|
Kamerstukken II 1979-1980,
16 162 (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 928 (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 41)
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet
van bepalingen inzake de
justitie
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP (eerste lezing) |
Aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Wij
bieden U hiernevens ter overweging aan een ontwerp van Wet houdende
verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot
verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de justitie.
De toelichtende
memorie
(en bijlagen), die het Wetsontwerp vergezelt, bevat de gronden waarop
het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige
bescherming.
Soestdijk, 25 april 1980
JULIANA
| Nr.r2 |
ONTWERP
VAN WET (eerste lezing) |
WIJ
JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er
grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet
van bepalingen inzake de justitie;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
Art. I.
Er
bestaat grond het hierna in de artikelen
ll tot en met IV omschreven voorstel tot
verandering in de Grondwet
in overweging
te nemen.
Art.
II.
In
de Grondwet
wordt het volgende
opgenomen:
HOOFDSTUK
6. Rechtspraak
Art.
6.1 [112].
[MvT]
-1.
Aan de rechterlijke macht is opgedragen
de berechting van geschillen over
burgerlijke rechten en
schuldvorderingen.
-2.
De wet kan de berechting van geschillen
die niet uit burgerlijke
rechtsbetrekkingen zijn ontstaan,
opdragen hetzij aan de rechterlijke
macht, hetzij aan gerechten die niet tot
de rechterlijke macht behoren. De wet
regelt de wijze van behandeling en de
gevolgen van de beslissingen.
Art.
6.2 [113].
[MvT]
-1.
Aan de rechterlijke macht is voorts
opgedragen de berechting van strafbare
feiten.
-2.
Tuchtrechtspraak door de overheid
ingesteld wordt bij de wet geregeld.
-3.
Een straf van vrijheidsontneming kan
uitsluitend door de rechterlijke macht
worden opgelegd.
-4.
Voor berechting buiten Nederland en voor
het oorlogsstrafrecht kan de wet
afwijkende regels stellen.
Art.
6.3 [115].
[MvT]
Ten
aanzien van de in artikel
6.1 [112], tweede
lid, bedoelde geschillen kan
administratief beroep worden
opengesteld.
Art.
6.4 [116].
[MvT]
-1.
De wet wijst de gerechten aan die
behoren tot de rechterlijke macht.
-2.
De wet regelt de inrichting,
samenstelling en bevoegdheid van de
rechterlijke macht.
-3.
De wet kan bepalen dat aan rechtspraak
door de rechterlijke macht mede wordt
deelgenomen door personen die niet
daartoe behoren.
-4.
De wet regelt het toezicht door leden
van de rechterlijke macht met
rechtspraak belast uit te oefenen op de
ambtsvervulling door zodanige leden en
door de personen, bedoeld in het vorige
lid.
Art.
6.5 [117].
[MvT]
-1.
De leden van de rechterlijke macht met
rechtspraak belast en de
procureur-generaal bij de Hoge
Raad worden bij koninklijk besluit voor het
leven benoemd.
-2.
Op eigen verzoek en wegens het bereiken
van een bij de wet te bepalen leeftijd
worden zij ontslagen.
-3.
In de gevallen bij de wet bepaald kunnen
zij door een bij de wet aangewezen, tot
de rechterlijke macht behorend gerecht
worden geschorst of ontslagen.
-4.
De wet regelt overigens hun
rechtspositie.
Art. 6.8 [120]. [MvT]
De
rechter treedt niet in de beoordeling
van de grondwettigheid van wetten en
verdragen.
Art. 6.9 [121]. [MvT]
Met uitzondering
van de gevallen bij de wet bepaald
vinden de terechtzittingen in het
openbaar plaats en houden de vonnissen
de gronden in waarop zij rusten. De
uitspraak geschiedt in het openbaar.
Art.
6.10 [122].
[MvT]
-1.
Gratie wordt verleend bij koninklijk
besluit na advies van een bij de wet
aangewezen gerecht en met inachtneming
van bij of krachtens de wet te stellen
voorschriften.
-2.
Amnestie wordt bij of krachtens de wet
verleend.
Art.
III.
Aan
de Grondwet
wordt het volgende
additioneel artikel toegevoegd:
Art.
A 6.10.
Artikel 6.10 [122], eerste lid, treedt eerst na
vijf jaren of op een bij of krachtens de
wet te bepalen eerder tijdstip in
werking. Tot dien blijft het bepaalde in
artikel 77, eerste en tweede lid, van
de Grondwet
naar de tekst van 1972 van
kracht.
Art.
IV.
De
artikelen 60, derde lid, 77, 131, tweede
lid, 163, 167 tot en met 169, 170, tweede lid,
174, 175 en 180 van de Grondwet, alsmede
de opschriften boven de artikelen 163
en 176, vervallen.
Lasten
en bevelen, dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst, en dat alle
ministeriële departementen,
autoriteiten, colleges en ambtenaren,
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De
Minister-President, Minister van
Algemene Zaken,
De
Minister van Binnenlandse Zaken,
De
Staatssecretaris van Justitie,
|
|