|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1985-1986, 19 261
Verzekering
van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheidswet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Het pakket van maatregelen stelselherziening |
| 1.2 |
Stelselherziening als proces |
| 1.3 |
Opbouw van de memorie van toelichting |
| 2 |
Adviezen
en standpuntbepaling |
| 2.1 |
Algemeen |
| 2.2 |
Stelselherziening en ombuigingen |
| 2.3 |
Systeemkeuze |
| 2.4 |
Uitkeringsduur |
| 2.5 |
Gelijke behandeling van
mannen en vrouwen in de sfeer van de werkloosheidsverzekering |
| 3 |
De
hoofdlijnen van het wetsvoorstel |
| 3.1 |
Inleiding |
| 3.2 |
De systematiek van de wet |
| 3.3 |
De personenkring |
| 3.4 |
De voorwaarden voor het
recht op uitkering |
| 3.5 |
Het geldend maken van het
recht op uitkering |
| 3.6 |
De betaling van de
uitkering |
| 3.7 |
Bijzondere bepalingen met
betrekking tot de loondervingsuitkering |
| 3.8 |
De vervolguitkering en
doorwerking van de keuze ten aanzien van het niveau |
| 3.9 |
De vrijwillige
verzekering van uitkeringen bij werkloosheid |
| 3.10 |
Overneming van uit de
dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij betalingsonmacht van de
werkgever |
| 3.11 |
De toekenning van
bijdragen aan havenbedrijven |
| 3.12 |
De voorzieningen in de
Werkloosheidswet |
| 3.13 |
De uitvoering van de
werkloosheidswet |
| 4 |
Deregulering,
misbruik en oneigenlijk gebruik |
| 4.1 |
Inleiding |
| 4.2 |
Vereenvoudigingen in de
Werkloosheidswet |
| 4.3 |
De Toeslagenwet |
| 4.4 |
De gelijke behandeling
van gehuwden en ongehuwd samenwonenden |
| 4.5 |
Toedeling van
bevoegdheden |
| 4.6 |
Werkdruk van het
bestuurlijk en justitieel apparaat |
| 4.7 |
Overige
dereguleringsaspecten |
| 4.8 |
Misbruik en oneigenlijk
gebruik |
| 5 |
Financiële
effecten stelselherziening |
| 5.1 |
Inleiding |
| 5.2 |
Huidige situatie
werknemersregelingen |
| 5.3 |
Structurele mutaties in de
bruto-uitkeringslasten |
| 5.4 |
Een nieuwe
financieringsstructuur: structurele situatie |
| 5.5 |
Mutaties in de
uitgavensfeer in 1986 |
| 5.6 |
Een nieuwe
financieringsstructuur: de situatie in 1986 |
| 5.7 |
Structurele inkomenseffecten |
| 5.8 |
Inkomenseffecten in 1986 |
| 5.9 |
Financiële gevolgen van de
verschuivingen in de uitvoering |
| xArtikelsgewijs |
| xxxx |
Artikelen
1 t/m 138 |
rblz.|3|
Algemeen
1.
Inleiding
1.1.
Het pakket van maatregelen stelselherziening
Dit voorstel van wet is onderdeel van
een meer omvattend pakket van
maatregelen in het kader van de
herziening van het stelsel van sociale
zekerheid. Het betreft een nieuwe
regeling van de verzekering van
werknemers tegen de geldelijke gevolgen
van werkloosheid, die in de plaats moet
komen van de huidige Werkloosheidswet
(WW) en de Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV).
De
andere onderdelen van het pakket
maatregelen stelselherziening zijn:
-
een voorstel tot invoering van een
Toeslagenwet ter vervanging van de
huidige minimumdagloonregelen van de WW,
de WWV, de Ziektewet (ZW) en de
toeslagenregeling van artikel 10 van Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW);
- een voorstel tot invoering
van een Wet inkomensvoorziening oudere
werkloze werknemers (Iow) [tijdens
de parlementaire behandeling is de
citeertitel vervangen door: Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw), red.]], ertoe
strekkende dat onder bepaalde
voorwaarden degene die werkloos wordt
na het bereiken van de leeftijd van 50
jaar, niet na zekere tijd wordt
geconfronteerd met de aan
bijstandverlening inherente
vermogenstoets als onderdeel van de
middelentoets;
-
een voorstel tot wijziging van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) en de AAW strekkende tot
eliminering van de
werkloosheidscomponent uit de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen;
-
een voorstel tot wijziging van de
Algemene Bijstandswet (ABW) strekkende
tot formalisering van de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en de
gelijkstelling van niet-gehuwde personen
met gehuwden;
-
een voorstel tot wijziging van de AOW [Algemene
Ouderdomswet, red.] met betrekking tot de gelijkstelling van
niet-gehuwde personen met gehuwden.
-
een voorstel van wet houdende het
overgangsrecht behorende bij de
hiervoor genoemde voorstellen en
voorts strekkende tot technische
aanpassing van de wetgeving aan die
voorstellen (Invoeringswet
stelselherziening [lees: Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid
(IWS), red.]). Wij streven
ernaar dit wetsvoorstel zo spoedig
mogelijk na ontvangst van het advies
van de Raad van State in te dienen. In
deze toelichting wordt wel reeds op
onderdelen aandacht besteed aan de
hoofdlijnen van het voorgestelde
overgangs- en invoeringsrecht.
De
inhoud van het voorgestelde pakket van
maatregelen laat zich in het kort
omschrijven als volgt.
1.1.1.
Werkloosheidsuitkeringen
De
nieuwe Werkloosheidswet, die in de
plaats komt van de huidige WW en WWV,
voorziet in aan het laatst verdiende
loon gerelateerde uitkeringen gedurende
een zekere tijd en vervolgens in
individuele uitkeringen op sociaalminimumniveau gedurende één jaar
(tussenfase). De duur van de
loongerelateerde uitkering hangt af van
de leeftijd van de werkloze, en is als
volgt:
tot
23: 0,5 jaar;
23-29:
1 jaar;
30-34:
1,5 jaar;
35-39:
2 jaar;
40-44:
2,5 jaar;
45-49: 3 jaar;
50-54: 3,5 jaar;
55-59:
4 jaar;
60 of ouder [lees: 60-64, red.]: 5 jaar.
Om
voor een uitkering in aanmerking te
komen, moet men werknemer zijn geweest,
in het jaar voorafgaande aan de
werkloosheid ten minste in 26 weken in
dienstbetrekking hebben gewerkt
(referte-eis) en werkloos zijn. Voldoet
men aan deze eis, dan heeft men recht op
een halfjaar uitkering. rblz.|4|
Voor
de referte-eis geldt niet langer een
ondergrens in dagen (nu: 65), zodat niet
langer bepaalde deeltijdwerkers de facto
van het recht op uitkering zijn
uitgesloten.
Voor
een loondervingsuitkering bij
werkloosheid van langer dan een halfjaar en de daarop aansluitende
tussenfase komt men pas in aanmerking
indien ook is voldaan aan de aanvullende
voorwaarde dat gedurende de laatste
vijf jaar vóór het intreden van de
werkloosheid ten minste drie jaar lang
een dienstbetrekking van
niet-bijkomstige aard (ten minste acht uur
per week) heeft bestaan
(arbeidsverledeneis).
Bij
de bepaling van die drie jaar worden
perioden gedurende welke in de laatste
vijf jaar geen dienstbetrekking aanwezig
is geweest wegens de verzorging van
kleine kinderen (tot 12 jaar) voor de
helft meegeteld.
Aldus
wordt voor de langdurige
uitkeringsrechten per 1 mei 1986
voorzien in een mengvorm van
arbeidsverleden en leeftijdsafhankelijke
uitkeringsduur. Dit is een stap op weg
van een - naar het oordeel van het
kabinet wenselijke - gefaseerde overgang
naar een systeem waarin de maximale
duur van de uitkering geheel afhankelijk
is van het arbeidsverleden. Wat betreft
de termijn waarop dit gerealiseerd kan
worden, wordt verwezen naar paragraaf
3.7.2.
Voor
het recht op uitkering geldt "werkloosheid" als criterium (het
huidige WWV-criterium). Bij verwijtbare
(niet-onvrijwillige) werkloosheid dient
naar onze mening wel als uitgangspunt te
gelden dat de uitkering geheel wordt
geweigerd. Bij individuele verzachtende
omstandigheden kan een uitkering worden
gegeven tot ten hoogste het niveau van
de individuele uitkering op sociaalminimumniveau zoals in de tussenfase.
De
loondervingsuitkering bij werkloosheid
zal aanvankelijk 70% van het verdiende
loon bedragen en vervolgens in gelijke
halfjaarlijkse stappen worden verminderd
tot 70% van het minimumloon, het niveau
van de individuele uitkering in de
tussenfase.
Werknemers
en werkgevers hebben de mogelijkheid
aanvullende regelingen overeen te komen
(bovenwettelijke uitkeringen).
Zelfstandigen
nemen geen deel aan deze verzekering.
Ambtenaren zullen in beginsel wel gaan
behoren tot de kring van verzekerden
ingevolge de
nieuwe Werkloosheidswet.
Realisering van het betrekken van het
overheidspersoneel bij de nieuwe
Werkloosheidswet zal niet in 1986
plaatsvinden [zie Wet
overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen (OOW), red.]. Een beslissing over het
daadwerkelijk betrekken van de
ambtenaren bij de kring van verzekerden
kan eerst worden genomen na open en
reëel overleg met de centrales van
overheidspersoneel en de
belangenverenigingen van militairen.
De
nieuwe Werkloosheidswet zal regelen een
verzekering tegen geldelijke gevolgen
van werkloosheid en aldus gebaseerd
zijn op het verzekeringsprincipe. Er
wordt zoveel mogelijk gestreefd naar
equivalentie (evenwicht tussen
premiebetaling en uitkeringsrecht) en,
mede in verband daarmee, naar
individuele uitkeringsrechten. Wat het
laatste betreft: de wet zal geen
onderscheid maken tussen mannen en
vrouwen, kostwinners en niet-kostwinners en de uitkeringshoogte
zal niet worden beïnvloed door
eventueel aanwezig inkomen van de
partner. In dit verband is voorts van
belang dat in de Invoeringswet
stelselherziening wordt
voorgesteld uit de AAW
te schrappen de
regel dat bij samenloop van
AAW-uitkeringen van echtelieden de
uitkeringen tezamen niet meer kunnen
bedragen dan het minimumloon. Thans is
dit geregeld in artikel 12a AAW.
Mede
in verband met het streven naar
equivalentie zien wij per 1 mei 1986 af
van invoering van een zogenaamde
glijdende schaal, dat is een lager
uitkeringspercentage naarmate het
verdiende loon hoger was. Een dergelijk
systeem maakt alleen dan geen inbreuk op
de equivalentie als ook aan de
premiekant een glijdende schaal wordt
ingevoerd. Het kabinet is tot de
conclusie gekomen dat de ingrijpende
wijziging in de heffingssystematiek
die daarvoor nodig zou zijn in geen
geval per 1 mei 1986 kan worden
gerealiseerd.
rblz.|5|
De
equivalentie in de nieuwe
werkloosheidsverzekering wordt voorts
bevorderd doordat daarin niet meer is
opgenomen een zogenaamde
minimumdagloonregeling, een regeling die
voorkomt dat bij loonderving het inkomen
daalt onder het relevante sociaal
minimum. Ook in andere
loondervingsregelingen komt thans een
dergelijke regeling voor. Voorgesteld
wordt die regelingen vanaf 1 mei 1986 te
uniformeren en in een afzonderlijke wet,
de
Toeslagenwet, te regelen.
De
nieuwe Werkloosheidswet zal - zoals nu
de WW - worden uitgevoerd door de
bedrijfsverenigingen. Dat betekent niet
dat diegene die op het moment van
invoering van deze wet WWV-uitkering
ontvangt van de gemeente zich vanaf dat
moment zou moeten wenden tot de
bedrijfsvereniging. Deze "oude
gevallen" blijven in beginsel bij de
gemeente in uitkering. Op dit beginsel
wordt een uitzondering voorgesteld ten
aanzien van werklozen die 58 jaar of
ouder zijn en die om deze reden tot zij
65 worden recht hebben op een
WWV-uitkering. Er komen vanaf 1 mei 1986
geen nieuwe gevallen meer bij de WWV,
zodat die
wet na enkele jaren geheel zal
zijn uitgewerkt.
Wat
de uitkeringsduur en het
uitkeringsniveau voor de oude gevallen
betreft, is gekozen voor handhaving van
de bestaande rechten. Dat wil zeggen dat
als duur in beginsel zal gelden de duur
die thans op grond van de WW en de WWV
tezamen geldt. De uitkering blijft
gedurende die gehele uitkeringsduur
gehandhaafd op 70% van het dagloon. De
halfjaarlijkse vermindering van de
loondervingsuitkering, tot 70% van het
minimumloon, als voorgesteld in de
nieuwe Werkloosheidswet, geldt dus niet
voor deze oude gevallen.
1.1.2. De
Iow
Het
kabinet heeft geconstateerd dat uit de
maatschappelijke en politieke discussie
over de stelselherziening algemeen de
wenselijkheid naar voren is gekomen van
een verbetering van de positie van
oudere, langdurig werklozen. Met name
het feit dat ook oudere werklozen na
zekere tijd aangewezen raken op bijstand
met de daaraan inherente, volledige
middelentoets wordt als maatschappelijk
onaanvaardbaar beschouwd (eigenhuisproblematiek). In verband hiermee
wordt voorgesteld per 1 mei 1986 een Wet inkomensvoorziening oudere
werkloze werknemers
(Iow) in te voeren, die ertoe
leidt dat werknemers die werkloos
worden als zij 50 jaar of ouder zijn,
niet meer zijn aangewezen op een
bijstandsuitkering. Zelfstandigen nemen
geen deel aan deze voorziening [zie Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz), red.].
Het
gaat daarbij om een inkomensvoorziening
op sociaalminimumniveau
die uit
overheidsmiddelen wordt gefinancierd en
die wordt uitgevoerd door de gemeenten.
De uitkering zal worden getoetst aan het
overig inkomen uit of in verband met
arbeid van de uitkeringsgerechtigde en van
zijn partner, doch niet op vermogen.
Tussen
deze verbetering van de positie van
oudere werklozen en de aanvullende eis
voor een langere uitkeringsduur
ingevolge de werkloosheidsverzekering
leggen wij zowel inhoudelijk als
financieel verband. Inhoudelijk, doordat
uitkering op grond van de Iow naar ons
oordeel alleen moet worden toegekend aan
personen die op het moment van werkloos
worden in betekenende mate een
arbeidsverleden hebben. Financieel in
die zin dat naar ons oordeel, gelet op
de beschikbare middelen, de voorgestelde
positieverbetering voor ouderen slechts
verantwoord is als deze gepaard gaat met
een verscherping van de
toetredingseisen.
1.1.3.
Toeslagen
Bij
een uitkeringspercentage van 70 zal in
de situatie van loonderving in een aantal
gevallen een loondervingsuitkering
worden verstrekt die op zichzelf slechts
reikt tot het niveau van het sociaal
minimum voor een alleenstaande. rblz.|6|
Zonder
nadere voorziening zou degene die
anderen financieel ten laste heeft, voor
aanvulling van de loondervingsuitkering
aangewezen zijn op bijstand met de
daaraan verbonden middelentoets. Om dit
te voorkomen, zal voor diegenen die
anderen financieel ten laste hebben (een
partner, kinderen) een speciale
voorziening worden getroffen, te weten
een
Toeslagenwet. Wat partners betreft,
blijft die noodzaak aanwezig totdat de
betaalde arbeid meer gelijk over
samenlevingspartners is verdeeld.
De
toeslagen vinden hun grondslag in de
minimumbehoeftefunctie van de sociale
zekerheid. Inherent daaraan is dat
toeslagen slechts worden verleend aan
diegenen die daaraan ook werkelijk
behoefte hebben. Ander inkomen uit of in
verband met arbeid van de
uitkeringsgerechtigde en/of diens
partner dient in beginsel geheel op de
toeslag in mindering te worden gebracht.
Om de bereiken dat de
toeslagensystematiek een zekere
positieve invloed zal hebben op de
bereidheid weer door arbeid in het
inkomen te voorzien, zal een beperkte
vrijlating gelden. De toeslagenregeling
en de bijstand worden op dit punt op
elkaar afgestemd. Hetzelfde geldt ook
voor de vraag wie als partners moeten
worden beschouwd. Zowel in de
toeslagenregeling als in de bijstand (en
in de Iow) zal het gaan om gehuwden en
om personen die op vergelijkbare wijze
met elkaar samenleven.
De
toeslagenregeling komt in de plaats van
de bestaande minimumdagloonregelen WW, WWV,
ZW en van de toeslagregelingen in
de AAW. Het gaat met andere woorden om
toeslagen op werkloosheidsuitkeringen,
ziekengeld en
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Om te
voorkomen dat de uitkeringsgerechtigden
die tevens recht hebben op een toeslag
zich tot twee verschillende instanties
zouden moeten wenden, wordt voorgesteld
deze toeslagen ook door de
bedrijfsverenigingen te laten
verstrekken. De Toeslagenwet wordt uit
de algemene middelen gefinancierd.
1.1.4.
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
Er
wordt geen voorstel gedaan tot beperking
van de duur van uitkeringen ter zake van
medisch-arbeidskundige
arbeidsongeschiktheid. Het
uitkeringspercentage zal bij
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer
70% blijven bedragen.
Wel
wordt voorgesteld de zogenaamde
verdiscontering van werkloosheid in
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen af te
schaffen. Dat betekent dat bij de
bepaling van de mate van
arbeidsongeschiktheid geen rekening meer
zal worden gehouden met de vraag of
voor betrokkene passende arbeid ook
feitelijk beschikbaar is. Alleen voor
het medisch-arbeidskundig vast te
stellen verlies aan verdiencapaciteit
zal in de toekomst vanuit de
arbeidsongeschiktheidswetten een
uitkering worden verstrekt.
Voor
de naast de arbeidsongeschiktheid
eventueel aanwezige werkloosheid kan
betrokkene op gelijke voet als elke
andere werkloze in aanmerking komen voor
werkloosheidsuitkering. Voor diegenen
die vóór 1 mei 1986 al recht hebben op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering zal,
voor zover herkeuring plaatsvindt, een
overgangsregeling worden getroffen. Die
overgangsregeling gaat uit van een
verdubbeling van in de
nieuwe Werkloosheidswet geldende
uitkeringsduur. De uitkeringen aan deze
arbeidsongeschikten, voor zover deze
betrekking hebben op de werkloosheidscomponent, worden
gefinancierd uit de
arbeidsongeschiktheidsfondsen, teneinde
te grote schokeffecten in de
premielastverdeling te voorkomen.
Ten
aanzien van oude gevallen wordt het
volgende voorgesteld:
-
personen vanaf 35 jaar blijven buiten de
herbeoordeling;
-
personen tot 30 jaar worden binnen één
jaar na in werking treden van de wet
herbeoordeeld; de categorie
arbeidsongeschikten tussen de 30 en 35
jaar wordt herbeoordeeld in het jaar
volgend op het jaar waarin de categorie
arbeidsongeschikten tot 30 jaar wordt
herbeoordeeld.
Deze
overgangsregeling wordt ingegeven door
de overweging dat de Wet arbeid gehandicapte
werknemers (Wagw) in de
beginfase vooral betekenis zal hebben
voor de nieuwe gevallen. Hierdoor wordt
voor de rblz.|7|
bedoelde
categorie vanaf 35 jaar in die zin
zekerheid verschaft dat de voorgestelde
wijziging van de AAW
en de WAO voor hen
geen consequenties zal hebben. De
herbeoordeling van de categorie
arbeidsongeschikten tot 35 jaar is naar
onze mening wenselijk aangezien het niet
in het belang van jongeren is om te snel
het stempel van arbeidsongeschiktheid
opgelegd te krijgen, terwijl voorts
binnen deze categorie eerder sprake zal
zijn van een zich herstellend
arbeidsvermogen.
1.1.5.
Voorlichting
De
inwerkingtreding van het pakket
voorstellen zal gepaard moeten gaan met
een goede en tijdige voorlichting over
de inhoud ervan.
Het
gaat immers om ingrijpende wijzigingen
als gevolg waarvan aan verzekerden
andere en nieuwe eisen worden gesteld om
voor een uitkering in aanmerking te
komen. In overleg met het
Voorlichtingscentrum Sociale Verzekering
en de bij de uitvoering betrokken
instanties wordt nader bekeken wanneer
en op welke wijze efficiënt en
gecoördineerd informatie over het
gewijzigde stelsel aan belanghebbenden
kan worden verschaft.
1.2.
Stelselherziening als proces
Het
aanhangig maken van dit pakket
voorstellen betekent een belangrijke
stap in het proces van herziening van
het stelsel van sociale zekerheid. Dit
proces is een aantal jaren geleden in
gang gezet en heeft zijn weerslag
gevonden in een aantal officiële
stukken. In dit verband zijn onder meer
van belang de adviesaanvraag aan de SER
[Sociaal-Economische
Raad, red.] van 28 augustus 1980 inzake de
integratie van de
werkloosheidsregelingen en de daarbij
gevoegde nadere taakopdracht aan een
ambtelijke projectgroep (Kamerstukken II 1979-1980, 15 650,
nr. 5), de ambtelijke
heroverwegingsrapporten, met name voor
zover betreffende de sociale zekerheid (Kamerstukken
II 1980-1981, 16 625),
de notitie "Herziening van het stelsel
van sociale zekerheid", aan de Tweede
Kamer toegezonden bij brief van 9 juni
1982 (Kamerstukken II 1982-1983, 17 475,
nrs. 1 en 2), een nadere uitwerking
daarvan bij brief van 28 juli 1982 (Kamerstukken
17 475, nr. 3), de verslagen van het
mondeling overleg met de vaste commissie
voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op
1 juli en 25 augustus 1982 (Kamerstukken
17 475, nrs. 4 en 5) en de adviesaanvraag aan de
Sociaal Economische Raad en de
Emancipatieraad van 25 mei 1983 over de
herziening van het stelsel van sociale
zekerheid, verder aan te duiden als: de
adviesaanvraag (Kamerstukken 17 475, nr.
7).
Ook
waar het gaat om concrete wetgevende
maatregelen vormt het aanhangig maken
van dit pakket niet de eerste stap in
het herzieningsproces. Inhoudelijk in
één lijn met de nu voorgestelde
Toeslagenwet lagen de eerder behandelde
voorstellen tot wijziging van de
werkingssfeer van de
mimimumdagloonregelen WW en WWV
en de
afschaffing van het minimumdagloon WAO.
Waar
het betreft het niveau van de
loongerelateerde uitkeringen moeten in
verband met de herziening van het
stelsel worden genoemd de kortingen op
de daglonen WW, WWV en WAO per 1 januari
1984 met 3% en op de daglonen WW en WAO
per 1 juli 1984, wederom met 3%, alsmede
de verlaging van de
uitkeringspercentages WW, WWV en WAO tot
70 per 1 januari 1985 en het
uitkeringspercentage ZW
tot 75 per 1 mei
1985 en tot 70 per 1 januari 1986.
Ook
moeten worden genoemd de in afwachting
van de doorvoering van het nu aan de
orde zijnde pakket van maatregelen
ingevoerde interim-voorzieningen in het
kader van de WWV betreffende de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en
wijziging van de duur van de uitkering
en die betreffende de uitkeringsrechten
voor werklozen ouder dan 50 jaar [lees:
werklozen van 50 jaar of ouder, red.].
De
indiening van dit pakket betekent, zoals
gezegd, een belangrijke stap in een
proces. Daarmee is niet gezegd dat dit
proces daarmee zou zijn voltooid. In de
adviesaanvraag is, in hoofdstuk
10, kort
beschreven het rblz.|8|
stelsel
van sociale zekerheid bij werkloosheid
en bij arbeidsongeschiktheid, zoals dat
er in de visie van het kabinet naar
hoofdlijnen en structuur uiteindelijk
uit zou kunnen gaan zien. In die visie
hebben werknemers zowel bij werkloosheid
als bij arbeidsongeschiktheid gedurende
beperkte tijd recht op een aan het
verdiende loon gerelateerde uitkering.
De duur is afhankelijk van de duur van
het arbeidsverleden van de
uitkeringsgerechtigde. Binnen die
beperkte duur wordt het verschil tussen
het aanvankelijke uitkeringsbedrag en
het sociaal minimum voor een
alleenstaande in gelijke halfjaarlijkse
stappen verminderd. Na de
loondervingsfase zou bij voortdurende
werkloosheid of arbeidsongeschiktheid
een individueel recht op een uitkering
ter hoogte van het sociaal minimum voor
een alleenstaande bestaan totdat
betrokkene 65 jaar wordt.
Reeds
in de adviesaanvraag werd onderkend dat
deze structuur niet nog deze
kabinetsperiode geheel zou kunnen worden
ingevuld. Op drie punten werd invulling
op zo korte termijn onmogelijk geacht.
In
de eerste plaats ging het daarbij om de
beperking van de duur van de uitkeringen
bij (medisch-arbeidskundige)
arbeidsongeschiktheid. Op dat punt heeft
het kabinet ruimte willen geven voor
discussie en heeft het de overwegingen
en problemen geschetst die bij
realisatie van die gedachte naar zijn
oordeel in die discussie een rol zouden
moeten spelen. In de discussie over de
voornemens tot stelselherziening is deze
gedachte inderdaad ook aan de orde
geweest. De indruk bestaat dat in die
discussie de opvatting overheerst dat
vooral als het gaat om zwaar
gehandicapten en om
arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
arbeidsongeval of een beroepsziekte, een
dergelijke beperking niet op haar plaats
zou zijn.
In
de tweede plaats werd in de
adviesaanvraag geconstateerd dat de
sociaal-economische situatie op dat
moment geen ruimte liet voor een
individueel recht op een
werkloosheidsuitkering op minimumniveau tot het 65ste jaar. Die opvatting geldt
ook in de huidige situatie nog
onverkort. In een dergelijke langdurige
uitkering wordt in dit voorstel dan ook
niet voorzien. Wel wordt, bij wege van
eerste stap in deze richting, in dit
ontwerp voorzien in een individueel
recht op een vervolguitkering, een recht
dat ontstaat na het einde van het recht
op de aan het loon gerelateerde
uitkering en dat - overeenkomstig de in
de adviesaanvraag als "tussenfase"
aangeduide regeling - ten hoogste één
jaar kan duren.
In
de derde plaats werd in de
adviesaanvraag geconstateerd dat een
koppeling van de uitkeringsduur aan de
duur van het arbeidsverleden bij gebrek
aan een sluitende registratie van
arbeidsverledens voorlopig niet tot de
mogelijkheden behoort.
In
het hierna volgende (paragraaf
2.4.1)
wordt nog nader ingegaan op ons
standpunt ter zake van de wenselijkheid
om in de toekomst een bekorting van duur
van het recht op een loongerelateerde
uitkering bij arbeidsongeschiktheid nog
nader te bezien.
Het
antwoord op de vraag wanneer een
verlenging van de tussenfase in
overweging kan worden genomen, is niet
zonder meer te geven. Wanneer in de
toekomst financiële ruimte ter
verbetering van socialezekerheidsrechten beschikbaar komt, zal
deze ruimte met voorrang worden gebruikt
voor een verlenging van de tussenfase of
voor een verlaging van de
toetredingsleeftijd tot de Iow. In dit
verband kan nog worden opgemerkt dat bij
een verdere verdeling van betaalde
arbeid binnen leefeenheden het beroep op
de Toeslagenwet zal afnemen; ook langs
die weg ontstaat dan financiële ruimte.
Ten slotte zij hier opgemerkt dat in het
nu voorliggende voorstel, tot op zekere
hoogte in afwijking van de voorstellen
in de adviesaanvraag, wordt gekozen
voor een mengvorm van arbeidsverleden en
leeftijdsgerelateerde uitkeringsduur.
Verderop (paragraaf 3.7) zal worden
ingegaan op de vraag hoe naar ons
oordeel in de toekomst geleidelijk
geheel zal kunnen worden overgestapt
naar een relatie met het
arbeidsverleden.
rblz.|9|
1.3.
Opbouw van de memorie van toelichting
Zoals
al is gezegd, vormt dit wetsvoorstel een
onderdeel van een meer omvattend,
onderling samenhangend pakket van
maatregelen. Om te bereiken dat de
onderlinge samenhang van die regelingen
ook in de toelichtingen daarbij zo
helder mogelijk tot uitdrukking komt en
ook om doublures te voorkomen, is
gekozen voor een verdeling van de te
behandelen materie over de verschillende
toelichtingen, die er kort gezegd op neerkomt dat algemene opmerkingen en
alle niet specifiek bij één van de
andere onderdelen van het pakket
behorende onderwerpen worden behandeld
in deze toelichting. Deze benadering
komt met name tot uitdrukking in
hoofdstuk 2, waarin worden besproken de
hoofdlijnen van de adviezen van de Sociaal-Economische
Raad van 29 juni
1984 en van 23 augustus 1985, de
adviezen van de Emancipatieraad van 12
april en 17 augustus 1984 en de adviezen
en voorstellen van een aantal andere
instanties die op de adviesaanvraag
hebben gereageerd, in hoofdstuk
4, over
stelselherziening en deregulering
misbruik en oneigenlijk gebruik en in
hoofdstuk 5 over de financiële effecten
van het voorgestelde pakket van
maatregelen. In hoofdstuk 3 worden de
hoofdlijnen van de voorliggende
Werkloosheidswet behandeld en hoofdstuk
6 bevat tot slot de artikelsgewijze
toelichting.
2.
Adviezen en standpuntbepaling
2.1.
Algemeen
2.1.1.
De adviezen van de Sociaal-Economische
Raad
Het
advies van de Sociaal-Economische
Raad (SER) van 29 juni 1984 over de
stelselherziening is in belangrijke mate
verdeeld. De drie in de SER
vertegenwoordigde centrale organisaties
van werknemers hebben drie verschillende stelsels ingebracht. De
ondernemersorganisaties hebben een
standpunt geformuleerd dat slechts tot
op zekere hoogte eensluidend is. Met
name op het belangrijke punt van de
beperking in duur van de
uitkeringsrechten bij (medisch-arbeidskundige)
arbeidsongeschiktheid hebben immers de
vertegenwoordigers van de
landbouworganisaties en van het midden-
en kleinbedrijf een afwijkend standpunt
ingenomen. Van de zijde van de
kroonleden zijn twee alternatieven
ingebracht. Daarnaast verdient
vermelding dat het kroonlid Duisenberg
uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij
de in de adviesaanvraag ontwikkelde
voorstellen steunde. Hij bracht die
steun tot uitdrukking door zich met
betrekking tot de in het advies
beschreven alternatieven van stemming te
onthouden.
Eén
en ander betekent niet dat het advies
niet ook op sommige punten unaniem is.
Unaniem is de SER in zijn oordeel dat
het stelsel aan herziening toe is. Dit
met name omdat de huidige regelingen bij
arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
onvoldoende op elkaar zijn afgestemd,
omdat de uitkeringsrechten en
uitkeringsduur bij arbeidsongeschiktheid
en werkloosheid te sterk uiteenlopen en
omdat gelijke behandeling van mannen en
vrouwen dient te worden gerealiseerd.
Verdeeld is de SER waar het betreft het
antwoord op de vraag of ook de noodzaak
tot het terugdringen van de uitgaven
voor de sociale zekerheid een
zelfstandige reden is voor herziening
van het stelsel.
Unaniem is wel
weer het oordeel van de SER over een
aantal uitgangspunten dat in aanmerking
dient te worden genomen bij de nadere
uitwerking en vormgeving van een
gewijzigd stelsel van sociale zekerheid
bij werkloosheid en bij
arbeidsongeschiktheid.
De
SER kiest mét het kabinet voor een
stelsel dat kan worden gekenschetst als
een stelsel van
loondervingsverzekeringen met vangnet.
De uitwerking daarvan dient primair
gericht te zijn op degenen die in
dienstbetrekking rblz.|10|
werkzaam
zijn. De verzekeringsgedachte dient als
vormgevend beginsel te worden
gehandhaafd en waar mogelijk versterkt.
Dit
impliceert een streven naar
equivalentie, door de Raad omschreven
als evenredigheid tussen
premieverplichtingen, risico's en
prestaties. Het feit dat de betrokken
regelingen liggen in het verlengde van
arbeidsvoorwaarden en
arbeidsomstandigheden leidt de Raad tot
een keuze voor een grote mate van
betrokkenheid van het georganiseerde
bedrijfsleven bij de uitvoering van de
wetgeving. De loondervingsuitkeringen
dienen te worden geïndividualiseerd in
die zin dat geen onderscheid meer wordt
gemaakt naar geslacht, burgerlijke staat
of gezinssamenstelling.
Vooralsnog
kiest de SER voor twee afzonderlijke
loondervingsregelingen ter zake van
werkloosheid en ter zake van
arbeidsongeschiktheid. Ter zake van
werkloosheid ondersteunt de SER het
streven van de regering naar een
vervanging van de huidige
loongerelateerde werkloosheidsregelingen
(WW en WWV) door één
werkloosheidsverzekering met voor mannen
en vrouwen gelijke rechten. Bij de
uitvoering en vormgeving dienen deze
regelingen bij werkloosheid en bij
arbeidsongeschiktheid zoveel mogelijk op
elkaar te worden afgestemd, zodat het
streven naar - uiteindelijk - één
loondervingsverzekering niet bij
voorbaat wordt geblokkeerd. Voor zover
het verschil in karakter tussen
werkloosheid en arbeidsongeschiktheid
dat toelaat, moeten volgens de SER de
uitkeringsrechten en -voorwaarden zoveel
mogelijk worden gelijkgetrokken. De
minimumbehoeftefunctie dient eerst een
rol te gaan spelen indien en voor zover
de loondervingsverzekeringen niet
toereikend zijn om te voorzien in het
relevante sociaal minimum. Het heeft de
voorkeur van de Raad om met verschillen
in minimumbehoefte naar levens- en
gezinsomstandigheden rekening te houden
door middel van het verlenen van
toeslagen op grond van een afzonderlijke
regeling. Bij de toekenning van de
toeslagen ware geen onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen of tussen
gehuwden en ongehuwden, die in
sociaal-economisch opzicht in
vergelijkbare omstandigheden verkeren.
De toeslagen zouden moeten worden
verstrekt door de instantie die ook de
uitkering verstrekt waarop de toeslag
wordt verleend.
Tot
zover kan worden gesteld dat de SER de
door het kabinet in de adviesaanvraag
aangevoerde redengeving voor de
stelselherziening onderschrijft - zij
het waar het betreft het aspect van de
ombuigingsnoodzaak niet unaniem, doch wel
in meerderheid - en een groot aantal
belangrijke, in de adviesaanvraag
geformuleerde uitgangspunten en
gedachten.
Voorts
bestaat overeenstemming met het kabinet
waar het gaat om de door de SER
geformuleerde randvoorwaarden. Aan
internationaalrechtelijke verplichtingen
dient te worden voldaan. Het pakket
maatregelen stelselherziening voldoet
aan deze randvoorwaarde. Bij de
inrichting en vormgeving moet rekening
worden gehouden met de effecten op
andere sectoren van overheidsbeleid,
zoals het beleid met betrekking tot de
collectieve arbeidsvoorwaarden, het
arbeidsmarkt-, het
arbeidsomstandigheden- en het
economisch structuurbeleid. Voorts dient
rekening te worden gehouden met de aan
langdurige werkloosheid en
arbeidsongeschiktheid verbonden
maatschappelijke aspecten. Met name in
paragraaf 3.12 betreffende de
voorzieningen wordt aan deze onderwerpen
aandacht besteed. Ook is gestreefd naar
een duidelijke en consistente uitkerings-
en financieringsstructuur. Op het
belang daarvan heeft de SER terecht de
aandacht gevestigd.
Naast
de betrekkelijk grote mate van
overeenstemming tussen de SER en het
kabinet over de redenen voor
stelselherziening en daarbij te volgen
uitgangspunten en in acht te nemen
randvoorwaarden, is echter ook sprake
van een aantal in de adviesaanvraag
ontwikkelde voorstellen die door de SER
unaniem worden afgewezen. Het gaat
daarbij onder meer om de invoering van
een glijdende schaal in de bovenminimale
uitkeringen. De SER wijst dit af met
name met een beroep op zijn hierboven al
genoemde voorkeur voor versterking van
het verzekeringskarakter van de
loondervingsregeling bij werkloosheid
en arbeidsongeschiktheid voor
werknemers. rblz.|11|
Verder
moet er hier op worden gewezen dat in
het SER-advies van 29 juni 1984 weinig
aandacht wordt besteed aan de door het
kabinet voorgestelde halfjaarlijkse
verlaging van de loongerelateerde
uitkering bij werkloosheid tot het
niveau van het sociaal minimum voor een
alleenstaande. Wel komt in het standpunt
van de vakcentrale
MHP althans de
gedachte voor van een geleidelijke
verlaging van de uitkering naarmate de
werkloosheid langer duurt. Het tempo van
de vermindering wordt door deze
vakcentrale afhankelijk gesteld van de
leeftijd en het premiebetalingsverleden
van betrokkene. Het niveau waarnaar
wordt verlaagd, is niet het niveau van
het sociaal minimum voor een
alleenstaande, doch 65% van het dagloon
waarbij het sociaal minimum voor een
alleenstaande als bodem fungeert.
In
zijn vervolgadvies van 23 augustus 1985
is de SER wel expliciet ingegaan op de
voorgestelde halfjaarlijkse verlaging
van de loongerelateerde uitkering bij
werkloosheid. De Raad wijst deze
stapsgewijze verlaging af op grond van
dezelfde overwegingen als in het advies
van 1984 zijn genoemd ten aanzien van de
invoering van een glijdende schaal in
het uitkeringspercentage. De verlaging
leidt volgens de Raad tot een
doorbreking van de evenredigheid of
equivalentie tussen de aan het loon
gerelateerde premieheffing en het
uitkeringsniveau tijdens de
loondervingsfase. Voorts komt volgens de
Raad het loondervingskarakter van de
werkloosheidsuitkeringen onvoldoende tot
zijn recht, hetgeen onder andere blijkt
uit de sterke nivellering van de
uitkeringen.
Uitdrukkelijk
stelt de Raad dat het advies van 23
augustus 1985 een vervolgadvies is op
het advies van 29 juni 1984 en dat de
verschillende visies van de Raad die in
dat advies zijn opgenomen zich niet
hebben gewijzigd. Dit betekent dat het
door de Raad afwijzen van de door het
kabinet voorgestelde niveauverlaging
tot uiteenlopende consequenties zal
leiden.
Zoals
bekend zijn de glijdende schaal en de
halfjaarlijkse verlaging in de
adviesaanvraag belangrijke factoren in
de sfeer van de door het kabinet
noodzakelijk geachte ombuigingen. Op de
keuzes die de regering ter zake van de
glijdende schaal en de niveauverlaging
heeft gemaakt, wordt in paragraaf 2.2
nader ingegaan.
Een
ander punt waarop de SER unaniem afwijkt
van de in de adviesaanvraag
geformuleerde voorstellen is de wijze
van financiering van de
Toeslagenwet. In
de adviesaanvraag wordt uitgegaan van
financiering van de toeslagenregeling
als een volksverzekering met
premiebetaling door verzekerden. De SER
kiest unaniem voor financiering uit de
algemene middelen. Daarbij wijst de SER
erop dat voor de toeslagenregeling
uitkeringsvoorwaarden worden gesteld die
uitsluitend betrekking hebben op de
sociale omstandigheden van de
uitkeringsgerechtigde. Voorts - aldus de
SER - bevat de toeslagenregeling geen
elementen waaraan een
verzekeringskarakter voor een dergelijke
regeling zou kunnen worden ontleend.
Voor een toeslagenregeling als
voorgesteld gelden evenals voor andere
inkomensafhankelijke voorzieningen van
overheidswege uitsluitend solidariteits-
en inkomenspolitieke overwegingen.
Het
kabinet is bij nader inzien van oordeel
dat op dit punt het advies van de SER
kan worden gevolgd. Daarbij is ook
overwogen dat financiering uit de
algemene middelen van de toeslagen goed
past in het onderscheid in primaire
verantwoordelijkheid voor sociale
partners en overheid, dat parallel loopt
met het onderscheid tussen
loondervingsfunctie en
minimumbehoeftefunctie dat in de
adviesaanvraag zo'n voorname rol speelt.
In hoofdstuk 5 van deze toelichting
wordt ingegaan op de consequenties die
deze keuze heeft voor het totaalbeeld
van de financiering van de bij de
stelselherziening betrokken regelingen.
De ter realisering van deze keuze
gebezigde methode wordt besproken in de
toelichting bij het voorstel voor een
Toeslagenwet.
Op
een aantal onderdelen heeft het
vervolgadvies van de SER van 23
augustus 1985 geleid tot aanpassing van
het wetsvoorstel in vergelijking met het
concept dat begin april 1985 ter
advisering is voorgelegd aan de rblz.|12|
Sociale
Verzekeringsraad. In dit verband kunnen
bijvoorbeeld worden genoemd de
bevoegdheid tot het stellen van nadere
regels met betrekking tot het
sanctiebeleid en de zogenaamde omkering
van de bewijslast. Overigens wordt
kortheidshalve verwezen naar de
desbetreffende onderdelen van deze
toelichting.
2.1.2.
De adviezen van de Emancipatieraad
In
een interim-advies van de
Emancipatieraad (ER) van 12 april
1984 beperkt die raad zich tot een
toetsing van de adviesaanvraag aan de
derde EG-richtlijn (79/7/EEG, 19
december 1978). Behandeld werd onder
meer de werkingssfeer van de richtlijn.
Voorts wordt het begrip indirecte
discriminatie geïnterpreteerd.
Aangesloten wordt bij het tussentijds
verslag van de EG-commissie van 6
januari 1984: een vermoeden van
discriminatie bestaat als een maatregel
in feite vooral de werknemers van één
van beide geslachten treft; het is aan
degene die de maatregel treft of laat
voortbestaan om aan te tonen dat er
objectief gerechtvaardigde redenen zijn.
De ER is van oordeel dat de idee van
toeslagen in de adviesaanvraag
onvoldoende gerechtvaardigd wordt. Elke
toets op gezins- of partnerinkomen is
volgens de ER discriminerend en dus
verboden. In de toelichting bij de
voorgestelde
Toeslagenwet wordt op dit
onderwerp uitvoerig ingegaan.
In
het advies van 17 augustus 1984
formuleert de Raad eerst een aantal
algemene uitgangspunten voor een
emancipatoir stelsel van sociale
zekerheid. Stelselwijziging is
noodzakelijk, mede omdat de in het
stelsel voorkomende belemmeringen voor
de arbeidsdeelname van vooral gehuwde
vrouwen moeten worden opgeruimd.
Vooralsnog dient (ook) van de gehuwde
vrouw te worden verlangd dat zij door
arbeid in haar inkomen voorziet.
In
alle gevallen waarin die eis wordt
gesteld, dient een individueel
uitkeringsrecht te bestaan. Het
onderscheid loondervingsfunctie/minimumbehoeftefunctie
is hiervoor naar het oordeel van de Raad
niet relevant. Het al dan niet enige
tijd betaalde arbeid verricht hebben is
onvoldoende rechtvaardiging voor het
onderscheid tussen
individuele/niet-individuele
uitkeringsrechten.
Een
geïndividualiseerd stelsel zou naar de
mening van de ER vanaf 1 januari 1985 in
ieder geval moeten gelden voor personen
geboren na 1967.
Het
systeem van de adviesaanvraag
besprekend, beoordeelt de ER het idee
van de - in de toekomst te verlengen -
tussenfase als zeer positief. De Raad
constateert echter dat een groot deel
van de bevolking (schoolverlaters, etc.)
nooit aan zo'n uitkering toe zal komen.
Voor die groepen zou er - volgens een
meerderheid van de Raad - een (her)intredingsregeling
moeten komen met individuele
uitkeringsrechten. De Rww [Rijksgroepsregeling werkloze werknemers,
red.] kan dan worden
opgeheven. Vijf leden van de Raad kunnen
zich hiermee niet verenigen vanwege de
aanmerkelijke financiële consequenties
die naar het oordeel van deze leden twee
gevaren in zich bergen, namelijk dat de
voor zo'n regeling benodigde gelden
gevonden zouden worden door een
verlaging van het uitkeringsniveau van
alle uitkeringsgerechtigden en dat geen
flankerend beleid van de grond zou
kunnen komen. Op de mate waarin wij
menen dat individualisering in de sfeer
van de minimumbehoeftefunctie van de
sociale zekerheid op dit moment kan
worden gerealiseerd, is ingegaan in de
toelichting bij het wetsvoorstel tot
wijziging van de ABW strekkende tot
verzelfstandiging van bijstandsrechten
voor mannen en vrouwen.
Vermelding
verdient verder dat de ER de
verbetering van de positie van gehuwde
vrouwen in de
werkloosheidsregelingen toejuicht. Gepleit wordt voor een betere
bescherming van deeltijdwerkers. In het
hierna volgende zal blijken dat in het
voorliggende wetsvoorstel aan deze wens
tegemoet wordt gekomen. Een relatie
tussen arbeidsverleden en duur van
uitkeringsrechten wijst de ER af. In
paragraaf 2.5.3 wordt hierop nader ingegaan.
rblz.|13|
Met
betrekking tot de gezinstoeslagen
onderkent de ER de onwenselijkheid en de
onmogelijkheid om de kostwinners van eenkostwinnergezinnen van de ene op
de andere dag slechts 70% van het minimumloon
te garanderen. De
eerdergenoemde "(her)intredersregeling"
(individualisering Rww) zou dit probleem
in de visie van de ER voor een deel
kunnen oplossen.
Alleen
voor personen die de ontwikkeling naar
grotere financiële zelfstandigheid niet
kunnen of willen doormaken, zou tijdelijk
een toeslagensysteem kunnen gelden. Met
name de tijdelijkheid is in de ogen van
de ER essentieel. Deze zou in de
betrokken wet moeten worden verankerd
via een vermindering met (leeftijds)cohorten.
Ten
slotte moet erop worden gewezen dat de
ER - anders dan de SER - de behandeling
van (bepaalde) ongehuwd samenwonenden
als waren zij gehuwd afwijst.
Zowel
bij de wenselijkheid van een tijdelijke
Toeslagenwet als bij de behandeling van
met het huwelijk vergelijkbare
samenlevingsvormen wordt in de
toelichting bij de voorgestelde
Toeslagenwet uitvoerig stilgestaan.
2.1.3.
De advisering door de Sociale
Verzekeringsraad
Op
11 april 1985 is de Sociale
Verzekeringsraad (SVr) gevraagd op zo
kort mogelijke termijn te adviseren over
een concept van het onderhavige
wetsvoorstel, over een
conceptwetsvoorstel tot wijziging van
de AAW
en de WAO. Op 6 mei 1985 is
hieraan toegevoegd een adviesaanvraag met
betrekking tot een conceptwetsvoorstel
tot invoering van een Invoeringswet
stelselherziening.
Het
advies van de Raad over de vier genoemde
wetsvoorstellen is helaas op dit moment
nog niet uitgebracht. Bij brief van 27
september 1985 heeft de algemeen
secretaris meegedeeld dat de Raad zich
voorstelt zijn advies zo mogelijk vast
te stellen in een extra vergadering op
25 oktober 1985. Dezerzijds bestaat wel
waardering voor de grondige wijze waarop
de Raad de voorbereiding van de
advisering ter hand heeft genomen. Het
advies is in eerste instantie voorbereid
in de commissie
werkloosheidsverzekeringen, de commissie
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de
commissie daglonen en reglementen en de
commissie financieel economische zaken.
Via de vertegenwoordiger van het
departement hebben wij kennisgenomen
van de werkzaamheden van deze
commissies. De uitkomsten van deze
werkzaamheden zijn opgenomen in een
integraal conceptadvies dat ter
voorbereiding van de genoemde raadsvergadering van 25 oktober a.s. is
toegezonden aan de leden van de Raad.
Bij de nadere bezinning over de
verschillende onderdelen van het thans
voorliggende pakket voorstellen hebben
deze uitkomsten een belangrijke rol
gespeeld en geleid tot niet
onbelangrijke aanpassingen van de
voorstellen.
Het
kabinet ziet met belangstelling het
advies van de SVr tegemoet. Vooral waar
het de uitvoeringstechnische aspecten
betreft, kan dit advies worden betrokken
bij het proces van wetgeving.
2.1.4.
Overige adviezen
Bij
brief van 11 april jl. is aan de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) aandacht gevraagd voor het conceptwetsvoorstel tot invoering van de
Iow
en
met name voor de gevolgen van deze
voorziening voor de uitvoeringstaak van
de gemeenten. Op 22 augustus jl. heeft
de VNG hierover geadviseerd.
Kortheidshalve wordt wat betreft de
inhoud van dit advies en de beoordeling
hiervan door het kabinet volstaan met te
verwijzen naar de toelichting bij
genoemd wetsvoorstel.
Voorts
is op 6 juni 1985 aan de Raad voor de
gemeentefinanciën advies gevraagd over
de financiële en personele
consequenties voor de gemeenten van de
verschillende voorstellen. Op 22 juli
1985 heeft de Raad hierover geadviseerd.
Voor de inhoud van dit advies en de
beoordeling ervan wordt verwezen naar
paragraaf 5.9 van deze toelichting.
rblz.|14|
2.2.
Stelselherziening en ombuigingen
Zoals
al gezegd, is het advies van de SER
van juni 1984
verdeeld waar het betreft de mate
waarin bij de ontwikkeling van
voorstellen tot stelselherziening
rekening moet worden gehouden met de
noodzaak de collectieve lasten terug te
dringen. In zijn vervolgadvies van
augustus 1985 merkt de Raad, zoals reeds
aangegeven, uitdrukkelijk op dat deze
verdeeldheid nog steeds bestaat. In de
adviesaanvraag is - in hoofdstuk 2 -
de stelselherziening geplaatst in het
kader van de economische situatie en de
beleidsontwikkelingen op dat punt en in
het kader van de daarmee samenhangende
ombuigingstaakstelling van het kabinet
voor de jaren 1984-1986.
Deze
taakstelling wordt door de
vertegenwoordigers van de
ondernemersorganisaties in de SER aanvaard als
uitgangspunt voor de advisering over de
stelselherziening. Dit deel van de Raad
is van mening dat een herziening van
het stelsel van sociale zekerheid een
belangrijke bijdrage moet leveren aan
een terugdringing van collectieve
uitgaven. Daardoor komt er ruimte voor
het particuliere bedrijfsleven om de
concurrentiepositie ten opzichte van het
buitenland te verbeteren en perspectief
te bieden voor een gunstige economische
ontwikkeling van het land, welke mede
dienstbaar kan zijn als een gezonde
basis voor de financiering van de
sociale zekerheid in de toekomst. Een
afslanking van de sociale zekerheid is
naar het oordeel van dit deel van de
Raad ook nodig om het beroep op die
sociale zekerheid waar mogelijk te
beperken. Afslanking zou voorts meer
ruimte bieden voor het dragen van
verantwoordelijkheden in kleinere leef-
en samenwerkingsgemeenschappen,
waaronder individuele ondernemingen.
Volgens dit deel van de Raad is het
vergroten van het verschil tussen loon
en uitkering aanvaardbaar, omdat het
Nederlandse stelsel van sociale
zekerheid - met name waar het gaat om
het niveau van de bovenminimale
uitkeringen en de duur van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen -
thans te veel afwijkt van de regelingen
in omringende landen.
Ook
de meerderheid van de kroonleden van de
SER is van oordeel
dat een herziening van het stelsel mede
een belangrijke bijdrage dient te
leveren aan een terugdringing van de
collectieve uitgaven, omdat in
redelijkheid kan worden aangenomen dat
mede langs die weg het perspectief voor
een gunstige economische ontwikkeling
van het land verbetert, waardoor tezelfdertijd een gezonde basis voor de
financiering van de sociale zekerheid in
de toekomst wordt gelegd. Het vraagstuk
van de financierbaarheid wordt naar het
oordeel van dat deel van de Raad voor
een belangrijk deel veroorzaakt door het
omvangrijke beroep dat wordt gedaan op
de arbeidsongeschiktheids- en
werkloosheidsregelingen. De oplossingen
van dat vraagstuk eist daarom, naast een
beleid gericht op bevordering van
economische groei, het creëren van
werkgelegenheid en het op verantwoorde
wijze spreiden van de bestaande
werkgelegenheid, maatregelen ten aanzien
van het niveau en de duur van de
uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid en
werkloosheid. Dit deel spreekt voorts
uitdrukkelijk uit dat een gezonde
economische ontwikkeling vereist dat
iedere herziening van het stelsel wordt
gericht op de totstandkoming van een
consistent en in zichzelf rechtvaardig
stelsel dat sociale zekerheid biedt aan
degenen die gedwongen zijn een beroep te
doen op de socialezekerheidsregelingen.
De
vertegenwoordigers van
werknemersorganisaties in de SER en een
aantal kroonleden zijn ten principale
van oordeel dat het realiseren van
bezuinigingen in de socialezekerheidsuitgaven op korte termijn geen
uitgangspunt dient te zijn voor een
herziening van het stelsel van sociale
zekerheid bij werkloosheid en
arbeidsongeschiktheid. Dit deel van de
Raad erkent dat de betaalbaarheid van
de sociale zekerheid een belangrijk
maatschappelijk en sociaal-economisch
vraagstuk is, dat voor een belangrijk
deel wordt veroorzaakt door het
omvangrijke beroep dat op de regelingen
wordt gedaan. Het beleid moet daarom
primair gericht zijn op het rblz.|15|
terugdringen
van dat beroep door middel van een
actief werkgelegenheidsbeleid en het
zoveel mogelijk spreiden van bestaande
werkgelegenheid. Indien dit beleid niet
tot stand zou komen, zou naar de mening
van dit deel van de Raad ook na
aanpassingen in niveau en duur op den
duur de betaalbaarheid weer in discussie
worden gebracht en zouden wederom
omvangrijke bezuinigingen in de sfeer
van de uitkeringen worden aangekondigd.
De volumeontwikkeling zou naar het
oordeel van dit deel van de Raad moeten
worden opgebracht door middel van
premie- en belastingheffing.
De
stellingname met betrekking tot de
ombuigingsnoodzaak van de verschillende
geledingen binnen de SER wordt uiteraard
weerspiegeld in de verschillende
uitwerkingen van de uitkeringsregelingen
bij werkloosheid en
arbeidsongeschiktheid die deze
geledingen voorstaan. De stelsels,
uitgewerkt door de vertegenwoordigers
van de werknemersorganisaties FNV en
CNV,
leiden tot belangrijk hogere kosten dan
het stelsel zoals dat gold ten tijde
van de verzending van de adviesaanvraag,
en dus tot nog veel hogere kosten in
vergelijking met het stelsel zoals dat
sedertdien met name op het punt van de
uitkeringsniveaus is bijgesteld.
Voor
de alternatieve
stelsels ingebracht
door de vertegenwoordiger van de vakcentrale
MHP en door een minderheid
van de kroonleden geldt dat ten
opzichte van de situatie ten tijde van
het verzenden van de adviesaanvraag
enige bezuinigingen worden bereikt.
Vergeleken met het stelsel, zoals dat
sedertdien is gewijzigd, betekenen beide
standpunten evenwel een toename van de
kosten. Het standpunt van de meerderheid
van de kroonleden van de SER houdt een
zekere ombuiging, ook ten opzichte van
het huidige stelsel, in. Die ombuigingen
zijn groter in het door de
vertegenwoordigers van de ondernemers
voorgestelde complex van maatregelen.
Het
verwijt dat het kabinet - onder meer ook
door de VGN en Divosa - is
gemaakt dat
hoofdmotief om te komen tot
stelselherziening zou zijn geweest de
wens of de noodzaak om te komen tot
bezuinigingen op de uitkeringen, wijzen
wij van de hand. Aanpassing van de
uitkeringsregelingen aan de omvang en
het structurele karakter van de
niet-activiteit en aan de zich
wijzigende opvattingen over de rol van
de man en vrouw in samenleving en gezin
zijn minstens zo belangrijke drijfveren.
Het presenteren echter van een om die
redenen aangepast stelsel, zonder
daarbij te vermelden dat en hoe de
noodzaak tot het terugdringen van de
collectieve uitgaven daarop van invloed
moet zijn, zou volstrekt ongeloofwaardig
zijn geweest. Terugdringen van de
collectieve uitgaven blijft doelstelling
van het regeringsbeleid. Het opvangen
van een toeneming van de collectieve
lasten door verhoging van premies en/of
belastingen, zoals door de
vertegenwoordigers van de
werknemersorganisaties in de SER
genoemd, vormt daarvoor geen
alternatief.
Het
kabinet geeft de voorkeur aan een pakket waarin de minimumuitkeringen
zoveel mogelijk worden ontzien. Dat
betekent dat het kabinet de zeer rigoureuze verlaging van de
sociale
minima, zoals in de SER voorgestaan door
de vertegenwoordigers van de
ondernemersorganisaties, afwijst.
Voor
een beperking van de duur van de
loongerelateerde uitkeringen bij (medisch-arbeidskundige)
arbeidsongeschiktheid, zoals voorgesteld
door een deel van de
ondernemersvertegenwoordiging in de SER,
acht het kabinet - zoals in de
adviesaanvraag overigens al werd vermeld
- de tijd nog geenszins rijp. Deze
gedachte heeft in de maatschappelijke en
politieke discussie die op de
verzending van de adviesaanvraag is
gevolgd slechts zeer beperkte bijval
gekregen. Het kabinet is niet zo ver dat
het realisering van deze gedachte in de
toekomst wil uitsluiten, maar voor het
zo ver is, dient nog nadere studie te
worden verricht, met name betreffende de
positie van zwaar gehandicapten, wier
kansen op betaalde arbeid ook bij een
betere werkgelegenheidssituatie en bij
begeleiding op nihil moeten worden
gesteld. Daarnaast moet de positie van
diegenen wier arbeidsongeschiktheid
het gevolg is van een arbeidsongeval of
van een beroepsziekte nader worden bezien.
rblz.|16|
Elimineert
men deze twee factoren - verlaging van
de sociale minima en beperking van de
duur van de loongerelateerde uitkering
bij medisch-arbeidskundige
arbeidsongeschiktheid - uit
de voorstellen van de organisaties van
ondernemers, die wat betreft
ombuigingsresultaat de voorstellen van
het kabinet in de adviesaanvraag het
dichtst benaderen, dan blijken ook die
voorstellen niet een voldoende
invulling. De afwijzing van een
drastische verlaging van het niveau van
de sociale minima brengt met zich dat
een lager uitkeringspercentage dan 70,
althans tot het niveau van het minimumloon, niet tot de in overweging
te nemen opties behoort. Een
uitkeringspercentage van 60, zoals
voorgesteld door de organisaties van
ondernemers, zou immers bij handhaving
van de bestaande norm voor het sociaal
minimum voor een alleenstaande leiden
tot de situatie dat voor alleenstaanden die werkend het
minimumloon of niet veel meer verdienden,
bij bijvoorbeeld werkloosheid de
loondervingsuitkering niet voldoende zou
zijn om de bedoelde norm te bereiken,
zodat zij in veel gevallen naast die
uitkering tevens op bijstand aangewezen
zouden raken. De beoogde logische
samenhang in niveau tussen
loondervingsuitkering, toeslag en
bijstand zou op die manier worden
gefrustreerd.
De
conclusie dringt zich op dat
voorstellen om met ingang van 1 mei 1986
terug te keren naar
uitkeringspercentages hoger dan 70 niet
tot de mogelijkheden behoort. Daarnaast
moet worden geconstateerd dat invoering
van een glijdende schaal zowel met het
oog op de voor 1986 beoogde ombuigingen
als met het oog op de structureel
noodzakelijke bezuinigingen een
belangrijk element zou zijn. Dit geldt
ook voor het systeem van halfjaarlijkse
verlaging van de uitkering bij
werkloosheid tot het sociaal minimum
voor een alleenstaande.
Niettemin
doen wij thans geen voorstellen tot
invoering van een glijdende schaal.
Naast de unanieme afwijzing door de SER
speelt hierbij een rol dat ook het
kabinet - zoals reeds uit de
adviesaanvrage bleek - er de voorkeur
aan geeft de equivalentie in de sfeer
van de loondervingsregelingen zoveel
mogelijk te bevorderen. Een glijdende
schaal aan de kant van de uitkeringen
zou alleen dan geen inbreuk op de
equivalentie betekenen als
tegelijkertijd ook aan de premiekant een
glijdende schaal zou worden ingevoerd.
Daarvoor zou een totale herziening van
de heffingssystematiek moeten worden
gerealiseerd. Het is onmogelijk een
dergelijke herziening per 1 mei 1986 te
realiseren. Daar komt bij dat wij
twijfelen aan de hanteerbaarheid van wat
in feite neer zou komen op heffing van
een degressieve premie naast heffing van
een progressieve loonbelasting.
Het
niet voorstellen van een glijdende
schaal heeft uiteraard gevolgen voor de
mate waarin ombuigingen door middel van
het pakket maatregelen stelselherziening
kunnen worden gerealiseerd. In hoofdstuk
5 van deze toelichting wordt op de
omvang van de ombuigingen teruggekomen.
2.3.
Systeemkeuze
De
uitgangspunten van het stelsel van
sociale zekerheid kunnen aldus de
adviesaanvraag worden samengevat in een
viertal begrippenparen. Dat zijn:
1.
collectief en privaat;
2.
loondervingsfunctie en
minimumbehoeftefunctie;
3.
equivalentie en solidariteit;
4.
individualisering en rekening houden met
behoefte/draagkracht.
De
onder 2 tot en met 4 genoemde
begrippenparen betreffen de
uitgangspunten voor de sociale
zekerheid zelf. Deze drie
begrippenparen hangen nauw met elkaar
samen. Zij vormen de basis voor twee
verschillende typen
inkomensvervangende regelingen en
tevens voor het toedelen van de
primaire verantwoordelijkheid voor die
regelingen.
In
de regelingen met een
loondervingsfunctie is veelal sprake van
equivalentie en in belangrijke mate van
individualisering. Daar bij het
gedurende bepaalde periode opvangen van
de gevolgen van loonderving rblz.|17|
primair
de arbeidsvoorwaarden in het geding zijn,
ligt de primaire verantwoordelijkheid
voor deze fase bij de sociale partners.
Voor uitkeringsregelingen met een
dergelijke achtergrond is de
verzekeringsvorm het meest aangewezen.
Anders ligt dit met de regelingen met
een minimumbehoeftefunctie. Daar staat
de solidariteit voorop, wordt rekening
gehouden met draagkrachtverschillen en
gaat het primair om de
verantwoordelijkheid van de gemeenschap
als geheel. Deze moet ervoor zorgen
dat haar leden worden gevrijwaard van
gebrek, op voorwaarde dat zij zelf het
redelijke doen om zich die vrijwaring te
verschaffen.
Overeenkomstig
de gegeven indeling van de
uitgangspunten van de
inkomensvervangende regelingen worden in
de adviesaanvragen twee alternatieven voor
een uitkeringssysteem onderscheiden, te
weten:
-
een tweetrajectensysteem; en
-
een systeem van loondervingsregelingen
met vangnet.
In
een tweetrajectensysteem kan een
algemene basisregeling tot aan het sociaalminimumniveau en een aanvullende
regeling in geval van loonderving vanaf
het sociaalminimumniveau onderscheiden
worden. De basisregeling dekt zowel
vanuit de minimumbehoeftefunctie als
vanuit de loondervingsfunctie risico's
tot het minimumloon, met een
differentiatie van de uitkering naar
gezinssituatie en gezinsinkomen. In een
systeem van loondervingsregelingen met
vangnet staat de individuele uitkering
vanuit de loondervingsfunctie voorop.
Pas wanneer vanuit de
loondervingsfunctie geen of niet langer
uitkeringsrechten bestaan of het
uitkeringsniveau beneden het voor de
gezinssituatie gedifferentieerde sociaal
minimum komt, wordt op basis van de
minimumbehoeftefunctie (het vangnet) een
vervangende of een aanvullende uitkering
verstrekt.
Het
kabinet heeft in de adviesaanvraag
voorkeur uitgesproken voor een systeem
van loondervingsregelingen met vangnet.
De voornaamste overweging daartoe vormde dat in dit systeem de
loondervingsfunctie en de
minimumbehoeftefunctie van de
inkomensvervangende regelingen
duidelijker worden onderscheiden dan in
een tweetrajectensysteem. Een
duidelijk onderscheid ter zake is van
belang omdat het tevens een grens
markeert voor de verdeling van de
primaire verantwoordelijkheid voor de
sociale zekerheid tussen de sociale
partners en de overheid. De
loondervingsfunctie moet in de eerste
plaats - als verlengstuk van de arbeid,
arbeidsinkomsten en arbeidsvoorwaarden -
tot de verantwoordelijkheid van de
sociale partners gerekend worden. De
voorkeur van het kabinet voor een
systeem van loondervingsverzekeringen
met vangnet wordt, zoals gezegd, gedeeld
door de SER.
Het
kabinet is, overeenkomstig de
adviesaanvraag en mét de SER, van
oordeel dat voor de regelingen met een
loondervingsfunctie de equivalentie en
de individualisering van
uitkeringsrechten gehandhaafd dienen te
blijven en waar mogelijk scherper
omlijnd dienen te worden.
Het
begrippenpaar collectief en privaat
geeft de grens aan tussen wat in het
kader van de sociale zekerheid moet
worden geregeld en wat daar buiten valt.
Het gaat hierbij om de vraag hoever de
bemoeienis van de overheid gaat en wat
aan de eigen verantwoordelijkheid van
individuen en maatschappelijke
groeperingen moet worden overgelaten.
Tussen deze twee uitersten liggen de
semi-collectieve regelingen gebaseerd
op afspraken tussen werkgevers- en
werknemersorganisaties of
beroepsgenoten. De verhouding tussen
collectief en privaat betreft derhalve
niet inhoudelijk de sociale zekerheid.
Hetgeen
in de wet wordt vastgelegd, is te
beschouwen als een vaste, verplichte
basiszekerheid, die generaal van
karakter is. Sociale partners zijn in
beginsel vrij regelingen te treffen die
strekken tot aanvullende zekerheid qua
niveau en/of duur. In de adviesaanvraag
wordt op dit punt gesteld dat de
overheid de uitkomsten van de
onderhandelingen in beginsel moet
aanvaarden. Wel draagt de overheid ten
aanzien van de door sociale partners
overeengekomen socialezekerheidsregelingen eenzelfde
verantwoordelijkheid als ten aanzien
van de ontwikkeling van lonen en rblz.|18|
arbeidsvoorwaarden
in het algemeen. Slechts voor zover die
ontwikkeling conflicteert met de
uiteindelijke verantwoordelijkheid van
de overheid voor het functioneren van de
nationale economie kan er uiteindelijk
reden tot bemoeienis zijn. Voor (de
ontwikkeling van) arbeidskosten die
niet voortvloeien uit door de
wettelijke sociale zekerheid opgelegde
verplichtingen kan de overheid geen
directe verantwoordelijkheid nemen.
De
SER heeft ten aanzien van
bovenwettelijke uitkeringsregelingen het
standpunt ingenomen dat ook bij een
gewijzigd stelsel van sociale zekerheid
de contractsvrijheid van sociale
partners en individuele werkgevers en
werknemers als uitgangspunt moet worden
genomen.
De
werknemersleden en vier kroonleden
trekken hieruit de conclusie dat bij
gelegenheid van de stelselherziening
geen inbreuk op die vrijheid moet worden
gemaakt. De ondernemersleden en de
meerderheid van de kroonleden is van
mening dat bij realisering van de
stelselherziening moet worden voorkomen
dat een lastenverzwaring optreedt in de
bovenwettelijke, veelal op CAO's
gebaseerde regelingen. Anders zou
volgens dit deel van de Raad afbreuk
worden gedaan aan één van de
doelstellingen van het
bezuinigingsbeleid, te weten het streven
naar rendementsherstel en
arbeidskostenmatiging in het
bedrijfsleven.
Noch
in het voorliggende
wetsvoorstel, noch
in spoedig in te dienen Invoeringswet
stelselherziening worden voorstellen
gedaan die de contractsvrijheid zouden
beperken. Bovenwettelijke uitkeringen
hebben geen enkele invloed op de
wettelijke werkloosheids- en
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voor de
vaststelling van de hoogte van de
loondervingsuitkering is alleen van
belang in hoeverre er, als gevolg van
verwerven van inkomen, een wijziging
optreedt in de mate van werkloosheid of
arbeidsongeschiktheid. Vrijheid op dit
punt is dus onverkort uitgangspunt.
Het
vorenstaande laat echter onverlet de
regelingen in het kader van de
minimumbehoeftefunctie. Daarbij zullen
bovenwettelijke uitkeringen niet buiten
beschouwing kunnen blijven. Ter zake moge
verwezen worden naar de memorie van
toelichting bij de
Toeslagenwet.
Genoemde
vrijheid van sociale partners moet naar
de opvatting van het kabinet ook
inhouden dat dergelijke regelingen in
beginsel door bedrijfsverenigingen
kunnen worden uitgevoerd wanneer de
sociale partners zulks wensen. Het komt
het kabinet echter ongewenst voor dat
zulke aanvullende regelingen
gefinancierd zouden kunnen worden uit de
wachtgeldfondsen, waaruit ook het
wettelijke deel van de sociale zekerheid
wordt gefinancierd. Op dit wezenlijke
terrein is een strikte scheiding
noodzakelijk. Daarmee is een duidelijke
begrenzing van verantwoordelijkheden
gegarandeerd. De sociale partners nemen
tezamen met de overheid vanuit haar
macro-economische verantwoordelijkheid
voor de ontwikkeling van premie- en
lastendruk deel in het beheer van het
wettelijke deel van de sociale
zekerheid. De aanvullende regelingen,
die volledig tot het terrein van de
sociale partners horen, staan daarvan in
de ogen van het kabinet los. In deze
voorstellen is derhalve niet voorzien in
de mogelijkheid om aanvullende
regelingen vanuit het wachtgeldfonds te
financieren.
2.4.
Uitkeringsduur
2.4.1.
Duur bij werkloosheid en bij
arbeidsongeschiktheid
In
de adviesaanvraag werd uitvoerig
aandacht geschonken aan de verhouding
tussen de uitkeringsrechten bij
werkloosheid en bij
arbeidsongeschiktheid. Geconstateerd
werd dat er zowel wat betreft niveau
als wat betreft duur grote verschillen
bestonden. De vraag naar de
rechtvaardiging van die verschillen
werd nadrukkelijk aan de orde gesteld.
Inmiddels
zijn de niveauverschillen tussen de
uitkeringen bij werkloosheid en bij
arbeidsongeschiktheid verdwenen.
Waar
het betreft een beperking van de
verschillen in uitkeringsduur bij
werkloosheid en bij
arbeidsongeschiktheid kan worden gewezen
op de met rblz.|19|
ingang
van 1 januari 1985 gerealiseerde
verlenging van de uitkeringsduur (op sociaalminimumniveau) van werklozen
ouder dan 50 jaar [lees: van 50 jaar of
ouder, red.]. Deze verlenging had
ten doel te voorkomen dat de
betrokkenen vóór de datum waarop de
structurele herziening van het stelsel
zou worden doorgevoerd, aangewezen
zouden raken op de bijstand.
De vraag of verkleining van die
verschillen uitgangspunt voor de
stelselherziening moet zijn, heeft de SER
unaniem bevestigend beantwoord, in
die zin dat gelijktrekking naar het
oordeel van de SER slechts toelaatbaar
is voor zover het verschil in karakter
tussen werkloosheid en
arbeidsongeschiktheid dat toelaat. In
de verschillende standpunten wordt de
gelijktrekking op geheel verschillende
wijze meer of minder gerealiseerd. Zoals
ook in de adviesaanvraag reeds werd
onderkend, zijn op dit punt twee
uitersten denkbaar: beperking van de
duur van de loongerelateerde uitkering
bij arbeidsongeschiktheid of opheffing
van de bestaande beperking in duur bij
werkloosheid. In de adviesaanvraag koos
het kabinet voor de structurele situatie
voor een tussenweg: een beperkte duur
van de loongerelateerde uitkering bij
werkloosheid en bij
arbeidsongeschiktheid, met daarna tot
het 65ste jaar een individueel recht op
een uitkering op sociaalminimumniveau.
Deze situatie wordt in het advies van de
SER nog het dichtst benaderd in het
standpunt van een deel van de
vertegenwoordigers van de
ondernemersorganisaties, zij het met dit
belangrijke verschil dat de in dit
standpunt opgenomen speciale
loondervingsvoorziening, die van
betekenis wordt na het bereiken van de
maximumduur van de loongerelateerde
uitkering, in feite niet voorziet in
individuele uitkeringsrechten, omdat het
recht op die uitkering mede afhankelijk
wordt gesteld van inkomen uit arbeid of
vermogen van de partner van de
uitkeringsgerechtigde.
De
organisaties van werknemers zijn,
blijkens het advies van de SER van 29
juni 1984, van oordeel dat
gelijktrekking primair moet worden
gerealiseerd door verbetering van de
uitkeringsrechten voor langdurig
werklozen.
De FNV
gaat voor de structurele situatie
uit van een onbeperkte duur van het
recht op een loongerelateerde uitkering
bij werkloosheid en bij
arbeidsongeschiktheid, met enig
verschil in niveau ten nadele van vooral
jongere werklozen. Voor de FNV is met
name onaanvaardbaar dat werkloze
werknemers ingevolge de huidige
wetgeving, ook wanneer zij een langdurig
arbeidsverleden hebben gehad en als
gevolg van structurele
aanpassingsproblemen in het
bedrijfsleven werkloos zijn geworden,
uiteindelijk zijn aangewezen op
bijstandverlening en uitsluitend op
basis van het behoeftigheidscriterium
een minimuminkomen ontvangen. De
financiële problematiek rondom de
collectieve uitgaven maakt volgens de
FNV een - niet nader aangeduide -
overgangsregeling noodzakelijk.
Ook
het CNV opteert voor de structurele
situatie voor een onbeperkte duur van de
loongerelateerde uitkering bij
werkloosheid. Anders dan de FNV gaat het
CNV uit van een gelijk
uitkeringspercentage (75) bij
werkloosheid en bij
arbeidsongeschiktheid. Realisering van
een aldus ingericht stelsel is naar het
oordeel van het CNV, gelet op de huidige
financiële problematiek rondom de
collectieve uitgaven, niet op korte
termijn mogelijk. Uitgaande van de
financiële randvoorwaarde dat de
collectieve uitgaven, afgezien van de
effecten van de gelijke behandeling van
mannen en vrouwen, niet mogen toenemen,
komt de CNV voor de korte termijn tot
een loongerelateerde uitkering bij
werkloosheid van vier jaar. Daarna volgt
tot het 65ste jaar een minimumuitkering,
die zich van de bijstand hierin
onderscheidt dat slechts wordt getoetst
op inkomen uit arbeid van betrokkene en
zijn of haar partner.
De vakcentrale
MHP stelt in het SER-advies
van 29 juni 1984 dat het grote verschil
in uitkeringsrechten bij werkloosheid en
bij arbeidsongeschiktheid
maatschappelijk niet aanvaardbaar is.
Gelijktrekking moet ook volgens de
vakcentrale MHP een belangrijke
beleidsdoelstelling zijn. In het door
deze vakcentrale bepleite stelsel wordt
in beginsel voorzien in een aan het loon
gerelateerde uitkering bij werkloosheid
tot het 65ste jaar, zij het dat na
zekere - van leeftijd en premiejaren
afhankelijke - periode rekening moet rblz.|20|
worden
gehouden met het inkomen uit arbeid of
vroegere arbeid van de partner.
Ook
het alternatief ontwikkeld door de
minderheid van de kroonleden van de SER
voorziet in een onbeperkte duur van de
loongerelateerde uitkering bij
werkloosheid. Het stelsel dient naar het
oordeel van dit deel van de Raad
individueel rechtvaardig te zijn en te
voldoen aan de doelstelling van de
sociale verzekering, te weten het bieden
van inkomensgarantie aan degenen die
voor hun inkomen zijn aangewezen op het
verrichten van arbeid en daartoe als
gevolg van werkloosheid of
arbeidsongeschiktheid niet in de
gelegenheid zijn (gesteld). Met name de
rechtvaardigheidseis moet volgens dit
deel leiden tot een onbeperkte duur van
de loongerelateerde uitkering bij
werkloosheid, zij het dat met name bij
werkloosheid zwaardere toelatingseisen
moeten gelden dan thans het geval is.
Het
standpunt van de meerderheid van de
kroonleden van de SER, zoals verwoord in
het advies van 29 juni 1984, voorziet - evenmin als het standpunt van
de vertegenwoordiger van de
landbouworganisaties en het midden- en
kleinbedrijf - in een gelijke duur van
het recht op een loongerelateerde
uitkering bij werkloosheid en bij
arbeidsongeschiktheid.
De
meerderheid van de kroonleden is van
oordeel dat de verzekeringsgedachte en
overwegingen van sociale
rechtvaardigheid moeten leiden tot een
onbeperkte uitkeringsduur ter zake van
de medisch-arbeidskundige component van
de arbeidsongeschiktheid. Met betrekking
tot de werkloosheidsverzekering moet
naar het oordeel van dit deel van de
Raad overwogen worden dat een
financiële inspanning om een onbeperkte
uitkeringsduur te verzekeren ten koste
kan gaan van evenzeer noodzakelijke
offers voor het scheppen en herverdelen
van werk. Voorts kan naar de mening van
dit deel een onbeperkte uitkeringsduur
bij werkloosheid de sociaal onwenselijke
deling van de maatschappij in werkenden
en onvrijwillig werklozen verscherpen en
bestendigen. Dit deel van de Raad
aanvaardt daarom de beperking van de
uitkeringsduur voor de loongerelateerde
werkloosheidsuitkering afhankelijk van
de leeftijd van de werkloze werknemer
variërend van een half- tot vijf jaar, terwijl
daarna gedurende een tussenfase van
één jaar een individuele uitkering op
minimumniveau wordt toegekend zonder
inkomens- en vermogenstoets. Daarna is
betrokkene aangewezen op
bijstandsuitkering, waarbij dit deel
pleit voor het laten vervallen van de
vermogenstoets wanneer de
verzekeringsuitkering na het 54ste
levensjaar wordt beëindigd.
Het
standpunt van de vertegenwoordigers van
de landbouworganisaties en van het
midden- en kleinbedrijf komt wat betreft
de duur van het recht op een
loongerelateerde uitkering bij
werkloosheid overeen met dat van de
overige organisaties van ondernemers,
dat neer zou komen op een per verzekerd
jaar met twee maanden toenemende duur.
Voorlopig moet worden volstaan met een
koppeling aan de leeftijd van
betrokkene, die leidt tot een
uitkeringsduur van twee maanden voor
19-jarigen, oplopend tot zesenhalf jaar voor
degene die 58,5 jaar oud is.
In
de visie van de andere
ondernemersorganisaties geldt dit schema
zowel bij werkloosheid als bij
arbeidsongeschiktheid, zij het dat er
bij arbeidsongeschiktheid één jaar
ziekengeld aan voorafgaat. De
vertegenwoordigers van de
landbouworganisaties en van het midden-
en kleinbedrijf wijzen daarentegen een
beperking van de uitkeringsduur van de
loongerelateerde uitkering bij
arbeidsongeschiktheid ter zake van de
medisch-arbeidskundige component af.
Naast
deze in de SER geformuleerde standpunten
met betrekking tot de uitkeringsduur kan
onder meer nog worden gesteld het
standpunt van de VNG. Deze spreekt zich
niet uit over de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Wat
betreft de duur van de loongerelateerde
uitkering bij werkloosheid komt de VNG
uit op twee jaar en voor werklozen ouder
dan 57,5 jaar [lees: van 57,5 jaar of
ouder, red.] totdat zij 65 zijn.
Daarna komen betrokkenen in aanmerking
voor een minimumuitkering op grond van
een werknemersvoorziening. Die
uitkering wordt het eerste jaar alleen
getoetst aan het gezinsinkomen en
vervolgens ook aan het vermogen.
rblz.|21|
Hiervoor
is er al op gewezen dat in de
adviesaanvraag is gemeld dat het
kabinet niet voornemens is deze
kabinetsperiode te komen met voorstellen
tot beperking van de duur van het recht
op een loongerelateerde uitkering bij
medisch-arbeidskundige
arbeidsongeschiktheid. Het advies van de
SER van 29 juni 1984 en ook de andere
adviezen en voorstellen die ons hebben
bereikt, hebben hierin geen wijziging
gebracht. Zoals hierboven bleek,
heeft binnen de SER alleen een deel van
de vertegenwoordigers van de
ondernemersorganisaties geadviseerd om
reeds nu een dergelijke beperking in te
voeren. De andere standpunten komen neer
op een afwijzing van een dergelijke
beperking, ook in de verder verwijderde
toekomst. Wij blijven niettemin bij onze
constatering in de adviesaanvraag dat
de relevante gevolgen van werkloosheid
enerzijds en van arbeidsongeschiktheid
anderzijds (bezien vanuit de optiek van
de loondervingsfunctie) gelijk zijn,
namelijk verlies van arbeidsinkomsten.
Ook een mogelijke extra belasting in materiële of immateriële sfeer die het
gevolg kan zijn van
arbeidsongeschiktheid vormt voor het
kabinet onvoldoende reden om een groot
verschil in uitkeringsrechten zonder
meer te aanvaarden. De extra belasting
in materiële sfeer dient immers
opgevangen te worden door middel van
voorzieningen zowel in de sfeer van de
gezondheidszorg als binnen de
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Voor
de belasting in immateriële sfeer, die
naar haar aard verschilt van die van
werkloosheid en die wellicht ook qua
intensiteit met de intensiteit van de
belasting van werkloosheid verschilt,
zou eveneens allereerst gedacht moeten
worden aan instrumenten in de sfeer van
voorzieningen en begeleiding.
In
het advies van de SER van 29 juni 1984
wordt gewezen op het verschil in
karakter tussen werkloosheid en
arbeidsongeschiktheid. Gesteld wordt ook
in paragraaf
V.2.1-3, onder letter c,
waar wordt verwezen naar het Advies
vermijdbaar verzuim wegens ziekte en
arbeidsongeschiktheid van 12 februari
1982, dat het werkloosheidsrisico en het
arbeidsongeschiktheidsrisico niet
gelijk kunnen worden gesteld. In het
advies over de stelselherziening worden
aan de naar het oordeel van de SER
relevante verschillen verder geen
beschouwingen gewijd.
Alles
bijeen genomen geeft dit advies ons geen
afdoende redenen om terug te komen op de
in de adviesaanvraag geformuleerde
conclusie dat er, geredeneerd vanuit de
loondervingsfunctie van de betrokken
regelingen, goede argumenten zijn om te
streven naar minder sterk uiteenlopende
uitkeringsregimes bij werkloosheid en
bij arbeidsongeschiktheid. Wij zijn er
echter na ontvangst van het advies van
de SER van 29 juni 1984 nog sterker dan
voorheen van overtuigd dat de gedachte
van een meer op elkaar afstemmen van die
uitkeringsrechten, met name als dat zou
inhouden een beperking van het recht op
een loongerelateerde uitkering bij
medisch-arbeidskundige
arbeidsongeschiktheid, maatschappelijk
geenszins gemeengoed is. Een
genuanceerde benadering van deze
problematiek is geboden. Daarbij moet
met de praktische en vooral de
psychosociale problemen die aan een
uitwerking in die richting zijn
verbonden terdege rekening worden
gehouden.
2.4.2.
De duur van de werkloosheidsuitkering
Zoals
gezegd, is er naar ons oordeel geen
aanleiding om terug te komen op het
uitgangspunt - gegeven de omvang en het
structurele karakter van de huidige
niet-activiteit en in verband daarmee de
grote mate van overeenstemming tussen
de maatschappelijke gevolgen van
langdurige werkloosheid en
arbeidsongeschiktheid - de
uitkeringsregimes voor werklozen en voor
arbeidsongeschikten zoveel mogelijk naar
elkaar toe te buigen. Gegeven het feit
dat thans geen voorstellen worden gedaan
tot beperking van de duur van de
loongerelateerde uitkering bij
medisch-arbeidskundige
arbeidsongeschiktheid, is de vraag hoe
op dit moment reeds ook op het terrein
van de uitkeringsduur de verschillende
regimes dichter bij elkaar kunnen worden
gebracht.
rblz.|22|
De
in de SER
en door de VNG
ingenomen
standpunten ter zake van de
uitkeringsduur bij werkloosheid zijn
hierboven reeds beschreven. In veel van
die standpunten heeft verbetering van de
uitkeringsrechten voor langdurig
werklozen de hoogste prioriteit. Die
prioriteitstelling leidt dan tot een
keus voor een onbeperkte duur van de
loongerelateerde uitkering bij
werkloosheid. Wij zijn - met onder
andere de meerderheid van de kroonleden
- van oordeel dat een keus voor een
dergelijk systeem niet de beste keus is.
Nog afgezien van de kosten die een
dergelijke keus met zich brengen zou, is
een systeem met bij werkloosheid tot het
65ste jaar een loongerelateerde
uitkering sociaal-maatschappelijk niet
wenselijk, met name omdat zoiets naar
ons oordeel zou leiden tot een
onaanvaardbare vergroting van het
verschil in uitkeringsrechten tussen
diegenen die aan het arbeidsproces
hebben deelgenomen en diegenen die
daaraan, veelal buiten hun schuld, niet
toekomen, de redengeving voor dat
verschil in uitkeringsrechten, te weten
het wel of niet als werknemer hebben
gewerkt of - anders gezegd - het
gedurende enige tijd verzekerd zijn
geweest, verliest immers aan
overtuigingskracht naarmate dat werken
verder in het verleden ligt.
Eén
en ander leidt ons tot de conclusie dat
het recht op een loongerelateerde
uitkering bij werkloosheid in ieder
geval een in duur beperkt recht zal
moeten blijven. Wij voelen ons in dat
standpunt - dat ook reeds werd ingenomen
in de adviesaanvraag - gesteund door de
meeste kroonleden van de SER, door de
vertegenwoordigers van de organisaties
van ondernemers in de SER en voorts ook
door de VNG. Ten aanzien van de duur
waarvoor zou moeten worden gekozen, is
in de adviesaanvraag het standpunt
ingenomen dat een koppeling aan de duur
van het arbeidsverleden van betrokkene -
voorshands om praktische redenen te
benaderen via de leeftijd - de voorkeur
verdient. Die voorkeur wordt ingegeven
door overwegingen van tweeërlei aard. In
de eerste plaats wint de redengeving
voor het verschil in uitkeringsrechten
tussen ex-werknemers en anderen aan
overtuigingskracht naarmate het
werknemerschap langer heeft geduurd.
Bovendien past een met het
arbeidsverleden toenemende duur van de
loongerelateerde uitkering goed in de
wijze waarop de gedeelde
verantwoordelijkheid tussen overheid en
bedrijfsleven in een herzien stelsel
gestalte zou moeten krijgen, in die zin
dat de primaire verantwoordelijkheid van
het bedrijfsleven - sociale partners -
meer de nadruk krijgt naarmate de
uitkeringsgerechtigde langer aan het
arbeidsproces heeft deelgenomen.
De
gedachte van het leggen van een zeker
verband tussen de duur van het
arbeidsverleden en de inhoud van het
recht op uitkering heeft in de in het
SER-advies van 29 juni 1984 opgenomen
standpunten op uiteenlopende wijze
weerklank gevonden.
Alleen
in de alternatieven ontwikkelt door het CNV
en door een minderheid van de
kroonleden speelt een dergelijk verband
in het geheel geen rol. In de
voorstellen van de zijde van de VNG is
de rol van de rol van de leeftijd
slechts beperkt doordat - aanhakend bij
de bestaande situatie - een cesuur
wordt aangebracht bij de leeftijd van 57,5 jaar. In de voorstellen van de
zijde van de FNV
is de duur van het
arbeidsverleden niet van invloed op de
duur van het uitkeringsrecht, maar wel
op het niveau van de uitkering waarop
bij werkloosheid recht bestaat. De FNV
acht een differentiatie in de hoogte
van de werkloosheidsuitkering gewenst
mede gezien de geringere kansen van
oudere werknemers op de arbeidsmarkt.
Zo'n differentiatie betekent ook dat
degenen die langdurig premie hebben
betaald daaraan - zij het in bescheiden
mate - extra uitkeringsrechten kunnen
ontlenen.
In
de systematiek voorgesteld door de FNV
bedraagt het uitkeringspercentage voor
diegene die nog geen vijf jaar
arbeidsverleden heeft steeds 70. Voor
wie deze grens wel heeft overschreden,
loopt dat percentage met de leeftijd op
tot 80 voor werklozen tussen 60 en 65 jaar.
rblz.|23|
In
de voorstellen van de vakcentrale
MHP wordt een verband gelegd tussen
arbeidsverleden en leeftijd en de duur
en niveau van de loongerelateerde
uitkering. Deze factoren zijn bepalend
voor het tempo waarin de
loongerelateerde uitkering wordt
verminderd van 70% naar 65% van het
laatstverdiende loon en voor het
tijdstip waarop de werkloze
geconfronteerd wordt met een toets op
het inkomen van zijn partner.
In
de uitkeringsregeling bij werkloosheid
zoals die wordt voorgesteld door de
vertegenwoordigers van de organisaties
van ondernemers is het arbeidsverleden
- voorshands via een fictie: de leeftijd
- bepalend, niet alleen voor het
uitkeringsniveau (oplopen van 60% tot
70%), maar ook voor de uitkeringsduur.
Dit laatste geldt ook voor het stelsel
voorgesteld door de meerderheid van de
kroonleden dat voor de precieze
invulling van de relatie
uitkeringsduur/leeftijd verwijst naar de
invulling door het kabinet in de
adviesaanvraag.
Het
vorenstaande in aanmerking genomen, zijn
wij van oordeel dat - uitgaande van ons
hierboven toegelichte standpunt dat het
recht op een aan het loon gerelateerde
uitkering bij werkloosheid van beperkte
duur moet zijn - voor een koppeling van
die duur aan het arbeidsverleden en/of
de leeftijd van de uitkeringsgerechtigde
voldoende argumenten bestaan.
Bij
de voorgestelde uitkeringsduur per
leeftijdsgroep zal de gemiddelde
uitkeringsduur voor alle
leeftijdsgroepen tezamen uitkomen op
ongeveer tweeënhalf jaar.
Uitgaande van cijfers over aantallen
uitkeringsgerechtigden krachtens de WW
en de WWV
in 1984, bedroeg het aandeel
van de leeftijdsgroepen met een
uitkeringsduur van maximaal tweeënhalf jaar
(dus 44 jaar en lager) circa 70%. De
gemiddelde uitkeringsduur van deze groep
bedroeg toen 1,6 jaar. De
leeftijdsgroepen met een uitkeringsduur
van meer dan tweeënhalf jaar (45-65
jaar) maakten circa 30% uit van het totale bestand. De
gemiddelde duur voor deze groep bedroeg
3,8 jaar.
Wij
zijn, overeenkomstig de adviesaanvraag,
van oordeel dat gegeven ook de
financiële mogelijkheden een langere
uitkeringsduur dan gemiddeld rond de tweeënhalf
jaar niet mogelijk is. Het in de
adviesaanvraag opgenomen schema
beginnend met ten hoogste een halfjaar
recht op een loongerelateerde uitkering
voor werklozen jonger dan 23 jaar met
halve jaren tegelijk oplopend tot vier jaar
voor werklozen van 55 tot en met 59 jaar en vervolgens tot ten hoogste vijf
jaar voor werklozen van 60 jaar of
ouder, past goed in deze visie. Voor
werklozen tot en met 59 jaar wordt deze
periode in de adviesaanvraag - en in de
voorliggende voorstellen gebeurt dat ook
- nog verlengd met één jaar individueel
recht op een uitkering op sociaalminimumniveau
(tussenfase).
Volledigheidshalve
zij er hier op gewezen dat deze
termijnen, als het gaat om de
werkloosheidscomponent, die het kabinet
niet langer in de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wil
verdisconteren, verlengd moet worden met
het jaar waarover voorafgaande aan de
toetreding tot WAO
en AAW
recht op
ziekengeld bestaat. Op zichzelf genomen
zou dit verschil opgevat kunnen worden
als een verschil in behandeling tussen
werklozen die tevens gedeeltelijk
arbeidsongeschikt zijn en werklozen
voor wie dat niet geldt. Dit verschil
echter kan naar ons oordeel niet eerder
worden weggenomen dan ter gelegenheid -
in de verder verwijderde toekomst - van
de invoering van één loondervingswet.
Het verschil zou in een eerder stadium
kunnen worden verkleind door de
maximumduur van de ZW
- en daarmee de
wachttijd van de WAO/AAW - te beperken
tot een halfjaar. De wenselijkheid van
een dergelijke bekorting is op dit
moment nog niet in die mate onderzocht
dat alle daarmee samenhangende problemen
in kaart zijn gebracht. In het
voorliggende pakket maatregelen
stelselherziening is een dergelijk
voorstel dan ook niet opgenomen.
2.4.3.
De arbeidsverledeneis voor recht op
uitkering langer dan een halfjaar
Mede
in verband met hetgeen de SER
hieromtrent opmerkt, is de vraag gerezen
in hoeverre reeds nu een stap kan worden
gemaakt in de richting rblz.|24|
van
het koppelen van de uitkeringsduur aan
het arbeidsverleden van de
uitkeringsgerechtigden. In verschillende
in het SER-advies van 29 juni 1984
opgenomen standpunten is sprake van
verscherpte toetredingseisen doordat
naast de gewone referte-eis de eis wordt
gesteld van een arbeidsverleden van een
zekere duur.
In
de standpunten ingebracht door de
kroonleden van de SER wordt een
toelatingseis van vijf verzekerde jaren
voorgesteld. Ook in het MHP-standpunt
komt een soortgelijke gedachte voor. Het
standpunt van de ondernemersleden en
drie kroonleden komt er - zolang de
relatie tussen arbeidsverleden en
uitkeringsduur nog niet volledig kan
worden gelegd -op neer dat bij minder
dan drie jaar onafgebroken verzekering,
ongeacht de leeftijd, gedurende minder
dan zes maanden recht op
werkloosheidsuitkering bestaat.
Zoals
ook al is gesteld in de toelichting bij
wetsvoorstel 18 849 (invoering gelijke
uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen
en wijziging van de duur van de WWV-uitkering) komt de door de
meerderheid van de kroonleden
voorgestane entree-eis van vijf jaar
werken het kabinet als maatschappelijk
niet aanvaardbaar voor. Wie na bijna
vijf jaar werken werkloos wordt, zou direct
aangewezen raken op bijstand met de
daarbij behorende inkomens- en
vermogenstoets.
In
genoemde toelichting werd voorts gesteld dat wel aanvaardbaar zou zijn
een systematiek die meer aansluit bij
de gedachten ontwikkeld door de
ondernemersleden. Die zou erop neerkomen dat in die gevallen waarin -
ongeacht de leeftijd van betrokkene -
een arbeidsverleden van een zekere duur
niet is gehaald, slechts ten hoogste
recht bestaat op loondervingsuitkering
van zes maanden. Destijds werd voorgesteld
aan te sluiten bij de systematiek die
voor jongere werklozen al gold ingevolge
de WWV: tweeënhalf jaar werken in de drie
jaar
voorafgaande aan het intreden van de
werkloosheid. Dat voorstel is, mede op
aandrang van het parlement,
teruggenomen, omdat in de destijds
beschikbare, korte tijd, geen
aanvaardbare oplossing kon worden
geformuleerd voor een drietal praktische
problemen, te weten:
-
het feit dat de werknemers in sommige
bedrijfstakken (in dit verband wordt
veelal de bouw genoemd) regelmatig met
relatief korte werkloosheidsperioden
worden geconfronteerd, welke perioden in
de loop van drie jaar bij elkaar in veel
gevallen meer dan een halfjaar zouden
belopen;
-
het feit dat met name herintredende
gehuwde vrouwen in veel gevallen niet
aan de gestelde eis zouden voldoen;
-
het feit dat werkhervatting in bepaalde
omstandigheden ertoe zou kunnen leiden
dat bij opvolgende werkloosheid geen
recht op WWV-uitkering zou bestaan,
terwijl dat recht bij de primaire
werkloosheid wel bestond.
Bij
amendement is het genoemde wetsvoorstel
destijds zo gewijzigd dat voor
werknemers tot 35 jaar de voor die groep
met de leeftijd oplopende uitkeringsduur
ingevolge de WWV nog met een halfjaar
wordt verlengd indien de werknemer
aantoont in de laatste zes jaar ten
minste viereneenhalf jaar een
niet-bijkomstige dienstbetrekking te
hebben gehad. Van de drie hiervoor
gesignaleerde praktische problemen werd
bij die gelegenheid alleen aan het
eerstgenoemde enigszins tegemoetgekomen doordat in plaats van een marge
van een halfjaar - het oorspronkelijke
voorstel van tweeënhalf uit drie - een marge van
anderhalf jaar ontstond. In het verlengde van
de gedachten die aan dit amendement ten
grondslag lagen, wordt in de
voorliggende Werkloosheidswet
voorgesteld eveneens een
arbeidsverledeneis op te nemen. Daaraan
moet zijn voldaan, wil recht bestaan op
een uitkering gedurende langer dan een
halfjaar. Bij de uitwerking daarvan is
naar ons oordeel voor alle drie de
genoemde praktische problemen een
aanvaardbare oplossing gevonden.
Voorgesteld wordt een arbeidsverledeneis van
drie uit vijf jaren.
Aan de problematiek van de
bedrijfstakken met veelvuldig korte
werkloosheidsperiodes wordt tegemoetgekomen doordat eerst als de perioden
zonder dienstbetrekking tezamen langer
dan twee jaar hebben geduurd de
arbeidsverledeneis niet wordt gehaald.
Daarnaast kan erop rblz.|25|
worden gewezen dat in die bedrijfstakken waarin daaraan behoefte
bestaat ook aanvullende regelingen
kunnen worden overeengekomen waaraan
degenen die deze eis niet halen ook na
een halfjaar werkloosheid nog rechten
kunnen ontlenen.
Aan
het hierboven als tweede genoemde
bezwaar wordt tegemoetgekomen door een
regeling ter zake van het meetellen van
perioden gedurende welke niet is
gewerkt in verband met de verzorging van
kleine kinderen. In paragraaf 2.5.3
wordt hierop nog teruggekomen.
Het
derde probleem wordt ondervangen door
een regeling die voorkomt dat men door
werkhervatting in een slechtere
uitkeringspositie kan komen te verkeren
dan waarin men zonder werkhervatting zou
hebben verkeerd.
Uitgewerkt
als hierboven aangeduid, is de
voorgestelde aanvullende
arbeidsverledeneis een regeling die
voorkomt dat al te eenvoudig een recht
op relatief langdurige
werkloosheidsuitkering in het leven kan
worden geroepen. Jongeren die wegens
hun leeftijd alleen al korter aan het
arbeidsproces hebben deelgenomen, zullen
derhalve recht op een uitkering van
kortere duur hebben dan ouderen van wie
wordt aangenomen dat zij langer in het
arbeidsproces opgenomen zijn geweest.
Ten
opzichte van de voorstellen in de
adviesaanvraag levert het stellen van
deze eis een additionele besparing op.
In hoofdstuk 5 wordt op de omvang
hiervan nader ingegaan. Deze bepaling is
mede nodig in verband met de voorstellen
van het kabinet ter verbetering van de
positie van oudere langdurig werklozen
waaraan in vergelijking met de jongeren
de voorkeur wordt gegeven. Deze
voorstellen worden hierna in het kort
besproken.
2.4.4.
De oudere, langdurig werklozen
Zoals
hierboven bleek, wordt in een aantal van
de in het advies van de SER
van 29 juni
1984 ingenomen standpunten bij
werkloosheid voorzien in een
loongerelateerde uitkering van
onbeperkte duur. Het spreekt vanzelf
dat in die standpunten geen aandacht
wordt besteed aan de vraag op welk type
uitkering recht zou moeten bestaan na
afloop van de periode met de
loongerelateerde uitkeringen. Dat ligt
anders als het gaat om die standpunten
waarin het recht op de loongerelateerde
uitkering in duur wordt beperkt. Te
denken valt daarbij aan de standpunten
van de vertegenwoordigers van de
ondernemers, de meerderheid van de
kroonleden en dat van de CNV
voor zover
betreffende de korte termijn. Te denken
valt voorts aan het voorstel van de
zijde van de VNG.
Voor
al deze standpunten geldt dat wordt
voorkomen dat betrokkene na afloop van
de loondervingsfase zonder meer
aangewezen raakt op de bijstand
inclusief de daaraan inherente
vermogenstoets.
De
organisaties van ondernemers stellen
voor de werkloze werknemer die de voor
hem geldende maximumuitkeringsduur in
de loondervingsfase heeft bereikt
vervolgens toe te laten tot een speciale
loondervingsvoorziening ter hoogte van
het individuele sociaalminimumniveau.
Bij deze loondervingsvoorziening zou
geen toets op het vermogen dienen plaats
te vinden, maar wel op het inkomen uit
arbeid of vermogen van betrokkene en van
zijn of haar partner.
Het
CNV stelt voor om in de in het standpunt
van die organisatie voorziene voorlopige
situatie met een loongerelateerde
uitkering bij werkloosheid gedurende
vier jaar, na afloop van die vier jaar
betrokkene in aanmerking te brengen voor
een uitkering op individueel
minimumniveau, waarbij uitsluitend een
toetsing op het inkomen uit arbeid van
betrokkene of van zijn of haar partner
plaatsvindt.
Het
standpunt van de meerderheid van de
kroonleden voorziet in een tussenfase
van één jaar conform de adviesaanvraag.
Daarna raakt betrokkene aangewezen op
een bijstandsuitkering, waarbij dit deel
van de SER ervoor pleit de
vermogenstoets te laten vervallen
wanneer de verzekeringsuitkering na het
54ste jaar wordt beëindigd.
rblz.|26|
In
de voorstellen van de VNG wordt voorzien
in een voorziening voor die werklozen
die niet (meer) terug kunnen vallen op
de werknemersverzekering. De hoogte van
de uitkering op grond van deze
voorziening wordt gerelateerd aan het
sociaal minimum. Gedurende het eerste
jaar vindt een toets plaats naar inkomen
van individu en partner, eventueel van
anderen in de leefeenheid. Deze fase zou
kunnen worden verlengd voor oudere
werklozen met een lang arbeidsverleden.
Wie de referte-eisen niet heeft gehaald
- bijvoorbeeld een schoolverlater -, komt
niet voor deze uitkering in aanmerking.
Op de hier bedoelde fase volgt een fase
met een toets naar inkomen én vermogen
van het individu en de partner,
eventueel van anderen in de leefeenheid.
Deze fase duurt in principe voort tot de
pensioengerechtigde leeftijd.
Het
is uit het vorenstaande wel duidelijk
dat met name verbetering van de positie
van oudere werklozen in die zin dat zij
niet meer in aanraking komen met de
vermogenstoets van de bijstand (de
eigenhuisproblematiek) maatschappelijk hoge
prioriteit heeft. Wij zijn het met die
prioriteitsstelling eens. In verband
daarmee wordt de invoering voorgesteld
van een Wet inkomensvoorziening oudere
werkloze werknemers. In de
toelichting
bij het betrokken wetsvoorstel wordt op
strekking en uitwerking daarvan
ingegaan. Hier is van belang te
vermelden dat het voorstel diegenen
die werkloos worden als zij 50 jaar of
ouder zijn en die op dat moment voldoen
aan de voorwaarden voor het recht op
werkloosheidsuitkering en aan de
arbeidsverledeneis, ook na afloop van de
uitkering op grond van de
nieuwe Werkloosheidswet vrijwaart van de
werking van de vermogenstoets. Het zal
duidelijk zijn dat dit voorstel
additionele uitgaven met zich brengt ten
opzichte van het beeld zoals dat in de
adviesaanvraag is geschetst. Realisering
van dit voorstel is dan ook gekoppeld
aan de invoering van de
arbeidsverledeneis, die, zoals gezegd,
ten opzichte van de adviesaanvraag leidt
tot additionele besparingen.
2.4.5. Werkloos of
onvrijwillig werkloos
In hoofdstuk 8 van de
adviesaanvraag werd de vraag besproken of het aanbeveling verdiende te
streven naar één loondervingsregeling bij werkloosheid, ziekte en
arbeidsongeschiktheid. Ten aanzien van de vraag of als stap in die
richting een integratie van WW en WWV
kon worden overwogen, werd gesteld
dat een dergelijke stap voor de hand zou liggen indien de
toelatingscriteria voor beide regelingen gelijk zouden kunnen worden. In
dat verband werd overwogen over te gaan tot toepassing van het criterium
"onvrijwillige werkloosheid" voor de gehele loondervingsfase bij
werkloosheid. Voor de tussenfase zou het criterium "werkloosheid" moeten
worden gehanteerd. Toepassing van het criterium van onvrijwillige
werkloosheid zou kunnen worden beschouwd als een additionele
ombuigingsmogelijkheid. Juist de invoering van de tussenfase maakte,
aldus de adviesaanvraag, dat de toepassing van het criterium van
onvrijwillige werkloosheid voor de gehele loondervingsfase ook inhoudelijk
vanuit de structurele stelselherziening verdedigbaar was. Door die
tussenfase worden de individuele uitkeringsrechten bij werkloosheid
gemiddeld in duur verlengd. Het beschreven verschil in toelatingscriterium
zou leiden tot een toespitsing van de criteria voor dat individuele recht
doordat voor de loondervingsfase striktere criteria gelden dan voor de
tussenfase.
Uit het advies van de SER
van
29 juni 1984 blijkt dat de Raad unaniem de voorkeur geeft aan toepassing
van het werkloosheidscriterium zoals dat thans in de WWV wordt gehanteerd
voor de gehele loondervingsfase. De Raad overweegt in dit verband dat het
werkloosheidscriterium van de WW althans voor langer lopende uitkeringen
een te rigide karakter heeft, terwijl het werkloosheidscriterium van de
WWV de mogelijkheid biedt om op soepele wijze rekening te houden met alle
voor de verwijtbaarheid van de werkloosheid van belang zijnde omstandigheden.
rblz.|27|
Deze unanieme voorkeur van de
SER is voor ons aanleiding geweest de hierboven beschreven stellingname in
de adviesaanvraag opnieuw in overweging te nemen. Bij die overwegingen
hebben wij ook betrokken de systematiek zoals die op dit punt werd
behandeld in de nadere taakopdracht aan de ambtelijke projectgroep
integratie
werkloosheidsregelingen van augustus 1980 en voorts de vraag
welk gevolg de beslissing onvrijwillig werkloos dan wel niet-onvrijwillig
werkloos heeft in de verschillende denkbare systemen.
In de huidige situatie heeft
een beslissing van de bedrijfsvereniging dat iemand niet-onvrijwillig
werkloos is tot gevolg dat de maximumduur van de loongerelateerde
uitkering bij werkloosheid ingevolge de WW en WWV
van - over het algemeen
- tweeënhalf jaar wordt teruggebracht tot twee jaar. Tot 1 januari 1985 betekende
een dergelijke beslissing ook een zekere verlaging van het
uitkeringsniveau gedurende het eerste halfjaar van werkloosheid. Besluit
ook het gemeentebestuur tot niet-onvrijwillige werkloosheid, dan is dat
bestuur vervolgens in belangrijke mate vrij te bepalen welke gevolgen het
daaraan wil verbinden.
In de hiervoor genoemde
nadere taakopdracht werd uitgegaan van werkloosheid als
toelatingscriterium voor de basisvoorziening en van onvrijwillige
werkloosheid als toelatingscriterium voor de aanvullende regeling. In een
dergelijke situatie zou de beslissing van het uitvoeringsorgaan om iemand
als niet-onvrijwillig werkloos te beschouwen ertoe leiden dat betrokkene
vanaf het begin van zijn werkloosheid niet meer uitkering zou ontvangen
dan tot het niveau van het sociaal minimum, in
het voorliggende
wetsontwerp is - anders dan in de nadere taakopdracht - niet gekozen voor
een tweetrajectensysteem, maar voor één ongedeelde
loondervingsuitkering bij werkloosheid.
Bij invoering van de regeling
als beschreven in de adviesaanvraag zou een beslissing van de
bedrijfsvereniging dat iemand niet-onvrijwillig werkloos is, betekenen
dat het uitkeringsrecht van betrokkene met een halfjaar tot vijf jaar wordt
bekort, afhankelijk van zijn leeftijd, en dat betrokkene direct aangewezen
raakt op de vervolguitkering op sociaalminimumniveau.
Wij menen bij nader inzien
dat de SER een dergelijke systematiek terecht als te rigide heeft
gekenschetst. Wij volgen in dit wetsvoorstel dan ook in beginsel het
standpunt van de SER dat als toelatingscriterium moet gelden het
criterium van werkloosheid.
Dat betekent dat voor het
recht op loondervingsuitkering en voor het recht op vervolguitkering op
dit punt een gelijk toelatingscriterium geldt, hetgeen de doorzichtigheid
van de regelingen ten goede komt.
Niet-onvrijwillige werkloosheid leidt aldus niet zonder meer tot het vervallen
van het recht op de loondervingsuitkering, doch leidt wel tot
sanctietoepassing door de bedrijfsvereniging. In de wettekst is daarbij
gekozen voor de term "verwijtbare werkloosheid" in de plaats van
"niet-onvrijwillige werkloosheid". Wij menen dat er alle aanleiding is de aan
sanctietoepassing in beginsel inherente beleidsmarge van de
bedrijfsverenigingen tot op zekere hoogte te beperken. Gekozen is voor
normering van de toe te passen sanctie in die zin dat bij verwijtbare
werkloosheid de sanctie ten minste in moet houden dat aan betrokkene geen
uitkering mag worden uitbetaald die hoger is dan de vervolguitkering, dat
wil zeggen 70% van het minimumloon. Aan de bedrijfsvereniging wordt echter
overgelaten om te bezien of in verband met de meer of mindere
verwijtbaarheid van de werkloosheid moet worden overgegaan tot een minder
vergaande sanctietoepassing, op het punt van niveau of duur. Aldus wordt
de facto een situatie bereikt die vergelijkbaar is met de situatie die zou
zijn ontstaan bij doorvoering van de hierboven beschreven systematiek van
de nadere taakopdracht.
rblz.|28|
2.5. Gelijke behandeling van
mannen en vrouwen in de sfeer van de werkloosheidsverzekering
2.5.1. Inleiding
In de adviesaanvraag werd
gesteld dat het doel van de stelselherziening onder meer was het
realiseren van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De SER
heeft die
doelstelling onderschreven, de Emancipatieraad - uiteraard - ook. In het
onderhavige wetsontwerp is die gelijke behandeling gerealiseerd. Mannen en
vrouwen hebben op gelijke wijze recht op uitkering. Toetsen op inkomen van
anderen dan de uitkeringsgerechtigde spelen in dit voorstel geen rol. Er
is sprake van volledige individualisering, dat wil zeggen dat wordt
voldaan aan alle elementen van de individualiseringseis, zoals die door
de Emancipatieraad [ER, red.] in zijn advies van 17 augustus 1984 worden geschetst.
Dat kan niet worden gezegd van de voorgestelde
Toeslagenwet en ook niet
van de Algemene Bijstandswet en de voorgestelde Wet inkomensvoorziening oudere
werkloze werknemers. Deze regelingen zijn in die zin niet
geïndividualiseerd dat de toeslagen, de bijstand of de uitkering niet
onafhankelijk van het overige inkomen in de leefeenheid zullen worden
verstrekt. Op de redenen waaraan in de sfeer van deze op de
minimumbehoeftefunctie van de sociale zekerheid gebaseerde regelingen niet
aan de opvattingen van de ER - wat betreft de bijstand een deel van de ER
- kan worden tegemoetgekomen, wordt uitvoerig ingegaan in de
toelichtingen bij de betrokken wetsvoorstellen. Wat betreft de
voorliggende nieuwe Werkloosheidswet zijn uit emancipatoir oogpunt vooral
van belang de vervolguitkering, de uitwerking van de hier vooral [lees:
hiervoor al, red.] beschreven arbeidsverledeneis en de behandeling van enkele bijzondere
groepen op wier positie vooral door de ER de aandacht is gevestigd.
Hetgeen omtrent die bijzondere groepen wordt voorgesteld, komt aan de orde
in paragraaf 3.3 over de kring van verzekerden. Hier is van belang te
vermelden dat dit wetsvoorstel erop is ingericht deeltijdwerkers op
dezelfde wijze te behandelen als voltijdwerkers. Ook hierop wordt in
hoofdstuk 3 nog teruggekomen.
2.5.2. De vervolguitkering
Het is
duidelijk dat het
antwoord op de vraag of direct na de loondervingsfase een volledige toets
op het gezinsinkomen moet plaatsvinden nauw verband houdt met de mate
waarin men individualisering van uitkeringsrechten wenselijk acht. In de
adviesaanvraag heeft het kabinet, in lijn met zijn streven naar een
aanpassing van het stelsel aan de veranderende maatschappelijke
opvattingen over de rol van man en vrouw in gezin en maatschappij,
uitgesproken dat zoveel mogelijk moet worden gestreefd naar
individualisering van uitkeringsrechten. Een zo lang mogelijk uitstellen
van de toetsing aan het inkomen van een ander dan de uitkeringsgerechtigde
past in dat streven. Zodra een dergelijke toets wordt toegepast, wordt het
recht op uitkering immers mede afhankelijk van het inkomen van de partner
in de leefeenheid waartoe de uitkeringsgerechtigde behoort. De in de
adviesaanvraag voorgestelde tussenfase van één jaar bij werkloosheid had
mede ten doel een vloeiende overgang te bereiken tussen de regelingen op
grond van de loondervingsfunctie en die op grond van de
minimumbehoeftefunctie, door uitstel van toepassing van de inkomenstoets
op de volledige uitkering. Voorkomen moet worden dat mensen reeds snel na
het verlies van het eigen arbeidsinkomen volledig financieel afhankelijk
worden van hun eventuele partner. Een tussenfase van één jaar, gevoegd bij
het hiervoor al genoemde leeftijdsschema voor de duur van de
loongerelateerde uitkering, betekent voor werklozen dat gemiddeld één
jaar later dan nu het geval is de middelentoets in beeld komt. Het gaat
daarbij om een gemiddelde, want de loondervingsperiode wordt met name voor
jongere werklozen bekort.
rblz.|29|
Een tussenfase van één jaar
betekent ook een stap in de richting van een stelsel van sociale zekerheid
dat zo is ingericht dat financieel niet van elkaar afhankelijke partners
in een leefeenheid ook bij werkloosheid financieel onafhankelijk blijven.
De tussenfase wordt door de Emancipatieraad dan ook zeer positief
beoordeeld.
Aan de doelstelling van de
tussenfase doet naar ons oordeel niet af dat van voortzetting van het
recht op uitkering in die fase moet zijn voldaan aan de eis van drie jaar
arbeidsverleden in de laatste vijf jaar, zeker niet nu wordt voorgesteld ook
verzorgingsperioden voor de helft mee te tellen (het hieronder nader te
bespreken verzorgingsforfait). Een tussenfase van één jaar betekent
uiteraard niet het einde van de ontwikkeling in de richting van een
geïndividualiseerd stelsel. Op de vraag wanneer een verlenging van de
tussenfase in overweging kan worden genomen, is in paragraaf 1.2 reeds
ingegaan. Daar is opgemerkt dat wanneer in de toekomst financiële ruimte
ter verbetering van socialezekerheidsrechten beschikbaar komt, deze ruimte
met voorrang zal worden gebruikt voor een verlenging van deze tussenfase
of voor een verlaging van de toetredingsleeftijd tot de Iow.
2.5.3. Het verzorgingsforfait
De Emancipatieraad heeft zich,
met name in zijn interim-advies van 12 april 1984, in negatieve zin
uitgelaten over het voornemen van het kabinet om op termijn van het
leeftijdscriterium over te gaan op het criterium arbeidsverleden. Dit
criterium zou betekenen het invoeren van een nieuwe indirecte
discriminatie van vrouwen, omdat die doorgaans een aanzienlijk korter
arbeidsverleden hebben dan mannen.
De invoering van een
arbeidsverledeneis betekent in feite dat reeds per 1 mei 1986 deels het
arbeidsverledencriterium wordt geïntroduceerd. Wij hechten daaraan -
zoals al eerder gezegd - vooral omdat op die wijze wordt voorkomen dat met
een betrekkelijk kort arbeidsverleden relatief langdurige
uitkeringsrechten kunnen worden verworven. Dat neemt niet weg dat het
door de ER gesignaleerde gevaar van een koppeling aan het arbeidsverleden
inderdaad bestaat. Met name het feit dat vooral vrouwen hun deelname aan
het arbeidsproces onderbreken met het oog op de verzorging van kinderen
heeft tot gevolg dat zij in meer gevallen dan mannen niet aan de
arbeidsverledeneis zullen kunnen voldoen.
Wij menen met de voorgestelde
regeling ter zake van het voor de helft meetellen van periodes besteed
aan de verzorging van kinderen - een forfaitaire regeling, die overigens
voor mannen en vrouwen gelijkelijk geldt - op zo evenwichtig mogelijke
wijze aan deze bezwaren tegemoet wordt gekomen. Vermeden
wordt hierdoor ook dat een nadeel voor vrouwen dat zonder
verzorgingsforfait zou bestaan, omslaat in een voordeel doordat juist
vanwege dat verzorgingsforfait in veel gevallen te gemakkelijk aan de
arbeidsverledeneis zou kunnen worden voldaan.
3.
De hoofdlijnen van het wetsvoorstel
3.1. Inleiding
Dit hoofdstuk bevat een nadere
uitwerking op hoofdlijnen van de in dit wetsvoorstel geregelde
werkloosheidsverzekering. De volgorde die daarbij wordt aangehouden, komt
overeen met die van de wettekst. In de hiernavolgende paragrafen zullen
aan de orde komen:
3.2. De systematiek van
de wet;
3.3. De personenkring van de
wet;
3.4. De voorwaarden voor het
recht op uitkering;
3.5. Het geldend maken van het
recht op uitkering;
3.6. De betaling van de
uitkering;
rblz.|30|
3.7. De bijzondere bepalingen
met betrekking tot de loondervingsuitkering;
3.8. De vervolguitkering en
doorwerking van de keuze met betrekking tot het niveau;
3.9. De vrijwillige
verzekering;
3.10. De overneming van uit de
dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij betalingsonmacht van
de werkgever;
3.11. De toekenning van
bijdragen aan havenbedrijven;
3.12. De voorzieningen; en
3.13.
De uitvoering van de wet.
3.2. De systematiek van de wet
3.2.1. Inleiding
Bij de vormgeving van de thans
voorliggende wetsvoorstellen is dankbaar gebruik gemaakt van de resultaten
van het werk van de Staatscommissie vereenvoudiging en codificatie van de
socialezekerheidswetgeving.
Met de vereenvoudigings- en codificatiearbeid van de staatscommissie werd beoogd: het onderbrengen
van het socialezekerheidsrecht in een kader dat door een functionele
opbouw en systematiek, door het gebruik van eenduidige begrippen een
goed instrument is voor alle personen en instanties die bij de sociale
zekerheid zijn betrokken.
De door de staatscommissie
ontwikkelde juridische systematiek heeft voor zover mogelijk tot voorbeeld
gediend voor dit wetsvoorstel en de
Toeslagenwet. Niet op alle punten
konden overigens de aanbevelingen van de staatscommissie gevolgd worden.
Enerzijds is dit het gevolg van de wijziging van de werkloosheidswetgeving zoals die voortvloeit uit de stelselherziening.
Anderzijds wordt dit veroorzaakt door het feit dat de aanbevelingen van de
staatscommissie meer omvattend zijn dan alleen voorstellen met betrekking
tot de
werkloosheidsregelingen. De onderlinge samenhang tussen de
onderscheiden socialezekerheidsregelingen en met name die tussen de
werknemersverzekeringen brengt beperkingen met zich. De belangrijkste
beperking manifesteert zich in de vormgeving van de personenkring. Hoewel
er alles voor te zeggen is op dit punt meer in de formele wet vast te
leggen en delegatie van regelgeving tot een minimum te beperken, verzet de
samenhang met de personenkring van de ZW en de
WAO zich op dit moment
tegen een andere vormgeving.
In een later stadium, bijvoorbeeld bij een afzonderlijke juridisch-technische
exercitie specifiek
gericht op vereenvoudiging van de socialezekerheidsregelingen, zal in
volle omvang aan de resultaten van het werk van de staatscommissie kunnen
worden besteed [lees: aandacht kunnen worden besteed, red.]. Vanwege het belang van een goed inzicht in de aan de
concrete uitwerking van de uitkeringsregeling ten grondslag liggende
systematiek wordt onderstaand op hoofdlijnen daaraan nader aandacht
besteed. De ondoorzichtigheid van het huidige stelsel vindt mede haar
oorzaak in de niet-consistente uitwerking van die systematiek. Voor de
toekomst dient dit te worden voorkomen. Helderheid over de systematiek en
uniformiteit in de begrippen is daartoe een onmisbaar vereiste.
Kenmerkend voor de door de
staatscommissie voorgestelde uniforme systematiek, die in dit wetsvoorstel
is aangehouden, is dat in het proces dat uiteindelijk kan leiden tot het
ontvangen van een socialezekerheidsuitkering drie hoofdmomenten worden
onderscheiden, te weten het ontstaan van het recht op uitkering, het
geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van uitkering. Bij
het ontstaan van de verschillende socialezekerheidsregelingen heeft deze
systematische indeling op de achtergrond meegespeeld. Zij is echter nooit
geëxpliciteerd, met het gevolg dat in de loop der jaren onduidelijkheid
en diversiteit in de regelgeving is ontstaan en dat onnodig veel
variaties in terminologie, zowel in de verschillende regelingen als
binnen één regeling zijn ontstaan. Met het thans voorliggende rblz.|31|
wetsvoorstel en in de
voorgestelde Toeslagenwet wordt, voor zoveel dat in het bestek van twee
wetsvoorstellen mogelijk is, een stap in de richting gezet naar een
terminologisch duidelijke, systematisch consistente en logische regeling.
Wat betreft de terminologie
betekent dit dat één begrip slechts één betekenis heeft en niet voor
meer doeleinden wordt gebruikt. Wat betreft de systematiek betekent dit
dat overeenkomstig vorengenoemde hoofdmomenten in het proces met
betrekking tot de uitkering de wet is opgebouwd. Hierna wordt nader op
deze hoofdmomenten ingegaan.
3.2.2. Het ontstaan van het
recht op uitkering
Naar geldend recht kan het
recht op uitkering op twee manieren ontstaan, te weten van rechtswege of
door toekenning. In verreweg de meeste gevallen ontstaat een recht op
uitkering van rechtswege. Een recht op uitkering ontstaat van rechtswege
doordat wordt voldaan aan de voorwaarden die de wet
stelt voor het
ontstaan van dat recht (bijvoorbeeld: een werknemer wordt werkloos). Het
recht dat ontstaat, kan, in aansluiting bij de in de fiscale literatuur
gebruikte terminologie, aangeduid worden als een "materieel" recht.
Betrokkene kan zijn uitkering nog niet opeisen. Dat kan pas zodra het
bestaan van dat recht door het uitvoeringsorgaan is vastgesteld. Die
vaststelling zet het "materiële" recht om in een formeel (opeisbaar)
recht. Zij is enerzijds constaterend van aard en anderzijds ook
rechtscheppend. Door deze vaststelling ontstaat immers voor betrokkene een
vorderingsrecht en voor het uitvoeringsorgaan een betalingsverplichting.
Het bestaan en de omvang van
het vorderingsrecht en de betalingsverplichting worden in eerste
instantie door de vaststelling bepaald, onafhankelijk van de vraag naar
de "materiële" juistheid van die vaststelling. De rechtsgevolgen van
een onjuiste vaststelling zijn de volgende. Wijkt het formele recht af van
het materiële recht, dan zal betrokkene een nieuwe vaststelling door het
uitvoeringsorgaan moeten uitlokken en zo nodig in rechte afdwingen dan wel
zal het uitvoeringsorgaan wanneer het die afwijking constateert, tot een
nieuwe vaststelling moeten overgaan. Totdat een nieuwe vaststelling heeft
plaatsgevonden, wordt (de omvang van) de betalingsverplichting van het
uitvoeringsorgaan bepaald door de "oude" vaststelling. Met andere
woorden: wordt ten onrechte vastgesteld dat geen recht op uitkering
bestaat respectievelijk de inhoud van dat recht ten onrechte bij de
vaststelling te hoog gewaardeerd, dan heeft betrokkene tot de nieuwe
vaststelling geen vorderingsrecht respectievelijk een vorderingsrecht tot
een - vergeleken met zijn materieel recht - te hoog bedrag. Als gevolg van
een nieuwe vaststelling heeft betrokkene bij een voor hem gunstige
uitkomst een vorderingsrecht over de periode vanaf het van rechtswege
ontstaan van het "materiële" recht. Daartegenover staat dat hetgeen het
uitvoeringsorgaan op basis van de "oude" vaststelling ten onrechte heeft
betaald op grond van het Burgerlijk
Wetboek zonder meer als onverschuldigd
betaald teruggevorderd zou kunnen worden. De civielrechtelijke
mogelijkheden op dit punt worden in de onderscheiden socialezekerheidsregelingen evenwel beperkt, hetgeen in het huidige wetsvoorstel
goeddeels wordt overgenomen.
De vaststelling is tot slot
een geheel gebonden rechtshandeling. Indien aan de voorwaarden wordt
voldaan of als aan één daarvan niet wordt voldaan, heeft het
uitvoeringsorgaan geen beleidsvrijheid. Het zal het al dan niet ontstaan
van een recht op uitkering dienen vast te stellen. Dit laat evenwel
onverlet dat de inhoudelijke beoordeling van een voorwaarde, bijvoorbeeld
of sprake is van werkloosheid, een zekere ruimte voor beleid kan geven. In
welke mate dit het geval is, hangt af van de wijze waarop de voorwaarde is
omschreven en de jurisprudentie van de rechter.
Als
gezegd, ontstaat een recht op uitkering van rechtswege door het voldoen aan
de voorwaarden die de wet ter zake stelt. Deze voorwaarden rblz.|32|
kunnen worden onderscheiden in
positieve en negatieve voorwaarden. De positieve voorwaarden verhouden
zich tot de negatieve voorwaarden als regel tot uitzondering. De negatieve
voorwaarden ontnemen iemand het recht op uitkering. Zij worden aangeduid
als uitsluitingsgronden. Op deze plaats zij reeds opgemerkt dat de
uitsluitingsgronden niet verward mogen worden met de later te behandelen
weigeringsgronden.
De staatscommissie heeft
terecht geconstateerd dat het incidenteel voorkomt dat een recht op
uitkering door toekenning ontstaat. Dit betekent, in tegenstelling tot bij
het ontstaan van een recht van rechtswege, dat voor het ontstaan van het
recht op uitkering de tussenkomst van het uitvoeringsorgaan vereist is.
Het gaat derhalve om een rechtscheppende handeling van het
uitvoeringsorgaan. In het voorliggende wetsvoorstel en in de voorgestelde
Toeslagenwet komt de rechtsfiguur van de toekenning van uitkering of
toeslag niet voor, zodat hier van beschouwingen ter zake kan worden
afgezien.
Een recht op uitkering eindigt
altijd van rechtswege en wel op het moment waarop niet langer aan de
voorwaarden voor het recht op uitkering wordt voldaan of een
uitsluitingsgrond van toepassing wordt dan wel op het moment waarop de
maximumuitkeringstermijn is bereikt. Tot het moment waarop het recht
eindigt, is sprake van een doorlopend recht, ook als de omvang van dat
recht (de hoogte van de uitkering) in de loop der tijd wijziging
ondergaat. Veranderingen in de omvang van het recht zijn in het algemeen
het gevolg van veranderingen in de omstandigheden van de rechthebbende,
waardoor het bestaande recht een andere inhoud krijgt. Die verandering van
de inhoud van het recht treedt van rechtswege in. Zij vloeit direct voort
uit de wet. Er is dus geen rechtscheppende handeling van het
uitvoeringsorgaan vereist. Een beslissing tot herziening of tot intrekking
van een uitkering heeft geen andere betekenis dan de vaststelling dat de
inhoud van het recht verandert respectievelijk dat het recht eindigt.
Het gaat derhalve in beide
gevallen om een vaststelling, net als bij het ontstaan van het recht.
3.2.3. Het geldend maken van
het recht op uitkering
In dit kader is een aantal
verplichtingen van belang dat moet worden nagekomen om een recht op
uitkering geldend te kunnen maken. Een belangrijke verplichting is het
indienen van een aanvraag. In feite is dit het vervullen van een
noodzakelijke formaliteit om het proces van vaststelling op gang te
brengen.
Daarnaast geldt voor de
uitkeringsgerechtigde een aantal verplichtingen dat van belang is voor de
uitkering. Deze verplichtingen zijn er onder meer op gericht te bevorderen
dat men zoveel mogelijk voorkomt op uitkering aangewezen te raken en dat
men het redelijkerwijs mogelijke doet om een recht op uitkering zo beperkt
mogelijk te houden. Het niet naleven van deze verplichtingen heeft geen
betekenis voor het ontstaan van het recht op uitkering. Het systeem van de
socialezekerheidswetten, waarbij voor betrokkene rechtstreeks uit de wet
een recht op uitkering voortvloeit wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt
voldaan, vereist dat deze voorwaarden het karakter hebben van objectieve
criteria. Het intreden daarvan behoort niet afhankelijk te zijn van het
handelen of nalaten van betrokkene. In casu betreft het voorwaarden met
een subjectief karakter.
Het niet nakomen van deze zogenaamde
medewerkingsverplichtingen levert uit oogpunt van een goed gebruik van de
sociale zekerheid een verwijtbare gedraging op. In verband daarmee wordt
aan het uitvoeringsorgaan in de onderscheiden socialezekerheidsregelingen
de mogelijkheid geboden bij wege van administratieve sanctie de uitkering
geheel of gedeeltelijk te weigeren. Gedurende de periode dat de uitkering
wordt geweigerd, loopt het recht op uitkering normaal door. De weigering
betekent niet meer dan dat het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk
niet geldend kan worden rblz.|33|
gemaakt. Het thans
voorliggende wetsvoorstel bevat een consequente systematiek op dit punt.
Indien een uitkeringsgerechtigde een verwijtbare gedraging pleegt, geeft
dit het uitvoeringsorgaan de bevoegdheid de betaling van de uitkering
(geheel of gedeeltelijk) te weigeren. Gedurende de periode waarover de
uitkering wordt geweigerd, blijft het recht op uitkering in stand, doch dat
recht kan niet geldend gemaakt worden. Dit voortbestaan van het recht bij
weigering heeft ook praktische gevolgen, onder meer voor de berekening van
de maximumuitkeringsduur: perioden waarover een uitkering is geweigerd,
tellen mee.
Betreft een bepaalde
omstandigheid geen verwijtbare gedraging van betrokkene, doch behoort in
verband met die omstandigheid geen uitkering verstrekt te worden, dan is
dit in dit wetsvoorstel geregeld bij de uitsluitingsronden. Die
omstandigheid vormt dan een belemmering voor het ontstaan van een recht
dan wel leidt tot het einde van het recht van rechtswege.
Het gevolg van vorenstaand
systematisch onderscheid is dat een aantal, in de huidige wetgeving onder
de weigeringsgronden vallende, omstandigheden in dit voorstel is geregeld
bij de uitsluitingsronden en andersom.
In dit verband verdient de
aandacht de in artikel 21 van de WW voorkomende voorwaarde van de
onvrijwilligheid van de werkloosheid. De onvrijwilligheid ziet op een
handelen of nalaten van betrokkene. Hem treft bij niet-onvrijwilligheid
het verwijt dat hij niet gedaan heeft wat redelijkerwijs van hem kon
worden verlangd om het ontstaan van werkloosheid te voorkomen. Het gaat
hier derhalve om een persoonlijke gedraging en niet om een geobjectiveerde
omstandigheid. Ook systematisch bezien is het dus niet juist een
dergelijke grond als voorwaarde voor het ontstaan van het recht op te
voeren.
3.2.4. De betaling van de
uitkering
Het derde moment in het proces
dat leidt tot het ontvangen van een uitkering is de betaling van de
uitkering. De betaling voltooit het proces. In
deze sfeer horen onder meer thuis bepalingen over de periode waarover
betaald moet worden en aan wie betaald moet worden. Hieronder vallen ook
de bepalingen inzake het betalen van de uitkering, zonder tussenkomst van
de rechthebbende, aan een ander orgaan dan wel de verrekening van de
uitkering met een latere uitkering in verband met de onverschuldigdheid
van die eerste uitkering. Ook de bepalingen over de samenloop van een
uitkering met een andere uitkering of ander inkomen moeten in dit verband
worden genoemd. Wat deze verrekeningsbepalingen betreft, is van belang dat
een alternatief hiervoor kan zijn het formuleren van een uitsluitingsgrond:
recht op de ene uitkering sluit recht op de andere uitkering uit. Een
keuze tussen twee methoden is niet zonder belang. De eerste methode leidt
ertoe dat een periode van samenloop meetelt voor het berekenen van de
maximumuitkeringsperiode. Bij een regeling in het kader van de
uitsluitingsronden is dat niet het geval. Een regeling in het kader van
de uitsluitingsgronden heeft voorts als nadeel dat zij nogal rigide is:
er is sprake van recht op uitkering of er is geen sprake van recht op
uitkering.
De methode van verrekening
biedt daarentegen de mogelijkheid meer genuanceerd te werk te gaan: een
gedeeltelijke uitkering naast ander inkomen is immers mogelijk. In het
wetsvoorstel komen beide methoden voor. Verwezen wordt naar de paragrafen
3.4 en 3.6 van deze memorie.
3.2.5. De opzet van de wet
Werden hiervoor de
belangrijkste systematische aspecten in het proces dat uiteindelijk leidt
tot het ontvangen van een uitkering beschreven, hierna volgen enige
opmerkingen met betrekking tot de opzet van de wet. Na enige algemene
bepalingen, die zijn neergelegd in het eerste hoofdstuk, geeft het
tweede
hoofdstuk regels inzake de verplichte verzekering van rblz.|34|
uitkeringen bij werkloosheid.
Uit oogpunt van eenvoud en overzichtelijkheid is ervoor gekozen de
bepalingen die zowel voor de loondervingsfase als voor de tussenfase
gelden voorop te stellen. Vervolgens komen de specifiek voor de
loondervingsfase respectievelijk de tussenfase geldende bepalingen aan de
orde. Het hoofdstuk is in verband hiermee onderverdeeld in drie
afdelingen. Op deze wijze ontstaat een logische en overzichtelijke
indeling van bepalingen die van belang zijn voor het recht op
werkloosheidsuitkering
De hoofdstukken III tot en met
V bevatten regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering van
uitkeringen bij werkloosheid, de overneming van uit de dienstbetrekking
voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever om te betalen
en de toekenning van bijdragen aan havenbedrijven. Het gaat in deze
hoofdstukken om bijzondere uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet.
Hoofdstuk VI bevat bepalingen met betrekking tot de voorzieningen voor
werklozen die recht hebben op een uitkering op grond van deze
wet. Een
aantal artikelen in dit hoofdstuk is nog gereserveerd. Een regeling van de
voorzieningen is in het kader van de werkloosheidsverzekering een novum.
De WW kent thans immers niet expliciet de mogelijkheid voor de
bedrijfsvereniging om een werkloze werknemer in aanmerking te brengen voor
een voorziening.
De hoofdstukken VII en
VIII
bevatten regels inzake de financiering en de uitvoering. In hoofdstuk IX
zijn alle bepalingen van procedurele aard samengevoegd. Deze komen thans
in de WW en WWV
in diverse artikelen, soms min of meer versluierd, voor.
De nu gevolgde methode heeft als voordeel dat de delegatiebepalingen van
de wet beter leesbaar worden. In het algemeen is de procedure die geldt
voor het tot stand komen van een dergelijke regeling voor de gebruiker
minder van belang. Het niet volgen van deze procedure heeft namelijk voor
de gebruiker geen rechtsgevolgen. De procedurevoorschriften zijn met name
van belang voor de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, de SVr, het Algemeen Werkloosheidsfonds en de
bedrijfsverenigingen. De hoofdstukken X
en XI bevatten tot slot regels
inzake het beroep, de straf- en slotbepalingen.
3.3. De personenkring
3.3.1. Inleiding
Een integratie van de WW en de
WWV tot één werkloosheidsregeling maakt keuzes noodzakelijk met
betrekking tot de personenkring van die regeling, aangezien de
personenkring van de WW niet geheel overeenstemt met die van de WWV. Bij
de keuzes die ter zake gemaakt zijn, gold als uitgangspunt dat de
werkloosheidsregeling een verzekering zal zijn die primair gefinancierd
zal worden door premiebetaling.
In
dit verband is het van belang erop te wijzen dat in de adviesaanvraag de
vraag is gesteld of er aanleiding is om voor zelfstandigen
uitkeringsrechten te regelen binnen de loondervingsverzekering bij
werkloosheid. Geconstateerd werd dat de werkloosheid van een zelfstandige
twee aspecten heeft. Enerzijds werkt de zelfstandige voor eigen rekening
en risico en draagt hij zelf de verantwoordelijkheid voor de sluiting van
zijn bedrijf en daaruit voortvloeiende werkloosheid. Aldus bezien is zijn
positie niet met die van de werknemer te vergelijken. Anderzijds kan er,
net als bij de werkloze werknemer, sprake zijn van ongewilde derving van
arbeidsinkomsten. In dat verband vroeg het kabinet aan de SER
zijn
oordeel over de mogelijkheid om binnen het stelsel van
loondervingsregelingen voor zelfstandigen een verplichte
werkloosheidsverzekering op minimumniveau tot stand te brengen die
gepaard zou moeten gaan met overeenkomstige premiebetaling.
De SER blijkt in zijn advies
van 29 juni 1984 unaniem van oordeel dat het werkloosheidsrisico van
zelfstandigen zo zeer samenhangt met beslissingen die betrokkene zelf
heeft genomen in het kader van de bedrijfsuitoefening dat dit geen
voorwerp kan zijn van verplichte verzekering, een verzekering rblz.|35|
die bovendien naar het oordeel
van de Raad uitvoeringsproblemen met zich brengen zou. In dit voorstel van
wet hebben wij ons aan dit oordeel van de SER geconformeerd. Zelfstandigen
maken dus geen deel uit van de kring van verzekerden.
In zijn aanvullend advies van
23 augustus 1985 beveelt de SER aan de categorie ex-zelfstandigen in de Wet inkomensvoorziening oudere
werkloze werknemers op te nemen, onder een
aantal te stellen bijzondere voorwaarden. Hiermee sluit de Raad aan bij
zijn advies van 29 juni 1984, waarin hij adviseert werkloze
ex-zelfstandigen in aanmerking te laten komen voor een
inkomensdervingsregeling op individueel minimumniveau, te financieren uit
de algemene middelen. De Raad wijst verder op zijn eerder advies van 15
oktober 1976 inzake opneming van ex-zelfstandigen in de WWV. Het recht op een Iow-uitkering zou voor
ex-zelfstandigen dienen in te gaan na een redelijke wachttijd van bijvoorbeeld één jaar na bedrijfsbeëindiging. De Iow zou, aldus de SER, in
de plaats kunnen treden van de huidige bedrijfsbeëindigingsregelingen.
De Raad overweegt dat de
ondernemer die als gevolg van een noodgedwongen beëindiging van zijn
zelfstandige bedrijfs- of beroepsuitoefening werkloos wordt in het
algemeen in sociaal opzicht in een minder gunstige positie verkeert dan de
werkloze werknemer, terwijl de oorzaken van het ontstaan van de
moeilijkheden in het algemeen niet principieel verschillen.
Hiervoor is aangegeven waarom
ex-zelfstandigen niet onder de kring van verzekerden van de
nieuwe Werkloosheidswet worden gebracht. Het kabinet is van oordeel dat toelating
van werkloze ex-zelfstandigen tot de personenkring van de Iow om dezelfde
reden ook niet voor de hand ligt. Het laatstgenoemde wetsvoorstel is naar
aard en opzet een verlengstuk van de nieuwe Werkloosheidswet en kent als
zodanig een entree-eis dat de rechthebbende gedurende de maximumtermijn
een uitkering op grond van die wet heeft ontvangen. Deze eis zal voor
ex-zelfstandigen niet kunnen gelden. Voor hen zou het recht op een Iow-uitkering volgens het advies van de SER reeds moeten ingaan na één
jaar werkloosheid. Daarmee is sprake van een aanmerkelijke ongelijkheid in
de voorwaarden tot het verkrijgen van de uitkering zoals die zouden gelden
voor respectievelijk ex-zelfstandigen en werkloze werknemers. Tevens zou afbreuk
worden gedaan aan het specifieke karakter van de Iow, als voorziening bij
gebleken langdurig voortbestaan van de werkloosheid. De bijzondere
voorwaarden die de SER ten aanzien van ex-zelfstandigen aan het
uitkeringsrecht zou willen verbinden, sluiten bovendien niet uit dat ook
na vrijwillige bedrijfsbeëindiging aanspraak op een Iow-uitkering kan
worden gemaakt.
Gedurende de voorgestelde
wachttijd van één jaar na bedrijfsbeëindiging waartoe de SER adviseert,
zou de ex-zelfstandige voor het levensonderhoud zijn aangewezen op het
eigen vermogen. De wachttijd is dan onevenredig in het nadeel van
zelfstandigen met een relatief klein vermogen.
De door de Raad voorgestelde
vervanging van de bedrijfsbeëindigingsregelingen door de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers stuit onder meer op het
probleem dat die regelingen ook openstaan voor beneden-50-jarigen.
Al
met al acht het kabinet het niet gewenst het advies van de SER te volgen.
Het feit dat het in de nieuwe
Werkloosheidswet gaat om een werknemersverzekering heeft voorts tot
gevolg dat rekening dient te worden gehouden met de personenkring van de
andere werknemersverzekeringen - de ZW en de WAO
- en met de wijze van
premieheffing daarvoor en de heffing van loonbelasting. De personenkring
van de onderscheiden werknemersverzekeringen is immers zoveel mogelijk op
elkaar afgestemd. Verder bestaat er coördinatie tussen de kring van
verzekerden ingevolge de werknemersverzekeringen en de kring van
loonbelastingplichtigen. Gelet hierop ligt het in de rede de kring van de
verzekerden van de WW als startpunt aan te houden. Een gevolg van het
vorenstaande is ook dat op dit moment nog geen voorstellen worden gedaan
tot vereenvoudiging van de rblz.|36|
omschrijving van de
personenkring. In hoofdstuk 4 wordt hier nog nader op ingegaan.
Onderstaand wordt nader
ingegaan op de personenkringen van de WW en de WWV en worden de daartussen
bestaande verschillen aangegeven. Vervolgens komen de daarmee verband
houdende voorstellen met betrekking tot de personenkring aan de orde.
Verzekerd ingevolge de WW is
de werknemer, dat wil zeggen de natuurlijke persoon die in
privaatrechtelijke dan wel publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Op
dit werknemersbegrip maakt
de wet een aantal uitzonderingen. Zo worden
enerzijds bepaalde arbeidsverhoudingen gelijkgesteld met een
dienstbetrekking. Dat is nodig indien het twijfelachtig is of van arbeid
in dienstbetrekking kan worden gesproken alsmede wanneer betrokkene geen
werknemer is, doch in sociaal-economisch opzicht geen wezenlijk
onderscheid met een werknemer bestaat. Anderzijds worden bepaalde
categorieën van personen om uiteenlopende motieven niet als werknemer
beschouwd.
In het algemeen geldt de
verzekeringsplicht op grond van de WW voor degenen die hier te lande
werkzaam zijn. Doch ook dit zogenaamde territorialiteitsbeginsel wordt beperkt
en uitgebreid.
Ook de WWV hanteert het begrip
werknemer ter bepaling van zijn doelgroep. Het begrip werknemer is in de
WWV echter anders gedefinieerd dan in de WW. Dit hangt samen met het
verschil in karakter tussen de WW en de WWV. De WW is een
risicoverzekering. Gaat men in loondienst werken, dan wordt men op grond
van de WW verzekerd voor het risico van inkomensderving tengevolge van
het verlies van die werkzaamheden. De WWV daarentegen is een sociale
voorziening voor degene die geen arbeid in dienstbetrekking heeft of kan
krijgen.
Werknemer in de zin van de WWV
is degene die voor zijn deelneming aan het arbeidsproces geheel of
gedeeltelijk is aangewezen op het verrichten van arbeid in een
dienstbetrekking.
De wet duidt
niet de omstandigheden aan waaruit kan worden afgeleid dat iemand is
aangewezen op arbeid in dienstbetrekking. Meestal zal men een sterk
vermoeden hiervoor kunnen putten uit voor de werkloosheid door betrokkene
verrichte arbeid, doch ook zijn intentie voor de toekomst met betrekking
tot de arbeid is daarvoor van belang. Hoofdzaak is dat betrokkene door
zijn gedrag moet tonen dat hij bereid is als werknemer in
dienstbetrekking te gaan werken.
Deze verschillende
omschrijving in de WW en de WWV van het begrip werknemer heeft met name
consequenties voor directeuren van een BV of een NV. Volgens
jurisprudentie van de Centrale Raad van Bestuur is een directeur van een
BV of een NV - ook een directeur enig aandeelhouder - in dienstbetrekking
werkzaam, zodat hij valt onder de personenkring van de WW. Dit betekent
evenwel nog niet dat hij ook te allen tijde voor zijn deelneming aan het
arbeidsproces is aangewezen op het verrichten van arbeid in
dienstbetrekking, zodat hij niet altijd tevens valt onder de werkingssfeer van de WWV.
Onder dienstbetrekking wordt
voor de WWV verstaan een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke
dienstbetrekking en de daarmee ingevolge de WW gelijk te stellen
arbeidsverhoudingen. De beperkingen die de WW aanbrengt op het
werknemersbegrip gelden niet voor de WWV. Dit betekent derhalve dat het
overheidspersoneel, personen die hun militaire dienstplicht of in plaats
daarvan vervangende dienst vervullen en in bepaalde gevallen het
huishoudelijke personeel niet onder de werkingssfeer van de WW, doch wel
onder die van de WWV vallen. Voor de persoon die zijn militaire
dienstplicht of in plaats daarvan zijn vervangende dienst heeft vervuld,
is in de WWV zelfs expliciet afstand genomen van de beperking die de WW
stelt, daar dienstplichtdagen en dagen van vervangende dienst in de wet
gelijkgesteld zijn met dagen waarop in dienstbetrekking is gewerkt.
Voorts wordt de personenkring
van de WWV ten opzichte van die van de WW verruimd doordat personen die
buiten Nederland een dienstbetrekking vervuld hebben ook onder de
werkingssfeer van de WWV vallen.
rblz.|37|
Zoals hiervoor vermeld, dient
een werknemer in beginsel in Nederland zijn dienstbetrekking te vervullen
om verzekerd te zijn ingevolge de WW. Voor de WWV
geldt deze beperking
niet, zodat ook personen die buiten Nederland in dienstbetrekking werkzaam
zijn geweest in beginsel onder de personenkring van de WWV vallen. Voor
vreemdelingen geldt echter een bijzondere voorwaarde met betrekking tot
het werken buiten Nederland. De vreemdeling moet namelijk ten minste negen
achtereenvolgende weken, aan zijn werkloosheid voorafgaande, op niet
onrechtmatige wijze in Nederland verblijf hebben gehouden om recht op
uitkering te hebben.
Naast het hiervoor genoemde
geval van de directeur van een BV of een NV is de personenkring van de WWV
op nog een punt in zekere zin beperkter dan die van de WW. De vreemdeling
moet als gezegd namelijk gedurende ten minste negen achtereenvolgende
weken, aan zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, op niet
onrechtmatige wijze in Nederland verblijf hebben gehouden om recht op
uitkering te hebben. De WW maakt in beginsel geen onderscheid tussen - al
dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende - vreemdelingen en
Nederlanders. Bij deze beperking van de personenkring van de WWV dient wel
bedacht te worden dat door de werking van internationale en bilaterale
verdragen de betekenis van deze bepaling aanmerkelijk is afgenomen.
Uit vorenstaande aanduidingen
van de personenkring van de WW en de WWV blijkt dat soms de WW en soms de
WWV ruimer is. Samenvattend betreffen deze verschillen de volgende
categorieën personen:
1. het overheidspersoneel;
2. de personen die hun
militaire dienstplicht of hun vervangende dienst vervullen;
3. het huishoudelijk personeel werkzaam op minder dan drie dagen per week;
4.
de personen die in het buitenland in dienstbetrekking werkzaam zijn
geweest;
5. vreemdelingen;
6. directeuren BV/NV.
Als gezegd, ligt het om meer
redenen voor de hand om de personenkring van de WW als uitgangpunt te
nemen voor deze wet.
Waar de personenkring van de
WWV beperkter is dan die van de WW leidt dit niet tot problemen. Het
gaat hier, zoals uit het voorgaande blijkt, om directeuren van een BV of
een NV en om vreemdelingen. Er bestaat geen grond om deze groepen thans
van de werknemersverzekeringen uit te sluiten. Dit zou immers leiden tot
discoördinatie in de personenkringen van de werknemersverzekeringen.
Voorgesteld wordt dan ook deze groepen - net als thans voor de WW geldt
- in de personenkring te handhaven. Ten aanzien van vreemdelingen zij op
deze plaats nog opgemerkt dat wel wordt voorgesteld vreemdelingen die
niet beschikken over een geldige verblijfstitel en zonder instemming van
het bevoegde gezag in Nederland verblijven van het recht op uitkering
uit te sluiten. In paragraaf 3.4 wordt daar nader op ingegaan.
Het nemen van de personenkring
van de WW als uitgangspunt voor deze wet leidt tot een aantal problemen in
de gevallen waarin de personenkring van de WWV ruimer is dan die van de
WW. Het gaat daarbij om de hiervoor onder 1 tot en met 4 genoemde groepen.
Hieronder wordt dan ook nader
ingegaan op de aspecten die van belang zijn voor een beslissing deze
groepen al dan niet onder de personenkring van de
nieuwe Werkloosheidswet te brengen. Tevens wordt daarbij de door het kabinet gemaakte keuze
aangegeven.
Alvorens hiertoe over te gaan,
wordt op deze plaats nog kort stilgestaan bij een tweetal bijzondere
groepen waarvoor ook de ER de aandacht heeft gevraagd, te weten
thuiswerkers en afroepcontractanten.
Naar aanleiding van de motie-Beckers-De Bruijn van 21 februari 1982
(Kamerstukken II 1982-1983, 17
100, nr. 25) is de positie van thuiswerkers op het terrein van de
werknemersverzekeringswetten onderzocht door een departementale werkgroep.
rblz.|38|
De conclusie was dat de
positie van de thuiswerkers - voor zover bekend - in voldoende mate is
gewaarborgd en dat het ongewenst is de socialeverzekeringswetten
op dit
punt aan te passen. De identificatie van knelpunten wordt namelijk bemoeilijkt
door de complexiteit van het verschijnsel, de ondoorzichtigheid van het
verschijnsel thuiswerk en het ontbreken van (betrouwbare) kwantitatieve
gegevens. Een op verzoek van de werkgroep verricht vooronderzoek leverde
geen aanknopingspunten op dat nader onderzoek meer duidelijkheid zou
kunnen verschaffen over positie en aantal van de thuiswerkers.
Op initiatief van de FNV-vrouwenbond zal een thuiswerkerssteunpunt opgericht worden. De
officiële start van dit steunpunt zal begin november 1985 plaatsvinden.
De doelstelling van dit steunpunt is er mede om betere kwantitatieve
informatie over onder andere het thuiswerk en de personen die dit soort werk
verrichten te verkrijgen. Op basis van de aldus verkregen gegevens zal dan
worden bezien of aanpassing van de socialeverzekeringswetgeving gewenst
is. Over het één en ander is op 14 februari 1985 uitgebreid van gedachten
gewisseld met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Emancipatiebeleid.
Naar de positie van
afroepcontractanten wordt op dit moment door een werkgroep op het
ministerie een studie verricht, als aangekondigd in een mondeling overleg
met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken
II 1983-1984 18102, UCV [uitgebreide commissievergadering, red.] 22). Ook in deze gaat het om een gecompliceerde
problematiek, mede vanwege de zeer verschillende verschijningsvormen en
het gebrek aan kwantitatieve gegevens. Wij achten het gewenst de
resultaten van deze studie af te wachten voor een mogelijke aanpassing in
de socialeverzekeringswetten te overwegen.
3.3.2. Het overheidspersoneel
Ten aanzien van het
overheidspersoneel bevat de adviesaanvrage over de stelselherziening de
volgende benadering. Het overheidspersoneel valt thans wel onder de
volksverzekeringen, doch niet onder de werknemersverzekeringen. Gezien de
maatschappelijke ontwikkeling ten aanzien van de verhouding tussen de
overheid als werkgeefster en haar personeel en gelet op de positie van het
overheidspersoneel in het totale arbeidsbestel behoeft er geen aanleiding
te bestaan voor een bijzondere positie van dit personeel op het socialezekerheidsterrein. Dit uitgangspunt brengt met zich - aldus de
adviesaanvrage - dat het overheidspersoneel in beginsel onder het algemene
stelsel van sociale zekerheid zou kunnen vallen, hetgeen onder meer zou
betekenen dat het overheidspersoneel ter zake van loonderving door
arbeidsongeschiktheid en werkloosheid in het algemeen dan dezelfde
aanspraken, zowel wettelijk als bovenwettelijk, zou hebben als de
werknemers in de particuliere bedrijven.
Dit zou op verschillende
wijzen kunnen worden bereikt. Enerzijds zou hetzelfde stelsel kunnen
gelden voor particuliere werknemers en overheidspersoneel. Anderzijds zou
de eigen regelgeving voor overheidspersoneel zelfstandig kunnen blijven,
met afstemming op het totaal aan aanspraken in de particuliere sector.
Tussen deze twee mogelijkheden is een modaliteit denkbaar waarbij formeel
hetzelfde stelsel geldt voor particuliere werknemers en
overheidspersoneel, doch de eigen regelgeving voor overheidspersoneel in
stand blijft. Vooropstaat dat de totale materiële aanspraken voor het
overheidspersoneel een weergave dienen te vormen van hetgeen zowel
wettelijk als bovenwettelijk in de particuliere sector geldt. Daarvan
uitgaande neigt het kabinet naar een benadering - aldus de adviesaanvrage
- waarin de ambtenaren formeel behoren tot de kring van verzekerden waarmee
tevens de wenselijke risicoverevening bereikt wordt. Daarbij behoeft de
structuur van de regelgeving voor het overheidspersoneel geen wijziging te
ondergaan, waardoor problemen op rechtspositioneel gebied zoveel mogelijk
kunnen worden voorkomen.
rblz.|39|
In de adviesaanvrage wordt
aangekondigd dat één en ander besproken zal worden met de overige
publiekrechtelijke lichamen, met de centrales van overheidspersoneel en de
belangenverenigingen van militairen.
De SER constateert in zijn
advies dat de huidige bijzondere positie van ambtenaren onder meer
gevolgen heeft voor de risicoverevening binnen de werknemersverzekeringen
alsmede voor de daarin neergelegde solidariteit tussen de verschillende
categorieën werknemers en hun werkgevers.
Bezien vanuit het functioneren
van het stelsel van sociale zekerheid is het naar het oordeel van de SER
niet wenselijk dat bepaalde groepen van werknemers en werkgevers zijn
uitgesloten van een overigens algemeen geldende en bij wet verplichte
risicoverevening ter zake van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.
Daarom heeft het de instemming
van de SER dat in het kader van de herziening van het stelsel op den duur
een gelijkwaardige positie van ambtenaren en hun werkgevers ten opzichte
van werknemers en werkgevers in het particuliere bedrijfsleven tot stand
zal komen. De totstandkoming van een dergelijke gelijkwaardige positie zou
- volgens de SER - mede kunnen worden bereikt door ambtenaren op te nemen
in de kring van verzekerden van de loondervingsverzekeringen. De SER heeft
in zijn advies geen oordeel gegeven over het niveau van de voor ambtenaren
geldende voorzieningen.
Gegeven de omstandigheid dat
de specifieke socialezekerheidsregelingen onderdeel uitmaken van de
huidige rechtspositieregeling van de ambtenaren meent de SER dat
beslissingen over de positie van ambtenaren in een gewijzigd stelsel van
sociale zekerheid eerst kunnen worden genomen nadat hierover overleg is
gevoerd met de betrokken organisaties. Dit overleg dient volgens de SER
gebaseerd te zijn op gelijkwaardigheid van overlegpartners zoals dit ook
geldt voor het overleg tussen de organisaties van werkgevers en werknemers
in het particuliere bedrijfsleven. Teneinde de gelijkwaardigheid van
partijen in dit overleg niet in de weg te staan, acht de SER het niet
wenselijk om verdergaande uitspraken te doen over de positie van
ambtenaren in de loondervingsverzekeringen.
Het stemt het kabinet tot
voldoening dat de SER zich in deze positieve zin heeft uitgesproken over
het in de adviesaanvrage neergelegde uitgangspunt met betrekking tot de
risicoverevening bij arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.
De
maatschappelijke ontwikkeling heeft niet stilgestaan sinds eind 1959, toen
de toenmalige regering zich op het standpunt heeft gesteld dat het gemene
arbeidsrecht, waaronder begrepen de socialezekerheidswetgeving, in
beginsel ten aanzien van de ambtenaren geen toepassing behoorde te vinden.
Op een aantal terreinen zijn immers maatregelen tot stand gebracht waarbij
ambtenaren zoveel mogelijk in een gelijke positie worden gebracht als
werknemers in de marktsector. Gewezen kan bijvoorbeeld worden op de in
1982 tot stand gebrachte nieuwe regeling inzake de dienstcommissies, welke
in hoge mate is geënt op de Wet
op de ondernemingsraden, en op de onlangs
ook voor de overheidssector in werking getreden Arbeidsomstandighedenwet.
Ambtenaren nemen thans wat de
structuur betreft (nog) een aparte positie in binnen het arbeidsrecht. Dat
behoeft echter niet te betekenen dat op bepaalde inhoudelijke onderdelen
van de rechtspositie niet een einde aan die aparte positie zou kunnen
worden gemaakt wanneer voor die aparte positie niet voldoende gronden
meer bestaan.
Het kabinet meent dat er, mede
gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen en het SER-advies ter zake,
onvoldoende aanleiding is om ambtenaren in principe uit te sluiten van een
overigens voor alle werknemers geldende nieuwe werkloosheidsverzekering.
Naar de mening van het kabinet
is het derhalve in principe gewenst de beoogde risicoverevening tussen de
overheidssector en de particuliere sector in de sfeer van de werkloosheid
te bewerkstelligen.
rblz.|40|
Over het voornemen van het
kabinet om het overheidspersoneel te zijner tijd te betrekken bij de
nieuwe Werkloosheidswet is door de Minister van Binnenlandse Zaken het
oordeel gevraagd van het Centraal Georganiseerd Overleg in
ambtenarenzaken. De centrales van overheidspersoneel hebben de bewindsman
bij brief van 23 mei 1985 medegedeeld er ten principale geen enkele
behoefte aan te hebben om overheidspersoneel bij de stelselherziening te
betrekken. Als onderdeel van het totaal van rechtspositieregelingen zijn
- aldus de centrales - in de loop der jaren in het georganiseerd overleg
specifieke
werkloosheidsregelingen tot stand gekomen. Zij zien geen reden
daar nu van af te wijken omdat elders een stelselherziening plaatsvindt.
Geconstateerd kan worden dat inzake het betrekken van ambtenaren bij het
nieuwe stelsel van sociale zekerheid nog geen overeenstemming kon worden
bereikt, zodat daarover verder overleg moet plaatsvinden.
Het wetsvoorstel houdt met
betrekking tot het overheidspersoneel dan ook de volgende regeling in. Het
overheidspersoneel is in beginsel opgenomen in de kring van verzekerden (artikel
3 [3]). Tegelijkertijd wordt het overheidspersoneel uitgesloten van
de kring van verzekerden tot een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen tijdstip dat na 31 december 1986 moet zijn gelegen. Bij diezelfde
algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het
overheidspersoneel nadere en zo nodig van
de wet afwijkende regels worden
gesteld. De voordracht tot die algemene maatregel van bestuur moet worden
gedaan door de Ministers van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, van
Binnenlandse Zaken, van Onderwijs en Wetenschappen en
van Defensie (artikel
7 [7]).
Het kabinet meent dat een
beslissing over het daadwerkelijk betrekken van de ambtenaren bij de kring
van verzekerden eerst na open en reëel overleg met de centrales van
overheidspersoneel en de belangenverenigingen van militairen kan worden
genomen.
In vorenbedoelde algemene
maatregel van bestuur zal aan een beslissing gestalte worden gegeven. Er
zullen in deze algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld
met betrekking tot specifiek voor overheidspersoneel geldende afwijkende
situaties.
Een ontwerp van een besluit
tot het treffen van een algemene maatregel van bestuur als vorenbedoeld
moet in de Nederlandse Staatscourant worden gepubliceerd. Er moeten twee
maanden na die publicatie verstreken zijn alvorens aan de Kroon een
voordacht kan worden gedaan tot een dergelijke algemene maatregel van
bestuur (geregeld in de artikelen 127
[125] en 128
[126]).
Het ligt voorts in het
voornemen het concept van bedoelde algemene maatregel van bestuur voor te
leggen aan het parlement, zodat het parlement zich daarover te voren kan
uitspreken.
Op dit moment is het
betrekken van overheidspersoneel bij de andere werknemersverzekeringen
niet aan de orde. Ter zake van arbeidsongeschiktheid geldt overigens dat
ook zonder deelname van overheidspersoneel aan de WAO
via de AAW
reeds een
gedeeltelijke risicoverevening tussen overheidspersoneel en overige
werknemers bestaat.
In hoofdstuk 5 zal worden
ingegaan op de financiële aspecten van het betrekken van het
overheidspersoneel bij de nieuwe werkloosheidsverzekering.
3.3.3. Personen die hun
militaire dienstplicht of vervangende dienst vervullen
De dienstplichtige militair is
niet verzekerd op grond van de werknemersverzekeringen (artikel 6, eerste
lid, onderdeel b, van de WW, ZW en WAO). Dat heeft als
consequentie dat
de dagen waarop de militaire dienstplicht is vervuld, voor de toepassing
van de referte-eis van 130 dagen van de WW niet meetellen. Wel herkrijgt
de dienstplichtige militair na afloop van de militaire dienst de
hoedanigheid van werknemer, ook indien hij niet in rblz.|41|
dienstbetrekking treedt.
Indien in de referteperiode (de periode van twaalf maanden onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid) dagen liggen waarop de
militaire dienstplicht is vervuld, dan wordt de referteperiode verlengd
met die dagen. In het kader van de WWV
is voor dienstplichtige militairen
een geheel andere regeling getroffen. Voor de toepassing van de WWV worden
namelijk de dagen waarop een werknemer zijn militaire dienstplicht heeft
vervuld, gelijkgesteld met dagen waarop in dienstbetrekking is gewerkt
(artikel 9, eerste lid, van de WWV). Volgens de memorie van toelichting
bij de WWV is dat gebeurd "uit billijkheidsoverwegingen".
Evenals in de WW geldt voor de
WWV een referte-eis van 130 dagen in dienstbetrekking werken in de periode van
twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de
werkloosheid.
Sedert 1 juli 1983 geldt
echter in de WWV voor personen beneden de leeftijd van 23 jaar een
verzwaarde referte-eis: in de drie jaren voorafgaande aan het intreden van de
werkloosheid moet betrokkene gedurende tweeënhalf jaar een dienstbetrekking
van niet-bijkomstige aard hebben gehad. Uit één en ander volgt dat het
meetellen in het kader van de WWV van de dagen waarop militaire
dienstplicht is vervuld thans een rol kan spelen niet alleen voor degenen die direct na afloop van de militaire dienst werkloos zijn, doch
ook voor degenen (zowel voor beneden- als boven-23-jarigen) die in het
jaar na afloop van de militaire dienst werkloos worden en voorts voor wat
betreft de beneden-23-jarigen ook nog de twee daaropvolgende jaren. De
dagen waarop militaire dienstplicht is vervuld, tellen voorts sedert 1
mei 1985 ook mee bij de beoordeling van het recht op verlenging van de
WWV-uitkering met een halfjaar (artikel 19, eerste lid, onderdeel e,
WWV).
De werkloze ex-dienstplichtige
militair die niet (of niet meer) in aanmerking komt voor WW- of
WWV-uitkering kan, zo hij aan de voorwaarden voldoet, in aanmerking komen
voor een uitkering ingevolge de Rww.
De
volgende cijfers geven een globaal inzicht over de aantallen waar het hier
om gaat.
Jaarlijks verlaten circa 42 000
militairen de krijgsmacht na het vervullen van de dienstplicht. Circa 25%
daarvan heeft direct na afloop van de dienstplicht recht op een
werkloosheidsuitkering (WW, WWV of Rww). Het is niet bekend in hoeveel
gevallen in het kader van de WWV de gelijkstelling van dagen waarop
militaire dienstplicht is vervuld met dagen waarop in dienstbetrekking is
gewerkt een rol speelt voor ex-dienstplichtigen die niet direct na
afloop van de militaire dienst doch wel op een later tijdstip werkloos
worden.
De vraag rijst welke positie
de dienstplichtige militairen dienen in te nemen in de nieuwe
werkloosheidsverzekering. In de voorgestelde werkloosheidsverzekering zal
een referte-eis en een arbeidsverledeneis gelden.
De referte-eis ten minste in
26 weken in dienstbetrekking werken in de periode van twaalf
maanden
onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid zal als
voorwaarde gelden voor het recht op loondervingsuitkering en
vervolguitkering. Voldoet men aan deze voorwaarde, dan heeft men recht op
ten hoogste zes maanden loondervingsuitkering.
Voor het recht op
loondervingsuitkering na die zes maanden (alleen voor degene die 23 jaar
of ouder is bij het intreden van de werkloosheid) en voor het recht op
vervolguitkering geldt tevens een arbeidsverledeneis als voorwaarde:
drie jaar in dienstbetrekking hebben gestaan van acht of meer uur per week
gedurende de laatste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het intreden
van de werkloosheid.
Naar de mening van het kabinet
is er alleszins reden om de in het kader van de WWV getroffen regeling
voor dienstplichtige militairen over te nemen in de nieuwe
werkloosheidsverzekering. Dat uiteraard met inachtneming van het verschil
in karakter tussen de WWV als een voorziening en de nieuwe regeling als
een verzekering.
rblz.|42|
De in het wetsvoorstel
neergelegde regeling met betrekking tot de dienstplichtige militairen
houdt het volgende in:
- dienstplichtige militairen
behoren tot de kring van verzekerden (de bijzondere verhouding van de
dienstplichtige militair tot de overheid zal als dienstbetrekking worden
beschouwd);
- de dagen waarop de
militaire dienstplicht is vervuld, worden meegeteld zowel voor de
referte-eis als voor de arbeidsverledeneis;
- werkloze ex-dienstplichtige
militairen kunnen onder dezelfde voorwaarden als andere verzekerden in
aanmerking komen voor uitkeringen en voorzieningen op grond van de nieuwe
werkloosheidsverzekering;
- de loondervingsuitkering
voor werkloze ex-dienstplichtige militairen wordt - conform de thans in
het kader van de WWV
geldende regeling - gerelateerd aan het minimumloon
voor een volwassene dan wel, indien hij de leeftijd van 23 jaar nog niet
heeft bereikt, aan het desbetreffende minimumjeugdloon;
- door en voor (de Minister
van Defensie wordt beschouwd als werkgever) de dienstplichtige militairen
dient de normale premie in het kader van de nieuwe
werkloosheidsverzekering te worden betaald (voor wachtgeldfonds en AWf
[Algemeen Werkloosheidsfonds, red.]);
als gevolg van de afstemming van de wedde op het nettominimumloon zal het
verschuldigd zijn van premie door de dienstplichtigen geen invloed hebben
op de hoogte van de wedde.
De
voorgestelde regeling betekent voor de dienstplichtige militairen beneden
de leeftijd van 23 jaar - dat betreft verreweg het grootste deel van de
dienstplichtigen - niet alleen een continuering, doch ook een verbetering
van de aanspraken op werkloosheidsuitkering.
Immers, onder vigeur van de WWV
geldt voor deze categorie thans de verzwaarde referte-eis (tweeënhalf jaar
niet-bijkomstige dienstbetrekking in de laatste drie jaar) als voorwaarde voor het
recht op uitkering.
In het kader van de nieuwe
werkloosheidsverzekering geldt voor alle verzekerden (dus ook voor
beneden-23-jarigen) voor het recht op loondervingsuitkering gedurende ten
hoogste zes maanden een referte-eis van arbeid verrichten in ten minste 26
weken. Aangezien de eerste oefening veertien maanden duurt, zullen werkloze
ex-dienstplichtige militairen steeds voldoen aan deze referte-eis. In
geval van werkloosheid na afloop van de militaire dienstplicht is er
derhalve een aanspraak op ten minste zes maanden loondervingsuitkering op
grond van de nieuwe werkloosheidsverzekering.
In het vorenstaande is alleen
gesproken over dienstplichtige militairen. In het kader van de WW en de
WWV zijn voor personen die in het kader van de Wet erkende
gewetensbezwaren militaire dienst vervangende dienst vervullen dezelfde
regelingen getroffen als voor dienstplichtige militairen. Het ligt dan ook
in de rede deze categorie van personen in het kader van de nieuwe
werkloosheidsverzekering mutatis mutandis dezelfde positie te geven als de
dienstplichtige militairen. In het wetsvoorstel is hiervoor een regeling
getroffen.
In het kader van de
stelselherziening is ook nog een wijziging nodig van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, die uitkeringen verleent
aan dienstplichtige militairen en daarmee gelijkgestelden die
arbeidsongeschikt zijn op de dag waarop het verblijf in werkelijke
dienst eindigt. Ter zake kan worden verwezen naar de binnenkort in te
dienen Invoeringswet stelselherziening.
3.3.4. Het huishoudelijk
personeel
In artikel 6, eerste lid,
onderdeel c, van de WW, de ZW en de WAO wordt
niet als dienstbetrekking
beschouwd de arbeidsverhouding van degene die ten behoeve van de
natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend huishoudelijke of persoonlijke diensten in diens
huishouden verricht en die diensten doorgaans op minder dan drie dagen per
week verricht. Het niet verzekerd zijn ingevolge de ZW
heeft als
consequentie dat men ook niet verzekerd is voor de Ziekenfondswet.
rblz.|43|
Voor de WWV
geldt een
dergelijke bepaling met betrekking tot het huishoudelijk personeel niet.
Zij zijn derhalve zonder meer werknemer in de zin van die wet en alle
dagen waarop in een dienstbetrekking huishoudelijke arbeid wordt
verricht, worden in aanmerking genomen bij de bepaling van het recht op
uitkering, met name de gewerktedageneis. Derhalve is de WWV voor de
groep ruimer dan de WW. In de praktijk blijkt dit verschil echter niet.
Uit onderzoek bij verschillende gemeenten is namelijk gebleken dat deze
groep vrijwel nooit voor een uitkering in aanmerking komt. Waarschijnlijk
is dat een gevolg van de uitsluiting van arbeid van bijkomstige aard en de
tot 1 mei 1985 geldende kostwinnerseis in de WWV. De verschillende
behandeling van deze groep in de WW en de WWV maakt niettemin een keuze in
het kader van de voorgestelde werkloosheidsregeling noodzakelijk. In de
adviesaanvrage is overigens het belang van een nadere bezinning op de
rechtspositie van deze groep onderschreven.
Sinds de totstandkoming van de
WW is door de opvolgende kabinetten het standpunt ingenomen dat het
principieel het meest juiste zou zijn het huishoudelijk personeel, net als
andere werknemers, zonder enige beperking tot de personenkring van de
werknemersverzekeringen toe te laten. Er is geen reden thans een ander
standpunt in te nemen. Ook vanuit emancipatoir oogpunt is - in samenhang
met de EG-richtlijn - voor het opheffen van de uitzonderingspositie van
het huishoudelijk personeel veel te zeggen. Weliswaar betekent de
uitzondering geen directe discriminatie (geen verwijzing naar geslacht) en
ook geen indirecte discriminatie door verwijzing naar de echtelijke staat
of gezinssituatie, maar vaststaat wel dat in de praktijk nagenoeg
uitsluitend vrouwen met deze uitzonderingsbepaling te maken hebben. Men
zou dus kunnen spreken van indirecte discriminatie door verwijzing naar de
aard van de arbeid. De derde EG-richtlijn is hierop van toepassing, omdat
het gaat om de "toegang" (het verzekerd zijn) tot het uitkeringsrecht.
Of bij een dergelijke verschillende uitwerking sprake is van indirecte
discriminatie hangt echter af van het feit of dit verschil een objectieve
en redelijke grond heeft; er ontstaat derhalve een vermoeden van
discriminatie dat weerlegbaar is.
Het is dan aan degene die de
maatregel treft om het bewijs te leveren dat de maatregel objectief
gerechtvaardigd is en op geen enkele wijze de bedoeling inhield om te
discrimineren.
Deze uitwerking van het
discriminatiebegrip sluit aan bij de invulling die het Europees Hof van
Justitie aan dat begrip heeft gegeven in zijn arrest van 31 maart 1981,
zaak nr. 96/80 (Jenkins/Kingsgate, NJ 1982, 419).
Een volledige gelijke
behandeling van deze groep werd in het verleden steeds afgehouden met een
beroep op praktische en uitvoeringstechnische bezwaren, alsmede uit de
overweging dat het hier in het algemeen een groep betrof die aan
dergelijke verzekeringen geen behoefte had. Deze bezwaren doen zich ook nu
nog voor en zijn niet gering. Degene die in de huishouding wordt geholpen,
wordt werkgever met alle administratieve en andere verplichtingen van
dien. Dit geldt ook voor de socialeverzekeringsorganen en de belastingdienst. De huishoudelijke hulp zal ook duurder worden. Niet
uitgesloten mag worden dat als gevolg van een opneming in de kring van
verzekerden voor de werknemersverzekeringen minder huishoudelijk werk zou
worden aangeboden en dat een aanmerkelijk deel van het nog wel bestaande
aanbod via het zwarte circuit zou gaan plaatsvinden. Het schrappen van de
uitzonderingsbepaling voor het huishoudelijk personeel zou dus naar
verwacht slechts voor een deel van de thans in die sfeer werkzame personen
leiden tot een betere rechtspositie. Voor een ander deel betekent het
eerder een verslechtering van de arbeidsmarktpositie en/of de
rechtspositie. Gelet op deze bezwaren stellen wij dan ook voor de
bestaande uitzonderingsbepaling voor het huishoudelijk personeel in de
onderscheiden werknemersverzekeringen te handhaven en in dit wetsvoorstel
is een uitzonderingsbepaling dan ook opgenomen. Voorgesteld wordt voor
bedoelde groep de mogelijkheid van vrijwillige verzekering open te
stellen, omdat zich daarbij de hiervoor genoemde bezwaren niet voordoen.
In paragraaf 3.9 wordt daar nader op ingegaan.
rblz.|44|
3.3.5. Personen die in het
buitenland werkzaam zijn geweest
Verzekerd voor de WW (en
ZW, WAO) zijn in beginsel degenen - Nederlanders en vreemdelingen - die in
Nederland in dienstbetrekking werkzaam zijn. Daarnaast is tevens verzekerd
degene die niet in Nederland in dienstbetrekking werkzaam is, mits
hijzelf en zijn werkgever in Nederland woont c.q. gevestigd is. Bij
algemene maatregel van bestuur zijn op deze hoofdregels enkele
uitzonderingen gemaakt, die in dit kader niet van belang zijn (artikel 3
WW).
De werknemer die buiten
Nederland in dienstbetrekking heeft gewerkt, valt wel onder de werking van
de WWV, ook als hij en/of zijn werkgever in het buitenland woont/gevestigd
is (artikel 3 WWV). Ten aanzien van vreemdelingen - behoudens de
vreemdelingen die op grond van een verdrag met Nederlanders worden
gelijkgesteld - geldt een extra voorwaarde; zij moeten gedurende ten
minste negen achtereenvolgende weken, aan hun werkloosheid onmiddellijk
voorafgaande, op niet onrechtmatige wijze in Nederland verblijf hebben
gehouden. Anders worden zij uitgesloten van uitkering (artikel 13, eerste
lid, onderdeel m, WWV).
In het kader van de nieuwe
werkloosheidsregeling zal dit verschil in de kring van de
verzekerden/gerechtigden opgelost moeten worden. Het gaat daarbij in het
bijzonder om twee categorieën:
1. de niet in Nederland
wonende Nederlander - en de met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling
- die buiten Nederland in dienstbetrekking werkzaam is voor een niet in
Nederland wonende of gevestigde werkgever;
2. de niet in Nederland wonende Nederlander en de met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling
- die
buiten Nederland in dienstbetrekking werkzaam is voor een in Nederland
wonende of gevestigde werkgever.
Ten aanzien van deze personen geldt
thans dat zij niet verzekerd zijn voor de WW - en dus geen aanspraak
kunnen maken op een WW-uitkering, maar na jarenlang in het buitenland
werkzaam geweest te zijn bij (terug)komst in Nederland in geval van
werkloosheid wel aanspraak kunnen maken op een WWV-uitkering. Voor de niet
met Nederlanders gelijkgestelde vreemdelingen doet zich geen discrepantie
voor tussen de WW en de WWV, daar zij niet verzekerd zijn voor de WW en
door de werking van artikel 13, eerste lid, onderdeel m, geen recht op
WWV-uitkering hebben. Deze categorie blijft hier dan ook buiten
beschouwing.
Ten aanzien van de hiervoor
genoemde groepen Nederlanders - en met hen gelijkgestelde vreemdelingen -
rijst de vraag of het gewenst is in het kader van de verplichte
verzekering ingevolge dit wetsvoorstel bescherming te blijven bieden. Deze
vraag wordt door ons ontkennend beantwoord. Aan deze beslissing liggen de
volgende overwegingen ten grondslag.
In de eerste plaats heeft
zwaar gewogen dat het in deze gaat om een verzekering. Ingevolge de
werknemersverzekeringen geldt thans als uitgangspunt voor verzekering dat
in Nederland een dienstbetrekking moet zijn vervuld. Op dit uitgangspunt
is een aantal uitzonderingen gemaakt. Deze uitzonderingen beogen enerzijds
dubbele verzekering te voorkomen en anderzijds personen met een duidelijke
band met Nederland toch onder de werkingssfeer van de
werknemersverzekeringen te brengen. Dit uitgangspunt blijft voor de in
dit wetsvoorstel geregelde verzekering onverkort van kracht. Naar onze
mening is bij bovengenoemde groepen een onvoldoende band met Nederland om
deze onder de werkingssfeer van de verplichte verzekering ingevolge deze
wet te brengen. Daarmee zou een te grote inbreuk op het
territorialiteitsbeginsel van de werknemersverzekeringen worden gemaakt.
In de tweede plaats spelen met name ten aanzien van de onder 1 bedoelde
groep ook uitvoeringstechnische problemen een belangrijke rol. De controle
op de aard van de ontstane werkloosheid zal praktisch onmogelijk zijn.
Voorts zal het onmogelijk zijn om iedereen die in deze groep zou vallen in
de premieheffing en loonbelasting te betrekken, hetgeen de mogelijkheid van
misbruik vergroot. Dit klemt te meer indien voor deze groep ook
verzekeringsplicht ingevolge de andere rblz.|45|
werknemersverzekeringen en de
volksverzekeringen zou worden voorgesteld. Deze groep is thans namelijk
ook niet verzekerd op grond van de ZW en de WAO en evenmin op grond van de
volksverzekeringen. Ook de onder 2 genoemde groep is niet verplicht
verzekerd ingevolge de ZW en de WAO. De ZW en de WAO bieden echter voor
bepaalde gevallen de mogelijkheid tot een vrijwillige verzekering.
Uit coördinatieoverwegingen
met de ZW en de WAO, alsook om enerzijds door sommige van deze werknemers
gewenste dekking van het werkloosheidsrisico mogelijk te maken en
anderzijds ongewenste dubbele verzekering en daarmee samenhangende
premiebetaling te voorkomen, wordt voorgesteld ook in de in dit
wetsvoorstel geregelde werkloosheidsverzekering de mogelijkheid van
vrijwillige verzekering te bieden. In paragraaf 3.9 wordt daar verder op
ingegaan.
3.4. De voorwaarden voor het
recht op uitkering
3.4.1. Inleiding
Zoals hiervoor in
paragraaf
3.2 beschreven, kunnen de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op
uitkering onderscheiden worden in positieve en negatieve voorwaarden. Het
gaat bij beide voorwaarden om objectieve criteria, die niet afhankelijk
zijn van een subjectieve gedraging. De positieve voorwaarden verhouden
zich tot de negatieve voorwaarden (uitsluitingsgronden) als regel tot
uitzondering. Ook in de huidige wetgeving komt dit onderscheid voor, al is
dat niet altijd duidelijk als zodanig herkenbaar.
Deze voorwaarden zijn
namelijk, met name in de WW, niet systematisch behandeld. In het thans
voorliggende wetsvoorstel worden zowel de positieve voorwaarden als de
uitsluitingsgronden in een afzonderlijke paragraaf bijeengebracht.
Allereerst kan als voorwaarde genoemd worden dat sprake moet zijn van
werkloosheid. Voorts wordt ook in het thans voorliggende wetsvoorstel een
referte-eis als algemene voorwaarde opgenomen. Tot slot kent de
nieuwe Werkloosheidswet - evenals thans de WW en de WWV
- een aantal uitsluitingsgronden. Deze voorwaarden komen in de hiernavolgende
subparagrafen achtereenvolgens aan de orde.
3.4.2.
Verzekerd risico: werkloosheid
Zoals uit
hoofdstuk 2 van deze
memorie blijkt, is zowel voor de loondervingsfase als voor de tussenfase
gekozen voor "werkloosheid" als toelatingscriterium. Wat onder
werkloosheid verstaan moet worden, is in de huidige WW en WWV
niet nader
bepaald.
Voorts blijkt uit een
vergelijking van de wetsbepalingen dat het begrip werkloosheid in de WW en
de WWV niet op gelijke wijze is omschreven. De WW geeft, als gesteld, bijvoorbeeld duidelijk aan dat het bestaan van een dienstbetrekking of het
ontvangen van loon er niet aan in de weg staat om iemand werkloos te
achten, terwijl de WWV niet aangeeft in hoeverre deze aspecten een rol
spelen. Uit de memorie van toelichting bij de WWV (Kamerstukken II 1963-1964,
7726) blijkt dit evenmin expliciet. Wel legt deze memorie
een relatie met het werkloosheidsbegrip in de WW, in die zin dat gesteld
wordt dat het begrip vanwege de moeilijke bepaalbaarheid niet
gedefinieerd wordt, evenmin als zulks in de WW is geschied. De CRvB [Centrale
Raad van Beroep, red.] heeft
op dit punt echter duidelijkheid gebracht door uit te spreken dat voor de
toepassing van deze wet [lees: die
wet, red.] aansluiting dient te worden gezocht bij de
rechtspraak aangaande de in de WW voorkomende termen "werkloosheid" en
"werkloos" (CRvB 17 januari 1979, RSV 1979, nr. 95).
Ook de begrippen werkloosheid
en arbeid van bijkomstige aard hebben door jurisprudentie van de CRvB hun
nadere uitwerking gekregen.
rblz.|46|
De moeilijke bepaalbaarheid
van het begrip werkloosheid vormde bij de totstandkoming van de WW en de WWV
de reden om een definitie ervan achterwege te laten. In het kader van
het thans voorliggende wetsvoorstel is de vraag onder ogen gezien of dit
nog steeds opgaat of dat op basis van vorengenoemde jurisprudentie in de
wet zelf een nadere omschrijving van dit begrip kan worden gegeven. Het
verdient immers de voorkeur dat in de wet een zo concreet en duidelijk
mogelijke terminologie gevolgd wordt. Dit is niet alleen voor de
bedrijfsverenigingen van belang, die de wet zullen moeten uitvoeren, maar
juist ook voor de gebruikers van de wet. Een duidelijke en heldere
terminologie vergroot de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid.
Voorts is het gerechtvaardigd
om, waar jurisprudentie van de rechter duidelijkheid heeft gebracht, deze
in de wet - die toch uiteindelijk de primaire bron van rechtsvinding is -
tot uitdrukking te brengen.
Een uitgebreide bestudering
van de uitspraken van de CRvB heeft geleerd dat een aantal elementen
volgens constante jurisprudentie van dat college een rol speelt bij de
beoordeling of sprake is van werkloosheid. Deze elementen zijn:
1. of, en zo ja, in welke mate
betrokkene niet in voor hem normaal te achten omvang productieve arbeid -
betaald of onbetaald - heeft; iemand "heeft" arbeid als voor hem arbeid
beschikbaar is of beschikbaar wordt gesteld;
2. of, en zo ja, in welke mate
sprake is van reële beschikbaarheid voor arbeid in dienstbetrekking.
Deze jurisprudentie van de
CRvB biedt naar onze mening voldoende aanknopingspunten om in de wet een
nadere uitwerking van het begrip werkloosheid vast te leggen. Derhalve is
mede op basis van deze jurisprudentie in de wet op hoofdlijnen een nadere
uitwerking van het begrip werkloosheid opgenomen.
In
de wet is de volgende uitwerking gegeven aan het werkloosheidsbegrip c.q.
het begrip arbeid van bijkomstige aard. Van werkloosheid is sprake, indien
de werknemer:
a. ten minste vijf arbeidsuren
per week verliest of 50% van zijn arbeidsuren per week; en
b. beschikbaar is om arbeid te
verrichten.
Bij algemene maatregel van
bestuur zullen ter zake nadere regelen worden gesteld.
Via vorenstaande
uitzondering van arbeid van bijkomstige aard in het werkloosheidsbegrip
wordt aangesloten bij het thans uitdrukkelijk in de WWV voorkomende
systeem en het middels de jurisprudentie van de CRvB in de WW
geïntroduceerde systeem.
Hoewel het ook mogelijk is
arbeid van bijkomstige aard via het werknemersbegrip uit te zonderen,
zoals vóór 1 juli 1967 het geval was, is daarvan afgezien omdat dit met
name op het bezwaar zou stuiten dat discoördinatie ontstaat met onder
meer de loonbelasting. Uit coördinatieoverwegingen met de loonbelasting
werd in 1967 juist de uitzondering via het werknemersbegrip geschrapt.
Gevolg daarvan was dat de omvang van de verloren arbeid een rol is gaan
spelen in de jurisprudentie met betrekking tot het begrip werkloosheid.
Voorts zou uitzondering via het werknemersbegrip onbillijk kunnen werken
ten aanzien van personen die meer kleine dienstbetrekkingen naast elkaar
vervullen, tenzij daarvoor bijzondere regelen worden gesteld. Dit laatste
nu zou de uitvoering aanmerkelijk compliceren en misbruik en oneigenlijk
gebruik in de hand kunnen werken.
Vorengenoemde uitwerking van
het werkloosheidsbegrip wijkt op een aantal punten af van de constante
jurisprudentie van de CRvB.
In de eerste plaats is de
absolute ondergrens van vijf uren die de CRvB hanteert, verzacht door als
nevenvoorwaarde te stellen dat ook van werkloosheid sprake is indien 50%
van de arbeid verloren gaat. Naar onze overtuiging werkt een absolute
ondergrens voor personen die in een dienstbetrekking van geringe omvang
werkzaam zijn te hard uit. Bij een rblz.|47|
verlies van vier uur voor iemand
die op één dag per week arbeid verricht, zou namelijk geen sprake van
werkloosheid zijn, terwijl toch een aanmerkelijk deel van de arbeid
wegvalt.
In de tweede plaats is niet
aangehaakt bij de in de jurisprudentie gehanteerde omschrijving van
werkloosheid, die uitgaat van het "niet hebben van productieve arbeid in
normale omvang". Daaraan ligt de overweging ten grondslag dat het begrip
productieve arbeid tot verschillende interpretaties aanleiding kan geven,
vooral waar het gaat om onbetaald werk. Terwille van de helderheid voor
alle betrokkenen, zowel de uitvoeringsorganen als de belanghebbende
werknemers, en teneinde elke rechtsongelijkheid op dit punt te
vermijden, is het criterium productieve arbeid niet opgenomen en is
volstaan met een omschrijving van arbeidsuren. Bij de vraag of een
werknemer werkloos is geworden, wordt uitgegaan van de arbeid die in
dienstbetrekking is verricht alsmede de werkzaamheden die zijn verricht in
de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een
beroep. Daarmee is meer dan met het begrip productieve arbeid duidelijk
aangegeven welke uren in aanmerking komen voor de vaststelling van de
vraag of er sprake is van werkloosheid. Op deze wijze heeft het door de
CRvB gehanteerde begrip een invulling gekregen. In concreto betekent dit
dat bij de bepaling van de verhouding tussen verloren arbeidsuren en
resterende arbeidsuren geen rekening wordt gehouden met vóór het intreden
van de eventuele werkloosheid verrichte onbetaalde arbeid.
Ook na ontstane werkloosheid
aangevangen onbetaalde activiteiten - van traditioneel
vrijwilligerswerk tot en met werk in het kader van de beoogde Wet
onbeloonde arbeid voor uitkeringsgerechtigden - beïnvloeden de
werkloosheid niet, uiteraard tenzij er sprake is van het verrichten van
onbetaalde werkzaamheden die een bedrijfs- of beroepsmatig karakter
hebben. Het verrichten van onbetaalde activiteiten kan echter niet zonder
meer plaatsvinden. Onbeloonde activiteiten zijn op grond van het
voorzieningenhoofdstuk onderworpen aan een meldingsplicht of aan
voorafgaande toestemming door de bedrijfsvereniging. Het niet voldoen aan
de verplichtingen die in het desbetreffende hoofdstuk worden genoemd, kan
leiden tot een sanctie.
In de derde plaats is het
onderscheid dat de CRvB maakt tussen arbeid verricht binnen of buiten de
normale arbeidsuren niet gevolgd. Bij arbeid die buiten de normale
arbeidsuren is verricht, stelt de CRvB, behalve de absolute ondergrens in
het aantal uren arbeid, als voorwaarde dat deze arbeid ten minste twee
jaar moet zijn verricht.
Aan het laten vervallen van
dit onderscheid ligt de overweging ten grondslag dat de verdere
ontwikkeling van herverdeling van arbeid ertoe kan leiden dat het steeds
vaker voor zal kunnen komen dat in sterk wisselende patronen arbeid
wordt verricht. Het begrip normale arbeidsuren -
waarbij gedacht wordt aan de gebruikelijke uren overdag en de uren in de
avond wanneer dat naar de aard van het werk of in de bedrijfstak
gebruikelijk is - zal dan zijn onderscheidend vermogen verliezen. Voorts
is van belang dat voor de duur van de uitkering een arbeidsverledeneis
wordt geïntroduceerd die de extra eis die de CRvB stelt voor de
toelating tot de verzekering in zekere zin overbodig maakt. In verband
hiermee word in de wet niet het verschil aangebracht tussen arbeid binnen
of buiten de normale arbeidsuren, zodat iemand die aan de referte-eis
voldoet - en aan de overige voorwaarden - zonder meer gedurende een halfjaar recht op uitkering heeft. In dit verband is nog van belang dat met
het verlies van arbeid buiten de normale arbeidsuren ook nu al zich het
verschijnsel kan voordoen dat een volledige dienstbetrekking resteert,
terwijl daarnaast recht op WW-uitkering bestaat.
Indien iemand van 50 uren
teruggaat naar 35 uren per week, is immers sprake van werkloosheid.
Onder ogen is gezien of het in
een tijd waarin naar een betere verdeling van (betaalde en onbetaalde)
arbeid wordt gestreefd juist is aan iemand die nog een normale dagtaak
over heeft een werkloosheidsuitkering te rblz.|48|
verstrekken. Een beperking van
het verzekerd risico, in die zin dat geen recht op uitkering bestaat
indien een normaal arbeidspatroon resteert, heeft aantrekkelijke kanten.
Er zijn echter ook bezwaren aan verbonden. Een logische consequentie
hiervan zou zijn dat degene die bijvoorbeeld 50 uur werkte en die
bijvoorbeeld tien uren kwijtraakt, geen uitkering krijgt, omdat hij nog een
normale dagtaak overhoudt en derhalve geacht moet worden niet werkloos te
zijn. Op deze wijze wordt derhalve het loondervingskarakter van de
werkloosheidsverzekering beperkt. Voorts heeft dit tot gevolg dat de
equivalentie tussen premie en uitkering wordt doorbroken, daar het niet
gewenst is om bovenmatige arbeidsuren buiten de premieplicht te houden.
Verder kan als bezwaar genoemd worden dat van een dergelijke maatregel een oneigenlijke sturende werking
van de sociale zekerheid kan uitgaan. Het werken in meer dan normale
omvang zou immers minder aantrekkelijk worden gemaakt. Daardoor zou een
maatregel in de secundaire sfeer kunnen ingrijpen in de primaire sfeer.
Dit is strijdig met de visie van het kabinet met betrekking tot de sociale
zekerheid in ons sociale stelsel. De sociale zekerheid moet zoveel
mogelijk de ontwikkelingen in de primaire sfeer volgen. Indien men
bovenmatig werken wil tegengaan, dan zal dit dienen te gebeuren met op de
primaire sfeer gerichte maatregelen.
3.4.3. De referte-eis voor het
recht op uitkering
In dit wetsvoorstel wordt als
algemene voorwaarde voor het recht op uitkering opgenomen dat in de
twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid ten
minste in 26 weken arbeid in dienstbetrekking moet zijn verricht. Voor
seizoenwerknemers zullen afwijkende regels worden gesteld. Deze
referte-eis wijkt af van de huidige referte-eis van de WW en de WWV. De WW
en WWV bepalen immers dat bij een vijfdaagse werkweek op 130 dagen als
werknemer moet zijn gewerkt. Bij een regelmatig arbeidspatroon op hetzij
meer of minder dan vijf dagen per week bedraagt dat aantal evenwel het
26-voudige van het gemiddeld aantal volgens dat arbeidspatroon per week
gewerkte dagen, met een minimum van 65 dagen. Voor personen die in een
onregelmatig arbeidspatroon op gemiddeld minder dan vijf dagen per week
werken, geldt een afwijkende regeling, die overigens ook het minimum van 65
dagen kent. De huidige referte-eis is derhalve gestoeld op de gedachte dat
men gedurende een periode van een halfjaar wekelijks moet hebben gewerkt.
De ondergrens van 65 dagen
leidt er echter toe dat iemand die op één dag in de week werkt nimmer aan
deze ondergrens kan voldoen, terwijl degene die op twee dagen in de week
werkt langer dan een halfjaar moet hebben gewerkt om voor een uitkering
in aanmerking te komen.
Daarnaast heeft de ondergrens
van 65 dagen tot gevolg dat deeltijdwerkers onderling ongelijk worden
behandeld. Afhankelijk van de wijze waarop het werk over de week verdeeld
is, kunnen zij aan de referte-eis voldoen. Degene die bijvoorbeeld acht uur
op één dag per week werkt, kan nooit aan de eis van 65 dagen voldoen,
terwijl degene die verspreid over twee of drie dagen acht uur werkt wel aan de
referte-eis voldoet.
De aanpassing
van de gewerkte referte-eis is dan ook ingegeven door de wens in alle
gevallen een gelijke behandeling van deeltijdwerkers onderling en van
deeltijdwerkers met voltijdwerkers tot stand te brengen. Ook vanuit de
Tweede Kamer is bij verschillende gelegenheden, onder andere bij de behandeling
van de begroting van het departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
eind januari 1984 voor deze kwestie de aandacht gevraagd.
In het thans voorliggende
wetsvoorstel is in de eerste plaats de minimumeis van 65 dagen komen te
vervallen. Op deze wijze wordt een mogelijke belemmering in de sfeer van
de uitkeringsvoorwaarden om in vrijheid een arbeidspatroon te kiezen dat
het beste past bij de persoonlijke wensen of voorkeuren van werknemer en
werkgever, opgeheven. Wellicht ten overvloede wordt er hier aan herinnerd
dat dit evenwel nog niet betekent dat thans ook in alle gevallen van
deeltijdarbeid recht bestaat op een rblz.|49|
uitkering. Immers, zoals in
paragraaf 3.4.2 is beschreven, leidt het verlies van arbeid van
bijkomstige aard niet tot werkloosheid.
In de tweede plaats wordt geen
relatie meer gelegd met het gemiddeld aantal volgens een bepaald
arbeidspatroon per week gewerkte dagen. Als gevolg hiervan kan het
voorkomen dat iemand die bijvoorbeeld op vier dagen per week placht te
werken niet aan de referte-eis voldeed, omdat hij een korte periode op
drie dagen per week had gewerkt. Dit is nimmer beoogd. Met de verzwaring van de
referte-eis bij de Wet van 26 maart 1981, Stb. 1981, 133, werd beoogd een
duurzame binding met het arbeidsproces tot uitdrukking te brengen. De
grens werd daarbij gelegd op een halfjaar. Door in dit wetsvoorstel uit
te gaan van in 26 weken arbeid verrichten, wordt het genoemde niet-beoogde
effect voorkomen.
In de derde plaats wordt de
telling van de dagen voor de referte-eis aangepast. Thans is het zo dat
iedere dag waarop feitelijk is gewerkt, meetelt voor de referte-eis. Voor
de telling van de gewerkte dagen doet het niet ter zake dat geheel of
gedeeltelijk op een dag is gewerkt of dat in één of meer
dienstbetrekkingen per dag of per week is gewerkt.
Heeft men - om van een vijfdaagse werkweek uit te gaan - op 130 dagen
gewerk dan heeft men
ter zake
van de intredende werkloosheid recht op een uitkering. In het huidige
systeem van dagen tellen wordt derhalve in beginsel geen relatie gelegd
tussen de omvang van de werkloosheid en de omvang van de dienstbetrekking
waaruit die werkloosheid is ontstaan. De huidige referte-eisen kennen
thans in feite als voorwaarde dat men tevoren gedurende zekere tijd als
werknemer heeft gewerkt c.q. verzekerd is geweest. Dit leidt tot soms meer
merkwaardige en zeker bij de totstandkoming van de WW en de WWV niet-beoogde effecten.
Zo is bijvoorbeeld een gevolg dat een werknemer die twee dienstbetrekkingen naast elkaar heeft
vervuld en bij voortdurende werkloosheid uit één van die
dienstbetrekkingen in het tweede uitkeringsjaar voor een nieuw WW-recht
van 130 dagen in aanmerking kan komen.
Met de resterende
deeltijddienstbetrekking vervult hij de voorwaarde voor het recht op
uitkering ter zake van de werkloosheid uit de andere dienstbetrekking. Voor
de WWV ligt dit in beginsel niet anders. Ter zake van eenzelfde
werkloosheidsgeval kan aldus over een langere periode dan tweeënhalf
jaar uitkering worden ontvangen, zij het dat bij de Wet van 14 december
1977, Stb. 1977, 670, inzake het tegengaan van het oneigenlijk gebruik als
gevolg van te ruime bepalingen de duur van de WW-uitkering ter zake van
eenzelfde werkloosheidsgeval is gemaximeerd op 78 weken. Een ander gevolg
van de huidige telling van dagen is bijvoorbeeld dat iemand die gedurende
langere tijd in deeltijd heeft gewerkt en die voor korte tijd, bijvoorbeeld enkele dagen of weken, een baan naast die deeltijdbaan
aanvaardt, bij werkloosheid uit die tijdelijke baan zonder meer recht op
een uitkering heeft. Dit lijkt wat al te veel van het goede. Door slechts
gedurende een korte periode te werken, wordt gedurende lange tijd dit
verlies aan inkomen gecompenseerd.
Aangenomen
kan worden dat deze gevolgen nimmer de bedoeling zijn geweest van de
wetgever. De werkloosheidswetten zijn tot stand gebracht in een tijd
waarin het gebruikelijk was om slechts voltijdarbeid te verrichten. Met de
grote variatie in de arbeidspatronen die thans voorkomt, is toen geen
rekening gehouden.
Teneinde vorenstaande
ongewenste effecten te voorkomen, wordt in het wetsvoorstel voorgesteld de
referte-eis te laten gelden per (opvolgende) dienstbetrekking. Tevens
kunnen gewerkte dagen - net als bij de WWV de bedoeling is - slechts in
aanmerking genomen worden voor zover daarmee geen rekening is gehouden
voor een eerder recht op uitkering. Zou bij opeenvolgende
werkloosheidsgevallen telkens met alle in het refertejaar gelegen gewerkte
dagen rekening worden gehouden, dan zou bij korte onderbrekingen van de
werkloosheid telkens een nieuw recht op uitkering over de volle duur
kunnen ontstaan. De in dit wetsvoorstel opgenomen herlevingsregeling zou
hierdoor praktisch illusoir worden. Met betrekking rblz.|50|
tot deze regeling inzake de
herleving van het recht op uitkering zij nog het volgende vermeld. In dit
wetsvoorstel is gekozen voor het in de WWV voorkomende systeem van de
absolute uitkeringsduur. Het WW-systeem, met zijn maximale
uitkeringsrechten per uitkeringsjaar, verdraagt zich niet met de in dit
wetsvoorstel voorgestelde langere uitkeringen. Inherent aan het
WWV-systeem met zijn absolute uitkeringsduur is de mogelijkheid van
herleving van het recht. Dit houdt in dat na een tussentijdse
beëindiging van het recht op uitkering, bijvoorbeeld als gevolg van
werkaanvaarding, zonder dat als gevolg daarvan een nieuw recht op
uitkering is ontstaan - de referte-eis wordt niet opnieuw gehaald - het
oude recht op uitkering geheel of gedeeltelijk herleeft.
Tijdens de periode van
onderbreking is het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk geschorst,
zodat de duur van de uitkering wordt verlengd met de periode van
onderbreking. Het thans in de WW gevolgde systeem waarbij de uitkering in
duur wordt beperkt, is niet in dit wetsvoorstel opgenomen, omdat het nauw
verband houdt met het systeem van uitkeringsjaren in de WW, terwijl in
dit wetsvoorstel is gekozen voor het systeem van de absolute
uitkeringsduur van de WWV.
3.4.4. De uitsluitingsgronden
In de huidige wetgeving komt
in de artikelen 21, eerste lid, en 31, eerste lid, van de WW en artikel 13,
eerste lid, van de WWV
een aantal uitsluitingsgronden voor. Het gaat
daarbij onder andere om:
- het recht op onverminderde
doorbetaling van loon;
- het ontvangen van een AAW-
of WAO-uitkering, of een daarmee overeenkomende uitkering, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;
-
het rechtens van zijn vrijheid beroofd zijn;
- het buiten Nederland wonen
of verblijf houden of vakantie genieten.
De thans in de WW en de WWV
voorkomende uitsluitingsgronden zijn in dit wetsvoorstel opgenomen.
Voor zover nodig wordt in de artikelsgewijze toelichting op deze
uitsluitingsgronden teruggekomen.
Speciale vermelding verdient
evenwel de uitsluitingsgrond wegens verblijf in het buitenland. De ratio
hiervan is dat de wet slechts dient te voorzien in de betaling van
uitkeringen aan werknemers die in Nederland wonen en beschikbaar zijn
voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Buitenlandse werknemers van
niet-Nederlandse nationaliteit die werkloos zijn en een uitkering
ontvangen op grond van deze wet, zijn niet meer uitkeringsgerechtigd
indien zij Nederland verlaten en terugkeren naar hun land van herkomst.
Ten aanzien van het beleid inzake minderheden is het kabinet van mening
dat gestreefd dient te worden naar integratie van de
minderheidsgroeperingen in de Nederlandse samenleving. Echter, dit laat
onverlet de wens van leden van minderheidsgroepen zich toch in het land
van herkomst te hervestigen. Teneinde voor deze personen het mogelijk te
maken in volle vrijheid een verantwoorde keuze te maken met betrekking tot
verlenging van het verblijf in Nederland dan wel terugkeer naar het land
van herkomst, zal het kabinet binnenkort voorstellen doen om bepaalde
groepen personen hierbij een financiële ondersteuning te geven. Deze
financiële ondersteuning zal in een afzonderlijke regeling buiten de nu
voorliggende Werkloosheidswet gestalte krijgen. Personen die op grond van
deze afzonderlijke regeling een (periodieke) uitkering ontvangen, zullen
niet langer voor een werkloosheidsuitkering in aanmerking komen en dus
niet meer ten laste komen van het AWf. Het kabinet acht het verantwoord
het AWf in verhouding tot de daardoor optredende besparing in de
financiering van de binnenkort voor te stellen afzonderlijke regeling te
laten bijdragen. In artikel 94 [92]
van
het voorliggende voorstel is een
daartoe strekkende bepaling opgenomen.
Verder is als
uitsluitingsgrond in dit wetsvoorstel niet overgenomen de thans alleen in
de WW voorkomende uitsluitingsgrond van het ontvangen rblz.|51|
van ziekengeld op grond van de
ZW en daarmee overeenkomende uitkeringen. De discrepantie op dit
punt tussen de WW en de WWV maakte een keuze noodzakelijk. Het volgen van
de WWV-systematiek, te weten geen verzekering op grond van de ZW
tijdens de WWV-uitkeringsperiode, kan ertoe leiden dat na afloop van de
WWV-uitkering tijdelijk een beroep moet worden gedaan op de Algemene
Bijstandswet om de wachttijd voor een AAW/WAO-uitkering vol te maken. Dit
wordt ongewenst geacht. De huidige WW-systematiek - verzekering voor de ZW en opschorting van WW-rechten tijdens ziekte - is
misbruikgevoelig, hetgeen evenzeer ongewenst is. Een genuanceerder
regeling dan via het al dan niet uitsluiten van het recht op uitkering
mogelijk is, is geboden om beide ongewenste neveneffecten te elimineren.
Deze regeling kan worden gevonden in de sfeer van de samenloopregelingen
(zie paragraaf 3.6). De WW-uitkeringsgerechtigde blijft verzekerd op
grond van de Ziektewet, doch het ziekengeld wordt in mindering gebracht op
de werkloosheidsuitkering.
Voorts is nieuw de uitsluiting
van het recht op uitkering van de werknemer die op grond van de
Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40) kan worden uitgezet. Het gaat hierbij om
de persoon die over een geldige verblijfstitel beschikt en zonder
instemming van het bevoegde gezag in Nederland verblijft.
De positie van onrechtmatig in
ons land verblijvende vreemdelingen in het kader van de socialezekerheidswetgeving vraagt reeds geruime tijd de aandacht. De huidige
socialezekerheidswetten - behoudens de WWV - bevatten geen bepalingen op
grond waarvan onrechtmatig hier verblijvende vreemdelingen worden
uitgesloten van uitkeringsrechten. De primaire verantwoordelijkheid voor
het vreemdelingenbeleid, en dus ook voor de bestrijding van onrechtmatig
verblijf, ligt bij de Minister van Justitie. De
socialezekerheidswetgeving mag naar onze mening echter niet het
vreemdelingenbeleid frustreren. Het verlenen van werkloosheidsuitkering
aan onrechtmatig in ons land verblijvende buitenlanders is niet in
overeenstemming met het vreemdelingenbeleid waar dit leidt tot een last
tot uitzetting. De uitkering maakt het de vreemdeling immers materieel
mogelijk hier te blijven, terwijl het vreemdelingenbeleid erop gericht is
hem zo spoedig mogelijk uit te zetten. Bij het verlenen van een uitkering
op grond van de ZW, de WAO en de AAW is van niet-strijdigheid met het
vreemdelingenbeleid in ieder geval in mindere mate sprake daar deze
uitkeringen exportabel zijn.
De positie van buitenlandse
werknemers op het uitkeringsvlak is - met name voor wat betreft de WW en
WWV - ook aan de orde gesteld door de Interdepartementale werkgroep
illegale arbeid door vreemdelingen (bijlage Handelingen II 1979-1980, 16
012, nr.
2). In haar op 10 december 1979 uitgebrachte rapport kwam de werkgroep tot
de aanbeveling de positie van illegale vreemdelingen in het kader van WW
en WWV als volgt te herzien:
a. een toevoeging aan artikel
31, eerste lid, WW, inhoudende dat geen wachtgeld wordt toegekend aan een
vreemdeling die niet over een geldige verblijfstitel beschikt, tenzij het
hem is toegestaan om, hangende de beslissing op een op grond van de
Vreemdelingenwet ingesteld beroep, in Nederland te verblijven;
b. vervanging van artikel 13,
eerste lid, onderdeel [onderdeel ?, red.], WWV
door een bepaling inhoudende dat geen recht op
uitkering heeft de buitenlandse werknemer die niet over een geldige
verblijfstitel beschikt, tenzij het hem is toegestaan, hangende de
beslissing op een op grond van de Vreemdelingenwet ingesteld beroep, in
Nederland verblijven.
Hierbij
tekende de werkgroep overigens aan dat deze aanbeveling diende te worden
bezien in de brede context van eventuele overeenkomstige wijzigingen in de
andere socialeverzekeringswetten. Het toenmalige kabinet heeft ingestemd
met de aanbevelingen van de werkgroep.
Overeenkomstig deze
aanbevelingen wordt de werknemer die op grond van de Vreemdelingenwet kan
worden uitgezet van het recht op uitkering uitgesloten. Het bevoegde gezag
ter zake is het ministerie van Justitie of de
rblz.|52|
vreemdelingendienst. Onze
voorkeur gaat er naar uit ook in de andere socialezekerheidswetten de
onrechtmatig hier verblijvende vreemdeling uit te sluiten van uitkering.
Daartoe strekkende voorstellen zijn op dit moment nog in studie.
Uitsluiting van het recht op
uitkering heeft in ieder geval als voordeel boven uitsluiting van de
personenkring dat voorkomen wordt dat arbeid door onrechtmatig
verblijvende vreemdelingen lucratiever zou worden door het vervallen van
de premie- en loonbelastingplicht. Een zelfde resultaat is bij uitsluiting
van de personenkring slechts door middel van een voor zowel de
bedrijfsverenigingen als de belastingdienst zeer gecompliceerde en
belastende regeling te bereiken. Derhalve wordt vanuit praktisch oogpunt
de voorkeur gegeven aan de methode van uitsluiting van het recht op
uitkering.
Wat betreft de omschrijving
van de groep vreemdelingen die wordt uitgesloten van het recht op
uitkering is aangesloten bij het beleid op grond van de Algemene
Bijstandswet. In de artikelsgewijze toelichting is daarvan een
omschrijving gegeven. Deze omschrijving is overigens minder beperkend dan
hetgeen genoemde werkgroep heeft aanbevolen in het kader van de WW en de
WWV.
3.5. Het geldend maken van het
recht op uitkering
Zoals in paragraaf 3.2
beschreven, gaat het bij het geldend maken van het recht op uitkering om
het nakomen van voorwaarden met een subjectief karakter. Het al dan niet
nakomen van deze voorwaarden tast niet het recht op uitkering aan. Het
niet nakomen van deze subjectieve voorwaarden levert een verwijtbare
gedraging op ter zake waarvan de bedrijfsvereniging de mogelijkheid
geboden wordt een administratieve sanctie te treffen.
De subjectieve voorwaarden
hebben betrekking op omstandigheden waarbij de persoonlijke gedragingen
van de werknemer in het geding zijn. Deze gedragingen kunnen de omvang van
het beroep op een werkloosheidsuitkering beïnvloeden. Uit overwegingen
van solidariteit mag van een werknemer verwacht worden dat hij het
redelijkerwijs mogelijke doet om te voorkomen dat hij op een uitkering
aangewezen raakt en om een recht op uitkering zo beperkt mogelijk te
houden. Wanneer de werknemer een verwijt valt te maken ter zake van (de
omvang van) zijn beroep op een werkloosheidsuitkering, is het redelijk dat
een administratieve sanctie wordt getroffen. Dit laat onverlet de
mogelijkheid om de werknemer ter zake van een verwijtbare gedraging
strafrechtelijk te vervolgen. Voor de strafbepalingen wordt verwezen naar
de artikelsgewijze toelichting.
De
WW en WWV
bevatten thans reeds bepalingen inzake sanctietoepassing bij een
verwijtbare gedraging van de werknemer.
De artikelen 31 en 39 van de
WW bepalen dat in dergelijke gevallen geen uitkering meer wordt toegekend,
zij het dat het bestuur van de bedrijfsvereniging in bepaalde gevallen
onmiddellijk of op een later tijdstip de uitsluiting van het recht op
uitkering kan beperken tot een bepaalde termijn. Deze termijn kan te allen
tijde worden herzien. Artikel 14 van de WWV
bepaalt daarentegen dat het
gemeentebestuur in dergelijke situaties de uitkering verlaagt of, al dan
niet in combinatie met een verlaging, de werknemer van het recht op
uitkering uitsluit. Zowel de verlaging van de uitkering als de uitsluiting
van het recht op uitkering kan tijdelijk of voor de gehele duur van de
uitkering geschieden.
Voorts verdient in dit verband
nog vermelding dat de WW op het ontstaan van niet-onvrijwillige
werkloosheid de facto als sanctie stelt het blijvend uitsluiten van het
recht op uitkering, terwijl ingevolge de WWV in een dergelijke situatie
ook het hiervoor genoemde sanctiesysteem van toepassing is.
Met betrekking tot de
sanctiesystemen van de WW en WWV zij opgemerkt dat waar sprake is van het
uitsluiten van het recht op uitkering c.q. het niet toekennen van het
recht op uitkering voor de duur van de sanctie de rblz.|53|
uitkering wordt geschorst. Na
het bereiken van de eigenlijke - inclusief de schorsingsperiode - maximumuitkeringstermijn bestaat als gevolg hiervan thans een recht op uitkering
gelijk aan het aantal dagen waarover het recht op uitkering werd
geschorst. Bij voortdurende werkloosheid leidt een sanctietoepassing nu
dus niet tot een geringere uitkering. In het systeem dat in dit
wetsvoorstel wordt gevolgd, zal een dergelijke schorsing van
uitkeringsrechten niet meer kunnen voorkomen. Immers, een verwijtbare
gedraging beïnvloedt niet het recht op uitkering, maar heeft alleen
gevolgen voor de mate waarin het recht geldend kan worden gemaakt.
Een nadere bezinning op de
sanctiesystemen van de WW en de WWV die, behoudens de andere constructie,
in feite alleen verschillen wat betreft de mogelijkheid om de uitkering
blijvend of tijdelijk te verlagen, heeft geleid tot het volgende systeem.
Bij het ontstaan van
verwijtbare werkloosheid dient de bedrijfsvereniging de uitkering ten
minste te verlagen tot 70% van het minimumloon, het niveau van de
vervolguitkering. Daarnaast wordt de bedrijfsvereniging de bevoegdheid
gegeven een zwaardere sanctie te treffen indien de aard van de
gedragingen van de werknemer daartoe aanleiding geeft. De wet schrijft
hierbij derhalve een minimumsanctie voor.
Indien de werknemer na het
intreden van de niet-verwijtbare werkloosheid een verwijtbare gedraging
pleegt, krijgt de bedrijfsvereniging de bevoegdheid als administratieve
sanctie:
1. de uitkering blijvend
geheel te weigeren;
2. de uitkering blijvend
gedeeltelijk te weigeren;
3. de
uitkering tijdelijk geheel te weigeren vanaf de eerste dag van
werkloosheid;
4. de uitkering tijdelijk
gedeeltelijk te weigeren; of
5. de uitkeringsduur te
beperken.
Ook indien een verwijtbare
gedraging is gepleegd vóór het intreden van de (verwijtbare) werkloosheid,
geldt deze bevoegdheid. Het gaat hier om andere gedragingen dan de
gedragingen die ertoe hebben geleid dat de werknemer verwijtbaar werkloos
is geworden.
De verwijtbare gedragingen
die onder deze sanctiebevoegdheid van de bedrijfsvereniging vallen, komen
nagenoeg overeen met die thans in artikel 31 tot 39 van de WW en artikel
14 van de WWV
zijn geregeld.
Daarnaast is in de wet de
fictie opgenomen dat de werknemer die niet onverwijld alle feiten en
omstandigheden aan de bedrijfsvereniging meedeelt waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het
recht op, de hoogte en de duur van de uitkering of die zich zodanig heeft
gedragen dat het uitvoeringsorgaan benadeeld is of zo kunnen worden,
geacht wordt vanaf de eerste werkloosheidsdag in verzuim te zijn. Deze
fictie betekent een omkering van de bewijslast. De werknemer dient
aannemelijk te maken dat hij eerst vanaf een later tijdstip in verzuim is
geweest. Deze bepaling verschaft de bedrijfsverenigingen een effectief
instrument ter beteugeling van misbruik. In het eindrapport van de
Interdepartementale stuurgroep misbruik en oneigenlijk gebruik (ISMO) werd
vooral de moeilijke bewijspositie van de bedrijfsverenigingen in de strijd
tegen het misbruik een belemmerende factor genoemd. De fictie op zich
betreft niet een zelfstandige sanctiebevoegdheid, doch is wel
instrumenteel als het gaat om de uitoefening van die bevoegdheid.
Tot slot wordt aan de SVr de bevoegdheid gegeven nadere regels te stellen over de
wijze waarop de bedrijfsverenigingen van hun bevoegdheden gebruikmaken.
Uit een oogpunt van
rechtsgelijkheid is een dergelijke coördinerende en toezichthoudende
bevoegdheid van de SVr wenselijk. Aan de
bedrijfsverenigingen wordt in dit wetsvoorstel een grotere beleidsruimte
gegeven met betrekking tot het voeren van een sanctiebeleid dan thans op
grond van de WW mogelijk is. Voorkomen moet worden dat door de
maatschappelijke druk op bedrijfsverenigingen om een "soepel"
sanctiebeleid te voeren - een blijvende weigering van de uitkering
betekent rblz.|54|
immers een verwijzing naar de
Algemene Bijstandswet en niet meer naar de WWV - te grote discrepanties
ontstaan. Dit betreft niet alleen een verschil in sancties tussen
bedrijfsverenigingen in vergelijkbare situaties, maar ook het verschil
tussen de positie van degenen die het ontstaan van zijn werkloosheid aan
zichzelf te wijten hebben en degenen die het voortduren van hun
werkloosheid aan zichzelf te wijten hebben. Indien zich te zijner tijd te
grote discrepanties voordoen, kan het gewenst zijn voor bepaalde gevallen
minimumsancties vast te stellen.
Het hiervoor beschreven
systeem vertoont grote overeenkomst met het WWV-systeem, dat een zeer
genuanceerd sanctiebeleid mogelijk maakt. Daarmee wordt tegemoetgekomen
aan de van verschillende kanten naar voren gebrachte klacht dat het
WW-systeem op dit punt te rigide is. In afwijking van het WW- en het
WWV-systeem wordt slechts de mogelijkheid geboden om de uitkering
tijdelijk geheel te weigeren vanaf het intreden van de werkloosheid.
Voorts wordt in afwijking van het WWV-systeem bij het ontstaan van
verwijtbare werkloosheid een minimumsanctie voorgeschreven. De volgende
overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuzes.
Zoals in hoofdstuk 2 is
aangegeven, is in navolging van het SER-advies gekozen voor werkloosheid
als toelatingscriterium voor het recht op uitkering.
De keuze voor het criterium "werkloosheid" betekent evenwel niet dat wij lichtvaardig denken over
iemand die verwijtbaar werkloos is geworden. Integendeel, wij achten dit
maatschappelijk niet aanvaardbaar en een grove miskenning van de
solidariteit die aan het socialezekerheidssysteem ten grondslag ligt. In
overeenstemming met de ernst van het feit menen wij dat het redelijk is in
geval van verwijtbare werkloosheid de uitkering geheel te weigeren. In die
gevallen waarin verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, zou dit
onevenredig zwaar kunnen zijn. In die gevallen geldt ten minste als sanctie
een verlaging van de uitkering tot het individueel sociaalminimumniveau.
Indien tijdens de uitkering in eenzelfde mate een verwijtbare gedraging
plaatsvindt, ligt het overigens voor de hand dat de bedrijfsvereniging een
even zware sanctie treft.
De thans gekozen constructie
houdt derhalve het midden tussen het WW-systeem, waarbij geen recht op
uitkering ontstaat in geval van niet-onvrijwillige werkloosheid, en het
WWV-systeem, dat het aan het gemeentebestuur overlaat de zwaarte van de
sanctie te bepalen.
De keuze voor het begrip
verwijtbare werkloosheid in plaats van niet-vrijwillige/onvrijwillige werkloosheid
is ingegeven door het volgende. De in de WW en de WWV voorkomende
terminologie dat sprake moet zijn van onvrijwillige werkloosheid is voor
betrokkenen verwarrend. Veelal ging men er - ten onrechte - van uit dat dit
het tegengestelde is van vrijwillig, zodat regelmatig een beroep werd
gedaan op de rechter, omdat geen sprake was van vrijwillige werkloosheid.
Het begrip verwijtbare werkloosheid, dat materieel overeenkomt met het
begrip niet-onvrijwillige werkloosheid, voorkomt deze onduidelijkheid.
Aan
de beperkte bevoegdheid van de bedrijfsvereniging om de uitkering
tijdelijk geheel te weigeren, liggen de volgende overwegingen ten
grondslag.
Het tijdelijk weigeren van
WW-uitkering tijdens de duur van de uitkering komt in de eerste plaats
thans niet vaak voor. Als het al gebeurt, zal het doorgaans een korte
periode betreffen, bijvoorbeeld als gevolg van het niet ingeschreven
blijven staan bij het gewestelijk arbeidsbureau of het niet opvolgen van
voorschriften van de bedrijfsvereniging ten behoeve van een doelmatige
controle.
Voorts zal de werknemer bij
een tijdelijke gehele weigering van uitkering in de tussentijd een beroep
moeten doen op de gemeente voor een Rww-uitkering. Dit zou leiden tot veel
administratieve en uitvoeringstechnische rompslomp voor in het algemeen
een periode van enkele dagen of enkele weken, tenzij tegelijkertijd
compensatie in de sfeer van de Rww wordt geblokkeerd. Dit is ongewenst. De
gemeenten zullen uiteraard moeten overwegen of de verwijtbare gedraging,
waarop de bedrijfsvereniging rblz.|55|
reageert met
sanctietoepassing van de bijstand en de daarop gebaseerde regelingen tot
sanctietoepassing moet leiden [lees: De
gemeenten zullen uiteraard moeten overwegen of de verwijtbare gedraging
waarop de bedrijfsvereniging reageert, met
sanctietoepassing van de bijstand en de daarop gebaseerde regelingen tot
sanctietoepassing moet leiden, red.]. Over het algemeen zal dat inderdaad het
geval zijn. Niettemin moet voor de gemeente de mogelijkheid blijven om in
individuele gevallen af te wijken, omdat de bijstand en daarop gebaseerde
regelingen worden beheerst door het behoeftecriterium. Indien
sanctietoepassing door een bedrijfsvereniging direct door zou werken in de
sfeer van de Rww, zou dat de bedrijfsverenigingen belasten met
onderzoeken naar individuele omstandigheden van de werknemer, teneinde te
kunnen beoordelen of in redelijkheid tot een tijdelijke volledige
weigering kan worden besloten.
Genoemde problemen in de sfeer
van de Rww doen zich in veel mindere mate voor indien de uitkering
tijdelijk geheel wordt geweigerd aan het begin van de uitkeringsperiode.
Bovendien kan juist aan het begin van de uitkeringsperiode behoefte
bestaan aan een tijdelijke gehele weigering, bijvoorbeeld indien de
werknemer zich te laat bij de bedrijfsvereniging meldt. Daarom is in de
wet wel een mogelijkheid opgenomen om de uitkering tijdelijk geheel te
weigeren aan het begin van de uitkeringsperiode. In samenhang met de
nieuwe regeling inzake het verstrekken van voorschotten op de uitkering
zal het nog maar zelden voorkomen dat een werknemer tijdelijk zal zijn
aangewezen op een Rww-uitkering, met alle nadelen van dien.
Tot slot speelt een rol dat
bij het nu voorgestelde sanctiesysteem minder behoefte bestaat aan een
tijdelijke volledige uitsluiting van de uitkering, daar de mogelijkheid
wordt geboden van een verlaging van de uitkering, waarbij zich de hiervoor
genoemde problemen in het algemeen niet zullen voordoen. Deze problemen
zullen zich alleen voordoen indien een verlaging van de uitkering leidt
tot een uitkering die ligt beneden het sociaalminimumniveau, hetgeen ten
aanzien van werknemers met een uitkering op het sociaalminimumniveau te
allen tijde het geval zal zijn. Indien de bedrijfsvereniging in een
bepaald geval van mening zou zijn dat een verlaging van de uitkering de
meest aangewezen sanctie is, doch zij, gelet op de individuele
omstandigheden van de werknemer, het niet redelijk vindt dat de werknemer
dan een inkomen zou hebben dat ligt beneden het sociaal minimum, zou geen
sanctie getroffen kunnen worden. Dit achten wij onjuist. De werknemer
heeft immers een verwijtbare gedraging gepleegd die ook in andere gevallen
tot een sanctie zou leiden. Met name in verband hiermee is de
bedrijfsvereniging de mogelijkheid gegeven als administratieve sanctie de
duur van de uitkering te beperken. In feite komt dit neer op een
tijdelijke gehele weigering van de uitkering op termijn: namelijk aan het
einde van de uitkeringsperiode. De hiervoor beschreven problemen die
verbonden zijn aan een tijdelijke gehele weigering tijdens de
uitkeringsperiode doen zich dan niet voor.
3.6. De betaling van de
uitkering
Onder de betaling van de
uitkering zijn alle regels bijeengebracht die betrekking hebben op de
betaalbaarstelling door de bedrijfsvereniging en het in ontvangst nemen
door of namens de werknemer van de uitkering.
In dit onderdeel van de wet
zijn opgenomen de bepalingen inzake:
a.
de verplichting tot betaling van de uitkering;
b. de betaling van
voorschotten op de uitkering;
c. de periodiciteit van de
betaling van de uitkering;
d. de betaling bij samenloop
met ander inkomen;
e. de betaling aan een
andere dan de rechthebbende;
f. een ondergrens in de hoogte
van het aan uitkering te betalen bedrag.
Voorts zijn in dit deel enige
bepalingen opgenomen die raakvlakken vertonen met het Burgerlijk
Wetboek. Het gaat hierbij om bepalingen inzake de terugvordering van
onverschuldigde betalingen en inzake het onvervreemdbaar zijn en niet
vatbaar zijn voor verpanding of belening van de uitkering. Vanwege de
samenhang met de bepalingen inzake de betaling rblz.|56|
bij samenloop met ander
inkomen en de betaling aan een ander dan de rechthebbende is dit onderwerp
hier geregeld.
Het merendeel van deze
bepalingen komt thans reeds voor in de WW en de WWV
of de ter uitvoering
daarvan getroffen besluiten.
Wel is de tekst van deze
bepalingen aangepast aan de in dit wetsvoorstel gebezigde terminologie en
is op een aantal punten een verdergaande regeling opgenomen dan thans
voorkomt. Dit is met name het geval met betrekking tot de bepalingen
inzake de voorschotbetaling.
De WW kent thans in artikel
21, derde lid, de bedrijfsvereniging de bevoegdheid toe een werknemer op
zijn verzoek een voorschot op de uitkering te verstrekken. In het
wetsvoorstel is een verdergaande regeling opgenomen teneinde de
rechtszekerheid voor de rechthebbende te vergroten en de uniformiteit in
de uitvoering te waarborgen.
Voorts zijn de hoofdregels
inzake samenloop van uitkering met inkomsten wegens loonderving en uit
vroegere arbeid en met inkomsten uit arbeid tijdens de uitkeringsperiode
in de wet opgenomen. Wat de WW betreft, zijn deze regels thans neergelegd
in de wachtgeldreglementen van de bedrijfsvereniging en in het
werkloosheidsreglement van het AWf. Wat de WWV betreft, zijn deze regelen
te vinden in artikel 17 en het ter uitvoering daarvan getroffen Ministerieel
Besluit van 29 december 1964, nr. 79650 (Stcrt. 1965, 5),
zoals dat sindsdien is gewijzigd.
De in dit deel van het
wetsvoorstel opgenomen bepalingen komen qua strekking grotendeels overeen
met de bepalingen in het bij uw Kamer aanhangig wetsvoorstel tot nadere
wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet Werkloosheidsvoorziening
(samenloop van werkloosheidsuitkering met bepaalde andere inkomsten), Kamerstukken II 1982-1983,
17 775. Gelet hierop is bij nadere overweging
besloten laatstgenoemd wetsvoorstel in te trekken gelijk met de indiening
van dit wetsvoorstel. In de Invoeringswet
stelselherziening zullen de met
deze bepalingen overeenkomende wijzigingen van de WWV worden opgenomen.
Zowel
de SER als de SVR hebben naar aanleiding van de voorstellen inzake
samenloop advies uitgebracht (advies van de SER van 24 mei 1983, adviezen
van de SVR van 20 juni 1983 en 20 september 1983).
Kernpunt van het SER-advies is dat de SER voorstelt met betrekking tot de samenloopregeling van
werkloosheidsuitkering met vervroegd ouderdomspensioen, in afwijking van
hetgeen in dit wetsvoorstel en in het ingetrokken wetsvoorstel is bepaald,
voor bepaalde groepen werknemers de samenloop van een
werkloosheidsuitkering met vervroegd ouderdomspensioen te beperken tot
100% van het loon dat vóór de vervroegde pensionering gewoonlijk werd
ontvangen. Wij zijn van mening dat daarmee het uitgangspunt zou worden
verlaten dat vervroegd gepensioneerden in een vergelijkbare
arbeidsmarktpositie zitten als gepensioneerden op 65-jarige leeftijd. Wij
houden dan ook vast aan het voorstel de samenloop te beperken tot het
niveau van de uitkering op de dag na pensionering. Aan het bezwaar van de
SER tegen de in het wetsvoorstel opgenomen delegatiebepaling is in die
zin gevolg gegeven dat de minister nog slechts bevoegd blijft uitkeringen
gelijk te stellen met ouderdomspensioen en dat de bedrijfsverenigingen de
mogelijkheid is gegeven ter zake van samenloop in het uitkeringsreglement
nadere bepalingen op te nemen.
Voorts is bij de verdere
vormgeving van de regeling mede aandacht geschonken aan de meer technische
punten uit de zojuist genoemde adviezen. Kortheidshalve verwijzen wij
verder naar artikel 34 [34]
en de daarop gebaseerde
toelichting.
In dit verband is nog van
belang erop te wijzen dat het ziekengeld op grond van de ZW
volledig valt onder deze anticumulatieregeling. Zoals uit paragraaf 3.4
van dit hoofdstuk blijkt, is het niet de bedoeling de werknemer die
ziekengeld ontvangt van het recht op uitkering uit te sluiten. Tijdens de
Ziektewetperiode blijft derhalve het recht op werkloosheidsuitkering
bestaan. De daaruit voortvloeiende ongewenste cumulatie van uitkering
wordt echter voorkomen door de in dit deel voorgestelde rblz.|57|
anticumulatiebepalingen.
Voorts moge worden verwezen naar het gestelde in paragraaf 3.4 van dit
hoofdstuk.
Verder worden de mogelijkheden
tot terugvordering voor de bedrijfsverenigingen verruimd. Enerzijds is
dit een gevolg van de in paragraaf 3.5 besproken fictie met betrekking tot
het ontstaan van bepaalde verwijtbare feiten en omstandigheden. Anderzijds
wordt hiermee - evenzeer ingegeven door de wens misbruiken te kunnen
beteugelen - tegemoetgekomen aan de van verschillende kanten wel
gesignaleerde lacune dat verrekening van onverschuldigd betaalde
uitkeringen tussen verschillende bedrijfsverenigingen niet mogelijk is.
Ten slotte is in het
wetsvoorstel een bepaling opgenomen die ertoe strekt betalingen van al te
kleine omvang te voorkomen. De fiscale wetgeving kent een dergelijke
bepaling ook. Het niet betalen van bedragen die beneden de ondergrens
liggen, beoogt de werklast van de bedrijfsvereniging te verlichten, in die
zin dat het te betalen bedrag in zekere mate de werklast die met de
administratieve afhandeling van de betaling is gemoeid, rechtvaardigt.
3.7. Bijzondere
bepalingen met
betrekking tot de loondervingsuitkering
3.7.1. Inleiding
In deze paragraaf komen de
bijzondere bepalingen met betrekking tot de loondervingsuitkering aan de
orde. Deze bijzondere bepalingen betreffen de duur van de uitkering en de
hoogte van de uitkering.
3.7.2. De
duur van de loondervingsuitkering
Wat de duur van de
loondervingsuitkering betreft, staat het kabinet voor ogen deze afhankelijk
te doen zijn van de duur van het arbeidsverleden van de
uitkeringsgerechtigde. Zoals in hoofdstuk 2 van de memorie vermeld, is het
op dit moment echter nog niet mogelijk de duur van de uitkering volledig
van het arbeidsverleden afhankelijk te stellen. Betrouwbare gegevens met
name over ver in het verleden liggende arbeidsperioden zijn veelal niet te
achterhalen; veelal ontbreekt een sluitende registratie van dit
arbeidsverleden.
Het is voor een volledige
koppeling aan het arbeidsverleden noodzakelijk om de gehele actieve
periode van de werknemer in kaart te brengen. Daarbij gaat het niet alleen
om perioden waarin feitelijk is gewerkt, doch het kan ook gaan om
perioden van onderbreking van de arbeid die met verrichten van arbeid
moeten worden gelijkgesteld. Hierbij verdient bijzondere aandacht de
positie van degene die vanwege het verzorgen van (kleine) kinderen de
arbeid als werknemer heeft onderbroken. Zoals in de adviesaanvraag naar
voren is gebracht en ook in dit wetsvoorstel is neergelegd, is het kabinet
van mening dat bij een dergelijke onderbreking een genormeerde periode
moet worden aangemerkt als een tot het arbeidsverleden behorende periode.
Weliswaar zou het mogelijk
zijn om ter bepaling van het arbeidsverleden op door de
uitkeringsgerechtigde zelf verstrekte gegevens af te gaan, doch om
verschillende redenen wijst het kabinet deze gedachte af.
Allereerst is de juistheid van
die gegevens niet, dan wel niet op eenvoudige wijze, achteraf vast te
stellen, zeker waar het betreft ver in het verleden verrichte arbeid of
onderbrekingen van die arbeid. Een zekere controle op de juistheid van die
gegevens zal toch moeten kunnen plaatsvinden om de rechtmatigheid van de
uitkering te kunnen bepalen. Een onderzoek naar dit totale arbeidsverleden
door de bedrijfsvereniging, zo dit al mogelijk is, zal daarenboven zeer
veel speurwerk met zich brengen, hetgeen een spoedige vaststelling van
uitkeringsrecht kan belemmeren. Verder zal het hanteren van het criterium
van het gehele arbeidsverleden alleen voor de werknemers die dit
arbeidsverleden kunnen reconstrueren tot ongelijke rechtsbedeling kunnen
leiden.
rblz.|58|
In de nabije toekomst zal,
mede in verband met de invoering van een socialeverzekeringsnummer, door
de bedrijfsverenigingen een verzekerdenregistratie worden opgebouwd. Met
gebruikmaking daarvan zal in de toekomst steeds meer kunnen worden gewerkt
met het arbeidsverleden en steeds minder met de leeftijd als benadering
daarvan. Bij gebrek aan een sluitende registratie voor alle potentiële
uitkeringsgerechtigden wordt er de voorkeur aan gegeven in alle gevallen
voor wat het arbeidsverleden van meer dan vijf jaar voorlopig met de
leeftijd als benadering van het arbeidsverleden te werken. Zo spoedig
mogelijk zal worden overgeschakeld op een relatie met het arbeidsverleden.
Als eerste stap op weg naar
een systeem waarin de duur van de uitkering afhankelijk zal zijn van het
arbeidsverleden wordt als voorwaarde voor een uitkering over een langere
periode dan een halfjaar voorgesteld dat de werknemer in de vijf jaar
onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid gedurende
drie jaar een dienstbetrekking moet hebben gehad die ten minste acht uren per
week omvatte. Met nadruk zij gesteld dat het hier om een duurvoorwaarde
gaat en niet om een toelatingsvoorwaarde, zoals de referte-eis van 26
weken werken in het jaar direct voorafgaande aan het intreden van de
werkloosheid. Het niet voldoen aan de duurvoorwaarde heeft derhalve geen
invloed op het ontstaan van het recht, alleen op de duur van dat recht.
Wel bestaat een nauwe samenhang tussen de referte-eis als
toelatingsvoorwaarde en de duurvoorwaarde, zoals hierna nog zal blijken.
Nauw verband met de
systematiek van de uitkeringsduur houdt ook het systeem van het in
aanmerking nemen van dagen voor de referte-eis. Op deze kwestie wordt op
deze plaats niet verder ingegaan. Verwezen wordt naar paragraaf 3.4.3 van
deze memorie.
In het thans voorliggende
wetsvoorstel is gekozen voor een systematiek met betrekking tot de
uitkeringsduur die aansluit bij de huidige WWV-systematiek. Deze
systematiek onderscheidt zich op een aantal punten van de huidige
WW-systematiek. In het kort komt dit onderscheid op het volgende neer:
- De WWV kent een absolute
uitkeringsperiode (twee jaar), terwijl de WW slechts een maximumduur (130
dagen) in een bepaalde periode (uitkeringsjaar) kent. Daarnaast kent de
WW wel een maximumbegrenzing van 78 weken.
- De WW kent het systeem van
herleiding van uitkeringsdagen tot volle uitkeringsdagen in geval de
uitkering slechts ten dele wordt betaald doordat naast de uitkering
inkomen uit of in verband met arbeid wordt ontvangen. Dit leidt ertoe dat
over een langere periode dan 130 dagen per uitkeringsjaar recht op
uitkering bestaat (twee halve dagen uitkering tellen als één uitkeringsdag van
de 130). Bij de WWV leiden inkomsten naast de uitkering in beginsel niet
tot verlenging van de uitkeringsduur. De inkomsten worden op de uitkering
in mindering gebracht.
- De WWV
kent het zogenoemde herleven van het recht op uitkering indien de
uitkering vóór het bereiken van de maximumuitkeringstermijn eindigt,
zolang niet opnieuw aan de voorwaarden voor een nieuw recht op uitkering
is voldaan.
De in dit wetsvoorstel
gevolgde systematiek komt op het volgende neer.
De werknemer die in de twaalf maanden direct voorafgaande aan de werkloosheid in 26 weken arbeid in
dienstbetrekking heeft verricht, heeft recht op een halfjaar uitkering.
De werknemer van 23 jaar of ouder die in de vijf jaar direct voorafgaande aan de werkloosheid tevens
drie jaar een dienstbetrekking heeft gehad, heeft recht op verlenging van die
uitkering. De duur van deze verlengde uitkering is afhankelijk van de
leeftijd.
Indien een werknemer die
uitkering ontvangt weer in een zodanige omvang arbeid gaat verrichten dat
er geen sprake meer is van werkloosheid, eindigt het recht op uitkering.
Bij een resterend gemis van de helft van zijn vroegere arbeidsuren, doch
ten hoogste vijf als bedoeld in artikel 15
[15], is geen sprake van werkloosheid.
rblz.|59|
Afhankelijk van de duur van de
arbeid ontstaat een nieuw recht op uitkering of herleeft het oude recht op
uitkering. Duurt de arbeid langer dan 26 weken, dan ontstaat bij opnieuw
intredende werkloosheid een nieuw recht op uitkering van een halfjaar.
Voldoet de werknemer op dat moment ook aan de voorwaarden voor de
verlengde uitkering, dan ontstaat tevens een nieuw recht op de verlengde
uitkering. Voldoet de werknemer op dat moment niet tevens aan de
voorwaarden voor de verlengde uitkering, dan ontstaat geen nieuw recht op
de verlengde uitkering, doch herleeft het oude recht op verlengde uitkering,
met dien verstande dat de perioden waarover sinds het ontstaan van dat
recht reeds uitkering is ontvangen daarop in mindering worden gebracht.
Duurt de arbeid daarentegen
korter dan 26 weken, dan ontstaat geen nieuw recht op uitkering, maar
herleeft het oude recht op uitkering, ook al zou betrokkene op dat moment
wel aan de arbeidsverledeneis voldoen. Hij voldoet op dat moment immers
niet aan één van de voorwaarden voor het ontstaan van het (nieuwe) recht
op uitkering, dus kan er evenmin een nieuw recht op verlengde uitkering
zijn ontstaan.
De hiervoor geschetste
systematiek van de uitkeringsduur in geval van volledige opheffing van de
werkloosheid als gevolg van werkhervatting geldt ook bij gedeeltelijke
hervatting van de arbeid als gevolg waarvan de werknemer gedeeltelijk
werkloos blijft. In de situatie dat met arbeid opnieuw aan de referte-eis
wordt voldaan doch niet aan de duurvoorwaarde vindt bij herleving van het
oude recht op verlengde uitkering, in tegenstelling tot bij aanvaarding
van arbeid die de werkloosheid opheft, echter geen opschorting van de
uitkering plaats. Het oude recht is namelijk niet volledig onderbroken geweest.
Tot slot zij met betrekking
tot de systematiek van de uitkeringsduur nog opgemerkt dat het
vorenstaande op dezelfde wijze geldt voor het verzorgingsforfait, met
dien verstande dat verzorgingsperiode voor de helft meetelt. Aan het
hiervoor beschreven systeem ligt de gedachte ten grondslag dat het
ontvangen van een uitkering werkaanvaarding niet mag belemmeren, doch dat
veeleer daarvan een stimulerende werking moet uitgaan. Verder zou het
systeem gelijke behandeling van voltijd- en deeltijdwerkers moeten
garanderen. Gewaarborgd is dan ook dat de werknemer die een volledige of
een deeltijdbaan aanvaardt niet in een ongunstiger positie komt te
verkeren dan de werknemer die geen arbeid aanvaardt, maar voortdurend
werkloos blijft. In het algemeen zal het aanvaarden van werk leiden tot
een verbetering van de financiële positie van de werknemer. Eén en ander
wordt in de artikelsgewijze toelichting schematisch uitgewerkt.
3.7.3. De hoogte van de
loondervingsuitkering
Ter bepaling van de hoogte van
de uitkering is thans op grond van de WW en de WWV
een tweetal elementen
van belang: het dagloon en het uitkeringspercentage. Deze beide begrippen
spelen ook in de bepaling van de hoogte van de loondervingsuitkering een
prominente rol. Het dagloon is - globaal - gelijk aan het laatstverdiende
loon per dag en wordt telkens per 1 januari en 1 juli geïndexeerd. Op de
keuzes die zijn gemaakt ter zake van de omschrijving van het begrip
dagloon en ter zake van de indexering wordt hierna nog teruggekomen. Het
uitkeringspercentage ingevolge de voorgestelde Werkloosheidswet is 70.
De
keuze voor een systeem voor halfjaarlijkse vermindering van de
loondervingsuitkering bij werkloosheid maakt het noodzakelijk in dit
wetsvoorstel naast de begrippen dagloon en uitkeringspercentage een nieuw
begrip te introduceren, te weten de uitkeringsgrondslag. Deze geldt voor
het tweede en de volgende halve uitkeringsjaren en wordt halfjaarlijks
verminderd, te rekenen vanaf de aanvang van het recht op uitkering. Die
vermindering is zo geconstrueerd dat de in een concreet geval te zetten
halfjaarlijkse stappen zoveel mogelijk (dat wil zeggen: afgezien van
tussentijdse indexering van dagloon en wettelijk
minimumloon) aan elkaar rblz.|60|
gelijk zijn. Het eindpunt van
de vermindering is in beginsel het wettelijk minimumloon, dat is over het
algemeen de basis voor de berekening van de vervolguitkering. Bijzondere
regelingen gelden in dit verband voor personen die gedeeltelijk werken en
gedeeltelijk werkloos zijn en voor personen die gedeeltelijk
arbeidsongeschikt en gedeeltelijk werkloos zijn. Voor hen geldt als
eindpunt van de verminderingen een aan hun werkloosheid of
arbeidsongeschiktheid evenredig deel van het minimumloon.
Met betrekking tot de
wijziging van de dagloonsystematiek zij het volgende opgemerkt.
Hoewel in de bepalingen van de
onderscheiden werknemersverzekeringen de gedachte tot uitdrukking is
gebracht dat de uitkering gebaseerd dient te worden op de toekomstige
verdiencapaciteit, wordt de facto het dagloon vastgesteld op basis van de
verdiensten in het verleden. Het arbeidsverleden biedt immers concretere
aanknopingspunten voor de vaststelling van het dagloon dan de toekomst.
Deze benaderingswijze geldt sinds jaren en is op praktische gronden
gesteld. Thans wordt voorgesteld deze benaderingswijze in de wet tot
uitdrukking te brengen. Op deze wijze wordt naar onze mening beter de
equivalentiegedachte die ten grondslag ligt aan dit wetsvoorstel - en ook
aan de andere werknemersverzekeringen - tot uitdrukking gebracht.
Bovendien wordt aldus aangesloten bij het systeem van dagloonvaststelling
in de ons omringende landen, die alle uitgaan van het in het verleden
verdiende loon.
Het hanteren van deze
equivalentiegedachte houdt in dat in beginsel dan ook alle loonelementen
bij de dagloonvaststelling moeten worden betrokken.
Een dergelijke strikte
equivalentie is echter praktisch niet mogelijk. Voorts kan het
beleidsmatig gewenst zijn ter zake grenzen te stellen, hetgeen met zich
brengt dat beperkingen kunnen gelden met betrekking tot de mee te nemen
loonelementen. Die wenselijkheid nu doet zich in deze voor. Equivalentie
tussen premieloon en uitkeringsloon vindt in dit verband zijn begrenzing
in het belang van een zo snel mogelijke reïntegratie in het arbeidsproces
en van de mobiliteit op de arbeidsmarkt. Dit impliceert dat het redelijk
is enerzijds uit te gaan van het loon dat de betrokkene rechtens had
moeten ontvangen en niet van hetgeen hij feitelijk heeft ontvangen en
anderzijds vooral ten aanzien van langer durende uitkeringen min of meer
toevallig verstrekte elementen voor de vaststelling van het dagloon buiten
beschouwing te laten.
Naast dit uitgangspunt geldt
als randvoorwaarde dat de structuur van de dagloonvaststelling en de
dagloonberekening dient te worden vereenvoudigd en de aansluiting tussen
de onderscheiden dagloonregelen dient te worden verbeterd.
Dit
is met name van belang omdat het geheel van de onderhavige voorstellen tot
gevolg heeft dat vaker dan thans het geval is uitkeringen ingevolge
werkloosheid respectievelijk arbeidsongeschiktheid naast elkaar worden
ontvangen. Een goede coördinatie draagt daarnaast bij tot grotere eenvoud
en doorzichtigheid voor de betrokkenen.
In verband hiermee zullen in
de binnenkort in te dienen Invoeringswet
stelselherziening de
dagloonbepalingen in de ZW en de WAO
op overeenkomstige wijze worden
herzien.
Het uitgangspunt om in de
regel uit te gaan van het in de laatste 26 weken voorafgaande aan de
werkloosheid verdiende loon is gekozen in verband met de eis dat men 26
weken dient te hebben gewerkt om voor een werkloosheidsuitkering in
aanmerking te kunnen komen. Deze 26 weken kunnen als referteperiode voor
de dagloonvaststelling echter slechts een richtsnoer zijn. Zij kunnen niet
te allen tijde gelden als een absolute voorwaarde, omdat zich in de
praktijk gevallen kunnen voordoen waarin een langere termijn een meer
redelijke uitkomst biedt of waarin de referteperiode wegens ziekte moet
worden verlengd. Voorts kan in geval van vast loon een kortere periode
praktischer zijn.
Omdat in de ZW en WAO een
analoge systematiek zal worden ingevoerd, zal in die wetten ook een
dergelijke referteperiode worden ingevoerd, die voor de ZW op dertien weken en
voor de WAO op één jaar zal worden gesteld.
rblz.|61|
De keuze voor het gemiddelde
loon over het laatste halfjaar laat onverlet dat een aantal beperkingen
aangebracht dient te worden in de loonelementen die voor de vaststelling van
het dagloon meegenomen dienen te worden. Voorkomen dient te worden dat het
niveau van de uitkeringen een ongunstige invloed kan hebben op de
reïntegratie in het arbeidsproces en de mobiliteit op de arbeidsmarkt.
Het gaat dan om de volgende
loonelementen met onzekere trekken, te weten loonelementen die niet:
- in de bedrijfstak
gebruikelijk zijn;
- vast en gegarandeerd zijn;
en
- regelmatig verstrekt zijn.
Uit oogpunt van
rechtszekerheid wordt voorgesteld deze begrenzingen in de wet neer te
leggen. Uit de wet kan dan gelezen worden welke vereisten aan een
loonelement worden gesteld om in aanmerking te kunnen worden genomen bij
de dagloonvaststelling. De uitwerking van deze begrenzing zou - net als
thans het geval is - opgenomen dienen te worden in door de SVr vast te
stellen dagloonregels en in de bijzondere dagloonregels van de
verschillende bedrijfsverenigingen. In de algemene dagloonregels van de SVr zouden alleen die elementen opgenomen kunnen
worden die algemeen
gebruikelijk zijn binnen de bedrijfstakken en die aan de overige hiervoor
genoemde vereisten voldoen. In afwijking van deze regelen kan de SVr voor
één of meer groepen werknemers in verschillende bedrijfstakken bijzondere
regels stellen. Voorts wordt aan de bedrijfsverenigingen de mogelijkheid
gegeven binnen de hiervoor geschetste uitgangspunten bijzondere regels
voor groepen van werknemers te stellen indien de aard van de beloning of
het arbeidspatroon daartoe aanleiding geeft. Het gaat daarbij om
loonelementen die binnen de bedrijfstak in aanmerking komen om in de
dagloonvaststelling te worden betrokken. Daarbij zal het dan bijvoorbeeld kunnen gaan om loonelementen die weliswaar niet algemeen en ook niet in
meer bedrijfstakken voorkomen, maar wel in de bedrijfstak of in een
bepaald beroep in de bedrijfstak heel gebruikelijk zijn.
Het
vaststellen van nieuwe dagloonregels door de SVr en de
bedrijfsverenigingen voor de drie desbetreffende wetten alsmede de
daaraan verbonden goedkeuringsprocedures zal deze organen een veelheid
aan werkzaamheden opleveren. Bovendien zal tussen de verschillende
organen onderling en met het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid overleg moeten plaatsvinden over de nieuw ontworpen regels
en zal toetsing daarvan moeten plaatsvinden aan de inhoud van de
begrenzende criteria. In dit kader zal veelvuldig overleg nodig zijn om
tot een gelijke interpretatie van de criteria te komen.
Deze argumenten hebben ons tot
de overtuiging gebracht dat het niet wenselijk is om de datum van
invoering van deze nieuwe dagloonsystematiek met de datum van invoering
van de
nieuwe Werkloosheidswet te laten samenvallen.
In de Invoeringswet
stelselherziening zullen dan ook bepalingen worden opgenomen die er in
voorzien dat de dagloonbepalingen van de huidige WW als onderdeel van de
nieuwe Werkloosheidswet voorlopig van kracht blijven en dat de
inwerkingtreding van de gewijzigde ZW- en WAO-dagloonbepalingen voor
eenzelfde periode wordt uitgesteld. De datum met ingang waarvan de nieuwe
systematiek van kracht wordt - gedacht wordt aan medio 1987 -, zal bij
koninklijk besluit worden bepaald.
Tot slot wordt, als gezegd,
voorgesteld de daglonen ieder halfjaar aan te passen aan de ontwikkeling
van het loonindexcijfer.
In de WW komen thans geen
bepalingen voor inzake de aanpassing van de uitkering. Op grond van de
algemene dagloonregelen WW moeten echter afwijkingen in het loonpeil in
het beroep van de werknemer tijdens het genot van de uitkering in het
dagloon worden opgenomen. Met andere woorden, de indexering in de WW vindt
- net als in de ZW - plaats via het loonniveau in de bedrijfstak. De WWV
kent daarentegen evenals de WAO het systeem van indexering via het
loonindexcijfer. Voor kortlopende rblz.|62|
uitkeringen geldt derhalve dat
deze de loonontwikkeling in de bedrijfstak volgen, terwijl de langer
lopende uitkeringen de algemene loonindex volgen.
Nu op grond van deze wet
sprake kan zijn van langlopende uitkeringen, ligt het voor de hand in
aansluiting aan het WWV-systeem te kiezen voor aanpassing van de daglonen
aan de ontwikkeling van het loonindexcijfer.
3.8. De vervolguitkering en
doorwerking van de keuze ten aanzien van het niveau
3.8.1. Inleiding
Voor het recht op
vervolguitkering, dat ten hoogste één jaar duurt, gelden geen andere
voorwaarden dan voor een recht op loondervingsuitkering van langer dan
een halfjaar. Dat betekent dat geen directe instroom in de tussenfase met
vervolguitkering kan plaatsvinden.
Het niveau van de
vervolguitkering is in beginsel 70% van het brutominimumloon. In die
gevallen waarin de loondervingsuitkering werd berekend naar een dagloon
lager dan het brutominimumloon (deeltijdwerkers die tijdens de looptijd
van de loondervingsuitkering vanwege het niveau van hun dagloon niet te
maken hebben gehad met de halfjaarlijkse vermindering) bedraagt de
uitkering niet meer dan 70% van dat dagloon. Daarnaast zijn er personen
wier uitkeringsgrondslag voor de loondervingsuitkering op grond van het
feit dat zij niet alleen werkloos zijn, doch tevens werken of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt zijn, geleidelijk wordt verminderd tot een evenredig
deel van het brutominimumloon. Voor hen komt de vervolguitkering uit op
70% van dat evenredige deel.
De
ratio van deze algemene niveaustelling en de beschreven verbijzonderingen
is duidelijk: de vervolguitkering moet niet hoger zijn dan de uitkering
waarop tijdens de loondervingsfase recht bestond.
In de voorgestelde
Werkloosheidswet geldt aldus uitsluitend een bruto-uitkeringsmechanisme.
Een brutomechanisme zal eveneens worden voorgesteld in de
Toeslagenwet.
Voorgesteld zal daar worden de bruto-uitkering in geval van loonderving in
het geval de uitkeringsgerechtigde één of meer personen financieel ten
laste heeft zo nodig door middel van een toeslag aan te vullen. De toeslag
zal een aanvulling geven tot 90% van het brutoloon voor eenoudergezinnen en tot 100% van
minimumloon in andere gevallen.
Door deze vormgeving van de
Toeslagenwet wordt een complexe aansluiting tussen het bruto-uitkeringsmechanisme uit de loondervingsregelingen en de systematiek van
netto-nettokoppeling voor de sociale minima voorkomen.
Wel behoeft dan toetsing de
vraag of deze brutovormgeving van Werkloosheidswet en Toeslagenwet de op
basis van de netto-nettokoppeling gegarandeerde sociale minima
waarborgt. Die vraag wordt in paragraaf 3.8.2 behandeld. Vervolgens komt
in paragraaf 3.8.3 de vraag aan de orde hoe de voor de Werkloosheidswet en
de Toeslagenwet voorgestelde keuze ten aanzien van het
uitkeringsmechanisme doorwerkt naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen AAW
en WAO. Ook daar is een vereenvoudiging van de thans zeer complexe
situatie mogelijk en wenselijk. Paragraaf 3.8.3 en 3.8.4 gaan uitsluitend
in op de situatie voor uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder. Voor
hen geeft paragraaf 3.8.4 een totaaloverzicht van de huidige situatie en
de situatie na de voorgestelde vereenvoudigingen. Ten slotte schenkt
paragraaf 3.8.5 afzonderlijk aandacht aan de minimumuitkeringen voor
werkloze en arbeidsongeschikte jongeren beneden 23 jaar.
3.8.2.
Werkloosheidsuitkeringen (23 jaar of ouder)
Nagegaan zal worden of de som
van de werkloosheidsuitkering en een eventuele aanvulling op basis van de
Toeslagenwet bij de voorgestelde rblz.|63|
berekeningssystematiek voor
alle uitkeringsgerechtigden ten minste tot het sociaal minimum reikt.
Daarbij wordt de indeling in belastingtariefgroepen gevolgd.
Tabel 1. Vergelijking minimale
werkloosheidsuitkering + eventuele toeslag met de relevante sociale
minima [in gld, red.]:
| Tariefgroepxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
I |
II |
III |
IV |
| Bruto-uitkeringspercentage |
70 |
70 |
100 |
90 |
| Brutowerkloosheidsuitkering +
toeslag |
1496,-xx |
1496,-xx |
2137,-xx |
1923,-xx |
| Premies |
323,-xx |
323,-xx |
486,-xx |
416,-xx |
| Belasting |
111,-xx |
63,-xx |
101,-xx |
94,-xx |
| Netto |
1062,-xx |
1110,-xx |
1550,-xx |
1413,-xx |
Uit tabel 1 blijkt dat in
tariefgroep III de bruto vastgestelde werkloosheidsuitkering plus toeslag
netto exact uitkomt op het sociaal minimum
voor deze groep. De brutoberekeningssystematiek leidt voor de tariefgroepen II en IV tot een
uitkomst boven het sociaal minimum. Tariefgroep I komt in deze brutobenadering lager dan het sociaal minimum uit. Dit laatste is niet
aanvaardbaar en vraagt om een oplossing.
Teneinde tot die oplossing
te kunnen komen, is het zinvol even stil te staan bij de vraag waarom
bruto- en nettosystematiek voor één tariefgroep gelijk en voor
andere tariefgroepen ongelijk uitwerken.
In de Wet
Aanpassingsmechanismen van 1980 is de netto-nettokoppeling
vastgelegd. Onderstaande tabel 2 geeft die koppeling weer.
Tabel 2. De
netto-nettokoppeling [in gld, red.]:
| |
Referentie-
minimumloon |
Sociaal minimum
(ABW-norm) per
tariefgroep |
| III |
I |
II |
IV |
| Bruto |
2137,-xxx |
x |
x |
x |
x |
| Premies |
486,-xxx |
x |
x |
x |
x |
| Belasting |
101,-
(III) |
x |
x |
x |
x |
| Netto |
1550,-xxx |
100% 1550,- |
70% 1085,- |
70% 1085,- |
90%
1395,- |
In deze tabel is de nettogelijkheid van het referentieminimumloon en de
100%-ABW-norm aangegeven
(tussen haakjes is de gehanteerde belastingtariefgroep achter het
belastingbedrag weergegeven). Van deze 100%-norm zijn de 70%-norm en de 90%-norm netto afgeleid.
Slechts voor
uitkeringsgerechtigden in tariefgroep III komt de belastingtariefgroep
die bij de bruto-nettoafleiding van het referentieminimum is gehanteerd
overeen met de voor hun feitelijk geldende belastingtariefgroep.
Omdat voor deze groep ook de
aftrekpost premies voor de werkloosheidsuitkering en voor het
referentieminimum identiek zijn, ontstaat vanzelf een netto gelijke
uitkomst van enerzijds de bruto vastgestelde werkloosheidsuitkering plus
toeslag uit tabel 1 en anderzijds het 100% gekoppelde sociaal minimum
uit
tabel 2.
Het is met name het verschil
in belastingvrije sommen dat voor uitkeringsgerechtigden in de andere
tariefgroepen tot een netto ongelijke uitkomst van een bruto vastgestelde
werkloosheidsuitkering plus eventuele toeslag uit tabel 1 en het netto
afgeleide sociaal minimum uit tabel 2 leidt.
Overigens pakt dat slechts
voor tariefgroep I ongunstig uit. Uit tabel 1 blijkt dat dit uitsluitend
te maken heeft met het verschil in fiscale behandeling van alleenstaanden
jonger dan 27 jaar (tariefgroep I) en ouder dan 27 jaar [lees: 27 jaar of
ouder, red.] (tariefgroep II).
Bij de behandeling van de tweeverdienerswetgeving is op de reden voor dit
onderscheid uitvoerig ingegaan. Weliswaar is met ingang van 1985 de voor
de alleenstaandentoeslag geldende leeftijdsgrens van 35 rblz.|64|
verlaagd tot 27 jaar, doch van
een verdere verlaging van de leeftijdsgrens moest worden afgezien op
praktische gronden. Wel bestaat het voornemen bij de evaluatie van de
zogeheten derde fase ook de problematiek van een verdere verlaging van de
leeftijdsgrens nader te bezien (Handelingen II 1984-1985, blz.
1097). Een uitbreiding van de werkingssfeer van tariefgroep II zou ertoe
leiden dat in alle gevallen de laagste loondervingsuitkering voor
alleenstaanden boven het sociaal minimum ligt. Daar wij in de nieuwe
systematiek willen voorkomen dat het uitkeringsniveau bij loonderving
onder het sociaal minimum zakt, zullen wij een tijdelijke maatregel op
grond van de Werkloosheidswet en AAW
voor de categorie alleenstaanden
jonger dan 27 jaar treffen die zal werken zolang het genoemde knelpunt
blijft bestaan.
3.8.3.
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (23 jaar of ouder)
De situatie bij de
arbeidsongeschiktheidsregelingen is complex. De WAO
kent een brutoberekeningsmechanisme dat overeenkomt met hetgeen voor de
werkloosheidsregelingen thans wordt voorgesteld. De AAW
kent een nettokoppelingsmechanisme. De uitkomsten van dit koppelingsmechanisme
verschillen overigens weer van de op basis van netto-nettokoppeling voor
de ABW vastgestelde netto sociale minima. In
tegenstelling tot de situatie
bij werkloosheid heeft iedere werknemer zowel recht op WAO- als
AAW-uitkering.
De complexiteit van deze
situatie wordt vergroot als gevolg van:
- het schrappen van de
verdiscontering van de werkloosheidscomponent in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen en de daardoor toenemende samenloop van
werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsregelingen;
- de voorgestelde
Toeslagenwet, die tevens de toeslagen in de AAW (tot 100 of 85%) vervangt.
De samenloop van
werkloosheidsuitkeringen (brutokoppeling),
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (thans ten dele bruto-, ten dele nettokoppeling) en toeslagen
(brutokoppeling voorgesteld) is in feite slechts
op doorzichtige wijze te realiseren wanneer in al deze regelingen
eenzelfde systematiek wordt gehanteerd. Na invoering van de Toeslagenwet
resteert in de AAW slechts het 70%-niveau. In de Invoeringswet
stelselherziening wordt
voorgesteld de AAW-uitkering voortaan niet meer netto te koppelen aan het
(referentie)minimumloon, maar eveneens bruto aan het minimumloon. Aldus
ontstaat voor de gehele loondervingssfeer en voor de in die sfeer te geven
toeslagen één brutosystematiek.
Ook hier is uiteraard van
belang na te gaan of voor alle arbeidsongeschikten het gegarandeerde
sociaal minimum blijvend wordt gewaarborgd.
Na realisering van een brutosystematiek in de AAW zullen de uitkeringen in geval van
arbeidsongeschiktheid overeenkomen met die welke in tabel 1 voor
werkloosheid zijn aangegeven. Zoals reeds vermeld, zullen wij in de AWW
[lees: AAW, red.] een
tijdelijke maatregel treffen zolang op alleenstaanden tariefgroep I van
toepassing kan zijn. Dit om te voorkomen dat de loondervingsuitkering
onder het sociaal minimum zakt.
3.8.4. Samenvatting huidige en
voorgestelde minimumuitkeringen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid
eventueel vermeerderd met een toeslag (23 jaar of ouder)
Tabel 3 en 4 bieden een
samenvattend overzicht van de huidige en voorgestelde minimumuitkeringen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.
Tabel 3. Nettominimumniveaus,
huidige situatie [in gld, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Minimumloon |
Werkloosheid |
WAO/AAW
|
ABW |
| Alleenverdiener (III) |
1550,- |
1550,- |
1550,- |
1550,- |
| Eenoudergezin (IV) |
1531,- |
1531,- |
1531,- |
1395,- |
| Alleenstaande,
27 jaar of ouder (II) |
1498,- |
1110,- |
1132,- |
1085,- |
| Alleenstaanden, 23-27 jaar (I) |
1414,- |
1062,- |
1085,- |
1085,- |
rblz.|65|
Tabel 4. Nettominimumniveaus,
voorstel voor 1986 [in gld, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Minimumloon |
Loonderving |
ABW |
| Alleenverdiener (III) |
1550,- |
1550,- |
1550,- |
| Eenoudergezin (IV) |
1531,- |
1413,- |
1395,- |
| Alleenstaande,
27 jaar of ouder (II) |
1498,- |
1110,- |
1085,- |
| Alleenstaande, 23-27 jaar (I) |
1414,- |
1085,- |
1085,- |
Uit de tabel blijkt een nettoteruggang op te treden voor eenoudergezinnen. Deze teruggang
wordt niet veroorzaakt door de voorgestelde brutokoppelingssystematiek,
maar omdat voor deze groep in de
Toeslagenwet een bruto-90%-norm wordt
voorgesteld in plaats van de huidige 100%-norm. De voorgestelde bruto-90%-norm
wijkt overigens in positieve zin af van de huidige netto-90%-norm in
de ABW; ook dat valt uit tabel 4 af te lezen. Deze positieve afwijking
aanvaardt het kabinet met het oog op de consistentie in systematiek binnen
de loondervingssfeer. Voor lopende uitkeringen wordt in de Invoeringswet
stelselherziening voor
de resterende teruggang van deze groep een overgangsregeling voorgesteld.
Alleenstaande arbeidsongeschikten ouder dan 27 jaar
[lees: van 27 jaar of ouder, red.] gaan
eveneens
achteruit. Dat vloeit voort uit de wijze waarop in de AAW-koppeling tot nu
toe met belastingvrije sommen rekening werd gehouden. Tabel 5 laat dat
zien.
Tabel 5. AAW-uitkering en
minimum-WAO-uitkering voor alleenstaanden ouder dan 27 jaar
[lees: van 27 jaar of ouder, red.] [in
gld, red.]:
| |
Referentie-
minimumloon |
AAW-uitkering in
koppelings-
systematiek |
AAW-uitkering feitelijk |
Voorgestelde
uitkering (= huidige WAO-uitkering) 70%
brutominimumloon |
| Bruto |
2137,-xxxx |
1531,-xxxx |
1531,-xxxx |
1496,-xxxxx |
| Premies |
486,-xxxx |
331,-xxxx |
331,-xxxx |
323,-xxxxx |
| Belasting |
101,- (III)x |
115,-
(I)xx |
68,- (II)rx |
63,- (II)|xx |
| Netto |
1550,-xxxx |
1085,-xxxx |
1132,-xxxx |
1110,-xxxxx |
Alleenstaanden ouder dan 27 jaar [lees: van 27
jaar of ouder, red.] hebben recht op een belastingvrije som (tariefgroep
II) die hoger
is dan die waarmee in de AAW-koppeling rekening is gehouden (tariefgroep
I). De zeer complexe huidige koppeling leidt, zoals de tabel die laat
zien, ten onrechte tot een te hoge uitkomst. De voorgestelde brutosystematiek corrigeert dit. Bij deze
brutosystematiek wijkt de
AAW-uitkering voor alleenstaanden ouder dan 27 jaar [lees: van 27 jaar of
ouder, red.] nog in positieve zin
af van de ABW-norm op basis van de huidige netto-nettokoppeling. Wij
aanvaarden deze afwijking om wille van de consistente systematiek in de
loondervingssfeer. Wij menen gezien de blijvend hoge uitkomst voor deze
groep van een overgangsregeling te kunnen afzien.
Voorts zijn wij van mening
dat het structureel gezien ongewenst is dat er een blijvend verschil zou
bestaan tussen het nettoniveau voor alleenstaanden in de
loondervingsuitkeringen enerzijds en in de Algemene Bijstandswet en de
alleenstaandenuitkering in de Algemene Ouderdomswet anderzijds. Deze
kwestie behoeft evenwel niet in dit kader een oplossing te vinden. Wij
zullen ons nader over deze kwestie beraden en eventuele voorstellen
ontwikkelen, waarbij uiteraard de financiële mogelijkheden bepalend
zullen zijn voor de mate en het tempo waarin één en ander gerealiseerd kan
worden.
rblz.|66|
3.8.5. Uitkeringen voor
jongeren (beneden 23 jaar)
Het ligt voor de hand de
minimale uitkeringen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid van
jongeren beneden de 23 jaar op dezelfde wijze van de brutojeugdlonen af
te leiden als voor boven 23-jarigen van het minimumloon.
In tabel 6 zijn de
minimumjeugdlonen respectievelijk de huidige werkloosheidsuitkering en AAW-uitkeringen voor jongeren beneden 23 jaar weergegeven.
Tabel 6. Nettominimumniveaus
voor jongeren, huidige situatie [in
gld, red.]:
| |
Minimumloon |
Werkloosheid |
AAW |
ABW |
| 22 jaar |
1250,- |
918,- |
1085,- |
937,- |
| 21 jaar |
1065,- |
798,- |
1085,- |
822,- |
| 20 jaar |
x946,- |
691,- |
x976,- |
763,- |
| 19 jaar |
x823,- |
617,- |
x868,- |
757,- |
| 18 jaar |
x726,- |
535,- |
x760,- |
752,- |
De huidige
AAW-uitkeringen
voor jongeren blijken aanzienlijk hoger te liggen dan vergelijkbare
werkloosheidsuitkeringen. Worden de AAW-uitkeringen evenals de
werkloosheidsuitkeringen zoals voorgesteld bruto afgeleid van het
minimumjeugdloon, dan ontstaan de in tabel 7 weergegeven uitkeringen.
Tabel 7. Nettominimumniveaus
voor jongeren, voorgestelde systematiek [in
gld, red.]:
| |
Minimumloon |
Loonderving |
ABW |
| 22 jaar |
1250,- |
918,- |
937,- |
| 21 jaar |
1065,- |
798,- |
822,- |
| 20 jaar |
x946,- |
691,- |
763,- |
| 19 jaar |
x823,- |
617,- |
757,- |
| 18 jaar |
x726,- |
535,- |
752,- |
Het bestaande verschil tussen werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor jongeren is
dan weggenomen. De werkloosheidsuitkeringen voor jongeren veranderen
niet. De voorgestelde wijziging leidt evenwel tot aanmerkelijke
inkomenseffecten voor jongere AAW-ers. In de
lnvoeringswet stelselherziening wordt
voorgesteld om de oude gevallen buiten deze inhoudelijke gewenste
wijziging te houden.
Uit tabel 7 blijkt dat ook
voor jongeren de minimumloondervingsuitkering op basis van de
voorgestelde systematiek onder de van toepassing zijnde ABW-norm zakt. Ook
ten aanzien van jongeren willen wij met een tijdelijke maatregel in WW en
AAW dit effect voorkomen zolang het onderscheid in fiscale behandeling
tussen alleenstaanden jonger dan 27 jaar respectievelijk van 27 jaar of ouder voortduurt. Wij achten een dergelijke maatregel slechts noodzakelijk
voor jongeren van 21 en 22 jaar. De achtergrond hiervoor wordt gevormd
door de tweeledige systematiek die aan de bijstandsnormen voor jeugdige
alleenstaanden ten grondslag ligt.
In beginsel is de
bijstandsnorm voor jongeren onder de 23 jaar gelijk aan 75% van het
relevante nettominimumjeugdloon. De op deze wijze berekende normen mogen
echter niet lager zijn dan 50% van het referentieminimum. Dit niveau vormt
een vloerbedrag in de systematiek van het Bijstandsbesluit landelijke
normering (Bln) dat nog toereikend kan worden geacht voor de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan van zelfstandig wonende
alleenstaanden. De werking van dit vloerbedrag op de bijstandsnormen voor
jeugdigen wordt in onderstaande tabel weergegeven:
Tabel 8. Leeftijdsafhankelijke
bijstandsnormen voor jeugdigen en vloerbedragen [in
gld, red.]:
| |
ABW-norm
excl. vloerbedrag |
ABW-norm
incl. vloerbedrag |
| 22 jaar |
937,- |
937,- |
| 21 jaar |
822,- |
822,- |
| 20 jaar |
709,- |
763,- |
| 19 jaar |
617,- |
757,- |
| 18 jaar |
545,- |
752,- |
rblz.|67|
Het geringe verschil in het
vloerbedrag voor 18-, 19- en 20-jarigen wordt veroorzaakt door de
systematiek van de minimumvakantie-uitkering voor jeugdigen.
Ook na uitbreiding van de
werking van tariefgroep II tot de hier aan de orde zijnde
leeftijdscategorieën zou de leeftijdsafhankelijke bijstandsnorm
voor 18-,
19- en 20-jarigen onder het vloerbedrag blijven, zodat ook in die situatie
de bijstandsnorm voor deze leeftijdscategorieën bepaald wordt door de
absolute werking van het vloerbedrag. Een maatregel voor jongeren van 18,
19 en 20 jaar om het verschil tussen de minimumloondervingsuitkering en
het vloerbedrag te overbruggen, moet worden afgewezen daar een dergelijke
maatregel niet tijdelijk zou zijn. Uitbreiding van de werking van
tariefgroep II zou immers de noodzaak van een dergelijke toeslag niet
geheel wegnemen. Een dergelijke maatregel zou de consistentie van de
voorgestelde brutosystematiek en daarmee de equivalentie voor deze
groepen doorbreken. Voor jongere alleenstaanden van 18, 19 en 20 jaar
staat evenals in de huidige situatie bij werkloosheid een beroep op
aanvullende bijstand open.
Voor jongeren van 21 en 22
jaar stellen wij voor, zoals gezegd, met een tijdelijke maatregel in WW en
AAW
het verschil met de relevante bijstandsnorm te overbruggen. Overigens
achten wij het verschil tussen de loondervingsuitkeringen en de
ABW-normen voor jongeren van 21 en 22 jaar structureel gezien ongewenst.
Zoals in paragraaf 3.8.4 opgemerkt, zullen wij ons afzonderlijk beraden over
voorstellen om de ABW-normen en de minimumloondervingsuitkeringen op
elkaar af te stemmen.
3.9. De vrijwillige
verzekering van uitkeringen bij werkloosheid
In deze wet wordt voor
bepaalde groepen de mogelijkheid geopend tot het sluiten van een
vrijwillige verzekering. Het gaat daarbij om het huishoudelijk personeel,
personen die in dienstbetrekking van een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever in het buitenland arbeid verrichten en Nederlanders
die in een ontwikkelingsland gaan werken.
Uit paragraaf 3.3 blijkt dat
aan opneming van deze groepen in de verplichte verzekering een aantal
bezwaren kleeft die zich niet voordoen bij de vrijwillige verzekering,
terwijl het bovendien gewenst geacht wordt voor deze groepen bescherming
te bieden tegen de inkomensderving als gevolg van werkloosheid. Om die
redenen is dan ook de voorkeur gegeven aan een vrijwillige verzekering.
De
WW kent thans de vrijwillige verzekering niet, in tegenstelling tot de ZW,
de AAW
en de WAO.
De behandeling van het
wetsvoorstel tot wijziging van de ZW en de WAO inzake de toelating tot de
vrijwillige verzekering van Nederlanders die in een ontwikkelingsland
werkzaam zijn (gedrukte stukken [lees: Kamerstukken II, red.] 1969-1970,
10 753) is expliciet
gesteld dat een vrijwillige verzekering in het kader van de WW moeilijk te
realiseren zou zijn. Net als ten aanzien van de ZW en de WAO werden
problemen verwacht bij de premieheffing en de controle.
Daarnaast achtte men het
werkloosheidsrisico voldoende gedekt door de WWV.
Het voornaamste argument
destijds om niet over te gaan tot een vrijwillige werkloosheidsverzekering
lijkt te zijn geweest dat daaraan geen behoefte bestond vanwege de WWV.
De andere overwegingen gelden immers min of meer ook voor een vrijwillige
verzekering in het kader van de ZW, de WAO en de AAW. Wij zien niet in dat
het werkloosheidsrisico moeilijk vrijwillig verzekerbaar is voor de
hiervoor genoemde groepen in het kader van een collectieve regeling.
Duidelijk is wel dat het
bepalen van de omvang van het risico en in verband daarmee de
premiestelling problemen op kan leveren. Net als voor de ZW ligt het
hierbij echter voor de hand de binnen een bedrijfstak geldende
werkloosheids- en wachtgeldpremie te laten gelden.
rblz.|68|
Voorgesteld wordt de
mogelijkheid van vrijwillige verzekering open te stellen voor:
1. de persoon wiens verplichte
verzekering is geëindigd en die buiten Nederland woont en buiten
Nederland een dienstbetrekking vervult voor een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever;
2. de Nederlander wiens
verplichte verzekering is geëindigd en die arbeid verricht of gaat
verrichten in een ontwikkelingsland al dan niet in dienstbetrekking van
een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
Het karakter van de in deze
wet geregelde verzekering brengt met zich mee dat betrokkene naar
Nederland zal dienen terug te keren om recht op uitkering te verkrijgen.
Pas bij terugkeer in Nederland, als de betrokkene beschikbaar is voor de
Nederlandse arbeidsmarkt, kan recht op uitkering ontstaan en kan
beoordeeld worden of sprake is van niet-verwijtbare werkloosheid. De ZW
en
de WAO verzetten zich daarentegen niet tegen het verlenen van uitkering in
het buitenland. Niettemin geldt op grond van de ZW en de WAO ook voor
ontwikkelingswerkers - uit oogpunt van controle en omdat aan een
verdergaande verzekering geen behoefte bestond - de voorwaarde dat zij
naar Nederland terug moeten keren. Overigens dient ook rekening te worden
gehouden met personen die bij de inwerkingtreding van deze regeling al in
een ontwikkelingsland werkzaam zijn. In de binnenkort in te dienen Invoeringswet
stelselherziening zal in verband hiermee voor bepaalde
categorieën een overgangsregeling worden getroffen.
De vrijwillige verzekering
voor het huishoudelijk personeel is een novum. De ZW, de WAO en de AAW
kennen deze mogelijkheid thans evenmin. Naast het openen van de
mogelijkheid tot het sluiten van een vrijwillige verzekering op grond van
de
nieuwe Werkloosheidswet wordt voorgesteld de mogelijkheid daartoe ook
te bieden op grond van de ZW en de WAO. Voor de AAW bestaat daaraan geen
behoefte, omdat het huishoudelijk personeel reeds onder de werkingssfeer
van die wet valt.
In de Invoeringswet stelselherziening worden de
daartoe noodzakelijke wijzigingen in de ZW en de WAO opgenomen.
Niet
onaannemelijk is dat men zich zowel op grond van de nieuwe
Werkloosheidswet, de ZW als de WAO vrijwillig zal verzekeren. Niettemin
werd het met het oog op het voorkomen van misbruik van de in dit
wetsvoorstel voorgestelde vrijwillige verzekering wenselijk geacht aan
het sluiten van een vrijwillige werkloosheidsverzekering de voorwaarde te
verbinden dat tegelijkertijd een vrijwillige verzekering op grond van de
ZW wordt gesloten. Deze voorwaarde van het sluiten van een gecombineerde
vrijwillige werkloosheids- en ziekengeldverzekering is ook van belang
voor de samenloop van de beide risico's. De werkloze werknemer die ziek
wordt, heeft zich immers aan een ander risico blootgesteld en derhalve is
uitkering op grond van een andere verzekering op zijn plaats.
3.10. Overneming van uit de
dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij betalingsonmacht van de
werkgever
Bij de Wet van 10 juli 1968,
Stb. 1968, 375, in werking getreden met ingang van 24 juli 1968, is in de WW, in
hoofdstuk IIIa, een regeling opgenomen die voorziet in de overneming door
de bedrijfsvereniging van uit de dienstbetrekking voortvloeiende
verplichtingen bij onmacht van de werkgever om deze verplichtingen ten
opzichte van zijn werknemers te voldoen. Met deze regeling wordt beoogd de
financiële gevolgen van de betalingsonmacht van de werkgever weg te nemen
of te beperken door te waarborgen dat de werknemers dan van de
bedrijfsvereniging zullen ontvangen het door hen in het verleden verdiende
loon en het loon over de voor hen geldende opzegtermijn.
De regeling geldt als een
werkgever ten opzichte van al zijn werknemers of een belangrijk deel
daarvan niet in staat is de uit de dienstbetrekking voortvloeiende
verplichtingen te voldoen. De regeling is dus niet bedoeld voor de
individuele werknemer aan wie de werkgever niet (volledig) het loon betaalt.
rblz.|69|
De financiering van de
regeling geschiedt uit de wachtgeldfondsen. De regeling is strikt genomen
een oneigenlijk element in de WW. Zij is daarin niettemin uit
doelmatigheidsoverwegingen opgenomen: het werd wenselijk geacht deze
materie bij de wet te regelen, de materie vertoont verwantschap met de WW
en men wilde de uitvoering van de regeling in handen van de
bedrijfsverenigingen leggen.
Bij de voorbereiding van dit
wetsvoorstel is bezien of in het kader van een
nieuwe Werkloosheidswet behoefte bestaat aan een regeling van de in hoofdstuk lIla geregelde
materie, te meer daar de primaire verantwoordelijkheid van de sociale
partners voor de loondervingsfase vooropstaat en het in de wet
neergelegde het karakter heeft van een onder verantwoordelijkheid van de
overheid te bieden vaste verplichte basis. Ook speelde een rol dat de
regeling een oneigenlijk element in de Werkloosheidswet is.
De overwegingen die ten tijde
van de invoering van deze regeling in de WW golden, gelden naar onze
opvatting echter thans nog ten volle. Derhalve is besloten tot
continuering van de in hoofdstuk IIIa van de WW neergelegde regeling in de
nieuwe Werkloosheidswet, met dien verstande dat de tekst van dit hoofdstuk
zoveel mogelijk is vereenvoudigd en aangepast aan de systematiek van deze
wet. Voor de in artikel 42b, eerste lid, van de WW geregelde materie heeft
dit tot gevolg gehad dat die niet in dit hoofdstuk is opgenomen. Het
bepaalde in dit artikel dat betrekking heeft op de inhouding en afdracht
van hetgeen de werkgever op het loon van de werknemer had moeten inhouden
en afdragen, is opgenomen in het hoofdstuk van de financiering.
Voorts is rekening gehouden
met het advies van de SVr van 30 juni 1977 over hoofdstuk IIIa WW. In dit
advies spreekt de SVr zich uit over een aantal door de toenmalige
Staatssecretaris van Sociale Zaken aan de Raad voorgelegde voorstellen tot
uitbreiding van de werkingssfeer van dat hoofdstuk van het Overlegorgaan
van Vakcentrales en doet hij tevens voorstellen tot wijziging in verband
met in de praktijk gebleken onduidelijkheden.
Deze voorstellen van de SVR
hebben evenwel nog niet tot wetswijziging geleid.
Het gaat hierbij om de
volgende voorstellen:
1. voor de
toepassing van hoofdstuk IIIa WW centraal stellen van de datum van
opzegging van de dienstbetrekking en het ondervangen van situaties waarin
tijdens de opzegtermijn wordt gewerkt:
2. een mogelijkheid bieden uit
te gaan van een (eerder) tijdstip als datum van opzegging indien niet of
te
laat is opgezegd;
3. loskoppeling van de
overname van de betaling van pensioenpremie e.d. van de overname van de
betaling van loon, vakantiegeld en vakantietoeslag;
4. het onder de werkingssfeer
van hoofdstuk IIIa brengen van "oude" vorderingen;
5. een verruiming van de
mogelijkheden corrigerend te kunnen optreden ten aanzien van werknemers
die in feite zelf hun (achterstallig) loon kunnen vaststellen;
6. het van overeenkomstige
toepassing verklaren van artikel 31, eerste lid, sub e, lll-V WW [lees:
artikel 31, eerste lid, onderdeel e, WW, red.].
Deze voorstellen zijn in dit
voorstel van wet goeddeels overgenomen, en wel in hoofdstuk
IV. Zij zullen
in de artikelsgewijze toelichting nader worden verklaard.
Voorts is de regeling van
samenloop van de uitkering op grond van betalingsonmacht van de werkgever
met ander inkomen uit of in verband met arbeid in de wet opgenomen. Deze
regeling was neergelegd in het ter uitvoering van artikel 42g WW getroffen
Besluit van 19 maart 1969, Stcrt. 1969, 62. Voor een toelichting wordt eveneens
verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.
rblz.|70|
3.11. De toekenning van
bijdragen aan havenbedrijven
Bij de Wet van 6 april 1977,
Stb. 1977, 266, in werking getreden met terugwerkende kracht tot 1 januari 1976,
werd in de WW in hoofdstuk lllc een regeling opgenomen die voorziet in
toekenning van bijdragen aan werkgevers in het havenbedrijf ten laste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds. De bijdragen zijn bedoeld om de
inproductiviteitskosten van de "losse" werknemers op te vangen
teneinde
deze in dienst te kunnen houden en adequaat te kunnen reageren op de aan
het havenbedrijf inherente fluctuaties in het werkaanbod. Wij zien op dit
moment geen reden om wijziging te brengen in deze regeling. Zij is dan ook
in de
nieuwe Werkloosheidswet overgenomen. In dit verband is echter nog
wel van belang dat thans onder auspiciën van de SVr en het Algemeen
Werkloosheidsfonds een evaluatie plaatsvindt naar de werking van deze
havenarbeidsreserveregeling. Het is de bedoeling dat deze evaluatie vóór
het einde van dit jaar zal zijn afgerond. Indien deze evaluatie daartoe
aanleiding geeft, zal op een later tijdstip deze regeling gewijzigd worden.
3.12. De voorzieningen in de
Werkloosheidswet
3.12.1. Inleiding
Bij de totstandkoming of
vernieuwing van regelgeving op het terrein van de sociale zekerheid in de
naoorlogse periode is - naast het voorzien in inkomensvervangende
uitkeringen - de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen of
voorzieningen gericht op maatschappelijke (re)integratie een wezenlijk
element van de regelgeving gaan vormen. Dit vanuit één van de
doelstellingen van de sociale zekerheid, te weten het bevorderen van een
(her)intreden in het arbeidsproces en het bieden van mogelijkheden tot
persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing aan uitkeringsgerechtigden.
De term voorzieningen, zoals
die gehanteerd wordt in deze paragraaf, kan zowel slaan op een concrete
prestatie vanwege de uitvoerder als op het verlenen van faciliteiten
(behoud van uitkering e.d.).
Voorzieningen tot behoud, herstel of
bevordering van de maatschappelijke (re)integratie en arbeidsgeschiktheid
zijn onder meer geregeld in de AAW, de
WWV en de Wet Sociale
Werkvoorziening (WSW) [zie Wet sociale
werkvoorziening (Wsw), red.].
In navolging van de WAO
zijn
in de AAW voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering in de
arbeidsgeschiktheid en tot verbetering van levensomstandigheden opgenomen.
De WW en de WWV kennen thans geen algemene bepalingen die de
uitvoeringsorganen de mogelijkheid bieden tot het treffen van
voorzieningen, zoals in de AAW het geval is. Derhalve is in deze wetten
evenmin een nadere omschrijving en uitwerking van de voorzieningen
opgenomen. Wel zijn in de WWV
in de artikelen 35 en 36 verplichtingen
opgenomen voor gemeentebesturen om uitkeringsgerechtigden te stimuleren
van voorzieningen tot vergroting van de arbeidsgeschiktheid of tot
verdere inpassing in het arbeidsproces gebruik te maken, respectievelijk
sociaal-cultureel werk te organiseren ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid. De WSW biedt mogelijkheden (aangepaste) werkzaamheden
te verrichten voor degenen
|