|
Kamerstukken II
1969-1970, 10 732
Regelen
met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van dienstplichtige
militairen en daarmede gelijkgestelden tegen geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid (Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen) ¹
1. Redactie:
de wet is gepubliceerd in Stb. 1972, 313, en is in werking
getreden met ingang van 1 september 1972.
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP |
Aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Wij
bieden U hiernevens ter overweging aan
een ontwerp van Wet houdende regelen met
betrekking tot voorzieningen ten behoeve
van dienstplichtige militairen en
daarmede gelijkgestelden tegen
geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid (Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen).
De
toelichtende
memorie, die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de
gronden waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige
bescherming.
Soestdijk, 30 juni 1970
JULIANA
WIJ
JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten behoeve van
dienstplichtige militairen en daarmede gelijkgestelden regelen vast te
stellen met betrekking tot voorzieningen tegen geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
I
Begripsbepalingen
Art.
1 [1]. [MvT
+ bis
+ bis]
-1. Voor de toepassing van
hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, wordt verstaan onder:
a.
belanghebbende:
1º. hij
die dienstplichtige is in de zin van de Dienstplichtwet
(Stb. 1948, I 284) of krachtens die wet als
dienstplichtige wordt beschouwd;
2º.
hij die behoort
tot het reservepersoneel der krijgsmacht en niet
krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot
doorlopende werkelijke dienst;
3º.
hij
die krachtens een verbintenis bij de Nationale Reserve
als bedoeld in het Besluit Nationale Reserve (Stb.
1958, 350) verplicht is tot het verrichten van militaire
dienst, tenzij hij voor korter dan een etmaal achtereen
in werkelijke dienst is geroepen;
4º. hij
die krachtens artikel 51 van de Oorlogswet
voor Nederland (Stb. 1964, 337) wordt aangemerkt als
militair.
b.
dag
waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt: de dag
van ingang van:
1º. klein verlof in
afwachting van groot verlof;
2º. groot
verlof
indien dit niet is voorafgegaan door klein verlof in
afwachting van groot verlof;
3º.
ontslag indien
dit niet is voorafgegaan door een verlof, genoemd onder
1º of 2º;
c.
arbeidsongeschiktheid:
1º. voor de
toepassing van hoofdstuk II:
a.
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid als bedoeld
in artikel 46, zesde lid, van de
Ziektewet (Stb.
1967, 473);
b. indien de
in artikel 46, zesde lid, van de
Ziektewet bedoelde
arbeid niet aanwijsbaar is, de arbeidsongeschiktheid als
bedoeld in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(Stb. 1967, 439);
2º. voor de
toepassing van hoofdstuk III:
arbeidsongeschiktheid als
bedoeld in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. uitvoeringsorgaan:
het in artikel 7 [7], eerste lid, genoemde orgaan.
-2. Voor de toepassing
van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, wordt
begrepen onder:
a.
belanghebbende:
1º. hij die is
aangesteld in burgerlijke openbare dienst om in de
krijgsmacht als geestelijke verzorger niet doorlopend
werkzaam te zijn;
2º. hij die
ingevolge de Wet
gewetensbezwaren militaire dienst (Stb.
1962, 370) is verplicht tot
vervangende dienst;
b.
dag
waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt: de dag met ingang waarvan ingevolge een desbetreffende
beschikking de werkzaamheid als geestelijke verzorger,
bedoeld in onderdeel a, onder 1º, in de krijgsmacht eindigt dan wel
de dag, met ingang waarvan de vervangende dienst,
bedoeld in onderdeel a, onder 2º, door groot verlof of door ontslag,
indien dat ontslag niet is voorafgegaan door groot
verlof, eindigt.
-3. De
belanghebbende
die als gevolg van een ontslag uit de militaire dienst,
onderscheidenlijk de burgerlijke openbare dienst,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1º, of de
vervangende dienst, bedoeld in dat lid, onderdeel a,
onder 2º,
niet of niet langer voldoet aan de omschrijving van
belanghebbende in het eerste of het tweede lid, blijft
voor de toepassing van deze wet nochtans als
belanghebbende aangemerkt.
Art.
2 [2].
[MvT
+ bis + bis]
-1. Waar in deze wet of in de tot haar uitvoering genomen besluiten
wordt gesproken van "aanspraken krachtens een andere
wettelijke regeling",
a. worden daaronder
begrepen:
1º. aanspraken
krachtens voorschriften als bedoeld in artikel B 13,
tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb.
1966, 6);
2º. aanspraken
krachtens een andere wettelijke regeling indien deze
door toedoen van de belanghebbende of in verband met het
doormaken van wachtdagen niet kunnen worden geldend
gemaakt;
b. worden
daaronder niet begrepen:
1º. aanspraken op
een invaliditeitspensioen als bedoeld in artikel E 3,
tweede lid, of artikel E 4 van de Algemene militaire
pensioenwet (Stb.
1966, 445),
alsmede aanspraken op een bijzondere
invaliditeitsverhoging als bedoeld in de artikelen E 8
en E 9 van die wet;
2º. aanspraken krachtens de
Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284).
-2. Een
invaliditeitsverhoging krachtens artikel E 7 van de
Algemene militaire pensioenwet wordt geacht te zijn
verleend ter zake van arbeidsongeschiktheid in de zin
van deze wet indien de aanspraak op die verhoging
bestaat ter zake van ziekten of gebreken die mede
bepalend zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid ter
zake waarvan recht op uitkering krachtens deze wet
bestaat.
-3. Arbeidsongeschiktheid die bestaat op de
dag waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt,
wordt geacht op die dag te zijn aangevangen.
HOOFDSTUK
II
Het
ziekengeld
Art.
3 [3]. [MvT
+ bis]
-1. De belanghebbende die op de dag waarop zijn verblijf in werkelijke dienst
eindigt
arbeidsongeschikt is of binnen
één maand
na die dag arbeidsongeschikt wordt, heeft,
overeenkomstig hetgeen bij of krachtens deze wet is
bepaald, met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid
recht op dezelfde ziekengelduitkering als die waarop
krachtens de Ziektewet -
zonder toepassing van
artikel 57
van die wet - aanspraak zou
bestaan indien hij
onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid verzekerde in de zin van die wet
zou zijn geweest, evenwel slechts indien en voor zover
hij ter zake van die arbeidsongeschiktheid geen
aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling kan
doen gelden.
-2. Het in het vorige
lid omschreven recht heeft eveneens de belanghebbende
die arbeidsongeschikt wordt nadat sedert de dag waarop
zijn verblijf in werkelijke dienst eindigde meer dan
één maand is verstreken, evenwel slechts indien en voor
zover hij ter zake van die arbeidsongeschiktheid geen
aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling kan
doen gelden en dit, naar het oordeel van Onze Minister
van Defensie, zijn oorzaak vindt in het verblijf in
werkelijke dienst.
Art.
4 [4].
[MvT]
De
ziekengelduitkering gaat in op de dag waarop de
arbeidsongeschiktheid is aangevangen.
HOOFDSTUK
III
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de overige
voorzieningen
Art.
5 [5].
[MvT
+ bis]
-1. De belanghebbende die op de dag waarop zijn verblijf in
werkelijke dienst eindigt arbeidsongeschikt is of
binnen één maand na die dag arbeidsongeschikt wordt,
heeft, overeenkomstig hetgeen bij of krachtens deze wet
is bepaald, met betrekking tot zijn
arbeidsongeschiktheid of de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid recht op dezelfde uitkeringen als
die waarop krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering aanspraak zou bestaan indien hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn
arbeidsongeschiktheid verzekerde in de zin van die wet
zou zijn geweest, evenwel slechts indien en voor zover
hij ter zake van die arbeidsongeschiktheid
onderscheidenlijk die toeneming van de
arbeidsongeschiktheid geen aanspraken krachtens een
andere wettelijke regeling kan doen gelden.
-2. Het in het vorige
lid omschreven recht heeft eveneens de belanghebbende
die arbeidsongeschikt wordt nadat sedert de dag waarop
zijn verblijf in werkelijke dienst eindigde meer dan
één maand is verstreken, evenwel slechts indien en voor
zover hij ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid of de
toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid geen
aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling kan
doen gelden en dit. naar het oordeel van Onze Minister
van Defensie, zijn oorzaak vindt in het verblijf in
werkelijke dienst.
Art.
6 [6]. [MvT]
Voor zover de belanghebbende na de dag waarop zijn
verblijf in werkelijke dienst eindigde niet voor een
voorziening als bedoeld in hoofdstuk II, paragraaf
3,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in
aanmerking komt krachtens die wet
of een andere
wettelijke regeling, kan het uitvoeringsorgaan hem voor
een zodanige voorziening in aanmerking brengen indien
hij voor die voorziening krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in aanmerking zou zijn
gebracht wanneer hij onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop zijn verblijf in werkelijke dienst
eindigde
verzekerde in de zin van die wet zou zijn geweest.
HOOFDSTUK
IV
De
uitvoering
Art.
7 [7]. [MvT]
-1. De
krachtens de Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb.
1952, 344)
erkende Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten is belast met de
uitvoering van deze wet, voor zover die uitvoering niet
krachtens deze wet aan anderen is opgedragen.
-2. De uit de
uitvoering van hoofdstuk III van deze wet voortvloeiende
werkzaamheden overeenkomende met die, genoemd in
artikel 22a, eerste lid, van de Organisatiewet Sociale
Verzekering, geschieden bij uitsluiting door de
krachtens de laatstgenoemde wet erkende
Gemeenschappelijke Medische Dienst.
HOOFDSTUK
V
Algemene
bepalingen
Art.
8 [8]. [MvT]
De bepalingen betreffende de verplichte verzekering
ingevolge de Ziektewet en de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de bepalingen van de
Organisatiewet Sociale Verzekering en van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1966,
64) en de
uitvoeringsbesluiten van genoemde wetten zijn, met
inachtneming van de wijzigingen die de aard van het
onderwerp vordert, voor zoveel nodig van overeenkomstige
toepassing, voor zover daarvan in hetgeen bij of
krachtens deze wet is bepaald niet is afgeweken.
Art.
9 [9]. [MvT]
Artikel 34 van de Ziektewet
en artikel 57, derde en
vierde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering vinden mede
overeenkomstige toepassing ten aanzien van uitkeringen
en pensioenen, anders dan die bedoeld in eerstgenoemd
artikel en in de vorengenoemde leden van laatstgenoemd
artikel, die worden ontleend aan een andere wettelijke
regeling.
Art.
10 [10]. [MvT]
Onze Ministers van Defensie en van Sociale Zaken en
Volksgezondheid kunnen regelen stellen inzake het
dagloon.
Art.
11 [11]. [MvT]
De uitgaven en de kosten verbonden aan de uitvoering van
deze wet alsmede de ingevolge enige wet over de
uitkeringen krachtens deze wet door het
uitvoeringsorgaan verschuldigde premies die niet op
deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht,
komen ten laste van het Rijk.
HOOFDSTUK
VI
Slot- en
overgangsbepalingen
Art.
12 [13]. [MvT]
-1. De Militaire Ziekengeldregeling (Stcrt. 1966,
157) vervalt.
-2. De Militaire
Ziekengeldregeling en haar uitvoeringsbesluiten, zoals
deze luidden op de dag voorafgaande aan die waarop
deze wet in werking treedt, blijven van toepassing ten
aanzien van:
a. rechten,
bevoegdheden en verplichtingen betrekking hebbende op
tijdvakken gelegen vóór de dag van inwerkingtreding
van deze wet;
b. op de dag
van inwerkingtreding van deze wet lopende
ziektegevallen, met dien verstande dat ten aanzien van
deze gevallen van bedoelde dag af artikel 4, eerste lid,
tweede volzin, van de Militaire Ziekengeldregeling
buiten toepassing blijft.
Art.
13 [14]. [MvT]
Indien een belanghebbende in aansluiting op de
maximumuitkeringstermijn, bedoeld in artikel 4, eerste
lid, eerste volzin, van de Militaire Ziekengeldregeling,
zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan die
waarop deze wet in werking treedt, een uitkering ten
laste van het Ministerie van Defensie heeft genoten en
hij over datzelfde tijdvak of een gedeelte daarvan
tevens recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens deze wet,
wordt deze arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts
uitbetaald voor zoveel zij eerstbedoelde uitkering over
dat tijdvak of dat gedeelte daarvan overtreft, evenwel
voor zover Onze Minister
van Defensie niet anders
bepaalt.
Art.
14 [15]. [MvT]
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de
in de artikelen 3 [3]
en 5 [5] gestelde termijnen.
Art.
15 [18]. [MvT]
Onze Ministers van Defensie en van Sociale Zaken en
Volksgezondheid kunnen nadere regelen stellen ter
uitvoering van deze wet.
Art.
16 [19]. [MvT]
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen.
Art.
17 [20]. [MvT]
Deze wet treedt in werking met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
zij wordt geplaatst en werkt, met uitzondering van
hoofdstuk II, terug tot ¹ 1 juli 1966.
1. Volgens de redactie
dient "tot" te worden vervangen door: tot en met.
Lasten en bevelen,
dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat
alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van
Defensie,
De Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
|
|