporgaan in het leven wordt geroepen dat in het licht van de samenhang waarvan werd gesproken zijn taak ten volle tot haar recht kan laten komen. Dat uiteraard aan de Ziekenfondsraad ook het uitbrengen van adviezen over onderwerpen welke de in deze wet geregelde verzekering raken, moet toevallen, ligt voor de hand.
     Bepaald is voorts dat artikelen uit de Ziekenfondswet betrekking hebbende op de Ziekenfondsraad ook voor de toepassing van de onderhavige wet gelden. Verwezen moge worden naar de artikelen 40 [48] en 41 [49] van het ontwerp van wet. Eenvoudigheidshalve vond daarbij in een aantal gevallen verwijzing plaats naar de corresponderende artikelen van de Ziekenfondswet door deze van overeenkomstige toepassing te verklaren voor de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's. Nog zij aangetekend dat artikel 43 [51] voorziet in de instelling van een Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's, een fonds te vergelijken met andere socialeverzekeringsfondsen waarin de geldmiddelen voor de onderhavige verzekering [lees: voor de betreffende verzekering, red.] worden gestort. Het ligt voor de hand dat de Ziekenfondsraad belast zal zijn met het beheer van dit fonds. De Raad is daarbij verantwoordelijk en rekenplichtig aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, die de bevoegdheid heeft zo nodig aan de Raad aanwijzingen te geven inzake het te voeren beheer. Gelijk bekend, heeft bij de parlementaire discussie over het ontwerp Ziekenfondswet de samenstelling van de Ziekenfondsraad een belangrijke rol gespeeld. Van de kant van de eerste ondergetekende is toen gewezen op het belang dat hij hechtte aan een scheiding van beheer en controle. In dit kader is in de loop van de parlementaire behandeling in artikel 72 van de Ziekenfondswet voorzien in de mogelijkheid van het instellen van een college dat toezicht kan uitoefenen op het door de Ziekenfondsraad gevoerde beheer. De ondergetekenden menen dat het op grond van gelijke overwegingen gewenst is ook voor wat betreft het beoordelen van het ter zake van de uitvoering van de Algemene Wet Zware Geneeskundige Risico's gevoerde beheer het college als bedoeld in artikel 72 van de Ziekenfondswet in te schakelen.

 

Artikel 44 [52]

     Artikel 44 [52] regelt op overeenkomstige wijze als artikel 73 van de Ziekenfondswet met betrekking tot de Algemene Kas van de ziekenfondsverzekering, waartoe de middelen van het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's moeten worden aangewend.

 

Artikel 45 [53]

     Artikel 45 [53] houdt een bepaling in, welke ook in overige socialeverzekeringswetten voorkomt, dat met betrekking tot het beleggen van de gelden van het fonds der verzekering bij uitvoeringsmaatregelen voorschriften kunnen worden gegeven.
     Het bepaalde bij artikel 46 [54] is ontleend aan artikel 19 van de Ziekenfondswet. In de hier bedoelde algemene maatregel van bestuur zal een regeling worden opgenomen voor de vergoeding van kosten voor verstrekkingen, als bedoeld in het vierde lid van artikel 6 [6], rechtstreeks aan het Ministerie van Justitie.

 

Artikelen 47 [56] en 48 [57]

     De artikelen 47 [56] en 48 [57] zijn ontleend aan hoofdstuk VI van de Algemene Ouderdomswet, betrekking hebbende op het rblz.|31 l.k.| verstrekken van inlichtingen aan de instanties die deze voor de uitwerking van deze wet behoeven.

 

Artikelen 49 tot en met 55 [58-64]

     Gelijk bekend, is één van de belangrijke verbeteringen welke in het kader van de Ziekenfondswet in het ziekenfondsrecht tot stand is gekomen de mogelijkheid dat in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen administratiefrechtelijk beroep kan worden ingesteld.
     Uitvoerige beschouwingen over deze zaak zijn gegeven in de memorie van toelichting bij het ontwerp Ziekenfondswet. Verwezen moge worden, voor zoveel nodig, naar de bladzijden 33 en 34 van genoemde memorie, ook voor wat betreft de meer principiële aspecten van deze aangelegenheid.
     Evenals bij de verplichte verzekering ingevolge de Ziekenfondswet, is in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de mogelijkheid geopend tot het instellen van beroep bij de raden van beroep en bij de Centrale Raad voor Beroep (artikel 50 [59+61]).
     Onder de beslissingen betreffende het verlenen van een verstrekking vallen ook de beslissingen, bedoeld in artikel 9 [10], vierde lid, betreffende de toestemming aan een verzekerde voor het geldend maken van zijn recht op een verstrekking.
     In analogie met andere volksverzekeringswetten opent het vierde lid van artikel 50 [59+61] voor de daarvoor in aanmerking komende gevallen de mogelijkheid van het instellen van beroep in cassatie.
     Het bepaalde in artikel 52 [-] houdt verband met de wijze van premieheffing zoals deze in het ontwerp van wet is geregeld. namelijk door inschakeling van de belastingdienst. Analoge regelingen zijn bekend uit de overige volksverzekeringswetten.
     Evenals in de Ziekenfondswet is ook in het onderhavige wetsontwerp een voorziening getroffen voor geval van geschil tussen de Ziekenfondsraad en een ziekenfonds, een ziektekostenverzekeraar of een uitvoerend orgaan dan wel tussen de genoemde verzekeringsinstellingen en de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Gewezen moge worden op geschillen voortvloeiende uit de artikelen 7 [8], 25 [33], 26 [34], 27 [35], 34 [42], 37 [45] en 39 [47]. In deze gevallen is beroep op de Kroon mogelijk ingevolge het bepaalde bij artikel 53 [-].
     In geval van geschillen voortvloeiende uit de artikelen 37 [45] en 38 [46] kan de beslissing worden ingeroepen van de Ziekenfondsraad. Hierin voorziet het bepaalde in artikel 55 [64], dat is ontleend aan artikel 79 van de Ziekenfondswet.
     Uiteraard dient ook, zij het als ultimum remedium, in de onderhavige wet de mogelijkheid te bestaan van schorsing en vernietiging van besluiten wegens strijd met de wet op het algemeen belang [lees: of het algemeen belang, red.]. Ook in de Ziekenfondswet is hierin in de artikelen 81 tot en met 83 voorzien.

 

Artikel 56 [65]

     Artikel 56 [65] verklaart deze artikelen van de Ziekenfondswet van overeenkomstige toepassing voor de onderhavige wet.

 

Artikelen 57 tot en met 67 [66-76]

     Hoofdstuk XI bevat de strafbepalingen. In analogie aan de Ziekenfondswet is strafbaar gesteld het optreden als ziekenfonds, ziektekostenverzekeraar of uitvoerend orgaan in de zin van deze wet wanneer dit niet is toegestaan {artikel 57 [66]), alsmede het door deze instellingen verrichten van werkzaamheden welke hun niet zijn toegestaan (artikel 58 [67]).
     In nauwe aansluiting aan de vorige [lees: overige, red.] volksverzekeringswetten is het niet verstrekken van inlichtingen en gegevens strafbaar gesteld (artikel 59 [68]), alsmede het opzettelijk verstrekken van verkeerde inlichtingen en opgaven (artikelen 60 [69] en 61 [70]). Deze laatste twee strafbare feiten worden als misdrijf beschouwd, evenals schending van de geheimhoudingsplicht (artikel 66 [75]). De overtreding van bepalingen van algemene maatregelen van bestuur (artikel 62 [71]) en de vorige hiervoren vermelde strafbare feiten worden beschouwd als overtredingen (artikel 67 [76]).

     Artikel 63 [72] bevat een regel voor het geval het strafbare feit door een rechtspersoon wordt begaan. De naleving en opsporing zijn geregeld in de artikelen 64 [73] en 65 [74].

rblz.|31 r.k.| 

Artikelen 68 tot en met 73 [77--]

     Ten dele zijn deze artikelen ontleend hetzij aan de Ziekenfondswet, hetzij aan de Algemene Ouderdomswet. Artikel 68 [77] komt als artikel 93 in de Ziekenfondswet voor; artikel 69 [-] als artikel 101: artikel 70 [-] als artikel 7. Een bepaling als vervat in artikel 71 [-] is ontleend aan artikel 65 [-] van de Algemene Ouderdomswet.

     In artikel 72 [-] wordt voorgesteld dat uit het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's jaarlijks een bedrag van ƒ10 mln zal worden gestort in het Praeventiefonds. Naar aanleiding hiervan mogen de ondergetekenden opmerken dat bij de instelling zowel van het vroegere Prophylaxefonds, dat gevoed werd door bijdragen van de ziekengeldverzekering, als van het tegenwoordige Praeventiefonds, waarin de verplichte ziekenfondsverzekering jaarlijks een bijdrage stort, is uitgegaan van de gedachte dat het in de rede ligt van de op te brengen middelen van respectievelijk de ziekengeld- of ziekenfondsverzekering een gedeelte te reserveren voor meer algemene doeleinden, respectievelijk ter voorkoming van ziekten of ter bevordering van de gezondheid.
     De eerste ondergetekende heeft op 31 oktober 1962 over een verhoging van de bijdrage van de verplichte ziekenfondsverzekering aan het Praeventiefonds advies gevraagd aan de Sociaal-Economische Raad. Aanleiding tot deze adviesaanvrage was het overwegen van de wenselijkheid van een verhoging van het jaarlijks inkomen van het Praeventiefonds. In deze adviesaanvrage is tevens de vraag aan de orde gesteld of het niet juister zou zijn de bijdrage te bepalen aan de hand van een percentage van de loonsom waarover de premie ingevolge het Ziekenfondsenbesluit werd geheven. In de brief werden enige systemen genoemd volgens welke dit zou kunnen geschieden. In zijn op 25 januari 1963 uitgebrachte advies heeft de Sociaal-Economische Raad ter zake een afwachtende houding ingenomen. De Raad heeft erop gewezen dat wanneer hij toen zou hebben ingestemd met een verhoging van het bedrag dat uit de premieopbrengst van de verplichte ziekenfondsverzekering in het Praeventiefonds wordt gestort, daarin op zijn minst een aanwijzing zou zijn gelegen dat de Raad de huidige wijze van financiering van het Praeventiefonds als juist aanmerkt. De Raad wijst erop dat hoewel wellicht de historische ontwikkeling een verklaring kan geven voor deze wijze van financiering, er toch steeds aandacht aan zal moeten worden besteed of deze methode als redelijk kan worden aangemerkt. Zonder dat de Raad ter zake een definitief oordeel wil geven, wijst hij erop dat het niet evident is dat de financiering van werkzaamheden voor de preventieve gezondheidszorg in het bijzonder zou dienen te geschieden door de premieplichtigen voor de verplichte ziekenfondsverzekering.
     Voor zover immers de genoemde werkzaamheden leiden tot voorkoming van ziekte en tot bevordering van de gezondheid, zal de daaruit voortvloeiende vermindering van ziektekosten zich niet tot de kring van verzekerden voor de verplichte ziekenfondsverzekering beperken, maar zich tot de gehele bevolking uitstrekken. De werkzaamheden van het Praeventiefonds betreffen naar 's Raads gevoelen de volksgezondheid in zijn totaliteit, hetgeen de vraag doet rijzen of de financiering van deze werkzaamheden niet uit de algemene middelen dient te geschieden. Naar het gevoelen van de Raad ligt het in de rede te onderzoeken of niet mede andere groepen van de bevolking op soortgelijke wijze in de financiering zouden moeten worden betrokken. De Raad noemt dan de vrijwillige ziekenfondsverzekering, de particuliere ziektekostenverzekering en degenen die zich niet tegen het risico van ziektekosten hebben verzekerd. De Raad wijst erop dat de verzekering tegen zware geneeskundige risico's het gehele vraagstuk van de ziektekostenverzekering aan de orde heeft gesteld en dat in dit licht ook het vraagstuk van de financiering van het Praeventiefonds zou kunnen worden bezien.
     De ondergetekenden hebben met belangstelling kennisgenomen van de opvatting van de Sociaal-Economische Raad dat het in de rede ligt om te onderzoeken of niet andere groepen van de bevolking in de financiering van het Praeventiefonds
rblz.|32 l.k.| zouden moeten worden betrokken. Dat in dit verband de Sociaal-Economische Raad de volksverzekering voor zware geneeskundige risico's noemt, heeft de ondergetekenden aangesproken. Immers, bij de premieheffing voor deze volksverzekering zijn alle groepen van de bevolking in beginsel betrokken. De ondergetekenden hebben er nota van genomen dat de Sociaal-Economische Raad in zijn advies betreffende de volksverzekering voor zware geneeskundige risico's niet nader op deze zaak is ingegaan. Zij menen echter in de boven weergegeven gedachtengang van de Raad voldoende steun te vinden om een bijdrage groter dan die van de verplichte ziekenfondsverzekering, uit het Algemeen Fonds Zware Geneeskundige Risico's, dat immers in beginsel door het gehele volk wordt bijeengebracht, in het Praeventiefonds te kunnen voorstellen. Het onderhavige artikel voorziet hierin.
     Het is overigens duidelijk dat het opnemen van een nominaal bedrag in een wettelijke regeling de vraag oproept van de wijze van aanpassing aan de stijging van de kosten. In de
rblz.|32 r.k.| bovengenoemde adviesaanvrage van de Sociaal-Economische Raad werd deze aangelegenheid ook genoemd.
     De Regering is van oordeel dat bijdragen als de onderhavige in beginsel automatisch moeten worden aangepast. Het bepaalde in het tweede en derde lid regelt dit.

 

 

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
A. Bartels

De Staatssecretaris van Financiën,
W. Hoefnagels

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AWBZ | ontwerp van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x