|
rblz.|3|
Kamerstukken II
1975-1976, 13 993 (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 933 (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 46)
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet van de bepalingen
inzake de waterstaat
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING (eerste lezing) |
Inhoudsopgave
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Instelling en opheffing van
waterschappen |
| 3 |
Structuur en bevoegdheden
van de waterschappen |
| 4 |
Waterstaatsbestuur en toezicht op de
waterschappen |
| 5x |
Veenschappen en veenpolders |
1.
Inleiding
In
haar Eindrapport (blz. 283) heeft de Staatscommissie van advies inzake
de Grondwet en de Kieswet
voorgesteld om de grondwettelijke bepalingen
inzake de lagere openbare lichamen in één hoofdstuk bijeen te brengen.
Wij nemen dit voorstel over, zoals nader is toegelicht bij het
wetsontwerp inzake provincies en gemeenten. Op deze plaats moge daarnaar
verwezen worden. Het nevensgaande wetsontwerp beoogt - behoudens hetgeen
wordt opgemerkt in paragraaf 4 inzake de zorg voor de bewoonbaarheid
van het land - de huidige bepalingen inzake de waterstaat, die tezamen
het elfde hoofdstuk van de Grondwet vormen, te vervangen door één
artikel inzake de waterschappen en dit artikel een plaats te geven in
het hoofdstuk betreffende de lagere openbare lichamen na de bepalingen
met betrekking tot de provincies en de gemeenten. Ook hierbij is een
dankbaar gebruik gemaakt van hetgeen de staatscommissie heeft
voorgesteld (Eindrapport, blz. 314-319), ook al zijn haar voorstellen
niet overal gevolgd.
Ook
is het in 1974 verschenen rapport van de
Studiecommissie Waterschappen, getiteld
"Het waterschap en zijn toekomst", in
de beschouwingen betrokken. Dit rapport
heeft ons gesterkt in de opvatting dat
de waterstaatszorg, in het bijzonder
die voor de waterkering en
waterhuishouding, een specifiek element
van het overheidsbestuur is, dat een
aparte plaats in de gedecentraliseerde
bestuursorganisatie verdient. Dit
rechtvaardigt ook in de herziene
Grondwet een afzonderlijke bepaling aan
de waterschappen te wijden.
2.
Instelling en opheffing van
waterschappen
Ingevolge
artikel 206, tweede lid, der huidige Grondwet zijn provinciale staten
bevoegd tot oprichting en opheffing van
waterschappen, met goedkeuring des
Konings. De staatscommissie heeft
dienaangaande een grondwetsbepaling
voorgesteld die drieërlei mogelijkheid
inhoudt:
a. instelling en opheffing bij de wet;
b.
volgens bij wet te stellen regels bij
provinciale verordening;
c.
volgens bij wet te stellen regels bij
verordening van een lichaam dat voor een
provincie in de plaats is getreden.¹
rblz.|4|
In het voorstel van de staatscommissie
zouden provinciale staten derhalve
grondwettelijk de bevoegdheid behouden
tot instelling en opheffing van de
waterschappen. Wij zouden de
staatscommissie op dit punt niet willen
volgen. Hoewel wij van oordeel zijn dat
onder het huidige bestel de
provinciebesturen met betrekking tot de
instelling en opheffing van, alsook met
betrekking tot de reglementering van en
het toezicht op waterschappen een
onmisbare functie vervullen, die ook in
de toekomst niet zou dienen te
verdwijnen, achten wij het minder
gewenst deze bevoegdheid van de
provinciebesturen in de Grondwet
te
blijven verankeren. Wij hebben ons bij
dit oordeel mede laten leiden door de -
ook door de Studiecommissie
Waterschappen voorziene - behoefte voort
te kunnen gaan met de in de laatste
jaren op gang gekomen aanpassing van de
waterschapsindeling. Deze verlangt een
verruiming van de mogelijkheid tot het
tot stand brengen van waterschappen, die
in meer gevallen en over een groter
gebied dan waarvan thans sprake is
interprovinciaal zouden zijn. Ook in de
huidige situatie levert het instellen en
reglementeren van interprovinciale
waterschappen in de praktijk niet zelden
problemen op.
De
Studiecommissie Waterschappen wijst hier
ook op. Zij bepleit een constructie
waarbij sprake is van een
structuurschets voor de waterschappen
vastgesteld krachtens de wet bij
algemene maatregel van bestuur. Daarbij
zouden de provincies een belangrijke rol
blijven spelen als regelgever voor en
toezichthouder op de waterschappen.
Het
lijdt onzes inziens geen twijfel dat
problemen als bovenbedoeld talrijker
zullen worden naarmate het aantal grote
waterschappen toeneemt. Dit effect zal
nog aanmerkelijk versterkt worden
wanneer in het kader van de beoogde
reorganisatie van het binnenlands
bestuur de provinciale indeling zal zijn
gewijzigd, waardoor er kleinere
provincies dan de tegenwoordige zullen
zijn gevormd en dientengevolge veel meer
waterschappen interprovinciaal zullen
worden. In een dergelijke constellatie
zou instelling, opheffing en
reglementering van, alsmede toezicht op
deze waterschappen, althans door de
afzonderlijke provinciebesturen minder
voor de hand liggen. Overigens denken
wij, en wij hechten eraan dit
uitdrukkelijk te stellen, niet aan het
door het Rijk overnemen van de taak die
thans de provincies ten aanzien van de
waterschappen verrichten. Een zodanige
centralisatie wijzen wij van de hand,
nog afgezien van de omstandigheid dat
het apparaat van de rijksoverheid niet
toegerust is voor de waterstaatstaken,
zoals die tot dusver gedecentraliseerd
worden behartigd.
Eén
en ander pleit ervoor in de Grondwet de
bevoegdheid tot instelling en opheffing
van waterschappen te doen toekomen aan
de formele wetgever, met daarnaast de
mogelijkheid van delegatie. Ingevolge de
in artikel
7.11 [133], eerste lid, gebruikte
redactie "bij of krachtens de wet" kan
de formele wetgever deze bevoegdheid
dan niet alleen aan de provinciebesturen,
doch ook aan de Kroon of een ander bij
de wet aangewezen orgaan toekennen.² Daarmede
is tevens de noodzaak tot opneming van
de hierboven onder c bedoelde bepaling
van de staatscommissie vervallen.
Opgemerkt
zij nog dat in het eerste lid van
artikel 7.11 [133]
naar analogie van artikel
7.1 [123], eerste lid, eerst het opheffen van
waterschappen is genoemd, daarna het
instellen.
1.
De staatscommissie spreekt, in navolging
van de geldende Grondwet, van het
"oprichten"
van waterschappen. In nevensgaand
wetsontwerp is echter ter wille van de
eenheid van terminologie ten aanzien van
de lagere openbare lichamen sprake van
het "instellen" van waterschappen. Een
materieel verschil is hiermede niet
beoogd.
2.
De centrale overheid bezit
reeds thans bevoegdheden ter zake (vgl.
artikel 3 en 4 juncto artikel 63 van de Waterstaatswet
1900). In het verleden is
over 's Rijks bevoegdheden ten aanzien
van
waterschappen wel eens twijfel
uitgesproken, zo bij de parlementaire
behandeling van de Deltawet (Handelingen II
1957-1958, blz. 3133 e.v.). Het
voorgestelde artikel 7.11
[133]
zal deze
twijfel kunnen wegnemen.
3. Structuur en bevoegdheden
van de waterschappen
Het
tweede lid van artikel 7.11
[133]
betreft wat
aangeduid kan worden als de structuur en
de bevoegdheden van de waterschappen.
Ingevolge de geldende Grondwet
(artikel
206, tweede lid) kunnen provinciale
staten met goedkeuring des Konings
verandering aanbrengen in de bestaande
inrichtingen en reglementen der
waterschappen en nieuwe reglementen voor
deze instellingen vaststellen.
In
artikel 99, eerste lid, van de
voorstellen der staatscommissie is het
tot stand komen van een wettelijke
regeling inzake de inrichting van
waterschappen en de samenstelling en
bevoegdheid van hun besturen facultatief
rblz.|5|
geredigeerd
("bij de wet ... kan worden voorzien").
Artikel 7.11 [133]
formuleert dit
echter als een opdracht ("de wet regelt
..."). Dit sluit zowel aan bij de
huidige
stand van zaken (vgl. artikel 98 Provinciewet, de
Waterstaatswet
1900, de
Keurenwet en de Bevoegdhedenwet), alsook
bij de visie van de Studiecommissie
Waterschappen, dat een algemene waterschapswet
tot stand zou moeten
worden gebracht.
Ook
ten aanzien van de structuur van de
waterschappen bestaat ingevolge het
voorgestelde tweede lid de mogelijkheid
dat de centrale wetgever dan wel enig
ander bij de wet aangewezen orgaan van
een openbaar lichaam bevoegd is tot
regeling binnen een algemeen wettelijk
kader. Dit zou gevormd kunnen worden
door de reeds vermelde algemene
waterschapswet, die voorschriften zou
kunnen bevatten omtrent de wijze van
instelling, het toezicht op alsmede de
belangrijkste algemeen geldende
elementen van de taken en inrichting
van waterschappen, voorschriften die
zich zouden kunnen richten tot de
organen, bevoegd tot instelling e.d. van
waterschappen.
In
de huidige Grondwet is, zoals gezegd,
sprake van "inrichtingen en
reglementen" van waterschappen. De
staatscommissie hanteert in de door haar
voorgestelde bepalingen inzake de lagere
openbare lichamen de term "inrichting"
in de zin van "organisatiestructuur"
(artikelen 96, eerste lid, 99, eerste
lid, en 100, tweede lid). Hoewel bij
waterschappen "inrichting" meer omvat
dan alleen de organisatiestructuur, acht
de staatscommissie de mogelijkheid van
verwarring in dit opzicht niet van dien
aard dat in de drie genoemde
voorgestelde artikelen niet dezelfde
terminologie gebezigd zou kunnen
worden. Wij menen echter dat dit wel
tot verwarring kan leiden.
In
de historie van het waterschapswezen
heeft het begrip inrichting een
specifieke inhoud gekregen. Het omvat
met name ook de taakstelling van de
waterschappen. Aangezien de
waterschappen doelcorporaties zijn, is
hun taakstelling van primaire betekenis.
Het is onwenselijk dat "inrichting"
in verschillende bepalingen van het
onderhavige grondwetshoofdstuk niet
dezelfde betekenis zou hebben. In het
voorgestelde artikel is dit voorkomen
door de term "taken en inrichting" van
de waterschappen te bezigen. "Inrichting"
heeft in deze bepaling dan dezelfde
betekenis, i.c. "organisatiestructuur",
als in andere voorgestelde bepalingen
van dit hoofdstuk. In de bepaling wordt
aan de formele wetgever of aan het door
deze aangewezen gezag opgedragen de taak
en inrichting van het waterschap alsook
de samenstelling van het
waterschapsbestuur te regelen. Het
artikel zelf bevat ter zake geen
materiële voorschriften.
Wij
achten het wenselijk dat evenals onder
het bestaande artikel 207 uit de Grondwet
zelf de verordenende
bevoegdheid van de waterschapsbesturen
blijkt. Dit is neergelegd in het tweede
lid van artikel
7.11 ]133]. Daarbij is (en
zulks in overeenstemming met hetgeen is
gesteld in de memorie van toelichting
bij het wetsontwerp inzake provincies en
gemeenten) niet sprake van verordeningen
"in het huishoudelijk belang" van de
waterschappen.
Onzes inziens is het
voorts niet doenlijk in de Grondwet aan
te geven welk orgaan deze verordenende
bevoegdheid uitoefent. Dit dient ter
regeling aan de gewone wetgever te
worden overgelaten (vgl. artikel 1,
tweede lid, van de Keurenwet ¹). De
Grondwet kan volstaan met de algemene
opdracht aan de wetgever regels
betreffende de verordenende bevoegdheid
van waterschapsbesturen te geven.
Naar
ons oordeel behoeft in de Grondwet niet
te worden gehandhaafd het bepaalde aan
het slot van artikel 206 der Grondwet
dat de waterschapsbesturen voorstellen
kunnen doen tot verandering van de
inrichtingen (of reglementen) van hun
instellingen. De hier bedoelde
bevoegdheid bestaat ook zonder dat deze
uitdrukkelijk in de Grondwet is
vastgelegd.
Vervolgens
verdient de vraag aandacht of het
aanbeveling verdient grondwettelijk te
bepalen dat de vergaderingen van de
vertegenwoordigende organen der
waterschappen openbaar zijn, behoudens
bij de wet te regelen uitzonderingen,
zulks naar analogie van het voorgestelde
ten aanzien van de vergaderingen van
provinciale staten en gemeenteraad (artikel
7.3 [125], eerste lid).
Wij menen dat ook voor de vergaderingen
van vertegenwoordigende organen van
waterschappen het beginsel van
openbaarheid dient te gelden. rblz.|6|
De grote diversiteit in de bestuursorganen
van waterschappen maakt echter een
grondwettelijk voorschrift dat op dit
punt een algemene verplichting oplegt
niet mogelijk. Daarom ware slechts in
het algemeen te bepalen dat de wet
regels geeft omtrent de openbaarheid van
de vergaderingen van
waterschapsbesturen.
1.
Deze
bepaling luidt: " Het reglement der
instelling
wijst aan welk gezag de verordeningen
maakt".
4.
Waterstaatsbestuur en toezicht op de
waterschappen
Het
elfde hoofdstuk van de bestaande Grondwet
bevat, naast de in het
voorgaande aan de orde gekomen
bepalingen, een aantal voorschriften
omtrent het waterstaatsbestuur in het
algemeen en het toezicht daarop.
Artikel
204 schrijft voor dat de wet regels
geeft omtrent het waterstaatsbestuur,
het oppertoezicht en toezicht daaronder
begrepen, met inachtneming van de
voorschriften in de volgende artikelen
van het betreffende hoofdstuk van de
Grondwet vervat. Artikel 205 bepaalt
dat het oppertoezicht over alles wat de
waterstaat betreft berust bij de Koning,
"zonder onderscheid of de kosten
daarvan worden betaald uit 's Rijks kas
of op een andere wijze worden gevonden". Tot dit oppertoezicht
behoort de goedkeuring van provinciale
verordeningen inzake waterschappen en
inzake de waterstaat in het algemeen,
voorts het beslissen van bij de Kroon
aanhangig gemaakte beroepen tegen
provinciale besluiten en andere
geschillen van bestuur op dit gebied.
Ook valt onder het oppertoezicht van de
Kroon de bevelsbevoegdheid van de
Minister van Verkeer en Waterstaat in
bepaalde gevallen waar gedeputeerde
staten de hun gegeven bevelsbevoegdheid
niet uitoefenen, zomede de dusgenoemde
buitengewone riviercorrespondentie.
Ingevolge
artikel 206, eerste lid, zijn de
provinciale staten belast met toezicht
op alle waterstaatswerken en
waterschappen, zij het dat de wet het
toezicht over bepaalde werken aan
anderen kan opdragen.
Wij
achten het handhaven van een
afzonderlijke grondwetsbepaling inzake
het waterstaatsbestuur overbodig naast
hetgeen in de Grondwet wordt opgenomen
ten aanzien van de waterschappen en
naast de onder de sociale grondrechten
op te nemen grondwetsbepaling (artikel
1.20 [21]) die betrekking heeft op de zorg
van de overheid voor de bewoonbaarheid
van het land en de bescherming en
verbetering van het leefmilieu. Daarin
is ook de waterstaatszorg begrepen.
Naar
onze mening heeft het zin in de Grondwet
expliciet de wetgever op te dragen het
toezicht op waterschappen te regelen,
zulks naar analogie van hetgeen in het
wetsontwerp inzake provincies en
gemeenten wordt voorgesteld ten aanzien
van de provincies en de
gemeenten (artikel
7.9 [132], tweede lid). Wij achten
het echter niet nodig de Grondwet het
gezag dat bedoeld toezicht uitoefent te
doen aanwijzen. Evenmin behoeft de
Grondwet met zoveel woorden te doen
uitkomen dat er naast "toezicht" ook
nog "oppertoezicht" is. Het is immers
toch de gewone wetgever die aan de
begrippen "toezicht" en "oppertoezicht" hun inhoud moet geven.
De ten aanzien van provincies en
gemeenten bestaande noodzaak om bij
grove verwaarlozing van taken te
voorzien in afwijking van eerdere
grondwettelijke bepalingen - de
artikelen 7.3 [125]
en 7.5
[127]
- aangaande de
organen van die lichamen en hun
bevoegdheden is bij de waterschappen in
verband met de meer summiere regeling
daarvan in het ontwerp niet aanwezig.
Ook in de bestaande Grondwet komt een
dergelijke regeling niet voor. De wet
kan ingevolge het tweede lid van het
voorgestelde artikel 7.11
[133]
hier
voorzieningen geven.
5.
Veenschappen en veenpolders
De Grondwet
gewaagt in de artikelen 206 en
207 niet alleen van waterschappen, doch
ook van veenschappen en veenpolders. De
laatstgenoemde twee openbare lichamen
zijn echter te beschouwen als bijzondere
soorten van waterschappen.
rblz.|7|
Veenschappen
zijn lichamen ingesteld in verband met
de ontvening van hoogveengebieden. Zij
komen evenwel thans niet meer voor.
Veenpolders zijn ingesteld in verband
met de ontvening van laagveengebieden.
Alleen in Friesland fungeren thans nog
enkele veenpolders, doch ook van deze
mag de opheffing binnen afzienbare tijd
worden verwacht. De Grondwet
maakt
sedert 1887 met zoveel woorden melding
van veenschappen en veenpolders, teneinde de bevoegdheden van provinciale
staten ook ten aanzien van deze lichamen
te waarborgen. Aanleiding was een arrest
van de Hoge Raad
d.d. 27 maart 1882
(W.4758), waarbij aan het begrip "waterschap" een beperkte betekenis
was toegekend.¹ Deze
opvatting heeft echter thans vrijwel
geen aanhangers meer. Er is dan ook geen
reden in de Grondwet de bijzondere
benaming van deze lichamen te handhaven.
Immers, nog daargelaten dat, zoals
opgemerkt, veenschappen feitelijk niet
meer bestaan en ook veenpolders spoedig
tot het verleden zullen behoren, zou het
uitdrukkelijk noemen van veenschappen
en veenpolders steun kunnen geven aan de
- onjuiste - mening dat een waterschap
gekenmerkt wordt door specifieke soorten van waterstaatszorg en dat
aldus niet ten behoeve van de zorg voor
elk waterstaatsbelang, zoals dit thans
wordt opgevat, de bevoegdheid tot het
oprichten van een waterschap zou
bestaan.
In
het ontwerp wordt, gezien het
vorenstaande, de benaming veenschappen
en veenpolders niet gebezigd, maar
worden deze instellingen begrepen onder
de waterschappen. Aangezien het hier
alleen gaat om een kwestie van
naamgeving, behoeft niet te worden
voorzien in een overgangsbepaling ten
behoeve van de nog bestaande veenpolders.
1.
De Hoge Raad stelde
onder meer dat weliswaar
in het desbetreffende provinciaal
reglement was bepaald dat aan het
bestuur van elk veenschap onder andere is
opgedragen de zorg voor vaarwaters,
stuwen, sluizen, enz., maar dat daaruit
nog niet volgde dat een veenschap een
waterschap is. Hoofdbestemming van een
waterschap is, aldus destijds de Hoge
Raad, de zorg voor de waterkering,
waterlozing of althans regeling van de
waterstand. Hoofdbestemming van de
veenschappen is echter de vervening van
hoge venen volgens een geregeld plan van
aanleg en bewerking en de latere
ontginning van de ondergronden.
De
Minister-President, Minister van
Algemene Zaken a.i.,
W.F.
de Gaay Fortman
De
Minister van Binnenlandse Zaken,
W.F. de
Gaay Fortman
De
Minister van Verkeer en Waterstaat,
T.E.
Westerterp
|
|