|
Kamerstukken II
1985-1986, 19 383
Intrekking
van de Werkloosheidswet, invoering van een nieuwe
Werkloosheidswet en een aantal andere wetten,
alsmede de in het kader van die intrekking en invoering te treffen
overgangsregelingen en de daarmee verband houdende wijzigingen van een
aantal wetten en regelingen (Invoeringswet
stelselherziening) ¹
1. Redactie:
Tijdens de parlementaire behandeling is de citeertitel van deze wet
vervangen door: Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid. De wet is gepubliceerd in Stb. 1986, 567, en is in werking
getreden met ingang van 1 januari 1987 (Stb. 1986, 597).
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP |
Aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Wij
bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van Wet, houdende
intrekking van de Werkloosheidswet, invoering van een nieuwe
Werkloosheidswet en een aantal andere wetten,
alsmede de in het kader van die intrekking en invoering te treffen
overgangsregelingen en de daarmee verband houdende wijzigingen van een
aantal wetten en regelingen (Invoeringswet
stelselherziening)
De toelichtende
memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de
gronden waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige
bescherming.
's-Gravenhage, 23 januari
1986
BEATRIX
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen
met betrekking tot de intrekking van de Werkloosheidswet, de invoering
van de nieuwe
Werkloosheidswet, de Toeslagenwet,
de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze
werknemers, de Wet houdende nadere wijziging van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met
verminderde gehuwden en de Wet, houdende wijziging van de Algemene
wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en gelijkstelling van niet gehuwde
personen met gehuwden en de Wet, houdende wijziging van de Algemene
Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of
echtgenoten), alsmede regels te stellen met betrekking tot het in het
kader van die intrekking en invoering noodzakelijke overgangsrecht, en
voorts een aantal wetten en
regelingen in verband daarmee aan te passen; ¹
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
1. Lees: Alzo Wij in
overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met
betrekking tot de intrekking van de Werkloosheidswet, de invoering van
de nieuwe Werkloosheidswet, de Toeslagenwet,
de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze
werknemers, de Wet houdende nadere wijziging van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met
verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid), de Wet houdende
wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en gelijkstelling van niet-gehuwde
personen met gehuwden en de Wet houdende wijziging van de Algemene
Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of
echtgenoten), alsmede regels te stellen met betrekking tot het in het
kader van die intrekking en invoering noodzakelijke overgangsrecht, en
voorts een aantal wetten en regelingen in
verband daarmee aan te passen;, red.
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art.
1
[1]. [MvT]
In deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze
Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b.
Werkloosheidswet: de Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421)
zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan die
waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt;
c. Wet
Werkloosheidsvoorziening: de Wet
Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485) zoals
die wet
luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet
in werking treedt;
d. nieuwe
Werkloosheidswet: het bij koninklijke boodschap van 17
oktober 1985
ingediende voorstel van wet tot verzekering van
werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Kamerstukken II 1985-1986, 19 261),
zoals dat tot wet wordt verheven;
e.
Toeslagenwet: het bij koninklijke boodschap van 17
oktober 1985
ingediende voorstel van wet tot verlening van toeslagen
tot het relevante sociaal
minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de
Werkloosheidswet, de Ziektewet, de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen die
één of
meer personen tot hun financiële last hebben (Kamerstukken II 1985-1986, 19 257), zoals dat
tot wet wordt verheven;
f. Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers: het bij
koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot
het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere
werkloze werknemers van wie het recht op een uitkering
op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd (Kamerstukken
II 1985-1986, 19 260), zoals
dat tot wet wordt verheven;
g.
Wijzigingswet AAW/WAO: het bij koninklijke boodschap van
17 oktober 1985
ingediende voorstel van wet tot nadere wijziging van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (Kamerstukken II 1985-1986, 19 256), zoals dat tot wet
wordt verheven;
h.
Wijzigingswet ABW: het bij koninklijke boodschap van 17
oktober 1985
ingediende voorstel van wet tot wijziging van de
Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en gelijkstelling van
niet-gehuwde personen met gehuwden (Kamerstukken II 1985-1986, 19 259), zoals dat tot wet
wordt verheven;
i.
Wijzigingswet AOW: het bij koninklijke boodschap van 17
oktober 1985
ingediende voorstel van wet tot wijziging van de
Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde
personen met gehuwden of echtgenoten) (Kamerstukken II 1985-1986, 19 258), zoals dat tot wet
wordt verheven;
j.
bedrijfsvereniging: een bedrijfsvereniging als bedoeld
in hoofdstuk II van de Organisatiewet Sociale
Verzekering;
k.
gemeentebestuur: burgemeester en wethouders.
HOOFDSTUK
II
De
werkloosheidswetten
AFDELING
I
Algemene bepalingen
Art.
2 [2]. [MvT]
-1. De
Werkloosheidswet wordt ingetrokken.
-2. De
Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen
blijven van toepassing op de rechten, bevoegdheden en
verplichtingen over tijdvakken
gelegen vóór de dag waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in
werking treedt, voor zover in deze wet of de daarop
berustende bepalingen niet anders is bepaald.
Art.
3 [3]. [MvT]
Vanaf de dag
waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt,
ontstaat geen nieuw recht op uitkering op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening als bedoeld in de
artikelen 9, eerste lid, 10, en hoofdstuk lIla van die
wet.
Art.
4 [4]. [MvT]
-1. De
Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen
blijven van toepassing ten aanzien van de persoon die op
de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt recht op uitkering
op grond van de Werkloosheidswet had, zolang hij niet
de maximumuitkeringsduur op grond van die wet heeft
bereikt, doch ten hoogste tot een halfjaar na de dag
waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt.
-2. Met de in
het eerste lid bedoelde persoon wordt gelijkgesteld de
persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de
nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt geen recht
op uitkering op grond van de Werkloosheidswet had, omdat
artikel 31, eerste en tweede lid, zo nodig in verbinding
met artikel 39 van die wet op hem van toepassing is,
doch die zodra die artikelen niet meer op hem van
toepassing zijn vervolgens wel recht op uitkering op
grond van die wet zou hebben gehad indien die wet niet
zou zijn ingetrokken.
-3. De
Werkloosheidswet blijft van toepassing ten aanzien van
de persoon:
a. wiens
werkgever op de dag voorafgaande aan die waarop de
nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt in staat van
faillissement was verklaard, surséance van betaling was
verleend of in een toestand verkeerde als bedoeld in
artikel 42a, tweede lid, van de Werkloosheidswet en die
in verband daarmee recht had op een betaling op grond
van hoofdstuk lIla van laatstgenoemde wet;
b. die op de dag voorafgaand aan die waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt recht had op
loonsuppletie op grond van hoofdstuk lllb van de
Werkloosheidswet;
voor de duur
van de betaling of de duur van de loonsuppletie.
-4. Zolang de
Werkloosheidswet op hem van toepassing blijft, wordt de
uitkering van de in het eerste of tweede lid bedoelde
persoon wiens uitkering niet is berekend naar het
minimumdagloon, bedoeld in artikel 12a van die
wet, voor de toepassing van de Toeslagenwet
beschouwd
als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
-5. In
afwijking van het eerste lid is artikel 26 van de
Werkloosheidswet niet van toepassing op de uitkering van
de in het eerste, tweede of derde lid bedoelde persoon,
doch wordt deze persoon voor de toepassing van de Ziektewet
(Stb. 1967, 473) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492) als
werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet
beschouwd en wordt deze uitkering voor de toepassing van
artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1966, 64) als
uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet
aangemerkt.
-6. In
aansluiting op het eindigen van het recht op uitkering,
bedoeld in het eerste lid, heeft de in het eerste of
tweede lid bedoelde persoon recht op uitkering op grond
van de nieuwe Werkloosheidswet, tenzij die wet of deze
wet dat verhindert.
Art.
5 [5]. [MvT]
-1. De Wet
Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende
bepalingen blijven van toepassing ten aanzien van de
persoon die op de dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt recht had op uitkering op grond van
de Wet Werkloosheidsvoorziening, zolang geen recht op
uitkering op grond van de nieuwe
Werkloosheidswet is
ontstaan.
-2. Met de in
het eerste lid bedoelde persoon wordt gelijkgesteld de
persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de
nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt geen recht
op uitkering op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening had, omdat het recht op
uitkering op grond van die
wet was onderbroken door
werkaanvaarding of een omstandigheid als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, of artikel 14, eerste lid, van
die wet, doch die, zodra dat werk is geëindigd of die
omstandigheid niet meer op hem van toepassing is,
vervolgens wel recht op uitkering op grond van artikel
9, vierde lid, van die wet heeft.
-3. Het
eerste en tweede lid gelden niet indien ten aanzien van
de in die leden bedoelde persoon tevens artikel 4
[4] van
toepassing is.
Art.
6 [6]. [MvT]
-1. In
afwijking van de artikelen 4 [4], eerste lid, en
5 [5], eerste
lid, is ten aanzien van de persoon die op de eerste dag
van werkloosheid 57,5 jaar of ouder was en op de dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt recht had op uitkering op grond van
de Werkloosheidswet of de Wet
Werkloosheidsvoorziening,
de nieuwe Werkloosheidswet van toepassing.
-2. Artikel
4 [4], tweede lid, en
artikel 5
[5], tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste
lid.
-3. De
arbeidsverhouding van de persoon, bedoeld in het eerste
en tweede lid, aan wie door het Rijk ter zake van zijn
arbeidsverhouding invaliditeitspensioen is verzekerd,
wordt als dienstbetrekking in de zin van de nieuwe
Werkloosheidswet beschouwd.
Art.
7 [7]. [MvT]
-1. De
persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt recht had op
uitkering op grond van de Werkloosheidswet of hoofdstuk
III van de Wet
Werkloosheidsvoorziening en die bij
voortdurende werkloosheid recht zou hebben gehad op
uitkering op grond van hoofdstuk lllb van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, heeft na afloop van de
uitkeringsduur, bedoeld in artikel 16
[17], recht op
uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers, tenzij
die wet dat verhindert.
-2. De
persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de
nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht had op
uitkering op grond van hoofdstuk lllb van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, heeft met ingang van de dag
waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt
recht op uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers, tenzij
die wet dat verhindert.
Art.
8 [9]. [MvT]
Onze
Minister is bevoegd met betrekking tot deze afdeling
nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen.
AFDELING
II
De personenkring
Art.
9 [10]. [MvT]
-1. Tot het tijdstip aangewezen op grond van artikel
7, eerste lid,
van de nieuwe
Werkloosheidswet kunnen ten aanzien van
degene die ambtenaar is in
de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb.
1979, 679) uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot een
lichaam als bedoeld in artikel A 1, onderdeel d, van de
Algemene burgerlijke pensioenwet, niet zijnde het Rijk,
een provincie, gemeente, waterschap, veenschap of
veenpolder, bij algemene maatregel van bestuur
voorschriften worden gegeven omtrent zijn ten laste van
dit lichaam komende aanspraken bij werkloosheid.
-2. Het
eerste lid is niet van toepassing op degene die
ambtenaar is uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot
een lichaam als bedoeld in artikel B 2 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet, mits zodanig lichaam krachtens
subsidievoorwaarden voorschriften als bedoeld in het
eerste lid toepast.
AFDELING
III
De voorwaarden voor het
recht op uitkering
Art.
10 [11]. [MvT]
De personen,
bedoeld in de artikelen 4 [4] en 6
[6], worden geacht te voldoen
aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 17 van de nieuwe
Werkloosheidswet.
Art.
11 [12]. [MvT]
-1. De
persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn werkloosheid werknemer in de zin van
de nieuwe
Werkloosheidswet was en die in de periode van twaalf maanden, bedoeld in artikel 17 van die
wet, in weken gelegen vóór de dag waarop die wet in werking
treedt arbeid heeft verricht als werknemer in de zin
van de Werkloosheidswet of de Wet
Werkloosheidsvoorziening, dan wel zijn militaire
dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst
heeft vervuld, wordt met betrekking tot de weken waarin
hij deze arbeid heeft verricht, beschouwd als werknemer
in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet.
-2. De
persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn werkloosheid werknemer in de zin van
de nieuwe Werkloosheidswet was en die in de periode van
twaalf maanden, bedoeld in artikel 17 van die
wet, in weken
vanaf de dag waarop die wet in werking treedt arbeid
heeft verricht in een arbeidsverhouding ter zake waarvan
hem door het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd,
wordt met betrekking tot de weken waarin hij deze arbeid
heeft verricht, beschouwd als werknemer in de zin van de
nieuwe Werkloosheidswet.
-3. Het
eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn werkloosheid werknemer in de zin van
de Werkloosheidswet was en wiens werkloosheid begint op
de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking
treedt.
-4. Artikel
17, tweede tot en met vijfde lid, van de
nieuwe
Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot het eerste, tweede en derde lid.
-5. Ten
aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande aan
die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt
recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als
bedoeld in artikel 45 [51] en die op het tijdstip waarop de
arbeidsongeschiktheid intrad werknemer was in de zin van
de Werkloosheidswet, zijn het eerste en het vierde lid
van overeenkomstige toepassing.
-6.
Onze
Minister is bevoegd met betrekking tot dit artikel
nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen.
AFDELING
IV
Het geldend maken van het
recht op uitkering
Art.
12 [13]. [MvT]
In afwijking
van artikel 22 van de nieuwe
Werkloosheidswet stelt de
bedrijfsvereniging ambtshalve vast of de persoon,
bedoeld in artikel 4 [4], wiens recht
op uitkering is geëindigd wegens het bereiken van de
maximumuitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet
of artikel 4 [4], en de persoon, bedoeld in
artikel 6 [6], recht
op uitkering op grond van de nieuwe
Werkloosheidswet hebben.
Art.
13 [14]. [MvT]
Indien ten
aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
4 [4], op de dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe
Werkloosheidswet op hem van toepassing wordt artikel
31, eerste lid,
onderdeel a tot en met f, zo nodig in verbinding met
artikel 39 van de Werkloosheidswet van toepassing was en
ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
6 [6], op dat
tijdstip artikel 14 van de Wet
Werkloosheidsvoorziening van toepassing was, beslist de bedrijfsvereniging of zij
gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in artikel
27, eerste en tweede lid, van de nieuwe
Werkloosheidswet.
Art.
14 [15]. [MvT]
De artikelen
36 en 37 van de nieuwe
Werkloosheidswet zijn van
overeenkomstige toepassing op de uitkering op grond van
de Werkloosheidswet.
AFDELING
V
De betaling van de
uitkering
Art.
15 [16]. [MvT]
-1. Indien
aan een werknemer als bedoeld in artikel 5
[5] of 6
[6],
uitkering op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening is toegekend over een
periode waarover recht op
uitkering op grond van de nieuwe
Werkloosheidswet bestaat, is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering
over die periode tot ten hoogste het bedrag van die
toegekende uitkering, zonder machtiging van de
werknemer, te betalen aan het betrokken gemeentebestuur.
-2. In het
geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de
bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het
bedrag aan premies op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene Kinderbijslagwet
(Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste is gekomen
van het gemeentebestuur dat die uitkering verleende.
AFDELING
VI
De duur van de uitkering
Art.
16 [17]. [MvT]
-1. In
afwijking van artikel 42,
eerste en tweede lid, en
artikel 51 [49] van de nieuwe
Werkloosheidswet is de
uitkeringsduur voor de persoon, bedoeld in artikel
4 [4],
die op de eerste dag van de werkloosheid:
a. jonger is
dan 22,5 jaar, indien hij aantoont in de periode van
vijf jaar aan het intreden van zijn werkloosheid
onmiddellijk voorafgaande ten minste gedurende drie
jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of
de Wet
Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking
van acht of meer uren per week te hebben gestaan: één
jaar;
b. 22,5 jaar
of ouder, doch jonger dan 29,5 jaar: één jaar;
c. 29,5 jaar
of ouder is, doch jonger dan 34,5 jaar: anderhalf jaar;
d. 34,5 jaar
of ouder is, doch jonger dan 57,5 jaar: twee jaar.
-2. Voor de
werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en
c,
wordt de uitkeringsduur verlengd met een halfjaar
indien hij aantoont in de periode van vijf jaar aan het
intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande ten minste gedurende drie jaar als
werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet
Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking van
acht of meer uren per week te hebben gestaan.
-3. De
artikelen 42, derde tot en met zevende lid, en 43 van de
nieuwe
Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Art.
17 [20]. [MvT]
In afwijking
van artikel 42, eerste en tweede lid, en artikel 51
[49] van
de nieuwe
Werkloosheidswet eindigt de uitkeringsduur
voor de persoon, bedoeld in artikel 6
[6], op de eerste dag
van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Art.
18 [21]. [MvT]
-1. De
persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn werkloosheid werknemer in de zin van
de nieuwe
Werkloosheidswet was, wordt voor de toepassing
van de artikelen 42 en 50
[48] van die wet als werknemer in
de zin van die wet beschouwd gedurende de periode waarin
hij:
a. voor de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking
treedt als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet
of de Wet
Werkloosheidsvoorziening in dienstbetrekking
heeft gestaan dan wel zijn militaire dienstplicht of in
plaats daarvan vervangende dienst heeft vervuld;
b. vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking
treedt een arbeidsverhouding had ter zake waarvan hem
door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd.
-2. Ten
aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
11 [12], derde en
vijfde lid, is het eerste lid, onderdeel a, van
overeenkomstige toepassing.
-3.
Onze
Minister is bevoegd met betrekking tot dit artikel
nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen.
AFDELING
VII
De hoogte van de
uitkering
Art.
19 [22]. [MvT]
In afwijking
van de artikelen 44, 45 en
47, eerste en tweede lid, van
de nieuwe
Werkloosheidswet, bedraagt de uitkering per
dag ten aanzien van de personen, bedoeld in de artikelen
4 [4] en 6
[6], 70% van het dagloon dat gold op de
dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt.
Art.
20 [23]. [MvT]
In afwijking
van de op grond van artikel 12a van de Werkloosheidswet
gestelde regels wordt het dagloon, bedoeld in artikel
19 [22], herzien overeenkomstig artikel 46 van de nieuwe
Werkloosheidswet.
Art.
21 [24]. [MvT]
-1. De
persoon die 21 jaar of ouder is, doch jonger is dan 27
jaar, die voor de toepassing van de Toeslagenwet
niet
als gehuwd wordt aangemerkt en die recht heeft op
uitkering op grond van de Werkloosheidswet of de nieuwe
Werkloosheidswet die bij de aanvang van de werkloosheid
is berekend naar een dagloon dat ten minste gelijk is
aan het minimumloon, bedoeld in artikel
14, tweede lid,
van de nieuwe
Werkloosheidswet, heeft recht op een
verhoging van zijn uitkering op grond van de
Werkloosheidswet of bedoeld in hoofdstuk II van de nieuwe
Werkloosheidswet, indien die uitkering per dag,
indien hij 21 jaar, 22 jaar onderscheidenlijk 23 jaar of
ouder is, minder bedraagt dan ƒ47,96, ƒ55,77,
onderscheidenlijk ƒ65,50.
-2. De in het
eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil
tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en de
uitkering per dag op grond van de
Werkloosheidswet of bedoeld in hoofdstuk
II van de nieuwe
Werkloosheidswet.
-3. De
bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door
Onze
Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde
tijdstip als waarop de bedragen, genoemd in het
Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132),
worden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in
het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.
AFDELING
VIII
De
vrijwillige verzekering van uitkeringen bij werkloosheid
Art.
22 [26]. [MvT
+ bis]
De
bedrijfsvereniging laat, op zijn verzoek, tot de
vrijwillige werkloosheidsverzekering, bedoeld in
hoofdstuk III van de nieuwe
Werkloosheidswet, toe de persoon jonger dan 65 jaar die op de dag waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt:
a. buiten
Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult
en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd
is; of
b.
Nederlander is en die werkzaamheden verricht in een
ontwikkelingsland.
Art.
23 [27]. [MvT
+ bis]
-1. Het
verzoek om toelating tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering op grond van artikel
22 [26] dient
te worden ingediend binnen drie maanden na de dag
waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt.
-2. De
bedrijfsvereniging is bevoegd te verklaren dat een
verzoek om toelating, ingediend na afloop van de in het
eerste lid gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn
ingekomen indien de persoon die het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim
te zijn geweest.
Art.
24 [28]. [MvT
+ bis]
Met
inachtneming van hetgeen in de Ziektewet
met betrekking
tot de vrijwillige verzekering op grond van die wet
overigens is bepaald, laat de bedrijfsvereniging de
persoon, bedoeld in artikel 22 [26], die niet op grond van de
Ziektewet is verzekerd, tegelijkertijd tot die
verzekering toe.
Art.
25 [29]. [MvT
+ bis]
Met
betrekking tot het recht op uitkering, bedoeld in
artikel 15 van de nieuwe
Werkloosheidswet en de duur
van de uitkering, bedoeld in de artikelen 42 en 51
[49] van
de nieuwe
Werkloosheidswet, van de persoon, bedoeld in
artikel 22 [26], worden van de periode voorafgaande aan de
dag waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt
slechts in aanmerking genomen de weken waarin hij:
a. arbeid
heeft verricht als werknemer in de zin van de
Werkloosheidswet;
b. arbeid
heeft verricht in een arbeidsverhouding ter zake waarvan
hem door het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd;
c. zijn
militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende
dienst heeft vervuld;
d. arbeid
heeft verricht als werknemer in de zin van de Wet
Werkloosheidsvoorziening en in het kader van de
ontwikkelingshulp naar een ontwikkelingsland is
uitgezonden.
Art.
26 [30]. [MvT
+ bis]
Hoofdstuk
III van de nieuwe
Werkloosheidswet is, voor zover
daarvan in deze afdeling niet is afgeweken, van
overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering van de
persoon, bedoeld in artikel 22 [26].
AFDELING
IX
De
uitvoeringsorganen
Art.
27 [31]. [MvT]
Een
wachtgeldfonds als bedoeld in artikel 104 [102]
van de nieuwe
Werkloosheidswet respectievelijk het Algemeen
Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel
105 [103] van die wet,
is een voortzetting van een fonds als bedoeld in artikel
20, tweede lid, van de Werkloosheidswet respectievelijk
het fonds, bedoeld in hoofdstuk II van die wet.
Art.
28 [32]. [MvT]
-1. De
persoon, bedoeld in artikel 6 [6], is verzekerd bij de
bedrijfsvereniging waarbij zijn laatste werkgever was
aangesloten.
-2. Indien de
werkgever bij meer dan één bedrijfsvereniging was
aangesloten, is de werknemer verzekerd bij de
bedrijfsvereniging die haar werking uitstrekt over het
onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe zijn
werkzaamheden uitsluitend of in hoofdzaak behoren.
-3. De
persoon, bedoeld in artikel 6 [6], die op de
dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking treedt recht had op een uitkering op grond
van de Wet
Werkloosheidsvoorziening ter zake van
werkloosheid uit een dienstbetrekking vervuld buiten
Nederland, is verzekerd bij de Nieuwe Algemene
Bedrijfsvereniging.
-4. Het
gemeentebestuur waarvan de persoon, bedoeld in artikel
6 [6], uitkering ontvangt, meldt die persoon aan bij de
bedrijfsvereniging, bedoeld in het eerste tot en met het
derde lid.
-5.
Onze
Minister is bevoegd nadere en zo nodig afwijkende regels
te stellen met betrekking tot dit artikel.
AFDELING
X
Wijziging
van de Wet Werkloosheidsvoorziening
Art.
29 [33]. [MvT]
De Wet
Werkloosheidsvoorziening wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In
artikel 5b, tweede lid, wordt "als bedoeld in artikel
16a" vervangen door: als bedoeld in artikel
16b.
B. [MvT]
Artikel 5c, vierde lid, wordt vervangen door:
-4. Voor de
toepassing van dit artikel wordt:
a. verstaan
onder pleegkind een kind dat als een eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed;
b. als
gehuwd of als echtgenoot aangemerkt degene die niet
duurzaam gescheiden leeft van de man of de vrouw met wie
zij of hij gehuwd is;
c. als
gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt niet-gehuwde
personen van verschillend of gelijk geslacht die
duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren en van
wie de situatie ook overigens niet feitelijk verschilt
van die van gehuwden of echtgenoten;
d. als ongehuwd
mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van
de man of vrouw met wie zij of hij gehuwd is.
Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen naderen regels worden
gesteld met betrekking tot onderdeel c.
C. [MvT]
Onder
vernummering van artikel 16a tot artikel 16b wordt na
artikel 16 een nieuw artikel 16a ingevoegd, luidende:
Art. 16a.
-1. De werknemer die 21 jaar of ouder is,
doch jonger is dan 27 jaar, die voor de toepassing van
artikel 5c niet als gehuwd wordt aangemerkt en die op
grond van deze wet recht op uitkering heeft die is
berekend naar een dagloon dat ten minste gelijk is aan
het minimumloon, heeft recht op een verhoging van zijn
uitkering indien die uitkering per dag, indien hij 21
jaar, 22 jaar, onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is,
minder bedraagt dan ƒ47,96, ƒ55,77, onderscheidenlijk ƒ65,50.
-2. De in het
eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil
tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en de
uitkering, bedoeld in artikel 16.
-3. De
bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door
Onze
Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde
tijdstip als waarop de bedragen genoemd in het
Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132)
worden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in
het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.
-4.
Minimumloon als bedoeld in het eerste lid is het
minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), of, indien het
een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn
leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7,
derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde
wet,
beide vermeerderd met de daarover berekende
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet.
D. [MvT]
In
artikel 19 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het
derde en vierde lid worden vernummerd tot het vijfde en
zesde lid, waarna een nieuw derde en vierde lid worden
ingevoegd, luidende:
-3. Voor de
toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot
aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of
gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke
huishouding voeren en van wie de situatie ook overigens
niet feitelijk verschilt van die van niet duurzaam
gescheiden levende echtgenoten.
-4. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld voor de toepassing van het derde lid.
2. In het
zesde lid wordt "het derde lid" vervangen door: het
vijfde lid.
E. [MvT]
Artikel 28a wordt vervangen door:
Art. 28a.
-1. Indien
een werknemer recht op uitkering heeft over een periode
waarover uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers of
bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan
krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is
verleend, is het gemeentebestuur bevoegd de uitkering
over die periode tot ten hoogste het bedrag van die
verleende uitkering of bijstand te verrekenen of de
uitkering over die periode tot ten hoogste het bedrag
van die uitkering of de verleende bijstand, zonder
machtiging van de werknemer, te betalen aan het
gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand
verleende.
-2. In het
geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt het
gemeentebestuur aan het gemeentebestuur dat de uitkering
of de bijstand verleende tevens het bedrag aan premies
op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de
Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 55) dat ten
laste is gekomen van het gemeentebestuur dat die
uitkering of bijstand verleende.
-3. De
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor
zover bij de verlening van bijstand met de uitkering
rekening is gehouden.
F. [MvT]
Hoofdstuk lllb vervalt.
AFDELING
XI
Slotbepalingen
Art.
30 [34]. [MvT]
-1. Tot een
nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
tijdstip blijft artikel 45 van de nieuwe
Werkloosheidswet en hetgeen in hoofdstuk IX van de nieuwe
Werkloosheidswet met betrekking tot artikel 45
van die wet is bepaald buiten toepassing.
-2. Voor de
toepassing van de nieuwe
Werkloosheidswet wordt tot het
in het eerste lid bedoelde tijdstip voor de berekening
van een uitkering waarop op grond van die wet
aanspraak
bestaat volgens door de Sociale Verzekeringsraad, onder
goedkeuring van
Onze
Minister, te stellen algemene
regels als dagloon beschouwd hetgeen de werknemer
tijdens het ontvangen van de uitkering bij een
vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag zou hebben kunnen
verdienen in het beroep dat hij gewoonlijk uitoefende.
Deze algemene regels worden in de Nederlandse
Staatscourant openbaar gemaakt.
-3. In
afwijking van het tweede lid of van de aldaar bedoelde
algemene regels kunnen door de Sociale Verzekeringsraad
met betrekking tot de vaststelling van het dagloon
bijzondere regels worden gesteld, die de goedkeuring van
Onze Minister behoeven. Deze bijzondere regels worden in de
Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
-4. Indien
Onze Minister aan de in het tweede of derde lid bedoelde
regels of aan één of meer bepalingen daarvan zijn
goedkeuring onthoudt of een daaraan verleende
goedkeuring intrekt, kunnen deze zo nodig door Onze
Minister worden vastgesteld. Het ontwerp van de regels
van Onze Minister, bedoeld in de eerste volzin, wordt
bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. De
vaststelling van de regels geschiedt niet eerder dan
twee maanden na de bekendmaking.
-5. De
bedrijfsvereniging is bevoegd regels te stellen met
betrekking tot de vaststelling van het dagloon voor alle
of voor één of meer groepen bij haar verzekerde
werknemers, waarbij kan worden afgeweken van het tweede
lid, alsmede van de in dat lid en van de in het derde
lid bedoelde regels.
-6. Regels
als bedoeld in het vijfde lid behoeven de goedkeuring
van de Sociale Verzekeringsraad en worden in de
Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt. Wanneer de
in het tweede, derde of vierde lid bedoelde regels
wijziging ondergaan, kan de Sociale Verzekeringsraad de
goedkeuring van de regels, bedoeld in het vijfde lid,
intrekken.
-7. Regels
als bedoeld in het vijfde en zesde lid die afwijken van
de door Onze Minister aangewezen bepalingen van de in
het tweede en derde lid bedoelde regels of van de door
hem op grond van het vierde lid vastgestelde regels,
behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Het ontwerp
van een besluit van Onze Minister tot het onthouden van
de goedkeuring, bedoeld in de eerste volzin, wordt
bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. De
vaststelling van dat besluit geschiedt niet eerder dan
twee maanden na de bekendmaking.
-8. De
Sociale Verzekeringsraad hoort, alvorens tot
vaststelling van de in het tweede en derde lid bedoelde
regels over te gaan, het bestuur van het Algemeen
Werkloosheidsfonds en de bedrijfsverenigingen.
Art.
31 [35]. [MvT]
Indien het
bij koninklijke boodschap van 15 december 1980
ingediende voorstel van wet tot nadere wijziging van
enige socialeverzekeringswetten, de Wet betreffende
verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds en
enige fiscale wetten in verband met het misbruik van
rechtspersonen (Kamerstukken II 1980-1981, 16 530) tot
wet is verheven en in werking is getreden, wordt in
artikel 130 [128], tweede lid, van de nieuwe
Werkloosheidswet
"bedoeld in artikel 16a
en artikel 16b van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering" vervangen door:
bedoeld in artikel 16a,
artikel 16b en artikel
16c,
eerste lid, onderdeel d, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Art.
32 [36]. [MvT]
Totdat het
bij koninklijke boodschap van 4 mei 1983 ingediende
voorstel van wet houdende algemene regeling van beslag
op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke
betalingen (Kamerstukken II 1982-1983, 17 897) tot wet
is verheven en in werking is getreden, luiden artikel
40, eerste lid, van de nieuwe
Werkloosheidswet, artikel 23 [25], eerste lid, van de Toeslagenwet
en artikel 26,
eerste lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers als volgt:
-1. De
uitkering is:
a.
onvervreemdbaar;
b. niet
vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens
voor zover dit dient tot verhaal van levensonderhoud
waartoe de betrokkene volgens de wet is gehouden, niet
vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag, noch
voor faillissementsbeslag.
Art.
33 [37]. [MvT]
-1. Vanaf de dag waarop de nieuwe
Werkloosheidswet in werking
treedt, vindt geen vergoeding aan de gemeente plaats van
de kosten, bedoeld in artikel 40, onderdeel e en
f, van
de Wet
Werkloosheidsvoorziening.
-2. Het Rijk
verstrekt gedurende vier perioden van twaalf maanden
vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in
werking treedt aan de gemeente een uitkering die is
gebaseerd op de kosten die over het dienstjaar 1984 op
grond van artikel 40, onderdeel e en f, van de
Wet
Werkloosheidsvoorziening aan de gemeente zijn vergoed.
-3. De
uitkering, bedoeld in het tweede lid, bedraagt gedurende
de eerste tot en met de vierde periode van twaalf maanden
vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in
werking treedt, onderscheidenlijk 80%, 60%, 40% en 20%
van de in het tweede lid bedoelde kosten.
-4.
Onze
Minister is bevoegd de verstrekte uitkering, bedoeld in
het tweede lid, gedeeltelijk terug te vorderen of te
verrekenen indien het gemeentebestuur niet of in
onvoldoende mate voldoet aan zijn verplichtingen,
bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening.
-5. Onze
Minister is bevoegd met betrekking tot de wijze van
verstrekking van de in dit artikel bedoelde uitkering
nadere regels te stellen.
-6. Artikel
42, tweede lid, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening is
met betrekking tot een besluit als bedoeld in het vierde
lid van overeenkomstige toepassing.
Art.
34 [38]. [MvT]
Beslissingen
en uitkeringen op grond van dit hoofdstuk of de daarop
berustende bepalingen worden, voor zover de
Werkloosheidswet of de Wet
Werkloosheidsvoorziening en
de op die wetten berustende bepalingen niet van
toepassing blijven, voor de toepassing van wettelijke
bepalingen beschouwd als beslissingen en uitkeringen op
grond van de nieuwe
Werkloosheidswet.
HOOFDSTUK
III
De
arbeidsongeschiktheidswetten
AFDELING
I
Wijzigingen van wetten
Art.
35 [39]. [MvT]
De Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1980, 28)
wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In
artikel 1 vervalt het tweede lid, waarna het derde lid
wordt vernummerd tot tweede lid.
B. [MvT]
Artikel
3, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid worden schepen en
luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven
hebben, beschouwd als deel van Nederland.
C. [MvT]
In
artikel 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt de
verzekerde geacht geen inkomen te hebben verworven
indien dit inkomen minder bedroeg dan 48-maal het minimumloon, bedoeld in artikel 10, tweede lid, voor een
persoon van 23 jaar of ouder, zoals dat gold op de dag
waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
2. In het
tiende lid wordt "Door Onze
Minister" vervangen door:
Bij algemene maatregel van bestuur.
3. Het
elfde lid wordt vervangen door:
-11. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot
dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden
gesteld.
D. [MvT]
Artikel
10 wordt vervangen door:
Art. 10.
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de
grondslag van het minimumloon.
-2. Onder het
in het eerste lid bedoelde minimumloon
wordt verstaan
het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb.
1968, 657) of, indien het
een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon
dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7,
derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde
wet.
-3. Het
eerste lid is niet van toepassing op de
uitkeringsgerechtigde die in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid niet in een voor zijn beroep
normaal te achten duur arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven heeft verricht en die mede als gevolg
daarvan minder inkomen heeft verworven dan 260-maal de
grondslag, bedoeld in het eerste lid.
-4. Voor de
uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het derde lid, geldt
als grondslag voor de berekening van de uitkering
hetgeen hij in het jaar, bedoeld in het derde lid,
geacht wordt gemiddeld per dag aan inkomen te hebben
verworven.
-5. Indien
het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag wordt herzien, wordt de
grondslag, bedoeld in het vierde lid, naar evenredigheid
herzien.
-6. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot het inkomen en de
arbeid van normaal te achten duur, bedoeld in het derde
en het vierde lid, en kunnen ook overigens nadere en zo
nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking
tot dit artikel.
E. [MvT]
De
artikelen 10a, 11 en 11a vervallen.
F. [MvT]
Artikel
12, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de
zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een
arbeidsongeschiktheid van:
25-35%
21% van de
grondslag;
35-45%
28% van de grondslag;
45-55%
35% van
de grondslag;
55-65%
42% van de grondslag;
65-80%
50,75, van de grondslag;
80% of meer 70% van de
grondslag.
G. [MvT]
De
artikelen 12a tot en met 12c vervallen.
H. [MvT]
In
artikel 29a worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt
"artikel 10, vijfde lid,"
vervangen door: artikel 10,
vierde lid,.
2. Het
tweede lid wordt vervangen door:
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid
wordt in artikel 10, derde lid, in plaats van "het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid" gelezen: de toeneming van zijn
arbeidsongeschiktheid.
I. [MvT]
In
artikel 34, eerste lid, wordt "90% van de grondslag"
vervangen door: 85% van de grondslag.
J. [MvT]
In
artikel 44 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste lid vervalt de zinsnede "onverminderd het
bepaalde bij of krachtens
de artikelen 12a, 12b en 12c".
2. Het
tweede tot en met het vijfde lid worden vernummerd tot
het vierde tot
en met het zevende lid, waarna een nieuw tweede en derde
lid worden
ingevoegd, luidende:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid worden mede als echtgenoot
aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of
gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke
huishouding voeren en van wie de situatie ook overigens
niet feitelijk verschilt van die van niet duurzaam
gescheiden levende echtgenoten.
-3. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld voor de toepassing van het tweede lid.
3. In het
vijfde lid wordt "het eerste en het tweede lid"
vervangen door: het eerste tot en met het vierde lid.
4. In het
zesde lid wordt "tweede lid" vervangen door: vierde
lid.
5. In het zevende lid wordt "tweede lid"
vervangen door: vierde lid.
K. [MvT]
In artikel 48 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het
eerste, tweede en het derde lid vervallen, waarna het
vierde, vijfde en zesde lid worden vernummerd tot
tweede, derde en vierde lid.
2. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op
grond van deze wet onverschuldigd is betaald geheel of
gedeeltelijk terug te vorderen of in mindering te
brengen op een later te betalen uitkering op grond van
deze wet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
en in de gevallen,
bedoeld in onderdeel a, b en c, op ziekengeld op grond
van de Ziektewet, waaronder in afwijking van artikel 1,
tweede lid, mede wordt verstaan uitkering voortvloeiende
uit artikel 57 van de Ziektewet, op een uitkering op
grond van de Werkloosheidswet
of op een toeslag op
grond van de Toeslagenwet:
a. indien zij als gevolg van
het verstrekken van onjuiste inlichtingen of het niet
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 78,
eerste lid, door een persoon of instelling,
onverschuldigd heeft betaald;
b. gedurende vijf jaren na
de dag van betaalbaarstelling indien zij door toedoen
van de persoon aan wie of de instelling aan welke
betaling plaatsvond onverschuldigd heeft betaald;
c.
gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling
in de overige gevallen waarin het de persoon aan wie of
de instelling aan welke betaling plaatsvond
redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de
bedrijfsvereniging onverschuldigd betaalde; en
d.
gedurende twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling
indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van
een herziening van de grondslag op grond van artikel 10,
is verlaagd.
3. In de aanhef van het eerste lid
wordt na "Werkloosheidswet" op de gebruikelijke wijze
toegevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad
waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is geplaatst.
4. In
het vierde lid wordt "het derde, het vierde en het
vijfde lid" vervangen door: het tweede en het derde
lid.
5. Aan het
artikel wordt een nieuw vijfde lid toegevoegd, luidende:
-5. Indien de betrokkene een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet of
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
ziekengeld, een werkloosheidsuitkering of een toeslag
ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de
bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald, is
die andere bedrijfsvereniging bevoegd, zonder machtiging
van de betrokkene, de bedragen die teruggevorderd kunnen
worden of in mindering kunnen worden gebracht te
betalen aan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd
heeft betaald.
L. [MvT]
Artikel
49 wordt vervangen door:
Art. 49.
-1. Indien
een persoon recht op uitkering heeft over een periode
waarover een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers
of
bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan
krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is
verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd de
arbeidsongeschiktheidsuitkering over die periode tot
ten hoogste het bedrag van die verleende uitkering of
bijstand, zonder machtiging van die persoon, te betalen
aan het betrokken gemeentebestuur.
-2. In het
geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de
bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het
bedrag aan premies op grond van deze wet, de Algemene
Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste
is gekomen van het gemeentebestuur dat die uitkering of
bijstand verleende.
-3. De
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor
zover bij de verlening van bijstand met de uitkering
rekening is gehouden.
M. [MvT]
In
artikel 53, tweede lid, vervalt "12a".
N. [MvT]
In
artikel 78, eerste lid, vervalt "diens echtgenoot".
O. [MvT]
In
artikel 79 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste lid, onderdeel a, wordt "in verband met het
bepaalde in artikel 11a" vervangen door: in verband met
een herziening van de grondslag op grond van artikel 10.
2. In het
tweede lid wordt "artikel 44, vierde lid" twee keer
vervangen door: artikel 44, zesde lid.
P. [MvT]
In
artikel 80 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt "artikel 44, vierde
lid"
twee keer vervangen door: artikel 44, zesde lid.
2. In het
derde lid vervalt "1, tweede lid,".
Q. [MvT]
Artikel
97 vervalt.
Art.
36 [40]. [MvT]
De Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492) wordt
gewijzigd als volgt:
A.
In
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, wordt "Onze
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid"
vervangen door: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
B. [MvT]
Artikel 2, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid worden schepen en
luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven
hebben, beschouwd als deel van Nederland.
C. [MvT]
Artikel 3
wordt vervangen door:
Art. 3.
-1. Werknemer
is de natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar die in
privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke
dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn
dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet
als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont
en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of
gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in
Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van
zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of
gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in
Nederland één of meer personen in dienst heeft en hij
door of vanwege
Onze
Minister als werkgever is aangewezen;
wordt hij voor de toepassing van de eerste
volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever.
-3. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat personen die buiten Nederland wonen ook
als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun
dienstbetrekking buiten Nederland vervullen.
-4. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het
eerste en het tweede lid worden afgeweken ten aanzien
van:
a.
vreemdelingen;
b. personen
op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering
tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid van de Nederlandse Antillen, van
een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke
organisatie; en
c. personen
die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of
tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
D. [MvT]
In
artikel 4, eerste lid, aanhef, wordt tussen de woorden
"wordt" en "beschouwd" toegevoegd: mede.
E. [MvT]
In
artikel 6, eerste lid, vervalt onderdeel d.
F. [MvT]
In
artikel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In
onderdeel a wordt na "Werkloosheidswet" op de
gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer
van het Staatsblad waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is
geplaatst.
2.
Onderdeel b vervalt en de aanduiding van de onderdelen
c
tot en met g wordt gewijzigd in b tot en met
f.¹
3. In
onderdeel b wordt de zinsnede beginnend met "krachtens" en eindigend met
"Werkloosheidswet"
vervangen door: krachtens artikel
103 [101], tweede lid,
onderdeel e, van de Werkloosheidswet.
4. In
onderdeel f wordt "wachtgeldreglement van een
bedrijfsvereniging, van het reglement voor de
werkloosheidsverzekering" vervangen door "uitkeringsreglement werkloosheidsverzekering van een
bedrijfsvereniging" en wordt "f" vervangen door:
e.
G. [MvT]
Artikel 8 wordt vervangen door:
Art. 8.
Werkgever is de natuurlijke persoon tot wie of het
lichaam tot welk één of meer natuurlijke personen in
dienstbetrekking staan.
H. [MvT]
In artikel 9, aanhef, wordt
de zinsnede "degene tot wie de dienstbetrekking
bestaat," vervangen door: werkgever.
I. [MvT]
In artikel 10,
eerste lid, wordt "a, b en c", "d",
"e" en "f en g" onderscheidenlijk vervangen door:
a en b, c, d, en e
en f.
J. [MvT]
In
artikel 12 vervalt het tweede lid, waarna de aanduiding
van het eerste lid vervalt.
K. [MvT]
Artikel 13, derde lid, wordt vervangen door:
-3. Degene die
krachtens de Wet
Werkloosheidsvoorziening
of krachtens
een regeling als bedoeld in artikel
7, onderdeel e,
uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag waarover
hij die uitkering ontvangt een loon te ontvangen
gelijk aan die uitkering.
L. [MvT]
Artikel 21, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de
zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een
arbeidsongeschiktheid van:
15-25%
14% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
25-35%
21% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
35-45%
28% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
45-55%
35% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
55-65%
42% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
65-80%
50,75% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
80% of meer
70% van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon.
M. [MvT]
In artikel 46a, vijfde lid, wordt "de
artikelen 10a, 11a
en 12a" vervangen door:
artikel
10.
N. [MvT]
In artikel 53 worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1. Het tweede tot en met het vijfde lid
worden vernummerd tot het vierde tot en met het zevende
lid, waarna een nieuw tweede en derde lid worden
ingevoegd, luidende:
-2. Voor de toepassing van het
eerste lid worden mede als echtgenoot aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk
geslacht
die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren en van
wie de situatie ook overigens niet feitelijk verschilt
van die van niet duurzaam gescheiden levende
echtgenoten.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing
van het tweede lid.
2. In het vijfde lid wordt
"het
eerste en het tweede lid" vervangen door: het eerste
tot en met het vierde lid.
3. In het zesde lid wordt
"tweede lid" vervangen door: vierde lid.
4. In
het zevende lid wordt "tweede lid" vervangen door:
vierde lid.
O. [MvT]
Artikel 57 wordt vervangen door:
Art.
57.
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op grond
van deze wet onverschuldigd is betaald geheel of
gedeeltelijk terug te vorderen of in mindering te
brengen op een later te betalen uitkering op grond van
deze wet of de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en in
de gevallen, bedoeld in onderdeel a, b en
c, op
ziekengeld op grond van de Ziektewet, waaronder in
afwijking van artikel 1, tweede lid, mede wordt verstaan
uitkering voortvloeiende uit artikel 57 van de Ziektewet, op een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet of op een toeslag op grond van de Toeslagenwet:
a. indien zij als gevolg van het
verstrekken van onjuiste inlichtingen of het niet
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
80, door
een persoon of instelling, onverschuldigd heeft betaald;
b. gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling
indien zij door toedoen van de persoon aan wie of de
instelling aan welke betaling plaatsvond onverschuldigd
heeft betaald;
c. gedurende twee jaren na de dag van
betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de
persoon aan wie of de instelling aan welke betaling
plaatsvond redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de
bedrijfsvereniging onverschuldigd betaalde; en
d. gedurende
twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling indien
de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg en een
herziening als bedoeld in artikel 15 is verlaagd.
-2. Indien de
betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van deze wet of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
ziekengeld, een werkloosheidsuitkering of een toeslag
ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de
bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald, is
die andere bedrijfsvereniging bevoegd, zonder machtiging
van de betrokkene, de bedragen die teruggevorderd kunnen
worden of in mindering kunnen worden gebracht te
betalen aan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd
heeft betaald.
P. [MvT]
Artikel 57a wordt vervangen door:
Art. 57a.
-1. Indien
een persoon recht op uitkering heeft over een periode
waarover een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers of
bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan
krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is
verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd de
arbeidsongeschiktheidsuitkering over die periode tot
ten hoogste het bedrag van die verleende uitkering of
bijstand, zonder machtiging van die persoon, te betalen
aan het betrokken gemeentebestuur.
-2. In het
geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de
bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het
bedrag aan premies op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene Kinderbijslagwet
(Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste is gekomen
van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand
verleende.
-3. De
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor
zover bij de verlening van bijstand met de uitkering
rekening is gehouden.
Q.
In
artikel 59b, vierde lid, wordt "artikel
53, derde
lid" twee keer vervangen door: artikel
53, vijfde lid.
R. [MvT]
In
artikel 66, tweede lid, wordt "a, b en
c" vervangen door "a en b" en "f en g" vervangen door:
e en f.
S. [MvT]
In
artikel 77 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het
tweede lid wordt vervangen door:
-2. De premie
is verschuldigd door de werknemer, behoudens dat de
premie door de werkgever verschuldigd is ten aanzien van
de werknemer wiens loon geheel bestaat uit
verstrekkingen in natura, met of zonder huisvesting en
onderricht.
2. In
het derde lid wordt "het door deze verschuldigde deel
der premie" vervangen door: de door deze verschuldigde
premie.
T. [MvT]
In
artikel 81 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In
het eerste lid wordt de aanduiding van de onderdelen e
tot en met g
gewijzigd in f tot en met h.²
2. In het eerste lid
wordt na onderdeel d een nieuw onderdeel e ingevoegd,
luidende:
e. degene wiens arbeidsverhouding op grond
van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, niet als
dienstbetrekking wordt beschouwd;.
3. Het
tweede lid wordt vervangen door:
-2. De in het eerste lid
bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van
de persoon jonger dan 65 jaar:
a. wiens
verplichte verzekering is geëindigd, die buiten
Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult
en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd
is; of
b. die
Nederlander is en die werkzaamheden verricht of gaat
verrichten in een ontwikkelingsland.
4. Aan het
artikel wordt een derde lid toegevoegd, luidende:
-3.
Onze
Minister en Onze Minister belast met de zorg voor
ontwikkelingssamenwerking
bepalen welk land als ontwikkelingsland wordt beschouwd.
U. [MvT]
Artikel
83 wordt vervangen door:
Art. 83.
-1. Het
verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering
dient te worden ingediend bij de bedrijfsvereniging:
a. door de
in artikel 81, eerste lid, onderdeel a, b en
c, en
tweede lid, onderdeel a, bedoelde personen binnen
één
maand na het einde van hun verplichte verzekering;
b. door de
in artikel 81, eerste lid, onderdeel f, g en
h, bedoelde
personen binnen één maand na de dagtekening van de
beslissing waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering
onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of
ingetrokken.
-2. De in het
eerste lid, onderdeel b, bedoelde personen worden geacht
een verzoek om toelating binnen één maand na de
dagtekening van de beslissing te hebben gedaan indien
dit verzoek geschiedt binnen één maand na de dag waarop
zij redelijkerwijze hebben kunnen kennisnemen van die
beslissing.
-3. De
bedrijfsvereniging is bevoegd te verklaren dat een
verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering,
ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de
daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht
wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die
het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan
worden in verzuim te zijn geweest.
V. [MvT]
Na
artikel 83 wordt een nieuw artikel 83a
ingevoegd,
luidende:
Art. 83a.
Toelating
tot de vrijwillige verzekering geschiedt ten aanzien van
de persoon:
a. bedoeld
in artikel 81, eerste lid, onderdeel a, door de
bedrijfsvereniging die laatstelijk het risico voor de
verplichte verzekering droeg;
b. bedoeld
in artikel 81, eerste lid, onderdeel b, door de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever zou zijn
aangesloten geweest indien de werkzaamheden ter zake
waarvan de persoon die tot de vrijwillige verzekering
wenst te worden toegelaten, in het buitenland tegen
geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid
verzekerd was, in Nederland in dienstbetrekking waren
verricht;
c. bedoeld
in artikel 81, eerste lid, onderdeel c, door de
bedrijfsvereniging waarbij de persoon die tot de
vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten als
werkgever zou zijn aangesloten indien voor het bedrijf
of beroep dat hij uitoefent of gaat uitoefenen
personeel in zijn dienst was;
d. bedoeld in artikel
81,
eerste lid, onderdeel d, door de bedrijfsvereniging die
het risico van de verplichte verzekering draagt;
e. bedoeld
in artikel 81, eerste lid, onderdeel e, door de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en
Huisvrouwen;
f. bedoeld in artikel
81, eerste lid,
onderdeel f, g en h, door de bedrijfsvereniging die de
beslissing met betrekking tot de
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft genomen;
g. bedoeld
in artikel 81, tweede lid, onderdeel a, door de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever van de persoon
die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden
toegelaten, is of zou zijn aangesloten indien hij in
Nederland personeel heeft of zou hebben;
h. bedoeld
in artikel 81, tweede lid, onderdeel b:
1º. die in
het kader van ontwikkelingssamenwerking door een in
Nederland gevestigde organisatie naar een
ontwikkelingsland is of wordt uitgezonden, door de
bedrijfsvereniging waarbij die organisatie is of zou
zijn aangesloten indien zij in Nederland personeel in
dienst heeft of zou hebben;
2º. die,
anders dan in het geval, bedoeld onder 1º, in
dienstbetrekking staat tot een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever en naar een ontwikkelingsland is of
wordt uitgezonden, door de bedrijfsvereniging waarbij
die werkgever is of zou zijn aangesloten indien hij in
Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben; en
3º. die
niet onder 1º of 2º valt, door de Bedrijfsvereniging
voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke
Belangen.
W. [MvT]
Artikel 86a vervalt.
X. [MvT]
In
artikel 87, vierde lid, wordt "artikel
53, vierde
lid"
twee keer vervangen door: artikel
53, zesde lid.
Y. [MvT]
In
artikel 88, eerste lid, wordt "artikel
53, vierde
lid"
twee keer vervangen door: artikel
53, zesde lid.
1. Volgens
de redactie dient "Onderdeel b vervalt en de aanduiding van de onderdelen
c
tot en met g wordt gewijzigd in b tot en met
f" te worden vervangen door: Onderdeel b vervalt,
onder verlettering van de onderdelen
c
tot en met g tot onderdelen b tot en met
f.
2. Volgens de redactie dient "In
het eerste lid wordt de aanduiding van de onderdelen e
tot en met g
gewijzigd in f tot en met h" te
worden vervangen door: In het eerste lid worden de
onderdelen e tot en met g verletterd tot
onderdelen f tot en met h.
Art.
37 [41]. [MvT]
Met ingang
van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
datum wordt de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel
14 wordt vervangen door:
Art. 14.
-1. Voor de
berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
waarop op grond van deze wet aanspraak bestaat, wordt
als dagloon beschouwd het loon dat de werknemer in de
regel in het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid gemiddeld per
dag in de dienstbetrekking of de dienstbetrekkingen
waarin hij in dat jaar stond, verdiende, voor zover dat
loon in de bedrijfstak algemeen gebruikelijk, vast,
gegarandeerd en regelmatig verstrekt is of inherent is
aan de functie. Dit dagloon wordt aangepast aan de
herziening van het loonpeil in het beroep dat of de
beroepen die hij gewoonlijk uitoefende gedurende de
periode gelegen tussen de datum waarop hij
arbeidsongeschikt werd en de datum van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. De
Sociale Verzekeringsraad stelt nadere regels met
betrekking tot de vaststelling van het dagloon.
-3. De
Sociale Verzekeringsraad is bevoegd in afwijking van het
tweede lid regels te stellen met betrekking tot de
vaststelling van het dagloon voor één of meer groepen
werknemers.
B. [MvT]
Na
artikel 14 wordt een nieuw artikel 14a
ingevoegd,
luidende:
Art. 14a.
-1. De door
de Sociale Verzekeringsraad te stellen regels op grond
van artikel 14, tweede en derde lid, behoeven de
goedkeuring van
Onze
Minister alvorens zij in werking
kunnen treden.
-2. Indien
Onze Minister zijn goedkeuring, bedoeld in het eerste
lid, onthoudt of zijn goedkeuring intrekt, kunnen de in
dat lid genoemde regels door Onze Minister worden
vastgesteld.
-3. In de
Nederlandse Staatscourant worden openbaar gemaakt:
a. de
regels, bedoeld in artikel
14, tweede en derde lid;
b. de
regels, bedoeld in het tweede lid.
-4. In de
Nederlandse Staatscourant worden bekendgemaakt:
a. het
ontwerp van regels van Onze Minister, bedoeld in het
tweede lid;
b. het
ontwerp van een besluit van Onze Minister tot het
onthouden of intrekken van de in het tweede lid bedoelde
goedkeuring.
-5. De
vaststelling van de regels en het besluit, bedoeld in
het tweede lid, geschiedt niet eerder dan twee maanden
na de in het vierde lid bedoelde bekendmaking in de
Nederlandse Staatscourant.
C.
In
artikel 40 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste lid wordt na "artikel 14" ingevoegd: en
artikel
14a.
2. Het
tweede lid wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid wordt in artikel
14,
eerste lid, in plaats van de woorden "de datum waarop
hij arbeidsongeschikt werd" telkens gelezen "de
datum
waarop zijn arbeidsongeschiktheid is toegenomen" en
voorts in plaats van "de datum van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering" gelezen: de datum met
ingang waarvan op grond van
artikel 40, eerste lid,
hernieuwde vaststelling van een dagloon plaatsvindt.
D.
In
artikel 46a, vijfde lid, wordt "de artikelen 14 en
15" vervangen door: de
artikelen 14, 14a
en 15.
E.
In
artikel 48, derde lid, wordt "artikel 14" vervangen
door: de artikelen 14 en
14a.
Art.
38 [42]. [MvT]
Artikel V
van de Wet van 29 december 1982, Stb. 1982, 737, vervalt.
AFDELING
II
Overgangsbepalingen
Art.
39 [43]. [MvT]
-1. Ten
aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande aan
die waarop deze wet in werking treedt recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, berekend naar een
grondslag als bedoeld in artikel 10, derde en vierde
lid, van die
wet, zoals die leden luidden op de dag
voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt,
worden de wijzigingen van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet als vervat in artikel 35,
onderdeel D tot en met F [39,D-F], geacht niet te hebben plaatsgevonden zolang de
betrokkene voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 10, derde of vierde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die leden luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking
treedt, doch uiterlijk tot een binnen één jaar na die
dag gelegen tijdstip waarop op grond van artikel 10a,
tweede en derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, zoals dat artikel luidde op
de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking
treedt, het inkomen opnieuw zou dienen te worden
vastgesteld indien de in voornoemd artikel 10a bedoelde
perioden op één jaar zouden zijn gesteld.
-2. Het
eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de persoon, bedoeld in artikel V van de Wet van 29
december 1982, Stb. 1982, 737, zoals dat artikel luidde op de
dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking
treedt.
-3. De in het
eerste en tweede lid bedoelde persoon wiens grondslag
was vastgesteld of zou zijn vastgesteld indien artikel
90, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet niet op hem van toepassing was
geweest, met toepassing van artikel 10, derde lid,
onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 10, vierde lid,
onderdeel b, van die
wet, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking
treedt, wordt, zolang hij ongehuwd is en een eigen kind
of pleegkind heeft dat jonger is dan 18 jaar dat tot
zijn huishouden behoort of grotendeels op zijn kosten
wordt onderhouden, vanaf het in het eerste lid bedoelde
tijdstip tot een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen datum voor de toepassing van de Toeslagenwet
als
gehuwd aangemerkt.
-4. Het
verschil tussen het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering dat op grond van het
eerste en het tweede lid wordt uitbetaald en het bedrag
aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat zou worden
uitbetaald indien het eerste lid niet zou hebben
gegolden, wordt volgens door
Onze
Minister te stellen
regels door het Toeslagenfonds, bedoeld in artikel 29 [31]
van de Toeslagenwet, vergoed aan het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 66 van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, onderscheidenlijk
het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Voor
de toepassing van de eerste volzin wordt onder
arbeidsongeschiktheidsuitkering verstaan zowel uitkering
op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet als
uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-5. In
afwijking van artikel 79, eerste lid, onderdeel a, van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en artikel 87,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering hoeft schriftelijke
kennisgeving van een beslissing met betrekking tot een
herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
het tijdstip, bedoeld in het eerste en tweede lid,
slechts plaats te vinden indien de belanghebbende daarom
verzoekt.
Art.
40 [45]. [MvT]
De
uitkeringsgerechtigde op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering die zowel op de dag
voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt
als op de dag waarop deze wet in werking treedt, recht
had op een arbeidsongeschiktheidsverzekering op grond
van één van die of van beide wetten, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% of 65 tot 80%,
heeft, zolang hij in dezelfde
arbeidsongeschiktheidsklasse blijft ingedeeld, in
afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, onderscheidenlijk artikel
21, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering die per dag, de
zaterdagen en de zondagen niet meegerekend, bedraagt bij
een arbeidsongeschiktheid van:
55-65%: 44%
van de grondslag onderscheidenlijk van 100/107,5-maal
het dagloon
65-80%: 57%
van de grondslag onderscheidenlijk van 100/107,5-maal
het dagloon.
Art.
41 [46]. [MvT]
De persoon
die zowel op de dag voorafgaande aan die waarop deze
wet in werking treedt als op de dag waarop deze wet in
werking treedt, recht had op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en op laatstbedoelde dag de
leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, heeft,
indien zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering niet was
berekend met toepassing van artikel 10, vijfde lid, van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, zoals dat lid luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking
treedt, zolang hij de leeftijd van 23 jaar niet heeft
bereikt recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
berekend naar een grondslag die indien hij bij de
inwerkingtreding van deze wet de leeftijd van 18 jaar,
19 jaar, 20 jaar onderscheidenlijk 21 jaar of 22 jaar had
bereikt, ƒ62,54, ƒ72,89, ƒ83,17 onderscheidenlijk ƒ93,54
bedraagt, zolang zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering
berekend naar de grondslag, bedoeld in artikel 10,
eerste en tweede lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet lager is dan de voor zijn
leeftijd op de datum van inwerkingtreding van deze wet
geldende grondslag.
Art.
42 [47]. [MvT]
Voor de
toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet worden ten
aanzien van de verzekerde wiens arbeidsongeschiktheid
is ingetreden vóór de dag waarop artikel 35
[39] in werking
treedt, de wijzigingen vervat in de onderdelen C
[C] en D
[D] van dat artikel geacht niet te hebben plaatsgevonden.
Art.
43 [48]. [MvT]
-1. De persoon die 21 jaar of ouder is doch jonger is dan 27
jaar, die voor de toepassing van de Toeslagenwet
niet
als gehuwd wordt aangemerkt en die recht heeft op
uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of beide wetten,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer
en berekend naar de grondslag, bedoeld in artikel 10,
eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of
een dagloon als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering dat ten minste gelijk
is aan 107,5/100-maal van bedoelde grondslag, heeft
recht op een verhoging van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, indien hij 21
jaar, 22 jaar, onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is,
minder bedraagt dan ƒ47,96, ƒ55,77, onderscheidenlijk ƒ65,60.
-2. De in het
eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil
tussen het voor betrokkene geldende bedrag, genoemd in
het eerste lid, en de arbeidsongeschiktheidsuitkering
per dag.
-3. Voor de
toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder
arbeidsongeschiktheidsuitkering verstaan het
totaalbedrag aan uitkering per dag op grond van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-4. De in het
eerste lid bedoelde verhoging wordt volgens door
Onze
Minister te stellen regels aangemerkt als een uitkering
op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of
als een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-5. De
bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze
Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde
tijdstip als waarop de bedragen, genoemd in het
Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132),
worden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in
het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.
Art.
44 [49]. [MvT]
De persoon
ten aanzien van wie op de dag voorafgaande aan die
waarop artikel 35 [39]
in werking treedt artikel 8 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet van toepassing is en
over die dag recht heeft op een uitkering op grond van die
wet, aan wie die uitkering als gevolg van artikel
35, onderdeel D tot en met F [39,D-F], niet meer wordt betaald,
wordt voor de toepassing van de Toeslagenwet
geacht een
tot uitbetaling komende uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet te hebben,
zolang die uitkering zou zijn betaald indien artikel
35, onderdeel D tot en met F [39,D-F], niet in werking zou zijn
getreden.
AFDELING
III
Aanvullende uitkeringen
Art.
45 [51]. [MvT]
In deze
afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder arbeidsongeschiktheidsuitkering een
uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of beide wetten.
Art.
46 [52]. [MvT
+ bis]
De artikelen
5, 12, tweede tot en met vierde lid, en 23, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de artikelen
18,
21, tweede tot en met vierde lid, en 32 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die artikelen
luidden op de dag voorafgaande aan die waarop de
Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt, blijven van
toepassing op de persoon die op die dag recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, en op die dag de
leeftijd van 35 jaar heeft bereikt, zolang de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
Art.
47 [53]. [MvT
+ bis]
-1. De
persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de
Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt recht had op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, en op die dag de
leeftijd van 35 jaar nog niet heeft bereikt en wiens
arbeidsongeschiktheid als gevolg van het bepaalde in de
Wijzigingswet AAW/WAO met ingang van een later gelegen
dag minder bedraagt dan 80%, heeft met ingang van die
later gelegen dag recht op aanvullende uitkering.
-2. Geen
recht op aanvullende uitkering heeft de persoon die niet
voldoet aan de voorwaarden voor het recht op
werkloosheidsuitkering, bedoeld in de artikelen 15 tot
en met 17 van de nieuwe
Werkloosheidswet, of op wie een
uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 19 van
die wet
van toepassing is.
-3. De duur
van de aanvullende uitkering is voor de persoon die op
de dag waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking
treedt:
a. jonger is
dan 23 jaar: één jaar;
b. 23 jaar
of ouder is, doch jonger dan 30 jaar: twee jaar;
c. 30 jaar
of ouder is, doch jonger dan 35 jaar; drie jaar.
-4. Indien de
persoon die recht heeft op aanvullende uitkering
gedurende de laatste vijf jaar voor de dag waarop de
Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt recht had op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, is, in afwijking
van het derde lid, de duur van de aanvullende uitkering
vijf jaar.
-5. Het
bedrag van de aanvullende uitkering wordt berekend met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 44 tot en
met 49 [44--] van de nieuwe
Werkloosheidswet.
-6. Dit
artikel is slechts van toepassing indien de later
gelegen dag, bedoeld in het eerste lid, niet later is
gelegen dan binnen twee jaar na de dag waarop de
Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt en ten aanzien
van de persoon, bedoeld in het derde lid, onderdeel c,
niet eerder dan één jaar na de dag waarop de
Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt.
Onze
Minister is bevoegd voor bepaalde categorieën personen andere
tijdvakken dan als bedoeld in de eerste volzin vast te
stellen.
Art.
48 [54]. [MvT
+ bis]
-1. De
persoon die recht heeft op de aanvullende uitkering,
bedoeld in artikel 47 [53], heeft na het verstrijken van de
daarvoor geldende uitkeringsduur aansluitend recht op
aanvullende vervolguitkering gedurende één jaar indien
hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen
15 en 16, alsmede 42, tweede tot en met zevende lid, of
artikel 50 [48], tweede lid, van de nieuwe
Werkloosheidswet, en op wie geen uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel
19 van die wet van toepassing is.
-2. Het
bedrag van de aanvullende vervolguitkering wordt
berekend met overeenkomstige toepassing van de artikelen
53 [51] en 54 [52]
van de nieuwe
Werkloosheidswet.
Art.
49 [55]. [MvT
+ bis]
-1. Met
betrekking tot de aanvullende uitkering en de
aanvullende vervolguitkering zijn de artikelen 20 tot en
met 40, 43, 130 [128]
en 131 [129] van de nieuwe
Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
-2. De persoon die recht heeft op aanvullende uitkering of
aanvullende vervolguitkering, heeft geen recht op
uitkering op grond van de nieuwe
Werkloosheidswet.
-3. De
aanvullende uitkering en de aanvullende vervolguitkering
worden, voor zover in deze wet of de daarop berustende
bepalingen niet anders is bepaald, voor de toepassing
van wettelijke bepalingen beschouwd als uitkering op
grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
-4. De
aanvullende uitkering en de aanvullende vervolguitkering
komen ten laste van het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 66 van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, en het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-5.
Onze
Minister stelt regels met betrekking tot de verdeling
van de lasten, bedoeld in het vierde lid, over de in dat
lid genoemde fondsen.
Art.
50 [59]. [MvT
+ bis]
Onze
Minister is bevoegd in verband met het recht op
aanvullende uitkering nadere en zo nodig afwijkende
regels te stellen met betrekking tot de voorwaarden,
bedoeld in artikel 47 [53], tweede lid.
HOOFDSTUK
IV
De
Ziektewet
AFDELING
I
Wijzigingen van de wet
Art.
51 [60]. [MvT]
De Ziektewet (Stb. 1967, 473) wordt gewijzigd als volgt:
A.
In
artikel 1, onderdeel a, wordt "Onze Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid" vervangen door: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
B. [MvT]
Artikel 2, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid worden schepen en
luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven
hebben, beschouwd als deel van Nederland.
C. [MvT]
Artikel 3
wordt vervangen door:
Art. 3.
-1. Werknemer
is de natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar die in
privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke
dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn
dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet
als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont
en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of
gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in
Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van
zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of
gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in
Nederland één of meer personen in dienst heeft en hij
door of vanwege
Onze
Minister als werkgever is aangewezen;
wordt hij voor de toepassing van de eerste
volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever.
-3. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat personen die buiten Nederland wonen ook
als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun
dienstbetrekking buiten Nederland vervullen.
-4. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het
eerste en het tweede lid worden afgeweken ten aanzien
van:
a.
vreemdelingen;
b. personen
op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering
tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid van
de Nederlandse Antillen, van een andere mogendheid of
van een volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen
die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of
tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
D. [MvT]
In
artikel 4, eerste lid, aanhef, wordt tussen de woorden
"wordt" en "beschouwd" toegevoegd: mede.
E. [MvT]
In
artikel 6, eerste lid, vervalt onderdeel d.
F. [MvT]
In
artikel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In
onderdeel a wordt na "Werkloosheidswet" op de
gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer
van het Staatsblad waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is
geplaatst.
2.
Onderdeel b vervalt, waarna de aanduiding van de
onderdelen c tot en met e wordt gewijzigd in
b tot en
met d.¹
3. In
onderdeel b wordt de zinsnede beginnend met: "krachtens" en eindigend met
"Werkloosheidswet"
vervangen door: krachtens artikel
103 [101], tweede lid,
onderdeel e, van de Werkloosheidswet.
4. In
onderdeel d wordt het gestelde na "Werkloosheidswet"
vervangen door: of van het uitkeringsreglement
werkloosheidsverzekering van een bedrijfsvereniging.
G. [MvT]
Artikel 9
wordt vervangen door:
Art. 9.
Werkgever is
de natuurlijke persoon tot wie of het lichaam tot welk
één of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking
staan.
H. [MvT]
In artikel 10, aanhef, wordt de zinsnede "degene toe wie de dienstbetrekking
bestaat,"
vervangen door: werkgever.
I. [MvT]
In
artikel 11, eerste lid, wordt "a, b
en c",
"d" en "e" onderscheidenlijk vervangen door:
a en b, c en d.
J. [MvT]
In artikel 13 vervalt het tweede lid, waarna de
aanduiding van het eerste lid vervalt.
K. [MvT]
Artikel 14,
derde lid, vervalt.
L. [MvT]
Artikel 15 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het
derde lid vervalt.
2. Het
vierde tot en met het achtste lid worden vernummerd tot
het derde tot en met het zevende lid.
3. In het
vijfde lid wordt "vierde lid" vervangen door: derde
lid.
4. In het
zesde lid wordt "vijfde en zesde lid" vervangen door
"vierde en vijfde lid" en "vierde lid" vervangen
door: derde lid.
M. [MvT]
De
artikelen 16 en 17 vervallen.
N. [MvT]
Artikel
33 wordt vervangen door:
Art. 33.
-1. De
bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op grond van deze
wet onverschuldigd is betaald geheel of gedeeltelijk
terug te vorderen of in mindering te brengen op een
later te betalen ziekengeld op grond van deze wet, op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, op een uitkering
op grond van de Werkloosheidswet
of op een toeslag op
grond van de Toeslagenwet:
a. indien
zij als gevolg van het verstrekken van onjuiste
inlichtingen of het niet nakomen door de verzekerde van
de verplichting, bedoeld in artikel
31, eerste lid,
onverschuldigd heeft betaald;
b. gedurende
vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling indien zij
door toedoen van de verzekerde onverschuldigd heeft
betaald;
c. gedurende
twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in de
overige gevallen waarin het de verzekerde redelijkerwijs
duidelijk kon zijn dat de bedrijfsvereniging
onverschuldigd betaalde.
-2. Indien de
verzekerde ziekengeld, een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, een
werkloosheidsuitkering of een toeslag ontvangt van een
andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die
onverschuldigd heeft betaald, is die andere
bedrijfsvereniging bevoegd, zonder machtiging van de
verzekerde, de bedragen die teruggevorderd kunnen worden
of in mindering kunnen worden gebracht, te betalen aan
de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald.
O. [MvT]
Artikel 33a wordt vervangen door:
Art. 33a.
-1. Indien
een verzekerde recht op ziekengeld heeft over een
periode waarover een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers
of
bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan
krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is
verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd het
ziekengeld over die periode tot ten hoogste het bedrag
van die verleende uitkering of bijstand, zonder
machtiging van de verzekerde, te betalen aan het
betrokken gemeentebestuur.
-2. In het
geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de
bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het
bedrag aan premies op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene Kinderbijslagwet
(Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste is gekomen
van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand
verleende.
-3. De
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor
zover bij de verlening van bijstand met de uitkering
rekening is gehouden.
P. [MvT]
In
artikel 35 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
-1. Het tweede tot en met het vijfde lid worden
vernummerd tot het vierde tot
en met het zevende lid, waarna een nieuw tweede en derde
lid worden ingevoegd, luidende:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid worden mede als echtgenoot
aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of
gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke
huishouding voeren en van wie de situatie ook overigens
niet feitelijk verschilt van die van niet duurzaam
gescheiden levende echtgenoten.
-3. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld voor de toepassing van het tweede lid.
2. In het
vijfde lid wordt "het eerste en het tweede lid"
vervangen door: het eerste tot en met het vierde lid.
3. In het
zesde lid wordt "tweede lid" vervangen door: vierde
lid.
4. In
het zevende lid wordt "het tweede en het vierde lid"
vervangen door: het vierde en het zesde lid.
Q.
In
artikel 55, tweede lid, wordt "a, b en
c" vervangen door "a en b" en wordt "e" vervangen
door:
d.
R.
Artikel 58, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid wordt de persoon die niet verzekerd
is uitsluitend omdat bij de 65-jarige leeftijd heeft
bereikt, met een
verzekerde gelijkgesteld.
S. [MvT]
In
artikel 64 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste lid wordt de aanduiding van de onderdelen e tot
en met g gewijzigd in f tot en met h.²
2. In het
eerste lid wordt na onderdeel d een nieuw onderdeel
e
ingevoerd, luidende:
e. degene
wiens arbeidsverhouding op grond van artikel
6, eerste
lid, onderdeel c, niet als dienstbetrekking wordt
beschouwd;.
3. Het
tweede lid wordt vervangen door:
-2. De in het
eerste lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten
aanzien van de persoon jonger dan 65 jaar:
a. wiens
verplichte verzekering is geëindigd, die buiten
Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult
en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd
is; of
b. die
Nederlander is en die werkzaamheden verricht of gaat
verrichten in een ontwikkelingsland.
4. Aan het artikel
wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
-4.
Onze
Minister en Onze Minister belast met de zorg voor
ontwikkelingssamenwerking bepalen welk land als
ontwikkelingsland wordt beschouwd.
T. [MvT]
Artikel 66 wordt
vervangen door:
Art. 66.
-1. Het verzoek om toelating
tot de vrijwillige verzekering dient te worden ingediend
bij de bedrijfsvereniging:
a. door de in artikel
64,
eerste lid, onderdeel a, b en c, en tweede lid,
onderdeel a, bedoelde personen binnen één maand na het
einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in
artikel 64, eerste lid, onderdeel f, g en
h, bedoelde
personen binnen één maand na de dagtekening van de
beslissing waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering
onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of
ingetrokken.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde personen worden geacht een verzoek om toelating
binnen één maand na de dagtekening van de beslissing te
hebben gedaan indien dit verzoek geschiedt binnen één
maand na de dag waarop zij redelijkerwijze hebben
kunnen kennisnemen van die beslissing.
-3. De
bedrijfsvereniging is bevoegd te verklaren dat een
verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering,
ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de
daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht
wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die
het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan
worden in verzuim te zijn geweest.
U. [MvT]
Artikel
69 vervalt.
V. [MvT]
Onder
vernummering van de artikelen 67 en
68 tot artikelen
68 en
69 wordt
na artikel 66 een nieuw artikel 67 ingevoegd, luidende:
Art. 67.
Toelating
tot de vrijwillige verzekering geschiedt ten aanzien van
de persoon:
a. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, door de
bedrijfsvereniging die laatstelijk het risico voor de
verplichte verzekering droeg;
b. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, door de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever zou zijn
aangesloten geweest indien de werkzaamheden ter zake
waarvan de persoon die tot de vrijwillige verzekering
wenst te worden toegelaten, in het buitenland tegen
geldelijke gevolgen van ziekte verzekerd was, in
Nederland in dienstbetrekking waren verricht;
c. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel c, door de
bedrijfsvereniging waarbij de persoon die tot de
vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten als
werkgever zou zijn aangesloten indien voor het bedrijf
of beroep dat hij uitoefent of gaat uitoefenen
personeel in zijn dienst was;
d. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel d, door de
bedrijfsvereniging die het risico van de verplichte
verzekering draagt;
e. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel e, door de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en
Huisvrouwen;
f. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel f, g en
h, door de
bedrijfsvereniging die de beslissing met betrekking tot
de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft genomen;
g. bedoeld
in artikel 64, tweede lid, onderdeel a, door de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever van de persoon
die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden
toegelaten, is of zou zijn aangesloten indien hij in
Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben;
h. bedoeld
in artikel 64, tweede lid, onderdeel b:
1º. die in
het kader van ontwikkelingssamenwerking door een in
Nederland gevestigde organisatie naar een
ontwikkelingsland is of wordt uitgezonden, door de
bedrijfsvereniging waarbij die organisatie is of zou
zijn aangesloten indien zij in Nederland personeel in
dienst heeft of zou hebben;
2º. die,
anders dan in het geval, bedoeld onder 1º, in
dienstbetrekking staat tot een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever en naar een ontwikkelingsland is of
wordt uitgezonden, door de bedrijfsvereniging waarbij
die werkgever is of zou zijn aangesloten indien hij in
Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben; en
3º. die
niet onder 1º of 2º valt, door de Bedrijfsvereniging
voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke
Belangen.
W. [MvT]
Artikel 72a vervalt.
X.
In
artikel 73 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid, onderdeel
c, vervalt de zinsnede
"op grond van het bepaalde in
artikel 64, eerste en tweede lid, en artikel 72a".
2.
In het derde lid wordt "artikel
35, vierde lid"
vervangen door: artikel 35, zesde lid.
Y.
In
artikel 73a wordt "artikel
35, vierde lid" vervangen
door: artikel 35, zesde lid.
1. Volgens
de redactie dient "waarna de aanduiding van de
onderdelen c tot en met e wordt gewijzigd in
b tot en
met d" te worden vervangen door: waarna de
onderdelen c tot en met e worden
verletterd tot onderdelen b tot en met d.
2. Volgens de redactie dient "In het eerste
lid wordt de aanduiding van de onderdelen e tot
en met g gewijzigd in f tot en met h"
te worden vervangen door: In het eerste lid worden de
onderdelen e tot en met g verletterd tot
onderdelen f tot en met h.
Art.
52 [61]. [MvT]
Met ingang
van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
datum wordt de Ziektewet gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 15 wordt vervangen door:
Art. 15.
-1. Voor de
berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze
wet aanspraak bestaat, wordt als dagloon beschouwd het
loon dat de werknemer in de regel in de periode van
dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van
zijn ongeschiktheid tot werken gemiddeld per dag in de
dienstbetrekking waarvoor hij ongeschikt tot werken is
geworden, verdiende, voor zover dat loon in de
bedrijfstak algemeen gebruikelijk, vast, gegarandeerd en
regelmatig verstrekt is of inherent is aan de functie.
-2. De
Sociale Verzekeringsraad stelt nadere regels met
betrekking tot de vaststelling van het dagloon.
-3. De
Sociale Verzekeringsraad is bevoegd in afwijking van het
tweede lid regels te stellen met betrekking tot de
vaststelling van het dagloon voor één of meer groepen
werknemers.
-4. De
bedrijfsvereniging is bevoegd, in afwijking van het
tweede en derde lid, regels te stellen met betrekking
tot de vaststelling van het dagloon voor alle of voor
één of meer groepen bij haar verzekerde werknemers.
-5. De in het
tweede, derde en vierde lid bedoelde regels kunnen
bepalingen bevatten met betrekking tot de herziening van
het dagloon bij wijziging van het loonpeil in het beroep
van de werknemer tijdens de ongeschiktheid tot werken.
B. [MvT]
Na
artikel 15 wordt een nieuw artikel 16 ingevoegd,
luidende:
Art. 16.
-1. De
Sociale Verzekeringsraad hoort alvorens regels te
stellen op grond van artikel
15, tweede en derde lid, de
bedrijfsverenigingen.
-2. De door
de Sociale Verzekeringsraad op grond van artikel 15,
tweede en derde lid, te stellen regels behoeven de
goedkeuring van
Onze
Minister alvorens zij in werking
kunnen treden.
-3. Indien
Onze Minister zijn goedkeuring, bedoeld in het tweede
lid, onthoudt of zijn goedkeuring intrekt, kunnen de in
dat lid bedoelde regels door Onze Minister worden
vastgesteld.
-4. De
bedrijfsvereniging behoeft voor het stellen van regels
op grond van artikel 15, vierde lid, de goedkeuring van
de Sociale Verzekeringsraad.
-5. De
Sociale Verzekeringsraad is bevoegd de goedkeuring,
bedoeld in het vierde lid, in te trekken indien de in
artikel 15, tweede en derde lid, bedoelde regels
wijziging ondergaan.
-6. Regels
van een bedrijfsvereniging als bedoeld in artikel 15,
vierde lid, die afwijken van de op grond van het derde
lid door Onze Minister vastgestelde regels, van de door
Onze Minister aangewezen bepalingen of van de in artikel
15, tweede en derde lid, bedoelde regels, behoeven de
goedkeuring van Onze Minister.
-7. In de
Nederlandse Staatscourant worden openbaar gemaakt:
a. de
regels, bedoeld in artikel 15, tweede en derde lid;
b.
de regels, bedoeld in artikel
15, vierde lid;
c. de
regels, bedoeld in het derde lid.
-8. In de
Nederlandse Staatscourant worden bekendgemaakt:
a. het
ontwerp van de regels van Onze Minister, bedoeld in het
derde lid;
b. het
ontwerp van een besluit van Onze Minister tot het
onthouden of intrekken van de in het derde en zesde lid
bedoelde goedkeuring.
-9. De
vaststelling van de regels en het besluit, bedoeld in
het derde en het zesde lid, geschiedt niet eerder dan
twee maanden na de in het achtste lid bedoelde
bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant.
AFDELING
II
Overgangsbepalingen
Art.
53 [62]. [MvT]
De persoon
ten aanzien van wie op de dag voorafgaande aan die
waarop artikel 51 [60]
in werking treedt, op grond van
artikel 17, eerste lid, van de Ziektewet
het
minimumdagloon in aanmerking werd genomen en die op de
dag van inwerkingtreding van artikel 51
[60] op grond van die
bepaling voor het minimumdagloon in aanmerking zou zijn
gekomen als artikel 17 van de Ziektewet
niet was
vervallen, wordt ten hoogste gedurende de eerste zes
weken van de ongeschiktheid tot werken voor het
minimumdagloon in aanmerking gebracht.
Art.
54 [63]. [MvT]
De persoon
ten aanzien van wie op de dag voorafgaande aan die
waarop artikel 51 [60]
in werking treedt, op grond van
artikel 17, tweede en derde lid, van de Ziektewet het
minimumdagloon in aanmerking werd genomen en op de dag
van inwerkingtreding van artikel 51 [60]
op grond van die
bepaling voor het minimumdagloon in aanmerking zou zijn
gekomen als artikel 17 van de Ziektewet
niet was
vervallen, wordt zolang hij onafgebroken uitkering op
grond van de Ziektewet ontvangt voor het minimumdagloon
in aanmerking gebracht. Voor de toepassing van de eerste
volzin wordt de uitkering geacht niet te zijn
onderbroken indien perioden waarover ziekengeld wordt
uitgekeerd elkaar met een onderbreking van minder dan
één maand opvolgen.
Art.
55 [64]. [MvT]
Voor de
toepassing van de artikelen 53 [62]
en 54 [63]
wordt onder
minimumdagloon verstaan het minimumdagloon dat zou
zijn vastgesteld als artikel 16 van de Ziektewet, zoals
dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan die
waarop artikel 51 [60]
in werking treedt, niet was vervallen.
HOOFDSTUK
V
De
Organisatiewet Sociale Verzekering
AFDELING
I
Wijzigingen van de wet
Art.
56 [65]. [MvT]
De
Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1952, 344)
wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In
artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In onderdeel a wordt
"Onze Minister, met de
uitvoering dezer wet belast" vervangen door: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2. In
onderdeel e wordt "hoofdstuk II" vervangen
door
"artikel 105" en wordt voorts na "Werkloosheidswet"
op de gebruikelijke wijze de jaargang en het nummer van
het Staatsblad vermeld waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is geplaatst.
3. De punt
aan het slot van het artikel wordt vervangen door een
puntkomma, waarna een nieuw onderdeel h wordt
toegevoegd, luidende:
h. Toeslagenfonds: het fonds,
bedoeld in artikel 29 [31]
van de Toeslagenwet.
B. [MvT]
In
artikel 2, eerste lid, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1. In onderdeel c wordt
"wachtgeld- en werkloosheidsverzekering" vervangen
door: werkloosheidsverzekering.
2. De punt
aan het slot van het lid wordt vervangen door een
puntkomma, waarna een nieuw onderdeel d wordt
toegevoegd, luidende:
d. de
wettelijke regeling met betrekking tot toeslagen op
uitkeringen op grond van de in onderdeel a tot en met
c
bedoelde verzekeringen.
C. [MvT]
In de
artikelen 2, tweede en derde lid, 4, eerste lid, onderdeel a en c, 5, eerste lid,
onderdeel
a en c, 11,
12, vierde lid, 16a, 46, tweede lid, en 48 wordt de
zinsnede "onderdeel a tot en met c, genoemde takken van
verzekering" vervangen door: onderdeel a tot en met
c,
genoemde takken van verzekering en de in onderdeel d van
dat lid bedoelde voorziening.
D. [MvT]
In de
artikelen 14, derde en zesde lid, 16 en 51, eerste lid,
wordt de zinsnede beginnend met "de wetten" en
eindigend met "geregeld" vervangen door: de wetten,
waarbij de in artikel 2, eerste lid, onderdeel a tot en
met c, genoemde takken van verzekering en de in
onderdeel d van dat lid bedoelde voorziening zijn
geregeld.
E. [MvT]
In
artikel 23 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste, tweede en vierde lid wordt na "takken van
verzekering" ingevoegd: met inbegrip van de voorziening
met betrekking tot toeslagen.
2. In het
elfde lid word "wachtgeld- en
werkloosheidsverzekering" vervangen door:
werkloosheidsverzekering en de wettelijke regeling met
betrekking tot toeslagen.
F. [MvT]
In
artikel 27 wordt "het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds en het
Arbeidsongeschiktheidsfonds" vervangen door: het
Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het
Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Toeslagenfonds.
G. [MvT]
Artikel
47 wordt vervangen door:
Art. 47.
-1. De
Sociale Verzekeringsraad is, voor zover dat toezicht op
grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen
niet aan anderen is opgedragen, belast met het toezicht
op de uitvoering van deze wet, op de uitvoering van de
wetten die de in artikel 2, eerste lid, onderdeel a tot
en met c, genoemde takken van verzekering en de in
onderdeel d van dat lid bedoelde voorziening regelen, op
de organen die deze regelingen uitvoeren of
administreren, alsmede op de Gemeenschappelijke Medische
Dienst.
Onze
Minister is bevoegd ter zake nadere regels
te stellen.
-2. De
Sociale Verzekeringsraad is bevoegd voorschriften te
geven omtrent de samenwerking van organen die met
betrekking tot de uitvoering van deze wet of van één van
de wetten die de in artikel 2, eerste lid, onderdeel a
tot en met c, genoemde takken van verzekering en de in
artikel 2, eerste lid, onderdeel d, bedoelde voorziening
regelen, een controlerende of toezichthoudende taak
uitoefenen.
H. [MvT]
In
artikel 49, eerste en tweede volzin, wordt "het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds, onderscheidenlijk het
Arbeidsongeschiktheidsfonds" vervangen door: het
Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het
Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Toeslagenfonds.
I. [MvT]
In de
artikelen 50, 58 en 61, eerste tot en met vijfde lid,
wordt na "Arbeidsongeschiktheidsfonds" telkens
ingevoegd: het Toeslagenfonds,.
J. [MvT]
In
artikel 51, derde lid, wordt "takken der
verzekering"
vervangen door: wettelijke regelingen.
K. [MvT]
In de
artikelen 56 en 61, eerste en derde tot en met zevende
lid, en 62, tweede lid, wordt de zinsnede beginnend met
"welke" en eindigend met "regelen" vervangen door:
die de takken van verzekering, genoemd in artikel 2,
eerste lid, onderdeel a tot en met c, en de in artikel
2, eerste lid, onderdeel d, bedoelde voorziening
regelen.
AFDELING
II
Overgangsbepalingen
Art.
57 [66]. [MvT]
-1. De organen die op grond van deze wet of de daarop
berustende bepalingen zijn belast met de uitvoering van
de Wet
Werkloosheidsvoorziening, de Sociale
Verzekeringsraad, de bedrijfsverenigingen en het bestuur
van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor zijn
gehouden in gezamenlijk overleg al datgene te verrichten waardoor voor hun personeel mogelijke
nadelige gevolgen van de invoering van de nieuwe
Werkloosheidswet worden voorkomen.
-2.
Onze
Minister is bevoegd, na overleg met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, gehoord de Sociale Verzekeringsraad,
nadere regels te stellen met betrekking tot de overgang
van personeel belast met de uitvoering van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, naar de bedrijfsverenigingen
en het Gemeenschappelijk Administratiekantoor in verband
met de invoering van de nieuwe Werkloosheidswet.
Art.
58 [67]. [MvT]
Indien het
bij koninklijke boodschap van 16 april 1982 ingediende
voorstel van wet houdende regelen met betrekking tot de
bevordering van de deelname van gehandicapten aan het
arbeidsproces (Wet arbeid gehandicapte werknemers) (Kamerstukken II
1981-1982, 17 384) tot wet is verheven
en in werking is getreden, wordt in artikel 56,
onderdeel C [65,C], de
zinsnede "In de artikelen 2, tweede en
derde lid", vervangen door: In de artikelen 2, derde en
vierde lid,.
HOOFDSTUK
VI
De
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Art.
59 [68]. [MvT]
De
Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1966, 64)
wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 1
wordt vervangen door:
Art. 1.
In deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze
Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. Sociale
Verzekeringsraad: de Sociale Verzekeringsraad, bedoeld
in hoofdstuk III van de Organisatiewet Sociale
Verzekering (Stb. 1952, 344);
c.
uitvoeringsorgaan: het op grond van de Organisatiewet
Sociale Verzekering of de daarop berustende bepalingen
aangewezen uitvoeringsorgaan; met
betrekking tot de Ziekenfondswet
(Stb. 1964, 392) wordt
onder uitvoeringsorgaan verstaan de bedrijfsvereniging
waarbij de werkgever op grond van de bepalingen van de
Organisatiewet Sociale Verzekering voor de betrokken
werknemers aangesloten is of zou zijn indien zij
verzekerd waren op grond van de Ziektewet
(Stb. 1967,
473).
B. [MvT]
In
artikel 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In
onderdeel b wordt na "Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering" ingevoegd: (Stb.
1977, 492).
2. In
onderdeel c wordt na "Werkloosheidswet" op de
gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer
van het Staatsblad waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is
geplaatst.
C. [MvT]
Voor de
tekst van artikel 3a
wordt de aanduiding "-1." geplaatst,
waarna aan het artikel een tweede lid wordt toegevoegd,
luidende:
-2. De werknemer die een uitkering ontvangt op grond van de
verplichte verzekering op grond van de Ziektewet
of de
verplichte verzekering dan wel hoofdstuk
IV van de Werkloosheidswet, wordt tijdens de duur van die uitkering
geacht in dienstbetrekking te staan tot het
uitvoeringsorgaan dat die uitkering verstrekt.
D. [MvT]
In
artikel 6, eerste lid, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1. De onderdelen e en
f worden vervangen
door:
e.
uitkeringen en verstrekkingen op grond van socialeverzekeringswetten, waaronder begrepen toeslagen op
grond van de Toeslagenwet, behoudens uitkeringen uit
hoofde van de verplichte verzekering op grond van de
Ziektewet en uitkeringen uit hoofde van de verplichte
verzekering en hoofdstuk
IV van de Werkloosheidswet
en
de daarop verleende toeslagen op grond van de
Toeslagenwet;
f.
periodieke uitkeringen die naar aard en strekking
overeenkomen met uitkeringen op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, behoudens indien het
betreft een aanvulling op een uitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, op grond
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1980,
28) of op grond van beide wetten;
2. Aan het
slot van onderdeel h wordt de puntkomma vervangen door
een komma, waarna wordt toegevoegd: behoudens indien het
betreft een aanvulling op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet tezamen;.
E. [MvT]
Artikel 6, lid 1a, vervalt.
HOOFDSTUK
VII
De
Algemene Bijstandswet
AFDELING
I
Wijziging van de wet
Art.
60 [69]. [MvT]
De Algemene
Bijstandswet (Stb. 1963, 284) wordt gewijzigd als volgt:
Na artikel 84d een nieuw artikel 84e ingevoegd,
luidende:
Art. 84e.
Indien
bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan wordt verleend over een periode waarover een
voorschot is ontvangen met toepassing van artikel
31,
tweede lid, van de Werkloosheidswet, al dan niet met
gelijktijdige toepassing van artikel
15 [17], eerste lid, van
de Toeslagenwet, en dit voorschot wordt teruggevorderd,
kan deze bijstand zonder machtiging van de rechthebbende
tot het bedrag van dit voorschot aan de
bedrijfsvereniging worden betaald.
AFDELING
II
Wijziging van het
Bijstandsbesluit landelijke normering
Art.
61 [70]. [MvT]
Het
Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132)
wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In
artikel 1 worden de onderdelen b, c en d vervangen
door:
b. echtpaar:
de in gezinsverband levende gehuwden alsmede de niet met
elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk
geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding
voeren en van wie de situatie ook overigens niet
feitelijk verschilt van die van in gezinsverband levende
gehuwden;
c. eenoudergezin: de man of vrouw met één of meer
kinderen die niet leeft in een gezinsverband als bedoeld
in onderdeel b;
d.
alleenstaande:
1º. de
persoon van 21 jaar of ouder zonder kinderen die niet
leeft in een gezinsverband als bedoeld in onderdeel b;
2º. de
persoon van 18 tot 21 jaar zonder kinderen die niet in
het gezinsverband van zijn ouder(s) leeft, noch in een
gezinsverband als bedoeld in onderdeel b, werknemer is
in de zin van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers
en voor wie geen recht bestaat op kinderbijslag op grond
van de Algemene
Kinderbijslagwet;
B. [MvT]
Artikel 9a wordt vervangen door:
Art. 9a.
Artikel 11,
eerste lid, is niet van toepassing op de inkomsten van
een alleenstaande van 18 jaar.
C. [MvT]
In
artikel 11 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het tweede, derde en vierde lid worden vervangen
door:
-2. In
afwijking van het eerste lid is, indien direct
voorafgaand aan het tijdstip waarop de bijstandverlening ingaat reeds inkomsten uit arbeid
worden genoten en daarop een vrijlating van toepassing
is op grond van artikel 6 [7]
van de Toeslagenwet
of artikel
8 van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers en de in die wetten genoemde periode van twee
jaren nog niet is verstreken, de vrijlating als bedoeld
in het eerste lid van overeenkomstige toepassing tot het
tijdstip waarop deze periode is verstreken.
-3. Het
eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op de netto-uitkering op grond van de Ziektewet indien
deze uitkering betrekking heeft op de in die leden
bedoelde inkomsten.
-4. Het
eerste lid is niet van toepassing op het inkomen uit
bedrijf of beroep van de persoon die als zelfstandige
bijstand ontvangt.
2. In het
vijfde lid wordt "het eerste lid" vervangen door: het
eerste en het tweede lid.
D. [MvT]
In artikel 18 worden de
onderdelen a en c vervangen door:
a. voor een
echtpaar waarvan ten minste één der echtelieden de
65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en waarvoor de
in artikel 16, derde lid, genoemde inkomensvrijlating
niet van toepassing is, ƒ15 600,00;
c. voor een
echtpaar waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn
of waarvoor de in artikel 16, derde lid, genoemde
inkomensvrijlating van toepassing is, ƒ9400,00;.
AFDELING
III
Wijziging van het
Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria
Art.
62 [71]. [MvT]
Het
Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria (Stb.
1980, 87) wordt gewijzigd als volgt:
In artikel 1
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. De
onderdelen c, d en e worden vervangen door:
c. echtpaar:
de in gezinsverband levende gehuwden alsmede de niet met
elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk
geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding
voeren en van wie de situatie ook overigens niet
feitelijk verschilt van die van in gezinsverband levende
gehuwden;
d. eenoudergezin: de man of vrouw met één of meer
kinderen die niet leeft in een gezinsverband als bedoeld
in onderdeel c;
e.
alleenstaande:
1º. de
persoon van 21 jaar of ouder zonder kinderen die niet
leeft in een gezinsverband als bedoeld in onderdeel c;
2º. de
persoon van 18 tot 21 jaar zonder kinderen die niet in
het gezinsverband van zijn ouder(s) leeft, noch in een
gezinsverband als bedoeld in onderdeel c, werknemer is
in de zin van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers
of zelfstandige in de zin van de Rijksgroepsregeling
zelfstandigen of arbeidsongeschikte in de zin van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet;
2. De
aanduiding van de onderdelen f en g wordt gewijzigd in
g
en h,¹ waarna een nieuw onderdeel f wordt ingevoegd,
luidende:
f. kind: het
in het gezinsverband levende en ten laste van zijn
ouder(s) komende minderjarige kind;
1. Volgens
de redactie dient "De
aanduiding van de onderdelen f en g wordt gewijzigd in
g
en h, waarna" te worden vervangen door: Onder
verlettering van de onderdelen f en g
tot onderdelen g
en h, wordt.
HOOFDSTUK
VIII
Overige
wetten
Art.
63 [73]. [MvT]
A. [MvT]
In
artikel 1638c van het Burgerlijk
Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste lid wordt tussen "korten tijd" en
"wanneer"
ingevoegd: doch ten minste voor een periode van zes
weken op het voor hem geldende wettelijk
minimumloon.
2. Het
zevende lid wordt vervangen door:
-7. Van de
bepalingen van dit artikel mag alleen bij schriftelijk
aangegane overeenkomst of bij reglement worden
afgeweken, met dien verstande dat de arbeider in het
geval, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval over
een periode van zes weken aanspraak heeft op het voor
hem geldende wettelijk minimumloon.
B. [MvT]
Artikel 1639l wordt gewijzigd als volgt:
In het derde lid wordt
na "leefde" ingevoegd: , dan wel de daarmee op grond
van een wettelijk voorgeschreven ziekte- of
arbeidsongeschiktheidsverzekering ter zake van de
uitkering bij overlijden gelijkgestelde persoon,.
Art.
64 [74]. [MvT]
In artikel 37, tweede lid, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (Stb. 1964, 519) vervalt ", alsmede
inkomsten in de vorm van uitkeringen ingevolge de
Werkloosheidswet".
Art.
65 [75]. [MvT]
In artikel
17, tweede lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 (Stb. 1964, 521) vervalt ", alsmede loon in de vorm van
uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet".
Art.
66 [76]. [MvT]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972,
313) wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In
artikel 8 wordt na "Coördinatiewet Sociale Verzekering" ingevoegd: alsmede van de
afdelingen II en
III van hoofdstuk III en van afdeling II van hoofdstuk
IV van de Invoeringswet
stelselherziening.
B. [MvT]
Artikel 9
wordt vervangen door:
Art. 9.
Artikel 34
van de Ziektewet is van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot uitkeringen, anders dan bedoeld in dat
artikel, die worden ontleend aan een andere wettelijke
regeling.
C.
In de
artikelen 10 en 18 wordt "Onze Ministers van Defensie
en van Sociale Zaken" vervangen door: Onze Ministers
van Defensie en van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Art.
67 [77]. [MvT]
Indien het
bij koninklijke boodschap van 23 augustus 1985
ingediende voorstel van Wet
op de studiefinanciering (Kamerstukken II 1984-1985, 19 125) tot wet is verheven
en in werking is getreden, worden in artikel 1 van die
wet de volgende wijzigingen aangebracht:
1.
Onderdeel f wordt vervangen door:
f. partner
van een studerende:
1º. degene
met wie de studerende is gehuwd en van wie hij niet
duurzaam gescheiden leeft;
2º. de
niet met de studerende gehuwde persoon van verschillend
of gelijk geslacht met wie de studerende duurzaam een
gezamenlijke huishouding voert en van wie ook overigens
de situatie niet feitelijk verschilt van die van niet
duurzaam gescheiden levende gehuwden.
2.
Onderdeel l wordt vervangen door:
l. partner
van de debiteur:
1º. degene
met wie de debiteur is gehuwd en van wie hij niet
duurzaam gescheiden leeft;
2º. de niet met de debiteur
gehuwde persoon van verschillend of gelijk geslacht met
wie de debiteur duurzaam een gezamenlijke huishouding
voert en van wie ook overigens de situatie niet
feitelijk verschilt van die van niet duurzaam gescheiden
levende gehuwden.
HOOFDSTUK
IX
Slotbepalingen
Art.
68 [78]. [MvT]
-1. In de artikelen 36,
eerste lid, van de nieuwe
Werkloosheidswet, 48, eerste
lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 57,
eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 33, eerste lid, van
de Ziektewet, 1, onderdeel h, van de Organisatiewet
Sociale Verzekering, 6, eerste lid, onderdeel e, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering, 8, tweede lid,
van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers en 11, tweede lid, van het Bijstandsbesluit
landelijke normering, zoals deze luiden op de dag
waarop deze wet in werking treedt, wordt na "Toeslagenwet"
op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het
nummer van het Staatsblad waarin de Toeslagenwet is
geplaatst.
-2. In de
artikelen 37, eerste lid, van de nieuwe
Werkloosheidswet, 19 [21], eerste lid, van de Toeslagenwet,
49, eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 57a, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 33a, eerste
lid, van de Ziektewet en 11, tweede lid, van het
Bijstandsbesluit landelijke normering, zoals deze luiden
op de dag waarop deze wet in werking treedt, wordt na
"Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers"
op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het
nummer van het Staatsblad waarin de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers is
geplaatst.
-3. In de
artikelen 2, onderdeel a, onder 3º, van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers, 1,
eerste lid, onderdeel d, van de Toeslagenwet, zoals deze
luiden op de dag waarop deze wet in werking treedt,
wordt na "Werkloosheidswet" op de gebruikelijke wijze
ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad
waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is geplaatst.
Art.
69 [79]. [MvT]
-1. Waar in
deze wet nummeringen van artikelen en van leden van
artikelen en aanduidingen van onderdelen van artikelen
worden aangehaald van:
a. de nieuwe
Werkloosheidswet;
b. de Toeslagenwet;
c. de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers;
d. de
Wijzigingswet AAW/WAO;
e. de
Wijzigingswet ABW;
worden deze
door
Onze
Minister in overeenstemming gebracht met de
nummering en de aanduiding zoals deze komen te luiden
indien de voorstellen van de onder a tot en met e
bedoelde wetten tot wet zijn verheven.
-2. De tekst
van deze wet zoals die luidt na toepassing van het
eerste lid wordt door Onze Minister van Justitie in het
Staatsblad geplaatst.
Art.
70 [80]. [MvT]
Hetgeen nog
ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt door
Onze
Minister geregeld.
Art.
71 [81]. [MvT]
-1. Deze wet,
met uitzondering van artikel 36, onderdeel
S [40S], de nieuwe
Werkloosheidswet, de Toeslagenwet, de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers, de
Wijzigingswet AAW/WAO, de Wijzigingswet ABW en de
Wijzigingswet AOW treden in werking op een bij
Koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende wetten en artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
-2. Artikel
36, onderdeel S [40S], treedt in werking op 1 januari 1987.
Art.
72 [82].
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Invoeringswet
stelselherziening.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
|
|