St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

INVOERINGSWET  STELSELHERZIENING  SOCIALE  ZEKERHEID

 

  
 

VOORSTEL VAN WET

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1985-1986, 19 383

Intrekking van de Werkloosheidswet, invoering van een nieuwe Werkloosheidswet en een aantal andere wetten, alsmede de in het kader van die intrekking en invoering te treffen overgangsregelingen en de daarmee verband houdende wijzigingen van een aantal wetten en regelingen (Invoeringswet stelselherziening)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 De adviezen
3 Werkloosheidsuitkeringen
4 Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
5 Overige onderwerpen
xArtikelsgewijs
xx Artikelen 1 t/m 71
 

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


    
Zes wetsvoorstellen op het terrein van de sociale zekerheid vormen gezamenlijk het pakket maatregelen dat naar de mening van het kabinet in het kader van de structurele herziening van het stelsel van sociale zekerheid dient te worden getroffen. Drie van deze zes voorstellen strekken tot realisering van geheel nieuwe wetten. Het gaat hierbij om de nieuwe Werkloosheidswet, de Toeslagenwet en de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers [Iow, red.]. Het vierde wetsvoorstel heeft betrekking op de afschaffing van de werkloosheidscomponent in de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en omvat dan ook wijzigingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het vijfde wetsvoorstel houdt in een wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de gelijkstelling van niet gehuwde personen met gehuwden in de bijstand. Het zesde wetsvoorstel houdt een wijziging van de Algemene Ouderdomswet in strekkende tot gelijkstelling van niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten.
     De voornoemde zes wetsvoorstellen zijn bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend (Kamerstukken II 1985-1986, 19 256 tot en met 19 261). Het thans voorliggende wetsvoorstel bevat het invoeringsrecht dat behoort bij de eerste vijf van de hiervoor genoemde voorstellen. Onder invoeringsrecht verstaan wij in dit verband niet alleen het tijdstip waarop deze wetten in werking moeten treden, maar ook de intrekking van de huidige Werkloosheidswet (WW), het door het kabinet gewenst geachte overgangsrecht en de uit de voorgenomen maatregelen voortvloeiende wijzigingen van diverse andere wetten en regelingen. Laatstbedoelde wijzigingen liggen voor het belangrijkste gedeelte, doch niet uitsluitend, op het terrein van de sociale zekerheid. Zo worden bij voorbeeld ook wijzigingen voorgesteld van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de loonbelasting 1964.
     Voorts is in dit wetsvoorstel het tijdstip van in werking treden geregeld van de Wijzigingswet AOW. Het bij dit wetsvoorstel behorende overgangsrecht is in die wet zelf geregeld.
    
rblz.|2| Het opnemen van het invoeringsrecht in één afzonderlijk wetsvoorstel heeft een aantal voordelen. Allereerst wordt ermee bereikt dat de nieuwe wetten zelf verschoond blijven van (een groot aantal) overgangsbepalingen. Voorkomen wordt dus dat deze nieuwe wetten tot in lengte van dagen bepalingen bevatten die slechts voor een beperkte tijd van toepassing behoeven te zijn. Verder menen wij dat het de eenvoud en overzichtelijkheid ten goede komt indien alle wijzigingen die een logisch uitvloeisel zijn van de voorgenomen maatregelen op het de eenvoud en overzichtening, [lees: voorgenomen maatregelen op het terrein van de sociale verzekering, red.] in één afzonderlijke wet worden ondergebracht.
     In de memories van toelichting bij de eerdergenoemde wetsvoorstellen ¹ wordt op tal van plaatsen reeds ingegaan op de hoofdlijnen van het overgangsrecht en worden de ter zake gemaakte keuzes toegelicht.
     Waar mogelijk zal in deze memorie van toelichting dan ook worden volstaan met verwijzing naar die plaatsen.
     Dit wetsvoorstel bevat een groot aantal maatregelen van zeer verschillend karakter, soms uitsluitend van technische aard en soms van meer inhoudelijke betekenis. In dit algemeen deel wordt volstaan met een korte aanduiding van de hoofdzaken. Het accent zal ook meer dan in de toelichtingen bij de overige wetsvoorstellen liggen op de artikelsgewijze toelichting.

1. Redactie: zie memorie van toelichting WW, memorie van toelichting TW en memorie van toelichting Ioaw.

 

2. De adviezen


     Een concept van het onderhavige wetsvoorstel is op 6 mei 1985 ter advisering voorgelegd aan de Sociale Verzekeringsraad (SVr). Gelijktijdig met zijn advisering over de in de inleiding genoemde nieuwe Werkloosheidswet (nieuwe WW), Toeslagenwet en wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet [AAW, red.] en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering [WAO, red.] (Wijzigingswet AAW/WAO) heeft de Raad geadviseerd over dit conceptwetsvoorstel. In de toelichting bij de verschillende artikelen is nader ingegaan op dit advies.
     In de artikelsgewijze toelichting wordt eveneens ingegaan op opmerkingen in het advies van de Emancipatieraad van 23 oktober 1985 en van de Raad voor de gemeentefinanciën van 22 juli 1985. In de inleiding is reeds aangegeven dat in de memories van toelichting bij de zes reeds bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstellen op tal van plaatsen wordt ingegaan op onderdelen die in het onderhavige wetsvoorstel worden geregeld.
     Over die wetsvoorstellen heeft de Raad van State op 26 september 1985 adviezen uitgebracht aan de Koningin. Daarbij heeft de Raad rekening gehouden met de hoofdlijnen van de onderscheiden overgangsregelingen. Voor zover dat het geval is, wordt in de artikelsgewijze toelichting naar de reeds gemaakte opmerkingen verwezen.

 

3. Werkloosheidsuitkeringen


     Met betrekking tot de werkloosheidsuitkeringen wordt in hoofdstuk II van dit wetsvoorstel het volgende voorgesteld.
     Na de datum van inwerkingtreding van de nieuwe WW zullen geen nieuwe uitkeringsrechten meer ontstaan op grond van de huidige WW of op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV). De WWV wordt overigens niet ingetrokken. De wet zal na verloop van enkele jaren haar betekenis verliezen. Intrekking ligt als dan wel in de rede. Tot die tijd blijven bijvoorbeeld ook de artikelen 35 en 36 van de WWV over voorzieningen strekkend tot vergroting van de arbeidsgeschiktheid en het organiseren van sociaal-culturele activiteiten ten behoeve van werklozen van toepassing.
     De huidige WW wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van de nieuwe WW ingetrokken, doch de bepalingen van de WW blijven van toepassing op diegenen die direct daaraan voorafgaand recht
rblz.|3| hebben op uitkering ingevolge die wet, totdat de maximumuitkeringsduur is bereikt, doch uiterlijk tot een halfjaar na de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW.
     Dit betekent onder meer dat ook de bestaande minimumdagloonbepalingen van de WW in deze gevallen nog enige tijd toepassing blijven vinden. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op werklozen met een partner met wie zij niet zijn gehuwd. Op die werklozen wordt de
Toeslagenwet direct van toepassing. Aansluitend op de vorengenoemde WW-periode zal, bij voortdurende werkloosheid, in beginsel de nieuwe WW van toepassing zijn. Op het moment dat op deze personen de nieuwe WW van toepassing wordt, zal niet opnieuw worden vastgesteld of voorafgaand aan de werkloosheid de referte-eis van in 26 weken arbeid verrichten (artikel 17 van de nieuwe WW) is gehaald en zal niet opnieuw een dagloon worden vastgesteld. Wel wordt op dat moment ook de Toeslagenwet van toepassing. Onderzocht moet dan worden of betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor het recht op toeslag, Een soortgelijk onderzoek vindt nu ook plaats bij de overgang van WW- naar WWV-uitkering.
     Voor diegenen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe WW recht hebben op uitkering op grond van de WWV blijft die wet - eventueel tot een recht op uitkering op grond van de nieuwe WW is ontstaan - van toepassing, inclusief de minimumdagloonbepalingen. Die regeling wordt uitgebreid tot werklozen met een partner met wie zij niet zijn gehuwd. Dat betekent dat de gemeenten geen bemoeienis krijgen met de uitvoering van de voorgestelde Toeslagenwet.
     Voor werklozen van 57,5 jaar of ouder die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe WW recht hebben op uitkering op grond van de WW of WWV en die volgens de bestaande regelingen recht op loondervingsuitkering hebben tot de eerste dag van de maand waarin zij 65 jaar worden, geldt een ander regime. Zij komen direct onder de werking van de nieuwe WW (en dus de Toeslagenwet) te vallen.
     Zij krijgen, indien zij laatstelijk recht hadden op uitkering op grond van de WWV, hun uitkering (opnieuw) van de bedrijfsvereniging.
     Zij houden overigens recht op een uitkering van 70% van hun dagloon tot de eerste dag van de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaar bereiken. Dit betekent dat in hun vooruitzichten niets verandert.
     Wat de uitkeringsduur en het niveau van de uitkering betreft voor de overige personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe WW recht hebben op een werkloosheidsuitkering op grond van de WW of de WWV is gekozen voor handhaving van de bestaande rechten. Dit betekent in het algemeen dat te rekenen vanaf de eerste werkloosheidsdag aanspraak bestaat op de gezien de leeftijd geldende uitkeringsduur van WW en WWV tezamen.
     Wat het niveau van de uitkering betreft voor de lopende gevallen betekent dit dat het niveau dat gold op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe WW in werking treedt, te weten 70% van het dagloon, gehandhaafd blijft en dat de halfjaarlijkse vermindering van de uitkering op grond van artikel 47 van de
nieuwe WW niet plaatsvindt.
     Met betrekking tot het niveau van de uitkeringen is nog van belang dat een in dit wetsvoorstel opgenomen bepaling ervoor zal zorgen dat de brutowerkloosheidsuitkering ingevolge de nieuwe WW of de WWV niet kan resulteren in een netto-uitkering die lager is dan de geldende bijstandsnorm. Het betreft hier uitsluitend alleenstaande werklozen tussen 21 en 27 jaar oud die ten minste het voor hen geldende minimumloon verdienen. Op de achtergronden van deze tijdelijke bepaling is in paragraaf 3.8 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW reeds ingegaan.
     Vermelding verdient in verband met de uitkering bij werkloosheid voorts dat diegene die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe WW een minimumuitkering ontvangt op grond van de met ingang van 1 januari 1985 in de WWV ingevoerde interim-voorziening
rblz.|4| voor oudere werklozen (hoofdstuk IIIb) of die bij voortdurende werkloosheid aanspraak op die uitkering zou hebben kunnen maken, op grond van het hier voorgestelde overgangsrecht behoort tot diegenen die recht kunnen hebben op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers (Iow). Dit is van belang omdat het daarbij kan gaan om personen die werkloos zijn geworden voordat zij 50 jaar oud waren.
     Ten slotte moet met betrekking tot de uitkeringsregelingen bij werkloosheid worden vermeld dat - zoals in paragraaf 3.3.2 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW al is toegelicht - de werking van de nieuwe WW zich tot een nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum gelegen na 31 december 1986 niet zal uitstrekken tot overheidspersoneel. Tot die datum zal ook de Iow niet op het overheidspersoneel van toepassing zijn. Voorgesteld wordt om ook periodes doorgebracht in ambtelijke dienstbetrekking gelegen vóór de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum mee te tellen voor de arbeidsverledeneis. In overheidsdienst gewerkte dagen zullen volgens de hier geformuleerde voorstellen in bepaalde gevallen ook mee kunnen tellen als het gaat om de referte-eis van werken in 26 weken.

 

4. Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen


     Hoofdstuk III van het voorliggende wetsvoorstel betreft de uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid.
     Van belang is daar in de eerste plaats de overgangsregeling ter zake van de afschaffing van de verdiscontering van werkloosheid in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Mede op grond van verschillende adviezen wordt voorgesteld de nieuwe regeling ter zake niet te doen gelden voor personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wijzigingswet AAW/WAO recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die op dat moment 35 jaar of ouder zijn. In de toelichting bij het betrokken wetsvoorstel is hier reeds uitvoerig op ingegaan. Voor personen tot 35 jaar geldt dat zij, indien zij in verband met de Wijzigingswet AAW/WAO op grond van een herbeoordeling worden ingedeeld in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse dan wel hun uitkering verliezen, in principe recht hebben op een aanvullende uitkering voor een periode van één jaar (arbeidsongeschikten tot 23 jaar) of van twee jaar (arbeidsongeschikten van 23 tot en met 29 jaar) of van drie jaar (arbeidsongeschikten van 30 tot en met 34 jaar) en daarna, mits aan de arbeidsverledeneis is voldaan, op een aanvullende vervolguitkering gedurende één jaar. Voor diegenen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wijzigingswet AAW/WAO al vijf jaar of langer recht hebben op arbeidsongeschiktheidsuitkering geldt voor de aanvullende uitkering een maximumduur van vijf jaar, met daarna, mits aan de arbeidsverledeneis is voldaan, één jaar aanvullende vervolguitkering. Ter zake van de hoogte van de aanvullende uitkering c.q. de aanvullende vervolguitkering zijn de bepalingen over de hoogte van de loondervingsuitkering c.q. vervolguitkering van de nieuwe WW van overeenkomstige toepassing. Ook overigens wordt een groot aantal bepalingen van die wet van toepassing verklaard. De aanvullende (vervolg)uitkeringen komen ten laste van de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Gevolg daarvan zal zijn dat de verschuivingen in de premielastverdeling die door de afschaffing van de verdiscontering optreden meer geleidelijk worden gerealiseerd.
     De invoering van de Toeslagenwet zal de zogenaamde hoge grondslagen van de AAW overbodig maken. In dit wetsvoorstel worden die hoge grondslagen dan ook afgeschaft. Grondslag voor de uitkering op grond van de AAW wordt over het algemeen het brutominimum(jeugd)loon. Op de wenselijkheid van deze brutokoppeling is reeds ingegaan in paragraaf 3.8 van de toelichting bij de nieuwe WW.
     Daar is ook aangegeven dat en waarom deze brutokoppeling voor alleenstaande arbeidsongeschikten tot 27 jaar ertoe kan leiden dat de
rblz.|5| arbeidsongeschiktheidsuitkering netto onder de voor betrokkenen geldende bijstandsnorm uitkomt. Voorgesteld wordt waar dit nodig is de arbeidsongeschiktheidsuitkering te verhogen, opdat dat effect wordt voorkomen.
     In de genoemde paragraaf is er ook op gewezen dat een koppeling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW aan de minimumjeugdlonen leidt tot lagere uitkeringen dan de uitkeringen die jonge arbeidsongeschikten nu ontvangen. Die huidige uitkeringen gaan deels zelfs het minimumloon voor jeugdigen te boven. Om te scherpe inkomensdalingen voor jeugdigen arbeidsongeschikten te voorkomen, wordt voorgesteld de uitkering voor deze personen ook na de dag van inwerkingtreding van dit onderdeel te blijven berekenen naar de voor die dag voor hen geldende grondslag tot het moment waarop de uitkering berekend overeenkomstig de nieuwe regeling hoger uitkomt.
     Het direct laten vervallen van de hoge grondslagen ingevolge de AAW voor alle op dat moment lopende uitkeringen zou ertoe leiden dat in al die gevallen op hetzelfde moment zou moeten worden nagegaan of betrokkene voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet in aanmerking komt. Om een dergelijk grote belasting ineens voor de uitvoerders te voorkomen, wordt een overgangsregeling voorgesteld die ertoe leidt dat de toetsing van deze gevallen over het jaar na inwerkingtreding van de AAW-wijziging wordt gespreid. Gemiddeld een halfjaar blijven de hoge grondslagen voor lopende uitkeringen dus gehandhaafd. De kosten die zonder deze overgangsregeling ten laste zouden zijn gekomen van het Toeslagenfonds zullen bij dat fonds kunnen worden gedeclareerd. Hetzelfde geldt ten aanzien van de kosten die ten laste zouden zijn gekomen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof).
     Voor ongehuwde arbeidsongeschikten met kinderen die thans recht hebben op een AAW-uitkering berekend naar de hoge grondslag zou zonder nadere voorziening gelden dat zij na de hiervoor bedoelde toetsing ten hoogste recht zouden hebben op een toeslag tot 90% van het minimumloon. Deze relatief sterke inkomensdaling wordt voorkomen doordat wordt voorgesteld deze ongehuwden aan te merken als gehuwd in de zin van de Toeslagenwet. Zoals in de toelichting bij de Toeslagenwet is vermeld, zal deze overgangsregeling nader worden bezien in het kader van de voorgenomen herziening van de Algemene Weduwen- en Wezenwet [AWW, red.].
     In de toelichting bij de nieuwe WW is aangegeven dat het in verband met het in dat voorstel opgenomen systeem van halfjaarlijkse vermindering van de loondervingsuitkering bij werkloosheid én in verband met het feit dat door de voorgestelde afschaffing van de verdiscontering meer dan thans sprake zal zijn van samenloop van (gedeeltelijke) werkloosheidsuitkering en (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering, noodzakelijk is om de uitkeringspercentages bij de lagere arbeidsongeschiktheidsklassen zo te herzien dat een aan de arbeidsongeschiktheid evenredige uitkering wordt bereikt. In dit wetsvoorstel zijn de hiervoor noodzakelijke bepalingen opgenomen. De voorgestelde herziening leidt voor de klassen 15-25, 25-35 en 35-45 tot hogere uitkeringspercentages, voor de klasse 45-55 tot een gelijkblijvend uitkeringspercentage en voor de klassen 55-65 en 65-80 tot een lager percentage. De hogere uitkeringspercentages voor de drie laagste klassen zullen direct na ingang van de herziening van de uitkeringspercentages kunnen gaan gelden. Voor diegenen die op die datum ingedeeld zijn in de klasse 55-65 of 65-80 wordt voorgesteld de daarbij thans behorende percentages van 44 en 57 te handhaven zolang de betrokkene in die klasse blijft ingedeeld. De nieuwe percentages leiden aldus in veel gevallen tot hogere uitkeringen, en door de getroffen overgangsmaatregel niet tot lagere.
     In zijn advies is de SVr uitgebreid ingegaan op de voorgestelde herziening van de uitkeringspercentages. In de toelichting bij de desbetreffende artikelen wordt nader ingegaan op het advies.
    
rblz.|6| Ook verdient hier in verband met de arbeidsongeschiktheidsuitkering vermelding dat een strikt individueel recht op uitkering ingevolge de AAW zal bestaan. Voorgesteld wordt de bestaande regels te laten vervallen, die ertoe strekken dat ingeval beide partners recht hebben op een uitkering op grond van de AAW, beide uitkeringen worden gekort tot zij samen niet meer bedragen dan het minimumloon.
     Voorts wordt erop gewezen dat - anders dan nu ingevolge de AAW - deeltijdwerkers in beginsel evenzeer recht hebben op een toeslag in verband met het financieel ten laste hebben van anderen als voltijdwerkenden.
     Teneinde een zo groot mogelijke uniformiteit met de nieuwe WW te bereiken, zijn de AAW en de WAO op een aantal onderdelen aangepast. Het gaat hierbij onder meer om de bepalingen met betrekking tot de personenkring, de terugvordering van onverschuldigde betalingen, de verrekening tussen bedrijfsvereniging en gemeente in verband met verleende bijstand en om de bepalingen met betrekking tot de vrijwillige verzekering.

 

5. Overige onderwerpen


     De hoofdstukken IV, V, VI en VII van dit wetsvoorstel betreffen achtereenvolgens de Ziektewet [ZW, red.], de Organisatiewet Sociale Verzekering, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de Algemene Bijstandswet, het Bijstandsbesluit landelijke normering en het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria. Hoofdstuk VIII bevat voorstellen tot wijziging van de artikelen 1638c en 1639l van het Burgerlijk Wetboek en tot technische wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, alsmede wijziging van het wetsvoorstel studiefinanciering als dit tot wet wordt verheven, op het punt van gelijkstelling van niet-gehuwde partners met gehuwden.
     De voorstellen betreffende de ZW behelzen in hoofdzaak het laten vervallen van de in die wet sinds kort opgenomen bepalingen betreffende het minimumdagloon. Bij de behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel is van meet af aan duidelijk geweest dat het hier ging om slechts gedurende beperkte tijd - namelijk tot de invoering van de Toeslagenwet - van betekenis zijnde bepalingen. In de Toeslagenwet wordt voorgesteld de minimumdagloonbepaling van de ZW te vervangen door toeslagen. Op die toeslagen zal eerst na zes weken recht bestaan. In verband daarmee wordt in hoofdstuk VIII voorgesteld de doorbetalingsplicht van de werkgever bij ziekte van de werknemers zo aan te passen dat de eerste zes weken in ieder geval het voor betrokkene geldende minimumloon wordt betaald. Een niet naar gezinssituatie en inkomen gedifferentieerde bescherming, zoals nu opgenomen in de ZW, wordt daarmee overbodig.
     In de sfeer van het overgangsrecht wordt voorgesteld onderscheid te maken tussen werknemers die op de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ziekengeld ontvangen, al naargelang zij op dat moment nog geen zes weken ziek zijn dan wel reeds zes weken of langer ziek zijn.
     In het eerste geval blijft de bestaande regeling van de ZW gelden tot het einde van de periode van zes weken, waarna bij voortdurende ziekte eventueel recht op toeslag bestaat. In het tweede geval blijven de minimumdagloonbepalingen van de ZW gelden totdat de werknemer is hersteld of totdat de maximumuitkeringsperiode van de ZW is verstreken. Aldus wordt naar ons oordeel een soepele overgang bereikt.
     Evenals in de AAW en WAO zijn in de ZW bepalingen opgenomen c.q. gewijzigd, overeenkomend met de desbetreffende bepalingen in het wetsvoorstel nieuwe WW.
     Hoofdstuk V van dit wetsvoorstel betreft vooral technische aanpassingen van de Organisatiewet Sociale Verzekering aan de met de stelselherziening beoogde nieuwe
rblz.|7| situatie. Inhoudelijk is vooral van belang artikel 57 [66]. Het daar bepaalde heeft tot doel te bereiken dat aan de problemen - met name die in de personele sfeer - die voortvloeien uit het feit dat er op afzienbare termijn geen sprake meer zal zijn van uitvoering van de WWV door de gemeenten, zoveel mogelijk tegemoet zal kunnen worden gekomen. In dit verband dient ook te worden gewezen op artikel 33 [37]. Mede op basis van het advies van de Raad voor gemeentefinanciën en zoals is aangekondigd in het nader rapport aan de Koningin inzake de nieuwe WW wordt voor de gemeenten een financiële overgangsregeling voorgesteld. Als gevolg van de in de tijd optredende discrepantie tussen de dalende doeluitkering op basis van de WWV ten opzichte van de daarmee gepaard gaande aanpassing van het personeelsbestand kan bij de gemeenten een tijdelijke lastenverzwaring optreden. De voorgestelde overgangsregeling compenseert dit nadeel.
     De in hoofdstuk VI voorgestelde wijzigingen van de Coördinatiewet Sociale Verzekering zijn technisch van aard en betreffen vooral de premieheffing over uitkeringen en toeslagen. Zoals reeds in de nieuwe WW is voorgesteld, zal met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze nieuwe regeling voor uitkeringsgerechtigden op grond van deze regeling de premieheffing voor de werknemersverzekeringen worden uitgebreid met die voor de werkloosheidsverzekering zelf. Mede in verband met de kort geleden ingevoerde premieheffing over ziekengeld is, ter wille van een duidelijker systematiek, besloten de ZW- en WW-uitkeringen als loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering aan te merken. De Sociale Verzekeringsraad heeft in zijn advies van 1 november 1984 over de ZW-maatregelen reeds zijn voorkeur voor een dergelijke systematiek uitgesproken.
     Hoofdstuk VII voorziet in wijziging van de Algemene Bijstandswet, het Bijstandsbesluit landelijke normering en het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria. De voorgestelde wijziging in de Algemene Bijstandswet betreft de verrekening van bijstand met de door de bedrijfsvereniging onverschuldigd verleende voorschotten.
     De wijzigingen van het Bijstandsbesluit landelijke normeringen en het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria, voorgesteld in hoofdstuk VII, strekken tot aanpassing van die besluiten aan het eveneens in het kader van de stelselherziening voorgestelde artikel 5a van de Algemene Bijstandswet (gelijke behandeling niet-huwelijkse samenleefvormen) en tot wijziging van de zogenaamde vrijlatingsregeling, zodat die regeling meer in lijn wordt gebracht met hetgeen ter zake in de Toeslagenwet wordt voorgesteld.
     De beoogde datum van inwerkingtreding van de verschillende wetsvoorstellen in het kader van de stelselherziening is op 1 mei 1986. Gelet op het te verwachten tijdstip van behandeling van de verschillende wetsvoorstellen in de Tweede en Eerste Kamer is inwerkingtreding op 1 mei 1986 reëel haalbaar. De mogelijkheid bestaat echter dat met het oog op de administratief-technische consequenties van de wetsvoorstellen in het kader van de stelselherziening de voorbereidingstijd voor de uitvoeringsorganen om tot een verantwoorde uitvoering van de wetsvoorstellen te komen te kort is. De beoogde datum van inwerkingtreding volgt wellicht te snel op het tijdstip van indiening van dit wetsvoorstel en het moment waarop de behandeling in de Tweede Kamer van de verschillende wetsvoorstellen naar verwachting zal zijn afgerond en de definitieve inhoud van de wetsvoorstellen bekend zal zijn. Hiermee rekening houdend wordt de datum van inwerkingtreding van de verschillende wetsvoorstellen bij koninklijk besluit vastgesteld. De datum van inwerkingtreding zal voor diverse onderdelen van de stelselherziening verschillend kunnen worden vastgesteld. Met deze flexibele invoeringsbepaling kan ook rekening gehouden worden met de mate waarin onderdelen minder of meer voorbereidingstijd met betrekking tot de uitvoeringstechnische aspecten vergen. De uitvoeringstechnische problemen van de wetsvoorstellen worden momenteel met de uitvoeringsorganisaties besproken. Ook
rblz.|8| tijdens de Kamerbehandeling zal ter zake van de mogelijk invoeringsdatum van de wetsvoorstellen overleg worden gevoerd met de uitvoeringsorganen.
     In het vervolg van deze memorie wordt uitgegaan van 1 mei 1986 als datum van inwerkingtreding. Los van de vraag of deze datum voor de uitvoeringsorganen haalbaar is, menen wij dat het de duidelijkheid ten goede komt om in de toelichting een datum te noemen, meer dan te spreken van een - nog niet zekere - datum van inwerkingtreding.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1 [1]

     Dit artikel bevat een aantal voor de Invoeringswet stelselherziening relevante definities. Het is gewenst deze definities op te nemen omdat op verschillende plaatsen in het wetsvoorstel deze begrippen worden gebruikt. Slechts indien een begrip één maal voorkomt, is dat begrip in hetzelfde artikel gedefinieerd. Daarnaast is een definitie van de WW nodig omdat deze wet [lees: die wet, red.] met ingang van de inwerkingtreding van de nieuwe WW wordt ingetrokken, terwijl een aantal bepalingen van deze wet [lees: die wet, red.] van toepassing blijft ten aanzien van zogenaamde oude gevallen. De definitie is zo gekozen dat voorkomen wordt dat in de afzonderlijke artikelen telkens moet worden herhaald dat het gaat om de WW zoals deze wet [lees: die wet, red.] luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet [lees: die wet, red.] wordt ingetrokken.

 

Artikel 2 [2]


Eerste lid

     Dit lid regelt de intrekking van de WW. De WW wordt ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van de nieuwe WW.
     Ter zake van werkloosheid ingetreden op of na die datum kan derhalve geen recht op uitkering op grond van de WW meer ontstaan, maar is in beginsel de nieuwe WW van toepassing. Ter zake van werkloosheid ingetreden vóór de datum van intrekking van de WW blijven de bepalingen van de WW vooralsnog van toepassing. Dit is geregeld in artikel 4 [4].


Tweede lid

     Dit lid stelt buiten twijfel dat in beginsel de WW over tijdvakken gelegen vóór 1 mei 1986 van toepassing blijft, ondanks dat die wet per die datum wordt ingetrokken. Dit betekent derhalve dat het recht op uitkering, de voorwaarden voor dat recht, de weigerings- en uitsluitingsgronden over die perioden moeten worden beoordeeld overeenkomstig de WW. Ook blijft de werkgever premieplichtig over die perioden overeenkomstig de WW en zullen de bedrijfsverenigingen die premie kunnen invorderen.
     Op een aantal punten is in dit wetsvoorstel echter een uitzondering gemaakt op dit uitgangspunt; in die gevallen zullen de rechten, bevoegdheden en verplichtingen worden beheerst door de nieuwe WW.

 

Artikel 3 [3]

     Dit artikel voorkomt dat vanaf de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW recht op uitkering kan ontstaan op grond van de WWV. Het gaat daarbij om het "normale" recht op uitkering, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWV, het recht op uitkering op grond van artikel 10 (werkloosheid als gevolg van weersomstandigheden) en op grond van hoofdstuk lIla (loonsuppletie). Het laten vervallen van hoofdstuk lllb (verlengd recht voor personen van 50 jaar of ouder) in artikel 29, onderdeel F [33,H], voorkomt dat recht op uitkering op grond van dat hoofdstuk kan ontstaan vanaf de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW.
    
rblz.|9| Wat de motivering betreft van het afschaffen van de loonsuppletie moge verwezen worden naar paragraaf 3.1.2 van het algemeen deel van de toelichting bij de nieuwe WW.
     Zoals daar is gesteld, zal over opzet, inhoud en financiering van het voorzieningenbeleid op korte termijn een adviesaanvraag aan de SER [Sociaal-Economische Raad, red.], de SVR en de VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.] worden gericht, waarin ook het afschaffen van de loonsuppletie aan de orde zal komen.
     Mochten die adviezen daartoe aanleiding geven, dan zal alsnog overwogen worden een loonkostensubsidie in een andere vorm dan de loonsuppletie, door middel van een algemene maatregel van bestuur te realiseren.
     Dit artikel is verder van belang daar de WWV niet wordt ingetrokken, maar op lopende gevallen met inachtneming van het bepaalde in deze wet van toepassing blijft.
     De verwijzing naar artikel 9 [10], eerste lid, laat onverlet dat het recht op WWV-uitkering na de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW op grond van artikel 9 [10], vierde lid, kan herleven indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
     Het recht op uitkering kan niet meer herleven indien een recht op uitkering op grond van de nieuwe WW is ontstaan.
     Dit artikel laat tevens onverlet de toepassing van de artikelen 35 en 36 van de WWV.

 

Artikel 4 [4]

     De in dit artikel genoemde personen vallen onder de werkingssfeer van het in dit hoofdstuk geregelde overgangsrecht. Daarnaast bevatten de artikelen 5 tot en met 9 [5-10] nadere regels met betrekking tot uitkeringsgerechtigden op grond van de WWV en het overheidspersoneel. Deze houden tezamen met het bepaalde in artikel 3 [3] in dat behoudens de groep 57,5-jarigen en degenen die recht hebben op grond van de interim-regeling van boven-50-jarigen, reeds bestaande WWV-uitkeringsrechten jegens de gemeente blijven gehandhaafd. De hoofdregel van artikel 4 [4] is dat ten aanzien van personen die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe WW in werking treedt een WW-uitkering ontvangen, de WW en de op die wet berustende bepaling van toepassing blijven, tot uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van de nieuwe WW. Met ingang van 1 mei 1986 behouden zij derhalve recht op uitkering op grond van de WW. Ten aanzien van hen gelden derhalve in die periode de bepalingen van de WW, ondanks dat die wet is ingetrokken. Het van toepassing zijn van de WW-bepalingen is aan een termijn gebonden omdat het onwenselijk is om oude bepalingen gedurende lange tijd naast de nieuwe WW van toepassing te laten zijn. In zijn advies geeft de SVr er de voorkeur aan ter zake een andere overgangsregeling te treffen. De Raad zou de bestaande regelingen voor die gevallen nog in volle omvang willen toepassen totdat het lopende werkloosheidsgeval is uitgewerkt. Dit impliceert dat na de datum van invoering van het nieuwe stelsel nog nieuwe WWV-rechten zouden ontstaan. Uitvoeringstechnisch en budgettair is dit ongewenst. Bovendien zou de overgangssituatie betrekkelijk lang duren met name voor boven-57,5-jarigen. De voorgestelde regeling heeft het voordeel dat voor de bedrijfsverenigingen de overgangssituatie maar een halfjaar duurt, dat voor de gemeentelijke sociale diensten werkzaamheden verbonden aan een in feite vervallen regeling geleidelijk verminderen en na twee jaar vrijwel geheel zijn weggevallen en dat de uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk onder de werkingssfeer van de nieuwe WW vallen. De gekozen opzet blijft dan ook de voorkeur houden.


Eerste lid

     Het gaat in dit lid om personen die op de dag voorafgaande aan die van inwerkingtreding van de nieuwe WW een WW-uitkering ontvangen.
    
rblz.|10| De in dit lid bedoelde personen behouden hun recht op WW uitkering totdat de maximum-uitkeringsduur is bereikt, doch uiterlijk tot zes maanden na de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW. Na afloop van de uitkering op grond van de WW is de nieuwe WW van toepassing, met inachtneming van het in deze wet geregelde overgangsrecht.


Tweede lid

     Dit lid stelt met de in het eerste lid bedoelde personen gelijk degenen die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe WW in werking treedt geen WW uitkering ontvangen omdat ten aanzien van hen een tijdelijke sanctie is getroffen - weigering van uitkering op grond van artikel 31 juncto 39 WW - en degenen die op die dag geen WW uitkering ontvangen omdat zij ziekengeld op grond van de ZW of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW en/of de WAO ontvangen of geacht kunnen worden te ontvangen.
     Degenen aan wie verder recht op WW uitkering is geweigerd, bijvoorbeeld omdat zij niet-onvrijwillig werkloos waren of omdat zij tijdens de uitkeringsperiode passende arbeid hebben geweigerd, vallen dus niet onder deze omschrijving. Deze personen hebben ter zake van hun bestaande werkloosheid geen rechten op grond van de WW meer; zij kunnen eventueel wel vallen onder het overgangsrecht met betrekking tot zogenaamde oude WWV-gevallen.
     De in dit lid bedoelde personen herkrijgen hun recht op WW uitkering na afloop van de in dat lid bedoelde omstandigheden totdat de maximumuitkeringsduur is bereikt, doch uiterlijk tot een halfjaar na de inwerkingtreding van de nieuwe WW. Herkrijgt iemand pas na dat halfjaar zijn uitkering, dan is vanaf dat moment de nieuwe WW dus direct van toepassing.
     Wat de arbeidsongeschikten betreft, gaat het om degenen die tijdens de WW-uitkeringsperiode ziek of arbeidsongeschikt zijn geworden. Personen die vóór hun ziekte en arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking werkzaam waren en wier dienstbetrekking tijdens die periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid werd beëindigd, als gevolg waarvan zij direct na afloop van die periode aangewezen raken op een werkloosheidsuitkering, vallen niet onder de werkingssfeer van dit lid. Ten aanzien van hen is direct na afloop van de in de vorige zin bedoelde periode de nieuwe WW van toepassing.


Derde lid

     De personen die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe WW in werking treedt een loonsuppletie ontvangen of een uitkering van de bedrijfsvereniging daar deze de uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen van de werkgever die niet in staat was te betalen, heeft overgenomen, vallen niet onder het eerste en het tweede lid. Dit lid laat in die gevallen toe dat de WW langer dan een halfjaar na de inwerkingtreding van de nieuwe WW van toepassing blijft. Zolang het recht op loonsuppletie of betaling op grond van hoofdstuk lIla duurt, blijft de WW daarop van toepassing.
     Met betrekking tot de betaling op grond van hoofdstuk lIla wordt nog opgemerkt dat bepalend is het tijdstip van faillissement of surséance van betaling, dan wel het tijdstip waarop de in artikel 42a, tweede lid, WW bedoelde toestand is ingetreden. Ligt dit vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe WW, dan blijft de WW van toepassing.


Vierde lid

     Dit lid regelt dat ten aanzien van ongehuwd samenwonenden de Toeslagenwet van toepassing is naast de WW. Deze personen vallen thans niet onder de minimumdagloonbescherming van de WW. Ongehuwd samenwonenden die op of na 1 mei 1986 werkloos worden, vallen onder de nieuwe WW en daarmee onder de Toeslagenwet. Uit oogpunt van gelijke behandeling wordt dit ook voor de lopende gevallen voorgesteld.


Vijfde lid

     Op grond van de huidige wetgeving zijn uitkeringsgerechtigden op grond van de WW verzekerd en dus ook premieplichtig voor de rblz.|11| ZW en de WAO. Voor de werkloosheidsverzekering zelf zijn zij niet premieplichtig, maar wordt op hun uitkering een vereveningsbijdrage ingehouden ter hoogte van de werknemersdelen van de gemiddelde wachtgeldpremie en de werkloosheidspremie tezamen. Deze vereveningsbijdrage is geregeld in artikel 26 van de WW. Uitkeringen op grond van de nieuwe WW zijn wel aan de premieheffing van die wet onderworpen. Om te voorkomen dat tijdens de overgangssituatie bij de bedrijfsverenigingen het systeem van vereveningsbijdrage en dat van premieheffing naast elkaar bestaan, is in het vijfde lid bepaald dat de op 1 mei 1986 lopende WW-uitkeringen met ingang van die datum voor wat de werkloosheidsverzekering betreft niet meer aan de inhouding van vereveningsbijdrage, maar aan premieheffing zijn onderworpen. De in dit lid opgenomen fictie met betrekking tot de bepalingen van de ZW, WAO en de Coördinatiewet Sociale Verzekering is nodig omdat in die wetten na de daarin op grond van dit voorstel aangebrachte wijzigingen wordt verwezen naar de nieuwe WW.
     Vooruitlopend op hetgeen is bepaald ten aanzien van degenen die op 1 mei 1986 aanspraak behouden op WWV uitkering zij opgemerkt dat voor hen de vereveningsbijdrage blijft gelden. Het is hoofdzakelijk om praktische redenen wenselijk voor deze groep de vereveningsbijdrage te handhaven en geen premieheffing in te voeren. Het is immers bezwaarlijk de gemeentebesturen in een aflopende situatie nog met premiebetaling te confronteren, terwijl voor wat het equivalent van de ziekengeldpremie betreft de vereveningsbijdrage blijft bestaan. Bovendien maakt één en ander voor de uitkeringsgerechtigde nagenoeg geen verschil, terwijl de premieplicht die hierdoor voor de gemeente zou ontstaan ten laste van de rijksoverheid zou komen.


Zesde lid

     Dit lid regelt dat in aansluiting op recht op WW-uitkering recht op uitkering op grond van de nieuwe WW bestaat met inachtneming van de bepalingen van die wet en deze wet. Op het moment dat bedoelde personen onder de werkingssfeer van de nieuwe WW vallen, zal in beginsel beoordeeld moeten worden of zij aan de voorwaarden voor het recht op uitkering op grond van die wet voldoen, tenzij in deze wet anders is bepaald. Dit laatste is onder andere gebeurd met betrekking tot de referte-eis (artikelen 10 [11] en 11 [12]) en de uitkeringsduur (artikelen 16 [17] en 17 [20]) en de uitkeringshoogte (artikel 19 [22]).

 

Artikel 5 [5]

     Dit artikel regelt wie na de inwerkingtreding van de nieuwe WW onder de WWV blijven vallen. Dat zijn alle werknemers, behoudens degenen die in artikel 6 [6] zijn uitgezonderd, die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de nieuwe WW recht hadden op een uitkering op grond van de WWV. Tevens blijven onder de toepassing van de WWV de werknemers die op eerdergenoemde dag geen recht op WWV hadden omdat dat recht door werkaanvaarding of door een omstandigheid op grond van artikel 13, eerste lid, of artikel 14, eerste lid, van die wet was onderbroken en de werknemer na beëindigen van dat werk of die omstandigheid weer recht op een WWV-uitkering heeft.
     De WWV is op eerdergenoemde personen niet meer van toepassing indien recht is ontstaan op grond van de nieuwe WW.
     Aangezien de WWV niet wordt ingetrokken, is een bepaling als bedoeld in het derde lid van artikel 4 [4] voor degenen die recht hebben op loonsuppletie op grond van de WWV niet nodig.
     Ook degenen die recht hebben op loonsuppletie op grond van de WWV behouden na de inwerkingtreding van de nieuwe WW dat recht.
     Het derde lid is nodig om te voorkomen dat artikel 4 [4] en artikel 5 [5] tegelijkertijd op dezelfde persoon van toepassing zijn. Het kan immers voorkomen dat de uitkering op grond van de WW tijdelijk is geweigerd en dat over die weigeringsperiode WWV uitkering is toegekend.

rblz.|12| 

Artikel 6 [6]


Eerste lid

     Dit artikel vormt een uitzondering op de artikelen 4 [4] en 5 [5] en brengt de werknemers, bedoeld in die artikelen, die op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder zijn en op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de nieuwe WW recht hebben op uitkering op grond van de WW of de WWV onder de toepassing van de nieuwe WW. Deze personen vallen derhalve met ingang van 1 mei 1986 in beginsel onder de nieuwe WW.
     Zoals uit de artikelen 17 [20] en 19 [22] blijkt, zijn met betrekking tot de uitkering van deze personen, wat de hoogte en de duur van de uitkering betreft, afwijkende bepalingen ten opzichte van de nieuwe WW opgenomen. Aangezien het onwenselijk is dat de WWV nog lange tijd na de inwerkingtreding van de nieuwe WW van toepassing blijft en het hier gaat om personen die langlopende uitkeringen kunnen hebben, zijn die personen onder de toepassing van de nieuwe WW gebracht.


Tweede lid

     Dit lid stelt met de in het eerste lid bedoelde personen gelijk degenen die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe WW in werking treedt geen WW- of WWV-uitkering ontvangen in de situaties, bedoeld in artikel 4 [4], tweede lid, en in artikel 5 [5], tweede lid.


Derde lid

     Ambtenaren vallen in beginsel onder de nieuwe WW (artikel 3 van die wet), doch worden op grond van artikel 7 [7] van de wet tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip gelegen na 31 december 1986 uitgesloten van de kring van verzekerden van die wet. Dit lid beoogt te bereiken dat de ambtenaar op wie het eerste of het tweede lid van toepassing is wel onder de werkingssfeer van de nieuwe WW valt.

 

Artikel 7 [7]

     Thans is het mogelijk dat werknemers die op de eerste dag van werkloosheid jonger waren dan 50 jaar recht hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk IIIb van de WWV. Ook zijn er werknemers die op 30 april 1 986 recht hebben op een WW- of WWV-uitkering en die bij voortdurende werkloosheid recht zouden hebben gehad op een uitkering op grond van hoofdstuk lllb van de WWV.
     Om voor een uitkering op grond van de Iow in aanmerking te komen, dient een werknemer onder meer werkloos te zijn geworden na zijn 50ste jaar. In artikel 29, onderdeel F
[33,H], wordt voorgesteld de in hoofdstuk lllb neergelegde interim-maatregel te laten vervallen. In verband daarmee is voor deze groep werknemers in dit artikel een overgangsmaatregel getroffen. Daardoor kunnen deze werknemers met ingang van 1 mei 1986 respectievelijk na afloop van de uitkeringsduur op grond van artikel 16 [17] of de WWV recht doen gelden op een uitkering op grond van de Iow.

 

Artikel 8 [9]

     Bij de overgang van de uitkeringsregimes van de WW en WWV naar dat van de nieuwe WW kunnen onvoorziene complicaties optreden. Zo zouden zich bijvoorbeeld problemen kunnen voordoen met betrekking tot de overgang van uitkeringen waarop specifieke WW-bepalingen van toepassing zijn (bijvoorbeeld de vijftiendagenregeling voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een doorlopend geval van werkloosheid of een nieuw geval van werkloosheid) die de nieuwe WW niet kent.
     In verband hiermee is in dit artikel, teneinde adequaat deze onvoorziene complicaties te kunnen opheffen, aan de minister de bevoegdheid gegeven met betrekking tot deze afdeling nadere en zo nodig afwijkende regelen te stellen.

rblz.|13| 

Artikel 9 [10]

     De redactie van dit artikel is ontleend aan artikel 6, derde lid, van de WW. Het begrip "onvrijwillige werkloosheid" is echter vervangen door "werkloosheid", conform de in de nieuwe WW gebezigde terminologie.
     Op grond van het derde lid van genoemd artikel 6 kunnen ten aanzien van degene die ambtenaar is in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet) uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot een lichaam als bedoeld in artikel A 1, onderdeel d, van de Abp-wet, niet zijnde het Rijk, een provincie, gemeente, waterschap, veenschap of veenpolder, bij algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven worden omtrent zijn ten laste van dit lichaam komende aanspraken bij onvrijwillige werkloosheid. Deze bepaling is destijds in de WW opgenomen teneinde een voorziening te kunnen treffen voor de gevallen waarin de aldaar bedoelde personen die op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de WW van de verzekeringsplicht ingevolge die wet zijn uitgezonderd, bij het ontbreken van een eigen uitkeringsregeling van het lichaam waarbij zij in dienst zijn onderscheidenlijk waren minder aanspraken op uitkering zouden hebben dan wanneer de WW op hen van toepassing zou zijn gebleven. De aandacht verdient dat de aanspraken op wachtgeld voor de eveneens op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de WW uitgezonderde personen in dienst van het Rijk, de provincies, gemeenten, waterschappen, veenschappen en veenpolders voldoende gewaarborgd zijn door de Ambtenarenwet 1929 en de overige voor hen geldende rechtspositieregelingen.
     De in artikel 6, derde lid, van de WW bedoelde algemene maatregel van bestuur (Koninklijk besluit van 4 december 1979, Stb. 1979, 769) is op 1 januari 1981 in werking getreden.
     De voorschriften houden in dat elk lichaam in de zin van dat besluit dat een uitkeringsregeling kent, deze regeling in voorkomende gevallen zal dienen te toetsen aan de in dit besluit opgenomen voorschriften. Voor zover uit deze toetsing blijkt dat de eigen regeling op bepaalde punten minder gunstig is, zullen de voorschriften in dit besluit een aanvullende werking hebben.
     De voorschriften zullen in ieder geval in acht genomen dienen te worden door de organen van de lichamen in de zin van dat besluit die geen eigen regeling hebben getroffen.
     Op grond van deze regeling kunnen aan de belanghebbenden thans nimmer minder voordelen toekomen dan wanneer de WW op hen van toepassing zou zijn geweest.
     De hier bedoelde categorie van personen is door het Rijk invaliditeitspensioen verzekerd. Die personen vallen dus ook in beginsel onder de nieuwe WW, doch worden tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip, dat na 31 december 1986 moet zijn gelegen (artikel 7 nieuwe WW), uitgesloten van de kring van verzekerden van die wet. De hier toegelichte bepaling beoogt de garantieregeling van artikel 6, derde lid, van de WW voorshands, namelijk tot het tijdstip aangewezen op grond van artikel 7, eerste lid, van de nieuwe WW, te continueren.
     Uiteraard zal het vorenbedoelde Koninklijk besluit van 4 december 1979 aangepast moeten worden aan de nieuwe WW.

 

Artikel 10 [11]

     De personen die op de dag voorafgaande aan die van inwerkingtreding van de nieuwe WW een WW uitkering ontvangen, hebben na het bereiken van de maximumuitkeringstermijn recht op uitkering op grond van de nieuwe WW. De personen die op eerstbedoelde dag een WW- of WWV-uitkering ontvangen en op of na de 57,5-jarige leeftijd werkloos zijn geworden, verkrijgen met ingang van de inwerkingtreding van de nieuwe WW recht op uitkering op grond van die wet. Zoals rblz.|14| bij de artikelen 4 [4] en 6 [6] werd opgemerkt, gelden voor deze personen in beginsel de bepalingen van de nieuwe WW en derhalve ook de referte-eis van artikel 17 van die wet. Teneinde de uitvoeringsorganen onnodige beoordelingen te besparen, bepaalt dit artikel dat deze personen geacht worden aan de referte-eis te hebben voldaan.

 

Artikel 11 [12]

     Ten aanzien van degene die op of na de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW werkloos wordt, is die wet van toepassing.
     Als voorwaarde voor recht op uitkering op grond van die wet geldt dat in de twaalf maanden voorafgaande aan het intreden van die werkloosheid als werknemer in de zin van die wet arbeid moet zijn verricht. Zonder nadere regeling zou dit ertoe leiden dat het eerste halfjaar na inwerkingtreding van de nieuwe WW niemand aan deze voorwaarde kan voldoen.


Eerste en tweede lid

     Op grond van deze leden wordt degene die in de hiervoor bedoelde periode van twaalf maanden vóór 1 mei 1 986 als werknemer in de zin van de WW of de WWV heeft gewerkt of als dienstplichtige in militaire dienst is geweest dan wel vervangende dienst heeft vervuld, ter zake van de gewerkte weken als werknemer in de zin van de nieuwe WW beschouwd. Op deze wijze kan ook rekening gehouden worden met de vóór 1 mei gelegen perioden waarin arbeid in dienstbetrekking of in een daarmee te vergelijken arbeidsverhouding is verricht. Onder werknemer in de zin van de WWV vallen ook degenen die in overheidsdienst hebben gewerkt, zodat ook met die perioden gelegen vóór 1 mei 1986 rekening gehouden kan worden. Voor arbeidsperioden gelegen na 30 april 1986 geldt de nieuwe WW, behoudens voor degenen die in overheidsdienst hebben gewerkt. Ten aanzien van personen die afwisselend in overheidsdienst en in het particuliere bedrijfsleven werkzaam zijn - met name in het onderwijswijssector komt dit voor -, doen zich thans wel problemen voor in verband met de referte-eis van de WW. Degene die in overheidsdienst werkt, is geen werknemer in de zin van die wet.
     Ondanks dat degene die als werknemer in de zin van de WW werkloos is geworden meer dan een halfjaar arbeid in dienstbetrekking heeft verricht, kan hij niet voldoen aan de referte-eis van die wet, daar hij niet de gehele referteperiode als werknemer in de zin van de WW heeft gewerkt. Over deze problematiek is op 11 juli 1983 aan de SVr advies gevraagd, die daarover op 28 juni 1984 zijn advies heeft uitgebracht. Gelet op dit advies, alsmede gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 7 van de nieuwe WW ten aanzien van het overheidspersoneel, is besloten, in navolging van een dergelijke regeling van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, weken waarin in overheidsdienst is gewerkt mee te laten tellen voor de referte-eis ten aanzien van degenen die laatstelijk vóór het intreden van hun werkloosheid werkzaam waren in het particuliere bedrijfsleven en die derhalve verzekerd waren op grond van de nieuwe WW. Daar deze problematiek zich niet alleen het eerste halve jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe WW kan voordoen, maar zolang het overheidspersoneel niet als werknemer in de zin van deze wet [lees: die wet, red.] wordt beschouwd, wordt in het tweede lid bepaald dat ook dagen in overheidsdienst vanaf 1 mei 1986 meetellen.


Derde lid

     In dit lid wordt geregeld dat voor de persoon die voorafgaande aan het inwerking treden van de nieuwe WW verzekerd was op grond van de WW en wiens eerste werkloosheidsdag op de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW valt, dezelfde voorziening geldt als voor de persoon, bedoeld in het eerste lid. Het betreft hierbij een categorie personen die noch valt onder artikel 4 [4], noch onder het eerste lid.


Vierde lid

     Dit lid regelt allereerst (door het tweede lid van artikel 17 van de nieuwe WW van overeenkomstige toepassing te verklaren) dat rblz.|15| indien in de in het eerste lid genoemde twaalf maanden een periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid lag, de periode van twaalf maanden met laatstbedoelde periode wordt verlengd. Hetzelfde geldt indien na afloop van werkzaamheden ter zake waarvan geen verzekeringsplicht bestaat het werknemerschap aan een persoon wordt hergeven. Voorts zijn in dit artikel het derde tot en met het vijfde lid van artikel 17 van de nieuwe WW van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit betekent dat het systeem van weken tellen zoals dat geldt op grond van de nieuwe WW, waarbij weken slechts één keer in aanmerking genomen kunnen worden, ook geldt voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid. Ook de bij algemene maatregel van bestuur en door de SVr te stellen regels met betrekking tot de referte-eis gelden voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid.


Vijfde lid

     Personen die na 30 april 1986 werkloos worden, moeten aan de in artikel 17 van de nieuwe WW bedoelde referte-eis voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering op grond van die wet. Zonder nadere regeling zouden personen die op 30 april 1986 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO en/of AAW ontvangen en na die datum werkloos worden (wegens geheel of gedeeltelijk herstel), niet voldoen aan de referte-eis van de nieuwe WW. Het vijfde lid bevat daarom een overeenkomstige overgangsregeling met betrekking tot de referte-eis als voor de in het eerste lid bedoelde personen.


Zesde lid

     Dit lid geeft de minister de bevoegdheid nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen. In dit kader zullen onder andere regels gegeven kunnen worden met betrekking tot het tellen van arbeidsdagen in relatie tot het herleven van uitkeringsrechten, bedoeld in artikel 21 van de nieuwe WW. De reden om verdere regelgeving te laten plaatsvinden bij ministeriële regeling is dat bij onvoorziene knelpunten bij de uitvoering van de bepalingen van dit artikel tijdig op deze knelpunten kan worden ingespeeld.

 

Artikel 12 [13]

     Het is niet nodig om degene die WW-uitkering had op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe WW op hem van toepassing wordt en wiens recht eindigt door het bereiken van de maximumduur op grond van die wet en deze wet, een uitkering op grond van de nieuwe WW te laten aanvragen. Daarom bepaalt dit artikel dat de bedrijfsvereniging ambtshalve vaststelt of recht op uitkering op grond van de nieuwe WW bestaat. Daarnaast is het niet gewenst de personen van 57,5 jaar of ouder die van de gemeenten overgaan naar de bedrijfsvereniging onnodig te belasten met een aanvrage om een uitkering. Nu tussen de bedrijfsverenigingen en de gemeenten met betrekking tot deze personen gegevens uitgewisseld dienen te worden, kunnen de bedrijfsverenigingen op basis daarvan het recht op uitkering ambtshalve vaststellen. Op grond van artikel 28 [32] zal de gemeente deze personen bij de desbetreffende bedrijfsvereniging dienen aan te melden. In de overige gevallen lijkt het niet nodig een regeling te treffen, daar in deze gevallen zonder bezwaar de bij een bedrijfsvereniging gebruikelijke procedure gevolgd kan worden.

 

Artikel 13 [14]

     De werknemer, bedoeld in artikel 6 [6] (de werknemer die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de nieuwe WW recht had op een WWV-uitkering of geen recht op uitkering had omdat dat recht was onderbroken door werkaanvaarding of door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, en 14, eerste lid, WWV en die op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder was), is de enige werknemer rblz.|16| die op de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW direct vanuit de werkingssfeer van de WWV onder de toepassing van de nieuwe WW wordt gebracht. De werknemer, bedoeld in artikel 4 [4], wordt onder de toepassing van de nieuwe WW gebracht indien hij de maximumuitkeringsduur heeft bereikt of in ieder geval een halfjaar na de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW.
     Voor zover op die werknemers een sanctie van toepassing is, regelt dit artikel dat de bedrijfsvereniging een beslissing dient te nemen of de sanctie ten aanzien van die werknemers moet worden voortgezet. Indien de bedrijfsvereniging besluit tot voortzetting van de sanctie, ligt het in de rede dat zij de sanctie afstemt op de in het kader van de WW of de WWV getroffen sanctie. Voor de andere werknemers die op de dag voor de inwerkingtreding van de nieuwe WW recht hadden op een WWV-uitkering is het niet nodig om een dergelijke bepaling op te nemen, aangezien die werknemers onder de werkingssfeer van de WWV blijven vallen.
     Niet gekozen is voor een automatische doorwerking van de sanctie, omdat er omstandigheden kunnen zijn die het niet voortzetten van de sanctie kunnen rechtvaardigen.

 

Artikel 14 [15]

     Dit artikel waarborgt indien de bedrijfsvereniging op of na de dag waarop de WW wordt ingetrokken tot de ontdekking komt dat zij onverschuldigd uitkering betaald heeft, dat zij die onverschuldigd betaalde uitkering kan terugvorderen of in mindering kan brengen op later te betalen uitkeringen c.q. kan verrekenen met het gemeentebestuur. De artikelen 36 en 37 van de nieuwe WW zijn op die onverschuldigd betaalde WW-uitkeringen van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 15 [16]


Eerste lid

     De WWV blijft na de inwerkingtreding van de nieuwe WW van toepassing op degenen die op de dag voorafgaande aan die inwerkingtreding recht hadden op een WWV-uitkering en daarmee gelijk gestelde personen, met uitzondering van de in artikel 6 [6] genoemde groep. Eén en ander zolang geen recht op uitkering op grond van de nieuwe WW is ontstaan.
     Degenen die op de eerste dag van de werkloosheid 57,5 jaar of ouder zijn en op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de nieuwe WW een WWV-uitkering ontvangen, vallen op grond van artikel 6 [6] met ingang van 1 mei 1986 onder de nieuwe WW.
     Niet ondenkbaar is dat het in deze situaties kan voorkomen dat de gemeente ten onrechte over een periode WWV-uitkering verstrekt. In verband daarmee biedt dit artikel, net als thans op grond van de WW, de mogelijkheid van verrekening, zonder machtiging van de werknemer, tussen bedrijfsvereniging en gemeente.


Tweede lid

     Dit lid bepaalt dat bij de verrekening ook betrokken dienen te worden de ten laste van de gemeente gekomen premies op grond van de AAW, de AKW en de AWBZ. Aangezien in de huidige praktijk hieromtrent onduidelijkheid bestaat, is dit, in navolging van de nieuwe WW, expliciet opgenomen.

 

Artikel 16 [17]

     Dit artikel regelt de duur van de uitkering voor de personen, bedoeld in artikel 4 [4].
     Uitgangspunt is dat voor deze personen de huidige uitkeringsduur van de WW en de WWV tezamen in beginsel gehandhaafd blijft, doch dat overigens het regime van de nieuwe WW zo veel mogelijk geldt. Het
rblz.|17| artikel beperkt zich tot een regeling van de uitkeringsduur na afloop van de WW-uitkeringsperiode, met andere woorden regelt de uitkeringsduur voor deze personen vanaf het moment dat zij recht hebben op een uitkering op grond van de nieuwe WW. Uit artikel 4 [4] blijkt dat dit recht ontstaat na het bereiken van de maximumuitkeringsduur op grond van de WW, doch in ieder geval met ingang van een halfjaar na de datum van inwerkingtreding van de nieuwe WW (1 november 1986).
     De duur komt overeen met het bepaalde in artikel 19, eerste lid, onderdeel a tot en met e, van de WWV en de daaraan verbonden voorwaarde komt overeen met de arbeidsverledeneis uit de nieuwe WW. Opgemerkt zij verder dat in navolging van het in de nieuwe WW gevolgde systeem de duur van de uitkering is gekoppeld aan de leeftijd op de eerste dag van de werkloosheid, in plaats van op de dag van de aanvraag van de uitkering, zoals bij de WWV het geval is. In verband daarmee zijn de leeftijdsgrenzen in dit artikel aangepast ten opzichte van de in de WWV voorkomende leeftijdsgrenzen. Materieel heeft dit echter in deze situatie geen gevolgen.
     Voor degene die op 30 april 1986 een WWV-uitkering ontving, is geen afzonderlijke regeling nodig, daar de WWV op hem van toepassing blijft zolang geen nieuw recht op uitkering op grond van de nieuwe WW is ontstaan.
     Op grond van de nieuwe WW kan voor de arbeidsverleden eis rekening gehouden worden met perioden waarin ten gevolge van de verzorging van kleine kinderen niet aan het arbeidsproces is deelgenomen. Het ligt voor de hand deze regeling ook te laten gelden voor de arbeidsverledeneis voor de zogenaamde lopende gevallen die na afloop van de WW-uitkeringsperiode in de nieuwe WW terechtkomen. Dit regelt het derde lid.
     Voorts bepaalt dit lid de regeling van de herleving van de duur van overeenkomstige toepassing. Deze regeling houdt nauw verband met de arbeidsverledeneis en voorkomt dat iemand door werkaanvaarding in een ongunstiger positie geraakt dan degene die werkloos is gebleven.

 

Artikel 17 [20]

     Dit artikel geeft de uitkeringsduur aan van de werknemer die recht op uitkering heeft op grond van de WW of de WWV en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is. Deze werknemer behoudt zijn recht tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

 

Artikel 18 [21]


Eerste lid

     Op grond van de artikelen 42 en 50 [48] van de nieuwe WW dient een werknemer voorafgaande aan zijn werkloosheid drie jaar in een dienstbetrekking in de zin van die wet te hebben gestaan om langer dan een halfjaar voor een recht op uitkering ingevolge die wet in aanmerking te komen.
     Zonder nadere regeling zou met de perioden waarin vóór 1 mei 1986 een dienstbetrekking in de zin van de WW of WWV heeft bestaan geen rekening gehouden kunnen worden voor de arbeidsverledeneis. Dit zou betekenen dat de eerste drie jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe WW nimmer recht op een verlengde loondervingsuitkering of een vervolguitkering zou kunnen bestaan.
     Dit lid voorkomt dat. Daarnaast regelt dit lid dat voor de arbeidsverledeneis ook rekening gehouden kan worden met perioden waarin de militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst is vervuld, en met perioden waarin in overheidsdienst is gewerkt.
     Zie verder ook de toelichting op artikel 11 [12], waarin een gelijksoortige regeling is getroffen met betrekking tot de referte-eis.


Tweede lid

     Personen die bij inwerkingtreding van de nieuwe WW een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO en/of de AAW rblz.|18| ontvangen en vervolgens werkloos worden (in verband met geheel of gedeeltelijk herstel), vallen niet onder de werking van de in het eerste lid bedoelde overgangsbepaling met betrekking tot de arbeidsverledeneis. Ditzelfde geldt ten aanzien van de personen die op de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW werkloos worden en voorafgaande aan hun werkloosheid verzekerd waren op grond van de WW. Het eerste lid heeft alleen betrekking op personen die werknemer in de zin van de nieuwe WW zijn geweest. Het tweede lid bevat voor de onderhavige categorieën van personen dezelfde overgangsbepaling wat de arbeidsverledeneis betreft als voor de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde categorie van personen.


Derde lid

     Evenals in het kader van artikel 11 [12] is hier de bevoegdheid tot verdere regelgeving verleend. Dit kan van belang zijn met het oog op de telling van arbeidsdagen in relatie tot het eindigen van de uitkeringsduur. In verband met het tijdig kunnen inspelen op situaties die niet voorzien zijn, is hier, evenals in artikel 11 [12], gekozen voor regelgeving door de minister.

 

Artikel 19 [22]

     Dit artikel regelt de hoogte van de uitkeringen voor alle werknemers op wie het overgangsrecht van toepassing is. De hoogte van het uitkeringspercentage alsmede de hoogte van het dagloon blijven gehandhaafd op het niveau dat gold op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe WW in werking treedt, met andere woorden 70% van het dagloon.
     Dit betekent dat de halfjaarlijkse stapsgewijze vermindering van de uitkering op grond van de nieuwe WW niet op genoemde werknemers van toepassing is.
     Voor de werknemer die op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is, houdt dit in dat hij tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt een uitkering ontvangt ter hoogte van 70% van zijn dagloon.

 

Artikel 20 [23]

     Dit artikel stelt dat de halfjaarlijkse herziening van het dagloon ook voor de daglonen op grond van de WW overeenkomstig artikel 46 van de nieuwe WW dient te geschieden.
     Deze daglonen worden derhalve met ingang van 1 juli 1986 aangepast aan de ontwikkeling van de loonindex en niet meer aan de ontwikkelingen van de lonen in de bedrijfstakken.

 

Artikel 21 [24]

     Dit artikel voorkomt dat voor bepaalde categorieën werknemers de uitkering beneden het relevante sociaal minimum terechtkomt.
     Voor een nadere toelichting op dit artikel moge verwezen worden naar paragraaf 3.8.2 van de toelichting op de nieuwe WW.
     In zijn advies van 23 oktober 1985 wijst de Emancipatieraad op de problematiek die zich ten aanzien van deze groep kan voordoen. In het conceptvoorstel van mei 1985 kon de verhoging van de uitkering alleen plaatsvinden indien sprake was van gehele werkloosheid uit een volledige dienstbetrekking. De Raad merkte terecht op dat in dat conceptvoorstel alleenstaanden die in een deeltijdbaan toch het minimumloon verdienen, bij werkloosheid niet dezelfde aanvulling zouden krijgen als alleenstaande jongeren die voltijd werken en daarin datzelfde minimumloon verdienen. Mede naar aanleiding van het advies van de Emancipatieraad is dit artikel in die zin aangepast dat de overgangsregeling ook geldt voor de categorie alleenstaanden die in deeltijd het voor de leeftijd geldende minimumloon verdienen.

rblz.|19| 

Artikelen 22 t/m 26 [26-30]

     Deze artikelen bevatten een overgangsregeling voor toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering voor personen die op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe WW reeds in het buitenland verblijven. Hier wordt de mogelijkheid geboden tot die verzekering toegelaten te worden. Het SVr-advies ter zake is gevolgd.

 

Artikel 22 [26]

     Evenals voor degenen die na de datum van inwerkingtreding van de nieuwe WW tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering kunnen worden toegelaten, wordt de eis gesteld dat zij in dienst van een Nederlandse werkgever in het buitenland werkzaam zijn, dan wel als Nederlander in een ontwikkelingsland werkzaamheden verrichten. Vanzelfsprekend kan voor hen de in de structurele situatie geldende eis dat de vrijwillige verzekering in aansluiting op de verplichte verzekering dient te worden gesloten, niet worden gesteld. Opgemerkt zij dat voor het huishoudelijk personeel geen overgangsregeling behoeft te worden getroffen, omdat voor deze categorie ook in de structurele situatie de eis van aansluiting op de verplichte verzekering niet wordt gesteld.

 

Artikel 23 [27]

     De termijn waarbinnen een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van deze overgangsregeling dient te worden ingediend, moet enerzijds niet te krap worden gesteld in verband met de verblijfplaats van de belanghebbende. Voorlichting over de mogelijkheid tot toelating en de behandeling van de aanvraag zullen, vooral als de betrokkene zich in een ontwikkelingsland - ver van de moderne communicatiemiddelen verwijderd - bevindt, geruime tijd in beslag kunnen nemen. Anderzijds sluit een te lange termijn op verzekeringstechnische bezwaren. In verband daarmee is een termijn van drie maanden gekozen. De in het tweede lid geboden mogelijkheid om te late aanmelding te pardonneren, is in deze gevallen speciaal van belang voor ontwikkelingswerkers die wegens hun standplaats slechts weinig contact met Nederland hebben.
     Niettemin zal het gewenst zijn dat via de uitzendende organisaties en de diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging van Nederland ruimschoots aandacht aan deze regeling wordt geschonken. Publikaties in de op deze groepen gerichte persmedia en voorlichting door de Wereldomroep zullen in dezen een steentje bij moeten dragen.

 

Artikel 24 [28]

     In dit artikel wordt bepaald dat indien de persoon, bedoeld in artikel 22 [26], niet is verzekerd op grond van de ZW, de bedrijfsvereniging hem tot de vrijwillige verzekering op grond van die wet toelaat op het moment dat hij wordt toegelaten tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering.

 

Artikel 25 [29]

     Dit artikel geeft aan welke arbeidsdagen meetellen bij de bepaling van het recht op uitkering en de duur van de uitkering voor deze groep. De voorwaarden voor het recht op uitkering worden in belangrijke mate bepaald door de referte-eis van 26 weken werken in het jaar voorafgaande aan de werkloosheid. Zouden geen overgangsbepalingen zijn getroffen, dan zou op grond van de nieuwe wet eerst recht op uitkering ontstaan nadat men een halfjaar had gewerkt c.q. verzekerd was. In verband hiermee is een regeling getroffen op grond waarvan perioden waarin als werknemer in de zin van de WW of de WWV is gewerkt, meetellen voor de referte-eis van de nieuwe WW. Deze perioden worden tevens in rblz.|20| aanmerking genomen voor de vaststelling van de duur van de uitkering. Het scheppen van eenzelfde mogelijkheid voor deze overgangsgevallen van de vrijwillige verzekering zou tot ongewenste consequenties leiden. Een ieder immers die in het buitenland in dienstbetrekking heeft gewerkt, is werknemer in de zin van de WWV. Hierdoor zou reeds voor vrijwel iedereen, vanaf de aanvang af, bij werkloosheid recht op uitkering ontstaan. In verband hiermee is bepaald dat de weken gelegen vóór de datum van invoering van de wet slechts mogen meetellen als de betrokkene als werknemer in de zin van de WW heeft gewerkt, in Nederlandse overheidsdienst heeft gewerkt of zijn militaire dienstplicht heeft vervuld. Voorts zijn als speciale groep opgenomen degenen die in het kader van de ontwikkelingssamenwerking als werknemer in de zin van de WWV hebben gewerkt. Opneming van deze laatste categorie houdt verband met de aparte status die deze groep werknemers inneemt. In de huidige situatie bestaat voor deze ontwikkelingswerkers, die veelal door de overheid zijn uitgezonden, recht op WWV-uitkering, een aanspraak waarmee zij rekening hebben gehouden toen zij in een ontwikkelingsland zijn gaan werken. Door de invoering van de nieuwe WW kunnen de WWV-aanspraken vervallen. Opneming in de vrijwillige verzekering met meetelling voor de referte-eis en de uitkeringsduur van weken gelegen vóór de invoering van de nieuwe wetgeving biedt de gelegenheid om de rechten van deze personen zonder onderbreking - zij het op een andere basis - te continueren.

 

Artikel 26 [30]

     Dit artikel regelt de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk III van de nieuwe WW.

 

Artikel 27 [31]

     Dit artikel regelt dat de wachtgeldfondsen, bedoeld in artikel 104 [102], respectievelijk het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel 105 [103] van de nieuwe WW, een voortzetting zijn van de wachtgeldfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in de WW.
     Deze bepaling voorkomt bijvoorbeeld dat de huidige fondsen eerst moeten worden opgeheven en daarna weer nieuwe fondsen moeten worden opgericht en zorgt ervoor dat de baten en lasten van de oude fondsen automatisch overgaan naar de nieuwe fondsen.

 

Artikel 28 [32]

     Aangezien de personen, bedoeld in artikel 6 [6] (de WWV-uitkeringsgerechtigden van 57,5 jaar of ouder), direct op de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW onder de toepassing van de nieuwe WW worden gebracht, moet voor hen bepaald worden van welke bedrijfsvereniging zij uitkering ontvangen. Dat gebeurt in dit artikel.
     Deze personen krijgen in beginsel uitkering van de bedrijfsvereniging waarvan zij de WW-uitkering ontvingen.
     Het tweede lid komt overeen met artikel 101 [99], tweede lid, van de nieuwe WW.
     Het derde lid heeft betrekking op de WWV-uitkeringsgerechtigde wiens uitkeringsrecht gebaseerd is op een dienstbetrekking in het buitenland.
     Het vierde lid schrijft voor dat het gemeentebestuur de werknemer, bedoeld in artikel 6 [6], dient aan te melden bij de bedrijfsvereniging. Dit draagt er mede toe bij dat de overgang van het uitkeringsregime van genoemde groep uitkeringsgerechtigden zo eenvoudig mogelijk verloopt. De overgang zal overigens nauwelijks extra werkzaamheden voor de bedrijfsverenigingen met zich brengen, aangezien de duur en de hoogte van de uitkering voor deze groep werknemers constant blijven. De
rblz.|21| bedrijfsvereniging heeft slechts enkele gegevens nodig. Te denken valt aan de laatste werkgever, het WWV-dagloon en voor de toepassing van de Toeslagenwet enkele gegevens zoals de gezinssamenstelling en inkomen die in het algemeen reeds aan de gemeenten bekend zullen zijn in verband met eerdere toepassing van de minimumdagloonregelen. Bovendien is de omvang van de groep waarover het hier gaat gering (plusminus 14 000 personen).
     In de regels die de
minister op grond van het vijfde lid bevoegd is te stellen, kunnen onder andere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de aanmelding door de gemeente bij de bedrijfsvereniging, mede in de vorm van een standaardformulier. Voor situaties waarin het niet duidelijk is bij welke bedrijfsvereniging de werknemer moet worden aangemeld, kunnen eveneens regels worden gesteld. Een tijdig regelen van situaties waarin onduidelijkheden bestaan, heeft geleid tot een delegatie bij ministeriële regeling.

 

Artikel 29 [33]

     Dit artikel bevat enige wijzigingen van de WWV die voortvloeien uit de nieuwe WW, de Toeslagenwet en de Iow.

     Onderdelen A [A] en C [E] betreffen de aanpassing van de WWV-uitkering van de categorie personen die reeds zijn genoemd in de toelichting op artikel 21 [24]. De personen die onder de vigeur van de WWV vallen, dienen immers hun aanspraak op verhoging van hun uitkering aan de WWV te ontlenen. In verband hiermee is voor hen alsnog een wijziging van de WWV gewenst.

     Onderdeel B [C] beoogt de werkingssfeer van de minimumdagloonregeling uit te breiden tot degenen die ongehuwd samenleven en wier samenlevingsvorm in hoge mate vergelijkbaar is met het huwelijk. Aangezien op deze personen, indien zij op of na 1 mei 1986 werkloos worden, de nieuwe WW en daarmee de Toeslagenwet van toepassing zijn, ligt het in de rede de zogenaamde lopende gevallen, voor wie de Toeslagenwet niet zal gelden, op gelijke wijze te behandelen. Dit artikel strekt daartoe voor de personen op wie de WWV van toepassing blijft na 1 mei 1986. Voor de personen op wie de WW van toepassing blijft, is een regeling getroffen in het derde lid [lees: vierde lid, red.] van artikel 4 [4]; zij kunnen een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontvangen.

     Onderdeel D [D] voorziet in een wijziging van artikel 19 met betrekking tot de overlijdensuitkering. Deze wijziging, die eveneens plaatsvindt in de overeenkomstige artikelen van de AAW, de WAO en de ZW, wordt aangebracht in verband met de gelijkstelling van niet-gehuwde personen met gehuwden als voorzien onder meer in de Wijzigingswet AOW. Zoals ook in de andere wetsvoorstellen gaat het om de gelijkstelling van personen die niet met elkaar zijn gehuwd, duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voeren en wier situatie feitelijk niet verschilt van die van gehuwden die niet duurzaam gescheiden leven.
     In zijn advies geeft de SVr aan in principe positief te staan tegenover een aanpassing van de bepalingen inzake de overlijdensuitkering in de ZW, de AAW en de WAO zoals hiervoor aangegeven.
     De SVr merkt voorts op dat een dergelijke aanpassing gelijktijdig een aanpassing van artikel 1639l van het Burgerlijk Wetboek vereist. Artikel 63, onderdeel B
[73,B], van dit wetsvoorstel voorziet in deze wijziging.

     Onderdeel E [G] bevat een wijziging van artikel 28a van de WWV, ertoe strekkend een verrekening van de WWV-uitkering met een uitkering op grond van de Iow op dezelfde wijze mogelijk te maken als thans geldt voor verrekening met bijstandsuitkeringen. Voorts is een nieuw tweede lid rblz.|22| toegevoegd, waarin om de op dat punt in de praktijk bestaande onduidelijkheid op te heffen, is bepaald dat bij de verrekening ook betrokken dient te worden de ten laste van de gemeente komende premie ingevolge de AAW, de AWBZ en de AKW.
     Een dergelijke bepaling is ook opgenomen in de
nieuwe WW en wel in artikel 37, tweede lid. Het nieuwe derde lid geeft, evenals in de overeenkomstige bepaling van de nieuwe WW, aan dat voor zover bij de verlening van bijstand al rekening is gehouden met de eventuele verlening van de uitkering, geen verrekening plaatsvindt.

     Onderdeel F [H] regelt het laten vervallen van hoofdstuk lllb van de WWV. Artikel 7 [7] regelt de overgang naar de Iow ten aanzien van degenen die op 30 april 1986 een uitkering ontvangen op grond van de interim-voorziening of die bij voortdurende werkloosheid daarop aanspraak zouden hebben kunnen maken.

 

Artikel 30 [34]

     Zoals in paragraaf 3.7.3 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW is uiteengezet, blijft de huidige dagloonsystematiek voor de werknemersverzekeringen voorlopig van kracht. Dit impliceert dat de in de WW opgenomen dagloonbepalingen, met uitzondering van die inzake het minimumdagloon, tijdelijk voor de toepassing van de nieuwe WW blijven gelden. Bij algemene maatregel van bestuur zal worden bepaald op welk tijdstip de nieuwe systematiek zal ingaan.

 

Artikel 31 [35]

     Het in dit artikel genoemde voorstel van wet is thans in behandeling bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal. De voorgestelde wijziging van de nieuwe WW is conform de wijziging die in dat wetsvoorstel met betrekking tot de WW is opgenomen.

 

Artikel 32 [36]

     Bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is in behandeling het wetsvoorstel houdende algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen (Kamerstukken II 1982-1983, 17 897). Niet vaststaat dat dit wetsvoorstel [lees: dat wetsvoorstel, red.] vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe WW tot wet zal zijn verheven en in werking zal zijn ingetreden. In de nieuwe WW, de Toeslagenwet en de Iow is een bepaling opgenomen die overeenkomt met de in dat wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van de WW en de WWV. Het is evenwel niet gewenst dat deze bepaling in werking treedt voordat de overeenkomstige wijziging met betrekking tot het beslag in de andere socialezekerheidswetten in werking treedt. Dit artikel voorkomt dat. Zolang genoemd wetsvoorstel niet in werking is getreden, zal de thans in artikel 24 van de WW voorkomende regeling ook voor de hiervoor genoemde wetten gelden.

 

Artikel 33 [37]

     In verband met de vervanging van de WW en de WWV door de nieuwe WW per 1 mei 1986 is besloten om gemeenten ter compensatie voor de vergoeding [lees: ter compensatie een vergoeding, red.] in de kosten van (her)onderzoek betreffende de WWV gedurende vier twaalfmaandelijkse perioden een uitkering te geven die geleidelijk vermindert. Hierbij is in de overweging betrokken dat per genoemde datum degenen die op dat moment uitkering op grond van de WWV hebben, c.q waarvan de aanvraag op dat moment in behandeling is, hun aanspraak op uitkering jegens de gemeenten zullen behouden, rblz.|23| zodat de gemeente, zij het tijdelijk, met de uitvoering blijft belast. Van de groep die onder de vigeur van de WWV blijft, worden echter uitgezonderd de uitkeringsgerechtigden die thans onder de interim-regeling voor 50-jarigen en ouderen (hoofdstuk IIIb WWV) vallen en de uitkeringsgerechtigden die thans onder de zogenaamde 57,5-jarigenregeling vallen.
     Eerstgenoemden zullen per 1 mei 1986 worden opgenomen in de Iow, terwijl laatstgenoemden zullen overgaan naar de door de bedrijfsverenigingen uitgevoerde nieuwe WW. Uitgangspunt voor de bepaling van de uitkering is het door het Rijk aanvaarde bedrag aan kosten van (her)onderzoek WWV voor alle gemeenten gezamenlijk over het jaar 1984. Dit bedrag van circa ƒ105 miljoen zal over de jaren 1986 tot en met 1990 als volgt worden verdeeld:
vanaf 1 mei 1986 tot 1 mei 1987 80%;
vanaf 1 mei 1987 tot 1 mei 1988 60%;
vanaf 1 mei 1988 tot 1 mei 1989 40%;
vanaf 1 mei 1989 tot 1 mei 1990 20%.
     Deze regeling heeft de vorm van een tijdelijke specifieke uitkering aan de gemeenten. Hierop is artikel 237b van de Gemeentewet van toepassing. Het in het derde lid van genoemd artikel voorgeschreven overleg met de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën heeft plaatsgevonden.
     Daarbij is vastgesteld dat de beschikbaarstelling van de met de regeling gemoeide gelden in de vorm van een specifieke uitkering wordt gerechtvaardigd op grond van het gestelde in het vierde lid, onderdeel a, van artikel 237b. Daaruit blijkt namelijk dat specifieke uitkeringen, die door de aard van het betrokken onderwerp een tijdelijk karakter hebben, toelaatbaar zijn.
     De regeling voldoet tevens aan de in het vijfde lid van artikel 237b gestelde eisen inzake vermelding van de geldigheidsduur, de uitkeringsvoorwaarden, de wijze van vaststelling van de uitkeringsbedragen per rechthebbende en de termijn waarbinnen en de instantie bij wie tegen de vaststelling van de uitkering nadere voorziening kan worden gevraagd.
     Aangezien ook de kosten van terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen op grond van artikel 40, onderdeel e, WWV behoren tot de uitvoeringskosten, zal voor deze kosten geen vergoeding meer plaatsvinden. Deze kosten zijn relatief beperkt in omvang (landelijk circa ƒ2 mln). Evenals de kosten van (her)onderzoek zullen de kosten van terugvordering begrepen zijn in de compensatie-uitkering voor de vergoeding in de kosten van onderzoek en kosten van terugvordering betreffende de WWV gedurende de hiervoor genoemde vier twaalfmaandelijkse perioden.
     Met betrekking tot de kosten van onderzoek WWV betreffende de artikelen 21, eerste lid, en 26, eerste lid, over de maanden januari tot en met april 1986 kunnen de gemeenten volgens artikel 40, onderdeel f, van de WWV declareren.
     Zoals reeds eerder gesteld, zullen de gemeenten met betrekking tot de aanvragen gedaan vóór 1 mei 1986, uitgezonderd die ten aanzien van degenen die vallen onder hoofdstuk IIIb WWV en de 57,5-jarigen, nog bij de uitvoering van de WWV betrokken blijven. Dit houdt in dat met betrekking tot de onderzoeken bij aanvraag en de heronderzoeken nog inspanningen van de gemeenten zullen worden gevraagd. In dit verband moge nog gewezen worden op het Besluit hercontrole WWV van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 augustus 1985, nr. SZ/WV/85/2621, waarin nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de in artikel 26 eerste lid, van de
WWV voorgeschreven heronderzoeken. Dit besluit was het resultaat van het streven naar een striktere uitvoering van de WWV en een eenvoudiger controle daarop. Als logisch uitvloeisel van dit streven is thans een bepaling opgenomen waarin wordt geregeld dat inzake de uitkering aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bevoegdheid wordt gegeven om de uitkering gedeeltelijk terug te vorderen indien blijkt dat door de gemeente niet of in onvoldoende mate is voldaan aan de verplichting tot het verrichten van heronderzoeken ex artikel 26, eerste lid, van de WWV. rblz.|24| Tevens is een bepaling opgenomen die voor gemeentebesturen die zich ter zake onjuist behandeld achten de mogelijkheid opent om binnen twee maanden na de datum van een desbetreffend besluit in beroep te komen bij de Kroon. Met betrekking tot de betaling van de uitkering is voorts bepaald dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid door middel van een ministerieel besluit nadere regels kan stellen.
     Overigens wordt verwezen naar de toelichting op artikel 57 [66].

 

Artikel 34 [38]

     Dit artikel stelt buiten twijfel dat de beslissingen die worden genomen en de uitkeringen die worden verstrekt op grond van dit hoofdstuk, worden beheerst door de bepalingen van de nieuwe WW. Dit geldt uiteraard niet voor de beslissingen en uitkeringen op grond van de WW en de WWV, zolang die wetten van toepassing blijven. Deze worden beheerst door de bepalingen van die wetten.

 

Artikel 35 [39]


Onderdeel A [A]

     In het huidige tweede deel van artikel 1 van de AAW is een definitie opgenomen van het begrip echtgenoot. Nu evenwel als onderdeel van de stelselherziening de uitkeringen krachtens de AAW volledig worden geïndividualiseerd, heeft definiëring van dit begrip in de toekomstige situatie geen zin meer. Deze bepaling kan derhalve komen te vervallen.


Onderdeel B [B]

     Artikel 3, tweede lid, wordt gewijzigd uit coördinatieoverwegingen. In de nieuwe WW is de overeenkomstige bepaling aangepast daar de woorden "ten opzichte van de bemanning" overbodig zijn.


Onderdelen C [C], D [D] en E [E]

     Artikel 10 van de AAW bevat de verschillende grondslagen waarop de uitkeringen ingevolge deze wet [lees: die wet, red.] zijn gebaseerd. Het verschil in deze grondslagen wordt veroorzaakt door het feit dat de hoogte daarvan afhankelijk is gesteld van het feit of men de financiële zorg voor anderen heeft, dan wel of men geacht werd wegens zijn leeftijd lagere financiële lasten te hebben. Gehuwden en ongehuwden met een kind beneden de 18 jaar ontvangen hierdoor in feite een toeslag op hun uitkering die, afhankelijk van de neveninkomsten of de inkomsten van de huwelijkspartner, op nettobasis 15 of 30% van het nettominimumloon bedraagt. De uitkering zonder deze toeslag bedraagt netto 70% van het nettominimumloon.
     Zoals in paragraaf 3.8 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW is uiteengezet, geeft het kabinet ter zake van de AAW-uitkeringen de voorkeur aan een regeling die bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer voor een ieder voorziet in een uitkering ter hoogte van 70% van het voor hem geldende relevante brutominimumloon. Voor de argumentatie hiervoor moge worden verwezen naar paragraaf 3.8.3 van eerdergenoemde memorie. Toeslagen op de uitkering behoeven niet langer te worden verleend op grond van de AAW, doch dienen evenals de toeslagen op de andere loondervingsuitkeringen te worden verleend op grond van de Toeslagenwet.
     In verband hiermee kan de regeling van de grondslagen als neergelegd in artikel 10 van de AAW sterk worden vereenvoudigd. Immers in hoofdzaak behoeft deze bepaling slechts te voorzien in een grondslag die voor iedereen bij volledige arbeidsongeschiktheid een uitkering oplevert die overeenkomt met 70% van het minimumloon. Artikel 10, eerste en tweede lid, regelt dit.
     Voor één categorie uitkeringsgerechtigden zijn evenwel nog afwijkende bepalingen nodig. Dit betreft namelijk degenen die in de periode aan hun arbeidsongeschiktheid voorafgaande wegens het verrichten van werkzaam heden gedurende minder dan de normale arbeidstijd minder verdienden dan het bedrag van de grondslag. Voor deze categorie geldt het bedrag van de eigen verdiensten als een voor hen geldende individuele grondslag.
rblz.|25| Deze situatie, die thans is geregeld in het vijfde lid van artikel 10, blijft gehandhaafd in het nieuwe derde en vierde lid van artikel 10. Nieuw is dat deze deeltijdwerkers, anders dan op grond van de AAW, na inwerkingtreding van de Toeslagenwet voor een toeslag in aanmerking kunnen komen.
     Het nieuwe vijfde lid van dit artikel beoogt de bedragen van de hierboven bedoelde individuele grondslagen aan te passen aan de periodieke herziening van het minimumloon. Volledigheidshalve wordt hierbij nog opgemerkt dat voor de overige grondslagen in de wet geen herzieningsbepalingen nodig zijn, omdat deze grondslagen automatisch zullen worden herzien als het minimumloon en het minimumjeugdloon worden herzien. Hiermee is tevens toegelicht hetgeen wordt voorgesteld in
onderdeel E [E]. Op grond van dit onderdeel vervallen de artikelen 11 en 11a van de AAW, welke artikelen voorzagen in de aanpassing van de grondslagen overeenkomstig de tot nu geldende netto-nettosystematiek.
     Met betrekking tot de in onderdeel C
[C] voorgestelde wijziging van artikel 6 wordt opgemerkt dat deze slechts het gevolg is van het niet meer gelden van de "hoge AAW-grondslag". Om aan de in artikel 6 opgenomen entree-eis voor het recht op uitkering te kunnen voldoen, dient een nieuwe maatstaf te worden gehanteerd. Deze is zo gekozen dat hij vrijwel overeenkomt met de huidige eis van 15% van de hoge grondslag per jaar. In het tweede lid van artikel 6 is tevens duidelijk tot uitdrukking gebracht dat voor de vaststelling van het voor de entree-eis relevante inkomen uitgegaan dient te worden van het minimumloon bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid. Hiermee wordt gevolg gegeven aan het advies van de SVr op dit punt. Vermelding verdient dat de "hoge AAW-grondslag" ook als maatstaf geldt voor een aantal uitvoeringsbesluiten van de AAW. Het zal derhalve nodig zijn deze uitvoeringsbesluiten bij de inwerkingtreding overeenkomstig te wijzigen.
     De vervanging van de door de minister te stellen regels in de bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, zoals is geschied in artikel 6, tiende en elfde lid, in onderdeel C
[C] en in artikel 10, zesde lid, in onderdeel D [D], houdt verband met het vermelde in punt 11 (toedeling bevoegdheden) van het nader rapport betreffende de nieuwe WW.
     Het laten vervallen van artikel 10a in onderdeel E
[E] houdt verband met het niet langer doen gelden van de hogere grondslagen.


Onderdeel F [F]

     In de in dit onderdeel voorgestelde wijziging van artikel 12, eerste lid, van de AAW wordt, wat betreft die wet, de reeds in de artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel inzake de nieuwe WW genoemde herziene staffeling van de uitkeringspercentages geëffectueerd. In de toelichting op artikel 49 van de nieuwe WW wordt één en ander uiteengezet. Zoals aldaar vermeld, vergt de gekozen systematiek in geval van samenloop van arbeidsongeschiktheid met werkloosheid een AAW-en WAO-uitkeringsniveau dat evenredig is met de mate van arbeidsongeschiktheid. In de huidige AAW en WAO zijn staffels van uitkeringspercentages opgenomen die geen evenredige werking hebben. Door deze niet-evenredigheid is een goede regeling van de samenloop met werkloosheidsuitkering niet mogelijk. Op dit punt is derhalve aanpassing van de AAW en WAO geboden.
     Onderstaand is de huidige staffel weergegeven, alsmede de uitkeringspercentages die uit een strikte evenredigheid voortvloeien.

Mate van arbeidsongeschiktheid Huidige staffel Evenredigheid
80-100% 70% 70%
65-80% 57% 0,725 x 70 = 50,75
55-65% 44% 0,6 x 70 = 42%
45-55% 35% 0,5 x 70 = 35%
35-45% 25% 0,4 x 70 = 28%
25-35% 17% 0,3 x 70 = 21%
15-25% x9% 0,2 x 70 = 14%

 
    
rblz.|26| In verband hiermee wordt thans voorgesteld de AAW- en WAO-uitkeringspercentages in vorenbedoelde zin te wijzigen.
     Tevens dient hierbij aandacht te worden geschonken aan het advies van de SVr op dit punt.
     De SVr heeft bezwaren tegen de voorgestelde staffel van de uitkeringspercentages bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Deze bezwaren richten zich met name tegen de wijze waarop tot deze staffel is gekomen en tegen de omstandigheid dat een groot gat dreigt te ontstaan tussen volledige en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Teneinde tot een evenwichtige opbouw van de staffeling te komen, stelt de SVr een herziening voor die in ieder geval voor de WAO zou moeten gelden. Een deel van de Svr is van mening dat deze herziening ook op de AAW van toepassing zou moeten zijn.
     In verband met de afschaffing van de verdiscontering in de AAW en WAO zal in veel meer gevallen sprake zijn van samenloop van arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsuitkeringen. Zonder nadere maatregelen zou op grote schaal een ongelijke behandeling ontstaan tussen situaties waarin sprake is van gedeeltelijke werkloosheid en gedeeltelijk werken enerzijds en situaties waarin sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijk werken anderzijds.
     Dit probleem wordt nog vergroot wanneer men bedenkt dat wordt beoogd het niveau van de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet en van de werkloosheidsuitkering wel in de tijd te verlagen. Reeds bij de voorbereiding van de wetsvoorstellen is onderzocht of het mogelijk was om de gesignaleerde onevenwichtigheid via de werkloosheidsregeling op te lossen. De rechtevenredigheid tussen de mate van werkloosheid en het niveau van de uitkering levert voor zo'n oplossing evenwel een belemmering op. Die rechtevenredigheid kan niet worden losgelaten.
     In aansluiting daarop is onderzocht of de gewenste evenwichtigheid via een aanpassing in de arbeidsongeschiktheidsregelingen kan worden verkregen. Dit bleek mogelijk door het uitkeringsniveau van de arbeidsongeschiktheidsregelingen evenredig te laten verlopen aan de mate van arbeidsongeschiktheid; daarmee wordt immers aangesloten op de reeds bestaande evenredigheid bij de werkloosheidsregelingen. Hiermee kon tevens de bestaande onevenwichtigheid worden beëindigd waarbij arbeidsongeschikten in de lagere klassen in een relatief nadelige positie verkeren en degenen in de hogere klassen in een relatief voordelige. Dit is mede van belang tegen de achtergrond van de verwachting dat bij het schrappen van de verdiscontering in de naaste toekomst het aandeel van de lagere klassen zal toenemen.
     Het gehanteerde uitgangspunt van strikte evenredigheid tussen uitkeringsniveau en mate van arbeidsongeschiktheid leidt ertoe dat een gat zal ontstaan tussen de uitkering bij een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van 65-80% en die bij volledige arbeidsongeschiktheid. In dit verband is nog overwogen de bestaande indeling in arbeidsongeschiktheidsklassen te herzien onderscheidenlijk uit te breiden. Hiermee zou de uitvoeringspraktijk echter onevenredig worden verzwaard. Daarom is afgezien van wijziging in deze richting.
     De SVr zoekt de oplossing in een andere opbouw van de staffeling. De uitkeringspercentages zijn daarbij afgestemd op het hoogste percentage van de arbeidsongeschiktheidsklassen met een afronding op tientallen naar boven. Nog afgezien van het feit dat deze staffeling tot niet onaanzienlijke lastenstijgingen zou kunnen leiden omdat dit bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid over de hele linie tot hogere uitkeringsniveaus leidt, geeft dit geen oplossing voor het probleem dat de aanleiding voor het voornemen tot herziening vormde. Deze optie leidt ertoe dat over de hele linie sprake zal zijn van een onevenwichtigheid tussen enerzijds gedeeltelijke werkloosheid en gedeeltelijk werken en anderzijds gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijk werken. Een dergelijke structurele ongelijkheid is ongewenst en past bovendien niet in een
rblz.|27| eventueel voor de langere termijn te overwegen verdere integratie van de loondervingsregeling bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.
     Gelet op het bovenstaande zien wij in de opmerkingen van de SVr geen aanleiding de door ons voorgestelde herziening van de staffeling aan te passen.
     In een overgangsbepaling (artikel 40 [45]) wordt voorgesteld om diegenen die op het moment van invoering van deze wet zijn ingedeeld in de klasse 65-80% en 55-65% (in welke klassen het uitkeringspercentage op dit moment bezien vanuit de evenredigheid onevenredig hoog is), zolang zij in die klassen blijven ingedeeld, niet te confronteren met een percentageverlaging. Voor de overige klassen betekent de voorgestelde nieuwe staffeling ofwel een gelijk (klasse 45-55%) ofwel een hoger uitkeringspercentage.


Onderdeel G [G]

     In artikel 12a van de AAW is geregeld dat indien beide echtgenoten recht hebben op de AAW-uitkering en de som van deze uitkeringen meer bedraagt dan 80% van de hoge grondslag (is netto gelijk aan nettominimumloon), er een evenredige korting van beide uitkeringen plaatsvindt.
     In de adviesaanvrage stelselherziening heeft het kabinet als zijn oordeel uitgesproken (paragraaf 7.3) dat in een stelsel zoals dat op langere termijn wordt beoogd een dergelijke anticumulatie uit een oogpunt van emancipatie niet past.
     In de adviesaanvraag werd er voorts op gewezen dat op termijn een stelsel met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsregelingen voor ogen staat dat voorziet in een in duur beperkte en qua hoogte aflopende WAO-uitkering, waarna een uitkering op sociaalminimumniveau volgt (tot het 65ste jaar) die uit de AAW zou worden verstrekt. Een structuur die direct vergelijkbaar is met de nieuwe WW, zoals die er op langere termijn uit zal moeten zien, dus inclusief tussenfase op minimumniveau tot het 65ste jaar.
     In de adviesaanvrage werd tot slot opgemerkt dat het kabinet het denkbaar achtte dat te zijner tijd met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsregelingen eenzelfde systeem zou worden toegepast als in de AOW, waarbij voor een leefeenheid de uitkering 2 x 50% van het minimumloon bedraagt. Een dergelijke gedachtengang zou zowel voor de AAW als voor de nieuwe werkloosheidsregeling - met name de tussenfase - gevolgd kunnen worden. Dit laatste is in ieder geval een zaak voor de langere termijn.
     Uit het SER-advies van juni 1984 dat [lees: blijkt dat, red.] die Raad deze anticumulatieregeling mede in het licht van deze langetermijnvisie heeft bezien. De leden die zich voor handhaving van de AAW als een volksverzekering hebben uitgesproken, oordelen verschillend over de handhaving van de hier bedoelde anticumulatieregeling.
     De leden benoemd door CNV, MHP, landbouw- en middenstandsorganisaties, alsmede vijf kroonleden, zijn van mening dat vanuit de AAW - evenals vanuit de overige volksverzekeringen AOW en AWW - niet meer dan het voor een leef- of gezinseenheid geldende sociaalminimuminkomen dient te worden toegekend. Naar hun mening houdt dit in dat in het geval van een huwelijk of samenlevingsverband beide partners aanspraak hebben op een AAW-uitkering, de som van deze uitkeringen beperkt dient te blijven tot 100% van de koppelingsgrondslag. Dit wordt bereikt door overeenkomstig de huidige anticumulatieregeling in deze situatie de uitkeringsrechten van beide partners naar evenredigheid van de individuele aanspraken te beperken. Het afschaffen van de huidige anticumulatieregeling acht dit deel uit financieel-economische overwegingen niet verantwoord.
     De werknemersleden benoemd door de FNV zijn van oordeel dat de huidige anticumulatieregeling niet dient te blijven gehandhaafd. Daarbij overweegt dit deel van de Raad dat het recht op een AAW-uitkering
rblz.|28| thans in algemene zin is gebaseerd op het uitgangspunt dat een verzekerde in het jaar voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid inkomen uit arbeid heeft gehad. Op grond van dit criterium van feitelijke inkomensderving ligt naar de mening van dit deel, evenals bij de werknemersverzekeringen, individualisering van de aanspraak op een AAW-uitkering voor de hand. Dit houdt in dat zowel bij de toekenning van de AAW-uitkering als bij de bepaling van de hoogte van deze uitkering de levens- en gezinsomstandigheden niet in aanmerking worden genomen; ongeacht de individuele omstandigheden ontvangt dat iedere verzekerde [lees: ontvangt iedere verzekerde, red.] die vóór het intreden van volledige arbeidsongeschiktheid in voltijd heeft gewerkt, na één jaar wachttijd een AAW-uitkering ter hoogte van 70% van de koppelingsgrondslag. Naar het dit deel van de Raad voorkomt, is, uitgaande van deze individualisering van aanspraken, de aansluiting tussen AAW en WAO minder gecompliceerd dan bij de huidige wetgeving.
     Opgemerkt zij nog dat een aantal kroonleden en de overige ondernemersleden van de SER zich op dit punt van een oordeel hebben onthouden.
     Los van de vraag wat op langere termijn zal dienen te gebeuren en ervan uitgaande dat de structuur van de uitkeringsregelingen bij werkloosheid en medisch-arbeidskundige arbeidsongeschiktheid niet gelijk is en ook na de totstandkoming van de geïntegreerde werkloosheidsregeling niet gelijk zal zijn, is er naar ons oordeel evenwel thans voldoende aanleiding de bestaande anticumulatieregeling te schrappen.
     Deze regeling staat immers de volledige individualisering van de AAW-uitkering in de weg. Het zou van een inconsistent beleid getuigen om op hetzelfde moment waarop de wet de toets op het inkomen op de echtgenoot voor de beoordeling van de hoogte van de uitkering komt te vervallen, de toets op een uitkering van diezelfde echtgenoot te laten bestaan.
     Wij zijn ons ervan bewust dat in feite hierdoor in een leefeenheid twee AAW-uitkeringen van maximaal 70% van het minimumloon naast elkaar kunnen bestaan. In de praktijk zal dit overigens weinig voorkomen.
     Uiteraard dient in de Toeslagenwet of in de uitvoeringsmaatregelen daarvan, waarin ook toeslagen ten behoeve van AAW-uitkeringsgerechtigden geregeld worden, te worden bepaald dat in een dergelijk geval geen toeslagen mogelijk zijn, maar dat ook AAW-uitkeringen gelden als inkomsten voor de vaststelling van de toeslag. Onderdeel G van artikel 35
[39,G] strekt ertoe de anticumulatieregeling ongedaan te maken. Opgemerkt zij nog dat de artikelen 12b en 12c indertijd zijn opgenomen om WAO-uiteringsgerechtigden die louter om budgettaire redenen of omdat zij als gehuwde vrouw ter zake van vóór 1 oktober 1975 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen recht op AAW-uitkering hadden, voor de toepassing van de anticumulatieregeling met AAW-gerechtigden gelijk te stellen.


Onderdeel H [H]

     Deze wijzigingen houden verband met de wijziging van de tekst van artikel 10 en betreffen geen inhoudelijke veranderingen.


Onderdeel I [I]

     Bij de Wet van 19 december 1984, Stb. 1984, 633, is het uitkeringspercentage voor de WAO bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer verlaagd van 80 naar 70. Omdat een overeenkomstige verlaging van de AAW-percentages wegens de netto-nettokoppeling voor de hoogte van de AAW-uitkeringen geen gevolgen had, is dit bij die gelegenheid om technische redenen achterwege gebleven. Nu ook voor de AAW de lagere percentages gaan gelden, dient het in artikel 34 voorkomende percentage overeenkomstig te worden aangepast.


Onderdeel J [J]

     Verwezen moge worden naar de toelichting op artikel 29, onderdeel D [33,D].


Onderdeel K [K]

     Artikel 48 van de AAW is aangepast aan artikel 36 van de nieuwe WW, waarin de terugvorderingsmogelijkheden van de bedrijfsvereniging met betrekking tot hetgeen onverschuldigd is betaald, zijn rblz.|29| opgenomen. Onderdeel b van het eerste lid is nieuw in verband met een gelijksoortig onderdeel in het eerste lid van artikel 36 van de nieuwe WW. Ook zijn de termijnen waarbinnen teruggevorderd kan worden zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. Voorts is wijziging van het eerste lid van artikel 48 nodig in verband met de invoering van de Toeslagenwet. Het is wenselijk dat de bedrijfsvereniging de bevoegdheid krijgt onverschuldigd betaalde AAW-uitkeringen ook te verrekenen met een toeslag.
     Artikel 48, derde lid, kan vervallen wegens het vervallen van de samenloopregeling in geval van AAW-uitkering verleend aan beide echtgenoten van artikel 12a.
     Het nieuwe vijfde lid van artikel 48 is opgenomen overeenkomstig artikel 36, tweede lid, van de nieuwe WW en artikel 18 [20], tweede lid, van de Toeslagenwet. Het maakt de verrekening mogelijk van vorderingen ter zake van ten onrechte betaalde uitkeringen tussen verschillende bedrijfsverenigingen. In dit wetsvoorstel zijn overeenkomstige wijzigingen opgenomen van de artikelen 57 van de WAO en 33 van de ZW.


Onderdeel L [L]

     Ook de wijziging van artikel 49, opgenomen in onderdeel L [L], is conform de tekst van de overeenkomstige bepaling in de nieuwe WW (artikel 37) en de Toeslagenwet (artikel 19 [21]). Nieuw is de invoeging van de Iow en de bepaling dat bij de verrekening ook betrokken dienen te worden de ten laste van de gemeente gekomen premies op grond van de AAW, de AWBZ en de AKW. Dit is expliciet opgenomen omdat hierover in de praktijk onduidelijkheid bestaat. Ook de in het derde lid opgenomen bepaling is nieuw. Zij voorziet erin dat niet wordt verrekend indien bij de verlening van de bijstand al rekening is gehouden met een eventuele verlening van de uitkering. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien bij de verlening van bijstand ermee rekening is gehouden dat de eventuele arbeidsongeschiktheidsuitkering vermoedelijk onder het niveau van de bijstandsuitkering zal komen te liggen en slechts daarop aanvullende bijstand is betaald.
     Ook in de WAO en de ZW worden de bestaande bepalingen in dit voorstel overeenkomstig gewijzigd.


Onderdelen M tot en met P [M-P]

     De in deze onderdelen opgenomen wijzigingen zijn van technische aard en vloeien voor het grootste deel voort uit het laten vervallen dan wel vernummeren van artikelen.


Onderdeel Q [Q]

     Artikel 97 is in zijn huidige vorm opgenomen in de AAW bij de Wet van 30 december 1983, Stb. 1983, 698. Deze bepaling strekt ertoe een tweetal categorieën van personen, te weten weduwen en een aantal uit het buitenland afkomstigen die wegens het vervallen van het minimumdagloon in de WAO de minimumbescherming verloren of dreigden te verliezen, een minimumbescherming op grond van de AAW te geven. Deze personen behoorden namelijk niet tot de kring van gerechtigden op grond van de AAW.
     Nu de minimumbescherming van uitkeringsgerechtigden niet langer vanuit de desbetreffende regeling zelf maar via de Toeslagenwet zal worden geregeld, is er geen noodzaak meer deze bepaling te handhaven.

 

Artikel 36 [40]


Onderdelen B tot en met E [B-E]

     De in deze onderdelen vervatte wijzigingen houden verband met de overeenkomstige bepalingen in de nieuwe WW. De wijzigingen in de artikelen 2, 3, 4 en 6 zijn aangebracht uit een oogpunt van duidelijker regelgeving. In artikel 3, eerste lid, is evenals in de nieuwe WW aangegeven dat werknemer is de natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar, waardoor beter dan in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, het werknemerschap is omlijnd. Dit onderdeel is dan ook vervallen.
    
rblz.|30| De toevoeging van "mede" in het eerste lid van artikel 4 geeft aan welke arbeidsverhoudingen naast de normale dienstbetrekking als dienstbetrekking worden beschouwd.


Onderdelen F [F] en I [I]

     De in deze onderdelen voorgestelde wijzigingen vloeien voort uit de vervanging van de WW door de nieuwe WW. Aangezien in de nieuwe WW de mogelijkheid tot het in aanmerking nemen van wachtdagen niet is opgenomen, kan de huidige bepaling van artikel 7, onderdeel b, vervallen.


Onderdelen G [G] en H [H]

     De wijzigingen in artikel 8 en 9 strekken ertoe duidelijker aan te geven wie werkgever is. In plaats van met "degene" wordt de werkgever aangeduid met natuurlijk persoon of lichaam, hetgeen de werkelijke situatie beter omschrijft. In vervolg daarop kan in artikel 9 worden aangegeven wie als werkgever wordt beschouwd.


Onderdeel J [J]

     Het tweede lid van artikel 12 is geschrapt daar het stellen van nadere regels niet noodzakelijk is gebleken.


Onderdeel K [K]

     Het wijzigen van het derde lid van artikel 13 houdt verband met de wijziging van de systematiek inzake de premieheffing voor de werknemersverzekeringen op grond van die wetten [lees: werknemersverzekeringswetten, red.]. In ditzelfde wetsvoorstel wordt een wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering voorgesteld die beoogt uitkeringen op grond van de ZW en de nieuwe WW als loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering aan te merken (artikel 59, onderdeel C [68,C] en D [68,D]). Deze uitkeringen vallen dan rechtstreeks onder het loonbegrip van het eerste lid van artikel 13 van de WAO.


Onderdeel L [L]

     Voor de toelichting op dit onderdeel moge worden verwezen naar de toelichting op artikel 35, onderdeel F [39,F]. Het betreft hier immers dezelfde wijziging van de WAO-staffeling als in genoemd onderdeel is voorgesteld met betrekking tot de AAW.


Onderdeel M [M]

     Het vervallen van de artikelen 10a, 11a en 12a van de AAW maakt de in dit onderdeel voorgestelde wijziging van artikel 46a noodzakelijk.


Onderdeel N [N]

     Verwezen moge worden naar de toelichting op artikel 29, onderdeel D [33,D].


Onderdelen O [O] en P [P]

     Verwezen moge worden naar de toelichting op artikel 35, onderdeel K [39,K] en L [39,L].


Onderdeel R [R]

     Onderdeel R [R] houdt verband met de wijziging van artikel 7 van de WAO.


Onderdeel S [S]

     In artikel 77 van de WAO is de bepaling opgenomen dat de WAO-premie is verschuldigd door de werkgever en dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een deel van de premie door de werknemer is verschuldigd. Sedert de invoering van de AAW is er een steeds grotere verschuiving in de premielasten voor de WAO tussen werkgever en werknemer opgetreden en is de premielast voor de WAO in de loop der jaren vrijwel uitsluitend bij de werknemer komen te liggen. In 1985 bedroeg het werknemersdeel van de premie 16% en het werkgeversdeel 0,15%.
     Zoals in paragraaf 5.4.2 van het algemeen deel van de toelichting op de nieuwe WW is gesteld en gemotiveerd, zal na invoering van de stelselherziening de WAO-premie geheel ten laste van de werknemer komen.


Onderdelen T tot en met W [T-W]

     Deze onderdelen betreffen de mogelijkheid tot opname in de vrijwillige WAO-verzekering van het huishoudelijk rblz.|31| personeel dat minder dan drie dagen per week werkzaam is. Zoals reeds in paragraaf 3.9 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW is uiteengezet, wordt de mogelijkheid tot vrijwillige WAO- en ZW-verzekering opgenomen in verband met de mogelijkheid tot toelating van deze groep personen tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering. Voorts is van de gelegenheid gebruikgemaakt om de bepalingen die de vrijwillige verzekering in de verschillende wetten regelen zoveel mogelijk eenzelfde inhoud te geven. De voorgestelde wijziging van artikel 81 strekt daartoe, alsmede de nieuwe artikelen 83 en 83a. Evenals in de nieuwe WW is de mogelijkheid voor personen die in een ontwikkelingsland werkzaamheden gaan verrichten om zich aan te melden voor de vrijwillige WAO-verzekering expliciet in het wetsvoorstel opgenomen. Eveneens in het wetsvoorstel is opgenomen bij welke bedrijfsvereniging aanmelding dient plaats te vinden. Het nieuwe artikel 83a voorziet daarin. Op dit moment is één en ander opgenomen in het SVr-besluit van 18 mei 1967, nr. 60 841.


Onderdelen X [X] en Y [Y]

     Onderdelen X [X] en Y [Y] vormen aanpassingen van technische aard in de artikelen 87 en 88, in verband met de wijziging van artikel 53 (overlijdensuitkering).

 

Artikel 37 [41]


Onderdelen A [A] en B [B]

     Deze wijzigingen zijn voorgesteld in verband met de reeds in de nieuwe WW voorgestelde herziening van de dagloonsystematiek.
     Zoals in paragraaf 3.7.3 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW is uiteengezet, wordt, hoewel in de bepalingen van de onderscheiden werknemersverzekeringen de gedachte tot uitdrukking is gebracht dat de uitkering gebaseerd dient te worden op de toekomstige verdiencapaciteit, de facto het dagloon vastgesteld op basis van de verdiensten in het verleden. Het arbeidsverleden biedt immers concretere aanknopingspunten voor de vaststelling van het dagloon dan de toekomst.
     Deze benaderingswijze geldt sinds jaren en is op praktische gronden gestoeld. Thans wordt in navolging van de nieuwe WW voorgesteld deze benaderingswijze ook in de WAO en de ZW tot uitdrukking te brengen. Op deze wijze wordt naar onze mening beter de equivalentiegedachte tot uitdrukking gebracht. Bovendien wordt aldus aangesloten bij het systeem van dagloonvaststelling in de ons omringende landen, die alle uitgaan van het in het verleden verdiende loon. Op deze systematiek van dagloonvaststelling is echter een aantal correcties nodig, teneinde het dagloon te zuiveren van elementen die onzekere trekken vertonen. Voor een meer uitvoerige argumentatie moge worden verwezen naar eerdergenoemde paragraaf 3.7.3.
     Bij de nieuwe WW is in principe uitgegaan van het in de laatste 26 weken voorafgaande aan de werkloosheid verdiende loon. Voor de WAO heeft altijd het jaar aan de arbeidsongeschiktheid voorafgaande als refertejaar gegolden. Het lijkt ons juist deze situatie te handhaven. Hierbij wordt opgemerkt dat dit refertejaar voor de dagloonvaststelling slechts een richtsnoer kan zijn. Het kan niet te allen tijde gelden als een absolute voorwaarde, omdat zich bijvoorbeeld de situatie kan voordoen dat de betrokkene nog geen jaar heeft gewerkt. Ook kan het mogelijk zijn dat een langere termijn een meer redelijke uitkomst biedt. Voorts kan in geval van vast loon een kortere periode praktischer zijn. De overgang naar het historisch dagloon neemt niet weg dat ook in de WAO een aantal beperkingen aangebracht dient te worden in de loonelementen die voor de vaststelling van het dagloon meegenomen dienen te worden. Voorkomen dient te worden dat het niveau van de uitkeringen een ongunstige invloed kan hebben op de reïntegratie in het arbeidsproces en afhankelijk is van een aantal toevallige omstandigheden.
    
rblz.|32| Het gaat dan om de volgende loonelementen met onzekere trekken, te weten loonelementen die niet:
- in de bedrijfstak gebruikelijk zijn;
- vast en gegarandeerd zijn;
- regelmatig verstrekt zijn.
     Uit oogpunt van rechtszekerheid wordt voorgesteld deze begrenzingen in de onderscheiden wetten neer te leggen. Uit de wet kan dan gelezen worden welke vereisten aan een loonelement worden gesteld om in aanmerking te kunnen worden genomen bij de dagloonvaststelling. De uitwerking van deze begrenzing zou - net als thans het geval is - opgenomen dienen te worden in de door de SVr vast te stellen dagloonregelen.
     In de dagloonregelen van de SVr zouden die elementen opgenomen kunnen worden die algemeen gebruikelijk zijn. Voorts wordt de mogelijkheid gegeven binnen de hiervoor geschetste uitgangspunten regels voor groepen van werknemers te stellen indien de aard van de beloning of het arbeidspatroon daartoe aanleiding geeft.
     Het gaat daarbij om loonelementen die binnen een bedrijfstak in aanmerking komen om in de dagloonvaststelling te worden betrokken. Daarbij zal het bijvoorbeeld kunnen gaan om loonelementen die weliswaar niet algemeen voorkomen, maar wel in de bedrijfstak of in een bepaald beroep in de bedrijfstak heel gebruikelijk zijn.
     Zoals reeds in de memorie van toelichting bij de nieuwe WW is vermeld, zal het vaststellen van nieuwe dagloonregels door de SVr en de bedrijfsverenigingen voor de ZW, de nieuwe WW en de WAO alsmede de daaraan verbonden goedkeuringsprocedures deze organen een veelheid aan werkzaamheden opleveren.
     Bovendien zal tussen de verschillende organen onderling en met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overleg moeten plaatsvinden over de nieuw ontworpen regels en zal toetsing daarvan moeten plaatsvinden aan de inhoud van de begrenzende criteria. In dit kader zal veelvuldig overleg nodig zijn om tot een gelijke interpretatie van de criteria te komen.
     Het is dan ook niet wenselijk - ook de SVr heeft hierop gewezen - om de datum van invoering van deze nieuwe dagloonsystematiek met de datum van invoering van de nieuwe WW te laten samenvallen.
     In verband hiermee is in de aanhef van artikel 37 [41] bepaald dat de daarin voorgestelde nieuwe dagloonsystematiek eerst op een later tijdstip, te bepalen bij algemene maatregel van bestuur, in werking zal treden.

 

Artikel 38 [42]

     Bij de Wet van 29 december 1982, Stb. 1982, 737, in werking getreden op 1 januari 1983, werd onder meer het minimumdagloon voor de WAO afgeschaft (op een later tijdstip vond dit plaats voor de reeds op 31 december 1982 lopende gevallen). Deze maatregel werd eerst op 1 januari 1984 effectief.
     Vanaf deze datum werd op grond van bovengenoemde wet het verschil tussen het minimumdagloon en het "eigen dagloon" van de WAO stapsgewijze overbrugd. Deze vermindering had geen gevolgen voor degenen die in aanmerking komen voor de "hoge AAW-grondslag". Op deze wijze werd de minimumbescherming door middel van de AAW geregeld. Voor een categorie uitkeringsgerechtigden, te weten de zogenaamde artikel-90-AAW-gevallen, diende evenwel een afwijkende regeling te worden gecreëerd, omdat de uitkeringen van deze groep niet ten laste konden worden gebracht van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds. Voor hen werd het minimumdagloon van de WAO gehandhaafd, terwijl hun recht op het minimumdagloon werd gebaseerd op een (fictief) recht op de "hoge AAW-grondslag". Materieel kwam daardoor deze groep in dezelfde positie als degenen die een AAW-uitkering gebaseerd op de "hoge grondslag" ontvingen. Nu deze "hoge grondslagen" komen te
rblz.|33| vervallen, is er geen aanleiding meer - en technisch gezien ook geen mogelijkheid meer - de hogere uitkeringen van deze groep te handhaven. Evenals de "echte AAW-gerechtigden" zal voor de [lees: Evenals voor de "echte AAW-gerechtigden" zal de, red.] eventuele aanvulling op de uitkering dienen plaats te vinden vanuit de Toeslagenwet. Artikel 38 [42] voorziet in het laten vervallen van de desbetreffende bepaling.

 

Artikel 39 [43]


Eerste lid

     Dit lid regelt de overgang naar het nieuwe stelsel van de Toeslagenwet voor uitkeringen aan AAW-gerechtigden wier uitkering was gebaseerd op de "hoge-" en "middengrondslag" en aan WAO-gerechtigden voor wie het minimumdagloon van de WAO nog van toepassing was. Naar aanleiding van het SVr-advies is bepaald dat de grondslagen en uitkeringspercentages tot de datum van overgang naar het nieuwe systeem op de oude voet worden gehandhaafd. Het kabinet acht het overigens niet nodig om ter zake van verschillen in de uitkeringen die ontstaan door wijziging van de koppelingsmethodiek een speciale overgangsregeling te treffen. Eerst bij de datum van overgang naar de nieuwe systematiek krijgt betrokkene ook met de nieuwe koppelingsgrondslag te maken.
     Voor de uitvoeringsorganen zal het niet mogelijk zijn al deze personen direct op de datum van overgang naar het nieuwe systeem van de Toeslagenwet over te brengen. In verband daarmee is gekozen voor een regeling die deze overgang over één jaar spreidt. De huidige bepalingen van de AAW voorzien voor degenen die voor een uitkering in aanmerking komen die is gebaseerd op de 
"hoge-" en "middengrondslag" in een herbeoordeling van het inkomen van eens in de drie jaar. Het tijdstip waarop deze herbeoordeling moet plaatsvinden, is vastgesteld bij Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 juni 1980, Stcrt. 1980, 133. Door in het eerste lid van artikel 39 [43] de periode terug te brengen tot één jaar wordt bereikt dat alle gevallen in de loop van het eerste jaar na het in werking treden van deze wet in het nieuwe systeem worden ingepast.


Tweede lid

     Het tweede lid betreft de personen die reeds in de toelichting op artikel 38 [42] ter sprake zijn gebracht, te weten de zogenaamde artikel-90-AAW-gevallen. Zij hebben in feite geen recht op AAW-uitkering, doch worden voor de beantwoording van de vraag of zij voor het minimumdagloon ingevolge de WAO in aanmerking kunnen worden gebracht, beoordeeld alsof zij een uitkering op grond van de "hoge AAW-grondslag" hadden ontvangen. De eerdergenoemde herbeoordeling dient derhalve ook voor hen plaats te vinden. Om evenwel zeker te stellen dat voor hen dezelfde overgangsregeling als voor de "echte AAW-gevallen" zal worden toegepast, is het tweede lid opgenomen.


Derde lid

     In de memorie van toelichting bij de Toeslagenwet is in paragraaf 1.2.2 vermeld dat ten opzichte van de te verlenen toeslagen de alleenstaande ouders met een minimumuitkering een te hoge uitkering ontvangen. Derhalve is in de Toeslagenwet voor deze categorie gekozen voor de 90%-norm. Een verlaging van reeds toegekende uitkeringen wordt in dit kader door het kabinet niet wenselijk geacht. In verband hiermee is ten aanzien van ongehuwde AAW-gerechtigden met kinderen, die reeds een uitkering ontvingen, in afwachting van de herstructurering van de AWW een speciale regeling voorgesteld waardoor hun een hogere toeslag ingevolge de Toeslagenwet kan worden toegekend. Deze in het derde lid van artikel 39 [43] opgenomen bepaling bereikt dit door hen tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen datum als gehuwd aan te merken.


Vierde lid

     Door de werking van het eerste en het tweede lid zullen de ten laste van het Toeslagenfonds komende kosten gemiddeld eerst een halfjaar later optreden dan zonder een dergelijke regeling was gebeurd.
    
rblz.|34| Het vierde lid beoogt dit ongewenste effect teniet te doen. Inzake de toedeling aan beide arbeidsongeschiktheidsfondsen van een vergoeding ten laste van het Toeslagenfonds is het SVr-advies gevolgd.


Vijfde lid

     Aangezien er voor de in dit artikel genoemde personen materieel in beginsel weinig zal veranderen, vindt een schriftelijke kennisgeving niet automatisch plaats. De belanghebbende kan echter om een schriftelijke kennisgeving verzoeken, die hem desgevraagd wordt verstrekt.

 

Artikel 40 [45]

     Dit artikel is opgenomen om voor die categorieën uitkeringsgerechtigden ingevolge de AAW en de WAO die thans al een uitkering ontvangen en voor wie de herziene staffeling, zoals voorgesteld in artikel 35, onderdeel F [39,F], en in artikel 36, onderdeel L [40,L], tot inkomensachteruitgang leidt, een regeling te treffen welke die inkomensachteruitgang moet voorkomen.
     De bepaling strekt ertoe dat voor deze groep personen het uitkeringspercentage dat op grond van de WAO voor hen gold, wordt gehandhaafd en dat het uitkeringspercentage voor de AAW gelijk zal zijn aan het gehandhaafde WAO-percentage. De wijziging in het AAW-percentage houdt verband met de wijziging van AAW-percentages conform de verlaging van het uitkeringspercentage van de WAO per 1 januari 1985.
     Ter vergelijking zijn hieronder opgenomen de AAW-percentages en de uitkeringsbedragen zoals die thans gelden en bij ongewijzigd beleid zullen gelden met en zonder de toepassing van de hier te treffen overgangsregelingen.

xxxxxxxxx Huidige AAW-staffel op basis van 80% de grondslag Huidige WAO-
staffel toegepast in AAW op basis van 70% van (verhoogde) grondslag
Brutokoppeling toegepast in AAW op basis van 70% van het minimumloon Herziening naar evenredigheid conform WAO-voorstel
Ao-klasse

x

Grondslag
ƒ81,85
Grondslag
ƒ93,54
Grondslag
ƒ91,39
Grondslag
ƒ91,39
Uitk.% Uitk.
perrdag
Uitk.% Uitk.
perrdag
Uitk.% Uitk.
perrdag
Uitk.% Uitk.
perrdag
x x (overgangsregeling) (structureel)
80-100% 80% ƒ65,48 70%xr ƒ65,48 70%xr ƒ63,97 70% ƒ63,97
65-80% 65% ƒ53,20 57%xr ƒ53,32 57%xr ƒ52,09 50,75% ƒ46,38
55-65% 50% ƒ40,93 44%xr ƒ41,16 44%xr ƒ40,21 42% ƒ38,38
45-55% 40% ƒ32,74 35%xr ƒ32,74 35%xr ƒ31,99 35% ƒ31,99
35-45% 30% ƒ24,56 26,5% ƒ24,79 26,5% ƒ24,22 28% ƒ25,59
25-35% 20% ƒ16,37 17,5% ƒ16,37 17,5% ƒ15,99 21% ƒ19,19

 
     Het moge duidelijk zijn dat de wijziging van de uitkeringen - die zowel voor degenen op wie de overgangsregeling van toepassing is als voor anderen - niet alleen veroorzaakt wordt door de veranderde percentages, maar tevens door het lager stellen van de grondslag. Dit laatste houdt verband met de voorgestelde wijzigingen in de koppelingssystematiek van de loondervingsuitkeringen op minimumniveau. Voor een uiteenzetting ter zake wordt verwezen naar paragraaf 3.8 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW.
     Overigens zij hierbij nog aangetekend dat het uitkeringsniveau van alleenstaanden vanaf 21 tot 27 jaar in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse volgens artikel 43 [48] tijdelijk zal worden verhoogd, teneinde te voorkomen dat het uitkeringsniveau bij loonderving onder het sociaal minimum zakt.

 

Artikel 41 [46]

     De huidige AAW kent voor uitkeringsgerechtigden van 18, 19 en 20 jaar grondslagen die zodanig zijn vastgesteld dat zij bij volledige rblz.|35| arbeidsongeschiktheid tot een uitkering leiden die respectievelijk 70%, 80% en 90% bedraagt van de uitkering van een uitkeringsgerechtigde van 22 jaar of ouder. Zoals in paragraaf 3.8.5 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW is opgemerkt, zijn de uit die grondslagen voortvloeiende uitkeringen voor jongeren aanzienlijk hoger dan vergelijkbare werkloosheidsuitkeringen.
     Aan deze ongelijke situatie komt een einde indien ook de AAW-uitkeringen worden afgeleid van het minimum(jeugd)loon.
     Zoals in de eerdergenoemde toelichting reeds is aangekondigd, wordt thans in artikel 41 [46] een overgangsmaatregel getroffen teneinde voor lopende gevallen inkomensachteruitgang te voorkomen. De inhoud van deze regeling is zodanig dat de op de datum vóór de inwerkingtreding van deze wet voor hen geldende, aan de verlaging van het uitkeringspercentage aangepaste (wegens de verlaging van AAW-percentages van 80% naar 70% vermenigvuldigd met 8/7) bedragen blijven gelden, tot het moment dat de volgens de nieuwe bepalingen voor hen geldende grondslag hoger is.

 

Artikel 42 [47]

     Deze bepaling is opgenomen om zeker te stellen dat voor degenen die vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet arbeidsongeschikt zijn geworden als inkomenseis voor toelating tot de uitkering geldt 260 x 15% van de bij de ingang van die arbeidsongeschiktheid geldende "hoge AAW-grondslag".

 

Artikel 43 [48]

     Evenals artikel 21 [24] dit voor de werkloosheidsuitkeringen doet, regelt dit artikel voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van jongeren van 21 tot 27 jaar de garantie van het relevante sociaal minimum.
     Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 21 [24].

 

Artikel 44 [49]

     In dit artikel is een overgangsbepaling opgenomen voor een beperkte categorie personen die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 8 van de AAW recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet. Het moet betreffen een op die dag tot uitbetaling komende AAW-uitkering.
     Indien als gevolg van het vervallen van de midden- en maximumgrondslag in de AAW het invaliditeitspensioen (op grond van een regeling voor overheidspersoneel) de AAW-uitkering overtreft, dan komt de AAW-uitkering in die gevallen niet meer tot uitbetaling. Zonder nadere regeling zou dan de Toeslagenwet geen toepassing kunnen vinden. De Toeslagenwet vereist namelijk dat er een tot uitbetaling komende uitkering krachtens de AAW moet zijn (artikel 1, onderdeel d, van die wet). Betrokkenen worden via de hier toegelichte bepaling onder de werkingssfeer van de Toeslagenwet gebracht.

 

Artikelen 45 tot en met 50 [51-59]

     De werknemer die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, heeft indien hij tevens gedeeltelijk werkloos is, recht op aanvullende werkloosheidsuitkering als hij voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid heeft voldaan aan de referte-eis. Dat is nu zo en dat zal na doorvoering van de stelselherziening in beginsel niet anders zijn. Wel moet worden verwacht dat na doorvoering van de voorgestelde afschaffing van de verdiscontering samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering en werkloosheidsuitkering meer zal voorkomen dan thans. De duur van de loondervingsuitkering bij werkloosheid is beperkt en de duur van de vervolguitkering bij werkloosheid eveneens. Dat betekent dat op termijn degene die gedeeltelijk arbeidsongeschikt rblz.|36| is en gedeeltelijk werkloos, aangewezen kan raken op aanvullende bijstand indien de resterende arbeidsongeschiktheidsuitkering ligt onder de voor betrokkene geldende bijstandsnorm. Indien hij daarvoor, gezien zijn leeftijd, in aanmerking komt, kan recht ontstaan op uitkering op grond van de voorgestelde Iow. Aldus wordt bereikt dat werklozen die tevens gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, wat hun werkloosheid betreft niet anders worden behandeld dan andere werklozen.
     Reeds in de adviesaanvrage over de stelselherziening aan de SER en aan de Emancipatieraad ging het kabinet ervan uit dat voor diegenen die op het moment van afschaffing van de verdiscontering recht hebben op arbeidsongeschiktheidsuitkering een overgangsregeling op haar plaats is. Die overgangsregeling is in de hier toegelichte artikelen vastgelegd.

 

Artikel 46 [52]

     De voorgestelde regeling gaat er - anders dan destijds in de adviesaanvrage werd voorgesteld, doch overeenkomstig hetgeen ter zake in de toelichting bij het wetsvoorstel strekkende tot afschaffing van de verdiscontering is gesteld en toegelicht - van uit dat de thans bestaande regeling van toepassing blijft op diegenen die op 30 april 1986 een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben en 35 jaar of ouder zijn. Hiermee is tevens tegemoetgekomen aan de opmerkingen van de SVr die in zijn advies opmerkt dat er alles aan moet worden gedaan om de onzekerheid die in het ter advisering voorgelegde conceptwetsvoorstel voor de categorie 30-tot-50-jarigen bestond zo snel mogelijk weg te nemen. Het handhaven van de thans geldende arbeidsongeschiktheidsbepalingen zal alleen gelden voor diegenen uit de categorie van 35 jaar of ouder die zijn ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse en voor zolang zij daarin blijven ingedeeld. Diegenen uit deze categorie die op het moment van inwerkingtreding van de Wijzigingswet AAW/WAO een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, zijn immers reeds beoordeeld op de aanwezigheid van een werkloosheidscomponent. Hierdoor kunnen de nieuwe bepalingen zonder problemen direct op hen van toepassing worden. Dit geldt eveneens ten aanzien van degenen die op genoemd moment zijn ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse en die op een gegeven moment met toepassing van de huidige bepalingen worden afgeschat.

 

Artikel 47 [53]

     Op grond van dit artikel hebben arbeidsongeschikten die in verband met het bepaalde in de Wijzigingswet AAW/WAO niet langer worden ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse, doch in een lagere, recht op een aanvullende uitkering. Hiermee is tevens recht gedaan aan het advies van de SVr, die van mening is dat voor een ieder wiens uitkering wordt verlaagd in verband met de wijziging van de arbeidsongeschiktheidsbepalingen recht moet bestaan op een aanvullende uitkering en niet alleen voor diegene wiens uitkering wordt verlaagd ten gevolge van de afschaffing van de verdisconteringsbepalingen. Tevens wordt in dit eerste lid bepaald dat het recht op een aanvullende uitkering ook bestaat voor degene die als gevolg van de wijziging van de arbeidsongeschiktheidsbepalingen zijn volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering kwijtraakt omdat de arbeidsongeschiktheid beneden de 15% is gedaald.
     Daarnaast moet hier worden vermeld dat alleen recht op de aanvullende uitkering bestaat als de zogenaamde afschatting plaatsvindt binnen twee jaar na inwerkingtreding van de Wijzigingswet AAW/WAO. In de hiervoor bedoelde periode van twee jaar wordt de arbeidsongeschiktheid van al diegenen die op 30 april 1986 arbeidsongeschikt zijn en jonger dan 35 jaar (opnieuw) beoordeeld.
    
rblz.|37| Het kan zich voordoen dat op grond van die beoordeling geen afschatting plaatsvindt, omdat er geen sprake is van restcapaciteit. Wordt na de hiervoor bedoelde periode van twee jaar bij een volgende beoordeling wel restcapaciteit geconstateerd, dan is er naar ons oordeel onvoldoende reden om de in dit artikel voorgestelde overgangsregeling op betrokkene toe te passen. Vaststaat dan immers dat betrokkene wat betreft zijn restcapaciteit moet worden aangemerkt als een "nieuw geval".
     De hier besproken beperking in de tijd heeft voorts tot gevolg dat de voorgestelde overgangsregeling in principe voor arbeidsongeschikten jonger dan 35 jaar vóór 1 mei 1993 geheel zal zijn uitgewerkt. Zonder een dergelijke beperkende voorwaarde zou de overgangsregeling nog tientallen jaren van betekenis blijven. Al die tijd zouden twee verschillende regimes naast elkaar van kracht blijven.
     In zijn advies is de SVr nader ingegaan op de voorgestelde overgangsregeling. In het ter advisering voorgelegde voorstel zou het recht op uitkering ingevolge de overgangsregeling slechts bestaan indien de afschatting plaatsvindt binnen één jaar na het inwerking treden van de Wijzigingswet AAW/WAO, waardoor volgens de SVr een grote druk wordt gelegd op de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD).
     In dit verband zij opgemerkt dat, nu de categorie die in aanmerking komt voor herbeoordeling is uitgebreid met de personen van 30 tot 35 jaar, de termijn voor herbeoordeling zoals hier wordt voorgesteld, is verlengd tot twee jaar.
     Bovendien wordt de mogelijkheid gecreëerd om via ministeriële regelgeving voor bepaalde categorieën van personen deze periode anders vast te stellen.
     Deze regelgeving zal in nauw overleg met de uitvoeringsorganen tot stand worden gebracht, zodat de herbeoordeling zo zorgvuldig mogelijk zal kunnen gebeuren. Indien noodzakelijk kan langs die weg tegemoet worden gekomen aan eventuele problemen bij de herbeoordeling.
     Recht op aanvullende uitkering bestaat alleen als betrokkene zijn restcapaciteit niet kan benutten en dus gedeeltelijk werkloos is, als hij voldoet aan de referte-eis en als zich niet één van de in artikel 19 van de nieuwe WW als uitsluitingsgronden omschreven omstandigheden voordoet (tweede lid).
     Met betrekking tot de referte-eis voor deze personen geldt uiteraard ook de overgangsregeling van artikel 11 [12] van deze wet.
     De aanvullende uitkering wijkt van de loondervingsuitkering ingevolge de nieuwe WW onder meer af doordat de maximale duur twee keer zo lang is of vijf jaar indien betrokkene al vijf jaar of langer arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving. De maximumduur wordt geregeld in het derde lid en het vierde lid. De regeling ter zake van de aanvullende uitkering wijkt voorts in zoverre af van de regeling ter zake van de werkloosheidsuitkeringen dat voor een recht op uitkering van langer dan een halfjaar niet de zogenaamde arbeidsverledeneis wordt gesteld. Wat het niveau betreft van de aanvullende uitkering worden de bepalingen ter zake van de loondervingsuitkering van de nieuwe WW van overeenkomstige toepassing verklaard (vijfde lid).
     Met betrekking tot de aanvullende uitkeringen heeft de SVr verder geconstateerd dat degenen die voorafgaande aan de ingetreden arbeidsongeschiktheid niet in dienstbetrekking hebben gewerkt (zelfstandigen, vroeggehandicapten) geen aanspraak kunnen maken op de overgangsregeling (verlenging van de duur van de loondervingsuitkering).
     Omdat voor deze categorie (tot 35 jaar) ook geldt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten gevolge van de te wijzigen arbeidsongeschiktheidsbepalingen kan worden verlaagd, is de SVr vooralsnog van mening dat ook deze categorie in aanmerking moet kunnen komen voor een overgangsregeling.
     Zoals reeds in de adviesaanvraag over het stelsel van sociale zekerheid van 25 mei 1983 staat vermeld, is het met name nodig een overgangsregeling te treffen voor degenen die als gevolg van de wijzigingen in de
rblz.|38| arbeidsongeschiktheidsbepalingen geen volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering meer ontvangen, maar zullen zijn aangewezen op een gedeeltelijke werkloosheidsuitkering en een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. De reden hiervoor is het verschil in uitkeringsduur voor werknemers bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Derhalve wordt voor deze personen een aanvullende uitkering voorgesteld.
     Diegenen die vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid niet in dienstbetrekking hebben gewerkt, hebben tot nu toe nimmer recht kunnen doen gelden op een uitkering ingevolge de werkloosheidswetten. Zij zijn aangewezen op de Algemene Bijstandswet of de daarop gebaseerde rijksgroepsregelingen. Deze uitkeringen duren in principe tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd door de belanghebbende. Voor hen ontbreekt derhalve de grond waarop destijds is besloten tot het treffen van een overgangsregeling, namelijk het verschil in uitkeringsduur tussen de arbeidsongeschiktheidswetten en de werkloosheidswetten. Na het in werking treden van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsbepalingen wordt dit niet anders. Wij zien derhalve geen aanleiding om voor deze categorie een aanvullende uitkering voor te stellen.

 

Artikel 48 [54]

     Na de aanvullende uitkering, geregeld in artikel 47 [53], bestaat bij voortdurende gedeeltelijke werkloosheid recht op een aanvullende vervolguitkering, die wat duur en niveau betreft overeenkomt met de vervolguitkering van de nieuwe WW. Om recht te hebben op deze aanvullende vervolguitkering moet wel zijn voldaan aan de arbeidsverledeneis, zoals die in de nieuwe WW wordt voorgesteld. Zie voor het overgangsrecht inzake de arbeidsverledeneis het voorgestelde artikel 18 [21], tweede lid.

 

Artikel 49 [55]

     In het eerste lid wordt een aantal bepalingen van de nieuwe WW van overeenkomstige toepassing verklaard. Het betreft hier onder meer de herleving van het uitkeringsrecht, de weigeringsgronden - ook wie recht heeft op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering is dus bijvoorbeeld gehouden passende arbeid te aanvaarden -, de betaling en het beroep.
     Het tweede lid regelt dat recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering recht op uitkering op grond van de nieuwe WW uitsluit. Het is niet nodig tevens te bepalen dat na afloop van de aanvullende uitkering geen recht op werkloosheidsuitkering ontstaat. Betrokkene zal op dat moment immers niet aan de referte-eis voldoen.
     Het vierde lid regelt dat de aanvullende uitkeringen ten laste komen van de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Aldus wordt - zoals ook in het algemeen deel van deze toelichting is opgemerkt - bereikt dat de verschuivingen in de verdeling van de premielast, die van de afschaffing van de verdiscontering het gevolg zullen zijn, over langere tijd worden gespreid.
     In zijn advies is de SVr nader ingegaan op de voorgestelde lastenverdeling.
     Een deel van de SVr is van mening dat de kosten van deze werkloosheidsuitkeringen ten laste van het werkloosheidsfonds dienen te komen en die van de vervolguitkeringen ten laste van de algemene middelen. Dit deel acht het onjuist dat een vermenging van kosten optreedt door deze bij de arbeidsongeschiktheidsfondsen te laten. Bovendien zal naar het oordeel van dit deel van de SVr de voorgestelde overgangsmaatregel ter zake van de afschaffing van de verdiscontering van werkloosheid in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen reeds de door het kabinet gewenste spreiding in de tijd van de verschuiving in de premielasten tot gevolg hebben.
    
rblz.|39| Het komt ons niet wenselijk voor de suggestie van dit deel van de SVr te volgen. Het schrappen van de verdisconteringsbepalingen leidt er bij de door het kabinet gehanteerde veronderstellingen toe dat er met betrekking tot nieuw toe te kennen uitkeringen een overheveling van lasten plaatsheeft van de arbeidsongeschiktheidsfondsen naar het werkloosheidsfonds van jaarlijks bijna ƒ0,8 mld. Wanneer daarenboven binnen enkele jaren een eenmalige lastenoverheveling uit hoofde van reeds ingegane uitkeringen zou plaatsvinden van rond ƒ1,0 mld die na een periode van vier à vijf jaar weer zou verdwijnen, dan ontstaan alles bijeen schokeffecten van een omvang die ongewenst is. Het kabinet acht zich in dit oordeel gesteund door de opvatting van de SER, die het, blijkens zijn advies van 29 juni 1984, wenselijk acht de verdeling van de financieringslasten over de verschillende groepen bijdrageplichtigen op korte termijn niet ingrijpend te wijzigen.
     Bij het becijferde bedrag van ƒ1 mld is rekening gehouden met de getroffen overgangsregeling waarbij arbeidsongeschikten vanaf 35 jaar niet aan herbeoordeling onderworpen zullen worden. Zonder deze bepaling zou het genoemde bedrag nog vele malen groter zijn.
     Anderzijds is het wel zo dat met de bepaling ten aanzien van de leeftijdscategorieën beneden 35 jaar - waarbij sprake is van een verdubbeling van de uitkeringstermijn met een maximum van vijf jaar - men in geval van overheveling langer wordt geconfronteerd met de uit de overgangsregeling voortvloeiende lastenverschuiving.

 

Artikel 50 [59]

     In principe heeft de persoon jonger dan 35 jaar die op de dag voorafgaande aan die waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt een WAO/AAW-uitkering had van 70% en deze verliest ten gevolge van het in werking treden van de Wijzigingswet AAW/WAO, recht op een aanvullende uitkering. Wel moet deze persoon nog voldoen aan een aantal (aanvullende) voorwaarden. In artikel 47 [53], tweede lid, wordt naar deze voorwaarden verwezen. Eén van deze (aanvullende) voorwaarden is bijvoorbeeld het voldoen aan de referte-eis. Op zich is het denkbaar dat iemand (net) niet voldoet aan deze (aanvullende) voorwaarden, terwijl het op zich alleen in ogenschouw nemende toch onredelijk zou zijn dat iemand daardoor geen recht heeft op een aanvullende uitkering. Enerzijds zou het een te gedetailleerde wetgeving vergen om deze mogelijke (uitzonderings)gevallen in de wet te regelen, anderzijds komen deze gevallen in het algemeen eerst naar boven in de uitvoeringspraktijk. Derhalve is ervoor gekozen deze gevallen eventueel nader te regelen in ministeriële regelgeving.
     Uitdrukkelijk is het niet de bedoeling om in deze regelen af te wijken van de (hoofd)voorwaarde voor het recht op een aanvullende uitkering als nader omschreven in artikel 47 [53], eerste lid.
     Omdat het derhalve de bedoeling is om op meer ondergeschikte punten zo nodig van de wet af te wijken, ligt regelgeving bij ministeriële regelgeving meer voor de hand dan bij algemene maatregel van bestuur.

 

Artikel 51 [60]

     In dit artikel wordt een aantal wijzigingen van de ZW voorgesteld.


Onderdelen B tot en met K [B-K]

     Verwezen moge worden naar de toelichting op artikel 36, onderdeel B tot en met K [40,B-K].


Onderdelen L [L] en M [M]

     Deze onderdelen behelzen het vervallen van de huidige artikelen 15, derde lid, en 16 in verband met het schrappen van de minimumdagloonbepalingen in de ZW. Verwezen moge worden naar hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze toelichting.

rblz.|40| 
Onderdelen N [N] en O [O]

     Verwezen moge worden naar de toelichting op artikel 35, onderdeel K [39,K] en L [39,L].


Onderdeel P [P]

     Verwezen moge worden naar de toelichting op artikel 29, onderdeel D [33,D].


Onderdelen S [S], T [T], V [V] en W [W]

     Deze wijzigingen betreffen onder meer de opneming in de kring van toe te laten personen voor de vrijwillige ziekengeldverzekering van bepaalde categorieën huishoudelijk personeel. Voor het overige moge worden verwezen naar de toelichting op artikel 36, onderdeel T tot en met W [40,T-W].


Onderdeel U [U]

     Deze wijziging betreft het laten vervallen van het huidige artikel 69. Dit artikel beoogde premieheffing over de uitkering op grond van de vrijwillige verzekering te voorkomen. Aangezien in deze wet wordt voorgesteld de premieheffing in de Coördinatiewet Sociale Verzekering te regelen, bestaat aan deze bepaling geen behoefte meer. Verwezen moge worden naar de toelichting op artikel 59 [68].

 

Artikel 52 [61]

     Zoals reeds is opgemerkt in paragraaf 3.7.7 [lees: 3.7.3, red.] van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW en voorts elders in deze memorie ook is aangegeven, zal de nieuwe dagloonsystematiek voor de werknemersverzekeringen eerst op een later tijdstip gaan gelden. Dit artikel, dat de overeenkomstige wijzigingen van de dagloonbepalingen voor de ZW regelt, zal dan ook gelijktijdig met de in de nieuwe WW opgenomen dagloonbepalingen (artikel 45) en de gewijzigde dagloonbepalingen van de WAO in werking treden.
     Afwijkend van de voorgestelde bepalingen in de nieuwe WW (26 weken) en de WAO (één jaar) wordt in de hier voorgestelde bepaling, overeenkomstig de bestaande regeling, in de regel uitgegaan van het loon gedurende de laatste dertien weken. Een dergelijke korte periode past het best bij het gegeven dat het bij ziekengeld in verreweg de meeste gevallen gaat om (zeer) kort lopende uitkeringen.
     Voorts is een bepaling opgenomen volgens welke het dagloon tijdens de uitkering kan worden gewijzigd wegens wijziging van het loon die zou zijn opgetreden indien de betrokkene niet ziek zou zijn geworden.
     In tegenstelling tot de WAO en de nieuwe WW volgt het dagloon in de ZW de ontwikkeling van de lonen in de bedrijfstak.

 

Artikelen 53 tot en met 55 [62-64]

     Zoals reeds diverse malen is uiteengezet, komen de minimumdagloonbepalingen in de werknemersverzekeringen te vervallen wegens het invoeren van de Toeslagenwet. Wat de overgang naar het nieuwe regime betreft, is voor de verschillende regelingen gekozen voor een op die regeling afgestemde systematiek. Wat de ZW betreft, is aangesloten bij het verschillend karakter dat de minimumdagloonbescherming respectievelijk gedurende de eerste zes weken van de ongeschiktheid tot werken en in de daarna liggende periode heeft. In verband hiermee is in artikel 53 [62] bepaald dat degene die op het moment van invoering van de Toeslagenwet nog geen zes weken ZW-uitkering heeft de aanspraak op het minimumdagloon behoudt tot die zes weken zijn verstreken. De groep die reeds langer dan zes weken arbeidsongeschikt is en derhalve reeds de toets om voor dat minimumdagloon in aanmerking te komen heeft doorstaan, behoudt het minimumdagloon zolang ter zake van hetzelfde ziektegeval recht op ziekengeld bestaat.
     In navolging van het advies van de SVr is in de tekst van artikel 54 [63] een bepaling opgenomen volgens welke perioden van ziekte die elkaar met
rblz.|41| onderbrekingen van minder dan één maand opvolgen, worden samengesteld voor de beoordeling of de betrokkene nog onder de minimumdagloonbepalingen blijft vallen. Deze bepaling is opgenomen naar analogie van de bepaling voor de berekening van de maximumuitkeringsduur zoals omschreven in artikel 29, vijfde lid, ZW. Artikel 55 [64] geeft aan wat voor de toepassing van de artikelen 53 [62] en 54 [63] onder minimumdagloon moet worden verstaan.

 

Artikel 56 [65]

     De in dit artikel voorgestelde wijzigingen van de Organisatiewet Sociale Verzekering strekken er vooral toe de voorgestelde Toeslagenwet - geen verzekering, doch een uit de algemene middelen gefinancierde sociale voorziening - en het bij die wet in te stellen Toeslagenfonds in de Organisatiewet Sociale Verzekering in te passen op de wijze waarop dat ook is geschied met de andere wetten en fondsen die onder de werking van de Organisatiewet Sociale Verzekering vallen.
     Mede naar aanleiding van het advies van de SVr wordt in de nieuwe WW voorgesteld het onderscheid tussen wachtgeld en werkloosheidsverzekering te laten vervallen. In verband hiermee hebben enkele aanpassingen in de Organisatiewet Sociale Verzekering plaatsgevonden.

 

Artikel 57 [66]

     In de paragrafen 3.13 en 5.8 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW is reeds stilgestaan bij de personele en financiële consequenties voor de gemeenten en de bedrijfsverenigingen die voortvloeien uit het voorstel om de uitvoering van de nieuwe WW (zowel de loondervingsuitkering als de vervolguitkering) en de Toeslagenwet te doen plaatsvinden door de bedrijfsverenigingen. Daar is ook ingegaan op de conclusies ter zake van de ambtelijke werkgroep die tot taak had de consequenties voor de uitvoering te inventariseren. Eén van de conclusies in de rapportage van genoemde werkgroep is dat aangezien de centrale overheid de voorgestelde wijzigingen in het stelsel van sociale zekerheid bepaalt, deze in ieder geval de voorwaarden moet creëren om de consequenties van deze wijzigingen voor de uitvoeringsorganen op te vangen.
     Wij delen deze conclusie van de werkgroep. Teneinde dit te onderstrepen, is in het onderhavige wetsvoorstel een aantal bepalingen opgenomen. Hierbij dient echter gelijktijdig te worden onderkend dat zowel de gewoonten als de bedrijfsverenigingen een autonome positie hebben waar het gaat om de uitvoering van de socialezekerheidsregelingen en in ieder geval de organisatie hiervan; binnen door de wetgever te stellen randvoorwaarden zijn zij verantwoordelijk voor een zorgvuldige uitvoering van de verschillende regelingen. Dit betekent dat de wetgever gelijktijdig terughoudend dient te zijn met het stellen van regelen ter zake.
     De consequenties voor de uitvoerders zijn vooral van personele en organisatorische aard.
     In de memorie van toelichting bij de nieuwe WW is reeds aangegeven dat de werkzaamheden voor een aanzienlijk aantal gemeenteambtenaren zullen wegvallen en dat de werkzaamheden voor de bedrijfsverenigingen zullen toenemen. Van belang in dit verband is vooral op welke wijze de personele gevolgen voor de gemeenten zoveel mogelijk kunnen worden opgevangen. In genoemde memorie van toelichting zijn reeds verschillende mogelijkheden aangegeven. Met betrekking tot de genoemde mogelijkheid om de extra arbeidsplaatsen die bij de bedrijfsverenigingen ontstaan zoveel mogelijk te laten bezetten door personeel afkomstig van de gemeentelijke sociale diensten (GSD's), hebben wij gemeend enige bepalingen in deze wet te moeten opnemen. Gelijktijdig dient naar ons oordeel op dit punt terughoudendheid te worden betracht teneinde recht te doen aan de autonome positie - en hiermee de verantwoordelijkheid -
rblz.|42| van bedrijfsverenigingen en gemeenten. Om deze reden zijn de bepalingen zo beperkt mogelijk.
     Artikel 57 [66] legt de betrokken instanties de inspanningsverplichting op om tot afspraken te komen dat zoveel mogelijk gemeenteambtenaren van wie de werkzaamheden als gevolg van de voorgestelde maatregelen wegvallen elders binnen het gemeentelijk apparaat of bij een andere gemeente kunnen worden ingepast dan wel bij de bedrijfsverenigingen in dienst kunnen treden. In deze afspraken zullen in ieder geval de volgende zaken moeten worden geregeld:
- de herplaatsing/overplaatsing van gemeenteambtenaren;
- een bezwaarprocedure tegen herplaatsing/overplaatsing voor individuele gevallen;
- het overgangsrecht, dat wil zeggen de rechten en aanspraken van de voor herplaatsing/overplaatsing in aanmerking komende gemeenteambtenaren met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en overige rechtspositionele aspecten.
     De SVr is bij brief van 9 juli 1985 door de eerste ondergetekende verzocht het initiatief te nemen om tot dergelijke afspraken te komen.
     Alleen indien betrokkenen niet in staat zijn tijdig te komen tot afspraken, zou ingrijpen door de centrale overheid nodig kunnen zijn. In het tweede lid wordt de mogelijkheid hiertoe gecreëerd.
     In de memorie van toelichting bij de nieuwe WW is eveneens aangegeven dat de personele gevolgen voor de gemeenten kunnen worden beperkt wanneer extra gemeentepersoneel wordt ingezet voor een betere uitvoering van de Algemene Bijstandswet en voor een beleidsintensivering op het terrein van misbruik en oneigenlijk gebruik in het kader van de Algemene Bijstandswet. Daar is geconstateerd dat het hierbij gaat om een afweging die in een ander verband moet plaatsvinden. Een concrete invulling van deze beleidsintensivering is in dit wetsvoorstel dan ook niet aan de orde.
     Tegen de achtergrond van het genoemde uitgangspunt dat de centrale overheid de voorwaarden moet creëren om de consequenties op te vangen, is het van belang dat een dergelijke beleidsintensivering kan worden gefinancierd uit de financiële ruimte die bij gemeenten ontstaat als gevolg van de stelselherziening. In de memorie van toelichting bij de nieuwe WW is hier nader op ingegaan.
     Over de financiële consequenties van de verschuiving in de uitvoering is advies gevraagd aan de Raad voor de gemeentefinanciën. Mede op basis van dit advies en zoals reeds aangegeven in het nader rapport bij de nieuwe WW is in artikel 33 [37] van het onderhavige voorstel een overgangsregeling in het kader van de WWV opgenomen. Door deze regeling, die bij genoemd artikel reeds is toegelicht, worden aan de gemeenten in de overgangsfase financiële middelen verschaft waardoor de gemeenten zich geleidelijk kunnen instellen op de nieuwe situatie.

 

Artikel 58 [67]

     In het voorstel van Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw), dat sedert 16 april 1982 bij het parlement in behandeling is, is in artikel 20, onderdeel A, een wijziging van artikel 2 van de Organisatiewet Sociale Verzekering voorgesteld. Aangezien deze bepaling in dit voorstel opnieuw wordt gewijzigd, is artikel 58 [67] opgenomen.

 

Artikel 59 [68]

     Op dit moment betalen WW-uitkeringsgerechtigden premie over hun uitkering voor de ZW en de WAO. Op hun uitkering wordt een vereveningsbijdrage ingehouden overeenkomende met het werknemersdeel van de premies voor de WW. Uitkeringsgerechtigden ingevolge de WWV betalen premie voor de WAO. Op hun uitkering wordt een vereveningsbijdrage ingehouden rblz.|43| overeenkomende met het werknemersdeel van de premie voor de ZW en de WW.
     Inmiddels is bij de Wet van 3 april 1985, Stb. 1985, 201, met ingang van 1 mei 1985 premieheffing voor de werknemersverzekeringen over ZW-uitkeringen ingevoerd, dus ook voor de ZW zelf.
     In de nieuwe WW wordt voorgesteld eveneens over werkloosheidsuitkeringen premie te gaan heffen. De wijze waarop de premieheffing over uitkeringen is geregeld, is echter verbrokkeld. In verband hiermee is van de gelegenheid gebruikgemaakt te kiezen voor een andere systematiek en wel door de ZW- en WW-uitkering en de daarop verleende toeslagen als loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering aan te merken. Om dit te bereiken, zal in artikel 3a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering de fictie moeten worden opgenomen dat de betrokkene tijdens de uitkering op grond van de verplichte uitkering geacht wordt in dienstbetrekking te staan tot de bedrijfsvereniging die de uitkering verstrekt.
     Immers op grond van artikel 4 is loon al hetgeen uit dienstbetrekking wordt ontvangen.
     Door deze fictie te beperken tot degenen die uitkering ontvangen op grond van de verplichte verzekering blijven uitkeringen op grond van de vrijwillige verzekering uitgezonderd van premieheffing.
     Voorts zijn de bepalingen van artikel 6 zodanig gewijzigd dat ZW- en WW-uitkering niet langer van het loonbegrip zijn uitgezonderd.
     De aanvullingen op ZW-, AAW- en WAO-uitkeringen, die bij de eerdergenoemde Wet van 3 april 1985 op grond van artikel 6, lid 1a, tot het loon zijn gaan behoren, worden op grond van de artikelen 4 en 6, eerste lid, onder het loon gebracht, terwijl lid 1a kan komen te vervallen. De onderdelen C tot en met E van artikel 59 [68,C-E] strekken ertoe de hiervoor toegelichte wijzigingen in de Coördinatiewet Sociale Verzekering aan te brengen.

 

Artikel 60 [69]

     In artikel 31, tweede lid, van de voorgestelde nieuwe WW is bepaald dat de bedrijfsvereniging bevoegd is op verzoek van de werknemer een voorschot te betalen indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op uitkering. Artikel 15 [17] van de voorgestelde Toeslagenwet regelt de bevoegdheid van de bedrijfsvereniging een voorschot te betalen op een nog niet vastgestelde toeslag.
     Door toepassing van deze voorschotmogelijkheid kan worden voorkomen dat betrokkenen in afwachting van de vaststelling van het recht op uitkering een beroep op bijstand moeten doen.
     Indien de bedrijfsvereniging vervolgens vaststelt dat geen recht op een uitkering bestaat, is zij bevoegd tot terugvordering van het onverschuldigd verleende voorschot. Wanneer de bedrijfsvereniging daartoe overgaat, kan er - bij het ontbreken van andere bestaansmiddelen - aanleiding zijn tot bijstandverlening over genoemd tijdvak. Het voorschot dat wordt teruggevorderd, diende immers het oogmerk te voorzien in de kosten van het bestaan. Gelet daarop en de jurisprudentie aangaande bijstand voor schulden staat het latere tijdstip van de formele aanvrage bijstandverlening over die periode niet in de weg.
     Voor zover met betrekking tot de periode waarover het voorschot werd verstrekt bijstand wordt verleend, kan deze krachtens dit artikel ter verrekening met dat voorschot worden betaald aan de bedrijfsvereniging. Soortgelijke verrekeningsbepalingen zijn opgenomen in de nieuwe WW en Toeslagenwet. Overeenkomstig genoemde bepalingen kan op grond van dit artikel betaling aan de bedrijfsvereniging van te verrekenen bijstand plaatsvinden zonder machtiging van de rechthebbende. Dit artikel vindt geen toepassing indien het voorschot uitsluitend betrekking had op een toeslag krachtens de Toeslagenwet, evenmin is dit artikel van toepassing ingeval een voorschot werd verleend in afwachting van de vaststelling van de hoogte van de WW-uitkering, zonder dat het recht op
rblz.|44| uitkering als zodanig onzeker is. In beide gevallen is bijstandverlening over de voorschotperiode niet aan de orde, aangezien met de vastgestelde werkloosheidsuitkering, al dan niet in combinatie met een toeslag, in het bestaan wordt voorzien. Een eventueel onverschuldigd deel van het voorschot kan met deze uitkering(en) worden verrekend.
     Dit geldt eveneens indien de uitkering lager wordt vastgesteld dan het verstrekte voorschot, met name vanwege toepassing van een sanctie. Hoewel bijstandverlening in dergelijke situaties niet bij voorbaat is uitgesloten, moet worden voorkomen dat een sanctie door het toekennen van bijstand nodeloos wordt ontkracht.
     Het College Algemene Bijstandswet heeft op 23 december 1985 positief op dit wetsvoorstel geadviseerd. Het College wijst daarbij op technische problemen die zich bij de verrekening met de bedrijfsvereniging met betrekking tot de inhouding van loonbelasting en premieheffing sociale verzekeringen kunnen voordoen. Hiervoor zal echter een regeling worden getroffen analoog aan die welke thans geldt in de omgekeerde situatie, namelijk bij uitbetaling door de bedrijfsvereniging van socialeverzekeringsuitkeringen aan de gemeente ter verrekening met verleende bijstand.

 

Artikelen 61 [70] en 62 [71]

     De totstandkoming van een aantal nieuwe wetten in het kader van de stelselherziening sociale zekerheid noopt tot een aantal aanpassingen in het Bijstandsbesluit landelijke normering (BIn). Dit betreft een tweetal aangelegenheden:
1. Uitbreiding van het begrip gezinsbijstand zoals voorgesteld in het nieuwe artikel 5a van de Algemene Bijstandswet.
2. Harmonisatie van de vrijlatingsbepalingen ter zake van inkomsten uit arbeid met die in de voorgestelde Toeslagenwet en de voorgestelde Iow.
     In de begripsomschrijving van artikel 1 is nader bepaald dat als echtpaar niet alleen wordt aangemerkt degenen die als echtelieden in gezinsverband leven, maar ook degenen die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren en van wie de situatie ook overigens niet feitelijk verschilt van die van gehuwde partners.
     Deze begripsomschrijving houdt tevens in dat degene die wettig gehuwd is maar duurzaam gescheiden leeft van zijn of haar wettige echtgenoot als eenoudergezin of alleenstaande wordt beschouwd, tenzij sprake is van een andere partner met wie de situatie niet feitelijk verschilt van die van gehuwde partners.
     Door in de begripsomschrijving van eenoudergezin en van alleenstaande op te nemen dat geen sprake is van een gezinsverband wordt een duidelijke scheiding aangebracht tussen de verschillende uitkeringscategorieën van het Bln, namelijk enerzijds de echtparen en zij die daarmee gelijkgesteld worden en anderzijds de eenoudergezinnen en de alleenstaanden.
     De hier gebruikte begripsomschrijving hanteert dezelfde begrippen als tot dusverre in het Bln gebruikt en komt voorts naar de inhoud overeen met de uitkeringscategorieën van de Toeslagenwet. In de Toeslagenwet wordt echter niet gesproken van het echtpaar als in het gezinsverband levende echtgenoten of van een eenoudergezin, maar van gehuwden en alleenstaanden, al dan niet met kinderen. Dit onderscheid in terminologie is echter zinvol omdat in de Toeslagenwet altijd sprake is van de uitkeringsgerechtigde die al dan niet recht heeft op een toeslag, terwijl in de bijstand in voorkomende gevallen sprake is van gezinsbijstand.
     Een tweede wijziging betreft de vrijlating van inkomsten uit arbeid.
     De vrijlatingsbepalingen zoals deze sinds 1 januari 1983 gelden, houden onder meer in dat alle inkomsten uit arbeid op dezelfde manier worden behandeld. Het voordien geldende onderscheid tussen hoofd- en
rblz.|45| nevenverdiensten kwam daarmee te vervallen. Tot deze aanpassing werd destijds besloten omdat in de praktijk dit onderscheid niet goed te hanteren bleek. Met de vrijlating van arbeidsinkomsten wordt beoogd een stimulans te creëren om, door middel van het verwerven van inkomsten uit arbeid, zoveel mogelijk in eigen bestaan te voorzien. De vrijlating geldt voor een periode van twee jaar.
     Het oorspronkelijke voornemen van het kabinet zoals was opgenomen in het voorstel dat ter advisering is voorgelegd aan onder andere het College Algemene Bijstandswet was om zowel in de Toeslagenwet, de Iow als in het Bln de vrijlating alleen te laten gelden voor arbeidsinkomsten uit nieuw werk. Het College Algemene Bijstandswet wijst in zijn advies van 23 augustus 1985 dit voornemen af. Het College is van mening dat in zo'n opzet bij het beleid dat gericht is op deelname van de cliënt aan het arbeidsproces verschil zou worden gemaakt tussen bestaande en nieuwe werkzaamheden. Bij nieuwe werkzaamheden wordt, aldus het College, niet alleen de voorwaarde gesteld dat men zich ter beschikking stelt van de arbeidsmarkt, maar wordt tevens de stimulerende werking van de vrijlatingsbepalingen als instrument gebruikt. Bij bestaand werk zou alleen het instrument van het stellen van voorwaarden worden toegepast. Dit verschil in benadering is naar het oordeel van het College onjuist. In beide situaties doet zich immers het probleem voor dat het, door het complementaire karakter van de bijstand, zonder toepassing van de vrijlatingsbepalingen voor de cliënt uit financieel oogpunt geen verschil maakt of hij de werkzaamheden verricht of niet.
     Verder had het aanvankelijke voorstel van het kabinet volgens het College een extra ontmoedigende werking op de arbeidsdeelname van partners van bijstandsgerechtigden. Wanneer één van beiden een beroep moet doen op bijstand, worden eventuele inkomsten uit arbeid van de ander volledig in mindering gebracht op de uitkering, terwijl zij volgens de huidige systematiek gedeeltelijk worden vrijgelaten.
     Ten slotte wijst het College erop dat de voorgestelde vrijlatingsregeling een extra fraudegevoelig element toevoegt aan de Algemene Bijstandswet.
     Mede gelet op dit en - met betrekking tot de Toeslagenwet en de
Iow - andere adviezen hebben wij gemeend op ons oorspronkelijke standpunt te moeten terugkomen. De vrijlatingsregeling in het Bln blijft dan ook ongewijzigd.
     Hierop is één uitzondering. Indien tijdens het voorliggende traject een overeenkomstige vrijlating gold en de maximumduur daarvan (twee jaar) nog niet is verstreken, geldt deze vrijlating in het kader van de bijstand alleen voor het nog resterende deel van die twee jaar. Wel bestaat de mogelijkheid, gelet op het vijfde lid van artikel 11, deze periode te verlengen indien als gevolg van de in de persoon en het gezin gelegen belemmeringen niet volledig in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan worden voorzien.
     Een andere wijziging betreft een herziening van artikel 18. Dit artikel is de enige plaats in het Bln waar binnen het kader van de gezinsbijstand sprake was van een ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen. Hoewel dit artikel nauwelijks betekenis meer heeft, gezien de bekostigingsbepalingen in de Wet op de bejaardenoorden, wordt toch een aangepaste redactie voorgesteld.
     Voorts is een technische verbetering opgenomen van artikel 9a, gelet op de nieuwe redactie van artikel 10 in het kader van de op 1 juni 1985 ingevoerde woningdelersnorm.
     In artikel 62 [71] worden de begripsomschrijvingen van echtpaar, eenoudergezin en alleenstaande in artikel 1 van het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria in overeenstemming gebracht met die in het Bln

 

Artikel 63 [73]

     In dit artikel wordt in onderdeel A [A] wijziging voorgesteld van artikel 1638c van het Burgerlijk Wetboek. Deze wijziging houdt verband met het rblz.|46| vervallen van de recentelijk in de ZW ingevoerde minimumdagloonregeling. De voorgestelde Toeslagenwet komt voor die regeling in de plaats, zij het dat over de eerste zes weken van ziekte geen recht op toeslag bestaat. Zonder nadere voorziening zou dit er in een aantal gevallen toe leiden dat de eerste zes weken van ziekte niet een tot het sociaal minimum reikend inkomen beschikbaar zou zijn. Dit artikel beoogt dit te voorkomen, doordat vanaf de inwerkingtreding van deze invoeringswet op grond van artikel 1638c Burgerlijk Wetboek zal gelden dat de werkgever over in ieder geval de eerste zes weken van ziekte ten minste het voor de werknemer geldende minimumloon moet doorbetalen. Van deze verplichting zal niet bij (schriftelijke) overeenkomst kunnen worden afgeweken.
     De Emancipatieraad [ER, red.] gaat in zijn advies van 23 oktober 1985 in op de positie van deeltijdwerkers tijdens de eerste zes weken van ziekte. De ER komt tot de conclusie dat gedurende de eerste zes weken van ziekte de werkgever niet in alle gevallen op grond van de voorgestelde herziening van artikel 1638c van het Burgerlijk Wetboek gehouden is minstens een bedrag gelijk aan het minimumloon te betalen. De ER adviseert de voorgestelde aanpassing van artikel 1638c in die zin te wijzigen dat dit artikel eenzelfde garantie biedt als die op grond van de voorgestelde Toeslagenwet. Naar ons oordeel verdient het geen aanbeveling het advies van de Raad te volgen. Dit zou betekenen dat de loonbetalingsverplichting in hoogte afhankelijk zou worden van persoonlijke omstandigheden als woonsituatie en eventueel partnerinkomen. Zulks komt ons niet wenselijk voor.
     Onderdeel B [B] voorziet in een wijziging van artikel 1639l van het Burgerlijk Wetboek. De verplichting van de werkgever om in geval van overlijden van de werknemer een uitkering te verlenen aan nabestaanden, genoemd in het derde lid, wordt aangepast. Deze aanpassing houdt verband met de eerdergenoemde wijziging in de
WWV, AAW, WAO en ZW van de bepaling inzake de overlijdensuitkering; in het advies van de SVr is hierop gewezen. De groep nabestaanden wordt uitgebreid met de groep personen die op grond van de bepalingen van genoemde socialezekerheidswetten met de echtgenoot worden gelijkgesteld.

 

Artikelen 64 [74] en 65 [75]

     Op grond van artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en artikel 17 van de Wet op de loonbelasting 1964 worden uitkeringen op grond van de WW voor de toepassing van deze artikelen gelijkgesteld met inkomsten uit tegenwoordige arbeid c.q. loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Dit impliceert dat voor de aftrekbare kosten die betrekking hebben op deze uitkeringen die een looptijd hebben van maximaal een halfjaar, mag worden uitgegaan van de zogenaamde 4%-regeling in plaats van de vaste kostenaftrek van ƒ200,-. Uitkeringen ingevolge de WWV - die volgen op de werkloosheidsuitkeringen - vormen daarentegen loon uit vroegere dienstbetrekking zodat hiervoor de vaste kostenaftrek van ƒ200,- geldt. In beide gevallen zijn overigens de werkelijke kosten aftrekbaar indien deze meer belopen dan 4% van het loon c.q. ƒ200,-.
     Zonder nadere voorziening zou het integreren van de huidige WW en de huidige WWV tot één nieuwe WW betekenen dat de werkloze werknemer gedurende de gehele looptijd van de uitkering ingevolge deze wet [lees: die wet, wet, red.] recht zou krijgen op de kostenaftrek van 4%. Naar mag worden aangenomen, zullen de werkelijke aftrekbare kosten voor een werkloze werknemer in veel gevallen minder bedragen dan de uitkomst van de 4%-regeling, zeker als het gaat om langdurige werkloosheid. Dan immers ontstaat een steeds verder verwijderd verband met de vroegere dienstbetrekking. Tegen handhaven van de huidige situatie, dus het gedurende het eerste
halfjaar van de werkloosheid toepassen van de rblz.|47| 4%-regeling en voor de resterende duur van de werkloosheid een vaste kostenaftrek van ƒ200,-, bestaan voorts uitvoeringstechnische bezwaren. In verband hiermee wordt voorgesteld om de gelijkstelling van uitkering ingevolge de WW met inkomsten uit tegenwoordige arbeid c.q. met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking te laten vervallen. Hiermee wordt bereikt dat voor uitkeringen ingevolge de nieuwe WW een uniform regime in de vorm van de vaste kostenaftrek van ƒ200,- gaat gelden. Indien de werkelijke kosten meer belopen dan ƒ200,-, zullen uiteraard, overeenkomstig de bestaande systematiek, de werkelijke kosten aftrekbaar zijn.
     Ten slotte zij opgemerkt dat deze wijziging in de tabeltoepassing een meeropbrengst van circa ƒ15 mln zal opleveren, die uiteraard aan de belastingopbrengst zal worden toegevoegd.

 

Artikel 66 [76]


Onderdeel A [A]

     De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen verleent aan dienstplichtige militairen en daarmede gelijkgestelden die arbeidsongeschikt zijn op de dag waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt, dezelfde aanspraken op ziekengeld en arbeidsongeschiktheidsuitkering als verzekerden ingevolge de ZW en de WAO. Aanspraken ter zake van die arbeidsongeschiktheid krachtens andere wettelijke regelingen prevaleren echter.
     In de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen zijn de bepalingen van de ZW en de WAO van overeenkomstige toepassing verklaard. Na inwerkingtreding van de Invoeringswet stelselherziening zullen de daarin voorgestelde wijzigingen van de ZW en de WAO dus ook van toepassing zijn op de uitkeringsgerechtigden ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen. Door de in dit onderdeel voorgestelde wijziging wordt bereikt dat ook het in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen overgangsrecht met betrekking tot de daarin voorgestelde wijzigingen van de ZW en de WAO van overeenkomstige toepassing is op de uitkeringsgerechtigden ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen.


Onderdeel B [B]

     Dit betreft een redactionele wijziging. Het bestaande artikel 9 bevat nog een verwijzing naar het derde en vierde lid van artikel 57 van de WAO. Dat heeft geen betekenis meer omdat die leden bij Wet van 8 september 1976, Stb. 1976, 473, zijn vervallen met ingang van 1 oktober 1976.

 

Artikel 67 [77]

     In het voorstel van Wet op de studiefinanciering welke met koninklijke boodschap van 23 augustus 1985 bij het parlement is ingediend, is met betrekking tot de gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving die op dit punt in de Algemene Bijstandswet wordt gehanteerd. Nu als onderdeel van de stelselherziening wordt voorgesteld deze begripsomschrijving te wijzigen, is het wenselijk de bepalingen ter zake in de studiefinancieringsregeling op overeenkomstige wijze aan te passen.

 

Artikel 68 tot en met 70 [78-80]

     In de artikelen 67 [77] en 68 [78] wordt een aantal technische kwesties geregeld. Het gaat hierbij om de melding van de Staatsbladnummers van de verschillende wetsvoorstellen indien deze tot wet zijn verheven en de juiste nummering van artikelen van deze wetten in de Invoeringswet stelselherziening. Artikel 69 [79] biedt de mogelijkheid ter wille van de uitvoering van deze wet ministeriële regels te stellen.

rblz.|48| 

Artikel 71 [81]

     Artikel 71 [81], eerste lid, bepaalt dat het tijdstip van inwerkingtreding van de verschillende wetsvoorstellen bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, met uitzondering van artikel 36, onderdeel S [40,S], van de Invoeringswet stelselherziening.
     Daar wijziging van premieverdeling niet in de loop van het jaar kan plaatsvinden, is in het tweede lid de inwerkingtreding van artikel 36, onderdeel S [40,S], vastgesteld op 1 januari 1987. De SVr wijst in zijn advies op de zeer omvangrijke administratief-technische consequenties van de stelselherziening en acht de daarvoor toegemeten voorbereidingstijd ontoelaatbaar kort. De SVr is daarbij uitgegaan van de voorziene inwerkingtreding per 1 mei 1986. Wij menen thans rekening te moeten houden met de mogelijkheid dat inwerkingtreding op 1986 [lees: met ingang van 1 mei 1986, red.] op uitvoeringstechnische problemen stuit. Daarom regelt het eerste lid een meer flexibele inwerkingtreding. Diverse onderdelen kunnen op verschillende data in werking treden.
     Wij zijn ons er terdege van bewust dat van de uitvoeringsorganen een zware inspanning wordt gevergd. Wij hebben dit dan ook zwaar mee laten wegen in ons argument om de dagloonbepalingen op een later tijdstip in werking te laten treden. Ook een gespreide overgang van de AAW-uitkeringen gebaseerd op de hoge en middengrondslag naar de toeslagenregeling is mede getroffen om aan de uitvoeringsproblemen tegemoet te komen. Voorts biedt de bepaling dat de lopende WW-uitkeringen nog volgens het oude regime dienen te worden behandeld en dat het merendeel van de lopende WWV-uitkeringen door de gemeenten zullen worden afgehandeld, verlichting. Ook de gekozen overgangsregeling in het kader van de voorgestelde wijziging van de AAW en de WAO betekent dat in de overgangsfase het aantal herbeoordelingen minder zal zijn dan aanvankelijk kon worden vermoed.
     Bovenstaande aanpassingen betekenen naar onze mening in ieder geval een aanmerkelijke verlichting.
     Ons is bekend dat de bedrijfsverenigingen zich in Federatieverband [Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV), red.] thans reeds intensief voorbereiden op het nieuwe stelsel. Dit, alsmede de goede ervaringen in het verleden, sterken ons in het vertrouwen dat zij er ook nu weer in zullen slagen de omvangrijke werkzaamheden op redelijke termijn af te ronden. Omtrent invoeringsproblemen wordt overleg met de uitvoeringsorganen gevoerd.

 

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Kappeyne van de Coppello

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | IWS | voorstel van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x