|
rblz.|3|
Kamerstukken II
1975-1976, 13 995 (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 935 (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 48)
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet van de bepaling met
betrekking tot de voorziening in aangelegenheden waarbij twee of meer gemeenten
zijn betrokken, alsmede van de bepaling inzake geschillen tussen
openbare lichamen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING (eerste lezing) |
Inhoudsopgave
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Samenwerking tussen openbare lichamen |
| 3x |
Geschillen tussen openbare lichamen |
1.
Inleiding
Het
bijgaande wetsontwerp betreft de laatste twee artikelen van het
hoofdstuk "Provincies, gemeenten, waterschappen en andere openbare
lichamen" van de herziene Grondwet.
De
thans voorgestelde artikelen 7.13
[135] en
7.14 [136]
hebben betrekking op de
samenwerking van en de geschillen
tussen openbare lichamen. Deze materie
vindt in de geldende Grondwet regeling
in de artikelen 158 en 79. De
Staatscommissie van advies inzake de
Grondwet en de Kieswet
heeft bepalingen
hieromtrent tezamen gebracht in het door
haar voorgestelde artikel 101
(Eindrapport, blz. 322-324). Wij achten
deze combinatie in één artikel echter
vanuit een oogpunt van systematiek
minder juist, aangezien de beide
onderwerpen daarvoor te weinig verband
met elkaar hebben. Voorgesteld wordt
daarom twee afzonderlijke
grondwetsbepalingen dienaangaande te
handhaven.
2.
Samenwerking tussen openbare lichamen
Artikel
7.13 [135]
(artikel 101, eerste lid,
staatscommissie)
Dit artikel vertoont overeenkomst met
het bestaande artikel 158 der Grondwet.
Dit artikel, waaraan ook reeds in de
toelichting op artikel 7.10 [-] (zie het
afzonderlijke daarop betrekking hebbende
wetsontwerp) aandacht werd gegeven,
bepaalt dat de wet de voorziening regelt
in zaken, belangen, inrichtingen of
werken bij welke twee of meer gemeenten
zijn betrokken. Artikel 158 is in 1922
in de Grondwet
opgenomen teneinde elke
twijfel uit te sluiten over de vraag of
aan gemeenten een gemeenschappelijke
regeling zou mogen worden opgelegd ook
ten aanzien van onderwerpen behorende
tot de huishouding der gemeenten en dus
met aantasting van de gemeentelijke
autonomie. Ook het voorgestelde artikel
7.13 [135]
heeft mede de strekking om
grondwettelijke - in casu aan artikel
7.2 [124]
te ontlenen - bezwaren tegen
gedwongen samenwerking tussen gemeenten
te ondervangen. Een belangrijk verschil
met het oude artikel 158 is intussen
dat de nieuwe bepaling niet slechts ziet
op samenwerking tussen gemeenten, maar
op samenwerking tussen openbare lichamen
in het algemeen en de wetgever ter zake
een algemene regelingsopdracht geeft.
Door de ruimere werkingssfeer van het
artikel wordt onder meer bereikt dat de
wetgever niet op grondwettelijke
bezwaren stuit indien hij vormen van
gedwongen samenwerking tussen provincies
wil creëren. Thans bestaat deze
bevoegdheid niet.
rblz.|4|
De
onderhavige bepaling dient niet in die
zin imperatief te worden opgevat dat
de wetgever voor alle denkbare
combinaties voorzieningen zou moeten
treffen. Beoogd is aan de wetgever op te
dragen ten aanzien van de
publiekrechtelijke samenwerking tussen
openbare lichamen regelend op te treden.
Dit laat de wetgever vrij alleen tussen
bepaalde soorten openbare lichamen
publiekrechtelijke samenwerking toe te
laten.
Opmerking
verdient voorts dat de werking van
artikel 7.13 [135]
zich ook uitstrekt tot
vormen van samenwerking waarbij het Rijk
betrokken is.
De
bepaling in de tweede zin van artikel
7.13 [135], welke behoudens een redactionele
verduidelijking aan de staatscommissie
is ontleend, beoogt een grondwettelijke
basis te verschaffen aan de mogelijkheid
bij of krachtens enige wet die regels
stelt omtrent de samenwerking van
openbare lichamen nieuwe openbare (samenwerkings)lichamen
in te stellen. Het is overigens niet
noodzakelijk dat een op dit artikel
gebaseerd lichaam uitsluitend het
karakter van een samenwerkingslichaam
heeft. Heeft het lichaam tevens
bevoegdheden die niet aan de
samenwerkingspartners ontleend zijn, dan
is het in zoverre te beschouwen als een
ander openbaar lichaam in de zin van het
bij afzonderlijk wetsontwerp
voorgestelde artikel 7.12
[134]
(thans 162).
Een voorbeeld van een zodanig lichaam is
het openbaar lichaam Rijnmond.
In
de wet die de instelling regelt van
openbare lichamen waarin gemeenten of
provincies participeren en in het kader
van deze wet in de instellingsbesluiten
zal voor zover mogelijk voorzien moeten
worden in het geldend maken van de
waarborgen voor een democratisch bestuur die de Grondwet
voor provincies
en gemeenten kent. Een algemene
grondwettelijke verplichting op dit
punt achten wij echter niet goed
mogelijk.
Wel
is in het ontwerp de door de
staatscommissie voorgestelde bepaling in
zoverre aangevuld dat de in artikel 7.12
[134]
neergelegde verplichting tot wettelijke
regeling op het punt van inrichting,
samenstelling en bevoegdheid der
besturen, toezicht en openbaarheid van
vergaderingen van toepassing is
verklaard. Een dergelijke verplichting
is ook voor de onderhavige lichamen op
haar plaats te achten.
Ten
slotte wordt nog opgemerkt dat aan een
op grond van dit artikel gevormd
openbaar lichaam de bevoegdheid zal
kunnen worden verleend om de daarin
deelnemende gemeenten of provincies tot
medebewind te roepen. Het voorgestelde
artikel 7.2 [124], tweede lid, laat dit toe.
Onder de huidige Grondwet wordt ten
aanzien van gemeenten deze mogelijkheid
niettegenstaande artikel 153, derde
lid, op grond van artikel 158 ook reeds
aangenomen.
3.
Geschillen tussen openbare lichamen
Artikel
7.14 [136]
(artikel 101, tweede lid,
staatscommissie)
Dit artikel bevat in vereenvoudigde
bewoordingen datgene wat in de geldende Grondwet
is neergelegd in artikel 79.
Wij zijn van mening dat artikel 79 in
de praktijk waarde heeft ondanks
bezwaren tegen dit artikel in de
literatuur ¹ en ondanks de omstandigheid dat in de wetgeving reeds
bepalingen zijn aan te wijzen welke een
regeling bevatten ter zake van
geschillen tussen bepaalde openbare
lichamen; zo bijvoorbeeld in artikel 121
Provinciewet, artikel 7
Wet
gemeenschappelijke regelingen en de
artikelen 4, 19 en 65 Waterstaatswet
1900. Juist waar dergelijke regelingen
ontbreken, stelt dit artikel buiten
twijfel dat er toch een instantie is
die beslist in zodanige geschillen. Dit
geeft ons reden tot het voorstellen van
artikel 7.14 [136].
Het
huidige artikel 79 der Grondwet
ziet
niet op de beslissing in geschillen
tussen waterschappen. De Grondwet heeft
dit ter regeling overgelaten aan het
gezag dat de inrichting van
waterschappen regelt. Doorgaans is de
beslissing in deze geschillen
opgedragen aan gedeputeerde staten.
rblz.|5|
Het
voorgestelde artikel 7.14
[136]
heeft wél
mede betrekking op geschillen tussen
waterschappen. De redactie van artikel
7.14 [136]
laat continuering van de bestaande
situatie te dezen toe, zij het dat
voortaan in de wet zelf de opdracht aan
gedeputeerde staten tot deze
geschillenbeslechting moet zijn
geregeld.
1.
Vgl. Van der Pot-Donner, Handboek Nederlands
Staatsrecht, 9e druk (1972), blz.335, en
Oud, Constitutioneel recht, deel II, 2e
druk (1970), blz. 402-410. Anders: J.R.
Stellinga, Grondtrekken Nederlands Staatsrecht
(1953), blz. 322-323, en R. Crince Le
Roy, Geschillen van bestuur,
Bestuurswetenschappen, jaargang 1963,
blz. 96-99.
De
Minister-President, Minister
van Algemene Zaken a.i.,
W.F. de Gaay Fortman
De
Minister van Binnenlandse Zaken,
W.F. de Gaay Fortman
|
|