|
rblz.|3|
Kamerstukken II
1979-1980, 16 057 (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 924 (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 37)
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet strekkende tot opneming
van een bepaling betreffende de instelling van één of meer algemene,
onafhankelijke organen voor het onderzoek van klachten betreffende
overheidsgedragingen ¹
1. Zie ook artikel
78a en de toelichting
daarop, red.
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING (eerste lezing) |
Bij
de Staten-Generaal is een wetsontwerp in behandeling strekkende tot
instelling van het ambt van Nationale
ombudsman (1). Met dat wetsontwerp
wordt het aanvankelijk vooral uit Scandinavische landen bekende
instituut van de ombudsman in onze staatsinrichting geïntroduceerd. In
het ontwerp wordt de ombudsman gezien als een ambtsdrager die,
onafhankelijk van de regering, klachten onderzoekt omtrent de wijze
waarop administratieve organen zich jegens de klager hebben gedragen
en vervolgens uitspreekt of die organen zich naar zijn oordeel al dan
niet behoorlijk hebben gedragen, zonder dat die uitspraken directe
rechtsgevolgen hebben. Met betrekking tot de wijze waarop deze structuur
nader is uitgewerkt, wordt voor zover nodig overigens verwezen naar de
schriftelijke stukken over het ontwerp.
Bij
het nu ingediende
grondwetsherzieningsontwerp is de vraag
aan de orde of aan de ombudsmanfunctie
een grondwettelijke grondslag dient te
worden gegeven en, bij bevestigende
beantwoording, wat de Grondwet hierover
zou moeten bepalen. In de memorie van
toelichting bij het ontwerp van Wet
Nationale ombudsman (2) werd reeds het standpunt
onderschreven,
ingenomen in de onder het kabinet-De
Jong ingediende Nota inzake het
ombudsmanvraagstuk (3) dat tot invoering
van het instituut van de ombudsman kan
worden overgegaan zonder voorafgaande
grondwetswijziging.
Ook
de Staatscommissie van advies inzake de
Grondwet en de Kieswet
(4) was deze mening
toegedaan. Tegen toekenning van de
bevoegdheid om, naar aanleiding van
voorgevallen bestuursoptreden,
overheidsdocumenten op te vragen en
ambtenaren te horen, zomede van die om
de gedane bevindingen openbaar te
maken, vormt de Grondwet naar haar
mening geen beletsel, althans wanneer,
overeenkomstig het bepaalde bij het
bestaande artikel 104 der Grondwet, een
voorbehoud wordt gemaakt ten aanzien van
inlichtingen waarvan de verlening
strijdig zou zijn met het belang van de
Staat (5). Door toekenning van een met het
enquêterecht te vergelijken bevoegdheid aan een zelfstandige
functionaris zou haars inziens aan
de grondwettelijke rechten en
bevoegdheden niet te kort worden gedaan.
Wij zijn het hiermee eens.
De
staatscommissie voegt hieraan nog toe
dat er wel grondwettelijke bezwaren
zouden kunnen ontstaan indien de
bevoegdheid zou worden gegeven om op
grond van de verrichte onderzoekingen
bepaalde besluiten te herzien of het
nemen van nieuwe besluiten te bevelen
dan wel om de bemoeiingen uit te
strekken over de werkzaamheid van de
Staten-Generaal of van de rechterlijke
macht. Ook hiermee kunnen wij instemmen,
zij het met rblz.|4|
de
aantekening dat wij niet elke bemoeienis
met de wijze waarop de Staten-Generaal
of de rechterlijke macht functioneren op
zichzelf reeds ongrondwettig zouden
achten. Op zich namelijk behoeft een
stelsel waarbij aan de ombudsman de
bevoegdheid zou worden verleend een
beoordeling te geven zonder direct
rechtsgevolg omtrent gedragingen bij de
uitoefening van hun functie van
volksvertegenwoordigers of leden van de
rechterlijke macht, niet een inbreuk te
betekenen op de constitutionele
bevoegdheden van de Staten-Generaal of
op de bij de Grondwet gewaarborgde
onafhankelijkheid van de rechterlijke
macht, mits deze beoordeling geen
betrekking zou hebben op de inhoud van
de besluiten van deze organen als
zodanig. Wel zijn wij van mening dat
het onwenselijk is aan de ombudsman die
bevoegdheid te geven. Daarvan gaat ook
het ontwerp van Wet Nationale ombudsman uit.
Is een grondwettelijke basis
derhalve niet strikt noodzakelijk te
achten, iets anders is of zulk een basis
niettemin gewenst zou zijn. De
staatscommissie stelde zich op het
standpunt dat dit niet het geval was,
omdat de denkbeelden over de figuur van
de ombudsman in ons land nog niet tot
klaarheid waren gekomen. Een
grondwetsbepaling zou het gevaar lopen
op het debat te prejudiciëren,
waarschijnlijk in die zin dat de
bepaling bescheidener uitvalt dan op den
duur wenselijk en verwezenlijkbaar
blijkt. Zij zou dan, aldus de commissie,
de ontwikkeling der denkbeelden eerder
remmen dan stimuleren.
Wij
zijn van mening dat deze argumentatie
van de staatscommissie om een
grondwetsbepaling achterwege te laten in
ieder geval nu niet meer van
doorslaggevende betekenis kan zijn. In
de Tweede Kamer heeft zich reeds bij de
behandeling van de Nota inzake het
ombudsmanvraagstuk (6) en
daarna ook bij de behandeling van het
ontwerp van Wet Nationale ombudsman een
communis opinio afgetekend met
betrekking tot de wenselijkheid ook in
Nederland het ombudsmaninstituut in te
voeren. Wij menen dat hierdoor een
voorstel tot het opnemen van een
grondwettelijke basisbepaling
verantwoord is.
Bovendien
achten wij de opneming van een
grondwetsbepaling op zichzelf ook van
belang. Naar onze mening dient de
herziene Grondwet aan de betekenis die
in het instituut van de ombudsman is
gelegen voor het bevorderen van een
behoorlijk optreden van de overheid
jegens haar burgers niet voorbij te
gaan. De ombudsmanfunctie heeft naast de
klassieke waarborgen in de vorm van
(administratieve) rechtspraak en het
administratief beroep immers een geheel
eigen karakter en betekenis. Het orgaan
gaat een functie vervullen die valt
buiten het klassieke patroon van de
trias politica. Binnen het bestaande
stelsel zal het ingevolge het ontwerp
van Wet Nationale ombudsman een vorm
van controle op bestuurorganen
uitoefenen die zich onderscheidt zowel
van rechterlijke controle als van
politieke controle, zoals een
vertegenwoordigend lichaam die kan
verrichten, en ook van geheel andere
aard is dan de financiële controle die
de Algemene Rekenkamer uitoefent. De
ombudsman zal dus een geheel
eigensoortig controlerend orgaan zijn.
Daarom achten wij het wenselijk van deze
bijzondere functie in de Grondwet
melding te maken.
(1).
Zitting 1976-1977, Kamerstuk 14 178. In het
wetsontwerp werd het instituut
aanvankelijk "Commissaris van
Onderzoek" genoemd. Bij nota van
wijzigingen is deze naam echter
veranderd in Nationale
ombudsman.
(
2).
Kamerstuk 14 178, nr. 3, blz. 19.
(
3).
Zitting 1968-1969, Kamerstuk 9925.
(
4).
Eindrapport, blz. 162/163.
(
5).
In artikel 3.2.4
[68]
van het wetsontwerp
grondwetswijziging 14 225 (R 1051) wordt
deze omschrijving voor de herziene Grondwet
naar de strekking gehandhaafd.
(6).
Handelingen II, zitting 1970-1971, blz.
2601-2622, 2632-2640, 2642-2651,
2778-2779; in het bijzonder de
(aangenomen) motie-Rietkerk,
Kamerstukken II 9925, nr. 4.
Nu
de vraag of de nieuwe Grondwet
een
bepaling over de ombudsman dient te
bevatten door ons bevestigend is
beantwoord, komt vervolgens de inhoud
van de bepaling aan de orde. Hoe
belangrijk het instituut van de
ombudsman wezen moge, wij beschikken
hier te lande nog niet over de ervaring
om te kunnen beoordelen of het gewenst
zou zijn dat de Grondwet dit instituut
dwingend voorschrijft. Daarom wordt
voorgesteld te volstaan met de bepaling
dat de wetgever regels kan stellen
omtrent de instelling van een ombudsman,
dat wil zeggen één of meer organen voor
het onderzoek van klachten betreffende
overheidsgedragingen. Louter facultatief
is de voorgestelde bepaling echter
niet. Gaat de wetgever tot instelling
van een ombudsman over, dan dient hij
rekening te houden met hetgeen de
bepaling met betrekking tot de wijze
van benoeming voorschrijft.
rblz.|5|
Bij de opstelling van de tekst van het
voorgestelde artikel 5.2.9
[108]
hebben wij
ons verder als doel voor ogen gesteld
een basisbepaling voor het instituut van
de ombudsman te formuleren zonder dat de
wetgever daarbij precies zou worden
vastgelegd op de omvang van de
competentie en op de vormgeving van het
instituut, zoals deze zijn voorgesteld
in het ontwerp voor de Wet
Nationale ombudsman. In de Grondwet
dient naar
onze mening ruimte te worden gelaten
voor de wetgever om, wanneer de opgedane
ervaringen mettertijd daartoe aanleiding
zouden geven, tot bepaalde aanpassingen
van de thans voorgestelde competentie en
vormgeving te kunnen komen. Op deze
wijze wordt ook tegemoetgekomen aan de
vrees van de staatscommissie, waarvan
hierboven melding wordt gemaakt, dat een
grondwetsbepaling een belemmering zou
zijn voor verdere ontwikkelingen.
Voorgesteld
wordt de bepaling dat de wet regels kan
stellen omtrent de instelling van één
of meer algemene, onafhankelijke organen
voor het onderzoek van klachten
betreffende overheidsgedragingen. Deze
wet regelt de bevoegdheid en de
werkwijze. Wij menen dat deze formule
enerzijds ook voor eventuele toekomstige
ontwikkelingen ruimte biedt en
anderzijds voldoet aan het vereiste dat
het wezen van de ombudsmanfunctie in
voldoende mate wordt aangeduid.
De
formule "één of meer algemene,
onafhankelijke organen" laat de
wetgever vrij in zijn keus zowel wat
betreft de vraag of er één of meer
instanties zullen zijn als voor wat
betreft de vraag of de voorkeur gegeven
wordt aan afzonderlijke functionarissen
of aan colleges. Bewust is ervan
afgezien in het voorgestelde
grondwetsartikel de benaming "ombudsman" te gebruiken. Het gaat
erom de functie in de Grondwet vast te
leggen. Het is beter de wetgever niet
aan een bepaalde benaming te binden, ook
met het oog op eventuele toekomstige
ontwikkelingen.
De
voorgestelde bepaling spreekt van "algemene" organen. Met
"algemene"
organen is beoogd aan te geven dat de
bepaling geen betrekking heeft op de
instelling van specifieke
klachteninstanties. Wettelijke
regelingen daaromtrent vallen dus niet
onder de werkingssfeer van deze
bepaling. Het ligt overigens niet in de
rede dat de wetgever er licht toe zal
overgaan om de specifieke
klachteninstanties een exclusieve
bevoegdheid toe te kennen. Gewoonlijk
zal benadering van een dergelijke
klachteninstantie niet de weg naar de
ombudsman afsnijden. Het begrip "algemeen" verhindert de wetgever
uiteraard niet desgewenst over te gaan
tot het instellen, binnen het
ombudsmaninstituut, van één of meer
ombudsmannen belast met behandeling
van klachten op specifieke
beleidsterreinen, bijvoorbeeld
gedragingen van militairen of de
politie. Deze ombudsmannen dienen
beschouwd te worden als (onderdelen van)
"algemene" organen.
De
voorgestelde bepaling spreekt voorts van
"onafhankelijke organen". Hiermede
wordt benadrukt dat de wet die aan deze
bepaling uitwerking geeft bij de
vormgeving van het ombudsmaninstituut
diens onafhankelijkheid zal moeten
waarborgen. In de eerste plaats moet
hierbij uiteraard worden gedacht aan
onafhankelijkheid ten opzichte van de
bestuursorganen waarop de ombudsman
invloed zal uitoefenen. De derde volzin
van het voorgestelde artikel
5.2.9 [108],
waarop wij hieronder nader terugkomen,
beoogt deze onafhankelijkheid ten dele
te concretiseren, namelijk voor wat betreft
de benoeming en het ontslag. In de
tweede plaats kan worden gedacht aan de
directe toegankelijkheid voor de
burgers. Zolang deze de ombudsman niet
rechtstreeks kunnen benaderen, kan de
ombudsman niet als waarlijk
onafhankelijk worden beschouwd.
De
voorgestelde bepaling houdt niet in dat
de wetgever slechts de mogelijkheid zou
hebben een uitputtende ombudsmanregeling
te treffen voor alle denkbare
overheidsgedragingen. Het is derhalve
zeer goed denkbaar dat de wetgever bij
de uitvoering van de onderhavige
bepaling ruimte laat aan de lagere
overheden om zelf regelend op te treden.
De wetgever kan daarbij het gehele
terrein van onderzoek naar klachten over
gedragingen van organen van lagere
publiekrechtelijke lichamen ongeregeld
laten; hij kan ook ten rblz.|6|
dele
regelend optreden, bijvoorbeeld door
onderzoeksbevoegdheden toe te kennen aan
door de lagere publiekrechtelijke
lichamen ingestelde ombudsmanorganen.
Wij
merken hier op dat, welke regeling de
wetgever ook treffen moge ten aanzien
van de instelling, de bevoegdheden en de
werkwijze van een ombudsmaninstantie,
deze regeling het recht van petitie
onverlet laat, zodat een eventueel
redres van grieven langs deze wet mogelijk blijft. Dit betekent
ook dat
instanties die geschapen zijn voor de
behandeling van klachten die op grond
van het petitierecht worden ingediend,
zoals de Commissies voor de
verzoekschriften van de Kamers der
Staten-Generaal, buiten het bereik van
de voorgestelde bepaling liggen.
Indien
een wettelijke regeling wordt getroffen
betreffende de instelling van de
ombudsman, zal de wetgever genoodzaakt
zijn ook de competentie van de ombudsman
vast te leggen. De wetgever zal dan dus
moeten aangeven welke gedragingen van
welke overheidsorganen aan het oordeel
van een ombudsmaninstantie kunnen worden
onderworpen. In het aanhangige ontwerp
van Wet Nationale ombudsman zijn dat
uitsluitend (gedragingen van) organen
van de centrale overheid. De lagere
overheden zijn althans voorlopig in dat
wetsontwerp buiten het bereik van de
ombudsman gehouden, terwijl een aantal
andere overheidsorganen om verschillende
redenen eveneens is uitgezonderd. Bij
deze laatste categorie valt met name te
wijzen op de personen en colleges die
met rechtspraak zijn belast. Overigens
zal ook in het Grondwetshoofdstuk over
de rechtspraak een afzonderlijke
bepaling worden voorgesteld met
betrekking tot het toezicht op de wijze
waarop rechters hun ambt vervullen.
Voor
wat betreft een ombudsmanorgaan dat zich
bezighoudt met gedragingen van de
rijksoverheid geeft de derde volzin van
het voorgestelde artikel de hoofdzaak
van de benoemingsregeling aan: benoeming
bij koninklijk besluit uit een
voordracht van de Tweede Kamer. Deze
procedure komt overeen met die voor
leden van de Hoge Raad en van de
Algemene Rekenkamer; zij beoogt aan de
onafhankelijkheid ten opzichte van de
benoemende instantie gestalte te geven.
Het ontwerp van Wet Nationale ombudsman
voorziet ook in een dergelijke
benoemingsprocedure. Overigens kan ook
op dit punt de voorgestelde redactie
betrekking hebben op afzonderlijke
functionarissen en op de leden van één
of meer colleges. Tevens wordt in de
derde volzin een ander zeer belangrijk
aspect van de onafhankelijkheid van het
instituut gewaarborgd, namelijk dat ontslag
slechts plaatsvindt in de gevallen bij
de wet aangewezen.
Wat
de ombudsmanfunctie ten aanzien van de
lagere publiekrechtelijke lichamen
betreft, is in de memorie van antwoord
voor de Tweede Kamer over het ontwerp
van Wet Nationale ombudsman wel een
voorkeur uitgesproken voor een bepaalde
opzet (namelijk een landelijk benoemde,
eventueel regionaal werkzame ombudsman),
maar in afwachting van nader onderzoek
omtrent de consequenties, nog geen
definitieve keuze gedaan. Het nu reeds
vastleggen van grondwettelijke
vereisten voor de benoemings- en
ontslagregeling voor organen die
klachten over overheidsgedragingen op
het niveau van de regionale en lokale
overheid zullen onderzoeken, zou de
ontwikkelingen te veel blokkeren.
De
taak van een instantie met een
ombudsmanfunctie is beperkt tot het
onderzoeken van klachten betreffende
overheidsgedragingen. Bindende
uitspraken op grond van een dergelijk
onderzoek kan een instantie als hier
bedoeld niet doen. Anders gezegd, een
instantie met een ombudsmanfunctie is
niet te beschouwen als een rechtsprekend
orgaan. De uit bovengenoemde taak
voortvloeiende bevoegdheden gaan niet zo
ver dat een ombudsmaninstantie formeel
een geschil zou kunnen beslechten. Voor
dit laatste zal men zich moeten blijven
wenden tot de administratieve of
burgerlijke rechter, die onafhankelijk
van de resultaten van een eventueel ter
zake door een ombudsmaninstantie
ingesteld onderzoek zijn beslissing
geeft. Aan de rechterlijke competentie
kan op basis van het voorgestelde
artikel in geen enkel rblz.|7|
opzicht
afbreuk worden gedaan. Overigens blijkt
reeds uit de plaatsing van de
voorgestelde bepaling in het hoofdstuk
"Wetgeving en bestuur" dat wij een
instantie met een ombudsmanfunctie niet
als rechtsprekend orgaan beschouwen.
Zodanige organen vinden de grondslagen
van hun regeling in het hoofdstuk
"Rechtspraak" van de herziene
Grondwet.
De
Minister-President, Minister van
Algemene Zaken,
A.A.M. van Agt
De
Minister van Binnenlandse Zaken,
H.
Wiegel
De
Staatssecretaris van Justitie,
E.A. Haars
|
|