|
Kamerstukken II 1976-1977,
14 223 (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 913 (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, XX)
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet van de bepalingen inzake
de verkiezing van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP (eerste lezing) |
Aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Wij
bieden U hiernevens ter overweging aan een ontwerp van Wet houdende
verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot
verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de verkiezing van de
Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
De toelichtende
memorie
(en bijlagen), die het Wetsontwerp vergezelt, bevat de gronden waarop
het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige
bescherming.
Soestdijk, 10 november 1976
JULIANA
| Nr.r2 |
ONTWERP
VAN WET (eerste lezing) |
WIJ
JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er
grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet
van de bepalingen inzake de verkiezing van de Tweede Kamer en
de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
Art. I.
Er
bestaat grond het hierna in de artikelen
ll tot en met IV omschreven voorstel tot
verandering in de Grondwet
in overweging
te nemen.
Art.
II. [MvT]
In
een in de Grondwet
op te nemen Hoofdstuk
3, Staten-Generaal, paragraaf 1, Inrichting
en samenstelling, wordt het volgende
opgenomen.
Art. 3.1.3 [52].
[MvT]
De
zittingsduur van beide kamers is vier
jaren.
Art. 3.1.4 [53].
[MvT]
-1.
De leden van beide kamers worden gekozen
op de grondslag van evenredige
vertegenwoordiging binnen door de wet te
stellen grenzen.
-2.
De stemmingen zijn geheim.
Art. 3.1.5 [54].
[MvT]
-1.
De leden van de Tweede Kamer worden
rechtstreeks gekozen door de
Nederlanders, tevens ingezetenen of door
de wet met ingezetenen gelijkgesteld,
die de leeftijd van 18 jaar hebben
bereikt.
-2.
Van het kiesrecht is uitgesloten:
a.
hij die bij onherroepelijke rechterlijke
uitspraak is veroordeeld tot een
vrijheidsstraf van ten minste één jaar
en daarbij tevens is ontzet van het
kiesrecht;
b.
hij die krachtens onherroepelijke
rechterlijke uitspraak wegens een
geestelijke stoornis onbekwaam is
rechtshandelingen te verrichten.
Art. 3.1.6 [55].
[MvT]
De
leden van de Eerste Kamer worden gekozen
door de leden van provinciale staten.
De verkiezing wordt, behoudens in geval
van ontbinding der kamer, gehouden
binnen vier maanden na de verkiezing van
de leden van provinciale staten.
Art. 3.1.7 [56].
[MvT]
Om
lid van de Staten-Generaal te kunnen
zijn, is vereist dat men Nederlander is,
de leeftijd van 18 jaar heeft
bereikt en niet is uitgesloten van het
kiesrecht.
Art. 3.1.8 [57].
[MvT]
-1.
Niemand kan lid van beide kamers zijn.
-2.
Een lid van de Staten-Generaal kan niet
tevens zijn minister, staatssecretaris,
lid van de Raad
van State, lid van de
Algemene Rekenkamer, lid van of
procureur-generaal of advocaat-generaal
bij de Hoge
Raad of commissaris van de
Koning in de provincie.
-3.
Niettemin kan een minister of
staatssecretaris die zijn ambt ter
beschikking heeft gesteld, dit ambt
verenigen met het lidmaatschap van de
Staten-Generaal, totdat omtrent die
beschikbaarstelling is beslist.
-4.
De wet kan ten aanzien van andere
betrekkingen bepalen dat zij niet
gelijktijdig met het lidmaatschap van
de Staten-Generaal of van één der kamers kunnen worden uitgeoefend.
Art. 3.1.9 [58].
[MvT]
Elke
kamer onderzoekt de geloofsbrieven van
haar nieuwbenoemde leden en beslist met
inachtneming van bij de wet te stellen
regels de geschillen welke met
betrekking tot de geloofsbrieven of de
verkiezing zelf rijzen.
Art. 3.1.10 [59].
[MvT]
Alles
wat verder het kiesrecht en de
verkiezingen betreft, wordt bij de wet
geregeld.
Art.
III. [MvT]
Aan
de Grondwet
worden de volgende
additionele artikelen toegevoegd:
Art.
A 3.1.3. [MvT]
De
leden van de Eerste Kamer die zitting
hebben bij de inwerkingtreding van
artikel 3.1.3 [52]
treden af met ingang van
het tijdstip waarop de zittingsduur van
de volgens artikel 3.1.6 [55]
gekozen kamer
aanvangt, behoudens ingeval de kamer
eerder wordt ontbonden. Bij tussentijds
aftreden of overlijden van een lid
treedt de in zijn plaats benoemde
eveneens met ingang van genoemd
tijdstip af.
Art.
A 3.1.5. [MvT]
Zolang
de toekenning van het actief kiesrecht
voor de verkiezing van de leden van de
Tweede Kamer aan personen die geen
ingezetenen van Nederland zijn niet
verenigbaar is met het Statuut
voor het Koninkrijk der Nederlanden, wordt in
artikel 3.1.5 [54], eerste lid, in plaats van
"Nederlanders, tevens ingezetenen of
door de wet met ingezetenen
gelijkgesteld" gelezen: Nederlanders,
tevens ingezetenen. Het tijdstip van
inwerkingtreding van de eerstgenoemde
redactie wordt bij koninklijk besluit
vastgesteld.
Art.
A 3.1.7. [MvT]
Zolang
de leeftijd waarop de wet in het
algemeen de minderjarigheid doet
eindigen niet is verlaagd tot 18 jaar, wordt in artikel 3.1.7 [56]
in plaats
van "18 jaar" gelezen: 21 jaar. Het tijdstip van
inwerkingtreding van de eerstgenoemde
redactie wordt bij koninklijk besluit
vastgesteld.
Art.
IV.
De
artikelen 90, 91, 92, tweede lid, 93 tot
en met 95, 100, 101, eerste lid, eerste volzin, en
derde lid, 103, 106 en 108 van de Grondwet, alsmede de opschriften boven
de artikelen 94, 100 en 103, vervallen.
Lasten
en bevelen, dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst, en dat alle
ministeriële departementen,
autoriteiten, colleges en ambtenaren,
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister-President, Minister van
Algemene Zaken,
De
Minister van Binnenlandse Zaken,
|
|