|
rblz.|5|
Kamerstukken II
1977-1978, 15 049 (R 1100) (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 918 (R 1175) (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 31)
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet
van bepalingen inzake de buitenlandse betrekkingen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING (eerste lezing) |
Inhoudsopgave
Algemeen
De
Grondwet regelt de
buitenlandse
betrekkingen in de
artikelen 58 tot en
met 67.¹ De
in deze artikelen
vervatte bepalingen
zijn voor het grootste
deel afkomstig van
de
grondwetsherzieningen
van 1953 en 1956. In
1953 werden, naar
aanleiding van het
rapport van de
commissie-Van Eysinga
en het interim-advies
van de commissie-Van
Schaik, de bepalingen
inzake de buitenlandse
betrekkingen gevormd,
teneinde te voorzien
in de behoeften die
zich met name na 1945
hadden doen gevoelen.
In 1956 werden de
voorschriften op
enkele punten opnieuw
gewijzigd, mede om
tegemoet te komen aan
enige bedenkingen die
inmiddels waren
gerezen. Tegen het
geheel van de herziene
voorschriften worden
nog wel bezwaren
aangevoerd. Deze
betreffen echter niet
zozeer de daaraan ten
grondslag liggende
beginselen dan wel de
wijze waarop de
uitwerking ervan werd
geformuleerd en de moeilijkheden waartoe
in het bijzonder de
redactie van de
desbetreffende
artikelen aanleiding
geeft. Omdat de
strekking van die
artikelen vrij
algemeen als
bevredigend wordt
ervaren, bestaat geen
aanleiding zodanige
wijzigingen voor te
stellen dat een
verandering zou worden
aangebracht in de
uitgangspunten van de
huidige regeling. Wel
is gepoogd een aantal
verduidelijkingen aan
te brengen, met name
in terminologisch en
redactioneel opzicht,
terwijl ernaar is
gestreefd aan de
wetgever meer armslag
te geven.
De
regeling omtrent het
verlenen van
goedkeuring aan
overeenkomsten is
ingrijpend besnoeid,
met behoud overigens
van de hoofdregel dat
de goedkeuring van de
Staten-Generaal is
vereist; de regeling
van de details kan
zonder bezwaar aan de
wetgever worden
overgelaten. In de
Grondwet behoeft niet
precies bepaald te
worden in welke
gevallen geen
goedkeuring nodig is.
Door deze materie aan
de wetgever voor te
behouden, wordt hem
een zekere vrijheid
gegeven de
uitzonderingen op het
goedkeuringsbeginsel
aan te passen aan de
in de praktijk
blijkende behoeften.
De
bovengenoemde
artikelen omtrent de
buitenlandse
betrekkingen, die in
de bestaande Grondwet
zijn geplaatst in de
zesde afdeling van het
tweede hoofdstuk,
getiteld "Van de
macht des Konings",
zijn overigens anders
gerangschikt en sterk
bekort door weglating
van overbodige
details.
De
buitenlandse betrekkingen worden door
artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Statuut
voor het Koninkrijk tot
aangelegenheden van het Koninkrijk
verklaard. Daaromtrent schrijft het
derde lid van artikel 5 van het Statuut
voor dat voor een voorstel tot
verandering in de Grondwet, alsmede op
het rblz.|6|
ontwerp
van wet dat er grond bestaat een
zodanig voorstel in overweging te nemen,
de procedure van rijkswet in acht moet
worden genomen, zoals deze geregeld is
in de artikelen 15 tot en met 20 van het
Statuut. Op grond
hiervan heeft
bijgaand wetsontwerp de vorm van een
ontwerp van rijkswet.
Met het
onderhavige voorstel volgen wij in
belangrijke mate het advies dat de
Staatscommissie van advies inzake de
Grondwet en de Kieswet
over de
bepalingen betreffende de buitenlandse
betrekkingen heeft gegeven (Eindrapport,
blz. 180-188). Op een aantal punten
evenwel zijn wij van dit advies
afgeweken. De afwijkingen betreffen een
enkele terminologische wijziging en het
niet overnemen van de door de
staatscommissie voorgestelde bepaling
inhoudende dat het buitenlands beleid
wordt gevoerd door de regering (artikel
72, eerste lid, van de staatscommissie).
Voorts hebben wij, anders dan de
staatscommissie, in onze voorstellen
uitdrukkelijk gehandhaafd een bepaling
als het huidige artikel 65, eerste lid,
inzake de rechtstreekse werking van
geschreven volkenrecht en de bepaling
van artikel 67 van de
Grondwet dat bij
of krachtens verdrag aan
volkenrechtelijke organisaties
bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en
rechtspraak kunnen worden opgedragen.
Ook hebben wij, in afwijking van de
staatscommissie, gehandhaafd de tweede
zin van het eerste lid van artikel 59,
bepalende dat voor een
oorlogsverklaring geen toestemming van
de Staten-Generaal is vereist wanneer
het overleg met de Staten-Generaal tengevolge van een feitelijk bestaande
oorlogstoestand niet mogelijk is
gebleken. Voor de wijze waarop verdragen
moeten worden goedgekeurd, is in het
wetsontwerp, anders dan in het voorstel
van de staatscommissie, delegatie
uitgesloten. Op één en ander wordt in
de artikelsgewijze toelichting verder
ingegaan.
1.
Buiten beschouwing blijven hier artikel
4, tweede lid, inzake
uitleveringsverdragen, en 84, derde lid,
betreffende onder meer het horen van de Raad
van State over verdragen.
Artikelsgewijs
Artikel
5.2.1 [91]
(artikel 72, staatscommissie)
Dit artikel voorziet in de materie
thans geregeld in de artikelen 60,
eerste en tweede lid, en 61 tot en met
64 van de
Grondwet.¹
De nieuwe regeling is aanzienlijk
beperkter van omvang. Slechts de
belangrijkste beginselen zijn
overgenomen, terwijl de uitwerkingen
daarvan, die in het bestaande systeem
een plaats hadden gekregen in de
Grondwet zelf, in ons voorstel worden
overgelaten aan de wetgever.
Ook
redactioneel wijken de nieuwe
voorschriften af van de bestaande
bepalingen. Zo stellen wij voor de in
de bestaande Grondwet gebezigde
uitdrukking "overeenkomsten met andere
mogendheden en volkenrechtelijke
organisaties" te vervangen door
"verdragen", teneinde, onder
instandhouding van datgene wat
krachtens constitutionele interpretatie
onder overeenkomsten wordt verstaan,
een betere, met het volkenrecht in
overeenstemming zijnde terminologie te
verkrijgen. Vóór de herziening van
1953 maakte de Grondwet een onderscheid
tussen "verdragen met vreemde
mogendheden" en "andere
overeenkomsten met vreemde mogendheden"; alleen voor de
bekrachtiging van verdragen was
goedkeuring van de Staten-Generaal
vereist, terwijl de "andere
overeenkomsten" slechts aan de
volksvertegenwoordiging moesten worden
medegedeeld. Onder verdragen werden
volgens een toenmalige doctrine verstaan
de in plechtige tractaatsvorm aangegane
overeenkomsten. Dit
onderscheidingscriterium leidde ertoe
dat allerlei "andere overeenkomsten"
die soms veel belangrijker waren dan
"verdragen", buiten de Staten-Generaal
om werden aangegaan.
In
deze moeilijkheid werd in 1953 voorzien
door niet meer van deze twee
categorieën te spreken, maar daarvoor
in de plaats te stellen de "overeenkomsten
met andere mogendheden en met
volkenrechtelijke organisaties",
terwijl voor al deze overeenkomsten de
goedkeuringseis zou gelden, behoudens
bepaalde uitzonderingen. Deze oplossing
van 1953 bracht door de uitbreiding van
de goedkeuringseis een belangrijke
verbetering, maar was in terminologisch
opzicht geen gelukkige greep. Onder
verdragen worden in de huidige praktijk
verstaan alle overeenkomsten welke
volgens volkenrechtelijke criteria voor
de Staat verbindend zijn, ongeacht de
vorm. Door het gebruik van de term
"verdragen" wordt de eis van
goedkeuring door de rblz.|7|
Staten-Generaal,
vergeleken met de huidige Grondwet, in
geen opzicht veranderd. Onder de term
verdragen zullen ook in de toekomst niet
vallen de tweevoudige bestuursdaden van
het dagelijkse buitenlandse beleid die
de vorm hebben van een vraag uit het ene
land en het daarop gegeven antwoord uit
het andere. Het enkele feit dat een
juridisch niet verbindende afspraak in
schriftelijke vorm is vervat, brengt
haar niet onder het begrip verdrag.
In
het voorgestelde eerste lid is, evenals
in het bestaande artikel 60 van de
Grondwet, de hoofdregel neergelegd van
voorafgaande goedkeuring van verdragen
door de Staten-Generaal. Artikel 60,
tweede lid, van de
Grondwet drukt dit
aldus uit dat de overeenkomsten niet
worden bekrachtigd en niet in werking
treden dan nadat zij zijn goedgekeurd.
Deze bepaling is te lezen als een
grondwettelijk verbod om zonder
toestemming van de Staten-Generaal de
rechtshandelingen te verrichten waardoor
een verdrag volkenrechtelijk bindend
wordt. Dit laatste kan geschieden door
middel van bekrachtiging, maar vooral
na de tweede wereldoorlog zijn andere,
eenvoudiger procedures in in zwang
gekomen. Hierop doelt de bestaande
Grondwet met de term "in werking
treden", waaronder de volkenrechtelijke
binding verstaan moet worden: voor wat
betreft verdragen waarbij niet de
formele procedure van bekrachtiging
wordt gevolgd, zal derhalve slechts
sluiting onder voorbehoud geoorloofd
zijn. In de nieuwe bepaling werd dit
principe gehandhaafd; de formulering
werd echter herzien. Hierbij werd
aansluiting gezocht bij de statutaire
verhoudingen door de zinswending "Het
Koninkrijk wordt niet aan verdragen
gebonden...". De vraag zou kunnen
worden gesteld of met de term
Koninkrijk alleen "het Rijk in
Europa", dan wel het gehele Koninkrijk
is bedoeld. Nu de buitenlandse
betrekkingen door het Statuut
in artikel
3 tot Koninkrijksaangelegenheid zijn
bestempeld, kan alleen het Koninkrijk
optreden, hetzij voor het gehele Rijk,
hetzij voor één der delen. In het
volkenrechtelijk verkeer zal dus steeds
het Koninkrijk worden verbonden,
onverschillig of dit geschiedt alleen
voor één of de twee rijksdelen. Uit het
betrokken verdrag dan wel de akte van
bekrachtiging of inwerkingstelling zal
blijken of het één dan wel het andere
het geval is.
Voor
wat betreft de
goedkeuring zelf
achten wij het niet
noodzakelijk dat de
Grondwet, in een
nieuwe opzet, aangeeft
in welke gevallen van
de goedkeuringseis
kan worden afgeweken.
Volstaan kan worden
met grondwettelijke
vermelding van de
reeds genoemde
hoofdregel van
voorafgaande
goedkeuring door de
Staten-Generaal met
daaraan gekoppeld een
bepaling dat de
wetgever gevallen zal
aanwijzen waarin geen
goedkeuring vereist is
(eerste lid van het
voorgestelde artikel).
De wetgever zal
hierbij een
aanknopingspunt
vinden in het
bestaande artikel 62.
Ten
aanzien van vorenbedoelde aanwijzing dat
geen goedkeuring vereist is, wordt in het
eerste lid delegatie uitgesloten. Voor
de regeling van de wijze waarop de
goedkeuring wordt verleend, is delegatie
ingevolge het tweede lid van het
voorgestelde nieuwe artikel eveneens
uitgesloten. Op dit onderdeel wijken
wij af van het voorstel van de
staatscommissie die ten aanzien van de
procedureregeling delegatie aanvaardbaar
achtte. Wij zijn echter van oordeel dat
de procedureregeling op dit zo
belangrijke terrein door de wetgever
zelf behoort te worden vastgesteld.
Bij
dit systeem kunnen de
bepalingen van de
bestaande artikelen 61
en 62 vervallen. Ook
de inhoud van het
bestaande artikel 64
is in de nieuwe
bepalingen verwerkt;
over toetreding tot
overeenkomsten behoeft
in de redactie van het
eerste lid van het
voorgestelde artikel
niet meer met zoveel
woorden te worden
gesproken. Het leek
wenselijk in het
tweede lid de
stilzwijgende
goedkeuring
uitdrukkelijk te
noemen, teneinde elke
twijfel over de
toelaatbaarheid
daarvan uit te
sluiten.
In
het ontwerp van Rijkswet
14 200 (R 1048),
Grondwetswijziging op het stuk van de
bepalingen inzake toelating, uitzetting
en uitlevering, het Nederlanderschap en
het ingezetenschap, wordt een bepaling
voorgesteld waarin de mogelijkheid tot
uitlevering van Nederlanders niet wordt
uitgesloten, mits deze krachtens verdrag
geschiedt. In het voorlopig verslag van
de rblz.|8|
Tweede
Kamer over dat wetsontwerp wordt
instemming betuigd met de gedachte met
zoveel woorden te bepalen dat voor een
verdrag dat de mogelijkheid van
uitlevering van Nederlanders bevat
uitdrukkelijke goedkeuring is vereist.
Bij het onderhavige wetsontwerp komen
wij op deze kwestie terug. Wij zien
geen aanleiding om de Grondwet te laten
bepalen dat voor een dergelijk verdrag
uitdrukkelijk goedkeuring is vereist. De
hoofdregel van de goedkeuring van
verdragen in het algemeen is vervat in
artikel 5.2.1 [91], eerste lid, volgens
hetwelk het Koninkrijk niet aan
verdragen wordt gehouden zonder
voorafgaande goedkeuring van de
Staten-Generaal. Het is niet
waarschijnlijk dat de wetgever verdragen die de mogelijkheid van
uitlevering van Nederlanders bevatten,
zal schikken onder de verdragen waarvoor
geen goedkeuring is vereist (artikel
5.2.1 [91], eerste lid, tweede
zin) of voor
deze verdragen zal voorzien in
stilzwijgende goedkeuring (artikel 5.2.1
[91], tweede lid).
Wij wijzen hier erop
dat wij, in afwijking van de
staatscommissie, in ons voorstel het
voorschrift dat de wet de wijze bepaalt
waarop de goedkeuring wordt verleend (artikel 5.2.1 [91], tweede lid), terstond
laten volgen op de bepaling inzake het
binden van het Koninkrijk aan verdragen
(artikel 5.2.1 [91],
eerste lid). Uit een
oogpunt van systematiek achten wij dit
beter dan het voorstel van de
staatscommissie, waarin tussen de
genoemde bepalingen in, het voorschrift
is geplaatst inzake de goedkeuring van
bepalingen in een verdrag welke
afwijken van de Grondwet (artikel 72,
tweede, derde en vierde lid, van de staatscommissie).
Het voorschrift vervat in de eerste
zinsnede van het tweede lid van het
bestaande artikel 60 dat
overeenkomsten zo spoedig mogelijk aan
de Staten-Generaal worden medegedeeld,
is in ons voorstel niet overgenomen. Het
is voor een deel overbodig omdat in de
goedkeuringseis toch reeds een plicht
tot mededeling is vervat. Voor de bij de
wet te bepalen gevallen waarin geen
goedkeuring is vereist, achten wij wel
een plicht tot mededeling op zijn
plaats. Wij oordelen het evenwel niet
nodig die mededelingsplicht in de
Grondwet te vermelden. De wet die de
uitzonderingen op de goedkeuringseis
vaststelt, zal hierin kunnen voorzien.
Hierbij
wijzen wij voorts erop dat de Rijkswet
van 22 juni 1961, Stb. 1961, 207, houdende
regeling inzake de bekendmaking van
internationale overeenkomsten en van
besluiten van volkenrechtelijke
organisaties, reeds in een verplichting
tot publikatie in het Tractatenblad
voorziet ook van de hier bedoelde
verdragen.
Het
derde lid van het
voorgestelde artikel
strekt tot vervanging
van artikel 63 van de
bestaande
Grondwet.
Dat artikel voorziet
in de mogelijkheid dat
in een verdrag wordt
afgeweken van
bepalingen van de
Grondwet. Afwijking
van de Grondwet in een
verdrag wordt
toegelaten, maar de
goedkeuring van zulk
een verdrag kan alleen
met gekwalificeerde
meerderheid van
stemmen door de kamers
der Staten-Generaal
worden verleend. Deze
regeling wordt in het
voorgestelde derde lid
gehandhaafd, maar wel
in een andere vorm
gegoten. De
clausulering vervat
in de woorden van het
bestaande artikel 63
"indien de
ontwikkeling van de
internationale
rechtsorde zulks
vordert" werd niet
overgenomen. Deze
toevoeging is
overbodig.
Voorts
wordt in de voorgestelde bepaling niet
gesteld, zoals het bestaande artikel 63
doet, dat in een verdrag kan worden
afgeweken van bepalingen in de Grondwet.
Deze formulering wordt vervangen door de
woorden "indien een verdrag bepalingen
bevat welke afwijken van de Grondwet dan
wel tot zodanige afwijking noodzaken".
Aldus wordt beter weergegeven het geval
dat niet een verdrag zelf afwijkt van de
Grondwet, maar dat de toepassing van
een verdrag tot zodanige afwijking kan
nopen.
In
het vierde lid van het
voorgestelde artikel
hebben wij het
voorschrift opgenomen
dat de wet regels
geeft omtrent de
bekendmaking van
verdragen en besluiten
van volkenrechtelijke
organisaties. Dit
voorschrift staat
thans verspreid over
de bestaande artikelen
65, tweede lid, en 67,
tweede lid.²
De staatscommissie had
het voorschrift
omtrent de
bekendmaking opgenomen
in haar artikel 73 aansluitend
op de in dat artikel vervatte bepaling
dat wettelijke voorschriften geen
toepassing vinden indien deze
toepassing niet rblz.|9|
verenigbaar
is met een ieder verbindende bepalingen
van verdragen en besluiten van
volkenrechtelijke organisaties, nadat
deze zijn bekend gemaakt. In afwijking
van de staatscommissie menen wij dat het
uit een oogpunt van systematiek
aanbeveling verdient het onderhavige
voorschrift onder te brengen in het
voorgestelde artikel 5.2.1 [91]. De
grondwettelijke regeling van de
bekendmaking van verdragen en besluiten
van volkenrechtelijke organisaties
behoort naar haar aard beter thuis bij
de in de nieuwe Grondwet op te nemen
bepaling inzake het binden aan en
opzeggen van verdragen.
Volgens
het bestaande artikel 58 van de
Grondwet heeft de Koning het opperbestuur der
buitenlandse betrekkingen. Het eerste
lid van artikel 72 van de
staatscommissie, bepalende dat het
buitenlands beleid wordt gevoerd door
de regering, is in vergelijking daarmede
ongetwijfeld een verbetering. In het
advies van de Commissie van Advies
inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
wordt terecht opgemerkt dat waar
buitenlandse betrekkingen niet
eenzijdig worden bepaald, maar naar hun
aard altijd twee-, zo niet meerzijdig
zijn, het wat zonderling aandoet om te
spreken van het opperbestuur der
buitenlandse betrekkingen. Hoewel het
voorstel van de staatscommissie op dit
punt een betere redactie geeft, hebben
wij het in het voorliggende wetsontwerp
toch niet overgenomen. In de eerste
plaats achten wij de door de
staatscommissie voorgestelde bepaling,
naast de algemene grondwettelijke
bepalingen inzake de regering en de
ministeriële verantwoordelijkheid,
overbodig. Voorts is er het bezwaar
dat, indien aan de bepaling een
bijzondere betekenis zou moeten worden
toegekend, wel eens misverstanden
zouden kunnen rijzen. In het geheel van
de tekst van de Grondwet lijkt het
alsof met deze bepaling aan de wetgeving
in het algemeen en aan de
Staten-Generaal in het bijzonder een
grens wordt gesteld. Juist op het
terrein van de buitenlandse
betrekkingen, waar de Staten-Generaal
eerst na vele grondwetsherzieningen de
nodige invloed is verzekerd, komt dit
ongewenst voor. Daarom geven wij de
voorkeur eraan de onderhavige bepaling
geheel weg te laten.
De
in het tweede lid van artikel 58 der
Grondwet omschreven doelstelling - de
opdracht tot bevordering van de
internationale rechtsorde - is in het
wetsontwerp op het voetspoor van de
staatscommissie niet overgenomen. De
traditie van Nederland mede te werken
aan de bevordering van de internationale rechtsorde zal ook
zonder zulk een bepaling ongetwijfeld
worden voortgezet. Daarnaast moeten ook
andere doeleinden, zoals de behartiging
van nationale en bondgenootschappelijke
belangen alsmede de bevordering van het
welzijn der wereldbevolking, bij het
buitenlands beleid in het oog worden
gehouden. Er is naar ons oordeel noch
aanleiding om al deze doeleinden - met
grote kans op onvolledigheid - te
vermelden, noch reden om slechts één of
enkele daarvan te noemen.
1.
Het
derde lid van artikel 60 van de
Grondwet, bepalende dat de rechter niet
treedt in beoordeling van de
grondwettigheid van overeenkomsten,
valt buiten het bestek van dit
wetsontwerp. Overeenkomstig het advies
van de staatscommissie zal deze bepaling
worden geplaatst in het in de nieuwe
Grondwet
op te nemen hoofdstuk
"Rechtspraak".
2. Aan het grondwettelijk
voorschrift is voldaan bij Rijkswet van 22 juni 1961, Stb. 1961, 207.
Artikel
5.2.2 [92]
Zoals eerder in
de inleiding van deze
memorie reeds werd aangegeven,
stellen wij prijs op het behoud in de
nieuwe
Grondwet van de
bepaling dat bij
of krachtens verdrag aan
volkenrechtelijke organisaties
bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en
rechtspraak kunnen worden opgedragen.
De staatscommissie-Cals/Donner gaat er,
op het voetspoor van de Proeve [lees:
Proeve voor een nieuwe Grondwet, red.], van uit
dat ook zonder een dergelijke
grondwettelijke bepaling bevoegdheden
van wetgeving, bestuur en rechtspraak
aan internationale organisaties kunnen
worden opgedragen.
In
die zienswijze kan deze bevoegdheid
worden afgeleid uit de overige
bepalingen inzake verdragen. Hoewel ook
wij deze benadering op zich zelf niet
afwijzen, wijzen wij erop dat in 1953
niettemin de betreffende bepaling in de
Grondwet is opgenomen op grond van de
overweging dat in de toekomst de
opdracht van bevoegdheden aan
internationale organisaties wel eens van
zodanige omvang zal kunnen zijn dat
zonder een uitdrukkelijke daartoe
strekkende grondwetsbepaling de
constitutionaliteit van zodanige
opdracht in twijfel zou kunnen worden
getrokken. Wij achten deze overweging
thans zeker niet minder van belang dan
in 1953.
rblz.|10|
Hierbij
verdient de aandacht dat het niet
uitgesloten moet worden geacht dat bij
een zodanige opdracht expliciet van
bepalingen in de
Grondwet moet kunnen
worden afgeweken. De grondwetgever van
1953 heeft dit voorzien, door naast het
huidige artikel 67 het tegenwoordige
artikel 63 in de
Grondwet op te nemen.
Dit artikel, dat inhoudt dat bij verdrag
van de Grondwet kan worden afgeweken,
had een zelfstandige betekenis, maar
moest daarbij toch in nauwe relatie met
artikel 67 worden gezien. In 1956 werd
één en ander nog onderstreept door in
het tegenwoordige artikel 67 de clausule
op te nemen dat de opdracht van
bevoegdheden aan volkenrechtelijke
organisaties kan plaatsvinden met
inachtneming, zo nodig, van het bepaalde
in artikel 63. Aldus werd uitdrukkelijk
verzekerd dat wanneer op grond van
artikel 67 van de
Grondwet verdragen
worden gesloten die ingevolge artikel
63 een goedkeuring met gekwalificeerde
meerderheid van stemmen zouden vereisen,
deze gekwalificeerde meerderheid ook
ingevolge artikel 67 nodig is. Wij zien
geen reden om van deze in 1956 gekozen
duidelijke opzet af te wijken. De tekst
van het voorgestelde artikel 5.2.2 [92]
is
hierop afgestemd. Het was daarbij
onnodig het laatste lid van het
bestaande artikel 67 over te nemen, omdat
de voorgestelde artikelen 5.2.2a
[93]
en 5.2.2b
[94]
daarin reeds voorzien. De
vermelding van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties in
laatstgenoemd artikel geeft overigens
nog een argument voor opneming van
artikel 5.2.2 [92].
Artikel
5.2.2a [93]
(artikel 73 staatscommissie)
Dit
artikel vervangt het eerste lid
van artikel 65 van de
Grondwet, alsmede
het tweede lid van het huidige artikel
67, voor zover dat de rechtstreekse
werking van een ieder verbindende
bepalingen van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties betreft.
In artikel 65 is het belangrijke
beginsel van Nederlands constitutioneel
recht neergelegd dat bepalingen van
verdragen die naar haar inhoud [lees:
naar hun inhoud, red.] een ieder kunnen verbinden, rechtstreeks in
de nationale rechtsorde worden
toegepast. Dit beginsel wordt in het
voorgestelde artikel gehandhaafd. Ten
opzichte van het bestaande artikel 65
is er slechts dit verschil dat het woord
"deze" in artikel
5.2.2a [93]
uit
taalkundige overweging niet is
overgenomen.
Naast
de een ieder
verbindende bepalingen
van verdragen worden
in het voorgestelde
artikel de een ieder
verbindende bepalingen
van besluiten van
volkenrechtelijke
organisaties vermeld.
Dit verdient de
voorkeur boven het
systeem van de
bestaande
Grondwet waarin in een apart
artikel (artikel 67,
tweede lid) artikel 65
Grondwet van
overeenkomstige
toepassing wordt
verklaard ten aanzien
van besluiten van
volkenrechtelijke
organisaties.
Met
het voorgestelde artikel 5.2.2a
[93]
wijken
wij af van het voorstel van de
staatscommissie. De staatscommissie
heeft artikel 65, eerste lid, van de
Grondwet niet door een apart artikel
vervangen, maar met de artikelen 66 en
67, tweede lid, van de
Grondwet in één
nieuw grondwetsartikel ondergebracht
(artikel 73 staatscommissie). Voorts
heeft de staatscommissie de in het
bestaande artikel 65 voorkomende passage
omtrent bepalingen van verdragen die
naar haar inhoud [lees:
naar hun inhoud, red.]
een ieder kunnen
verbinden, vervangen door de term "een
ieder verbindende bepalingen".
Wij
hebben de commissie
hier niet gevolgd in
de eerste plaats omdat
wij menen dat in
artikel 73 van de
staatscommissie
onvoldoende de
rechtstreekse werking
van geschreven
volkenrecht in de
nationale rechtsorde
tot uitdrukking wordt
gebracht. Naar de
tekst genomen, bevat
artikel 75 van de
staatscommissie een
regeling voor het
geval dat een ieder
verbindende bepalingen van
verdragen en van
besluiten van
volkenrechtelijke
organisaties botsen
met nationale
wettelijke
voorschriften (het
huidige artikel 66).
De
rechtstreekse werking van de een ieder
verbindende bepalingen, met name ook van
die bepalingen waarbij van strijd met
nationale wettelijke voorschriften geen
sprake is, valt slechts indirect uit
artikel 73 op te maken. Door het
voorkomen daarin van de term "een ieder
verbindende" wordt de rechtstreekse
werking als het ware voorondersteld. Wij
geven er de voorkeur aan dit
constitutionele beginsel dat in
verschillende landen niet rblz.|11|
wordt
aanvaard in het voetspoor van de
bestaande Grondwet in een apart artikel
uitdrukkelijk te verankeren. Daarbij
hebben wij de tekst van artikel 65,
eerste lid, die in deze vorm in 1956 is
tot stand gekomen, nagenoeg ongewijzigd
overgenomen. Wij wijzen hier erop dat
wij niet de opvatting van de
staatscommissie kunnen delen dat de in
artikel 65 van de
Grondwet voorkomende
woorden "welk naar haar inhoud [lees:
naar hun inhoud, red.] een
ieder kunnen verbinden", indien al niet
overbodig, onjuist zouden zijn, omdat
het antwoord op de vraag of een
verdragsbepaling algemeen verbindend is
- krachtens tekst, partijbedoeling of
strekking -, afhangt van het verdrag zelf
en bij de interpretatie van elk verdrag
aan de orde komt. Naar het inzicht van
de commissie suggereren de onderhavige
woorden ten onrechte een norm te geven
waaraan getoetst zou kunnen worden of
een verdrag een ieder bindt.
Hiertegenover zijn wij van oordeel dat
de strekking van de bedoelde woorden
niet zozeer is een norm te geven "waaraan getoetst zou kunnen
worden of
een verdrag ieder bindt", doch om vast
te stellen dat verdragsbepalingen die
materieel (naar haar inhoud [lees:
naar hun inhoud, red.]) algemeen
verbindend kunnen zijn, die
verbindendheid ook werkelijk bezitten
wanneer is voldaan aan de voorwaarde van
bekendmaking. Tegen de in het eerste
lid van artikel 65 van de
Grondwet geformuleerde eis van bekendmaking is
voorts wel het bezwaar geopperd dat
daardoor de indruk wordt gewekt dat de
Grondwet zou bepalen op welk tijdstip
een ieder verbindende verdragsbepalingen
haar verbindende kracht krijgen. Dat
evenwel, aldus in deze opvatting, wordt
door het volkenrecht en het betrokken
verdrag uitgemaakt, zij het met
inachtneming van het algemeen
rechtsbeginsel omtrent de bekendmaking.
Hoewel
wij dit laatste erkennen, hechten wij
eraan, gezien het in onze constitutie
neergelegde beginsel van de
rechtstreekse werking van een ieder
verbindende verdragsbepalingen, de
bekendmakingseis in de nieuwe Grondwet
te blijven vermelden. Aldus wordt in de
Grondwet de betekenis van de
bekendmaking voor de nationale
rechtsorde onderstreept. Ook de
staatscommissie ging van de
wenselijkheid hiervan uit blijkens de
opneming van de bekendmakingseis aan
het slot van haar artikel 73. Het ligt
in de rede, nu wij de inhoud van artikel
65 in een apart artikel 5.2.2a
[93]
hebben
overgenomen, daarin ook de
bekendmakingseis in de bestaande
formulering te behouden. Daarbij dient
niet uit het oog te worden verloren dat
een wijziging van de huidige tekst een onnodig risico voor de rechtspraktijk
met zich mee zou kunnen brengen.
De
bekendmaking kan op velerlei wijze
geschieden, maar het wordt - zowel in
het huidige artikel 65, tweede lid, als
in het voorgestelde vierde lid van
artikel 5.2.1 [91]
- aan de wetgever
overgelaten daaromtrent regels te
stellen. Zulks houdt echter niet in dat
de bekendmaking altijd door een
nationale instantie zou dienen te
geschieden. Hierbij valt met name te
denken aan besluiten van
volkenrechtelijke organisaties.
Artikel
5.2.2b [94]
(artikel 73,
staatscommissie)
Dit
artikel heeft ten doel
de huidige artikelen
66 en, voor een deel,
67 van de
Grondwet
te
vervangen. In het
tegenwoordige artikel
66 wordt de
moeilijkheid opgelost
die ontstaat indien de
toepassing van een
ieder verbindende
bepalingen van een
verdrag in botsing
komt met nationale
wettelijke
voorschriften.
Toepassing
van de nationale voorschriften moet dan
naar de
Grondwet
achterwege worden
gelaten. Deze regeling is in het
voorgestelde nieuwe artikel
gehandhaafd.
Voor
wat betreft de term "een ieder
verbindende" zij
hierbij aangetekend
dat in de bestaande
Grondwet daarmede meer
wordt bedoeld dan
volgens een beperkte
taalkundige uitleg het
geval zou zijn: ook
het toekennen aan een
ieder van aanspraken
valt hieronder. De
onderhavige term wordt
in het voorgestelde
artikel gehandhaafd,
ondanks de daarop
uitgebrachte kritiek.¹
Door het schrappen van deze woorden,
zoals bepleit door de Commissie van
Advies inzake Volkenrechtelijke
Vraagstukken, zouden nieuwe problemen
rijzen. Bij het vervallen van de woorden
"een ieder
verbindende" zouden immers
wettelijke voorschriften ook buiten
toepassing blijven indien zij rblz.|12|
onverenigbaar zouden moeten
worden geacht met
bepalingen van
verdragen en van
besluiten van
volkenrechtelijke
organisaties welke
duidelijk bestemd zijn
om alleen de overheid
te binden in haar
betrekking tot andere
staten. Onder meer kan
dit laatste blijken
uit het feit dat
zodanige bepalingen
nog een nadere
implementatie
behoeven. Overigens
vallen dergelijke
bepalingen niet onder
alle omstandigheden
buiten "een ieder
verbindende bepalingen" in de zin
van het onderhavige
artikel. Het kan zijn
dat de nationale
rechter ondanks het
feit dat een
implementatie van de
internationaalrechtelijke
bepalingen aangewezen
lijkt, niettemin een
rechtstreekse "binding" van die
bepaling voor de
nationale rechtsorde
aanwezig acht. Met
name kan zich dit
voordoen bij het recht
der Europese
Gemeenschappen,
waarbij de
beslissingen van het
Hof van Justitie der Gemeenschappen
ingevolge artikel 177
van het EEG-verdrag een ruime
draagwijdte plegen te
geven aan de werking
van die bepalingen
ook boven het
nationale recht. Een
meer bevredigend
alternatief zien wij
evenmin in het
voorstel de
desbetreffende
uitdrukking te
vervangen door de
woorden "voor
rechtstreekse
toepassing vatbare
bepalingen". De
Commissie van Advies
inzake
Volkenrechtelijke
Vraagstukken heeft
terecht gesteld dat
het tot een niet-bedoelde
jurisprudentie zou
kunnen leiden indien
"rechtstreeks" zou
worden opgevat als
"buiten samenhang met
enige bepaling van
nationaal recht".
In
aansluiting op het
vorenstaande dienen
wij hier tevens
aandacht te schenken
aan de toepassing van
ongeschreven
volkenrecht binnen de
Nederlandse
rechtsorde. Met name
moet dan aan de orde
worden gesteld de
vraag of aan het
ongeschreven
volkenrecht, evenals
aan ieder verbindende
verdragsbepalingen,
een primaat moet
worden toegekend boven
het nationale recht.
In haar eerder vermeld
advies naar aanleiding
van de Proeve heeft de
Commissie van Advies
inzake
Volkenrechtelijke
Vraagstukken deze
uitbreiding van de
regel van thans
artikel 66 van de
Grondwet
op brede
gronden bepleit
(Naar
een nieuwe
Grondwet?, deel 3, nr. 47,
blz. 69-71).
Hoewel
wij begrip hebben voor de overtuiging
van de genoemde commissie dat bij een
zich steeds verder ontwikkelende
internationale rechtsorde een primaat
ook van het ongeschreven volkenrecht een
zekere aantrekkelijkheid heeft en
rechtstheoretisch in een Grondwet ook
wel verdedigd zou kunnen worden, menen
wij met de staatscommissie Cals/Donner
dat wij deze weg niet moeten inslaan.
Ter voorkoming van misverstand zij
hierbij gesteld dat geen verschil van
mening bestaat over het feit dat regels
van costumier volkenrecht in Nederland
door rechterlijke organen al sedert de
vorige eeuw worden toegepast. Ook
wetgeving en bestuur zullen zich aan dit
recht hebben te houden. Het ongeschreven
volkenrecht kan als bindend voor de
Nederlandse rechtsorde worden beschouwd.
In de Nederlandse wetgeving is de
interne werking van volkenrecht ook
erkend toen in 1963 de cassatiegrond van
artikel 99 sub 2 [lees: artikel 99,
tweede lid, red.] van de Wet
RO,
voordien luidende "wegens verkeerde
toepassing of schending der wet", werd
gewijzigd in "wegens schending van het
recht, met uitzondering van het recht
van vreemde staten". Blijkens de
schriftelijke en mondelinge toelichting
in de Staten-Generaal ² had deze wijziging (onder meer) ten doel
cassatie mogelijk te maken op grond van
ongeschreven volkenrecht.
De
meningen lopen evenwel uiteen als het
gaat om de vraag of het wenselijk is
ongeschreven volkenrecht toe te passen
binnen de Nederlandse rechtssfeer
indien deze toepassing zou botsen met
nationale wettelijke voorschriften.
Vóór de herziening van 1953 kon niet
met zekerheid worden gesteld of de
Grondwet één en ander eventueel
toestond. De Hoge Raad heeft hier geen
uitspraak kunnen doen omdat deze vraag
hem vóór 1953 nimmer is voorgelegd. Na
de herzieningen van 1953 en 1956 kan op
grond van de parlementaire geschiedenis
echter wel worden aangenomen dat de
huidige Grondwet een primaat van
ongeschreven volkenrecht boven nationale
wettelijke voorschriften uitsluit.³
1.
De Commissie van Advies inzake
Volkenrechtelijke Vraagstukken geeft
een inzicht in de kritiek die op de term
"een ieder verbindende" kan worden
uitgeoefend (Naar een nieuwe
Grondwet?,
deel 3, nr. 47, blz. 66 e.v.).
2. Zie bijlage Handelingen II 1962-1963,
2079, nr. 11
(blz. 2 linker kolom
en blz. 3 linker
kolom) en nr. 12; Handelingen
II 1962-1963, blz.
2489.
3. Zo
ook de Hoge Raad
in zijn arrest van 6
maart 1959 ("tweede
Nyugata-arrest", NJ 1962, nr. 2). Wij delen niet de
mening van de Commissie van Advies
inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
dat dit arrest ten onrechte zou zijn
gewezen. De genoemde commissie baseert
haar oordeel op de overweging dat de
grondwetgever van 1953 en 1956 niet de
intentie zou hebben gehad zich in het
tegenwoordige artikel 66 uit te spreken
over ongeschreven volkenrecht.
rblz.|13|
Wij menen nu dat de in
1953 en 1956 ten
aanzien van het
ongeschreven
volkenrecht getrokken
lijn in de nieuwe
Grondwet
moet worden
gecontinueerd. Een
afwijking daarvan, in
de zin zoals door de
Commissie van Advies
inzake
Volkenrechtelijke
Vraagstukken bepleit,
stuit op principiële
en praktische
bezwaren, die wij als
volgt kenschetsen. Bij
deze kenschetsing gaan
wij tevens in op de
belangrijkste
argumenten die
genoemde commissie van
advies heeft
aangevoerd ten faveure
van een primaat van
het ongeschreven
volkenrecht. Het
principiële bezwaar
nu is dat een
grondwettelijke
opdracht wettelijke
voorschriften buiten
toepassing te laten
wegens strijd met
ongeschreven
volkenrecht een
uitbreiding van de in
artikel 66 van de
Grondwet
vervatte
toetsingsopdracht aan
de rechter zou
betekenen. Het is
hetzelfde bezwaar dat
zich zou voordoen bij
het doen vervallen van
de woorden "een ieder
verbindende" uit
artikel 66, waarop
hiervoor reeds werd
ingegaan. Naar ons
oordeel is uitbreiding
van het toetsingsrecht
van de rechter tot het
terrein van het
ongeschreven
volkenrecht daarbij
uit praktisch oogpunt
bezwaarlijk, omdat
omtrent de inhoud van
dit recht vaak
onzekerheden bestaan.¹
Een
ernstig beletsel tegen
het vestigen van een
primaat van het
ongeschreven
volkenrecht in de
Nederlandse rechtsorde
zien wij ook in het
risico dat de rechter
dan zou kunnen worden
geroepen Nederlandse
wettelijke
voorschriften buiten
toepassing te laten op
grond van een verdrag
dat (nog) niet voor
het Koninkrijk in
werking is getreden.
Naar ons oordeel is
een primaat van
volkenrecht boven
nationale wettelijke
voorschriften alleen
wenselijk zoals dat
geregeld is in het
stelsel krachtens de
huidige
Grondwet
(artikelen
65 en 66), te weten
een voorrang
uitsluitend van regels
neergelegd in in
werking getreden
verdragen en besluiten
van volkenrechtelijke
organisaties. Ware
het anders, dan zouden
grondwettelijke
bevoegdheden van
regering en parlement
kunnen worden
gefrustreerd.
Tegen
dit alles weegt niet
op het belangrijkste
argument van de
Commissie van Advies
inzake
Volkenrechtelijke
Vraagstukken dat in
een constitutie die
rechtstheoretisch
verdedigbaar wil zijn
op het stuk van de
interne werking van
het volkenrecht een
onderscheid tussen
geschreven en
ongeschreven
volkenrecht moeilijk
aanvaardbaar is.
Belangrijker dan dit,
zo men wil,
rechtstheoretische
aspect achten wij een
op onze
constitutionele
verhoudingen
toegesneden regeling
van de interne werking
van het volkenrecht
die de rechter, de
wetgever, het bestuur
en de burger het
nodige houvast geeft.
Wij
hebben de overtuiging
dat, internationaal
gezien, de door ons op
het voetspoor van de
huidige Grondwet
voorgestelde regeling
aan redelijk te
stellen maatstaven
voldoet.
De
stelling van de
Commissie van Advies
inzake
Volkenrechtelijke
Vraagstukken dat
Nederland, in
vergelijking met
andere staten,
ongunstig uitkomt door
achterstelling van het
ongeschreven bij het
geschreven volkenrecht
kunnen wij zeker niet
onderschrijven. Het
door de genoemde
commissie in dit
verband aangevoerde
artikel 25 van de
Grondwet
van 1949 van
de Duitse
Bondsrepubliek, dat
voorrang verleent aan
de algemene regels van
het volkenrecht zelfs
boven de nationale
wetten, een voorrang
welke deze Grondwet
voor de verdragen niet
kent, spreekt ons dan
ook minder aan.²
Volledigheidshalve zij erop gewezen dat
de Nederlandse wettelijke voorschriften
die volgens het voorgestelde artikel
moeten wijken voor het geschreven
volkenrecht, mede de Grondwet omvatten.
Anders
dan de staatscommissie hebben wij de
woorden "binnen het Koninkrijk
geldende" uit het bestaande artikel 66
in artikel 5.2.2b
[94]
gehandhaafd. Dat is
wenselijk om te doen uitkomen dat,
evenals thans het geval is bij artikel
66
Grondwet, onder de wettelijke
voorschriften die voor internationaal
recht moeten wijken ook de wettelijke
voorschriften in de Nederlandse Antillen
zijn begrepen. Uit artikel 49 van het Statuut, dat mede op de onderhavige
materie betrekking heeft, volgt niet
zonder meer dat het voorschrift van
artikel 5.2.2b [94]
op het voetspoor van de
huidige regeling ter zake ook in de
Antillen geldt. De toelichting op
artikel 49 stelt dit echter wel ten
aanzien van het huidige artikel 66 van
de
Grondwet. De toelichting eindigt met
de verklaring rblz.|14|
dat
die bepaling van de Grondwet geldt voor
het gehele Koninkrijk. Het voorgestelde
artikel 5.2.2b [94]
continueert deze
situatie. De laatste zinsnede van
artikel 66, inhoudende "die hetzij
vóór, hetzij na de totstandkoming der
voorschriften zijn aangegaan", werd in
de nieuwe redactie geschrapt. Deze
zinsnede werd in 1953 ten overvloede
opgenomen, teneinde buiten twijfel te
stellen dat ook een latere wet geen
afbreuk kan doen aan een verdrag. Dit
staat thans wel voldoende vast en blijkt
ook uit de redactie van de bepaling. De
besluiten van volkenrechtelijke
organisaties, thans genoemd in het
tweede lid van het tegenwoordige
artikel 67, werden in de nieuwe redactie
vermeld.
In
het voorgestelde artikel hebben wij niet
overgenomen de zinsnede uit artikel 73
van de staatscommissie waarin voor het
toepassen van algemeen verbindende
bepalingen van verdragen en besluiten
van volkenrechtelijke organisaties de
eis wordt gesteld dat deze zijn
bekendgemaakt. In artikel 5.2.2b
[94]
is deze
zinsnede overbodig nu in artikel 5.2.2a
[93]
de eis van bekendmaking reeds is
gesteld.
1.
Ook de Commissie van Advies inzake
Volkenrechtelijke Vraagstukken
signaleert deze onzekerheid, maar ziet
daarin geen onoverkomelijk bezwaar.
2. Wij
wijzen erop dat Theodor Maunz, Deutsches Staatsrecht, 18 Auflage -
Verlag C.H. Beek, München - op blz. 331
betoogt dat het in de tekst, genoemd
artikel 25, meer programmatische dan
praktische betekenis heeft.
Artikel
5.2.3 [96]
(artikel 74, staatscommissie)
De
bestaande
Grondwet
bepaalt in
artikel 59, eerste
lid, dat de Koning het
Koninkrijk niet in
oorlog verklaart dan
na voorafgaande
toestemming van de
Staten-Generaal en
voorts dat deze
toestemming niet
vereist is wanneer het
overleg met de
Staten-Generaal
tengevolge van een
feitelijk bestaande
oorlogstoestand niet
mogelijk is gebleken.
Volgens het tweede lid
moeten de
Staten-Generaal in
verenigde vergadering
ter zake beraadslagen
en besluiten. De
voorafgaande toestemming is blijkens het
derde lid ook vereist
voor 's Konings
verklaring dat een
oorlog is beëindigd.
Het
voorgestelde artikel sluit aan op het
bestaande artikel 59; de formulering
werd evenwel herzien en de inhoud van
het voorschrift op een enkel punt
gewijzigd. De redactie van het eerste
lid, eerste volzin, van artikel 59 nemen wij over, met dien
verstande dat
in het voorgestelde artikel de Koning
niet wordt genoemd.
Uit
het systeem van de
Grondwet
vloeit voort
dat hier sprake is van
een taak van de
regering. De in
genoemde volzin
voorkomende term "in
oorlog verklaren"
hebben wij
gehandhaafd. Deze term
is in de Grondwet
geïntroduceerd in
1953 in plaats van "oorlog
verklaren", teneinde te doen
uitkomen dat onder
de huidige
verhoudingen een
aanvalsoorlog van
Nederlandse zijde
uitgesloten is. De
Proeve (blz. 157)
stelt voor het vóór 1953 gebezigde begrip "oorlog
verklaren"
weer in te voeren.
Daarbij wordt betoogd
dat een verbod van
aanvalsoorlog
duidelijker dan in de
woordverbinding "in
oorlog verklaren"
opgenomen is in
verschillende
verdragen, terwijl ook
gedacht kan worden
aan het Handvest van
de Verenigde Naties.
Ten slotte merkt de
Proeve op dat er een
aanzienlijk
grensgebied ligt
tussen de constatering dat men
"in oorlog
is" en
een agressieve
oorlogsverklaring. De
Grondwet dient - aldus
de Proeve - de
feitelijke
mogelijkheden die hier
liggen niet
terminologisch te
verhullen. Met de
staatscommissie
trekken wij het belang
van deze
terminologische
kwestie in twijfel.
Wij geven de voorkeur
aan het behoud van de
term "in oorlog
verklaren", al
realiseren wij ons
dat het probleem
blijft bestaan dat in
de internationale
praktijk soms
bijzonder moeilijk is
vast te stellen
wanneer van oorlog
gesproken moet worden.
De
woorden "met een andere
Mogendheid"
uit het bestaande artikel 59 hebben wij
in ons voorstel niet overgenomen. De
term "mogendheid" is naar ons oordeel
verouderd en in de nieuwe Grondwet
minder passend te achten. Er bestaat
geen aanleiding deze term door een
andere te vervangen, daar hij zonder
bezwaar kan worden gemist. Door
weglating van de bedoelde term komt in
de nieuwe Grondwet ook beter tot uiting
dat een inoorlogverklaring niet tot
één staat beperkt behoeft te zijn,
maar meer dan één staat tegelijk kan
betreffen. De bestaande regeling dat
voor de toestemming tot
oorlogsverklaring een verenigde
vergadering van de beide kamers van de
Staten-Generaal is vereist, wordt in het
tweede lid van het voorgestelde artikel
gehandhaafd. Wij stellen voor dit
vereiste ook te doen gelden voor de
voorafgaande toestemming inzake de
verklaring dat een oorlog beëindigd
is.
rblz.|15|
De
uitzondering op het vereiste van
toestemming vervat in de slotzin van
het eerste lid van artikel 59, te weten
wanneer het overleg met de
Staten-Generaal tengevolge van een
feitelijk bestaande oorlogstoestand niet
mogelijk is gebleken, werd, in afwijking
van de staatscommissie, gehandhaafd. De
vraag in welke gevallen geen
toestemming van de Staten-Generaal
vereist behoort te zijn, is bij de
grondwetsherziening van 1953 aan de orde
geweest.
De
regering had voorgesteld geen
toestemming voor te schrijven indien het
Koninkrijk wordt aangevallen of tengevolge van de nakoming van zijn
internationale verplichtingen in oorlog
geraakt. Alsdan zou immers de verklaring een zuiver declaratoir
karakter hebben. De Tweede Kamer is
hierin niet meegegaan. Men achtte een
uitschakeling van de Staten-Generaal,
zelfs ingeval de verklaring een zuiver
declaratoir karakter zou hebben, niet
noodzakelijk. Bovendien werd aangevoerd
dat het in de praktijk een kwestie van
interpretatie zal zijn of de aangegeven
omstandigheden inderdaad een
declaratoire uitspraak rechtvaardigen.
Bij amendement werd voorgesteld de eis
van toestemming slechts te doen
vervallen indien het overleg tussen
regering en Staten-Generaal tengevolge
van een feitelijke oorlogstoestand niet
mogelijk is gebleken. Dit amendement nam
de regering over.
De
staatscommissie is van oordeel dat
hiermede een regeling van noodrecht in
de
Grondwet
werd opgenomen die naar
haar oordeel overbodig is te achten. Met
de Commissie van Advies inzake
Volkenrechtelijke Vraagstukken ¹ vragen
wij ons evenwel af of de tweede volzin
van het bestaande artikel 59 inderdaad
wel als een regel van noodrecht kan
worden beschouwd. De eerste volzin van
artikel 59 bevat, zo kan worden gesteld,
naar zin en strekking verstaan, het
voorschrift dat zo mogelijk voorafgaande
toestemming aan de Staten-Generaal
moet worden gevraagd. De tweede volzin
bevat mede een nadere uitwerking van
dit "zo
mogelijk". Wij geven er dan
ook de voorkeur aan de tweede volzin van
artikel 59 te handhaven.
10. Naar een nieuwe
Grondwet?, deel 3, blz. 78.
Artikel
A 5.2.1 (artikel
XI staatscommissie)
Het
vervallen van het
bepaalde
in artikel 61, derde
lid, van de huidige
Grondwet, omtrent de
stilzwijgende
goedkeuring van
verdragen, bij
opneming van artikel
5.2.1 [91], tweede lid,
maakt een
overgangsregeling
nodig totdat de wet in
deze materie heeft
voorzien. Er zou waar
het hier gaat om een
uitsluitend in de
Grondwet
geregelde
aangelegenheid, zonder
nadere voorziening in
het geheel niets meer
omtrent dit onderwerp
zijn bepaald.
Hetzelfde
geldt voor het
vervallen van de in
het huidige artikel 62
opgenomen regeling
van de gevallen waarin
geen goedkeuring is
vereist (vgl. artikel
5.2.1 [91], eerste lid).
Ook dient, gezien het
systeem van de huidige
Grondwet, in de
overgangsregeling te
worden betrokken het
huidige artikel 64,
handelende over de
toetreding tot en de
opzegging van
verdragen. In een en
ander voorziet het
eerste lid van artikel
A 5.2.1.
Ingevolge
het eerste lid van
artikel 24 van het Statuut
worden
overeenkomsten met
andere mogendheden en
met volkenrechtelijke
organisaties welke de
Nederlandse Antillen
raken, gelijktijdig
met de overlegging aan
de Staten-Generaal aan
het
vertegenwoordigende
lichaam van de
Nederlandse Antillen
overgelegd.
Het
tweede lid van dat
artikel bepaalt dat de
gevolmachtigde minister binnen de
door de Grondwet voor
de kamers der
Staten-Generaal
gestelde termijn de
wens te kennen kan
geven dat de
overeenkomst aan de
uitspraak van de
Staten-Generaal zal
worden onderworpen.
Het derde lid van
artikel 24 verklaart
de beide voorgaande
leden van
overeenkomstige
toepassing ten aanzien
van opzegging van
internationale
overeenkomsten.
Daar
het voorgestelde artikel 5.2.1 [91]
niet
meer, zoals in het bestaande artikel 61,
derde lid, wel het geval is, de termijn
vermeldt waarbinnen kan worden verlangd
dat een overeenkomst aan de
uitdrukkelijke goedkeuring van de
Staten-Generaal zal worden onderworpen,
voldoet het niet aan de hierboven
weergegeven eis van artikel 24 van het Statuut dat voor wat betreft
overeenkomsten die de Nederlandse
Antillen raken de bedoelde termijn in de
Grondwet zelf wordt genoemd.
rblz.|16|
Het
tweede lid van het voorgestelde
additionele artikel strekt ertoe de
nieuwe
Grondwet
op dit punt in
overeenstemming met het Statuut
te doen
blijven.
Artikel
IV
Bij
de bepalingen inzake de buitenlandse
betrekkingen in de huidige
Grondwet die
vervallen bij opneming van de
voorgestelde regeling is niet vermeld
het derde lid van artikel 60. Dat lid
bepaalt dat de rechter niet treedt in
beoordeling van de grondwettigheid van
overeenkomsten.
Het
ligt in de bedoeling
deze regel, tezamen
met die betreffende de
onschendbaarheid van
de wet (artikel 131,
tweede lid, van de
Grondwet), op het
voetspoor van het door
de staatscommissie
voorgestelde artikel
90 op te nemen in het
hoofdstuk betreffende
de rechtspraak. In de
toelichting op artikel 5.2.1
werd
hierop reeds gewezen.
Het ligt dan voor de
hand het derde lid van
artikel 60 te doen
vervallen bij het
wetsontwerp inzake
genoemd hoofdstuk.
De Minister-President, Minister van
Algemene Zaken,
A.A.M. van Agt
De
Minister van
Binnenlandse Zaken,
H.
Wiegel
De
Minister van Buitenlandse Zaken,
C.A.
van der Klaauw
|
|