|
Kamerstukken II
1985-1986, 19 260
Het
treffen van een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers van
wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
is geëindigd (Wet inkomensvoorziening
oudere werkloze werknemers) ¹
1. Redactie: Tijdens de parlementaire
behandeling is de citeertitel van deze wet
vervangen door: Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw). De wet is
gepubliceerd in Stb. 1986, 565, en is in werking getreden met
ingang van 1 januari 1987 (Stb. 1986, 597).
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP |
Aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Wij
bieden U hiernevens ter overweging aan een
voorstel van Wet tot het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere
werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
is geëindigd (Wet inkomensvoorziening oudere
werkloze werknemers).
De toelichtende
memorie
(en bijlagen), die het Wetsontwerp vergezelt, bevat de gronden waarop
het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige
bescherming.
Tavarnelle, 17 oktober 1985
BEATRIX
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in
overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is een inkomensvoorziening
te treffen voor oudere werkloze
werknemers van wie het
recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
is geëindigd;
Zo is
het, dat Wij, de Raad van State
gehoord,
en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art.
1 [1]. [MvT]
In
deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a.
Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b.
burgemeester en wethouders: burgemeester
en wethouders van de gemeente, bedoeld
in artikel 13, eerste lid;
c.
arbeidsbureau: het arbeidsbureau in
welks gebied de gemeente is gelegen;
d.
rijksconsulent: de rijksconsulent
sociale zekerheid in wiens ambtsgebied
de gemeente is gelegen;
e.
commissie: de commissie, bedoeld in de
artikelen 34 [-] en 35
[-];
f. nettominimumloon: het nettominimumloon,
bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de
Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284).
Art.
2 [2]. [MvT]
-1.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a.
werkloze werknemer: de persoon die:
1º.
werkloos is en de leeftijd van 65 jaar
nog niet heeft bereikt;
2º. na het
bereiken van de leeftijd van 50 jaar
werkloos is geworden; en
3º. nadien
gedurende de maximumtermijn een
loondervingsuitkering en een
vervolguitkering op grond van de
Werkloosheidswet heeft ontvangen;
b.
kind: het kind jonger dan 18 jaar dat
niet als eigen kind, aangehuwd kind of
pleegkind tot het huishouden van een
ander dan de werkloze werknemer behoort
en voor wie de werkloze werknemer op
grond van de Algemene Kinderbijslagwet
(Stb.
1980, 1) kinderbijslag ontvangt, dan wel
zal ontvangen.
-2.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt mede als werkloze
werknemer aangemerkt degene die niet
voldoet aan het eerste lid, onderdeel a,
onder 3º, als gevolg van een blijvende
weigering van de gehele uitkering of een
beperking van de uitkeringsduur op grond
van artikel
27, eerste lid, van de Werkloosheidswet.
-3.
Bij algemene maatregel van bestuur, op
voordracht van Onze Ministers van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van
Binnenlandse Zaken, van Onderwijs en
Wetenschappen en van
Defensie, kunnen
met ingang van het tijdstip aangewezen
op grond van artikel
7, eerste volzin,
van de Werkloosheidswet regels worden
gesteld om in afwijking van het bepaalde
in het eerste lid, onderdeel a,
onder 3º,
voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen mede als
werkloze werknemer aan te merken de
persoon aan wie door het Rijk ter zake
van zijn arbeidsverhouding
invaliditeitspensioen is verzekerd.
-4.
Een ontwerp van een besluit tot een
algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het derde lid wordt bekendgemaakt in de
Nederlandse Staatscourant.
-5.
Een voordracht tot een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het
vierde lid wordt Ons niet gedaan dan
nadat twee maanden na die bekendmaking
zijn verstreken.
Art.
3 [3+4].
[MvT]
-1.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt als echtgenoot
aangemerkt degene die niet duurzaam
gescheiden leeft van de werkloze
werknemer met wie hij of zij gehuwd is.
-2.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt mede als echtgenoot
aangemerkt de niet met de werkloze
werknemer gehuwde persoon van hetzelfde
of het andere geslacht met wie de
werkloze werknemer duurzaam een
gezamenlijke huishouding voert en met
wie hij in een situatie verkeert die ook
overigens niet feitelijk verschilt van
die van niet duurzaam gescheiden levende
gehuwden.
-3.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt als alleenstaande
aangemerkt de niet gehuwde persoon, dan
wel de duurzaam gescheiden levende
persoon, die niet op grond van het
tweede lid als echtgenoot is aangemerkt.
-4.
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld voor
de toepassing van het tweede lid.
HOOFDSTUK
II
De
uitkering
§
1. De voorwaarden voor het recht op
uitkering
Art.
4 [5]. [MvT]
-1.
Recht op uitkering hebben:
a.
de werkloze werknemer en de echtgenoot;
b.
de alleenstaande werkloze werknemer met
één of meer kinderen;
c.
de alleenstaande werkloze werknemer
zonder kinderen;
indien
het inkomen per maand minder bedraagt
dan de overeenkomstig het derde lid
vastgestelde grondslag.
-2.
De werkloze werknemer en de echtgenoot
hebben gelijkelijk recht op uitkering.
De uitkering wordt op verzoek van
beiden, of van één van hen, aan ieder
voor de helft betaald.
-3.
De grondslag, bedoeld in het eerste lid,
wordt door Onze Minister zodanig
vastgesteld dat:
a.
voor de werkloze werknemer en de
echtgenoot de helft van de grondslag
netto gelijk is aan de helft van het
nettominimumloon;
b.
voor de alleenstaande werkloze werknemer
met één of meer kinderen de grondslag
netto gelijk is aan 90% van het
nettominimumloon;
c.
voor de alleenstaande werkloze werknemer
zonder kinderen de grondslag netto
gelijk is aan 70% van het
nettominimumloon.
Art.
5 [6]. [MvT]
-1.
Geen recht op uitkering heeft de
werkloze werknemer die:
a.
buiten Nederland woont of aldaar anders
dan tijdelijk verblijf houdt;
b.
op grond van de Vreemdelingenwet (Stb.
1965, 40) kan worden uitgezet; of
c.
rechtens van zijn vrijheid is beroofd.
-2.
Geen recht op uitkering heeft de
echtgenoot indien ten aanzien van deze,
dan wel ten aanzien van de werkloze
werknemer, zich een omstandigheid
voordoet als omschreven in het eerste
lid. Indien zich ten aanzien van de
echtgenoot een omstandigheid voordoet
als omschreven in het eerste lid, wordt
de werkloze werknemer aangemerkt als
alleenstaande.
Art.
6 [7]. [MvT]
Indien
het recht op uitkering als gevolg van
werkaanvaarding van de werkloze
werknemer of de echtgenoot is geëindigd en vervolgens opnieuw
werkloosheid ontstaat, herleeft het
recht op uitkering.
Art.
7 [8]. [MvT]
-1.
Als inkomen wordt aangemerkt:
a.
voor de werkloze werknemer en de
echtgenoot: de som van het inkomen uit
of in verband met arbeid in het bedrijfs-
en beroepsleven van hemzelf en van zijn
echtgenoot;
b.
voor de alleenstaande werkloze
werknemer: zijn inkomen uit of in
verband met arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven.
-2.
Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere en zo nodig afwijkende
regels gesteld met betrekking tot het
inkomen, bedoeld in het eerste lid.
Daarbij kunnen tevens nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de
vaststelling van het inkomen, bedoeld in
het eerste lid, alsmede de periode
waarop die vaststelling betrekking
heeft.
Art.
8 [-]. [MvT]
-1.
In afwijking van artikel 7
[8] wordt,
behoudens voor de vaststelling van het
inkomen bedoeld in artikel
4 [5], eerste
lid, gedurende een periode van ten
hoogste twee jaren niet als inkomen
aangemerkt 30% van het inkomen uit
arbeid.
-2.
Indien direct voorafgaand aan het recht
op uitkering op grond van deze wet een
vrijlating op grond van artikel 6 [7]
van de
Toeslagenwet werd genoten en de aldaar
genoemde periode van twee jaren nog niet
is verstreken, is in afwijking van het
eerste lid de vrijlating van toepassing
tot het tijdstip waarop deze periode zou
zijn verstreken.
-3.
Het vrij te laten inkomen, bedoeld in
het eerste lid, bedraagt ten hoogste:
a.
voor de werkloze werknemer en de
echtgenoot 15% van de grondslag, bedoeld
in artikel 4 [5], derde lid, onderdeel
a;
b.
voor de alleenstaande werkloze werknemer
met één of meer kinderen 15% van de
grondslag, bedoeld in artikel
4 [5], derde
lid, onderdeel a;
c.
voor de alleenstaande werkloze werknemer
zonder kinderen 15% van de grondslag,
bedoeld in artikel 4 [5], derde lid,
onderdeel c.
§
2. De hoogte van de uitkering
Art.
9 [9]. [MvT]
-1.
De uitkering bedraagt het verschil
tussen de van toepassing zijnde
grondslag en het inkomen.
-2.
In de in het eerste lid bedoelde
uitkering is begrepen een
vakantie-uitkering ter hoogte van
7,5/107,5 van die uitkering.
-3.
Indien het percentage van de
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd,
wordt de in het tweede lid genoemde
verhouding dienovereenkomstig
aangepast.
-4.
Indien de som van de uitkering krachtens
artikel 54 van de Werkloosheidswet en
de toeslag krachtens artikel
7, derde lid [8, vierde
lid], van de Toeslagenwet minder bedroeg
dan de uitkering, bedoeld in het eerste
en tweede lid, wordt de uitkering
vastgesteld op dat lagere bedrag.
Art.
10 [10]. [MvT]
-1.
Op de uitkering wordt een bedrag
ingehouden dat gelijk is aan het bedrag
van de premies welke een werkgever op
grond van de Ziektewet
(Stb. 1967, 473),
de Werkloosheidswet en de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb.
1977, 492) op het overeenkomstige loon
van een werknemer die verzekerd is op
grond van die wetten inhoudt.
-2.
Indien op grond van één der socialeverzekeringswetten een premie wordt
ingehouden waarvan het percentage per
bedrijfstak verschilt, wordt voor de
toepassing van het eerste lid bij
algemene maatregel van bestuur een
gemiddeld percentage vastgesteld.
-3. Onze Minister
kan nadere en zo nodig
afwijkende regels stellen met betrekking
tot de berekening van de op grond van
het eerste lid op de aldaar bedoelde
uitkeringen in te houden bedragen.
§
3. Het geldend maken van het recht op
uitkering
Art.
11 [15]. [MvT]
-1.
Burgemeester en wethouders stellen vast
of een recht op uitkering bestaat, nadat
daartoe een schriftelijke aanvraag is
ingediend.
-2.
De uitkering kan door de werkloze
werknemer en door de echtgenoot worden
aangevraagd.
Art.
12 [-]. [MvT]
-1.
Op de aanvraag wordt de dag van
ontvangst aangetekend.
-2.
De beslissing op de aanvraag wordt de
aanvrager schriftelijk medegedeeld.
Art.
13 [11]. [MvT]
-1.
Het recht op uitkering bestaat tegenover
burgemeester en wethouders van de gemeente
waar de werkloze werknemer
woonplaats heeft. Bij het ontbreken van
een vaste woonplaats bestaat het recht
op uitkering tegenover burgemeester en
wethouders van de gemeente waar
betrokkene werkelijk verblijft.
-2.
Wij beslissen, gedeputeerde staten
gehoord, in geschillen omtrent de
toepassing van het eerste lid.
Art.
14 [-]. [MvT]
-1.
Het recht op uitkering blijft bestaan
bij tijdelijk verblijf buiten de vaste
woonplaats.
-2. Onze Minister
kan met betrekking tot het
eerste lid regels stellen.
Art.
15 [20]. [MvT]
-1.
Burgemeester en wethouders besluiten de
uitkering tijdelijk gedeeltelijk te
weigeren:
a.
indien de werkloze werknemer of de
echtgenoot in de periode voorafgaand
aan de aanvraag om een uitkering
onvoldoende heeft medegewerkt aan het
verkrijgen of behouden van arbeid in
dienstbetrekking;
b.
indien gedragingen van de werkloze
werknemer of de echtgenoot in strijd met
de op grond van artikel
27 [37], eerste en
tweede lid, gestelde voorwaarden of in
strijd met artikel 17
[13] daartoe aanleiding
geven.
De
omvang en duur van de maatregel worden
afgestemd op de ernst van het feit, de
omstandigheden van de
uitkeringsgerechtigden, en in geval van
de in onderdeel b bedoelde gedragingen,
de mate waarin deze gedragingen
redelijkerwijs verwijtbaar zijn. De
omvang en duur kunnen worden herzien
indien een wijziging van de
omstandigheden van de
uitkeringsgerechtigden daartoe
aanleiding geeft.
-2.
Burgemeester en wethouders kunnen bij
herhaalde of zeer ernstige gedragingen
als bedoeld in het eerste lid, de
uitkering tijdelijk of blijvend geheel
weigeren.
-3. Onze Minister
kan nadere regels stellen
met betrekking tot de wijze van
toepassing van het eerste en tweede lid.
Art.
16 [51]. [MvT]
-1.
Indien het arbeidsbureau van oordeel is
of vermoedt dat een omstandigheid als
bedoeld in artikel 15
[20], eerste of tweede
lid, aanwezig is, geeft het van dit
oordeel of vermoeden onverwijld
schriftelijk kennis aan burgemeester en
wethouders, onder vermelding van de
gronden waarop het oordeel of vermoeden
steunt.
-2.
Onverminderd het eerste lid verschaft
het arbeidsbureau op verzoek van
burgemeester en wethouders inlichtingen
welke dit college voor de uitvoering van
deze wet nodig acht.
Art.
17 [13]. [MvT]
De
werkloze werknemer en de echtgenoot zijn
verplicht aan burgemeester en wethouders
op verzoek of uit eigen beweging
onverwijld alle feiten en omstandigheden
mede te delen waarvan hen
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op het recht
op uitkering, het geldend maken van het
recht op uitkering, de hoogte of de duur
van de uitkering.
Art.
18 [-]. [MvT]
Indien
de werkloze werknemer of de echtgenoot
niet heeft voldaan aan het bepaalde in
artikel 17 [13], dan wel zich zodanig heeft
gedragen dat de openbare kas is of zou
kunnen worden benadeeld, wordt deze
omstandigheid geacht
aanwezig te zijn geweest vanaf de dag
van aanvang van de uitkering, tenzij de
betrokkene aannemelijk maakt dat die
omstandigheid zich vanaf een later
tijdstip voordeed.
Art.
19 [14]. [MvT]
-1.
Burgemeester en wethouders onderzoeken de
juistheid en volledigheid van de
verkregen inlichtingen en stellen zo
nodig een onderzoek in naar andere
gegevens die voor de beoordeling van de
aanvraag noodzakelijk zijn.
-2.
De voor de voortzetting van de uitkering
van belang zijnde gegevens en
omstandigheden worden regelmatig door
burgemeester en wethouders onderzocht.
-3. Onze Minister
kan met betrekking tot het
bepaalde in het eerste en tweede lid
regels stellen.
Art.
20 [44+45].
[MvT]
-1.
leder is verplicht desgevraagd aan
burgemeester en wethouders schriftelijk
de inlichtingen te verstrekken die
betrekking hebben op de inkomsten van
een persoon voor wie een uitkering is
gevraagd of aan wie een uitkering wordt
verleend en die in zijn dienst dan wel
te zijnen behoeve werkt of heeft
gewerkt.
-2.
De uitvoeringsorganen van de socialeverzekeringswetten zijn verplicht
desgevraagd aan burgemeester en
wethouders schriftelijk de inlichtingen
te verschaffen welke dit college ten
behoeve van de uitvoering van deze wet
nodig acht.
-3.
Alvorens de in het eerste en tweede lid
bedoelde inlichtingen te vragen, stellen
burgemeester en wethouders de persoon
op wie de inlichtingen betrekking hebben hiervan in kennis.
§
4. De betaling van de uitkering
Art.
21 [21]. [MvT]
-1.
Burgemeester en wethouders betalen de
uitkering per maand.
-2.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd
de uitkering over een kortere periode te
betalen indien voorheen over die
kortere periode loon of uitkering werd
ontvangen.
-3.
In afwijking van het eerste lid wordt de
vakantie-uitkering, voor zover niet
reeds eerder betaald, jaarlijks betaald
in de maand mei over de aan die maand
voorafgaande twaalf maanden, dan wel in de
maand waarin de uitkering eindigt.
Art.
22 [25]. [MvT]
-1.
De uitkering wordt teruggevorderd,
indien:
a.
de uitkering is verleend op grond van
door de betrokkene verstrekte onjuiste
of onvolledige inlichtingen;
b.
gedurende de uitkeringstermijn de
verplichting, bedoeld in artikel 17
[13], niet
of niet behoorlijk is nagekomen;
c.
de uitkering tot een te hoog bedrag of
geheel ten onrechte is verleend en de
betrokkene dit redelijkerwijs had kunnen
begrijpen;
d.
achteraf blijkt dat de betrokkene over
dezelfde periode waarover een uitkering
op grond van deze wet is ontvangen
inkomsten heeft genoten waarmede bij de
vaststelling van de uitkering rekening
zou zijn gehouden.
-2.
Indien de werkloze werknemer en de
echtgenoot aan wie onverschuldigd
uitkering is betaald een uitkering
ontvangen van een andere gemeente
dan de
gemeente die onverschuldigd heeft
betaald, is die andere gemeente bevoegd
zonder machtiging van de betrokkenen
die ten onrechte aanspraak op uitkering
hebben gemaakt, de bedragen die
teruggevorderd kunnen worden of in
mindering kunnen worden gebracht, te
betalen aan de gemeente die
onverschuldigd heeft betaald.
-3.
Ten aanzien van de wijze van
terugvordering en de daarbij te volgen
procedures, waaronder begrepen die tot
het aanwenden van rechtsmiddelen, zijn
de bij of krachtens de Algemene
Bijstandswet (Stb. 1963, 284) ter
zake
gestelde regels van overeenkomstige
toepassing.
Art.
23 [-]. [MvT]
Indien
recht op uitkering op grond van deze wet
bestaat over een tijdvak waarover
krachtens de Algemene Bijstandswet reeds
bijstand in de algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan is verleend, is
de gemeente bevoegd deze uitkering over
dat tijdvak te verrekenen met het bedrag
van de verleende bijstand, dan wel de
uitkering tot het bedrag van deze
bijstand zonder machtiging van de
betrokkene te betalen aan de gemeente
die de bijstand verleende.
Art.
24 [22].
De
uitkering wordt betaald tot de eerste
dag van de maand waarin de werkloze
werknemer de leeftijd van 65 jaar
bereikt.
Art.
25 [23].
In
geval van overlijden van de werkloze
werknemer wordt de uitkering betaald tot
en met de laatste dag van de tweede
maand volgend op die waarin het
overlijden plaatsvond.
Art.
26 [24].
-1.
De uitkering is onvervreemdbaar en niet
vatbaar voor verpanding of belening.
-2.
Een machtiging tot het in ontvangst
nemen van de uitkering, onder welke vorm
of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3.
Elk beding strijdig met het eerste of
tweede lid is nietig.
HOOFDSTUK
III
Voorwaarden
gericht op inschakeling in de arbeid en voorzieningen
Art.
27 [37]. [MvT]
-1.
Tenzij redenen van medische, sociale of
andere aard zich hiertegen verzetten,
worden aan de uitkering als voorwaarden
welke strekken tot inschakeling in de
arbeid verbonden, dat de werkloze
werknemer:
a.
zich als werkzoekende doet inschrijven
en zich ingeschreven doet blijven bij
het arbeidsbureau;
b.
naar vermogen tracht arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen;
c.
passende arbeid aanvaardt;
d.
nalaat datgene dat inschakeling in de
arbeid belemmert;
e.
voldoet aan een oproep om in verband met
de toepassing van deze wet op een
aangegeven plaats en tijd te
verschijnen;
f.
medewerkt aan een onderzoek naar de
mogelijkheden tot inschakeling in de
arbeid, alsmede aan een onderzoek naar
de geschiktheid voor scholing of
opleiding;
g.
medewerkt aan een door het arbeidsbureau
aangewezen scholing of opleiding ten
behoeve van inschakeling in de arbeid.
-2.
Tenzij redenen van medische, sociale of
andere aard zich hiertegen verzetten,
worden de in het eerste lid genoemde
voorwaarden eveneens gesteld aan de
echtgenoot indien vanwege een recent
arbeidsverleden inschakeling in de
arbeid in redelijkheid kan worden
verlangd.
-3.
Tijdelijke ontheffing van één of meer
van de voorwaarden wordt verleend voor
de duur dat naleving daarvan om redenen
van medische, sociale of andere aard
niet kan worden verlangd.
-4.
Als passende arbeid, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, wordt beschouwd
alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de betrokkene is
berekend. Als zelfstandige redenen tot
het niet aanvaarden van arbeid kunnen
niet gelden de hoogte van het rechtens
geldende loon, de plaats van het werk of
een afwijking van opleiding en vroeger
beroep. Niet als passende arbeid wordt
beschouwd arbeid in een dienstbetrekking
op grond van de Wet Sociale
Werkvoorziening (Stb. 1967, 687).
-5. Onze Minister
kan, zo nodig onder het
stellen van voorschriften en
beperkingen, bepalen dat één of meer van
de voorwaarden, genoemd in het eerste
lid, ten aanzien van een groep van
personen niet van toepassing zijn.
Art.
28 [-]. [MvT]
-1.
Indien de werkloze werknemer een
scholing of opleiding volgt en blijft
voldoen aan de op grond van artikel
27 [37],
eerste lid gestelde voorwaarden, wordt
de uitkering voortgezet.
-2.
Indien de werkloze werknemer een
scholing of opleiding volgt welke
noodzakelijk wordt geacht voor de
inschakeling in de arbeid, wordt
ontheffing verleend van de voorwaarden,
genoemd in artikel 27
[37], eerste lid,
onderdeel b en c. Een ontheffing wordt
ingetrokken indien de vorderingen in de
scholing of opleiding onvoldoende worden
geacht.
-3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid
is mede van toepassing op de echtgenoot
aan wie op grond van artikel
27 [37], tweede
lid, voorwaarden met betrekking tot de
inschakeling in de arbeid zijn gesteld.
Art.
29 [-]. [MvT]
-1.
Indien de werkloze werknemer onbetaalde
werkzaamheden verricht welke passen in
het kader van aan werklozen toegestane
activiteiten, dan wel deelneemt aan
andere activiteiten ten behoeve van
werklozen, kan op diens verzoek voor de
duur daarvan ontheffing worden verleend
van de voorwaarde, genoemd in artikel
27 [37],
eerste lid, onderdeel b. Deze ontheffing
wordt verleend voor ten hoogste één
jaar en kan, zolang geen uitzicht
bestaat op inschakeling in de arbeid, ten
hoogste met één jaar worden verlengd.
-2.
Het bepaalde in het eerste lid is mede
van toepassing op de echtgenoot aan wie
op grond van artikel 27
[37], tweede lid,
voorwaarden met betrekking tot de
inschakeling in de arbeid zijn gesteld.
Art.
30 [39]. Gereserveerd.
[MvT]
HOOFDSTUK
IV
Uitvoering
en toezicht
§
1. Uitvoerings- en adviesorganen
Art.
31 [40]. [MvT]
De
uitvoering van deze wet berust bij
burgemeester en wethouders van de gemeenten.
Art.
32 [42]. [MvT]
De
gemeenteraad stelt voorschriften vast
betreffende de behandeling van aanvragen
om een uitkering. Ten aanzien van die
voorschriften zijn de artikelen 198 tot
en met 205 van de Gemeentewet
(Stb.
1851, 85) van toepassing.
Art.
33 [43]. [MvT]
-1.
De gemeenteraad van een gemeente
met
meer dan 50 000 inwoners kan burgemeester
en wethouders machtigen het nemen van
beslissingen op te dragen aan
gemeenteambtenaren, zulks onder nader
door burgemeester en wethouders te
stellen regels en onder behoud van hun
verantwoordelijkheid. Bij algemene
maatregel van bestuur kan het in de
vorige zin genoemde getal lager worden
gesteld.
-2.
De opdracht kan zich niet uitstrekken
tot het beschikken op bezwaarschriften
en het instellen van beroep.
-3.
Op de beslissingen genomen door de bij
het eerste lid van dit artikel bedoelde
ambtenaren zijn de artikelen 184 tot en met 191
van de Gemeentewet
van overeenkomstige
toepassing.
-4.
De bepalingen van het eerste tot en met
het derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van organen,
ingesteld bij of krachtens de wet, ter
behartiging van belangen waarbij meer
dan één gemeente is betrokken.
Art.
34 [-]. [MvT]
-1.
Burgemeester en wethouders stellen een
commissie in welke hen desgevraagd of
uit eigen beweging adviseert over
algemene vraagstukken die samenhangen
met de uitvoering van deze wet. Zij
verstrekken daartoe de door de commissie
gevraagde inlichtingen.
-2.
Burgemeester en wethouders benoemen in
de commissie als leden:
a.
een vertegenwoordiger van burgemeester
en wethouders, die tevens optreedt als
voorzitter;
b.
de directeur van het arbeidsbureau of
diens vertegenwoordiger;
c.
de rijksconsulent of diens
vertegenwoordiger;
d.
drie vertegenwoordigers op voordracht
van de bij de Stichting van de Arbeid
aangesloten vakcentrales van
werknemers.
-3.
Aan de commissie wordt een
gemeenteambtenaar als secretaris
toegevoegd.
-4.
De leden worden benoemd voor een periode
van ten hoogste vier jaren. Zij zijn
terstond weer benoembaar.
Art.
35 [-]. [MvT]
Burgemeester
en wethouders van twee of meer gemeenten
kunnen in plaats van de commissie,
bedoeld in artikel 34
[-], gezamenlijk één
commissie instellen. Het bepaalde in
artikel 34 [-] is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat één
of meer vertegenwoordigers uit de kring
van de gemeenten kunnen worden benoemd.
Art.
36 [-]. [MvT]
Burgemeester
en wethouders horen de commissie wanneer
zij dit dienstig achten. Zij kunnen de
commissie voorts horen alvorens:
a.
over te gaan tot toepassing van het
bepaalde in artikel 15
[20], eerste en tweede
lid;
b.
een beslissing te nemen naar aanleiding
van de berichtgeving van het
arbeidsbureau op grond van artikel
16 [51],
eerste lid;
c.
een tijdelijke ontheffing te verlenen
van één of meer van de voorwaarden met
betrekking tot de inschakeling in de
arbeid op grond van artikel
28 [-], tweede
en derde lid, en artikel
29 [-] of over te
gaan tot intrekking van een ontheffing
die op grond van artikel
28 [-], tweede en
derde lid, is verleend;
d.
een beslissing te nemen op een
bezwaarschrift dat tegen een beschikking is ingebracht.
§
2. Toezicht
Art.
37 [52]. [MvT]
-1.
Het toezicht op de uitvoering van deze
wet berust bij Onze Minister. Hij wordt
hierin bijgestaan door de
rijksconsulent.
-2.
Met betrekking tot het toezicht op de
uitvoering is het bepaalde bij en
krachtens de artikelen 81b, tweede en
derde lid, 81c en 81d van de Algemene
Bijstandswet van overeenkomstige
toepassing.
HOOFDSTUK
V
De
financiering
Art.
38 [56]. [MvT]
Uitkeringen
door burgemeester en wethouders van een gemeente
toegekend, komen ten laste van
die gemeente.
Art.
39 [57]. [MvT]
-1.
Het Rijk vergoedt aan de gemeente
90 procent van de ten laste van de
gemeente gebleven uitkeringen.
-2.
Vergoeding kan geheel of gedeeltelijk
worden geweigerd indien de uitkeringen
in strijd met de bij en krachtens deze
wet gestelde regels zijn verleend.
Art.
40 [58]. [MvT]
De
vergoeding, bedoeld in artikel
39 [57], eerste
lid, wordt slechts verleend voor zover
de inrichting van de administratie van
de uitkeringen voldoet aan de regels
door Onze Minister
ter zake gesteld en
desgevraagd daarvan inzage wordt gegeven
aan de daartoe aangewezen ambtenaren.
Art.
41 [-]. [MvT]
Wij
beslissen, gedeputeerde staten gehoord,
in geschillen omtrent de vergoeding,
bedoeld in de artikelen 39
[57] en
40 [58].
HOOFDSTUK
VI
Bezwaar
en beroep
Art.
42 [-]. [MvT]
-1.
Binnen één maand na de datum van
verzending van de beslissing inzake de
uitkering kan de betrokkene een
bezwaarschrift indienen bij burgemeester
en wethouders.
-2.
Indien de beslissing langer dan één
maand uitblijft, kan de betrokkene binnen
de tweede maand een bezwaarschrift bij
burgemeester en wethouders indienen.
-3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde
bevoegdheid komt de werkloze werknemer
en de echtgenoot toe.
Art.
43 [-]. [MvT]
De
beschikking op het bezwaarschrift wordt
schriftelijk en met redenen omkleed aan
de indiener medegedeeld. Daarbij wordt
mededeling gedaan van de mogelijkheid
tot het instellen van beroep.
Art.
44 [-]. [MvT]
De
gemeenteraad stelt voorschriften vast
betreffende de behandeling van
bezwaarschriften. Ten aanzien van die
voorschriften zijn de artikelen 198 tot
en met 205 van de Gemeentewet
van
toepassing.
Art.
45 [-]. [MvT]
Binnen één maand na de datum van verzending van
de mededeling, bedoeld in artikel
43 [-],
kan de betrokkene schriftelijk in beroep
komen bij gedeputeerde staten. Indien
binnen één maand na de indiening van een
bezwaarschrift zodanige mededeling nog
niet is ontvangen, kan binnen de tweede
maand beroep worden ingesteld.
Art.
46 [-]. [MvT]
Binnen één maand na de verzending van de
uitspraak van gedeputeerde staten kunnen
burgemeester en wethouders en de in
artikel 45 [-] bedoelde persoon daartegen
schriftelijk bij Ons in beroep komen.
Het beroep heeft schorsende werking.
Art.
47 [-]. [MvT]
De
uitspraak van gedeputeerde staten kan,
indien zij met de wet of het algemeen
belang strijdt, door Ons worden
geschorst of vernietigd.
HOOFDSTUK
VII
Strafbepalingen
Art.
48 [61]. [MvT]
-1.
Degene die in strijd met de waarheid een
opgave doet of enig gegeven verzwijgt,
met het oogmerk om aldus voor zichzelf
of voor degene voor wie hij optreedt een
uitkering of een hogere uitkering op
grond van deze wet te verkrijgen dan wel
te behouden, wordt gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste twee
jaren of geldboete van de vierde
categorie.
-2.
Het in het eerste lid omschreven feit is
een misdrijf.
Art.
49 [62]. [MvT]
-1.
Degene die de verplichting, bedoeld in
artikel 17 [13],
niet of niet behoorlijk
nakomt, waardoor ten onrechte een
uitkering of een te hoge uitkering is
verleend, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de derde categorie.
-2.
Het in het eerste lid omschreven feit is
een overtreding.
Art.
50 [63]. [MvT]
-1.
Degene die niet voldoet aan de
verplichting omschreven in artikel
20 [44+45],
eerste lid, of ter zake onjuiste
inlichtingen verstrekt, wordt gestraft
met hechtenis van ten hoogste één maand
of geldboete van de eerste categorie.
-2.
Het in het eerste lid omschreven feit is
een overtreding.
HOOFDSTUK
VIII
Slotbepalingen
Art.
51 [-].
De
commissie, bedoeld in de artikelen 17 en
18 van de Rijksgroepsregeling werkloze
werknemers (Stb. 1984, 626), wordt
aangemerkt als een commissie in de zin
van deze wet.
Art.
52 [-].
Ten
aanzien van het verstrekken van
statistische gegevens en het dienen van
bericht door de gemeentebesturen zijn de
bij en krachtens artikel 84a van de
Algemene Bijstandswet gestelde regels
van overeenkomstige toepassing.
Art.
53 [64]. [MvT]
-1.
In het belang van een goede uitvoering
van het bij en krachtens deze wet
bepaalde kunnen bij algemene maatregel
van bestuur nadere regels worden
gesteld.
-2. Onze Minister
kan, wanneer hij overweegt
een voordracht tot vaststelling,
wijziging of intrekking van een in het
eerste lid bedoelde algemene maatregel
van bestuur te doen en naar zijn oordeel
een gewichtige reden een onmiddellijke
voorziening eist, overeenkomstig de in
overweging zijnde maatregel regels
stellen.
-3.
De regeling, bedoeld in het tweede lid,
blijft, behoudens eerdere intrekking,
van kracht totdat de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur
in werking treedt, doch uiterlijk tot
twaalf maanden na de dag van inwerkingtreding.
Art.
54 [65].
Deze
wet treedt in werking op een bij wet te
bepalen tijdstip.
Art.
55 [66].
Deze
wet kan worden aangehaald als: Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze
werknemers.¹
1. Tijdens de parlementaire
behandeling is de citeertitel van deze wet
vervangen door: Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw), red.
Lasten
en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen
houden.
Gegeven
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
|