|
Kamerstukken II
1985-1986, 19 261
Verzekering
van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheidswet)
¹
1. Redactie:
de wet is gepubliceerd in Stb. 1986, 566, en is in werking
getreden met ingang van 1 januari 1987 (Stb. 1986, 597).
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP |
Aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Wij
bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van Wet tot
verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheidswet).
De toelichtende
memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de
gronden waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige
bescherming.
Tavarnelle, 17 oktober 1985
BEATRIX
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is opnieuw regels te stellen met betrekking tot de verzekering
van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid, ter
vervanging van de Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421) en de Wet
Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
§
1. Algemeen
Art.
1 [1]. [MvT]
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.
Onze Minister: Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
b.
bedrijfsvereniging: een
bedrijfsvereniging als bedoeld in hoofdstuk II van de Organisatiewet
Sociale Verzekering (Stb. 1952, 344);
c.
Sociale Verzekeringsraad: de Sociale
Verzekeringsraad, bedoeld in hoofdstuk
III van de Organisatiewet Sociale
Verzekering;
d.
wachtgeldfonds: een fonds als bedoeld in
artikel 104 [102];
e.
Algemeen Werkloosheidsfonds: het fonds,
bedoeld in artikel 105
[103];
f.
lichamen: rechtspersonen, maat- en
vennootschappen, samenwerkingsvormen
zonder rechtspersoonlijkheid die met
verenigingen maatschappelijk gelijk
kunnen worden gesteld, ondernemingen van
publiekrechtelijke rechtspersonen en
doelvermogens;
g.
arbeidsbureau: een gewestelijk
arbeidsbureau als bedoeld in artikel 3
van de Arbeidsbemiddelingswet 1930 (Stb.
1930, 433).
Art.
2 [2]. [MvT]
-1.
Waar een natuurlijk persoon woont en
waar een lichaam gevestigd is, wordt
naar de omstandigheden beoordeeld.
-2.
Voor de toepassing van het eerste lid
worden schepen en luchtvaartuigen die
binnen Nederland hun thuishaven hebben,
beschouwd als deel van Nederland.
§
2. De werknemer
Art.
3 [3]. [MvT]
-1.
Werknemer is de natuurlijke persoon
jonger dan 65 jaar die in
privaatrechtelijke of in
publiekrechtelijke dienstbetrekking
staat.
-2.
Wie zijn dienstbetrekking buiten
Nederland vervult, wordt niet als
werknemer beschouwd, tenzij hij in
Nederland woont en zijn werkgever
eveneens in Nederland woont of gevestigd
is. Voor zover een werkgever:
a.
in Nederland een vaste inrichting voor
de uitoefening van zijn bedrijf of
beroep of een in Nederland wonende of
gevestigde vaste vertegenwoordiger
heeft; of
b.
in Nederland één of meer personen in
dienst heeft en hij door of vanwege Onze
Minister als werkgever is aangewezen, wordt
hij voor de toepassing van de eerste
volzin gelijkgesteld met een in
Nederland wonende of gevestigde
werkgever.
-3.
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat personen die buiten Nederland
wonen
ook als werknemer worden beschouwd, voor
zover zij hun dienstbetrekking
buiten Nederland vervullen.
-4.
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kan van het eerste en het tweede
lid worden afgeweken ten aanzien van:
a.
vreemdelingen;
b.
personen op wie een regeling van
toepassing is inzake verzekering tegen
geldelijke gevolgen van werkloosheid van
de Nederlandse Antillen, van een andere
mogendheid of van een volkenrechtelijke
organisatie; en
c.
personen die slechts tijdelijk in
Nederland verblijven of tijdelijk in
Nederland werkzaam zijn.
Art.
4 [4]. [MvT]
-1. Als dienstbetrekking wordt mede
beschouwd de arbeidsverhouding van de
persoon die:
a.
anders dan in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep en anders
dan als thuiswerker, op grond van een
overeenkomst tot aanneming van werk als
bedoeld in artikel 1637b van het Burgerlijk
Wetboek, persoonlijk een werk
tot stand brengt;
b. de in onderdeel a
bedoelde persoon bij het tot stand
brengen van dat werk bijstaat;
c.
krachtens overeenkomst met een ander
tegen beloning geregeld zijn bemiddeling
verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem
te bezoeken personen en die ander, mits
hij de bedoelde bemiddeling
uitsluitend voor die ander verleent, het
verlenen van die bemiddeling niet een
voor hem bijkomstige werkzaamheid is en
hij zich daarbij doorgaans door niet
meer dan twee andere personen laat
bijstaan;
d.
krachtens overeenkomst met een ander
tegen beloning geregeld zijn bemiddeling
verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem
te bezoeken personen en een
opdrachtgever van die ander, mits hij de
bedoelde bemiddeling uitsluitend voor
die ander verleent, het verlenen van die
bemiddeling niet een voor hem
bijkomstige werkzaamheid is en hij zich
daarbij doorgaans door niet meer dan
twee andere personen laat bijstaan;
e.
krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening
(Stb. 1967, 687) tewerkgesteld is;
f.
als lid van de bemanning van een
vissersvaartuig aanspraak heeft op een
aandeel in de besomming, tenzij hij:
1º.
als zodanig tegen geldelijke gevolgen
van arbeidsongeschiktheid is verzekerd
bij het Sociaal Fonds voor de
Maatschapsvisserij; of
2º. exploitant of mede-exploitant van
het vaartuig is; en
g.
zijn militaire dienstplicht of in plaats
daarvan vervangende dienst vervult.
-2.
Het eerste lid, onderdeel a en b, blijft
buiten toepassing indien de in
onderdeel a bedoelde overeenkomst
rechtstreeks is aangegaan met een
natuurlijk persoon ten behoeve van diens
persoonlijke aangelegenheden.
-3. Onze
Minister is bevoegd nadere regels
te stellen met betrekking tot het eerste
lid, onderdeel a en b.
Art.
5 [5]. [MvT]
Bij
of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld
op grond waarvan eveneens als
dienstbetrekking wordt beschouwd de
arbeidsverhouding van de persoon die:
a.
als thuiswerker arbeid verricht;
b.
de in onderdeel a bedoelde persoon als
hulp bij het verrichten van de arbeid
bijstaat;
c.
als musicus of anderszins als artiest
optreedt of als beroep een tak van
sport beoefent; en van ¹
d.
tegen beloning persoonlijk arbeid
verricht en wiens arbeidsverhouding niet
reeds op grond van dit artikel en de
artikelen 3 [3]
en 4 [4] als dienstbetrekking
wordt beschouwd, doch hiermee
maatschappelijk gelijk kan worden
gesteld.
1.
Volgens de redactie dient
"van" te vervallen.
Art.
6 [6]. [MvT]
Als
dienstbetrekking wordt niet beschouwd de
arbeidsverhouding van de persoon:
a.
bedoeld in artikel 2, tweede lid,
onderdeel a, van de Ambtenarenwet
(Stb. 1929, 530);
b.
die als vrijwilliger al dan niet tegen
loon werkzaamheden verricht bij een
gemeentelijke brandweer; en
c.
die ten behoeve van de natuurlijke
persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat, uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend huiselijke of
persoonlijke diensten in diens
huishouding verricht en die diensten
doorgaans op minder dan drie dagen per
week verricht.
Art.
7 [7]. [MvT]
-1.
Tot een bij algemene maatregel van
bestuur, op voordracht van Onze
Ministers van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, van Binnenlandse Zaken,
van Onderwijs en Wetenschappen en van
Defensie, te bepalen tijdstip, gelegen
na 31 december 1986, wordt niet als
dienstbetrekking beschouwd de
arbeidsverhouding van de persoon aan wie
door het Rijk ter zake van zijn
arbeidsverhouding invaliditeitspensioen
is verzekerd.
-2.
Bij de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere
en zo nodig van deze wet afwijkende
regels worden gesteld.
Art.
8 [8]. [MvT]
-1.
Een persoon wiens dienstbetrekking is
geëindigd, behoudt de hoedanigheid van
werknemer, voor zover hij geen
werkzaamheden verricht uit hoofde
waarvan hij op grond van deze wet niet
als werknemer wordt beschouwd.
-2.
Een persoon wiens werknemerschap is
geëindigd door het verrichten van
werkzaamheden in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep ter zake
waarvan recht op uitkering op grond van
artikel 26, vierde lid, van de
Rijksgroepsregeling zelfstandigen (Stb.
1965, 5) bestaat, herkrijgt bij
eindiging van die werkzaamheden binnen
of direct na afloop van de periode
waarover het recht op die uitkering
bestaat, de hoedanigheid van werknemer.
-3.
Onverminderd het tweede lid is de
bedrijfsvereniging bevoegd aan de
persoon op diens verzoek zijn
werknemerschap te hergeven na afloop van
de in het eerste lid bedoelde
werkzaamheden indien deze korter hebben
geduurd dan drie maanden.
§
3. De werkgever
Art.
9 [9]. [MvT]
Werkgever
is de natuurlijke persoon tot wie of
het lichaam tot welk één of meer
natuurlijke personen in dienstbetrekking
staan.
Art.
10 [10]. [MvT]
Als
werkgever wordt beschouwd:
a.
in de gevallen, bedoeld in artikel
4 [4],
eerste lid, onderdeel:
a en b: de
aanbesteder;
c
en d: degene met wie de overeenkomst
tot bemiddeling is gesloten;
e: degene
op wie de verplichting rust het loon te
betalen;
f: de exploitant of
mede-exploitant van het vaartuig;
g:
Onze Minister van Defensie of Onze
Minister;
b.
in de gevallen, bedoeld in artikel
5 [5],
onderdeel:
a: de opdrachtgever;
b:
de thuiswerker;
c: degene met wie het optreden of de
sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene die bij de in artikel 5 [5]
bedoelde
algemene maatregel van bestuur als
werkgever wordt aangewezen.
Art.
11 [11]. [MvT]
-1.
Als werkgever wordt beschouwd in de
gevallen waarin ziekengeld wordt
betaald op grond van de verplichte
verzekering krachtens de Ziektewet (Stb.
1967, 473), de bedrijfsvereniging die
beslist over het ziekengeld. In geval de
bedrijfsvereniging het ziekengeld,
vermeerderd met de daarover
verschuldigde werkgeverspremies, betaalt
aan de werkgever, bedoeld in artikel
9 [9], 10 [10]
of 12 [12], tweede lid,
teneinde dit
ziekengeld door diens tussenkomst te
doen betalen, treedt voor de toepassing
van de eerste volzin deze voor de
bedrijfsvereniging in de plaats.
-2.
Als werkgever wordt beschouwd in de
gevallen waarin uitkering op grond van
de verplichte verzekering of hoofdstuk
IV krachtens deze wet wordt betaald, de
bedrijfsvereniging die het recht op
deze uitkering heeft vastgesteld.
Art.
12 [12]. [MvT]
-1. Onze
Minister is bevoegd te bepalen dat
werknemers wier lonen worden betaald
door een door Onze Minister erkend
administratiekantoor, voor de toepassing
van deze wet in dienstbetrekking staan
tot dat kantoor.
-2.
Onze Minister is bevoegd, in afwijking
van de artikelen 9 [9]
en 10 [10], andere dan de
aldaar bedoelde personen of lichamen aan
te wijzen als werkgever ten aanzien van
de persoon die:
a.
krachtens overeenkomst met een ander
tegen beloning geregeld zijn bemiddeling
verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem
te bezoeken personen en een
opdrachtgever van die ander;
b.
een thuiswerker als hulp bij het
verrichten van de arbeid bijstaat;
c.
als musicus of anderszins als artiest
optreedt dan wel als beroep een tak van
sport beoefent.
Art.
13 [13]. [MvT]
De
werkgever is verplicht de werknemer de
gelegenheid te geven tot het uitoefenen
van de hem op grond van deze wet of de
daarop berustende bepalingen toegekende
bevoegdheden en tot het nakomen van de
hem op grond van deze wet of de daarop
berustende bepalingen opgelegde
verplichtingen, voor zover de
uitoefening van die bevoegdheden en de
nakoming van die verplichtingen niet
buiten de arbeidstijd kan geschieden.
§
4. Het loon
Art.
14 [14]. [MvT]
-1.
Loon is het loon in de zin van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb.
1966, 64).
-2. Minimumloon is het minimumloon per dag,
bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968,
657), of, indien het een werknemer
jonger dan 23 jaar betreft, het voor
zijn leeftijd geldende minimumloon,
bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van genoemde
wet,
beide vermeerderd met de daarover
berekende vakantiebijslag, bedoeld in
artikel 15 van die
wet.
-3.
Loon door verschillende personen tezamen onverdeeld ontvangen, wordt, voor
zover niet blijkt van een andere
verdeling, geacht door ieder van hen
voor een gelijk deel te zijn ontvangen.
HOOFDSTUK
II
De
verplichte verzekering van uitkeringen
bij werkloosheid
AFDELING
I
Algemene
bepalingen
§
1. De voorwaarden voor het recht op
uitkering
Art.
15 [15]. [MvT]
Met
inachtneming van de artikelen 16 tot en
met 21 [16-21]
en de daarop berustende
bepalingen heeft de werknemer die
werkloos is recht op uitkering.
Art.
16 [16]. [MvT]
-1.
Werkloos is de werknemer die:
a.
ten minste vijf of ten minste de helft
van zijn arbeidsuren per week heeft
verloren; en
b. beschikbaar is om arbeid
te aanvaarden.
-2.
Onder de in het eerste lid bedoelde
arbeidsuren per week wordt verstaan het
aantal uren waarin de werknemer in de 26
weken onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn werkloosheid gemiddeld
per week als werknemer arbeid heeft
verricht. Bij de bepaling van het aantal
arbeidsuren, bedoeld in de eerste
volzin, wordt mede in aanmerking genomen
het aantal uren waarin werkzaamheden
zijn verricht in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep.
-3.
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen met betrekking tot het eerste en
het tweede lid regels worden gesteld:
a.
omtrent de berekening van het verlies
van arbeidsuren bij een opeenvolgend
verlies van arbeidsuren;
b.
waarbij voor bepaalde groepen werknemers
een kortere of langere periode voor de
berekening van het aantal gewerkte
arbeidsuren geldt; en
c.
omtrent het beschikbaar zijn voor
arbeid.
Art.
17 [17]. [MvT]
-1.
Recht op uitkering ontstaat voor een
werknemer indien hij in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan
het intreden van zijn werkloosheid in
ten minste 26 weken als werknemer arbeid
heeft verricht.
-2.
Indien werkloosheid intreedt binnen
twaalf maanden na afloop van een periode waarin
de werknemer wegens ziekte of
arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon
verrichten of werkzaamheden heeft
verricht als bedoeld in artikel 8
[8] en hij
de hoedanigheid van werknemer heeft
herkregen, wordt de in het eerste lid
bedoelde periode van twaalf maanden met deze
periode verlengd.
-3.
De in één week verrichte arbeid wordt
slechts in aanmerking genomen voor
zover zij betrekking heeft op de
dienstbetrekking waaruit de werknemer
werkloos is geworden en op één of meer
dienstbetrekkingen waarvoor
eerstgenoemde dienstbetrekking in de
plaats is gekomen, voor zover deze niet
reeds eerder in aanmerking zijn genomen
voor een recht op uitkering.
-4.
Bij algemene maatregel van bestuur kan
voor bepaalde groepen werknemers het in
het eerste lid bedoelde aantal weken
lager worden gesteld.
-5.
De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd:
a.
weken waarin geen arbeid is verricht in
de dienstbetrekking waaruit de werknemer
werkloos is geworden, gelijk te stellen
met weken als bedoeld in het eerste lid;
en
b.
regels te stellen met betrekking tot het
meer keren in aanmerking nemen van weken
waarin arbeid is verricht.
Art.
18 [18]. [MvT]
-1.
Artikel 17
[17] is niet van toepassing op de
werknemer die werkloos is uitsluitend
als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog
water of andere buitengewone
natuurlijke omstandigheden.
-2.
De in het eerste lid bedoelde werknemer
heeft recht op uitkering voor de duur
van de buitengewone natuurlijke
omstandigheden. Deze duur blijft bij de
vaststelling van de uitkeringsduur op
grond van afdeling II en
III buiten
beschouwing.
Art.
19 [19]. [MvT]
-1.
Geen recht op uitkering heeft de
werknemer die:
a.
een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (Stb.
1980, 28) of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb.
1977, 492), berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%,
of een toelage ontvangt op grond van
artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, die,
al dan niet vermeerderd met
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 70% of
meer bedraagt van het dagloon waarnaar
de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of
zou zijn berekend;
b.
een uitkering ontvangt op grond van de Liquidatiewet
ongevallenwetten (Stb.
1967, 99), berekend naar volledige
arbeidsongeschiktheid;
c.
een uitkering ontvangt op grond van
hoofdstuk III van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313), berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van ten
minste 80%, of een toelage op grond van
dat hoofdstuk, die, al dan niet
vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, 70% of
meer bedraagt van het dagloon waarnaar
de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
of zou zijn berekend;
d.
recht heeft op onverminderde
doorbetaling van zijn loon;
e.
buiten Nederland woont of verblijf houdt
anders dan wegens vakantie;
f.
op grond van de Vreemdelingenwet (Stb.
1965, 40) kan worden uitgezet;
g.
rechtens van zijn vrijheid is beroofd;
h.
de eerste dag van de maand waarin hij 65
jaar wordt, heeft bereikt;
i.
op grond van artikel 17 van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering een
vrijstelling wegens gemoedsbezwaren
heeft of wiens werkloosheid binnen drie maanden na de datum van intrekking van
een zodanige vrijstelling is
aangevangen;
j. vakantie geniet; of
k.
werkloos is tengevolge van werkstaking
of uitsluiting.
-2.
Geen recht op uitkering heeft de
werknemer over een dag waarop zijn
arbeid wordt onderbroken uitsluitend
doordat:
a.
deze dag voor hem als rustdag geldt;
b.
deze dag een nationale of algemeen
erkende christelijke feestdag is, dan
wel een kerkelijke feestdag die ter
plaatse waar de werknemer pleegt te
werken algemeen als zodanig wordt
gevierd.
-3.
Voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel d, wordt met loon
gelijkgesteld het deel van de inkomsten
dat de werknemer ontvangt in verband met
de eindiging van een dienstbetrekking,
dat overeenkomt met het bedrag aan loon
dat de werknemer zou hebben ontvangen
over de voor hem geldende termijn van
opzegging indien deze in acht zou zijn
genomen.
-4.
Het eerste lid blijft buiten toepassing
ten aanzien van de werknemer die
uitsluitend uit hoofde van een andere
dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit hij werkloos
is geworden in een omstandigheid
verkeert als bedoeld in het eerste lid.
-5.
De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd:
a.
regels te stellen met betrekking tot het
begrip vakantie genieten, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel j;
b.
in afwijking van het eerste lid,
onderdeel j, regels te stellen op grond
waarvan de werknemer gedurende bepaalde
tijd met behoud van zijn recht op
uitkering vakantie kan genieten.
-6.
Het Algemeen Werkloosheidsfonds is
bevoegd in bijzondere gevallen te
bepalen dat de bedrijfsvereniging ten
aanzien van een werknemer of groep
werknemers afwijkt van het eerste lid,
onderdeel k.
Art.
20 [20]. [MvT]
-1. Het recht op uitkering eindigt:
a.
zodra de werknemer zijn hoedanigheid van
werknemer verliest;
b. voor zover de
werknemer niet langer werkloos is;
c.
zodra zich een omstandigheid voordoet
als bedoeld in artikel 19
[19], eerste lid,
onderdeel a, b, c, e,
f, g, h, i of j ;
d. zodra de voor de werknemer geldende
uitkeringsduur is verstreken.
-2. Op
grond van het eerste lid, onderdeel b,
eindigt het recht op uitkering geheel,
indien de werknemer:
a. al dan niet
opeenvolgend een zodanig aantal uren
arbeid als werknemer of werkzaamheden in
de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening
van een beroep verricht dat een verlies
aan arbeidsuren resteert van minder dan
vijf en minder dan de helft van zijn
arbeidsuren, bedoeld in artikel
16 [16];
b.
beschikbaar is om arbeid als werknemer
te aanvaarden voor minder dan vijf en
minder dan de helft van zijn
arbeidsuren, bedoeld in artikel
16 [16].
-3.
Op grond van het eerste lid, onderdeel b, eindigt het recht op uitkering
gedeeltelijk, indien de werknemer:
a.
al dan niet opeenvolgend ten minste vijf
uren arbeid als werknemer of
werkzaamheden in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep verricht en
nog een verlies aan arbeidsuren resteert
van ten minste vijf of ten minste de
helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in
artikel 16 [16];
b.
beschikbaar is om arbeid als werknemer
te aanvaarden voor minder arbeidsuren
dan het aantal dat hij heeft verloren,
doch voor ten minste vijf of ten minste
de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld
in artikel 16 [16].
-4.
Voor de werknemer op wie het derde lid,
onderdeel a, van toepassing is, eindigt
het recht op uitkering ter zake van het
aantal arbeidsuren dat hij de in dat lid
bedoelde arbeid of werkzaamheden
verricht.
-5.
Voor de werknemer op wie het derde lid,
onderdeel b, van toepassing is, eindigt
het recht op uitkering ter zake van het
aantal arbeidsuren dat hij minder
beschikbaar is voor arbeid.
Art.
21 [21]. [MvT]
-1.
Indien het recht op uitkering door het
verrichten van arbeid als werknemer,
door het verrichten van werkzaamheden in
de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep,
of door één van de omstandigheden,
bedoeld in artikel 19
[19], eerste lid,
onderdeel a tot en met c, geheel of
gedeeltelijk is geëindigd en
vervolgens de arbeid, de werkzaamheden
of de omstandigheid die tot dat eindigen
heeft geleid, heeft opgehouden te
bestaan, zonder dat een nieuw recht op
uitkering als bedoeld in artikel 15
[15] is
ontstaan, herleeft het recht op
uitkering met inachtneming van artikel
8 [8].
-2.
De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd
regels te stellen met betrekking tot de
periode waarbinnen het recht op
uitkering kan herleven indien het recht
op uitkering is geëindigd op grond
van artikel 19 [19], eerste lid, onderdeel
e,
g en j.
§
2. Het geldend maken van het recht op
uitkering
Art.
22 [22]. [MvT]
-1.
De bedrijfsvereniging stelt vast of een
recht op uitkering bestaat nadat
daartoe een schriftelijke aanvraag is
ingediend.
-2.
Van de vaststelling, bedoeld in het
eerste lid, stelt de bedrijfsvereniging
de belanghebbende onverwijld
schriftelijk in kennis.
-3.
Een aanvraag wordt ingediend middels een
door de bedrijfsvereniging beschikbaar
gesteld aanvraagformulier.
Art.
23 [23]. [MvT]
Het
recht op uitkering kan niet worden
vastgesteld over perioden gelegen vóór
26 weken voorafgaand aan de dag waarop
de aanvraag om een uitkering werd
ingediend. De bedrijfsvereniging is
bevoegd in bijzondere gevallen af te
wijken van de eerste volzin.
Art.
24 [24]. [MvT
+ bis]
-1.
De werknemer voorkomt dat hij;
a.
verwijtbaar werkloos wordt;
b.
werkloos is of blijft, doordat hij:
1º.
in onvoldoende mate tracht passende
arbeid te verkrijgen;
2º.
nalaat aangeboden passende arbeid te
aanvaarden of door eigen toedoen geen
passende arbeid verkrijgt;
3º.
door eigen toedoen geen passende arbeid
behoudt; of
4º.
in verband met door hem te verrichten
arbeid eisen stelt die het aanvaarden of
verkrijgen van passende arbeid
belemmeren;
c.
wegens enig handelen of nalaten dat hem
redelijkerwijs kan worden verweten geen
uitkering ontvangt als bedoeld in
artikel 19 [19], eerste lid, onderdeel a,
b
of c.
-2.
Als passende arbeid, bedoeld in het
eerste lid, wordt beschouwd alle arbeid
die voor de krachten en bekwaamheden van
de werknemer is berekend, tenzij
aanvaarding om redenen van lichamelijke,
geestelijke of sociale aard niet van hem
kan worden gevergd. Als zelfstandige
redenen kunnen niet gelden de hoogte van
het rechtens geldende loon, de plaats
van het werk of een afwijking van
opleiding en vroeger beroep. Niet als
passende arbeid wordt beschouwd arbeid
in een dienstbetrekking als bedoeld in
artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e.
Art.
25 [25]. [MvT
+ bis]
-1.
De werknemer is verplicht:
a.
aan de bedrijfsvereniging op haar
verzoek of uit eigen beweging onverwijld
alle feiten en omstandigheden mee te
delen waarvan hem redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat zij van invloed
kunnen zijn op het recht op uitkering,
het geldend maken van het recht op
uitkering, de hoogte of de duur van de
uitkering, of op het bedrag van de
uitkering dat aan de werknemer wordt
betaald; en
b.
zich zodanig te gedragen dat hij door
zijn doen en laten het Algemeen
Werkloosheidsfonds of de
bedrijfsvereniging niet benadeelt of zou
kunnen benadelen.
-2.
Indien de werknemer een verplichting als
bedoeld in het eerste lid niet is
nagekomen, worden de feiten en
omstandigheden die daarbij in het geding
zijn, geacht aanwezig te zijn geweest
vanaf de eerste dag van werkloosheid,
tenzij de werknemer aannemelijk maakt
dat die feiten en omstandigheden zich
vanaf een later tijdstip voordeden.
Art.
26 [26]. [MvT
+ bis]
-1.
De werknemer is verplicht:
a.
uiterlijk de eerste werkdag volgend op
de eerste dag van werkloosheid bij de
bedrijfsvereniging aangifte te doen van
zijn werkloosheid;
b.
binnen één week na het intreden van
zijn werkloosheid bij de
bedrijfsvereniging een aanvraag om een
uitkering in te dienen;
c.
de voorschriften op te volgen die de
bedrijfsvereniging ten behoeve van een
doelmatige controle stelt;
d.
zich als werkzoekende bij het
arbeidsbureau te doen inschrijven en die
inschrijving tijdig te doen verlengen;
e.
gevolg te geven aan een verzoek van het
arbeidsbureau om inlichtingen van belang
voor de uitvoering van deze wet en de
daarop berustende bepalingen te
verstrekken;
f.
deel te nemen aan een voor hem gewenste
opleiding of scholing en voldoende mee
te werken aan het bereiken van een
gunstig resultaat;
g.
mee te werken aan een voor hem gewenst
onderzoek naar zijn arbeidsgeschiktheid
door een geneeskundige, een psycholoog
of een beroepskeuzeadviseur; en
h.
de hem op grond van hoofdstuk VI
opgelegde verplichtingen na te komen.
-2. Onze
Minister is bevoegd regels te
stellen met betrekking tot het tijdstip
van inschrijving, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel d.
Art.
27 [27]. [MvT
+ bis]
-1.
Indien de werknemer een verplichting
hem op grond van de artikelen
24 [24], 25 [25]
en
26 [26]
opgelegd niet nakomt, is de
bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering
blijvend geheel te weigeren, tijdelijk
of blijvend gedeeltelijk te weigeren of
de uitkeringsduur te beperken.
-2.
Indien de werknemer een verplichting
hem op grond van artikel 26
[26] opgelegd
niet nakomt, is de bedrijfsvereniging
bevoegd de uitkering tijdelijk geheel te
weigeren vanaf de eerste dag van
werkloosheid.
-3.
Indien de werknemer verwijtbaar werkloos
is geworden, weigert de
bedrijfsvereniging in elk geval de
uitkering blijvend voor een zodanig deel
dat een uitkering resteert ter hoogte
van de uitkering op grond van afdeling
III waarop de werknemer recht zou hebben
gehad.
-4. Onze
Minister is bevoegd regels te
stellen waarbij bepaalde groepen
werknemers worden vrijgesteld van
verplichtingen hun op grond van de
artikelen 24 [24], eerste lid, onderdeel b,
en 26 [26], eerste lid, onderdeel
d, f en g,
opgelegd.
-5.
De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd
nadere regels te stellen over de wijze
waarop de bedrijfsvereniging van de
bevoegdheden, genoemd in het eerste,
tweede en derde lid, gebruikmaakt.
Art.
28 [28]. [MvT]
De
bedrijfsvereniging die een uitkering
heeft geweigerd of de uitkeringsduur
heeft beperkt, beslist in geval van
herleving van het recht op uitkering als
bedoeld in artikel 21
[21] opnieuw of een
weigering van de uitkering of een
beperking van de uitkeringsduur wordt
voortgezet.
Art.
29 [29]. [MvT]
-1.
Indien het arbeidsbureau van oordeel is
of vermoedt dat de werknemer een
verplichting hem op grond van de
artikelen 24 [24], eerste lid, onderdeel b,
of 26 [26], eerste lid, onderdeel
d, e, f ofopgelegd ¹ niet nakomt, geeft het van dit
oordeel of vermoeden onverwijld
schriftelijk kennis aan de
bedrijfsvereniging, onder vermelding
van de gronden waarop het oordeel of
vermoeden steunt.
-2.
Onverminderd het eerste lid verschaft
het arbeidsbureau aan de
bedrijfsvereniging op haar verzoek
inlichtingen die de bedrijfsvereniging
voor de uitvoering van deze wet nodig
acht.
1. Volgens de redactie dient
"ofopgelegd" te worden vervangen door: of g, opgelegd.
§
3. De betaling van de uitkering
Art.
30 [30].
[MvT]
-1.
De bedrijfsvereniging betaalt de
uitkering zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk binnen één maand nadat zij het
recht op die uitkering heeft vastgesteld.
-2.
De bedrijfsvereniging schort de betaling
van de uitkering op of schorst de
betaling, indien zij van oordeel is of
vermoedt dat:
a.
het recht op uitkering niet of niet meer
bestaat;
b.
recht op een lagere uitkering bestaat;
of
c.
de werknemer een verplichting hem op
grond van de artikelen 24
[24],
25 [25] of 26
[26]
opgelegd niet is nagekomen.
-3.
De bedrijfsvereniging stelt de werknemer
onverwijld schriftelijk in kennis van
een beslissing als bedoeld in het tweede
lid.
Art.
31 [31]. [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging betaalt uit
eigen beweging een naar redelijkheid
vast te stellen voorschot op een
uitkering indien uitsluitend
onzekerheid bestaat
omtrent de hoogte van die uitkering,
omtrent het van de uitkering aan de
werknemer te betalen bedrag of omtrent
het nakomen van een verplichting als
bedoeld in de artikelen 24
[24],
25 [25] en 26
[26].
-2.
De bedrijfsvereniging is bevoegd op
verzoek van de werknemer een naar
redelijkheid vast te stellen voorschot
op een uitkering te betalen indien
onzekerheid bestaat omtrent het recht op
uitkering.
-3.
In afwijking van het tweede lid betaalt
de bedrijfsvereniging uit eigen beweging
of op verzoek van de werknemer ten
aanzien van wie onzekerheid bestaat
omtrent het recht op onverminderde
doorbetaling van loon tengevolge van
een al dan niet rechtsgeldige eindiging
van de dienstbetrekking, een naar
redelijkheid vast te stellen voorschot
op hetgeen hem krachtens een aanspraak
naar burgerlijk recht of krachtens deze
wet kan toekomen. De bedrijfsvereniging
is bevoegd aan de betaling van dit
voorschot voorschriften te verbinden.
-4.
Voor zover bij of krachtens deze wet
niet anders is bepaald, wordt een
voorschot als bedoeld in het eerste tot
en met het derde lid beschouwd als een
uitkering op grond van deze wet.
Art.
32 [32]. [MvT]
De
uitkering die niet in ontvangst is
genomen of is ingevorderd binnen drie
maanden na de dag van betaalbaarstelling wordt niet meer
betaald.
Art.
33 [33]. [MvT]
-1.
De bedrijfsvereniging betaalt de
uitkering per maand achteraf.
-2.
In afwijking van het eerste lid is de
bedrijfsvereniging bevoegd, op verzoek
van de werknemer of uit eigen beweging,
de uitkering over een kortere periode te
betalen indien de werknemer over die
kortere periode loon ontving.
-3.
In afwijking van het eerste lid betaalt
de bedrijfsvereniging aan de werknemer
die werkloos is tengevolge van de
eindiging van zijn dienstbetrekking en
in wiens dagloon vakantiebijslag is
berekend, een gedeelte van de uitkering
als vakantiebijslag jaarlijks in de
maand mei over de aan die maand
voorafgaande twaalf maanden of, indien het
recht op uitkering eerder dan in de
maand mei eindigt, in de desbetreffende
maand. De vakantiebijslag bedraagt
7,5/107,5 van de uitkering.
-4.
Indien het percentage van de
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd,
treedt dit gewijzigde percentage in de
plaats van de teller en het getal boven
de honderd in de noemer van de in het
derde lid genoemde breuk. Het gewijzigde
percentage wordt in aanmerking genomen
over de uitkering waarop recht bestaat
vanaf de dag waarop de wijziging ingaat.
Art.
34 [34]. [MvT]
-1.
Op de uitkering worden geheel in
mindering gebracht inkomsten wegens
loonderving, met uitzondering van een
uitkering, bedoeld in artikel
49 [-], voor
zover deze inkomsten geen verband houden
met de eindiging van een
dienstbetrekking, alsmede inkomsten uit
ouderdomspensioen. Onder
ouderdomspensioen wordt verstaan een uit
een vervulde dienstbetrekking
voortvloeiende, in beginsel levenslange
periodieke uitkering bij wijze van
oudedagsvoorziening.
-2.
De inkomsten, bedoeld in het eerste lid,
dienen betrekking te hebben op de
periode waarover de werknemer recht
heeft op uitkering op grond van deze
wet.
-3.
Indien een uitkering in verband met
ziekte niet aan de werknemer is betaald
wegens voor hem geldende wachtdagen of
wegens enig handelen of nalaten dat hem
redelijkerwijs kan worden verweten,
wordt zij voor de toepassing van het
eerste lid geacht te zijn ontvangen.
-4.
Indien de werknemer wegens eindiging van
een dienstbetrekking ouderdomspensioen
ontvangt, wordt, voor zoveel nodig in
afwijking van het eerste lid, de
uitkering per dag niet hoger gesteld dan
op het verschil tussen de uitkering
zoals die is of zou zijn vastgesteld op
de eerste werkdag na die eindiging en
het bedrag van het pensioen per dag dat
op die dag is ontvangen.
-5.
Voor de toepassing van het vierde lid
wordt het dagloon zoals dat is of zou
zijn vastgesteld op de eerste dag waarop
ouderdomspensioen wordt ontvangen, voor
zoveel nodig herzien overeenkomstig
artikel 46 [46].
-6.
De inkomsten, bedoeld in het eerste lid,
met uitzondering van de inkomsten uit
ouderdomspensioen worden niet in
mindering gebracht indien zij door de
werknemer reeds vóór het intreden van de
werkloosheid werden ontvangen naast de
inkomsten uit de dienstbetrekking
waaruit hij werkloos is geworden. De
inkomsten uit ouderdomspensioen, alsmede
de overige inkomsten, bedoeld in het
eerste lid, voor zover laatstgenoemde
inkomsten worden ontvangen na het
intreden van de werkloosheid, worden niet
op de uitkering in mindering gebracht
voor zover zij betrekking hebben op een
andere dienstbetrekking dan de
dienstbetrekking waaruit de werkloosheid
is ontstaan en die dienstbetrekkingen
vóór het intreden van de werkloosheid
naast elkaar werden vervuld.
-7. Onze
Minister is bevoegd uitkeringen
gelijk te stellen met ouderdomspensioen.
Art.
35 [35]. [MvT]
Indien
de werkloze werknemer arbeid als
werknemer of werkzaamheden in de
uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep
verricht gedurende minder dan vijf en
minder dan de helft van de arbeidsuren,
bedoeld in artikel 16
[16], wordt de
uitkering verminderd met 70% van hetgeen
hij met die arbeid of werkzaamheden
heeft verdiend.
Art.
36 [36]. [MvT]
-1.
De bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen
op grond van deze wet onverschuldigd is
betaald geheel of gedeeltelijk terug te
vorderen of in mindering te brengen op
een later te betalen uitkering op grond
van deze wet, op ziekengeld op grond van
de Ziektewet, op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering of
op een toeslag op grond van de Toeslagenwet:
a.
indien zij door het niet nakomen door de
werknemer van een verplichting als
bedoeld in artikel
25 [25], onverschuldigd
heeft betaald;
b.
gedurende vijf jaar na de dag van
betaalbaarstelling indien zij door
toedoen van de werknemer onverschuldigd
heeft betaald; en
c.
gedurende twee jaren na de dag van
betaalbaarstelling in de overige
gevallen waarin het de werknemer
redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de
bedrijfsvereniging onverschuldigd
betaalde.
-2.
Indien de werknemer een
werkloosheidsuitkering, ziekengeld, een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een
toeslag ontvangt van een andere
bedrijfsvereniging dan de
bedrijfsvereniging die onverschuldigd
heeft betaald, is die andere
bedrijfsvereniging bevoegd, zonder
machtiging van de werknemer, de bedragen
die teruggevorderd kunnen worden of in
mindering kunnen worden gebracht, te
betalen aan de bedrijfsvereniging die
onverschuldigd heeft betaald.
-3.
Een voorschot wordt door de werknemer op
eerste vordering van de
bedrijfsvereniging terugbetaald of door
de bedrijfsvereniging in mindering
gebracht op een later te betalen
uitkering op grond van deze wet, op
ziekengeld op grond van de Ziektewet, op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering of
op een toeslag op grond van de
Toeslagenwet.
Art.
37 [37]. [MvT]
-1.
Indien een werknemer recht op uitkering
heeft over een periode waarover een
uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze
werknemers of bijstand in de algemeen
noodzakelijke kosten van bestaan
krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb.
1963, 284) is verleend, is de
bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering
over die periode tot ten hoogste het
bedrag van die uitkering of de verleende
bijstand, zonder machtiging van de
werknemer, te betalen aan het betrokken
gemeentebestuur.
-2.
In het geval, bedoeld in het eerste lid,
vergoedt de bedrijfsvereniging aan het
gemeentebestuur tevens het bedrag aan
premies op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene
Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb.
1967, 655) dat ten laste is gekomen van
het gemeentebestuur dat die uitkering of
bijstand verleende.
-3.
De bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, ontbreekt voor zover bij de
verlening van bijstand met de uitkering
rekening is gehouden.
Art.
38 [38]. [MvT]
-1.
Voor het in ontvangst nemen en het
verlenen van kwijting voor de betaling
van de uitkering wordt een minderjarige
met een meerderjarige gelijkgesteld.
-2.
Indien de wettelijke vertegenwoordiger
van de minderjarige zich schriftelijk
bij de betrokken bedrijfsvereniging
verzet tegen betaling aan de
minderjarige, wordt de uitkering aan de
wettelijke vertegenwoordiger betaald.
Art.
39 [39]. [MvT]
Indien
de werknemer op grond van geestelijke
gestoordheid niet in staat is kwijting
te verlenen voor de betaling van de
uitkering, is de bedrijfsvereniging
bevoegd de uitkering te betalen aan een
door haar aan te wijzen persoon of
lichaam.
Art.
40 [40]. [MvT]
-1.
De uitkering is onvervreemdbaar en niet
vatbaar voor verpanding of belening.
-2.
Een machtiging tot het in ontvangst
nemen van de uitkering, onder welke vorm
of benaming ook verleend, is steeds
herroepelijk.
-3.
Elk beding strijdig met het eerste of
tweede lid is nietig.
Art.
41 [41]. [MvT]
De
uitkering wordt niet betaald indien deze
per week minder bedraagt dan een achtste
deel van het minimumloon.
AFDELING
II
De
loondervingsuitkering
§
1. De
duur van de uitkering
Art.
42 [42]. [MvT]
-1.
De uitkeringsduur is een halfjaar, te
rekenen vanaf de eerste dag waarop het
recht op de uitkering bestaat.
-2.
De uitkeringsduur, bedoeld in het eerste
lid, wordt verlengd indien de werknemer
aantoont in de periode van vijf jaar aan
het intreden van zijn werkloosheid
onmiddellijk voorafgaande ten minste
gedurende drie jaar als werknemer in een
dienstbetrekking van acht of meer uren per
week te hebben gestaan en hij op de
eerste dag van zijn werkloosheid:
a.
23 jaar of ouder is, doch jonger dan 30
jaar, met een halfjaar;
b.
30 jaar of ouder is, doch jonger dan 35
jaar, met één jaar;
c.
35 jaar of ouder is, doch jonger dan 40
jaar, met anderhalf jaar;
d.
40 jaar of ouder is, doch jonger dan 45
jaar, met twee jaar;
e.
45 jaar of ouder is, doch jonger dan 50
jaar, met tweeënhalf jaar;
f.
50 jaar of ouder is, doch jonger dan 55
jaar, met drie jaar;
g.
55 jaar of ouder is, doch jonger dan 60
jaar, met drieënhalf jaar; en
h.
60 jaar of ouder is, doch jonger dan 65
jaar, met vierenhalf jaar.
-3.
Perioden waarin een ouder een tot zijn
huishouden behorend kind beneden de
leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder
dat deze als werknemer in de zin van
deze wet in een dienstbetrekking van
acht of meer uren per week heeft gestaan,
worden voor de helft in aanmerking
genomen voor de periode van drie jaar,
bedoeld in het tweede lid.
-4.
Voor de toepassing van het derde lid
worden als perioden van verzorging niet
meegeteld de periode waarin:
a.
de verzorgende ouder als werknemer in de
zin van een wettelijke regeling inzake
werkloosheid recht heeft op een
uitkering ter zake van werkloosheid; en
b.
de verzorging buiten Nederland
plaatsvindt anders dan tijdens vakantie.
-5.
Voor de toepassing van het derde lid
wordt als verzorgende ouder van een kind
beschouwd ten aanzien van:
a.
een gezamenlijke huishouding van twee
ouders, wie van hen zij als verzorgende
ouder van dit kind hebben aangewezen; en
b.
een afzonderlijke huishouding van één
ouder:
1º. de ouder die dit kind
verzorgt; of
2º.
wie bij overeenkomst of rechterlijke
uitspraak als verzorgende ouder van
dit kind is aangewezen.
-6.
Voor de toepassing van het derde en het
vijfde lid wordt onder:
a.
een kind verstaan een eigen, aangehuwd
of pleegkind;
b.
een pleegkind verstaan een kind dat als
een eigen kind wordt onderhouden en
opgevoed.
-7.
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen:
a. uitkeringen worden
gelijkgesteld met de uitkering, bedoeld
in het vierde lid, onderdeel a;
b.
perioden worden gelijkgesteld met de
periode, bedoeld in het vierde lid,
onderdeel b.
Art.
43 [43]. [MvT]
-1. Indien het
recht op uitkering na een gehele
eindiging van dat recht op grond van
artikel 21 [21]
is herleefd, eindigt het
recht op uitkering zoveel later dan de
in artikel 42 [42], eerste en tweede lid,
genoemde periode als die eindiging van
het recht op uitkering heeft geduurd.
-2.
Indien het recht op uitkering, waarvan
de duur wordt bepaald door artikel
42 [42],
eerste en tweede lid, door het
verrichten van arbeid als werknemer
geheel of gedeeltelijk is geëindigd en
vervolgens na beëindiging van die
arbeid een nieuw recht op uitkering is
ontstaan als bedoeld in artikel
15 [15],
zonder dat aan de in de aanhef van
artikel 42 [42], tweede lid, bedoelde
voorwaarde wordt voldaan, wordt de duur
van de verlengde uitkering, bedoeld in
artikel 42 [42], tweede lid, bepaald op ten
hoogste de duur van de verlengde
uitkering die de werknemer als gevolg
van die eindiging niet heeft ontvangen,
verminderd met een halfjaar.
§
2. De hoogte van de uitkering
Art.
44 [44]. [MvT]
De
uitkering op grond van deze afdeling
wordt tijdens de duur, bedoeld in
artikel 42 [42], eerste lid, berekend naar
het dagloon en tijdens de duur, bedoeld
in artikel 42 [42], tweede lid, naar de
uitkeringsgrondslag.
Art.
45 [45]. [MvT]
-1.
Voor de berekening van de uitkering
waarop op grond van deze afdeling recht
bestaat, wordt als dagloon beschouwd het
loon dat de werknemer in de regel in de
periode van 26 weken onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van zijn
werkloosheid gemiddeld per dag in de
dienstbetrekking waaruit hij werkloos
is geworden, verdiende, voor zover dat
loon in de bedrijfstak algemeen
gebruikelijk, vast, gegarandeerd en
regelmatig verstrekt is of inherent is
aan de functie.
-2.
De Sociale Verzekeringsraad stelt nadere
regels met betrekking tot de
vaststelling van het dagloon.
-3.
De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd
in afwijking van het tweede lid regels
te stellen met betrekking tot de
vaststelling van het dagloon voor één of
meer groepen werknemers.
-4.
De bedrijfsvereniging is bevoegd in
afwijking van het tweede en derde lid
regels te stellen met betrekking tot de
vaststelling van het dagloon voor alle
of voor één of meer groepen bij haar
verzekerde werknemers.
-5.
De in het tweede, derde en vierde lid
bedoelde regels bevatten voor zover
nodig bepalingen op grond waarvan voor
een werknemer als bedoeld in artikel 49
[-] een evenredige verlaging van het dagloon
plaatsvindt, overeenkomend met het in
dat artikel bedoelde percentage van het minimumloon.
Art.
46 [46]. [MvT]
-1.
De daglonen worden door Onze
Minister telkens herzien met ingang van 1 januari
en 1 juli. Bij een herziening met ingang
van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli
worden, met inachtneming van het tweede
lid, de daglonen verhoogd of verlaagd
overeenkomstig het procentuele verschil
tussen het indexcijfer van de lonen op
31 oktober daaraan voorafgaande
onderscheidenlijk op 30 april daaraan
voorafgaande en het indexcijfer dat bij
de laatste herziening is gehanteerd.
-2.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald:
a.
wat onder indexcijfer van de lonen,
bedoeld in het eerste lid, wordt
verstaan;
b.
welke componenten van het procentuele
verschil, bedoeld in het eerste lid, bij
de herziening buiten beschouwing
blijven; en
c.
welke componenten van het procentuele
verschil, bedoeld in het eerste lid, op
een andere wijze en in een andere mate
dan bij de berekening van dat verschil
is geschied, bij de herziening in
aanmerking worden genomen, één en ander
op de wijze als bij die maatregel wordt
aangegeven.
-3.
De overeenkomstig het eerste en tweede
lid herziene daglonen treden in de
plaats van de daglonen zoals die golden
op de dag voorafgaande aan de datum van
ingang van de herziening.
-4.
Indien daartoe een bijzondere aanleiding
bestaat, kunnen de daglonen bij algemene
maatregel van bestuur met ingang van een
bij die algemene maatregel van bestuur
aan te geven datum worden herzien,
waarbij kan worden bepaald dat de
herziening verschilt naargelang de
hoogte van de daglonen. De op grond van
de eerste volzin herziene daglonen
treden in de plaats van de daglonen
zoals die golden op de dag voorafgaande
aan de datum van ingang van de
herziening, met dien verstande dat die
herziening voor
de eerstvolgende toepassing van het
eerste lid geacht wordt niet te hebben
plaatsgevonden.
-5.
Indien een herziening als bedoeld in het
vierde lid samenvalt met een herziening
als bedoeld in het eerste lid, blijft
laatstbedoelde herziening achterwege.
Art.
47 [47]. [MvT]
-1.
De uitkering bedraagt het eerste halve
jaar per dag 70% van het dagloon.
-2.
Het tweede halve jaar en de volgende
halve jaren bedraagt de uitkering per
dag 70% van de uitkeringsgrondslag.
-3.
De uitkeringsgrondslag wordt elk halfjaar na de eerste
dag waarop het recht
op uitkering is ontstaan, verminderd.
-4.
De uitkeringsgrondslag is gelijk aan het
minimumloon, vermeerderd met een deel
van het bedrag waarmee het dagloon het
minimumloon te boven gaat. In afwijking
van de eerste volzin is de
uitkeringsgrondslag gelijk aan het
dagloon indien het dagloon lager is dan
het minimumloon.
-5.
Het deel, bedoeld in het vierde lid,
wordt gesteld op het aantal halve
uitkeringsjaren waarover op de dag van
de vermindering nog ten hoogste recht op
uitkering op grond van deze afdeling
bestaat, gedeeld door het aantal halve
uitkeringsjaren waarover bij het
ontstaan van het recht op uitkering ten
hoogste recht op uitkering op grond van
deze afdeling bestond. Bij de bepaling
van het aantal halve uitkeringsjaren
blijft artikel 19 [19], eerste lid, onderdeel
h, buiten toepassing.
-6.
Bij algemene maatregel van bestuur
worden met betrekking tot het derde,
vierde en vijfde lid nadere regels
gesteld.
Art.
48 [-]. [MvT]
-1.
Voor de werknemer die zijn arbeidsuren,
bedoeld in artikel 16
[16], niet volledig
heeft verloren en voor de werknemer
wiens recht op grond van artikel
20 [20],
derde lid, gedeeltelijk is geëindigd,
wordt voor de toepassing van artikel
47 [47],
vierde en vijfde lid, in plaats van het minimumloon
in aanmerking genomen het
minimumloon, vermenigvuldigd met het
aantal uren werkloosheid per week,
gedeeld door het aantal uren dat de
werknemer voor het ontstaan van zijn
werkloosheid gemiddeld per week arbeid
verrichtte.
-2.
Het aantal vóór de aanvang van de
werkloosheid gemiddeld per week gewerkte
arbeidsuren wordt bepaald met toepassing
van artikel 16 [16], tweede en derde lid.
Art.
49 [-]. [MvT]
-1.
Indien de werknemer naast een uitkering
op grond van deze afdeling een uitkering
op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet ontvangt, dan wel een zodanige uitkering
zou hebben ontvangen indien artikel 8
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet niet op hem
van toepassing zou zijn geweest,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van minder dan 80%, wordt voor de
toepassing van artikel 47
[47], vierde en
vijfde lid, in plaats van het minimumloon
in aanmerking genomen een
percentage van het minimumloon.
-2.
Het percentage, bedoeld in het eerste
lid, is gelijk aan het verschil tussen
100 en het midden van de
arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de
werknemer is ingedeeld.
AFDELING
III
De
vervolguitkering
§
1. De aanvullende voorwaarden voor het
recht op uitkering
Art.
50 [48]. [MvT]
-1.
De werknemer die het einde van de
uitkeringsduur, bedoeld in artikel
42 [42],
tweede lid, heeft bereikt, heeft recht
op vervolguitkering.
-2.
De werknemer die:
a.
op de eerste dag van zijn werkloosheid
jonger is dan 23 jaar;
b.
het einde van de uitkeringsduur, bedoeld
in artikel 42 [42], eerste lid, heeft
bereikt; en die
c.
indien hij op de eerste dag van zijn
werkloosheid 23 jaar of ouder was
geweest, recht zou hebben gehad op
verlenging van de uitkeringsduur als
bedoeld in artikel 42
[42], tweede lid;
heeft
recht op vervolguitkering.
§
2. De duur van de uitkering
Art.
51 [49]. [MvT]
De
uitkeringsduur is één jaar.
Art.
52 [50]. [MvT]
Indien
het recht op de vervolguitkering vóór
het einde van de in artikel 51
[49] bedoelde
uitkeringsduur is geëindigd, is artikel
43 [43]
van overeenkomstige toepassing.
§
3. De hoogte van de uitkering
Art.
53 [51]. [MvT]
De
uitkering bedraagt per dag 70% van het minimumloon.
Art.
54 [52]. [MvT]
-1.
Indien de uitkering op grond van
afdeling II berekend was naar een
dagloon of een uitkeringsgrondslag lager
dan het minimumloon, bedraagt de
uitkering per dag 70% van dat dagloon of
die uitkeringsgrondslag.
-2.
Indien de uitkering op grond van afdeling
II berekend was met toepassing
van artikel 48 [-] of 49
[-], bedraagt de
uitkering per dag 70% van het bedrag
dat op grond van die artikelen in de
plaats treedt van het minimumloon.
HOOFDSTUK
III
De
vrijwillige verzekering van uitkeringen
bij werkloosheid
Art.
55 [53]. [MvT]
-1.
De bedrijfsvereniging laat, op zijn
verzoek, tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering toe de persoon jonger dan 65 jaar:
a.
wiens verzekering op grond van hoofdstuk
II is geëindigd en die buiten Nederland
woont en aldaar een dienstbetrekking
vervult en wiens werkgever binnen
Nederland woont of gevestigd is;
b. die
Nederlander is en wiens verzekering op
grond van hoofdstuk II is geëindigd en
die werkzaamheden verricht of gaat
verrichten in een ontwikkelingsland; of
c.
wiens arbeidsverhouding op grond van
artikel 6 [6], onderdeel c, niet als
dienstbetrekking wordt beschouwd.
-2. Onze
Minister en Onze Minister belast
met de zorg voor
ontwikkelingssamenwerking bepalen welk
land als ontwikkelingsland wordt
beschouwd.
Art.
56 [54]. [MvT]
-1.
Het verzoek om toelating tot de
vrijwillige werkloosheidsverzekering
dient te worden ingediend door de in
artikel 55 [53], eerste lid, onderdeel a en
b, bedoelde personen, binnen één maand
na het einde van de verzekering op grond
van hoofdstuk II, bij de
bedrijfsvereniging, bedoeld in artikel
57 [55].
-2.
De bedrijfsvereniging is bevoegd te
verklaren dat een verzoek om toelating
tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering, ingediend na
de daartoe op grond van deze wet of de
daarop berustende bepalingen gestelde
termijn, geacht wordt tijdig te zijn
ingekomen indien de persoon die het
verzoek heeft gedaan redelijkerwijs
niet geacht kan worden in verzuim te
zijn geweest.
Art.
57 [55]. [MvT]
-1.
Toelating tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering geschiedt ten
aanzien van de persoon:
a.
bedoeld in artikel 55
[53], eerste lid,
onderdeel a, door de bedrijfsvereniging
waarbij de werkgever van de persoon die
tot de vrijwillige verzekering wenst te
worden toegelaten, is of zou zijn
aangesloten indien hij in Nederland
personeel in dienst heeft of zou hebben;
b.
bedoeld in artikel 55
[53], eerste lid,
onderdeel b:
1º.
die in het kader van
ontwikkelingssamenwerking door een in
Nederland gevestigde organisatie naar
een ontwikkelingsland is of wordt
uitgezonden, door de bedrijfsvereniging
waarbij die organisatie is of zou zijn
aangesloten indien zij in Nederland
personeel in dienst heeft of zou hebben;
2º.
die, anders dan in het geval, bedoeld
onder 1º, in dienstbetrekking staat tot
een in Nederland wonende of gevestigde
werkgever en naar een ontwikkelingsland
is of wordt uitgezonden, door de
bedrijfsvereniging waarbij die werkgever
is of zou zijn aangesloten indien hij
in Nederland personeel in dienst heeft
of zou hebben; en
3º.
die niet onder 1º of 2º valt, door de
Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid,
Geestelijke en Maatschappelijke
Belangen;
c.
bedoeld in artikel 55
[53], eerste lid,
onderdeel c, door de Bedrijfsvereniging
voor Detailhandel, Ambachten en
Huisvrouwen.
-2.
Toelating van een persoon tot de
vrijwillige werkloosheidsverzekering
vindt slechts plaats indien hij zich
tegelijkertijd verzekert op grond van de
vrijwillige verzekering krachtens de Ziektewet.
Art.
58 [56]. [MvT]
De
persoon die is toegelaten tot de
vrijwillige werkloosheidsverzekering
wordt voor de duur van die verzekering
als werknemer beschouwd.
Art.
59 [57]. [MvT]
De
persoon, bedoeld in artikel
55 [53], eerste
lid, onderdeel a en b, die werkloos is,
heeft eerst recht op uitkering na
terugkeer in Nederland.
Art.
60 [58].
[MvT]
-1.
De uitkering op grond van de vrijwillige
werkloosheidsverzekering wordt tijdens
de duur, bedoeld in artikel
42 [42], eerste
lid, berekend naar het dagloon en
tijdens de duur, bedoeld in artikel
42 [42],
tweede lid, naar de uitkeringsgrondslag.
-2.
De persoon die om toelating tot de
vrijwillige werkloosheidsverzekering
verzoekt, bepaalt de hoogte van het
dagloon, met dien verstande dat dit niet
meer kan bedragen dan:
a.
het in artikel
9, eerste lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering genoemde bedrag, eventueel verhoogd of
verlaagd krachtens artikel 9a
van die wet; en
b.
het loon of het inkomen dat hij in geval
van werkloosheid naar het oordeel van de
bedrijfsvereniging derft.
Art.
61 [59]. [MvT]
De
Sociale Verzekeringsraad stelt regels
met betrekking tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering. In deze regels
worden in ieder geval voorschriften en
beperkingen gegeven met betrekking tot:
a.
de toelating tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering;
b.
de aanvang en het einde van de
vrijwillige werkloosheidsverzekering;
c.
de premie voor de vrijwillige
werkloosheidsverzekering; en
d.
het dagloon dat aan de vrijwillige
werkloosheidsverzekering ten grondslag
ligt.
Art.
62 [60]. [MvT]
Voor
zover bij of krachtens dit hoofdstuk
niet anders is bepaald, zijn de overige
artikelen van deze wet en de daarop
berustende bepalingen, voor zoveel
nodig, van overeenkomstige toepassing op
het recht op uitkering, het geldend
maken van het recht op uitkering, de
betaling van de uitkering, de hoogte en
de duur van de uitkering op grond van
dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK
IV
Overneming
van uit de dienstbetrekking
voortvloeiende verplichtingen bij
onmacht van de werkgever te betalen
Art.
63 [61]. [MvT]
-1.
Een werknemer heeft recht op uitkering
op grond van dit hoofdstuk indien hij
van een werkgever die in staat van
faillissement is verklaard, aan wie
surséance van betaling is verleend of
die anderszins verkeert in de blijvende
toestand dat hij heeft opgehouden te
betalen, loon, vakantiegeld of
vakantiebijslag te vorderen heeft of
indien hij geldelijk nadeel kan
ondervinden doordat deze werkgever
bedragen die hij in verband met de
dienstbetrekking met de werknemer aan
derden verschuldigd is, niet heeft
betaald.
-2.
Over de in artikel 66
[64], onderdeel b,
bedoelde termijn van opzegging heeft de
werknemer slechts recht op uitkering op
grond van dit hoofdstuk voor zover hij
werkloos is of voor zover hij voor de in
het eerste lid bedoelde werkgever arbeid
blijft verrichten.
Art.
64 [62]. [MvT]
Geen
recht op uitkering op grond van dit
hoofdstuk heeft de werknemer wiens
dienstbetrekking met de werkgever reeds
was geëindigd voordat de werkgever kwam
te verkeren in een toestand als bedoeld
in artikel 63 [61], eerste lid, tenzij een
duidelijke samenhang bestaat tussen de
omstandigheden die tot het eindigen van
de dienstbetrekking leidden en de
omstandigheden die tot die toestand
hebben geleid.
Art.
65 [63]. [MvT]
-1.
De werknemer is verplicht:
a.
indien geen tijdige betaling van loon,
vakantiegeld of vakantiebijslag heeft
plaatsgevonden, binnen één week na de
dag waarop hij deze betaling normaal
zou hebben ontvangen daarvan aangifte te
doen bij de bedrijfsvereniging; en
b.
binnen één week na de dag waarop het hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn
geweest dat zijn werkgever de bedragen,
bedoeld in artikel 63
[61], eerste lid, niet
heeft betaald, daarvan aangifte te doen
bij de bedrijfsvereniging.
-2.
Indien de werknemer een verplichting hem
op grond van het eerste lid opgelegd
niet nakomt, is de bedrijfsvereniging
bevoegd de uitkering op grond van dit
hoofdstuk blijvend geheel te weigeren,
tijdelijk geheel te weigeren vanaf de
eerste dag waarop recht bestaat op
uitkering op grond van dit hoofdstuk,
tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te
weigeren of de uitkeringsduur te
beperken.
-3.
Indien het de werknemer vóór de
totstandkoming van de dienstbetrekking
of vóór een wijziging in de
arbeidsvoorwaarden tijdens de
dienstbetrekking redelijkerwijs
duidelijk moet zijn geweest dat in
verband met een toestand als bedoeld in
artikel 63 [61], eerste lid, geen of slechts
ten dele betaling zou plaatsvinden van
loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of
aan derden verschuldigde bedragen in
verband met de dienstbetrekking van de
werknemer, is het tweede lid van
overeenkomstige toepassing.
Art.
66 [64]. [MvT]
Het
recht op uitkering op grond van dit
hoofdstuk omvat:
a.
het loon over ten hoogste dertien weken
onmiddellijk voorafgaande aan de dag van
opzegging van de dienstbetrekking of,
indien de dienstbetrekking niet of op
een later dan het daarvoor
redelijkerwijs in aanmerking komende
moment is opgezegd, onmiddellijk
voorafgaande aan de dag waarop de
dienstbetrekking naar het oordeel van de
bedrijfsvereniging redelijkerwijs had
moeten worden opgezegd;
b.
het loon over ten hoogste de voor de
werknemer geldende termijn van
opzegging, met dien verstande dat de
krachtens artikel 40 van de Faillissementswet
(Stb. 1893, 140) ten
aanzien van de werknemer geldende
termijn, zowel in als buiten
faillissement, niet wordt overschreden;
c.
het vakantiegeld, de vakantiebijslag en
de bedragen die de werkgever in verband
met de dienstbetrekking met de werknemer
aan derden verschuldigd is, over ten
hoogste het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan het tijdstip waarop de
in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.
Art.
67 [65]. [MvT]
Op
de uitkering, bedoeld in artikel
66 [64],
onderdeel a en b, worden geheel in
mindering gebracht de inkomsten uit
arbeid als werknemer en uit
werkzaamheden in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep, alsmede
inkomsten wegens loonderving over de in
die onderdelen bedoelde periode, tenzij
de werknemer deze inkomsten reeds
ontving naast het loon uit de
dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij
recht op uitkering op grond van dit
hoofdstuk heeft.
Art.
68 [66]. [MvT]
-1.
Voor zover de bedrijfsvereniging op
grond van dit hoofdstuk een vordering
van een schuldeiser van de werkgever
voldoet, treedt zij in alle rechten die
de schuldeiser ter zake van die
vordering heeft.
-2.
De bedrijfsvereniging heeft met
betrekking tot de premies op grond van
de socialeverzekeringswetten over de
uitkering op grond van dit hoofdstuk
verhaal op de werkgever.
Art.
69 [67]. [MvT]
Voor
de toepassing van dit hoofdstuk wordt:
a.
onder loon verstaan: al hetgeen de
werkgever in verband met de
dienstbetrekking aan de werknemer
rechtens verschuldigd is met
uitzondering van vakantiegeld en
vakantiebijslag;
b.
onder vakantiegeld en vakantiebijslag
ook verstaan: vakantiebonnen,
vakantiezegels en andere dergelijke
waardepapieren; en
c.
onder werknemer ook verstaan: de persoon
die uitsluitend omdat hij 65 jaar of
ouder is niet als werknemer wordt
beschouwd.
Art.
70 [68]. [MvT]
-1.
De artikelen 17 [17], 18
[18],
19 [19], 21
[21], 28 [28]
en 41 [41] zijn niet van toepassing op het recht op
uitkering, het geldend maken van het
recht op uitkering en de betaling van de
uitkering op grond van dit hoofdstuk.
-2.
Voor zover bij of krachtens dit
hoofdstuk niet anders is bepaald, zijn de
overige artikelen van deze wet en de
daarop berustende bepalingen, voor
zoveel nodig, van overeenkomstige
toepassing op het recht op uitkering,
het geldend maken van het recht op
uitkering en de betaling van de
uitkering op grond van dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK
V
Toekenning
bijdrage aan havenbedrijven
Art.
71 [69]. [MvT]
-1.
Het Algemeen Werkloosheidsfonds verleent
jaarlijks een bijdrage aan door Onze
Minister aangewezen werkgevers die voor
tot hen in dienstbetrekking staande
havenarbeiders een loongarantieregeling
hebben getroffen.
-2.
Een loongarantieregeling als bedoeld in
het eerste lid dient in te houden dat
de werkgever verplicht is tot
onverminderde doorbetaling van loon over
uren waarin tengevolge van onvoldoende
werkaanbod niet kan worden gewerkt.
-3.
De in het eerste lid bedoelde aanwijzing
kan onder beperkingen geschieden. Aan de
aanwijzing kunnen voorschriften worden
verbonden.
-4.
Indien een door Onze Minister krachtens
het eerste lid aangewezen werkgever de
loongarantieregeling niet langer
voortzet, of indien deze regeling niet
langer aan de op grond van het tweede
lid gestelde eisen voldoet of indien
niet wordt voldaan aan de op grond van
het derde lid gestelde voorschriften,
kan de aanwijzing al dan niet voor
bepaalde tijd worden ingetrokken.
-5.
Onze Minister stelt regels met
betrekking tot de eisen waaraan een
loongarantieregeling als bedoeld in het
eerste lid moet voldoen.
Art.
72 [70]. [MvT]
-1.
De in artikel 71 [69]
bedoelde bijdrage
bedraagt een door Onze
Minister te
bepalen deel van de door hem aan te
wijzen kosten welke voor de op grond
van dat artikel aangewezen werkgevers
voortvloeien uit hun verplichting tot
onverminderde doorbetaling van loon over
de uren waarin tengevolge van
onvoldoende werkaanbod niet kan worden
gewerkt. De vaststelling van het in de
eerste volzin bedoelde deel en de
aanwijzing van de daar bedoelde kosten
geschieden voor elke aangewezen
werkgever afzonderlijk.
-2.
De bijdrage wordt per kalenderjaar
vastgesteld. Op de bijdrage kunnen
voorschotten worden betaald.
Art.
73 [71]. [MvT]
-1. Onze
Minister is bevoegd regels te
stellen:
a.
waarbij verplichtingen van
administratieve aard worden opgelegd aan
de aangewezen werkgevers;
b.
betreffende de wijze van verlening van
de bijdrage en de betaling van
voorschotten daarop door het Algemeen
Werkloosheidsfonds; en
c.
betreffende de verslaggeving door het
Algemeen Werkloosheidsfonds omtrent de
uitgaven welke op grond van dit
hoofdstuk worden gedaan.
-2.
Het Algemeen Werkloosheidsfonds is
bevoegd, indien een aangewezen werkgever
enige op grond van het eerste lid,
onderdeel a, opgelegde verplichting niet
nakomt, de betaling van de bijdrage of
een voorschot daarop op te schorten of
te schorsen, totdat aan deze
verplichting is voldaan.
HOOFDSTUK
VI
De
voorzieningen
Art.
74 [72]. Gereserveerd. [MvT]
Art.
75 [73]. Gereserveerd. [MvT]
Art.
76 [74]. Gereserveerd. [MvT]
Art.
77 [76]. Gereserveerd. [MvT]
Art.
78 [75]. [MvT]
Onze
Minister is bevoegd regels te stellen op
grond waarvan, in bij die regels aan te
geven gevallen en met inachtneming van
bij die regels te stellen beperkingen,
de werknemer bevoegd is deel te nemen
aan een opleiding of scholing in
dagonderwijs.
Art.
79 [77]. [MvT]
-1.
De werknemer die onbeloonde activiteiten
verricht, is verplicht daarvan mededeling
te doen aan de bedrijfsvereniging.
-2.
De werknemer heeft voor het verrichten
van bijzondere vormen van onbeloonde
activiteiten voorafgaande toestemming
van de bedrijfsvereniging nodig.
-3. Onze
Minister is bevoegd met betrekking
tot het eerste en tweede lid nadere
regels te stellen.
Art.
80 [78]. [MvT]
De werknemer ten aanzien van wie artikel
78 [75]
of 79 [77] wordt toegepast, wordt geacht
werkloos te zijn en te blijven zolang
die toepassing duurt.
HOOFDSTUK
VII
Financiering
Art.
81 [79]. [MvT]
-1.
De middelen tot dekking van de uitgaven
van de wachtgeldfondsen en het Algemeen
Werkloosheidsfonds, alsmede de middelen
voor het vormen en in stand houden van
een reserve voor bedoelde fondsen, worden
gevonden door het heffen van premie.
-2.
In afwijking van het eerste lid worden
de uitgaven, bedoeld in artikel
99 [97],
gefinancierd met bijdragen van het Rijk.
Art.
82 [80]. [MvT]
De
premie wordt onderscheiden in een deel
dat ten gunste komt van het
wachtgeldfonds van de bedrijfsvereniging
en een deel dat ten gunste komt van het
Algemeen Werkloosheidsfonds.
Art.
83 [81]. [MvT]
-1.
De premie is verschuldigd door de
werkgever en de werknemer.
-2.
Het deel van de premie dat ten gunste
komt van het wachtgeldfonds van de
bedrijfsvereniging is voor de helft door
de werkgever en voor de helft door de
werknemer verschuldigd.
-3.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald welk deel van de premie dat ten
gunste komt van het Algemeen
Werkloosheidsfonds door de werkgever en
welk deel door de werknemer is
verschuldigd.
Art.
84 [82]. [MvT]
In
afwijking van artikel 83
[81] is de premie
geheel door de werkgever verschuldigd
ten aanzien van de werknemer wiens loon
geheel bestaat in verstrekkingen in
natura, huisvesting en onderricht.
Art.
85 [83]. [MvT]
-1.
De werkgever is gehouden zowel de door
de werknemer als de door hemzelf
verschuldigde premie aan de
bedrijfsvereniging te betalen. De
werkgever mag op het loon van de
werknemer inhouden het door deze
verschuldigde deel van de premie over de
tijd waarover dat loon wordt betaald.
-2.
Indien de verschuldigde premie na de
loonbetaling met terugwerkende kracht
wordt verhoogd of indien een
voorschotpremie wordt gevorderd, mag bij
de definitieve vaststelling van de
kosten niets van een eventueel door de
werkgever bij te betalen of bijbetaald
bedrag op de werknemer worden verhaald.
Art.
86 [84]. [MvT]
-1.
De maatstaf voor de heffing van de
premies is het loon over het tijdvak
waarover dat loon wordt betaald.
-2.
In afwijking van het eerste lid is geen
premie verschuldigd over het loon uit
een dienstbetrekking als bedoeld in
artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e.
Art.
87 [85]. [MvT]
-1.
Het deel van de premie dat ten gunste
komt van het wachtgeldfonds wordt
volgens bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels door de
desbetreffende bedrijfsvereniging
bepaald op een percentage van het loon
van de werknemer.
-2.
Op gelijke wijze als in het eerste lid
bepaald, kan een vastgesteld percentage
te allen tijde worden herzien.
Art.
88 [86]. [MvT]
-1.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds stelt het deel van de
premie dat ten gunste komt van dat fonds vast op een percentage van het
loon van de werknemer, met dien
verstande dat dit percentage voor alle
takken van het bedrijf en beroep
hetzelfde is.
-2.
Op dezelfde wijze als in het eerste lid
bepaald, kan een vastgesteld percentage
te allen tijde worden herzien.
-3.
Indien een herziening van het in het
eerste lid bedoelde premiepercentage
ingaat op een ander tijdstip dan met
ingang van 1 januari, gaat de
bedrijfsvereniging bij de vaststelling
en de inning van de premie uit van een
door de Sociale Verzekeringsraad voor
alle takken van bedrijf en beroep vast
te stellen gemiddeld percentage dat zal
gelden voor het gehele kalenderjaar.
-4.
De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd
regels te stellen volgens welke de
bedrijfsvereniging bevoegd is in de bij
die regels aan te wijzen gevallen uit te
gaan van het percentage, bedoeld in het
eerste lid.
Art.
89 [87]. Gereserveerd. [MvT]
Art.
90 [88]. Gereserveerd. [MvT]
Art.
91 [89]. [MvT]
Ten
gunste van een wachtgeldfonds komen:
a.
de premies op grond van artikel 87
[85];
b.
de bedragen die de bedrijfsvereniging
ontvangt door de uitoefening van haar
bevoegdheid op grond van artikel 36
[36], voor
zover deze bedragen betrekking hebben op
uitkeringen die ten laste van dat fonds
zijn gebracht;
c.
de bedragen die de bedrijfsvereniging
ontvangt door de uitoefening van haar
bevoegdheid op grond van artikel
68 [66], met
uitzondering van de bedragen die de
bedrijfsvereniging ontvangt ter zake van
een werknemer als bedoeld in artikel
4 [4],
eerste lid, onderdeel e;
d.
de bijdragen uit het Algemeen
Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel
96 [94].
Art.
92 [90]. [MvT]
-1.
Ten laste van een wachtgeldfonds komen:
a.
de op grond van deze wet over de eerste
40 dagen na het ontstaan van de
werkloosheid te betalen uitkering aan de
werknemer die in de in artikel
16 [16],
eerste en tweede lid, bedoelde periode
in ten minste 26 weken bij dezelfde
bedrijfsvereniging verzekerd is geweest;
b.
de op grond van hoofdstuk IV te betalen
uitkeringen aan een werknemer; en
c.
de kosten van beheer en administratie
door de bedrijfsvereniging gemaakt, voor
zover deze betrekking hebben op de in
onderdeel a en b bedoelde uitkeringen.
-2.
Het eerste lid, onderdeel a en b, is
niet van toepassing op de uitkering
betaald aan de werknemer, bedoeld in
artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e.
-3.
De bedrijfsvereniging is bevoegd in
bijzondere gevallen voor de toepassing
van het eerste lid, onderdeel a, een
verzekering bij een andere
bedrijfsvereniging gelijk te stellen met
een verzekering bij de eigen
bedrijfsvereniging.
-4.
Artikel 21 [21]
is met betrekking tot de in
het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
periode van 40 dagen van overeenkomstige
toepassing.
Art.
93 [91]. [MvT]
-1.
Met het oog op de bestrijding van de
uitgaven van het wachtgeldfonds in jaren waarin de gewone middelen daartoe
ontoereikend zijn, vormt de
bedrijfsvereniging een reserve waarvoor
over elk boekjaar ten minste 20% van het
gezamenlijk bedrag van de aan het fonds
ten gunste komende premies over dat
boekjaar wordt afgezonderd, met dien
verstande evenwel dat:
a. tengevolge van bedoelde afzondering de
reserve niet behoeft te stijgen boven
tweemaal het gezamenlijk bedrag van de
aan het fonds ten gunste komende premies
over dat boekjaar;
b.
de Sociale Verzekeringsraad bevoegd is
over een bepaald boekjaar geheel of ten
dele ontheffing te verlenen van de
verplichting tot reservering.
-2.
De bedrijfsvereniging bezigt de op grond
van het eerste lid gereserveerde gelden
niet tot bestrijding van uitgaven van
het fonds dan met toestemming van de
Sociale Verzekeringsraad.
-3. Onze
Minister stelt regels met
betrekking tot de belegging van de
gelden van het wachtgeldfonds.
Art.
94 [92]. [MvT]
Ten
gunste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds komen:
a.
de premies op grond van artikel
88 [86];
b.
de bedragen die de bedrijfsvereniging
ontvangt door de uitoefening van haar
bevoegdheid op grond van artikel 36
[36], voor
zover deze bedragen betrekking hebben op
uitkeringen die ten laste van dat fonds
zijn gebracht;
c.
de bijdragen van het Rijk, bedoeld in
artikel 99 [97];
d.
de bedragen die de bedrijfsvereniging
ontvangt door de uitoefening van haar
bevoegdheid op grond van artikel 68
[66] ter zake van een werknemer als bedoeld in
artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e.
Art.
95 [93]. [MvT]
Ten
laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds komen:
a.
de op grond van deze wet te betalen
uitkeringen, met uitzondering van de
uitkeringen, bedoeld in de artikelen 91
[89] en 98 [96], eerste lid;
b.
de op grond van hoofdstuk IV te betalen
uitkering aan een werknemer als bedoeld
in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e;
c.
de kosten van beheer en administratie
door de bedrijfsvereniging gemaakt, voor
zover deze betrekking hebben op de in
onderdeel a en b bedoelde uitkeringen,
behoudens de bevoegdheid van het bestuur
van dit fonds om met betrekking tot de
mate waarin de door de
bedrijfsverenigingen gemaakte kosten ten
laste van het fonds kunnen worden
gebracht beperkende bepalingen te
stellen; en
d.
de op grond van enige wet over de
uitkeringen, bedoeld in onderdeel a,
door de bedrijfsvereniging verschuldigde
premies die niet op deze uitkeringen in
mindering kunnen worden gebracht.
Art.
96 [94]. [MvT]
-1.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds is bevoegd uit dat
fonds over een bepaald boekjaar een
bijdrage toe te kennen ten behoeve van
wachtgeldfondsen die in dat boekjaar aan
een buitengewoon werkloosheidsrisico
onderhevig zijn en waaruit in verband
daarmee over dat boekjaar buitengewone
uitgaven moeten worden gedaan. Aan een
zodanige toekenning kunnen voorschriften
worden verbonden.
-2. Onze
Minister stelt nadere regels met
betrekking tot het toekennen van een
bijdrage als bedoeld in het eerste lid
door het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Art.
97 [95]. [MvT]
-1.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds is verplicht aan het
Rijk de bijdragen te vergoeden die
vanwege het Rijk worden verleend aan uit
het buitenland afkomstige werknemers
die geen Nederlander zijn en die
terugkeren naar hun land van herkomst en
tot het tijdstip van terugkeer uitkering
op grond van deze wet ontvangen.
-2.
De in het eerste lid bedoelde bijdragen
zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen
die vanwege het Rijk worden verleend aan
de in het eerste lid bedoelde
werknemers, doch ten hoogste gelijk aan
de bedragen die zij aan uitkering op
grond van deze wet zouden hebben kunnen
ontvangen als zij werkloos waren
gebleven en niet naar hun land van
herkomst waren teruggekeerd.
-3. Onze
Minister stelt regels met
betrekking tot de aan het Rijk te
vergoeden bijdragen, bedoeld in het
eerste lid.
Art.
98 [96]. [MvT]
-1.
De middelen voor het vormen en in stand
houden van een reserve van het
Algemeen Werkloosheidsfonds worden
gevonden uit de aan het fonds ten gunste
komende premies. Onze
Minister is
bevoegd regels te stellen met betrekking
tot de vorming en instandhouding van een
reserve door het bestuur van het
Algemeen Werkloosheidsfonds.
-2.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds bezigt de op grond
van het eerste lid gereserveerde gelden
niet tot bestrijding van uitgaven van
het fonds dan met toestemming van Onze
Minister.
-3.
Onze Minister stelt regels met
betrekking tot de belegging van de
gelden van het Algemeen
Werkloosheidsfonds.
Art.
99 [97]. [MvT]
-1.
Het Rijk vergoedt aan het Algemeen
Werkloosheidsfonds de op grond van deze
wet te betalen uitkeringen en de daaraan
verbonden kosten van beheer en
administratie en de op grond van enige
wet over de uitkering verschuldigde
premies die niet op deze uitkering in
mindering kunnen worden gebracht ter
zake van de persoon:
a.
die werknemer in de zin van deze wet is
op grond van een beëindigde
dienstbetrekking als bedoeld in artikel
4 [4], eerste lid, onderdeel e;
b.
wiens werkloosheid intreedt binnen twee maanden na de dag waarop zijn
dienstbetrekking als bedoeld in artikel
4 [4], eerste lid, onderdeel e, is
geëindigd.
-2.
Het Rijk vergoedt aan het Algemeen
Werkloosheidsfonds de op grond van
hoofdstuk IV betaalde uitkeringen en de
kosten van beheer en administratie door
de bedrijfsvereniging gemaakt, onder
aftrek van de in artikel
94 [92], onderdeel c, genoemde bedragen die de
bedrijfsvereniging ontvangt ter zake van
een werknemer als bedoeld in artikel
4 [4],
eerste lid, onderdeel e.
HOOFDSTUK
VIII
De
uitvoeringsorganen
Art.
100 [98]. [MvT]
In
de uitvoering van de in deze wet
geregelde verzekering wordt voorzien
door bedrijfsverenigingen en door een
Algemeen Werkloosheidsfonds.
Art.
101 [99]. [MvT]
-1.
De werknemer is verzekerd bij de
bedrijfsvereniging waarbij zijn
werkgever is aangesloten.
-2.
Indien de werkgever bij meer dan één
bedrijfsvereniging is aangesloten, is de
werknemer verzekerd bij de
bedrijfsvereniging welke haar werking
uitstrekt over het onderdeel van het
bedrijfs- of beroepsleven waartoe zijn
werkzaamheden uitsluitend of in
hoofdzaak behoren.
-3.
De werknemer die uitkering op grond van
deze wet ontvangt, is verzekerd bij de
bedrijfsvereniging die het recht op deze
uitkering heeft vastgesteld.
Art.
102 [100]. [MvT]
-1.
Onverminderd artikel 101
[99] is de
werknemer:
a.
wiens recht op uitkering op grond van
artikel 21 [21]
is herleefd, verzekerd bij de bedrijfsvereniging die het recht op
uitkering heeft vastgesteld;
b.
wiens recht op uitkering waarvan de
duur wordt bepaald door artikel
42 [42],
eerste en tweede lid, door het
verrichten van arbeid als werknemer is
geëindigd en voor wie een nieuw recht
op uitkering is ontstaan, zonder dat aan
de in de aanhef van artikel
42 [42], tweede
lid, genoemde voorwaarde is voldaan,
verzekerd bij de bedrijfsvereniging
waarbij hij ter zake van het nieuwe recht
verzekerd is.
-2.
De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd
regels te stellen waarbij in geval van:
a.
onderbreking van werkloosheid door korte
perioden van werken; of
b.
samenloop van uitkering op grond van
deze wet en uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
een
bedrijfsvereniging wordt aangewezen
waarbij een werknemer is verzekerd, zo
nodig in afwijking van artikel 101 [99]
en
het eerste lid.
Art.
103 [101]. [MvT]
-1.
Elke bedrijfsvereniging stelt na
verkregen overeenstemming met het
Algemeen Werkloosheidsfonds een
uitkeringsreglement
werkloosheidsverzekering vast.
-2.
Onverminderd het elders in deze wet
dienaangaande bepaalde bevat het
uitkeringsreglement bepalingen omtrent:
a.
voorschriften ten behoeve van een
doelmatige controle die ten aanzien van
de werknemers moeten worden genomen;
b.
andere voorwaarden die aan het
ontvangen van uitkering zijn verbonden;
c.
de bevoegdheid van de bedrijfsvereniging
om de betaling van uitkering van
bepaalde groepen van werknemers over
bepaalde tijdvakken in bepaalde
gemeenten te schorsen;
d.
het betalen van een deel van de
uitkering in de vorm van bijdragen aan
sociale fondsen, waaronder begrepen
bonnen, zegels en certificaten die door
het desbetreffende fonds worden
uitgegeven of voorgeschreven; en
e.
samenloop van uitkering en inkomsten uit
of in verband met arbeid.
-3.
Het uitkeringsreglement mag geen
bepalingen bevatten welke strijdig zijn
met deze wet en de daarop berustende
bepalingen, met de statuten van de
bedrijfsvereniging of van het Algemeen
Werkloosheidsfonds.
Art.
104 [102]. [MvT]
De
bedrijfsverenigingen beheren en
administreren de middelen tot dekking
van de uitgaven, bedoeld in artikel
91 [89],
en de uitgaven, bedoeld in artikel
92 [90],
eerste lid, afzonderlijk in de vorm van
een wachtgeldfonds.
Art.
105 [103]. [MvT]
-1. Er bestaat een Algemeen
Werkloosheidsfonds dat de hoedanigheid
van rechtspersoon bezit. Het heeft zijn
zetel ter plaatse door Onze
Minister te
bepalen.
-2.
De statuten van dit fonds worden door
Onze Minister vastgesteld en gewijzigd.
-3.
Het bestuur van het fonds bestaat uit
een door Onze Minister te bepalen aantal
leden en een gelijk aantal
plaatsvervangende leden.
-4.
Onze Minister benoemt telkens voor drie
jaren een derde gedeelte van de leden en
van de plaatsvervangende leden, onder
wie een lid-voorzitter.
-5.
Een derde gedeelte van de leden en van
de plaatsvervangende leden wordt
aangewezen door de organisaties van
werkgevers, bedoeld in artikel 35, zesde
lid, van de Organisatiewet Sociale
Verzekering, en een ander derde gedeelte
door de organisaties van
werknemers,
bedoeld in artikel 35, zesde lid, van
genoemde wet. Onze Minister bepaalt het
aantal leden en plaatsvervangende leden
dat door elke organisatie wordt
aangewezen.
-6.
Aan de voorzitter, de overige leden en
de plaatsvervangende leden kan een
schadeloosstelling, benevens een
vergoeding voor reis- en verblijfkosten
worden toegekend. Het bestuur van het
Algemeen Werkloosheidsfonds is bevoegd
met betrekking tot de eerste volzin
nadere regels te stellen.
-7.
De voorzitter vertegenwoordigt het fonds
in en buiten rechte.
-8.
Door Onze Minister aan te wijzen
personen zijn bevoegd de vergaderingen
van het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds bij te wonen. Zij
hebben in deze vergaderingen een
raadgevende stem.
-9.
Aan Onze Minister wordt tijdig kennis
gegeven van de in het achtste lid
bedoelde vergaderingen.
Art.
106 [104]. [MvT]
Met
de dagelijkse leiding van de
werkzaamheden van het Algemeen
Werkloosheidsfonds is belast de algemeen
secretaris van de Sociale
Verzekeringsraad, die tevens als
secretaris van het bestuur van het fonds
optreedt. Het personeel van de Sociale
Verzekeringsraad verleent het fonds
administratieve ondersteuning.
Art.
107 [105]. [MvT]
-1.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds brengt, volgens bij
de statuten van het fonds te stellen
regels en behoudens daarbij te bepalen
uitzonderingen, de besluiten welke het
neemt onverwijld ter kennis van Onze
Minister en van de Sociale
Verzekeringsraad.
-2.
De besluiten van het bestuur van het
Algemeen Werkloosheidsfonds kunnen, voor
zover zij met de wet of het algemeen
belang strijden, bij koninklijk besluit
worden geschorst of vernietigd. De
artikelen 28, tweede en derde lid, 29,
30, 31 ,32, 33 en 34 van de
Organisatiewet Sociale Verzekering zijn
van overeenkomstige toepassing.
Art.
108 [106]. [MvT]
-1.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds beheert en
administreert de middelen tot dekking
van de uitgaven, bedoeld in artikel
94 [92],
en de uitgaven, bedoeld in artikel
95 [93].
-2.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds is verantwoordelijk
en rekenplichtig aan de Sociale
Verzekeringsraad.
Art.
109 [107]. [MvT]
-1.
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen, voor zoveel nodig in afwijking
van deze wet, voorzieningen worden
getroffen voor het geval het bestuur van
het Algemeen Werkloosheidsfonds zijn uit
deze wet voortvloeiende verplichtingen
niet naar behoren nakomt.
-2.
Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing in het geval de aanwijzing
van leden en plaatsvervangende leden van
het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel
105 [103], vijfde lid, achterwege blijft.
Art.
110 [108]. [MvT]
-1.
Het boekjaar van het Algemeen
Werkloosheidsfonds loopt van 1 januari
tot en met 31 december.
-2.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds is verplicht binnen
één jaar na het verstrijken van een
boekjaar een verslag omtrent de toestand
van het fonds en van zijn werkzaamheden
in het afgelopen boekjaar samen te
stellen, welk verslag met de rekening
over dat boekjaar aan Onze
Minister en
de Sociale Verzekeringsraad wordt
toegezonden.
-3.
Onze Minister is bevoegd voorschriften
te geven omtrent de inrichting van het
in het tweede lid bedoelde verslag en de
daarin te verwerken statistische
gegevens.
Art.
111 [109]. [MvT]
Het
bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds is bevoegd aan de
bedrijfsverenigingen aanwijzingen van
algemene aard te geven die zij in acht
moeten nemen bij het beoordelen van
aanvragen om uitkeringen die ten laste
komen van dat fonds.
Art.
112 [110]. [MvT]
-1.
Het Algemeen Werkloosheidsfonds is
bevoegd te doen nagaan:
a.
of besluiten van de bedrijfsvereniging
met betrekking tot de vaststelling van
het recht op uitkering die ten laste
komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds in overeenstemming
zijn met de bij of krachtens deze wet
vastgestelde bepalingen;
b.
of bedragen welke de
bedrijfsverenigingen aan het Algemeen
Werkloosheidsfonds in rekening brengen
wegens voor dit fonds gedane uitgaven,
alsmede bedragen die de
bedrijfsverenigingen aan het Algemeen
Werkloosheidsfonds ten goede doen komen
wegens voor dit fonds geïnde premies,
op de juiste wijze zijn vastgesteld.
-2.
Indien het beleid van een
bedrijfsvereniging met betrekking tot:
a.
de heffing en invordering van het in
artikel 88 [86]
bedoelde deel van de premie;
b.
het verlenen van uitkeringen die ten
laste komen van het Algemeen
Werkloosheidsfonds;
c.
het beheer en de administratie met
betrekking tot de uitkeringen die ten
laste komen van het Algemeen
Werkloosheidsfonds;
in
strijd is met de bij of krachtens deze
wet vastgestelde bepalingen of om andere
redenen niet aan de daaraan
redelijkerwijs te stellen eisen voldoet,
kan het Algemeen Werkloosheidsfonds aan
de bedrijfsvereniging meedelen dat de
bedragen die aan dat fonds ten goede
zijn dan wel zouden zijn gekomen of aan
dat fonds in rekening zijn dan wel
zouden worden gebracht, op daarbij aan
te geven wijze worden herzien.
-3.
De bedragen die als gevolg van een
mededeling op grond van het tweede lid
of een beslissing als bedoeld in artikel
124 [122]
aan het Algemeen Werkloosheidsfonds
ten goede behoren te komen of niet aan
dat fonds in rekening kunnen worden
gebracht, komen ten laste van het
wachtgeldfonds van de
bedrijfsvereniging.
HOOFDSTUK
IX
Bepalingen
van procedurele aard
Art.
113 [111]. [MvT]
Tussen Onze
Minister en Onze Minister van
Financiën dient overeenstemming te
bestaan omtrent:
a.
te stellen regels als bedoeld in artikel
4 [4], derde lid;
b.
te stellen regels als bedoeld in artikel
12 [12], tweede lid.
Art.
114 [112]. [MvT]
Alvorens
regels te stellen als bedoeld in artikel
97 [95], derde lid, wordt door Onze
Minister overleg gepleegd met de minister wie dat
mede aangaat.
Art.
115 [113]. [MvT]
Onze
Minister hoort de Sociale
Verzekeringsraad alvorens hij regels
stelt op grond van de artikelen
34 [34],
zevende lid, 72 [70], eerste lid,
73 [71], eerste
lid, 93 [91], derde lid, 96
[94], tweede lid, en
98 [96], eerste en derde lid.
Art.
116 [114]. [MvT]
Onze
Minister hoort de Sociaal-Economische
Raad alvorens een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel
83 [81], derde
lid, wordt vastgesteld.
Art.
117 [115]. [MvT]
-1.
De Sociale Verzekeringsraad hoort
alvorens regels te stellen op grond van
artikel 45 [45], tweede en derde lid, het
bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds en de
bedrijfsverenigingen.
-2.
De Sociale Verzekeringsraad hoort het
bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds alvorens toestemming
wordt verleend de gereserveerde gelden,
bedoeld in artikel 93
[91], eerste lid, aan
te wenden tot bestrijding van de
uitgaven van de wachtgeldfondsen.
Art.
118 [116]. [MvT]
-1.
De door de Sociale Verzekeringsraad
gestelde regels op grond van artikel
45 [45],
tweede en derde lid, en artikel 61
[59] behoeven de goedkeuring van Onze
Minister, alvorens zij in werking kunnen
treden.
-2.
Een door de Sociale Verzekeringsraad
vastgesteld besluit inzake een gemiddeld
premiepercentage voor alle takken van
bedrijf en beroep als bedoeld in artikel
88 [86], derde lid, behoeft de goedkeuring
van Onze Minister alvorens het in
werking kan treden.
Art.
119 [117]. [MvT]
Indien Onze
Minister zijn goedkeuring, bedoeld
in artikel 118 [116], eerste lid, onthoudt of
zijn goedkeuring intrekt, kunnen de in
dat lid genoemde regels door Onze
Minister worden vastgesteld.
Art.
120 [118]. [MvT]
-1.
De Sociale Verzekeringsraad pleegt ter
zake van de door Onze
Minister te
stellen regels op grond van artikel
72 [70],
eerste lid, en artikel 73
[71], eerste lid
overleg met het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds.
-2.
De Sociale Verzekeringsraad pleegt
overleg met het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds voordat over een
bepaald boekjaar de Raad geheel of ten
dele ontheffing verleent van de
verplichting tot reservering, bedoeld in
artikel 93 [91], eerste lid.
Art.
121 [119]. [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging behoeft de
goedkeuring van de Sociale
Verzekeringsraad alvorens een
uitkeringsreglement
werkloosheidsverzekering of een
wijziging daarvan in werking treedt.
-2.
De bedrijfsvereniging behoeft voor het
stellen van regels op grond van de artikel
45 [45], vierde lid, de goedkeuring
van de Sociale Verzekeringsraad.
-3.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds behoeft voor het
stellen van regels als bedoeld in
artikel 105 [103], zesde lid, de goedkeuring
van de Sociale Verzekeringsraad alvorens
zij in werking kunnen treden.
Art.
122 [120]. [MvT]
De
Sociale Verzekeringsraad is bevoegd de
goedkeuring, bedoeld in artikel
121 [119],
tweede lid, in te trekken indien de in
artikel 45 [45], tweede tot en met vierde
lid, bedoelde regels wijziging
ondergaan.
Art.
123 [121]. [MvT]
-1.
Een bedrijfsvereniging geeft onverwijld
kennis aan de Sociale Verzekeringsraad
en aan het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds van elke vaststelling
van een percentage als bedoeld in
artikel 87 [85], eerste lid.
-2.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds kan binnen één maand
na ontvangst van een kennisgeving als
bedoeld in het eerste lid aan de
bedrijfsvereniging meedelen dat het
zich met het vastgestelde percentage
niet kan verenigen. Bedoelde mededeling
vindt echter niet plaats dan nadat met
de bedrijfsvereniging overleg is
gepleegd.
-3.
De bedrijfsvereniging stelt binnen drie
weken na ontvangst van een mededeling
als bedoeld in het tweede lid het
percentage opnieuw vast in
overeenstemming met het gevoelen van het
bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds. Indien tussen de
bedrijfsvereniging en het bestuur van
het Algemeen Werkloosheidsfonds geen
overeenstemming wordt bereikt, beslist
het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds.
Art.
124 [122]. [MvT]
Indien
een bedrijfsvereniging zich met een
herziening als bedoeld in artikel
112 [110],
tweede lid, niet kan verenigen, kan zij
zich binnen één maand na ontvangst van
de mededeling van het Algemeen
Werkloosheidsfonds wenden tot de Sociale
Verzekeringsraad, die in het geschil een
beslissing neemt.
Art.
125 [123]. [MvT]
Regels
van een bedrijfsvereniging als bedoeld
in de artikelen 45 [45], vierde lid, en
121 [119],
tweede lid, die afwijken van de op grond
van artikel 119 [117]
door Onze
Minister vastgestelde regels of van de door Onze
Minister aangewezen bepalingen van de in
artikel 45 [45], tweede en derde lid,
bedoelde regels behoeven de goedkeuring
van Onze Minister.
Art.
126 [124]. [MvT]
-1.
Het door het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds vastgestelde besluit
met betrekking tot het premiepercentage,
bedoeld in artikel 88
[86], behoeft de
goedkeuring van Onze
Minister alvorens
het in werking kan treden. Indien Onze
Minister zijn goedkeuring onthoudt aan
het door het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds vastgestelde
percentage, stelt hij het percentage
vast.
-2.
Alvorens Onze Minister het in het eerste
lid bedoelde premiepercentage goedkeurt,
onderscheidenlijk daaraan zijn
goedkeuring onthoudt, hoort hij de
Sociale Verzekeringsraad.
-3.
Het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds doet mededeling aan
de Sociale Verzekeringsraad van een
aanwijzing als bedoeld in artikel
111 [109].
-4.
Wanneer een bedrijfsvereniging van
oordeel is dat een aanwijzing als
bedoeld in artikel 111
[109] bezwaarlijk kan
worden opgevolgd, geeft zij daarvan zo
spoedig mogelijk kennis aan het bestuur
van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
-5.
Indien het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds de aanwijzing geheel
of ten dele handhaaft, kan de
bedrijfsvereniging zich wenden tot de
Sociale Verzekeringsraad, die in het
geschil een beslissing neemt.
Art.
127 [125]. [MvT]
-1.
Ministeriële regelingen, door de
Sociale Verzekeringsraad, door het
bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds en door de
bedrijfsvereniging gestelde regels op
grond van deze wet worden in de
Nederlandse Staatscourant openbaar
gemaakt.
-2.
In de
Nederlandse Staatscourant worden bekendgemaakt:
a.
het ontwerp van een algemene maatregel
van bestuur als bedoeld in artikel
7 [7];
b.
het ontwerp van de regels van Onze
Minister, bedoeld in artikel
119 [117];
c.
het ontwerp van een besluit van Onze
Minister tot het onthouden of intrekken
van de in de artikelen 125 ² [123]
bedoelde
goedkeuring.
1. Volgens de redactie dient
"de artikelen 125" te worden
vervangen door: artikel
125.
Art.
128 [126]. [MvT]
-1.
Een voordracht tot een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 7 [7]
wordt niet gedaan dan nadat
twee maanden na de in artikel
127 [125],
tweede lid, onderdeel a, bedoelde
bekendmaking is verstreken.
-2.
De vaststelling van de regels, bedoeld
in artikel 119 [117]
en het besluit, bedoeld
in artikel 127 [125], tweede lid, onderdeel b,
geschiedt niet eerder dan twee maanden
na de in artikel 127
[125], tweede lid,
bedoelde bekendmaking in de
Nederlandse Staatscourant.
Art.
129 [127]. [MvT]
Aan
de belanghebbende wordt schriftelijk
mededeling gedaan van:
a.
besluiten van Onze
Minister tot
aanwijzing als bedoeld in artikel
71 [69];
b.
een besluit van Onze Minister krachtens
artikel 72 [70], eerste lid;
c.
een besluit van het Algemeen
Werkloosheidsfonds als bedoeld in
artikel 71 [69].
HOOFDSTUK
X
Het
beroep
Art.
130 [128]. [MvT]
-1.
Aan de belanghebbende wordt desgevraagd
schriftelijk kennis gegeven van een
beslissing op grond van deze wet die:
a.
verband houdt met het recht op
uitkering, het geldend maken van het
recht op uitkering en de betaling van
uitkering;
b.
verband houdt met het recht op
uitkering, het geldend maken van het
recht op uitkering en de betaling van
de uitkering, bedoeld in hoofdstuk
IV;
c.
verband houdt met het deelnemen aan een
voorziening als bedoeld in hoofdstuk VI;
d.
betrekking heeft op verschuldigde
premie.
-2. Aan de belanghebbende wordt
schriftelijk kennis gegeven van een
beslissing op grond van deze wet, die
betrekking heeft op de hoofdelijke
aansprakelijkstelling voor de premie,
bedoeld in artikel 16a
en artikel
16b van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering.
-3.
Een kennisgeving als bedoeld in het
eerste en tweede lid is gedagtekend,
vermeldt de gronden waarop de beslissing
berust, alsmede naam en adres van het
college waarbij op grond van artikel
131 [129]
beroep kan worden ingesteld en de
termijn van beroep.
Art.
131 [129]. [MvT]
-1.
Tegen een beslissing waarvan op grond
van artikel 130 [128]
schriftelijk kennis
wordt gegeven, staat voor belanghebbende
beroep open.
-2.
Over dit beroep wordt geoordeeld door de
raden van beroep en de Centrale Raad van
Beroep, bedoeld in de Beroepswet (Stb.
1955, 47).
Art.
132 [130]. [MvT]
Tegen
een besluit van het Algemeen
Werkloosheidsfonds waarbij de hoogte
wordt vastgesteld van een bijdrage als
bedoeld in artikel 71
[69], kan de werkgever
binnen één maand nadat dit besluit
schriftelijk aan hem is toegezonden in
beroep komen bij Onze
Minister.
HOOFDSTUK
XI
Straf-
en slotbepalingen
Art.
133 [131]. [MvT]
-1.
De werkgever die zijn verplichting als
bedoeld in artikel 13
[13] niet nakomt, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste
één maand of geldboete van de tweede
categorie.
-2.
Met gelijke straf wordt gestraft hij
die door hem op grond van deze wet
betaalde of verschuldigde premie inhoudt
op het loon van, of op enige andere
wijze verhaalt op, een werknemer of
gewezen werknemer, zonder dat dit bij
deze wet is toegestaan.
-3.
Het maximum van de straf, bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt verdubbeld
in geval van herhaling van de overtreding
binnen twee jaren nadat veroordeling van
de schuldige wegens een gelijk feit
onherroepelijk is geworden.
Art.
134 [132]. [MvT]
Overtreding
van bepalingen van een op grond van deze
wet uitgevaardigde algemene maatregel
van bestuur, voor zover uitdrukkelijk
als strafbaar feit in de zin van dit
artikel aangeduid, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste één maand of
geldboete van de tweede categorie.
Art. 135
[133]. [MvT]
Hij
die op grond van deze wet of de daarop
berustende bepalingen gehouden is
inlichtingen of gegevens te verstrekken,
een aangifte of mededeling te doen, of
een verklaring af te leggen en daarbij
opzettelijk een valse opgave doet, of
opzettelijk in strijd met bedoelde
gehoudenheid iets verzwijgt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Art. 136
[134]. [MvT]
Hij
die op andere wijze dan door het
valselijk opmaken of vervalsen van een
geschrift dat bestemd is om tot bewijs
van enig feit te dienen, opzettelijk een
opgave in strijd met de waarheid doet,
zulks met het oogmerk aldus een
uitkering of een hogere uitkering op
grond van deze wet te verkrijgen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Art. 137
[135]. [MvT]
De
in de artikelen 133
[131] en
134 [132] omschreven
strafbare feiten zijn overtredingen. De
in de artikelen 135
[133] en
136 [134] omschreven strafbare feiten zijn
misdrijven.
Art. 138
[136]. [MvT]
Deze
wet treedt in werking op een bij wet te
bepalen tijdstip.
Art. 139
[137].
Deze
wet kan worden aangehaald onder de titel
"Werkloosheidswet".
Lasten
en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen
houden.
Gegeven
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
|
|