St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

TOESLAGENWET

 

  
 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 
Kamerstukken II 1985-1986, 19 257

Verlening van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, die één of meer personen tot hun financiële last hebben (Toeslagenwet) ¹

1. Redactie: de wet is gepubliceerd in Stb. 1986, 562, en is in werking getreden met ingang van 1 januari 1987 (Stb. 1986, 597).

 

 

Nr.r1 KONINKLIJKE  BOODSCHAP

 

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

     Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van Wet tot verlening van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, die één of meer personen tot hun financiële last hebben (Toeslagenwet).
     De toelichtende memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.
     En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

 

Tavarnelle, 17 oktober 1985

 

BEATRIX

 

 

 

Nr.r2 VOORSTEL  VAN  WET

 

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen inzake het verlenen van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de
Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, die één of meer personen tot hun financiële last hebben;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1 [1].  [MvT]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. bedrijfsvereniging: een bedrijfsvereniging als bedoeld in hoofdstuk II van de Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1952, 344);
c. Sociale Verzekeringsraad: de Sociale Verzekeringsraad, bedoeld in hoofdstuk III van de Organisatiewet Sociale Verzekering;
d. loondervingsuitkering: een tot uitbetaling komende uitkering krachtens de verplichte verzekering ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet (Stb. 1967, 473), de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1980, 28) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492), alsmede een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313);
e. toeslag: een op een loondervingsuitkering te verlenen toeslag ingevolge deze wet;
f. minimumloon: het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657);
g. Toeslagenfonds: het fonds, bedoeld in artikel 29 [31].
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt degene die niet duurzaam gescheiden leeft van de man of vrouw met wie hij of zij gehuwd is;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de man of vrouw met wie hij of zij gehuwd is.
-3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden mede als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren en van wie de situatie ook overigens niet feitelijk verschilt van die van gehuwden of echtgenoten.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het derde lid.

 

 

HOOFDSTUK  II

De toeslag

 

§ 1.  De voorwaarden voor het recht op toeslag

 

Art. 2 [2].  [MvT]
-1. Recht op toeslag heeft een gehuwde die:
a. recht heeft op loondervingsuitkering; en
b. per dag een inkomen heeft dat lager is dan het minimumloon.
-2. Recht op toeslag heeft een ongehuwde die:
a. recht heeft op loondervingsuitkering;
b. een kind heeft jonger dan 18 jaar dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en voor wie hij op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen; en
c. per dag een inkomen heeft dat lager is dan 90% van het minimumloon.

 

Art. 3 [4].  [MvT]
-1. Het recht op toeslag op een uitkering ingevolge de Ziektewet ontstaat met ingang van de dag waarop de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet, zes weken heeft geduurd.
-2. Onze Minister kan met betrekking tot het eerste lid nadere en zo nodig afwijkende regels stellen.

 

Art. 4 [5].  [MvT]
Indien de loondervingsuitkering gedeeltelijk wordt geweigerd op grond van enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de loondervingsuitkering in aanmerking genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden.

 

Art. 5 [6].  [MvT]
-1. Als inkomen wordt aangemerkt:
a. voor een gehuwde: de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van hemzelf en van zijn echtgenoot;
b. voor een ongehuwde: zijn inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het eerste lid. Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, alsmede de periode waarop die vaststelling betrekking heeft.

 

Art. 6 [7].  [MvT]
-1. In afwijking van artikel 5 [6] wordt - behoudens voor de vaststelling van het inkomen, bedoeld in artikel 2 [2] - gedurende een periode van ten hoogste twee jaren 30% van het inkomen uit arbeid niet als inkomen aangemerkt.
-2. Het niet in aanmerking te nemen inkomen, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 15% van het minimumloon.

 

 

§ 2.  De hoogte van de toeslag

 

Art. 7 [8].  [MvT]
-1. De toeslag is gelijk aan het verschil tussen het minimumloon, of, voor de persoon bedoeld in artikel 2 [2], tweede lid, 90% van het minimumloon, en het inkomen.
-2. De toeslag bedraagt ten hoogste:
a. voor een gehuwde: 30% van het minimumloon;
b. voor een ongehuwde: 20% van het minimumloon.
-3. Indien het dagloon of de grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is berekend minder bedraagt dan het minimumloon, of, voor de persoon bedoeld in artikel 2 [2], tweede lid, 90% van het minimumloon, bedraagt de toeslag niet meer dan het verschil tussen het dagloon of de grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is berekend en de loondervingsuitkering.
-4. Voor de toepassing van het derde lid wordt de in het dagloon of de grondslag begrepen vakantie-uitkering niet in aanmerking genomen.

 

Art. 8 [9].  [MvT]
Onze Minister is bevoegd nader te bepalen welk niveau een wijziging in het inkomen moet bereiken alvorens die wijziging van invloed is op de omvang van het recht op toeslag en zo nodig afwijkende regels te stellen met betrekking tot het tijdstip waarop een wijziging ingaat.

 

 

§ 3.  De vakantie-uitkering

 

Art. 9 [10].  [MvT]
-1. Degene die recht heeft op een toeslag heeft tevens recht op een vakantie-uitkering ter hoogte van 7,5% van die toeslag.
-2. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt dit gewijzigde percentage in aanmerking genomen over het bedrag van de toeslag waarop recht bestaat over de periode aanvangende met de dag waarop die wijziging ingaat. Het gewijzigde percentage treedt in de plaats van het in het eerste lid genoemde percentage.
-3. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 11 [12], 12 [13], 13 [14], 14 [15], vierde lid, 16 [18], 18 [20], 19 [21], 20 [22], 21 [23], 22 [24], 23 [25], 25 [27], 26 [28] en 27 [29] vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering.

 

 

§ 4.  Het geldend maken van het recht op toeslag

 

Art. 10 [11].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging stelt vast of een recht op toeslag bestaat nadat daartoe een schriftelijke aanvraag is ingediend.
-2. Van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, stelt de bedrijfsvereniging de belanghebbende onverwijld schriftelijk in kennis.
-3. Een aanvraag wordt ingediend middels een door de bedrijfsvereniging beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
-4. Het recht op toeslag kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen vóór één jaar voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om toeslag werd ingediend. De bedrijfsvereniging is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van het bepaalde in de vorige volzin.

 

Art. 11 [12].  [MvT]
-1. Degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de persoon aan wie of de instelling aan welke ingevolge artikel 20 [22] toeslag wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de bedrijfsvereniging op haar verzoek of uit eigen beweging onverwijld alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag of het geldend maken van het recht op toeslag.
-2. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon of instelling niet de in dat lid bedoelde verplichting is nagekomen, worden de feiten en omstandigheden die daarbij in het geding zijn, geacht aanwezig te zijn vanaf de eerste dag waarover aanspraak op toeslag werd gemaakt, tenzij de hier bedoelde persoon of instelling aannemelijk maakt dat die feiten en omstandigheden zich vanaf een later tijdstip voordeden.

 

Art. 12 [13].  [MvT]
Degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de persoon aan wie of de instelling aan welke ingevolge artikel 20 [22] toeslag wordt uitbetaald, zijn verplicht de voorschriften op te volgen die de bedrijfsvereniging ten behoeve van een doelmatige controle stelt.

 

Art. 13 [14].  [MvT]
-1. Wanneer degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van artikel 20 [22] toeslag wordt uitbetaald, een verplichting hem of haar op grond van de artikelen 11 [12] en 12 [13] opgelegd niet nakomt, is de bedrijfsvereniging bevoegd de toeslag tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk te weigeren.
-2. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd nadere regels te stellen over de wijze waarop de bedrijfsvereniging van de bevoegdheden, genoemd in het eerste lid, gebruikmaakt.

 

 

§ 5.  De betaling van de toeslag

 

Art. 14 [15].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging betaalt de toeslag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand nadat zij het recht op die toeslag heeft vastgesteld.
-2. De betaling van de toeslag geschiedt, voor zoveel mogelijk, in dezelfde termijnen als die waarin de betaling van de loondervingsuitkering geschiedt.
-3. De toeslag wordt, voor zoveel mogelijk, samen met de loondervingsuitkering in één bedrag betaald.
-4. De bedrijfsvereniging schort de betaling van de toeslag op of schorst de betaling indien zij van oordeel is of vermoedt dat:
a. het recht op toeslag niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere toeslag bestaat; of
c. degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, dan wel de persoon aan wie of de instelling aan welke ingevolge artikel 20 [22] toeslag wordt uitbetaald, een verplichting als bedoeld in de artikelen 11 [12] en 12 [13] niet is nagekomen.
-5. De bedrijfsvereniging stelt degene die aanspraak maakt op toeslag onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing, bedoeld in het vierde lid.

 

Art. 15 [17].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd een voorschot te betalen op een nog niet vastgestelde toeslag.
-2. Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot als bedoeld in het eerste lid beschouwd als een toeslag ingevolge deze wet.

 

Art. 16 [18].  [MvT]
De toeslag die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie maanden na de dag van betaalbaarstelling wordt niet meer betaald.

 

Art. 17 [19].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging betaalt de vakantie-uitkering, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden.
-2. De bedrijfsvereniging betaalt de vakantie-uitkering, voor zoveel mogelijk, samen met de vakantie-uitkering over de loondervingsuitkering in één bedrag.
-3. Indien niet langer recht op loondervingsuitkering bestaat, wordt de nog niet betaalde vakantie-uitkering, voor zoveel mogelijk, samen met de vakantie-uitkering over de loondervingsuitkering in één bedrag betaald.

 

Art. 18 [20].  [MvT + bis]
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op grond van deze wet onverschuldigd is betaald geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of in mindering te brengen op een later te betalen toeslag of loondervingsuitkering:
a. indien zij door het niet nakomen door degene die ten onrechte aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, dan wel de persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van artikel 20 [22] toeslag wordt betaald, van een verplichting als bedoeld in artikel 11 [12], eerste lid, onverschuldigd heeft betaald;
b. gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling, indien zij door toedoen van degene die ten onrechte aanspraak op toeslag heeft gemaakt, onverschuldigd heeft betaald; en
c. gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het degene die ten onrechte aanspraak op toeslag heeft gemaakt redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de bedrijfsvereniging onverschuldigd betaalde.
-2. Indien degene die ten onrechte aanspraak op toeslag heeft gemaakt een toeslag of loondervingsuitkering ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd toeslag heeft betaald, is die andere bedrijfsvereniging bevoegd zonder machtiging van degene die ten onrechte aanspraak op toeslag heeft gemaakt de bedragen die teruggevorderd kunnen worden of in mindering kunnen worden gebracht, te betalen aan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald.
-3. Een voorschot wordt door de toeslaggerechtigde op eerste vordering van de bedrijfsvereniging terugbetaald of door de bedrijfsvereniging in mindering gebracht op een later te betalen toeslag of loondervingsuitkering.

 

Art. 19 [21].  [MvT]
-1. Indien een toeslaggerechtigde recht op toeslag heeft over een periode waarover een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers (Stb. 1985, ...) of bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd de toeslag over die periode tot ten hoogste het bedrag van die uitkering of de verleende bijstand, zonder machtiging van de toeslaggerechtigde, te betalen aan het betrokken gemeentebestuur.
-2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het bedrag aan premies op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste is gekomen van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand verleende.
-3. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor zover bij de verlening van de uitkering of van bijstand met de toeslag rekening is gehouden.

 

Art. 20 [22].  [MvT]
Indien de toeslaggerechtigde niet in staat is kwijting te verlenen voor de betaling van de loondervingsuitkering, betaalt de bedrijfsvereniging tevens de toeslag aan de persoon of instelling aan wie of aan welke die loondervingsuitkering wordt betaald.

 

Art. 21 [23].  [MvT]
-1. Na het overlijden van de toeslaggerechtigde wordt de toeslag, voor zover niet reeds betaald, tot en met de laatste dag van de tweede maand volgende op die waarin het overlijden plaatsvond, betaald - voor zover mogelijk in een bedrag ineens -:
a. aan de langstlevende van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen, aan degene ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
-2. Indien er geen rechthebbenden als bedoeld in het eerste lid zijn, wordt de toeslag, voor zover niet reeds betaald, na het overlijden van de toeslaggerechtigde, anders dan op grond van het eerste lid, tot en met de laatste dag van de maand waarin het overlijden plaatsvond, betaald aan de persoon of de personen die daarvoor naar het oordeel van de bedrijfsvereniging uit billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt, onderscheidenlijk komen, mits deze daartoe binnen zes maanden na het overlijden een verzoek bij de bedrijfsvereniging heeft, onderscheidenlijk hebben, ingediend.

 

Art. 22 [24].  [MvT]
Indien in verband met het bepaalde in artikel 20 [22] de toeslag van een gehuwde, dan wel een gedeelte van die toeslag, aan een instelling werd betaald, is de bedrijfsvereniging bevoegd de toeslag na het overlijden van de toeslaggerechtigde tot en met de laatste dag van de maand waarin het overlijden plaatsvond aan die instelling te betalen indien voor die betaling naar het oordeel van de bedrijfsvereniging geen persoon of personen als bedoeld in artikel 21 [23] in aanmerking komt, onderscheidenlijk komen.

 

Art. 23 [25].  [MvT]
-1. De toeslag is onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de toeslag, onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met het eerste of tweede lid is nietig.

 

 

HOOFDSTUK  III

Financiering

 

Art. 24 [26].  [MvT]
-1. In de middelen tot dekking van de uitgaven van het Toeslagenfonds wordt voorzien door het Rijk.
-2. Onze Minister en Onze Minister van Financiën stellen regels over de wijze waarop de afdracht van gelden door het Rijk aan het Toeslagenfonds plaatsvindt.
-3. De begroting en de jaarrekening van het Toeslagenfonds behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

 

Art. 25 [27].  [MvT]
-1. De op grond van deze wet te betalen toeslagen en de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen ten laste van het Toeslagenfonds.
-2. Het Toeslagenfonds stelt aan de bedrijfsverenigingen gelden ter beschikking voor de financiering van de in het eerste lid bedoelde lasten.
-3. De Sociale Verzekeringsraad kan regelen stellen ter uitvoering van het bepaalde in het tweede lid.

 

Art. 26 [28].  [MvT]
Het Rijk is tegenover de toeslaggerechtigde zonder enig voorbehoud aansprakelijk voor de betaling van de toeslag.

 

 

HOOFDSTUK  IV

De uitvoeringsorganen

 

Art. 27 [29].  [MvT]
-1. In de uitvoering van deze wet wordt voorzien door de bedrijfsverenigingen.
-2. Het recht op toeslag ingevolge deze wet bestaat tegenover de bedrijfsvereniging die het recht op loondervingsuitkering vaststelt.
-3. Indien met betrekking tot het recht op toeslag ten aanzien van eenzelfde persoon meer dan één bedrijfsvereniging bevoegd is tot uitvoering van deze wet, is uitsluitend bevoegd de bedrijfsvereniging tegenover welke het recht op de hoogste loondervingsuitkering bestaat.

 

Art. 28 [30].  [MvT]
De bedrijfsvereniging is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften behoeven de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad en mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.

 

Art. 29 [31].  [MvT]
-1. Er bestaat een Toeslagenfonds, dat de hoedanigheid van rechtspersoon bezit. Het heeft zijn zetel ter plaatse door Onze Minister te bepalen.
-2. Het bestuur van het fonds bestaat uit een door Onze Minister te bepalen aantal leden en een gelijk aantal plaatsvervangende leden.
-3. Onze Minister benoemt telkens voor drie jaren een derde gedeelte van de leden en van de plaatsvervangende leden, onder wie een lid-voorzitter.
-4. Een derde gedeelte van de leden en van de plaatsvervangende leden wordt aangewezen door de organisaties van werkgevers, bedoeld in artikel 35, zesde lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekering en een ander derde gedeelte door de organisaties van werknemers, bedoeld in artikel 35, zesde lid, van genoemde wet. Onze Minister bepaalt het aantal leden en plaatsvervangende leden dat door elke organisatie wordt aangewezen.
-5. Aan de voorzitter, de overige leden en de plaatsvervangende leden kan volgens regels door het bestuur van het Toeslagenfonds te stellen een schadeloosstelling, alsmede een vergoeding voor reis- en verblijfkosten, worden toegekend. Deze regels behoeven de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad.
-6. De voorzitter vertegenwoordigt het fonds in en buiten rechte.

 

Art. 30 [32].  [MvT]
Met de dagelijkse leiding van de werkzaamheden van het Toeslagenfonds is belast de algemeen secretaris van de Sociale Verzekeringsraad, die tevens als secretaris van het bestuur van het fonds optreedt. Het personeel van de Sociale Verzekeringsraad verleent het fonds administratieve medewerking.

 

Art. 31 [33].  [MvT]
-1. Het bestuur van het Toeslagenfonds brengt, volgens door Onze Minister te stellen regels en behoudens daarbij te bepalen uitzonderingen, de besluiten die het neemt onverwijld ter kennis van Onze Minister en van de Sociale Verzekeringsraad.
-2. De besluiten van het bestuur van het Toeslagenfonds kunnen, voor zover zij met de wet of het algemeen belang strijden, bij koninklijk besluit worden geschorst of vernietigd. De artikelen 28, tweede en derde lid, 29, 30, 31, 32, 33 en 34 van de Organisatiewet Sociale Verzekering zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 32 [34].  [MvT]
Het bestuur van het Toeslagenfonds is verantwoordelijk en rekenplichtig aan de Sociale Verzekeringsraad.

 

Art. 33 [35].  [MvT]
-1. Door Onze Minister aan te wijzen personen zijn bevoegd de vergaderingen van het bestuur van het Toeslagenfonds bij te wonen. Zij hebben in deze vergaderingen een raadgevende stem.
-2. Aan Onze Minister wordt tijdig kennis gegeven van de in het eerste lid bedoelde vergaderingen.

 

Art. 34 [36].  [MvT]
-1. Het boekjaar van het Toeslagenfonds loopt van 1 januari tot en met 31 december.
-2. Het bestuur van het Toeslagenfonds is verplicht binnen één jaar na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand van het fonds en van zijn werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen te stellen, welk verslag met de rekening over dat boekjaar aan Onze Minister en de Sociale Verzekeringsraad wordt toegezonden.
-3. Onze Minister is bevoegd voorschriften te geven omtrent de inrichting van het in het tweede lid bedoelde verslag en de daarin te verwerken statistische gegevens.

 

Art. 35 [37].  [MvT]
Het Toeslagenfonds is bevoegd te doen nagaan of:
a. besluiten van de bedrijfsvereniging met betrekking tot de vaststelling van het recht op uitkering die ten laste komt van het Toeslagenfonds in overeenstemming zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen;
b. bedragen welke de bedrijfsverenigingen aan het Toeslagenfonds in rekening brengen wegens voor dit fonds gedane uitgaven, op de juiste wijze zijn vastgesteld.

 

 

HOOFDSTUK  V

Het beroep

 

Art. 36 [38].  [MvT]
-1. Aan de belanghebbende wordt, desgevraagd, schriftelijk kennis gegeven van een beslissing op grond van deze wet die verband houdt met het recht op, het geldend maken van het recht op en de betaling van een uitkering op grond van deze wet.
-2. Een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedagtekend, vermeldt de gronden waarop de beslissing berust, alsmede naam en adres van het college waarbij op grond van artikel 37 [39] beroep kan worden ingesteld en de termijn van beroep.

 

Art. 37 [39].  [MvT]
-1. Tegen een beslissing waarvan op grond van artikel 36 [38] schriftelijk kennis wordt gegeven, staat beroep open.
-2. Over dit beroep wordt geoordeeld door de raden van beroep en de Centrale Raad van Beroep, bedoeld in de Beroepswet (Stb. 1955, 47).
-3. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 1 [1], tweede en derde lid.
-4. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

 

 

HOOFDSTUK  VI

Strafbepalingen

 

Art. 38 [40].  [MvT]
Overtreding van bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.

 

Art. 39 [41].  [MvT]
Hij die op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet of opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

 

Art. 40 [42].  [MvT]
Hij die op andere wijze dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk een opgave in strijd met de waarheid doet, zulks met het oogmerk aldus een uitkering of een hogere uitkering ingevolge deze wet te verkrijgen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

 

Art. 41 [43].  [MvT]
Het in artikel 38 [40] omschreven strafbare feit is een overtreding. De in de artikelen 39 [41] en 40 [42] omschreven strafbare feiten zijn misdrijven.

 

 

HOOFDSTUK  VII

Slotbepalingen

 

Art. 42 [-].  [MvT]
Onze Minister hoort de Sociale Verzekeringsraad alvorens hij regelen stelt op grond van artikel 8 [9].

 

Art. 43 [45].
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Toeslagenwet".

 

Art. 44 [46].  [MvT]
Deze wet treedt in werking op een bij wet te bepalen tijdstip.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Toeslagenwet | MvT | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x