St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WERKLOOSHEIDSWET

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 
Kamerstukken II 1985-1986, 19 261

Verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheidswet) ¹

1. Redactie: de wet is gepubliceerd in Stb. 1986, 566, en is in werking getreden met ingang van 1 januari 1987 (Stb. 1986, 597).

 

 

Nr.r1 KONINKLIJKE  BOODSCHAP

 

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

     Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van Wet tot verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheidswet).
     De toelichtende memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.
     En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

 

Tavarnelle, 17 oktober 1985

 

BEATRIX

 

 

 

Nr.r2 VOORSTEL  VAN  WET

 

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is opnieuw regels te stellen met betrekking tot de verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid, ter vervanging van de Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421) en de Wet Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485);
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

§ 1.  Algemeen

 

Art. 1 [1].  [MvT]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. bedrijfsvereniging: een bedrijfsvereniging als bedoeld in hoofdstuk II van de Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1952, 344);
c. Sociale Verzekeringsraad: de Sociale Verzekeringsraad, bedoeld in hoofdstuk III van de Organisatiewet Sociale Verzekering;
d. wachtgeldfonds: een fonds als bedoeld in artikel 104 [102];
e. Algemeen Werkloosheidsfonds: het fonds, bedoeld in artikel 105 [103];
f. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
g. arbeidsbureau: een gewestelijk arbeidsbureau als bedoeld in artikel 3 van de Arbeidsbemiddelingswet 1930 (Stb. 1930, 433).

 

Art. 2 [2].  [MvT]
-1. Waar een natuurlijk persoon woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd als deel van Nederland.

 

 

§ 2.  De werknemer

 

Art. 3 [3].  [MvT]
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in Nederland één of meer personen in dienst heeft en hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is aangewezen, wordt hij voor de toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat personen die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het eerste en het tweede lid worden afgeweken ten aanzien van:
a. vreemdelingen;
b. personen op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid van de Nederlandse Antillen, van een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.

 

Art. 4 [4].  [MvT]
-1. Als dienstbetrekking wordt mede beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die:
a. anders dan in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep en anders dan als thuiswerker, op grond van een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld in artikel 1637b van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot stand brengt;
b. de in onderdeel a bedoelde persoon bij het tot stand brengen van dat werk bijstaat;
c. krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans door niet meer dan twee andere personen laat bijstaan;
d. krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans door niet meer dan twee andere personen laat bijstaan;
e. krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967, 687) tewerkgesteld is;
f. als lid van de bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een aandeel in de besomming, tenzij hij:
1º. als zodanig tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid is verzekerd bij het Sociaal Fonds voor de Maatschapsvisserij; of
2º. exploitant of mede-exploitant van het vaartuig is; en
g. zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst vervult.
-2. Het eerste lid, onderdeel a en b, blijft buiten toepassing indien de in onderdeel a bedoelde overeenkomst rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
-3. Onze Minister is bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot het eerste lid, onderdeel a en b.

 

Art. 5 [5].  [MvT]
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die:
a. als thuiswerker arbeid verricht;
b. de in onderdeel a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. als musicus of anderszins als artiest optreedt of als beroep een tak van sport beoefent; en van ¹
d. tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds op grond van dit artikel en de artikelen 3 [3] en 4 [4] als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermee maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.

1. Volgens de redactie dient "van" te vervallen.

 

Art. 6 [6].  [MvT]
Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon:
a. bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Ambtenarenwet (Stb. 1929, 530);
b. die als vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden verricht bij een gemeentelijke brandweer; en
c. die ten behoeve van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten in diens huishouding verricht en die diensten doorgaans op minder dan drie dagen per week verricht.

 

Art. 7 [7].  [MvT]
-1. Tot een bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Binnenlandse Zaken, van Onderwijs en Wetenschappen en van Defensie, te bepalen tijdstip, gelegen na 31 december 1986, wordt niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon aan wie door het Rijk ter zake van zijn arbeidsverhouding invaliditeitspensioen is verzekerd.
-2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere en zo nodig van deze wet afwijkende regels worden gesteld.

 

Art. 8 [8].  [MvT]
-1. Een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.
-2. Een persoon wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep ter zake waarvan recht op uitkering op grond van artikel 26, vierde lid, van de Rijksgroepsregeling zelfstandigen (Stb. 1965, 5) bestaat, herkrijgt bij eindiging van die werkzaamheden binnen of direct na afloop van de periode waarover het recht op die uitkering bestaat, de hoedanigheid van werknemer.
-3. Onverminderd het tweede lid is de bedrijfsvereniging bevoegd aan de persoon op diens verzoek zijn werknemerschap te hergeven na afloop van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden indien deze korter hebben geduurd dan drie maanden.

 

 

§ 3.  De werkgever

 

Art. 9 [9].  [MvT]
Werkgever is de natuurlijke persoon tot wie of het lichaam tot welk één of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan.

 

Art. 10 [10].  [MvT]
Als werkgever wordt beschouwd:
a. in de gevallen, bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene met wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e: degene op wie de verplichting rust het loon te betalen;
f: de exploitant of mede-exploitant van het vaartuig;
g: Onze Minister van Defensie of Onze Minister;
b. in de gevallen, bedoeld in artikel 5 [5], onderdeel:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene met wie het optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene die bij de in artikel 5 [5] bedoelde algemene maatregel van bestuur als werkgever wordt aangewezen.

 

Art. 11 [11].  [MvT]
-1. Als werkgever wordt beschouwd in de gevallen waarin ziekengeld wordt betaald op grond van de verplichte verzekering krachtens de Ziektewet (Stb. 1967, 473), de bedrijfsvereniging die beslist over het ziekengeld. In geval de bedrijfsvereniging het ziekengeld, vermeerderd met de daarover verschuldigde werkgeverspremies, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 9 [9], 10 [10] of 12 [12], tweede lid, teneinde dit ziekengeld door diens tussenkomst te doen betalen, treedt voor de toepassing van de eerste volzin deze voor de bedrijfsvereniging in de plaats.
-2. Als werkgever wordt beschouwd in de gevallen waarin uitkering op grond van de verplichte verzekering of hoofdstuk IV krachtens deze wet wordt betaald, de bedrijfsvereniging die het recht op deze uitkering heeft vastgesteld.

 

Art. 12 [12].  [MvT]
-1. Onze Minister is bevoegd te bepalen dat werknemers wier lonen worden betaald door een door Onze Minister erkend administratiekantoor, voor de toepassing van deze wet in dienstbetrekking staan tot dat kantoor.
-2. Onze Minister is bevoegd, in afwijking van de artikelen 9 [9] en 10 [10], andere dan de aldaar bedoelde personen of lichamen aan te wijzen als werkgever ten aanzien van de persoon die:
a. krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander;
b. een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent.

 

Art. 13 [13].  [MvT]
De werkgever is verplicht de werknemer de gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hem op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de hem op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.

 

 

§ 4.  Het loon

 

Art. 14 [14].  [MvT]
-1. Loon is het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1966, 64).
-2. Minimumloon is het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (
Stb. 1968, 657), of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
-3. Loon door verschillende personen tezamen onverdeeld ontvangen, wordt, voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn ontvangen.

 

 

HOOFDSTUK  II

De verplichte verzekering van uitkeringen bij werkloosheid

 

AFDELING  I

Algemene bepalingen

 

§ 1.  De voorwaarden voor het recht op uitkering

 

Art. 15 [15].  [MvT]
Met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 [16-21] en de daarop berustende bepalingen heeft de werknemer die werkloos is recht op uitkering.

 

Art. 16 [16].  [MvT]
-1. Werkloos is de werknemer die:
a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per week heeft verloren; en
b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
-2. Onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per week wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht. Bij de bepaling van het aantal arbeidsuren, bedoeld in de eerste volzin, wordt mede in aanmerking genomen het aantal uren waarin werkzaamheden zijn verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het tweede lid regels worden gesteld:
a. omtrent de berekening van het verlies van arbeidsuren bij een opeenvolgend verlies van arbeidsuren;
b. waarbij voor bepaalde groepen werknemers een kortere of langere periode voor de berekening van het aantal gewerkte arbeidsuren geldt; en
c. omtrent het beschikbaar zijn voor arbeid.

 

Art. 17 [17].  [MvT]
-1. Recht op uitkering ontstaat voor een werknemer indien hij in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.
-2. Indien werkloosheid intreedt binnen twaalf maanden na afloop van een periode waarin de werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 [8] en hij de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid bedoelde periode van twaalf maanden met deze periode verlengd.
-3. De in één week verrichte arbeid wordt slechts in aanmerking genomen voor zover zij betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op één of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor bepaalde groepen werknemers het in het eerste lid bedoelde aantal weken lager worden gesteld.
-5. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd:
a. weken waarin geen arbeid is verricht in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden, gelijk te stellen met weken als bedoeld in het eerste lid; en
b. regels te stellen met betrekking tot het meer keren in aanmerking nemen van weken waarin arbeid is verricht.

 

Art. 18 [18].  [MvT]
-1. Artikel 17
[17] is niet van toepassing op de werknemer die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden.
-2. De in het eerste lid bedoelde werknemer heeft recht op uitkering voor de duur van de buitengewone natuurlijke omstandigheden. Deze duur blijft bij de vaststelling van de uitkeringsduur op grond van afdeling II en III buiten beschouwing.

 

Art. 19 [19].  [MvT]
-1. Geen recht op uitkering heeft de werknemer die:
a. een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1980, 28) of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492), berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt op grond van artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die, al dan niet vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
b. een uitkering ontvangt op grond van de Liquidatiewet ongevallenwetten (Stb. 1967, 99), berekend naar volledige arbeidsongeschiktheid;
c. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313), berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die, al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, 70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
d. recht heeft op onverminderde doorbetaling van zijn loon;
e. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie;
f. op grond van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40) kan worden uitgezet;
g. rechtens van zijn vrijheid is beroofd;
h. de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt, heeft bereikt;
i. op grond van artikel 17 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering een vrijstelling wegens gemoedsbezwaren heeft of wiens werkloosheid binnen drie maanden na de datum van intrekking van een zodanige vrijstelling is aangevangen;
j. vakantie geniet; of
k. werkloos is tengevolge van werkstaking of uitsluiting.
-2. Geen recht op uitkering heeft de werknemer over een dag waarop zijn arbeid wordt onderbroken uitsluitend doordat:
a. deze dag voor hem als rustdag geldt;
b. deze dag een nationale of algemeen erkende christelijke feestdag is, dan wel een kerkelijke feestdag die ter plaatse waar de werknemer pleegt te werken algemeen als zodanig wordt gevierd.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, wordt met loon gelijkgesteld het deel van de inkomsten dat de werknemer ontvangt in verband met de eindiging van een dienstbetrekking, dat overeenkomt met het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen over de voor hem geldende termijn van opzegging indien deze in acht zou zijn genomen.
-4. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de werknemer die uitsluitend uit hoofde van een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden in een omstandigheid verkeert als bedoeld in het eerste lid.
-5. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd:
a. regels te stellen met betrekking tot het begrip vakantie genieten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j;
b. in afwijking van het eerste lid, onderdeel j, regels te stellen op grond waarvan de werknemer gedurende bepaalde tijd met behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten.
-6. Het Algemeen Werkloosheidsfonds is bevoegd in bijzondere gevallen te bepalen dat de bedrijfsvereniging ten aanzien van een werknemer of groep werknemers afwijkt van het eerste lid, onderdeel k.

 

Art. 20 [20].  [MvT]
-1. Het recht op uitkering eindigt:
a. zodra de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest;
b. voor zover de werknemer niet langer werkloos is;
c. zodra zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 19 [19], eerste lid, onderdeel a, b, c, e, f, g, h, i of j ;
d. zodra de voor de werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken.
-2. Op grond van het eerste lid, onderdeel b, eindigt het recht op uitkering geheel, indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid als werknemer of werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep verricht dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16 [16];
b. beschikbaar is om arbeid als werknemer te aanvaarden voor minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16 [16].
-3. Op grond van het eerste lid, onderdeel b, eindigt het recht op uitkering gedeeltelijk, indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend ten minste vijf uren arbeid als werknemer of werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep verricht en nog een verlies aan arbeidsuren resteert van ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16 [16];
b. beschikbaar is om arbeid als werknemer te aanvaarden voor minder arbeidsuren dan het aantal dat hij heeft verloren, doch voor ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16 [16].
-4. Voor de werknemer op wie het derde lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij de in dat lid bedoelde arbeid of werkzaamheden verricht.
-5. Voor de werknemer op wie het derde lid, onderdeel b, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid.

 

Art. 21 [21].  [MvT]
-1. Indien het recht op uitkering door het verrichten van arbeid als werknemer, door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, of door één van de omstandigheden, bedoeld in artikel 19 [19], eerste lid, onderdeel a tot en met c, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de arbeid, de werkzaamheden of de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan, zonder dat een nieuw recht op uitkering als bedoeld in artikel 15 [15] is ontstaan, herleeft het recht op uitkering met inachtneming van artikel 8 [8].
-2. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd regels te stellen met betrekking tot de periode waarbinnen het recht op uitkering kan herleven indien het recht op uitkering is geëindigd op grond van artikel 19 [19], eerste lid, onderdeel e, g en j.

 

 

§ 2.  Het geldend maken van het recht op uitkering

 

Art. 22 [22].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging stelt vast of een recht op uitkering bestaat nadat daartoe een schriftelijke aanvraag is ingediend.
-2. Van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, stelt de bedrijfsvereniging de belanghebbende onverwijld schriftelijk in kennis.
-3. Een aanvraag wordt ingediend middels een door de bedrijfsvereniging beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

 

Art. 23 [23].  [MvT]
Het recht op uitkering kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. De bedrijfsvereniging is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste volzin.

 

Art. 24 [24].  [MvT + bis]
-1. De werknemer voorkomt dat hij;
a. verwijtbaar werkloos wordt;
b. werkloos is of blijft, doordat hij:
1º. in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen;
2º. nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
3º. door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of
4º. in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren;
c. wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten geen uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19 [19], eerste lid, onderdeel a, b of c.
-2. Als passende arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Als zelfstandige redenen kunnen niet gelden de hoogte van het rechtens geldende loon, de plaats van het werk of een afwijking van opleiding en vroeger beroep. Niet als passende arbeid wordt beschouwd arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e.

 

Art. 25 [25].  [MvT + bis]
-1. De werknemer is verplicht:
a. aan de bedrijfsvereniging op haar verzoek of uit eigen beweging onverwijld alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald; en
b. zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of de bedrijfsvereniging niet benadeelt of zou kunnen benadelen.
-2. Indien de werknemer een verplichting als bedoeld in het eerste lid niet is nagekomen, worden de feiten en omstandigheden die daarbij in het geding zijn, geacht aanwezig te zijn geweest vanaf de eerste dag van werkloosheid, tenzij de werknemer aannemelijk maakt dat die feiten en omstandigheden zich vanaf een later tijdstip voordeden.

 

Art. 26 [26].  [MvT + bis]
-1. De werknemer is verplicht:
a. uiterlijk de eerste werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid bij de bedrijfsvereniging aangifte te doen van zijn werkloosheid;
b. binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid bij de bedrijfsvereniging een aanvraag om een uitkering in te dienen;
c. de voorschriften op te volgen die de bedrijfsvereniging ten behoeve van een doelmatige controle stelt;
d. zich als werkzoekende bij het arbeidsbureau te doen inschrijven en die inschrijving tijdig te doen verlengen;
e. gevolg te geven aan een verzoek van het arbeidsbureau om inlichtingen van belang voor de uitvoering van deze wet en de daarop berustende bepalingen te verstrekken;
f. deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing en voldoende mee te werken aan het bereiken van een gunstig resultaat;
g. mee te werken aan een voor hem gewenst onderzoek naar zijn arbeidsgeschiktheid door een geneeskundige, een psycholoog of een beroepskeuzeadviseur; en
h. de hem op grond van hoofdstuk VI opgelegde verplichtingen na te komen.
-2. Onze Minister is bevoegd regels te stellen met betrekking tot het tijdstip van inschrijving, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.

 

Art. 27 [27].  [MvT + bis]
-1. Indien de werknemer een verplichting hem op grond van de artikelen 24 [24], 25 [25] en 26 [26] opgelegd niet nakomt, is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken.
-2. Indien de werknemer een verplichting hem op grond van artikel 26 [26] opgelegd niet nakomt, is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering tijdelijk geheel te weigeren vanaf de eerste dag van werkloosheid.
-3. Indien de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden, weigert de bedrijfsvereniging in elk geval de uitkering blijvend voor een zodanig deel dat een uitkering resteert ter hoogte van de uitkering op grond van afdeling III waarop de werknemer recht zou hebben gehad.
-4. Onze Minister is bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde groepen werknemers worden vrijgesteld van verplichtingen hun op grond van de artikelen 24 [24], eerste lid, onderdeel b, en 26 [26], eerste lid, onderdeel d, f en g, opgelegd.
-5. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd nadere regels te stellen over de wijze waarop de bedrijfsvereniging van de bevoegdheden, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, gebruikmaakt.

 

Art. 28 [28].  [MvT]
De bedrijfsvereniging die een uitkering heeft geweigerd of de uitkeringsduur heeft beperkt, beslist in geval van herleving van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 21 [21] opnieuw of een weigering van de uitkering of een beperking van de uitkeringsduur wordt voortgezet.

 

Art. 29 [29].  [MvT]
-1. Indien het arbeidsbureau van oordeel is of vermoedt dat de werknemer een verplichting hem op grond van de artikelen 24 [24], eerste lid, onderdeel b, of 26 [26], eerste lid, onderdeel d, e, f ofopgelegd ¹ niet nakomt, geeft het van dit oordeel of vermoeden onverwijld schriftelijk kennis aan de bedrijfsvereniging, onder vermelding van de gronden waarop het oordeel of vermoeden steunt.
-2. Onverminderd het eerste lid verschaft het arbeidsbureau aan de bedrijfsvereniging op haar verzoek inlichtingen die de bedrijfsvereniging voor de uitvoering van deze wet nodig acht.

1. Volgens de redactie dient "ofopgelegd" te worden vervangen door: of g, opgelegd.

 

 

§ 3.  De betaling van de uitkering

 

Art. 30 [30].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging betaalt de uitkering zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand nadat zij het recht op die uitkering heeft vastgesteld.
-2. De bedrijfsvereniging schort de betaling van de uitkering op of schorst de betaling, indien zij van oordeel is of vermoedt dat:
a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering bestaat; of
c. de werknemer een verplichting hem op grond van de artikelen 24 [24], 25 [25] of 26 [26] opgelegd niet is nagekomen.
-3. De bedrijfsvereniging stelt de werknemer onverwijld schriftelijk in kennis van een beslissing als bedoeld in het tweede lid.

 

Art. 31 [31].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging betaalt uit eigen beweging een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een uitkering indien uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van die uitkering, omtrent het van de uitkering aan de werknemer te betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in de artikelen 24 [24], 25 [25] en 26 [26].
-2. De bedrijfsvereniging is bevoegd op verzoek van de werknemer een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een uitkering te betalen indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op uitkering.
-3. In afwijking van het tweede lid betaalt de bedrijfsvereniging uit eigen beweging of op verzoek van de werknemer ten aanzien van wie onzekerheid bestaat omtrent het recht op onverminderde doorbetaling van loon tengevolge van een al dan niet rechtsgeldige eindiging van de dienstbetrekking, een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op hetgeen hem krachtens een aanspraak naar burgerlijk recht of krachtens deze wet kan toekomen. De bedrijfsvereniging is bevoegd aan de betaling van dit voorschot voorschriften te verbinden.
-4. Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid beschouwd als een uitkering op grond van deze wet.

 

Art. 32 [32].  [MvT]
De uitkering die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie maanden na de dag van betaalbaarstelling wordt niet meer betaald.

 

Art. 33 [33].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging betaalt de uitkering per maand achteraf.
-2. In afwijking van het eerste lid is de bedrijfsvereniging bevoegd, op verzoek van de werknemer of uit eigen beweging, de uitkering over een kortere periode te betalen indien de werknemer over die kortere periode loon ontving.
-3. In afwijking van het eerste lid betaalt de bedrijfsvereniging aan de werknemer die werkloos is tengevolge van de eindiging van zijn dienstbetrekking en in wiens dagloon vakantiebijslag is berekend, een gedeelte van de uitkering als vakantiebijslag jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden of, indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. De vakantiebijslag bedraagt 7,5/107,5 van de uitkering.
-4. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van de teller en het getal boven de honderd in de noemer van de in het derde lid genoemde breuk. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat vanaf de dag waarop de wijziging ingaat.

 

Art. 34 [34].  [MvT]
-1. Op de uitkering worden geheel in mindering gebracht inkomsten wegens loonderving, met uitzondering van een uitkering, bedoeld in artikel 49 [-], voor zover deze inkomsten geen verband houden met de eindiging van een dienstbetrekking, alsmede inkomsten uit ouderdomspensioen. Onder ouderdomspensioen wordt verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening.
-2. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, dienen betrekking te hebben op de periode waarover de werknemer recht heeft op uitkering op grond van deze wet.
-3. Indien een uitkering in verband met ziekte niet aan de werknemer is betaald wegens voor hem geldende wachtdagen of wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt zij voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn ontvangen.
-4. Indien de werknemer wegens eindiging van een dienstbetrekking ouderdomspensioen ontvangt, wordt, voor zoveel nodig in afwijking van het eerste lid, de uitkering per dag niet hoger gesteld dan op het verschil tussen de uitkering zoals die is of zou zijn vastgesteld op de eerste werkdag na die eindiging en het bedrag van het pensioen per dag dat op die dag is ontvangen.
-5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt het dagloon zoals dat is of zou zijn vastgesteld op de eerste dag waarop ouderdomspensioen wordt ontvangen, voor zoveel nodig herzien overeenkomstig artikel 46 [46].
-6. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van de inkomsten uit ouderdomspensioen worden niet in mindering gebracht indien zij door de werknemer reeds vóór het intreden van de werkloosheid werden ontvangen naast de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden. De inkomsten uit ouderdomspensioen, alsmede de overige inkomsten, bedoeld in het eerste lid, voor zover laatstgenoemde inkomsten worden ontvangen na het intreden van de werkloosheid, worden niet op de uitkering in mindering gebracht voor zover zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen vóór het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
-7. Onze Minister is bevoegd uitkeringen gelijk te stellen met ouderdomspensioen.

 

Art. 35 [35].  [MvT]
Indien de werkloze werknemer arbeid als werknemer of werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep verricht gedurende minder dan vijf en minder dan de helft van de arbeidsuren, bedoeld in artikel 16 [16], wordt de uitkering verminderd met 70% van hetgeen hij met die arbeid of werkzaamheden heeft verdiend.

 

Art. 36 [36].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op grond van deze wet onverschuldigd is betaald geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of in mindering te brengen op een later te betalen uitkering op grond van deze wet, op ziekengeld op grond van de Ziektewet, op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op een toeslag op grond van de Toeslagenwet:
a. indien zij door het niet nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25 [25], onverschuldigd heeft betaald;
b. gedurende vijf jaar na de dag van betaalbaarstelling indien zij door toedoen van de werknemer onverschuldigd heeft betaald; en
c. gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de werknemer redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de bedrijfsvereniging onverschuldigd betaalde.
-2. Indien de werknemer een werkloosheidsuitkering, ziekengeld, een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een toeslag ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald, is die andere bedrijfsvereniging bevoegd, zonder machtiging van de werknemer, de bedragen die teruggevorderd kunnen worden of in mindering kunnen worden gebracht, te betalen aan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald.
-3. Een voorschot wordt door de werknemer op eerste vordering van de bedrijfsvereniging terugbetaald of door de bedrijfsvereniging in mindering gebracht op een later te betalen uitkering op grond van deze wet, op ziekengeld op grond van de Ziektewet, op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op een toeslag op grond van de Toeslagenwet.

 

Art. 37 [37].  [MvT]
-1. Indien een werknemer recht op uitkering heeft over een periode waarover een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers of bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering over die periode tot ten hoogste het bedrag van die uitkering of de verleende bijstand, zonder machtiging van de werknemer, te betalen aan het betrokken gemeentebestuur.
-2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het bedrag aan premies op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste is gekomen van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand verleende.
-3. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor zover bij de verlening van bijstand met de uitkering rekening is gehouden.

 

Art. 38 [38].  [MvT]
-1. Voor het in ontvangst nemen en het verlenen van kwijting voor de betaling van de uitkering wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld.
-2. Indien de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige zich schriftelijk bij de betrokken bedrijfsvereniging verzet tegen betaling aan de minderjarige, wordt de uitkering aan de wettelijke vertegenwoordiger betaald.

 

Art. 39 [39].  [MvT]
Indien de werknemer op grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de betaling van de uitkering, is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering te betalen aan een door haar aan te wijzen persoon of lichaam.

 

Art. 40 [40].  [MvT]
-1. De uitkering is onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de uitkering, onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met het eerste of tweede lid is nietig.

 

Art. 41 [41].  [MvT]
De uitkering wordt niet betaald indien deze per week minder bedraagt dan een achtste deel van het minimumloon.

 

 

AFDELING II

De loondervingsuitkering

 

§ 1.  De duur van de uitkering

 

Art. 42 [42].  [MvT]
-1. De uitkeringsduur is een halfjaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op de uitkering bestaat.
-2. De uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd indien de werknemer aantoont in de periode van vijf jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande ten minste gedurende drie jaar als werknemer in een dienstbetrekking van acht of meer uren per week te hebben gestaan en hij op de eerste dag van zijn werkloosheid:
a. 23 jaar of ouder is, doch jonger dan 30 jaar, met een halfjaar;
b. 30 jaar of ouder is, doch jonger dan 35 jaar, met één jaar;
c. 35 jaar of ouder is, doch jonger dan 40 jaar, met anderhalf jaar;
d. 40 jaar of ouder is, doch jonger dan 45 jaar, met twee jaar;
e. 45 jaar of ouder is, doch jonger dan 50 jaar, met tweeënhalf jaar;
f. 50 jaar of ouder is, doch jonger dan 55 jaar, met drie jaar;
g. 55 jaar of ouder is, doch jonger dan 60 jaar, met drieënhalf jaar; en
h. 60 jaar of ouder is, doch jonger dan 65 jaar, met vierenhalf jaar.
-3. Perioden waarin een ouder een tot zijn huishouden behorend kind beneden de leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze als werknemer in de zin van deze wet in een dienstbetrekking van acht of meer uren per week heeft gestaan, worden voor de helft in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid.
-4. Voor de toepassing van het derde lid worden als perioden van verzorging niet meegeteld de periode waarin:
a. de verzorgende ouder als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid; en
b. de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens vakantie.
-5. Voor de toepassing van het derde lid wordt als verzorgende ouder van een kind beschouwd ten aanzien van:
a. een gezamenlijke huishouding van twee ouders, wie van hen zij als verzorgende ouder van dit kind hebben aangewezen; en
b. een afzonderlijke huishouding van één ouder:
1º. de ouder die dit kind verzorgt; of
2º. wie bij overeenkomst of rechterlijke uitspraak als verzorgende ouder van dit kind is aangewezen.
-6. Voor de toepassing van het derde en het vijfde lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. uitkeringen worden gelijkgesteld met de uitkering, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a;
b. perioden worden gelijkgesteld met de periode, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b.

 

Art. 43 [43].  [MvT]
-1. Indien het recht op uitkering na een gehele eindiging van dat recht op grond van artikel 21 [21] is herleefd, eindigt het recht op uitkering zoveel later dan de in artikel 42 [42], eerste en tweede lid, genoemde periode als die eindiging van het recht op uitkering heeft geduurd.
-2. Indien het recht op uitkering, waarvan de duur wordt bepaald door artikel 42 [42], eerste en tweede lid, door het verrichten van arbeid als werknemer geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na beëindiging van die arbeid een nieuw recht op uitkering is ontstaan als bedoeld in artikel 15 [15], zonder dat aan de in de aanhef van artikel 42 [42], tweede lid, bedoelde voorwaarde wordt voldaan, wordt de duur van de verlengde uitkering, bedoeld in artikel 42 [42], tweede lid, bepaald op ten hoogste de duur van de verlengde uitkering die de werknemer als gevolg van die eindiging niet heeft ontvangen, verminderd met een halfjaar.

 

 

§ 2.  De hoogte van de uitkering

 

Art. 44 [44].  [MvT]
De uitkering op grond van deze afdeling wordt tijdens de duur, bedoeld in artikel 42 [42], eerste lid, berekend naar het dagloon en tijdens de duur, bedoeld in artikel 42 [42], tweede lid, naar de uitkeringsgrondslag.

 

Art. 45 [45].  [MvT]
-1. Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van deze afdeling recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd het loon dat de werknemer in de regel in de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid gemiddeld per dag in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden, verdiende, voor zover dat loon in de bedrijfstak algemeen gebruikelijk, vast, gegarandeerd en regelmatig verstrekt is of inherent is aan de functie.
-2. De Sociale Verzekeringsraad stelt nadere regels met betrekking tot de vaststelling van het dagloon.
-3. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd in afwijking van het tweede lid regels te stellen met betrekking tot de vaststelling van het dagloon voor één of meer groepen werknemers.
-4. De bedrijfsvereniging is bevoegd in afwijking van het tweede en derde lid regels te stellen met betrekking tot de vaststelling van het dagloon voor alle of voor één of meer groepen bij haar verzekerde werknemers.
-5. De in het tweede, derde en vierde lid bedoelde regels bevatten voor zover nodig bepalingen op grond waarvan voor een werknemer als bedoeld in artikel 49 [-] een evenredige verlaging van het dagloon plaatsvindt, overeenkomend met het in dat artikel bedoelde percentage van het
minimumloon.

 

Art. 46 [46].  [MvT]
-1. De daglonen worden door Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli worden, met inachtneming van het tweede lid, de daglonen verhoogd of verlaagd overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer van de lonen op 31 oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk op 30 april daaraan voorafgaande en het indexcijfer dat bij de laatste herziening is gehanteerd.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
a. wat onder indexcijfer van de lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan;
b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de herziening buiten beschouwing blijven; en
c. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, op een andere wijze en in een andere mate dan bij de berekening van dat verschil is geschied, bij de herziening in aanmerking worden genomen, één en ander op de wijze als bij die maatregel wordt aangegeven.
-3. De overeenkomstig het eerste en tweede lid herziene daglonen treden in de plaats van de daglonen zoals die golden op de dag voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening.
-4. Indien daartoe een bijzondere aanleiding bestaat, kunnen de daglonen bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien, waarbij kan worden bepaald dat de herziening verschilt naargelang de hoogte van de daglonen. De op grond van de eerste volzin herziene daglonen treden in de plaats van de daglonen zoals die golden op de dag voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening, met dien verstande dat die herziening voor de eerstvolgende toepassing van het eerste lid geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden.
-5. Indien een herziening als bedoeld in het vierde lid samenvalt met een herziening als bedoeld in het eerste lid, blijft laatstbedoelde herziening achterwege.

 

Art. 47 [47].  [MvT]
-1. De uitkering bedraagt het eerste halve jaar per dag 70% van het dagloon.
-2. Het tweede halve jaar en de volgende halve jaren bedraagt de uitkering per dag 70% van de uitkeringsgrondslag.
-3. De uitkeringsgrondslag wordt elk halfjaar na de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan, verminderd.
-4. De uitkeringsgrondslag is gelijk aan het minimumloon, vermeerderd met een deel van het bedrag waarmee het dagloon het minimumloon te boven gaat. In afwijking van de eerste volzin is de uitkeringsgrondslag gelijk aan het dagloon indien het dagloon lager is dan het minimumloon.
-5. Het deel, bedoeld in het vierde lid, wordt gesteld op het aantal halve uitkeringsjaren waarover op de dag van de vermindering nog ten hoogste recht op uitkering op grond van deze afdeling bestaat, gedeeld door het aantal halve uitkeringsjaren waarover bij het ontstaan van het recht op uitkering ten hoogste recht op uitkering op grond van deze afdeling bestond. Bij de bepaling van het aantal halve uitkeringsjaren blijft artikel 19 [19], eerste lid, onderdeel h, buiten toepassing.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot het derde, vierde en vijfde lid nadere regels gesteld.

 

Art. 48 [-].  [MvT]
-1. Voor de werknemer die zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16 [16], niet volledig heeft verloren en voor de werknemer wiens recht op grond van artikel 20 [20], derde lid, gedeeltelijk is geëindigd, wordt voor de toepassing van artikel 47 [47], vierde en vijfde lid, in plaats van het minimumloon in aanmerking genomen het minimumloon, vermenigvuldigd met het aantal uren werkloosheid per week, gedeeld door het aantal uren dat de werknemer voor het ontstaan van zijn werkloosheid gemiddeld per week arbeid verrichtte.
-2. Het aantal vóór de aanvang van de werkloosheid gemiddeld per week gewerkte arbeidsuren wordt bepaald met toepassing van artikel 16 [16], tweede en derde lid.

 

Art. 49 [-].  [MvT]
-1. Indien de werknemer naast een uitkering op grond van deze afdeling een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ontvangt, dan wel een zodanige uitkering zou hebben ontvangen indien artikel 8 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet niet op hem van toepassing zou zijn geweest, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt voor de toepassing van artikel 47 [47], vierde en vijfde lid, in plaats van het minimumloon in aanmerking genomen een percentage van het minimumloon.
-2. Het percentage, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld.

 

 

AFDELING III

De vervolguitkering

 

§ 1.  De aanvullende voorwaarden voor het recht op uitkering

 

Art. 50 [48].  [MvT]
-1. De werknemer die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 42 [42], tweede lid, heeft bereikt, heeft recht op vervolguitkering.
-2. De werknemer die:
a. op de eerste dag van zijn werkloosheid jonger is dan 23 jaar;
b. het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 42 [42], eerste lid, heeft bereikt; en die
c. indien hij op de eerste dag van zijn werkloosheid 23 jaar of ouder was geweest, recht zou hebben gehad op verlenging van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 [42], tweede lid;
heeft recht op vervolguitkering.

 

 

§ 2.  De duur van de uitkering

 

Art. 51 [49].  [MvT]
De uitkeringsduur is één jaar.

 

Art. 52 [50].  [MvT]
Indien het recht op de vervolguitkering vóór het einde van de in artikel 51 [49] bedoelde uitkeringsduur is geëindigd, is artikel 43 [43] van overeenkomstige toepassing.

 

 

§ 3.  De hoogte van de uitkering

 

Art. 53 [51].  [MvT]
De uitkering bedraagt per dag 70% van het minimumloon.

 

Art. 54 [52].  [MvT]
-1. Indien de uitkering op grond van afdeling II berekend was naar een dagloon of een uitkeringsgrondslag lager dan het minimumloon, bedraagt de uitkering per dag 70% van dat dagloon of die uitkeringsgrondslag.
-2. Indien de uitkering op grond van afdeling II berekend was met toepassing van artikel 48 [-] of 49 [-], bedraagt de uitkering per dag 70% van het bedrag dat op grond van die artikelen in de plaats treedt van het minimumloon.

 

 

HOOFDSTUK  III

De vrijwillige verzekering van uitkeringen bij werkloosheid

 

Art. 55 [53].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging laat, op zijn verzoek, tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering toe de persoon jonger dan 65 jaar:
a. wiens verzekering op grond van hoofdstuk II is geëindigd en die buiten Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is;
b. die Nederlander is en wiens verzekering op grond van hoofdstuk II is geëindigd en die werkzaamheden verricht of gaat verrichten in een ontwikkelingsland; of
c. wiens arbeidsverhouding op grond van artikel 6 [6], onderdeel c, niet als dienstbetrekking wordt beschouwd.
-2. Onze Minister en Onze Minister belast met de zorg voor ontwikkelingssamenwerking bepalen welk land als ontwikkelingsland wordt beschouwd.

 

Art. 56 [54].  [MvT]
-1. Het verzoek om toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering dient te worden ingediend door de in artikel 55 [53], eerste lid, onderdeel a en b, bedoelde personen, binnen één maand na het einde van de verzekering op grond van hoofdstuk II, bij de bedrijfsvereniging, bedoeld in artikel 57 [55].
-2. De bedrijfsvereniging is bevoegd te verklaren dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering, ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

 

Art. 57 [55].  [MvT]
-1. Toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering geschiedt ten aanzien van de persoon:
a. bedoeld in artikel 55 [53], eerste lid, onderdeel a, door de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever van de persoon die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten, is of zou zijn aangesloten indien hij in Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben;
b. bedoeld in artikel 55 [53], eerste lid, onderdeel b:
1º. die in het kader van ontwikkelingssamenwerking door een in Nederland gevestigde organisatie naar een ontwikkelingsland is of wordt uitgezonden, door de bedrijfsvereniging waarbij die organisatie is of zou zijn aangesloten indien zij in Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben;
2º. die, anders dan in het geval, bedoeld onder 1º, in dienstbetrekking staat tot een in Nederland wonende of gevestigde werkgever en naar een ontwikkelingsland is of wordt uitgezonden, door de bedrijfsvereniging waarbij die werkgever is of zou zijn aangesloten indien hij in Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben; en
3º. die niet onder 1º of 2º valt, door de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen;
c. bedoeld in artikel 55 [53], eerste lid, onderdeel c, door de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.
-2. Toelating van een persoon tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering vindt slechts plaats indien hij zich tegelijkertijd verzekert op grond van de vrijwillige verzekering krachtens de Ziektewet.

 

Art. 58 [56].  [MvT]
De persoon die is toegelaten tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering wordt voor de duur van die verzekering als werknemer beschouwd.

 

Art. 59 [57].  [MvT]
De persoon, bedoeld in artikel 55 [53], eerste lid, onderdeel a en b, die werkloos is, heeft eerst recht op uitkering na terugkeer in Nederland.

 

Art. 60 [58].  [MvT]
-1. De uitkering op grond van de vrijwillige werkloosheidsverzekering wordt tijdens de duur, bedoeld in artikel 42 [42], eerste lid, berekend naar het dagloon en tijdens de duur, bedoeld in artikel 42 [42], tweede lid, naar de uitkeringsgrondslag.
-2. De persoon die om toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering verzoekt, bepaalt de hoogte van het dagloon, met dien verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering genoemde bedrag, eventueel verhoogd of verlaagd krachtens artikel 9a van die wet; en
b. het loon of het inkomen dat hij in geval van werkloosheid naar het oordeel van de bedrijfsvereniging derft.

 

Art. 61 [59].  [MvT]
De Sociale Verzekeringsraad stelt regels met betrekking tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering. In deze regels worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking tot:
a. de toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering;
b. de aanvang en het einde van de vrijwillige werkloosheidsverzekering;
c. de premie voor de vrijwillige werkloosheidsverzekering; en
d. het dagloon dat aan de vrijwillige werkloosheidsverzekering ten grondslag ligt.

 

Art. 62 [60].  [MvT]
Voor zover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald, zijn de overige artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de betaling van de uitkering, de hoogte en de duur van de uitkering op grond van dit hoofdstuk.

 

 

HOOFDSTUK  IV

Overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever te betalen

 

Art. 63 [61].  [MvT]
-1. Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk indien hij van een werkgever die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.
-2. Over de in artikel 66 [64], onderdeel b, bedoelde termijn van opzegging heeft de werknemer slechts recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk voor zover hij werkloos is of voor zover hij voor de in het eerste lid bedoelde werkgever arbeid blijft verrichten.

 

Art. 64 [62].  [MvT]
Geen recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft de werknemer wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 63 [61], eerste lid, tenzij een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden die tot die toestand hebben geleid.

 

Art. 65 [63].  [MvT]
-1. De werknemer is verplicht:
a. indien geen tijdige betaling van loon, vakantiegeld of vakantiebijslag heeft plaatsgevonden, binnen één week na de dag waarop hij deze betaling normaal zou hebben ontvangen daarvan aangifte te doen bij de bedrijfsvereniging; en
b. binnen één week na de dag waarop het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zijn werkgever de bedragen, bedoeld in artikel 63 [61], eerste lid, niet heeft betaald, daarvan aangifte te doen bij de bedrijfsvereniging.
-2. Indien de werknemer een verplichting hem op grond van het eerste lid opgelegd niet nakomt, is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering op grond van dit hoofdstuk blijvend geheel te weigeren, tijdelijk geheel te weigeren vanaf de eerste dag waarop recht bestaat op uitkering op grond van dit hoofdstuk, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken.
-3. Indien het de werknemer vóór de totstandkoming van de dienstbetrekking of vóór een wijziging in de arbeidsvoorwaarden tijdens de dienstbetrekking redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat in verband met een toestand als bedoeld in artikel 63 [61], eerste lid, geen of slechts ten dele betaling zou plaatsvinden van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of aan derden verschuldigde bedragen in verband met de dienstbetrekking van de werknemer, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 66 [64].  [MvT]
Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk omvat:
a. het loon over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking of, indien de dienstbetrekking niet of op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is opgezegd, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het oordeel van de bedrijfsvereniging redelijkerwijs had moeten worden opgezegd;
b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet (Stb. 1893, 140) ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden;
c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.

 

Art. 67 [65].  [MvT]
Op de uitkering, bedoeld in artikel 66 [64], onderdeel a en b, worden geheel in mindering gebracht de inkomsten uit arbeid als werknemer en uit werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, alsmede inkomsten wegens loonderving over de in die onderdelen bedoelde periode, tenzij de werknemer deze inkomsten reeds ontving naast het loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft.

 

Art. 68 [66].  [MvT]
-1. Voor zover de bedrijfsvereniging op grond van dit hoofdstuk een vordering van een schuldeiser van de werkgever voldoet, treedt zij in alle rechten die de schuldeiser ter zake van die vordering heeft.
-2. De bedrijfsvereniging heeft met betrekking tot de premies op grond van de socialeverzekeringswetten over de uitkering op grond van dit hoofdstuk verhaal op de werkgever.

 

Art. 69 [67].  [MvT]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt:
a. onder loon verstaan: al hetgeen de werkgever in verband met de dienstbetrekking aan de werknemer rechtens verschuldigd is met uitzondering van vakantiegeld en vakantiebijslag;
b. onder vakantiegeld en vakantiebijslag ook verstaan: vakantiebonnen, vakantiezegels en andere dergelijke waardepapieren; en
c. onder werknemer ook verstaan: de persoon die uitsluitend omdat hij 65 jaar of ouder is niet als werknemer wordt beschouwd.

 

Art. 70 [68].  [MvT]
-1. De artikelen 17 [17], 18 [18], 19 [19], 21 [21], 28 [28] en 41 [41] zijn niet van toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk.
-2. Voor zover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald, zijn de overige artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk.

 

 

HOOFDSTUK  V

Toekenning bijdrage aan havenbedrijven

 

Art. 71 [69].  [MvT]
-1. Het Algemeen Werkloosheidsfonds verleent jaarlijks een bijdrage aan door Onze Minister aangewezen werkgevers die voor tot hen in dienstbetrekking staande havenarbeiders een loongarantieregeling hebben getroffen.
-2. Een loongarantieregeling als bedoeld in het eerste lid dient in te houden dat de werkgever verplicht is tot onverminderde doorbetaling van loon over uren waarin tengevolge van onvoldoende werkaanbod niet kan worden gewerkt.
-3. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan onder beperkingen geschieden. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
-4. Indien een door Onze Minister krachtens het eerste lid aangewezen werkgever de loongarantieregeling niet langer voortzet, of indien deze regeling niet langer aan de op grond van het tweede lid gestelde eisen voldoet of indien niet wordt voldaan aan de op grond van het derde lid gestelde voorschriften, kan de aanwijzing al dan niet voor bepaalde tijd worden ingetrokken.
-5. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de eisen waaraan een loongarantieregeling als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

 

Art. 72 [70].  [MvT]
-1. De in artikel 71 [69] bedoelde bijdrage bedraagt een door Onze Minister te bepalen deel van de door hem aan te wijzen kosten welke voor de op grond van dat artikel aangewezen werkgevers voortvloeien uit hun verplichting tot onverminderde doorbetaling van loon over de uren waarin tengevolge van onvoldoende werkaanbod niet kan worden gewerkt. De vaststelling van het in de eerste volzin bedoelde deel en de aanwijzing van de daar bedoelde kosten geschieden voor elke aangewezen werkgever afzonderlijk.
-2. De bijdrage wordt per kalenderjaar vastgesteld. Op de bijdrage kunnen voorschotten worden betaald.

 

Art. 73 [71].  [MvT]
-1. Onze Minister is bevoegd regels te stellen:
a. waarbij verplichtingen van administratieve aard worden opgelegd aan de aangewezen werkgevers;
b. betreffende de wijze van verlening van de bijdrage en de betaling van voorschotten daarop door het Algemeen Werkloosheidsfonds; en
c. betreffende de verslaggeving door het Algemeen Werkloosheidsfonds omtrent de uitgaven welke op grond van dit hoofdstuk worden gedaan.
-2. Het Algemeen Werkloosheidsfonds is bevoegd, indien een aangewezen werkgever enige op grond van het eerste lid, onderdeel a, opgelegde verplichting niet nakomt, de betaling van de bijdrage of een voorschot daarop op te schorten of te schorsen, totdat aan deze verplichting is voldaan.

 

 

HOOFDSTUK  VI

De voorzieningen

 

Art. 74 [72]. Gereserveerd.  [MvT]

 

Art. 75 [73]. Gereserveerd.  [MvT]

 

Art. 76 [74]. Gereserveerd.  [MvT]

 

Art. 77 [76]. Gereserveerd.  [MvT]

 

Art. 78 [75].  [MvT]
Onze Minister is bevoegd regels te stellen op grond waarvan, in bij die regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen beperkingen, de werknemer bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.

 

Art. 79 [77].  [MvT]
-1. De werknemer die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht daarvan mededeling te doen aan de bedrijfsvereniging.
-2. De werknemer heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van de bedrijfsvereniging nodig.
-3. Onze Minister is bevoegd met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels te stellen.

 

Art. 80 [78].  [MvT]
De werknemer ten aanzien van wie artikel 78 [75] of 79 [77] wordt toegepast, wordt geacht werkloos te zijn en te blijven zolang die toepassing duurt.

 

 

HOOFDSTUK  VII

Financiering

 

Art. 81 [79].  [MvT]
-1. De middelen tot dekking van de uitgaven van de wachtgeldfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds, alsmede de middelen voor het vormen en in stand houden van een reserve voor bedoelde fondsen, worden gevonden door het heffen van premie.
-2. In afwijking van het eerste lid worden de uitgaven, bedoeld in artikel 99 [97], gefinancierd met bijdragen van het Rijk.

 

Art. 82 [80].  [MvT]
De premie wordt onderscheiden in een deel dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds van de bedrijfsvereniging en een deel dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

 

Art. 83 [81].  [MvT]
-1. De premie is verschuldigd door de werkgever en de werknemer.
-2. Het deel van de premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds van de bedrijfsvereniging is voor de helft door de werkgever en voor de helft door de werknemer verschuldigd.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welk deel van de premie dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds door de werkgever en welk deel door de werknemer is verschuldigd.

 

Art. 84 [82].  [MvT]
In afwijking van artikel 83 [81] is de premie geheel door de werkgever verschuldigd ten aanzien van de werknemer wiens loon geheel bestaat in verstrekkingen in natura, huisvesting en onderricht.

 

Art. 85 [83].  [MvT]
-1. De werkgever is gehouden zowel de door de werknemer als de door hemzelf verschuldigde premie aan de bedrijfsvereniging te betalen. De werkgever mag op het loon van de werknemer inhouden het door deze verschuldigde deel van de premie over de tijd waarover dat loon wordt betaald.
-2. Indien de verschuldigde premie na de loonbetaling met terugwerkende kracht wordt verhoogd of indien een voorschotpremie wordt gevorderd, mag bij de definitieve vaststelling van de kosten niets van een eventueel door de werkgever bij te betalen of bijbetaald bedrag op de werknemer worden verhaald.

 

Art. 86 [84].  [MvT]
-1. De maatstaf voor de heffing van de premies is het loon over het tijdvak waarover dat loon wordt betaald.
-2. In afwijking van het eerste lid is geen premie verschuldigd over het loon uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e.

 

Art. 87 [85].  [MvT]
-1. Het deel van de premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels door de desbetreffende bedrijfsvereniging bepaald op een percentage van het loon van de werknemer.
-2. Op gelijke wijze als in het eerste lid bepaald, kan een vastgesteld percentage te allen tijde worden herzien.

 

Art. 88 [86].  [MvT]
-1. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds stelt het deel van de premie dat ten gunste komt van dat fonds vast op een percentage van het loon van de werknemer, met dien verstande dat dit percentage voor alle takken van het bedrijf en beroep hetzelfde is.
-2. Op dezelfde wijze als in het eerste lid bepaald, kan een vastgesteld percentage te allen tijde worden herzien.
-3. Indien een herziening van het in het eerste lid bedoelde premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan met ingang van 1 januari, gaat de bedrijfsvereniging bij de vaststelling en de inning van de premie uit van een door de Sociale Verzekeringsraad voor alle takken van bedrijf en beroep vast te stellen gemiddeld percentage dat zal gelden voor het gehele kalenderjaar.
-4. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd regels te stellen volgens welke de bedrijfsvereniging bevoegd is in de bij die regels aan te wijzen gevallen uit te gaan van het percentage, bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 89 [87]. Gereserveerd.  [MvT]

 

Art. 90 [88]. Gereserveerd.  [MvT]

 

Art. 91 [89].  [MvT]
Ten gunste van een wachtgeldfonds komen:
a. de premies op grond van artikel 87 [85];
b. de bedragen die de bedrijfsvereniging ontvangt door de uitoefening van haar bevoegdheid op grond van artikel 36 [36], voor zover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
c. de bedragen die de bedrijfsvereniging ontvangt door de uitoefening van haar bevoegdheid op grond van artikel 68 [66], met uitzondering van de bedragen die de bedrijfsvereniging ontvangt ter zake van een werknemer als bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e;
d. de bijdragen uit het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel 96 [94].

 

Art. 92 [90].  [MvT]
-1. Ten laste van een wachtgeldfonds komen:
a. de op grond van deze wet over de eerste 40 dagen na het ontstaan van de werkloosheid te betalen uitkering aan de werknemer die in de in artikel 16 [16], eerste en tweede lid, bedoelde periode in ten minste 26 weken bij dezelfde bedrijfsvereniging verzekerd is geweest;
b. de op grond van hoofdstuk IV te betalen uitkeringen aan een werknemer; en
c. de kosten van beheer en administratie door de bedrijfsvereniging gemaakt, voor zover deze betrekking hebben op de in onderdeel a en b bedoelde uitkeringen.
-2. Het eerste lid, onderdeel a en b, is niet van toepassing op de uitkering betaald aan de werknemer, bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e.
-3. De bedrijfsvereniging is bevoegd in bijzondere gevallen voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, een verzekering bij een andere bedrijfsvereniging gelijk te stellen met een verzekering bij de eigen bedrijfsvereniging.
-4. Artikel 21 [21] is met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode van 40 dagen van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 93 [91].  [MvT]
-1. Met het oog op de bestrijding van de uitgaven van het wachtgeldfonds in jaren waarin de gewone middelen daartoe ontoereikend zijn, vormt de bedrijfsvereniging een reserve waarvoor over elk boekjaar ten minste 20% van het gezamenlijk bedrag van de aan het fonds ten gunste komende premies over dat boekjaar wordt afgezonderd, met dien verstande evenwel dat:
a. tengevolge van bedoelde afzondering de reserve niet behoeft te stijgen boven tweemaal het gezamenlijk bedrag van de aan het fonds ten gunste komende premies over dat boekjaar;
b. de Sociale Verzekeringsraad bevoegd is over een bepaald boekjaar geheel of ten dele ontheffing te verlenen van de verplichting tot reservering.
-2. De bedrijfsvereniging bezigt de op grond van het eerste lid gereserveerde gelden niet tot bestrijding van uitgaven van het fonds dan met toestemming van de Sociale Verzekeringsraad.
-3. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de belegging van de gelden van het wachtgeldfonds.

 

Art. 94 [92].  [MvT]
Ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de premies op grond van artikel 88 [86];
b. de bedragen die de bedrijfsvereniging ontvangt door de uitoefening van haar bevoegdheid op grond van artikel 36 [36], voor zover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
c. de bijdragen van het Rijk, bedoeld in artikel 99 [97];
d. de bedragen die de bedrijfsvereniging ontvangt door de uitoefening van haar bevoegdheid op grond van artikel 68
[66] ter zake van een werknemer als bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e.

 

Art. 95 [93].  [MvT]
Ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de op grond van deze wet te betalen uitkeringen, met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in de artikelen 91 [89] en 98 [96], eerste lid;
b. de op grond van hoofdstuk IV te betalen uitkering aan een werknemer als bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e;
c. de kosten van beheer en administratie door de bedrijfsvereniging gemaakt, voor zover deze betrekking hebben op de in onderdeel a en b bedoelde uitkeringen, behoudens de bevoegdheid van het bestuur van dit fonds om met betrekking tot de mate waarin de door de bedrijfsverenigingen gemaakte kosten ten laste van het fonds kunnen worden gebracht beperkende bepalingen te stellen; en
d. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a, door de bedrijfsvereniging verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht.

 

Art. 96 [94].  [MvT]
-1. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is bevoegd uit dat fonds over een bepaald boekjaar een bijdrage toe te kennen ten behoeve van wachtgeldfondsen die in dat boekjaar aan een buitengewoon werkloosheidsrisico onderhevig zijn en waaruit in verband daarmee over dat boekjaar buitengewone uitgaven moeten worden gedaan. Aan een zodanige toekenning kunnen voorschriften worden verbonden.
-2. Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot het toekennen van een bijdrage als bedoeld in het eerste lid door het Algemeen Werkloosheidsfonds.

 

Art. 97 [95].  [MvT]
-1. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is verplicht aan het Rijk de bijdragen te vergoeden die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland afkomstige werknemers die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land van herkomst en tot het tijdstip van terugkeer uitkering op grond van deze wet ontvangen.
-2. De in het eerste lid bedoelde bijdragen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die vanwege het Rijk worden verleend aan de in het eerste lid bedoelde werknemers, doch ten hoogste gelijk aan de bedragen die zij aan uitkering op grond van deze wet zouden hebben kunnen ontvangen als zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van herkomst waren teruggekeerd.
-3. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen, bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 98 [96].  [MvT]
-1. De middelen voor het vormen en in stand houden van een reserve van het Algemeen Werkloosheidsfonds worden gevonden uit de aan het fonds ten gunste komende premies. Onze Minister is bevoegd regels te stellen met betrekking tot de vorming en instandhouding van een reserve door het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
-2. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds bezigt de op grond van het eerste lid gereserveerde gelden niet tot bestrijding van uitgaven van het fonds dan met toestemming van Onze Minister.
-3. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de belegging van de gelden van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

 

Art. 99 [97].  [MvT]
-1. Het Rijk vergoedt aan het Algemeen Werkloosheidsfonds de op grond van deze wet te betalen uitkeringen en de daaraan verbonden kosten van beheer en administratie en de op grond van enige wet over de uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht ter zake van de persoon:
a. die werknemer in de zin van deze wet is op grond van een beëindigde dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e;
b. wiens werkloosheid intreedt binnen twee maanden na de dag waarop zijn dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e, is geëindigd.
-2. Het Rijk vergoedt aan het Algemeen Werkloosheidsfonds de op grond van hoofdstuk IV betaalde uitkeringen en de kosten van beheer en administratie door de bedrijfsvereniging gemaakt, onder aftrek van de in artikel 94 [92], onderdeel c, genoemde bedragen die de bedrijfsvereniging ontvangt ter zake van een werknemer als bedoeld in artikel 4 [4], eerste lid, onderdeel e.

 

 

HOOFDSTUK  VIII

De uitvoeringsorganen

 

Art. 100 [98].  [MvT]
In de uitvoering van de in deze wet geregelde verzekering wordt voorzien door bedrijfsverenigingen en door een Algemeen Werkloosheidsfonds.

 

Art. 101 [99].  [MvT]
-1. De werknemer is verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij zijn werkgever is aangesloten.
-2. Indien de werkgever bij meer dan één bedrijfsvereniging is aangesloten, is de werknemer verzekerd bij de bedrijfsvereniging welke haar werking uitstrekt over het onderdeel van het bedrijfs- of beroepsleven waartoe zijn werkzaamheden uitsluitend of in hoofdzaak behoren.
-3. De werknemer die uitkering op grond van deze wet ontvangt, is verzekerd bij de bedrijfsvereniging die het recht op deze uitkering heeft vastgesteld.

 

Art. 102 [100].  [MvT]
-1. Onverminderd artikel 101 [99] is de werknemer:
a. wiens recht op uitkering op grond van artikel 21 [21] is herleefd, verzekerd bij de bedrijfsvereniging die het recht op uitkering heeft vastgesteld;
b. wiens recht op uitkering waarvan de duur wordt bepaald door artikel 42 [42], eerste en tweede lid, door het verrichten van arbeid als werknemer is geëindigd en voor wie een nieuw recht op uitkering is ontstaan, zonder dat aan de in de aanhef van artikel 42 [42], tweede lid, genoemde voorwaarde is voldaan, verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij hij ter zake van het nieuwe recht verzekerd is.
-2. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd regels te stellen waarbij in geval van:
a. onderbreking van werkloosheid door korte perioden van werken; of
b. samenloop van uitkering op grond van deze wet en uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
een bedrijfsvereniging wordt aangewezen waarbij een werknemer is verzekerd, zo nodig in afwijking van artikel 101 [99] en het eerste lid.

 

Art. 103 [101].  [MvT]
-1. Elke bedrijfsvereniging stelt na verkregen overeenstemming met het Algemeen Werkloosheidsfonds een uitkeringsreglement werkloosheidsverzekering vast.
-2. Onverminderd het elders in deze wet dienaangaande bepaalde bevat het uitkeringsreglement bepalingen omtrent:
a. voorschriften ten behoeve van een doelmatige controle die ten aanzien van de werknemers moeten worden genomen;
b. andere voorwaarden die aan het ontvangen van uitkering zijn verbonden;
c. de bevoegdheid van de bedrijfsvereniging om de betaling van uitkering van bepaalde groepen van werknemers over bepaalde tijdvakken in bepaalde gemeenten te schorsen;
d. het betalen van een deel van de uitkering in de vorm van bijdragen aan sociale fondsen, waaronder begrepen bonnen, zegels en certificaten die door het desbetreffende fonds worden uitgegeven of voorgeschreven; en
e. samenloop van uitkering en inkomsten uit of in verband met arbeid.
-3. Het uitkeringsreglement mag geen bepalingen bevatten welke strijdig zijn met deze wet en de daarop berustende bepalingen, met de statuten van de bedrijfsvereniging of van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

 

Art. 104 [102].  [MvT]
De bedrijfsverenigingen beheren en administreren de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 91 [89], en de uitgaven, bedoeld in artikel 92 [90], eerste lid, afzonderlijk in de vorm van een wachtgeldfonds.

 

Art. 105 [103].  [MvT]
-1. Er bestaat een Algemeen Werkloosheidsfonds dat de hoedanigheid van rechtspersoon bezit. Het heeft zijn zetel ter plaatse door Onze Minister te bepalen.
-2. De statuten van dit fonds worden door Onze Minister vastgesteld en gewijzigd.
-3. Het bestuur van het fonds bestaat uit een door Onze Minister te bepalen aantal leden en een gelijk aantal plaatsvervangende leden.
-4. Onze Minister benoemt telkens voor drie jaren een derde gedeelte van de leden en van de plaatsvervangende leden, onder wie een lid-voorzitter.
-5. Een derde gedeelte van de leden en van de plaatsvervangende leden wordt aangewezen door de organisaties van werkgevers, bedoeld in artikel 35, zesde lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekering, en een ander derde gedeelte door de organisaties van werknemers, bedoeld in artikel 35, zesde lid, van genoemde wet. Onze Minister bepaalt het aantal leden en plaatsvervangende leden dat door elke organisatie wordt aangewezen.
-6. Aan de voorzitter, de overige leden en de plaatsvervangende leden kan een schadeloosstelling, benevens een vergoeding voor reis- en verblijfkosten worden toegekend. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is bevoegd met betrekking tot de eerste volzin nadere regels te stellen.
-7. De voorzitter vertegenwoordigt het fonds in en buiten rechte.
-8. Door Onze Minister aan te wijzen personen zijn bevoegd de vergaderingen van het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds bij te wonen. Zij hebben in deze vergaderingen een raadgevende stem.
-9. Aan Onze Minister wordt tijdig kennis gegeven van de in het achtste lid bedoelde vergaderingen.

 

Art. 106 [104].  [MvT]
Met de dagelijkse leiding van de werkzaamheden van het Algemeen Werkloosheidsfonds is belast de algemeen secretaris van de Sociale Verzekeringsraad, die tevens als secretaris van het bestuur van het fonds optreedt. Het personeel van de Sociale Verzekeringsraad verleent het fonds administratieve ondersteuning.

 

Art. 107 [105].  [MvT]
-1. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds brengt, volgens bij de statuten van het fonds te stellen regels en behoudens daarbij te bepalen uitzonderingen, de besluiten welke het neemt onverwijld ter kennis van Onze Minister en van de Sociale Verzekeringsraad.
-2. De besluiten van het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds kunnen, voor zover zij met de wet of het algemeen belang strijden, bij koninklijk besluit worden geschorst of vernietigd. De artikelen 28, tweede en derde lid, 29, 30, 31 ,32, 33 en 34 van de Organisatiewet Sociale Verzekering zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 108 [106].  [MvT]
-1. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds beheert en administreert de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 94 [92], en de uitgaven, bedoeld in artikel 95 [93].
-2. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is verantwoordelijk en rekenplichtig aan de Sociale Verzekeringsraad.

 

Art. 109 [107].  [MvT]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zoveel nodig in afwijking van deze wet, voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds zijn uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in het geval de aanwijzing van leden en plaatsvervangende leden van het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel 105 [103], vijfde lid, achterwege blijft.

 

Art. 110 [108].  [MvT]
-1. Het boekjaar van het Algemeen Werkloosheidsfonds loopt van 1 januari tot en met 31 december.
-2. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is verplicht binnen één jaar na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand van het fonds en van zijn werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen te stellen, welk verslag met de rekening over dat boekjaar aan Onze Minister en de Sociale Verzekeringsraad wordt toegezonden.
-3. Onze Minister is bevoegd voorschriften te geven omtrent de inrichting van het in het tweede lid bedoelde verslag en de daarin te verwerken statistische gegevens.

 

Art. 111 [109].  [MvT]
Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is bevoegd aan de bedrijfsverenigingen aanwijzingen van algemene aard te geven die zij in acht moeten nemen bij het beoordelen van aanvragen om uitkeringen die ten laste komen van dat fonds.

 

Art. 112 [110].  [MvT]
-1. Het Algemeen Werkloosheidsfonds is bevoegd te doen nagaan:
a. of besluiten van de bedrijfsvereniging met betrekking tot de vaststelling van het recht op uitkering die ten laste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds in overeenstemming zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen;
b. of bedragen welke de bedrijfsverenigingen aan het Algemeen Werkloosheidsfonds in rekening brengen wegens voor dit fonds gedane uitgaven, alsmede bedragen die de bedrijfsverenigingen aan het Algemeen Werkloosheidsfonds ten goede doen komen wegens voor dit fonds geïnde premies, op de juiste wijze zijn vastgesteld.
-2. Indien het beleid van een bedrijfsvereniging met betrekking tot:
a. de heffing en invordering van het in artikel 88 [86] bedoelde deel van de premie;
b. het verlenen van uitkeringen die ten laste komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds;
c. het beheer en de administratie met betrekking tot de uitkeringen die ten laste komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds;
in strijd is met de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen of om andere redenen niet aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen voldoet, kan het Algemeen Werkloosheidsfonds aan de bedrijfsvereniging meedelen dat de bedragen die aan dat fonds ten goede zijn dan wel zouden zijn gekomen of aan dat fonds in rekening zijn dan wel zouden worden gebracht, op daarbij aan te geven wijze worden herzien.
-3. De bedragen die als gevolg van een mededeling op grond van het tweede lid of een beslissing als bedoeld in artikel 124 [122] aan het Algemeen Werkloosheidsfonds ten goede behoren te komen of niet aan dat fonds in rekening kunnen worden gebracht, komen ten laste van het wachtgeldfonds van de bedrijfsvereniging.

 

 

HOOFDSTUK  IX

Bepalingen van procedurele aard

 

Art. 113 [111].  [MvT]
Tussen Onze Minister en Onze Minister van Financiën dient overeenstemming te bestaan omtrent:
a. te stellen regels als bedoeld in artikel 4 [4], derde lid;
b. te stellen regels als bedoeld in artikel 12 [12], tweede lid.

 

Art. 114 [112].  [MvT]
Alvorens regels te stellen als bedoeld in artikel 97 [95], derde lid, wordt door Onze Minister overleg gepleegd met de minister wie dat mede aangaat.

 

Art. 115 [113].  [MvT]
Onze Minister hoort de Sociale Verzekeringsraad alvorens hij regels stelt op grond van de artikelen 34 [34], zevende lid, 72 [70], eerste lid, 73 [71], eerste lid, 93 [91], derde lid, 96 [94], tweede lid, en 98 [96], eerste en derde lid.

 

Art. 116 [114].  [MvT]
Onze Minister hoort de Sociaal-Economische Raad alvorens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 83 [81], derde lid, wordt vastgesteld.

 

Art. 117 [115].  [MvT]
-1. De Sociale Verzekeringsraad hoort alvorens regels te stellen op grond van artikel 45 [45], tweede en derde lid, het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds en de bedrijfsverenigingen.
-2. De Sociale Verzekeringsraad hoort het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds alvorens toestemming wordt verleend de gereserveerde gelden, bedoeld in artikel 93 [91], eerste lid, aan te wenden tot bestrijding van de uitgaven van de wachtgeldfondsen.

 

Art. 118 [116].  [MvT]
-1. De door de Sociale Verzekeringsraad gestelde regels op grond van artikel 45 [45], tweede en derde lid, en artikel 61 [59] behoeven de goedkeuring van Onze Minister, alvorens zij in werking kunnen treden.
-2. Een door de Sociale Verzekeringsraad vastgesteld besluit inzake een gemiddeld premiepercentage voor alle takken van bedrijf en beroep als bedoeld in artikel 88 [86], derde lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister alvorens het in werking kan treden.

 

Art. 119 [117].  [MvT]
Indien Onze Minister zijn goedkeuring, bedoeld in artikel 118 [116], eerste lid, onthoudt of zijn goedkeuring intrekt, kunnen de in dat lid genoemde regels door Onze Minister worden vastgesteld.

 

Art. 120 [118].  [MvT]
-1. De Sociale Verzekeringsraad pleegt ter zake van de door Onze Minister te stellen regels op grond van artikel 72 [70], eerste lid, en artikel 73 [71], eerste lid overleg met het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
-2. De Sociale Verzekeringsraad pleegt overleg met het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds voordat over een bepaald boekjaar de Raad geheel of ten dele ontheffing verleent van de verplichting tot reservering, bedoeld in artikel 93 [91], eerste lid.

 

Art. 121 [119].  [MvT]
-1. De bedrijfsvereniging behoeft de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad alvorens een uitkeringsreglement werkloosheidsverzekering of een wijziging daarvan in werking treedt.
-2. De bedrijfsvereniging behoeft voor het stellen van regels op grond van de artikel 45 [45], vierde lid, de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad.
-3. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds behoeft voor het stellen van regels als bedoeld in artikel 105 [103], zesde lid, de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad alvorens zij in werking kunnen treden.

 

Art. 122 [120].  [MvT]
De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd de goedkeuring, bedoeld in artikel 121 [119], tweede lid, in te trekken indien de in artikel 45 [45], tweede tot en met vierde lid, bedoelde regels wijziging ondergaan.

 

Art. 123 [121].  [MvT]
-1. Een bedrijfsvereniging geeft onverwijld kennis aan de Sociale Verzekeringsraad en aan het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds van elke vaststelling van een percentage als bedoeld in artikel 87 [85], eerste lid.
-2. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds kan binnen één maand na ontvangst van een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid aan de bedrijfsvereniging meedelen dat het zich met het vastgestelde percentage niet kan verenigen. Bedoelde mededeling vindt echter niet plaats dan nadat met de bedrijfsvereniging overleg is gepleegd.
-3. De bedrijfsvereniging stelt binnen drie weken na ontvangst van een mededeling als bedoeld in het tweede lid het percentage opnieuw vast in overeenstemming met het gevoelen van het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds. Indien tussen de bedrijfsvereniging en het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds geen overeenstemming wordt bereikt, beslist het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

 

Art. 124 [122].  [MvT]
Indien een bedrijfsvereniging zich met een herziening als bedoeld in artikel 112 [110], tweede lid, niet kan verenigen, kan zij zich binnen één maand na ontvangst van de mededeling van het Algemeen Werkloosheidsfonds wenden tot de Sociale Verzekeringsraad, die in het geschil een beslissing neemt.

 

Art. 125 [123].  [MvT]
Regels van een bedrijfsvereniging als bedoeld in de artikelen 45 [45], vierde lid, en 121 [119], tweede lid, die afwijken van de op grond van artikel 119 [117] door Onze Minister vastgestelde regels of van de door Onze Minister aangewezen bepalingen van de in artikel 45 [45], tweede en derde lid, bedoelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

 

Art. 126 [124].  [MvT]
-1. Het door het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds vastgestelde besluit met betrekking tot het premiepercentage, bedoeld in artikel 88 [86], behoeft de goedkeuring van Onze Minister alvorens het in werking kan treden. Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt aan het door het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds vastgestelde percentage, stelt hij het percentage vast.
-2. Alvorens Onze Minister het in het eerste lid bedoelde premiepercentage goedkeurt, onderscheidenlijk daaraan zijn goedkeuring onthoudt, hoort hij de Sociale Verzekeringsraad.
-3. Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds doet mededeling aan de Sociale Verzekeringsraad van een aanwijzing als bedoeld in artikel 111 [109].
-4. Wanneer een bedrijfsvereniging van oordeel is dat een aanwijzing als bedoeld in artikel 111 [109] bezwaarlijk kan worden opgevolgd, geeft zij daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
-5. Indien het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds de aanwijzing geheel of ten dele handhaaft, kan de bedrijfsvereniging zich wenden tot de Sociale Verzekeringsraad, die in het geschil een beslissing neemt.

 

Art. 127 [125].  [MvT]
-1. Ministeriële regelingen, door de Sociale Verzekeringsraad, door het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds en door de bedrijfsvereniging gestelde regels op grond van deze wet worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
-2. In de Nederlandse Staatscourant worden bekendgemaakt:
a. het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 [7];
b. het ontwerp van de regels van Onze Minister, bedoeld in artikel 119 [117];
c. het ontwerp van een besluit van Onze Minister tot het onthouden of intrekken van de in de artikelen 125 ² [123] bedoelde goedkeuring.

1. Volgens de redactie dient "de artikelen 125" te worden vervangen door: artikel 125.

 

Art. 128 [126].  [MvT]
-1. Een voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 [7] wordt niet gedaan dan nadat twee maanden na de in artikel 127 [125], tweede lid, onderdeel a, bedoelde bekendmaking is verstreken.
-2. De vaststelling van de regels, bedoeld in artikel 119 [117] en het besluit, bedoeld in artikel 127 [125], tweede lid, onderdeel b, geschiedt niet eerder dan twee maanden na de in artikel 127 [125], tweede lid, bedoelde bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant.

 

Art. 129 [127].  [MvT]
Aan de belanghebbende wordt schriftelijk mededeling gedaan van:
a. besluiten van Onze Minister tot aanwijzing als bedoeld in artikel 71 [69];
b. een besluit van Onze Minister krachtens artikel 72 [70], eerste lid;
c. een besluit van het Algemeen Werkloosheidsfonds als bedoeld in artikel 71 [69].

 

 

HOOFDSTUK  X

Het beroep

 

Art. 130 [128].  [MvT]
-1. Aan de belanghebbende wordt desgevraagd schriftelijk kennis gegeven van een beslissing op grond van deze wet die:
a. verband houdt met het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van uitkering;
b. verband houdt met het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering, bedoeld in hoofdstuk IV;
c. verband houdt met het deelnemen aan een voorziening als bedoeld in hoofdstuk VI;
d. betrekking heeft op verschuldigde premie.
-2. Aan de belanghebbende wordt schriftelijk kennis gegeven van een beslissing op grond van deze wet, die betrekking heeft op de hoofdelijke aansprakelijkstelling voor de premie, bedoeld in artikel 16a en artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
-3. Een kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid is gedagtekend, vermeldt de gronden waarop de beslissing berust, alsmede naam en adres van het college waarbij op grond van artikel 131 [129] beroep kan worden ingesteld en de termijn van beroep.

 

Art. 131 [129].  [MvT]
-1. Tegen een beslissing waarvan op grond van artikel 130 [128] schriftelijk kennis wordt gegeven, staat voor belanghebbende beroep open.
-2. Over dit beroep wordt geoordeeld door de raden van beroep en de Centrale Raad van Beroep, bedoeld in de Beroepswet (Stb. 1955, 47).

 

Art. 132 [130].  [MvT]
Tegen een besluit van het Algemeen Werkloosheidsfonds waarbij de hoogte wordt vastgesteld van een bijdrage als bedoeld in artikel 71 [69], kan de werkgever binnen één maand nadat dit besluit schriftelijk aan hem is toegezonden in beroep komen bij Onze Minister.

 

 

HOOFDSTUK  XI

Straf- en slotbepalingen

 

Art. 133 [131].  [MvT]
-1. De werkgever die zijn verplichting als bedoeld in artikel 13 [13] niet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.
-2. Met gelijke straf wordt gestraft hij die door hem op grond van deze wet betaalde of verschuldigde premie inhoudt op het loon van, of op enige andere wijze verhaalt op, een werknemer of gewezen werknemer, zonder dat dit bij deze wet is toegestaan.
-3. Het maximum van de straf, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verdubbeld in geval van herhaling van de overtreding binnen twee jaren nadat veroordeling van de schuldige wegens een gelijk feit onherroepelijk is geworden.

 

Art. 134 [132].  [MvT]
Overtreding van bepalingen van een op grond van deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.

 

Art. 135 [133].  [MvT]
Hij die op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen, of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet, of opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

 

Art. 136 [134].  [MvT]
Hij die op andere wijze dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk een opgave in strijd met de waarheid doet, zulks met het oogmerk aldus een uitkering of een hogere uitkering op grond van deze wet te verkrijgen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

 

Art. 137 [135].  [MvT]
De in de artikelen 133 [131] en 134 [132] omschreven strafbare feiten zijn overtredingen. De in de artikelen 135 [133] en 136 [134] omschreven strafbare feiten zijn misdrijven.

 

Art. 138 [136].  [MvT]
Deze wet treedt in werking op een bij wet te bepalen tijdstip.

 

Art. 139 [137].
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Werkloosheidswet".

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | MvT | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x