|
rblz.|3|
Kamerstukken II
1976-1977, 14 457 (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 938 (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 51)
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet strekkende tot het doen
vervallen van het additionele artikel inzake heerlijke rechten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING (eerste lezing) |
Dit
wetsontwerp heeft betrekking op additioneel artikel I van de huidige Grondwet, dat naar het oordeel van de regering kan vervallen. De
staatscommissie behandelt de materie van additioneel artikel I in haar
Eindrapport (blz. 342-344).
Additioneel
artikel I van de Grondwet
heeft een
tweeledige betekenis. Het eerste lid
betreft eigenlijke heerlijke rechten
alsmede het kerkelijk collatierecht,
het tweede lid de zogenaamde
heerlijkheidsgevolgen (accrochementen),
ook wel oneigenlijke heerlijke rechten
genaamd.
Eigenlijke
heerlijke rechten waren oudtijds de in
de handel zijnde rechten op
overheidsgezag. Begunstigd door de
omstandigheid dat in het oud-vaderlandse recht ten tijde van de
Republiek geen scherp onderscheid werd
gemaakt tussen privaat- en
publiekrecht, hebben deze rechten zich
tot de Bataafse omwenteling onverkort
weten te handhaven. Bij artikel 24 van
de Burgerlijke en Staatkundige
Grondregels van de Staatsregeling van
1798 werden zij afgeschaft,¹
doch zestien jaar later bij Souverein Besluit van 26 maart 1814
(Stb. 1814, 46) in
getemperde vorm hersteld, namelijk als
recht van voordracht voor de vervulling
van belangrijke gemeentebedieningen en
als recht tot aanstelling in kleinere
gemeentebedieningen. Deze rechten werden
bij de grondwetsherziening van 1848
afgeschaft ingevolge het eerste lid van
het toenmaals ingevoegde additionele
artikel. Bij de grondwetsherziening van
1922 werd de werking van deze bepaling
uitgebreid tot het kerkelijk
collatierecht, dit is het recht iemand
in een kerkelijke betrekking voor te
dragen of te benoemen.
Aan
de bepaling van het eerste lid van
additioneel artikel I bestaat in de
huidige tijd geen behoefte meer. De
afschaffing van de daarin vermelde
rechten heeft, zoals gezegd, in 1848
respectievelijk 1922 definitief zijn beslag
gekregen en behoeft niet meer in de Grondwet
te worden vermeld. En wat de
toekomst aangaat, is het, ook zonder
een uitdrukkelijke grondwettelijke
verbodsbepaling, ondenkbaar dat deze
rechten zouden herleven.
De
overige, de zogenaamde oneigenlijke heerlijke
rechten, waarover het tweede lid van het
artikel handelt, zijn de rechten die de
heer kon uitoefenen naast zijn recht op
overheidsgezag. Evenals de eigenlijke
heerlijke rechten waren dit oudtijds
zaken in de handel. De Staatsregeling
van 1798 bevatte een drietal bepalingen
welke de hier bedoelde rechten
limiteerden, namelijk de artikelen 25, 27 en
53 van de Grondregels.²
Tengevolge van de verwarrende redactie van
artikel 25 bleef voor tal van rechten
grote onzekerheid bestaan. Voor wat
betreft een aantal heerlijkheidsgevolgen, bijvoorbeeld het
veerrecht, het recht op aanwassen en
rechten rblz.|4|
betreffende dijken en wegen, kan wel als
vaststaand worden aangenomen dat zij
zijn blijven bestaan. Het eerdergenoemd
Souverein Besluit van 26 maart 1814
herstelde onder andere de jacht- en
visrechten.
Bij
de grondwetsherziening van 1848 werd het
niet noodzakelijk geoordeeld de
oneigenlijke heerlijke rechten te
schrappen, zoals dit met de nog
resterende eigenlijke heerlijke rechten
geschiedde. De wetgever zou zulks
desgewenst later wel kunnen doen. In het
tweede lid van het additionele artikel
werd dit tot uitdrukking gebracht. Het
artikellid maakt tevens gewag van
schadeloosstelling der eigenaren.
Sedertdien
heeft de wetgever enige regelingen
getroffen (de Verenwet
(Wet van 5 juli
1921, Stb. 1921, 838), de Jachtwet 1923
(Wet
van 2 juli 1923, Stb. 1923, 331) en
verschillende opeenvolgende
visserijwetten (laatstelijk de Wet van
30 mei 1963, Stb. 1963, 312)). Geheel
verdwenen zijn de oneigenlijke heerlijke
rechten echter nog niet, al worden zij
niet geheel door oud-vaderlands recht
beheerst (vgl. HR 20 februari 1931,
NJ 1931, blz. 1563, handelend over een
heerlijk visrecht). Nog bestaande
oneigenlijke heerlijke rechten kunnen in
de praktijk worden opgevat als gewone
zakelijke rechten.
Het
lijkt niet nodig of wenselijk het tweede
lid van het huidige additionele artikel
I in de Grondwet
te handhaven. Ook
zonder deze bepaling is de formele
wetgever bevoegd tot opheffing van deze
rechten over te gaan. Daarbij zal in het
algemeen schadeloosstelling worden
toegekend. Vindt onteigening plaats, dan
vloeit deze voort uit het bepaalde in
artikel 4 der Onteigeningswet. Andere
opheffingen, te weten die bij de
Verenwet, de Jachtwet en de visserijwetten, welke hierboven vermeld
zijn, plachten ook met
schadeloosstelling gepaard te gaan.
Doch bijvoorbeeld de Verenwet kende,
naast de opheffing van een veerrecht
tegen schadeloosstelling, het vervallen
verklaren daarvan wegens niet-gebruik
gedurende ten minste vijf jaren. Dit
vervallen verklaren ging niet gepaard
met schadeloosstelling. Er is daarom
onvoldoende aanleiding om de wetgever
in het algemeen te verplichten opheffing
van deze rechten onder alle
omstandigheden gepaard te doen gaan met
een regeling van de schadeloosstelling.
Vertrouwd moet worden dat zodanige
regeling niet achterwege zal blijven
indien op billijkheidsgronden aanleiding
tot een schadeloosstelling bestaat.
1.
Artikel 24 van de Burgerlijke en
Staatkundige Grondregels luidt: "Alle
eigenlijk gezegde Heerlijke Regten en
Tituls, waardoor aan een bijzonder
Persoon of Lichaam zou worden toegekend
eenig gezag omtrent het Bestuur van
Zaken in eenige Stad, Dorp of Plaats, of
de aanstelling van deze of gene
Ambtenaaren binnen dezelve, worden, voor
zoo verre die niet reeds met de daad
zijn afgeschaft, bij de aanneming der
Staatsregeling, zonder eenige
Schaêvergoeding, voor altijd
vernietigd."
2.
Deze artikelen luiden als volgt:
Artikel
25.
-1. Alle Tiend-, Cijns-, of Thijns-, Na-koops-, Afstervings-, en
Naastings-Regten, van welken aard,
midsgaders alle andere Regten of
Verpligtingen, hoe ook genoemd, uit het
leenstelsel of Leenrecht afkomstig, en
die hunnen oorsprong niet hebben uit een
wederzijdsch vrijwillig en wettig
verdrag, worden, met alle de gevolgen
van dien, als strijdig met der Burgeren
gelijkheid en vrijheid, voor altijd
vervallen verklaard.
-
2.
Het Vertegenwoordigend Lichaam zal,
binnen agttien Maanden, na Deszelfs
eerste zitting, bepaalen den voet en de
wijze van afkoop van alle zoodanige
regten en renten, welke als vruchten
van wezenlijken eigendom kunnen
beschouwd worden. Geene aanspraak op
pecunieele vergoeding, uit de
vernieting van gemelde Regten
voordvloeijende, zal gelden, dan welke,
binnen zes Maanden na de aanneming der
Staatsregeling, zal zijn ingeleverd.
Artikel 27.
Alle burgers hebben, ten alle
tijde, het regt, om, met uitsluiting van
anderen, op hunnen eigen of gebruikten,
grond te Jagen, te Vogelen en te
Visschen. Het Vertegenwoordigend
Lichaam maakt, binnen zes Maanden na
Deszelfs eerste zitting, bij Reglement,
de nodige bepaaling, om, ten dezen
opzigte, de openbaare veiligheid en
eigendommen der lngezetenen te
verzekeren, en zorgt, dat noch de
Visscherijen bedorven, noch de
Landgebruiker bij eenige Wet of Beding,
belet worde, allen Wild op zijnen
gebruikten grond te vangen, noch ook,
dat een ander daarop zal mogen Jagen of
Visschen zonder zijne bewilliging.
Artikel 53.
Bij de aanneming der
Staatsregeling, worden vervallen
verklaard alle Gilden, Corporatiën of
Broederschappen van Neeringen, Ambagten,
of Fabrieken. Ook heeft ieder Burger, in
welke Plaats woonachtig, het regt
zoodanige Fabriek of Trafiek opterigten,
of zoodanig eerlijk bedrijf aantevangen,
als hij verkiezen zal. Het
Vertegenwoordigend Lichaam zorgt, dat
de goede orde, het gemak en gerief der
Ingezetenen, ten dezen opzigte, worden
verzekerd.
De
Minister-President, Minister van
Algemene Zaken,
J.M. den Uyl
De
Minister van Binnenlandse Zaken,
W.F. de Gaay Fortman
De
Staatssecretaris van Justitie,
H.J. Zeevalking
|
|