|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1985-1986, 19 383
Intrekking
van de Werkloosheidswet, invoering van een nieuwe
Werkloosheidswet en een aantal andere wetten,
alsmede de in het kader van die intrekking en invoering te treffen
overgangsregelingen en de daarmee verband houdende wijzigingen van een
aantal wetten en regelingen (Invoeringswet
stelselherziening)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
De
adviezen |
| 3 |
Werkloosheidsuitkeringen |
| 4 |
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen |
| 5 |
Overige
onderwerpen |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
1 t/m 71 |
Algemeen
1.
Inleiding
Zes
wetsvoorstellen op het terrein van de sociale zekerheid
vormen gezamenlijk het pakket maatregelen dat naar de
mening van het kabinet in het kader van de structurele
herziening van het stelsel van sociale zekerheid dient
te worden getroffen. Drie van deze zes voorstellen
strekken tot realisering van geheel nieuwe wetten. Het
gaat hierbij om de nieuwe
Werkloosheidswet, de
Toeslagenwet en de Wet inkomensvoorziening oudere
werkloze werknemers [Iow, red.]. Het vierde wetsvoorstel heeft
betrekking op de afschaffing van de
werkloosheidscomponent in de
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en omvat dan ook
wijzigingen van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het
vijfde wetsvoorstel houdt in een wijziging van de
Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en de gelijkstelling
van niet gehuwde personen met gehuwden in de bijstand.
Het zesde wetsvoorstel houdt een wijziging van de
Algemene Ouderdomswet in strekkende tot gelijkstelling
van niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten.
De
voornoemde zes wetsvoorstellen zijn bij koninklijke
boodschap van 17 oktober 1985 bij de Tweede Kamer der
Staten-Generaal ingediend (Kamerstukken II 1985-1986, 19
256 tot en met 19 261). Het thans voorliggende
wetsvoorstel bevat het invoeringsrecht dat behoort bij
de eerste vijf van de hiervoor genoemde voorstellen.
Onder invoeringsrecht verstaan wij in dit verband niet
alleen het tijdstip waarop deze wetten in werking moeten
treden, maar ook de intrekking van de huidige
Werkloosheidswet (WW), het door het kabinet gewenst
geachte overgangsrecht en de uit de voorgenomen
maatregelen voortvloeiende wijzigingen van diverse
andere wetten en regelingen. Laatstbedoelde wijzigingen
liggen voor het belangrijkste gedeelte, doch niet
uitsluitend, op het terrein van de sociale zekerheid. Zo
worden bij voorbeeld ook wijzigingen voorgesteld van het
Burgerlijk
Wetboek en de Wet
op de loonbelasting 1964.
Voorts is in
dit wetsvoorstel het tijdstip van in werking treden
geregeld van de Wijzigingswet AOW. Het bij dit
wetsvoorstel behorende overgangsrecht is in die wet zelf
geregeld.
rblz.|2|
Het opnemen
van het invoeringsrecht in één afzonderlijk
wetsvoorstel heeft een aantal voordelen. Allereerst
wordt ermee bereikt dat de nieuwe wetten zelf
verschoond blijven van (een groot aantal)
overgangsbepalingen. Voorkomen wordt dus dat deze nieuwe
wetten tot in lengte van dagen bepalingen bevatten die
slechts voor een beperkte tijd van toepassing behoeven
te zijn. Verder menen wij dat het de eenvoud en
overzichtelijkheid ten goede komt indien alle
wijzigingen die een logisch uitvloeisel zijn van de
voorgenomen maatregelen op het de eenvoud en
overzichtening, [lees: voorgenomen maatregelen op het
terrein van de sociale verzekering, red.] in één afzonderlijke wet worden
ondergebracht.
In de
memories van toelichting bij de eerdergenoemde
wetsvoorstellen ¹ wordt op tal van plaatsen reeds ingegaan
op de hoofdlijnen van het overgangsrecht en worden de
ter zake gemaakte keuzes toegelicht.
Waar
mogelijk zal in deze memorie van toelichting dan ook
worden volstaan met verwijzing naar die plaatsen.
Dit
wetsvoorstel bevat een groot aantal maatregelen van zeer
verschillend karakter, soms uitsluitend van technische
aard en soms van meer inhoudelijke betekenis. In dit
algemeen deel wordt volstaan met een korte aanduiding
van de hoofdzaken. Het accent zal ook meer dan in de
toelichtingen bij de overige wetsvoorstellen liggen op
de artikelsgewijze toelichting.
1. Redactie:
zie memorie van toelichting
WW, memorie van
toelichting TW en memorie
van toelichting Ioaw.
2. De
adviezen
Een concept
van het onderhavige wetsvoorstel is op 6 mei 1985 ter
advisering voorgelegd aan de Sociale Verzekeringsraad
(SVr). Gelijktijdig met zijn advisering over de in de
inleiding genoemde nieuwe
Werkloosheidswet (nieuwe WW),
Toeslagenwet en wijziging van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet [AAW, red.] en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering [WAO, red.]
(Wijzigingswet
AAW/WAO) heeft de Raad geadviseerd over dit
conceptwetsvoorstel. In de toelichting bij de
verschillende artikelen is nader ingegaan op dit advies.
In de
artikelsgewijze toelichting wordt eveneens ingegaan op
opmerkingen in het advies van de Emancipatieraad van 23
oktober 1985 en van de Raad voor de gemeentefinanciën
van 22 juli 1985. In de inleiding is reeds aangegeven
dat in de memories van toelichting bij de zes reeds bij
de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstellen op tal van
plaatsen wordt ingegaan op onderdelen die in het
onderhavige wetsvoorstel worden geregeld.
Over die
wetsvoorstellen heeft de Raad van State op 26 september
1985 adviezen uitgebracht aan de Koningin. Daarbij heeft
de Raad rekening gehouden met de hoofdlijnen van de
onderscheiden overgangsregelingen. Voor zover dat het
geval is, wordt in de artikelsgewijze toelichting naar
de reeds gemaakte opmerkingen verwezen.
3.
Werkloosheidsuitkeringen
Met
betrekking tot de werkloosheidsuitkeringen wordt in
hoofdstuk II van dit wetsvoorstel het volgende
voorgesteld.
Na de datum
van inwerkingtreding van de nieuwe
WW zullen geen nieuwe
uitkeringsrechten meer ontstaan op grond van de huidige
WW of op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV). De WWV wordt overigens niet ingetrokken.
De wet
zal na verloop van enkele jaren haar betekenis
verliezen. Intrekking ligt als dan wel in de rede. Tot
die tijd blijven bijvoorbeeld ook de artikelen 35 en 36
van de WWV
over voorzieningen strekkend tot vergroting
van de arbeidsgeschiktheid en het organiseren van
sociaal-culturele activiteiten ten behoeve van werklozen van toepassing.
De huidige WW wordt met
ingang van de datum van inwerkingtreding van de nieuwe
WW ingetrokken, doch de bepalingen van de WW blijven van
toepassing op diegenen die direct daaraan voorafgaand
recht rblz.|3|
hebben op
uitkering ingevolge die wet, totdat de maximumuitkeringsduur is bereikt, doch uiterlijk tot een
halfjaar na de dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW.
Dit betekent
onder meer dat ook de bestaande
minimumdagloonbepalingen van de WW in deze gevallen nog
enige tijd toepassing blijven vinden. Deze bepalingen
zijn niet van toepassing op werklozen met een partner
met wie zij niet zijn gehuwd. Op die werklozen wordt de
Toeslagenwet direct van toepassing. Aansluitend op de
vorengenoemde WW-periode zal, bij voortdurende
werkloosheid, in beginsel de nieuwe WW van toepassing
zijn. Op het moment dat op deze personen de nieuwe WW
van toepassing wordt, zal niet opnieuw worden
vastgesteld of voorafgaand aan de werkloosheid de
referte-eis van in 26 weken arbeid verrichten (artikel
17 van de nieuwe
WW) is gehaald en zal niet opnieuw een
dagloon worden vastgesteld. Wel wordt op dat moment ook
de Toeslagenwet van toepassing. Onderzocht moet dan
worden of betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor het
recht op toeslag, Een soortgelijk onderzoek vindt nu ook
plaats bij de overgang van WW- naar WWV-uitkering.
Voor diegenen die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de nieuwe WW recht hebben op
uitkering op grond van de WWV blijft die wet - eventueel
tot een recht op uitkering op grond van de nieuwe WW is
ontstaan - van toepassing, inclusief de
minimumdagloonbepalingen. Die regeling wordt uitgebreid
tot werklozen met een partner met wie zij niet zijn
gehuwd. Dat betekent dat de gemeenten geen bemoeienis
krijgen met de uitvoering van de voorgestelde
Toeslagenwet.
Voor
werklozen van 57,5 jaar of ouder die op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe WW
recht hebben op uitkering op grond van de WW of WWV en
die volgens de bestaande regelingen recht op
loondervingsuitkering hebben tot de eerste dag van de
maand waarin zij 65 jaar worden, geldt een ander regime.
Zij komen direct onder de werking van de nieuwe WW (en
dus de Toeslagenwet) te vallen.
Zij krijgen,
indien zij laatstelijk recht hadden op uitkering op
grond van de WWV, hun uitkering (opnieuw) van de
bedrijfsvereniging.
Zij houden
overigens recht op een uitkering van 70% van hun dagloon
tot de eerste dag van de maand waarin zij de leeftijd
van 65 jaar bereiken. Dit betekent dat in hun
vooruitzichten niets verandert.
Wat de
uitkeringsduur en het niveau van de uitkering betreft
voor de overige personen die op de dag voorafgaand aan
de inwerkingtreding van de nieuwe WW recht hebben op een
werkloosheidsuitkering op grond van de WW of de WWV is
gekozen voor handhaving van de bestaande rechten. Dit
betekent in het algemeen dat te rekenen vanaf de eerste
werkloosheidsdag aanspraak bestaat op de gezien de
leeftijd geldende uitkeringsduur van WW en WWV tezamen.
Wat het
niveau van de uitkering betreft voor de lopende gevallen
betekent dit dat het niveau dat gold op de dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe WW in werking
treedt, te weten 70% van het dagloon, gehandhaafd blijft
en dat de halfjaarlijkse vermindering van de uitkering
op grond van artikel 47 van de nieuwe
WW niet
plaatsvindt.
Met
betrekking tot het niveau van de uitkeringen is nog van
belang dat een in dit wetsvoorstel opgenomen bepaling
ervoor zal zorgen dat de brutowerkloosheidsuitkering
ingevolge de nieuwe WW of de WWV niet kan resulteren in
een netto-uitkering die lager is dan de geldende bijstandsnorm. Het betreft hier uitsluitend
alleenstaande werklozen tussen 21 en 27 jaar oud die ten
minste het voor hen geldende minimumloon verdienen.
Op de achtergronden van deze tijdelijke bepaling is in
paragraaf 3.8 van de memorie van toelichting bij de
nieuwe WW reeds ingegaan.
Vermelding
verdient in verband met de uitkering bij werkloosheid
voorts dat diegene die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de nieuwe WW een minimumuitkering
ontvangt op grond van de met ingang van 1 januari 1985
in de WWV ingevoerde interim-voorziening rblz.|4|
voor oudere
werklozen (hoofdstuk IIIb) of die bij voortdurende
werkloosheid aanspraak op die uitkering zou hebben
kunnen maken, op grond van het hier voorgestelde
overgangsrecht behoort tot diegenen die recht kunnen
hebben op uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers (Iow).
Dit is van belang omdat het daarbij kan gaan om personen die werkloos zijn geworden voordat zij 50 jaar
oud waren.
Ten slotte
moet met betrekking tot de uitkeringsregelingen bij
werkloosheid worden vermeld dat - zoals in paragraaf
3.3.2 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW al
is toegelicht - de werking van de nieuwe WW zich tot een
nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
datum gelegen na 31 december 1986 niet zal uitstrekken
tot overheidspersoneel. Tot die datum zal ook de Iow
niet op het overheidspersoneel van toepassing zijn.
Voorgesteld wordt om ook periodes doorgebracht in
ambtelijke dienstbetrekking gelegen vóór de bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen datum mee te
tellen voor de arbeidsverledeneis. In overheidsdienst
gewerkte dagen zullen volgens de hier geformuleerde
voorstellen in bepaalde gevallen ook mee kunnen tellen
als het gaat om de referte-eis van werken in 26 weken.
4.
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
Hoofdstuk
III van het voorliggende wetsvoorstel betreft de
uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid.
Van belang
is daar in de eerste plaats de overgangsregeling ter
zake
van de afschaffing van de verdiscontering van
werkloosheid in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
Mede op grond van verschillende adviezen wordt
voorgesteld de nieuwe regeling ter zake niet te doen
gelden voor personen die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de Wijzigingswet AAW/WAO recht
hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die op
dat moment 35 jaar of ouder zijn. In de toelichting bij
het betrokken wetsvoorstel is hier reeds uitvoerig op
ingegaan. Voor personen tot 35 jaar geldt dat zij,
indien zij in verband met de Wijzigingswet AAW/WAO op
grond van een herbeoordeling worden ingedeeld in een
lagere arbeidsongeschiktheidsklasse dan wel hun
uitkering verliezen, in principe recht hebben op een
aanvullende uitkering voor een periode van één jaar
(arbeidsongeschikten tot 23 jaar) of van twee jaar
(arbeidsongeschikten
van 23 tot en met 29 jaar) of van drie jaar
(arbeidsongeschikten van 30 tot en met 34 jaar) en
daarna, mits aan de arbeidsverledeneis is voldaan, op
een aanvullende vervolguitkering gedurende één jaar.
Voor diegenen die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de Wijzigingswet AAW/WAO al vijf
jaar of langer recht hebben op
arbeidsongeschiktheidsuitkering geldt voor de
aanvullende uitkering een maximumduur van vijf jaar, met
daarna, mits aan de arbeidsverledeneis is voldaan, één
jaar aanvullende vervolguitkering. Ter zake van de
hoogte van de aanvullende uitkering c.q. de aanvullende
vervolguitkering zijn de bepalingen over de hoogte van
de loondervingsuitkering c.q. vervolguitkering van de nieuwe
WW van overeenkomstige toepassing. Ook overigens
wordt een groot aantal bepalingen van die wet van
toepassing verklaard. De aanvullende
(vervolg)uitkeringen komen ten laste van de
arbeidsongeschiktheidsfondsen. Gevolg daarvan zal zijn
dat de verschuivingen in de premielastverdeling die
door de afschaffing van de verdiscontering optreden
meer geleidelijk worden gerealiseerd.
De invoering
van de
Toeslagenwet zal de zogenaamde hoge grondslagen
van de AAW
overbodig maken. In dit wetsvoorstel worden
die hoge grondslagen dan ook afgeschaft. Grondslag voor
de uitkering op grond van de AAW wordt over het algemeen
het brutominimum(jeugd)loon. Op de wenselijkheid van
deze brutokoppeling is reeds ingegaan in paragraaf 3.8
van de toelichting bij de nieuwe WW.
Daar is ook aangegeven dat en waarom deze brutokoppeling voor
alleenstaande arbeidsongeschikten tot 27 jaar ertoe kan
leiden dat de rblz.|5|
arbeidsongeschiktheidsuitkering
netto onder de voor betrokkenen geldende bijstandsnorm
uitkomt. Voorgesteld wordt waar dit nodig is de
arbeidsongeschiktheidsuitkering te verhogen, opdat dat effect wordt voorkomen.
In de
genoemde paragraaf is er ook op gewezen dat een
koppeling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de AAW aan de minimumjeugdlonen leidt tot
lagere uitkeringen dan de uitkeringen die jonge
arbeidsongeschikten nu ontvangen. Die huidige
uitkeringen gaan deels zelfs het minimumloon
voor
jeugdigen te boven. Om te scherpe inkomensdalingen voor
jeugdigen arbeidsongeschikten te voorkomen, wordt
voorgesteld de uitkering voor deze personen ook na de
dag van inwerkingtreding van dit onderdeel te blijven
berekenen naar de voor die dag voor hen geldende
grondslag tot het moment waarop de uitkering berekend
overeenkomstig de nieuwe regeling hoger uitkomt.
Het direct
laten vervallen van de hoge grondslagen ingevolge de AAW
voor alle op dat moment lopende uitkeringen zou ertoe
leiden dat in al die gevallen op hetzelfde moment zou
moeten worden nagegaan of betrokkene voor een toeslag
op grond van de Toeslagenwet in aanmerking komt. Om een
dergelijk grote belasting ineens voor de uitvoerders te
voorkomen, wordt een overgangsregeling voorgesteld die ertoe
leidt dat de toetsing van deze gevallen over het
jaar na inwerkingtreding van de AAW-wijziging wordt
gespreid. Gemiddeld een halfjaar blijven de hoge
grondslagen voor lopende uitkeringen dus gehandhaafd. De
kosten die zonder deze overgangsregeling ten laste
zouden zijn gekomen van het Toeslagenfonds zullen bij
dat fonds kunnen worden gedeclareerd. Hetzelfde geldt
ten aanzien van de kosten die ten laste zouden zijn
gekomen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof).
Voor
ongehuwde arbeidsongeschikten met kinderen die thans
recht hebben op een AAW-uitkering berekend naar de hoge
grondslag zou zonder nadere voorziening gelden dat zij
na de hiervoor bedoelde toetsing ten hoogste recht
zouden hebben op een toeslag tot 90% van het
minimumloon. Deze relatief sterke inkomensdaling wordt
voorkomen doordat wordt voorgesteld deze ongehuwden aan
te merken als gehuwd in de zin van de
Toeslagenwet.
Zoals in de toelichting bij de Toeslagenwet is vermeld,
zal deze overgangsregeling nader worden bezien in het
kader van de voorgenomen herziening van de Algemene
Weduwen- en Wezenwet [AWW, red.].
In de
toelichting bij de nieuwe WW is aangegeven dat het in
verband met het in dat voorstel opgenomen systeem van
halfjaarlijkse vermindering van de loondervingsuitkering
bij werkloosheid én in verband met het feit dat door
de voorgestelde afschaffing van de verdiscontering meer
dan thans sprake zal zijn van samenloop van
(gedeeltelijke) werkloosheidsuitkering en
(gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering, noodzakelijk is om de uitkeringspercentages bij de lagere
arbeidsongeschiktheidsklassen zo te herzien dat een
aan de arbeidsongeschiktheid evenredige uitkering wordt
bereikt. In dit wetsvoorstel zijn de hiervoor
noodzakelijke bepalingen opgenomen. De voorgestelde
herziening leidt voor de klassen 15-25, 25-35 en 35-45
tot hogere uitkeringspercentages, voor de klasse 45-55
tot een gelijkblijvend uitkeringspercentage en voor de
klassen 55-65 en 65-80 tot een lager percentage. De
hogere uitkeringspercentages voor de drie laagste
klassen zullen direct na ingang van de herziening van de
uitkeringspercentages kunnen gaan gelden. Voor diegenen
die op die datum ingedeeld zijn in de klasse 55-65 of
65-80 wordt voorgesteld de daarbij thans behorende
percentages van 44 en 57 te handhaven zolang de
betrokkene in die klasse blijft ingedeeld. De nieuwe
percentages leiden aldus in veel gevallen tot hogere
uitkeringen, en door de getroffen overgangsmaatregel
niet tot lagere.
In zijn
advies is de SVr uitgebreid ingegaan op de voorgestelde
herziening van de uitkeringspercentages. In de
toelichting bij de desbetreffende artikelen wordt nader
ingegaan op het advies.
rblz.|6|
Ook verdient
hier in verband met de arbeidsongeschiktheidsuitkering
vermelding dat een strikt individueel recht op
uitkering ingevolge de AAW
zal bestaan. Voorgesteld
wordt de bestaande regels te laten vervallen, die ertoe
strekken dat ingeval beide partners recht hebben op een
uitkering op grond van de AAW, beide uitkeringen worden
gekort tot zij samen niet meer bedragen dan het
minimumloon.
Voorts wordt erop gewezen dat - anders dan nu ingevolge de AAW -
deeltijdwerkers in beginsel evenzeer recht hebben op een
toeslag in verband met het financieel ten laste hebben
van anderen als voltijdwerkenden.
Teneinde een
zo groot mogelijke uniformiteit met de nieuwe
WW te
bereiken, zijn de AAW en de WAO op een aantal onderdelen
aangepast. Het gaat hierbij onder meer om de bepalingen
met betrekking tot de personenkring, de terugvordering
van onverschuldigde betalingen, de verrekening tussen
bedrijfsvereniging en gemeente
in verband met verleende
bijstand en om de bepalingen met betrekking tot de
vrijwillige verzekering.
5. Overige
onderwerpen
De
hoofdstukken IV, V,
VI en VII van
dit wetsvoorstel
betreffen achtereenvolgens de Ziektewet
[ZW, red.], de
Organisatiewet Sociale Verzekering, de Coördinatiewet
Sociale Verzekering en de Algemene Bijstandswet, het
Bijstandsbesluit landelijke normering en het
Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria.
Hoofdstuk VIII bevat voorstellen tot wijziging van de
artikelen 1638c en 1639l van het Burgerlijk
Wetboek en tot technische wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, de Wet
op de loonbelasting 1964, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, alsmede wijziging van het wetsvoorstel
studiefinanciering als dit tot wet wordt verheven, op
het punt van gelijkstelling van niet-gehuwde partners
met gehuwden.
De
voorstellen betreffende de ZW behelzen in
hoofdzaak het laten vervallen van de in die wet sinds
kort opgenomen bepalingen betreffende het
minimumdagloon. Bij de behandeling van het
desbetreffende wetsvoorstel is van meet af aan
duidelijk geweest dat het hier ging om slechts
gedurende beperkte tijd - namelijk tot de invoering van
de
Toeslagenwet - van betekenis zijnde bepalingen. In de
Toeslagenwet wordt voorgesteld de
minimumdagloonbepaling van de ZW te vervangen
door toeslagen. Op die toeslagen zal eerst na zes weken
recht bestaan. In verband daarmee wordt in hoofdstuk
VIII voorgesteld de doorbetalingsplicht van de werkgever
bij ziekte van de werknemers zo aan te passen dat de
eerste zes weken in ieder geval het voor betrokkene
geldende minimumloon wordt betaald. Een niet naar
gezinssituatie en inkomen gedifferentieerde bescherming,
zoals nu opgenomen in de ZW, wordt daarmee
overbodig.
In de sfeer
van het overgangsrecht wordt voorgesteld onderscheid te
maken tussen werknemers die op de datum van
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ziekengeld
ontvangen, al naargelang zij op dat moment nog geen zes
weken ziek zijn dan wel reeds zes weken of langer ziek
zijn.
In het
eerste geval blijft de bestaande regeling van de ZW gelden tot het einde van de periode van zes
weken, waarna bij voortdurende ziekte eventueel recht
op toeslag bestaat. In het tweede geval blijven de
minimumdagloonbepalingen van de ZW gelden totdat
de werknemer is hersteld of totdat de maximumuitkeringsperiode van de ZW is verstreken. Aldus
wordt naar ons oordeel een soepele overgang bereikt.
Evenals in
de AAW
en WAO zijn in de ZW bepalingen opgenomen
c.q. gewijzigd, overeenkomend met de desbetreffende
bepalingen in het wetsvoorstel
nieuwe
WW.
Hoofdstuk V
van dit wetsvoorstel betreft vooral technische
aanpassingen van de Organisatiewet Sociale Verzekering aan de met de
stelselherziening beoogde nieuwe rblz.|7|
situatie.
Inhoudelijk is vooral van belang artikel
57 [66]. Het daar
bepaalde heeft tot doel te bereiken dat aan de
problemen - met name die in de personele sfeer - die
voortvloeien uit het feit dat er op afzienbare termijn
geen sprake meer zal zijn van uitvoering van de WWV
door
de gemeenten, zoveel mogelijk tegemoet zal kunnen worden
gekomen. In dit verband dient ook te worden gewezen op
artikel 33 [37]. Mede op basis van het advies van de Raad
voor gemeentefinanciën en zoals is aangekondigd in het
nader rapport aan de Koningin inzake de nieuwe WW wordt
voor de gemeenten een financiële overgangsregeling
voorgesteld. Als gevolg van de in de tijd optredende
discrepantie tussen de dalende doeluitkering op basis
van de WWV ten opzichte van de daarmee gepaard gaande
aanpassing van het personeelsbestand kan bij de
gemeenten een tijdelijke lastenverzwaring optreden. De
voorgestelde overgangsregeling compenseert dit nadeel.
De in
hoofdstuk VI voorgestelde wijzigingen van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering zijn technisch van aard en betreffen
vooral de premieheffing over uitkeringen en toeslagen.
Zoals reeds in de nieuwe WW is voorgesteld, zal met
ingang van de datum van inwerkingtreding van deze nieuwe
regeling voor uitkeringsgerechtigden op grond van deze
regeling de premieheffing voor de
werknemersverzekeringen worden uitgebreid met die voor
de werkloosheidsverzekering zelf. Mede in verband met
de kort geleden ingevoerde premieheffing over
ziekengeld is, ter wille van een duidelijker systematiek,
besloten de ZW- en WW-uitkeringen als loon in de zin van
de Coördinatiewet
Sociale Verzekering aan te merken. De Sociale
Verzekeringsraad heeft in zijn advies van 1 november
1984 over de ZW-maatregelen reeds zijn voorkeur voor een
dergelijke systematiek uitgesproken.
Hoofdstuk
VII voorziet in wijziging van de Algemene Bijstandswet,
het Bijstandsbesluit landelijke normering en het
Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria. De
voorgestelde wijziging in de Algemene Bijstandswet
betreft de verrekening van bijstand met de door de
bedrijfsvereniging onverschuldigd verleende
voorschotten.
De
wijzigingen van het Bijstandsbesluit landelijke
normeringen en het Bijstandsbesluit landelijke
draagkrachtcriteria, voorgesteld in hoofdstuk
VII,
strekken tot aanpassing van die besluiten aan het
eveneens in het kader van de stelselherziening
voorgestelde artikel 5a van de Algemene Bijstandswet
(gelijke behandeling niet-huwelijkse samenleefvormen) en
tot wijziging van de zogenaamde vrijlatingsregeling,
zodat die regeling meer in lijn wordt gebracht met
hetgeen ter zake in de Toeslagenwet wordt voorgesteld.
De beoogde
datum van inwerkingtreding van de verschillende
wetsvoorstellen in het kader van de stelselherziening
is op 1 mei 1986. Gelet op het te verwachten tijdstip
van behandeling van de verschillende wetsvoorstellen in
de Tweede en Eerste Kamer is inwerkingtreding op 1 mei
1986 reëel haalbaar. De mogelijkheid bestaat echter dat
met het oog op de administratief-technische
consequenties van de wetsvoorstellen in het kader van de
stelselherziening de voorbereidingstijd voor de
uitvoeringsorganen om tot een verantwoorde uitvoering
van de wetsvoorstellen te komen te kort is. De beoogde
datum van inwerkingtreding volgt wellicht te snel op het
tijdstip van indiening van dit wetsvoorstel en het
moment waarop de behandeling in de Tweede Kamer van de
verschillende wetsvoorstellen naar verwachting zal zijn
afgerond en de definitieve inhoud van de wetsvoorstellen
bekend zal zijn. Hiermee rekening houdend wordt de datum
van inwerkingtreding van de verschillende
wetsvoorstellen bij koninklijk besluit vastgesteld. De
datum van inwerkingtreding zal voor diverse onderdelen
van de stelselherziening verschillend kunnen worden
vastgesteld. Met deze flexibele invoeringsbepaling kan
ook rekening gehouden worden met de mate waarin
onderdelen minder of meer voorbereidingstijd met
betrekking tot de uitvoeringstechnische aspecten vergen.
De uitvoeringstechnische problemen van de
wetsvoorstellen worden momenteel met de
uitvoeringsorganisaties besproken. Ook rblz.|8|
tijdens de Kamerbehandeling zal ter zake van de mogelijk
invoeringsdatum van de wetsvoorstellen overleg worden
gevoerd met de uitvoeringsorganen.
In het
vervolg van deze memorie wordt uitgegaan van 1 mei 1986
als datum van inwerkingtreding. Los van de vraag of deze
datum voor de uitvoeringsorganen haalbaar is, menen wij
dat het de duidelijkheid ten goede komt om in de
toelichting een datum te noemen, meer dan te spreken van
een - nog niet zekere - datum van inwerkingtreding.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1
[1]
Dit artikel
bevat een aantal voor de Invoeringswet stelselherziening
relevante
definities. Het is gewenst deze definities op te nemen
omdat op verschillende plaatsen in het wetsvoorstel deze
begrippen worden gebruikt. Slechts indien een begrip
één maal voorkomt, is dat begrip in hetzelfde artikel
gedefinieerd. Daarnaast is een definitie van de WW nodig
omdat deze wet [lees: die wet, red.] met ingang van de inwerkingtreding van de
nieuwe WW wordt ingetrokken, terwijl een aantal
bepalingen van deze wet [lees: die wet, red.] van toepassing blijft ten
aanzien van zogenaamde oude gevallen. De definitie is zo
gekozen dat voorkomen wordt dat in de afzonderlijke
artikelen telkens moet worden herhaald dat het gaat om
de WW zoals deze wet [lees: die wet, red.] luidde op de dag voorafgaande aan
die waarop deze wet [lees: die wet, red.] wordt ingetrokken.
Artikel 2
[2]
Eerste lid
Dit lid regelt de intrekking van de WW. De WW wordt
ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding
van de nieuwe WW.
Ter zake van
werkloosheid ingetreden op of na die datum kan derhalve
geen recht op uitkering op grond van de WW meer
ontstaan, maar is in beginsel de nieuwe WW van
toepassing. Ter zake van werkloosheid ingetreden vóór de
datum van intrekking van de WW blijven de bepalingen
van de WW vooralsnog van toepassing. Dit is geregeld in
artikel 4 [4].
Tweede lid
Dit lid stelt buiten twijfel dat in beginsel de WW over
tijdvakken gelegen vóór 1 mei 1986 van toepassing
blijft, ondanks dat die wet per die datum wordt
ingetrokken. Dit betekent derhalve dat het recht op
uitkering, de voorwaarden voor dat recht, de weigerings-
en uitsluitingsgronden over die perioden moeten worden
beoordeeld overeenkomstig de WW. Ook blijft de
werkgever premieplichtig over die perioden
overeenkomstig de WW en zullen de bedrijfsverenigingen
die premie kunnen invorderen.
Op een
aantal punten is in dit wetsvoorstel echter een
uitzondering gemaakt op dit uitgangspunt; in die
gevallen zullen de rechten, bevoegdheden en
verplichtingen worden beheerst door de nieuwe WW.
Artikel 3
[3]
Dit artikel voorkomt dat vanaf de dag van
inwerkingtreding van de nieuwe WW
recht op uitkering kan
ontstaan op grond van de WWV. Het gaat daarbij om het
"normale" recht op uitkering, bedoeld in artikel 9,
eerste lid, van de WWV, het recht op uitkering op grond
van artikel 10 (werkloosheid als gevolg van
weersomstandigheden) en op grond van hoofdstuk lIla
(loonsuppletie). Het laten vervallen van hoofdstuk lllb
(verlengd recht voor personen van 50 jaar of ouder) in
artikel 29, onderdeel F
[33,H], voorkomt dat recht op uitkering
op grond van dat hoofdstuk kan ontstaan vanaf de dag van
inwerkingtreding van de nieuwe WW.
rblz.|9|
Wat de
motivering betreft van het afschaffen van de
loonsuppletie moge verwezen worden naar paragraaf 3.1.2
van het algemeen deel van de toelichting bij de nieuwe
WW.
Zoals daar
is gesteld, zal over opzet, inhoud en financiering van
het voorzieningenbeleid op korte termijn een
adviesaanvraag aan de SER [Sociaal-Economische
Raad, red.], de SVR en de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] worden
gericht, waarin ook het afschaffen van de loonsuppletie
aan de orde zal komen.
Mochten die
adviezen daartoe aanleiding geven, dan zal alsnog
overwogen worden een loonkostensubsidie in een andere
vorm dan de loonsuppletie, door middel van een algemene
maatregel van bestuur te realiseren.
Dit artikel
is verder van belang daar de WWV
niet wordt
ingetrokken, maar op lopende gevallen met inachtneming
van het bepaalde in deze wet van toepassing blijft.
De
verwijzing naar artikel
9 [10], eerste lid, laat onverlet dat
het recht op WWV-uitkering na de dag van
inwerkingtreding van de nieuwe WW
op grond van artikel 9
[10], vierde lid, kan herleven indien aan de voorwaarden
daarvoor is voldaan.
Het recht op
uitkering kan niet meer herleven indien een recht op
uitkering op grond van de nieuwe WW is ontstaan.
Dit artikel
laat tevens onverlet de toepassing van de artikelen 35
en 36 van de WWV.
Artikel 4
[4]
De in dit
artikel genoemde personen vallen onder de werkingssfeer
van het in dit hoofdstuk geregelde overgangsrecht.
Daarnaast bevatten de artikelen 5 tot en met 9
[5-10] nadere
regels met betrekking tot uitkeringsgerechtigden op
grond van de WWV
en het overheidspersoneel. Deze houden tezamen met het bepaalde in artikel 3
[3] in dat behoudens
de groep 57,5-jarigen en degenen die recht hebben op
grond van de interim-regeling van boven-50-jarigen,
reeds bestaande WWV-uitkeringsrechten jegens de gemeente
blijven gehandhaafd. De hoofdregel van artikel
4 [4] is dat ten aanzien van
personen die op de dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe
WW in werking
treedt een WW-uitkering ontvangen, de WW en de op die
wet berustende bepaling van toepassing blijven, tot
uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van de nieuwe
WW. Met ingang van 1 mei 1986 behouden zij derhalve
recht op uitkering op grond van de WW. Ten aanzien van
hen gelden derhalve in die periode de bepalingen van de
WW, ondanks dat die wet is ingetrokken. Het van
toepassing zijn van de WW-bepalingen is aan een termijn
gebonden omdat het onwenselijk is om oude bepalingen
gedurende lange tijd naast de nieuwe WW van toepassing
te laten zijn. In zijn advies geeft de SVr er de
voorkeur aan ter zake een andere overgangsregeling te
treffen. De Raad zou de bestaande regelingen voor die
gevallen nog in volle omvang willen toepassen totdat
het lopende werkloosheidsgeval is uitgewerkt. Dit
impliceert dat na de datum van invoering van het nieuwe
stelsel nog nieuwe WWV-rechten zouden ontstaan.
Uitvoeringstechnisch en budgettair is dit ongewenst.
Bovendien zou de overgangssituatie betrekkelijk lang
duren met name voor boven-57,5-jarigen. De voorgestelde
regeling heeft het voordeel dat voor de
bedrijfsverenigingen de overgangssituatie maar een halfjaar duurt, dat voor de gemeentelijke sociale diensten
werkzaamheden verbonden aan een in feite vervallen
regeling geleidelijk verminderen en na twee jaar vrijwel
geheel zijn weggevallen en dat de uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk onder de
werkingssfeer van de nieuwe WW vallen. De gekozen opzet
blijft dan ook de voorkeur houden.
Eerste lid
Het gaat in dit lid om personen die op de dag
voorafgaande aan die van inwerkingtreding van de nieuwe
WW een WW-uitkering ontvangen.
rblz.|10|
De in dit
lid bedoelde personen behouden hun recht op WW uitkering totdat de
maximum-uitkeringsduur is bereikt,
doch uiterlijk tot zes maanden na de dag van
inwerkingtreding van de nieuwe WW. Na afloop van de
uitkering op grond van de WW is de nieuwe WW van
toepassing, met inachtneming van het in deze
wet geregelde overgangsrecht.
Tweede lid
Dit lid stelt met de in het eerste lid bedoelde personen
gelijk degenen die op de dag voorafgaande aan die
waarop de nieuwe WW in werking treedt geen WW uitkering
ontvangen omdat ten aanzien van hen een tijdelijke
sanctie is getroffen - weigering van uitkering op grond
van artikel 31 juncto 39 WW - en degenen die op die dag
geen WW uitkering ontvangen omdat zij ziekengeld op
grond van de ZW of een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW
en/of de WAO ontvangen of geacht kunnen worden te
ontvangen.
Degenen aan
wie verder recht op WW uitkering is geweigerd,
bijvoorbeeld omdat zij niet-onvrijwillig werkloos waren
of omdat zij tijdens de uitkeringsperiode passende
arbeid hebben geweigerd, vallen dus niet onder deze
omschrijving. Deze personen hebben ter zake van hun
bestaande werkloosheid geen rechten op grond van de WW
meer; zij kunnen eventueel wel vallen onder het
overgangsrecht met betrekking tot zogenaamde oude WWV-gevallen.
De in dit
lid bedoelde personen herkrijgen hun recht op WW
uitkering na afloop van de in dat lid bedoelde
omstandigheden totdat de maximumuitkeringsduur is
bereikt, doch uiterlijk tot een halfjaar na de
inwerkingtreding van de nieuwe WW. Herkrijgt iemand pas
na dat halfjaar zijn uitkering, dan is vanaf dat moment
de nieuwe WW dus direct van toepassing.
Wat de
arbeidsongeschikten betreft, gaat het om degenen die
tijdens de WW-uitkeringsperiode ziek of
arbeidsongeschikt zijn geworden. Personen die vóór hun
ziekte en arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking
werkzaam waren en wier dienstbetrekking tijdens die
periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid werd
beëindigd, als gevolg waarvan zij direct na afloop van
die periode aangewezen raken op een
werkloosheidsuitkering, vallen niet onder de
werkingssfeer van dit lid. Ten aanzien van hen is direct
na afloop van de in de vorige zin bedoelde periode de
nieuwe WW van toepassing.
Derde lid
De personen die op de dag voorafgaande aan die waarop de
nieuwe WW in werking treedt een loonsuppletie ontvangen
of een uitkering van de bedrijfsvereniging daar deze de
uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen
van de werkgever die niet in staat was te betalen, heeft
overgenomen, vallen niet onder het eerste en het tweede
lid. Dit lid laat in die gevallen toe dat de WW langer
dan een halfjaar na de inwerkingtreding van de nieuwe
WW van toepassing blijft. Zolang het recht op
loonsuppletie of betaling op grond van hoofdstuk lIla
duurt, blijft de WW daarop van toepassing.
Met
betrekking tot de betaling op grond van hoofdstuk lIla
wordt nog opgemerkt dat bepalend is het tijdstip van
faillissement of surséance van betaling, dan wel het
tijdstip waarop de in artikel 42a, tweede lid, WW
bedoelde toestand is ingetreden. Ligt dit vóór de datum
van inwerkingtreding van de nieuwe WW, dan blijft de WW
van toepassing.
Vierde lid
Dit lid regelt dat ten aanzien van ongehuwd
samenwonenden de
Toeslagenwet van toepassing is naast de
WW. Deze personen vallen thans niet onder de
minimumdagloonbescherming van de WW. Ongehuwd
samenwonenden die op of na 1 mei 1986 werkloos worden,
vallen onder de nieuwe WW en daarmee onder de
Toeslagenwet. Uit oogpunt van gelijke behandeling wordt
dit ook voor de lopende gevallen voorgesteld.
Vijfde lid
Op grond van de huidige wetgeving zijn
uitkeringsgerechtigden op grond van de WW verzekerd en
dus ook premieplichtig voor de rblz.|11|
ZW
en de WAO. Voor de werkloosheidsverzekering zelf zijn zij niet
premieplichtig, maar wordt op hun uitkering een
vereveningsbijdrage ingehouden ter hoogte van de
werknemersdelen van de gemiddelde wachtgeldpremie en de
werkloosheidspremie tezamen. Deze vereveningsbijdrage
is geregeld in artikel 26 van de WW. Uitkeringen op
grond van de nieuwe WW zijn wel aan de premieheffing van
die wet onderworpen. Om te voorkomen dat tijdens de
overgangssituatie bij de bedrijfsverenigingen het
systeem van vereveningsbijdrage en dat van premieheffing
naast elkaar bestaan, is in het vijfde lid bepaald dat
de op 1 mei 1986 lopende WW-uitkeringen met ingang van
die datum voor wat de werkloosheidsverzekering betreft
niet meer aan de inhouding van vereveningsbijdrage, maar
aan premieheffing zijn onderworpen. De in dit lid
opgenomen fictie met betrekking tot de bepalingen van de
ZW, WAO en de Coördinatiewet
Sociale Verzekering is nodig omdat in die
wetten na de daarin op grond van dit voorstel
aangebrachte wijzigingen wordt verwezen naar de nieuwe
WW.
Vooruitlopend
op hetgeen is bepaald ten aanzien van degenen die op 1
mei 1986 aanspraak behouden op WWV
uitkering zij opgemerkt dat voor hen de vereveningsbijdrage blijft
gelden. Het is hoofdzakelijk om praktische redenen
wenselijk voor deze groep de vereveningsbijdrage te
handhaven en geen premieheffing in te voeren. Het is
immers bezwaarlijk de gemeentebesturen in een aflopende
situatie nog met premiebetaling te confronteren, terwijl
voor wat het equivalent van de ziekengeldpremie betreft
de vereveningsbijdrage blijft bestaan. Bovendien maakt
één en ander voor de uitkeringsgerechtigde nagenoeg geen
verschil, terwijl de premieplicht die hierdoor voor de gemeente
zou ontstaan ten laste van de rijksoverheid zou
komen.
Zesde lid
Dit lid regelt dat in aansluiting op recht op WW-uitkering recht op uitkering op grond van de nieuwe
WW bestaat met inachtneming van de bepalingen van die wet
en deze wet. Op het moment dat bedoelde personen onder
de werkingssfeer van de nieuwe WW vallen, zal in beginsel
beoordeeld moeten worden of zij aan de voorwaarden voor
het recht op uitkering op grond van die wet voldoen,
tenzij in deze wet anders is bepaald. Dit laatste is
onder andere gebeurd met betrekking tot de referte-eis (artikelen 10
[11] en
11 [12]) en de uitkeringsduur
(artikelen 16 [17]
en 17 [20]) en de uitkeringshoogte
(artikel 19 [22]).
Artikel 5
[5]
Dit artikel
regelt wie na de inwerkingtreding van de nieuwe
WW onder
de WWV
blijven vallen. Dat zijn alle werknemers,
behoudens degenen die in artikel 6
[6] zijn uitgezonderd,
die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van
de nieuwe WW recht hadden op een uitkering op grond van
de WWV. Tevens blijven onder de toepassing van de WWV de
werknemers die op eerdergenoemde dag geen recht op WWV
hadden omdat dat recht door werkaanvaarding of door een
omstandigheid op grond van artikel 13, eerste lid, of
artikel 14, eerste lid, van die wet was onderbroken en
de werknemer na beëindigen van dat werk of die omstandigheid weer recht op een WWV-uitkering heeft.
De WWV is op
eerdergenoemde personen niet meer van toepassing indien
recht is ontstaan op grond van de nieuwe WW.
Aangezien de
WWV niet wordt ingetrokken, is een bepaling als bedoeld
in het derde lid van artikel 4
[4] voor degenen die recht
hebben op loonsuppletie op grond van de WWV niet nodig.
Ook degenen
die recht hebben op loonsuppletie op grond van de WWV
behouden na de inwerkingtreding van de nieuwe WW dat
recht.
Het derde
lid is nodig om te voorkomen dat artikel 4
[4] en
artikel 5 [5]
tegelijkertijd op dezelfde persoon van toepassing zijn.
Het kan immers voorkomen dat de uitkering op grond van
de WW tijdelijk is geweigerd en dat over die
weigeringsperiode WWV uitkering is toegekend.
rblz.|12|
Artikel 6
[6]
Eerste lid
Dit artikel vormt een uitzondering op de artikelen 4
[4] en
5 [5] en brengt de werknemers, bedoeld in die artikelen, die
op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder
zijn en op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding
van de nieuwe WW recht hebben op uitkering op grond van
de WW of de WWV
onder de toepassing van de nieuwe WW.
Deze personen vallen derhalve met ingang van 1 mei 1986
in beginsel onder de nieuwe WW.
Zoals uit de
artikelen 17 [20] en 19
[22] blijkt, zijn met betrekking tot de
uitkering van deze personen, wat de hoogte en de duur
van de uitkering betreft, afwijkende bepalingen ten
opzichte van de nieuwe WW opgenomen. Aangezien het
onwenselijk is dat de WWV nog lange tijd na de
inwerkingtreding van de nieuwe WW van toepassing blijft en het hier gaat om personen die langlopende
uitkeringen kunnen hebben, zijn die personen onder de
toepassing van de nieuwe WW gebracht.
Tweede lid
Dit lid stelt met de in het eerste lid bedoelde personen
gelijk degenen die op de dag voorafgaande aan die
waarop de nieuwe WW in werking treedt geen WW- of
WWV-uitkering ontvangen in de situaties, bedoeld in
artikel 4 [4], tweede lid, en in artikel
5 [5], tweede lid.
Derde lid
Ambtenaren vallen in beginsel onder de nieuwe
WW (artikel 3 van die
wet), doch worden op grond van
artikel 7 [7] van de wet tot een bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen tijdstip gelegen na 31 december 1986 uitgesloten van de kring van verzekerden van
die wet. Dit lid beoogt te bereiken dat de
ambtenaar op wie
het eerste of het tweede lid van toepassing is wel
onder de werkingssfeer van de nieuwe WW valt.
Artikel 7
[7]
Thans is het
mogelijk dat werknemers die op de eerste dag van
werkloosheid jonger waren dan 50 jaar recht hebben op
een uitkering op grond van hoofdstuk IIIb van de WWV.
Ook zijn er werknemers die op 30 april 1 986 recht
hebben op een WW- of WWV-uitkering en die bij
voortdurende werkloosheid recht zouden hebben gehad op
een uitkering op grond van hoofdstuk lllb van de WWV.
Om voor een
uitkering op grond van de Iow
in aanmerking te komen,
dient een werknemer onder meer werkloos te zijn geworden
na zijn 50ste jaar. In artikel 29, onderdeel F
[33,H], wordt
voorgesteld de in hoofdstuk lllb neergelegde
interim-maatregel te laten vervallen. In verband daarmee
is voor deze groep werknemers in dit artikel een
overgangsmaatregel getroffen. Daardoor kunnen deze
werknemers met ingang van 1 mei 1986 respectievelijk na
afloop van de uitkeringsduur op grond van artikel
16 [17] of
de WWV
recht doen gelden op een uitkering op grond van
de Iow.
Artikel 8
[9]
Bij de
overgang van de uitkeringsregimes van de WW en WWV
naar
dat van de nieuwe WW kunnen onvoorziene complicaties
optreden. Zo zouden zich bijvoorbeeld problemen kunnen
voordoen met betrekking tot de overgang van uitkeringen
waarop specifieke WW-bepalingen van toepassing zijn
(bijvoorbeeld de vijftiendagenregeling voor de beoordeling van
de vraag of er sprake is van een doorlopend geval van
werkloosheid of een nieuw geval van werkloosheid) die
de nieuwe WW niet kent.
In verband
hiermee is in dit artikel, teneinde adequaat deze
onvoorziene complicaties te kunnen opheffen, aan de minister de bevoegdheid gegeven met betrekking tot deze
afdeling nadere en zo nodig afwijkende regelen te
stellen.
rblz.|13|
Artikel 9
[10]
De redactie
van dit artikel is ontleend aan artikel 6, derde lid,
van de WW. Het begrip "onvrijwillige werkloosheid" is
echter vervangen door "werkloosheid", conform de in de
nieuwe WW gebezigde terminologie.
Op grond van
het derde lid van genoemd artikel 6 kunnen ten aanzien
van degene die ambtenaar is in de zin van de Algemene
burgerlijke pensioenwet (Abp-wet) uit hoofde van zijn
arbeidsverhouding tot een lichaam als bedoeld in artikel
A 1, onderdeel d, van de Abp-wet, niet zijnde het
Rijk, een provincie, gemeente, waterschap, veenschap of
veenpolder, bij algemene maatregel van bestuur
voorschriften gegeven worden omtrent zijn ten laste van
dit lichaam komende aanspraken bij onvrijwillige
werkloosheid. Deze bepaling is destijds in de WW
opgenomen teneinde een voorziening te kunnen treffen
voor de gevallen waarin de aldaar bedoelde personen die
op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de
WW van de verzekeringsplicht ingevolge die wet zijn
uitgezonderd, bij het ontbreken van een eigen
uitkeringsregeling van het lichaam waarbij zij in dienst
zijn onderscheidenlijk waren minder aanspraken op
uitkering zouden hebben dan wanneer de WW op hen van
toepassing zou zijn gebleven. De aandacht verdient dat
de aanspraken op wachtgeld voor de eveneens op grond van
artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de WW uitgezonderde personen in dienst van
het Rijk, de provincies, gemeenten, waterschappen,
veenschappen en veenpolders voldoende gewaarborgd zijn
door de Ambtenarenwet
1929 en de overige voor hen
geldende rechtspositieregelingen.
De in
artikel 6, derde lid, van de WW bedoelde algemene
maatregel van bestuur (Koninklijk besluit van 4 december 1979,
Stb. 1979, 769)
is op 1 januari 1981 in werking getreden.
De
voorschriften houden in dat elk lichaam in de zin van dat
besluit dat een uitkeringsregeling kent, deze
regeling in voorkomende gevallen zal dienen te toetsen
aan de in dit besluit opgenomen voorschriften. Voor
zover uit deze toetsing blijkt dat de eigen regeling op
bepaalde punten minder gunstig is, zullen de
voorschriften in dit besluit een aanvullende werking
hebben.
De
voorschriften zullen in ieder geval in acht genomen
dienen te worden door de organen van de lichamen in de
zin van dat besluit die geen eigen regeling hebben
getroffen.
Op grond van
deze regeling kunnen aan de belanghebbenden thans nimmer
minder voordelen toekomen dan wanneer de WW op hen van
toepassing zou zijn geweest.
De hier
bedoelde categorie van personen is door het Rijk
invaliditeitspensioen verzekerd. Die personen vallen
dus ook in beginsel onder de nieuwe WW, doch worden tot
een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
tijdstip, dat na 31 december 1986 moet zijn gelegen (artikel 7 nieuwe WW), uitgesloten van de kring van
verzekerden van die wet. De hier toegelichte bepaling
beoogt de garantieregeling van artikel 6, derde lid, van
de WW voorshands, namelijk tot het tijdstip aangewezen
op grond van artikel 7, eerste lid, van de nieuwe
WW, te
continueren.
Uiteraard
zal het vorenbedoelde Koninklijk besluit van 4 december
1979 aangepast moeten worden aan de nieuwe WW.
Artikel 10
[11]
De personen
die op de dag voorafgaande aan die van inwerkingtreding
van de nieuwe WW een WW uitkering ontvangen, hebben na
het bereiken van de maximumuitkeringstermijn recht op
uitkering op grond van de nieuwe WW. De personen die op
eerstbedoelde dag een WW- of WWV-uitkering ontvangen en
op of na de 57,5-jarige leeftijd werkloos zijn geworden,
verkrijgen met ingang van de inwerkingtreding van de
nieuwe WW recht op uitkering op grond van die
wet. Zoals rblz.|14|
bij de artikelen 4
[4] en 6
[6] werd opgemerkt, gelden voor deze personen in
beginsel de bepalingen van de nieuwe WW en derhalve ook
de referte-eis van artikel 17 van
die wet. Teneinde de
uitvoeringsorganen onnodige beoordelingen te besparen,
bepaalt dit artikel dat deze personen geacht worden aan
de referte-eis te hebben voldaan.
Artikel 11
[12]
Ten aanzien
van degene die op of na de dag van inwerkingtreding van
de nieuwe WW werkloos wordt, is
die wet van toepassing.
Als
voorwaarde voor recht op uitkering op grond van die wet
geldt dat in de twaalf maanden voorafgaande aan het intreden
van die werkloosheid als werknemer in de zin van die wet
arbeid moet zijn verricht. Zonder nadere regeling zou
dit ertoe leiden dat het eerste halfjaar na
inwerkingtreding van de nieuwe WW niemand aan deze
voorwaarde kan voldoen.
Eerste en
tweede lid
Op grond van deze leden wordt degene die in
de hiervoor bedoelde periode van twaalf maanden vóór 1 mei
1 986 als werknemer in de zin van de WW of de WWV
heeft gewerkt of als dienstplichtige in militaire dienst is
geweest dan wel vervangende dienst heeft vervuld, ter
zake van de gewerkte weken als werknemer in de zin van
de nieuwe WW beschouwd. Op deze wijze kan ook rekening
gehouden worden met de vóór 1 mei gelegen perioden
waarin arbeid in dienstbetrekking of in een daarmee te
vergelijken arbeidsverhouding is verricht. Onder
werknemer in de zin van de WWV vallen ook degenen die
in overheidsdienst hebben gewerkt, zodat ook met die
perioden gelegen vóór 1 mei 1986 rekening gehouden kan
worden. Voor arbeidsperioden gelegen na 30 april 1986
geldt de nieuwe WW, behoudens voor degenen
die in overheidsdienst hebben gewerkt. Ten aanzien van
personen die afwisselend in overheidsdienst en in het
particuliere bedrijfsleven werkzaam zijn - met name in
het onderwijswijssector komt dit voor -, doen zich thans
wel problemen voor in verband met de referte-eis van de
WW. Degene die in overheidsdienst werkt, is geen
werknemer in de zin van die wet.
Ondanks dat
degene die als werknemer in de zin van de WW werkloos is
geworden meer dan een halfjaar arbeid in
dienstbetrekking heeft verricht, kan hij niet voldoen
aan de referte-eis van die wet, daar hij niet de gehele
referteperiode als werknemer in de zin van de WW heeft
gewerkt. Over deze problematiek is op 11 juli 1983 aan
de SVr advies gevraagd, die daarover op 28 juni 1984
zijn advies heeft uitgebracht. Gelet op dit advies,
alsmede gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en
7 van
de nieuwe WW ten aanzien van het overheidspersoneel, is
besloten, in navolging van een dergelijke regeling van
het ministerie van Onderwijs en
Wetenschappen, weken
waarin in overheidsdienst is gewerkt mee te laten tellen
voor de referte-eis ten aanzien van degenen die
laatstelijk vóór het intreden van hun werkloosheid
werkzaam waren in het particuliere bedrijfsleven en die
derhalve verzekerd waren op grond van de nieuwe WW. Daar
deze problematiek zich niet alleen het eerste halve jaar
na de inwerkingtreding van de nieuwe WW kan voordoen,
maar zolang het overheidspersoneel niet als werknemer in
de zin van deze wet [lees: die
wet, red.] wordt beschouwd, wordt in het tweede
lid bepaald dat ook dagen in overheidsdienst vanaf 1
mei 1986 meetellen.
Derde lid
In dit lid wordt geregeld dat voor de persoon die
voorafgaande aan het inwerking treden van de nieuwe
WW verzekerd was op grond van de WW en wiens eerste
werkloosheidsdag op de dag van inwerkingtreding van de
nieuwe WW valt, dezelfde voorziening geldt als voor de
persoon, bedoeld in het eerste lid. Het betreft hierbij
een categorie personen die noch valt onder artikel
4 [4],
noch onder het eerste lid.
Vierde lid
Dit lid regelt allereerst (door het tweede lid van
artikel 17 van de nieuwe WW van
overeenkomstige
toepassing te verklaren) dat rblz.|15|
indien in de
in het eerste lid genoemde twaalf maanden een periode van
ziekte of arbeidsongeschiktheid lag, de periode van
twaalf maanden met laatstbedoelde periode wordt verlengd.
Hetzelfde geldt indien na afloop van werkzaamheden ter
zake waarvan geen verzekeringsplicht bestaat het
werknemerschap aan een persoon wordt hergeven. Voorts
zijn in dit artikel het derde tot en met het vijfde lid
van artikel 17 van de nieuwe WW
van overeenkomstige
toepassing verklaard. Dit betekent dat het systeem van
weken tellen zoals dat geldt op grond van de nieuwe
WW,
waarbij weken slechts één keer in aanmerking genomen
kunnen worden, ook geldt voor de toepassing van het
eerste, tweede en derde lid. Ook de bij algemene
maatregel van bestuur en door de SVr te stellen regels
met betrekking tot de referte-eis gelden voor de
toepassing van het eerste, tweede en derde lid.
Vijfde lid
Personen die na 30 april 1986 werkloos worden, moeten aan
de in artikel 17 van de nieuwe
WW bedoelde referte-eis
voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een
uitkering op grond van die
wet. Zonder nadere regeling
zouden personen die op 30 april 1986 een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO
en/of AAW
ontvangen en na die datum werkloos worden (wegens
geheel of gedeeltelijk herstel), niet voldoen aan de
referte-eis van de nieuwe WW. Het vijfde lid bevat
daarom een overeenkomstige overgangsregeling met
betrekking tot de referte-eis als voor de in het eerste
lid bedoelde personen.
Zesde lid
Dit lid geeft de minister de bevoegdheid nadere en zo
nodig afwijkende regels te stellen. In dit kader zullen
onder andere regels gegeven kunnen worden met betrekking
tot het tellen van arbeidsdagen in relatie tot het
herleven van uitkeringsrechten, bedoeld in artikel 21
van de nieuwe WW. De reden om verdere regelgeving te
laten plaatsvinden bij ministeriële regeling is dat bij
onvoorziene knelpunten bij de uitvoering van de
bepalingen van dit artikel tijdig op deze knelpunten kan
worden ingespeeld.
Artikel 12
[13]
Het is niet
nodig om degene die WW-uitkering had op de dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe
WW op hem van
toepassing wordt en wiens recht eindigt door het
bereiken van de maximumduur op grond van die wet en
deze wet, een uitkering op grond van de nieuwe WW te
laten aanvragen. Daarom bepaalt dit artikel dat de
bedrijfsvereniging ambtshalve vaststelt of recht op
uitkering op grond van de nieuwe WW bestaat. Daarnaast
is het niet gewenst de personen van 57,5 jaar of ouder
die van de gemeenten overgaan naar de bedrijfsvereniging
onnodig te belasten met een aanvrage om een uitkering.
Nu tussen de bedrijfsverenigingen en de gemeenten met
betrekking tot deze personen gegevens uitgewisseld
dienen te worden, kunnen de bedrijfsverenigingen op
basis daarvan het recht op uitkering ambtshalve
vaststellen. Op grond van artikel 28
[32] zal de gemeente
deze personen bij de desbetreffende bedrijfsvereniging
dienen aan te melden. In de overige gevallen lijkt het
niet nodig een regeling te treffen, daar in deze
gevallen zonder bezwaar de bij een bedrijfsvereniging
gebruikelijke procedure gevolgd kan worden.
Artikel 13
[14]
De
werknemer, bedoeld in artikel 6
[6] (de werknemer die op de
dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de nieuwe
WW recht had op een WWV-uitkering of geen recht op
uitkering had omdat dat recht was onderbroken door
werkaanvaarding of door een omstandigheid als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, en 14, eerste lid, WWV
en die op
de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder was),
is de enige werknemer rblz.|16|
die op de
dag van inwerkingtreding van de nieuwe WW direct vanuit
de werkingssfeer van de WWV onder de toepassing van de
nieuwe WW wordt gebracht. De werknemer, bedoeld in
artikel 4 [4], wordt onder de toepassing van de nieuwe WW
gebracht indien hij de maximumuitkeringsduur heeft
bereikt of in ieder geval een halfjaar na de dag van
inwerkingtreding van de nieuwe WW.
Voor zover
op die werknemers een sanctie van toepassing is, regelt
dit artikel dat de bedrijfsvereniging een beslissing
dient te nemen of de sanctie ten aanzien van die
werknemers moet worden voortgezet. Indien de
bedrijfsvereniging besluit tot voortzetting van de
sanctie, ligt het in de rede dat zij de sanctie afstemt
op de in het kader van de WW of de WWV getroffen
sanctie. Voor de andere werknemers die op de dag voor de
inwerkingtreding van de nieuwe WW recht hadden op een
WWV-uitkering is het niet nodig om een dergelijke
bepaling op te nemen, aangezien die werknemers onder de
werkingssfeer van de WWV blijven vallen.
Niet gekozen
is voor een automatische doorwerking van de sanctie,
omdat er omstandigheden kunnen zijn die het niet
voortzetten van de sanctie kunnen rechtvaardigen.
Artikel 14
[15]
Dit artikel waarborgt indien de bedrijfsvereniging op of na de dag
waarop de WW wordt ingetrokken tot de ontdekking komt
dat zij onverschuldigd uitkering betaald heeft, dat zij
die onverschuldigd betaalde uitkering kan terugvorderen
of in mindering kan brengen op later te betalen
uitkeringen c.q. kan verrekenen met het gemeentebestuur.
De artikelen 36 en 37 van de nieuwe
WW zijn op die
onverschuldigd betaalde WW-uitkeringen van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 15
[16]
Eerste lid
De WWV
blijft na de inwerkingtreding van de nieuwe
WW van toepassing op degenen die op de dag voorafgaande aan
die inwerkingtreding recht hadden op een WWV-uitkering
en daarmee gelijk gestelde personen, met uitzondering
van de in artikel 6
[6] genoemde groep. Eén en ander zolang
geen recht op uitkering op grond van de nieuwe WW is
ontstaan.
Degenen die
op de eerste dag van de werkloosheid 57,5 jaar of ouder
zijn en op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding
van de nieuwe WW een WWV-uitkering ontvangen, vallen op
grond van artikel 6
[6] met ingang van 1 mei 1986 onder de
nieuwe WW.
Niet
ondenkbaar is dat het in deze situaties kan voorkomen
dat de gemeente ten onrechte over een periode
WWV-uitkering verstrekt. In verband daarmee biedt dit
artikel, net als thans op grond van de WW, de
mogelijkheid van verrekening, zonder machtiging van de
werknemer, tussen bedrijfsvereniging en gemeente.
Tweede lid
Dit lid bepaalt dat bij de verrekening ook betrokken
dienen te worden de ten laste van de gemeente
gekomen
premies op grond van de AAW, de
AKW en de AWBZ.
Aangezien in de huidige praktijk hieromtrent
onduidelijkheid bestaat, is dit, in navolging van de nieuwe
WW, expliciet opgenomen.
Artikel 16
[17]
Dit artikel regelt de duur van de uitkering voor de
personen, bedoeld in artikel
4 [4].
Uitgangspunt
is dat voor deze personen de huidige uitkeringsduur van
de WW en de WWV
tezamen in beginsel gehandhaafd blijft,
doch dat overigens het regime van de nieuwe
WW zo veel
mogelijk geldt. Het rblz.|17|
artikel
beperkt zich tot een regeling van de uitkeringsduur na
afloop van de WW-uitkeringsperiode, met andere woorden
regelt de uitkeringsduur voor deze personen vanaf het
moment dat zij recht hebben op een uitkering op grond
van de nieuwe WW. Uit artikel 4
[4] blijkt dat dit recht
ontstaat na het bereiken van de maximumuitkeringsduur
op grond van de WW, doch in ieder geval met ingang van
een halfjaar na de datum van inwerkingtreding van de
nieuwe WW (1 november 1986).
De duur komt
overeen met het bepaalde in artikel 19, eerste lid,
onderdeel a tot en met e, van de WWV en de daaraan
verbonden voorwaarde komt overeen met de
arbeidsverledeneis uit de nieuwe WW. Opgemerkt zij
verder dat in navolging van het in de nieuwe WW gevolgde
systeem de duur van de uitkering is gekoppeld aan de
leeftijd op de eerste dag van de werkloosheid, in plaats
van op de dag van de aanvraag van de uitkering, zoals
bij de WWV het geval is. In verband daarmee zijn de
leeftijdsgrenzen in dit artikel aangepast ten opzichte
van de in de WWV voorkomende leeftijdsgrenzen. Materieel
heeft dit echter in deze situatie geen gevolgen.
Voor degene
die op 30 april 1986 een WWV-uitkering ontving, is geen
afzonderlijke regeling nodig, daar de WWV op hem van
toepassing blijft zolang geen nieuw recht op uitkering
op grond van de nieuwe WW is ontstaan.
Op grond van
de nieuwe WW kan voor de arbeidsverleden eis rekening
gehouden worden met perioden waarin ten gevolge van de
verzorging van kleine kinderen niet aan het
arbeidsproces is deelgenomen. Het ligt voor de hand deze
regeling ook te laten gelden voor de arbeidsverledeneis
voor de zogenaamde lopende gevallen die na afloop van de
WW-uitkeringsperiode in de nieuwe WW terechtkomen. Dit
regelt het derde lid.
Voorts
bepaalt dit lid de regeling van de herleving van de duur
van overeenkomstige toepassing. Deze regeling houdt nauw
verband met de arbeidsverledeneis en voorkomt dat
iemand door werkaanvaarding in een ongunstiger positie
geraakt dan degene die werkloos is gebleven.
Artikel 17
[20]
Dit artikel
geeft de uitkeringsduur aan van de werknemer die recht
op uitkering heeft op grond van de WW of de WWV
en op de
eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is. Deze
werknemer behoudt zijn recht tot de eerste dag van de
maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Artikel 18
[21]
Eerste lid
Op grond van de artikelen 42 en 50
[48] van de nieuwe
WW dient een werknemer voorafgaande aan zijn werkloosheid
drie jaar in een dienstbetrekking in de zin van die wet
te hebben gestaan om langer dan een halfjaar voor een
recht op uitkering ingevolge die wet in aanmerking te
komen.
Zonder
nadere regeling zou met de perioden waarin vóór 1 mei
1986 een dienstbetrekking in de zin van de WW of WWV
heeft bestaan geen rekening gehouden kunnen worden voor
de arbeidsverledeneis. Dit zou betekenen dat de eerste
drie jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe
WW nimmer
recht op een verlengde loondervingsuitkering of een
vervolguitkering zou kunnen bestaan.
Dit lid
voorkomt dat. Daarnaast regelt dit lid dat voor de
arbeidsverledeneis ook rekening gehouden kan worden
met perioden waarin de militaire dienstplicht of in
plaats daarvan vervangende dienst is vervuld, en met
perioden waarin in overheidsdienst is gewerkt.
Zie
verder ook de toelichting op artikel
11 [12], waarin een
gelijksoortige regeling is getroffen met betrekking tot
de referte-eis.
Tweede lid
Personen die bij inwerkingtreding van de nieuwe
WW een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO
en/of de AAW
rblz.|18|
ontvangen en
vervolgens werkloos worden (in verband met geheel of
gedeeltelijk herstel), vallen niet onder de werking van
de in het eerste lid bedoelde overgangsbepaling met
betrekking tot de arbeidsverledeneis. Ditzelfde geldt
ten aanzien van de personen die op de dag van
inwerkingtreding van de nieuwe WW werkloos worden en
voorafgaande aan hun werkloosheid verzekerd waren op
grond van de WW. Het eerste lid heeft alleen betrekking
op personen die werknemer in de zin van de nieuwe WW
zijn geweest. Het tweede lid bevat voor de onderhavige
categorieën van personen dezelfde overgangsbepaling wat
de arbeidsverledeneis betreft als voor de in het eerste
lid, onderdeel a, bedoelde categorie van personen.
Derde lid
Evenals in het kader van artikel 11
[12] is hier de
bevoegdheid tot verdere regelgeving verleend. Dit kan
van belang zijn met het oog op de telling van
arbeidsdagen in relatie tot het eindigen van de
uitkeringsduur. In verband met het tijdig kunnen
inspelen op situaties die niet voorzien zijn, is hier,
evenals in artikel 11
[12], gekozen voor regelgeving door de
minister.
Artikel 19
[22]
Dit artikel
regelt de hoogte van de uitkeringen voor alle werknemers
op wie het overgangsrecht van toepassing is. De hoogte
van het uitkeringspercentage alsmede de hoogte van het
dagloon blijven gehandhaafd op het niveau dat gold op de
dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe
WW in werking
treedt, met andere woorden 70% van het dagloon.
Dit betekent
dat de halfjaarlijkse stapsgewijze vermindering van de
uitkering op grond van de nieuwe WW niet op genoemde
werknemers van toepassing is.
Voor de
werknemer die op de eerste dag van werkloosheid 57,5
jaar of ouder is, houdt dit in dat hij tot de eerste dag
van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt
een uitkering ontvangt ter hoogte van 70% van zijn
dagloon.
Artikel 20
[23]
Dit artikel
stelt dat de halfjaarlijkse herziening van het dagloon
ook voor de daglonen op grond van de WW overeenkomstig
artikel 46 van de nieuwe WW dient te geschieden.
Deze
daglonen worden derhalve met ingang van 1 juli 1986
aangepast aan de ontwikkeling van de loonindex en niet
meer aan de ontwikkelingen van de lonen in de
bedrijfstakken.
Artikel 21
[24]
Dit artikel
voorkomt dat voor bepaalde categorieën werknemers de
uitkering beneden het relevante sociaal minimum
terechtkomt.
Voor een nadere toelichting op dit artikel moge
verwezen worden naar paragraaf
3.8.2 van de toelichting
op de nieuwe WW.
In zijn
advies van 23 oktober 1985 wijst de Emancipatieraad op
de problematiek die zich ten aanzien van deze groep kan
voordoen. In het conceptvoorstel van mei 1985 kon de
verhoging van de uitkering alleen plaatsvinden indien
sprake was van gehele werkloosheid uit een volledige
dienstbetrekking. De Raad merkte terecht op dat in dat
conceptvoorstel alleenstaanden die in een deeltijdbaan
toch het minimumloon verdienen, bij werkloosheid niet
dezelfde aanvulling zouden krijgen als alleenstaande
jongeren die voltijd werken en daarin datzelfde
minimumloon verdienen. Mede naar aanleiding van het
advies van de Emancipatieraad is dit artikel in die zin
aangepast dat de overgangsregeling ook geldt voor de
categorie alleenstaanden die in deeltijd het voor de
leeftijd geldende minimumloon verdienen.
rblz.|19|
Artikelen 22
t/m 26 [26-30]
Deze
artikelen bevatten een overgangsregeling voor toelating
tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering voor
personen die op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe
WW reeds in het buitenland verblijven. Hier wordt
de mogelijkheid geboden tot die verzekering toegelaten
te worden. Het SVr-advies ter zake is gevolgd.
Artikel 22
[26]
Evenals voor degenen die na de datum van inwerkingtreding van de nieuwe
WW tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering
kunnen worden toegelaten, wordt de eis gesteld dat zij
in dienst van een Nederlandse werkgever in het
buitenland werkzaam zijn, dan wel als Nederlander in een
ontwikkelingsland werkzaamheden verrichten.
Vanzelfsprekend kan voor hen de in de structurele
situatie geldende eis dat de vrijwillige verzekering in
aansluiting op de verplichte verzekering dient te worden
gesloten, niet worden gesteld. Opgemerkt zij dat voor
het huishoudelijk personeel geen overgangsregeling
behoeft te worden getroffen, omdat voor deze categorie
ook in de structurele situatie de eis van aansluiting op
de verplichte verzekering niet wordt gesteld.
Artikel 23
[27]
De termijn
waarbinnen een verzoek om toelating tot de vrijwillige
verzekering op grond van deze overgangsregeling dient te
worden ingediend, moet enerzijds niet te krap worden
gesteld in verband met de verblijfplaats van de
belanghebbende. Voorlichting over de mogelijkheid tot
toelating en de behandeling van de aanvraag zullen,
vooral als de betrokkene zich in een ontwikkelingsland -
ver van de moderne communicatiemiddelen verwijderd -
bevindt, geruime tijd in beslag kunnen nemen. Anderzijds
sluit een te lange termijn op verzekeringstechnische
bezwaren. In verband daarmee is een termijn van drie
maanden gekozen. De in het tweede lid geboden
mogelijkheid om te late aanmelding te pardonneren, is in
deze gevallen speciaal van belang voor
ontwikkelingswerkers die wegens hun standplaats slechts
weinig contact met Nederland hebben.
Niettemin
zal het gewenst zijn dat via de uitzendende organisaties en de diplomatieke en consulaire
vertegenwoordiging van Nederland ruimschoots aandacht
aan deze regeling wordt geschonken. Publikaties in de op
deze groepen gerichte persmedia en voorlichting door de
Wereldomroep zullen in dezen een steentje bij moeten
dragen.
Artikel 24
[28]
In dit
artikel wordt bepaald dat indien de persoon, bedoeld in
artikel 22 [26], niet is verzekerd op grond van de
ZW,
de bedrijfsvereniging hem tot de vrijwillige verzekering
op grond van die wet toelaat op het moment dat hij
wordt toegelaten tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering.
Artikel 25
[29]
Dit artikel
geeft aan welke arbeidsdagen meetellen bij de bepaling
van het recht op uitkering en de duur van de uitkering
voor deze groep. De voorwaarden voor het recht op
uitkering worden in belangrijke mate bepaald door de
referte-eis van 26 weken werken in het jaar voorafgaande
aan de werkloosheid. Zouden geen overgangsbepalingen
zijn getroffen, dan zou op grond van de nieuwe wet eerst
recht op uitkering ontstaan nadat men een halfjaar had
gewerkt c.q. verzekerd was. In verband hiermee is een
regeling getroffen op grond waarvan perioden waarin als
werknemer in de zin van de WW of de WWV
is gewerkt,
meetellen voor de referte-eis van de nieuwe
WW. Deze
perioden worden tevens in rblz.|20|
aanmerking
genomen voor de vaststelling van de duur van de
uitkering. Het scheppen van eenzelfde mogelijkheid voor
deze overgangsgevallen van de vrijwillige verzekering
zou tot ongewenste consequenties leiden. Een ieder
immers die in het buitenland in dienstbetrekking heeft
gewerkt, is werknemer in de zin van de WWV. Hierdoor zou
reeds voor vrijwel iedereen, vanaf de aanvang af, bij
werkloosheid recht op uitkering ontstaan. In verband
hiermee is bepaald dat de weken gelegen vóór de datum
van invoering van de wet slechts mogen meetellen als de
betrokkene als werknemer in de zin van de WW heeft gewerkt, in Nederlandse
overheidsdienst heeft gewerkt of zijn militaire
dienstplicht heeft vervuld. Voorts zijn als speciale
groep opgenomen degenen die in het kader van de
ontwikkelingssamenwerking als werknemer in de zin van de
WWV hebben gewerkt. Opneming van deze laatste categorie
houdt verband met de aparte status die deze groep
werknemers inneemt. In de huidige situatie bestaat voor
deze ontwikkelingswerkers, die veelal door de overheid
zijn uitgezonden, recht op WWV-uitkering, een aanspraak
waarmee zij rekening hebben gehouden toen zij in een
ontwikkelingsland zijn gaan werken. Door de invoering
van de nieuwe WW kunnen de WWV-aanspraken vervallen.
Opneming in de vrijwillige verzekering met meetelling
voor de referte-eis en de uitkeringsduur van weken
gelegen vóór de invoering van de nieuwe
wetgeving biedt
de gelegenheid om de rechten van deze personen zonder
onderbreking - zij het op een andere basis - te
continueren.
Artikel 26
[30]
Dit artikel
regelt de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk III
van de nieuwe WW.
Artikel 27
[31]
Dit artikel
regelt dat de wachtgeldfondsen, bedoeld in artikel
104 [102],
respectievelijk het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld
in artikel 105 [103] van de nieuwe WW, een voortzetting zijn
van de wachtgeldfondsen en het Algemeen
Werkloosheidsfonds, bedoeld in de WW.
Deze
bepaling voorkomt bijvoorbeeld dat de huidige fondsen
eerst moeten worden opgeheven en daarna weer nieuwe
fondsen moeten worden opgericht en zorgt ervoor dat de
baten en lasten van de oude fondsen automatisch overgaan
naar de nieuwe fondsen.
Artikel 28
[32]
Aangezien de
personen, bedoeld in artikel 6
[6] (de WWV-uitkeringsgerechtigden van 57,5 jaar
of ouder),
direct op de dag van inwerkingtreding van de nieuwe
WW onder de toepassing van de nieuwe WW worden gebracht,
moet voor hen bepaald worden van welke
bedrijfsvereniging zij uitkering ontvangen. Dat gebeurt
in dit artikel.
Deze
personen krijgen in beginsel uitkering van de
bedrijfsvereniging waarvan zij de WW-uitkering
ontvingen.
Het tweede
lid komt overeen met artikel
101 [99], tweede lid, van de nieuwe
WW.
Het derde
lid heeft betrekking op de WWV-uitkeringsgerechtigde
wiens uitkeringsrecht gebaseerd is op een
dienstbetrekking in het buitenland.
Het vierde lid
schrijft voor dat het gemeentebestuur de werknemer,
bedoeld in artikel 6
[6], dient aan te melden bij de
bedrijfsvereniging. Dit draagt er mede toe bij dat de
overgang van het uitkeringsregime van genoemde groep
uitkeringsgerechtigden zo eenvoudig mogelijk verloopt.
De overgang zal overigens nauwelijks extra werkzaamheden
voor de bedrijfsverenigingen met zich brengen, aangezien
de duur en de hoogte van de uitkering voor deze groep
werknemers constant blijven. De rblz.|21|
bedrijfsvereniging
heeft slechts enkele gegevens nodig. Te denken valt aan
de laatste werkgever, het WWV-dagloon en voor de
toepassing van de
Toeslagenwet enkele gegevens zoals de
gezinssamenstelling en inkomen die in het algemeen reeds
aan de gemeenten bekend zullen zijn in verband met
eerdere toepassing van de minimumdagloonregelen.
Bovendien is de omvang van de groep waarover het hier
gaat gering (plusminus 14 000 personen).
In de regels
die de minister
op grond van het vijfde lid bevoegd is
te stellen, kunnen onder andere voorschriften worden
gegeven met betrekking tot de aanmelding door de
gemeente bij de bedrijfsvereniging, mede in de vorm van
een standaardformulier. Voor situaties waarin het niet
duidelijk is bij welke bedrijfsvereniging de werknemer
moet worden aangemeld, kunnen eveneens regels worden
gesteld. Een tijdig regelen van situaties waarin
onduidelijkheden bestaan, heeft geleid tot een delegatie
bij ministeriële regeling.
Artikel 29
[33]
Dit artikel
bevat enige wijzigingen van de WWV
die voortvloeien uit
de nieuwe WW, de
Toeslagenwet en de Iow.
Onderdelen A
[A]
en C
[E]
betreffen de aanpassing van de WWV-uitkering van de
categorie personen die reeds zijn genoemd in de
toelichting op artikel 21 [24]. De
personen die onder de
vigeur van de WWV vallen, dienen immers hun aanspraak op
verhoging van hun uitkering aan de WWV te ontlenen. In
verband hiermee is voor hen alsnog een wijziging van de
WWV gewenst.
Onderdeel B
[C]
beoogt de werkingssfeer van de minimumdagloonregeling
uit te breiden tot degenen die ongehuwd samenleven en
wier samenlevingsvorm in hoge mate vergelijkbaar is met
het huwelijk. Aangezien op deze personen, indien zij op
of na 1 mei 1986 werkloos worden, de nieuwe
WW en
daarmee de
Toeslagenwet van toepassing zijn, ligt het in
de rede de zogenaamde lopende gevallen, voor wie de
Toeslagenwet niet zal gelden, op gelijke wijze te
behandelen. Dit artikel strekt daartoe voor de personen
op wie de WWV
van toepassing blijft na 1 mei 1986. Voor
de personen op wie de WW van toepassing blijft, is een
regeling getroffen in het derde lid [lees: vierde lid, red.]
van artikel
4 [4]; zij
kunnen een toeslag op grond van de Toeslagenwet
ontvangen.
Onderdeel D
[D]
voorziet in een wijziging van artikel 19 met betrekking
tot de overlijdensuitkering. Deze wijziging, die
eveneens plaatsvindt in de overeenkomstige artikelen van
de AAW, de
WAO en de ZW, wordt aangebracht in
verband met de gelijkstelling van niet-gehuwde personen
met gehuwden als voorzien onder meer in de Wijzigingswet
AOW. Zoals ook in de andere wetsvoorstellen gaat het om
de gelijkstelling van personen die niet met elkaar zijn
gehuwd, duurzaam een gemeenschappelijke huishouding
voeren en wier situatie feitelijk niet verschilt van die
van gehuwden die niet duurzaam gescheiden leven.
In zijn
advies geeft de SVr aan in principe positief te staan
tegenover een aanpassing van de bepalingen inzake de
overlijdensuitkering in de ZW, de AAW en de WAO zoals
hiervoor aangegeven.
De SVr merkt
voorts op dat een dergelijke aanpassing gelijktijdig een
aanpassing van artikel 1639l van het Burgerlijk
Wetboek vereist. Artikel 63, onderdeel
B [73,B], van
dit
wetsvoorstel voorziet in deze wijziging.
Onderdeel E
[G]
bevat een wijziging van artikel 28a van de WWV, ertoe
strekkend een verrekening van de WWV-uitkering met een
uitkering op grond van de Iow op dezelfde wijze mogelijk
te maken als thans geldt voor verrekening met
bijstandsuitkeringen. Voorts is een nieuw tweede lid rblz.|22|
toegevoegd,
waarin om de op dat punt in de praktijk bestaande
onduidelijkheid op te heffen, is bepaald dat bij de
verrekening ook betrokken dient te worden de ten laste
van de gemeente komende premie ingevolge de
AAW, de
AWBZ
en de AKW.
Een
dergelijke bepaling is ook opgenomen in de nieuwe
WW en
wel in artikel 37, tweede lid. Het nieuwe derde lid
geeft, evenals in de overeenkomstige bepaling van de
nieuwe WW, aan dat voor zover bij de verlening van
bijstand al rekening is gehouden met de eventuele
verlening van de uitkering, geen verrekening
plaatsvindt.
Onderdeel F
[H]
regelt het laten vervallen van hoofdstuk lllb van de WWV.
Artikel 7 [7] regelt de overgang naar de
Iow ten aanzien van
degenen die op 30 april 1986 een uitkering ontvangen op
grond van de interim-voorziening of die bij voortdurende
werkloosheid daarop aanspraak zouden hebben kunnen
maken.
Artikel 30
[34]
Zoals in
paragraaf 3.7.3 van de memorie van toelichting bij de
nieuwe WW is uiteengezet, blijft de huidige
dagloonsystematiek voor de werknemersverzekeringen
voorlopig van kracht. Dit impliceert dat de in de WW
opgenomen dagloonbepalingen, met uitzondering van die
inzake het minimumdagloon, tijdelijk voor de toepassing
van de nieuwe WW blijven gelden. Bij algemene maatregel
van bestuur zal worden bepaald op welk tijdstip de
nieuwe systematiek zal ingaan.
Artikel 31
[35]
Het in dit
artikel genoemde voorstel van wet is thans in
behandeling bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal. De
voorgestelde wijziging van de nieuwe
WW is conform de
wijziging die in dat wetsvoorstel met betrekking tot de
WW is opgenomen.
Artikel 32
[36]
Bij de
Tweede Kamer der Staten-Generaal is in behandeling het
wetsvoorstel houdende algemene regeling van beslag op
loon, sociale uitkeringen en andere periodieke
betalingen (Kamerstukken II 1982-1983, 17 897). Niet vaststaat dat dit wetsvoorstel
[lees: dat wetsvoorstel, red.] vóór de datum van
inwerkingtreding van de nieuwe WW
tot wet zal zijn
verheven en in werking zal zijn ingetreden. In de nieuwe
WW, de
Toeslagenwet en de Iow is een bepaling opgenomen
die overeenkomt met de in dat wetsvoorstel voorgestelde
wijzigingen van de WW en de WWV. Het is evenwel niet
gewenst dat deze bepaling in werking treedt voordat de
overeenkomstige wijziging met betrekking tot het beslag
in de andere socialezekerheidswetten in werking
treedt. Dit artikel voorkomt dat. Zolang genoemd
wetsvoorstel niet in werking is getreden, zal de thans
in artikel 24 van de WW voorkomende regeling ook voor de
hiervoor genoemde wetten gelden.
Artikel 33
[37]
In verband
met de vervanging van de WW en de WWV
door de nieuwe WW per 1 mei 1986 is besloten om
gemeenten ter compensatie
voor de vergoeding [lees: ter compensatie
een vergoeding, red.] in de kosten van (her)onderzoek
betreffende de WWV gedurende vier twaalfmaandelijkse
perioden een uitkering te geven die geleidelijk
vermindert. Hierbij is in de overweging betrokken dat
per genoemde datum degenen die op dat moment uitkering
op grond van de WWV hebben, c.q waarvan de aanvraag op
dat moment in behandeling is, hun aanspraak op uitkering
jegens de gemeenten zullen behouden, rblz.|23|
zodat de
gemeente, zij het tijdelijk, met de uitvoering blijft
belast. Van de groep die onder de vigeur van de WWV
blijft, worden echter uitgezonderd de
uitkeringsgerechtigden die thans onder de interim-regeling voor 50-jarigen en ouderen (hoofdstuk IIIb
WWV) vallen en de
uitkeringsgerechtigden die
thans onder de zogenaamde 57,5-jarigenregeling vallen.
Eerstgenoemden
zullen per 1 mei 1986 worden opgenomen in de Iow,
terwijl laatstgenoemden zullen overgaan naar de door de
bedrijfsverenigingen uitgevoerde nieuwe WW.
Uitgangspunt voor de bepaling van de uitkering is het
door het Rijk aanvaarde bedrag aan kosten van
(her)onderzoek
WWV voor alle gemeenten gezamenlijk over het jaar 1984.
Dit bedrag van circa ƒ105 miljoen zal over de jaren
1986 tot en met 1990 als volgt worden verdeeld:
vanaf 1 mei
1986 tot 1 mei 1987 80%;
vanaf 1 mei
1987 tot 1 mei 1988 60%;
vanaf 1 mei
1988 tot 1 mei 1989 40%;
vanaf 1 mei
1989 tot 1 mei 1990 20%.
Deze
regeling heeft de vorm van een tijdelijke specifieke
uitkering aan de gemeenten. Hierop is artikel 237b van
de Gemeentewet
van toepassing. Het in het derde lid van
genoemd artikel voorgeschreven overleg met de Ministers
van Binnenlandse Zaken en van
Financiën heeft
plaatsgevonden.
Daarbij is
vastgesteld dat de beschikbaarstelling van de met de
regeling gemoeide gelden in de vorm van een specifieke
uitkering wordt gerechtvaardigd op grond van het
gestelde in het vierde lid, onderdeel a, van artikel
237b. Daaruit blijkt namelijk dat specifieke
uitkeringen, die door de aard van het betrokken
onderwerp een tijdelijk karakter hebben, toelaatbaar
zijn.
De regeling
voldoet tevens aan de in het vijfde lid van artikel 237b
gestelde eisen inzake vermelding van de geldigheidsduur,
de uitkeringsvoorwaarden, de wijze van vaststelling van
de uitkeringsbedragen per rechthebbende en de termijn
waarbinnen en de instantie bij wie tegen de vaststelling
van de uitkering nadere voorziening kan worden gevraagd.
Aangezien
ook de kosten van terugvordering van ten onrechte
verstrekte uitkeringen op grond van artikel 40,
onderdeel e, WWV
behoren tot de uitvoeringskosten, zal
voor deze kosten geen vergoeding meer plaatsvinden. Deze
kosten zijn relatief beperkt in omvang (landelijk circa ƒ2
mln). Evenals de kosten van (her)onderzoek zullen de
kosten van terugvordering begrepen zijn in de
compensatie-uitkering voor de vergoeding in de kosten
van onderzoek en kosten van terugvordering betreffende
de WWV gedurende de hiervoor genoemde vier
twaalfmaandelijkse perioden.
Met
betrekking tot de kosten van onderzoek WWV betreffende
de artikelen 21, eerste lid, en 26, eerste lid, over de
maanden januari tot en met april 1986 kunnen de gemeenten
volgens artikel 40, onderdeel f, van de WWV
declareren.
Zoals reeds eerder gesteld, zullen de gemeenten met
betrekking tot de aanvragen gedaan vóór 1 mei 1986,
uitgezonderd die ten aanzien van degenen die vallen
onder hoofdstuk IIIb WWV en de 57,5-jarigen, nog bij de
uitvoering van de WWV betrokken blijven. Dit houdt in
dat met betrekking tot de onderzoeken bij aanvraag en de
heronderzoeken nog inspanningen van de gemeenten zullen
worden gevraagd. In dit verband moge nog gewezen worden
op het Besluit hercontrole WWV van de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 augustus
1985, nr. SZ/WV/85/2621, waarin nadere regelen worden
gesteld met betrekking tot de in artikel 26 eerste lid,
van de WWV
voorgeschreven heronderzoeken. Dit besluit
was het resultaat van het streven naar een striktere
uitvoering van de WWV en een eenvoudiger controle
daarop. Als logisch uitvloeisel van dit streven is thans
een bepaling opgenomen waarin wordt geregeld dat inzake
de uitkering aan de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid de bevoegdheid wordt gegeven om de
uitkering gedeeltelijk terug te vorderen indien blijkt
dat door de gemeente niet of in onvoldoende mate is
voldaan aan de verplichting tot het verrichten van
heronderzoeken ex artikel 26, eerste lid, van de WWV.
rblz.|24|
Tevens is
een bepaling opgenomen die voor gemeentebesturen die
zich ter zake onjuist behandeld achten de mogelijkheid
opent om binnen twee maanden na de datum van een
desbetreffend besluit in beroep te komen bij de Kroon.
Met betrekking tot de betaling van de uitkering is
voorts bepaald dat de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid door middel van een ministerieel besluit
nadere regels kan stellen.
Overigens wordt verwezen naar
de toelichting op artikel 57 [66].
Artikel 34
[38]
Dit artikel
stelt buiten twijfel dat de beslissingen die worden
genomen en de uitkeringen die worden verstrekt op grond
van dit hoofdstuk, worden beheerst door de bepalingen
van de nieuwe WW. Dit geldt uiteraard niet voor de
beslissingen en uitkeringen op grond van de WW en de WWV, zolang die wetten van toepassing blijven. Deze
worden beheerst door de bepalingen van die wetten.
Artikel 35
[39]
Onderdeel
A [A]
In het huidige tweede deel van artikel 1 van de AAW
is
een definitie opgenomen van het begrip echtgenoot. Nu
evenwel als onderdeel van de stelselherziening de
uitkeringen krachtens de AAW
volledig worden
geïndividualiseerd, heeft definiëring van dit begrip in
de toekomstige situatie geen zin meer. Deze bepaling kan
derhalve komen te vervallen.
Onderdeel
B [B]
Artikel 3, tweede lid, wordt gewijzigd uit
coördinatieoverwegingen. In de nieuwe
WW is de
overeenkomstige bepaling aangepast daar de woorden
"ten
opzichte van de bemanning" overbodig zijn.
Onderdelen
C [C],
D
[D]
en E
[E]
Artikel 10 van de AAW
bevat de verschillende grondslagen waarop de uitkeringen ingevolge deze wet
[lees: die
wet, red.] zijn gebaseerd. Het verschil in deze grondslagen wordt
veroorzaakt door het feit dat de hoogte daarvan
afhankelijk is gesteld van het feit of men de
financiële zorg voor anderen heeft, dan wel of men
geacht werd wegens zijn leeftijd lagere financiële
lasten te hebben. Gehuwden en ongehuwden met een kind
beneden de 18 jaar ontvangen hierdoor in feite een
toeslag op hun uitkering die, afhankelijk van de
neveninkomsten of de inkomsten van de huwelijkspartner,
op nettobasis 15 of 30% van het nettominimumloon
bedraagt. De uitkering zonder deze toeslag bedraagt
netto 70% van het nettominimumloon.
Zoals in
paragraaf 3.8 van de memorie van toelichting bij de nieuwe
WW is uiteengezet, geeft het kabinet ter zake van
de AAW-uitkeringen de voorkeur aan een
regeling die bij
een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer voor een ieder
voorziet in een uitkering ter hoogte van 70% van het
voor hem geldende relevante brutominimumloon. Voor de
argumentatie hiervoor moge worden verwezen naar
paragraaf 3.8.3 van eerdergenoemde memorie. Toeslagen
op de uitkering behoeven niet langer te worden verleend
op grond van de AAW, doch dienen evenals de toeslagen op
de andere loondervingsuitkeringen te worden verleend op
grond van de
Toeslagenwet.
In verband
hiermee kan de regeling van de grondslagen als
neergelegd in artikel 10 van de AAW
sterk worden
vereenvoudigd. Immers in hoofdzaak behoeft deze bepaling
slechts te voorzien in een grondslag die voor iedereen
bij volledige arbeidsongeschiktheid een uitkering
oplevert die overeenkomt met 70% van het minimumloon.
Artikel 10, eerste en tweede lid, regelt dit.
Voor één
categorie uitkeringsgerechtigden zijn evenwel nog
afwijkende bepalingen nodig. Dit betreft namelijk
degenen die in de periode aan hun arbeidsongeschiktheid
voorafgaande wegens het verrichten van werkzaam heden
gedurende minder dan de normale arbeidstijd minder
verdienden dan het bedrag van de grondslag. Voor deze
categorie geldt het bedrag van de eigen verdiensten als
een voor hen geldende individuele grondslag. rblz.|25|
Deze
situatie, die thans is geregeld in het vijfde lid van
artikel 10, blijft gehandhaafd in het nieuwe derde en
vierde lid van artikel 10. Nieuw is dat deze
deeltijdwerkers, anders dan op grond van de AAW, na
inwerkingtreding van de Toeslagenwet voor een toeslag
in aanmerking kunnen komen.
Het nieuwe
vijfde lid van dit artikel beoogt de bedragen van de
hierboven bedoelde individuele grondslagen aan te passen
aan de periodieke herziening van het minimumloon.
Volledigheidshalve wordt hierbij nog opgemerkt dat voor
de overige grondslagen in de wet geen
herzieningsbepalingen nodig zijn, omdat deze
grondslagen automatisch zullen worden herzien als het
minimumloon en het minimumjeugdloon worden herzien.
Hiermee is tevens toegelicht hetgeen wordt voorgesteld
in onderdeel E
[E]. Op grond van dit onderdeel vervallen de
artikelen 11 en 11a van de AAW, welke artikelen
voorzagen in de aanpassing van de grondslagen
overeenkomstig de tot nu geldende netto-nettosystematiek.
Met
betrekking tot de in onderdeel C
[C]
voorgestelde wijziging
van artikel 6 wordt opgemerkt dat deze slechts het
gevolg is van het niet meer gelden van de "hoge
AAW-grondslag". Om aan de in artikel 6 opgenomen
entree-eis voor het recht op uitkering te kunnen
voldoen, dient een nieuwe maatstaf te worden gehanteerd.
Deze is zo gekozen dat hij vrijwel overeenkomt met de
huidige eis van 15% van de hoge grondslag per jaar. In
het tweede lid van artikel 6 is tevens duidelijk tot
uitdrukking gebracht dat voor de vaststelling van het
voor de entree-eis relevante inkomen uitgegaan dient te
worden van het minimumloon bij de aanvang van de
arbeidsongeschiktheid. Hiermee wordt gevolg gegeven aan
het advies van de SVr op dit punt. Vermelding verdient
dat de "hoge AAW-grondslag" ook als maatstaf geldt
voor een aantal uitvoeringsbesluiten van de AAW. Het zal
derhalve nodig zijn deze uitvoeringsbesluiten bij de
inwerkingtreding overeenkomstig te wijzigen.
De
vervanging van de door de minister te stellen regels
in de bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regels, zoals is geschied in artikel 6, tiende en elfde
lid, in onderdeel C
[C]
en in artikel 10, zesde lid, in
onderdeel D [D],
houdt verband met het vermelde in punt 11
(toedeling bevoegdheden) van het nader rapport
betreffende de nieuwe
WW.
Het laten
vervallen van artikel 10a in onderdeel E
[E]
houdt verband
met het niet langer doen gelden van de hogere
grondslagen.
Onderdeel
F [F]
In de in dit onderdeel voorgestelde wijziging van
artikel 12, eerste lid, van de AAW
wordt, wat betreft
die wet, de reeds in de artikelsgewijze toelichting bij
het wetsvoorstel inzake de nieuwe
WW genoemde herziene
staffeling van de uitkeringspercentages geëffectueerd.
In de toelichting op
artikel 49 van de nieuwe
WW wordt één en ander uiteengezet. Zoals aldaar vermeld, vergt de
gekozen systematiek in geval van samenloop van
arbeidsongeschiktheid met werkloosheid een AAW-en
WAO-uitkeringsniveau dat evenredig is met de mate van
arbeidsongeschiktheid. In de huidige AAW en WAO zijn
staffels van uitkeringspercentages opgenomen die geen
evenredige werking hebben. Door deze niet-evenredigheid
is een goede regeling van de samenloop met
werkloosheidsuitkering niet mogelijk. Op dit punt is
derhalve aanpassing van de AAW en WAO geboden.
Onderstaand
is de huidige staffel weergegeven, alsmede de
uitkeringspercentages die uit een strikte
evenredigheid voortvloeien.
| Mate van
arbeidsongeschiktheid |
Huidige staffel |
Evenredigheid |
| 80-100% |
70% |
70% |
| 65-80% |
57% |
0,725
x 70 = 50,75 |
| 55-65% |
44% |
0,6
x 70 = 42% |
| 45-55% |
35% |
0,5
x 70 = 35% |
| 35-45% |
25% |
0,4
x 70 = 28% |
| 25-35% |
17% |
0,3
x 70 = 21% |
| 15-25% |
x9% |
0,2
x 70 = 14% |
rblz.|26|
In verband
hiermee wordt thans voorgesteld de AAW- en
WAO-uitkeringspercentages in vorenbedoelde zin te
wijzigen.
Tevens dient
hierbij aandacht te worden geschonken aan het advies van
de SVr op dit punt.
De SVr heeft
bezwaren tegen de voorgestelde staffel van de
uitkeringspercentages bij gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid. Deze bezwaren richten zich met
name tegen de wijze waarop tot deze staffel is gekomen
en tegen de omstandigheid dat een groot gat dreigt te
ontstaan tussen volledige en gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid. Teneinde tot een evenwichtige
opbouw van de staffeling te komen, stelt de SVr een
herziening voor die in ieder geval voor de WAO zou
moeten gelden. Een deel van de Svr is van mening dat
deze herziening ook op de AAW van toepassing zou moeten
zijn.
In verband
met de afschaffing van de verdiscontering in de AAW en
WAO zal in veel meer gevallen sprake zijn van samenloop
van arbeidsongeschiktheids- en
werkloosheidsuitkeringen. Zonder nadere maatregelen zou
op grote schaal een ongelijke behandeling ontstaan
tussen situaties waarin sprake is van gedeeltelijke
werkloosheid en gedeeltelijk werken enerzijds en
situaties waarin sprake is van gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijk werken
anderzijds.
Dit probleem
wordt nog vergroot wanneer men bedenkt dat wordt beoogd
het niveau van de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet
en van de werkloosheidsuitkering wel in de tijd te
verlagen. Reeds bij de voorbereiding van de
wetsvoorstellen is onderzocht of het mogelijk was om de
gesignaleerde onevenwichtigheid via de
werkloosheidsregeling op te lossen. De
rechtevenredigheid tussen de mate van werkloosheid en
het niveau van de uitkering levert voor zo'n oplossing
evenwel een belemmering op. Die rechtevenredigheid kan
niet worden losgelaten.
In
aansluiting daarop is onderzocht of de gewenste
evenwichtigheid via een aanpassing in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen kan worden verkregen.
Dit bleek mogelijk door het uitkeringsniveau van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen evenredig te laten
verlopen aan de mate van arbeidsongeschiktheid; daarmee
wordt immers aangesloten op de reeds bestaande
evenredigheid bij de werkloosheidsregelingen. Hiermee
kon tevens de bestaande onevenwichtigheid worden
beëindigd waarbij arbeidsongeschikten in de lagere
klassen in een relatief nadelige positie verkeren en
degenen in de hogere klassen in een relatief voordelige.
Dit is mede van belang tegen de achtergrond van de
verwachting dat bij het schrappen van de verdiscontering
in de naaste toekomst het aandeel van de lagere klassen
zal toenemen.
Het
gehanteerde uitgangspunt van strikte evenredigheid
tussen uitkeringsniveau en mate van
arbeidsongeschiktheid leidt ertoe dat een gat zal
ontstaan tussen de uitkering bij een gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid van 65-80% en die bij volledige
arbeidsongeschiktheid. In dit verband is nog overwogen
de bestaande indeling in arbeidsongeschiktheidsklassen
te herzien onderscheidenlijk uit te breiden. Hiermee zou
de uitvoeringspraktijk echter onevenredig worden
verzwaard. Daarom is afgezien van wijziging in deze
richting.
De SVr zoekt
de oplossing in een andere opbouw van de staffeling. De
uitkeringspercentages zijn daarbij afgestemd op het
hoogste percentage van de arbeidsongeschiktheidsklassen
met een afronding op tientallen naar boven. Nog afgezien
van het feit dat deze staffeling tot niet onaanzienlijke lastenstijgingen zou kunnen leiden omdat
dit bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid over de hele
linie tot hogere uitkeringsniveaus leidt, geeft dit geen
oplossing voor het probleem dat de aanleiding voor het
voornemen tot herziening vormde. Deze optie leidt ertoe
dat over de hele linie sprake zal zijn van een
onevenwichtigheid tussen enerzijds gedeeltelijke
werkloosheid en gedeeltelijk werken en anderzijds
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijk
werken. Een dergelijke structurele ongelijkheid is
ongewenst en past bovendien niet in een rblz.|27|
eventueel
voor de langere termijn te overwegen verdere integratie
van de loondervingsregeling
bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.
Gelet op het
bovenstaande zien wij in de opmerkingen van de SVr geen aanleiding
de door ons voorgestelde herziening van de staffeling
aan te passen.
In een
overgangsbepaling (artikel
40 [45]) wordt
voorgesteld om diegenen die op het moment van invoering van
deze wet
zijn ingedeeld in de klasse 65-80% en 55-65% (in welke
klassen het uitkeringspercentage op dit moment bezien
vanuit de evenredigheid onevenredig hoog is), zolang zij
in die klassen blijven ingedeeld, niet te confronteren
met een percentageverlaging. Voor de overige klassen
betekent de voorgestelde nieuwe staffeling ofwel een
gelijk (klasse 45-55%) ofwel een hoger
uitkeringspercentage.
Onderdeel
G [G]
In artikel 12a van de AAW
is geregeld dat indien beide
echtgenoten recht hebben op de AAW-uitkering en de som
van deze uitkeringen meer bedraagt dan 80% van de hoge
grondslag (is netto gelijk aan nettominimumloon), er een
evenredige korting van beide uitkeringen plaatsvindt.
In de
adviesaanvrage stelselherziening heeft het kabinet als
zijn oordeel uitgesproken (paragraaf 7.3) dat in een
stelsel zoals dat op langere termijn wordt beoogd een
dergelijke anticumulatie uit een oogpunt van emancipatie
niet past.
In de
adviesaanvraag werd er voorts op gewezen dat op termijn
een stelsel met betrekking tot de
arbeidsongeschiktheidsregelingen voor ogen staat dat
voorziet in een in duur beperkte en qua hoogte aflopende
WAO-uitkering, waarna een uitkering op
sociaalminimumniveau volgt (tot het 65ste jaar) die uit de AAW
zou worden verstrekt. Een structuur die direct
vergelijkbaar is met de nieuwe WW, zoals die er op
langere termijn uit zal moeten zien, dus inclusief
tussenfase op minimumniveau tot het 65ste jaar.
In de
adviesaanvrage werd tot slot opgemerkt dat het kabinet
het denkbaar achtte dat te zijner tijd met betrekking
tot de arbeidsongeschiktheidsregelingen eenzelfde
systeem zou worden toegepast als in de AOW, waarbij voor
een leefeenheid de uitkering 2 x 50% van het minimumloon
bedraagt. Een dergelijke gedachtengang zou
zowel voor de AAW als voor de nieuwe
werkloosheidsregeling - met name de tussenfase - gevolgd
kunnen worden. Dit laatste is in ieder geval een zaak
voor de langere termijn.
Uit het SER-advies van juni 1984 dat
[lees: blijkt dat, red.] die Raad deze
anticumulatieregeling mede in het licht van deze langetermijnvisie heeft bezien. De
leden die zich voor
handhaving van de AAW als een volksverzekering hebben
uitgesproken, oordelen verschillend over de handhaving
van de hier bedoelde anticumulatieregeling.
De leden
benoemd door CNV, MHP, landbouw- en
middenstandsorganisaties, alsmede vijf kroonleden, zijn
van mening dat vanuit de AAW - evenals vanuit de overige
volksverzekeringen AOW en AWW - niet meer dan het voor
een leef- of gezinseenheid geldende sociaalminimuminkomen dient te worden toegekend. Naar
hun mening houdt dit in dat in het geval van een
huwelijk of samenlevingsverband beide partners aanspraak
hebben op een AAW-uitkering, de som van deze uitkeringen
beperkt dient te blijven tot 100% van de
koppelingsgrondslag. Dit wordt bereikt door
overeenkomstig de huidige anticumulatieregeling in deze
situatie de uitkeringsrechten van beide partners naar
evenredigheid van de individuele aanspraken te beperken.
Het afschaffen van de huidige anticumulatieregeling acht
dit deel uit financieel-economische overwegingen niet
verantwoord.
De werknemersleden benoemd door de
FNV zijn van oordeel
dat de huidige anticumulatieregeling niet dient te
blijven gehandhaafd. Daarbij overweegt dit deel van de
Raad dat het recht op een AAW-uitkering rblz.|28|
thans in
algemene zin is gebaseerd op het uitgangspunt dat een
verzekerde in het jaar voorafgaande aan het intreden van
de arbeidsongeschiktheid inkomen uit arbeid heeft gehad.
Op grond van dit criterium van feitelijke
inkomensderving ligt naar de mening van dit deel,
evenals bij de werknemersverzekeringen,
individualisering van de aanspraak op een AAW-uitkering
voor de hand. Dit houdt in dat zowel bij de toekenning
van de AAW-uitkering als bij de bepaling van de hoogte
van deze uitkering de levens- en gezinsomstandigheden
niet in aanmerking worden genomen; ongeacht de
individuele omstandigheden ontvangt dat iedere verzekerde
[lees: ontvangt iedere verzekerde, red.] die vóór het intreden van volledige
arbeidsongeschiktheid in voltijd heeft gewerkt, na één
jaar wachttijd een AAW-uitkering ter hoogte van 70% van
de koppelingsgrondslag. Naar het dit deel van de Raad
voorkomt, is, uitgaande van deze individualisering van
aanspraken, de aansluiting tussen AAW en WAO minder
gecompliceerd dan bij de huidige wetgeving.
Opgemerkt
zij nog dat een aantal kroonleden en de overige
ondernemersleden van de SER zich op dit punt van een
oordeel hebben onthouden.
Los van de
vraag wat op langere termijn zal dienen te gebeuren en ervan
uitgaande dat de structuur van de
uitkeringsregelingen bij werkloosheid en medisch-arbeidskundige arbeidsongeschiktheid niet gelijk is en
ook na de totstandkoming van de geïntegreerde
werkloosheidsregeling niet gelijk zal zijn, is er naar
ons oordeel evenwel thans voldoende aanleiding de
bestaande anticumulatieregeling te schrappen.
Deze
regeling staat immers de volledige individualisering van
de AAW-uitkering in de weg. Het zou van een inconsistent
beleid getuigen om op hetzelfde moment waarop de wet de
toets op het inkomen op de echtgenoot voor de
beoordeling van de hoogte van de uitkering komt te
vervallen, de toets op een uitkering van diezelfde
echtgenoot te laten bestaan.
Wij zijn ons
ervan bewust dat in feite hierdoor in een leefeenheid
twee AAW-uitkeringen van maximaal 70% van het
minimumloon naast elkaar kunnen bestaan. In de praktijk
zal dit overigens weinig voorkomen.
Uiteraard
dient in de
Toeslagenwet of in de uitvoeringsmaatregelen
daarvan, waarin ook toeslagen ten behoeve van
AAW-uitkeringsgerechtigden geregeld worden, te worden
bepaald dat in een dergelijk geval geen toeslagen
mogelijk zijn, maar dat ook AAW-uitkeringen gelden als
inkomsten voor de vaststelling van de toeslag. Onderdeel
G van artikel 35 [39,G]
strekt ertoe de anticumulatieregeling
ongedaan te maken. Opgemerkt zij nog dat de artikelen
12b en 12c indertijd zijn opgenomen om
WAO-uiteringsgerechtigden die louter om budgettaire
redenen of omdat zij als gehuwde vrouw ter zake van
vóór 1 oktober 1975 ingetreden arbeidsongeschiktheid
geen recht op AAW-uitkering hadden, voor de toepassing
van de anticumulatieregeling met AAW-gerechtigden gelijk
te stellen.
Onderdeel
H [H]
Deze wijzigingen houden verband met de wijziging van de
tekst van artikel 10 en betreffen geen inhoudelijke
veranderingen.
Onderdeel
I [I]
Bij de Wet van 19 december 1984, Stb. 1984, 633, is het
uitkeringspercentage voor de WAO
bij een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer verlaagd van 80
naar 70. Omdat een overeenkomstige verlaging van de AAW-percentages wegens de netto-nettokoppeling voor de
hoogte van de AAW-uitkeringen geen gevolgen had, is dit
bij die gelegenheid om technische redenen achterwege
gebleven. Nu ook voor de AAW de lagere percentages gaan
gelden, dient het in artikel 34 voorkomende percentage
overeenkomstig te worden aangepast.
Onderdeel
J [J]
Verwezen moge worden naar de toelichting
op artikel 29,
onderdeel D [33,D].
Onderdeel
K [K]
Artikel 48 van de AAW
is aangepast aan artikel 36 van de nieuwe
WW, waarin de terugvorderingsmogelijkheden van de
bedrijfsvereniging met betrekking tot hetgeen
onverschuldigd is betaald, zijn rblz.|29|
opgenomen. Onderdeel b van het eerste lid is nieuw in
verband met een gelijksoortig onderdeel in het
eerste lid van artikel 36 van de nieuwe
WW. Ook zijn de
termijnen waarbinnen teruggevorderd kan worden zoveel
mogelijk op elkaar afgestemd. Voorts is wijziging van
het eerste lid van artikel 48 nodig in verband met de
invoering van de
Toeslagenwet. Het is wenselijk dat de
bedrijfsvereniging de bevoegdheid krijgt onverschuldigd
betaalde AAW-uitkeringen ook te verrekenen met een
toeslag.
Artikel 48,
derde lid, kan vervallen wegens het vervallen van de
samenloopregeling in geval van AAW-uitkering verleend
aan beide echtgenoten van artikel 12a.
Het nieuwe
vijfde lid van artikel 48 is opgenomen overeenkomstig
artikel 36, tweede lid, van de nieuwe
WW en artikel 18 [20],
tweede lid, van de
Toeslagenwet. Het maakt de
verrekening mogelijk van vorderingen ter zake van ten
onrechte betaalde uitkeringen tussen verschillende
bedrijfsverenigingen. In dit wetsvoorstel zijn
overeenkomstige wijzigingen opgenomen van de artikelen
57 van de WAO en 33 van de
ZW.
Onderdeel
L [L]
Ook de wijziging van artikel 49, opgenomen in onderdeel
L [L], is conform de tekst van de overeenkomstige bepaling
in de nieuwe WW (artikel
37) en de
Toeslagenwet (artikel 19 [21]). Nieuw is de invoeging van de
Iow en de bepaling
dat bij de verrekening ook betrokken dienen te worden de
ten laste van de gemeente gekomen premies op grond van
de AAW, de
AWBZ en de AKW. Dit is expliciet opgenomen
omdat hierover in de praktijk onduidelijkheid bestaat.
Ook de in het derde lid opgenomen bepaling is nieuw. Zij
voorziet erin dat niet wordt verrekend indien bij de
verlening van de bijstand al rekening is gehouden met
een eventuele verlening van de uitkering. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien bij de verlening van
bijstand ermee rekening is gehouden dat de eventuele
arbeidsongeschiktheidsuitkering vermoedelijk onder het
niveau van de bijstandsuitkering zal komen te liggen en
slechts daarop aanvullende bijstand is betaald.
Ook in de WAO
en de ZW worden de bestaande bepalingen in
dit
voorstel overeenkomstig gewijzigd.
Onderdelen M
tot en met P [M-P]
De in deze onderdelen opgenomen
wijzigingen zijn van technische aard en vloeien voor het
grootste deel voort uit het laten vervallen dan wel
vernummeren van artikelen.
Onderdeel
Q [Q]
Artikel 97 is in zijn huidige vorm opgenomen in de AAW
bij de Wet van 30 december 1983, Stb. 1983, 698. Deze bepaling
strekt ertoe een tweetal categorieën van personen, te
weten weduwen en een aantal uit het buitenland
afkomstigen die wegens het vervallen van het
minimumdagloon in de WAO de minimumbescherming verloren
of dreigden te verliezen, een minimumbescherming op
grond van de AAW te geven. Deze personen behoorden
namelijk niet tot de kring van gerechtigden op grond van
de AAW.
Nu de
minimumbescherming van uitkeringsgerechtigden niet
langer vanuit de desbetreffende regeling zelf maar via
de
Toeslagenwet zal worden geregeld, is er geen noodzaak
meer deze bepaling te handhaven.
Artikel 36
[40]
Onderdelen B
tot en met E [B-E]
De in deze onderdelen vervatte wijzigingen
houden verband met de overeenkomstige bepalingen in de nieuwe
WW. De wijzigingen in de artikelen
2, 3, 4 en
6
zijn aangebracht uit een oogpunt van duidelijker
regelgeving. In artikel 3, eerste lid, is evenals in de
nieuwe WW aangegeven dat werknemer is de natuurlijke
persoon jonger dan 65 jaar, waardoor beter dan in
artikel 6, eerste lid, onderdeel d, het werknemerschap
is omlijnd. Dit onderdeel is dan ook vervallen.
rblz.|30|
De toevoeging van "mede" in het eerste lid van
artikel 4
geeft aan welke arbeidsverhoudingen naast de normale
dienstbetrekking als dienstbetrekking worden beschouwd.
Onderdelen F
[F]
en I
[I]
De in deze onderdelen voorgestelde wijzigingen
vloeien voort uit de vervanging van de WW door de nieuwe WW. Aangezien in de nieuwe WW de
mogelijkheid tot het in aanmerking nemen van wachtdagen
niet is opgenomen, kan de huidige bepaling van artikel
7, onderdeel b, vervallen.
Onderdelen G
[G]
en H
[H]
De wijzigingen in artikel 8 en
9 strekken ertoe
duidelijker aan te geven wie werkgever is. In plaats van
met "degene" wordt de werkgever aangeduid met
natuurlijk persoon of lichaam, hetgeen de werkelijke
situatie beter omschrijft. In vervolg daarop kan in
artikel 9 worden aangegeven wie als werkgever wordt
beschouwd.
Onderdeel
J [J]
Het tweede lid van artikel 12 is geschrapt daar het
stellen van nadere regels niet noodzakelijk is gebleken.
Onderdeel
K [K]
Het wijzigen van het derde lid van artikel
13 houdt
verband met de wijziging van de systematiek inzake de
premieheffing voor de werknemersverzekeringen op grond
van die wetten [lees: werknemersverzekeringswetten,
red.]. In ditzelfde wetsvoorstel wordt een
wijziging van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering voorgesteld die beoogt uitkeringen op grond van de ZW
en de nieuwe WW als loon in de zin van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering aan te merken (artikel 59,
onderdeel C
[68,C] en D
[68,D]). Deze uitkeringen vallen dan rechtstreeks onder
het loonbegrip van het eerste lid van artikel 13 van de WAO.
Onderdeel
L [L]
Voor de toelichting op dit onderdeel moge worden
verwezen naar de toelichting op artikel 35, onderdeel
F [39,F]. Het betreft hier immers dezelfde wijziging van de WAO-staffeling als in genoemd onderdeel is voorgesteld
met betrekking tot de AAW.
Onderdeel
M [M]
Het vervallen van de artikelen 10a, 11a en
12a van de AAW
maakt de in dit onderdeel voorgestelde wijziging van
artikel 46a noodzakelijk.
Onderdeel
N [N]
Verwezen moge worden naar de toelichting
op artikel 29,
onderdeel D [33,D].
Onderdelen O
[O]
en P
[P]
Verwezen moge worden naar de toelichting
op artikel 35, onderdeel K [39,K]
en L [39,L].
Onderdeel R
[R]
Onderdeel R [R]
houdt verband met de wijziging van artikel 7 van de
WAO.
Onderdeel
S [S]
In artikel 77 van de WAO is de bepaling opgenomen dat de
WAO-premie is verschuldigd door de werkgever en dat bij
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
een deel van de premie door de werknemer is
verschuldigd. Sedert de invoering van de AAW
is er een
steeds grotere verschuiving in de premielasten voor de
WAO tussen werkgever en werknemer opgetreden en is de
premielast voor de WAO in de loop der jaren vrijwel
uitsluitend bij de werknemer komen te liggen. In 1985
bedroeg het werknemersdeel van de premie 16% en het
werkgeversdeel 0,15%.
Zoals in paragraaf 5.4.2 van het
algemeen deel van de toelichting op de nieuwe WW is
gesteld en gemotiveerd, zal na invoering van de
stelselherziening de WAO-premie geheel ten laste van de
werknemer komen.
Onderdelen T
tot en met W [T-W]
Deze onderdelen betreffen de mogelijkheid
tot opname in de vrijwillige WAO-verzekering van het
huishoudelijk rblz.|31|
personeel
dat minder dan drie dagen per week werkzaam is. Zoals reeds
in paragraaf 3.9 van de memorie van toelichting bij de
nieuwe WW is uiteengezet, wordt de mogelijkheid tot
vrijwillige WAO- en ZW-verzekering opgenomen in verband
met de mogelijkheid tot toelating van deze groep
personen tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering.
Voorts is van de gelegenheid gebruikgemaakt om de
bepalingen die de vrijwillige verzekering in de
verschillende wetten
regelen zoveel mogelijk eenzelfde
inhoud te geven. De voorgestelde wijziging van artikel
81 strekt daartoe, alsmede de nieuwe artikelen 83 en
83a. Evenals in de
nieuwe WW is de mogelijkheid voor
personen die in een ontwikkelingsland werkzaamheden gaan
verrichten om zich aan te melden voor de vrijwillige
WAO-verzekering expliciet in het wetsvoorstel opgenomen.
Eveneens in het wetsvoorstel is opgenomen bij welke
bedrijfsvereniging aanmelding dient plaats te vinden.
Het nieuwe artikel 83a
voorziet daarin. Op dit moment is één en ander opgenomen in het SVr-besluit van 18 mei
1967, nr. 60 841.
Onderdelen X [X]
en Y [Y]
Onderdelen X [X]
en Y [Y]
vormen aanpassingen van technische aard in de
artikelen 87 en 88, in verband met de wijziging van
artikel 53 (overlijdensuitkering).
Artikel 37
[41]
Onderdelen A
[A]
en B
[B]
Deze wijzigingen zijn voorgesteld in verband met de reeds in de nieuwe WW voorgestelde herziening van de
dagloonsystematiek.
Zoals in
paragraaf 3.7.3 van de memorie van toelichting bij de
nieuwe WW is uiteengezet, wordt, hoewel in de bepalingen
van de onderscheiden werknemersverzekeringen de gedachte
tot uitdrukking is gebracht dat de uitkering gebaseerd
dient te worden op de toekomstige verdiencapaciteit, de
facto het dagloon vastgesteld op basis van de
verdiensten in het verleden. Het arbeidsverleden biedt
immers concretere aanknopingspunten voor de vaststelling
van het dagloon dan de toekomst.
Deze
benaderingswijze geldt sinds jaren en is op praktische
gronden gestoeld. Thans wordt in navolging van de nieuwe
WW voorgesteld deze benaderingswijze ook in de WAO
en de ZW tot uitdrukking te brengen. Op deze wijze wordt naar
onze mening beter de equivalentiegedachte tot
uitdrukking gebracht. Bovendien wordt aldus aangesloten
bij het systeem van dagloonvaststelling in de ons
omringende landen, die alle uitgaan van het in het
verleden verdiende loon. Op deze systematiek van
dagloonvaststelling is echter een aantal correcties
nodig, teneinde het dagloon te zuiveren van elementen
die onzekere trekken vertonen. Voor een meer uitvoerige
argumentatie moge worden verwezen naar eerdergenoemde
paragraaf 3.7.3.
Bij de
nieuwe WW is in principe uitgegaan van het in de laatste
26 weken voorafgaande aan de werkloosheid verdiende
loon. Voor de WAO heeft altijd het jaar aan de
arbeidsongeschiktheid voorafgaande als refertejaar
gegolden. Het lijkt ons juist deze situatie te
handhaven. Hierbij wordt opgemerkt dat dit refertejaar
voor de dagloonvaststelling slechts een richtsnoer kan
zijn. Het kan niet te allen tijde gelden als een
absolute voorwaarde, omdat zich bijvoorbeeld de
situatie kan voordoen dat de betrokkene nog geen jaar
heeft gewerkt. Ook kan het mogelijk zijn dat een langere
termijn een meer redelijke uitkomst biedt. Voorts kan in
geval van vast loon een kortere periode praktischer
zijn. De overgang naar het historisch dagloon neemt niet
weg dat ook in de WAO een aantal beperkingen
aangebracht dient te worden in de loonelementen die voor
de vaststelling van het dagloon meegenomen dienen te
worden. Voorkomen dient te worden dat het niveau van de
uitkeringen een ongunstige invloed kan hebben op de
reïntegratie in het arbeidsproces en afhankelijk is van
een aantal toevallige omstandigheden.
rblz.|32|
Het gaat dan
om de volgende loonelementen met onzekere trekken, te
weten loonelementen die niet:
- in de
bedrijfstak gebruikelijk zijn;
- vast en
gegarandeerd zijn;
- regelmatig
verstrekt zijn.
Uit oogpunt
van rechtszekerheid wordt voorgesteld deze begrenzingen
in de onderscheiden wetten neer te leggen. Uit de wet
kan dan gelezen worden welke vereisten aan een
loonelement worden gesteld om in aanmerking te kunnen
worden genomen bij de dagloonvaststelling. De uitwerking
van deze begrenzing zou - net als thans het geval is -
opgenomen dienen te worden in de door de SVr vast te
stellen dagloonregelen.
In de
dagloonregelen van de SVr zouden die elementen opgenomen
kunnen worden die algemeen gebruikelijk zijn. Voorts
wordt de mogelijkheid gegeven binnen de hiervoor
geschetste uitgangspunten regels voor groepen van
werknemers te stellen indien de aard van de beloning of
het arbeidspatroon daartoe aanleiding geeft.
Het gaat
daarbij om loonelementen die binnen een bedrijfstak in
aanmerking komen om in de dagloonvaststelling te worden
betrokken. Daarbij zal het bijvoorbeeld kunnen gaan om
loonelementen die weliswaar niet algemeen voorkomen,
maar wel in de bedrijfstak of in een bepaald beroep in
de bedrijfstak heel gebruikelijk zijn.
Zoals reeds
in de memorie van toelichting bij de
nieuwe
WW is
vermeld, zal het vaststellen van nieuwe dagloonregels
door de SVr en de bedrijfsverenigingen voor de ZW, de nieuwe WW en de
WAO alsmede de daaraan
verbonden goedkeuringsprocedures deze organen een
veelheid aan werkzaamheden opleveren.
Bovendien
zal tussen de verschillende organen onderling en met het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overleg
moeten plaatsvinden over de nieuw ontworpen regels en
zal toetsing daarvan moeten plaatsvinden aan de inhoud
van de begrenzende criteria. In dit kader zal veelvuldig
overleg nodig zijn om tot een gelijke interpretatie van
de criteria te komen.
Het is dan
ook niet wenselijk - ook de SVr heeft hierop gewezen -
om de datum van invoering van deze nieuwe
dagloonsystematiek met de datum van invoering van de
nieuwe WW te laten samenvallen.
In verband
hiermee is in de aanhef van artikel 37
[41] bepaald dat de
daarin voorgestelde nieuwe dagloonsystematiek eerst op
een later tijdstip, te bepalen bij algemene maatregel
van bestuur, in werking zal treden.
Artikel 38
[42]
Bij de Wet
van 29 december 1982, Stb. 1982, 737, in werking getreden op
1 januari 1983, werd onder meer het minimumdagloon voor
de WAO afgeschaft (op een later tijdstip vond dit
plaats voor de reeds op 31 december 1982 lopende
gevallen). Deze maatregel werd eerst op 1 januari 1984
effectief.
Vanaf deze datum werd op grond van
bovengenoemde wet het verschil tussen het minimumdagloon
en het "eigen dagloon" van de WAO stapsgewijze
overbrugd. Deze vermindering had geen gevolgen voor
degenen die in aanmerking komen voor de "hoge
AAW-grondslag". Op deze wijze werd de minimumbescherming
door middel van de AAW geregeld. Voor een categorie
uitkeringsgerechtigden, te weten de zogenaamde artikel-90-AAW-gevallen, diende evenwel een afwijkende regeling te
worden gecreëerd, omdat de uitkeringen van deze groep
niet ten laste konden worden gebracht van het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds. Voor hen werd het
minimumdagloon van de WAO gehandhaafd, terwijl hun recht
op het minimumdagloon werd gebaseerd op een (fictief)
recht op de "hoge AAW-grondslag". Materieel kwam
daardoor deze groep in dezelfde positie als degenen die
een AAW-uitkering gebaseerd op de "hoge grondslag"
ontvingen. Nu deze "hoge grondslagen" komen te
rblz.|33|
vervallen, is
er geen aanleiding meer - en technisch gezien ook geen
mogelijkheid meer - de hogere uitkeringen van deze groep
te handhaven. Evenals de "echte AAW-gerechtigden" zal
voor de [lees: Evenals
voor de "echte AAW-gerechtigden" zal de, red.]
eventuele aanvulling op de uitkering dienen
plaats te vinden vanuit de
Toeslagenwet. Artikel 38
[42] voorziet in het laten vervallen van de desbetreffende
bepaling.
Artikel 39
[43]
Eerste lid
Dit lid regelt de overgang naar het nieuwe stelsel van
de
Toeslagenwet voor uitkeringen aan AAW-gerechtigden
wier uitkering was gebaseerd op de "hoge-" en
"middengrondslag" en aan WAO-gerechtigden voor wie
het minimumdagloon van de WAO nog van toepassing was.
Naar aanleiding van het SVr-advies is bepaald dat de
grondslagen en uitkeringspercentages tot de datum van
overgang naar het nieuwe systeem op de oude voet worden
gehandhaafd. Het kabinet acht het overigens niet nodig
om ter zake van verschillen in de uitkeringen die ontstaan door wijziging van de koppelingsmethodiek een
speciale overgangsregeling te treffen. Eerst bij de
datum van overgang naar de nieuwe systematiek krijgt
betrokkene ook met de nieuwe koppelingsgrondslag te
maken.
Voor de
uitvoeringsorganen zal het niet mogelijk zijn al deze
personen direct op de datum van overgang naar het nieuwe
systeem van de Toeslagenwet over te brengen. In verband
daarmee is gekozen voor een regeling die deze overgang
over één jaar spreidt. De huidige bepalingen van de AAW
voorzien voor degenen die voor een uitkering in
aanmerking komen die is gebaseerd op de
"hoge-" en
"middengrondslag" in een herbeoordeling van het
inkomen van eens in de drie jaar. Het tijdstip waarop deze
herbeoordeling moet plaatsvinden, is vastgesteld bij Besluit van de
Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 26
juni 1980, Stcrt. 1980, 133. Door in het eerste lid
van artikel 39 [43]
de periode terug te brengen tot één
jaar wordt bereikt dat alle gevallen in de loop van het
eerste jaar na het in werking treden van deze wet
in het
nieuwe systeem worden ingepast.
Tweede lid
Het tweede lid betreft de personen die reeds in de
toelichting op artikel 38 [42]
ter sprake zijn gebracht, te
weten de zogenaamde artikel-90-AAW-gevallen. Zij hebben in
feite geen recht op AAW-uitkering, doch worden voor de
beantwoording van de vraag of zij voor het
minimumdagloon ingevolge de WAO
in aanmerking kunnen
worden gebracht, beoordeeld alsof zij een uitkering op
grond van de "hoge AAW-grondslag" hadden ontvangen. De
eerdergenoemde herbeoordeling dient derhalve ook voor
hen plaats te vinden. Om evenwel zeker te stellen dat
voor hen dezelfde overgangsregeling als voor de "echte AAW-gevallen" zal worden
toegepast, is het
tweede lid opgenomen.
Derde lid
In
de memorie van toelichting bij de
Toeslagenwet is in
paragraaf 1.2.2 vermeld dat ten opzichte van de te
verlenen toeslagen de alleenstaande ouders met een
minimumuitkering een te hoge uitkering ontvangen.
Derhalve is in de Toeslagenwet voor deze categorie
gekozen voor de 90%-norm. Een verlaging van reeds
toegekende uitkeringen wordt in dit kader door het
kabinet niet wenselijk geacht. In verband hiermee is ten
aanzien van ongehuwde AAW-gerechtigden met
kinderen, die
reeds een uitkering ontvingen, in afwachting van de
herstructurering van de AWW een speciale regeling
voorgesteld waardoor hun een hogere toeslag ingevolge
de Toeslagenwet kan worden toegekend. Deze in het derde
lid van artikel 39
[43] opgenomen bepaling bereikt
dit door
hen tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen datum als gehuwd aan te merken.
Vierde lid
Door de werking van het eerste en het tweede lid zullen
de ten laste van het Toeslagenfonds komende kosten
gemiddeld eerst een halfjaar later optreden dan zonder
een dergelijke regeling was gebeurd.
rblz.|34|
Het vierde
lid beoogt dit ongewenste effect teniet te doen. Inzake
de toedeling aan beide arbeidsongeschiktheidsfondsen van
een vergoeding ten laste van het Toeslagenfonds is het
SVr-advies gevolgd.
Vijfde lid
Aangezien er voor de in dit artikel genoemde personen
materieel in beginsel weinig zal veranderen, vindt een
schriftelijke kennisgeving niet automatisch plaats. De
belanghebbende kan echter om een schriftelijke
kennisgeving verzoeken, die hem desgevraagd wordt
verstrekt.
Artikel 40
[45]
Dit artikel
is opgenomen om voor die categorieën
uitkeringsgerechtigden ingevolge de AAW
en de WAO die
thans al een uitkering ontvangen en voor wie de herziene
staffeling, zoals voorgesteld in artikel 35, onderdeel
F [39,F], en in artikel 36, onderdeel
L [40,L], tot
inkomensachteruitgang leidt, een regeling te treffen
welke die inkomensachteruitgang moet voorkomen.
De bepaling
strekt ertoe dat voor deze groep personen het
uitkeringspercentage dat op grond van de WAO voor hen
gold, wordt gehandhaafd en dat het uitkeringspercentage
voor de AAW gelijk zal zijn aan het gehandhaafde
WAO-percentage. De wijziging in het AAW-percentage houdt
verband met de wijziging van AAW-percentages conform de
verlaging van het uitkeringspercentage van de WAO per 1
januari 1985.
Ter
vergelijking zijn hieronder opgenomen de AAW-percentages
en de uitkeringsbedragen zoals die thans gelden en bij
ongewijzigd beleid zullen gelden met en zonder de
toepassing van de hier te treffen overgangsregelingen.
| xxxxxxxxx |
Huidige AAW-staffel
op basis van 80% de
grondslag |
Huidige
WAO-
staffel toegepast
in AAW op basis van 70% van (verhoogde) grondslag |
Brutokoppeling
toegepast in AAW op basis van 70% van het minimumloon |
Herziening naar evenredigheid conform WAO-voorstel |
| Ao-klasse
x |
Grondslag
ƒ81,85 |
Grondslag
ƒ93,54 |
Grondslag
ƒ91,39 |
Grondslag
ƒ91,39 |
| Uitk.% |
Uitk.
perrdag |
Uitk.% |
Uitk.
perrdag |
Uitk.% |
Uitk.
perrdag |
Uitk.% |
Uitk.
perrdag |
| x |
x |
(overgangsregeling) |
(structureel) |
| 80-100% |
80% |
ƒ65,48 |
70%xr |
ƒ65,48 |
70%xr |
ƒ63,97 |
70% |
ƒ63,97 |
| 65-80% |
65% |
ƒ53,20 |
57%xr |
ƒ53,32 |
57%xr |
ƒ52,09 |
50,75% |
ƒ46,38 |
| 55-65% |
50% |
ƒ40,93 |
44%xr |
ƒ41,16 |
44%xr |
ƒ40,21 |
42% |
ƒ38,38 |
| 45-55% |
40% |
ƒ32,74 |
35%xr |
ƒ32,74 |
35%xr |
ƒ31,99 |
35% |
ƒ31,99 |
| 35-45% |
30% |
ƒ24,56 |
26,5% |
ƒ24,79 |
26,5% |
ƒ24,22 |
28% |
ƒ25,59 |
| 25-35% |
20% |
ƒ16,37 |
17,5% |
ƒ16,37 |
17,5% |
ƒ15,99 |
21% |
ƒ19,19 |
Het moge duidelijk zijn dat de
wijziging van de uitkeringen - die zowel voor degenen op
wie de overgangsregeling van toepassing is als voor
anderen - niet alleen veroorzaakt wordt door de
veranderde percentages, maar tevens door het lager
stellen van de grondslag. Dit laatste houdt verband met
de voorgestelde wijzigingen in de koppelingssystematiek
van de loondervingsuitkeringen op minimumniveau. Voor
een uiteenzetting ter zake wordt verwezen naar paragraaf
3.8 van de memorie van toelichting bij de nieuwe WW.
Overigens zij hierbij nog aangetekend dat het
uitkeringsniveau van alleenstaanden vanaf 21 tot 27 jaar
in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse volgens
artikel 43 [48] tijdelijk zal worden verhoogd, teneinde te
voorkomen dat het uitkeringsniveau bij loonderving onder
het sociaal minimum zakt.
Artikel 41
[46]
De huidige AAW
kent
voor uitkeringsgerechtigden van 18, 19 en 20 jaar
grondslagen die zodanig zijn vastgesteld dat zij bij
volledige rblz.|35|
arbeidsongeschiktheid
tot een uitkering leiden die respectievelijk 70%, 80%
en 90% bedraagt van de uitkering van een
uitkeringsgerechtigde van 22 jaar of ouder. Zoals in
paragraaf 3.8.5 van de memorie van toelichting bij de
nieuwe WW is opgemerkt, zijn de uit die grondslagen
voortvloeiende uitkeringen voor jongeren aanzienlijk
hoger dan vergelijkbare werkloosheidsuitkeringen.
Aan deze
ongelijke situatie komt een einde indien ook de
AAW-uitkeringen worden afgeleid van het minimum(jeugd)loon.
Zoals in de eerdergenoemde toelichting reeds is aangekondigd, wordt
thans in artikel 41
[46] een overgangsmaatregel getroffen
teneinde voor lopende gevallen inkomensachteruitgang te
voorkomen. De inhoud van deze regeling is zodanig dat
de op de datum vóór de inwerkingtreding van deze wet
voor hen geldende, aan de verlaging van het
uitkeringspercentage aangepaste (wegens de verlaging
van AAW-percentages van 80% naar 70% vermenigvuldigd met
8/7) bedragen blijven gelden, tot het moment dat de
volgens de nieuwe bepalingen voor hen geldende grondslag
hoger is.
Artikel 42
[47]
Deze
bepaling is opgenomen om zeker te stellen dat voor
degenen die vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet
arbeidsongeschikt zijn geworden als inkomenseis voor
toelating tot de uitkering geldt 260 x 15% van de bij
de ingang van die arbeidsongeschiktheid geldende "hoge
AAW-grondslag".
Artikel 43
[48]
Evenals
artikel 21 [24] dit voor de werkloosheidsuitkeringen doet,
regelt dit artikel voor de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van jongeren van 21
tot 27 jaar de garantie van het relevante sociaal
minimum.
Verwezen
wordt naar de toelichting op artikel
21 [24].
Artikel 44
[49]
In dit
artikel is een overgangsbepaling opgenomen voor een
beperkte categorie personen die op de dag voorafgaande
aan de inwerkingtreding van deze wet met toepassing van
artikel 8 van de AAW
recht hebben op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die
wet. Het
moet betreffen een op die dag tot uitbetaling komende AAW-uitkering.
Indien als
gevolg van het vervallen van de midden- en maximumgrondslag in de AAW het invaliditeitspensioen (op grond
van een regeling voor overheidspersoneel) de
AAW-uitkering overtreft, dan komt de AAW-uitkering in
die gevallen niet meer tot uitbetaling. Zonder nadere
regeling zou dan de
Toeslagenwet geen toepassing kunnen
vinden. De Toeslagenwet vereist namelijk dat er een tot
uitbetaling komende uitkering krachtens de AAW moet zijn
(artikel 1, onderdeel d, van
die wet). Betrokkenen
worden via de hier toegelichte bepaling onder de
werkingssfeer van de Toeslagenwet gebracht.
Artikelen 45
tot en met 50 [51-59]
De werknemer die een arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontvangt, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80%, heeft indien hij tevens gedeeltelijk
werkloos is, recht op aanvullende werkloosheidsuitkering als hij voorafgaand aan zijn
arbeidsongeschiktheid heeft voldaan aan de referte-eis.
Dat is nu zo en dat zal na doorvoering van de
stelselherziening in beginsel niet anders zijn. Wel moet
worden verwacht dat na doorvoering van de voorgestelde
afschaffing van de verdiscontering samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering en
werkloosheidsuitkering meer zal voorkomen dan thans. De
duur van de loondervingsuitkering bij werkloosheid is
beperkt en de duur van de vervolguitkering bij
werkloosheid eveneens. Dat betekent dat op termijn
degene die gedeeltelijk arbeidsongeschikt rblz.|36|
is
en gedeeltelijk werkloos, aangewezen kan raken op
aanvullende bijstand indien de resterende
arbeidsongeschiktheidsuitkering ligt onder de voor
betrokkene geldende bijstandsnorm. Indien hij daarvoor,
gezien zijn leeftijd, in aanmerking komt, kan recht
ontstaan op uitkering op grond van de voorgestelde Iow.
Aldus wordt bereikt dat werklozen die tevens
gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, wat hun
werkloosheid betreft niet anders worden behandeld dan
andere werklozen.
Reeds in de
adviesaanvrage over de stelselherziening aan de SER
en
aan de Emancipatieraad ging het kabinet ervan uit dat
voor diegenen die op het moment van afschaffing van de
verdiscontering recht hebben op
arbeidsongeschiktheidsuitkering een overgangsregeling
op haar plaats is. Die overgangsregeling is in de hier
toegelichte artikelen vastgelegd.
Artikel 46
[52]
De
voorgestelde regeling gaat er - anders dan destijds in
de adviesaanvrage werd voorgesteld, doch overeenkomstig
hetgeen ter zake in de toelichting bij het wetsvoorstel
strekkende tot afschaffing van de verdiscontering is
gesteld en toegelicht - van uit dat de thans bestaande
regeling van toepassing blijft op diegenen die op 30
april 1986 een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben en
35 jaar of ouder zijn. Hiermee is tevens tegemoetgekomen aan de opmerkingen van de SVr die in zijn advies
opmerkt dat er alles aan moet worden gedaan om de
onzekerheid die in het ter advisering voorgelegde
conceptwetsvoorstel voor de categorie 30-tot-50-jarigen
bestond zo snel mogelijk weg te nemen. Het handhaven van
de thans geldende arbeidsongeschiktheidsbepalingen zal
alleen gelden voor diegenen uit de categorie van 35 jaar
of ouder die zijn ingedeeld in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse en voor zolang zij daarin
blijven ingedeeld. Diegenen uit deze categorie die op
het moment van inwerkingtreding van de Wijzigingswet
AAW/WAO een gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, zijn immers
reeds beoordeeld op de aanwezigheid van een
werkloosheidscomponent. Hierdoor kunnen de nieuwe
bepalingen zonder problemen direct op hen van toepassing
worden. Dit geldt eveneens ten aanzien van degenen die
op genoemd moment zijn ingedeeld in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse en die op een gegeven
moment met toepassing van de huidige bepalingen worden
afgeschat.
Artikel 47
[53]
Op grond van
dit artikel hebben arbeidsongeschikten die in verband
met het bepaalde in de Wijzigingswet AAW/WAO niet langer
worden ingedeeld in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse, doch in een lagere, recht
op een aanvullende uitkering. Hiermee is tevens recht
gedaan aan het advies van de SVr, die van mening is dat
voor een ieder wiens uitkering wordt verlaagd in verband
met de wijziging van de arbeidsongeschiktheidsbepalingen
recht moet bestaan op een aanvullende uitkering en niet
alleen voor diegene wiens uitkering wordt verlaagd ten
gevolge van de afschaffing van de
verdisconteringsbepalingen. Tevens wordt in dit eerste
lid bepaald dat het recht op een aanvullende uitkering
ook bestaat voor degene die als gevolg van de wijziging
van de arbeidsongeschiktheidsbepalingen zijn volledige
arbeidsongeschiktheidsuitkering kwijtraakt omdat de
arbeidsongeschiktheid beneden de 15% is gedaald.
Daarnaast
moet hier worden vermeld dat alleen recht op de
aanvullende uitkering bestaat als de zogenaamde
afschatting plaatsvindt binnen twee jaar na
inwerkingtreding van de Wijzigingswet AAW/WAO. In de
hiervoor bedoelde periode van twee jaar wordt de
arbeidsongeschiktheid van al diegenen die op 30 april
1986 arbeidsongeschikt zijn en jonger dan 35 jaar
(opnieuw) beoordeeld.
rblz.|37|
Het kan zich
voordoen dat op grond van die beoordeling geen
afschatting plaatsvindt, omdat er geen sprake is van
restcapaciteit. Wordt na de hiervoor bedoelde periode
van twee jaar bij een volgende beoordeling wel
restcapaciteit geconstateerd, dan is er naar ons oordeel
onvoldoende reden om de in dit artikel voorgestelde
overgangsregeling op betrokkene toe te passen. Vaststaat
dan immers dat betrokkene wat betreft zijn
restcapaciteit moet worden aangemerkt als een "nieuw
geval".
De hier
besproken beperking in de tijd heeft voorts tot gevolg
dat de voorgestelde overgangsregeling in principe voor
arbeidsongeschikten jonger dan 35 jaar vóór 1 mei 1993
geheel zal zijn uitgewerkt. Zonder een dergelijke
beperkende voorwaarde zou de overgangsregeling nog
tientallen jaren van betekenis blijven. Al die tijd
zouden twee verschillende regimes naast elkaar van
kracht blijven.
In zijn
advies is de SVr nader ingegaan op de voorgestelde
overgangsregeling. In het ter advisering voorgelegde
voorstel zou het recht op uitkering ingevolge de
overgangsregeling slechts bestaan indien de afschatting
plaatsvindt binnen één jaar na het inwerking treden
van de Wijzigingswet AAW/WAO, waardoor volgens de SVr
een grote druk wordt gelegd op de Gemeenschappelijke
Medische Dienst (GMD).
In dit
verband zij opgemerkt dat, nu de categorie die in
aanmerking komt voor herbeoordeling is uitgebreid met de
personen van 30 tot 35 jaar, de termijn voor
herbeoordeling zoals hier wordt voorgesteld, is verlengd
tot twee jaar.
Bovendien
wordt de mogelijkheid gecreëerd om via ministeriële
regelgeving voor bepaalde categorieën van personen deze
periode anders vast te stellen.
Deze
regelgeving zal in nauw overleg met de
uitvoeringsorganen tot stand worden gebracht, zodat de
herbeoordeling zo zorgvuldig mogelijk zal kunnen
gebeuren. Indien noodzakelijk kan langs die weg tegemoet
worden gekomen aan eventuele problemen bij de
herbeoordeling.
Recht op
aanvullende uitkering bestaat alleen als betrokkene zijn
restcapaciteit niet kan benutten en dus gedeeltelijk
werkloos is, als hij voldoet aan de referte-eis en als
zich niet één van de in artikel 19 van de nieuwe
WW als uitsluitingsgronden omschreven omstandigheden
voordoet (tweede lid).
Met
betrekking tot de referte-eis voor deze personen geldt
uiteraard ook de overgangsregeling van artikel
11 [12] van deze wet.
De
aanvullende uitkering wijkt van de loondervingsuitkering
ingevolge de nieuwe WW onder meer
af doordat de
maximale duur twee keer zo lang is of vijf jaar indien
betrokkene al vijf jaar of langer
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving. De maximumduur
wordt geregeld in het derde lid en het vierde lid. De
regeling ter zake van de aanvullende uitkering wijkt
voorts in zoverre af van de regeling ter zake van de
werkloosheidsuitkeringen dat voor een recht op
uitkering van langer dan een halfjaar niet de
zogenaamde arbeidsverledeneis wordt gesteld. Wat het
niveau betreft van de aanvullende uitkering worden de
bepalingen ter zake van de loondervingsuitkering van de
nieuwe WW van overeenkomstige toepassing verklaard
(vijfde lid).
Met
betrekking tot de aanvullende uitkeringen heeft de SVr
verder geconstateerd dat degenen die voorafgaande aan
de ingetreden arbeidsongeschiktheid niet in
dienstbetrekking hebben gewerkt (zelfstandigen,
vroeggehandicapten) geen aanspraak kunnen maken op de
overgangsregeling (verlenging van de duur van de
loondervingsuitkering).
Omdat voor
deze categorie (tot 35 jaar) ook geldt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten gevolge van de te
wijzigen arbeidsongeschiktheidsbepalingen kan worden
verlaagd, is de SVr vooralsnog van mening dat ook deze
categorie in aanmerking moet kunnen komen voor een
overgangsregeling.
Zoals reeds in de adviesaanvraag over
het stelsel van sociale zekerheid van 25 mei 1983 staat
vermeld, is het met name nodig een overgangsregeling te
treffen voor degenen die als gevolg van de wijzigingen
in de rblz.|38|
arbeidsongeschiktheidsbepalingen
geen volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering meer
ontvangen, maar zullen zijn aangewezen op een
gedeeltelijke werkloosheidsuitkering en een
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. De reden
hiervoor is het verschil in uitkeringsduur voor
werknemers bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.
Derhalve wordt voor deze personen een aanvullende
uitkering voorgesteld.
Diegenen
die vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid niet
in dienstbetrekking hebben gewerkt, hebben tot nu toe
nimmer recht kunnen doen gelden op een uitkering
ingevolge de werkloosheidswetten.
Zij zijn
aangewezen op de Algemene Bijstandswet of de daarop
gebaseerde rijksgroepsregelingen. Deze uitkeringen duren
in principe tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd
door de belanghebbende. Voor hen
ontbreekt derhalve de grond waarop destijds is besloten
tot het treffen van een overgangsregeling, namelijk het
verschil in uitkeringsduur tussen de
arbeidsongeschiktheidswetten en de werkloosheidswetten.
Na het in
werking treden van de nieuwe
arbeidsongeschiktheidsbepalingen wordt dit niet anders.
Wij zien derhalve geen aanleiding om voor deze categorie
een aanvullende uitkering voor te stellen.
Artikel 48
[54]
Na de
aanvullende uitkering, geregeld in artikel
47 [53], bestaat
bij voortdurende gedeeltelijke werkloosheid recht op
een aanvullende vervolguitkering, die wat duur en
niveau betreft overeenkomt met de vervolguitkering van
de nieuwe WW. Om recht te hebben op deze aanvullende
vervolguitkering moet wel zijn voldaan aan de
arbeidsverledeneis, zoals die in de nieuwe WW wordt
voorgesteld. Zie voor het overgangsrecht inzake de
arbeidsverledeneis het voorgestelde artikel
18 [21], tweede
lid.
Artikel 49
[55]
In het
eerste lid wordt een aantal bepalingen van de nieuwe
WW van overeenkomstige toepassing verklaard. Het betreft
hier onder meer de herleving van het uitkeringsrecht, de
weigeringsgronden - ook wie recht heeft op aanvullende
uitkering of aanvullende vervolguitkering is dus
bijvoorbeeld gehouden passende arbeid te aanvaarden -, de
betaling en het beroep.
Het tweede
lid regelt dat recht op aanvullende uitkering of
aanvullende vervolguitkering recht op uitkering op grond
van de nieuwe WW uitsluit. Het is niet nodig tevens te
bepalen dat na afloop van de aanvullende uitkering geen
recht op werkloosheidsuitkering ontstaat. Betrokkene zal
op dat moment immers niet aan de referte-eis voldoen.
Het vierde
lid regelt dat de aanvullende uitkeringen ten laste
komen van de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Aldus wordt
- zoals ook in het algemeen deel van deze toelichting is
opgemerkt - bereikt dat de verschuivingen in de
verdeling van de premielast, die van de afschaffing van
de verdiscontering het gevolg zullen zijn, over langere
tijd worden gespreid.
In zijn advies is de SVr nader
ingegaan op de voorgestelde lastenverdeling.
Een deel van
de SVr is van mening dat de kosten van deze
werkloosheidsuitkeringen ten laste van het
werkloosheidsfonds dienen te komen en die van de
vervolguitkeringen ten laste van de algemene middelen.
Dit deel acht het onjuist dat een vermenging van kosten
optreedt door deze bij de arbeidsongeschiktheidsfondsen
te laten. Bovendien zal naar het oordeel van dit deel
van de SVr de voorgestelde overgangsmaatregel ter zake
van de afschaffing van de verdiscontering van
werkloosheid in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
reeds de door het kabinet gewenste spreiding in de tijd
van de verschuiving in de premielasten tot gevolg hebben.
rblz.|39|
Het komt ons
niet wenselijk voor de suggestie van dit deel van de SVr
te volgen. Het schrappen van de
verdisconteringsbepalingen leidt er bij de door het
kabinet gehanteerde veronderstellingen toe dat er met
betrekking tot nieuw toe te kennen uitkeringen een
overheveling van lasten plaatsheeft van de
arbeidsongeschiktheidsfondsen naar het
werkloosheidsfonds van jaarlijks bijna ƒ0,8 mld. Wanneer daarenboven binnen enkele jaren een
eenmalige lastenoverheveling uit hoofde van reeds
ingegane uitkeringen zou plaatsvinden van rond ƒ1,0 mld die na een periode van
vier à vijf jaar weer
zou verdwijnen, dan ontstaan alles bijeen schokeffecten
van een omvang die ongewenst is. Het kabinet acht zich
in dit oordeel gesteund door de opvatting van de SER,
die
het, blijkens zijn advies van 29 juni 1984, wenselijk
acht de verdeling van de financieringslasten over de
verschillende groepen bijdrageplichtigen op korte
termijn niet ingrijpend te wijzigen.
Bij het
becijferde bedrag van ƒ1 mld is rekening gehouden met
de getroffen overgangsregeling waarbij
arbeidsongeschikten vanaf 35 jaar niet aan
herbeoordeling onderworpen zullen worden. Zonder deze
bepaling zou het genoemde bedrag nog vele malen groter
zijn.
Anderzijds
is het wel zo dat met de bepaling ten aanzien van de
leeftijdscategorieën beneden 35 jaar - waarbij sprake
is van een verdubbeling van de uitkeringstermijn met
een maximum van vijf jaar - men in geval van
overheveling langer wordt geconfronteerd met de uit de
overgangsregeling voortvloeiende lastenverschuiving.
Artikel 50
[59]
In principe
heeft de persoon jonger dan 35 jaar die op de dag
voorafgaande aan die waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in
werking treedt een WAO/AAW-uitkering had van 70% en
deze verliest ten gevolge van het in werking treden van
de Wijzigingswet AAW/WAO, recht op een aanvullende uitkering.
Wel moet deze persoon nog voldoen aan een aantal
(aanvullende) voorwaarden. In artikel
47 [53], tweede lid,
wordt naar deze voorwaarden verwezen. Eén van deze
(aanvullende) voorwaarden is bijvoorbeeld het voldoen
aan de referte-eis. Op zich is het denkbaar dat iemand
(net) niet voldoet aan deze (aanvullende) voorwaarden,
terwijl het op zich alleen in ogenschouw nemende toch
onredelijk zou zijn dat iemand daardoor geen recht heeft
op een aanvullende uitkering. Enerzijds zou het een te
gedetailleerde wetgeving vergen om deze mogelijke (uitzonderings)gevallen
in de wet te regelen, anderzijds komen deze gevallen in
het algemeen eerst naar boven in de uitvoeringspraktijk.
Derhalve is ervoor gekozen deze gevallen eventueel nader
te regelen in ministeriële regelgeving.
Uitdrukkelijk
is het niet de bedoeling om in deze regelen af te wijken
van de (hoofd)voorwaarde voor het recht op een
aanvullende uitkering als nader omschreven in artikel
47 [53], eerste lid.
Omdat het
derhalve de bedoeling is om op meer ondergeschikte
punten zo nodig van de wet af te wijken, ligt regelgeving
bij ministeriële regelgeving meer voor de hand dan bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 51
[60]
In dit
artikel wordt een aantal wijzigingen van de ZW
voorgesteld.
Onderdelen B
tot en met K [B-K]
Verwezen moge worden naar de toelichting
op artikel 36, onderdeel B tot en met K [40,B-K].
Onderdelen L
[L]
en M
[M]
Deze onderdelen behelzen het vervallen van de
huidige artikelen 15, derde lid, en
16 in verband met
het schrappen van de minimumdagloonbepalingen in de ZW. Verwezen moge worden naar
hoofdstuk 5 van het
algemeen deel van deze toelichting.
rblz.|40|
Onderdelen N
[N]
en O
[O]
Verwezen moge worden naar de toelichting
op artikel 35, onderdeel K [39,K]
en L [39,L].
Onderdeel
P [P]
Verwezen moge worden naar de toelichting
op artikel 29,
onderdeel D [33,D].
Onderdelen
S [S],
T
[T],
V
[V]
en W
[W]
Deze wijzigingen betreffen onder meer de
opneming in de kring van toe te laten personen voor de
vrijwillige ziekengeldverzekering van bepaalde
categorieën huishoudelijk personeel. Voor het overige
moge worden verwezen naar de toelichting
op artikel 36, onderdeel T tot en met W [40,T-W].
Onderdeel
U [U]
Deze wijziging betreft het laten vervallen van het
huidige artikel 69. Dit artikel beoogde premieheffing
over de uitkering op grond van de vrijwillige
verzekering te voorkomen. Aangezien in deze wet
wordt
voorgesteld de premieheffing in de Coördinatiewet
Sociale Verzekering te
regelen, bestaat aan deze bepaling geen behoefte meer.
Verwezen moge worden naar de toelichting
op artikel
59 [68].
Artikel 52
[61]
Zoals reeds
is opgemerkt in paragraaf 3.7.7
[lees: 3.7.3, red.] van de memorie van
toelichting bij de nieuwe WW en voorts elders in deze
memorie ook is aangegeven, zal de nieuwe
dagloonsystematiek voor de werknemersverzekeringen
eerst op een later tijdstip gaan gelden. Dit artikel,
dat de overeenkomstige wijzigingen van de
dagloonbepalingen voor de ZW regelt, zal dan ook
gelijktijdig met de in de nieuwe
WW opgenomen
dagloonbepalingen (artikel 45) en de gewijzigde
dagloonbepalingen van de WAO
in werking treden.
Afwijkend
van de voorgestelde bepalingen in de nieuwe WW (26
weken) en de WAO (één jaar) wordt in de hier voorgestelde
bepaling, overeenkomstig de bestaande regeling, in de
regel uitgegaan van het loon gedurende de laatste
dertien weken. Een dergelijke korte periode past het best bij
het gegeven dat het bij ziekengeld in verreweg de
meeste gevallen gaat om (zeer) kort lopende uitkeringen.
Voorts is
een bepaling opgenomen volgens welke het dagloon tijdens
de uitkering kan worden gewijzigd wegens wijziging van
het loon die zou zijn opgetreden indien de betrokkene
niet ziek zou zijn geworden.
In
tegenstelling tot de WAO en de nieuwe WW volgt het
dagloon in de ZW de ontwikkeling van de lonen in
de bedrijfstak.
Artikelen 53
tot en met 55 [62-64]
Zoals reeds
diverse malen is uiteengezet, komen de
minimumdagloonbepalingen in de werknemersverzekeringen
te vervallen wegens het invoeren van de
Toeslagenwet.
Wat de overgang naar het nieuwe regime betreft, is voor
de verschillende regelingen gekozen voor een op die
regeling afgestemde systematiek. Wat de ZW
betreft, is aangesloten bij het verschillend karakter dat
de minimumdagloonbescherming respectievelijk gedurende
de eerste zes weken van de ongeschiktheid tot werken en
in de daarna liggende periode heeft. In verband hiermee
is in artikel 53 [62]
bepaald dat degene die op het moment
van invoering van de Toeslagenwet nog geen zes weken ZW-uitkering heeft de aanspraak op het
minimumdagloon behoudt tot die zes weken zijn verstreken.
De groep die reeds langer dan zes weken arbeidsongeschikt
is en derhalve reeds de toets om voor dat
minimumdagloon in aanmerking te komen heeft doorstaan,
behoudt het minimumdagloon zolang ter zake van hetzelfde
ziektegeval recht op ziekengeld bestaat.
In navolging
van het advies van de SVr is in de tekst van artikel 54
[63] een bepaling
opgenomen volgens welke perioden van ziekte die elkaar met rblz.|41|
onderbrekingen
van minder dan één maand opvolgen, worden samengesteld
voor de beoordeling of de betrokkene nog onder de
minimumdagloonbepalingen blijft vallen. Deze bepaling
is opgenomen naar analogie van de bepaling voor de
berekening van de maximumuitkeringsduur zoals
omschreven in artikel 29, vijfde lid,
ZW.
Artikel
55 [64] geeft aan wat voor de toepassing van de artikelen 53
[62] en 54
[63] onder minimumdagloon moet worden verstaan.
Artikel 56
[65]
De in dit
artikel voorgestelde wijzigingen van de Organisatiewet
Sociale Verzekering strekken er vooral toe de voorgestelde
Toeslagenwet - geen verzekering, doch een
uit de algemene middelen gefinancierde sociale
voorziening - en het bij die wet in te stellen
Toeslagenfonds in de Organisatiewet
Sociale Verzekering in te passen op de wijze waarop dat ook is geschied met de andere
wetten
en fondsen die onder de werking van de Organisatiewet
Sociale Verzekering vallen.
Mede naar
aanleiding van het advies van de SVr wordt in de nieuwe
WW voorgesteld het onderscheid tussen wachtgeld en
werkloosheidsverzekering te laten vervallen. In verband
hiermee hebben enkele aanpassingen in de Organisatiewet
Sociale Verzekering plaatsgevonden.
Artikel 57
[66]
In de
paragrafen 3.13 en 5.8 van de memorie van toelichting
bij de nieuwe WW is reeds stilgestaan bij de personele
en financiële consequenties voor de gemeenten en de
bedrijfsverenigingen die voortvloeien uit het voorstel
om de uitvoering van de nieuwe WW
(zowel de loondervingsuitkering als de vervolguitkering) en de
Toeslagenwet te doen plaatsvinden door de
bedrijfsverenigingen. Daar is ook ingegaan op de
conclusies ter zake van de ambtelijke werkgroep die tot
taak had de consequenties voor de uitvoering te
inventariseren. Eén van de conclusies in de rapportage
van genoemde werkgroep is dat aangezien de centrale
overheid de voorgestelde wijzigingen in het stelsel van
sociale zekerheid bepaalt, deze in ieder geval de
voorwaarden moet creëren om de consequenties van deze
wijzigingen voor de uitvoeringsorganen op te vangen.
Wij delen
deze conclusie van de werkgroep. Teneinde dit te
onderstrepen, is in het onderhavige wetsvoorstel een
aantal bepalingen opgenomen. Hierbij dient echter
gelijktijdig te worden onderkend dat zowel de gewoonten
als de bedrijfsverenigingen een autonome positie hebben
waar het gaat om de uitvoering van de socialezekerheidsregelingen en in ieder geval de organisatie
hiervan; binnen door de wetgever te stellen
randvoorwaarden zijn zij verantwoordelijk voor een
zorgvuldige uitvoering van de verschillende regelingen.
Dit betekent dat de wetgever gelijktijdig terughoudend
dient te zijn met het stellen van regelen ter zake.
De
consequenties voor de uitvoerders zijn vooral van
personele en organisatorische aard.
In de
memorie van toelichting bij de nieuwe WW is reeds
aangegeven dat de werkzaamheden voor een aanzienlijk
aantal gemeenteambtenaren zullen wegvallen en dat de
werkzaamheden voor de bedrijfsverenigingen zullen
toenemen. Van belang in dit verband is vooral op welke
wijze de personele gevolgen voor de gemeenten zoveel
mogelijk kunnen worden opgevangen. In genoemde memorie
van toelichting zijn reeds verschillende mogelijkheden
aangegeven. Met betrekking tot de genoemde mogelijkheid
om de extra arbeidsplaatsen die bij de
bedrijfsverenigingen ontstaan zoveel mogelijk te laten
bezetten door personeel afkomstig van de gemeentelijke
sociale diensten (GSD's), hebben wij gemeend enige
bepalingen in deze wet te moeten opnemen. Gelijktijdig
dient naar ons oordeel op dit punt terughoudendheid te
worden betracht teneinde recht te doen aan de autonome
positie - en hiermee de verantwoordelijkheid - rblz.|42|
van
bedrijfsverenigingen en gemeenten. Om deze reden zijn de
bepalingen zo beperkt mogelijk.
Artikel 57
[66] legt de betrokken instanties de inspanningsverplichting
op om tot afspraken te komen dat zoveel mogelijk
gemeenteambtenaren van wie de werkzaamheden als gevolg
van de voorgestelde maatregelen wegvallen elders binnen
het gemeentelijk apparaat of bij een andere gemeente
kunnen worden ingepast dan wel bij de
bedrijfsverenigingen in dienst kunnen treden. In deze
afspraken zullen in ieder geval de volgende zaken moeten
worden geregeld:
- de
herplaatsing/overplaatsing van gemeenteambtenaren;
- een
bezwaarprocedure tegen herplaatsing/overplaatsing voor
individuele gevallen;
- het
overgangsrecht, dat wil zeggen de rechten en aanspraken
van de voor herplaatsing/overplaatsing in aanmerking
komende gemeenteambtenaren met betrekking tot de
arbeidsvoorwaarden en overige rechtspositionele
aspecten.
De SVr is
bij brief van 9 juli 1985 door de eerste ondergetekende
verzocht het initiatief te nemen om tot dergelijke
afspraken te komen.
Alleen
indien betrokkenen niet in staat zijn tijdig te komen
tot afspraken, zou ingrijpen door de centrale overheid
nodig kunnen zijn. In het tweede lid wordt de
mogelijkheid hiertoe gecreëerd.
In de
memorie van toelichting bij de nieuwe WW is eveneens
aangegeven dat de personele gevolgen voor de gemeenten
kunnen worden beperkt wanneer extra gemeentepersoneel
wordt ingezet voor een betere uitvoering van de Algemene
Bijstandswet en voor een beleidsintensivering op
het terrein van misbruik en oneigenlijk gebruik in het
kader van de Algemene
Bijstandswet. Daar is geconstateerd dat het hierbij
gaat om een afweging die in een ander verband moet
plaatsvinden. Een concrete invulling van deze
beleidsintensivering is in dit wetsvoorstel dan ook niet
aan de orde.
Tegen de
achtergrond van het genoemde uitgangspunt dat de
centrale overheid de voorwaarden moet creëren om de
consequenties op te vangen, is het van belang dat een
dergelijke beleidsintensivering kan worden gefinancierd
uit de financiële ruimte die bij gemeenten ontstaat als
gevolg van de stelselherziening. In de memorie van
toelichting bij de nieuwe WW is hier nader op ingegaan.
Over de
financiële consequenties van de verschuiving in de
uitvoering is advies gevraagd aan de Raad voor de
gemeentefinanciën. Mede op basis van dit advies en
zoals reeds aangegeven in het nader rapport bij de
nieuwe WW is in artikel 33
[37] van het onderhavige voorstel
een overgangsregeling in het kader van de WWV
opgenomen. Door deze regeling, die bij genoemd artikel
reeds is toegelicht, worden aan de gemeenten in de
overgangsfase financiële middelen verschaft waardoor de
gemeenten zich geleidelijk kunnen instellen op de nieuwe
situatie.
Artikel 58
[67]
In het voorstel van Wet arbeid gehandicapte werknemers
(Wagw), dat sedert 16 april 1982 bij het
parlement in behandeling is, is in artikel 20, onderdeel
A, een wijziging van artikel 2 van de Organisatiewet
Sociale Verzekering voorgesteld. Aangezien deze bepaling
in dit voorstel opnieuw wordt gewijzigd, is artikel 58
[67] opgenomen.
Artikel 59
[68]
Op dit moment betalen WW-uitkeringsgerechtigden premie
over hun uitkering voor de ZW
en de WAO. Op hun
uitkering wordt een vereveningsbijdrage ingehouden
overeenkomende met het werknemersdeel van de premies
voor de WW. Uitkeringsgerechtigden ingevolge de WWV
betalen premie voor de WAO. Op hun uitkering wordt een
vereveningsbijdrage ingehouden rblz.|43|
overeenkomende
met het werknemersdeel van de premie voor de ZW en de
WW.
Inmiddels is
bij de Wet van 3 april 1985, Stb. 1985, 201, met ingang van 1
mei 1985 premieheffing voor de werknemersverzekeringen
over ZW-uitkeringen ingevoerd, dus ook voor de ZW zelf.
In de nieuwe
WW wordt voorgesteld eveneens over
werkloosheidsuitkeringen premie te gaan heffen. De
wijze waarop de premieheffing over uitkeringen is
geregeld, is echter verbrokkeld. In verband hiermee is
van de gelegenheid gebruikgemaakt te kiezen voor een
andere systematiek en wel door de ZW- en WW-uitkering en
de daarop verleende toeslagen als loon in de zin van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering aan te merken. Om dit te bereiken, zal in
artikel 3a van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering de fictie moeten
worden opgenomen dat de betrokkene tijdens de uitkering
op grond van de verplichte uitkering geacht wordt in
dienstbetrekking te staan tot de bedrijfsvereniging die
de uitkering verstrekt.
Immers op
grond van artikel 4 is loon al hetgeen uit
dienstbetrekking wordt ontvangen.
Door deze
fictie te beperken tot degenen die uitkering ontvangen
op grond van de verplichte verzekering blijven
uitkeringen op grond van de vrijwillige verzekering
uitgezonderd van premieheffing.
Voorts zijn
de bepalingen van artikel 6 zodanig gewijzigd dat ZW- en
WW-uitkering niet langer van het loonbegrip zijn
uitgezonderd.
De
aanvullingen op ZW-, AAW- en
WAO-uitkeringen, die bij de
eerdergenoemde Wet van 3 april 1985 op grond van
artikel 6, lid 1a, tot het loon zijn gaan behoren,
worden op grond van de artikelen 4 en
6, eerste lid,
onder het loon gebracht, terwijl lid 1a kan komen te
vervallen. De onderdelen C tot en met E van artikel 59
[68,C-E] strekken ertoe de hiervoor toegelichte wijzigingen in de Coördinatiewet
Sociale Verzekering aan te brengen.
Artikel 60
[69]
In artikel 31, tweede lid, van de voorgestelde nieuwe
WW is bepaald
dat de bedrijfsvereniging bevoegd is op verzoek van de
werknemer een voorschot te betalen indien onzekerheid
bestaat omtrent het recht op uitkering. Artikel 15
[17] van
de voorgestelde
Toeslagenwet regelt de bevoegdheid van
de bedrijfsvereniging een voorschot te betalen op een
nog niet vastgestelde toeslag.
Door
toepassing van deze voorschotmogelijkheid kan worden
voorkomen dat betrokkenen in afwachting van de
vaststelling van het recht op uitkering een beroep op
bijstand moeten doen.
Indien de
bedrijfsvereniging vervolgens vaststelt dat geen recht
op een uitkering bestaat, is zij bevoegd tot
terugvordering van het onverschuldigd verleende
voorschot. Wanneer de bedrijfsvereniging daartoe
overgaat, kan er - bij het ontbreken van andere
bestaansmiddelen - aanleiding zijn tot bijstandverlening over genoemd tijdvak. Het voorschot
dat wordt teruggevorderd, diende immers het oogmerk te
voorzien in de kosten van het bestaan. Gelet daarop en
de jurisprudentie aangaande bijstand voor schulden staat
het latere tijdstip van de formele aanvrage
bijstandverlening over die periode niet in de weg.
Voor
zover met betrekking tot de periode waarover het
voorschot werd verstrekt bijstand wordt verleend, kan
deze krachtens dit artikel ter verrekening met dat
voorschot worden betaald aan de bedrijfsvereniging.
Soortgelijke verrekeningsbepalingen zijn opgenomen in de
nieuwe WW en Toeslagenwet. Overeenkomstig genoemde
bepalingen kan op grond van dit artikel betaling aan de
bedrijfsvereniging van te verrekenen bijstand plaatsvinden zonder machtiging van de rechthebbende. Dit
artikel vindt geen toepassing indien het voorschot
uitsluitend betrekking had op een toeslag krachtens de
Toeslagenwet, evenmin is dit artikel van toepassing ingeval een voorschot werd verleend in afwachting van de
vaststelling van de hoogte van de WW-uitkering, zonder
dat het recht op rblz.|44|
uitkering
als zodanig onzeker is. In beide gevallen is
bijstandverlening over de voorschotperiode niet aan de
orde, aangezien met de vastgestelde
werkloosheidsuitkering, al dan niet in combinatie met
een toeslag, in het bestaan wordt voorzien. Een
eventueel onverschuldigd deel van het voorschot kan met
deze uitkering(en) worden verrekend.
Dit geldt
eveneens indien de uitkering lager wordt vastgesteld dan
het verstrekte voorschot, met name vanwege toepassing
van een sanctie. Hoewel bijstandverlening in dergelijke
situaties niet bij voorbaat is uitgesloten, moet worden
voorkomen dat een sanctie door het toekennen van
bijstand nodeloos wordt ontkracht.
Het College
Algemene Bijstandswet heeft op 23 december 1985 positief
op dit wetsvoorstel geadviseerd. Het College wijst
daarbij op technische problemen die zich bij de
verrekening met de bedrijfsvereniging met betrekking tot
de inhouding van loonbelasting en premieheffing sociale
verzekeringen kunnen voordoen. Hiervoor zal echter een
regeling worden getroffen analoog aan die welke thans
geldt in de omgekeerde situatie, namelijk bij
uitbetaling door de bedrijfsvereniging van socialeverzekeringsuitkeringen aan de gemeente
ter verrekening
met verleende bijstand.
Artikelen 61
[70] en 62
[71]
De
totstandkoming van een aantal nieuwe wetten in het kader
van de stelselherziening sociale zekerheid noopt tot een
aantal aanpassingen in het Bijstandsbesluit landelijke
normering (BIn). Dit betreft een tweetal
aangelegenheden:
1.
Uitbreiding van het begrip gezinsbijstand zoals
voorgesteld in het nieuwe artikel 5a van de Algemene
Bijstandswet.
2.
Harmonisatie van de vrijlatingsbepalingen ter zake van
inkomsten uit arbeid met die in de voorgestelde
Toeslagenwet en de voorgestelde Iow.
In de
begripsomschrijving van artikel 1 is nader bepaald dat
als echtpaar niet alleen wordt aangemerkt degenen die
als echtelieden in gezinsverband leven, maar ook degenen
die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren en van
wie de situatie ook overigens niet feitelijk verschilt
van die van gehuwde partners.
Deze
begripsomschrijving houdt tevens in dat degene die
wettig gehuwd is maar duurzaam gescheiden leeft van zijn
of haar wettige echtgenoot als eenoudergezin of
alleenstaande wordt beschouwd, tenzij sprake is van een
andere partner met wie de situatie niet feitelijk
verschilt van die van gehuwde partners.
Door in de
begripsomschrijving van eenoudergezin en van
alleenstaande op te nemen dat geen sprake is van een
gezinsverband wordt een duidelijke scheiding aangebracht
tussen de verschillende uitkeringscategorieën van het
Bln, namelijk enerzijds de echtparen en zij die
daarmee gelijkgesteld worden en anderzijds de eenoudergezinnen en de alleenstaanden.
De hier
gebruikte begripsomschrijving hanteert dezelfde
begrippen als tot dusverre in het Bln gebruikt en
komt voorts naar de inhoud overeen met de
uitkeringscategorieën van de Toeslagenwet. In de
Toeslagenwet wordt echter niet gesproken van het
echtpaar als in het gezinsverband levende echtgenoten of
van een eenoudergezin, maar van gehuwden en
alleenstaanden, al dan niet met kinderen. Dit
onderscheid in terminologie is echter zinvol omdat in de
Toeslagenwet altijd sprake is van de
uitkeringsgerechtigde die al dan niet recht heeft op
een toeslag, terwijl in de bijstand in voorkomende
gevallen sprake is van gezinsbijstand.
Een tweede
wijziging betreft de vrijlating van inkomsten uit
arbeid.
De
vrijlatingsbepalingen zoals deze sinds 1 januari 1983
gelden, houden onder meer in dat alle inkomsten uit
arbeid op dezelfde manier worden behandeld. Het voordien
geldende onderscheid tussen hoofd- en rblz.|45|
nevenverdiensten
kwam daarmee te vervallen. Tot deze aanpassing werd
destijds besloten omdat in de praktijk dit onderscheid
niet goed te hanteren bleek. Met de vrijlating van
arbeidsinkomsten wordt beoogd een stimulans te creëren
om, door middel van het verwerven van inkomsten uit
arbeid, zoveel mogelijk in eigen bestaan te voorzien. De
vrijlating geldt voor een periode van twee jaar.
Het
oorspronkelijke voornemen van het kabinet zoals was
opgenomen in het voorstel dat ter advisering is
voorgelegd aan onder andere het College Algemene
Bijstandswet was om zowel in de Toeslagenwet, de Iow als in het
Bln de vrijlating alleen te laten gelden
voor arbeidsinkomsten uit nieuw werk. Het College
Algemene Bijstandswet wijst in zijn advies van 23
augustus 1985 dit voornemen af. Het College is van
mening dat in zo'n opzet bij het beleid dat gericht is
op deelname van de cliënt aan het arbeidsproces
verschil zou worden gemaakt tussen bestaande en nieuwe
werkzaamheden. Bij nieuwe werkzaamheden wordt, aldus het
College, niet alleen de voorwaarde gesteld dat men zich
ter beschikking stelt van de arbeidsmarkt, maar wordt
tevens de stimulerende werking van de
vrijlatingsbepalingen als instrument gebruikt. Bij
bestaand werk zou alleen het instrument van het stellen
van voorwaarden worden toegepast. Dit verschil in
benadering is naar het oordeel van het College onjuist.
In beide situaties doet zich immers het probleem voor
dat het, door het complementaire karakter van de
bijstand, zonder toepassing van de vrijlatingsbepalingen
voor de cliënt uit financieel oogpunt geen verschil
maakt of hij de werkzaamheden verricht of niet.
Verder had
het aanvankelijke voorstel van het kabinet volgens het
College een extra ontmoedigende werking op de
arbeidsdeelname van partners van bijstandsgerechtigden.
Wanneer één van beiden een beroep moet doen op bijstand,
worden eventuele inkomsten uit arbeid van de ander
volledig in mindering gebracht op de uitkering, terwijl
zij volgens de huidige systematiek gedeeltelijk worden
vrijgelaten.
Ten slotte
wijst het College erop dat de voorgestelde
vrijlatingsregeling een extra fraudegevoelig element
toevoegt aan de Algemene Bijstandswet.
Mede gelet
op dit en - met betrekking tot de Toeslagenwet en de
Iow - andere adviezen hebben wij gemeend op ons
oorspronkelijke standpunt te moeten terugkomen. De
vrijlatingsregeling in het Bln blijft dan ook
ongewijzigd.
Hierop is
één uitzondering. Indien tijdens het voorliggende
traject een overeenkomstige vrijlating gold en de maximumduur daarvan
(twee jaar) nog niet is verstreken,
geldt deze vrijlating in het kader van de bijstand
alleen voor het nog resterende deel van die twee jaar.
Wel bestaat de mogelijkheid, gelet op het vijfde lid van
artikel 11, deze periode te verlengen indien als gevolg
van de in de persoon en het gezin gelegen belemmeringen
niet volledig in de algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan kan worden voorzien.
Een andere
wijziging betreft een herziening van artikel 18. Dit
artikel is de enige plaats in het Bln waar binnen het
kader van de gezinsbijstand sprake was van een ongelijke
behandeling tussen mannen en vrouwen. Hoewel dit artikel
nauwelijks betekenis meer heeft, gezien de bekostigingsbepalingen in de Wet op de bejaardenoorden, wordt toch
een aangepaste redactie voorgesteld.
Voorts is
een technische verbetering opgenomen van artikel 9a,
gelet op de nieuwe redactie van artikel 10 in het kader
van de op 1 juni 1985 ingevoerde woningdelersnorm.
In artikel
62 [71] worden de begripsomschrijvingen van echtpaar,
eenoudergezin en alleenstaande in artikel 1 van het
Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria in
overeenstemming gebracht met die in het Bln
Artikel 63
[73]
In dit
artikel wordt in onderdeel A [A]
wijziging voorgesteld van
artikel 1638c van het Burgerlijk
Wetboek. Deze
wijziging houdt verband met het rblz.|46|
vervallen
van de recentelijk in de ZW ingevoerde
minimumdagloonregeling. De voorgestelde
Toeslagenwet komt voor die regeling in de plaats, zij
het dat over
de eerste zes weken van ziekte geen recht op toeslag
bestaat. Zonder nadere voorziening zou dit er in een
aantal gevallen toe leiden dat de eerste zes weken van
ziekte niet een tot het sociaal minimum reikend inkomen
beschikbaar zou zijn. Dit artikel beoogt dit te
voorkomen, doordat vanaf de inwerkingtreding van deze
invoeringswet op grond van artikel 1638c
Burgerlijk
Wetboek zal
gelden dat de werkgever over in ieder geval
de eerste zes weken van ziekte ten minste het voor de
werknemer geldende minimumloon
moet doorbetalen. Van
deze verplichting zal niet bij (schriftelijke)
overeenkomst kunnen worden afgeweken.
De
Emancipatieraad [ER, red.] gaat in zijn advies van 23 oktober 1985
in op de positie van deeltijdwerkers tijdens de eerste
zes weken van ziekte. De ER komt tot de conclusie dat
gedurende de eerste zes weken van ziekte de werkgever
niet in alle gevallen op grond van de voorgestelde
herziening van artikel 1638c van het Burgerlijk
Wetboek gehouden is minstens een bedrag gelijk aan het
minimumloon te betalen. De ER adviseert de voorgestelde
aanpassing van artikel 1638c in die zin te wijzigen dat
dit artikel eenzelfde garantie biedt als die op grond
van de voorgestelde Toeslagenwet. Naar ons oordeel
verdient het geen aanbeveling het advies van de Raad te
volgen. Dit zou betekenen dat de
loonbetalingsverplichting in hoogte afhankelijk zou
worden van persoonlijke omstandigheden als woonsituatie
en eventueel partnerinkomen. Zulks komt ons niet
wenselijk voor.
Onderdeel
B [B] voorziet in een wijziging van artikel 1639l van het
Burgerlijk
Wetboek. De verplichting van de werkgever om in
geval van overlijden van de werknemer een uitkering
te verlenen aan nabestaanden, genoemd in het derde lid,
wordt aangepast. Deze aanpassing houdt verband met de
eerdergenoemde wijziging in de WWV,
AAW,
WAO
en ZW
van de bepaling inzake de
overlijdensuitkering; in het advies van de SVr is hierop
gewezen. De groep nabestaanden wordt uitgebreid met de
groep personen die op grond van de bepalingen van
genoemde socialezekerheidswetten met de echtgenoot
worden gelijkgesteld.
Artikelen 64
[74] en 65
[75]
Op grond van
artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en
artikel 17 van de Wet
op de loonbelasting 1964 worden
uitkeringen op grond van de WW voor de
toepassing van deze artikelen gelijkgesteld met
inkomsten uit tegenwoordige arbeid c.q. loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking. Dit impliceert dat voor
de aftrekbare kosten die betrekking hebben op deze
uitkeringen die een looptijd hebben van maximaal een halfjaar, mag worden uitgegaan van de zogenaamde
4%-regeling in plaats van de vaste kostenaftrek van ƒ200,-. Uitkeringen ingevolge de WWV
- die volgen op de
werkloosheidsuitkeringen - vormen daarentegen loon uit
vroegere dienstbetrekking zodat hiervoor de vaste
kostenaftrek van ƒ200,- geldt. In beide gevallen zijn
overigens de werkelijke kosten aftrekbaar indien deze
meer belopen dan 4% van het loon c.q. ƒ200,-.
Zonder
nadere voorziening zou het integreren van de huidige WW
en de huidige WWV tot één nieuwe
WW betekenen dat de werkloze werknemer gedurende de gehele
looptijd van de uitkering ingevolge deze wet [lees: die
wet, wet, red.] recht zou
krijgen op de kostenaftrek van 4%. Naar mag worden
aangenomen, zullen de werkelijke aftrekbare kosten voor
een werkloze werknemer in veel gevallen minder bedragen
dan de uitkomst van de 4%-regeling, zeker als het gaat
om langdurige werkloosheid. Dan immers ontstaat een
steeds verder verwijderd verband met de vroegere
dienstbetrekking. Tegen handhaven van de huidige
situatie, dus het gedurende het eerste halfjaar
van de
werkloosheid toepassen van de rblz.|47|
4%-regeling
en voor de resterende duur van de werkloosheid een vaste
kostenaftrek van ƒ200,-, bestaan voorts
uitvoeringstechnische bezwaren. In verband hiermee wordt
voorgesteld om de gelijkstelling van uitkering ingevolge
de WW met inkomsten uit tegenwoordige arbeid c.q. met
loon uit tegenwoordige dienstbetrekking te laten
vervallen. Hiermee wordt bereikt dat voor uitkeringen
ingevolge de nieuwe WW een uniform regime in de vorm van
de vaste kostenaftrek van ƒ200,- gaat gelden. Indien de
werkelijke kosten meer belopen dan ƒ200,-, zullen
uiteraard, overeenkomstig de bestaande systematiek, de
werkelijke kosten aftrekbaar zijn.
Ten slotte zij opgemerkt dat deze wijziging in de tabeltoepassing een
meeropbrengst van circa ƒ15 mln zal opleveren, die
uiteraard aan de belastingopbrengst zal worden
toegevoegd.
Artikel 66
[76]
Onderdeel
A [A]
De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
verleent aan dienstplichtige militairen en daarmede
gelijkgestelden die arbeidsongeschikt zijn op de dag
waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt,
dezelfde aanspraken op ziekengeld en
arbeidsongeschiktheidsuitkering als verzekerden
ingevolge de ZW en de WAO. Aanspraken ter zake
van die arbeidsongeschiktheid krachtens andere
wettelijke regelingen prevaleren echter.
In de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen zijn de
bepalingen van de ZW en de WAO van
overeenkomstige toepassing verklaard. Na
inwerkingtreding van de Invoeringswet stelselherziening
zullen de daarin voorgestelde wijzigingen van de ZW en de WAO dus ook van toepassing zijn op de
uitkeringsgerechtigden ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen. Door de in
dit onderdeel voorgestelde wijziging wordt bereikt dat
ook het in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen
overgangsrecht met betrekking tot de daarin voorgestelde
wijzigingen van de ZW en de WAO van
overeenkomstige toepassing is op de
uitkeringsgerechtigden ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen.
Onderdeel
B [B]
Dit betreft een redactionele wijziging. Het bestaande
artikel 9 bevat nog een verwijzing naar het derde en
vierde lid van artikel 57 van de
WAO. Dat heeft geen
betekenis meer omdat die leden bij Wet van 8 september
1976, Stb. 1976, 473, zijn vervallen met ingang van 1 oktober
1976.
Artikel 67
[77]
In het
voorstel van Wet
op de studiefinanciering welke met
koninklijke boodschap van 23 augustus 1985 bij het
parlement is ingediend, is met betrekking tot de gelijke
behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden
aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving die op
dit punt in de Algemene Bijstandswet wordt gehanteerd.
Nu als onderdeel van de stelselherziening wordt
voorgesteld deze begripsomschrijving te wijzigen, is het
wenselijk de bepalingen ter zake in de
studiefinancieringsregeling op overeenkomstige wijze
aan te passen.
Artikel 68
tot en met 70 [78-80]
In de
artikelen 67 [77] en 68
[78] wordt een aantal technische kwesties
geregeld. Het gaat hierbij om de melding van de Staatsbladnummers van de verschillende
wetsvoorstellen
indien deze tot wet zijn verheven en de juiste nummering
van artikelen van deze wetten in de Invoeringswet stelselherziening. Artikel 69
[79] biedt de mogelijkheid
ter wille van de uitvoering van deze
wet ministeriële
regels te stellen.
rblz.|48|
Artikel 71
[81]
Artikel 71 [81],
eerste lid, bepaalt dat het tijdstip van
inwerkingtreding van de verschillende wetsvoorstellen
bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, met
uitzondering van artikel 36, onderdeel
S [40,S], van de Invoeringswet stelselherziening.
Daar
wijziging van premieverdeling niet in de loop van het
jaar kan plaatsvinden, is in het tweede lid de inwerkingtreding van artikel 36, onderdeel
S [40,S],
vastgesteld op 1 januari 1987. De SVr wijst in zijn
advies op de zeer omvangrijke administratief-technische
consequenties van de stelselherziening en acht de
daarvoor toegemeten voorbereidingstijd ontoelaatbaar
kort. De SVr is daarbij uitgegaan van de voorziene
inwerkingtreding per 1 mei 1986. Wij menen thans
rekening te moeten houden met de mogelijkheid dat
inwerkingtreding op 1986 [lees: met ingang van 1 mei
1986, red.] op uitvoeringstechnische
problemen stuit. Daarom regelt het eerste lid een meer
flexibele inwerkingtreding. Diverse onderdelen kunnen op
verschillende data in werking treden.
Wij zijn ons
er terdege van bewust dat van de uitvoeringsorganen een
zware inspanning wordt gevergd. Wij hebben dit dan ook
zwaar mee laten wegen in ons argument om de
dagloonbepalingen op een later tijdstip in werking te
laten treden. Ook een gespreide overgang van de AAW-uitkeringen gebaseerd op de hoge en middengrondslag
naar de toeslagenregeling is mede getroffen om aan de
uitvoeringsproblemen tegemoet te komen. Voorts biedt de
bepaling dat de lopende WW-uitkeringen nog volgens het
oude regime dienen te worden behandeld en dat het
merendeel van de lopende WWV-uitkeringen door de
gemeenten zullen worden afgehandeld, verlichting. Ook de
gekozen overgangsregeling in het kader van de
voorgestelde wijziging van de AAW en de WAO
betekent dat
in de overgangsfase het aantal herbeoordelingen minder
zal zijn dan aanvankelijk kon worden vermoed.
Bovenstaande
aanpassingen betekenen naar onze mening in ieder geval
een aanmerkelijke verlichting.
Ons is
bekend dat de bedrijfsverenigingen zich in
Federatieverband [Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV),
red.] thans reeds intensief voorbereiden op
het nieuwe stelsel. Dit, alsmede de goede ervaringen in
het verleden, sterken ons in het vertrouwen dat zij er
ook nu weer in zullen slagen de omvangrijke
werkzaamheden op redelijke termijn af te ronden. Omtrent
invoeringsproblemen wordt overleg met de
uitvoeringsorganen gevoerd.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Kappeyne van de Coppello
|
|