|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1979-1980, 16 034 (R 1138) (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 909 (R
1179) (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 23)
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet van de bepalingen inzake
het koningschap
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING (eerste lezing) |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Plaats en indeling van het hoofdstuk
"Regering" |
| 2 |
Grondwettelijke terminologie |
| 3 |
De belangrijkste voorgestelde
wijzigingen |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
II t/m IV |
Algemeen
1.
Plaats en indeling van het hoofdstuk
"Regering"
Hoofdstuk
II van de bestaande Grondwet handelt
over de Koning, maar bevat bovendien in
de zesde afdeling (Van de macht des
Konings) tal van bepalingen die het
staatsbestel in het algemeen raken,
zoals die over het bestuur der
buitenlandse betrekkingen en in de
zevende afdeling de bepalingen over de
Raad van State, de ministers, de
staatssecretarissen en de vaste colleges
van advies en bijstand. Dientengevolge
bevat dit hoofdstuk alléén meer dan
een derde van alle grondwetsartikelen.
In
de brief ter begeleiding van de eerste
reeks herzieningsontwerpen (Kamerstukken
II 1975-1976, 13 871, nr. 1) gaven de
toenmalige bewindslieden te kennen dat
zij de door de staatscommissie
voorgestelde indeling van de Grondwet,
waardoor een overzichtelijker
rangschikking wordt verkregen, in
beginsel wensten te volgen. Met name
meenden zij dat na het hoofdstuk
grondrechten de bepalingen over
instelling en samenstelling van de
voornaamste organen van het
staatsbestel moeten worden geplaatst en
dat eerst daarna de bepalingen
betreffende de onderscheiden
bevoegdheden en de samenwerking van die
instellingen dienen te komen.
Wij
delen deze zienswijze waarmee wordt
beoogd de onoverzichtelijkheid van de
huidige Grondwet, die met elkaar
samenhangende voorschriften,
bijvoorbeeld over de wetgeving, op
verschillende, soms ver uiteenliggende
plaatsen vermeldt, weg te nemen. In deze
gedachtengang worden in hoofdstuk 2,
getiteld "Regering", achtereenvolgens
de Koning en de regering, gevormd door
de Koning en de ministers, behandeld,
gevolgd door een hoofdstuk
"Staten-Generaal" en een hoofdstuk
over de vaste colleges, waarin de Raad
van State en de vaste colleges van
advies en bijstand hun plaats krijgen.
Pas daarna komt in onze gedachtengang
een hoofdstuk
"Wetgeving en bestuur",
waarin een aantal bepalingen die thans
in de afdeling "Van de macht des
Konings" voorkomen, met elders
opgenomen doch verwante voorschriften
wordt samengebracht.
Het
resultaat van deze opzet is dat in hoofdstuk 2 slechts de materie wordt
geregeld die thans bestreken wordt door
de eerste vijf afdelingen van het
bestaande hoofdstuk II en door de
bepalingen over de ministers en de
staatssecretarissen.¹
Koning
en ministers vormen als regering
optredend de motor van ons staatsbestel.
Wij achten het daarom gewenst deze stof
te regelen in een hoofdstuk dat
onmiddellijk na het hoofdstuk over de
grondrechten en vóór het hoofdstuk
over de Staten-Generaal wordt geplaatst.
rblz.|2|
Aan
het tweede hoofdstuk is in navolging van
de Proeve [lees: Proeve van een nieuwe
Grondwet, red.] de titel "Regering" gegeven; het
is verdeeld in twee paragrafen, respectievelijk
"Koning" en "Koning en
ministers".
Wij wijken hiermede af van de
voorstellen van de staatscommissie, die
aan het hoofdstuk de titel "Koning en
ministers" heeft gegeven en het in drie
paragrafen verdeelt, respectievelijk
"Koning", "Regering" en
"Ministers".
1.
De Staatscommissie van advies inzake de Grondwet
en de Kieswet
heeft over de materie waarop het onderhavige ontwerp
met memorie van toelichting betrekking
heeft, geadviseerd op blz. 33-83 en op
blz. 351-353 (minderheidsnota) van haar
eindrapport.
Onze
keuze is gebaseerd op de overweging dat
in de Nederlandse staatsinrichting de
positie van de Koning, die in de eerste
plaats staatshoofd is, in overwegende
mate wordt bepaald door het feit dat hij
tezamen met de ministers het orgaan
"regering" vormt. Wanneer de titel van
het gehele hoofdstuk de eenheid van dit
orgaan tot uitdrukking brengt, kan
vervolgens in de benaming van de
paragrafen het accent vallen op de
samenstellende delen daarvan.
Wij
achten het gewenst het hoofdstuk niet
als geheel in een wetsontwerp op te
nemen, doch het te splitsen in drie
aparte wetsontwerpen. Het eerste
wetsontwerp betreft paragraaf
1, "Koning". Deze bepalingen kunnen als
een geheel worden gezien, die zonder
bezwaar los van de overige bepalingen
van het hoofdstuk in een wetsontwerp
kunnen worden vervat. Voorts dient voor
deze bepalingen de rijkswetprocedure te
worden gevolgd op grond van artikel 5
van het Statuut
voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Paragraaf 2 is verdeeld over twee
wetsontwerpen, één betreffende de
ministerraad en de medeondertekening
van wetten en
koninklijke besluiten en
één betreffende de overige bepalingen
van deze paragraaf. Hoewel deze
bepalingen met elkaar samenhangen, is op
grond van de overweging dat voor de
bepalingen inzake de ministerraad en de
ondertekening van wetten en koninklijke
besluiten de rijkswetprocedure dient te
worden gevolgd en voor de overige
bepalingen niet, tot deze verdeling
overgegaan.
Een
vergelijkend overzicht van de in het
eerste wetsontwerp opgenomen artikelen,
de voorstellen van de staatscommissie en
de artikelen van de Grondwet
is hierbij
gevoegd.
2.
Grondwettelijke terminologie
In
de memorie van toelichting
bij het
ontwerp van rijkswet houdende verklaring dat er grond bestaat een
voorstel in overweging te nemen tot
verandering in de Grondwet
van
bepalingen betreffende de wetgevende
macht en de algemene maatregelen van
bestuur, alsmede tot opneming van
bepalingen betreffende andere
voorschriften, is onder Algemeen, punt
5 [lees: paragraaf
5, red.], het gebruik van de woorden "Koning" en
"regering" in de nieuwe Grondwet
uiteengezet.¹
In
het kort kwam dit hierop neer. Het woord
"Koning" blijft behouden waar dit
woord in de herziene Grondwet
wordt
gebruikt in bepalingen als die over de
erfopvolging en het regentschap,
aangezien in die bepalingen de Koning
persoonlijk wordt bedoeld. Op de
plaatsen waar in het woordgebruik van de
huidige Grondwet wordt gezegd dat de
Koning benoemt of beslist, is in de
voorstellen voor de herziene Grondwet
gesteld dat bij koninklijk besluit wordt
benoemd of beslist. Met betrekking tot
de bepalingen inzake de wetgeving is
voorgesteld in de bepaling die in
algemene zin aangeeft welke organen
gezamenlijk de wetgeving tot stand
brengen, de term "regering" te
gebruiken. Ten aanzien van de indiening
van wetsontwerpen is de term "vanwege
de Koning" voorgesteld, terwijl ten
aanzien van de bekrachtiging eveneens is
voorgesteld de term "Koning" te
gebruiken.
In
zijn advies over het onderhavige
wetsontwerp stelt de
Raad van State van
het Koninkrijk bij nadere overweging van
mening te zijn dat het meer in
overeenstemming met de werkelijkheid is
wanneer ten aanzien van de indiening
van wetsontwerpen wordt gelezen: "door
of vanwege de Koning". Naar het oordeel
van de Raad brengt deze terminologie
beter tot uitdrukking dat een
regeringsvoorstel zowel rechtstreeks
door de Koning (bij schriftelijke
boodschap) bij de Staten-Generaal kan
worden ingediend als vanwege de Koning
op de wijze die thans reeds wordt
gevolgd bij de rblz.|3|
aanbieding
van wetsontwerpen ter zake van de
rijksbegroting. Wij hebben ons hierover
beraden en geven bij nader inzien er de
voorkeur aan ten aanzien van de
indiening van wetsontwerpen in
overeenstemming met het advies van de
Raad van State van
het Koninkrijk de
term "door of vanwege de Koning" te
bezigen. Hierbij hebben wij het volgende
overwogen.
De
huidige praktijk laat zien dat
regeringsontwerpen door de Koning bij
schriftelijke boodschap worden
ingediend. De andere wijze van indiening
van de wetsvoorstellen inzake de
begroting is een uitzondering op de
regel van de indiening bij koninklijke
boodschap. Bij het voorstel om ten
aanzien van de indiening van
wetsontwerpen de term "vanwege de
Koning" te gebruiken, heeft niet
voorgezeten een wijziging in de
bestaande praktijk aan te brengen. Aan
het woord "vanwege" werd een ruime
betekenis toegekend, die beide wijzen
van indiening dekte.
Teneinde in dezen ieder misverstand te
vermijden, stellen wij thans voor de
term "door of vanwege de Koning" te
gebruiken, opdat ook in de herziene
Grondwet met zoveel woorden zal blijken
dat de indiening van wetsontwerpen bij
koninklijke boodschap regel en de andere
wijze van indiening uitzondering zal
blijven. Uiteraard brengt één en ander
met zich dat het
grondwetsherzieningsontwerp inzake
wetten en andere voorschriften (nr. 15
047) in de bovengenoemde zin wordt
gewijzigd. Hiertoe zal de Tweede Kamer
op korte termijn een nota van
wijzigingen bereiken.
Ten
aanzien van het voorliggende wetsontwerp
achten wij nog een toelichting op de
onderstaande termen wenselijk.
1.
Kamerstukken
II 1977-1978, 15 047, nr. 3, blz. 8-10.
a.
De term "kroon"
Wij
zijn van oordeel dat een veelzinnige
term als het woord "kroon"
in de Grondwet
dient te worden vermeden.
Vooral bij vergelijking met de
literatuur blijkt deze veelzinnigheid.
Het woord "kroon" betekent in de
literatuur veelal Koning en ministers,
terwijl in de Grondwet daarmee vrijwel
steeds het persoonlijk koningschap wordt
bedoeld. Dit maakt het niet eenvoudiger
inzicht te verkrijgen in de
staatsrechtelijke verhoudingen. Het
woord kan in de laatstgenoemde betekenis
zonder bezwaar worden vervangen door de
term "koningschap". Zulks is in de bij
dit wetsontwerp voorgestelde artikelen
gebeurd.
b.
De term "troonopvolging"
In de huidige Grondwet
worden de termen "troonopvolging" en
"erfopvolging"
weinig consequent gebruikt. Wij menen er
goed aan te doen eenheid in de
gebruikte terminologie te brengen en
hebben daarom in de desbetreffende
artikelen steeds het woord "erfopvolging" gebruikt. Daarbij
aansluitend hebben wij op de plaatsen
waar de Grondwet het woord "troonopvolger" gebruikt de thans reeds
in de artikelen 18 en 19 van de Grondwet
gebezigde term "opvolger"
overgenomen.
3.
De belangrijkste voorgestelde
wijzigingen
De
belangrijkste materiële wijzigingen die
bij dit wetsontwerp worden voorgesteld
en die bij de artikelsgewijze
toelichting nader worden besproken,
zijn:
a.
Het vervallen van de voorrang van zonen
boven dochters ten aanzien van de
erfopvolging (artikel
2.1.2 [25]).
b.
Het opnemen van de mogelijkheid dat in
uitzonderlijke omstandigheden bij een
wet één of meer personen van de
erfopvolging worden uitgesloten (artikel
2.1.6 [29]).
c.
Verhoging van de leeftijd waarop de
Koning kan aanvangen het koninklijk
gezag uit te oefenen, van 18 tot 21 jaar (artikel
2.1.10 [33]).
d.
Beperking van de gevallen waarin de
Raad van State het koninklijk gezag
uitoefent (artikel
2.1.15 [38]).
rblz.|4|
Artikelsgewijs
Artikel
II
Artikel
2.1.1 [24]
(artikel 15 staatscommissie)
De
huidige Grondwet
bepaalt in artikel 10 dat de Kroon der Nederlanden
blijvend is opgedragen aan Zijne
Majesteit Willem Frederik, Prins van
Oranje-Nassau, om door hem en zijn
wettige nakomelingen te worden bezeten.
Wij
hebben ons de vraag gesteld of het
binnen het kader van de herschrijving
van de bestaande Grondwet
nog wel
gewenst is te verwijzen naar Willem
Frederik, of dat het beter zou zijn de
formulering in de Grondwet aan te passen
aan die van artikel 1 van het Statuut,
krachtens hetwelk de kroon van het
koninkrijk erfelijk wordt gedragen door
Hare Majesteit Juliana, Prinses van
Oranje-Nassau, en bij opvolging door haar
wettige opvolgers. Wij zijn tot de
conclusie gekomen dat het, teneinde de
continuïteit van het koningschap van
het Huis van Oranje duidelijk tot
uitdrukking te brengen, de voorkeur
verdient in de onderhavige bepaling de
verwijzing naar de eerste Koning uit het
Huis van Oranje-Nassau te handhaven.
Naar ons oordeel is het wenselijk dit
duidelijker dan thans in de Grondwet het
geval is uit te drukken en wel door te
spreken van Koning Willem I.
Het
woord "nakomelingen" is in dit artikel
niet gebruikt, omdat het hier een
onjuist beeld zou geven. Er zijn tal van
wettige nakomelingen van Koning Willem
I, die echter door het bepaalde bij
artikel 2.1.2 [25]
van de opvolging zijn
uitgesloten. De term "wettige
opvolgers" verdient daarom hier de
voorkeur. Hiermee wordt gedoeld op
personen die volgens de grondwettelijke
bepalingen voor opvolging in aanmerking
komen.
Artikel
2.1.2 [25]
(artikel 16 staatscommissie)
In
dit artikel is de essentie van de
erfopvolging geregeld. Wij zijn van
oordeel dat er niet toe moet worden
overgegaan de regeling van de
erfopvolging geheel of gedeeltelijk aan
de wet over te laten of aan de wetgever
te delegeren. Het koningschap is
afgezien van het regentschap van
rechtswege het enige ambt in het
Nederlands staatsbestel waartoe in
beginsel de drager zonder benoeming
geroepen wordt. Dit brengt mee dat ten
aanzien van wie tot dit ambt zal komen
geen enkele twijfel dient te bestaan. In
de huidige grondwettelijke voorschriften
wordt de drager van de kroon
rechtstreeks aangewezen. De zekerheden
die dit stelsel geeft, dienen zoveel
mogelijk gehandhaafd te blijven en niet
te worden aangetast door overbrenging
van de erfopvolgingsbepalingen naar de
wet.
Sedert
de grondwetsherziening van 1963 bepaalt
artikel 11 van de Grondwet dat de
kroon bij erfopvolging overgaat op de
nakomelingen van de laatst overleden
Koning, waarbij zonen voorrang hebben
boven dochters en daarna het oudste kind
voorgaat met plaatsvervulling volgens
dezelfde regels; bij gebreke van
nakomelingen van de laatst overleden
Koning op gelijke wijze op de
nakomelingen eerst van zijn ouder, dan
van zijn grootouder in de lijn van
troonopvolging, voor zover de laatst
overleden Koning niet verder
bestaand dan in de derde graad van
bloedverwantschap.
Vóór
de grondwetsherziening van 1963 bestond
er een element van onzekerheid in de
regeling van de troonopvolging. Immers
vrouwen konden wel opvolgen, maar ten
aanzien van hun opvolgingsrechten was
geen plaatsvervulling mogelijk. In 1963
heeft men dit onderscheid geëlimineerd
door te kiezen voor volledige
plaatsvervulling. In de bepaling is
echter blijven staan dat zonen voorrang
hebben boven dochters. Voorgesteld wordt
dit in de regeling nog overgebleven
verschil in positie tussen mannen en
vrouwen te laten vervallen. Wij achten
dit een uitvloeisel van de meer en meer
in het publieke leven doorgedrongen en
ook in rechtsregels neergelegde
opvatting dat voor de vervulling van
ambten in beginsel geen verschil moet
worden gemaakt tussen mannen en vrouwen.
Aangesloten wordt bij de motie van
mevrouw Padt-Jansen,¹
die in de zitting van de Tweede Kamer
van 1970-1971 is aangenomen bij de
behandeling van het ontwerp van rijkswet
rblz.|5|
tot
goedkeuring van het Verdrag betreffende
de politieke rechten van de vrouw (Trb.
1968, 92; goedgekeurd bij Rijkswet van 29
april 1971, Stb. 1971, 282). De Tweede Kamer
sprak zich toen uit in deze zin dat bij
herziening van de Grondwet de
gelijkgerechtigdheid van mannen en
vrouwen bij erfopvolging in het
koningschap zou worden ingevoerd.
Daarvoor pleit ook dat de sinds 1963
door de Grondwet gehuldigde opvatting
dat het Huis van Oranje zich ook in de
vrouwelijke linie regerend voortzet,
aldus consequenter wordt uitgewerkt.
1.
Handelingen II 1970-1971, blz.
2780; Kamerstukken Il 1970-1971,10 478, nr. 9.
Artikel
2.1.3 [26]
(artikel 17 staatscommissie)
Het
in dit artikel bepaalde komt overeen
met het bepaalde in artikel 16 van de Grondwet. De tweede volzin is in
overeenstemming gebracht met de tweede
volzin van artikel 2 van het nieuwe Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel
2.1.4 [27] (artikel 18 staatscommissie)
In de
bestaande Grondwet
worden
in artikel 15 de gevolgen van het doen
van afstand van het koningschap met
betrekking tot de opvolging geregeld.
Wij
hebben ons bezonnen over de vraag of
het afstand doen van het koningschap
regeling in de Grondwet
behoeft of dat
zoals thans volstaan kan worden met een
voorziening in de gevolgen daarvan. Naar
ons oordeel behoeft deze materie geen
nadere voorziening in de Grondwet. De
Koning moet gerechtigd worden geacht
afstand te doen van het koningschap. In
het regelen van de gevolgen van het
afstand doen ligt dit impliciet
besloten. Anders oordelen wij omtrent
het afstand doen door een potentiële
troonopvolger van de verwachting van
het koningschap. Die bevoegdheid komt
hem naar onze mening niet toe. Ook staan
wij afwijzend tegenover de gedachte in
de Grondwet een bepaling op te nemen
die de mogelijkheid opent dat een
potentiële troonopvolger afstand doet
van de verwachting van het koningschap.
De
erfopvolging heeft een publiekrechtelijk
karakter; zij is een in het publiek
belang ingestelde en geregelde plicht
van het regerend vorstenhuis. Het
afstand doen van de verwachting van het
koningschap beïnvloedt de orde van
erfopvolging en is daarom een
aangelegenheid die in ieder geval niet
door de gerechtigde alléén beslist mag
worden.
Dat het afstand doen van het
koningschap zelf ook een persoonlijke
daad is, kan geen argument zijn voor het
opnemen van een dergelijke bepaling. Het
maakt een groot verschil of iemand
afstand kan doen van het koningschap in
een concrete situatie, waarbij alle
belangen tegen elkaar afgewogen kunnen
worden, dan wel of men van de
verwachting van het koningschap afstand
doet zonder te kunnen overzien wat deze
beslissing betekent op het wellicht veel
later vallende tijdstip dat het
koningschap zou openvallen. Uiteraard
kan men niemand dwingen een door hem
niet begeerd ambt op zich te nemen, maar
daarvan is ook geen sprake, aangezien
een opvolger zodra hij tot het
koningschap geroepen is, desgewenst
afstand kan doen. Wij achten het
ontbreken van de mogelijkheid om afstand
te doen van de verwachting van het
koningschap dan ook geen ongeoorloofde
beperking van de vrijheid der
potentiële erfopvolgers. Wij wijzen
hierbij ook op het voorgestelde artikel
2.1.6 [29], dat een oplossing kan
bieden
wanneer uitzonderlijke omstandigheden
ertoe nopen van de bepalingen omtrent de
erfopvolging af te wijken.
Met
de redactie van het voorgestelde artikel
2.1.4 [27], welke van die van de huidige
Grondwet afwijkt, wordt de juridische
gelijkstelling van afstand met
overlijden vermeden. Dit maakt het
noodzakelijk in het onderhavige voorstel
ook artikel 2.1.3 [26]
van overeenkomstige
toepassing te verklaren naast artikel
2.1.2 [25]. De staatscommissie beperkte zich
in haar voorstellen tot een verwijzing
naar het met het artikel 2.1.2 [25]
corresponderende artikel. De
voorgestelde wijziging van de redactie
van de staatscommissie houdt voor de
laatste volzin van het artikel in dat
de voor de afstand verwekte kinderen wel
voor opvolging in aanmerking komen.
Hiermede is aangesloten bij de huidige
grondwettelijke regeling. Het is voorts
wenselijk ook ten aanzien van de rblz.|6|
nakomelingen
van de na de afstand geboren kinderen
uitdrukkelijk te vermelden dat zij
uitgesloten zijn van de erfopvolging, teneinde
twijfel daaromtrent uit te
sluiten.
Een
soortgelijke regeling is vervat in
artikel 2.1.5 [28],
waarin de uitsluiting van
de erfopvolging als gevolg van een
buiten bij de wet verleende toestemming
aangegaan huwelijk wordt geregeld.
Artikel
2.1.5 [28]
(artikel 19 staatscommissie)
Terwijl generlei algemeen
vormvereiste
voor afstand in de Grondwet
is
voorgeschreven, wordt in dit artikel een
specifiek geval van afstand geregeld. De
materie waarop het onderhavige artikel
betrekking heeft, vindt thans in de Grondwet
regeling in artikel 17. In
afwijking van de huidige Grondwet wordt
in het eerste lid, overeenkomstig de tot
nu toe gevolgde gedragslijn, voor een
huwelijk van de Koning eveneens
toestemming bij de wet verlangd. Anders
dan in de Grondwet en in het
desbetreffende voorstel van de
staatscommissie zijn met het oog op de
duidelijkheid in het eerste lid de
gevolgen geregeld van een huwelijk door
de Koning aangegaan buiten bij de wet
verleende toestemming en daarna in het
tweede lid de gevolgen van een zodanig
huwelijk aangegaan door een potentiële
erfopvolger.
Verder
is in het eerste en tweede lid, evenals
in artikel 2.1.4 [27], de juridische
gelijkstelling van huwen buiten bij de
wet verleende toestemming met overlijden vermeden. Voor wat de Koning
betreft, is gekozen voor gelijkstelling
met het doen van afstand, waarvan de
gevolgen in artikel 2.1.4 [27]
duidelijk zijn
geregeld. In het derde lid van de
voorgestelde bepaling wordt voorts de
behandeling van een toestemmingswet
door de Staten-Generaal in de beide
kamers vervangen door een behandeling in
een verenigde vergadering.
Laatstgenoemde behandelingswijze lijkt
met het oog op de aard van de te nemen
beslissing meer geëigend.
Artikel
2.1.6 [29] (artikel 20 staatscommissie)
Van
1814 tot 1922 bevatte
de Grondwet een bepaling welke het mogelijk maakte
potentiële troonopvolgers van de troon
uit te sluiten dan wel ten aanzien van
hen een wijziging in de orde van
opvolging aan te brengen.
In 1922 stelde
de regering voor het artikel te
schrappen, omdat het aantal potentiële
troonopvolgers door de overige
regeringsvoorstellen tot wijziging van
de troonopvolging aanzienlijk werd
verminderd en de behoefte aan deze
bepaling daardoor gering werd. Ofschoon
tijdens de parlementaire behandeling de
mogelijkheid van troonopvolging weer
aanmerkelijk werd uitgebreid, werd het
artikel overeenkomstig het voorstel
geschrapt.
Wij
zijn met de meerderheid van de
staatscommissie van mening dat een
bepaling van deze aard wederom in de
Grondwet dient te worden opgenomen. Een
dergelijke bepaling kan moeilijk worden
gemist in een Grondwet waarin de Koning
door erfopvolging wordt aangewezen.
Langs de weg van grondwetswijziging kan
weliswaar een verandering in de
erfopvolging worden aangebracht, maar
er zijn gevallen denkbaar waarin het
reeds vanwege de tijd die een
grondwetsherziening vordert weinig
praktisch zou zijn die weg te volgen.
Bovendien leent de Grondwet zich niet
voor de regeling van een incidenteel
geval. Het verdient veeleer aanbeveling
nu, zonder dat aan bepaalde personen
behoeft te worden gedacht, een
voorziening in de Grondwet op te nemen,
dan te wachten tot een concreet geval
zich voordoet en dit dan tot inzet van
een grondwetsherziening te maken. Een
eenvoudige mogelijkheid een wijziging te
brengen in de vervulling van het
koningschap kent de huidige Grondwet
reeds in de artikelen 38 en 45,
krachtens welke de Koning en de regent
zo nodig buiten staat worden verklaard
het koninklijk gezag waar te nemen. Ten
aanzien van de potentiële opvolger kent
de Grondwet een dergelijke mogelijkheid
niet.
De
omstandigheid voorts dat de Grondwet de
erfopvolging tot in alle onderdelen op
voorhand regelt, vormt het krachtigste
argument om, wanneer uitzonderlijke
omstandigheden daartoe nopen, van de
eenmaal gestelde regels te kunnen
afwijken. De grondwetgever kan niet
voorzien welke complicaties uit de
door hem opgestelde regels kunnen
voortvloeien.
rblz.|7|
Een minderheid van de staatscommissie voert
als bezwaar aan dat een dergelijk
artikel een materiële wijziging van de Grondwet
mogelijk maakt en daarmede
inbreuk maakt op de in de Grondwet met
bijzondere waarborgen omklede
mogelijkheid zo nodig de Grondwet te
herzien. Juist met het oog op de in de
onderhavige bepaling genoemde bijzondere
omstandigheden voorziet de Grondwet in
de mogelijkheid van herziening, aldus
deze minderheid.
Wij
achten deze tegenwerping onvoldoende
gegrond. Ook de huidige Grondwet staat
in een aantal gevallen onder bepaalde
voorwaarden afwijking van haar
voorschriften toe (*1).
Niet
gevreesd behoeft te worden dat indien
ooit van een bepaling als deze gebruik
zou worden gemaakt, het besluit daartoe
niet weloverwogen zou worden genomen.
Zulks nog te minder nu de regeling op
het voetspoor van de tot 1922 bestaan
hebbende bepaling met waarborgen wordt
omringd. Zo wordt in het voorgestelde
artikel bepaald dat de regeling slechts
wordt toegepast als uitzonderlijke
omstandigheden daartoe nopen. Voorts
dient een voorstel tot afwijking van de
bepalingen omtrent de erfopvolging
aangenomen te worden met ten minste
twee derden van het aantal uitgebrachte
stemmen.
Met
het bovenstaande wordt tevens de in het
advies van de Ministers van Staat, dr.
W. Drees en prof. mr. P.J. Oud, van 1964
met betrekking tot de ministeriële
verantwoordelijkheid in aangelegenheden
van het Koninklijk Huis (*2) opgenomen
suggestie gevolgd om weer een bepaling
in de Grondwet
op te nemen die
verandering in de erfopvolging mogelijk
maakt.
Naar
aanleiding van deze suggestie hebben de
kabinetten-Marijnen en -Cals het
standpunt ingenomen dat dit vraagstuk
bij algehele grondwetsherziening nader
aan de orde zou kunnen komen (*3).
Ook van vele zijden in de Tweede Kamer
is bij behandeling van de nota-Marijnen
betreffende de ministeriële
verantwoordelijkheid (*4) erop
aangedrongen bij algehele
grondwetsherziening de invoering van een
bepaling als deze te overwegen (*5).
Intussen heeft het voorgestelde artikel
2.1.6 [29]
een beperktere strekking dan de
voorstellen van respectievelijk de
Ministers van Staat Drees en Oud en de
staatscommissie. Ingevolge het
voorliggende artikel kunnen, wanneer
uitzonderlijke omstandigheden daartoe
nopen, één of meer personen van de
erfopvolging worden uitgesloten, terwijl
de voorstellen van de Ministers van
Staat Drees en Oud en van de
staatscommissie daarnaast de
mogelijkheid inhouden om, zonder tot
uitsluiting van de erfopvolging over te
gaan, wijzigingen in de orde van
erfopvolging aan te brengen. Wij achten
deze laatste mogelijkheid minder in
overeenstemming met het uitzonderlijke
karakter van de gevallen waarvoor het
artikel is bedoeld. Deze figuur lijkt
ons ook daarom minder gelukkig omdat,
wanneer men overgaat tot wijziging van
de orde van erfopvolging zonder de
betreffende troonopvolger uit te
sluiten, vervolgens bepaald zou moeten
worden welke plaats in de orde van
erfopvolging deze wel zou dienen in te
nemen. Een dergelijke procedure kan tot
allerlei moeilijkheden leiden, welke
naar ons oordeel beter kunnen worden
voorkomen.
Wij zijn met de
staatscommissie en de Ministers van
Staat Drees en Oud van oordeel dat het
initiatief tot het treffen van een
voorziening voorbehouden dient te
blijven aan de regering. Het gaat hier
om een aangelegenheid waarbij diepgaand
overleg tussen Koning en ministers
vereist is. Ten aanzien van dit punt kan
voorts worden gewezen op de samenhang
met de regelingen inzake de benoeming
van een troonopvolger (artikel 18 van de
huidige Grondwet
en artikel 2.1.7 [30]
van
dit ontwerp) en de neerlegging van de
uitoefening van het koninklijk gezag
(artikel 43 van de Grondwet
en artikel
2.1.13 [36]
van dit ontwerp), waarin eveneens
wordt bepaald dat de desbetreffende
voorstellen door of vanwege de Koning
zullen worden ingediend.
Met een
bepaling als vervat in artikel 2.1.6 [29]
wordt beoogd algehele uitsluiting van
een erfopvolger mogelijk te maken,
waarbij evenwel de mogelijkheid open
dient te blijven dat de reeds geboren
kinderen van een uitgeslotene wel voor
de opvolging in aanmerking blijven
komen. Wij gaan ervan uit rblz.|8|
dat,
analoog aan de regeling bij afstand van
het koningschap, kinderen die na de
uitsluiting zijn geboren, tenzij
voordien verwekt, niet in aanmerking
komen voor de erfopvolging. Dit zal in
de wet, waarop dit artikel doelt, kunnen worden neergelegd.
Hoewel
wij van oordeel zijn dat het eenzijdig
prijsgeven door een potentiële
troonopvolger van zijn recht op
opvolging niet mogelijk dient te zijn,
zijn wij wel van mening dat een
bepaling als hier aan de orde de gelegenheid moet bieden met de wensen van een
troongerechtigde rekening te houden.
Een voorstel tot uitsluiting zal echter
slechts van de regering moeten kunnen
uitgaan. De enkele wens van een
troongerechtigde zal daarbij niet
beslissend kunnen zijn. Voorwaarde voor
de indiening van een wetsontwerp zal
zijn dat er uitzonderlijke
omstandigheden aanwezig zijn die met
het oog op het landsbelang tot een
voorziening nopen.
*1.
Bijvoorbeeld
artikel 82, derde lid, artikel 153,
vierde lid, artikel 206, eerste lid.
*2.
Kamerstukken
II 1964-1965, 7800, nr. 8.
*3.
Kamerstukken II 1964-1965, 7800, nr 7, en Kamerstukken II
1965-1966, 8316, nr. 4.
*4.
Kamerstukken II 1964-1965, 7800, nr. 7.
*5. Handelingen
II 1965-1966, blz. 1867 e.v.
Artikel
2.1.7 [30]
(artikel 21 staatscommissie)
In
dit artikel is geregeld op welke wijze
in de opvolging van een Koning moet
worden voorzien wanneer een opvolger
ontbreekt of vermoedelijk zal ontbreken.
Deze materie is in de bestaande Grondwet
geregeld in de artikelen 18 en
19. Deze artikelen schrijven voor dat de
Staten-Generaal in dubbelen getale
bijeenkomen om de wijze van
troonopvolging te behandelen.
Een
minderheid van vijf leden van de
staatscommissie is van mening dat het
voorgestelde artikel overbodig is en
dient te vervallen. In de hier bedoelde
situaties dient naar het oordeel van
deze minderheid overgegaan te worden
tot grondwetsherziening. Bovendien
hebben zij tegen een dergelijk artikel
het bezwaar dat daarbij naar hun
oordeel te veel wordt uitgegaan van het
blijven bestaan van een koningschap. Zij
zijn van mening dat het koningschap in
Nederland slechts berust op de
historisch gegroeide positie van het
Huis van Oranje. Mocht dit huis
uitsterven, dan moet naar hun oordeel
de kwestie monarchie of republiek geheel
open zijn.
Wij
zijn met de meerderheid van de
staatscommissie van oordeel dat het
onderhavige artikel niet overbodig is.
Handhaving van een regeling die de
mogelijkheid biedt een opvolger of Koning
te benoemen, is wenselijk vooral gezien
de historisch gegroeide positie van het
erfelijk koningschap in Nederland. In
beide leden wordt over een situatie
gehandeld waarin de bepalingen omtrent
de erfopvolging niet voorzien. Het is
enerzijds niet uitgesloten dat er in
zulke omstandigheden nog prinsen of
prinsessen uit het vorstenhuis aanwezig
zijn die de regerende of overleden
Koning in een verdere dan de derde graad
bestaan en wier aanwijzing wellicht als
natuurlijk zal worden ervaren.
Anderzijds dwingt het artikel niet tot
een keuze, doordat de terminologie
openlaat wat dient te geschieden
wanneer het wetsontwerp niet wordt
aangenomen of een voorstel tot
koningskeuze in het geheel niet wordt
gedaan.
Voor
situaties als die waaraan hier wordt
gedacht, lijkt de procedure van
grondwetsherziening een te omslachtig
instrument. De beslissing of een
opvolger zal worden benoemd, zou dan in
twee lezingen moeten worden genomen,
terwijl daartussen kamerontbinding
plaatsvindt. Dit brengt mee dat een in
eerste lezing genomen beslissing wel
eens niet zou kunnen overeenstemmen met
de daarna gedane uitspraak van de
kiezers, welke de beslissing in tweede
lezing beïnvloedt. Indien dan in tweede
lezing het voorstel tot
grondwetsherziening zou worden
verworpen, zou opnieuw een voorstel
moeten worden ingediend, dat de voor een
grondwetsherziening voorgeschreven
procedure zou moeten volgen. Onze
conclusie is dan ook dat een speciaal
grondwetsartikel niet mag ontbreken.
Wat
de inhoud van het artikel betreft,
stellen wij met de grootst mogelijke
meerderheid van de staatscommissie
voorop dat zo gewichtige beslissingen
als die van het benoemen van een Koning
en, a fortiori, die omtrent het
voortbestaan van de monarchie niet
buiten de kiezers om dienen te
geschieden. De grondwettelijke regeling
zal mitsdien voor beide gevallen moeten
inhouden: verkiezingen, beraadslaging in
verenigde vergadering en - gezien
het grote gewicht van deze zaak -
beslissing met een twee derde meerderheid.
rblz.|9|
Met
de staatscommissie wijzen wij zowel
behandeling van de onderhavige materie
door een daartoe apart te verkiezen
kamer als een referendum ter zake van de
hand. De mogelijkheid is daarbij
namelijk niet uitgesloten dat de
genomen beslissingen in strijd komen met
het gevoelen der zittende kamers. Dit
zou tot een zeer onwenselijke situatie
leiden. De staatscommissie is verdeeld
over de vraag of aan verdubbeling der
kamers dan wel aan ontbinding de
voorkeur moet worden gegeven. De
meerderheid van de staatscommissie heeft
gekozen voor verdubbeling der kamers,
zoals thans in de Grondwet
is
voorgeschreven.
Dit
heeft het voordeel, aldus de
meerderheid, dat de zittende kamers
kunnen blijven functioneren en dat
niet, zoals bij het optreden van nieuwe
kamers waarschijnlijk zou zijn, een
wisseling van kabinet behoeft plaats te
hebben. Vooral in situaties als die
waarop het artikel het oog heeft, zou
dit zeer ongewenst kunnen zijn.
Bovendien is de meerderheid van mening
dat op deze wijze beter rekening kan
worden gehouden met de mogelijkheid dat
de scheidslijn van voor- en
tegenstanders van een bepaalde keuze
door de politieke partijen heenloopt.
Daarom acht zij het ook minder juist de
kiezer tegelijk over deze zeer
bijzondere kwestie én over de normale
politieke programmapunten een
uitspraak te vragen.
Een
minderheid van zeven leden van de
commissie verklaart zich voor ontbinding
van de kamers en verkiezing van nieuwe
Staten-Generaal. Evenals bij het
optreden van een speciaal te verkiezen
kamer en bij een referendum acht zij
bij verdubbeling van de kamers de
mogelijkheid niet uitgesloten dat de
genomen beslissing in strijd komt met
het gevoelen der zittende kamers.
Bij
ons heeft de afweging van voor- en
nadelen geleid tot een keuze voor
ontbinding van de beide kamers der
Staten-Generaal. Het bestaande systeem
van verdubbeling van de kamers heeft
enerzijds het nadeel dat er mogelijk
een beslissing tot stand komt die niet
overeenkomt met het gevoelen van de
meerderheid van de juist met het oog op
deze beslissing nieuw gekozen leden. Het
effect van de beoogde uitspraak van de
kiezers wordt daardoor gefrustreerd.
Verdubbeling
van de kamers kan anderzijds ook
meebrengen, zoals de minderheid van de
staatscommissie terecht opmerkt, dat aan
de zittende kamers een beslissing wordt
opgedrongen die strijdt met hun
gevoelen. Dit risico is onwenselijk,
omdat de zittende kamers tijdens hun
verdere zittingsperiode worden
geconfronteerd met de gevolgen van de
genomen beslissing. Zo zouden
bijvoorbeeld complicaties kunnen rijzen
indien de zittende kamers voorstellen
tot grondwetsherziening voorgelegd
zouden krijgen strekkende tot
afschaffing van het koningschap, nadat
de dubbele kamers tegen het gevoelen van
de zittende in hebben afgezien van de
benoeming van een opvolger of Koning.
Het is denkbaar dat in dat geval de
voorstellen tot grondwetsherziening in
eerste lezing worden verworpen.
Dergelijke complicaties worden bij een
beslissing door nieuw gekozen kamers
voorkomen.
Een
belangrijk argument ten gunste van
kamerontbinding is ook dat een besluit
omtrent de benoeming van een Koning niet
losgekoppeld dient te worden van het
voeren van het algemeen staatkundig
beleid dat mede door de Staten-Generaal
wordt bepaald. Van de na ontbinding
nieuw gekozen Staten-Generaal mag eerder
verwacht worden dat zij bij hun
beslissing rekening houden met de
aspecten van het algemeen staatkundig
beleid. Juist is ook dat de nieuw
gekozenen zelf te maken krijgen met de
staatkundige gevolgen van het door hen
genomen besluit omtrent de benoeming van
een Koning.
De overweging dat een besluit omtrent de
benoeming van een Koning niet dient te
worden genomen buiten de het algemeen
staatkundig beleid medebepalende
Staten-Generaal om is tevens een
argument waarom wij instelling van een
aparte kamer en een referendum ter zake
afwijzen. De meerderheid van de
staatscommissie ziet als voordeel van
verdubbeling van de kamers onder meer
dat geen wisseling van kabinet behoeft
plaats te vinden.
rblz.|10|
Wij
achten de stelling juist dat op het
moment van verdubbeling van de kamers
geen wisseling van kabinet behoeft
plaats te vinden. Het is echter niet
uitgesloten dat in een later stadium,
als de verdubbelde kamers zich hebben
uitgesproken, wel tot kabinetsformatie,
voorafgegaan door kamerontbinding, moet
worden overgegaan, omdat het zittende
kabinet geen verantwoordelijkheid wil
dragen voor de beslissing der kamers of
omdat de zittende kamers de gevolgen
van de genomen beslissing niet voor hun
rekening willen nemen. De mogelijkheid
dat deze gang van zaken zich voordoet, is
een argument te meer om te kiezen voor
ontbinding der kamers alvorens het
besluit omtrent de benoeming van een
Koning wordt genomen. Hetgeen de
meerderheid van de staatscommissie als
voordeel ziet van het door haar
voorgestane systeem kan later in een
nadeel komen te verkeren.
Volledigheidshalve
verdient echter opmerking dat
ontbinding der kamers ingevolge het
onderhavige artikel, niet in alle
gevallen gepaard behoeft te gaan met een
wisseling van het kabinet. Of tot
vorming van een nieuw kabinet wordt
overgegaan, lijkt afhankelijk van de
omstandigheden op het moment van
kamerontbinding en verkiezing der nieuwe
kamers. Het is bijvoorbeeld denkbaar
dat een zo grote mate van eensgezindheid
bestaat over de benoeming van een
opvolger dat geen belangrijke wijziging
is gebracht in de politieke
samenstelling van de kamer, zodat het
niet zinvol is tot de formatie van een
nieuw kabinet over te gaan met al de
zwaarwegende politieke implicaties die
daar in het algemeen aan zijn verbonden.
Het
tweede lid van het voorstel van de
staatscommissie voorziet niet in het
besluiten omtrent de benoeming van een
opvolger wanneer deze zou ontbreken
bij afstand van het koningschap. In de
onderhavige tekst is daarin wel
voorzien.
In
het tweede lid is voorts een termijn
genoemd van vier maanden waarbinnen de
Staten-Generaal na het overlijden of de
afstand van de Koning bijeen dienen te
komen. Het noemen van een termijn is
gewenst teneinde langdurige onzekerheid
omtrent de opvolging te vermijden. Met
het oog op de te houden verkiezingen is,
evenals in de huidige Grondwet, gekozen
voor een termijn van vier maanden.
Opgemerkt dient te worden dat binnen of
na de bedoelde vier maanden een kind
dat als ongeboren vrucht reeds als
opvolger werd beschouwd, dood ter
wereld kan komen. Het wordt dan geacht
nooit te hebben bestaan. Wij hebben het
niet nodig geacht een voorziening op te
nemen waarin zou worden aangegeven
vanaf welke datum in dit bijzonder
geval de termijn van vier maanden in
acht zou dienen te worden genomen. De
termijn zal dan geacht kunnen worden te
lopen vanaf de dag waarop het kind dood
ter wereld is gekomen.
In
navolging van de staatscommissie wordt
in het eerste lid niet meer gesproken
van "bijeenroepen van de
Staten-Generaal". Anders dan de
staatscommissie hebben wij deze lijn
ook doorgetrokken naar het tweede lid.
In
overeenstemming met de huidige Grondwet
is in het tweede lid geen bepaling
opgenomen waaruit zou blijken door wie
een voorstel inzake het al of niet
benoemen van een Koning moet worden
gedaan. Wij gaan ervan uit dat zowel
vanwege de regering als vanuit de
Staten-Generaal een voorstel kan worden
ingediend.
Voor
wat het eerste lid betreft, merken wij
nog het volgende op. Het spreekt vanzelf
dat, mocht na de benoeming van een
opvolger een situatie ontstaan waardoor
alsnog een troonopvolger volgens de
normale regels van de erfopvolging zou
kunnen optreden, de benoemde opvolger
voor deze dient te wijken. Te denken is
aan een nakomeling uit een door de
Koning na de benoeming gesloten
huwelijk.
Artikel
2.1.8 [31]
(artikel 22 staatscommissie)
De
huidige Grondwet
bepaalt in artikel 20 dat een Koning ingevolge benoeming
tot de Kroon geroepen, voor de
erfopvolging in de plaats komt van Zijne
Majesteit Willem Frederik, Prins van
Oranje-Nassau. De staatscommissie stelt
voor te bepalen dat de bepalingen
omtrent de erfopvolging van
overeenkomstige toepassing zijn op een rblz.|11|
benoemde
opvolger en zijn nakomelingen. In het
artikel opgenomen in het onderhavige
wetsontwerp is dit voorstel ten aanzien
van de benoemde Koning niet gevolgd. Uit
de formulering van de artikelen 2.1.1
tot en met 2.1.5 [24-28]
vloeit reeds voort dat
deze regels van toepassing zijn. Wel is
het nodig te bepalen dat - in afwijking
van deze regels - de benoemde Koning
slechts kan worden opgevolgd door zijn
wettige nakomelingen en dus niet
bijvoorbeeld door zijn broers en
zusters. Op de benoemde opvolger, die
nog geen Koning is, dienen de
erfopvolgingsregels wel uitdrukkelijk
van toepassing te worden verklaard,
omdat de toepassing op hem niet
voortvloeit uit de hierboven vermelde
artikelen. Dit is tot uitdrukking
gebracht in het tweede lid. Door tevens
het eerste lid van overeenkomstige
toepassing te verklaren, wordt bereikt
dat alleen de wettige nakomelingen van
de benoemde opvolger voor erfopvolging
in aanmerking komen.
Artikel
2.1.9 [32] (artikel 23 staatscommissie)
De Grondwet
regelt de inhuldiging van
de Koning in de artikelen 52, 53 en 54.
Artikel 52 bepaalt dat de Koning, de
regering aanvaard hebbende, zodra
mogelijk plechtig wordt beëdigd en
ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in
een openbare en verenigde vergadering
der Staten-Generaal. De artikelen 53 en
54 bevatten respectievelijk de tekst van
de eed of belofte door de Koning af te
leggen op de Grondwet
en de tekst van de
verklaring, uit te spreken door de
voorzitter van de verenigde vergadering
der Staten-Generaal, die door hem en elk
der leden dient te worden "beëdigd of
bevestigd".
De
staatscommissie stelt voor te bepalen
dat de Koning wordt beëdigd en
ingehuldigd in Amsterdam in een openbare
verenigde vergadering van de
Staten-Generaal en dat hij trouw aan de
Grondwet zweert of belooft. Zij acht het
niet noodzakelijk het eedsformulier in
extenso op te nemen.
Wij
hebben anders dan de staatscommissie tot
uitdrukking gebracht dat een Koning
eerst beëdigd en ingehuldigd wordt
wanneer hij de uitoefening van het
koninklijk gezag heeft aangevangen.
Hiermee komt in samenhang met artikel
2.1.10 [33]
beter tot uiting dat het artikel
niet van toepassing is op een Koning
die de leeftijd van 21 jaar
nog niet heeft bereikt.
De
door de huidige Grondwet gebruikte term
"aanvaarden" hebben wij vermeden,
teneinde niet het misverstand op te
roepen
alsof een bijzondere daad van
aanvaarding noodzakelijk is alvorens de
Koning zijn bevoegdheden kan gaan
uitoefenen.
Wel
achten wij het in navolging van de
huidige Grondwet wenselijk te bepalen
dat de beëdiging en inhuldiging "zodra
mogelijk" plaatsvindt. Aldus wordt
aangegeven dat het tijdsverloop tussen
de aanvang van de uitoefening van het
koninklijk gezag en de beëdiging en
inhuldiging waarin een bevestiging is
gelegen van die uitoefening kort dient
te zijn.
In navolging van de meerderheid
van de staatscommissie hebben wij de
handhaving van de vermelding van
Amsterdam in de Grondwet wenselijk
geoordeeld. Dit oordeel is gebaseerd op
de overweging dat na schrapping het in
geval van troonopvolging zou kunnen
komen tot onwenselijke
meningsverschillen omtrent de plaats
waar de beëdiging en inhuldiging zou
dienen plaats te vinden. Hiermee zou de
traditionele positie van Amsterdam op
dit punt kunnen worden aangetast,
terwijl zulks voorts tot onvruchtbare
discussies aanleiding zou kunnen geven
omtrent de positie van Amsterdam als
hoofdstad van het land. Mede om dit te
vermijden, achten wij het bovendien
aanbevelenswaard, zoals dit ook het
geval was in de Grondwet van 1814,
Amsterdam als hoofdstad te vermelden.
Met
de staatscommissie achten wij het niet
noodzakelijk dat de Grondwet de
letterlijke inhoud van de eed of belofte
bevat. Wel is het wenselijk dat de
zakelijke inhoud van de eed of belofte
in de Grondwet wordt opgenomen. De
nadere regeling ervan kan aan de
wetgever worden overgelaten. De
staatscommissie stelt voor in de
herziene Grondwet alleen voor te
schrijven dat de Koning de eed of
belofte van trouw aan de Grondwet
aflegt.
Behalve
de eed of belofte van trouw aan de
Grondwet bevat het in artikel 53 van de
huidige Grondwet
neergelegde
eedsformulier nog andere eden of
beloften welke door de nieuw optredende
Koning dienen te worden afgelegd. rblz.|12|
Wij achten het zinvol om de essentie van
deze eden of beloften ook in de herziene
Grondwet op te nemen. Daarom hebben wij,
anders dan de staatscommissie, in
artikel 2.1.9 [32]
voorgesteld te bepalen
dat de Koning naast de eed of belofte
van trouw aan de Grondwet een getrouwe
vervulling van zijn ambt zweert of
belooft.¹
Ten
aanzien van een eed of belofte van trouw
aan het Statuut
merken wij nog op dat
hoewel het Statuut daaromtrent, anders
dan voor ministers en leden van de
Staten-Generaal, geen uitdrukkelijke
bepaling inhoudt, de Koning trouw aan
het Statuut kan zweren of beloven. Het
spreekt vanzelf dat bedoelde eed of
belofte kan worden afgelegd ook zonder
dat daartoe een statutaire verplichting
bestaat.
1.
Met
betrekking tot de gebezigde terminologie is aansluiting gezocht bij
hetgeen in het voorgestelde artikel
2.2.8 [49]
ten aanzien van de beëdiging van
de ministers en de staatssecretarissen
wordt bepaald.
Artikel
2.1.10 [33]
(artikel 24, eerste lid,
staatscommissie)
De staatscommissie
heeft overwogen of de in artikel 31 van
de Grondwet
genoemde leeftijd van 18 jaar, waarop de Koning
meerderjarig is, verhoogd dient te
worden. Zij heeft afgezien van een
voorstel tot verhoging, omdat dit zou
leiden tot een verlenging van een
eventueel regentschap. Het leek de
commissie niet gewenst de normale
constitutionele verhoudingen langer te
onderbreken dan strikt noodzakelijk is.
Voorts merkte de commissie op dat de
tendens nu eerder is de leeftijdsgrens
voor het bereiken van de
meerderjarigheid te verlagen dan te
verhogen. Ook uit dien hoofde leek het
de commissie raadzaam de in de Grondwet
genoemde leeftijd te handhaven.
Wij
stemmen in met het oordeel van de
staatscommissie dat verhoging van de
leeftijdsgrens waarop de Koning de
meerderjarigheid bereikt achterwege
dient te blijven. In het licht van het
voornemen van de regering om te komen
tot wijziging van het Burgerlijk
Wetboek strekkende tot verlaging tot
18 jaar van de leeftijd waarop in
het algemeen de burgerrechtelijke
meerderjarigheid aanvangt,¹
zou een dergelijke verhoging niet
passen. Bij verlaging van de algemene
meerderjarigheidsleeftijd ligt het voor
de hand de speciale bepaling betreffende
de meerderjarigheid, zoals thans in
artikel 31 van de Grondwet
neergelegd,
te laten vervallen.
Zouden
wij dus niet willen overgaan tot
verhoging van de leeftijd waarop de
Koning meerderjarig wordt, anders denken
wij over de hiervan losstaande vraag
of de leeftijd waarop de Koning kan
aanvangen het koninklijk gezag uit te
oefenen, verhoogd dient te worden. De
uitoefening van dat ambt is van een
dergelijke zwaarte dat iemand die nog
slechts 18 jaar is daarmede naar
ons oordeel niet belast dient te worden.
Het belang van de persoon van de
troonopvolger en van de staat zou met
verhoging van deze leeftijd zijn
gediend. Niet in alle gevallen is immers
te verwachten dat een achttienjarige
voldoende is opgewassen tegen de
verantwoordelijkheden aan het ambt van
Koning verbonden.
De
aandacht verdient ook dat voor een
groot aantal ambten een hogere
leeftijdsgrens gesteld wordt dan voor de
hoogste functie in Nederland. Ook bij
vele ambten waarvoor geen wettelijke
minimumleeftijd geldt, is benoeming van
een achttienjarige welhaast uitgesloten
te achten.
Waar
het gaat om ambten waarvoor men gekozen
of benoemd wordt, stelt voorts de
betrokkene zichzelf benoembaar of
beschikbaar. Aan de andere kant maken
zij die benoemen of verkiezen uit of
zij de betrokkene voor het betreffende
ambt geschikt achten. Bij het
koningschap gaat het echter niet om een
zich beschikbaar stellen of om een
benoeming of verkiezing. Krachtens de
regels van erfopvolging is de
troonopvolger voorbestemd Koning te
worden. Bij het stellen van een
aanvangsleeftijd voor het uitoefenen van
het koninklijk gezag dient ook dit in de
beschouwingen te worden betrokken. Het
belang van de persoon van de toekomstige
Koning en het belang van de Staat leiden
ons tot het oordeel dat een verhoging
van de leeftijdsgrens waarop de Koning
het koninklijk gezag gaat uitoefenen,
gewenst is. Wij sluiten ons hiermede
aan bij de staatscommissie van 1950 tot
herziening van de Grondwet (staatscommissie-Van
Schaik), die reeds 25 jaar
geleden op grond van de ingewikkelde
maatschappelijke verhoudingen van mening
was dat verhoging van de
leeftijdsgrens vereist was. De commissie
rblz.|13|
bracht
advies uit over deze aangelegenheid op
speciaal verzoek van de regering,
waarbij haar verzocht werd in de
beschouwingen te betrekken het in 1952
ingediende voorstel tot
grondwetswijziging inhoudende een
verhoging van de meerderjarigheidsgrens
voor de Koning tot 21 jaar,
met de mogelijkheid echter om
incidenteel bij wet de grens te stellen
op 18 jaar. Het uitgebrachte
voorlopig verslag, waarvoor de regering
tevens de aandacht van de commissie
vroeg, bevatte bezwaren tegen dit
voorstel die zich met name richtten
tegen de vergrote kansen op een verlengd
regentschap en tegen de mogelijkheid van
incidentele afwijking. De commissie
stelde voor de leeftijdsgrens te bepalen
op 21 jaar zonder de
mogelijkheid te bieden bij wet de grens
op 18 jaar te stellen. De regering heeft destijds aan dit advies
geen gevolg gegeven. In 1955 werd het
wetsontwerp ingetrokken.
Naar
onze mening dient te worden bepaald dat
de Koning niet vóór zijn 21ste jaar zijn functie kan uitoefenen. De
verlenging van een eventueel regentschap
vanwege een dergelijke verhoging achten
wij aanvaardbaar, gezien de overwegend
positieve aspecten van de voorgestelde
verhoging.
Een
grondwetswijziging in bovenstaande zin
zal, eveneens in aansluiting op het
voorstel van de staatscommissie-Van
Schaik, resulteren in het schrappen van
de bepalingen over de meerderjarigheid
van de Koning en van de vermoedelijke
troonopvolger in geval van regentschap.
Voorts zal de uitoefening van het
koninklijk gezag door een regent dienen
te worden verbonden aan het nog niet
bereikt hebben door de Koning van de
leeftijd van 21 jaar in plaats
van aan diens minderjarigheid.
Realisering
van het voorstel brengt ook met zich dat
de leeftijdsgrens waarop de
vermoedelijke opvolger van rechtswege
regent kan worden, verhoogd wordt tot 21
jaar. In het onderhavige
artikel is dienaangaande geen bepaling
opgenomen. Artikel 2.1.14 [37], dat het
regentschap betreft, bevat daaromtrent
een voorschrift.
Ten
slotte merken wij nog op dat wij, voor
het geval dat op het ogenblik van de
inwerkingtreding van de herziene
Grondwet de leeftijd waarop de wet in
het algemeen de minderjarigheid doet
eindigen nog niet is verlaagd tot 18 jaar, geen aparte voorziening
nodig achten om, zoals thans het geval
is, in afwijking van de algemene regel
te bepalen dat de Koning op 18 jaar meerderjarig is. Een dergelijke
voorziening is niet nodig, omdat in
artikel 2.1.10 [33]
wordt voorgesteld dat de
Koning eerst het koninklijk gezag
uitoefent nadat hij de leeftijd van 21 jaar en niet, zoals thans,
nadat hij de leeftijd van 18 jaar
heeft bereikt.
1. Kamerstukken
II 1978-1979, 15 417, nrs. 1-3.
Artikel
2.1.11 [34]
(artikel 24, tweede lid,
staatscommissie)
Het voorgestelde
artikel omvat de bepalingen inzake de
voogdij van de minderjarige Koning,
welke materie thans geregeld is in de
artikelen 32, 33, 34 en 50 van de Grondwet.
De
in het artikel vereiste wet die de
voorziening in de voogdij van de
minderjarige Koning regelt, kan tevens
regels stellen zoals thans voorkomen in
de artikelen 32-34 en 50 van de Grondwet. Het komt, gezien het karakter
van de voogdij, vanzelfsprekend voor
dat bij de voorbereiding van de wet tot
benoeming van een voogd enige naaste
familieleden van de minderjarige Koning
worden betrokken.
Wij
zijn van oordeel dat hier, anders dan in
de artikelen 2.1.9 [32]
en 2.1.14 [37], omtrent
het afleggen van een eed of belofte een
grondwettelijk voorschrift achterwege
kan blijven. Bij de voogdij gaat het
niet zozeer om een staatsrechtelijke
als wel om een burgerrechtelijke
aangelegenheid. Overigens sluit het
achterwege laten van een grondwettelijke
regeling een wettelijke voorziening ter
zake niet uit.
Artikel
2.1.12 [35]
(artikel 27 staatscommissie)
Het
geval dat de Koning buiten staat
is het koninklijk gezag uit te oefenen,
vindt in de bestaande Grondwet
uitvoerig
regeling. Artikel 35 regelt het toezicht
over zijn persoon. In de rblz.|14|
artikelen
38, tweede lid, 39 en 40 is de procedure
van het buiten staat verklaren
neergelegd. De artikelen 48, 49 en 51
geven aan hoe de Koning het koninklijk
gezag weer kan uitoefenen.
Door
de onderhavige materie in één artikel
onder te brengen, zoals wordt
voorgesteld, wordt een aanzienlijke
vereenvoudiging bereikt. In het eerste
lid is het voorschrift gehandhaafd dat
het advies van de
Raad van State door de
ministerraad dient te worden ingewonnen.
Wij zijn van oordeel dat dit advies in
ieder geval dient te worden overgelegd.
In
het tweede lid is in navolging van
artikel 40 van de Grondwet
doch
duidelijker dan in het voorstel van de
staatscommissie tot uitdrukking gebracht
dat het de Staten-Generaal zijn die de
Koning buiten staat verklaren. De
redactie van het voorstel van de
staatscommissie wekt het misverstand
dat de Staten-Generaal zich beperken tot
de verklaring dat zij het oordeel van
de ministerraad delen.
In
het derde lid is in afwijking van de
bestaande Grondwet en van het voorstel
van de staatscommissie bepaald dat bij
de wet wordt verklaard dat de Koning
weer in staat is het koninklijk gezag
uit te oefenen. De huidige Grondwet
bepaalt sinds 1887 dat de verklaring
door de Staten-Generaal wordt gegeven,
hetzij op voorstel van degene die het
koninklijk gezag waarneemt, hetzij op
voorstel van ten minste 20 leden van de
Staten-Generaal. De ratio van het ook
toekennen van het initiatief tot het
doen van de verklaring aan een aantal
leden van de Staten-Generaal was hierin
gelegen dat men niet alleen op de
medewerking van de regent aangewezen
wilde zijn, omdat diens bijzondere
belangen zich wel eens zouden kunnen
verzetten tegen het herstel van het
gezag van de Koning. Om deze reden werd
het volgen van de wetsprocedure, die
sinds 1848 was voorgeschreven, als
onwenselijk gezien.
Naar
ons oordeel is het niet juist af te
wijken van de wetsprocedure. Anders dan
ten aanzien van de buitenstaatverklaring, waarbij van de
normale weg moet worden afgeweken omdat
de Koning niet in staat is het
koninklijk gezag uit te oefenen, kan in
het onderhavige geval de normale
procedure weer worden gevolgd, omdat
iemand aanwezig is die het koninklijk
gezag uitoefent. Voorts lijkt er geen
reden te zijn om bij de "instaatverklaring"
de ministerraad en de Raad van State
buiten beschouwing te laten, terwijl
deze instanties bij de
buitenstaatverklaring wel worden
ingeschakeld. De wetsprocedure voorziet
in het inschakelen van de betreffende
instanties. Deze procedure laat voorts
ruimte voor het initiatiefrecht van de
Staten-Generaal. Wij zien geen
aanleiding om zoals de huidige Grondwet
en de staatscommissie hebben gedaan ten
aanzien van het aantal initiatiefnemers,
andere vereisten voor het initiatief te
stellen dan die welke in het algemeen
gelden.
Ingevolge
het vierde lid regelt de wet zo nodig
het toezicht over de persoon van de
Koning indien hij buiten staat is
verklaard het koninklijk gezag uit te
oefenen. Ook over een zodanig
wetsvoorstel beraadslagen en besluiten
de Staten-Generaal in verenigde
vergadering. Overeenkomstig het advies
van de staatscommissie wordt voor de
regeling van het toezicht op de persoon
van de Koning die buiten staat is
verklaard niet meer verwezen naar de
voorschriften omtrent de voogdij van de
minderjarige Koning, zoals de huidige Grondwet
in artikel 35 doet. Wij achten
een dergelijke koppeling minder op haar
plaats. Evenals bij de voogdij van de
minderjarige Koning kan een
grondwettelijk voorschrift omtrent af te
leggen eden of beloften achterwege
blijven.
Artikel
2.1.13 [36]
(artikel 28 staatscommissie)
De
huidige Grondwet
geeft in artikel 43
regels inzake de bevoegdheid van de
Koning de uitoefening van het koninklijk
gezag tijdelijk neer te leggen. De
neerlegging geschiedt krachtens een wet
waarvan het ontwerp door of vanwege hem
is voorgedragen. Evenals in artikel 43
van de huidige Grondwet
is in het
voorgestelde artikel het recht van
initiatief tot het doen van dergelijke
voorstellen door de Staten-Generaal
uitgesloten.
Het
ontwerp van de staatscommissie bepaalt
dat het koninklijk gezag "geheel of
gedeeltelijk" kan worden neergelegd. In
het voorgestelde artikel hebben wij de
mogelijkheid van een gedeeltelijke
neerlegging van het koninklijk rblz.|15|
gezag
niet overgenomen. In de praktijk heeft
aan een dergelijke mogelijkheid nimmer
behoefte bestaan en wij geloven niet dat
dit in de toekomst anders zou zijn.
Daarbij komt nog dat competentiekwesties
kunnen rijzen als het koninklijk gezag
mede door een regent zou worden
uitgeoefend.
Anders
dan de huidige Grondwet
bevat het
voorgestelde artikel ook een regeling
omtrent de hervatting van de uitoefening
van het koninklijk gezag. De
staatscommissie stelde voor de
hervatting te doen plaatsvinden bij
koninklijk besluit. Wij zien echter geen
aanleiding om voor de neerlegging en de
hervatting verschillende procedures te
volgen. In beide gevallen is het gewenst
de Staten-Generaal in te schakelen. De
wetsprocedure is daarvoor de meest
geëigende. Voor beide gevallen wordt
daardoor overigens ook aangesloten bij
de bestaande praktijk. Zo legde Koningin
Wilhelmina in 1948 het koninklijk gezag
neer en hervatte zij het krachtens één
wet, die de neerlegging en de
hervatting zelf aan een koninklijk
besluit overliet. De voorgestelde
redactie laat ruimte voor een dergelijke
regeling bij wet en daarop gegronde
koninklijke besluiten. Met de
meerderheid van de staatscommissie zijn
wij van mening dat, zoals in 1948
gebeurde, ook het besluit tot hervatting van de uitoefening van het
koninklijk gezag gecontrasigneerd dient
te worden.
Artikel
2.1.14 [37]
(artikel 25 staatscommissie)
De huidige Grondwet
bepaalt in de
artikelen 36, 38, eerste lid, en 43,
eerste zin, wanneer het koninklijk gezag
wordt waargenomen door een regent.
Hiermede
komen overeen het eerste lid, onderdeel a,
c en d, van het voorgestelde artikel. In
aansluiting op het bepaalde in artikel
2.1.10 [33]
wordt in het onder a gestelde niet
meer gesproken van de minderjarigheid,
maar van het niet bereikt hebben van de
eenentwintigjarige leeftijd. Voor het
onder b genoemde geval, namelijk dat een nog
niet geboren kind tot het koningschap
geroepen kan zijn, volgt uit artikel 46
van de bestaande Grondwet dat het
koninklijk gezag wordt waargenomen door
de
Raad van State. Aangezien de
onzekerheid met betrekking tot de
erfopvolging in het onderhavige geval
een betrekkelijk lange periode kan
duren, hebben wij tegen deze bepaling in
haar algemeenheid bezwaar. Het optreden
van de Raad van State, het koninklijk
gezag uitoefenende, moet onzes inziens
beperkt blijven tot slechts korte
perioden waarin troonopvolger of
regent ontbreekt dan wel niet kan
optreden. Deze opvatting is ook
neergelegd in de bestaande Grondwet; zij
ligt ten grondslag aan het laatste lid
van artikel 46. Wij zijn echter van
mening dat voor het bovengenoemde
geval de bestaande tekst de grenzen niet
eng genoeg trekt. Ook in geval van
onzekerheid der troonopvolging doordat
een nog niet geboren kind tot de
opvolging van de overleden Koning kan
zijn geroepen, verdient het de voorkeur
dat het koninklijk gezag wordt
uitgeoefend door een regent.
In
het eerste lid, onderdeel e, wordt in
afwijking van de bestaande Grondwet
voorgesteld dat het koninklijk gezag
eveneens door een regent wordt
uitgeoefend in het geval dat bij
overlijden van de Koning de
troonopvolger ontbreekt. Ook in dit
geval geldt dat het niet wenselijk is
dat het koninklijk gezag voor lange tijd
door de Raad van State zou worden
uitgeoefend.
De
formulering van de onderhavige bepaling
is in afwijking van het voorstel van de
staatscommissie niet facultatief
geredigeerd. Er is geen bijzondere
reden aan te geven waarom in de vier
overige gevallen, met name geldt dit
voor het bepaalde onder b, het optreden
van een regent zou moeten worden
voorgeschreven en waarom zulks
facultatief zou moeten zijn in het geval van het ontbreken van een
opvolger na het overlijden van de
Koning. Deze overweging heeft er tevens
toe geleid deze bepaling niet in een
apart lid op te nemen, doch in het
eerste lid tezamen met de overige
gevallen waarin een regent optreedt. In
de bepaling onder b is voorts impliciet
en in het onder e bepaalde met zoveel
woorden tot uitdrukking gebracht dat de
regent optreedt zowel na overlijden van
de Koning als na afstand van het
koningschap. Hiermee is in een leemte
voorzien welke besloten ligt in de
redactie van de staatscommissie. Die
redactie heeft slechts het oog op een
regentschap na het overlijden van de Koning.
rblz.|16|
Het
tweede lid treedt in de plaats van de
bestaande artikelen 37 en 42, alsmede
van artikel 43 voor zover het betreft de
benoeming van de regent. Het derde lid
handelt over het regentschap van
rechtswege. Het tegenwoordige artikel
41 beperkt het van rechtswege optreden
als regent door de vermoedelijke
troonopvolger tot het geval dat de
Koning buiten staat is geraakt de
regering waar te nemen. Het erfelijk
koningschap brengt echter mee dat het
van rechtswege als regent optreden door
de vermoedelijke erfopvolger niet tot
dit geval beperkt moet blijven indien
een dergelijk optreden ook in andere
gevallen waarin een regentschap moet
worden uitgeoefend mogelijk is. In het
derde lid is aangegeven dat de
nakomeling van de Koning die tevens de
vermoedelijke opvolger is, ook als
regent van rechtswege optreedt in het
enige andere geval dat denkbaar is,
namelijk indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag
tijdelijk heeft neergelegd. Ingevolge
deze bepaling kan niet elke
vermoedelijke troonopvolger regent van
rechtswege zijn, doch alleen de
vermoedelijke troonopvolger die
nakomeling is van de Koning. Hierdoor
wordt voorkomen dat bijvoorbeeld de
broer van de Koning van rechtswege
regent zou worden, hoewel wellicht de
voorkeur zou worden gegeven aan een
regentschap door de echtgenote van de
Koning.
Uit
de redactie van het eerste lid van het
artikel vloeit voort dat de taak van de
regent zonder nadere voorziening van
rechtswege eindigt zodra geen van de in
dat lid omschreven omstandigheden meer
aanwezig is.
In
het vierde lid is evenals in artikel
2.1.9 [32]
neergelegd dat de regent een eed
of belofte aflegt en tevens welke de
zakelijke inhoud van de eed of belofte
is. Om dezelfde reden als vermeld in de
toelichting op artikel 2.1.9 [32]
is ook hier bepaald dat de regent naast de eed of
belofte van trouw aan de Grondwet
een
getrouwe vervulling van zijn ambt zweert
of belooft. In navolging van de huidige
Grondwet, doch in afwijking van de
staatscommissie is bepaald dat de eed
of belofte wordt afgelegd in een
verenigde vergadering der
Staten-Generaal. Anders dan de huidige
Grondwet en de staatscommissie hebben
wij het niet wenselijk geacht te bepalen dat de eed of belofte wordt
afgelegd bij de aanvaarding van het
regentschap dan wel bij het optreden als
regent. Wij zijn van oordeel dat aldus
interpretatievragen of een regent al in
functie kan treden vóór de beëdiging
kunnen worden vermeden. Het dient buiten
twijfel te staan dat een regent
onmiddellijk zijn functie uitoefent.
Wij
achten het wenselijk om de bestaande
grondwettelijke bepaling van artikel 37,
eerste lid, krachtens welke de wet
waarbij de regent wordt benoemd ook de
opvolging in het regentschap kan
regelen, te handhaven. In de
voorgestelde bepaling is uitdrukkelijk
vermeld dat de bedoelde wet tevens kan
voorzien in de vervanging van de regent.
Opneming van de vervangingsmogelijkheid
is wenselijk teneinde buiten twijfel te
stellen dat voorwaarden voor de duur
van het regentschap kunnen worden
gesteld. De wet zal ook de eventueel
noodzakelijke bepalingen over het
inkomen van de regent moeten treffen.
Een grondwettelijke voorziening op dit
punt achten wij onnodig. Evenmin is het
nodig om analoog aan artikel 37, tweede
lid, van de huidige Grondwet
te bepalen
dat de wet inzake het regentschap nog
bij het leven van de Koning, voor het
geval zijn opvolger de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
bereikt, wordt gemaakt. Dit neemt niet
weg dat het zinvol is voor het hier
bedoelde geval reeds tijdens het
leven van de Koning een wettelijke
regeling te treffen. In alle gevallen
laat overigens de voorgestelde bepaling
benoeming van een regent toe voordat
zich de omstandigheden voordoen die de
benoeming noodzakelijk maken.
Ten
slotte menen wij dat een voorziening als
de huidige Grondwet
in artikel 45 kent
ter zake van het buiten staat geraken
van de regent gehandhaafd dient te
blijven. Het is naar ons oordeel voorts
wenselijk een thans niet in de Grondwet
voorkomende bepaling op te nemen
krachtens welke ook de regent het
koninklijk gezag tijdelijk kan
neerleggen. In een vijfde lid worden
daarom de artikelen 2.1.12 [35]
en 2.1.13 [36]
van
overeenkomstige toepassing verklaard op
een regent.
Artikel
2.1.15 [38]
(artikel 26 staatscommissie)
De
waarneming van het koninklijk
gezag door de
Raad van State is in de
bestaande Grondwet
geregeld in artikel
46.
rblz.|17|
In de onderhavige voorstellen is de
bepaling dat het koninklijk gezag wordt
waargenomen door de Raad van State
zolang na het overlijden van de Koning
een opvolger ontbreekt, niet
gehandhaafd. Wij achten het juister dat
de uitoefening van het koninklijk gezag
in dit geval wordt opgedragen aan een
regent, zoals bij artikel 2.1.14 [37]
is
toegelicht. Bij dat artikel is tevens
toegelicht dat bij onzekerheid der
opvolging doordat een nog niet geboren
kind tot de opvolging van de overleden
Koning kan zijn geroepen, een regent het
koninklijk gezag dient uit te oefenen en
niet de Raad van State, zoals in artikel 46,
onder 3º, van de huidige
Grondwet
is voorzien.
Is
in zoverre enerzijds de reikwijdte van
het voorgestelde artikel minder ruim dan
die van het huidige artikel 46,
anderzijds is het in zijn formulering
ruimer dan dit artikel en ook ruimer dan
het voorstel van de staatscommissie. De
staatscommissie heeft het optreden van
de Raad van State slechts mogelijk
willen maken zolang de regent
ontbreekt. Met andere woorden in
situaties die rechtens de verplichting
tot het benoemen van een regent
meebrengen. Het in het wetsontwerp
voorgestelde artikel omvat daarnaast de
mogelijkheid dat de Raad als waarnemer
van het koninklijk gezag optreedt buiten
de gevallen die ingevolge artikel
2.1.14 [37]
aanleiding zijn tot het optreden
als regent.
Hierbij
kan worden gedacht aan het ook reeds in
artikel 46 van de huidige Grondwet
genoemde geval van afwezigheid van de
troonopvolger na het overlijden van de
Koning of na diens afstand van het
koningschap. Voorts ook aan verhindering
van de Koning of regent het koninklijk
gezag uit te oefenen, terwijl op korte
termijn geen voorziening kan worden
getroffen ten aanzien van die
uitoefening.
Met
de onderhavige voorgestelde bepaling is
beoogd te allen tijde de uitoefening
van het koninklijk gezag te garanderen
en aldus stagnatie in het
regeringsbeleid te voorkomen.
Uiteraard
neemt de uitoefening van het koninklijk
gezag door de Raad van State een einde
zodra de Koning of regent deze kan
uitoefenen. Door het woord "zolang"
wordt dit tot uitdrukking gebracht.
Artikel
2.1.16 [39]
(artikel 29 staatscommissie)
De
redactie van dit artikel is gelijk aan
die van het bij de herziening van 1972
in de Grondwet
opgenomen artikel 21a.
Artikel
2.1.17 [40]
(artikel 30 staatscommissie)
Dit
artikel is vrijwel gelijkluidend aan
het bij de herziening van 1972 in de Grondwet
opgenomen artikel 22. Om
terminologische eenheid met de andere
voorgestelde artikelen te verkrijgen,
wordt in het tweede lid gesproken van
vermoedelijke opvolger en in het derde
lid van voorstellen van wetten.
Artikel
2.1.18 [41]
(artikel 31 staatscommissie)
In de
huidige Grondwet
is als artikel
25 de bepaling opgenomen: "De Koning
richt zijn Huis naar eigen goedvinden
in".
Voorop
zij gesteld dat er in beginsel
ministeriële verantwoordelijkheid
bestaat voor de handelingen van de
Koning, ook als het gaat om het handelen
van de Koning in het kader van artikel
25 van de huidige Grondwet. In het
laatste geval werkt deze
verantwoordelijkheid uiteraard alleen
dan wanneer een handeling of besluit
van de Koning het openbaar belang raakt.
Het oordeel over de vraag of een
handeling of gedraging van de Koning het
openbaar belang raakt, valt onder de
ministeriële verantwoordelijkheid. De
ministers leggen daarvoor zo nodig
verantwoording af tegenover de
Staten-Generaal.
Dient
nu de eigen levenssfeer van de Koning
uitdrukkelijk in de Grondwet
te worden
erkend door handhaving van een bepaling
als die van artikel 25 van de Grondwet?
Een
minderheid van de staatscommissie acht
schrapping van de bepaling noodzakelijk.
Het feit dat de Koning vrij is in deze
sfeer naar eigen goedvinden te handelen
zolang daardoor geen openbaar belang
wordt geraakt, lijkt rblz.|18|
haar
zo vanzelfsprekend dat dit niet in de
Grondwet behoeft te worden vastgelegd.
Zonder de bepaling is naar haar mening
de situatie op het stuk van de
ministeriële verantwoordelijkheid voor
doen en laten van de Koning duidelijk.
Wil opneming van de bepaling betekenis
hebben, dan zou dit, aldus deze
minderheid, slechts de onjuiste
betekenis kunnen zijn dat de Koning,
wanneer het de inrichting van zijn Huis
betreft, geheel naar eigen inzicht kan
handelen, ongeacht of daaraan enig
publiek aspect verbonden is. Dat aan het
huidige artikel 25 in de praktijk deze
betekenis niet wordt gehecht, is niet te
danken aan de tekst van het artikel,
maar aan het geleidelijk gegroeide
inzicht dat in zuivere constitutionele
verhoudingen de bepaling geen betekenis
kan hebben en gedoemd is tot een dode
letter te worden. Het niet opnemen van
de bepaling in een nieuwe Grondwet houdt
mitsdien niets anders in dan dat
daarmee ook formeel bevestigd wordt
hetgeen in feite reeds geldt. Bovendien
wordt aldus voorkomen dat te eniger
tijd aan de handhaving van de bepaling
onjuiste gevolgtrekkingen worden
verbonden, aldus deze minderheid.
Wij
zouden evenwel met de meerderheid van de
staatscommissie een bepaling als die
van artikel 25 van de Grondwet
willen
handhaven. Juist omdat in beginsel
ministeriële verantwoordelijkheid
bestaat ten aanzien van gedragingen van
de Koning, moet de Grondwet ook erkennen
dat de Koning, behoudens de eis van het
openbaar belang, vrij is in zijn eigen
levenssfeer.
Op zichzelf is het
betoog
dat een recht op eigen levenssfeer ook
van de Koning zo vanzelfsprekend is dat
een uitdrukkelijke vermelding daarvan
overbodig kan worden geacht, niet
onjuist. Nu echter vele uitgaven die vóór de grondwetsherziening van 1972,
toen het huidige artikel 22 werd
opgenomen, uit de grondwettelijke
inkomens bestreden werden rechtstreeks
ten laste van de rijksbegroting komen,
kunnen deze uitgaven veel eerder ter
discussie komen bij de desbetreffende
begrotingsposten dan vroeger het geval
was. De noodzaak om een grens te trekken
tussen de ministeriële
verantwoordelijkheid voor de besteding
der gelden enerzijds en de vrijheid van
de Koning om zijn Huis in te richten
anderzijds is daardoor toegenomen. Onder
die omstandigheden zouden uit het
vervallen van de bepaling verkeerde
conclusies kunnen worden getrokken.
Het
voorliggende artikel heeft een iets
andere redactie dan de bepaling welke
is voorgesteld door de meerderheid van
de staatscommissie. Wij hebben in
plaats van de term "belang van de
staat" gekozen voor de term "openbaar
belang". Zoals één der leden van de
staatscommissie ¹ heeft
opgemerkt, is de betekenis van de term
"belang van de staat" beperkt, in die
zin dat daarmede zeker niet alle
belangen die de regering moet dienen,
worden aangeduid, doch alleen die welke
van bijzondere betekenis zijn. In dit
verband dient ook nog te worden verwezen
naar artikel 3.2.4
[68]
van het grondwetsherzieningsontwerp inzake het
geven van inlichtingen door de ministers en het recht van
onderzoek
en de daarbij horende toelichting (wetsontwerpnr.
14 225).²
Wanneer
in artikel 2.1.18 [41]
de term "belang van
de staat" zou worden gebruikt, dan zou
ten onrechte de indruk gewekt kunnen
worden dat de Koning bij de inrichting
van zijn Huis slechts met zulke belangen
van bijzondere betekenis rekening zou
moeten houden en niet met het
regeringsbeleid als zodanig.
Wij
tekenen hierbij nog aan dat ook de
Ministers van Staat Drees en Oud in hun
eerdergenoemde advies met betrekking tot
de ministeriële verantwoordelijkheid
in aangelegenheden van het Koninklijk
Huis de term "openbaar belang"
bezigden.
Ten slotte lijkt het ons beter
niet de woorden "naar eigen
goedvinden" te gebruiken, aangezien
deze woorden en de woorden "met
inachtneming van het openbaar belang"
een zekere onderlinge strijdigheid
inhouden. De erkenning van de eigen
levenssfeer van de Koning ten aanzien
van zijn Huis wordt op een juistere
manier uitgedrukt wanneer wordt bepaald dat hij, met inachtneming van
het openbaar belang, zijn Huis inricht.
1.
J. van der Hoeven, zie blz. 71 van het
Eindrapport.
2.
Artikel
3.2.4 [68]
luidt:
"De
ministers en de staatssecretarissen
geven de kamers elk afzonderlijk en in
verenigde vergadering mondeling of
schriftelijk de verlangde inlichtingen
waarvan het verstrekken niet in strijd
is met het belang van de staat".
rblz.|19|
Artikel
III
Artikel
A 2.1.9
Voor
de voorlopige handhaving van de
formulieren voor eden, beloften of
verklaringen in de artikelen 44, 53 en
54 van de huidige Grondwet
is een
additioneel artikel nodig. Deze
formulieren zouden immers zodra de
desbetreffende artikelen van de
bestaande Grondwet
vervallen zijn, elke
basis gaan ontberen, aangezien
uitsluitend de Grondwet een regeling
omtrent deze formulieren inhoudt. Het
onderhavige additionele artikel beoogt
de betreffende formulieren voorlopig te
handhaven totdat daarvoor bij de wetten,
bedoeld in de artikelen 2.1.9 [32]
en 2.1.14 [37],
een regeling zal zijn getroffen.
Artikel
IV
Dit
artikel behoeft geen nadere toelichting,
behoudens ten aanzien van het vervallen
van de artikelen 21 en 27 van de huidige
Grondwet. Het vervallen van de overige
artikelen is reeds voldoende toegelicht
in verband met de nieuwe op te nemen
artikelen.
Artikel
21
Artikel
21, eerste lid, bepaalt dat de Koning
geen vreemde Kroon kan dragen. Wij zijn
van mening dat overneming van deze
bepaling in de herziene Grondwet
geen
aanbeveling verdient. Aan deze bepaling
bestaat in onze dagen gezien de werking
van de ministeriële
verantwoordelijkheid geen behoefte
meer. Daarbij komt nog dat de Grondwet
ook overigens geen bepalingen bevat
omtrent met het koningschap
onverenigbare functies.
De huidige Grondwet
bepaalt in artikel 21, tweede
lid: "In geen geval kan de zetel der
regering buiten het Rijk worden
verplaatst". Wij zijn van oordeel dat
onder de huidige omstandigheden aan dit
voorschrift geen reële betekenis meer
kan worden toegekend.
De
commissie-Van Schaik stelde reeds in
1954 voor het tweede lid van artikel 21
van de Grondwet
te schrappen. Daarbij
werd erop gewezen dat de oorspronkelijke
bedoeling van deze bepaling was te
voorkomen dat de Koning(in) huwende met
een buitenlandse vorst(in) zich in het
buitenland zou vestigen. De zetel van de
regering is thans echter niet meer aan
de verblijfplaats van de Koning
gebonden.
Terecht
wees de commissie-Van Schaik erop dat
door de verplaatsing van de zetel van de
regering gedurende de bezettingstijd een
andere interpretatie van artikel 21,
tweede lid, der Grondwet
naar voren is
gekomen. Reeds bij de
grondwetsherziening 1922 was op die
betekenis de aandacht gevestigd. Betoogd
werd dat de regering - uitwijkende - zou
handelen in strijd met de Grondwet en
dat zij dus geen wettige regering zou
zijn. De ervaring heeft intussen anders
geleerd. Daaruit moet de slotsom worden
getrokken dat bepalingen als de
onderhavige, die in normale tijden geen
betekenis hebben, in abnormale
omstandigheden geen richtsnoer kunnen
vormen. Wat dan dient te geschieden, zal
naar bevind van de omstandigheden moeten
worden beslist. Op voorhand valt
daarvoor geen norm te geven. Daarom is
deze bepaling niet in de voorstellen
opgenomen.
Artikel
27
In
artikel 27 van de Grondwet
wordt de
titel Prins van Oranje genoemd. In dat
artikel wordt bepaald dat de oudste van
des Konings zonen of verdere mannelijke
nakomelingen, die de vermoedelijke
erfgenaam is van de Kroon, 's Konings
eerste onderdaan is en de titel voert
van Prins van Oranje. De woorden "eerste
onderdaan" komen in dit
verband sedert 1814 in de Grondwet
voor;
artikel 17, eerste lid, van de Grondwet
van 1814 bepaalde dat de oudste zoon
van de soevereine vorst de eerste
onderdaan van zijn vader is. De term
"onderdaan" werd opgenomen om de
bevolking met dit begrip vertrouwd te maken.
rblz.|20|
Het
tweede lid van artikel 17 van de Grondwet
van 1814 bepaalde dat de
erfprins de titel van Koninklijke
Hoogheid gegeven zou worden. Bij
proclamatie van 16 maart 1815 nam
Willem I de koningstitel aan. Teneinde
echter te voorkomen dat de naam en titel
"Prins van Oranje" verloren zou gaan,
werd bepaald dat voortaan de
vermoedelijke erfgenaam van het
Koninkrijk der Nederlanden deze titel
zou aannemen, voeren en behouden.
Vervolgens werd in de considerans van de
Wet van 23 maart 1815 inzake de
verdubbeling van het aantal leden der
Staten-Generaal bepaald dat de woorden
Souvereine Vorst en Erfprins in alle
artikelen waarin zij voorkwamen,
vervangen moesten worden door die van
Koning en van Prins van Oranje.
Wij
zijn van oordeel dat de bepaling dat de
troonopvolger 's Konings eerste
onderdaan is voor het tegenwoordige geen
staatsrechtelijke betekenis heeft.
De
wordingsgeschiedenis van de onderhavige
bepalingen moet als uitgewerkt worden
beschouwd.
Het
artikel kan zonder bezwaar vervallen.
Aan de titel Prins van Oranje kan echter
wel een belang worden toegekend. De
titel accentueert immers de bijzondere
plaats van de Prins in het Koninklijk
Huis en daarmee in de lijn van de
troonopvolging. Naarmate de
troonopvolger meer in de openbaarheid
treedt, kan de titel Prins van Oranje
daarom dienstbaar zijn aan de verdieping van het besef van een
nationaal koningschap. Handhaving van de
titel is daarom van gewicht. Door het
niet opnemen van de bepaling van artikel
27 zal de titel Prins of Prinses van
Oranje aan de vermoedelijke erfopvolger
bij koninklijk besluit kunnen worden
toegekend met ingang van het tijdstip
dat daarvoor in de concrete situatie
gewenst voorkomt.
De
Minister-President, Ministervan Algemene
Zaken,
A.A.M. van Agt
De
Minister van Binnenlandse Zaken,
H.
Wiegel
|
|