St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOORZIENING  MILITAIREN

 

 

VOORSTEL VAN WET

rblz.|4 l.k.| 

Kamerstukken II 1969-1970, 10 732

Regelen met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van dienstplichtige militairen en daarmede gelijkgestelden tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 1 t/m 17
 

 

 

Algemeen

 

     Het hier bijgaande wetsontwerp strekt ertoe voor het verplicht dienende en daarmede gelijk te stellen personeel van de krijgsmacht voorzieningen te treffen overeenkomende met die voor de verzekerden in de zin van de Ziektewet en van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, hierna te noemen Z.W. en W.A.O.
     De aanleiding hiertoe is gelegen in de omstandigheid dat vorenbedoeld personeel, evenals het overige militaire personeel, van de verzekering ingevolge die wetten is uitgezonderd.
     Dit niet verzekerd zijn heeft zolang de militair in werkelijke dienst verblijft geen gevolgen, omdat tijdens ziekte de aanspraak op de militaire inkomsten onverminderd blijft gehandhaafd.
     Anders is dit evenwel wanneer het verblijf in werkelijke dienst eindigt en de militair dan nog arbeidsongeschikt is of korte tijd nadien arbeidsongeschikt wordt, terwijl hij niet verzekerde in de zin van de Z.W. en de W.A.O. is. Immers, door het tijdens het verblijf in werkelijke dienst niet verzekerd zijn kan in die gevallen op de voorzieningen krachtens genoemde wetten geen aanspraak worden gemaakt.
     Daar dit ontbreken van aanspraken een rechtstreeks gevolg is van de opkomst in militaire dienst - het overgrote deel van de onderwerpelijke militairen zou, waren zij niet in werkelijke dienst geroepen, verzekerde zijn gebleven of geworden -, zien de ondergetekenden het als een plicht van de overheid ten behoeve van de betrokken militairen ter opheffing van dit gemis de nodige voorzieningen te treffen.
     Ten aanzien van de voorzieningen bij kortdurende arbeidsongeschiktheid, als geregeld in de Z.W., bestaat weliswaar reeds sedert 1948 voor het verplicht dienende personeel een in grote lijnen daarmede overeenkomende voorziening (Militaire Ziekengeldregeling), doch deze voorziening is vastgelegd in een gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Defensie en van Sociale Zaken en Volksgezondheid waaraan geen wettelijke regeling ten grondslag ligt.
     Nu het juist moet worden geacht de met de W.A.O. overeenkomende voorziening voor de verplicht dienende militairen in een wettelijke regeling op te nemen, hebben de ondergetekenden gemeend de Militaire Ziekengeldregeling, waarop die voorziening aansluit, daarin te moeten incorporeren.
     In tegenstelling tot de Z.W. en de W.A.O. zal de voorgestelde regeling evenwel een aanvullend karakter dragen. Enerzijds is dit noodzakelijk om te voorkomen dat in bepaalde gevallen aan verschillende regelingen dezelfde aanspraken kunnen worden ontleend en anderzijds om het mogelijk te maken daar waar krachtens de andere regeling geen volledige aanspraken blijken te bestaan, zodanige aanspraken via de onderwerpelijke regeling nochtans te verlenen.
     Wat de eerstgenoemde situatie betreft, moge worden gewezen op de voorzieningen bij ziekte voor het burgerlijke overheidspersoneel en het personeel van de Nederlandse Spoorwegen krachtens de voor dit personeel geldende rechtspositieregelingen, alsmede op de in de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet geregelde, in de plaats van de W.A.O. tredende voorzieningen. Daar het dienstverband
rblz.|4 r.k.| tijdens het verblijf in werkelijke dienst niet wordt verbroken, zullen op dit personeel bij arbeidsongeschiktheid ten tijde van de terugkeer uit de verplichte militaire dienst aansluitend daaraan die regelingen en voorzieningen van toepassing zijn. Tenzij bedoelde aanspraken geringer zouden zijn dan die krachtens de Z.W. en de W.A.O., hetgeen in het algemeen niet het geval zal zijn, ligt het in de rede dat de voorgestelde regeling buiten toepassing dient te blijven. Voorts moet rekening worden gehouden met de aanspraken die de verplicht dienende militair krachtens de Algemene militaire pensioenwet kan doen gelden indien zijn ziekte of gebrek is ontstaan in en door de uitoefening van de militaire dienst.
     Wanneer echter als gevolg van het verblijf in werkelijke dienst geringere aanspraken ter zake van arbeidsongeschiktheid blijken te bestaan, is het naar het inzicht van de ondergetekenden billijk een aanvullende voorziening te bieden. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan degene die niet aanstonds na het verlaten van de werkelijke dienst een volledige dienstbetrekking heeft kunnen verkrijgen of tijdelijk genoegen heeft moeten nemen met een lager loon dan hem, gelet op zijn opleiding en ervaring, zou moeten toekomen.
     Wat de gekozen methodiek voor de regeling en het opdragen van de uitvoering daarvan aan een uitvoeringsorgaan van de Z.W. en de W.A.O. betreft, moge worden opgemerkt dat hiermede is beoogd een zo groot mogelijke uniformiteit in de praktische uitvoering van de regeling in haar samenhang met de Z.W. en de W.A.O. te bewerkstelligen.
     Deze methodiek leidt ook tot een afzonderlijke wettelijke regeling naast de Algemene militaire pensioenwet. Veel meer dan op laatstgenoemde wet dient de regeling immers te zijn afgestemd op de Z.W. en de W.A.O.
     Ten aanzien van het kostenaspect moge worden vermeld dat de uitgaven verbonden aan de uitvoering van de Militaire Ziekengeldregeling voor het begrotingsjaar 1968 ƒ400 000,- zullen bedragen.
     Daar het zich niet laat aanzien dat het aantal militairen op wie genoemde regeling tot nu toe wordt toegepast zich zal uitbreiden, menen de ondergetekenden dat de uitgaven verbonden aan de ziekengelduitkeringen krachtens deze wet voorshands eveneens op vorengenoemd bedrag kunnen worden gesteld.
     Met betrekking tot de omvang van de kosten verbonden aan de uitvoering van de in het onderhavige wetsontwerp opgenomen regeling inzake langdurige arbeidsongeschiktheid, wijzen de ondergetekenden erop dat wegens gebrek aan nauwkeurige gegevens hier moet worden volstaan met een ruwe schatting.
     Het aantal gevallen waarin in de afgelopen jaren de arbeidsongeschiktheid langer heeft geduurd dan 52 weken is van geringe omvang geweest. Een onzekere factor is evenwel de omvang van de kosten die gemoeid zullen zijn met betrekking tot de revalidatievoorzieningen die, evenals bij de W.A.O., reeds kunnen worden getroffen tijdens de ziekengeldperiode.
     Onder het nodige voorbehoud zouden de ondergetekenden ervan willen uitgaan dat de totale uitgaven aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, revalidatievoorzieningen, administratiekosten en socialeverzekeringspremies voor het eerste jaar
rblz.|5 l.k.| geschat kunnen worden op circa ƒ200 000,-, zodat de totale kosten van de onderhavige regeling op ƒ600 000,- zijn te stellen.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1 [1], eerste lid


Onderdeel a, onder 3º

     Voor de vrijwilliger van de Nationale Reserve die in zijn vrije tijd voor het onderhouden en verhogen van zijn geoefendheid wekelijks voor enige uren in werkelijke dienst wordt geroepen, bestaat aan een regeling als de onderhavige geen behoefte. Daarom wordt de voorgestelde regeling niet van toepassing verklaard op bedoelde vrijwilliger die voor korter dan een etmaal in werkelijke dienst wordt geroepen. Hierbij zij overigens nog opgemerkt dat ten aanzien van deze vrijwilliger die in zijn vrije tijd voor enige uren per week in werkelijke dienst wordt geroepen indien hij in dienstbetrekking werkzaam is, de verzekeringen krachtens de Z.W. en de W.A.O. door de opkomst in werkelijke dienst niet worden onderbroken.


Onderdeel c, onder 1º

     In artikel 19 van de Z.W. wordt voor het begrip arbeidsongeschiktheid uitgegaan van ongeschiktheid tot het verrichten van "zijn arbeid", dat is de arbeid die de verzekerde verrichtte toen de arbeidsongeschiktheid intrad. Zodanige arbeid is ten aanzien van de onderhavige belanghebbenden, de arbeid in militaire dienst buiten beschouwing latende, niet aan te wijzen. Daarom is voor de "Z.W.-periode" aangesloten bij artikel 46, zesde lid, van de Z.W., welk lid luidt: "Voor de toepassing van dit artikel is ongeschikt tot werken degene, die ongeschikt is tot het verrichten van de arbeid, waarmede hij in zijn onderhoud placht te voorzien".
    
Daarbij kan dan gezien worden naar de arbeid die de betrokkene verrichtte voordat hij in militaire dienst trad.
     Er zullen zich evenwel gevallen voordoen waarin niet teruggegrepen kan worden naar arbeid in een vroegere dienstbetrekking, omdat bijvoorbeeld wegens studie voorheen nimmer zodanige arbeid is verricht. In die gevallen zal aan de hand van het arbeidsongeschiktheidscriterium in de W.A.O. worden vastgesteld of de belanghebbende voor het recht op ziekengelduitkering arbeidsongeschikt is.

 

Artikel 1 [1], tweede lid


Onderdeel a, onder 1º

     De rechtspositie van de geestelijke verzorger op financieel gebied is gelijk aan die van de militairen. Voor zover zij behoren tot het "vaste bestand" en dus vergelijkbaar zijn met de beroepsmilitairen, zijn hun aanspraken ter zake van arbeidsongeschiktheid geregeld in de voor die militairen geldende rechtspositieregeling en in de Algemene militaire pensioenwet. De geestelijke verzorgers die niet doorlopend werkzaam zijn, vinden hun aanspraken in de voorgestelde regeling.


Onderdeel b

     Zowel de werkzaamheden van de geestelijke verzorger, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, als de vervangende dienst van de gewetensbezwaarde, bedoeld in dat lid, onderdeel a, onder 2°, kunnen niet als militaire dienst worden aangemerkt. Dientengevolge kan voor deze belanghebbende ten aanzien van de dag van diensteindiging artikel 1 [1], eerste lid, onderdeel b, geen toepassing vinden, zodat voor hen met betrekking tot die dag een afzonderlijke begripsomschrijving nodig is.

 

Artikel 1 [1], derde lid

     Het hier bepaalde heeft betrekking op de situatie die ontstaat indien het verblijf in werkelijke dienst niet door groot verlof, doch door ontslag eindigt of indien het verleende groot verlof op een later tijdstip door ontslag wordt gevolgd. In die gevallen zou de betrokkene, zonder nadere voorziening, geen of niet langer belanghebbende in de zin van de regeling zijn.
     De consequentie hiervan zou namelijk zijn dat de mogelijkheid zou ontbreken om ten aanzien van gewezen belanghebbenden eventueel een voorziening te treffen tot behoud, herstel of ter
rblz.|5 r.k.| bevordering van de arbeidsgeschiktheid, zoals in artikel 60 van de W.A.O. is voorzien voor degene die ingevolge die wet verzekerd is geweest.

 

Artikel 2 [2], eerste lid


Onderdeel a, onder 1º

     Zoals blijkt uit het algemeen deel van deze memorie zal de voorgestelde voorziening een aanvullend karakter hebben, dat wil zeggen dat aanspraken ingevolge een andere wettelijke regeling zullen prevaleren boven die ingevolge de voorgestelde regeling. Tot deze aanspraken ingevolge een andere wettelijke regeling dienen eveneens gerekend te worden aanspraken krachtens een op de betrokkene van toepassing zijnde rechtspositieregeling.
     In de gevallen waarin rechtspositieregelingen een wettelijke basis hebben, vallen zodanige rechtspositieregelingen reeds onder het begrip "andere wettelijke regeling". Voor bepaalde groepen van personen werkzaam in de sector van het onderwijs is een zodanige wettelijke basis evenwel niet aanwezig. De onderhavige bepaling strekt ertoe de voor bedoelde groepen van personen geldende rechtspositieregeling aan te merken als een wettelijke regeling. Opgemerkt wordt dat op deze aangelegenheid nog nader wordt ingegaan bij de toelichting op artikel 3, eerste lid.


Onderdeel a, onder 2º

     Zoals in het algemeen deel van deze memorie reeds is opgemerkt, heeft de onderhavige regeling een aanvullend karakter, dat wil zeggen dat geen uitkering wordt verleend indien en voor zover ter zake van dezelfde arbeidsongeschiktheid aanspraak op uitkering bestaat uit anderen hoofde. Het ligt evenwel voor de hand dat wanneer "de andere wettelijke regeling" geen uitkering verleent, hetzij vanwege het doormaken van wachtdagen, hetzij door toedoen van de belanghebbende (bijvoorbeeld het opzettelijk veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid), de onderhavige regeling in die gevallen bij de beoordeling of recht op uitkering bestaat ervan uitgaat als ware de belanghebbende in vorenbedoelde gevallen wel ziekengeld of arbeidsongeschiktheidsuitkering verleend.


Onderdeel b, onder 1º, en tweede lid

     De Algemene militaire pensioenwet (A.M.P.), die op 1 januari 1966 in werking is getreden, is in beginsel van toepassing op het militaire beroepspersoneel. De artikelen E 3 en E 4 van die wet houden evenwel een regeling in met betrekking tot de verplicht dienende militair aan wie als zodanig ontslag is verleend en bij wie tengevolge van als verplicht dienende militair opgelopen ziekten of gebreken op het tijdstip van ingang van dat ontslag een invaliditeit met dienstverband aanwezig is. Onder invaliditeit met dienstverband verstaat vorengenoemde pensioenwet een invaliditeit tengevolge van de in artikel E 11 van die wet omschreven oorzaken, mits die invaliditeit ten minste 19% bedraagt. Alsdan wordt aan de verplicht dienende militair een standaardpensioen toegekend, hetwelk laatstelijk is vastgesteld op ƒ628,- per jaar. Indien evenwel het invaliditeitspensioen berekend aan de hand van invaliditeitspercentage en berekeningsgrondslag méér bedraagt dan het standaardpensioen, wordt ingevolge de artikelen E 7, tweede lid, en F 7, tweede lid, van genoemde wet boven het standaardpensioen een invaliditeitsverhoging verleend. Verder worden in bepaalde gevallen (gezichtsverlies, verlies van ledematen, misvorming van het gelaat e.d.) ingevolge de artikelen E 8 en E 9 van de A.M.P. bijzondere verhogingen verleend.
     Voorgesteld wordt om bij samenloop van invaliditeitspensioen krachtens de A.M.P. met ziekengeld of arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de onderhavige voorgestelde regeling het standaardpensioen en de vorenbedoelde bijzondere verhogingen buiten aanmerking te laten, hetgeen bereikt wordt door de aanspraak op invaliditeitspensioen krachtens artikel E 3, tweede lid, of artikel E 4 van de A.M.P. en de aanspraak op de bijzondere verhogingen krachtens de artikelen E 8 en E 9 van die wet niet onder aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling te begrijpen.
     De "gewone" invaliditeitsverhoging (artikel E 7 van de A.M.P.) zal op grond van het tweede lid van het onderhavige artikel worden aangemerkt als een aanspraak krachtens een
rblz.|6 l.k.| andere wettelijke regeling indien de aanspraak op die verhoging bestaat ter zake van ziekten of gebreken die mede bepalend zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan recht op uitkering krachtens de voorgestelde regeling bestaat. Dit betekent dat bij samenloop van ziekengelduitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de onderhavige regeling met de invaliditeitsverhoging krachtens artikel E 7 van de A.M.P., op eerstbedoelde uitkeringen slechts aanspraak bestaat indien en voor zover deze uitkeringen hoger zijn dan het bedrag van de invaliditeitsverhoging. Met deze regeling wordt aangesloten aan de bestaande situatie bij samenloop van invaliditeitspensioen (inclusief verhogingen) krachtens de A.M.P. met ziekengeld of arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Z.W. onderscheidenlijk de W.A.O..


Onderdeel b, onder 2º

     Hoewel andere wettelijke regelingen prevaleren boven de voorgestelde regeling, dient laatstbedoelde regeling, gezien het eigen karakter daarvan, voorrang te hebben op de Algemene Bijstandswet. Om die reden worden aanspraken krachtens de Algemene Bijstandswet uitgezonderd van het begrip "aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling".

 

Artikel 2 [2], tweede lid

     Verwezen moge worden naar de hiervoor gegeven toelichting bij artikel 2, eerste lid, onderdeel b, ten eerste.

 

Artikel 2 [2], derde lid

     Zoals in het algemeen deel van deze memorie reeds is opgemerkt, blijft de aanspraak op de militaire inkomsten bij ziekte gedurende het verblijf in werkelijke dienst onverminderd gehandhaafd. De onderhavige regeling is beperkt tot een aanspraak bij arbeidsongeschiktheid na het einde van het verblijf in werkelijke dienst. Om deze reden is in het onderhavige lid bepaald dat de arbeidsongeschiktheid die reeds bestaat op de dag waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt, geacht wordt op die dag te zijn aangevangen.

 

Artikel 3 [3], eerste lid

     Dit lid beoogt de belanghebbenden die op de dag waarop hun verblijf in werkelijke dienst eindigt arbeidsongeschiktheid zijn, voor wat betreft het recht op uitkering ter zake van die arbeidsongeschiktheid in materieel opzicht op één lijn te stellen met degenen die als verzekerde ingevolge de Z.W. arbeidsongeschikt zijn geworden. De bepaling dat recht op uitkering eveneens bestaat wanneer de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen één maand na de dag waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt, is ontleend aan de Z.W., waarin een soortgelijke bepaling inzake nawerking van de aan de verzekering te ontlenen rechten is opgenomen.
     Voor het recht op toekenning van ziekengeld krachtens de Z.W. is in het algemeen vereist dat de betrokkene verzekerd is ingevolge die wet. Voor het recht op uitkering ingevolge de voorgestelde regeling - zowel voor wat betreft de ziekengelduitkering als de in artikel 5 [5] bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering - is - behoudens in de gevallen, bedoeld in het tweede lid - bepalend dat de arbeidsongeschiktheid bestaat op de dag waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt, dan wel intreedt binnen één maand na die dag.
     In verband met de in het onderhavige lid voorkomende woorden
"overeenkomstig hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald", welke woorden eveneens voorkomen in het eerste lid van artikel 5 [5], moge worden gewezen op het bepaalde in het voorgestelde artikel 8 [8]. Ingevolge laatstgenoemd artikel zullen onder andere de bepalingen van de Z.W. en de W.A.O. van overeenkomstige toepassing zijn ten aanzien van de voorgestelde regeling, voor zover daarvan in die regeling niet uitdrukkelijk wordt afgeweken. In samenhang met de in het onderhavige lid, onderscheidenlijk artikel 5 [5], eerste lid, vervolgens voorkomende zinsnede dat recht wordt verleend "op dezelfde ziekengelduitkering" onderscheidenlijk "op dezelfde uitkeringen" als die waarop krachtens de Z.W. onderscheidenlijk de W.A.O. aanspraak zou bestaan, leidt ertoe dat de voorgestelde regeling uitkeringen zal verlenen van dezelfde aard en naar hetzelfde wettelijke percentage - voor wat betreft arbeidsongeschiktheidsuitkering naar dezelfde rblz.|6 r.k.| percentages bij de onderscheiden graden van arbeidsongeschiktheid - als in de Z.W. en de W.A.O. zijn voorzien.
     Zoals in het algemeen deel van deze memorie reeds is uiteengezet, zullen de belanghebbenden aan de onderhavige regeling aanspraken op de voet van de Z.W. en de W.A.O. kunnen ontlenen, voor zover zodanige aanspraken niet geldend kunnen worden gemaakt uit hoofde van een andere wettelijke regeling.
     Bepaalde wettelijke regelingen, zoals bijvoorbeeld de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Algemene militaire pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet, verlenen eerst aanspraak op uitkering bij arbeidsongeschiktheid bij ontslag uit de dienstbetrekking wegens arbeidsongeschiktheid. Het risico van arbeidsongeschiktheid in de periode voorafgaande aan dat ontslag wordt opgevangen door een op de betrokkenen van toepassing zijnde rechtspositieregeling. Het is duidelijk dat in de opzet van de onderhavige regeling, waarbij andere wettelijke regelingen prevaleren, zodanige rechtspositieregelingen op één lijn dienen te worden gesteld met een wettelijke regeling. De rechtspositieregelingen van het overheidspersoneel en het spoorwegpersoneel hebben een wettelijke basis, terwijl ten aanzien van semioverheidspersoneel dat onder de Algemene burgerlijke pensioenwet valt, de wettelijke basis voor een rechtspositieregeling als vorenbedoeld is neergelegd in het eerste lid van artikel B 13 Algemene burgerlijke pensioenwet. Deze rechtspositieregelingen vallen derhalve onder het begrip
"andere wettelijke regeling". Waar evenwel ten aanzien van bepaalde categorieën van personen werkzaam in de sector van het onderwijs, gezien het tweede lid van artikel B 13 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, een wettelijke basis voor een zodanige rechtspositieregeling niet wordt vereist wanneer het treffen van een rechtspositieregeling is gekoppeld aan subsidievoorwaarden, wordt in artikel 2 [2], eerste lid, onderdeel a, onder 1º, voorgesteld voor de toepassing van de onderhavige regeling de voor laatstbedoelde personen geldende rechtspositieregeling aan te merken als een wettelijke regeling.
     Voorts moge voor wat betreft het recht op uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid die bij de invoering van deze wet reeds bestaat, worden verwezen naar de toelichting op de artikelen 12 [13] en 17 [20].

 

Artikel 3 [3], tweede lid

     Voor het bepaalde in dat lid heeft de volgende overweging gegolden. De onderwerpelijke regeling beoogt het door het verblijf in werkelijke dienst veroorzaakte gemis van aanspraak op de voorzieningen krachtens de Z.W. en de W.A.O. op te vangen. Het is derhalve redelijk de regeling ook toe te passen na het verstrijken van de in het eerste lid van het artikel genoemde nawerkingstermijn van één maand indien het dan niet verzekerd zijn ingevolge genoemde socialeverzekeringswetten is toe te schrijven aan het verblijf in werkelijke dienst.

 

Artikel 4 [4]

     Dit artikel strekt ertoe om voor het recht op ziekengelduitkering, anders dan bij de Z.W., geen wachtdagen in aanmerking te brengen. Hiermede wordt op dit punt de bestaande situatie gecontinueerd, aangezien de huidige Militaire Ziekengeldregeling evenmin wachtdagen kent. In dit verband wordt gewezen op het bepaalde in artikel 2 [2], derde lid, waardoor in samenhang met het bepaalde in het onderhavige artikel wordt bereikt dat bij arbeidsongeschiktheid die is ontstaan tijdens het verblijf in werkelijke dienst de uitkering ingaat met ingang van de dag waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt.

 

Artikel 5 [5], eerste lid

     De opzet van dit lid, hetwelk de aanspraken regelt van belanghebbenden met betrekking tot langdurige arbeidsongeschiktheid, is praktisch gelijk aan die van het eerste lid van artikel 3 [3], welk laatstgenoemd lid het recht op ziekengelduitkering regelt gedurende de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid. Uit de overeenkomstige toepassing van de bepalingen van de W.A.O. volgt dat het recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de onderhavige regeling - evenals bij de W.A.O. - eerst ingaat nadat de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft geduurd, gedurende welke periode de belanghebbende in het algemeen ziekengelduitkering krachtens hoofdstuk II van dit wetsontwerp zal hebben genoten.
     Het onderhavige voorstel beoogt de belanghebbende aanspraken te verlenen die overeenkomen met die welke hij gehad zou hebben indien hij ingevolge de W.A.O. verzekerd zou
rblz.|7 l.k.| zijn geweest op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid. In het kader van de W.A.O. vindt herziening van de W.A.O.-uitkering bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid in beginsel slechts plaats wanneer de betrokkene op de dag waarop de toeneming van de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, ingevolge die wet verzekerd is. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt niet de belanghebbende aanspraak op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering te geven in de gevallen waarin - zo de uitkering ingevolge de onderhavige regeling een W.A.O.-uitkering zou zijn geweest - voor het recht op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering als vereiste geldt dat de betrokkene verzekerd is op de dag waarop toeneming van de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Uiteraard zal wel herziening plaatsvinden in de gevallen waarin de W.A.O. - zo de uitkering ingevolge de onderhavige regeling een W.A.O.-uitkering zou zijn geweest - voor herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens toeneming van de arbeidsongeschiktheid niet als vereiste stelt dat de betrokkene ingevolge die wet verzekerd moet zijn op de dag waarop de toeneming van de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Dit is het geval wanneer de toeneming van de arbeidsongeschiktheid niet kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen (artikel 37 W.A.O.) alsmede wanneer een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45% (artikel 38 W.A.O.). Voorts zijn bij en krachtens artikel 39 van de W.A.O. nog een aantal bijzondere situaties geregeld waarin eveneens herziening van de W.A.O.-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid plaatsvindt zonder dat als vereiste gesteld is het verzekerd zijn op de dag waarop de toeneming van de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
     Overigens moge worden volstaan met te verwijzen naar de toelichting op artikel 3, eerste lid. Voor wat betreft het recht op uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid die bij de invoering van deze wet bestaat, wordt verwezen naar de toelichting op artikel 17 [20].

 

Artikel 5 [5], tweede lid

     Verwezen moge worden naar de toelichting op artikel 3, tweede lid.

 

Artikel 6 [6]

     De bepalingen van de verplichte verzekering ingevolge de W.A.O. zijn ingevolge artikel 8 [8] van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit betekent dat ook paragraaf 3 van hoofdstuk II [zie hoofdstuk IIa, red.] van de W.A.O. (Voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid en andere voorzieningen) volledig van toepassing is ten aanzien van de belanghebbenden ingevolge de onderhavige regeling. Dat niettemin de onderhavige bepaling is opgenomen, houdt hiermede verband dat de ondergetekenden het wenselijk hebben geacht in de wet duidelijk te doen uitkomen om welke voorzieningen het gaat in de onderhavige regeling, namelijk naast de geldelijke uitkeringen (artikelen 3 [3] en 5 [5]) ook revalidatievoorzieningen (artikel 6 [6]).

 

Artikel 7 [7]

     Het verstrekken van uitkeringen op de voet van de Z.W. en de W.A.O. waarin door de voorgestelde regeling wordt voorzien, komt er in feite op neer dat de uitvoerende instantie de Z.W. en de W.A.O. moet uitvoeren. Gezien de specifieke problematiek bij de uitvoering van de W.A.O., waarbij met name te denken valt aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid en het eventueel treffen van revalidatievoorzieningen - ook reeds gedurende de periode waarover ziekengelduitkering wordt genoten -, komt het de ondergetekenden wenselijk voor om voor de uitvoering van de onderhavige regeling die organen in te schakelen welke nu reeds de wettelijke ziekengeld- en arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoeren. In verband hiermede draagt het onderhavige artikel de uitvoering van de voorgestelde regeling op aan de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten, die haar administratie doet uitvoeren door het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, terwijl de Gemeenschappelijk Medische Dienst de werkzaamheden van medische en arbeidsdeskundige aard zal verrichten.

rblz.|7 r.k.| 

Artikel 8 [8]

     Dit artikel bepaalt dat voor de uitvoering van de onderhavige regeling behalve de bepalingen betreffende de verplichte verzekering van de Z.W. en de W.A.O., ook die van de Organisatiewet Sociale Verzekering en van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, voor zoveel van belang, van overeenkomstige toepassing zijn. Voor wat betreft de eerstgenoemde twee wetten houdt dit onder meer in dat de in die wetten opgenomen bepalingen omtrent het beroep van overeenkomstige toepassing zijn op de beslissingen krachtens de voorgestelde regeling. Voorts moge worden verwezen naar het algemeen deel van deze memorie en de toelichting op artikel 3, eerste lid.
     Met betrekking tot de Organisatiewet Sociale Verzekering moge worden opgemerkt dat, nu ten aanzien van de voorgestelde regeling zoveel mogelijk aangesloten [lees: wordt aangesloten, red.] bij de bestaande wettelijke ziekengeld- en arbeidsongeschiktheidsverzekering, het voor de hand ligt hierbij ook te betrekken, voor zoveel van belang, de voorzieningen van organisatorische aard zoals deze zijn neergelegd in genoemde Organisatiewet. Dit leidt er onder meer toe dat het toezicht op de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten en de Gemeenschappelijke Medische Dienst, hetwelk de Organisatiewet Sociale Verzekering opdraagt aan de Sociale Verzekeringsraad, mede omvat het toezicht van laatstgenoemd orgaan op de uitvoering van de onderhavige regeling. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van de bepalingen van de Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt bereikt dat de uitkeringen krachtens de onderhavige regeling - evenals bij de Z.W. en de W.A.O. - worden begrensd door het in de Coördinatiewet Sociale Verzekering neergelegde maximumuitkeringsdagloon.

 

Artikel 9 [9]

     Artikel 34 van de Z.W. houdt een voorziening in inzake terugvordering van ziekengeld of verrekening van ziekengeld met arbeidsongeschiktheidsuitkering indien na toekenning van ziekengeld blijkt dat de betrokkene met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan hem dat ziekengeld is toegekend, over eenzelfde tijdvak aanspraak heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een soortgelijke bepaling komt voor in artikel 57 van de W.A.O. In die wet is bepaald dat de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beperkt bij samenloop van een zodanige uitkering met een wezenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (artikel 46a W.A.O.) of met een kostwinstersouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (artikel 46b W.A.O.). Toekenning of verhoging van een zodanig pensioen nadat reeds eerder een W.A.O.-uitkering is toegekend, kan tot gevolg hebben dat aan arbeidsongeschiktheidsuitkering te veel is uitbetaald of dat die uitkering ten onrechte is uitbetaald. In verband daarmede bepaalt het derde lid van artikel 57 van de W.A.O. dat het te veel of ten onrechte uitbetaalde geheel of gedeeltelijk kan worden teruggevorderd dan wel in mindering kan worden gebracht op de nog uit te betalen bedragen aan wezen- of ouderdomspensioen als hiervoor bedoeld of op de later uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering.
     Het vierde lid van artikel 57 van de
W.A.O. regelt het geval dat achteraf is komen vast te staan dat aan wezen- of ouderdomspensioen te veel is uitbetaald of een zodanig pensioen ten onrechte is uitbetaald, als gevolg waarvan alsnog arbeidsongeschiktheidsuitkering of meer aan arbeidsongeschiktheidsuitkering moet worden uitbetaald. Alsdan kan het aan pensioen te veel uitbetaalde of het ten onrechte uitbetaalde pensioen verhaald worden op de alsnog uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering of meerdere arbeidsongeschiktheidsuitkering.
     Anders dan bij de Z.W. en de W.A.O. kan bij de uitvoering van
de voorgestelde regeling terugvordering of verrekening als hiervoor is uiteengezet nodig zijn bij samenloop van een uitkering ingevolge het onderhavige wetsvoorstel met een andere wettelijke uitkering dan die genoemd in artikel 334 [lees: artikel 34, red.] van de Z.W. en artikel 57, derde en vierde lid, van de W.A.O. Dit vloeit voort uit de opzet van de voorgestelde regeling, waarbij andere wettelijke uitkeringen ter zake van arbeidsongeschiktheid prevaleren. Het voorgestelde artikel 9 [9] strekt ertoe de terugvordering of de verrekening in die andere gevallen mogelijk te doen zijn.

rblz.|8 l.k.| 

Artikel 10 [10]

     Dit artikel geeft de Ministers van Defensie en van Sociale Zaken en Volksgezondheid de bevoegdheid regelen te stellen inzake het dagloon. Op grond van artikel 8 [8] zullen ten aanzien van de voorgestelde regeling onder meer ook de voor de uitvoering van de Z.W. en de W.A.O. vastgestelde dagloonregelen in beginsel van toepassing zijn.
     Het ligt in de bedoeling om in de ingevolge artikel 10 [10] te treffen beschikking tot de vaststelling van het dagloon voor de uitvoering van de voorgestelde regeling duidelijkheidshalve als hoofdregel op te nemen het van toepassing zijn van de Z.W.- en de W.A.O.-dagloonregelen. Het toepassen van deze dagloonregelen zal ten aanzien van belanghebbenden die vóór opkomst in werkelijke dienst in dienstbetrekking werkzaam zijn geweest in het algemeen geen moeilijkheden opleveren. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet evenwel mede in uitkering bij arbeidsongeschiktheid ten aanzien van belanghebbenden die vóór opkomst in militaire dienst nimmer in dienstbetrekking werkzaam zijn geweest (studenten, zelfstandigen). Voor laatstbedoelde gevallen houden de Z.W.- en W.A.O.-dagloonregelen geen voorziening in. Daarom zullen in de op grond van artikel 10 [10] te treffen beschikking naast de hoofdregel - het van toepassing zijn van de Z.W.- en de W.A.O.-dagloonregelen - voor de uitvoering van de voorgestelde regeling bepalingen inzake de vaststelling van het dagloon worden opgenomen voor de gevallen ten aanzien waarvan vorenbedoelde hoofdregel geen toepassing kan vinden. Bij het vaststellen van die regelen zal worden bezien in hoeverre voor laatstbedoelde gevallen kan worden aangesloten bij bestaande wettelijke regelingen die voor soortgelijke gevallen met betrekking tot het vaststellen van de hoogte van een uitkering bij arbeidsongeschiktheid een voorziening inhouden. Met name wordt daarbij gedacht aan hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel F 7 van de Algemene militaire pensioenwet.

 

Artikel 11 [11]

     Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 12 [13]

     Wanneer het onderhavige wetsontwerp, hetwelk mede omvat een ziekengeldregeling voor verplicht dienende militairen, tot wet verheven wordt, kan de huidige Militaire Ziekengeldregeling vervallen. Hierin voorziet artikel 12 [13]. De bepalingen van genoemde ziekengeldregeling blijven evenwel van toepassing ten aanzien van ziektegevallen welke betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór de dag met ingang waarvan de Militaire Ziekengeldregeling vervalt, alsmede met betrekking tot de lopende ziektegevallen op de dag van inwerkingtreding van de onderhavige regeling. Laatstbedoeld voorstel om de Militaire Ziekengeldregeling van kracht te doen blijven ten aanzien van op de dag van inwerkingtreding lopende ziektegevallen steunt op overwegingen van praktische aard. Indien namelijk de nieuwe regeling mede van toepassing zou worden verklaard ten aanzien van de lopende ziektegevallen, zou dit tot gevolg hebben dat deze gevallen aan de hand van de nieuwe wetgeving zouden moeten worden beoordeeld, in het bijzonder teneinde na te gaan of de dagloonvaststelling ingevolge de nieuwe regeling tot een gunstiger resultaat leidt. Aangezien de dagloonvaststelling ingevolge de huidige en die ingevolge de nieuwe regeling elkaar niet veel ontlopen en eventuele verschillen van minimale aard zullen zijn, kan het praktisch nut van een zodanige herberekening verwaarloosd worden.
     Bovendien zouden de op de ziektegevallen betrekking hebbende gegevens door de gemeenten, welke thans de Militaire Ziekengeldregeling uitvoeren, dienen te worden doorgegeven aan het nieuwe uitvoeringsorgaan. Ter voorkoming van deze administratieve rompslomp hebben de ondergetekenden gemeend de afwikkeling van deze lopende ziektegevallen, welke binnen één jaar na het in werking treden van de nieuwe regeling eindigen, in handen te laten van de gemeenten.
     Het buiten werking stellen ten aanzien van de vorenbedoelde lopende gevallen van de in artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van de Militaire Ziekengeldregeling opgenomen bepaling inzake het verstrekken van ziekengelduitkering gedurende een periode
rblz.|8 r.k.| van drie jaren ingeval de belanghebbende lijdende is aan t.b.c,, houdt verband met de omstandigheid dat de belanghebbenden bij invoering van de onderhavige regeling recht verkrijgen op arbeidsongeschiktheidsuitkering wanneer de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft geduurd. Daarmede is de noodzaak om in deze gevallen een ziekengelduitkering te verstrekken over een langere periode dan één jaar niet meer aanwezig.

 

Artikel 13 [14]

     In de gevallen waarin de belanghebbende na 1 juli 1967 - de datum van invoering van de W.A.O. - de maximumuitkeringstermijn van 52 weken heeft bereikt, wordt in afwachting van de totstandkoming van de onderhavige regeling, door het Ministerie van Defensie een uitkering verleend ter grootte van de voordien genoten ziekengelduitkering krachtens de Militaire Ziekengeldregeling. Aangezien de hier bedoelde belanghebbenden, wanneer het voorliggende wetsvoorstel tot wet is verheven, recht verkrijgen op arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van de dag waarop de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft geduurd, zou dit, zonder nadere voorziening, leiden tot dubbele uitkering.
     Het onderhavige artikel nu bepaalt dat in die gevallen de arbeidsongeschiktheidsuitkering over het tijdvak gedurende hetwelk vorenbedoelde uitkering werd genoten slechts wordt uitbetaald voor zoveel deze in aansluiting aan de maximumuitkeringstermijn gegeven uitkering overtreft. Onder het begrip
"uitkering ten laste van het Ministerie van Defensie" kan een uitkering begrepen zijn welke niet in de anticumulatieregeling moet worden betrokken. In verband hiermede is aan de Minister van Defensie de bevoegdheid gegeven te bepalen dat een dergelijke uitkering buiten de anticumulatieregeling blijft.

 

Artikelen 14 tot en met 16 [15, 18, 19]

     Deze artikelen behoeven geen toelichting.

 

Artikel 17 [20]

     Voorgesteld wordt de onderhavige regeling, met uitzondering van hoofdstuk II, te doen terugwerken tot 1 juli 1966. Dit houdt verband met de omstandigheid dat in het kader van de W.A.O. ook degenen die in het jaar voorafgaande aan 1 juli 1967 (datum van inwerkingtreding van de W.A.O.) arbeidsongeschikt zijn geworden, op grond van artikel 12 van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering na het bereiken van de maximumuitkeringstermijn ingevolge de Z.W., arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben verkregen.
     De ondergetekenden zijn daarom van oordeel dat een zodanig overgangsrecht ook in de onderhavige regeling dient te worden opgenomen. Zonder een afzonderlijke overgangsregeling als bij genoemde wet is getroffen, wordt dit op eenvoudige wijze bereikt door de regeling te doen terugwerken tot 1 juli 1966. Alsdan strekt deze regeling zich mede uit tot belanghebbenden die op of na 1 juli 1966 de werkelijke dienst hebben verlaten en op of na die datum arbeidsongeschikt zijn geworden.
     Verder wordt voorgesteld om hoofdstuk II, hetwelk de aanspraak op uitkering regelt gedurende de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid, in werking te doen treden zonder terugwerkende kracht. Terugwerkende kracht is ten aanzien van hoofdstuk II niet nodig, omdat de belanghebbenden hun aanspraak op ziekengelduitkering reeds geldend hebben gemaakt krachtens de Militaire Ziekengeldregeling, terwijl het niveau van die ziekengelduitkering overeenkomt met dat van de ziekengelduitkering ingevolge de onderhavige regeling. Hoofdstuk II zal derhalve van toepassing zijn ten aanzien van gevallen waarin de arbeidsongeschiktheid intreedt op of na de dag waarop de onderhavige regeling in werking treedt.

 

 

De Minister van Defensie,
W. den Toom

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
B. Roolvink

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wamil | voorstel van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x