|
rblz.|5|
Kamerstukken II
1977-1978, 15 047 (R 1099) (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 917 (R 1174) (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 30)
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet van bepalingen
betreffende de wetgevende macht en de algemene maatregelen van
bestuur,
alsmede tot opneming van bepalingen betreffende andere voorschriften
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING (eerste lezing) |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
De opzet van het hoofdstuk
"Wetgeving en bestuur" |
| 2 |
Onderwerpen die geen regeling in de
Grondwet meer behoeven |
| 3 |
Verdeling over
wetsontwerpen |
| 4 |
Procedure van wetgeving |
| 5 |
Grondwettelijke
terminologie ten
aanzien van de Koning |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
II t/m IV |
Algemeen
1.
De opzet van het hoofdstuk "Wetgeving en bestuur"
Voorafgaand
aan de algemene en de
artikelsgewijze
toelichting op dit
ontwerp van Rijkswet ¹ willen wij stilstaan
bij de opzet van het
nieuwe hoofdstuk
waarin de voorgestelde
bepalingen een plaats
moeten vinden.
De
huidige Grondwet
besteedt als wet van
grondslagen en
waarborgen de meeste
aandacht aan de
wetgeving. Het bestuur
komt vooral aan de
orde waar het nodig is
te verzekeren dat het
niet zal handelen
zonder wettelijke
grondslag. Zo wordt
van belastingheffing
bepaald dat zij uit
kracht van een wet
moet plaatsvinden. Van
de begroting wordt
voorgeschreven dat zij
bij de wet wordt
vastgesteld. Voor de
algemene maatregel van
bestuur wordt
gewaarborgd dat door
straffen te handhaven
bepalingen daarin niet
dan krachtens de wet
worden opgenomen. En
zo zou men kunnen
voortgaan. Terwijl de
Grondwet voor de
wetgeving hoofdlijnen
geeft en de
samenstelling van het
daarvoor specifiek
noodzakelijke orgaan,
de Staten-Generaal,
nauwkeurig aangeeft,
is in de Grondwet over
de inrichting,
samenstelling en
werkwijze van het
centrale bestuur
betrekkelijk weinig te
vinden.
De
Proeve van een nieuwe
Grondwet heeft enig
systeem willen
aanbrengen door een
aantal bepalingen die
in de huidige Grondwet
over verschillende
hoofdstukken zijn
verspreid samen te
brengen in een enkel
hoofdstuk "Wetgeving
en bestuur". De
Proeve verdeelde het
hoofdstuk in vier
paragrafen:
wetgeving, bestuur,
buitenlands beleid en
overige bepalingen.
Daarbij was de tweede
paragraaf, "bestuur", wel zeer
mager uitgevallen en
rees de vraag volgens
welke maatstaf de
bepalingen waren
verdeeld over deze en
de vierde paragraaf.
De
staatscommissie nam het denkbeeld over in de nieuwe Grondwet een
hoofdstuk "Wetgeving en bestuur" op te
nemen. Zij meende echter dat een meer
bevredigende opbouw wordt verkregen
wanneer men ervan afziet dat het
opschrift van het hoofdstuk zou
dwingen tot het opnemen van een
afzonderlijke paragraaf "bestuur"
na de paragraaf "wetgeving". Zij
stelde voor aan te vangen met een
paragraaf "algemene
bepalingen",
waarin de bepalingen omtrent de
procedure van wetgeving zijn
samengebracht. Voorts had zij daarin opgenomen een
artikel omtrent
algemene maatregelen van bestuur
en andere algemeen verbindende
voorschriften vanwege het Rijk. De
paragraaf werd besloten met een
artikel omtrent de openbaarheid. De rblz.|6|
verdere
artikelen, die naar de mening van de
staatscommissie in dit hoofdstuk een
plaats dienen te vinden, achtte zij van
een te verschillende aard om deze in
afzonderlijke paragrafen te groeperen.
Zij meende dat deze konden worden
samengebracht in één paragraaf, die
eenvoudig met de naam "bijzondere
bepalingen" zou kunnen worden
aangeduid. Het ging daarbij om
bepalingen waarbij zowel de regering
als het parlement betrokken zijn, zoals
de bepalingen omtrent het buitenlands
beleid en het verdedigingsbeleid, de
uitzonderingstoestand, bepalingen van
financiële aard en die betreffende de
ambtenaren.
In
grote lijnen kunnen wij het betoog van
de staatscommissie onderschrijven.
Vanwege
het grote belang van de wetgeving -
zowel in formele als in materiële zin
- stellen wij evenwel voor de eerste
paragraaf uitsluitend te wijden aan
algemene bepalingen betreffende de
wetten (in formele zin) en overige
voorschriften van de centrale overheid:
de aanwijzing van de wetgever, de
wetgevingsprocedure, de bekendmaking en
de inwerkingtreding van de wetten,
alsmede een artikel betreffende de
algemene maatregel van bestuur en
(andere) algemeen verbindende
voorschriften van rijkswege.
In
verband met haar inhoud draagt de eerste
paragraaf het opschrift: "Wetten en
andere voorschriften".
Evenals
de staatscommissie
staan wij voor, de
resterende bepalingen
die voor een aantal
sectoren van
overheidswerkzaamheid
regelen in welke
vormen deze behoren
plaats te vinden en
die in de Grondwet moeten worden genoemd,
bijeen te plaatsen in
de tweede paragraaf
van dit hoofdstuk. Wij
zouden haar "Overige
bepalingen" willen
noemen.
In
die paragraaf zullen achtereenvolgens de
volgende onderwerpen aan de orde komen:
buitenlands beleid, oorlogsverklaring,
dienstplicht en gewetensbezwaren tegen
de militaire dienst,
uitzonderingstoestanden,
belastingbepalingen, het
begrotingsartikel, het
codificatieartikel, de ombudsman, de
rechtspositie van de ambtenaren en ten
slotte het openbaarheidsbeginsel.
1. De materie van
dit
wetsontwerp is door de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet
en
de Kieswet behandeld op blz. 152-177, 346 en 349 van haar eindrapport.
2.
Onderwerpen die geen regeling in de
Grondwet meer behoeven
Bij
vergelijking van de
voorgestelde
bepalingen met die van
de bestaande Grondwet
zal men bemerken dat
naar een zekere
versobering is
gestreefd. Een aantal
onderwerpen: het recht
van munt, het verlenen
van dispensatie van
wetsbepalingen, de
bepaling betreffende
de staatsschuld
behoeven geen
vermelding meer in de
Grondwet. Aan de
wetgever kan worden
overgelaten te
beslissen in hoeverre
het nodig is hierover
regels vast te
stellen. In de
ontwerpen tot
wijziging van de
Grondwet die hierop
betrekking hebben,
zal één en ander nader
worden toegelicht.
Daar zal tevens worden
nagegaan in hoeverre
voorlopige handhaving
van de bestaande
voorschriften en
bevoegdheden nodig is
door middel van een
additioneel artikel.
In dit wetsontwerp
wordt alleen het
vervallen van de
dispensatiebepaling
geregeld en
toegelicht.
3.
Verdeling over
wetsontwerpen
Dit
wetsontwerp bevat de
artikelen van de
paragraaf "Wetten en
andere voorschriften".
De
artikelen van de
tweede paragraaf
worden neergelegd in
de volgende
wetsontwerpen:
buitenlandse
betrekkingen;
verdediging; uitzonderingstoestanden;
belastingen;
begroting;
codificatiebepaling;
ombudsman;
rechtspositie
ambtenaren; openbaarheid.
Daarnaast wordt in een
afzonderlijk
wetsontwerp geregeld
het vervallen van de
bepalingen betreffende
de munt en de
staatsschuld.
Daarmee
is de stof van het nieuwe hoofdstuk
"Wetgeving en bestuur" zelf verdeeld
over tien wetsontwerpen, terwijl één
wetsontwerp het verwijderen van een
aantal onderwerpen uit de Grondwet
regelt.
rblz.|7|
In
de bijlage bij deze memorie van
toelichting is een vergelijkend
tekstoverzicht opgenomen van de
artikelen van de
paragraaf "Wetten en
andere voorschriften"
uit het hoofdstuk
"Wetgeving en bestuur" zoals
voorgesteld in dit wetsontwerp, de
voorstellen van de staatscommissie en
de tekst van de huidige
grondwetsartikelen.
4.
Procedure van wetgeving
Ten
aanzien van de in dit
wetsontwerp geregelde
procedure merken wij
het volgende op.
In
de huidige Grondwet
is de totstandkoming
van de wet op twee plaatsen geregeld. De
artikelen 119 tot en met 131, die aanvangen met de
bepaling dat de wetgevende macht
gezamenlijk door de Koning en de
Staten-Generaal wordt uitgeoefend,
regelen primair de behandeling van
wetsvoorstellen in de Staten-Generaal,
maar eindigen met artikel 131, dat met
name het rechtsgevolg van de
vastgestelde en afgekondigde wet regelt.
Daarentegen wordt op een andere plaats,
namelijk in de afdeling over de macht des
Konings, de zeer nauw verwante materie
van de koninklijke goedkeuring van door
de Staten-Generaal aangenomen
wetsvoorstellen en de afkondiging van de
wetten, alsmede het
afkondigingsformulier geregeld
(artikelen 80 en 81).
Het
verdient aanbeveling de gehele procedure
van wetgeving op één plaats te
regelen. De inhoud van de regeling kan
in grote lijnen ongewijzigd blijven.
Intussen behoeft dit niet mee te brengen dat alle bestaande bepalingen
worden behouden. Met name de uitgebreide
grondwettelijke formulieren betreffende
verzending en kennisgeving kunnen worden
gemist. De daarin vastgestelde vormen
van constitutionele courtoisie behoeven,
ook indien men op hun behoud prijs
mocht stellen, geen grondwettelijke
waarborg. Zij zouden voor het grootste
deel een plaats kunnen vinden in de
reglementen van orde van de kamers.
Enige
leden van de
staatscommissie hebben
bepleit het thans in
artikel 81 neergelegde
afkondigingsformulier
voor wetten met het oog
op de continuïteit
in de Grondwet te
handhaven. Met de
meerderheid van de
commissie zijn wij van
oordeel dat daarvoor
onvoldoende reden
bestaat en dat de
gehele materie van de
bekendmaking van de
wetten aan de gewone
wetgever kan worden
overgelaten.
Evenmin
als de opstellers van
de Proeve en de
staatscommissie voelen
wij behoefte aan het
openen van de
mogelijkheid tot een
stelsel van
vereenvoudigde
wetgeving. In het
algemeen kan niet
worden gesteld dat een
normale procedure van
wetgeving aanleiding
geeft om naar een
vereenvoudiging te
verlangen. De ervaring
bewijst dat als regel
de Staten-Generaal in
daarvoor in aanmerking
komende gevallen van
de noodzaak van snelle
wetgeving
overtuigd zijn en met
grote voortvarendheid
kunnen beraadslagen en
beslissen. Is het
niettemin noodzakelijk
in bepaalde gevallen
naar een
vereenvoudigde of
snellere procedure om
te zien, dan kan
daaraan worden
tegemoetgekomen door -
in navolging van reeds
meermalen aanvaarde
constructies ¹ -
bij de wet bepaalde
zaken aan de algemene
maatregel van bestuur
of andere regeling te
delegeren onder enig
voorbehoud ter
versteviging van de
controlemogelijkheden
van de
Staten-Generaal.
Dergelijke
constructies behoeven uit
staatsrechtelijk oogpunt niet
ontoelaatbaar te worden geacht. Het
voordeel is dat van geval tot geval
door de wetgever kan worden bezien of
aan zulke constructies behoefte
bestaat, maar dat niet door het
opnemen in de Grondwet van de nieuwe
figuur ener vereenvoudigde procedure
van wetgeving de mogelijkheid ontstaat
van een toepassing ook op terreinen
waar zij niet strikt noodzakelijk is.
Die mogelijkheid zou slechts zijn te
voorkomen wanneer de Grondwet
nauwkeurig en in abstracto kon
aangeven in welke gevallen van de
vereenvoudigde procedure gebruik kan
worden gemaakt. Dit zou evenwel
moeilijk te verwezenlijken zijn.
Daarom doen wij op dit punt geen
voorstellen.
rblz.|8|
Er worden ook geen voorstellen gedaan tot
invoering van een wetgevingsreferendum
of vormen van volksinitiatief en evenmin
tot wijziging van de positie van de
Eerste Kamer bij de algemene wetgeving.
Dit is in overeenstemming met de
standpuntbepaling in de Nota inzake het
grondwetsherzieningsbeleid (Tweede
Kamer, zitting 1974-1975, 12 944), die
door de kamers in meerderheid werd
gedeeld.
Aandacht
verdient nog de verhouding van de in dit
wetsontwerp vervatte grondwetsbepalingen
tot het Statuut.
De
vaststelling van rijkswetten en van
algemene maatregelen van rijksbestuur
wordt in de eerste plaats geregeld in
het Statuut. Het Statuut geeft evenwel
geen volledige regeling van de
rijkswetgevingsprocedure. Het regelt
slechts enkele aspecten ervan, namelijk het
betrekken van de Nederlandse Antillen
bij de totstandkoming van rijkswetten en
van algemene maatregelen van
rijksbestuur, alsmede de bekendmaking en
inwerkingtreding van rijkswetten en van
algemene maatregelen van rijksbestuur.
Ingevolge
artikel 5, eerste lid, van het Statuut
wordt de wetgevende macht in
aangelegenheden van het Koninkrijk voor
zover het Statuut hierin niet
voorziet, geregeld in de Grondwet. Ten
aanzien van het Statuut heeft de
Grondwet in dit opzicht een aanvullende
functie. Voor de andere dan de
bovengenoemde aspecten van de
rijkswetgevingsprocedure zijn derhalve
de bepalingen van de Grondwet van
toepassing. Dit houdt in dat het
merendeel der artikelen van dit
wetsontwerp ook van toepassing is op de
vaststelling van rijkswetten en van
algemene maatregelen van rijksbestuur.
In
dit verband wijzen wij
nog op het volgende.
Overal waar de
Grondwet de formele
wetgever als het tot
regeling bevoegde
orgaan aanwijst, wordt
de term "wet"
gebezigd. Uit de
bepalingen van het
Statuut vloeit echter
voort dat de figuur
van de rijkswet
toepassing zal moeten
vinden wanneer het
voorwerp van de
wettelijke regeling
een
koninkrijksaangelegenheid
is en de regeling mede
in de Nederlandse
Antillen geldt.
Omdat
dit wetsontwerp ook betrekking heeft op
de vaststelling van rijkswetten en van
algemene maatregelen van rijksbestuur,
betreft het hier ingevolge artikel 5
van het Statuut
een aangelegenheid van
het Koninkrijk, zodat dit voorstel de
vorm van een rijkswet behoeft.
1.
Enkele
voorbeelden: artikel 67, vierde lid, Wet
op de bedrijfsorganisatie; artikel 10, derde
lid, Wet economische mededinging; artikel
12, vierde lid, Mijnwet continentaal
plat; artikel 22, tweede lid, en artikel 26
Wet
bescherming bevolking; artikel 12 Wet
verplaatsing bevolking; artikel 2, zevende
en achtste lid, In-
en uitvoerwet; artikel
10 Wet op de inkomstenbelasting 1964;
artikel 4 Oorlogswet
voor Nederland; artikel
23 Machtigingswet inkomensvorming en
bescherming werkgelegenheid 1974; artikel
33 Wet selectieve investeringsregeling.
5.
Grondwettelijke
terminologie ten
aanzien van de Koning
In
de huidige Grondwet
wordt in de bepalingen
over de wetgeving,
zowel in de afdeling
over de macht des
Konings in hoofdstuk
II (Van de Koning) als
in die over de
wetgevende macht in
hoofdstuk III (Van de
Staten-Generaal),
veelvuldig de term
"Koning" gebezigd.
In verband hiermee
wordt in deze memorie
het gebruik van de
term "Koning"
besproken zoals dit
de regering in de
herziene Grondwet voor
ogen staat. Daarbij
wordt in verband met
de samenhang deze
aangelegenheid niet
slechts voor zover zij
haar weerslag vindt in
bepalingen van dit
wetsontwerp, doch in
haar geheel behandeld,
hoewel onderdelen
ervan betrekking
hebben op het
koningschap, waarover
een apart ontwerp van
rijkswet zal worden
ingediend.¹
De
terminologie van het
huidige tweede
hoofdstuk van de
Grondwet weerspiegelt
nog altijd de
staatsrechtelijke
verhoudingen ten tijde
van de totstandkoming
van de Grondwet. In
deze verhoudingen was
de positie van de
Koning binnen het uit
Koning en ministers
bestaande
regeringsorgaan veel
sterker geaccentueerd
dan thans, terwijl
daartegenover de
ministers meer als 's
Konings dienaren dan
als de eigenlijke
bewindvoerders
optraden.
Wij
menen ons te kunnen
onthouden van een
beschrijving hoe in
latere jaren de
verhouding van Koning
en ministers door
grondwetsherzieningen
en door de
ontwikkeling van
ongeschreven recht
wijzigingen heeft
ondergaan.
De geschiedenis met name van de jaren
1840, 1848 en 1868 is genoegzaam
bekend. Ondanks alle
grondwetswijzigingen is het stramien
van het tweede hoofdstuk van de
Grondwet echter ongewijzigd gebleven.
rblz.|9|
Wij
zijn daarom de opvatting toegedaan dat
bij de thans aangevatte herschrijving
van de Grondwet
tevens de gelegenheid
moet worden aangegrepen de daarin
gebezigde terminologie in
overeenstemming te brengen met de
staatkundige werkelijkheid.
Wij
nemen daarbij als uitgangspunt dat de
bestaande staatsrechtelijke verhouding
tussen de Koning en de ministers en hun
wederzijds aandeel in de uitoefening der
regeringstaak ongewijzigd dienen te
blijven, maar dat naar een betere
verwoording daarvan in de Grondwet moet
worden gestreefd.
In
de staatscommissie is het denkbeeld
opgeworpen de term "Koning" op die
plaatsen waar daarmee de centrale
overheid wordt aangeduid te vervangen
door "regering" c.q. "regeringsbesluit". Slechts
daar waar
de Grondwet met de Koning de persoon van
de Koning aanduidt, zou dan de oude term
behouden dienen te worden. Een zo
ingrijpende breuk met de huidige
grondwettelijke terminologie stuitte
echter in de staatscommissie ook op
ernstige bezwaren. Men is, zo werd
gesteld, met die terminologie vertrouwd
en het valt goed te verdedigen dat, hoe
ook de rolverdeling tussen Koning en
ministers in de praktijk moge zijn, deze
twee-eenheid rechtens wordt aangeduid
door de Koning, die de continuïteit van
een staatsbestel tot uitdrukking
brengt. Gevreesd werd dat een zo
omvangrijke wijziging van de
terminologie de indruk zou scheppen dat
de staatkundige verhoudingen ingrijpend
worden veranderd. De als verheldering
bedoelde wijziging zou, zo werd gesteld,
wel eens verwarring kunnen stichten,
zodat het belang van de verduidelijking
er niet mee zou worden gediend.
De
staatscommissie heeft getracht de
verschillende wensen en opvattingen in
haar midden recht te doen. De door haar
aanvaarde oplossing,²
waarin het hierboven door ons
geformuleerde uitgangspunt tot
uitdrukking komt, is door ons
overgenomen en is verwerkt in de hierna
volgende voorstellen. Die voorstellen
komen op het volgende neer:
1. Ook de
staatscommissie bespreekt deze aangelegenheid in haar geheel en wel op
de blz. 34-37 van haar eindrapport.
2. Eén lid der commissie
kon zich met deze oplossing niet verenigen. Hij heeft zijn gevoelens in
een bij het Eindrapport gevoegde nota neergelegd (blz. 351-353).
a.
Bepalingen inzake
erfopvolging,
regentschap e.d.
Het
woord "Koning" dient
behouden te blijven
waar in de Grondwet
dit woord wordt
gebruikt in bepalingen
als die over de
erfopvolging en het
regentschap,
aangezien in bedoelde
bepalingen de Koning
persoonlijk wordt
bedoeld.
b.
Bepalingen
waarin in de huidige
Grondwet wordt gezegd
dat de Koning benoemt
of beslist
Op de
plaatsen waar, in het
woordgebruik van de
huidige Grondwet,
wordt gezegd dat de
Koning benoemt of
beslist, dient in de
herziene Grondwet te
worden gesteld dat
bij koninklijk besluit
wordt benoemd of
beslist.
Met
invoering van de term
"koninklijk besluit"
op die plaatsen wordt
aangesloten bij de
werkelijkheid van het
staatsbestuur. Bij
deze beslissingen en
benoemingen gaat het
niet om een handeling
van de Koning alleen,
doch om een daad van
de Koning en één of
meer ministers
gezamenlijk. Deze
wordt neergelegd in de
rechtsvorm van het
koninklijk besluit,
dat mede door één of
meer ministers wordt
ondertekend. Met het
voorstel wordt tevens
aangesloten bij het
klassieke gebruik om
in de Grondwet steeds
te spreken van "de
wet" in al de gevallen waar een
wilsovereenstemming
met de Staten-Generaal wordt
beoogd.
Naar
onze mening is
misverstand over de
betekenis van het
begrip "koninklijk
besluit" uitgesloten
te achten als bepaald
blijft, zoals in de
bedoeling van de
regering ligt, dat
één
of meer ministers het
besluit
medeondertekenen.
c.
Bepalingen inzake de wetgeving
Met het oog op de staatkundige
werkelijkheid verdient naar ons
oordeel in de bepaling die in
algemene zin aangeeft welke organen
gezamenlijk de wetgeving tot stand
brengen, de term "regering" te
worden gebruikt. Koning en ministers,
die tezamen de regering vormen, zijn
immers bij het proces van wetgeving
betrokken.
rblz.|10|
Ten
aanzien van de indiening van
wetsontwerpen wordt de term "vanwege de
Koning" voorgesteld.
Terwijl
de memories van toelichting van de
wetsontwerpen door één of meer ministers
worden ondertekend, zegt het huidige
artikel 120 van de Grondwet
dat de
Koning zijn voorstellen aan de Tweede
Kamer zendt bij een schriftelijke
boodschap of door een commissie. Wij
zijn van oordeel dat een redactie die
spreekt van indiening van voorstellen
vanwege de Koning de werkelijkheid beter
weergeeft. Daarbij kan de indiening bij
een schriftelijke boodschap behouden
blijven, doch de tekst laat toe om een
regeringsvoorstel vanwege de Koning ook
op andere wijze bij de Staten-Generaal
in te dienen, zoals dit trouwens reeds
thans geschiedt bij de aanbieding van de
wetsvoorstellen inzake de
rijksbegroting.
Ten
aanzien van de bekrachtiging als
afsluitende handeling in het proces van
wetgeving wordt ook voorgesteld de term
"Koning" te gebruiken. Elke wet moet
mede door één of meer ministers of
staatssecretarissen worden ondertekend.
Aan deze praktijk wordt in het voorstel
van de staatscommissie (artikel 32,
tweede lid), dat wij voornemens zijn
over te nemen, een bijzonder
grondwettelijk fundament gegeven. Voor
de kennisgeving aan de Staten-Generaal
van het besluit tot bekrachtiging ware
eveneens de term "Koning" te
gebruiken.
d.
Overige bepalingen
Buiten
de bepalingen inzake
de wetgeving wordt,
wat reeds eerder
ingediende
herzieningsontwerpen
betreft, nog in twee
andere artikelen de
term "regering"
gehanteerd. Het gaat
om artikel 3.2.1 [65],
waarbij wordt bepaald
dat jaarlijks op de
derde dinsdag van
september of op een
bij wet te bepalen
eerder tijdstip door
of namens de Koning in
een verenigde
vergadering een
uiteenzetting van het
door de regering te
voeren beleid wordt
gegeven,¹ en
artikel 7.4 [126], dat bepaalt dat de
commissaris van de Koning voorts belast
is met de uitvoering van door de
regering gegeven opdrachten.²
Wij
zijn van mening dat
ook ten aanzien van
deze bepalingen aan de
staatkundige
werkelijkheid het
meeste recht wordt
gedaan als de term "regering" wordt
gebruikt. Het zou tot
misverstand aanleiding
geven indien in de
herziene Grondwet
in
bepalingen van deze
aard het begrip "Koning" zou worden
aangewend. Ook de
huidige Grondwet kent
reeds in enkele
vergelijkbare gevallen de term
regering. Men zie de
artikelen 87 (De
instelling van vaste
colleges van advies
en bijstand aan de
Regering geschiedt
krachtens de wet), 187
(De tussenkomst der
Regering wordt niet
vereist bij de
briefwisseling met de
hoofden der
onderscheidene
kerkgenootschappen),
208, eerste lid (Het
onderwijs is een
voorwerp van de
aanhoudende zorg der
Regering), en 209 (Het
armbestuur is een
onderwerp van
aanhoudende zorg der
Regering).
1.
Wetsontwerp nr. 14
224.
2. Wetsontwerp nr. 13
990.
Artikelsgewijs
Artikel
II
Artikel
5.1.1 [81]
(artikel 64
staatscommissie)
Ter
inleiding van de
bepalingen betreffende
de wijze van totstandkoming van de wet
stelt artikel 119 van de Grondwet
voorop
dat de wetgevende macht gezamenlijk door
de Koning en de Staten-Generaal wordt
uitgeoefend. Strikt genomen voegt de
bepaling niets aan het volgende toe;
daaruit blijkt immers dat en hoe zulks
geschiedt.
Toch menen wij dat het
onjuist zou zijn uitsluitend op grond
van zulke overwegingen over de zin der
bepaling te oordelen. Deze bepaling legt
één van de voornaamste grondslagen van
ons staatsbestel vast en geeft aan in
welke zin de erop volgende voorschriften
moeten worden verstaan en gehanteerd.
Het lijkt dan ook niet geraden te zeggen dat het vaststellen van de
wetten slechts een vorm van
overheidsoptreden is, naast andere even
legitieme vormen, en dat de wet zich
alleen formeel onderscheidt van allerlei
andere voorschriften, die materieel
evenzeer als wetgeving moeten worden beschouwd.
De betekenis van de wet in dezen is dat
zij als het door regering en
Staten-Generaal tezamen genomen besluit
ook juridisch een hogere regeling is.
rblz.|11|
Daarom
stellen wij voor de besproken bepaling
te handhaven. Hierbij is de term "wetgevende
macht" vervangen door "vaststelling
van wetten". De oude term "wetgevende
macht" heeft in het verleden wel
aanleiding gegeven tot misverstand,
omdat soms met "macht" bedoeld was
"orgaan" (zie artikel 136 van de Grondwet), soms
"bevoegdheid" (artikel
119 van de Grondwet). Daarom menen wij
dat het beter is het gebruik van deze
term te vermijden. Het begrip "wetgeving", dat de staatscommissie
ervoor in de plaats wilde stellen, is
eveneens vermeden, omdat dit ook wel
wordt gebezigd voor het geven van
regelingen die geen formele wet zijn.
Opneming van de term "wetgeving" in
het opschrift van het vijfde hoofdstuk
ontmoet geen bezwaar, aangezien het
hoofdstuk ook bepalingen kent
betreffende regelgeving in meer
algemene zin. In dit artikel - en in de
rest van de artikelen betreffende de
totstandkoming van de formele wetten -
moet het echter buiten twijfel zijn dat
uitsluitend wordt gedoeld op de wetten
in formele zin.
In paragraaf 5, onder c, van het
algemeen deel van
deze memorie van toelichting hebben wij
uiteengezet dat met het oog op de
staatkundige werkelijkheid naar ons
oordeel in dit artikel, dat in algemene
zin aangeeft welke organen de wetgeving
tot stand brengen, de term "regering"
dient te worden gebruikt.
Artikel
5.1.2 [82]
(artikel 65 staatscommissie)
Zoals
in paragraaf 5, onder c, van het algemeen
deel van de memorie van toelichting is
uiteengezet, zijn wij van mening dat ten
aanzien van de indiening van
wetsontwerpen de term "vanwege de
Koning" de voorkeur verdient.
De
bevoegdheid om
wetsvoorstellen te
doen, kent de Grondwet
thans toe aan de
Koning (artikel 80,
eerste lid) en aan de
Tweede Kamer (artikel
126 en 127, eerste
lid).
De
huidige Grondwet schrijft in hoofdstuk
II (Van de Koning) ten aanzien van
bepaalde wetsontwerpen voor dat de
kamers daarover in verenigde vergadering
dienen te beraadslagen en te besluiten,
zoals bijvoorbeeld over een wetsontwerp regelende
de voogdij over de minderjarige Koning
(artikel 32) en over een wetsontwerp
regelende het regentschap (artikel 37).
Ook in de voorstellen van de
staatscommissie wordt deze procedure in
een aantal gevallen voorgeschreven (bijvoorbeeld
in de artikelen 24 en 25 van de
staatscommissie).
In
het nog in te dienen wetsontwerp inzake
het koningschap zal voor dergelijke
wetsontwerpen eveneens worden
voorgeschreven dat de kamers erover
beraadslagen en besluiten in verenigde
vergadering. Wij achten het gewenst aan
de verenigde vergadering voor zodanige
gevallen het recht van initiatief toe te
kennen. Dit recht zal aan de verenigde
vergadering uiteraard niet dienen te
worden verleend voor wetsontwerpen ten
aanzien waarvan in de Grondwet wordt
voorgeschreven dat het initiatief
daartoe uitsluitend aan de Koning wordt
voorbehouden (bijvoorbeeld artikelen 18 en 43
van de huidige Grondwet, artikelen 21 en
28 van de staatscommissie).
De
staatscommissie stelde in haar artikel
65 voor, de verenigde vergadering het
recht van initiatief heel in het
algemeen toe te kennen. Dit hing samen
met het door de commissie voorgestelde
artikel 55, dat de verenigde vergadering
wilde doen beraadslagen en besluiten
over andere dan in de Grondwet daarvoor
aangewezen onderwerpen, indien elk van
beide kamers daartoe besluit.
In paragraaf 4 van het
algemeen deel van de
memorie van toelichting [van de
staatscommissie, red.] bij het ontwerp
van wet houdende verklaring dat er
grond bestaat een voorstel in overweging
te nemen tot verandering in de Grondwet
van bepalingen inzake de inrichting en
de samenstelling van de Staten-Generaal
is uiteengezet waarom een bepaling in de
trant van genoemd artikel 55 van de
staatscommissie geen aanbeveling
verdient. In dat wetsontwerp hebben wij
zo'n bepaling dan ook niet opgenomen.
Daarmee is ook de reden vervallen de
verenigde vergadering een ruimer recht
van initiatief toe te kennen dan het
voorgestelde artikel
5.1.2 [82]
wil.
In
verband hiermee is het artikel
onderverdeeld in twee leden. Het eerste
lid geeft de regeling voor de gewone
wetsontwerpen, het tweede lid behandelt
de wetsontwerpen waarvoor behandeling
door de verenigde vergadering is
voorgeschreven.
rblz.|12|
Ingevolge
artikel 129 der Grondwet
kunnen andere
voordrachten dan voorstellen van wet
door elke kamer afzonderlijk aan de
Koning worden gedaan. De bepaling is in
1848 in de Grondwet
opgenomen (toen
artikel 113) speciaal met het doel het
recht van elk der kamers vast te leggen
om een afzonderlijk adres van antwoord
op de troonrede in te zenden. Deze
directe aanleiding tot het opnemen van
de bepaling is in de praktijk
weggevallen. De Tweede en de Eerste
Kamer beantwoorden respectievelijk
sedert 1906 en 1947 de troonrede niet
meer met een adres. In de ontwikkeling
van het Nederlandse staatsrecht spreekt
het overigens vanzelf dat de kamers in
principe over elk onderwerp voorstellen
kunnen doen. Hiertoe zou ook kunnen behoren een aanbeveling van de Tweede
Kamer aan de Koning met betrekking tot
de kabinetsformatie of een verzoek de
kamer(s) te ontbinden.
Wij
zijn dan ook van oordeel dat vermelding
van deze bevoegdheid onnodig is. Wij
achten haar aanwezig zolang niet
uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald.
Hetzelfde geldt voor de overeenkomstige
bevoegdheid tot het doen van andere dan
wetsvoorstellen aan de Staten-Generaal
ingevolge het slot van artikel 80,
eerste lid, van de huidige Grondwet.
Het
begrip "andere voorstellen" is voorts
te vinden in het huidige artikel 120,
eerste lid, van de Grondwet, dat de
wijze van indiening daarvan regelt. In
het midden moge worden gelaten of de
betekenis van de woorden "voordrachten"
en "voorstellen" in de hier bedoelde
artikelen dezelfde is. Reeds de Grondwet
van 1814 kende een bepaling als thans is
vervat in artikel 80, eerste lid (te
weten artikel 46, eerste lid). De tekst
van de bepaling is sedertdien nagenoeg
ongewijzigd gebleven. Wat destijds
precies bedoeld is met die "andere
voorstellen", is niet geheel duidelijk.
Hoe dit echter zij, de bevoegdheid van
artikel 80, eerste lid, bestaat ook
zonder dat de Grondwet haar
uitdrukkelijk noemt. Mede in verband met
dit laatste achten wij een bepaling als
die van artikel 80, eerste lid, tweede
gedeelte, overbodig. In overeenstemming
daarmee kan ook het procedurevoorschrift
van artikel 120, eerste lid, vervallen
voor zover het betrekking heeft op
"andere voorstellen".
Artikel
5.1.3 [83]
(artikel 66, eerste lid,
staatscommissie)
In de huidige
bepalingen
die de indiening en de
behandeling van
wetsontwerpen
betreffen, zijn enkele
details opgenomen die
niet in de Grondwet
vermeld behoeven te
worden. Zo de bepaling
van artikel 120,
eerste lid, dat de
Koning zijn
voorstellen bij een
schriftelijke
boodschap of door een
commissie aan de
Tweede Kamer zendt;
voorts het voorschrift
van artikel 121, dat
aan de openbare
beraadslaging over
deze voorstellen
altijd een onderzoek
voorafgaat. Ook de
formulieren van
kennisgeving, die de
kamers ter zake van
hun beslissing omtrent
wetsontwerpen tot
elkaar richten,
behoeven geen plaats
in de Grondwet. Wij
menen dan ook dat de
Grondwet kan volstaan
met een beknopte
aanduiding van de gang
van een wetsvoorstel.
De
staatscommissie zou aan de voorgestelde
bepaling nog willen toevoegen:
Behoudens bij de wet te bepalen
uitzonderingen gaan die voorstellen
vergezeld van de adviezen, ter zake
uitgebracht door de in hoofdstuk IV
bedoelde colleges.
Wij
geven er echter de voorkeur aan de
openbaarheid - ook overlegging aan het
parlement is een vorm van openbaarheid -
van de adviezen van deze colleges te
regelen in het hoofdstuk waar ook de
overige bepalingen betreffende deze
instellingen te vinden zijn. Bij het op
dat hoofdstuk betrekking hebbende
wetsontwerp zullen wij op deze
aangelegenheid nader ingaan.
Artikel
5.1.4 [84]
(artikel 67, tweede lid,
staatscommissie)
Het recht van amendement,
dat de Grondwet
thans regelt in artikel
122, wordt door het voorgestelde
artikel 5.1.4 [84]
inhoudelijk niet
gewijzigd. Slechts is toegevoegd de
bepaling dat de regering -
overeenkomstig de bestaande praktijk -
door haar ingediende wetsvoorstellen
ook zelf kan wijzigen.
Artikel 5.1.4 [84]
spreekt van indiening van
wetsvoorstellen vanwege de Koning
en wijziging daarvan vanwege de
regering. Het eerste is overeenkomstig het woordgebruik van artikel 5.1.2
[82].
Het gebruik van de term regering in het
tweede geval berust op de overweging dat
bij wijziging van ingediende
wetsontwerpen geen handeling van de
Koning is vereist.
rblz.|13|
In de bepaling zoals die was ontworpen door
de staatscommissie wordt niet slechts
gesproken van wetsvoorstellen ingediend
vanwege de Koning, maar van voorstellen
in het algemeen. De bepaling had
derhalve ook betrekking op
initiatiefvoorstellen.
Naar
onze mening is dat minder juist. Bij
initiatiefvoorstellen kan van amendering
in grondwettelijke zin geen sprake zijn.
Er is immers pas een initiatiefvoorstel
zodra het is vastgesteld door de Tweede
Kamer respectievelijk de verenigde
vergadering. Hoe zo'n voorstel tot stand
komt - dus ook de "amendering" door de
kamer of de verenigde vergadering van
het ontwerp zoals het door de "indieners" is voorgesteld -, is zaak
van de Kamer respectievelijk van de
verenigde vergadering en behoort te
worden geregeld in hun reglementen van
orde. Daarom heeft het voorgestelde
artikel 5.1.4 [84]
alleen betrekking op
voorstellen van wet ingediend vanwege
de Koning.
De
staatscommissie had de mogelijkheid van
intrekking van een voorstel ook
ondergebracht in dit artikel. Wij geven
er de voorkeur aan deze twee zaken te
scheiden en daarbij het belangrijke
recht van amendement voorop te plaatsen.
De intrekking van wetsvoorstellen, die
ook nog in een later stadium kan
plaatsvinden, wordt geregeld in artikel
5.1.6 [86].
Artikel
5.1.5 [85]
(artikel 66, tweede lid,
staatscommissie)
De inhoud van deze
bepaling
komt overeen met het
begin van artikel 123,
eerste lid, van de Grondwet
en met het
tweede lid van artikel
127.
In
overeenstemming met het gestelde in paragraaf
4, derde alinea, van het algemeen deel
van deze memorie van toelichting zijn de
formulieren van verzending niet meer
opgenomen. De vaststelling daarvan kan
zonder bezwaar worden overgelaten aan
het Reglement van Orde van de Tweede
Kamer.
Artikel
5.1.6 [86]
(artikel 67,
eerste lid,
staatscommissie)
Dit
artikel is in twee opzichten
iets ruimer dan het overeenkomstige
artikel 125 van de Grondwet. In de
eerste plaats doet de voorgestelde tekst
duidelijk uitkomen dat ook
initiatiefvoorstellen kunnen worden
ingetrokken. En bovendien is de bepaling
in de voorgestelde redactie ook van
toepassing op wetsvoorstellen waarover
de Staten-Generaal in verenigde
vergadering beraadslagen en besluiten.
Ter vermijding van ieder misverstand ter
zake zijn in dit artikel, anders dan in
het voorstel van de staatscommissie, de
woorden "vanwege de voorsteller"
ingevoegd. Bij regeringsvoorstellen
geschiedt de intrekking krachtens een
koninklijke machtiging. Bij door de
Tweede Kamer aanvaarde
initiatiefvoorstellen geschiedt de
intrekking door middel van een daartoe
strekkend besluit van deze kamer. Dit
artikel doelt niet op de intrekking van
een initiatiefontwerp door "de
indieners" tijdens de behandeling in de
Tweede Kamer, respectievelijk de
verenigde vergadering, omdat er, zoals
hierboven in de toelichting op artikel
5.1.4 [84]
reeds is opgemerkt, in de zin van
de Grondwet
pas sprake is van een
initiatiefvoorstel zodra het is
vastgesteld door de Tweede Kamer,
respectievelijk de verenigde
vergadering. De wijze waarop de
intrekking geschiedt tijdens de
behandeling in de Tweede Kamer of de
verenigde vergadering is een zaak van de
Kamer, respectievelijk van de verenigde
vergadering, en kan worden geregeld in
hun reglementen van orde.
Artikel
5.1.7 [87]
(artikel 68 staatscommissie)
In
artikel 131, eerste
lid, van de Grondwet
is bepaald dat alle
voorstellen van wet,
door de
Staten-Generaal
aangenomen en door de
Koning goedgekeurd,
kracht van wet
verkrijgen. Wij menen
dat deze bepaling
dient te worden
gehandhaafd. Wel
stellen wij enkele
terminologische
wijzigingen voor. In
plaats van "goedkeuren" zouden
wij "bekrachtigen"
willen lezen, omdat
dit meer in
overeenstemming is met
de constitutieve
betekenis van deze
handeling. Voorts
dienen naar onze
mening de woorden
"verkrijgen kracht
van wet" te worden
veranderd in "wordt
wet", opdat het
rechtsgevolg van de
aanvaarding door de
Staten-Generaal en de
bekrachtiging door de
Koning duidelijker tot
uiting komt.
Ten
aanzien van de bekrachtiging als
afsluitende handeling in het proces
van wetgeving wordt voorgesteld de
term "Koning" te gebruiken, evenals
bij de indiening het geval is.
rblz.|14|
Hierboven
(paragraaf 4 van het algemeen deel van deze
toelichting en bij artikel
5.1.5 [85]) hebben wij reeds aandacht geschonken aan
de artikelen 123, 124, 127, 128 en 130 van
de bestaande Grondwet. Deze artikelen
leggen thans vast in welke vorm de
Koning en de kamers van de
Staten-Generaal elkaar van hun besluiten
omtrent wetsvoorstellen in kennis
stellen. Wij menen dat in de Grondwet
kan worden volstaan met de bepaling dat
de Koning en de Staten-Generaal elkaar
kennis geven van hun besluit omtrent
enig wetsvoorstel. Een grondwettelijke
bepaling omtrent de onderlinge
kennisgeving door de kamers van de
Staten-Generaal achten wij overbodig. De
formulieren kunnen zonder bezwaar hun
grondwettelijk karakter verliezen. Het
voorgestelde lid gaat hiervan uit.
Voor
de kennisgeving aan de Staten-Generaal
van het besluit tot bekrachtiging (tweede
lid) ware evenals in het eerste lid ook de
term "Koning" te gebruiken.
Artikel
5.1.8 [88]
(artikel 69 staatscommissie)
De
regeling van de inwerkingtreding van wetten
en wat daarmee samenhangt is
thans verdeeld over de artikelen 81 en
131, eerste lid, van de Grondwet
en de
artikelen 1 en 2 van de Wet houdende
algemeene bepalingen der wetgeving van
het Koninkrijk (Stb. 1829, 28) [Wet
algemene bepalingen, red.]. Artikel
131, eerste lid, draagt aan de Koning de
afkondiging van de wetten op. Artikel 81
bevat het formulier van afkondiging der
wetten en bepaalt dat de wijze van
afkondiging en het tijdstip waarop de
wetten aanvangen verbindend te zijn,
door de wet worden geregeld. In de Wet
algemene bepalingen zijn voorschriften
opgenomen omtrent de verbindendheid van
wetten, het bekend zijn van de
afkondiging en de inwerkingtreding.
Naar
ons oordeel kan met
een vereenvoudigde
redactie worden
volstaan. De Grondwet
dient de regeling van
de bekendmaking en de
inwerkingtreding van
de wetten op te dragen
aan de wetgever. In
het voorgestelde
artikel is de wetgever
daarbij in zoverre
gebonden dat deze de
inwerkingtreding niet
mag stellen op een
datum die valt vóór
de dagtekening van het
Staatsblad waarin de
wet is bekendgemaakt.
Daarmee
is niets gezegd over de mogelijkheid
een in werking getreden wet te doen
terugwerken. In hoeverre daarvan gebruik
zal moeten worden gemaakt, is evenals
thans aan de wetgever overgelaten. Deze
is daarbij gebonden aan het voorschrift
van artikel 1.15 [16]
dat geen feit strafbaar
kan zijn dan uit kracht van een aan dat
feit voorafgegane wettelijke
strafbepaling.
Wij
merken nog op dat artikel 5.1.8 [88]
niet van
toepassing is op de inwerkingtreding
van rijkswetten, aangezien deze volledig
is geregeld in artikel 22 van het Statuut.¹
Ten aanzien van de bekendmaking van rijkswetten is de in
rblz.|15|
artikel 5.1.8 [88]
bedoelde wet slechts van toepassing voor
zover zij ter uitvoering van artikel 22
van het Statuut
- en uiteraard daarmee
in overeenstemming - nadere regelen
geeft.
1.
Artikel
22 Statuut
luidt:
-
1.
De Regering van het Koninkrijk draagt
zorg voor de afkondiging van rijkswetten
en algemene maatregelen van rijksbestuur. Zij geschiedt in het land,
waar de regeling zal gelden in het
officiële publikatieblad. De
Landsregeringen verlenen daartoe de
nodige medewerking.
-
2. Zij treden in
werking op het in of krachtens die
regelingen te bepalen tijdstip.
-3. Het
formulier van afkondiging der rijkswetten en der algemene maatregelen
van rijksbestuur vermeldt dat de
bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk
zijn in acht genomen.
Artikel
5.1.9 [89]
(artikel 70 staatscommissie)
Ingevolge het huidige artikel 57 der
Grondwet worden algemene maatregelen van
bestuur vastgesteld door de Koning,
waarbij door straffen te handhaven
bepalingen in die maatregelen niet dan
krachtens de wet gemaakt mogen worden.
Straffen op te leggen wegens overtreding
van de bepalingen van de maatregelen
worden, aldus dit artikel, geregeld door
de wet.
De inhoud van dit
grondwetsartikel zouden wij willen
handhaven, zij het met de redactionele
wijziging dat de algemene maatregelen
van bestuur worden vastgesteld "bij
koninklijk besluit". Ook is een
bepaling toegevoegd inzake de
bekendmaking en de inwerkingtreding van
de maatregelen (men vergelijke artikel
81 van de Grondwet).
Bij het tweede lid
merken wij op dat de strafregeling in
de praktijk doorgaans geheel wordt
neergelegd in de delegerende wet. Daarin
zouden wij geen verandering willen
brengen.
Wij merken op dat het derde lid
van artikel 5.1.9 [89]
niet van toepassing is
op de inwerkingtreding van algemene
maatregelen van rijksbestuur, aangezien
deze volledig is geregeld in artikel 22
van het Statuut. Ten aanzien van de
bekendmaking van algemene maatregelen
van rijksbestuur is de in artikel 5.1.9 [89], derde lid, bedoelde wet slechts
van toepassing voor zover zij ter
uitvoering van artikel 22 van het Statuut
- en uiteraard daarmee in
overeenstemming - nadere regelen geeft.
De
staatscommissie volstaat in haar
voorstellen voor het derde lid van dit
artikel met de eerste zin. Wij zouden
het voorschrift willen aanvullen
overeenkomstig artikel 5.1.8 [88]: het
belang van de waarborg dat algemeen
verbindende voorschriften niet in
werking treden voordat zij zijn
afgekondigd, is voor algemene
maatregelen van bestuur (en voor andere
voorschriften van de centrale overheid;
zie beneden) van even groot belang als
voor de wetten in formele zin.
Men
kan zich afvragen of de Grondwet
behalve
de algemene maatregel van bestuur niet
eveneens de ministeriële verordening
zou moeten vermelden. Die vraag
beantwoorden wij ontkennend. De Grondwet
hoeft niet alle regelingen die denkbaar
zijn uitdrukkelijk te vermelden. Naast
de wet noemt zij voor wat de centrale
overheid betreft slechts de
belangrijkste: de algemene maatregel
van bestuur. Het is niet nodig dat de
andere soorten regelingen die voorkomen
- niet alleen ministeriële
verordeningen, maar ook regelende "kleine koninklijke
besluiten" - in de
Grondwet worden opgesomd. Er is echter
geen reden waarom de waarborgen welke in
de artikelen 57 en 81 der Grondwet
zijn gelegen uitsluitend zouden gelden voor
de algemene maatregel van bestuur en
niet voor de ministeriële verordening
en andere regelingen en verordeningen
uitgaande van de centrale overheid. Het
is integendeel van groot belang dat die
waarborgen - te weten dat de
bekendmaking en de inwerkingtreding van
de voorschriften en bij de wet moeten
worden geregeld en dat zij niet in
werking mogen treden voordat zij bekend
zijn gemaakt, alsook dat alle in die
voorschriften opgenomen strafbepalingen
op de wet moeten berusten - gelden voor
alle voorschriften van de centrale
overheid. Daarom stellen wij voor (zie
het vierde lid) de grondwetsbepalingen
die deze waarborgen zullen inhouden ten
aanzien van de algemene maatregel van
bestuur, van toepassing te verklaren ook
op die vanwege het Rijk vastgestelde
algemeen verbindende voorschriften
welke niet in de vorm van een algemene
maatregel van bestuur zijn gegoten.
Aldus zal de Grondwet tevens meer in
overeenstemming zijn met de reeds lang
aanvaarde opvatting dat de wet
bevoegdheid kan verlenen door straffen
te handhaven bepalingen op andere wijze
dan bij algemene maatregel van bestuur
vast te stellen.
Door
het voorschrift van het vierde lid juncto
het derde lid wordt de wetgever
verplicht de bekendmaking niet alleen
van algemene maatregelen van bestuur,
maar ook van andere algemeen verbindende
voorschriften te regelen. Het
additionele artikel A 5.1.9 geeft
maximaal vijf jaren de tijd deze wet tot
stand te brengen.
Wij
hebben nog overwogen
of de Grondwet naast
de straffen ook andere
middelen ter
handhaving van de
voorschriften zou
dienen te vermelden en
ook daarvoor
uitdrukkelijk een
wettelijke machtiging
zou behoren te eisen.
Met name valt hier te
denken aan de
politiedwang.
Daaronder valt te
verstaan het van
bestuurswege doen
wegnemen, beletten,
verrichten of in de
vorige toestand
herstellen van wat in
strijd met een bindend
voorschrift is of
wordt gehouden,
gemaakt of gesteld,
ondernomen, nagelaten,
beschadigd of
weggenomen (vgl. artikel
116 Provinciewet
en artikel 210 Gemeentewet).
In het verleden
daartoe ondernomen
pogingen hebben nimmer
succes gehad. Zo was
reeds in 1883 door de
staatscommissie-Heemskerk
een bepaling
voorgesteld luidend: "Bij zodanige
maatregel worden geen
voorschriften gegeven
door strafbepaling of
politiedwang te
handhaven, dan voor
zover die maatregel
steunt op een wet".
De regering nam dit
voorstel in 1887 niet
over. Een amendement
om alsnog de
politiedwang te
vermelden in artikel
56 (thans 57), tweede
lid, werd door de
Tweede Kamer
afgewezen.
Een
door de Grondwetscommissie van 1910
gedaan voorstel vond geen gehoor bij het
toenmalige kabinet. Grondwettelijke
vermelding van de politiedwang vond ook
sedertdien niet plaats. De commissie-Van
Schaik, de Proeve en de staatscommissie
hebben het evenmin voorgesteld.
rblz.|16|
Er
zijn argumenten aan te voeren vóór het
uitbreiden van artikel 5.1.9 [89]
in die zin
dat ook voorschriften door politiedwang
te handhaven, alleen zouden kunnen
worden gegeven krachtens de wet.
De Grondwetscommissie
van 1910 schreef in
haar verslag: "Door feitelijk ingrijpen
wordt dikwijls grooter leed aangedaan en
scherper wijziging in den rechtstoestand
gebracht dan door strafoplegging".
Daarom concludeerde zij: "Maar dan is
er ook alle reden dat dit niet geschiede
zonder dat de wet er toe machtigt"
(verslag, blz. 13).
Aan
de andere kant komt het slechts zelden
voor dat bij algemene maatregel van
bestuur een voorschrift wordt gegeven
waarvan de niet-naleving niet een
strafbaar feit oplevert, maar wel kan
leiden tot toepassing van politiedwang.
Voorbeelden zijn de Koninklijke Besluiten van 30 oktober 1909,
Stb. 1909, 351,
van 30 juli 1914, Stb. 1914, 332, en van 2 juni
1931, Stb. 1931, 237, tot regeling van de
toelating van vreemde oorlogsschepen
binnen ons rechtsgebied. Deze
maatregelen konden wel leiden tot
politiedwang, maar zij waren van
bijzondere aard: burgers bindende
voorschriften hielden zij niet in.
Vrijwel
steeds wordt de niet-naleving van een
voorschrift echter aangemerkt als een
strafbaar feit; dan geldt de waarborg
van (huidig) artikel 57 Grondwet,
hetwelk bepaalt dat bepalingen door
straffen te handhaven, in algemene
maatregelen van bestuur uitsluitend
krachtens de wet kunnen worden opgenomen
en dat de wet de op te leggen straffen
regelt. Gevallen waartegen de Grondwet
zou moeten waken, doen zich in de
praktijk dus niet of nauwelijks voor.
Daarom
zouden wij, de zaken
overziende, de
Grondwet op dit punt
ongewijzigd willen
laten en stellen wij
niet voor om ook voor
bepalingen die vatbaar
zijn voor handhaving
met politiedwang een
wettelijke basis te
eisen.
Artikel
III
Artikel
A 5.1.8 (artikel
IV staatscommissie)
Voor de voorlopige
handhaving
van het formulier van afkondiging van
wetten en dat voor toezending en
kennisgeving bij de wetgeving is een
additionele bepaling nodig. Deze
formulieren zouden anders immers, zodra
de desbetreffende artikelen van de Grondwet
vervallen zijn, elke basis gaan
ontberen, aangezien uitsluitend de
Grondwet een regeling omtrent deze
formulieren inhoudt. Dit artikel beoogt
in hun voorlopige handhaving te voorzien
totdat daarvoor hetzij door de wetgever,
hetzij in de daarvoor in aanmerking
komende gevallen in de reglementen van
orde van de kamers en van de verenigde
vergadering, een regeling zal zijn
getroffen.
Artikel
A 5.1.9.
Zie de
toelichting op artikel
5.1.9.
Artikel IV
In
het voorgaande is de
vervanging van de in artikel
IV opgesomde
artikelen van de Grondwet
geregeld of
het vervallen ervan
toegelicht; alleen de
voorgestelde
schrapping van artikel
78 moet hier nog
worden besproken.
Volgens
artikel 78 van de
huidige Grondwet
kan
de Koning dispensatie
van wetsbepalingen
slechts verlenen met
machtiging van de wet;
deze wet moet de
bepalingen noemen
waarover de
dispensatiebevoegdheid
zich uitstrekt. Wat
betreft de algemene
maatregel van bestuur
kan de Koning zich de
bevoegdheid tot het
verlenen van
dispensatie bij de
betreffende
maatregelen
voorbehouden.
Wij
stellen voor artikel 78 te doen
vervallen. De inhoud van het eerste en
het derde lid van dit artikel is zo
evident dat een speciale bepaling
daarover in de Grondwet overbodig is.
Het tweede lid van artikel 78,
luidende: "De wet welke deze
machtiging verleent, noemt de
bepalingen waarover de bevoegdheid
tot dispensatie zich uitstrekt",
houdt een beperking in van de
bevoegdheid van de wetgever
dispensatie van zijn bepalingen toe te
staan. Het lijkt wenselijk ook deze
beperking uit de Grondwet te doen
verdwijnen. Aan de wetgever kan worden
rblz.|17|
overgelaten
in zijn
wetten
te bepalen niet alleen of
maar ook in welke mate van de inhoud
daarvan door de regering zal mogen
worden afgeweken.
De
Minister-President, Minister van Algemene
Zaken,
A.A.M. van Agt
De
Minister van Binnenlandse Zaken,
H.
Wiegel
De
Staatssecretaris van Justitie,
E.A.
Haars
|
|