St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WERKLOOSHEIDSWET

 

  
 

VOORSTEL VAN WET

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1985-1986, 19 261

Verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheidswet)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
1.1 Het pakket van maatregelen stelselherziening
1.2 Stelselherziening als proces
1.3 Opbouw van de memorie van toelichting
2 Adviezen en standpuntbepaling
2.1 Algemeen
2.2 Stelselherziening en ombuigingen
2.3 Systeemkeuze
2.4 Uitkeringsduur
2.5 Gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sfeer van de werkloosheidsverzekering
3 De hoofdlijnen van het wetsvoorstel
3.1 Inleiding
3.2 De systematiek van de wet
3.3 De personenkring
3.4 De voorwaarden voor het recht op uitkering
3.5 Het geldend maken van het recht op uitkering
3.6 De betaling van de uitkering
3.7 Bijzondere bepalingen met betrekking tot de loondervingsuitkering
3.8 De vervolguitkering en doorwerking van de keuze ten aanzien van het niveau
3.9 De vrijwillige verzekering van uitkeringen bij werkloosheid
3.10 Overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij betalingsonmacht van de werkgever
3.11 De toekenning van bijdragen aan havenbedrijven
3.12 De voorzieningen in de Werkloosheidswet
3.13 De uitvoering van de werkloosheidswet
4 Deregulering, misbruik en oneigenlijk gebruik
4.1 Inleiding
4.2 Vereenvoudigingen in de Werkloosheidswet
4.3 De Toeslagenwet
4.4 De gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden
4.5 Toedeling van bevoegdheden
4.6 Werkdruk van het bestuurlijk en justitieel apparaat
4.7 Overige dereguleringsaspecten
4.8 Misbruik en oneigenlijk gebruik
5 Financiële effecten stelselherziening
5.1 Inleiding
5.2 Huidige situatie werknemersregelingen
5.3 Structurele mutaties in de bruto-uitkeringslasten
5.4 Een nieuwe financieringsstructuur: structurele situatie
5.5 Mutaties in de uitgavensfeer in 1986
5.6 Een nieuwe financieringsstructuur: de situatie in 1986
5.7 Structurele inkomenseffecten
5.8 Inkomenseffecten in 1986
5.9 Financiële gevolgen van de verschuivingen in de uitvoering
xArtikelsgewijs
xxxx Artikelen 1 t/m 138
 

 

rblz.|3| 

Algemeen

 

1. Inleiding


1.1. Het pakket van maatregelen stelselherziening


     Dit voorstel van wet is onderdeel van een meer omvattend pakket van maatregelen in het kader van de herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Het betreft een nieuwe regeling van de verzekering van werknemers tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid, die in de plaats moet komen van de huidige Werkloosheidswet (WW) en de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV).
     De andere onderdelen van het pakket maatregelen stelselherziening zijn:
- een voorstel tot invoering van een Toeslagenwet ter vervanging van de huidige minimumdagloonregelen van de WW, de WWV, de Ziektewet (ZW) en de toeslagenregeling van artikel 10 van Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW);
- een voorstel tot invoering van een Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers (Iow) [tijdens de parlementaire behandeling is de citeertitel vervangen door: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), red.]], ertoe strekkende dat onder bepaalde voorwaarden degene die werkloos wordt na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar, niet na zekere tijd wordt geconfronteerd met de aan bijstandverlening inherente vermogenstoets als onderdeel van de middelentoets;
- een voorstel tot wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de AAW strekkende tot eliminering van de werkloosheidscomponent uit de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen;
- een voorstel tot wijziging van de Algemene Bijstandswet (ABW) strekkende tot formalisering van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de gelijkstelling van niet-gehuwde personen met gehuwden;
- een voorstel tot wijziging van de AOW [Algemene Ouderdomswet, red.] met betrekking tot de gelijkstelling van niet-gehuwde personen met gehuwden.
- een voorstel van wet houdende het overgangsrecht behorende bij de hiervoor genoemde voorstellen en voorts strekkende tot technische aanpassing van de wetgeving aan die voorstellen (Invoeringswet stelselherziening [lees: Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS), red.]). Wij streven ernaar dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk na ontvangst van het advies van de Raad van State in te dienen. In deze toelichting wordt wel reeds op onderdelen aandacht besteed aan de hoofdlijnen van het voorgestelde overgangs- en invoeringsrecht.
     De inhoud van het voorgestelde pakket van maatregelen laat zich in het kort omschrijven als volgt.


1.1.1. Werkloosheidsuitkeringen

     De nieuwe Werkloosheidswet, die in de plaats komt van de huidige WW en WWV, voorziet in aan het laatst verdiende loon gerelateerde uitkeringen gedurende een zekere tijd en vervolgens in individuele uitkeringen op sociaalminimumniveau gedurende één jaar (tussenfase). De duur van de loongerelateerde uitkering hangt af van de leeftijd van de werkloze, en is als volgt:
tot 23: 0,5 jaar;
23-29: 1 jaar;
30-34: 1,5 jaar;
35-39: 2 jaar;
40-44: 2,5 jaar;
45-49: 3 jaar;
50-54: 3,5 jaar;
55-59: 4 jaar;
60 of ouder [lees: 60-64, red.]: 5 jaar.
    
Om voor een uitkering in aanmerking te komen, moet men werknemer zijn geweest, in het jaar voorafgaande aan de werkloosheid ten minste in 26 weken in dienstbetrekking hebben gewerkt (referte-eis) en werkloos zijn. Voldoet men aan deze eis, dan heeft men recht op een halfjaar uitkering. rblz.|4| Voor de referte-eis geldt niet langer een ondergrens in dagen (nu: 65), zodat niet langer bepaalde deeltijdwerkers de facto van het recht op uitkering zijn uitgesloten.
     Voor een loondervingsuitkering bij werkloosheid van langer dan een halfjaar en de daarop aansluitende tussenfase komt men pas in aanmerking indien ook is voldaan aan de aanvullende voorwaarde dat gedurende de laatste vijf jaar vóór het intreden van de werkloosheid ten minste drie jaar lang een dienstbetrekking van niet-bijkomstige aard (ten minste acht uur per week) heeft bestaan (arbeidsverledeneis).
     Bij de bepaling van die drie jaar worden perioden gedurende welke in de laatste vijf jaar geen dienstbetrekking aanwezig is geweest wegens de verzorging van kleine kinderen (tot 12 jaar) voor de helft meegeteld.
     Aldus wordt voor de langdurige uitkeringsrechten per 1 mei 1986 voorzien in een mengvorm van arbeidsverleden en leeftijdsafhankelijke uitkeringsduur. Dit is een stap op weg van een - naar het oordeel van het kabinet wenselijke - gefaseerde overgang naar een systeem waarin de maximale duur van de uitkering geheel afhankelijk is van het arbeidsverleden. Wat betreft de termijn waarop dit gerealiseerd kan worden, wordt verwezen naar paragraaf 3.7.2.
     Voor het recht op uitkering geldt "werkloosheid" als criterium (het huidige WWV-criterium). Bij verwijtbare (niet-onvrijwillige) werkloosheid dient naar onze mening wel als uitgangspunt te gelden dat de uitkering geheel wordt geweigerd. Bij individuele verzachtende omstandigheden kan een uitkering worden gegeven tot ten hoogste het niveau van de individuele uitkering op sociaalminimumniveau zoals in de tussenfase.
     De loondervingsuitkering bij werkloosheid zal aanvankelijk 70% van het verdiende loon bedragen en vervolgens in gelijke halfjaarlijkse stappen worden verminderd tot 70% van het minimumloon, het niveau van de individuele uitkering in de tussenfase.
     Werknemers en werkgevers hebben de mogelijkheid aanvullende regelingen overeen te komen (bovenwettelijke uitkeringen).
     Zelfstandigen nemen geen deel aan deze verzekering. Ambtenaren zullen in beginsel wel gaan behoren tot de kring van verzekerden ingevolge de nieuwe Werkloosheidswet. Realisering van het betrekken van het overheidspersoneel bij de nieuwe Werkloosheidswet zal niet in 1986 plaatsvinden [zie Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW), red.]. Een beslissing over het daadwerkelijk betrekken van de ambtenaren bij de kring van verzekerden kan eerst worden genomen na open en reëel overleg met de centrales van overheidspersoneel en de belangenverenigingen van militairen.
     De nieuwe Werkloosheidswet zal regelen een verzekering tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid en aldus gebaseerd zijn op het verzekeringsprincipe. Er wordt zoveel mogelijk gestreefd naar equivalentie (evenwicht tussen premiebetaling en uitkeringsrecht) en, mede in verband daarmee, naar individuele uitkeringsrechten. Wat het laatste betreft: de wet zal geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen, kostwinners en niet-kostwinners en de uitkeringshoogte zal niet worden beïnvloed door eventueel aanwezig inkomen van de partner. In dit verband is voorts van belang dat in de Invoeringswet stelselherziening wordt voorgesteld uit de AAW te schrappen de regel dat bij samenloop van AAW-uitkeringen van echtelieden de uitkeringen tezamen niet meer kunnen bedragen dan het minimumloon. Thans is dit geregeld in artikel 12a
AAW.
     Mede in verband met het streven naar equivalentie zien wij per 1 mei 1986 af van invoering van een zogenaamde glijdende schaal, dat is een lager uitkeringspercentage naarmate het verdiende loon hoger was. Een dergelijk systeem maakt alleen dan geen inbreuk op de equivalentie als ook aan de premiekant een glijdende schaal wordt ingevoerd. Het kabinet is tot de conclusie gekomen dat de ingrijpende wijziging in de heffingssystematiek die daarvoor nodig zou zijn in geen geval per 1 mei 1986 kan worden gerealiseerd.
    
rblz.|5| De equivalentie in de nieuwe werkloosheidsverzekering wordt voorts bevorderd doordat daarin niet meer is opgenomen een zogenaamde minimumdagloonregeling, een regeling die voorkomt dat bij loonderving het inkomen daalt onder het relevante sociaal minimum. Ook in andere loondervingsregelingen komt thans een dergelijke regeling voor. Voorgesteld wordt die regelingen vanaf 1 mei 1986 te uniformeren en in een afzonderlijke wet, de Toeslagenwet, te regelen.
     De nieuwe Werkloosheidswet zal - zoals nu de WW - worden uitgevoerd door de bedrijfsverenigingen. Dat betekent niet dat diegene die op het moment van invoering van deze wet WWV-uitkering ontvangt van de gemeente zich vanaf dat moment zou moeten wenden tot de bedrijfsvereniging. Deze "oude gevallen" blijven in beginsel bij de gemeente in uitkering. Op dit beginsel wordt een uitzondering voorgesteld ten aanzien van werklozen die 58 jaar of ouder zijn en die om deze reden tot zij 65 worden recht hebben op een WWV-uitkering. Er komen vanaf 1 mei 1986 geen nieuwe gevallen meer bij de WWV, zodat die wet na enkele jaren geheel zal zijn uitgewerkt.
     Wat de uitkeringsduur en het uitkeringsniveau voor de oude gevallen betreft, is gekozen voor handhaving van de bestaande rechten. Dat wil zeggen dat als duur in beginsel zal gelden de duur die thans op grond van de WW en de WWV tezamen geldt. De uitkering blijft gedurende die gehele uitkeringsduur gehandhaafd op 70% van het dagloon. De halfjaarlijkse vermindering van de loondervingsuitkering, tot 70% van het minimumloon, als voorgesteld in de nieuwe Werkloosheidswet, geldt dus niet voor deze oude gevallen.


1.1.2. De Iow

     Het kabinet heeft geconstateerd dat uit de maatschappelijke en politieke discussie over de stelselherziening algemeen de wenselijkheid naar voren is gekomen van een verbetering van de positie van oudere, langdurig werklozen. Met name het feit dat ook oudere werklozen na zekere tijd aangewezen raken op bijstand met de daaraan inherente, volledige middelentoets wordt als maatschappelijk onaanvaardbaar beschouwd (eigenhuisproblematiek). In verband hiermee wordt voorgesteld per 1 mei 1986 een Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers (Iow) in te voeren, die ertoe leidt dat werknemers die werkloos worden als zij 50 jaar of ouder zijn, niet meer zijn aangewezen op een bijstandsuitkering. Zelfstandigen nemen geen deel aan deze voorziening [zie Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), red.].
     Het gaat daarbij om een inkomensvoorziening op
sociaalminimumniveau die uit overheidsmiddelen wordt gefinancierd en die wordt uitgevoerd door de gemeenten. De uitkering zal worden getoetst aan het overig inkomen uit of in verband met arbeid van de uitkeringsgerechtigde en van zijn partner, doch niet op vermogen.
     Tussen deze verbetering van de positie van oudere werklozen en de aanvullende eis voor een langere uitkeringsduur ingevolge de werkloosheidsverzekering leggen wij zowel inhoudelijk als financieel verband. Inhoudelijk, doordat uitkering op grond van de Iow naar ons oordeel alleen moet worden toegekend aan personen die op het moment van werkloos worden in betekenende mate een arbeidsverleden hebben. Financieel in die zin dat naar ons oordeel, gelet op de beschikbare middelen, de voorgestelde positieverbetering voor ouderen slechts verantwoord is als deze gepaard gaat met een verscherping van de toetredingseisen.


1.1.3. Toeslagen

     Bij een uitkeringspercentage van 70 zal in de situatie van loonderving in een aantal gevallen een loondervingsuitkering worden verstrekt die op zichzelf slechts reikt tot het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande. rblz.|6| Zonder nadere voorziening zou degene die anderen financieel ten laste heeft, voor aanvulling van de loondervingsuitkering aangewezen zijn op bijstand met de daaraan verbonden middelentoets. Om dit te voorkomen, zal voor diegenen die anderen financieel ten laste hebben (een partner, kinderen) een speciale voorziening worden getroffen, te weten een Toeslagenwet. Wat partners betreft, blijft die noodzaak aanwezig totdat de betaalde arbeid meer gelijk over samenlevingspartners is verdeeld.
     De toeslagen vinden hun grondslag in de minimumbehoeftefunctie van de sociale zekerheid. Inherent daaraan is dat toeslagen slechts worden verleend aan diegenen die daaraan ook werkelijk behoefte hebben. Ander inkomen uit of in verband met arbeid van de uitkeringsgerechtigde en/of diens partner dient in beginsel geheel op de toeslag in mindering te worden gebracht. Om de bereiken dat de toeslagensystematiek een zekere positieve invloed zal hebben op de bereidheid weer door arbeid in het inkomen te voorzien, zal een beperkte vrijlating gelden. De toeslagenregeling en de bijstand worden op dit punt op elkaar afgestemd. Hetzelfde geldt ook voor de vraag wie als partners moeten worden beschouwd. Zowel in de toeslagenregeling als in de bijstand (en in de Iow) zal het gaan om gehuwden en om personen die op vergelijkbare wijze met elkaar samenleven.
     De toeslagenregeling komt in de plaats van de bestaande minimumdagloonregelen WW, WWV, ZW en van de toeslagregelingen in de AAW. Het gaat met andere woorden om toeslagen op werkloosheidsuitkeringen, ziekengeld en arbeidsongeschiktheidsuitkering. Om te voorkomen dat de uitkeringsgerechtigden die tevens recht hebben op een toeslag zich tot twee verschillende instanties zouden moeten wenden, wordt voorgesteld deze toeslagen ook door de bedrijfsverenigingen te laten verstrekken. De Toeslagenwet wordt uit de algemene middelen gefinancierd.


1.1.4. Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen

     Er wordt geen voorstel gedaan tot beperking van de duur van uitkeringen ter zake van medisch-arbeidskundige arbeidsongeschiktheid. Het uitkeringspercentage zal bij arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 70% blijven bedragen.
     Wel wordt voorgesteld de zogenaamde verdiscontering van werkloosheid in arbeidsongeschiktheidsuitkeringen af te schaffen. Dat betekent dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid geen rekening meer zal worden gehouden met de vraag of voor betrokkene passende arbeid ook feitelijk beschikbaar is. Alleen voor het medisch-arbeidskundig vast te stellen verlies aan verdiencapaciteit zal in de toekomst vanuit de arbeidsongeschiktheidswetten een uitkering worden verstrekt.
     Voor de naast de arbeidsongeschiktheid eventueel aanwezige werkloosheid kan betrokkene op gelijke voet als elke andere werkloze in aanmerking komen voor werkloosheidsuitkering. Voor diegenen die vóór 1 mei 1986 al recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering zal, voor zover herkeuring plaatsvindt, een overgangsregeling worden getroffen. Die overgangsregeling gaat uit van een verdubbeling van in de nieuwe Werkloosheidswet geldende uitkeringsduur. De uitkeringen aan deze arbeidsongeschikten, voor zover deze betrekking hebben op de werkloosheidscomponent, worden gefinancierd uit de arbeidsongeschiktheidsfondsen, teneinde te grote schokeffecten in de premielastverdeling te voorkomen.
     Ten aanzien van oude gevallen wordt het volgende voorgesteld:
- personen vanaf 35 jaar blijven buiten de herbeoordeling;
- personen tot 30 jaar worden binnen één jaar na in werking treden van de wet herbeoordeeld; de categorie arbeidsongeschikten tussen de 30 en 35 jaar wordt herbeoordeeld in het jaar volgend op het jaar waarin de categorie arbeidsongeschikten tot 30 jaar wordt herbeoordeeld.
     Deze overgangsregeling wordt ingegeven door de overweging dat de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw) in de beginfase vooral betekenis zal hebben voor de nieuwe gevallen. Hierdoor wordt voor de
rblz.|7| bedoelde categorie vanaf 35 jaar in die zin zekerheid verschaft dat de voorgestelde wijziging van de AAW en de WAO voor hen geen consequenties zal hebben. De herbeoordeling van de categorie arbeidsongeschikten tot 35 jaar is naar onze mening wenselijk aangezien het niet in het belang van jongeren is om te snel het stempel van arbeidsongeschiktheid opgelegd te krijgen, terwijl voorts binnen deze categorie eerder sprake zal zijn van een zich herstellend arbeidsvermogen.


1.1.5. Voorlichting

     De inwerkingtreding van het pakket voorstellen zal gepaard moeten gaan met een goede en tijdige voorlichting over de inhoud ervan.
     Het gaat immers om ingrijpende wijzigingen als gevolg waarvan aan verzekerden andere en nieuwe eisen worden gesteld om voor een uitkering in aanmerking te komen. In overleg met het Voorlichtingscentrum Sociale Verzekering en de bij de uitvoering betrokken instanties wordt nader bekeken wanneer en op welke wijze efficiënt en gecoördineerd informatie over het gewijzigde stelsel aan belanghebbenden kan worden verschaft.

 

1.2. Stelselherziening als proces


     Het aanhangig maken van dit pakket voorstellen betekent een belangrijke stap in het proces van herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Dit proces is een aantal jaren geleden in gang gezet en heeft zijn weerslag gevonden in een aantal officiële stukken. In dit verband zijn onder meer van belang de adviesaanvraag aan de SER [Sociaal-Economische Raad, red.] van 28 augustus 1980 inzake de integratie van de werkloosheidsregelingen en de daarbij gevoegde nadere taakopdracht aan een ambtelijke projectgroep (Kamerstukken II 1979-1980, 15 650, nr. 5), de ambtelijke heroverwegingsrapporten, met name voor zover betreffende de sociale zekerheid (Kamerstukken II 1980-1981, 16 625), de notitie "Herziening van het stelsel van sociale zekerheid", aan de Tweede Kamer toegezonden bij brief van 9 juni 1982 (Kamerstukken II 1982-1983, 17 475, nrs. 1 en 2), een nadere uitwerking daarvan bij brief van 28 juli 1982 (Kamerstukken 17 475, nr. 3), de verslagen van het mondeling overleg met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 1 juli en 25 augustus 1982 (Kamerstukken 17 475, nrs. 4 en 5) en de adviesaanvraag aan de Sociaal Economische Raad en de Emancipatieraad van 25 mei 1983 over de herziening van het stelsel van sociale zekerheid, verder aan te duiden als: de adviesaanvraag (Kamerstukken 17 475, nr. 7).
     Ook waar het gaat om concrete wetgevende maatregelen vormt het aanhangig maken van dit pakket niet de eerste stap in het herzieningsproces. Inhoudelijk in één lijn met de nu voorgestelde Toeslagenwet lagen de eerder behandelde voorstellen tot wijziging van de werkingssfeer van de mimimumdagloonregelen WW en WWV en de afschaffing van het minimumdagloon WAO.
     Waar het betreft het niveau van de loongerelateerde uitkeringen moeten in verband met de herziening van het stelsel worden genoemd de kortingen op de daglonen WW, WWV en WAO per 1 januari 1984 met 3% en op de daglonen WW en WAO per 1 juli 1984, wederom met 3%, alsmede de verlaging van de uitkeringspercentages WW, WWV en WAO tot 70 per 1 januari 1985 en het uitkeringspercentage ZW tot 75 per 1 mei 1985 en tot 70 per 1 januari 1986.
     Ook moeten worden genoemd de in afwachting van de doorvoering van het nu aan de orde zijnde pakket van maatregelen ingevoerde interim-voorzieningen in het kader van de WWV betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en wijziging van de duur van de uitkering en die betreffende de uitkeringsrechten voor werklozen ouder dan 50 jaar [lees: werklozen van 50 jaar of ouder, red.].
     De indiening van dit pakket betekent, zoals gezegd, een belangrijke stap in een proces. Daarmee is niet gezegd dat dit proces daarmee zou zijn voltooid. In de adviesaanvraag is, in hoofdstuk 10, kort beschreven het
rblz.|8| stelsel van sociale zekerheid bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid, zoals dat er in de visie van het kabinet naar hoofdlijnen en structuur uiteindelijk uit zou kunnen gaan zien. In die visie hebben werknemers zowel bij werkloosheid als bij arbeidsongeschiktheid gedurende beperkte tijd recht op een aan het verdiende loon gerelateerde uitkering. De duur is afhankelijk van de duur van het arbeidsverleden van de uitkeringsgerechtigde. Binnen die beperkte duur wordt het verschil tussen het aanvankelijke uitkeringsbedrag en het sociaal minimum voor een alleenstaande in gelijke halfjaarlijkse stappen verminderd. Na de loondervingsfase zou bij voortdurende werkloosheid of arbeidsongeschiktheid een individueel recht op een uitkering ter hoogte van het sociaal minimum voor een alleenstaande bestaan totdat betrokkene 65 jaar wordt.
     Reeds in de adviesaanvraag werd onderkend dat deze structuur niet nog deze kabinetsperiode geheel zou kunnen worden ingevuld. Op drie punten werd invulling op zo korte termijn onmogelijk geacht.
     In de eerste plaats ging het daarbij om de beperking van de duur van de uitkeringen bij (medisch-arbeidskundige) arbeidsongeschiktheid. Op dat punt heeft het kabinet ruimte willen geven voor discussie en heeft het de overwegingen en problemen geschetst die bij realisatie van die gedachte naar zijn oordeel in die discussie een rol zouden moeten spelen. In de discussie over de voornemens tot stelselherziening is deze gedachte inderdaad ook aan de orde geweest. De indruk bestaat dat in die discussie de opvatting overheerst dat vooral als het gaat om zwaar gehandicapten en om arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, een dergelijke beperking niet op haar plaats zou zijn.
     In de tweede plaats werd in de adviesaanvraag geconstateerd dat de sociaal-economische situatie op dat moment geen ruimte liet voor een individueel recht op een werkloosheidsuitkering op minimumniveau tot het 65ste jaar. Die opvatting geldt ook in de huidige situatie nog onverkort. In een dergelijke langdurige uitkering wordt in dit voorstel dan ook niet voorzien. Wel wordt, bij wege van eerste stap in deze richting, in dit ontwerp voorzien in een individueel recht op een vervolguitkering, een recht dat ontstaat na het einde van het recht op de aan het loon gerelateerde uitkering en dat - overeenkomstig de in de adviesaanvraag als "tussenfase" aangeduide regeling - ten hoogste één jaar kan duren.
     In de derde plaats werd in de adviesaanvraag geconstateerd dat een koppeling van de uitkeringsduur aan de duur van het arbeidsverleden bij gebrek aan een sluitende registratie van arbeidsverledens voorlopig niet tot de mogelijkheden behoort.
     In het hierna volgende (paragraaf 2.4.1) wordt nog nader ingegaan op ons standpunt ter zake van de wenselijkheid om in de toekomst een bekorting van duur van het recht op een loongerelateerde uitkering bij arbeidsongeschiktheid nog nader te bezien.
     Het antwoord op de vraag wanneer een verlenging van de tussenfase in overweging kan worden genomen, is niet zonder meer te geven. Wanneer in de toekomst financiële ruimte ter verbetering van socialezekerheidsrechten beschikbaar komt, zal deze ruimte met voorrang worden gebruikt voor een verlenging van de tussenfase of voor een verlaging van de toetredingsleeftijd tot de
Iow. In dit verband kan nog worden opgemerkt dat bij een verdere verdeling van betaalde arbeid binnen leefeenheden het beroep op de Toeslagenwet zal afnemen; ook langs die weg ontstaat dan financiële ruimte. Ten slotte zij hier opgemerkt dat in het nu voorliggende voorstel, tot op zekere hoogte in afwijking van de voorstellen in de adviesaanvraag, wordt gekozen voor een mengvorm van arbeidsverleden en leeftijdsgerelateerde uitkeringsduur. Verderop (paragraaf 3.7) zal worden ingegaan op de vraag hoe naar ons oordeel in de toekomst geleidelijk geheel zal kunnen worden overgestapt naar een relatie met het arbeidsverleden.

rblz.|9| 

1.3. Opbouw van de memorie van toelichting


     Zoals al is gezegd, vormt dit wetsvoorstel een onderdeel van een meer omvattend, onderling samenhangend pakket van maatregelen. Om te bereiken dat de onderlinge samenhang van die regelingen ook in de toelichtingen daarbij zo helder mogelijk tot uitdrukking komt en ook om doublures te voorkomen, is gekozen voor een verdeling van de te behandelen materie over de verschillende toelichtingen, die er kort gezegd op neerkomt dat algemene opmerkingen en alle niet specifiek bij één van de andere onderdelen van het pakket behorende onderwerpen worden behandeld in deze toelichting. Deze benadering komt met name tot uitdrukking in hoofdstuk 2, waarin worden besproken de hoofdlijnen van de adviezen van de Sociaal-Economische Raad van 29 juni 1984 en van 23 augustus 1985, de adviezen van de Emancipatieraad van 12 april en 17 augustus 1984 en de adviezen en voorstellen van een aantal andere instanties die op de adviesaanvraag hebben gereageerd, in hoofdstuk 4, over stelselherziening en deregulering misbruik en oneigenlijk gebruik en in hoofdstuk 5 over de financiële effecten van het voorgestelde pakket van maatregelen. In hoofdstuk 3 worden de hoofdlijnen van de voorliggende Werkloosheidswet behandeld en hoofdstuk 6 bevat tot slot de artikelsgewijze toelichting.

 

2. Adviezen en standpuntbepaling


2.1. Algemeen


2.1.1. De adviezen van de Sociaal-Economische Raad

     Het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) van 29 juni 1984 over de stelselherziening is in belangrijke mate verdeeld. De drie in de SER vertegenwoordigde centrale organisaties van werknemers hebben drie verschillende stelsels ingebracht. De ondernemersorganisaties hebben een standpunt geformuleerd dat slechts tot op zekere hoogte eensluidend is. Met name op het belangrijke punt van de beperking in duur van de uitkeringsrechten bij (medisch-arbeidskundige) arbeidsongeschiktheid hebben immers de vertegenwoordigers van de landbouworganisaties en van het midden- en kleinbedrijf een afwijkend standpunt ingenomen. Van de zijde van de kroonleden zijn twee alternatieven ingebracht. Daarnaast verdient vermelding dat het kroonlid Duisenberg uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij de in de adviesaanvraag ontwikkelde voorstellen steunde. Hij bracht die steun tot uitdrukking door zich met betrekking tot de in het advies beschreven alternatieven van stemming te onthouden.
     Eén en ander betekent niet dat het advies niet ook op sommige punten unaniem is. Unaniem is de SER in zijn oordeel dat het stelsel aan herziening toe is. Dit met name omdat de huidige regelingen bij arbeidsongeschiktheid en werkloosheid onvoldoende op elkaar zijn afgestemd, omdat de uitkeringsrechten en uitkeringsduur bij arbeidsongeschiktheid en werkloosheid te sterk uiteenlopen en omdat gelijke behandeling van mannen en vrouwen dient te worden gerealiseerd. Verdeeld is de SER waar het betreft het antwoord op de vraag of ook de noodzaak tot het terugdringen van de uitgaven voor de sociale zekerheid een zelfstandige reden is voor herziening van het stelsel.
     Unaniem is wel weer het oordeel van de SER over een aantal uitgangspunten dat in aanmerking dient te worden genomen bij de nadere uitwerking en vormgeving van een gewijzigd stelsel van sociale zekerheid bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid.
     De SER kiest mét het kabinet voor een stelsel dat kan worden gekenschetst als een stelsel van loondervingsverzekeringen met vangnet. De uitwerking daarvan dient primair gericht te zijn op degenen die in dienstbetrekking
rblz.|10| werkzaam zijn. De verzekeringsgedachte dient als vormgevend beginsel te worden gehandhaafd en waar mogelijk versterkt.
     Dit impliceert een streven naar equivalentie, door de Raad omschreven als evenredigheid tussen premieverplichtingen, risico's en prestaties. Het feit dat de betrokken regelingen liggen in het verlengde van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden leidt de Raad tot een keuze voor een grote mate van betrokkenheid van het georganiseerde bedrijfsleven bij de uitvoering van de wetgeving. De loondervingsuitkeringen dienen te worden geïndividualiseerd in die zin dat geen onderscheid meer wordt gemaakt naar geslacht, burgerlijke staat of gezinssamenstelling.
     Vooralsnog kiest de SER voor twee afzonderlijke loondervingsregelingen ter zake van werkloosheid en ter zake van arbeidsongeschiktheid. Ter zake van werkloosheid ondersteunt de SER het streven van de regering naar een vervanging van de huidige loongerelateerde werkloosheidsregelingen (WW en WWV) door één werkloosheidsverzekering met voor mannen en vrouwen gelijke rechten. Bij de uitvoering en vormgeving dienen deze regelingen bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid zoveel mogelijk op elkaar te worden afgestemd, zodat het streven naar - uiteindelijk - één loondervingsverzekering niet bij voorbaat wordt geblokkeerd. Voor zover het verschil in karakter tussen werkloosheid en arbeidsongeschiktheid dat toelaat, moeten volgens de SER de uitkeringsrechten en -voorwaarden zoveel mogelijk worden gelijkgetrokken. De minimumbehoeftefunctie dient eerst een rol te gaan spelen indien en voor zover de loondervingsverzekeringen niet toereikend zijn om te voorzien in het relevante sociaal minimum. Het heeft de voorkeur van de Raad om met verschillen in minimumbehoefte naar levens- en gezinsomstandigheden rekening te houden door middel van het verlenen van toeslagen op grond van een afzonderlijke regeling. Bij de toekenning van de toeslagen ware geen onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen of tussen gehuwden en ongehuwden, die in sociaal-economisch opzicht in vergelijkbare omstandigheden verkeren. De toeslagen zouden moeten worden verstrekt door de instantie die ook de uitkering verstrekt waarop de toeslag wordt verleend.
     Tot zover kan worden gesteld dat de SER de door het kabinet in de adviesaanvraag aangevoerde redengeving voor de stelselherziening onderschrijft - zij het waar het betreft het aspect van de ombuigingsnoodzaak niet unaniem, doch wel in meerderheid - en een groot aantal belangrijke, in de adviesaanvraag geformuleerde uitgangspunten en gedachten.
     Voorts bestaat overeenstemming met het kabinet waar het gaat om de door de SER geformuleerde randvoorwaarden. Aan internationaalrechtelijke verplichtingen dient te worden voldaan. Het pakket maatregelen stelselherziening voldoet aan deze randvoorwaarde. Bij de inrichting en vormgeving moet rekening worden gehouden met de effecten op andere sectoren van overheidsbeleid, zoals het beleid met betrekking tot de collectieve arbeidsvoorwaarden, het arbeidsmarkt-, het arbeidsomstandigheden- en het economisch structuurbeleid. Voorts dient rekening te worden gehouden met de aan langdurige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid verbonden maatschappelijke aspecten. Met name in paragraaf 3.12 betreffende de voorzieningen wordt aan deze onderwerpen aandacht besteed. Ook is gestreefd naar een duidelijke en consistente uitkerings- en financieringsstructuur. Op het belang daarvan heeft de SER terecht de aandacht gevestigd.
     Naast de betrekkelijk grote mate van overeenstemming tussen de SER en het kabinet over de redenen voor stelselherziening en daarbij te volgen uitgangspunten en in acht te nemen randvoorwaarden, is echter ook sprake van een aantal in de adviesaanvraag ontwikkelde voorstellen die door de SER unaniem worden afgewezen. Het gaat daarbij onder meer om de invoering van een glijdende schaal in de bovenminimale uitkeringen. De SER wijst dit af met name met een beroep op zijn hierboven al genoemde voorkeur voor versterking van het verzekeringskarakter van de loondervingsregeling bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid voor werknemers.
rblz.|11| Verder moet er hier op worden gewezen dat in het SER-advies van 29 juni 1984 weinig aandacht wordt besteed aan de door het kabinet voorgestelde halfjaarlijkse verlaging van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid tot het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande. Wel komt in het standpunt van de vakcentrale MHP althans de gedachte voor van een geleidelijke verlaging van de uitkering naarmate de werkloosheid langer duurt. Het tempo van de vermindering wordt door deze vakcentrale afhankelijk gesteld van de leeftijd en het premiebetalingsverleden van betrokkene. Het niveau waarnaar wordt verlaagd, is niet het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande, doch 65% van het dagloon waarbij het sociaal minimum voor een alleenstaande als bodem fungeert.
     In zijn vervolgadvies van 23 augustus 1985 is de SER wel expliciet ingegaan op de voorgestelde halfjaarlijkse verlaging van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid. De Raad wijst deze stapsgewijze verlaging af op grond van dezelfde overwegingen als in het advies van 1984 zijn genoemd ten aanzien van de invoering van een glijdende schaal in het uitkeringspercentage. De verlaging leidt volgens de Raad tot een doorbreking van de evenredigheid of equivalentie tussen de aan het loon gerelateerde premieheffing en het uitkeringsniveau tijdens de loondervingsfase. Voorts komt volgens de Raad het loondervingskarakter van de werkloosheidsuitkeringen onvoldoende tot zijn recht, hetgeen onder andere blijkt uit de sterke nivellering van de uitkeringen.
     Uitdrukkelijk stelt de Raad dat het advies van 23 augustus 1985 een vervolgadvies is op het advies van 29 juni 1984 en dat de verschillende visies van de Raad die in dat advies zijn opgenomen zich niet hebben gewijzigd. Dit betekent dat het door de Raad afwijzen van de door het kabinet voorgestelde niveauverlaging tot uiteenlopende consequenties zal leiden.
     Zoals bekend zijn de glijdende schaal en de halfjaarlijkse verlaging in de adviesaanvraag belangrijke factoren in de sfeer van de door het kabinet noodzakelijk geachte ombuigingen. Op de keuzes die de regering ter zake van de glijdende schaal en de niveauverlaging heeft gemaakt, wordt in paragraaf 2.2 nader ingegaan.
     Een ander punt waarop de SER unaniem afwijkt van de in de adviesaanvraag geformuleerde voorstellen is de wijze van financiering van de Toeslagenwet. In de adviesaanvraag wordt uitgegaan van financiering van de toeslagenregeling als een volksverzekering met premiebetaling door verzekerden. De SER kiest unaniem voor financiering uit de algemene middelen. Daarbij wijst de SER erop dat voor de toeslagenregeling uitkeringsvoorwaarden worden gesteld die uitsluitend betrekking hebben op de sociale omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. Voorts - aldus de SER - bevat de toeslagenregeling geen elementen waaraan een verzekeringskarakter voor een dergelijke regeling zou kunnen worden ontleend. Voor een toeslagenregeling als voorgesteld gelden evenals voor andere inkomensafhankelijke voorzieningen van overheidswege uitsluitend solidariteits- en inkomenspolitieke overwegingen.
     Het kabinet is bij nader inzien van oordeel dat op dit punt het advies van de SER kan worden gevolgd. Daarbij is ook overwogen dat financiering uit de algemene middelen van de toeslagen goed past in het onderscheid in primaire verantwoordelijkheid voor sociale partners en overheid, dat parallel loopt met het onderscheid tussen loondervingsfunctie en minimumbehoeftefunctie dat in de adviesaanvraag zo'n voorname rol speelt. In hoofdstuk 5 van deze toelichting wordt ingegaan op de consequenties die deze keuze heeft voor het totaalbeeld van de financiering van de bij de stelselherziening betrokken regelingen. De ter realisering van deze keuze gebezigde methode wordt besproken in de toelichting bij het voorstel voor een Toeslagenwet.
     Op een aantal onderdelen heeft het vervolgadvies van de SER van 23 augustus 1985 geleid tot aanpassing van het wetsvoorstel in vergelijking met het concept dat begin april 1985 ter advisering is voorgelegd aan de
rblz.|12| Sociale Verzekeringsraad. In dit verband kunnen bijvoorbeeld worden genoemd de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels met betrekking tot het sanctiebeleid en de zogenaamde omkering van de bewijslast. Overigens wordt kortheidshalve verwezen naar de desbetreffende onderdelen van deze toelichting.


2.1.2. De adviezen van de Emancipatieraad

     In een interim-advies van de Emancipatieraad (ER) van 12 april 1984 beperkt die raad zich tot een toetsing van de adviesaanvraag aan de derde EG-richtlijn (79/7/EEG, 19 december 1978). Behandeld werd onder meer de werkingssfeer van de richtlijn. Voorts wordt het begrip indirecte discriminatie geïnterpreteerd. Aangesloten wordt bij het tussentijds verslag van de EG-commissie van 6 januari 1984: een vermoeden van discriminatie bestaat als een maatregel in feite vooral de werknemers van één van beide geslachten treft; het is aan degene die de maatregel treft of laat voortbestaan om aan te tonen dat er objectief gerechtvaardigde redenen zijn. De ER is van oordeel dat de idee van toeslagen in de adviesaanvraag onvoldoende gerechtvaardigd wordt. Elke toets op gezins- of partnerinkomen is volgens de ER discriminerend en dus verboden. In de toelichting bij de voorgestelde Toeslagenwet wordt op dit onderwerp uitvoerig ingegaan.
     In het advies van 17 augustus 1984 formuleert de Raad eerst een aantal algemene uitgangspunten voor een emancipatoir stelsel van sociale zekerheid. Stelselwijziging is noodzakelijk, mede omdat de in het stelsel voorkomende belemmeringen voor de arbeidsdeelname van vooral gehuwde vrouwen moeten worden opgeruimd. Vooralsnog dient (ook) van de gehuwde vrouw te worden verlangd dat zij door arbeid in haar inkomen voorziet.
     In alle gevallen waarin die eis wordt gesteld, dient een individueel uitkeringsrecht te bestaan. Het onderscheid loondervingsfunctie/minimumbehoeftefunctie is hiervoor naar het oordeel van de Raad niet relevant. Het al dan niet enige tijd betaalde arbeid verricht hebben is onvoldoende rechtvaardiging voor het onderscheid tussen individuele/niet-individuele uitkeringsrechten.
     Een geïndividualiseerd stelsel zou naar de mening van de ER vanaf 1 januari 1985 in ieder geval moeten gelden voor personen geboren na 1967.
     Het systeem van de adviesaanvraag besprekend, beoordeelt de ER het idee van de - in de toekomst te verlengen - tussenfase als zeer positief. De Raad constateert echter dat een groot deel van de bevolking (schoolverlaters, etc.) nooit aan zo'n uitkering toe zal komen. Voor die groepen zou er - volgens een meerderheid van de Raad - een (her)intredingsregeling moeten komen met individuele uitkeringsrechten. De Rww [
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, red.] kan dan worden opgeheven. Vijf leden van de Raad kunnen zich hiermee niet verenigen vanwege de aanmerkelijke financiële consequenties die naar het oordeel van deze leden twee gevaren in zich bergen, namelijk dat de voor zo'n regeling benodigde gelden gevonden zouden worden door een verlaging van het uitkeringsniveau van alle uitkeringsgerechtigden en dat geen flankerend beleid van de grond zou kunnen komen. Op de mate waarin wij menen dat individualisering in de sfeer van de minimumbehoeftefunctie van de sociale zekerheid op dit moment kan worden gerealiseerd, is ingegaan in de toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de ABW strekkende tot verzelfstandiging van bijstandsrechten voor mannen en vrouwen.
     Vermelding verdient verder dat de ER de verbetering van de positie van gehuwde vrouwen in de werkloosheidsregelingen toejuicht. Gepleit wordt voor een betere bescherming van deeltijdwerkers. In het hierna volgende zal blijken dat in het voorliggende wetsvoorstel aan deze wens tegemoet wordt gekomen. Een relatie tussen arbeidsverleden en duur van uitkeringsrechten wijst de ER af. In paragraaf 2.5.3 wordt hierop nader ingegaan.
    
rblz.|13| Met betrekking tot de gezinstoeslagen onderkent de ER de onwenselijkheid en de onmogelijkheid om de kostwinners van eenkostwinnergezinnen van de ene op de andere dag slechts 70% van het minimumloon te garanderen. De eerdergenoemde "(her)intredersregeling" (individualisering Rww) zou dit probleem in de visie van de ER voor een deel kunnen oplossen.
     Alleen voor personen die de ontwikkeling naar grotere financiële zelfstandigheid niet kunnen of willen doormaken, zou tijdelijk een toeslagensysteem kunnen gelden. Met name de tijdelijkheid is in de ogen van de ER essentieel. Deze zou in de betrokken wet moeten worden verankerd via een vermindering met (leeftijds)cohorten.
     Ten slotte moet erop worden gewezen dat de ER - anders dan de SER - de behandeling van (bepaalde) ongehuwd samenwonenden als waren zij gehuwd afwijst.
     Zowel bij de wenselijkheid van een tijdelijke Toeslagenwet als bij de behandeling van met het huwelijk vergelijkbare samenlevingsvormen wordt in de toelichting bij de voorgestelde Toeslagenwet uitvoerig stilgestaan.


2.1.3. De advisering door de Sociale Verzekeringsraad

     Op 11 april 1985 is de Sociale Verzekeringsraad (SVr) gevraagd op zo kort mogelijke termijn te adviseren over een concept van het onderhavige wetsvoorstel, over een conceptwetsvoorstel tot wijziging van de AAW en de WAO. Op 6 mei 1985 is hieraan toegevoegd een adviesaanvraag met betrekking tot een conceptwetsvoorstel tot invoering van een Invoeringswet stelselherziening.
     Het advies van de Raad over de vier genoemde wetsvoorstellen is helaas op dit moment nog niet uitgebracht. Bij brief van 27 september 1985 heeft de algemeen secretaris meegedeeld dat de Raad zich voorstelt zijn advies zo mogelijk vast te stellen in een extra vergadering op 25 oktober 1985. Dezerzijds bestaat wel waardering voor de grondige wijze waarop de Raad de voorbereiding van de advisering ter hand heeft genomen. Het advies is in eerste instantie voorbereid in de commissie werkloosheidsverzekeringen, de commissie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de commissie daglonen en reglementen en de commissie financieel economische zaken. Via de vertegenwoordiger van het departement hebben wij kennisgenomen van de werkzaamheden van deze commissies. De uitkomsten van deze werkzaamheden zijn opgenomen in een integraal conceptadvies dat ter voorbereiding van de genoemde raadsvergadering van 25 oktober a.s. is toegezonden aan de leden van de Raad. Bij de nadere bezinning over de verschillende onderdelen van het thans voorliggende pakket voorstellen hebben deze uitkomsten een belangrijke rol gespeeld en geleid tot niet onbelangrijke aanpassingen van de voorstellen.
     Het kabinet ziet met belangstelling het advies van de SVr tegemoet. Vooral waar het de uitvoeringstechnische aspecten betreft, kan dit advies worden betrokken bij het proces van wetgeving.


2.1.4. Overige adviezen

     Bij brief van 11 april jl. is aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) aandacht gevraagd voor het conceptwetsvoorstel tot invoering van de Iow en met name voor de gevolgen van deze voorziening voor de uitvoeringstaak van de gemeenten. Op 22 augustus jl. heeft de VNG hierover geadviseerd. Kortheidshalve wordt wat betreft de inhoud van dit advies en de beoordeling hiervan door het kabinet volstaan met te verwijzen naar de toelichting bij genoemd wetsvoorstel.
     Voorts is op 6 juni 1985 aan de Raad voor de gemeentefinanciën advies gevraagd over de financiële en personele consequenties voor de gemeenten van de verschillende voorstellen. Op 22 juli 1985 heeft de Raad hierover geadviseerd. Voor de inhoud van dit advies en de beoordeling ervan wordt verwezen naar paragraaf 5.9 van deze toelichting.

rblz.|14| 

2.2. Stelselherziening en ombuigingen


     Zoals al gezegd, is het advies van de SER van juni 1984 verdeeld waar het betreft de mate waarin bij de ontwikkeling van voorstellen tot stelselherziening rekening moet worden gehouden met de noodzaak de collectieve lasten terug te dringen. In zijn vervolgadvies van augustus 1985 merkt de Raad, zoals reeds aangegeven, uitdrukkelijk op dat deze verdeeldheid nog steeds bestaat. In de adviesaanvraag is - in hoofdstuk 2 - de stelselherziening geplaatst in het kader van de economische situatie en de beleidsontwikkelingen op dat punt en in het kader van de daarmee samenhangende ombuigingstaakstelling van het kabinet voor de jaren 1984-1986.
     Deze taakstelling wordt door de vertegenwoordigers van de ondernemersorganisaties in de SER aanvaard als uitgangspunt voor de advisering over de stelselherziening. Dit deel van de Raad is van mening dat een herziening van het stelsel van sociale zekerheid een belangrijke bijdrage moet leveren aan een terugdringing van collectieve uitgaven. Daardoor komt er ruimte voor het particuliere bedrijfsleven om de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland te verbeteren en perspectief te bieden voor een gunstige economische ontwikkeling van het land, welke mede dienstbaar kan zijn als een gezonde basis voor de financiering van de sociale zekerheid in de toekomst. Een afslanking van de sociale zekerheid is naar het oordeel van dit deel van de Raad ook nodig om het beroep op die sociale zekerheid waar mogelijk te beperken. Afslanking zou voorts meer ruimte bieden voor het dragen van verantwoordelijkheden in kleinere leef- en samenwerkingsgemeenschappen, waaronder individuele ondernemingen. Volgens dit deel van de Raad is het vergroten van het verschil tussen loon en uitkering aanvaardbaar, omdat het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid - met name waar het gaat om het niveau van de bovenminimale uitkeringen en de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen - thans te veel afwijkt van de regelingen in omringende landen.
     Ook de meerderheid van de kroonleden van de SER is van oordeel dat een herziening van het stelsel mede een belangrijke bijdrage dient te leveren aan een terugdringing van de collectieve uitgaven, omdat in redelijkheid kan worden aangenomen dat mede langs die weg het perspectief voor een gunstige economische ontwikkeling van het land verbetert, waardoor tezelfdertijd een gezonde basis voor de financiering van de sociale zekerheid in de toekomst wordt gelegd. Het vraagstuk van de financierbaarheid wordt naar het oordeel van dat deel van de Raad voor een belangrijk deel veroorzaakt door het omvangrijke beroep dat wordt gedaan op de arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsregelingen. De oplossingen van dat vraagstuk eist daarom, naast een beleid gericht op bevordering van economische groei, het creëren van werkgelegenheid en het op verantwoorde wijze spreiden van de bestaande werkgelegenheid, maatregelen ten aanzien van het niveau en de duur van de uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Dit deel spreekt voorts uitdrukkelijk uit dat een gezonde economische ontwikkeling vereist dat iedere herziening van het stelsel wordt gericht op de totstandkoming van een consistent en in zichzelf rechtvaardig stelsel dat sociale zekerheid biedt aan degenen die gedwongen zijn een beroep te doen op de socialezekerheidsregelingen.
     De vertegenwoordigers van werknemersorganisaties in de SER en een aantal kroonleden zijn ten principale van oordeel dat het realiseren van bezuinigingen in de socialezekerheidsuitgaven op korte termijn geen uitgangspunt dient te zijn voor een herziening van het stelsel van sociale zekerheid bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Dit deel van de Raad erkent dat de betaalbaarheid van de sociale zekerheid een belangrijk maatschappelijk en sociaal-economisch vraagstuk is, dat voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door het omvangrijke beroep dat op de regelingen wordt gedaan. Het beleid moet daarom primair gericht zijn op het
rblz.|15| terugdringen van dat beroep door middel van een actief werkgelegenheidsbeleid en het zoveel mogelijk spreiden van bestaande werkgelegenheid. Indien dit beleid niet tot stand zou komen, zou naar de mening van dit deel van de Raad ook na aanpassingen in niveau en duur op den duur de betaalbaarheid weer in discussie worden gebracht en zouden wederom omvangrijke bezuinigingen in de sfeer van de uitkeringen worden aangekondigd. De volumeontwikkeling zou naar het oordeel van dit deel van de Raad moeten worden opgebracht door middel van premie- en belastingheffing.
     De stellingname met betrekking tot de ombuigingsnoodzaak van de verschillende geledingen binnen de SER wordt uiteraard weerspiegeld in de verschillende uitwerkingen van de uitkeringsregelingen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid die deze geledingen voorstaan. De stelsels, uitgewerkt door de vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties FNV en CNV, leiden tot belangrijk hogere kosten dan het stelsel zoals dat gold ten tijde van de verzending van de adviesaanvraag, en dus tot nog veel hogere kosten in vergelijking met het stelsel zoals dat sedertdien met name op het punt van de uitkeringsniveaus is bijgesteld.
     Voor de alternatieve stelsels ingebracht door de vertegenwoordiger van de vakcentrale MHP en door een minderheid van de kroonleden geldt dat ten opzichte van de situatie ten tijde van het verzenden van de adviesaanvraag enige bezuinigingen worden bereikt. Vergeleken met het stelsel, zoals dat sedertdien is gewijzigd, betekenen beide standpunten evenwel een toename van de kosten. Het standpunt van de meerderheid van de kroonleden van de SER houdt een zekere ombuiging, ook ten opzichte van het huidige stelsel, in. Die ombuigingen zijn groter in het door de vertegenwoordigers van de ondernemers voorgestelde complex van maatregelen.
     Het verwijt dat het kabinet - onder meer ook door de VGN en Divosa - is gemaakt dat hoofdmotief om te komen tot stelselherziening zou zijn geweest de wens of de noodzaak om te komen tot bezuinigingen op de uitkeringen, wijzen wij van de hand. Aanpassing van de uitkeringsregelingen aan de omvang en het structurele karakter van de niet-activiteit en aan de zich wijzigende opvattingen over de rol van de man en vrouw in samenleving en gezin zijn minstens zo belangrijke drijfveren. Het presenteren echter van een om die redenen aangepast stelsel, zonder daarbij te vermelden dat en hoe de noodzaak tot het terugdringen van de collectieve uitgaven daarop van invloed moet zijn, zou volstrekt ongeloofwaardig zijn geweest. Terugdringen van de collectieve uitgaven blijft doelstelling van het regeringsbeleid. Het opvangen van een toeneming van de collectieve lasten door verhoging van premies en/of belastingen, zoals door de vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties in de SER genoemd, vormt daarvoor geen alternatief.
     Het kabinet geeft de voorkeur aan een pakket waarin de minimumuitkeringen zoveel mogelijk worden ontzien. Dat betekent dat het kabinet de zeer rigoureuze verlaging van de sociale minima, zoals in de SER voorgestaan door de vertegenwoordigers van de ondernemersorganisaties, afwijst.
     Voor een beperking van de duur van de loongerelateerde uitkeringen bij (medisch-arbeidskundige) arbeidsongeschiktheid, zoals voorgesteld door een deel van de ondernemersvertegenwoordiging in de SER, acht het kabinet - zoals in de adviesaanvraag overigens al werd vermeld - de tijd nog geenszins rijp. Deze gedachte heeft in de maatschappelijke en politieke discussie die op de verzending van de adviesaanvraag is gevolgd slechts zeer beperkte bijval gekregen. Het kabinet is niet zo ver dat het realisering van deze gedachte in de toekomst wil uitsluiten, maar voor het zo ver is, dient nog nadere studie te worden verricht, met name betreffende de positie van zwaar gehandicapten, wier kansen op betaalde arbeid ook bij een betere werkgelegenheidssituatie en bij begeleiding op nihil moeten worden gesteld. Daarnaast moet de positie van diegenen wier arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte nader worden bezien.
    
rblz.|16| Elimineert men deze twee factoren - verlaging van de sociale minima en beperking van de duur van de loongerelateerde uitkering bij medisch-arbeidskundige arbeidsongeschiktheid - uit de voorstellen van de organisaties van ondernemers, die wat betreft ombuigingsresultaat de voorstellen van het kabinet in de adviesaanvraag het dichtst benaderen, dan blijken ook die voorstellen niet een voldoende invulling. De afwijzing van een drastische verlaging van het niveau van de sociale minima brengt met zich dat een lager uitkeringspercentage dan 70, althans tot het niveau van het minimumloon, niet tot de in overweging te nemen opties behoort. Een uitkeringspercentage van 60, zoals voorgesteld door de organisaties van ondernemers, zou immers bij handhaving van de bestaande norm voor het sociaal minimum voor een alleenstaande leiden tot de situatie dat voor alleenstaanden die werkend het minimumloon of niet veel meer verdienden, bij bijvoorbeeld werkloosheid de loondervingsuitkering niet voldoende zou zijn om de bedoelde norm te bereiken, zodat zij in veel gevallen naast die uitkering tevens op bijstand aangewezen zouden raken. De beoogde logische samenhang in niveau tussen loondervingsuitkering, toeslag en bijstand zou op die manier worden gefrustreerd.
     De conclusie dringt zich op dat voorstellen om met ingang van 1 mei 1986 terug te keren naar uitkeringspercentages hoger dan 70 niet tot de mogelijkheden behoort. Daarnaast moet worden geconstateerd dat invoering van een glijdende schaal zowel met het oog op de voor 1986 beoogde ombuigingen als met het oog op de structureel noodzakelijke bezuinigingen een belangrijk element zou zijn. Dit geldt ook voor het systeem van halfjaarlijkse verlaging van de uitkering bij werkloosheid tot het sociaal minimum voor een alleenstaande.
     Niettemin doen wij thans geen voorstellen tot invoering van een glijdende schaal. Naast de unanieme afwijzing door de SER speelt hierbij een rol dat ook het kabinet - zoals reeds uit de adviesaanvrage bleek - er de voorkeur aan geeft de equivalentie in de sfeer van de loondervingsregelingen zoveel mogelijk te bevorderen. Een glijdende schaal aan de kant van de uitkeringen zou alleen dan geen inbreuk op de equivalentie betekenen als tegelijkertijd ook aan de premiekant een glijdende schaal zou worden ingevoerd. Daarvoor zou een totale herziening van de heffingssystematiek moeten worden gerealiseerd. Het is onmogelijk een dergelijke herziening per 1 mei 1986 te realiseren. Daar komt bij dat wij twijfelen aan de hanteerbaarheid van wat in feite neer zou komen op heffing van een degressieve premie naast heffing van een progressieve loonbelasting.
     Het niet voorstellen van een glijdende schaal heeft uiteraard gevolgen voor de mate waarin ombuigingen door middel van het pakket maatregelen stelselherziening kunnen worden gerealiseerd. In hoofdstuk 5 van deze toelichting wordt op de omvang van de ombuigingen teruggekomen.

 

2.3. Systeemkeuze


     De uitgangspunten van het stelsel van sociale zekerheid kunnen aldus de adviesaanvraag worden samengevat in een viertal begrippenparen. Dat zijn:
1. collectief en privaat;
2. loondervingsfunctie en minimumbehoeftefunctie;
3. equivalentie en solidariteit;
4. individualisering en rekening houden met behoefte/draagkracht.
     De onder 2 tot en met 4 genoemde begrippenparen betreffen de uitgangspunten voor de sociale zekerheid zelf. Deze drie begrippenparen hangen nauw met elkaar samen. Zij vormen de basis voor twee verschillende typen inkomensvervangende regelingen en tevens voor het toedelen van de primaire verantwoordelijkheid voor die regelingen.
     In de regelingen met een loondervingsfunctie is veelal sprake van equivalentie en in belangrijke mate van individualisering. Daar bij het gedurende bepaalde periode opvangen van de gevolgen van loonderving
rblz.|17| primair de arbeidsvoorwaarden in het geding zijn, ligt de primaire verantwoordelijkheid voor deze fase bij de sociale partners. Voor uitkeringsregelingen met een dergelijke achtergrond is de verzekeringsvorm het meest aangewezen. Anders ligt dit met de regelingen met een minimumbehoeftefunctie. Daar staat de solidariteit voorop, wordt rekening gehouden met draagkrachtverschillen en gaat het primair om de verantwoordelijkheid van de gemeenschap als geheel. Deze moet ervoor zorgen dat haar leden worden gevrijwaard van gebrek, op voorwaarde dat zij zelf het redelijke doen om zich die vrijwaring te verschaffen.
     Overeenkomstig de gegeven indeling van de uitgangspunten van de inkomensvervangende regelingen worden in de adviesaanvragen twee alternatieven voor een uitkeringssysteem onderscheiden, te weten:
- een tweetrajectensysteem; en
- een systeem van loondervingsregelingen met vangnet.
     In een tweetrajectensysteem kan een algemene basisregeling tot aan het sociaalminimumniveau en een aanvullende regeling in geval van loonderving vanaf het sociaalminimumniveau onderscheiden worden. De basisregeling dekt zowel vanuit de minimumbehoeftefunctie als vanuit de loondervingsfunctie risico's tot het minimumloon, met een differentiatie van de uitkering naar gezinssituatie en gezinsinkomen. In een systeem van loondervingsregelingen met vangnet staat de individuele uitkering vanuit de loondervingsfunctie voorop. Pas wanneer vanuit de loondervingsfunctie geen of niet langer uitkeringsrechten bestaan of het uitkeringsniveau beneden het voor de gezinssituatie gedifferentieerde sociaal minimum komt, wordt op basis van de minimumbehoeftefunctie (het vangnet) een vervangende of een aanvullende uitkering verstrekt.
     Het kabinet heeft in de adviesaanvraag voorkeur uitgesproken voor een systeem van loondervingsregelingen met vangnet. De voornaamste overweging daartoe vormde dat in dit systeem de loondervingsfunctie en de minimumbehoeftefunctie van de inkomensvervangende regelingen duidelijker worden onderscheiden dan in een tweetrajectensysteem. Een duidelijk onderscheid ter zake is van belang omdat het tevens een grens markeert voor de verdeling van de primaire verantwoordelijkheid voor de sociale zekerheid tussen de sociale partners en de overheid. De loondervingsfunctie moet in de eerste plaats - als verlengstuk van de arbeid, arbeidsinkomsten en arbeidsvoorwaarden - tot de verantwoordelijkheid van de sociale partners gerekend worden. De voorkeur van het kabinet voor een systeem van loondervingsverzekeringen met vangnet wordt, zoals gezegd, gedeeld door de SER.
     Het kabinet is, overeenkomstig de adviesaanvraag en mét de SER, van oordeel dat voor de regelingen met een loondervingsfunctie de equivalentie en de individualisering van uitkeringsrechten gehandhaafd dienen te blijven en waar mogelijk scherper omlijnd dienen te worden.
     Het begrippenpaar collectief en privaat geeft de grens aan tussen wat in het kader van de sociale zekerheid moet worden geregeld en wat daar buiten valt. Het gaat hierbij om de vraag hoever de bemoeienis van de overheid gaat en wat aan de eigen verantwoordelijkheid van individuen en maatschappelijke groeperingen moet worden overgelaten. Tussen deze twee uitersten liggen de semi-collectieve regelingen gebaseerd op afspraken tussen werkgevers- en werknemersorganisaties of beroepsgenoten. De verhouding tussen collectief en privaat betreft derhalve niet inhoudelijk de sociale zekerheid.
     Hetgeen in de wet wordt vastgelegd, is te beschouwen als een vaste, verplichte basiszekerheid, die generaal van karakter is. Sociale partners zijn in beginsel vrij regelingen te treffen die strekken tot aanvullende zekerheid qua niveau en/of duur. In de adviesaanvraag wordt op dit punt gesteld dat de overheid de uitkomsten van de onderhandelingen in beginsel moet aanvaarden. Wel draagt de overheid ten aanzien van de door sociale partners overeengekomen socialezekerheidsregelingen eenzelfde verantwoordelijkheid als ten aanzien van de ontwikkeling van lonen en
rblz.|18| arbeidsvoorwaarden in het algemeen. Slechts voor zover die ontwikkeling conflicteert met de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de overheid voor het functioneren van de nationale economie kan er uiteindelijk reden tot bemoeienis zijn. Voor (de ontwikkeling van) arbeidskosten die niet voortvloeien uit door de wettelijke sociale zekerheid opgelegde verplichtingen kan de overheid geen directe verantwoordelijkheid nemen.
     De SER heeft ten aanzien van bovenwettelijke uitkeringsregelingen het standpunt ingenomen dat ook bij een gewijzigd stelsel van sociale zekerheid de contractsvrijheid van sociale partners en individuele werkgevers en werknemers als uitgangspunt moet worden genomen.
     De werknemersleden en vier kroonleden trekken hieruit de conclusie dat bij gelegenheid van de stelselherziening geen inbreuk op die vrijheid moet worden gemaakt. De ondernemersleden en de meerderheid van de kroonleden is van mening dat bij realisering van de stelselherziening moet worden voorkomen dat een lastenverzwaring optreedt in de bovenwettelijke, veelal op CAO's gebaseerde regelingen. Anders zou volgens dit deel van de Raad afbreuk worden gedaan aan één van de doelstellingen van het bezuinigingsbeleid, te weten het streven naar rendementsherstel en arbeidskostenmatiging in het bedrijfsleven.
     Noch in het voorliggende wetsvoorstel, noch in spoedig in te dienen Invoeringswet stelselherziening worden voorstellen gedaan die de contractsvrijheid zouden beperken. Bovenwettelijke uitkeringen hebben geen enkele invloed op de wettelijke werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voor de vaststelling van de hoogte van de loondervingsuitkering is alleen van belang in hoeverre er, als gevolg van verwerven van inkomen, een wijziging optreedt in de mate van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Vrijheid op dit punt is dus onverkort uitgangspunt.
     Het vorenstaande laat echter onverlet de regelingen in het kader van de minimumbehoeftefunctie. Daarbij zullen bovenwettelijke uitkeringen niet buiten beschouwing kunnen blijven. Ter zake moge verwezen worden naar de memorie van toelichting bij de Toeslagenwet.
     Genoemde vrijheid van sociale partners moet naar de opvatting van het kabinet ook inhouden dat dergelijke regelingen in beginsel door bedrijfsverenigingen kunnen worden uitgevoerd wanneer de sociale partners zulks wensen. Het komt het kabinet echter ongewenst voor dat zulke aanvullende regelingen gefinancierd zouden kunnen worden uit de wachtgeldfondsen, waaruit ook het wettelijke deel van de sociale zekerheid wordt gefinancierd. Op dit wezenlijke terrein is een strikte scheiding noodzakelijk. Daarmee is een duidelijke begrenzing van verantwoordelijkheden gegarandeerd. De sociale partners nemen tezamen met de overheid vanuit haar macro-economische verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van premie- en lastendruk deel in het beheer van het wettelijke deel van de sociale zekerheid. De aanvullende regelingen, die volledig tot het terrein van de sociale partners horen, staan daarvan in de ogen van het kabinet los. In deze voorstellen is derhalve niet voorzien in de mogelijkheid om aanvullende regelingen vanuit het wachtgeldfonds te financieren.

 

2.4. Uitkeringsduur


2.4.1. Duur bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid

     In de adviesaanvraag werd uitvoerig aandacht geschonken aan de verhouding tussen de uitkeringsrechten bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid. Geconstateerd werd dat er zowel wat betreft niveau als wat betreft duur grote verschillen bestonden. De vraag naar de rechtvaardiging van die verschillen werd nadrukkelijk aan de orde gesteld.
     Inmiddels zijn de niveauverschillen tussen de uitkeringen bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid verdwenen.
     Waar het betreft een beperking van de verschillen in uitkeringsduur bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid kan worden gewezen op de met
rblz.|19| ingang van 1 januari 1985 gerealiseerde verlenging van de uitkeringsduur (op sociaalminimumniveau) van werklozen ouder dan 50 jaar [lees: van 50 jaar of ouder, red.]. Deze verlenging had ten doel te voorkomen dat de betrokkenen vóór de datum waarop de structurele herziening van het stelsel zou worden doorgevoerd, aangewezen zouden raken op de bijstand.
     De vraag of verkleining van die verschillen uitgangspunt voor de stelselherziening moet zijn, heeft de SER unaniem bevestigend beantwoord, in die zin dat gelijktrekking naar het oordeel van de SER slechts toelaatbaar is voor zover het verschil in karakter tussen werkloosheid en arbeidsongeschiktheid dat toelaat. In de verschillende standpunten wordt de gelijktrekking op geheel verschillende wijze meer of minder gerealiseerd. Zoals ook in de adviesaanvraag reeds werd onderkend, zijn op dit punt twee uitersten denkbaar: beperking van de duur van de loongerelateerde uitkering bij arbeidsongeschiktheid of opheffing van de bestaande beperking in duur bij werkloosheid. In de adviesaanvraag koos het kabinet voor de structurele situatie voor een tussenweg: een beperkte duur van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid, met daarna tot het 65ste jaar een individueel recht op een uitkering op sociaalminimumniveau. Deze situatie wordt in het advies van de SER nog het dichtst benaderd in het standpunt van een deel van de vertegenwoordigers van de ondernemersorganisaties, zij het met dit belangrijke verschil dat de in dit standpunt opgenomen speciale loondervingsvoorziening, die van betekenis wordt na het bereiken van de maximumduur van de loongerelateerde uitkering, in feite niet voorziet in individuele uitkeringsrechten, omdat het recht op die uitkering mede afhankelijk wordt gesteld van inkomen uit arbeid of vermogen van de partner van de uitkeringsgerechtigde.
     De organisaties van werknemers zijn, blijkens het advies van de SER van 29 juni 1984, van oordeel dat gelijktrekking primair moet worden gerealiseerd door verbetering van de uitkeringsrechten voor langdurig werklozen.
     De FNV gaat voor de structurele situatie uit van een onbeperkte duur van het recht op een loongerelateerde uitkering bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid, met enig verschil in niveau ten nadele van vooral jongere werklozen. Voor de FNV is met name onaanvaardbaar dat werkloze werknemers ingevolge de huidige wetgeving, ook wanneer zij een langdurig arbeidsverleden hebben gehad en als gevolg van structurele aanpassingsproblemen in het bedrijfsleven werkloos zijn geworden, uiteindelijk zijn aangewezen op bijstandverlening en uitsluitend op basis van het behoeftigheidscriterium een minimuminkomen ontvangen. De financiële problematiek rondom de collectieve uitgaven maakt volgens de FNV een - niet nader aangeduide - overgangsregeling noodzakelijk.
     Ook het CNV opteert voor de structurele situatie voor een onbeperkte duur van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid. Anders dan de FNV gaat het CNV uit van een gelijk uitkeringspercentage (75) bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid. Realisering van een aldus ingericht stelsel is naar het oordeel van het CNV, gelet op de huidige financiële problematiek rondom de collectieve uitgaven, niet op korte termijn mogelijk. Uitgaande van de financiële randvoorwaarde dat de collectieve uitgaven, afgezien van de effecten van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, niet mogen toenemen, komt de CNV voor de korte termijn tot een loongerelateerde uitkering bij werkloosheid van vier jaar. Daarna volgt tot het 65ste jaar een minimumuitkering, die zich van de bijstand hierin onderscheidt dat slechts wordt getoetst op inkomen uit arbeid van betrokkene en zijn of haar partner.
     De vakcentrale MHP stelt in het SER-advies van 29 juni 1984 dat het grote verschil in uitkeringsrechten bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid maatschappelijk niet aanvaardbaar is. Gelijktrekking moet ook volgens de vakcentrale MHP een belangrijke beleidsdoelstelling zijn. In het door deze vakcentrale bepleite stelsel wordt in beginsel voorzien in een aan het loon gerelateerde uitkering bij werkloosheid tot het 65ste jaar, zij het dat na zekere - van leeftijd en premiejaren afhankelijke - periode rekening moet
rblz.|20| worden gehouden met het inkomen uit arbeid of vroegere arbeid van de partner.
     Ook het alternatief ontwikkeld door de minderheid van de kroonleden van de SER voorziet in een onbeperkte duur van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid. Het stelsel dient naar het oordeel van dit deel van de Raad individueel rechtvaardig te zijn en te voldoen aan de doelstelling van de sociale verzekering, te weten het bieden van inkomensgarantie aan degenen die voor hun inkomen zijn aangewezen op het verrichten van arbeid en daartoe als gevolg van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid niet in de gelegenheid zijn (gesteld). Met name de rechtvaardigheidseis moet volgens dit deel leiden tot een onbeperkte duur van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid, zij het dat met name bij werkloosheid zwaardere toelatingseisen moeten gelden dan thans het geval is.
     Het standpunt van de meerderheid van de kroonleden van de SER, zoals verwoord in het advies van 29 juni 1984, voorziet - evenmin als het standpunt van de vertegenwoordiger van de landbouworganisaties en het midden- en kleinbedrijf - in een gelijke duur van het recht op een loongerelateerde uitkering bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid.
     De meerderheid van de kroonleden is van oordeel dat de verzekeringsgedachte en overwegingen van sociale rechtvaardigheid moeten leiden tot een onbeperkte uitkeringsduur ter zake van de medisch-arbeidskundige component van de arbeidsongeschiktheid. Met betrekking tot de werkloosheidsverzekering moet naar het oordeel van dit deel van de Raad overwogen worden dat een financiële inspanning om een onbeperkte uitkeringsduur te verzekeren ten koste kan gaan van evenzeer noodzakelijke offers voor het scheppen en herverdelen van werk. Voorts kan naar de mening van dit deel een onbeperkte uitkeringsduur bij werkloosheid de sociaal onwenselijke deling van de maatschappij in werkenden en onvrijwillig werklozen verscherpen en bestendigen. Dit deel van de Raad aanvaardt daarom de beperking van de uitkeringsduur voor de loongerelateerde werkloosheidsuitkering afhankelijk van de leeftijd van de werkloze werknemer variërend van een half- tot vijf jaar, terwijl daarna gedurende een tussenfase van één jaar een individuele uitkering op minimumniveau wordt toegekend zonder inkomens- en vermogenstoets. Daarna is betrokkene aangewezen op bijstandsuitkering, waarbij dit deel pleit voor het laten vervallen van de vermogenstoets wanneer de verzekeringsuitkering na het 54ste levensjaar wordt beëindigd.
     Het standpunt van de vertegenwoordigers van de landbouworganisaties en van het midden- en kleinbedrijf komt wat betreft de duur van het recht op een loongerelateerde uitkering bij werkloosheid overeen met dat van de overige organisaties van ondernemers, dat neer zou komen op een per verzekerd jaar met twee maanden toenemende duur. Voorlopig moet worden volstaan met een koppeling aan de leeftijd van betrokkene, die leidt tot een uitkeringsduur van twee maanden voor 19-jarigen, oplopend tot zesenhalf jaar voor degene die 58,5 jaar oud is.
     In de visie van de andere ondernemersorganisaties geldt dit schema zowel bij werkloosheid als bij arbeidsongeschiktheid, zij het dat er bij arbeidsongeschiktheid één jaar ziekengeld aan voorafgaat. De vertegenwoordigers van de landbouworganisaties en van het midden- en kleinbedrijf wijzen daarentegen een beperking van de uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering bij arbeidsongeschiktheid ter zake van de medisch-arbeidskundige component af.
     Naast deze in de SER geformuleerde standpunten met betrekking tot de uitkeringsduur kan onder meer nog worden gesteld het standpunt van de VNG. Deze spreekt zich niet uit over de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Wat betreft de duur van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid komt de VNG uit op twee jaar en voor werklozen ouder dan 57,5 jaar [lees: van 57,5 jaar of ouder, red.] totdat zij 65 zijn. Daarna komen betrokkenen in aanmerking voor een minimumuitkering op grond van een werknemersvoorziening. Die uitkering wordt het eerste jaar alleen getoetst aan het gezinsinkomen en vervolgens ook aan het vermogen.
    
rblz.|21| Hiervoor is er al op gewezen dat in de adviesaanvraag is gemeld dat het kabinet niet voornemens is deze kabinetsperiode te komen met voorstellen tot beperking van de duur van het recht op een loongerelateerde uitkering bij medisch-arbeidskundige arbeidsongeschiktheid. Het advies van de SER van 29 juni 1984 en ook de andere adviezen en voorstellen die ons hebben bereikt, hebben hierin geen wijziging gebracht. Zoals hierboven bleek, heeft binnen de SER alleen een deel van de vertegenwoordigers van de ondernemersorganisaties geadviseerd om reeds nu een dergelijke beperking in te voeren. De andere standpunten komen neer op een afwijzing van een dergelijke beperking, ook in de verder verwijderde toekomst. Wij blijven niettemin bij onze constatering in de adviesaanvraag dat de relevante gevolgen van werkloosheid enerzijds en van arbeidsongeschiktheid anderzijds (bezien vanuit de optiek van de loondervingsfunctie) gelijk zijn, namelijk verlies van arbeidsinkomsten. Ook een mogelijke extra belasting in materiële of immateriële sfeer die het gevolg kan zijn van arbeidsongeschiktheid vormt voor het kabinet onvoldoende reden om een groot verschil in uitkeringsrechten zonder meer te aanvaarden. De extra belasting in materiële sfeer dient immers opgevangen te worden door middel van voorzieningen zowel in de sfeer van de gezondheidszorg als binnen de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
     Voor de belasting in immateriële sfeer, die naar haar aard verschilt van die van werkloosheid en die wellicht ook qua intensiteit met de intensiteit van de belasting van werkloosheid verschilt, zou eveneens allereerst gedacht moeten worden aan instrumenten in de sfeer van voorzieningen en begeleiding.
     In het advies van de SER van 29 juni 1984 wordt gewezen op het verschil in karakter tussen werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Gesteld wordt ook in paragraaf V.2.1-3, onder letter c, waar wordt verwezen naar het Advies vermijdbaar verzuim wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van 12 februari 1982, dat het werkloosheidsrisico en het arbeidsongeschiktheidsrisico niet gelijk kunnen worden gesteld. In het advies over de stelselherziening worden aan de naar het oordeel van de SER relevante verschillen verder geen beschouwingen gewijd.
     Alles bijeen genomen geeft dit advies ons geen afdoende redenen om terug te komen op de in de adviesaanvraag geformuleerde conclusie dat er, geredeneerd vanuit de loondervingsfunctie van de betrokken regelingen, goede argumenten zijn om te streven naar minder sterk uiteenlopende uitkeringsregimes bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid. Wij zijn er echter na ontvangst van het advies van de SER van 29 juni 1984 nog sterker dan voorheen van overtuigd dat de gedachte van een meer op elkaar afstemmen van die uitkeringsrechten, met name als dat zou inhouden een beperking van het recht op een loongerelateerde uitkering bij medisch-arbeidskundige arbeidsongeschiktheid, maatschappelijk geenszins gemeengoed is. Een genuanceerde benadering van deze problematiek is geboden. Daarbij moet met de praktische en vooral de psychosociale problemen die aan een uitwerking in die richting zijn verbonden terdege rekening worden gehouden.


2.4.2. De duur van de werkloosheidsuitkering

     Zoals gezegd, is er naar ons oordeel geen aanleiding om terug te komen op het uitgangspunt - gegeven de omvang en het structurele karakter van de huidige niet-activiteit en in verband daarmee de grote mate van overeenstemming tussen de maatschappelijke gevolgen van langdurige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid - de uitkeringsregimes voor werklozen en voor arbeidsongeschikten zoveel mogelijk naar elkaar toe te buigen. Gegeven het feit dat thans geen voorstellen worden gedaan tot beperking van de duur van de loongerelateerde uitkering bij medisch-arbeidskundige arbeidsongeschiktheid, is de vraag hoe op dit moment reeds ook op het terrein van de uitkeringsduur de verschillende regimes dichter bij elkaar kunnen worden gebracht.
    
rblz.|22| De in de SER en door de VNG ingenomen standpunten ter zake van de uitkeringsduur bij werkloosheid zijn hierboven reeds beschreven. In veel van die standpunten heeft verbetering van de uitkeringsrechten voor langdurig werklozen de hoogste prioriteit. Die prioriteitstelling leidt dan tot een keus voor een onbeperkte duur van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid. Wij zijn - met onder andere de meerderheid van de kroonleden - van oordeel dat een keus voor een dergelijk systeem niet de beste keus is. Nog afgezien van de kosten die een dergelijke keus met zich brengen zou, is een systeem met bij werkloosheid tot het 65ste jaar een loongerelateerde uitkering sociaal-maatschappelijk niet wenselijk, met name omdat zoiets naar ons oordeel zou leiden tot een onaanvaardbare vergroting van het verschil in uitkeringsrechten tussen diegenen die aan het arbeidsproces hebben deelgenomen en diegenen die daaraan, veelal buiten hun schuld, niet toekomen, de redengeving voor dat verschil in uitkeringsrechten, te weten het wel of niet als werknemer hebben gewerkt of - anders gezegd - het gedurende enige tijd verzekerd zijn geweest, verliest immers aan overtuigingskracht naarmate dat werken verder in het verleden ligt.
     Eén en ander leidt ons tot de conclusie dat het recht op een loongerelateerde uitkering bij werkloosheid in ieder geval een in duur beperkt recht zal moeten blijven. Wij voelen ons in dat standpunt - dat ook reeds werd ingenomen in de adviesaanvraag - gesteund door de meeste kroonleden van de SER, door de vertegenwoordigers van de organisaties van ondernemers in de SER en voorts ook door de VNG. Ten aanzien van de duur waarvoor zou moeten worden gekozen, is in de adviesaanvraag het standpunt ingenomen dat een koppeling aan de duur van het arbeidsverleden van betrokkene - voorshands om praktische redenen te benaderen via de leeftijd - de voorkeur verdient. Die voorkeur wordt ingegeven door overwegingen van tweeërlei aard. In de eerste plaats wint de redengeving voor het verschil in uitkeringsrechten tussen ex-werknemers en anderen aan overtuigingskracht naarmate het werknemerschap langer heeft geduurd. Bovendien past een met het arbeidsverleden toenemende duur van de loongerelateerde uitkering goed in de wijze waarop de gedeelde verantwoordelijkheid tussen overheid en bedrijfsleven in een herzien stelsel gestalte zou moeten krijgen, in die zin dat de primaire verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven - sociale partners - meer de nadruk krijgt naarmate de uitkeringsgerechtigde langer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen.
     De gedachte van het leggen van een zeker verband tussen de duur van het arbeidsverleden en de inhoud van het recht op uitkering heeft in de in het SER-advies van 29 juni 1984 opgenomen standpunten op uiteenlopende wijze weerklank gevonden.
     Alleen in de alternatieven ontwikkelt door het CNV en door een minderheid van de kroonleden speelt een dergelijk verband in het geheel geen rol. In de voorstellen van de zijde van de VNG is de rol van de rol van de leeftijd slechts beperkt doordat - aanhakend bij de bestaande situatie - een cesuur wordt aangebracht bij de leeftijd van 57,5 jaar. In de voorstellen van de zijde van de FNV is de duur van het arbeidsverleden niet van invloed op de duur van het uitkeringsrecht, maar wel op het niveau van de uitkering waarop bij werkloosheid recht bestaat. De FNV acht een differentiatie in de hoogte van de werkloosheidsuitkering gewenst mede gezien de geringere kansen van oudere werknemers op de arbeidsmarkt. Zo'n differentiatie betekent ook dat degenen die langdurig premie hebben betaald daaraan - zij het in bescheiden mate - extra uitkeringsrechten kunnen ontlenen.
     In de systematiek voorgesteld door de FNV bedraagt het uitkeringspercentage voor diegene die nog geen vijf jaar arbeidsverleden heeft steeds 70. Voor wie deze grens wel heeft overschreden, loopt dat percentage met de leeftijd op tot 80 voor werklozen tussen 60 en 65 jaar.
    
rblz.|23| In de voorstellen van de vakcentrale MHP wordt een verband gelegd tussen arbeidsverleden en leeftijd en de duur en niveau van de loongerelateerde uitkering. Deze factoren zijn bepalend voor het tempo waarin de loongerelateerde uitkering wordt verminderd van 70% naar 65% van het laatstverdiende loon en voor het tijdstip waarop de werkloze geconfronteerd wordt met een toets op het inkomen van zijn partner.
     In de uitkeringsregeling bij werkloosheid zoals die wordt voorgesteld door de vertegenwoordigers van de organisaties van ondernemers is het arbeidsverleden - voorshands via een fictie: de leeftijd - bepalend, niet alleen voor het uitkeringsniveau (oplopen van 60% tot 70%), maar ook voor de uitkeringsduur. Dit laatste geldt ook voor het stelsel voorgesteld door de meerderheid van de kroonleden dat voor de precieze invulling van de relatie uitkeringsduur/leeftijd verwijst naar de invulling door het kabinet in de adviesaanvraag.
     Het vorenstaande in aanmerking genomen, zijn wij van oordeel dat - uitgaande van ons hierboven toegelichte standpunt dat het recht op een aan het loon gerelateerde uitkering bij werkloosheid van beperkte duur moet zijn - voor een koppeling van die duur aan het arbeidsverleden en/of de leeftijd van de uitkeringsgerechtigde voldoende argumenten bestaan.
     Bij de voorgestelde uitkeringsduur per leeftijdsgroep zal de gemiddelde uitkeringsduur voor alle leeftijdsgroepen tezamen uitkomen op ongeveer tweeënhalf jaar. Uitgaande van cijfers over aantallen uitkeringsgerechtigden krachtens de WW en de WWV in 1984, bedroeg het aandeel van de leeftijdsgroepen met een uitkeringsduur van maximaal tweeënhalf jaar (dus 44 jaar en lager) circa 70%. De gemiddelde uitkeringsduur van deze groep bedroeg toen 1,6 jaar. De leeftijdsgroepen met een uitkeringsduur van meer dan tweeënhalf jaar (45-65 jaar) maakten circa 30% uit van het totale bestand. De gemiddelde duur voor deze groep bedroeg 3,8 jaar.
     Wij zijn, overeenkomstig de adviesaanvraag, van oordeel dat gegeven ook de financiële mogelijkheden een langere uitkeringsduur dan gemiddeld rond de tweeënhalf jaar niet mogelijk is. Het in de adviesaanvraag opgenomen schema beginnend met ten hoogste een halfjaar recht op een loongerelateerde uitkering voor werklozen jonger dan 23 jaar met halve jaren tegelijk oplopend tot vier jaar voor werklozen van 55 tot en met 59 jaar en vervolgens tot ten hoogste vijf jaar voor werklozen van 60 jaar of ouder, past goed in deze visie. Voor werklozen tot en met 59 jaar wordt deze periode in de adviesaanvraag - en in de voorliggende voorstellen gebeurt dat ook - nog verlengd met één jaar individueel recht op een uitkering op sociaalminimumniveau (tussenfase).
     Volledigheidshalve zij er hier op gewezen dat deze termijnen, als het gaat om de werkloosheidscomponent, die het kabinet niet langer in de arbeidsongeschiktheidsuitkering wil verdisconteren, verlengd moet worden met het jaar waarover voorafgaande aan de toetreding tot WAO en AAW recht op ziekengeld bestaat. Op zichzelf genomen zou dit verschil opgevat kunnen worden als een verschil in behandeling tussen werklozen die tevens gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en werklozen voor wie dat niet geldt. Dit verschil echter kan naar ons oordeel niet eerder worden weggenomen dan ter gelegenheid - in de verder verwijderde toekomst - van de invoering van één loondervingswet. Het verschil zou in een eerder stadium kunnen worden verkleind door de maximumduur van de ZW - en daarmee de wachttijd van de WAO/AAW - te beperken tot een halfjaar. De wenselijkheid van een dergelijke bekorting is op dit moment nog niet in die mate onderzocht dat alle daarmee samenhangende problemen in kaart zijn gebracht. In het voorliggende pakket maatregelen stelselherziening is een dergelijk voorstel dan ook niet opgenomen.


2.4.3. De arbeidsverledeneis voor recht op uitkering langer dan een halfjaar

     Mede in verband met hetgeen de SER hieromtrent opmerkt, is de vraag gerezen in hoeverre reeds nu een stap kan worden gemaakt in de richting rblz.|24| van het koppelen van de uitkeringsduur aan het arbeidsverleden van de uitkeringsgerechtigden. In verschillende in het SER-advies van 29 juni 1984 opgenomen standpunten is sprake van verscherpte toetredingseisen doordat naast de gewone referte-eis de eis wordt gesteld van een arbeidsverleden van een zekere duur.
     In de standpunten ingebracht door de kroonleden van de SER wordt een toelatingseis van vijf verzekerde jaren voorgesteld. Ook in het MHP-standpunt komt een soortgelijke gedachte voor. Het standpunt van de ondernemersleden en drie kroonleden komt er - zolang de relatie tussen arbeidsverleden en uitkeringsduur nog niet volledig kan worden gelegd -op neer dat bij minder dan drie jaar onafgebroken verzekering, ongeacht de leeftijd, gedurende minder dan zes maanden recht op werkloosheidsuitkering bestaat.
     Zoals ook al is gesteld in de toelichting bij wetsvoorstel 18 849 (invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen en wijziging van de duur van de WWV-uitkering) komt de door de meerderheid van de kroonleden voorgestane entree-eis van vijf jaar werken het kabinet als maatschappelijk niet aanvaardbaar voor. Wie na bijna vijf jaar werken werkloos wordt, zou direct aangewezen raken op bijstand met de daarbij behorende inkomens- en vermogenstoets.
     In genoemde toelichting werd voorts gesteld dat wel aanvaardbaar zou zijn een systematiek die meer aansluit bij de gedachten ontwikkeld door de ondernemersleden. Die zou erop neerkomen dat in die gevallen waarin - ongeacht de leeftijd van betrokkene - een arbeidsverleden van een zekere duur niet is gehaald, slechts ten hoogste recht bestaat op loondervingsuitkering van zes maanden. Destijds werd voorgesteld aan te sluiten bij de systematiek die voor jongere werklozen al gold ingevolge de WWV: tweeënhalf jaar werken in de drie jaar voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid. Dat voorstel is, mede op aandrang van het parlement, teruggenomen, omdat in de destijds beschikbare, korte tijd, geen aanvaardbare oplossing kon worden geformuleerd voor een drietal praktische problemen, te weten:
- het feit dat de werknemers in sommige bedrijfstakken (in dit verband wordt veelal de bouw genoemd) regelmatig met relatief korte werkloosheidsperioden worden geconfronteerd, welke perioden in de loop van drie jaar bij elkaar in veel gevallen meer dan een halfjaar zouden belopen;
- het feit dat met name herintredende gehuwde vrouwen in veel gevallen niet aan de gestelde eis zouden voldoen;
- het feit dat werkhervatting in bepaalde omstandigheden ertoe zou kunnen leiden dat bij opvolgende werkloosheid geen recht op WWV-uitkering zou bestaan, terwijl dat recht bij de primaire werkloosheid wel bestond.
     Bij amendement is het genoemde wetsvoorstel destijds zo gewijzigd dat voor werknemers tot 35 jaar de voor die groep met de leeftijd oplopende uitkeringsduur ingevolge de WWV nog met een halfjaar wordt verlengd indien de werknemer aantoont in de laatste zes jaar ten minste viereneenhalf jaar een niet-bijkomstige dienstbetrekking te hebben gehad. Van de drie hiervoor gesignaleerde praktische problemen werd bij die gelegenheid alleen aan het eerstgenoemde enigszins tegemoetgekomen doordat in plaats van een marge van een halfjaar - het oorspronkelijke voorstel van tweeënhalf uit drie - een marge van anderhalf jaar ontstond. In het verlengde van de gedachten die aan dit amendement ten grondslag lagen, wordt in de voorliggende Werkloosheidswet voorgesteld eveneens een arbeidsverledeneis op te nemen. Daaraan moet zijn voldaan, wil recht bestaan op een uitkering gedurende langer dan een halfjaar. Bij de uitwerking daarvan is naar ons oordeel voor alle drie de genoemde praktische problemen een aanvaardbare oplossing gevonden. Voorgesteld wordt een arbeidsverledeneis van drie uit vijf jaren. Aan de problematiek van de bedrijfstakken met veelvuldig korte werkloosheidsperiodes wordt tegemoetgekomen doordat eerst als de perioden zonder dienstbetrekking tezamen langer dan twee jaar hebben geduurd de arbeidsverledeneis niet wordt gehaald. Daarnaast kan erop
rblz.|25| worden gewezen dat in die bedrijfstakken waarin daaraan behoefte bestaat ook aanvullende regelingen kunnen worden overeengekomen waaraan degenen die deze eis niet halen ook na een halfjaar werkloosheid nog rechten kunnen ontlenen.
     Aan het hierboven als tweede genoemde bezwaar wordt tegemoetgekomen door een regeling ter zake van het meetellen van perioden gedurende welke niet is gewerkt in verband met de verzorging van kleine kinderen. In paragraaf 2.5.3 wordt hierop nog teruggekomen.
     Het derde probleem wordt ondervangen door een regeling die voorkomt dat men door werkhervatting in een slechtere uitkeringspositie kan komen te verkeren dan waarin men zonder werkhervatting zou hebben verkeerd.
     Uitgewerkt als hierboven aangeduid, is de voorgestelde aanvullende arbeidsverledeneis een regeling die voorkomt dat al te eenvoudig een recht op relatief langdurige werkloosheidsuitkering in het leven kan worden geroepen. Jongeren die wegens hun leeftijd alleen al korter aan het arbeidsproces hebben deelgenomen, zullen derhalve recht op een uitkering van kortere duur hebben dan ouderen van wie wordt aangenomen dat zij langer in het arbeidsproces opgenomen zijn geweest.
     Ten opzichte van de voorstellen in de adviesaanvraag levert het stellen van deze eis een additionele besparing op. In hoofdstuk 5 wordt op de omvang hiervan nader ingegaan. Deze bepaling is mede nodig in verband met de voorstellen van het kabinet ter verbetering van de positie van oudere langdurig werklozen waaraan in vergelijking met de jongeren de voorkeur wordt gegeven. Deze voorstellen worden hierna in het kort besproken.


2.4.4. De oudere, langdurig werklozen

     Zoals hierboven bleek, wordt in een aantal van de in het advies van de SER van 29 juni 1984 ingenomen standpunten bij werkloosheid voorzien in een loongerelateerde uitkering van onbeperkte duur. Het spreekt vanzelf dat in die standpunten geen aandacht wordt besteed aan de vraag op welk type uitkering recht zou moeten bestaan na afloop van de periode met de loongerelateerde uitkeringen. Dat ligt anders als het gaat om die standpunten waarin het recht op de loongerelateerde uitkering in duur wordt beperkt. Te denken valt daarbij aan de standpunten van de vertegenwoordigers van de ondernemers, de meerderheid van de kroonleden en dat van de CNV voor zover betreffende de korte termijn. Te denken valt voorts aan het voorstel van de zijde van de VNG.
     Voor al deze standpunten geldt dat wordt voorkomen dat betrokkene na afloop van de loondervingsfase zonder meer aangewezen raakt op de bijstand inclusief de daaraan inherente vermogenstoets.
     De organisaties van ondernemers stellen voor de werkloze werknemer die de voor hem geldende maximumuitkeringsduur in de loondervingsfase heeft bereikt vervolgens toe te laten tot een speciale loondervingsvoorziening ter hoogte van het individuele sociaalminimumniveau. Bij deze loondervingsvoorziening zou geen toets op het vermogen dienen plaats te vinden, maar wel op het inkomen uit arbeid of vermogen van betrokkene en van zijn of haar partner.
     Het CNV stelt voor om in de in het standpunt van die organisatie voorziene voorlopige situatie met een loongerelateerde uitkering bij werkloosheid gedurende vier jaar, na afloop van die vier jaar betrokkene in aanmerking te brengen voor een uitkering op individueel minimumniveau, waarbij uitsluitend een toetsing op het inkomen uit arbeid van betrokkene of van zijn of haar partner plaatsvindt.
     Het standpunt van de meerderheid van de kroonleden voorziet in een tussenfase van één jaar conform de adviesaanvraag. Daarna raakt betrokkene aangewezen op een bijstandsuitkering, waarbij dit deel van de SER ervoor pleit de vermogenstoets te laten vervallen wanneer de verzekeringsuitkering na het 54ste jaar wordt beëindigd.
    
rblz.|26| In de voorstellen van de VNG wordt voorzien in een voorziening voor die werklozen die niet (meer) terug kunnen vallen op de werknemersverzekering. De hoogte van de uitkering op grond van deze voorziening wordt gerelateerd aan het sociaal minimum. Gedurende het eerste jaar vindt een toets plaats naar inkomen van individu en partner, eventueel van anderen in de leefeenheid. Deze fase zou kunnen worden verlengd voor oudere werklozen met een lang arbeidsverleden. Wie de referte-eisen niet heeft gehaald - bijvoorbeeld een schoolverlater -, komt niet voor deze uitkering in aanmerking. Op de hier bedoelde fase volgt een fase met een toets naar inkomen én vermogen van het individu en de partner, eventueel van anderen in de leefeenheid. Deze fase duurt in principe voort tot de pensioengerechtigde leeftijd.
     Het is uit het vorenstaande wel duidelijk dat met name verbetering van de positie van oudere werklozen in die zin dat zij niet meer in aanraking komen met de vermogenstoets van de bijstand (de eigenhuisproblematiek) maatschappelijk hoge prioriteit heeft. Wij zijn het met die prioriteitsstelling eens. In verband daarmee wordt de invoering voorgesteld van een
Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers. In de toelichting bij het betrokken wetsvoorstel wordt op strekking en uitwerking daarvan ingegaan. Hier is van belang te vermelden dat het voorstel diegenen die werkloos worden als zij 50 jaar of ouder zijn en die op dat moment voldoen aan de voorwaarden voor het recht op werkloosheidsuitkering en aan de arbeidsverledeneis, ook na afloop van de uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet vrijwaart van de werking van de vermogenstoets. Het zal duidelijk zijn dat dit voorstel additionele uitgaven met zich brengt ten opzichte van het beeld zoals dat in de adviesaanvraag is geschetst. Realisering van dit voorstel is dan ook gekoppeld aan de invoering van de arbeidsverledeneis, die, zoals gezegd, ten opzichte van de adviesaanvraag leidt tot additionele besparingen.


2.4.5. Werkloos of onvrijwillig werkloos

     In hoofdstuk 8 van de adviesaanvraag werd de vraag besproken of het aanbeveling verdiende te streven naar één loondervingsregeling bij werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Ten aanzien van de vraag of als stap in die richting een integratie van WW en WWV kon worden overwogen, werd gesteld dat een dergelijke stap voor de hand zou liggen indien de toelatingscriteria voor beide regelingen gelijk zouden kunnen worden. In dat verband werd overwogen over te gaan tot toepassing van het criterium "onvrijwillige werkloosheid" voor de gehele loondervingsfase bij werkloosheid. Voor de tussenfase zou het criterium "werkloosheid" moeten worden gehanteerd. Toepassing van het criterium van onvrijwillige werkloosheid zou kunnen worden beschouwd als een additionele ombuigingsmogelijkheid. Juist de invoering van de tussenfase maakte, aldus de adviesaanvraag, dat de toepassing van het criterium van onvrijwillige werkloosheid voor de gehele loondervingsfase ook inhoudelijk vanuit de structurele stelselherziening verdedigbaar was. Door die tussenfase worden de individuele uitkeringsrechten bij werkloosheid gemiddeld in duur verlengd. Het beschreven verschil in toelatingscriterium zou leiden tot een toespitsing van de criteria voor dat individuele recht doordat voor de loondervingsfase striktere criteria gelden dan voor de tussenfase.
     Uit het advies van de SER van 29 juni 1984 blijkt dat de Raad unaniem de voorkeur geeft aan toepassing van het werkloosheidscriterium zoals dat thans in de WWV wordt gehanteerd voor de gehele loondervingsfase. De Raad overweegt in dit verband dat het werkloosheidscriterium van de WW althans voor langer lopende uitkeringen een te rigide karakter heeft, terwijl het werkloosheidscriterium van de WWV de mogelijkheid biedt om op soepele wijze rekening te houden met alle voor de verwijtbaarheid van de werkloosheid van belang zijnde omstandigheden.
    
rblz.|27| Deze unanieme voorkeur van de SER is voor ons aanleiding geweest de hierboven beschreven stellingname in de adviesaanvraag opnieuw in overweging te nemen. Bij die overwegingen hebben wij ook betrokken de systematiek zoals die op dit punt werd behandeld in de nadere taakopdracht aan de ambtelijke projectgroep integratie werkloosheidsregelingen van augustus 1980 en voorts de vraag welk gevolg de beslissing onvrijwillig werkloos dan wel niet-onvrijwillig werkloos heeft in de verschillende denkbare systemen.
     In de huidige situatie heeft een beslissing van de bedrijfsvereniging dat iemand niet-onvrijwillig werkloos is tot gevolg dat de maximumduur van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid ingevolge de WW en WWV van - over het algemeen - tweeënhalf jaar wordt teruggebracht tot twee jaar. Tot 1 januari 1985 betekende een dergelijke beslissing ook een zekere verlaging van het uitkeringsniveau gedurende het eerste halfjaar van werkloosheid. Besluit ook het gemeentebestuur tot niet-onvrijwillige werkloosheid, dan is dat bestuur vervolgens in belangrijke mate vrij te bepalen welke gevolgen het daaraan wil verbinden.
     In de hiervoor genoemde nadere taakopdracht werd uitgegaan van werkloosheid als toelatingscriterium voor de basisvoorziening en van onvrijwillige werkloosheid als toelatingscriterium voor de aanvullende regeling. In een dergelijke situatie zou de beslissing van het uitvoeringsorgaan om iemand als niet-onvrijwillig werkloos te beschouwen ertoe leiden dat betrokkene vanaf het begin van zijn werkloosheid niet meer uitkering zou ontvangen dan tot het niveau van het sociaal minimum, in het voorliggende wetsontwerp is - anders dan in de nadere taakopdracht - niet gekozen voor een tweetrajectensysteem, maar voor één ongedeelde loondervingsuitkering bij werkloosheid.
     Bij invoering van de regeling als beschreven in de adviesaanvraag zou een beslissing van de bedrijfsvereniging dat iemand niet-onvrijwillig werkloos is, betekenen dat het uitkeringsrecht van betrokkene met een halfjaar tot vijf jaar wordt bekort, afhankelijk van zijn leeftijd, en dat betrokkene direct aangewezen raakt op de vervolguitkering op sociaalminimumniveau.
     Wij menen bij nader inzien dat de SER een dergelijke systematiek terecht als te rigide heeft gekenschetst. Wij volgen in dit wetsvoorstel dan ook in beginsel het standpunt van de SER dat als toelatingscriterium moet gelden het criterium van werkloosheid.
     Dat betekent dat voor het recht op loondervingsuitkering en voor het recht op vervolguitkering op dit punt een gelijk toelatingscriterium geldt, hetgeen de doorzichtigheid van de regelingen ten goede komt.
     Niet-onvrijwillige werkloosheid leidt aldus niet zonder meer tot het vervallen van het recht op de loondervingsuitkering, doch leidt wel tot sanctietoepassing door de bedrijfsvereniging. In de wettekst is daarbij gekozen voor de term "verwijtbare werkloosheid" in de plaats van "niet-onvrijwillige werkloosheid". Wij menen dat er alle aanleiding is de aan sanctietoepassing in beginsel inherente beleidsmarge van de bedrijfsverenigingen tot op zekere hoogte te beperken. Gekozen is voor normering van de toe te passen sanctie in die zin dat bij verwijtbare werkloosheid de sanctie ten minste in moet houden dat aan betrokkene geen uitkering mag worden uitbetaald die hoger is dan de vervolguitkering, dat wil zeggen 70% van het minimumloon. Aan de bedrijfsvereniging wordt echter overgelaten om te bezien of in verband met de meer of mindere verwijtbaarheid van de werkloosheid moet worden overgegaan tot een minder vergaande sanctietoepassing, op het punt van niveau of duur. Aldus wordt de facto een situatie bereikt die vergelijkbaar is met de situatie die zou zijn ontstaan bij doorvoering van de hierboven beschreven systematiek van de nadere taakopdracht.

rblz.|28| 

2.5. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sfeer van de werkloosheidsverzekering


2.5.1. Inleiding

     In de adviesaanvraag werd gesteld dat het doel van de stelselherziening onder meer was het realiseren van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De SER heeft die doelstelling onderschreven, de Emancipatieraad - uiteraard - ook. In het onderhavige wetsontwerp is die gelijke behandeling gerealiseerd. Mannen en vrouwen hebben op gelijke wijze recht op uitkering. Toetsen op inkomen van anderen dan de uitkeringsgerechtigde spelen in dit voorstel geen rol. Er is sprake van volledige individualisering, dat wil zeggen dat wordt voldaan aan alle elementen van de individualiseringseis, zoals die door de Emancipatieraad [ER, red.] in zijn advies van 17 augustus 1984 worden geschetst. Dat kan niet worden gezegd van de voorgestelde Toeslagenwet en ook niet van de Algemene Bijstandswet en de voorgestelde Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers. Deze regelingen zijn in die zin niet geïndividualiseerd dat de toeslagen, de bijstand of de uitkering niet onafhankelijk van het overige inkomen in de leefeenheid zullen worden verstrekt. Op de redenen waaraan in de sfeer van deze op de minimumbehoeftefunctie van de sociale zekerheid gebaseerde regelingen niet aan de opvattingen van de ER - wat betreft de bijstand een deel van de ER - kan worden tegemoetgekomen, wordt uitvoerig ingegaan in de toelichtingen bij de betrokken wetsvoorstellen. Wat betreft de voorliggende nieuwe Werkloosheidswet zijn uit emancipatoir oogpunt vooral van belang de vervolguitkering, de uitwerking van de hier vooral [lees: hiervoor al, red.] beschreven arbeidsverledeneis en de behandeling van enkele bijzondere groepen op wier positie vooral door de ER de aandacht is gevestigd. Hetgeen omtrent die bijzondere groepen wordt voorgesteld, komt aan de orde in paragraaf 3.3 over de kring van verzekerden. Hier is van belang te vermelden dat dit wetsvoorstel erop is ingericht deeltijdwerkers op dezelfde wijze te behandelen als voltijdwerkers. Ook hierop wordt in hoofdstuk 3 nog teruggekomen.


2.5.2. De vervolguitkering

     Het is duidelijk dat het antwoord op de vraag of direct na de loondervingsfase een volledige toets op het gezinsinkomen moet plaatsvinden nauw verband houdt met de mate waarin men individualisering van uitkeringsrechten wenselijk acht. In de adviesaanvraag heeft het kabinet, in lijn met zijn streven naar een aanpassing van het stelsel aan de veranderende maatschappelijke opvattingen over de rol van man en vrouw in gezin en maatschappij, uitgesproken dat zoveel mogelijk moet worden gestreefd naar individualisering van uitkeringsrechten. Een zo lang mogelijk uitstellen van de toetsing aan het inkomen van een ander dan de uitkeringsgerechtigde past in dat streven. Zodra een dergelijke toets wordt toegepast, wordt het recht op uitkering immers mede afhankelijk van het inkomen van de partner in de leefeenheid waartoe de uitkeringsgerechtigde behoort. De in de adviesaanvraag voorgestelde tussenfase van één jaar bij werkloosheid had mede ten doel een vloeiende overgang te bereiken tussen de regelingen op grond van de loondervingsfunctie en die op grond van de minimumbehoeftefunctie, door uitstel van toepassing van de inkomenstoets op de volledige uitkering. Voorkomen moet worden dat mensen reeds snel na het verlies van het eigen arbeidsinkomen volledig financieel afhankelijk worden van hun eventuele partner. Een tussenfase van één jaar, gevoegd bij het hiervoor al genoemde leeftijdsschema voor de duur van de loongerelateerde uitkering, betekent voor werklozen dat gemiddeld één jaar later dan nu het geval is de middelentoets in beeld komt. Het gaat daarbij om een gemiddelde, want de loondervingsperiode wordt met name voor jongere werklozen bekort.
    
rblz.|29| Een tussenfase van één jaar betekent ook een stap in de richting van een stelsel van sociale zekerheid dat zo is ingericht dat financieel niet van elkaar afhankelijke partners in een leefeenheid ook bij werkloosheid financieel onafhankelijk blijven. De tussenfase wordt door de Emancipatieraad dan ook zeer positief beoordeeld.
     Aan de doelstelling van de tussenfase doet naar ons oordeel niet af dat van voortzetting van het recht op uitkering in die fase moet zijn voldaan aan de eis van drie jaar arbeidsverleden in de laatste vijf jaar, zeker niet nu wordt voorgesteld ook verzorgingsperioden voor de helft mee te tellen (het hieronder nader te bespreken verzorgingsforfait). Een tussenfase van één jaar betekent uiteraard niet het einde van de ontwikkeling in de richting van een geïndividualiseerd stelsel. Op de vraag wanneer een verlenging van de tussenfase in overweging kan worden genomen, is in paragraaf 1.2 reeds ingegaan. Daar is opgemerkt dat wanneer in de toekomst financiële ruimte ter verbetering van socialezekerheidsrechten beschikbaar komt, deze ruimte met voorrang zal worden gebruikt voor een verlenging van deze tussenfase of voor een verlaging van de toetredingsleeftijd tot de Iow.


2.5.3. Het verzorgingsforfait

     De Emancipatieraad heeft zich, met name in zijn interim-advies van 12 april 1984, in negatieve zin uitgelaten over het voornemen van het kabinet om op termijn van het leeftijdscriterium over te gaan op het criterium arbeidsverleden. Dit criterium zou betekenen het invoeren van een nieuwe indirecte discriminatie van vrouwen, omdat die doorgaans een aanzienlijk korter arbeidsverleden hebben dan mannen.
     De invoering van een arbeidsverledeneis betekent in feite dat reeds per 1 mei 1986 deels het arbeidsverledencriterium wordt geïntroduceerd. Wij hechten daaraan - zoals al eerder gezegd - vooral omdat op die wijze wordt voorkomen dat met een betrekkelijk kort arbeidsverleden relatief langdurige uitkeringsrechten kunnen worden verworven. Dat neemt niet weg dat het door de ER gesignaleerde gevaar van een koppeling aan het arbeidsverleden inderdaad bestaat. Met name het feit dat vooral vrouwen hun deelname aan het arbeidsproces onderbreken met het oog op de verzorging van kinderen heeft tot gevolg dat zij in meer gevallen dan mannen niet aan de arbeidsverledeneis zullen kunnen voldoen.
     Wij menen met de voorgestelde regeling ter zake van het voor de helft meetellen van periodes besteed aan de verzorging van kinderen - een forfaitaire regeling, die overigens voor mannen en vrouwen gelijkelijk geldt - op zo evenwichtig mogelijke wijze aan deze bezwaren tegemoet wordt gekomen. Vermeden wordt hierdoor ook dat een nadeel voor vrouwen dat zonder verzorgingsforfait zou bestaan, omslaat in een voordeel doordat juist vanwege dat verzorgingsforfait in veel gevallen te gemakkelijk aan de arbeidsverledeneis zou kunnen worden voldaan.

 

3. De hoofdlijnen van het wetsvoorstel


3.1. Inleiding


     Dit hoofdstuk bevat een nadere uitwerking op hoofdlijnen van de in dit wetsvoorstel geregelde werkloosheidsverzekering. De volgorde die daarbij wordt aangehouden, komt overeen met die van de wettekst. In de hiernavolgende paragrafen zullen aan de orde komen:
3.2. De systematiek van
de wet;
3.3. De personenkring van de wet;
3.4. De voorwaarden voor het recht op uitkering;
3.5. Het geldend maken van het recht op uitkering;
3.6. De betaling van de uitkering;
rblz.|30| 3.7. De bijzondere bepalingen met betrekking tot de loondervingsuitkering;
3.8. De vervolguitkering en doorwerking van de keuze met betrekking tot het niveau;
3.9. De vrijwillige verzekering;
3.10. De overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij betalingsonmacht van de werkgever;
3.11. De toekenning van bijdragen aan havenbedrijven;
3.12. De voorzieningen; en
3.13. De uitvoering van de wet.

 

3.2. De systematiek van de wet


3.2.1. Inleiding


     Bij de vormgeving van de thans voorliggende wetsvoorstellen is dankbaar gebruik gemaakt van de resultaten van het werk van de Staatscommissie vereenvoudiging en codificatie van de socialezekerheidswetgeving.
     Met de vereenvoudigings- en codificatiearbeid van de staatscommissie werd beoogd: het onderbrengen van het socialezekerheidsrecht in een kader dat door een functionele opbouw en systematiek, door het gebruik van eenduidige begrippen een goed instrument is voor alle personen en instanties die bij de sociale zekerheid zijn betrokken.
     De door de staatscommissie ontwikkelde juridische systematiek heeft voor zover mogelijk tot voorbeeld gediend voor dit wetsvoorstel en de Toeslagenwet. Niet op alle punten konden overigens de aanbevelingen van de staatscommissie gevolgd worden. Enerzijds is dit het gevolg van de wijziging van de werkloosheidswetgeving zoals die voortvloeit uit de stelselherziening. Anderzijds wordt dit veroorzaakt door het feit dat de aanbevelingen van de staatscommissie meer omvattend zijn dan alleen voorstellen met betrekking tot de werkloosheidsregelingen. De onderlinge samenhang tussen de onderscheiden socialezekerheidsregelingen en met name die tussen de werknemersverzekeringen brengt beperkingen met zich. De belangrijkste beperking manifesteert zich in de vormgeving van de personenkring. Hoewel er alles voor te zeggen is op dit punt meer in de formele wet vast te leggen en delegatie van regelgeving tot een minimum te beperken, verzet de samenhang met de personenkring van de ZW en de WAO zich op dit moment tegen een andere vormgeving.
     In een later stadium, bijvoorbeeld bij een afzonderlijke juridisch-technische exercitie specifiek gericht op vereenvoudiging van de socialezekerheidsregelingen, zal in volle omvang aan de resultaten van het werk van de staatscommissie kunnen worden besteed [lees: aandacht kunnen worden besteed, red.]. Vanwege het belang van een goed inzicht in de aan de concrete uitwerking van de uitkeringsregeling ten grondslag liggende systematiek wordt onderstaand op hoofdlijnen daaraan nader aandacht besteed. De ondoorzichtigheid van het huidige stelsel vindt mede haar oorzaak in de niet-consistente uitwerking van die systematiek. Voor de toekomst dient dit te worden voorkomen. Helderheid over de systematiek en uniformiteit in de begrippen is daartoe een onmisbaar vereiste.
     Kenmerkend voor de door de staatscommissie voorgestelde uniforme systematiek, die in dit wetsvoorstel is aangehouden, is dat in het proces dat uiteindelijk kan leiden tot het ontvangen van een socialezekerheidsuitkering drie hoofdmomenten worden onderscheiden, te weten het ontstaan van het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van uitkering. Bij het ontstaan van de verschillende socialezekerheidsregelingen heeft deze systematische indeling op de achtergrond meegespeeld. Zij is echter nooit geëxpliciteerd, met het gevolg dat in de loop der jaren onduidelijkheid en diversiteit in de regelgeving is ontstaan en dat onnodig veel variaties in terminologie, zowel in de verschillende regelingen als binnen één regeling zijn ontstaan. Met het thans voorliggende
rblz.|31| wetsvoorstel en in de voorgestelde Toeslagenwet wordt, voor zoveel dat in het bestek van twee wetsvoorstellen mogelijk is, een stap in de richting gezet naar een terminologisch duidelijke, systematisch consistente en logische regeling.
     Wat betreft de terminologie betekent dit dat één begrip slechts één betekenis heeft en niet voor meer doeleinden wordt gebruikt. Wat betreft de systematiek betekent dit dat overeenkomstig vorengenoemde hoofdmomenten in het proces met betrekking tot de uitkering de wet is opgebouwd. Hierna wordt nader op deze hoofdmomenten ingegaan.


3.2.2. Het ontstaan van het recht op uitkering

     Naar geldend recht kan het recht op uitkering op twee manieren ontstaan, te weten van rechtswege of door toekenning. In verreweg de meeste gevallen ontstaat een recht op uitkering van rechtswege. Een recht op uitkering ontstaat van rechtswege doordat wordt voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt voor het ontstaan van dat recht (bijvoorbeeld: een werknemer wordt werkloos). Het recht dat ontstaat, kan, in aansluiting bij de in de fiscale literatuur gebruikte terminologie, aangeduid worden als een "materieel" recht. Betrokkene kan zijn uitkering nog niet opeisen. Dat kan pas zodra het bestaan van dat recht door het uitvoeringsorgaan is vastgesteld. Die vaststelling zet het "materiële" recht om in een formeel (opeisbaar) recht. Zij is enerzijds constaterend van aard en anderzijds ook rechtscheppend. Door deze vaststelling ontstaat immers voor betrokkene een vorderingsrecht en voor het uitvoeringsorgaan een betalingsverplichting.
     Het bestaan en de omvang van het vorderingsrecht en de betalingsverplichting worden in eerste instantie door de vaststelling bepaald, onafhankelijk van de vraag naar de "materiële" juistheid van die vaststelling. De rechtsgevolgen van een onjuiste vaststelling zijn de volgende. Wijkt het formele recht af van het materiële recht, dan zal betrokkene een nieuwe vaststelling door het uitvoeringsorgaan moeten uitlokken en zo nodig in rechte afdwingen dan wel zal het uitvoeringsorgaan wanneer het die afwijking constateert, tot een nieuwe vaststelling moeten overgaan. Totdat een nieuwe vaststelling heeft plaatsgevonden, wordt (de omvang van) de betalingsverplichting van het uitvoeringsorgaan bepaald door de "oude" vaststelling. Met andere woorden: wordt ten onrechte vastgesteld dat geen recht op uitkering bestaat respectievelijk de inhoud van dat recht ten onrechte bij de vaststelling te hoog gewaardeerd, dan heeft betrokkene tot de nieuwe vaststelling geen vorderingsrecht respectievelijk een vorderingsrecht tot een - vergeleken met zijn materieel recht - te hoog bedrag. Als gevolg van een nieuwe vaststelling heeft betrokkene bij een voor hem gunstige uitkomst een vorderingsrecht over de periode vanaf het van rechtswege ontstaan van het "materiële" recht. Daartegenover staat dat hetgeen het uitvoeringsorgaan op basis van de "oude" vaststelling ten onrechte heeft betaald op grond van het Burgerlijk Wetboek zonder meer als onverschuldigd betaald teruggevorderd zou kunnen worden. De civielrechtelijke mogelijkheden op dit punt worden in de onderscheiden socialezekerheidsregelingen evenwel beperkt, hetgeen in het huidige wetsvoorstel goeddeels wordt overgenomen.
     De vaststelling is tot slot een geheel gebonden rechtshandeling. Indien aan de voorwaarden wordt voldaan of als aan één daarvan niet wordt voldaan, heeft het uitvoeringsorgaan geen beleidsvrijheid. Het zal het al dan niet ontstaan van een recht op uitkering dienen vast te stellen. Dit laat evenwel onverlet dat de inhoudelijke beoordeling van een voorwaarde, bijvoorbeeld of sprake is van werkloosheid, een zekere ruimte voor beleid kan geven. In welke mate dit het geval is, hangt af van de wijze waarop de voorwaarde is omschreven en de jurisprudentie van de rechter.
     Als gezegd, ontstaat een recht op uitkering van rechtswege door het voldoen aan de voorwaarden die de wet ter zake stelt. Deze voorwaarden
rblz.|32| kunnen worden onderscheiden in positieve en negatieve voorwaarden. De positieve voorwaarden verhouden zich tot de negatieve voorwaarden als regel tot uitzondering. De negatieve voorwaarden ontnemen iemand het recht op uitkering. Zij worden aangeduid als uitsluitingsgronden. Op deze plaats zij reeds opgemerkt dat de uitsluitingsgronden niet verward mogen worden met de later te behandelen weigeringsgronden.
     De staatscommissie heeft terecht geconstateerd dat het incidenteel voorkomt dat een recht op uitkering door toekenning ontstaat. Dit betekent, in tegenstelling tot bij het ontstaan van een recht van rechtswege, dat voor het ontstaan van het recht op uitkering de tussenkomst van het uitvoeringsorgaan vereist is. Het gaat derhalve om een rechtscheppende handeling van het uitvoeringsorgaan. In het voorliggende wetsvoorstel en in de voorgestelde Toeslagenwet komt de rechtsfiguur van de toekenning van uitkering of toeslag niet voor, zodat hier van beschouwingen ter zake kan worden afgezien.
     Een recht op uitkering eindigt altijd van rechtswege en wel op het moment waarop niet langer aan de voorwaarden voor het recht op uitkering wordt voldaan of een uitsluitingsgrond van toepassing wordt dan wel op het moment waarop de maximumuitkeringstermijn is bereikt. Tot het moment waarop het recht eindigt, is sprake van een doorlopend recht, ook als de omvang van dat recht (de hoogte van de uitkering) in de loop der tijd wijziging ondergaat. Veranderingen in de omvang van het recht zijn in het algemeen het gevolg van veranderingen in de omstandigheden van de rechthebbende, waardoor het bestaande recht een andere inhoud krijgt. Die verandering van de inhoud van het recht treedt van rechtswege in. Zij vloeit direct voort uit de wet. Er is dus geen rechtscheppende handeling van het uitvoeringsorgaan vereist. Een beslissing tot herziening of tot intrekking van een uitkering heeft geen andere betekenis dan de vaststelling dat de inhoud van het recht verandert respectievelijk dat het recht eindigt.
     Het gaat derhalve in beide gevallen om een vaststelling, net als bij het ontstaan van het recht.


3.2.3. Het geldend maken van het recht op uitkering

     In dit kader is een aantal verplichtingen van belang dat moet worden nagekomen om een recht op uitkering geldend te kunnen maken. Een belangrijke verplichting is het indienen van een aanvraag. In feite is dit het vervullen van een noodzakelijke formaliteit om het proces van vaststelling op gang te brengen.
     Daarnaast geldt voor de uitkeringsgerechtigde een aantal verplichtingen dat van belang is voor de uitkering. Deze verplichtingen zijn er onder meer op gericht te bevorderen dat men zoveel mogelijk voorkomt op uitkering aangewezen te raken en dat men het redelijkerwijs mogelijke doet om een recht op uitkering zo beperkt mogelijk te houden. Het niet naleven van deze verplichtingen heeft geen betekenis voor het ontstaan van het recht op uitkering. Het systeem van de socialezekerheidswetten, waarbij voor betrokkene rechtstreeks uit de wet een recht op uitkering voortvloeit wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, vereist dat deze voorwaarden het karakter hebben van objectieve criteria. Het intreden daarvan behoort niet afhankelijk te zijn van het handelen of nalaten van betrokkene. In casu betreft het voorwaarden met een subjectief karakter.
     Het niet nakomen van deze zogenaamde medewerkingsverplichtingen levert uit oogpunt van een goed gebruik van de sociale zekerheid een verwijtbare gedraging op. In verband daarmee wordt aan het uitvoeringsorgaan in de onderscheiden socialezekerheidsregelingen de mogelijkheid geboden bij wege van administratieve sanctie de uitkering geheel of gedeeltelijk te weigeren. Gedurende de periode dat de uitkering wordt geweigerd, loopt het recht op uitkering normaal door. De weigering betekent niet meer dan dat het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk niet geldend kan worden
rblz.|33| gemaakt. Het thans voorliggende wetsvoorstel bevat een consequente systematiek op dit punt. Indien een uitkeringsgerechtigde een verwijtbare gedraging pleegt, geeft dit het uitvoeringsorgaan de bevoegdheid de betaling van de uitkering (geheel of gedeeltelijk) te weigeren. Gedurende de periode waarover de uitkering wordt geweigerd, blijft het recht op uitkering in stand, doch dat recht kan niet geldend gemaakt worden. Dit voortbestaan van het recht bij weigering heeft ook praktische gevolgen, onder meer voor de berekening van de maximumuitkeringsduur: perioden waarover een uitkering is geweigerd, tellen mee.
     Betreft een bepaalde omstandigheid geen verwijtbare gedraging van betrokkene, doch behoort in verband met die omstandigheid geen uitkering verstrekt te worden, dan is dit in dit wetsvoorstel geregeld bij de uitsluitingsronden. Die omstandigheid vormt dan een belemmering voor het ontstaan van een recht dan wel leidt tot het einde van het recht van rechtswege.
     Het gevolg van vorenstaand systematisch onderscheid is dat een aantal, in de huidige wetgeving onder de weigeringsgronden vallende, omstandigheden in dit voorstel is geregeld bij de uitsluitingsronden en andersom.
     In dit verband verdient de aandacht de in artikel 21 van de WW voorkomende voorwaarde van de onvrijwilligheid van de werkloosheid. De onvrijwilligheid ziet op een handelen of nalaten van betrokkene. Hem treft bij niet-onvrijwilligheid het verwijt dat hij niet gedaan heeft wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd om het ontstaan van werkloosheid te voorkomen. Het gaat hier derhalve om een persoonlijke gedraging en niet om een geobjectiveerde omstandigheid. Ook systematisch bezien is het dus niet juist een dergelijke grond als voorwaarde voor het ontstaan van het recht op te voeren.


3.2.4. De betaling van de uitkering

     Het derde moment in het proces dat leidt tot het ontvangen van een uitkering is de betaling van de uitkering. De betaling voltooit het proces. In deze sfeer horen onder meer thuis bepalingen over de periode waarover betaald moet worden en aan wie betaald moet worden. Hieronder vallen ook de bepalingen inzake het betalen van de uitkering, zonder tussenkomst van de rechthebbende, aan een ander orgaan dan wel de verrekening van de uitkering met een latere uitkering in verband met de onverschuldigdheid van die eerste uitkering. Ook de bepalingen over de samenloop van een uitkering met een andere uitkering of ander inkomen moeten in dit verband worden genoemd. Wat deze verrekeningsbepalingen betreft, is van belang dat een alternatief hiervoor kan zijn het formuleren van een uitsluitingsgrond: recht op de ene uitkering sluit recht op de andere uitkering uit. Een keuze tussen twee methoden is niet zonder belang. De eerste methode leidt ertoe dat een periode van samenloop meetelt voor het berekenen van de maximumuitkeringsperiode. Bij een regeling in het kader van de uitsluitingsronden is dat niet het geval. Een regeling in het kader van de uitsluitingsgronden heeft voorts als nadeel dat zij nogal rigide is: er is sprake van recht op uitkering of er is geen sprake van recht op uitkering.
     De methode van verrekening biedt daarentegen de mogelijkheid meer genuanceerd te werk te gaan: een gedeeltelijke uitkering naast ander inkomen is immers mogelijk. In het wetsvoorstel komen beide methoden voor. Verwezen wordt naar de paragrafen 3.4 en 3.6 van deze memorie.


3.2.5. De opzet van de wet

     Werden hiervoor de belangrijkste systematische aspecten in het proces dat uiteindelijk leidt tot het ontvangen van een uitkering beschreven, hierna volgen enige opmerkingen met betrekking tot de opzet van de wet. Na enige algemene bepalingen, die zijn neergelegd in het eerste hoofdstuk, geeft het tweede hoofdstuk regels inzake de verplichte verzekering van rblz.|34| uitkeringen bij werkloosheid. Uit oogpunt van eenvoud en overzichtelijkheid is ervoor gekozen de bepalingen die zowel voor de loondervingsfase als voor de tussenfase gelden voorop te stellen. Vervolgens komen de specifiek voor de loondervingsfase respectievelijk de tussenfase geldende bepalingen aan de orde. Het hoofdstuk is in verband hiermee onderverdeeld in drie afdelingen. Op deze wijze ontstaat een logische en overzichtelijke indeling van bepalingen die van belang zijn voor het recht op werkloosheidsuitkering
     De hoofdstukken III tot en met V bevatten regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering van uitkeringen bij werkloosheid, de overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever om te betalen en de toekenning van bijdragen aan havenbedrijven. Het gaat in deze hoofdstukken om bijzondere uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet. Hoofdstuk VI bevat bepalingen met betrekking tot de voorzieningen voor werklozen die recht hebben op een uitkering op grond van deze wet. Een aantal artikelen in dit hoofdstuk is nog gereserveerd. Een regeling van de voorzieningen is in het kader van de werkloosheidsverzekering een novum. De WW kent thans immers niet expliciet de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om een werkloze werknemer in aanmerking te brengen voor een voorziening.
     De hoofdstukken VII en VIII bevatten regels inzake de financiering en de uitvoering. In hoofdstuk IX zijn alle bepalingen van procedurele aard samengevoegd. Deze komen thans in de WW en WWV in diverse artikelen, soms min of meer versluierd, voor. De nu gevolgde methode heeft als voordeel dat de delegatiebepalingen van de wet beter leesbaar worden. In het algemeen is de procedure die geldt voor het tot stand komen van een dergelijke regeling voor de gebruiker minder van belang. Het niet volgen van deze procedure heeft namelijk voor de gebruiker geen rechtsgevolgen. De procedurevoorschriften zijn met name van belang voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de SVr, het Algemeen Werkloosheidsfonds en de bedrijfsverenigingen. De hoofdstukken X en XI bevatten tot slot regels inzake het beroep, de straf- en slotbepalingen.

 

3.3. De personenkring


3.3.1. Inleiding

     Een integratie van de WW en de WWV tot één werkloosheidsregeling maakt keuzes noodzakelijk met betrekking tot de personenkring van die regeling, aangezien de personenkring van de WW niet geheel overeenstemt met die van de WWV. Bij de keuzes die ter zake gemaakt zijn, gold als uitgangspunt dat de werkloosheidsregeling een verzekering zal zijn die primair gefinancierd zal worden door premiebetaling.
     In dit verband is het van belang erop te wijzen dat in de adviesaanvraag de vraag is gesteld of er aanleiding is om voor zelfstandigen uitkeringsrechten te regelen binnen de loondervingsverzekering bij werkloosheid. Geconstateerd werd dat de werkloosheid van een zelfstandige twee aspecten heeft. Enerzijds werkt de zelfstandige voor eigen rekening en risico en draagt hij zelf de verantwoordelijkheid voor de sluiting van zijn bedrijf en daaruit voortvloeiende werkloosheid. Aldus bezien is zijn positie niet met die van de werknemer te vergelijken. Anderzijds kan er, net als bij de werkloze werknemer, sprake zijn van ongewilde derving van arbeidsinkomsten. In dat verband vroeg het kabinet aan de SER zijn oordeel over de mogelijkheid om binnen het stelsel van loondervingsregelingen voor zelfstandigen een verplichte werkloosheidsverzekering op minimumniveau tot stand te brengen die gepaard zou moeten gaan met overeenkomstige premiebetaling.
     De SER blijkt in zijn advies van 29 juni 1984 unaniem van oordeel dat het werkloosheidsrisico van zelfstandigen zo zeer samenhangt met beslissingen die betrokkene zelf heeft genomen in het kader van de bedrijfsuitoefening dat dit geen voorwerp kan zijn van verplichte verzekering, een verzekering
rblz.|35| die bovendien naar het oordeel van de Raad uitvoeringsproblemen met zich brengen zou. In dit voorstel van wet hebben wij ons aan dit oordeel van de SER geconformeerd. Zelfstandigen maken dus geen deel uit van de kring van verzekerden.
     In zijn aanvullend advies van 23 augustus 1985 beveelt de SER aan de categorie ex-zelfstandigen in de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers op te nemen, onder een aantal te stellen bijzondere voorwaarden. Hiermee sluit de Raad aan bij zijn advies van 29 juni 1984, waarin hij adviseert werkloze ex-zelfstandigen in aanmerking te laten komen voor een inkomensdervingsregeling op individueel minimumniveau, te financieren uit de algemene middelen. De Raad wijst verder op zijn eerder advies van 15 oktober 1976 inzake opneming van ex-zelfstandigen in de WWV. Het recht op een Iow-uitkering zou voor ex-zelfstandigen dienen in te gaan na een redelijke wachttijd van bijvoorbeeld één jaar na bedrijfsbeëindiging. De Iow zou, aldus de SER, in de plaats kunnen treden van de huidige bedrijfsbeëindigingsregelingen.
     De Raad overweegt dat de ondernemer die als gevolg van een noodgedwongen beëindiging van zijn zelfstandige bedrijfs- of beroepsuitoefening werkloos wordt in het algemeen in sociaal opzicht in een minder gunstige positie verkeert dan de werkloze werknemer, terwijl de oorzaken van het ontstaan van de moeilijkheden in het algemeen niet principieel verschillen.
     Hiervoor is aangegeven waarom ex-zelfstandigen niet onder de kring van verzekerden van de nieuwe Werkloosheidswet worden gebracht. Het kabinet is van oordeel dat toelating van werkloze ex-zelfstandigen tot de personenkring van de Iow om dezelfde reden ook niet voor de hand ligt. Het laatstgenoemde wetsvoorstel is naar aard en opzet een verlengstuk van de nieuwe Werkloosheidswet en kent als zodanig een entree-eis dat de rechthebbende gedurende de maximumtermijn een uitkering op grond van die wet heeft ontvangen. Deze eis zal voor ex-zelfstandigen niet kunnen gelden. Voor hen zou het recht op een Iow-uitkering volgens het advies van de SER reeds moeten ingaan na één jaar werkloosheid. Daarmee is sprake van een aanmerkelijke ongelijkheid in de voorwaarden tot het verkrijgen van de uitkering zoals die zouden gelden voor respectievelijk ex-zelfstandigen en werkloze werknemers. Tevens zou afbreuk worden gedaan aan het specifieke karakter van de Iow, als voorziening bij gebleken langdurig voortbestaan van de werkloosheid. De bijzondere voorwaarden die de SER ten aanzien van ex-zelfstandigen aan het uitkeringsrecht zou willen verbinden, sluiten bovendien niet uit dat ook na vrijwillige bedrijfsbeëindiging aanspraak op een Iow-uitkering kan worden gemaakt.
     Gedurende de voorgestelde wachttijd van één jaar na bedrijfsbeëindiging waartoe de SER adviseert, zou de ex-zelfstandige voor het levensonderhoud zijn aangewezen op het eigen vermogen. De wachttijd is dan onevenredig in het nadeel van zelfstandigen met een relatief klein vermogen.
     De door de Raad voorgestelde vervanging van de bedrijfsbeëindigingsregelingen door de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers stuit onder meer op het probleem dat die regelingen ook openstaan voor beneden-50-jarigen.
     Al met al acht het kabinet het niet gewenst het advies van de SER te volgen.
     Het feit dat het in de nieuwe Werkloosheidswet gaat om een werknemersverzekering heeft voorts tot gevolg dat rekening dient te worden gehouden met de personenkring van de andere werknemersverzekeringen - de ZW en de WAO - en met de wijze van premieheffing daarvoor en de heffing van loonbelasting. De personenkring van de onderscheiden werknemersverzekeringen is immers zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. Verder bestaat er coördinatie tussen de kring van verzekerden ingevolge de werknemersverzekeringen en de kring van loonbelastingplichtigen. Gelet hierop ligt het in de rede de kring van de verzekerden van de WW als startpunt aan te houden. Een gevolg van het vorenstaande is ook dat op dit moment nog geen voorstellen worden gedaan tot vereenvoudiging van de
rblz.|36| omschrijving van de personenkring. In hoofdstuk 4 wordt hier nog nader op ingegaan.
     Onderstaand wordt nader ingegaan op de personenkringen van de WW en de WWV en worden de daartussen bestaande verschillen aangegeven. Vervolgens komen de daarmee verband houdende voorstellen met betrekking tot de personenkring aan de orde.
     Verzekerd ingevolge de WW is de werknemer, dat wil zeggen de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke dan wel publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Op dit werknemersbegrip maakt
de wet een aantal uitzonderingen. Zo worden enerzijds bepaalde arbeidsverhoudingen gelijkgesteld met een dienstbetrekking. Dat is nodig indien het twijfelachtig is of van arbeid in dienstbetrekking kan worden gesproken alsmede wanneer betrokkene geen werknemer is, doch in sociaal-economisch opzicht geen wezenlijk onderscheid met een werknemer bestaat. Anderzijds worden bepaalde categorieën van personen om uiteenlopende motieven niet als werknemer beschouwd.
     In het algemeen geldt de verzekeringsplicht op grond van de WW voor degenen die hier te lande werkzaam zijn. Doch ook dit zogenaamde territorialiteitsbeginsel wordt beperkt en uitgebreid.
     Ook de WWV hanteert het begrip werknemer ter bepaling van zijn doelgroep. Het begrip werknemer is in de WWV echter anders gedefinieerd dan in de WW. Dit hangt samen met het verschil in karakter tussen de WW en de WWV. De WW is een risicoverzekering. Gaat men in loondienst werken, dan wordt men op grond van de WW verzekerd voor het risico van inkomensderving tengevolge van het verlies van die werkzaamheden. De WWV daarentegen is een sociale voorziening voor degene die geen arbeid in dienstbetrekking heeft of kan krijgen.
     Werknemer in de zin van de WWV is degene die voor zijn deelneming aan het arbeidsproces geheel of gedeeltelijk is aangewezen op het verrichten van arbeid in een dienstbetrekking.
     De wet duidt niet de omstandigheden aan waaruit kan worden afgeleid dat iemand is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking. Meestal zal men een sterk vermoeden hiervoor kunnen putten uit voor de werkloosheid door betrokkene verrichte arbeid, doch ook zijn intentie voor de toekomst met betrekking tot de arbeid is daarvoor van belang. Hoofdzaak is dat betrokkene door zijn gedrag moet tonen dat hij bereid is als werknemer in dienstbetrekking te gaan werken.
     Deze verschillende omschrijving in de WW en de WWV van het begrip werknemer heeft met name consequenties voor directeuren van een BV of een NV. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Bestuur is een directeur van een BV of een NV - ook een directeur enig aandeelhouder - in dienstbetrekking werkzaam, zodat hij valt onder de personenkring van de WW. Dit betekent evenwel nog niet dat hij ook te allen tijde voor zijn deelneming aan het arbeidsproces is aangewezen op het verrichten van arbeid in dienstbetrekking, zodat hij niet altijd tevens valt onder de werkingssfeer van de WWV.
     Onder dienstbetrekking wordt voor de WWV verstaan een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking en de daarmee ingevolge de WW gelijk te stellen arbeidsverhoudingen. De beperkingen die de WW aanbrengt op het werknemersbegrip gelden niet voor de WWV. Dit betekent derhalve dat het overheidspersoneel, personen die hun militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst vervullen en in bepaalde gevallen het huishoudelijke personeel niet onder de werkingssfeer van de WW, doch wel onder die van de WWV vallen. Voor de persoon die zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan zijn vervangende dienst heeft vervuld, is in de WWV zelfs expliciet afstand genomen van de beperking die de WW stelt, daar dienstplichtdagen en dagen van vervangende dienst in de wet gelijkgesteld zijn met dagen waarop in dienstbetrekking is gewerkt.
     Voorts wordt de personenkring van de WWV ten opzichte van die van de WW verruimd doordat personen die buiten Nederland een dienstbetrekking vervuld hebben ook onder de werkingssfeer van de WWV vallen.
    
rblz.|37| Zoals hiervoor vermeld, dient een werknemer in beginsel in Nederland zijn dienstbetrekking te vervullen om verzekerd te zijn ingevolge de WW. Voor de WWV geldt deze beperking niet, zodat ook personen die buiten Nederland in dienstbetrekking werkzaam zijn geweest in beginsel onder de personenkring van de WWV vallen. Voor vreemdelingen geldt echter een bijzondere voorwaarde met betrekking tot het werken buiten Nederland. De vreemdeling moet namelijk ten minste negen achtereenvolgende weken, aan zijn werkloosheid voorafgaande, op niet onrechtmatige wijze in Nederland verblijf hebben gehouden om recht op uitkering te hebben.
     Naast het hiervoor genoemde geval van de directeur van een BV of een NV is de personenkring van de WWV op nog een punt in zekere zin beperkter dan die van de WW. De vreemdeling moet als gezegd namelijk gedurende ten minste negen achtereenvolgende weken, aan zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, op niet onrechtmatige wijze in Nederland verblijf hebben gehouden om recht op uitkering te hebben. De WW maakt in beginsel geen onderscheid tussen - al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende - vreemdelingen en Nederlanders. Bij deze beperking van de personenkring van de WWV dient wel bedacht te worden dat door de werking van internationale en bilaterale verdragen de betekenis van deze bepaling aanmerkelijk is afgenomen.
     Uit vorenstaande aanduidingen van de personenkring van de WW en de WWV blijkt dat soms de WW en soms de WWV ruimer is. Samenvattend betreffen deze verschillen de volgende categorieën personen:
1. het overheidspersoneel;
2. de personen die hun militaire dienstplicht of hun vervangende dienst vervullen;
3. het huishoudelijk personeel werkzaam op minder dan drie dagen per week;
4. de personen die in het buitenland in dienstbetrekking werkzaam zijn geweest;
5. vreemdelingen;
6. directeuren BV/NV.
     Als gezegd, ligt het om meer redenen voor de hand om de personenkring van de WW als uitgangpunt te nemen voor deze wet.
     Waar de personenkring van de WWV beperkter is dan die van de WW leidt dit niet tot problemen. Het gaat hier, zoals uit het voorgaande blijkt, om directeuren van een BV of een NV en om vreemdelingen. Er bestaat geen grond om deze groepen thans van de werknemersverzekeringen uit te sluiten. Dit zou immers leiden tot discoördinatie in de personenkringen van de werknemersverzekeringen. Voorgesteld wordt dan ook deze groepen - net als thans voor de WW geldt - in de personenkring te handhaven. Ten aanzien van vreemdelingen zij op deze plaats nog opgemerkt dat wel wordt voorgesteld vreemdelingen die niet beschikken over een geldige verblijfstitel en zonder instemming van het bevoegde gezag in Nederland verblijven van het recht op uitkering uit te sluiten. In paragraaf 3.4 wordt daar nader op ingegaan.
     Het nemen van de personenkring van de WW als uitgangspunt voor deze wet leidt tot een aantal problemen in de gevallen waarin de personenkring van de WWV ruimer is dan die van de WW. Het gaat daarbij om de hiervoor onder 1 tot en met 4 genoemde groepen.
     Hieronder wordt dan ook nader ingegaan op de aspecten die van belang zijn voor een beslissing deze groepen al dan niet onder de personenkring van de nieuwe Werkloosheidswet te brengen. Tevens wordt daarbij de door het kabinet gemaakte keuze aangegeven.
     Alvorens hiertoe over te gaan, wordt op deze plaats nog kort stilgestaan bij een tweetal bijzondere groepen waarvoor ook de ER de aandacht heeft gevraagd, te weten thuiswerkers en afroepcontractanten.
     Naar aanleiding van de motie-Beckers-De Bruijn van 21 februari 1982 (Kamerstukken II 1982-1983, 17 100, nr. 25) is de positie van thuiswerkers op het terrein van de werknemersverzekeringswetten onderzocht door een departementale werkgroep.
    
rblz.|38| De conclusie was dat de positie van de thuiswerkers - voor zover bekend - in voldoende mate is gewaarborgd en dat het ongewenst is de socialeverzekeringswetten op dit punt aan te passen. De identificatie van knelpunten wordt namelijk bemoeilijkt door de complexiteit van het verschijnsel, de ondoorzichtigheid van het verschijnsel thuiswerk en het ontbreken van (betrouwbare) kwantitatieve gegevens. Een op verzoek van de werkgroep verricht vooronderzoek leverde geen aanknopingspunten op dat nader onderzoek meer duidelijkheid zou kunnen verschaffen over positie en aantal van de thuiswerkers.
     Op initiatief van de FNV-vrouwenbond zal een thuiswerkerssteunpunt opgericht worden. De officiële start van dit steunpunt zal begin november 1985 plaatsvinden. De doelstelling van dit steunpunt is er mede om betere kwantitatieve informatie over onder andere het thuiswerk en de personen die dit soort werk verrichten te verkrijgen. Op basis van de aldus verkregen gegevens zal dan worden bezien of aanpassing van de socialeverzekeringswetgeving gewenst is. Over het één en ander is op 14 februari 1985 uitgebreid van gedachten gewisseld met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Emancipatiebeleid.
     Naar de positie van afroepcontractanten wordt op dit moment door een werkgroep op het ministerie een studie verricht, als aangekondigd in een mondeling overleg met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II 1983-1984 18102, UCV [uitgebreide commissievergadering, red.] 22). Ook in deze gaat het om een gecompliceerde problematiek, mede vanwege de zeer verschillende verschijningsvormen en het gebrek aan kwantitatieve gegevens. Wij achten het gewenst de resultaten van deze studie af te wachten voor een mogelijke aanpassing in de socialeverzekeringswetten te overwegen.


3.3.2. Het overheidspersoneel

     Ten aanzien van het overheidspersoneel bevat de adviesaanvrage over de stelselherziening de volgende benadering. Het overheidspersoneel valt thans wel onder de volksverzekeringen, doch niet onder de werknemersverzekeringen. Gezien de maatschappelijke ontwikkeling ten aanzien van de verhouding tussen de overheid als werkgeefster en haar personeel en gelet op de positie van het overheidspersoneel in het totale arbeidsbestel behoeft er geen aanleiding te bestaan voor een bijzondere positie van dit personeel op het socialezekerheidsterrein. Dit uitgangspunt brengt met zich - aldus de adviesaanvrage - dat het overheidspersoneel in beginsel onder het algemene stelsel van sociale zekerheid zou kunnen vallen, hetgeen onder meer zou betekenen dat het overheidspersoneel ter zake van loonderving door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid in het algemeen dan dezelfde aanspraken, zowel wettelijk als bovenwettelijk, zou hebben als de werknemers in de particuliere bedrijven.
     Dit zou op verschillende wijzen kunnen worden bereikt. Enerzijds zou hetzelfde stelsel kunnen gelden voor particuliere werknemers en overheidspersoneel. Anderzijds zou de eigen regelgeving voor overheidspersoneel zelfstandig kunnen blijven, met afstemming op het totaal aan aanspraken in de particuliere sector. Tussen deze twee mogelijkheden is een modaliteit denkbaar waarbij formeel hetzelfde stelsel geldt voor particuliere werknemers en overheidspersoneel, doch de eigen regelgeving voor overheidspersoneel in stand blijft. Vooropstaat dat de totale materiële aanspraken voor het overheidspersoneel een weergave dienen te vormen van hetgeen zowel wettelijk als bovenwettelijk in de particuliere sector geldt. Daarvan uitgaande neigt het kabinet naar een benadering - aldus de adviesaanvrage - waarin de ambtenaren formeel behoren tot de kring van verzekerden waarmee tevens de wenselijke risicoverevening bereikt wordt. Daarbij behoeft de structuur van de regelgeving voor het overheidspersoneel geen wijziging te ondergaan, waardoor problemen op rechtspositioneel gebied zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen.
    
rblz.|39| In de adviesaanvrage wordt aangekondigd dat één en ander besproken zal worden met de overige publiekrechtelijke lichamen, met de centrales van overheidspersoneel en de belangenverenigingen van militairen.
     De SER constateert in zijn advies dat de huidige bijzondere positie van ambtenaren onder meer gevolgen heeft voor de risicoverevening binnen de werknemersverzekeringen alsmede voor de daarin neergelegde solidariteit tussen de verschillende categorieën werknemers en hun werkgevers.
     Bezien vanuit het functioneren van het stelsel van sociale zekerheid is het naar het oordeel van de SER niet wenselijk dat bepaalde groepen van werknemers en werkgevers zijn uitgesloten van een overigens algemeen geldende en bij wet verplichte risicoverevening ter zake van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.
     Daarom heeft het de instemming van de SER dat in het kader van de herziening van het stelsel op den duur een gelijkwaardige positie van ambtenaren en hun werkgevers ten opzichte van werknemers en werkgevers in het particuliere bedrijfsleven tot stand zal komen. De totstandkoming van een dergelijke gelijkwaardige positie zou - volgens de SER - mede kunnen worden bereikt door ambtenaren op te nemen in de kring van verzekerden van de loondervingsverzekeringen. De SER heeft in zijn advies geen oordeel gegeven over het niveau van de voor ambtenaren geldende voorzieningen.
     Gegeven de omstandigheid dat de specifieke socialezekerheidsregelingen onderdeel uitmaken van de huidige rechtspositieregeling van de ambtenaren meent de SER dat beslissingen over de positie van ambtenaren in een gewijzigd stelsel van sociale zekerheid eerst kunnen worden genomen nadat hierover overleg is gevoerd met de betrokken organisaties. Dit overleg dient volgens de SER gebaseerd te zijn op gelijkwaardigheid van overlegpartners zoals dit ook geldt voor het overleg tussen de organisaties van werkgevers en werknemers in het particuliere bedrijfsleven. Teneinde de gelijkwaardigheid van partijen in dit overleg niet in de weg te staan, acht de SER het niet wenselijk om verdergaande uitspraken te doen over de positie van ambtenaren in de loondervingsverzekeringen.
     Het stemt het kabinet tot voldoening dat de SER zich in deze positieve zin heeft uitgesproken over het in de adviesaanvrage neergelegde uitgangspunt met betrekking tot de risicoverevening bij arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.
     De maatschappelijke ontwikkeling heeft niet stilgestaan sinds eind 1959, toen de toenmalige regering zich op het standpunt heeft gesteld dat het gemene arbeidsrecht, waaronder begrepen de socialezekerheidswetgeving, in beginsel ten aanzien van de ambtenaren geen toepassing behoorde te vinden. Op een aantal terreinen zijn immers maatregelen tot stand gebracht waarbij ambtenaren zoveel mogelijk in een gelijke positie worden gebracht als werknemers in de marktsector. Gewezen kan bijvoorbeeld worden op de in 1982 tot stand gebrachte nieuwe regeling inzake de dienstcommissies, welke in hoge mate is geënt op de Wet op de ondernemingsraden, en op de onlangs ook voor de overheidssector in werking getreden Arbeidsomstandighedenwet.
     Ambtenaren nemen thans wat de structuur betreft (nog) een aparte positie in binnen het arbeidsrecht. Dat behoeft echter niet te betekenen dat op bepaalde inhoudelijke onderdelen van de rechtspositie niet een einde aan die aparte positie zou kunnen worden gemaakt wanneer voor die aparte positie niet voldoende gronden meer bestaan.
     Het kabinet meent dat er, mede gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen en het SER-advies ter zake, onvoldoende aanleiding is om ambtenaren in principe uit te sluiten van een overigens voor alle werknemers geldende nieuwe werkloosheidsverzekering.
     Naar de mening van het kabinet is het derhalve in principe gewenst de beoogde risicoverevening tussen de overheidssector en de particuliere sector in de sfeer van de werkloosheid te bewerkstelligen.
    
rblz.|40| Over het voornemen van het kabinet om het overheidspersoneel te zijner tijd te betrekken bij de nieuwe Werkloosheidswet is door de Minister van Binnenlandse Zaken het oordeel gevraagd van het Centraal Georganiseerd Overleg in ambtenarenzaken. De centrales van overheidspersoneel hebben de bewindsman bij brief van 23 mei 1985 medegedeeld er ten principale geen enkele behoefte aan te hebben om overheidspersoneel bij de stelselherziening te betrekken. Als onderdeel van het totaal van rechtspositieregelingen zijn - aldus de centrales - in de loop der jaren in het georganiseerd overleg specifieke werkloosheidsregelingen tot stand gekomen. Zij zien geen reden daar nu van af te wijken omdat elders een stelselherziening plaatsvindt. Geconstateerd kan worden dat inzake het betrekken van ambtenaren bij het nieuwe stelsel van sociale zekerheid nog geen overeenstemming kon worden bereikt, zodat daarover verder overleg moet plaatsvinden.
     Het wetsvoorstel houdt met betrekking tot het overheidspersoneel dan ook de volgende regeling in. Het overheidspersoneel is in beginsel opgenomen in de kring van verzekerden (artikel 3 [3]). Tegelijkertijd wordt het overheidspersoneel uitgesloten van de kring van verzekerden tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip dat na 31 december 1986 moet zijn gelegen. Bij diezelfde algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het overheidspersoneel nadere en zo nodig van
de wet afwijkende regels worden gesteld. De voordracht tot die algemene maatregel van bestuur moet worden gedaan door de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Binnenlandse Zaken, van Onderwijs en Wetenschappen en van Defensie (artikel 7 [7]).
     Het kabinet meent dat een beslissing over het daadwerkelijk betrekken van de ambtenaren bij de kring van verzekerden eerst na open en reëel overleg met de centrales van overheidspersoneel en de belangenverenigingen van militairen kan worden genomen.
     In vorenbedoelde algemene maatregel van bestuur zal aan een beslissing gestalte worden gegeven. Er zullen in deze algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld met betrekking tot specifiek voor overheidspersoneel geldende afwijkende situaties.
     Een ontwerp van een besluit tot het treffen van een algemene maatregel van bestuur als vorenbedoeld moet in de Nederlandse Staatscourant worden gepubliceerd. Er moeten twee maanden na die publicatie verstreken zijn alvorens aan de Kroon een voordacht kan worden gedaan tot een dergelijke algemene maatregel van bestuur (geregeld in de artikelen 127 [125] en 128 [126]).
     Het ligt voorts in het voornemen het concept van bedoelde algemene maatregel van bestuur voor te leggen aan het parlement, zodat het parlement zich daarover te voren kan uitspreken.
     Op dit moment is het betrekken van overheidspersoneel bij de andere werknemersverzekeringen niet aan de orde. Ter zake van arbeidsongeschiktheid geldt overigens dat ook zonder deelname van overheidspersoneel aan de WAO via de AAW reeds een gedeeltelijke risicoverevening tussen overheidspersoneel en overige werknemers bestaat.
     In hoofdstuk 5 zal worden ingegaan op de financiële aspecten van het betrekken van het overheidspersoneel bij de nieuwe werkloosheidsverzekering.


3.3.3. Personen die hun militaire dienstplicht of vervangende dienst vervullen

     De dienstplichtige militair is niet verzekerd op grond van de werknemersverzekeringen (artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de WW, ZW en WAO). Dat heeft als consequentie dat de dagen waarop de militaire dienstplicht is vervuld, voor de toepassing van de referte-eis van 130 dagen van de WW niet meetellen. Wel herkrijgt de dienstplichtige militair na afloop van de militaire dienst de hoedanigheid van werknemer, ook indien hij niet in rblz.|41| dienstbetrekking treedt. Indien in de referteperiode (de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid) dagen liggen waarop de militaire dienstplicht is vervuld, dan wordt de referteperiode verlengd met die dagen. In het kader van de WWV is voor dienstplichtige militairen een geheel andere regeling getroffen. Voor de toepassing van de WWV worden namelijk de dagen waarop een werknemer zijn militaire dienstplicht heeft vervuld, gelijkgesteld met dagen waarop in dienstbetrekking is gewerkt (artikel 9, eerste lid, van de WWV). Volgens de memorie van toelichting bij de WWV is dat gebeurd "uit billijkheidsoverwegingen".
     Evenals in de WW geldt voor de WWV een referte-eis van 130 dagen in dienstbetrekking werken in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid.
     Sedert 1 juli 1983 geldt echter in de WWV voor personen beneden de leeftijd van 23 jaar een verzwaarde referte-eis: in de drie jaren voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid moet betrokkene gedurende tweeënhalf jaar een dienstbetrekking van niet-bijkomstige aard hebben gehad. Uit één en ander volgt dat het meetellen in het kader van de WWV van de dagen waarop militaire dienstplicht is vervuld thans een rol kan spelen niet alleen voor degenen die direct na afloop van de militaire dienst werkloos zijn, doch ook voor degenen (zowel voor beneden- als boven-23-jarigen) die in het jaar na afloop van de militaire dienst werkloos worden en voorts voor wat betreft de beneden-23-jarigen ook nog de twee daaropvolgende jaren. De dagen waarop militaire dienstplicht is vervuld, tellen voorts sedert 1 mei 1985 ook mee bij de beoordeling van het recht op verlenging van de WWV-uitkering met een halfjaar (artikel 19, eerste lid, onderdeel e, WWV).
     De werkloze ex-dienstplichtige militair die niet (of niet meer) in aanmerking komt voor WW- of WWV-uitkering kan, zo hij aan de voorwaarden voldoet, in aanmerking komen voor een uitkering ingevolge de Rww.
     De volgende cijfers geven een globaal inzicht over de aantallen waar het hier om gaat.
     Jaarlijks verlaten circa 42 000 militairen de krijgsmacht na het vervullen van de dienstplicht. Circa 25% daarvan heeft direct na afloop van de dienstplicht recht op een werkloosheidsuitkering (WW, WWV of Rww). Het is niet bekend in hoeveel gevallen in het kader van de WWV de gelijkstelling van dagen waarop militaire dienstplicht is vervuld met dagen waarop in dienstbetrekking is gewerkt een rol speelt voor ex-dienstplichtigen die niet direct na afloop van de militaire dienst doch wel op een later tijdstip werkloos worden.
     De vraag rijst welke positie de dienstplichtige militairen dienen in te nemen in de nieuwe werkloosheidsverzekering. In de voorgestelde werkloosheidsverzekering zal een referte-eis en een arbeidsverledeneis gelden.
     De referte-eis ten minste in 26 weken in dienstbetrekking werken in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid zal als voorwaarde gelden voor het recht op loondervingsuitkering en vervolguitkering. Voldoet men aan deze voorwaarde, dan heeft men recht op ten hoogste zes maanden loondervingsuitkering.
     Voor het recht op loondervingsuitkering na die zes maanden (alleen voor degene die 23 jaar of ouder is bij het intreden van de werkloosheid) en voor het recht op vervolguitkering geldt tevens een arbeidsverledeneis als voorwaarde: drie jaar in dienstbetrekking hebben gestaan van acht of meer uur per week gedurende de laatste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid.
     Naar de mening van het kabinet is er alleszins reden om de in het kader van de WWV getroffen regeling voor dienstplichtige militairen over te nemen in de nieuwe werkloosheidsverzekering. Dat uiteraard met inachtneming van het verschil in karakter tussen de WWV als een voorziening en de nieuwe regeling als een verzekering.
    
rblz.|42| De in het wetsvoorstel neergelegde regeling met betrekking tot de dienstplichtige militairen houdt het volgende in:
- dienstplichtige militairen behoren tot de kring van verzekerden (de bijzondere verhouding van de dienstplichtige militair tot de overheid zal als dienstbetrekking worden beschouwd);
- de dagen waarop de militaire dienstplicht is vervuld, worden meegeteld zowel voor de referte-eis als voor de arbeidsverledeneis;
- werkloze ex-dienstplichtige militairen kunnen onder dezelfde voorwaarden als andere verzekerden in aanmerking komen voor uitkeringen en voorzieningen op grond van de nieuwe werkloosheidsverzekering;
- de loondervingsuitkering voor werkloze ex-dienstplichtige militairen wordt - conform de thans in het kader van de WWV geldende regeling - gerelateerd aan het minimumloon voor een volwassene dan wel, indien hij de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, aan het desbetreffende minimumjeugdloon;
- door en voor (de Minister van Defensie wordt beschouwd als werkgever) de dienstplichtige militairen dient de normale premie in het kader van de nieuwe werkloosheidsverzekering te worden betaald (voor wachtgeldfonds en AWf [Algemeen Werkloosheidsfonds, red.]); als gevolg van de afstemming van de wedde op het nettominimumloon zal het verschuldigd zijn van premie door de dienstplichtigen geen invloed hebben op de hoogte van de wedde.
     De voorgestelde regeling betekent voor de dienstplichtige militairen beneden de leeftijd van 23 jaar - dat betreft verreweg het grootste deel van de dienstplichtigen - niet alleen een continuering, doch ook een verbetering van de aanspraken op werkloosheidsuitkering.
     Immers, onder vigeur van de WWV geldt voor deze categorie thans de verzwaarde referte-eis (tweeënhalf jaar niet-bijkomstige dienstbetrekking in de laatste drie jaar) als voorwaarde voor het recht op uitkering.
     In het kader van de nieuwe werkloosheidsverzekering geldt voor alle verzekerden (dus ook voor beneden-23-jarigen) voor het recht op loondervingsuitkering gedurende ten hoogste zes maanden een referte-eis van arbeid verrichten in ten minste 26 weken. Aangezien de eerste oefening veertien maanden duurt, zullen werkloze ex-dienstplichtige militairen steeds voldoen aan deze referte-eis. In geval van werkloosheid na afloop van de militaire dienstplicht is er derhalve een aanspraak op ten minste zes maanden loondervingsuitkering op grond van de nieuwe werkloosheidsverzekering.
     In het vorenstaande is alleen gesproken over dienstplichtige militairen. In het kader van de WW en de WWV zijn voor personen die in het kader van de Wet erkende gewetensbezwaren militaire dienst vervangende dienst vervullen dezelfde regelingen getroffen als voor dienstplichtige militairen. Het ligt dan ook in de rede deze categorie van personen in het kader van de nieuwe werkloosheidsverzekering mutatis mutandis dezelfde positie te geven als de dienstplichtige militairen. In het wetsvoorstel is hiervoor een regeling getroffen.
     In het kader van de stelselherziening is ook nog een wijziging nodig van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, die uitkeringen verleent aan dienstplichtige militairen en daarmee gelijkgestelden die arbeidsongeschikt zijn op de dag waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt. Ter zake kan worden verwezen naar de binnenkort in te dienen Invoeringswet stelselherziening.


3.3.4. Het huishoudelijk personeel

     In artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de WW, de ZW en de WAO wordt niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van degene die ten behoeve van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huishoudelijke of persoonlijke diensten in diens huishouden verricht en die diensten doorgaans op minder dan drie dagen per week verricht. Het niet verzekerd zijn ingevolge de ZW heeft als consequentie dat men ook niet verzekerd is voor de Ziekenfondswet.
    
rblz.|43| Voor de WWV geldt een dergelijke bepaling met betrekking tot het huishoudelijk personeel niet. Zij zijn derhalve zonder meer werknemer in de zin van die wet en alle dagen waarop in een dienstbetrekking huishoudelijke arbeid wordt verricht, worden in aanmerking genomen bij de bepaling van het recht op uitkering, met name de gewerktedageneis. Derhalve is de WWV voor de groep ruimer dan de WW. In de praktijk blijkt dit verschil echter niet. Uit onderzoek bij verschillende gemeenten is namelijk gebleken dat deze groep vrijwel nooit voor een uitkering in aanmerking komt. Waarschijnlijk is dat een gevolg van de uitsluiting van arbeid van bijkomstige aard en de tot 1 mei 1985 geldende kostwinnerseis in de WWV. De verschillende behandeling van deze groep in de WW en de WWV maakt niettemin een keuze in het kader van de voorgestelde werkloosheidsregeling noodzakelijk. In de adviesaanvrage is overigens het belang van een nadere bezinning op de rechtspositie van deze groep onderschreven.
     Sinds de totstandkoming van de WW is door de opvolgende kabinetten het standpunt ingenomen dat het principieel het meest juiste zou zijn het huishoudelijk personeel, net als andere werknemers, zonder enige beperking tot de personenkring van de werknemersverzekeringen toe te laten. Er is geen reden thans een ander standpunt in te nemen. Ook vanuit emancipatoir oogpunt is - in samenhang met de EG-richtlijn - voor het opheffen van de uitzonderingspositie van het huishoudelijk personeel veel te zeggen. Weliswaar betekent de uitzondering geen directe discriminatie (geen verwijzing naar geslacht) en ook geen indirecte discriminatie door verwijzing naar de echtelijke staat of gezinssituatie, maar vaststaat wel dat in de praktijk nagenoeg uitsluitend vrouwen met deze uitzonderingsbepaling te maken hebben. Men zou dus kunnen spreken van indirecte discriminatie door verwijzing naar de aard van de arbeid. De derde EG-richtlijn is hierop van toepassing, omdat het gaat om de "toegang" (het verzekerd zijn) tot het uitkeringsrecht. Of bij een dergelijke verschillende uitwerking sprake is van indirecte discriminatie hangt echter af van het feit of dit verschil een objectieve en redelijke grond heeft; er ontstaat derhalve een vermoeden van discriminatie dat weerlegbaar is.
     Het is dan aan degene die de maatregel treft om het bewijs te leveren dat de maatregel objectief gerechtvaardigd is en op geen enkele wijze de bedoeling inhield om te discrimineren.
     Deze uitwerking van het discriminatiebegrip sluit aan bij de invulling die het Europees Hof van Justitie aan dat begrip heeft gegeven in zijn arrest van 31 maart 1981, zaak nr. 96/80 (Jenkins/Kingsgate, NJ 1982, 419).
     Een volledige gelijke behandeling van deze groep werd in het verleden steeds afgehouden met een beroep op praktische en uitvoeringstechnische bezwaren, alsmede uit de overweging dat het hier in het algemeen een groep betrof die aan dergelijke verzekeringen geen behoefte had. Deze bezwaren doen zich ook nu nog voor en zijn niet gering. Degene die in de huishouding wordt geholpen, wordt werkgever met alle administratieve en andere verplichtingen van dien. Dit geldt ook voor de socialeverzekeringsorganen en de belastingdienst. De huishoudelijke hulp zal ook duurder worden. Niet uitgesloten mag worden dat als gevolg van een opneming in de kring van verzekerden voor de werknemersverzekeringen minder huishoudelijk werk zou worden aangeboden en dat een aanmerkelijk deel van het nog wel bestaande aanbod via het zwarte circuit zou gaan plaatsvinden. Het schrappen van de uitzonderingsbepaling voor het huishoudelijk personeel zou dus naar verwacht slechts voor een deel van de thans in die sfeer werkzame personen leiden tot een betere rechtspositie. Voor een ander deel betekent het eerder een verslechtering van de arbeidsmarktpositie en/of de rechtspositie. Gelet op deze bezwaren stellen wij dan ook voor de bestaande uitzonderingsbepaling voor het huishoudelijk personeel in de onderscheiden werknemersverzekeringen te handhaven en in dit wetsvoorstel is een uitzonderingsbepaling dan ook opgenomen. Voorgesteld wordt voor bedoelde groep de mogelijkheid van vrijwillige verzekering open te stellen, omdat zich daarbij de hiervoor genoemde bezwaren niet voordoen. In paragraaf 3.9 wordt daar nader op ingegaan.

rblz.|44| 
3.3.5. Personen die in het buitenland werkzaam zijn geweest

     Verzekerd voor de WW (en ZW, WAO) zijn in beginsel degenen - Nederlanders en vreemdelingen - die in Nederland in dienstbetrekking werkzaam zijn. Daarnaast is tevens verzekerd degene die niet in Nederland in dienstbetrekking werkzaam is, mits hijzelf en zijn werkgever in Nederland woont c.q. gevestigd is. Bij algemene maatregel van bestuur zijn op deze hoofdregels enkele uitzonderingen gemaakt, die in dit kader niet van belang zijn (artikel 3 WW).
     De werknemer die buiten Nederland in dienstbetrekking heeft gewerkt, valt wel onder de werking van de WWV, ook als hij en/of zijn werkgever in het buitenland woont/gevestigd is (artikel 3 WWV). Ten aanzien van vreemdelingen - behoudens de vreemdelingen die op grond van een verdrag met Nederlanders worden gelijkgesteld - geldt een extra voorwaarde; zij moeten gedurende ten minste negen achtereenvolgende weken, aan hun werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, op niet onrechtmatige wijze in Nederland verblijf hebben gehouden. Anders worden zij uitgesloten van uitkering (artikel 13, eerste lid, onderdeel m, WWV).
     In het kader van de nieuwe werkloosheidsregeling zal dit verschil in de kring van de verzekerden/gerechtigden opgelost moeten worden. Het gaat daarbij in het bijzonder om twee categorieën:
1. de niet in Nederland wonende Nederlander - en de met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling - die buiten Nederland in dienstbetrekking werkzaam is voor een niet in Nederland wonende of gevestigde werkgever;
2. de niet in Nederland wonende Nederlander en de met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling - die buiten Nederland in dienstbetrekking werkzaam is voor een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
     Ten aanzien van deze personen geldt thans dat zij niet verzekerd zijn voor de WW - en dus geen aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering, maar na jarenlang in het buitenland werkzaam geweest te zijn bij (terug)komst in Nederland in geval van werkloosheid wel aanspraak kunnen maken op een WWV-uitkering. Voor de niet met Nederlanders gelijkgestelde vreemdelingen doet zich geen discrepantie voor tussen de WW en de WWV, daar zij niet verzekerd zijn voor de WW en door de werking van artikel 13, eerste lid, onderdeel m, geen recht op WWV-uitkering hebben. Deze categorie blijft hier dan ook buiten beschouwing.
     Ten aanzien van de hiervoor genoemde groepen Nederlanders - en met hen gelijkgestelde vreemdelingen - rijst de vraag of het gewenst is in het kader van de verplichte verzekering ingevolge dit wetsvoorstel bescherming te blijven bieden. Deze vraag wordt door ons ontkennend beantwoord. Aan deze beslissing liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
     In de eerste plaats heeft zwaar gewogen dat het in deze gaat om een verzekering. Ingevolge de werknemersverzekeringen geldt thans als uitgangspunt voor verzekering dat in Nederland een dienstbetrekking moet zijn vervuld. Op dit uitgangspunt is een aantal uitzonderingen gemaakt. Deze uitzonderingen beogen enerzijds dubbele verzekering te voorkomen en anderzijds personen met een duidelijke band met Nederland toch onder de werkingssfeer van de werknemersverzekeringen te brengen. Dit uitgangspunt blijft voor de in dit wetsvoorstel geregelde verzekering onverkort van kracht. Naar onze mening is bij bovengenoemde groepen een onvoldoende band met Nederland om deze onder de werkingssfeer van de verplichte verzekering ingevolge deze wet te brengen. Daarmee zou een te grote inbreuk op het territorialiteitsbeginsel van de werknemersverzekeringen worden gemaakt. In de tweede plaats spelen met name ten aanzien van de onder 1 bedoelde groep ook uitvoeringstechnische problemen een belangrijke rol. De controle op de aard van de ontstane werkloosheid zal praktisch onmogelijk zijn. Voorts zal het onmogelijk zijn om iedereen die in deze groep zou vallen in de premieheffing en loonbelasting te betrekken, hetgeen de mogelijkheid van misbruik vergroot. Dit klemt te meer indien voor deze groep ook verzekeringsplicht ingevolge de andere
rblz.|45| werknemersverzekeringen en de volksverzekeringen zou worden voorgesteld. Deze groep is thans namelijk ook niet verzekerd op grond van de ZW en de WAO en evenmin op grond van de volksverzekeringen. Ook de onder 2 genoemde groep is niet verplicht verzekerd ingevolge de ZW en de WAO. De ZW en de WAO bieden echter voor bepaalde gevallen de mogelijkheid tot een vrijwillige verzekering.
     Uit coördinatieoverwegingen met de ZW en de WAO, alsook om enerzijds door sommige van deze werknemers gewenste dekking van het werkloosheidsrisico mogelijk te maken en anderzijds ongewenste dubbele verzekering en daarmee samenhangende premiebetaling te voorkomen, wordt voorgesteld ook in de in dit wetsvoorstel geregelde werkloosheidsverzekering de mogelijkheid van vrijwillige verzekering te bieden. In paragraaf 3.9 wordt daar verder op ingegaan.

 

3.4. De voorwaarden voor het recht op uitkering


3.4.1. Inleiding

     Zoals hiervoor in paragraaf 3.2 beschreven, kunnen de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op uitkering onderscheiden worden in positieve en negatieve voorwaarden. Het gaat bij beide voorwaarden om objectieve criteria, die niet afhankelijk zijn van een subjectieve gedraging. De positieve voorwaarden verhouden zich tot de negatieve voorwaarden (uitsluitingsgronden) als regel tot uitzondering. Ook in de huidige wetgeving komt dit onderscheid voor, al is dat niet altijd duidelijk als zodanig herkenbaar.
     Deze voorwaarden zijn namelijk, met name in de WW, niet systematisch behandeld. In het thans voorliggende wetsvoorstel worden zowel de positieve voorwaarden als de uitsluitingsgronden in een afzonderlijke paragraaf bijeengebracht. Allereerst kan als voorwaarde genoemd worden dat sprake moet zijn van werkloosheid. Voorts wordt ook in het thans voorliggende wetsvoorstel een referte-eis als algemene voorwaarde opgenomen. Tot slot kent de nieuwe Werkloosheidswet - evenals thans de WW en de WWV - een aantal uitsluitingsgronden. Deze voorwaarden komen in de hiernavolgende subparagrafen achtereenvolgens aan de orde.


3.4.2. Verzekerd risico: werkloosheid

     Zoals uit hoofdstuk 2 van deze memorie blijkt, is zowel voor de loondervingsfase als voor de tussenfase gekozen voor "werkloosheid" als toelatingscriterium. Wat onder werkloosheid verstaan moet worden, is in de huidige WW en WWV niet nader bepaald.
     Voorts blijkt uit een vergelijking van de wetsbepalingen dat het begrip werkloosheid in de WW en de WWV niet op gelijke wijze is omschreven. De WW geeft, als gesteld, bijvoorbeeld duidelijk aan dat het bestaan van een dienstbetrekking of het ontvangen van loon er niet aan in de weg staat om iemand werkloos te achten, terwijl de WWV niet aangeeft in hoeverre deze aspecten een rol spelen. Uit de memorie van toelichting bij de WWV (Kamerstukken II 1963-1964, 7726) blijkt dit evenmin expliciet. Wel legt deze memorie een relatie met het werkloosheidsbegrip in de WW, in die zin dat gesteld wordt dat het begrip vanwege de moeilijke bepaalbaarheid niet gedefinieerd wordt, evenmin als zulks in de WW is geschied. De CRvB [Centrale Raad van Beroep, red.] heeft op dit punt echter duidelijkheid gebracht door uit te spreken dat voor de toepassing van deze wet [lees: die wet, red.] aansluiting dient te worden gezocht bij de rechtspraak aangaande de in de WW voorkomende termen "werkloosheid" en "werkloos" (CRvB 17 januari 1979, RSV 1979, nr. 95).
     Ook de begrippen werkloosheid en arbeid van bijkomstige aard hebben door jurisprudentie van de CRvB hun nadere uitwerking gekregen.
    
rblz.|46| De moeilijke bepaalbaarheid van het begrip werkloosheid vormde bij de totstandkoming van de WW en de WWV de reden om een definitie ervan achterwege te laten. In het kader van het thans voorliggende wetsvoorstel is de vraag onder ogen gezien of dit nog steeds opgaat of dat op basis van vorengenoemde jurisprudentie in de wet zelf een nadere omschrijving van dit begrip kan worden gegeven. Het verdient immers de voorkeur dat in de wet een zo concreet en duidelijk mogelijke terminologie gevolgd wordt. Dit is niet alleen voor de bedrijfsverenigingen van belang, die de wet zullen moeten uitvoeren, maar juist ook voor de gebruikers van de wet. Een duidelijke en heldere terminologie vergroot de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid.
     Voorts is het gerechtvaardigd om, waar jurisprudentie van de rechter duidelijkheid heeft gebracht, deze in de wet - die toch uiteindelijk de primaire bron van rechtsvinding is - tot uitdrukking te brengen.
     Een uitgebreide bestudering van de uitspraken van de CRvB heeft geleerd dat een aantal elementen volgens constante jurisprudentie van dat college een rol speelt bij de beoordeling of sprake is van werkloosheid. Deze elementen zijn:
1. of, en zo ja, in welke mate betrokkene niet in voor hem normaal te achten omvang productieve arbeid - betaald of onbetaald - heeft; iemand "heeft" arbeid als voor hem arbeid beschikbaar is of beschikbaar wordt gesteld;
2. of, en zo ja, in welke mate sprake is van reële beschikbaarheid voor arbeid in dienstbetrekking.
     Deze jurisprudentie van de CRvB biedt naar onze mening voldoende aanknopingspunten om in de wet een nadere uitwerking van het begrip werkloosheid vast te leggen. Derhalve is mede op basis van deze jurisprudentie in de wet op hoofdlijnen een nadere uitwerking van het begrip werkloosheid opgenomen.
     In de wet is de volgende uitwerking gegeven aan het werkloosheidsbegrip c.q. het begrip arbeid van bijkomstige aard. Van werkloosheid is sprake, indien de werknemer:
a. ten minste vijf arbeidsuren per week verliest of 50% van zijn arbeidsuren per week; en
b. beschikbaar is om arbeid te verrichten.
     Bij algemene maatregel van bestuur zullen ter zake nadere regelen worden gesteld.
     Via vorenstaande uitzondering van arbeid van bijkomstige aard in het werkloosheidsbegrip wordt aangesloten bij het thans uitdrukkelijk in de WWV voorkomende systeem en het middels de jurisprudentie van de CRvB in de WW geïntroduceerde systeem.
     Hoewel het ook mogelijk is arbeid van bijkomstige aard via het werknemersbegrip uit te zonderen, zoals vóór 1 juli 1967 het geval was, is daarvan afgezien omdat dit met name op het bezwaar zou stuiten dat discoördinatie ontstaat met onder meer de loonbelasting. Uit coördinatieoverwegingen met de loonbelasting werd in 1967 juist de uitzondering via het werknemersbegrip geschrapt. Gevolg daarvan was dat de omvang van de verloren arbeid een rol is gaan spelen in de jurisprudentie met betrekking tot het begrip werkloosheid. Voorts zou uitzondering via het werknemersbegrip onbillijk kunnen werken ten aanzien van personen die meer kleine dienstbetrekkingen naast elkaar vervullen, tenzij daarvoor bijzondere regelen worden gesteld. Dit laatste nu zou de uitvoering aanmerkelijk compliceren en misbruik en oneigenlijk gebruik in de hand kunnen werken.
     Vorengenoemde uitwerking van het werkloosheidsbegrip wijkt op een aantal punten af van de constante jurisprudentie van de CRvB.
     In de eerste plaats is de absolute ondergrens van vijf uren die de CRvB hanteert, verzacht door als nevenvoorwaarde te stellen dat ook van werkloosheid sprake is indien 50% van de arbeid verloren gaat. Naar onze overtuiging werkt een absolute ondergrens voor personen die in een dienstbetrekking van geringe omvang werkzaam zijn te hard uit. Bij een
rblz.|47| verlies van vier uur voor iemand die op één dag per week arbeid verricht, zou namelijk geen sprake van werkloosheid zijn, terwijl toch een aanmerkelijk deel van de arbeid wegvalt.
     In de tweede plaats is niet aangehaakt bij de in de jurisprudentie gehanteerde omschrijving van werkloosheid, die uitgaat van het "niet hebben van productieve arbeid in normale omvang". Daaraan ligt de overweging ten grondslag dat het begrip productieve arbeid tot verschillende interpretaties aanleiding kan geven, vooral waar het gaat om onbetaald werk. Terwille van de helderheid voor alle betrokkenen, zowel de uitvoeringsorganen als de belanghebbende werknemers, en teneinde elke rechtsongelijkheid op dit punt te vermijden, is het criterium productieve arbeid niet opgenomen en is volstaan met een omschrijving van arbeidsuren. Bij de vraag of een werknemer werkloos is geworden, wordt uitgegaan van de arbeid die in dienstbetrekking is verricht alsmede de werkzaamheden die zijn verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Daarmee is meer dan met het begrip productieve arbeid duidelijk aangegeven welke uren in aanmerking komen voor de vaststelling van de vraag of er sprake is van werkloosheid. Op deze wijze heeft het door de CRvB gehanteerde begrip een invulling gekregen. In concreto betekent dit dat bij de bepaling van de verhouding tussen verloren arbeidsuren en resterende arbeidsuren geen rekening wordt gehouden met vóór het intreden van de eventuele werkloosheid verrichte onbetaalde arbeid.
Ook na ontstane werkloosheid aangevangen onbetaalde activiteiten - van traditioneel vrijwilligerswerk tot en met werk in het kader van de beoogde Wet onbeloonde arbeid voor uitkeringsgerechtigden - beïnvloeden de werkloosheid niet, uiteraard tenzij er sprake is van het verrichten van onbetaalde werkzaamheden die een bedrijfs- of beroepsmatig karakter hebben. Het verrichten van onbetaalde activiteiten kan echter niet zonder meer plaatsvinden. Onbeloonde activiteiten zijn op grond van het voorzieningenhoofdstuk onderworpen aan een meldingsplicht of aan voorafgaande toestemming door de bedrijfsvereniging. Het niet voldoen aan de verplichtingen die in het desbetreffende hoofdstuk worden genoemd, kan leiden tot een sanctie.
     In de derde plaats is het onderscheid dat de CRvB maakt tussen arbeid verricht binnen of buiten de normale arbeidsuren niet gevolgd. Bij arbeid die buiten de normale arbeidsuren is verricht, stelt de CRvB, behalve de absolute ondergrens in het aantal uren arbeid, als voorwaarde dat deze arbeid ten minste twee jaar moet zijn verricht.
     Aan het laten vervallen van dit onderscheid ligt de overweging ten grondslag dat de verdere ontwikkeling van herverdeling van arbeid ertoe kan leiden dat het steeds vaker voor zal kunnen komen dat in sterk wisselende patronen arbeid wordt verricht. Het begrip normale arbeidsuren - waarbij gedacht wordt aan de gebruikelijke uren overdag en de uren in de avond wanneer dat naar de aard van het werk of in de bedrijfstak gebruikelijk is - zal dan zijn onderscheidend vermogen verliezen. Voorts is van belang dat voor de duur van de uitkering een arbeidsverledeneis wordt geïntroduceerd die de extra eis die de CRvB stelt voor de toelating tot de verzekering in zekere zin overbodig maakt. In verband hiermee word in de wet niet het verschil aangebracht tussen arbeid binnen of buiten de normale arbeidsuren, zodat iemand die aan de referte-eis voldoet - en aan de overige voorwaarden - zonder meer gedurende een halfjaar recht op uitkering heeft. In dit verband is nog van belang dat met het verlies van arbeid buiten de normale arbeidsuren ook nu al zich het verschijnsel kan voordoen dat een volledige dienstbetrekking resteert, terwijl daarnaast recht op WW-uitkering bestaat.
     Indien iemand van 50 uren teruggaat naar 35 uren per week, is immers sprake van werkloosheid.
     Onder ogen is gezien of het in een tijd waarin naar een betere verdeling van (betaalde en onbetaalde) arbeid wordt gestreefd juist is aan iemand die nog een normale dagtaak over heeft een werkloosheidsuitkering te
rblz.|48| verstrekken. Een beperking van het verzekerd risico, in die zin dat geen recht op uitkering bestaat indien een normaal arbeidspatroon resteert, heeft aantrekkelijke kanten. Er zijn echter ook bezwaren aan verbonden. Een logische consequentie hiervan zou zijn dat degene die bijvoorbeeld 50 uur werkte en die bijvoorbeeld tien uren kwijtraakt, geen uitkering krijgt, omdat hij nog een normale dagtaak overhoudt en derhalve geacht moet worden niet werkloos te zijn. Op deze wijze wordt derhalve het loondervingskarakter van de werkloosheidsverzekering beperkt. Voorts heeft dit tot gevolg dat de equivalentie tussen premie en uitkering wordt doorbroken, daar het niet gewenst is om bovenmatige arbeidsuren buiten de premieplicht te houden.
     Verder kan als bezwaar genoemd worden dat van een dergelijke maatregel een oneigenlijke sturende werking van de sociale zekerheid kan uitgaan. Het werken in meer dan normale omvang zou immers minder aantrekkelijk worden gemaakt. Daardoor zou een maatregel in de secundaire sfeer kunnen ingrijpen in de primaire sfeer. Dit is strijdig met de visie van het kabinet met betrekking tot de sociale zekerheid in ons sociale stelsel. De sociale zekerheid moet zoveel mogelijk de ontwikkelingen in de primaire sfeer volgen. Indien men bovenmatig werken wil tegengaan, dan zal dit dienen te gebeuren met op de primaire sfeer gerichte maatregelen.


3.4.3. De referte-eis voor het recht op uitkering

     In dit wetsvoorstel wordt als algemene voorwaarde voor het recht op uitkering opgenomen dat in de twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid ten minste in 26 weken arbeid in dienstbetrekking moet zijn verricht. Voor seizoenwerknemers zullen afwijkende regels worden gesteld. Deze referte-eis wijkt af van de huidige referte-eis van de WW en de WWV. De WW en WWV bepalen immers dat bij een vijfdaagse werkweek op 130 dagen als werknemer moet zijn gewerkt. Bij een regelmatig arbeidspatroon op hetzij meer of minder dan vijf dagen per week bedraagt dat aantal evenwel het 26-voudige van het gemiddeld aantal volgens dat arbeidspatroon per week gewerkte dagen, met een minimum van 65 dagen. Voor personen die in een onregelmatig arbeidspatroon op gemiddeld minder dan vijf dagen per week werken, geldt een afwijkende regeling, die overigens ook het minimum van 65 dagen kent. De huidige referte-eis is derhalve gestoeld op de gedachte dat men gedurende een periode van een halfjaar wekelijks moet hebben gewerkt.
     De ondergrens van 65 dagen leidt er echter toe dat iemand die op één dag in de week werkt nimmer aan deze ondergrens kan voldoen, terwijl degene die op twee dagen in de week werkt langer dan een halfjaar moet hebben gewerkt om voor een uitkering in aanmerking te komen.
     Daarnaast heeft de ondergrens van 65 dagen tot gevolg dat deeltijdwerkers onderling ongelijk worden behandeld. Afhankelijk van de wijze waarop het werk over de week verdeeld is, kunnen zij aan de referte-eis voldoen. Degene die bijvoorbeeld acht uur op één dag per week werkt, kan nooit aan de eis van 65 dagen voldoen, terwijl degene die verspreid over twee of drie dagen acht uur werkt wel aan de referte-eis voldoet.
     De aanpassing van de gewerkte referte-eis is dan ook ingegeven door de wens in alle gevallen een gelijke behandeling van deeltijdwerkers onderling en van deeltijdwerkers met voltijdwerkers tot stand te brengen. Ook vanuit de Tweede Kamer is bij verschillende gelegenheden, onder andere bij de behandeling van de begroting van het departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid eind januari 1984 voor deze kwestie de aandacht gevraagd.
     In het thans voorliggende wetsvoorstel is in de eerste plaats de minimumeis van 65 dagen komen te vervallen. Op deze wijze wordt een mogelijke belemmering in de sfeer van de uitkeringsvoorwaarden om in vrijheid een arbeidspatroon te kiezen dat het beste past bij de persoonlijke wensen of voorkeuren van werknemer en werkgever, opgeheven. Wellicht ten overvloede wordt er hier aan herinnerd dat dit evenwel nog niet betekent dat thans ook in alle gevallen van deeltijdarbeid recht bestaat op een
rblz.|49| uitkering. Immers, zoals in paragraaf 3.4.2 is beschreven, leidt het verlies van arbeid van bijkomstige aard niet tot werkloosheid.
     In de tweede plaats wordt geen relatie meer gelegd met het gemiddeld aantal volgens een bepaald arbeidspatroon per week gewerkte dagen. Als gevolg hiervan kan het voorkomen dat iemand die bijvoorbeeld op vier dagen per week placht te werken niet aan de referte-eis voldeed, omdat hij een korte periode op drie dagen per week had gewerkt. Dit is nimmer beoogd. Met de verzwaring van de referte-eis bij de Wet van 26 maart 1981, Stb. 1981, 133, werd beoogd een duurzame binding met het arbeidsproces tot uitdrukking te brengen. De grens werd daarbij gelegd op een halfjaar. Door in dit wetsvoorstel uit te gaan van in 26 weken arbeid verrichten, wordt het genoemde niet-beoogde effect voorkomen.
     In de derde plaats wordt de telling van de dagen voor de referte-eis aangepast. Thans is het zo dat iedere dag waarop feitelijk is gewerkt, meetelt voor de referte-eis. Voor de telling van de gewerkte dagen doet het niet ter zake dat geheel of gedeeltelijk op een dag is gewerkt of dat in één of meer dienstbetrekkingen per dag of per week is gewerkt.
     Heeft men - om van een vijfdaagse werkweek uit te gaan - op 130 dagen gewerk dan heeft men ter zake van de intredende werkloosheid recht op een uitkering. In het huidige systeem van dagen tellen wordt derhalve in beginsel geen relatie gelegd tussen de omvang van de werkloosheid en de omvang van de dienstbetrekking waaruit die werkloosheid is ontstaan. De huidige referte-eisen kennen thans in feite als voorwaarde dat men tevoren gedurende zekere tijd als werknemer heeft gewerkt c.q. verzekerd is geweest. Dit leidt tot soms meer merkwaardige en zeker bij de totstandkoming van de WW en de WWV niet-beoogde effecten.
     Zo is bijvoorbeeld een gevolg dat een werknemer die twee dienstbetrekkingen naast elkaar heeft vervuld en bij voortdurende werkloosheid uit één van die dienstbetrekkingen in het tweede uitkeringsjaar voor een nieuw WW-recht van 130 dagen in aanmerking kan komen.
     Met de resterende deeltijddienstbetrekking vervult hij de voorwaarde voor het recht op uitkering ter zake van de werkloosheid uit de andere dienstbetrekking. Voor de WWV ligt dit in beginsel niet anders. Ter zake van eenzelfde werkloosheidsgeval kan aldus over een langere periode dan tweeënhalf jaar uitkering worden ontvangen, zij het dat bij de Wet van 14 december 1977, Stb. 1977, 670, inzake het tegengaan van het oneigenlijk gebruik als gevolg van te ruime bepalingen de duur van de WW-uitkering ter zake van eenzelfde werkloosheidsgeval is gemaximeerd op 78 weken. Een ander gevolg van de huidige telling van dagen is bijvoorbeeld dat iemand die gedurende langere tijd in deeltijd heeft gewerkt en die voor korte tijd, bijvoorbeeld enkele dagen of weken, een baan naast die deeltijdbaan aanvaardt, bij werkloosheid uit die tijdelijke baan zonder meer recht op een uitkering heeft. Dit lijkt wat al te veel van het goede. Door slechts gedurende een korte periode te werken, wordt gedurende lange tijd dit verlies aan inkomen gecompenseerd.
     Aangenomen kan worden dat deze gevolgen nimmer de bedoeling zijn geweest van de wetgever. De werkloosheidswetten zijn tot stand gebracht in een tijd waarin het gebruikelijk was om slechts voltijdarbeid te verrichten. Met de grote variatie in de arbeidspatronen die thans voorkomt, is toen geen rekening gehouden.
     Teneinde vorenstaande ongewenste effecten te voorkomen, wordt in het wetsvoorstel voorgesteld de referte-eis te laten gelden per (opvolgende) dienstbetrekking. Tevens kunnen gewerkte dagen - net als bij de WWV de bedoeling is - slechts in aanmerking genomen worden voor zover daarmee geen rekening is gehouden voor een eerder recht op uitkering. Zou bij opeenvolgende werkloosheidsgevallen telkens met alle in het refertejaar gelegen gewerkte dagen rekening worden gehouden, dan zou bij korte onderbrekingen van de werkloosheid telkens een nieuw recht op uitkering over de volle duur kunnen ontstaan. De in dit wetsvoorstel opgenomen herlevingsregeling zou hierdoor praktisch illusoir worden. Met betrekking
rblz.|50| tot deze regeling inzake de herleving van het recht op uitkering zij nog het volgende vermeld. In dit wetsvoorstel is gekozen voor het in de WWV voorkomende systeem van de absolute uitkeringsduur. Het WW-systeem, met zijn maximale uitkeringsrechten per uitkeringsjaar, verdraagt zich niet met de in dit wetsvoorstel voorgestelde langere uitkeringen. Inherent aan het WWV-systeem met zijn absolute uitkeringsduur is de mogelijkheid van herleving van het recht. Dit houdt in dat na een tussentijdse beëindiging van het recht op uitkering, bijvoorbeeld als gevolg van werkaanvaarding, zonder dat als gevolg daarvan een nieuw recht op uitkering is ontstaan - de referte-eis wordt niet opnieuw gehaald - het oude recht op uitkering geheel of gedeeltelijk herleeft.
     Tijdens de periode van onderbreking is het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk geschorst, zodat de duur van de uitkering wordt verlengd met de periode van onderbreking. Het thans in de WW gevolgde systeem waarbij de uitkering in duur wordt beperkt, is niet in dit wetsvoorstel opgenomen, omdat het nauw verband houdt met het systeem van uitkeringsjaren in de WW, terwijl in dit wetsvoorstel is gekozen voor het systeem van de absolute uitkeringsduur van de WWV.


3.4.4. De uitsluitingsgronden

     In de huidige wetgeving komt in de artikelen 21, eerste lid, en 31, eerste lid, van de WW en artikel 13, eerste lid, van de WWV een aantal uitsluitingsgronden voor. Het gaat daarbij onder andere om:
- het recht op onverminderde doorbetaling van loon;
- het ontvangen van een AAW- of WAO-uitkering, of een daarmee overeenkomende uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;
- het rechtens van zijn vrijheid beroofd zijn;
- het buiten Nederland wonen of verblijf houden of vakantie genieten.
     De thans in de WW en de WWV voorkomende uitsluitingsgronden zijn in dit wetsvoorstel opgenomen. Voor zover nodig wordt in de artikelsgewijze toelichting op deze uitsluitingsgronden teruggekomen.
     Speciale vermelding verdient evenwel de uitsluitingsgrond wegens verblijf in het buitenland. De ratio hiervan is dat de wet slechts dient te voorzien in de betaling van uitkeringen aan werknemers die in Nederland wonen en beschikbaar zijn voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Buitenlandse werknemers van niet-Nederlandse nationaliteit die werkloos zijn en een uitkering ontvangen op grond van deze wet, zijn niet meer uitkeringsgerechtigd indien zij Nederland verlaten en terugkeren naar hun land van herkomst. Ten aanzien van het beleid inzake minderheden is het kabinet van mening dat gestreefd dient te worden naar integratie van de minderheidsgroeperingen in de Nederlandse samenleving. Echter, dit laat onverlet de wens van leden van minderheidsgroepen zich toch in het land van herkomst te hervestigen. Teneinde voor deze personen het mogelijk te maken in volle vrijheid een verantwoorde keuze te maken met betrekking tot verlenging van het verblijf in Nederland dan wel terugkeer naar het land van herkomst, zal het kabinet binnenkort voorstellen doen om bepaalde groepen personen hierbij een financiële ondersteuning te geven. Deze financiële ondersteuning zal in een afzonderlijke regeling buiten de nu voorliggende Werkloosheidswet gestalte krijgen. Personen die op grond van deze afzonderlijke regeling een (periodieke) uitkering ontvangen, zullen niet langer voor een werkloosheidsuitkering in aanmerking komen en dus niet meer ten laste komen van het AWf. Het kabinet acht het verantwoord het AWf in verhouding tot de daardoor optredende besparing in de financiering van de binnenkort voor te stellen afzonderlijke regeling te laten bijdragen. In artikel 94 [92] van het voorliggende voorstel is een daartoe strekkende bepaling opgenomen.
     Verder is als uitsluitingsgrond in dit wetsvoorstel niet overgenomen de thans alleen in de WW voorkomende uitsluitingsgrond van het ontvangen
rblz.|51| van ziekengeld op grond van de ZW en daarmee overeenkomende uitkeringen. De discrepantie op dit punt tussen de WW en de WWV maakte een keuze noodzakelijk. Het volgen van de WWV-systematiek, te weten geen verzekering op grond van de ZW tijdens de WWV-uitkeringsperiode, kan ertoe leiden dat na afloop van de WWV-uitkering tijdelijk een beroep moet worden gedaan op de Algemene Bijstandswet om de wachttijd voor een AAW/WAO-uitkering vol te maken. Dit wordt ongewenst geacht. De huidige WW-systematiek - verzekering voor de ZW en opschorting van WW-rechten tijdens ziekte - is misbruikgevoelig, hetgeen evenzeer ongewenst is. Een genuanceerder regeling dan via het al dan niet uitsluiten van het recht op uitkering mogelijk is, is geboden om beide ongewenste neveneffecten te elimineren. Deze regeling kan worden gevonden in de sfeer van de samenloopregelingen (zie paragraaf 3.6). De WW-uitkeringsgerechtigde blijft verzekerd op grond van de Ziektewet, doch het ziekengeld wordt in mindering gebracht op de werkloosheidsuitkering.
     Voorts is nieuw de uitsluiting van het recht op uitkering van de werknemer die op grond van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40) kan worden uitgezet. Het gaat hierbij om de persoon die over een geldige verblijfstitel beschikt en zonder instemming van het bevoegde gezag in Nederland verblijft.
     De positie van onrechtmatig in ons land verblijvende vreemdelingen in het kader van de socialezekerheidswetgeving vraagt reeds geruime tijd de aandacht. De huidige socialezekerheidswetten - behoudens de WWV - bevatten geen bepalingen op grond waarvan onrechtmatig hier verblijvende vreemdelingen worden uitgesloten van uitkeringsrechten. De primaire verantwoordelijkheid voor het vreemdelingenbeleid, en dus ook voor de bestrijding van onrechtmatig verblijf, ligt bij de Minister van Justitie. De socialezekerheidswetgeving mag naar onze mening echter niet het vreemdelingenbeleid frustreren. Het verlenen van werkloosheidsuitkering aan onrechtmatig in ons land verblijvende buitenlanders is niet in overeenstemming met het vreemdelingenbeleid waar dit leidt tot een last tot uitzetting. De uitkering maakt het de vreemdeling immers materieel mogelijk hier te blijven, terwijl het vreemdelingenbeleid erop gericht is hem zo spoedig mogelijk uit te zetten. Bij het verlenen van een uitkering op grond van de ZW, de WAO en de AAW is van niet-strijdigheid met het vreemdelingenbeleid in ieder geval in mindere mate sprake daar deze uitkeringen exportabel zijn.
     De positie van buitenlandse werknemers op het uitkeringsvlak is - met name voor wat betreft de WW en WWV - ook aan de orde gesteld door de Interdepartementale werkgroep illegale arbeid door vreemdelingen (bijlage Handelingen II 1979-1980, 16 012, nr. 2). In haar op 10 december 1979 uitgebrachte rapport kwam de werkgroep tot de aanbeveling de positie van illegale vreemdelingen in het kader van WW en WWV als volgt te herzien:
a. een toevoeging aan artikel 31, eerste lid, WW, inhoudende dat geen wachtgeld wordt toegekend aan een vreemdeling die niet over een geldige verblijfstitel beschikt, tenzij het hem is toegestaan om, hangende de beslissing op een op grond van de Vreemdelingenwet ingesteld beroep, in Nederland te verblijven;
b. vervanging van artikel 13, eerste lid, onderdeel [onderdeel ?, red.], WWV door een bepaling inhoudende dat geen recht op uitkering heeft de buitenlandse werknemer die niet over een geldige verblijfstitel beschikt, tenzij het hem is toegestaan, hangende de beslissing op een op grond van de Vreemdelingenwet ingesteld beroep, in Nederland verblijven.
     Hierbij tekende de werkgroep overigens aan dat deze aanbeveling diende te worden bezien in de brede context van eventuele overeenkomstige wijzigingen in de andere socialeverzekeringswetten. Het toenmalige kabinet heeft ingestemd met de aanbevelingen van de werkgroep.
     Overeenkomstig deze aanbevelingen wordt de werknemer die op grond van de Vreemdelingenwet kan worden uitgezet van het recht op uitkering uitgesloten. Het bevoegde gezag ter zake is het ministerie van Justitie of de
rblz.|52| vreemdelingendienst. Onze voorkeur gaat er naar uit ook in de andere socialezekerheidswetten de onrechtmatig hier verblijvende vreemdeling uit te sluiten van uitkering. Daartoe strekkende voorstellen zijn op dit moment nog in studie.
     Uitsluiting van het recht op uitkering heeft in ieder geval als voordeel boven uitsluiting van de personenkring dat voorkomen wordt dat arbeid door onrechtmatig verblijvende vreemdelingen lucratiever zou worden door het vervallen van de premie- en loonbelastingplicht. Een zelfde resultaat is bij uitsluiting van de personenkring slechts door middel van een voor zowel de bedrijfsverenigingen als de belastingdienst zeer gecompliceerde en belastende regeling te bereiken. Derhalve wordt vanuit praktisch oogpunt de voorkeur gegeven aan de methode van uitsluiting van het recht op uitkering.
     Wat betreft de omschrijving van de groep vreemdelingen die wordt uitgesloten van het recht op uitkering is aangesloten bij het beleid op grond van de Algemene Bijstandswet. In de artikelsgewijze toelichting is daarvan een omschrijving gegeven. Deze omschrijving is overigens minder beperkend dan hetgeen genoemde werkgroep heeft aanbevolen in het kader van de WW en de WWV.

 

3.5. Het geldend maken van het recht op uitkering


     Zoals in paragraaf 3.2 beschreven, gaat het bij het geldend maken van het recht op uitkering om het nakomen van voorwaarden met een subjectief karakter. Het al dan niet nakomen van deze voorwaarden tast niet het recht op uitkering aan. Het niet nakomen van deze subjectieve voorwaarden levert een verwijtbare gedraging op ter zake waarvan de bedrijfsvereniging de mogelijkheid geboden wordt een administratieve sanctie te treffen.
     De subjectieve voorwaarden hebben betrekking op omstandigheden waarbij de persoonlijke gedragingen van de werknemer in het geding zijn. Deze gedragingen kunnen de omvang van het beroep op een werkloosheidsuitkering beïnvloeden. Uit overwegingen van solidariteit mag van een werknemer verwacht worden dat hij het redelijkerwijs mogelijke doet om te voorkomen dat hij op een uitkering aangewezen raakt en om een recht op uitkering zo beperkt mogelijk te houden. Wanneer de werknemer een verwijt valt te maken ter zake van (de omvang van) zijn beroep op een werkloosheidsuitkering, is het redelijk dat een administratieve sanctie wordt getroffen. Dit laat onverlet de mogelijkheid om de werknemer ter zake van een verwijtbare gedraging strafrechtelijk te vervolgen. Voor de strafbepalingen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.
     De WW en WWV bevatten thans reeds bepalingen inzake sanctietoepassing bij een verwijtbare gedraging van de werknemer.
     De artikelen 31 en 39 van de WW bepalen dat in dergelijke gevallen geen uitkering meer wordt toegekend, zij het dat het bestuur van de bedrijfsvereniging in bepaalde gevallen onmiddellijk of op een later tijdstip de uitsluiting van het recht op uitkering kan beperken tot een bepaalde termijn. Deze termijn kan te allen tijde worden herzien. Artikel 14 van de WWV bepaalt daarentegen dat het gemeentebestuur in dergelijke situaties de uitkering verlaagt of, al dan niet in combinatie met een verlaging, de werknemer van het recht op uitkering uitsluit. Zowel de verlaging van de uitkering als de uitsluiting van het recht op uitkering kan tijdelijk of voor de gehele duur van de uitkering geschieden.
     Voorts verdient in dit verband nog vermelding dat de WW op het ontstaan van niet-onvrijwillige werkloosheid de facto als sanctie stelt het blijvend uitsluiten van het recht op uitkering, terwijl ingevolge de WWV in een dergelijke situatie ook het hiervoor genoemde sanctiesysteem van toepassing is.
     Met betrekking tot de sanctiesystemen van de WW en WWV zij opgemerkt dat waar sprake is van het uitsluiten van het recht op uitkering c.q. het niet toekennen van het recht op uitkering voor de duur van de sanctie de
rblz.|53| uitkering wordt geschorst. Na het bereiken van de eigenlijke - inclusief de schorsingsperiode - maximumuitkeringstermijn bestaat als gevolg hiervan thans een recht op uitkering gelijk aan het aantal dagen waarover het recht op uitkering werd geschorst. Bij voortdurende werkloosheid leidt een sanctietoepassing nu dus niet tot een geringere uitkering. In het systeem dat in dit wetsvoorstel wordt gevolgd, zal een dergelijke schorsing van uitkeringsrechten niet meer kunnen voorkomen. Immers, een verwijtbare gedraging beïnvloedt niet het recht op uitkering, maar heeft alleen gevolgen voor de mate waarin het recht geldend kan worden gemaakt.
     Een nadere bezinning op de sanctiesystemen van de WW en de WWV die, behoudens de andere constructie, in feite alleen verschillen wat betreft de mogelijkheid om de uitkering blijvend of tijdelijk te verlagen, heeft geleid tot het volgende systeem.
     Bij het ontstaan van verwijtbare werkloosheid dient de bedrijfsvereniging de uitkering ten minste te verlagen tot 70% van het minimumloon, het niveau van de vervolguitkering. Daarnaast wordt de bedrijfsvereniging de bevoegdheid gegeven een zwaardere sanctie te treffen indien de aard van de gedragingen van de werknemer daartoe aanleiding geeft. De wet schrijft hierbij derhalve een minimumsanctie voor.
     Indien de werknemer na het intreden van de niet-verwijtbare werkloosheid een verwijtbare gedraging pleegt, krijgt de bedrijfsvereniging de bevoegdheid als administratieve sanctie:
1. de uitkering blijvend geheel te weigeren;
2. de uitkering blijvend gedeeltelijk te weigeren;
3. de uitkering tijdelijk geheel te weigeren vanaf de eerste dag van werkloosheid;
4. de uitkering tijdelijk gedeeltelijk te weigeren; of
5. de uitkeringsduur te beperken.
     Ook indien een verwijtbare gedraging is gepleegd vóór het intreden van de (verwijtbare) werkloosheid, geldt deze bevoegdheid. Het gaat hier om andere gedragingen dan de gedragingen die ertoe hebben geleid dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden.
     De verwijtbare gedragingen die onder deze sanctiebevoegdheid van de bedrijfsvereniging vallen, komen nagenoeg overeen met die thans in artikel 31 tot 39 van de WW en artikel 14 van de WWV zijn geregeld.
     Daarnaast is in de wet de fictie opgenomen dat de werknemer die niet onverwijld alle feiten en omstandigheden aan de bedrijfsvereniging meedeelt waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op, de hoogte en de duur van de uitkering of die zich zodanig heeft gedragen dat het uitvoeringsorgaan benadeeld is of zo kunnen worden, geacht wordt vanaf de eerste werkloosheidsdag in verzuim te zijn. Deze fictie betekent een omkering van de bewijslast. De werknemer dient aannemelijk te maken dat hij eerst vanaf een later tijdstip in verzuim is geweest. Deze bepaling verschaft de bedrijfsverenigingen een effectief instrument ter beteugeling van misbruik. In het eindrapport van de Interdepartementale stuurgroep misbruik en oneigenlijk gebruik (ISMO) werd vooral de moeilijke bewijspositie van de bedrijfsverenigingen in de strijd tegen het misbruik een belemmerende factor genoemd. De fictie op zich betreft niet een zelfstandige sanctiebevoegdheid, doch is wel instrumenteel als het gaat om de uitoefening van die bevoegdheid.
     Tot slot wordt aan de SVr de bevoegdheid gegeven nadere regels te stellen over de wijze waarop de bedrijfsverenigingen van hun bevoegdheden gebruikmaken.
     Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid is een dergelijke coördinerende en toezichthoudende bevoegdheid van de SVr wenselijk. Aan de bedrijfsverenigingen wordt in dit wetsvoorstel een grotere beleidsruimte gegeven met betrekking tot het voeren van een sanctiebeleid dan thans op grond van de WW mogelijk is. Voorkomen moet worden dat door de maatschappelijke druk op bedrijfsverenigingen om een "soepel" sanctiebeleid te voeren - een blijvende weigering van de uitkering betekent
rblz.|54| immers een verwijzing naar de Algemene Bijstandswet en niet meer naar de WWV - te grote discrepanties ontstaan. Dit betreft niet alleen een verschil in sancties tussen bedrijfsverenigingen in vergelijkbare situaties, maar ook het verschil tussen de positie van degenen die het ontstaan van zijn werkloosheid aan zichzelf te wijten hebben en degenen die het voortduren van hun werkloosheid aan zichzelf te wijten hebben. Indien zich te zijner tijd te grote discrepanties voordoen, kan het gewenst zijn voor bepaalde gevallen minimumsancties vast te stellen.
     Het hiervoor beschreven systeem vertoont grote overeenkomst met het WWV-systeem, dat een zeer genuanceerd sanctiebeleid mogelijk maakt. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de van verschillende kanten naar voren gebrachte klacht dat het WW-systeem op dit punt te rigide is. In afwijking van het WW- en het WWV-systeem wordt slechts de mogelijkheid geboden om de uitkering tijdelijk geheel te weigeren vanaf het intreden van de werkloosheid. Voorts wordt in afwijking van het WWV-systeem bij het ontstaan van verwijtbare werkloosheid een minimumsanctie voorgeschreven. De volgende overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuzes.
     Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven, is in navolging van het SER-advies gekozen voor werkloosheid als toelatingscriterium voor het recht op uitkering.
     De keuze voor het criterium "werkloosheid" betekent evenwel niet dat wij lichtvaardig denken over iemand die verwijtbaar werkloos is geworden. Integendeel, wij achten dit maatschappelijk niet aanvaardbaar en een grove miskenning van de solidariteit die aan het socialezekerheidssysteem ten grondslag ligt. In overeenstemming met de ernst van het feit menen wij dat het redelijk is in geval van verwijtbare werkloosheid de uitkering geheel te weigeren. In die gevallen waarin verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, zou dit onevenredig zwaar kunnen zijn. In die gevallen geldt ten minste als sanctie een verlaging van de uitkering tot het individueel sociaalminimumniveau. Indien tijdens de uitkering in eenzelfde mate een verwijtbare gedraging plaatsvindt, ligt het overigens voor de hand dat de bedrijfsvereniging een even zware sanctie treft.
     De thans gekozen constructie houdt derhalve het midden tussen het WW-systeem, waarbij geen recht op uitkering ontstaat in geval van niet-onvrijwillige werkloosheid, en het WWV-systeem, dat het aan het gemeentebestuur overlaat de zwaarte van de sanctie te bepalen.
     De keuze voor het begrip verwijtbare werkloosheid in plaats van niet-vrijwillige/onvrijwillige werkloosheid is ingegeven door het volgende. De in de WW en de WWV voorkomende terminologie dat sprake moet zijn van onvrijwillige werkloosheid is voor betrokkenen verwarrend. Veelal ging men er - ten onrechte - van uit dat dit het tegengestelde is van vrijwillig, zodat regelmatig een beroep werd gedaan op de rechter, omdat geen sprake was van vrijwillige werkloosheid. Het begrip verwijtbare werkloosheid, dat materieel overeenkomt met het begrip niet-onvrijwillige werkloosheid, voorkomt deze onduidelijkheid.
     Aan de beperkte bevoegdheid van de bedrijfsvereniging om de uitkering tijdelijk geheel te weigeren, liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
     Het tijdelijk weigeren van WW-uitkering tijdens de duur van de uitkering komt in de eerste plaats thans niet vaak voor. Als het al gebeurt, zal het doorgaans een korte periode betreffen, bijvoorbeeld als gevolg van het niet ingeschreven blijven staan bij het gewestelijk arbeidsbureau of het niet opvolgen van voorschriften van de bedrijfsvereniging ten behoeve van een doelmatige controle.
     Voorts zal de werknemer bij een tijdelijke gehele weigering van uitkering in de tussentijd een beroep moeten doen op de gemeente voor een Rww-uitkering. Dit zou leiden tot veel administratieve en uitvoeringstechnische rompslomp voor in het algemeen een periode van enkele dagen of enkele weken, tenzij tegelijkertijd compensatie in de sfeer van de Rww wordt geblokkeerd. Dit is ongewenst. De gemeenten zullen uiteraard moeten overwegen of de verwijtbare gedraging, waarop de bedrijfsvereniging
rblz.|55| reageert met sanctietoepassing van de bijstand en de daarop gebaseerde regelingen tot sanctietoepassing moet leiden [lees: De gemeenten zullen uiteraard moeten overwegen of de verwijtbare gedraging waarop de bedrijfsvereniging reageert, met sanctietoepassing van de bijstand en de daarop gebaseerde regelingen tot sanctietoepassing moet leiden, red.]. Over het algemeen zal dat inderdaad het geval zijn. Niettemin moet voor de gemeente de mogelijkheid blijven om in individuele gevallen af te wijken, omdat de bijstand en daarop gebaseerde regelingen worden beheerst door het behoeftecriterium. Indien sanctietoepassing door een bedrijfsvereniging direct door zou werken in de sfeer van de Rww, zou dat de bedrijfsverenigingen belasten met onderzoeken naar individuele omstandigheden van de werknemer, teneinde te kunnen beoordelen of in redelijkheid tot een tijdelijke volledige weigering kan worden besloten.
     Genoemde problemen in de sfeer van de Rww doen zich in veel mindere mate voor indien de uitkering tijdelijk geheel wordt geweigerd aan het begin van de uitkeringsperiode. Bovendien kan juist aan het begin van de uitkeringsperiode behoefte bestaan aan een tijdelijke gehele weigering, bijvoorbeeld indien de werknemer zich te laat bij de bedrijfsvereniging meldt. Daarom is in de wet wel een mogelijkheid opgenomen om de uitkering tijdelijk geheel te weigeren aan het begin van de uitkeringsperiode. In samenhang met de nieuwe regeling inzake het verstrekken van voorschotten op de uitkering zal het nog maar zelden voorkomen dat een werknemer tijdelijk zal zijn aangewezen op een Rww-uitkering, met alle nadelen van dien.
     Tot slot speelt een rol dat bij het nu voorgestelde sanctiesysteem minder behoefte bestaat aan een tijdelijke volledige uitsluiting van de uitkering, daar de mogelijkheid wordt geboden van een verlaging van de uitkering, waarbij zich de hiervoor genoemde problemen in het algemeen niet zullen voordoen. Deze problemen zullen zich alleen voordoen indien een verlaging van de uitkering leidt tot een uitkering die ligt beneden het sociaalminimumniveau, hetgeen ten aanzien van werknemers met een uitkering op het sociaalminimumniveau te allen tijde het geval zal zijn. Indien de bedrijfsvereniging in een bepaald geval van mening zou zijn dat een verlaging van de uitkering de meest aangewezen sanctie is, doch zij, gelet op de individuele omstandigheden van de werknemer, het niet redelijk vindt dat de werknemer dan een inkomen zou hebben dat ligt beneden het sociaal minimum, zou geen sanctie getroffen kunnen worden. Dit achten wij onjuist. De werknemer heeft immers een verwijtbare gedraging gepleegd die ook in andere gevallen tot een sanctie zou leiden. Met name in verband hiermee is de bedrijfsvereniging de mogelijkheid gegeven als administratieve sanctie de duur van de uitkering te beperken. In feite komt dit neer op een tijdelijke gehele weigering van de uitkering op termijn: namelijk aan het einde van de uitkeringsperiode. De hiervoor beschreven problemen die verbonden zijn aan een tijdelijke gehele weigering tijdens de uitkeringsperiode doen zich dan niet voor.

 

3.6. De betaling van de uitkering


     Onder de betaling van de uitkering zijn alle regels bijeengebracht die betrekking hebben op de betaalbaarstelling door de bedrijfsvereniging en het in ontvangst nemen door of namens de werknemer van de uitkering.
     In dit onderdeel van de wet zijn opgenomen de bepalingen inzake:
a. de verplichting tot betaling van de uitkering;
b. de betaling van voorschotten op de uitkering;
c. de periodiciteit van de betaling van de uitkering;
d. de betaling bij samenloop met ander inkomen;
e. de betaling aan een andere dan de rechthebbende;
f. een ondergrens in de hoogte van het aan uitkering te betalen bedrag.
     Voorts zijn in dit deel enige bepalingen opgenomen die raakvlakken vertonen met het Burgerlijk Wetboek. Het gaat hierbij om bepalingen inzake de terugvordering van onverschuldigde betalingen en inzake het onvervreemdbaar zijn en niet vatbaar zijn voor verpanding of belening van de uitkering. Vanwege de samenhang met de bepalingen inzake de betaling
rblz.|56| bij samenloop met ander inkomen en de betaling aan een ander dan de rechthebbende is dit onderwerp hier geregeld.
     Het merendeel van deze bepalingen komt thans reeds voor in de WW en de WWV of de ter uitvoering daarvan getroffen besluiten.
     Wel is de tekst van deze bepalingen aangepast aan de in dit wetsvoorstel gebezigde terminologie en is op een aantal punten een verdergaande regeling opgenomen dan thans voorkomt. Dit is met name het geval met betrekking tot de bepalingen inzake de voorschotbetaling.
     De WW kent thans in artikel 21, derde lid, de bedrijfsvereniging de bevoegdheid toe een werknemer op zijn verzoek een voorschot op de uitkering te verstrekken. In het wetsvoorstel is een verdergaande regeling opgenomen teneinde de rechtszekerheid voor de rechthebbende te vergroten en de uniformiteit in de uitvoering te waarborgen.
     Voorts zijn de hoofdregels inzake samenloop van uitkering met inkomsten wegens loonderving en uit vroegere arbeid en met inkomsten uit arbeid tijdens de uitkeringsperiode in de wet opgenomen. Wat de WW betreft, zijn deze regels thans neergelegd in de wachtgeldreglementen van de bedrijfsvereniging en in het werkloosheidsreglement van het AWf. Wat de WWV betreft, zijn deze regelen te vinden in artikel 17 en het ter uitvoering daarvan getroffen Ministerieel Besluit van 29 december 1964, nr. 79650 (Stcrt. 1965, 5), zoals dat sindsdien is gewijzigd.
     De in dit deel van het wetsvoorstel opgenomen bepalingen komen qua strekking grotendeels overeen met de bepalingen in het bij uw Kamer aanhangig wetsvoorstel tot nadere wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet Werkloosheidsvoorziening (samenloop van werkloosheidsuitkering met bepaalde andere inkomsten), Kamerstukken II 1982-1983, 17 775. Gelet hierop is bij nadere overweging besloten laatstgenoemd wetsvoorstel in te trekken gelijk met de indiening van dit wetsvoorstel. In de Invoeringswet stelselherziening zullen de met deze bepalingen overeenkomende wijzigingen van de WWV worden opgenomen.
     Zowel de SER als de SVR hebben naar aanleiding van de voorstellen inzake samenloop advies uitgebracht (advies van de SER van 24 mei 1983, adviezen van de SVR van 20 juni 1983 en 20 september 1983).
     Kernpunt van het SER-advies is dat de SER voorstelt met betrekking tot de samenloopregeling van werkloosheidsuitkering met vervroegd ouderdomspensioen, in afwijking van hetgeen in dit wetsvoorstel en in het ingetrokken wetsvoorstel is bepaald, voor bepaalde groepen werknemers de samenloop van een werkloosheidsuitkering met vervroegd ouderdomspensioen te beperken tot 100% van het loon dat vóór de vervroegde pensionering gewoonlijk werd ontvangen. Wij zijn van mening dat daarmee het uitgangspunt zou worden verlaten dat vervroegd gepensioneerden in een vergelijkbare arbeidsmarktpositie zitten als gepensioneerden op 65-jarige leeftijd. Wij houden dan ook vast aan het voorstel de samenloop te beperken tot het niveau van de uitkering op de dag na pensionering. Aan het bezwaar van de SER tegen de in het wetsvoorstel opgenomen delegatiebepaling is in die zin gevolg gegeven dat de minister nog slechts bevoegd blijft uitkeringen gelijk te stellen met ouderdomspensioen en dat de bedrijfsverenigingen de mogelijkheid is gegeven ter zake van samenloop in het uitkeringsreglement nadere bepalingen op te nemen.
     Voorts is bij de verdere vormgeving van de regeling mede aandacht geschonken aan de meer technische punten uit de zojuist genoemde adviezen. Kortheidshalve verwijzen wij verder naar artikel 34 [34] en de daarop gebaseerde toelichting.
     In dit verband is nog van belang erop te wijzen dat het ziekengeld op grond van de ZW volledig valt onder deze anticumulatieregeling. Zoals uit paragraaf 3.4 van dit hoofdstuk blijkt, is het niet de bedoeling de werknemer die ziekengeld ontvangt van het recht op uitkering uit te sluiten. Tijdens de Ziektewetperiode blijft derhalve het recht op werkloosheidsuitkering bestaan. De daaruit voortvloeiende ongewenste cumulatie van uitkering wordt echter voorkomen door de in dit deel voorgestelde
rblz.|57| anticumulatiebepalingen. Voorts moge worden verwezen naar het gestelde in paragraaf 3.4 van dit hoofdstuk.
     Verder worden de mogelijkheden tot terugvordering voor de bedrijfsverenigingen verruimd. Enerzijds is dit een gevolg van de in paragraaf 3.5 besproken fictie met betrekking tot het ontstaan van bepaalde verwijtbare feiten en omstandigheden. Anderzijds wordt hiermee - evenzeer ingegeven door de wens misbruiken te kunnen beteugelen - tegemoetgekomen aan de van verschillende kanten wel gesignaleerde lacune dat verrekening van onverschuldigd betaalde uitkeringen tussen verschillende bedrijfsverenigingen niet mogelijk is.
     Ten slotte is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die ertoe strekt betalingen van al te kleine omvang te voorkomen. De fiscale wetgeving kent een dergelijke bepaling ook. Het niet betalen van bedragen die beneden de ondergrens liggen, beoogt de werklast van de bedrijfsvereniging te verlichten, in die zin dat het te betalen bedrag in zekere mate de werklast die met de administratieve afhandeling van de betaling is gemoeid, rechtvaardigt.

 

3.7. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de loondervingsuitkering


3.7.1. Inleiding

     In deze paragraaf komen de bijzondere bepalingen met betrekking tot de loondervingsuitkering aan de orde. Deze bijzondere bepalingen betreffen de duur van de uitkering en de hoogte van de uitkering.


3.7.2. De duur van de loondervingsuitkering

     Wat de duur van de loondervingsuitkering betreft, staat het kabinet voor ogen deze afhankelijk te doen zijn van de duur van het arbeidsverleden van de uitkeringsgerechtigde. Zoals in hoofdstuk 2 van de memorie vermeld, is het op dit moment echter nog niet mogelijk de duur van de uitkering volledig van het arbeidsverleden afhankelijk te stellen. Betrouwbare gegevens met name over ver in het verleden liggende arbeidsperioden zijn veelal niet te achterhalen; veelal ontbreekt een sluitende registratie van dit arbeidsverleden.
     Het is voor een volledige koppeling aan het arbeidsverleden noodzakelijk om de gehele actieve periode van de werknemer in kaart te brengen. Daarbij gaat het niet alleen om perioden waarin feitelijk is gewerkt, doch het kan ook gaan om perioden van onderbreking van de arbeid die met verrichten van arbeid moeten worden gelijkgesteld. Hierbij verdient bijzondere aandacht de positie van degene die vanwege het verzorgen van (kleine) kinderen de arbeid als werknemer heeft onderbroken. Zoals in de adviesaanvraag naar voren is gebracht en ook in dit wetsvoorstel is neergelegd, is het kabinet van mening dat bij een dergelijke onderbreking een genormeerde periode moet worden aangemerkt als een tot het arbeidsverleden behorende periode.
     Weliswaar zou het mogelijk zijn om ter bepaling van het arbeidsverleden op door de uitkeringsgerechtigde zelf verstrekte gegevens af te gaan, doch om verschillende redenen wijst het kabinet deze gedachte af.
     Allereerst is de juistheid van die gegevens niet, dan wel niet op eenvoudige wijze, achteraf vast te stellen, zeker waar het betreft ver in het verleden verrichte arbeid of onderbrekingen van die arbeid. Een zekere controle op de juistheid van die gegevens zal toch moeten kunnen plaatsvinden om de rechtmatigheid van de uitkering te kunnen bepalen. Een onderzoek naar dit totale arbeidsverleden door de bedrijfsvereniging, zo dit al mogelijk is, zal daarenboven zeer veel speurwerk met zich brengen, hetgeen een spoedige vaststelling van uitkeringsrecht kan belemmeren. Verder zal het hanteren van het criterium van het gehele arbeidsverleden alleen voor de werknemers die dit arbeidsverleden kunnen reconstrueren tot ongelijke rechtsbedeling kunnen leiden.
    
rblz.|58| In de nabije toekomst zal, mede in verband met de invoering van een socialeverzekeringsnummer, door de bedrijfsverenigingen een verzekerdenregistratie worden opgebouwd. Met gebruikmaking daarvan zal in de toekomst steeds meer kunnen worden gewerkt met het arbeidsverleden en steeds minder met de leeftijd als benadering daarvan. Bij gebrek aan een sluitende registratie voor alle potentiële uitkeringsgerechtigden wordt er de voorkeur aan gegeven in alle gevallen voor wat het arbeidsverleden van meer dan vijf jaar voorlopig met de leeftijd als benadering van het arbeidsverleden te werken. Zo spoedig mogelijk zal worden overgeschakeld op een relatie met het arbeidsverleden.
     Als eerste stap op weg naar een systeem waarin de duur van de uitkering afhankelijk zal zijn van het arbeidsverleden wordt als voorwaarde voor een uitkering over een langere periode dan een halfjaar voorgesteld dat de werknemer in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid gedurende drie jaar een dienstbetrekking moet hebben gehad die ten minste acht uren per week omvatte. Met nadruk zij gesteld dat het hier om een duurvoorwaarde gaat en niet om een toelatingsvoorwaarde, zoals de referte-eis van 26 weken werken in het jaar direct voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid. Het niet voldoen aan de duurvoorwaarde heeft derhalve geen invloed op het ontstaan van het recht, alleen op de duur van dat recht. Wel bestaat een nauwe samenhang tussen de referte-eis als toelatingsvoorwaarde en de duurvoorwaarde, zoals hierna nog zal blijken.
     Nauw verband met de systematiek van de uitkeringsduur houdt ook het systeem van het in aanmerking nemen van dagen voor de referte-eis. Op deze kwestie wordt op deze plaats niet verder ingegaan. Verwezen wordt naar paragraaf 3.4.3 van deze memorie.
     In het thans voorliggende wetsvoorstel is gekozen voor een systematiek met betrekking tot de uitkeringsduur die aansluit bij de huidige WWV-systematiek. Deze systematiek onderscheidt zich op een aantal punten van de huidige WW-systematiek. In het kort komt dit onderscheid op het volgende neer:
- De WWV kent een absolute uitkeringsperiode (twee jaar), terwijl de WW slechts een maximumduur (130 dagen) in een bepaalde periode (uitkeringsjaar) kent. Daarnaast kent de WW wel een maximumbegrenzing van 78 weken.
- De WW kent het systeem van herleiding van uitkeringsdagen tot volle uitkeringsdagen in geval de uitkering slechts ten dele wordt betaald doordat naast de uitkering inkomen uit of in verband met arbeid wordt ontvangen. Dit leidt ertoe dat over een langere periode dan 130 dagen per uitkeringsjaar recht op uitkering bestaat (twee halve dagen uitkering tellen als één uitkeringsdag van de 130). Bij de WWV leiden inkomsten naast de uitkering in beginsel niet tot verlenging van de uitkeringsduur. De inkomsten worden op de uitkering in mindering gebracht.
- De WWV kent het zogenoemde herleven van het recht op uitkering indien de uitkering vóór het bereiken van de maximumuitkeringstermijn eindigt, zolang niet opnieuw aan de voorwaarden voor een nieuw recht op uitkering is voldaan.
     De in dit wetsvoorstel gevolgde systematiek komt op het volgende neer.
     De werknemer die in de twaalf maanden direct voorafgaande aan de werkloosheid in 26 weken arbeid in dienstbetrekking heeft verricht, heeft recht op een halfjaar uitkering.
     De werknemer van 23 jaar of ouder die in de vijf jaar direct voorafgaande aan de werkloosheid tevens drie jaar een dienstbetrekking heeft gehad, heeft recht op verlenging van die uitkering. De duur van deze verlengde uitkering is afhankelijk van de leeftijd.
     Indien een werknemer die uitkering ontvangt weer in een zodanige omvang arbeid gaat verrichten dat er geen sprake meer is van werkloosheid, eindigt het recht op uitkering. Bij een resterend gemis van de helft van zijn vroegere arbeidsuren, doch ten hoogste vijf als bedoeld in artikel 15 [15], is geen sprake van werkloosheid.
    
rblz.|59| Afhankelijk van de duur van de arbeid ontstaat een nieuw recht op uitkering of herleeft het oude recht op uitkering. Duurt de arbeid langer dan 26 weken, dan ontstaat bij opnieuw intredende werkloosheid een nieuw recht op uitkering van een halfjaar. Voldoet de werknemer op dat moment ook aan de voorwaarden voor de verlengde uitkering, dan ontstaat tevens een nieuw recht op de verlengde uitkering. Voldoet de werknemer op dat moment niet tevens aan de voorwaarden voor de verlengde uitkering, dan ontstaat geen nieuw recht op de verlengde uitkering, doch herleeft het oude recht op verlengde uitkering, met dien verstande dat de perioden waarover sinds het ontstaan van dat recht reeds uitkering is ontvangen daarop in mindering worden gebracht.
     Duurt de arbeid daarentegen korter dan 26 weken, dan ontstaat geen nieuw recht op uitkering, maar herleeft het oude recht op uitkering, ook al zou betrokkene op dat moment wel aan de arbeidsverledeneis voldoen. Hij voldoet op dat moment immers niet aan één van de voorwaarden voor het ontstaan van het (nieuwe) recht op uitkering, dus kan er evenmin een nieuw recht op verlengde uitkering zijn ontstaan.
     De hiervoor geschetste systematiek van de uitkeringsduur in geval van volledige opheffing van de werkloosheid als gevolg van werkhervatting geldt ook bij gedeeltelijke hervatting van de arbeid als gevolg waarvan de werknemer gedeeltelijk werkloos blijft. In de situatie dat met arbeid opnieuw aan de referte-eis wordt voldaan doch niet aan de duurvoorwaarde vindt bij herleving van het oude recht op verlengde uitkering, in tegenstelling tot bij aanvaarding van arbeid die de werkloosheid opheft, echter geen opschorting van de uitkering plaats. Het oude recht is namelijk niet volledig onderbroken geweest.
     Tot slot zij met betrekking tot de systematiek van de uitkeringsduur nog opgemerkt dat het vorenstaande op dezelfde wijze geldt voor het verzorgingsforfait, met dien verstande dat verzorgingsperiode voor de helft meetelt. Aan het hiervoor beschreven systeem ligt de gedachte ten grondslag dat het ontvangen van een uitkering werkaanvaarding niet mag belemmeren, doch dat veeleer daarvan een stimulerende werking moet uitgaan. Verder zou het systeem gelijke behandeling van voltijd- en deeltijdwerkers moeten garanderen. Gewaarborgd is dan ook dat de werknemer die een volledige of een deeltijdbaan aanvaardt niet in een ongunstiger positie komt te verkeren dan de werknemer die geen arbeid aanvaardt, maar voortdurend werkloos blijft. In het algemeen zal het aanvaarden van werk leiden tot een verbetering van de financiële positie van de werknemer. Eén en ander wordt in de artikelsgewijze toelichting schematisch uitgewerkt.


3.7.3. De hoogte van de loondervingsuitkering

     Ter bepaling van de hoogte van de uitkering is thans op grond van de WW en de WWV een tweetal elementen van belang: het dagloon en het uitkeringspercentage. Deze beide begrippen spelen ook in de bepaling van de hoogte van de loondervingsuitkering een prominente rol. Het dagloon is - globaal - gelijk aan het laatstverdiende loon per dag en wordt telkens per 1 januari en 1 juli geïndexeerd. Op de keuzes die zijn gemaakt ter zake van de omschrijving van het begrip dagloon en ter zake van de indexering wordt hierna nog teruggekomen. Het uitkeringspercentage ingevolge de voorgestelde Werkloosheidswet is 70.
     De keuze voor een systeem voor halfjaarlijkse vermindering van de loondervingsuitkering bij werkloosheid maakt het noodzakelijk in dit wetsvoorstel naast de begrippen dagloon en uitkeringspercentage een nieuw begrip te introduceren, te weten de uitkeringsgrondslag. Deze geldt voor het tweede en de volgende halve uitkeringsjaren en wordt halfjaarlijks verminderd, te rekenen vanaf de aanvang van het recht op uitkering. Die vermindering is zo geconstrueerd dat de in een concreet geval te zetten halfjaarlijkse stappen zoveel mogelijk (dat wil zeggen: afgezien van tussentijdse indexering van dagloon en wettelijk minimumloon) aan elkaar
rblz.|60| gelijk zijn. Het eindpunt van de vermindering is in beginsel het wettelijk minimumloon, dat is over het algemeen de basis voor de berekening van de vervolguitkering. Bijzondere regelingen gelden in dit verband voor personen die gedeeltelijk werken en gedeeltelijk werkloos zijn en voor personen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt en gedeeltelijk werkloos zijn. Voor hen geldt als eindpunt van de verminderingen een aan hun werkloosheid of arbeidsongeschiktheid evenredig deel van het minimumloon.
     Met betrekking tot de wijziging van de dagloonsystematiek zij het volgende opgemerkt.
     Hoewel in de bepalingen van de onderscheiden werknemersverzekeringen de gedachte tot uitdrukking is gebracht dat de uitkering gebaseerd dient te worden op de toekomstige verdiencapaciteit, wordt de facto het dagloon vastgesteld op basis van de verdiensten in het verleden. Het arbeidsverleden biedt immers concretere aanknopingspunten voor de vaststelling van het dagloon dan de toekomst. Deze benaderingswijze geldt sinds jaren en is op praktische gronden gesteld. Thans wordt voorgesteld deze benaderingswijze in de wet tot uitdrukking te brengen. Op deze wijze wordt naar onze mening beter de equivalentiegedachte die ten grondslag ligt aan dit wetsvoorstel - en ook aan de andere werknemersverzekeringen - tot uitdrukking gebracht. Bovendien wordt aldus aangesloten bij het systeem van dagloonvaststelling in de ons omringende landen, die alle uitgaan van het in het verleden verdiende loon.
     Het hanteren van deze equivalentiegedachte houdt in dat in beginsel dan ook alle loonelementen bij de dagloonvaststelling moeten worden betrokken.
     Een dergelijke strikte equivalentie is echter praktisch niet mogelijk. Voorts kan het beleidsmatig gewenst zijn ter zake grenzen te stellen, hetgeen met zich brengt dat beperkingen kunnen gelden met betrekking tot de mee te nemen loonelementen. Die wenselijkheid nu doet zich in deze voor. Equivalentie tussen premieloon en uitkeringsloon vindt in dit verband zijn begrenzing in het belang van een zo snel mogelijke reïntegratie in het arbeidsproces en van de mobiliteit op de arbeidsmarkt. Dit impliceert dat het redelijk is enerzijds uit te gaan van het loon dat de betrokkene rechtens had moeten ontvangen en niet van hetgeen hij feitelijk heeft ontvangen en anderzijds vooral ten aanzien van langer durende uitkeringen min of meer toevallig verstrekte elementen voor de vaststelling van het dagloon buiten beschouwing te laten.
     Naast dit uitgangspunt geldt als randvoorwaarde dat de structuur van de dagloonvaststelling en de dagloonberekening dient te worden vereenvoudigd en de aansluiting tussen de onderscheiden dagloonregelen dient te worden verbeterd.
     Dit is met name van belang omdat het geheel van de onderhavige voorstellen tot gevolg heeft dat vaker dan thans het geval is uitkeringen ingevolge werkloosheid respectievelijk arbeidsongeschiktheid naast elkaar worden ontvangen. Een goede coördinatie draagt daarnaast bij tot grotere eenvoud en doorzichtigheid voor de betrokkenen.
     In verband hiermee zullen in de binnenkort in te dienen Invoeringswet stelselherziening de dagloonbepalingen in de ZW en de WAO op overeenkomstige wijze worden herzien.
     Het uitgangspunt om in de regel uit te gaan van het in de laatste 26 weken voorafgaande aan de werkloosheid verdiende loon is gekozen in verband met de eis dat men 26 weken dient te hebben gewerkt om voor een werkloosheidsuitkering in aanmerking te kunnen komen. Deze 26 weken kunnen als referteperiode voor de dagloonvaststelling echter slechts een richtsnoer zijn. Zij kunnen niet te allen tijde gelden als een absolute voorwaarde, omdat zich in de praktijk gevallen kunnen voordoen waarin een langere termijn een meer redelijke uitkomst biedt of waarin de referteperiode wegens ziekte moet worden verlengd. Voorts kan in geval van vast loon een kortere periode praktischer zijn.
     Omdat in de ZW en WAO een analoge systematiek zal worden ingevoerd, zal in die wetten ook een dergelijke referteperiode worden ingevoerd, die voor de ZW op dertien weken en voor de WAO op één jaar zal worden gesteld.
    
rblz.|61| De keuze voor het gemiddelde loon over het laatste halfjaar laat onverlet dat een aantal beperkingen aangebracht dient te worden in de loonelementen die voor de vaststelling van het dagloon meegenomen dienen te worden. Voorkomen dient te worden dat het niveau van de uitkeringen een ongunstige invloed kan hebben op de reïntegratie in het arbeidsproces en de mobiliteit op de arbeidsmarkt.
     Het gaat dan om de volgende loonelementen met onzekere trekken, te weten loonelementen die niet:
- in de bedrijfstak gebruikelijk zijn;
- vast en gegarandeerd zijn; en
- regelmatig verstrekt zijn.
     Uit oogpunt van rechtszekerheid wordt voorgesteld deze begrenzingen in de wet neer te leggen. Uit de wet kan dan gelezen worden welke vereisten aan een loonelement worden gesteld om in aanmerking te kunnen worden genomen bij de dagloonvaststelling. De uitwerking van deze begrenzing zou - net als thans het geval is - opgenomen dienen te worden in door de SVr vast te stellen dagloonregels en in de bijzondere dagloonregels van de verschillende bedrijfsverenigingen. In de algemene dagloonregels van de SVr zouden alleen die elementen opgenomen kunnen worden die algemeen gebruikelijk zijn binnen de bedrijfstakken en die aan de overige hiervoor genoemde vereisten voldoen. In afwijking van deze regelen kan de SVr voor één of meer groepen werknemers in verschillende bedrijfstakken bijzondere regels stellen. Voorts wordt aan de bedrijfsverenigingen de mogelijkheid gegeven binnen de hiervoor geschetste uitgangspunten bijzondere regels voor groepen van werknemers te stellen indien de aard van de beloning of het arbeidspatroon daartoe aanleiding geeft. Het gaat daarbij om loonelementen die binnen de bedrijfstak in aanmerking komen om in de dagloonvaststelling te worden betrokken. Daarbij zal het dan bijvoorbeeld kunnen gaan om loonelementen die weliswaar niet algemeen en ook niet in meer bedrijfstakken voorkomen, maar wel in de bedrijfstak of in een bepaald beroep in de bedrijfstak heel gebruikelijk zijn.
     Het vaststellen van nieuwe dagloonregels door de SVr en de bedrijfsverenigingen voor de drie desbetreffende wetten alsmede de daaraan verbonden goedkeuringsprocedures zal deze organen een veelheid aan werkzaamheden opleveren. Bovendien zal tussen de verschillende organen onderling en met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overleg moeten plaatsvinden over de nieuw ontworpen regels en zal toetsing daarvan moeten plaatsvinden aan de inhoud van de begrenzende criteria. In dit kader zal veelvuldig overleg nodig zijn om tot een gelijke interpretatie van de criteria te komen.
     Deze argumenten hebben ons tot de overtuiging gebracht dat het niet wenselijk is om de datum van invoering van deze nieuwe dagloonsystematiek met de datum van invoering van de nieuwe Werkloosheidswet te laten samenvallen.
     In de Invoeringswet stelselherziening zullen dan ook bepalingen worden opgenomen die er in voorzien dat de dagloonbepalingen van de huidige WW als onderdeel van de nieuwe Werkloosheidswet voorlopig van kracht blijven en dat de inwerkingtreding van de gewijzigde ZW- en WAO-dagloonbepalingen voor eenzelfde periode wordt uitgesteld. De datum met ingang waarvan de nieuwe systematiek van kracht wordt - gedacht wordt aan medio 1987 -, zal bij koninklijk besluit worden bepaald.
     Tot slot wordt, als gezegd, voorgesteld de daglonen ieder halfjaar aan te passen aan de ontwikkeling van het loonindexcijfer.
     In de WW komen thans geen bepalingen voor inzake de aanpassing van de uitkering. Op grond van de algemene dagloonregelen WW moeten echter afwijkingen in het loonpeil in het beroep van de werknemer tijdens het genot van de uitkering in het dagloon worden opgenomen. Met andere woorden, de indexering in de WW vindt - net als in de ZW - plaats via het loonniveau in de bedrijfstak. De WWV kent daarentegen evenals de WAO het systeem van indexering via het loonindexcijfer. Voor kortlopende
rblz.|62| uitkeringen geldt derhalve dat deze de loonontwikkeling in de bedrijfstak volgen, terwijl de langer lopende uitkeringen de algemene loonindex volgen.
     Nu op grond van deze wet sprake kan zijn van langlopende uitkeringen, ligt het voor de hand in aansluiting aan het WWV-systeem te kiezen voor aanpassing van de daglonen aan de ontwikkeling van het loonindexcijfer.

 

3.8. De vervolguitkering en doorwerking van de keuze ten aanzien van het  niveau


3.8.1. Inleiding

     Voor het recht op vervolguitkering, dat ten hoogste één jaar duurt, gelden geen andere voorwaarden dan voor een recht op loondervingsuitkering van langer dan een halfjaar. Dat betekent dat geen directe instroom in de tussenfase met vervolguitkering kan plaatsvinden.
     Het niveau van de vervolguitkering is in beginsel 70% van het brutominimumloon. In die gevallen waarin de loondervingsuitkering werd berekend naar een dagloon lager dan het brutominimumloon (deeltijdwerkers die tijdens de looptijd van de loondervingsuitkering vanwege het niveau van hun dagloon niet te maken hebben gehad met de halfjaarlijkse vermindering) bedraagt de uitkering niet meer dan 70% van dat dagloon. Daarnaast zijn er personen wier uitkeringsgrondslag voor de loondervingsuitkering op grond van het feit dat zij niet alleen werkloos zijn, doch tevens werken of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, geleidelijk wordt verminderd tot een evenredig deel van het brutominimumloon. Voor hen komt de vervolguitkering uit op 70% van dat evenredige deel.
     De ratio van deze algemene niveaustelling en de beschreven verbijzonderingen is duidelijk: de vervolguitkering moet niet hoger zijn dan de uitkering waarop tijdens de loondervingsfase recht bestond.
     In de voorgestelde Werkloosheidswet geldt aldus uitsluitend een bruto-uitkeringsmechanisme. Een brutomechanisme zal eveneens worden voorgesteld in de Toeslagenwet. Voorgesteld zal daar worden de bruto-uitkering in geval van loonderving in het geval de uitkeringsgerechtigde één of meer personen financieel ten laste heeft zo nodig door middel van een toeslag aan te vullen. De toeslag zal een aanvulling geven tot 90% van het brutoloon voor eenoudergezinnen en tot 100% van minimumloon in andere gevallen.
     Door deze vormgeving van de Toeslagenwet wordt een complexe aansluiting tussen het bruto-uitkeringsmechanisme uit de loondervingsregelingen en de systematiek van netto-nettokoppeling voor de sociale minima voorkomen.
     Wel behoeft dan toetsing de vraag of deze brutovormgeving van Werkloosheidswet en Toeslagenwet de op basis van de netto-nettokoppeling gegarandeerde sociale minima waarborgt. Die vraag wordt in paragraaf 3.8.2 behandeld. Vervolgens komt in paragraaf 3.8.3 de vraag aan de orde hoe de voor de Werkloosheidswet en de Toeslagenwet voorgestelde keuze ten aanzien van het uitkeringsmechanisme doorwerkt naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen AAW en WAO. Ook daar is een vereenvoudiging van de thans zeer complexe situatie mogelijk en wenselijk. Paragraaf 3.8.3 en 3.8.4 gaan uitsluitend in op de situatie voor uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder. Voor hen geeft paragraaf 3.8.4 een totaaloverzicht van de huidige situatie en de situatie na de voorgestelde vereenvoudigingen. Ten slotte schenkt paragraaf 3.8.5 afzonderlijk aandacht aan de minimumuitkeringen voor werkloze en arbeidsongeschikte jongeren beneden 23 jaar.


3.8.2. Werkloosheidsuitkeringen (23 jaar of ouder)

     Nagegaan zal worden of de som van de werkloosheidsuitkering en een eventuele aanvulling op basis van de Toeslagenwet bij de voorgestelde rblz.|63| berekeningssystematiek voor alle uitkeringsgerechtigden ten minste tot het sociaal minimum reikt. Daarbij wordt de indeling in belastingtariefgroepen gevolgd.

Tabel 1. Vergelijking minimale werkloosheidsuitkering + eventuele toeslag met de relevante sociale minima [in gld, red.]:

Tariefgroepxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx I II III IV
Bruto-uitkeringspercentage 70 70 100 90
Brutowerkloosheidsuitkering + toeslag 1496,-xx 1496,-xx 2137,-xx 1923,-xx
Premies 323,-xx 323,-xx 486,-xx 416,-xx
Belasting 111,-xx 63,-xx 101,-xx 94,-xx
Netto 1062,-xx 1110,-xx 1550,-xx 1413,-xx


     Uit tabel 1 blijkt dat in tariefgroep III de bruto vastgestelde werkloosheidsuitkering plus toeslag netto exact uitkomt op het sociaal minimum voor deze groep. De brutoberekeningssystematiek leidt voor de tariefgroepen II en IV tot een uitkomst boven het sociaal minimum. Tariefgroep I komt in deze brutobenadering lager dan het sociaal minimum uit. Dit laatste is niet aanvaardbaar en vraagt om een oplossing.
     Teneinde tot die oplossing te kunnen komen, is het zinvol even stil te staan bij de vraag waarom bruto- en nettosystematiek voor één tariefgroep gelijk en voor andere tariefgroepen ongelijk uitwerken.
     In de Wet Aanpassingsmechanismen van 1980 is de netto-nettokoppeling vastgelegd. Onderstaande tabel 2 geeft die koppeling weer.

Tabel 2. De netto-nettokoppeling [in gld, red.]:

  Referentie-
minimumloon
Sociaal minimum (ABW-norm) per tariefgroep
III I II IV
Bruto 2137,-xxx x x x x
Premies 486,-xxx x x x x
Belasting 101,- (III) x x x x
Netto 1550,-xxx 100% 1550,- 70% 1085,- 70% 1085,- 90% 1395,-


     In deze tabel is de nettogelijkheid van het referentieminimumloon en de 100%-ABW-norm aangegeven (tussen haakjes is de gehanteerde belastingtariefgroep achter het belastingbedrag weergegeven). Van deze 100%-norm zijn de 70%-norm en de 90%-norm netto afgeleid.
     Slechts voor uitkeringsgerechtigden in tariefgroep III komt de belastingtariefgroep die bij de bruto-nettoafleiding van het referentieminimum is gehanteerd overeen met de voor hun feitelijk geldende belastingtariefgroep.
     Omdat voor deze groep ook de aftrekpost premies voor de werkloosheidsuitkering en voor het referentieminimum identiek zijn, ontstaat vanzelf een netto gelijke uitkomst van enerzijds de bruto vastgestelde werkloosheidsuitkering plus toeslag uit tabel 1 en anderzijds het 100% gekoppelde
sociaal minimum uit tabel 2.
     Het is met name het verschil in belastingvrije sommen dat voor uitkeringsgerechtigden in de andere tariefgroepen tot een netto ongelijke uitkomst van een bruto vastgestelde werkloosheidsuitkering plus eventuele toeslag uit tabel 1 en het netto afgeleide sociaal minimum uit tabel 2 leidt.
     Overigens pakt dat slechts voor tariefgroep I ongunstig uit. Uit tabel 1 blijkt dat dit uitsluitend te maken heeft met het verschil in fiscale behandeling van alleenstaanden jonger dan 27 jaar (tariefgroep I) en ouder dan 27 jaar [lees: 27 jaar of ouder, red.] (tariefgroep II). Bij de behandeling van de tweeverdienerswetgeving is op de reden voor dit onderscheid uitvoerig ingegaan. Weliswaar is met ingang van 1985 de voor de alleenstaandentoeslag geldende leeftijdsgrens van 35
rblz.|64| verlaagd tot 27 jaar, doch van een verdere verlaging van de leeftijdsgrens moest worden afgezien op praktische gronden. Wel bestaat het voornemen bij de evaluatie van de zogeheten derde fase ook de problematiek van een verdere verlaging van de leeftijdsgrens nader te bezien (Handelingen II 1984-1985, blz. 1097). Een uitbreiding van de werkingssfeer van tariefgroep II zou ertoe leiden dat in alle gevallen de laagste loondervingsuitkering voor alleenstaanden boven het sociaal minimum ligt. Daar wij in de nieuwe systematiek willen voorkomen dat het uitkeringsniveau bij loonderving onder het sociaal minimum zakt, zullen wij een tijdelijke maatregel op grond van de Werkloosheidswet en AAW voor de categorie alleenstaanden jonger dan 27 jaar treffen die zal werken zolang het genoemde knelpunt blijft bestaan.


3.8.3. Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (23 jaar of ouder)

     De situatie bij de arbeidsongeschiktheidsregelingen is complex. De WAO kent een brutoberekeningsmechanisme dat overeenkomt met hetgeen voor de werkloosheidsregelingen thans wordt voorgesteld. De AAW kent een nettokoppelingsmechanisme. De uitkomsten van dit koppelingsmechanisme verschillen overigens weer van de op basis van netto-nettokoppeling voor de ABW vastgestelde netto sociale minima. In tegenstelling tot de situatie bij werkloosheid heeft iedere werknemer zowel recht op WAO- als AAW-uitkering.
     De complexiteit van deze situatie wordt vergroot als gevolg van:
- het schrappen van de verdiscontering van de werkloosheidscomponent in de arbeidsongeschiktheidsregelingen en de daardoor toenemende samenloop van werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsregelingen;
- de voorgestelde Toeslagenwet, die tevens de toeslagen in de AAW (tot 100 of 85%) vervangt.
     De samenloop van werkloosheidsuitkeringen (brutokoppeling), arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (thans ten dele bruto-, ten dele nettokoppeling) en toeslagen (brutokoppeling voorgesteld) is in feite slechts op doorzichtige wijze te realiseren wanneer in al deze regelingen eenzelfde systematiek wordt gehanteerd. Na invoering van de Toeslagenwet resteert in de AAW slechts het 70%-niveau. In de Invoeringswet stelselherziening wordt voorgesteld de AAW-uitkering voortaan niet meer netto te koppelen aan het (referentie)minimumloon, maar eveneens bruto aan het minimumloon. Aldus ontstaat voor de gehele loondervingssfeer en voor de in die sfeer te geven toeslagen één brutosystematiek.
     Ook hier is uiteraard van belang na te gaan of voor alle arbeidsongeschikten het gegarandeerde sociaal minimum blijvend wordt gewaarborgd.
     Na realisering van een brutosystematiek in de AAW zullen de uitkeringen in geval van arbeidsongeschiktheid overeenkomen met die welke in tabel 1 voor werkloosheid zijn aangegeven. Zoals reeds vermeld, zullen wij in de AWW [lees: AAW, red.] een tijdelijke maatregel treffen zolang op alleenstaanden tariefgroep I van toepassing kan zijn. Dit om te voorkomen dat de loondervingsuitkering onder het sociaal minimum zakt.


3.8.4. Samenvatting huidige en voorgestelde minimumuitkeringen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid eventueel vermeerderd met een toeslag (23 jaar of ouder)

     Tabel 3 en 4 bieden een samenvattend overzicht van de huidige en voorgestelde minimumuitkeringen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.

Tabel 3. Nettominimumniveaus, huidige situatie [in gld, red.]:

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx Minimumloon Werkloosheid WAO/AAW ABW
Alleenverdiener (III) 1550,- 1550,- 1550,- 1550,-
Eenoudergezin (IV) 1531,- 1531,- 1531,- 1395,-
Alleenstaande, 27 jaar of ouder (II) 1498,- 1110,- 1132,- 1085,-
Alleenstaanden, 23-27 jaar (I) 1414,- 1062,- 1085,- 1085,-

rblz.|65| 
Tabel 4. Nettominimumniveaus, voorstel voor 1986 [in gld, red.]:

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx Minimumloon Loonderving ABW
Alleenverdiener (III) 1550,- 1550,- 1550,-
Eenoudergezin (IV) 1531,- 1413,- 1395,-
Alleenstaande, 27 jaar of ouder (II) 1498,- 1110,- 1085,-
Alleenstaande, 23-27 jaar (I) 1414,- 1085,- 1085,-


     Uit de tabel blijkt een nettoteruggang op te treden voor eenoudergezinnen. Deze teruggang wordt niet veroorzaakt door de voorgestelde brutokoppelingssystematiek, maar omdat voor deze groep in de Toeslagenwet een bruto-90%-norm wordt voorgesteld in plaats van de huidige 100%-norm. De voorgestelde bruto-90%-norm wijkt overigens in positieve zin af van de huidige netto-90%-norm in de ABW; ook dat valt uit tabel 4 af te lezen. Deze positieve afwijking aanvaardt het kabinet met het oog op de consistentie in systematiek binnen de loondervingssfeer. Voor lopende uitkeringen wordt in de Invoeringswet stelselherziening voor de resterende teruggang van deze groep een overgangsregeling voorgesteld.
     Alleenstaande arbeidsongeschikten ouder dan 27 jaar [lees: van 27 jaar of ouder, red.] gaan eveneens achteruit. Dat vloeit voort uit de wijze waarop in de AAW-koppeling tot nu toe met belastingvrije sommen rekening werd gehouden. Tabel 5 laat dat zien.

Tabel 5. AAW-uitkering en minimum-WAO-uitkering voor alleenstaanden ouder dan 27 jaar [lees: van 27 jaar of ouder, red.] [in gld, red.]:

  Referentie-
minimumloon
AAW-uitkering in koppelings-
systematiek
AAW-uitkering feitelijk Voorgestelde uitkering (= huidige WAO-uitkering) 70% brutominimumloon
Bruto 2137,-xxxx 1531,-xxxx 1531,-xxxx 1496,-xxxxx
Premies 486,-xxxx 331,-xxxx 331,-xxxx 323,-xxxxx
Belasting 101,- (III)x 115,- (I)xx 68,- (II)rx 63,- (II)|xx
Netto 1550,-xxxx 1085,-xxxx 1132,-xxxx 1110,-xxxxx


     Alleenstaanden ouder dan 27 jaar [lees: van 27 jaar of ouder, red.] hebben recht op een belastingvrije som (tariefgroep II) die hoger is dan die waarmee in de AAW-koppeling rekening is gehouden (tariefgroep I). De zeer complexe huidige koppeling leidt, zoals de tabel die laat zien, ten onrechte tot een te hoge uitkomst. De voorgestelde brutosystematiek corrigeert dit. Bij deze brutosystematiek wijkt de AAW-uitkering voor alleenstaanden ouder dan 27 jaar [lees: van 27 jaar of ouder, red.] nog in positieve zin af van de ABW-norm op basis van de huidige netto-nettokoppeling. Wij aanvaarden deze afwijking om wille van de consistente systematiek in de loondervingssfeer. Wij menen gezien de blijvend hoge uitkomst voor deze groep van een overgangsregeling te kunnen afzien.
     Voorts zijn wij van mening dat het structureel gezien ongewenst is dat er een blijvend verschil zou bestaan tussen het nettoniveau voor alleenstaanden in de loondervingsuitkeringen enerzijds en in de Algemene Bijstandswet en de alleenstaandenuitkering in de Algemene Ouderdomswet anderzijds. Deze kwestie behoeft evenwel niet in dit kader een oplossing te vinden. Wij zullen ons nader over deze kwestie beraden en eventuele voorstellen ontwikkelen, waarbij uiteraard de financiële mogelijkheden bepalend zullen zijn voor de mate en het tempo waarin één en ander gerealiseerd kan worden.

rblz.|66| 
3.8.5. Uitkeringen voor jongeren (beneden 23 jaar)

     Het ligt voor de hand de minimale uitkeringen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid van jongeren beneden de 23 jaar op dezelfde wijze van de brutojeugdlonen af te leiden als voor boven 23-jarigen van het minimumloon.
     In tabel 6 zijn de minimumjeugdlonen respectievelijk de huidige werkloosheidsuitkering en AAW-uitkeringen voor jongeren beneden 23 jaar weergegeven.

Tabel 6. Nettominimumniveaus voor jongeren, huidige situatie [in gld, red.]:

  Minimumloon Werkloosheid AAW ABW
22 jaar 1250,- 918,- 1085,- 937,-
21 jaar 1065,- 798,- 1085,- 822,-
20 jaar x946,- 691,- x976,- 763,-
19 jaar x823,- 617,- x868,- 757,-
18 jaar x726,- 535,- x760,- 752,-


     De huidige AAW-uitkeringen voor jongeren blijken aanzienlijk hoger te liggen dan vergelijkbare werkloosheidsuitkeringen. Worden de AAW-uitkeringen evenals de werkloosheidsuitkeringen zoals voorgesteld bruto afgeleid van het minimumjeugdloon, dan ontstaan de in tabel 7 weergegeven uitkeringen.

Tabel 7. Nettominimumniveaus voor jongeren, voorgestelde systematiek [in gld, red.]:

  Minimumloon Loonderving ABW
22 jaar 1250,- 918,- 937,-
21 jaar 1065,- 798,- 822,-
20 jaar x946,- 691,- 763,-
19 jaar x823,- 617,- 757,-
18 jaar x726,- 535,- 752,-


     Het bestaande verschil tussen werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor jongeren is dan weggenomen. De werkloosheidsuitkeringen voor jongeren veranderen niet. De voorgestelde wijziging leidt evenwel tot aanmerkelijke inkomenseffecten voor jongere AAW-ers. In de lnvoeringswet stelselherziening wordt voorgesteld om de oude gevallen buiten deze inhoudelijke gewenste wijziging te houden.
     Uit tabel 7 blijkt dat ook voor jongeren de minimumloondervingsuitkering op basis van de voorgestelde systematiek onder de van toepassing zijnde ABW-norm zakt. Ook ten aanzien van jongeren willen wij met een tijdelijke maatregel in WW en AAW dit effect voorkomen zolang het onderscheid in fiscale behandeling tussen alleenstaanden jonger dan 27 jaar respectievelijk van 27 jaar of ouder voortduurt. Wij achten een dergelijke maatregel slechts noodzakelijk voor jongeren van 21 en 22 jaar. De achtergrond hiervoor wordt gevormd door de tweeledige systematiek die aan de bijstandsnormen voor jeugdige alleenstaanden ten grondslag ligt.
     In beginsel is de bijstandsnorm voor jongeren onder de 23 jaar gelijk aan 75% van het relevante nettominimumjeugdloon. De op deze wijze berekende normen mogen echter niet lager zijn dan 50% van het referentieminimum. Dit niveau vormt een vloerbedrag in de systematiek van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) dat nog toereikend kan worden geacht voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van zelfstandig wonende alleenstaanden. De werking van dit vloerbedrag op de bijstandsnormen voor jeugdigen wordt in onderstaande tabel weergegeven:

Tabel 8. Leeftijdsafhankelijke bijstandsnormen voor jeugdigen en vloerbedragen [in gld, red.]:

  ABW-norm excl. vloerbedrag ABW-norm incl. vloerbedrag
22 jaar 937,- 937,-
21 jaar 822,- 822,-
20 jaar 709,- 763,-
19 jaar 617,- 757,-
18 jaar 545,- 752,-


    
rblz.|67| Het geringe verschil in het vloerbedrag voor 18-, 19- en 20-jarigen wordt veroorzaakt door de systematiek van de minimumvakantie-uitkering voor jeugdigen.
     Ook na uitbreiding van de werking van tariefgroep II tot de hier aan de orde zijnde leeftijdscategorieën zou de leeftijdsafhankelijke bijstandsnorm voor 18-, 19- en 20-jarigen onder het vloerbedrag blijven, zodat ook in die situatie de bijstandsnorm voor deze leeftijdscategorieën bepaald wordt door de absolute werking van het vloerbedrag. Een maatregel voor jongeren van 18, 19 en 20 jaar om het verschil tussen de minimumloondervingsuitkering en het vloerbedrag te overbruggen, moet worden afgewezen daar een dergelijke maatregel niet tijdelijk zou zijn. Uitbreiding van de werking van tariefgroep II zou immers de noodzaak van een dergelijke toeslag niet geheel wegnemen. Een dergelijke maatregel zou de consistentie van de voorgestelde brutosystematiek en daarmee de equivalentie voor deze groepen doorbreken. Voor jongere alleenstaanden van 18, 19 en 20 jaar staat evenals in de huidige situatie bij werkloosheid een beroep op aanvullende bijstand open.
     Voor jongeren van 21 en 22 jaar stellen wij voor, zoals gezegd, met een tijdelijke maatregel in WW en AAW het verschil met de relevante bijstandsnorm te overbruggen. Overigens achten wij het verschil tussen de loondervingsuitkeringen en de ABW-normen voor jongeren van 21 en 22 jaar structureel gezien ongewenst. Zoals in paragraaf 3.8.4 opgemerkt, zullen wij ons afzonderlijk beraden over voorstellen om de ABW-normen en de minimumloondervingsuitkeringen op elkaar af te stemmen.

 

3.9. De vrijwillige verzekering van uitkeringen bij werkloosheid


     In deze wet wordt voor bepaalde groepen de mogelijkheid geopend tot het sluiten van een vrijwillige verzekering. Het gaat daarbij om het huishoudelijk personeel, personen die in dienstbetrekking van een in Nederland wonende of gevestigde werkgever in het buitenland arbeid verrichten en Nederlanders die in een ontwikkelingsland gaan werken.
     Uit paragraaf 3.3 blijkt dat aan opneming van deze groepen in de verplichte verzekering een aantal bezwaren kleeft die zich niet voordoen bij de vrijwillige verzekering, terwijl het bovendien gewenst geacht wordt voor deze groepen bescherming te bieden tegen de inkomensderving als gevolg van werkloosheid. Om die redenen is dan ook de voorkeur gegeven aan een vrijwillige verzekering.
     De WW kent thans de vrijwillige verzekering niet, in tegenstelling tot de ZW, de AAW en de WAO.
     De behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de ZW en de WAO inzake de toelating tot de vrijwillige verzekering van Nederlanders die in een ontwikkelingsland werkzaam zijn (gedrukte stukken [lees: Kamerstukken II, red.] 1969-1970, 10 753) is expliciet gesteld dat een vrijwillige verzekering in het kader van de WW moeilijk te realiseren zou zijn. Net als ten aanzien van de ZW en de WAO werden problemen verwacht bij de premieheffing en de controle.
     Daarnaast achtte men het werkloosheidsrisico voldoende gedekt door de WWV.
     Het voornaamste argument destijds om niet over te gaan tot een vrijwillige werkloosheidsverzekering lijkt te zijn geweest dat daaraan geen behoefte bestond vanwege de WWV. De andere overwegingen gelden immers min of meer ook voor een vrijwillige verzekering in het kader van de ZW, de WAO en de AAW. Wij zien niet in dat het werkloosheidsrisico moeilijk vrijwillig verzekerbaar is voor de hiervoor genoemde groepen in het kader van een collectieve regeling.
     Duidelijk is wel dat het bepalen van de omvang van het risico en in verband daarmee de premiestelling problemen op kan leveren. Net als voor de ZW ligt het hierbij echter voor de hand de binnen een bedrijfstak geldende werkloosheids- en wachtgeldpremie te laten gelden.
    
rblz.|68| Voorgesteld wordt de mogelijkheid van vrijwillige verzekering open te stellen voor:
1. de persoon wiens verplichte verzekering is geëindigd en die buiten Nederland woont en buiten Nederland een dienstbetrekking vervult voor een in Nederland wonende of gevestigde werkgever;
2. de Nederlander wiens verplichte verzekering is geëindigd en die arbeid verricht of gaat verrichten in een ontwikkelingsland al dan niet in dienstbetrekking van een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
     Het karakter van de in deze wet geregelde verzekering brengt met zich mee dat betrokkene naar Nederland zal dienen terug te keren om recht op uitkering te verkrijgen. Pas bij terugkeer in Nederland, als de betrokkene beschikbaar is voor de Nederlandse arbeidsmarkt, kan recht op uitkering ontstaan en kan beoordeeld worden of sprake is van niet-verwijtbare werkloosheid. De ZW en de WAO verzetten zich daarentegen niet tegen het verlenen van uitkering in het buitenland. Niettemin geldt op grond van de ZW en de WAO ook voor ontwikkelingswerkers - uit oogpunt van controle en omdat aan een verdergaande verzekering geen behoefte bestond - de voorwaarde dat zij naar Nederland terug moeten keren. Overigens dient ook rekening te worden gehouden met personen die bij de inwerkingtreding van deze regeling al in een ontwikkelingsland werkzaam zijn. In de binnenkort in te dienen Invoeringswet stelselherziening zal in verband hiermee voor bepaalde categorieën een overgangsregeling worden getroffen.
     De vrijwillige verzekering voor het huishoudelijk personeel is een novum. De ZW, de WAO en de AAW kennen deze mogelijkheid thans evenmin. Naast het openen van de mogelijkheid tot het sluiten van een vrijwillige verzekering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet wordt voorgesteld de mogelijkheid daartoe ook te bieden op grond van de ZW en de WAO. Voor de AAW bestaat daaraan geen behoefte, omdat het huishoudelijk personeel reeds onder de werkingssfeer van die wet valt.
     In de Invoeringswet stelselherziening worden de daartoe noodzakelijke wijzigingen in de ZW en de WAO opgenomen.
     Niet onaannemelijk is dat men zich zowel op grond van de nieuwe Werkloosheidswet, de ZW als de WAO vrijwillig zal verzekeren. Niettemin werd het met het oog op het voorkomen van misbruik van de in dit wetsvoorstel voorgestelde vrijwillige verzekering wenselijk geacht aan het sluiten van een vrijwillige werkloosheidsverzekering de voorwaarde te verbinden dat tegelijkertijd een vrijwillige verzekering op grond van de ZW wordt gesloten. Deze voorwaarde van het sluiten van een gecombineerde vrijwillige werkloosheids- en ziekengeldverzekering is ook van belang voor de samenloop van de beide risico's. De werkloze werknemer die ziek wordt, heeft zich immers aan een ander risico blootgesteld en derhalve is uitkering op grond van een andere verzekering op zijn plaats.

 

3.10. Overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen  bij betalingsonmacht van de werkgever


     Bij de Wet van 10 juli 1968, Stb. 1968, 375, in werking getreden met ingang van 24 juli 1968, is in de WW, in hoofdstuk IIIa, een regeling opgenomen die voorziet in de overneming door de bedrijfsvereniging van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever om deze verplichtingen ten opzichte van zijn werknemers te voldoen. Met deze regeling wordt beoogd de financiële gevolgen van de betalingsonmacht van de werkgever weg te nemen of te beperken door te waarborgen dat de werknemers dan van de bedrijfsvereniging zullen ontvangen het door hen in het verleden verdiende loon en het loon over de voor hen geldende opzegtermijn.
     De regeling geldt als een werkgever ten opzichte van al zijn werknemers of een belangrijk deel daarvan niet in staat is de uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De regeling is dus niet bedoeld voor de individuele werknemer aan wie de werkgever niet (volledig) het loon betaalt.
    
rblz.|69| De financiering van de regeling geschiedt uit de wachtgeldfondsen. De regeling is strikt genomen een oneigenlijk element in de WW. Zij is daarin niettemin uit doelmatigheidsoverwegingen opgenomen: het werd wenselijk geacht deze materie bij de wet te regelen, de materie vertoont verwantschap met de WW en men wilde de uitvoering van de regeling in handen van de bedrijfsverenigingen leggen.
     Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is bezien of in het kader van een nieuwe Werkloosheidswet behoefte bestaat aan een regeling van de in hoofdstuk lIla geregelde materie, te meer daar de primaire verantwoordelijkheid van de sociale partners voor de loondervingsfase vooropstaat en het in de wet neergelegde het karakter heeft van een onder verantwoordelijkheid van de overheid te bieden vaste verplichte basis. Ook speelde een rol dat de regeling een oneigenlijk element in de Werkloosheidswet is.
     De overwegingen die ten tijde van de invoering van deze regeling in de WW golden, gelden naar onze opvatting echter thans nog ten volle. Derhalve is besloten tot continuering van de in hoofdstuk IIIa van de WW neergelegde regeling in de nieuwe Werkloosheidswet, met dien verstande dat de tekst van dit hoofdstuk zoveel mogelijk is vereenvoudigd en aangepast aan de systematiek van deze wet. Voor de in artikel 42b, eerste lid, van de WW geregelde materie heeft dit tot gevolg gehad dat die niet in dit hoofdstuk is opgenomen. Het bepaalde in dit artikel dat betrekking heeft op de inhouding en afdracht van hetgeen de werkgever op het loon van de werknemer had moeten inhouden en afdragen, is opgenomen in het hoofdstuk van de financiering.
     Voorts is rekening gehouden met het advies van de SVr van 30 juni 1977 over hoofdstuk IIIa WW. In dit advies spreekt de SVr zich uit over een aantal door de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken aan de Raad voorgelegde voorstellen tot uitbreiding van de werkingssfeer van dat hoofdstuk van het Overlegorgaan van Vakcentrales en doet hij tevens voorstellen tot wijziging in verband met in de praktijk gebleken onduidelijkheden.
     Deze voorstellen van de SVR hebben evenwel nog niet tot wetswijziging geleid.
     Het gaat hierbij om de volgende voorstellen:
1. voor de toepassing van hoofdstuk IIIa WW centraal stellen van de datum van opzegging van de dienstbetrekking en het ondervangen van situaties waarin tijdens de opzegtermijn wordt gewerkt:
2. een mogelijkheid bieden uit te gaan van een (eerder) tijdstip als datum van opzegging indien niet of te laat is opgezegd;
3. loskoppeling van de overname van de betaling van pensioenpremie e.d. van de overname van de betaling van loon, vakantiegeld en vakantietoeslag;
4. het onder de werkingssfeer van hoofdstuk IIIa brengen van "oude" vorderingen;
5. een verruiming van de mogelijkheden corrigerend te kunnen optreden ten aanzien van werknemers die in feite zelf hun (achterstallig) loon kunnen vaststellen;
6. het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 31, eerste lid, sub e, lll-V WW [lees: artikel 31, eerste lid, onderdeel e, WW, red.].
     Deze voorstellen zijn in dit voorstel van wet goeddeels overgenomen, en wel in hoofdstuk IV. Zij zullen in de artikelsgewijze toelichting nader worden verklaard.
     Voorts is de regeling van samenloop van de uitkering op grond van betalingsonmacht van de werkgever met ander inkomen uit of in verband met arbeid in de wet opgenomen. Deze regeling was neergelegd in het ter uitvoering van artikel 42g WW getroffen Besluit van 19 maart 1969, Stcrt. 1969, 62. Voor een toelichting wordt eveneens verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

rblz.|70| 

3.11. De toekenning van bijdragen aan havenbedrijven


     Bij de Wet van 6 april 1977, Stb. 1977, 266, in werking getreden met terugwerkende kracht tot 1 januari 1976, werd in de WW in hoofdstuk lllc een regeling opgenomen die voorziet in toekenning van bijdragen aan werkgevers in het havenbedrijf ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds. De bijdragen zijn bedoeld om de inproductiviteitskosten van de "losse" werknemers op te vangen teneinde deze in dienst te kunnen houden en adequaat te kunnen reageren op de aan het havenbedrijf inherente fluctuaties in het werkaanbod. Wij zien op dit moment geen reden om wijziging te brengen in deze regeling. Zij is dan ook in de nieuwe Werkloosheidswet overgenomen. In dit verband is echter nog wel van belang dat thans onder auspiciën van de SVr en het Algemeen Werkloosheidsfonds een evaluatie plaatsvindt naar de werking van deze havenarbeidsreserveregeling. Het is de bedoeling dat deze evaluatie vóór het einde van dit jaar zal zijn afgerond. Indien deze evaluatie daartoe aanleiding geeft, zal op een later tijdstip deze regeling gewijzigd worden.

 

3.12. De voorzieningen in de Werkloosheidswet


3.12.1. Inleiding

     Bij de totstandkoming of vernieuwing van regelgeving op het terrein van de sociale zekerheid in de naoorlogse periode is - naast het voorzien in inkomensvervangende uitkeringen - de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen of voorzieningen gericht op maatschappelijke (re)integratie een wezenlijk element van de regelgeving gaan vormen. Dit vanuit één van de doelstellingen van de sociale zekerheid, te weten het bevorderen van een (her)intreden in het arbeidsproces en het bieden van mogelijkheden tot persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing aan uitkeringsgerechtigden.
     De term voorzieningen, zoals die gehanteerd wordt in deze paragraaf, kan zowel slaan op een concrete prestatie vanwege de uitvoerder als op het verlenen van faciliteiten (behoud van uitkering e.d.).
     Voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de maatschappelijke (re)integratie en arbeidsgeschiktheid zijn onder meer geregeld in de AAW, de WWV en de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) [zie Wet sociale werkvoorziening (Wsw), red.].
     In navolging van de WAO zijn in de AAW voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering in de arbeidsgeschiktheid en tot verbetering van levensomstandigheden opgenomen. De WW en de WWV kennen thans geen algemene bepalingen die de uitvoeringsorganen de mogelijkheid bieden tot het treffen van voorzieningen, zoals in de AAW het geval is. Derhalve is in deze wetten evenmin een nadere omschrijving en uitwerking van de voorzieningen opgenomen. Wel zijn in de WWV in de artikelen 35 en 36 verplichtingen opgenomen voor gemeentebesturen om uitkeringsgerechtigden te stimuleren van voorzieningen tot vergroting van de arbeidsgeschiktheid of tot verdere inpassing in het arbeidsproces gebruik te maken, respectievelijk sociaal-cultureel werk te organiseren ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid. De WSW biedt mogelijkheden (aangepaste) werkzaamheden te verrichten voor degenen